De „Lucera” wordt geramd.
Daar komt de „Samson” weer aan.
Wie heeft er berouw gekregen, dat de bodem niet geheel en al vernietigd werd?
Pieter soms? Of Nelissen? Of Kapitein Sael? Blokmaker?
Wie weet het?
Bons! Een nieuwe stoot treft het ontredderde schip.
Sneller begint nu de „Lucera” te zinken.
Sael ligt in hare onmiddellijke nabijheid, doch geen mensch, die de hand tot redden der arme slaven uitsteekt.
Hoort, hoort, wat verschrikkelijke kreten stijgen uit het hol van het vaartuig op!
Het zijn de arme kaalhoofden, die aan de roeibanken vastgeketend zijn. Het zijn de niet levenlooze onderdeelen van het schip, die deze kreten laten hooren.
Hoort, hoort, Pieter, Nelissen, Blokmaker! Hoort, mannen! Eens waart ge als zij! Als gij daar nog eens op die banken geklonken waart!
Erbarming! Erbarming! O, hebt gij dan een Don Calliado’s hart? Een koud, ijskoud steenen hart soms, als de man uit het sprookje?
„Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vloeken! Bidt voor hen, die u geweld aandoen!” Gij leest het in uw’ Bijbel, die u, zooals gij zegt, zoo dierbaar is!
En die arme kaalhoofden zijn uwe vijanden niet eens! Zij haten u niet! Zij deden u nooit geweld aan!
Hebt medelijden, o, hebt medelijden! Slaat hunne ketenen stuk! Neemt ze op, die mannen! Draagt ze aan boord! Kleedt en voedt ze!
Harten van menschen, die u Christenen noemt, hebt lief, o, hebt lief! Redt, redt die armen! Eens waart gij als zij!
Tevergeefs! Men hoort niet. Het medelijden is doof.
Mannen, mannen dan! Wie weet, hebben die arme slaven geen vrouwen, die langs het heerlijke Oosterstrand troosteloos zullen uitzien naar de terugkomst van hare echtgenooten, van wie ze niet weten, waar zij zijn! Wie weet hoeveel arme kindertjes daar ginds aan het strand der zee staan om aan de stoeiende golfjes te vragen: „Wanneer brengt gij ons lief Vadertje weer? Wij verlangen zoo naar hem! Ons hartje vraagt zoo telkens naar hem! Zegt, golfjes, wanneer? Wanneer?”
Tevergeefs! Geen traan rolt langs de wangen dier geharde zeelieden, als de laatste flauwe kreet gesmoord wordt door de golven, waarin de „Lucera” thans verdwijnt.
Het is stil aan boord van de „Samson”.
„De rekening is betaald met den interest er bij!” zegt Pieter tot Nelissen.
Doch zie, het was alsof op het eigen oogenblik Moeder Heyn hem terzijde trad en hem in het oor fluisterde: „Pieter, mijn jongen, de rekening was met den dood van Don Calliado immers al vereffend? Wat hadden die ongelukkige galei-slaven u dan toch misdaan? Zeg, jongen?”
De stem van Kapitein Sael roept weer tot den arbeid. De stilte is voorbij. Er valt nog veel meer te doen.
De Spaansche vloot werd verslagen, en alleen Spinola was zoo gelukkig, na door de Staatschen tot voorbij Westkapelle gejaagd te zijn, eindelijk te Duinkerken binnen te loopen. Hij redde hierdoor voor Spanje eene waarde van tweemaal honderdduizend dukaten van goud en zilver, eene groote som voor dien tijd. Maar dat was alles, wat van de Spaansche vloot overgebleven was.
De Nederlandsche schepen keerden naar hunne havens weder, en voor het volk, dat er op diende, was voor dat jaar het gewerk gedaan.
Nelissen, Pieter Heyn, Blokmaker, en al gij anderen van de „Samson”, de handen op het hart en met de geroemde zeemans-rondheid antwoord gegeven op de vragen: „Zijt gij tevreden over uw werk? En zegt, wat waart gij daar op zee: Mensch of tijger?”
In het voorjaar van 1608 lag op de Maas te Rotterdam de kloeke koopvaarder de „Muskaatboom” gereed om uit te zeilen. Het was een der schoonste schepen, die de Oost-Indische Compagnie, welke in 1602 opgericht was, in de vaart had. En op dat schoone schip was eene bemanning, die genoemd mocht worden. Het was een uitgelezen manschap van den schipper tot den pluimgraaf.
De schipper was een stevige veertiger, die Huygens had kunnen helpen om dezen in zijne „Scheepspraet” de regels te geven:
„’k Hebb te veel gesnor van buyenOver deuze muts sien gaen.’k Selt hun lichtelick soo klaeren,Dat ick vlaggen, schut en touw,En de maets die met mij vaerenVryen sel van dutt en rouw.”
„’k Hebb te veel gesnor van buyenOver deuze muts sien gaen.’k Selt hun lichtelick soo klaeren,Dat ick vlaggen, schut en touw,En de maets die met mij vaerenVryen sel van dutt en rouw.”
Hij heette Rogiersz., en had reeds twee reizen naar Amboina gemaakt en telkens met bijzonder geluk.
De eerste stuurman was Pieter Pietersz. Heyn. Na zijn’ zeetocht onder Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde, had hij met Nelissen de vaart ten oorlog vaarwel gezegd. En zulks niet zoo geheel ten onrechte. De Oost-Indische Compagnietoch bood veel meer kansen van gewin aan, dan de oorlogsvaart, en ieder matroos droeg in dien tijd, als hij maar wilde, de verzekering met zich om, dat hij door moed en beleid zeker schipper op een’ koopvaarder kon worden, zoo niet heel wat meer. Wel had Pieter Heyn zoo tusschenbeide weer eens dienst gedaan op verschillende oorlogsbodems, en had hij zelfs den zeeslag bij Gibraltar nog mee helpen winnen, doch dat was dan ook maar bij die gelegenheden, dat het Vaderland door den bedreigden handel, in gevaar gebracht werd, en koopvaardij-bodems tijdelijk dienst doen moesten, als schepen van oorlog. Zoo iets had dikwijls, nog heel lang na dezen tijd, plaats.
Er had met Pieter evenwel nog eene andere verandering plaats gegrepen. Te Rotterdam had hij kennis gekregen met een’ zekeren Claes De Reus, een’ schipper, die zeer gelukkig gevaren had, en die nu terwille van zijne vrouw, die, evenals hij, bejaard begon te worden, den zuidwester aan den kapstok gehangen had, om er hem niet meer af te nemen.
Deze Claes De Reus had slechts twee kinderen, beiden meisjes. Eene van deze heette Annetje, en Pieter zag in haar zijne Moeder, zoo hij meende, verjongd terug. Ze was stil, vlijtig, zuinig en vroom. Dit laatste niet in schijn, zooals, ongelukkig genoeg, ook toen het geval wel eens was, neen, ze was het inderdaad.
Onze Pieter bracht zijne Moeder eens in kennis met haar, en daar die goede vrouw in Annetje werkelijk veel van zichzelve terugvond, zoo had ze er niets tegen, dat heur Pieter haar tot vrouw nam.
En Vader Heyn dan? Deze had toch ook wel wat te zeggen in zulk eene zaak?
Neen, Vader Heyn’s goed- of afkeuring vroeg men niet. Zoo langzamerhand was hij lichamelijk gaan aftakelen, en kon hij zelfs niet meer uit visschen gaan. Pieter was de aangewezen man om voor hem en zijne Moeder te zorgen, want zijne broeders, die al gehuwd waren, hadden voor hun eigen klein gezin het dagelijksch brood, doch meer ook niet.
Gelukkig had Piet ruime verdiensten en kon hij zijne Ouders best onderhouden, doch zie, toen Vader aan den wal stilletjes kwam leven en hij niet meer werkte, hield het aftakelen van het lichaam zoo goed als op, terwijl de geestelijke vermogens verminderden, en vrij sterk ook, zoodat hij ten laatste begon te suffen en alles best vond, onverschillig, of het goed of kwaad was. Van de zee, eens zijn lust en leven, scheen hij niets meer te weten.
Heel anders was het met Claes De Reus, doch deze was heel wat jaren jonger dan de oude Heyn, die al half de veertig was eer hij aan trouwen dacht. Dit was met De Reus het geval niet geweest en hij was op pas twee en twintigjarigen leeftijd al gehuwd. Heel goed had hij nog verscheidene jaren kunnen varen, doch daar hij zijne schaapjes op het droge had en Annetje zijn eenig kind was, had hij, ter wille van die twee, den zuidwester aan den kapstok gehangen en was hij bij honk gebleven.
Bij honk, dat is, steeds thuis, dat was hij, maar met zijn hart en al zijne gedachten was hij nog altijd op zee, en het verheugde hem, dat een flink zeeman, als Pieter Pietersz. Heyn, om de hand van zijne lieve Annetje vroeg. Ze werd hem dan ook niet geweigerd, en, eer de „Muskaatboom” uitliep, waren Pieter en Annetje een paar geworden.
Toch had hij aan hare Moeder wat moeten beloven. En dat was, zóó zuinig te leven, als hem mogelijk was; alle eerlijke middelen in het werk te stellen om gauw schipper te worden, en dan een spaarpotje zien te maken, dat groot genoeg was om zoo spoedig mogelijk ook zijn zeemanspak in de kast te bergen.
Willem Adriaensz. Blokmaker was tweede stuurman en Steven, bootsman op hetzelfde schip.
Aan boord van het schip bevond zich ook een koopman, Evertsz. geheeten. Zulk een koopman ging meestal mede, als zaakgelastigde van de Compagnie, en aan hem was het handeldrijven en het koopen der lading toevertrouwd. Wilde hij bijvoorbeeld op de heen- en terugreis nog andere plaatsenaandoen om daar het een of ander te koopen, dan geschiedde dit, als de schipper het goed vond, want boven dezen stond hij niet, en hij had aan boord zelfs niets te bevelen en moest zich onderwerpen aan het gezag van den schipper, die hem dan ook meer als passagier beschouwde, hoewel hij uit den aard der zaak, als de verhouding tusschen beiden goed was, hem zeker nogal dikwijls raadpleegde. Later echter kreeg zulk een koopman nogal wat voor het zeggen.
De „Muskaatboom” was uitgerust met bestemming naar Amboina, op welk eiland van den Molukschen Archipel, in dien tijd door de Compagnie de voornaamste handel gedreven werd.
Op het oogenblik dat wij, in gedachten, op de „Muskaatboom” aan dek stappen om, in gedachten, de reis mede te maken, vinden we er nog vele vrouwen, die gereedstaan om van hare mannen afscheid te nemen. Onder die vrouwen zijn ook Pieters vrouw en Moeder.
Schipper Rogiersz., die niet getrouwd was, en ook al sinds lang geen Ouders meer had, kon niet begrijpen, dat groote mannen zoo klein konden worden op het oogenblik, dat ze van vrouw, Moeder of Vader afscheid namen, en daar de gelegenheid nu gunstig was om te vertrekken, zoo naderde hij het afscheidnemende hoopje en zeide: „Gansbloed, zou men niet zeggen, dat hier eene stortzee overdek geslagen is? Wat beduidt al dat gehuil, al dat gelamenteer toch? Fij, en dat voor mannen! Komtaan, gij daar met uwe witte huiven, den valreep af, of ik neem allen mee om je in de Oost-Indiën tegen peper te verruilen.”
Hierop wenkte hij een’ sloeproeier, die, in de hoop van een vrachtje te krijgen, met zijne jol aan den wal lag.
De man begreep dat wenken best, maakte de jol los en roeide ze naar de „Muskaatboom”. Niet zoodra lag hij bij den nog uithangenden valreep, of schipper Rogiersz. riep hem schaterlachend toe: „Krijn, een hoop sliknatte, witte zeilen. Hallo, man, er is een mooie duit aan te verdienen. Breng ze naar den wal, dan kunnen ze droog zijn tegen den tijd, dat we terugkomen.”
De „witte zeilen” waarmede de vrouwen bedoeld werden, waren niet zoo goed, of ze moesten in de jol overstappen, en nauwelijks was dat geschied, of Pieter naderde den schipper, veegde zich met een’ zijner vuisten een paar tranen van de wang en sprak: „Tot uw’ dienst, schipper! Ik ben klaar. Wat wil u?”
„Wat ik wil? Bij mijne ziel, vraag-je dat nog? Ik wil onderzeil! Hoe eer hoe liever!”
„Goed, schipper!” luidde het antwoord, en onze wakkere eerste stuurman liet alles in orde brengen, en toen dit geschied was, werd de „Muskaatboom” van zijne ankers losgemaakt en—vooruit ging ze!
Aan den wal stonden nog vrouwen. Zij wuifden met handen en zakdoeken. Pieter Heyn wuifde terug, wischte nog tersluiks een’ traan weg, en .... klaar was hij. Van top tot teen was hij een zeeman, even als zijn schipper.
Aanvankelijk kon een man, als Rogiersz. was, moeielijk gelooven, dat iemand, die bij het afscheid nemen van vrouw of Moeder zich zijne tranen niet schaamde, een flink zeeman was. Hij meende, dat zoo iemand aan boord al heel gauw door een soort van heimwee zou overvallen worden, en dat hij in tijd van nood te week- en te flauwhartig zou zijn om flink aan te pakken. Het was dus geen wonder, dat hij van Piet Heyn en al dat ander „tuig van tranenknijpers” al heel weinig verwachting had, en spijt gevoelde, dat hij bij de aanmonstering van het volk er niet op gelet had, of het was als hij, zonder Ouders, vrouw of kinderen. Heel vriendelijk werden Piet Heyn en zijne teerhartige vrienden in den beginne door den schipper dus niet behandeld. Deze tegenzin in die „tranenknijpers” duurde echter niet zoo heel lang, want zijn scherpziend oog zag gauw genoeg, dat mannen met harten ook mannen van flinke daden konden zijn, en toen hij dat eenmaal gezien had, dacht hij er heel anders over en toonde hij voor al zijn volk een uitnemend schipper te zijn.
Reeds aanstonds bewees Pieter, dat hij nog wat meer kondan tranenknijpen, want met vaste hand bestuurde hij de roergangers, zoodat de „Muskaatboom”, onder het lossen van een paar kanonschoten tot afscheid, statig en met vasten gang de rivier afzakte.
„Goede reis!” klonk het in alle stilte van den wal uit den mond des koopmans, en dat beduidde: „Maak maar goede zaken!”
„God behoede u!” fluisterden vrouwen en Moeders, terwijl ze bij den ingang der straat nog even naar de toppen der masten zagen, en men dacht er bij: „Wat zullen we blij zijn, als je weer terugkomt!”
„Vaartwel, vaart allen wel!” was de laatste uitroep van den matroos, die deze woorden uitsprak in het gebulder van het geschut, en hij verlangde al de vreugdeschoten te hooren bij de terugkomst. Die schoten klonken mooier, vond hij.
Na eene voorspoedige reis van vier dagen zeilde de „Muskaatboom” het Kanaal uit, en den Atlantischen Oceaan in, en heel de bemanning wenschte, dat die aanvankelijk gelukkige en voordeelige tocht eene voorspelling mocht zijn van een goed einde.
Maar, niets veranderlijker dan het weder, en niets zoo wispelturig als de wind.
Men mocht wenschen, wat men wilde, er zou gebeuren, wat gebeuren moest.
„Wel, stuurman, als we zóó in de Oost komen, dan mag dat wel met een krijtje aan den balk geschreven worden,” zeide koopman Evertsz. op zekeren avond, terwijl hij zich op het achterschip bij Pieter neerzette.
„Ja, koopman, dat geloof ik ook. Wij zijn de Linie al gepasseerd en naar ik van den ouden Marten gehoord heb, gebeurt het vaak, dat een schip daar soms weken lang ronddrijft zonder maar wat vooruit te komen.”
„Geloof niet alles, wat die oude zeerob vertelt. Hij krijgt de gebreken van den ouden dag en ziet altijd leeuwen op den weg,” luidde de opmerking des koopmans, die genoemden Marten, een’ ouden zeerob, die niet heel veel ontzag eneerbied had voor een’ koopman aan boord, ja, hem maar al te vaak als een „sta-in-den-weg” beschouwde, niet goed lijden kon.
„Het moge zijn, dat Marten te veel zwarigheden ziet,” hernam Pieter, „maar hij is veel meer dan wij een man van ondervinding. Op eene leugen heb ik hem nooit betrapt.”
„Hoe zou-je dat ook kunnen? Je bent toch, om zoo te zeggen, nog groen, want het is immers je eerste groote reis?” antwoordde de koopman. „Geloof me, ik, als koopman van de Compagnie, kan meepraten, want alle scheeps-journalen kreeg ik in handen. Ik zeg, dat Marten een groote spekschieter is, die zich verbeeldt de wijsheid in pacht te hebben, omdat hij al meer reizen naar de Oost gedaan heeft. Mij kan hij althans niets wijsmaken; ik ben gelukkig wat meer belezen en zoo dom niet uitgevallen.”
Terwijl koopman Evertsz. zoo aan het grootspreken was, stond de man, over wien hij het had, tegen het achterschip, dat volgens den bouwtrant van die dagen veel hooger was dan het gewone scheepsdek. Op dat hoogere gedeelte van het schip, dat men de „Campagne” noemt, mogen alleen de Officieren komen, en aan boord van de koopvaardij-schepen behoorden stuurman en koopman daar ook bij. De mindere man mocht er alleen komen om schoon dek te maken, of als het hem bevolen werd, er werk te verrichten, en natuurlijk kwamen daar ook de roergangers, die den stuurman aan het roer moesten helpen, want sturen op zee is een veel te zwaar werk voor één’ man, vooral bij zware zeeën en als het schip de ruimte niet heeft, zoodat het veel moet uitwijken, evenals een rijtuig op een’ weg, waarop veel verkeer is.
Nu had Marten de wacht en stond dicht onder de campagne, zoodat hij alles hooren kon, wat de koopman zeide.
„Zoo’n blaaskaak,” mompelde hij. „Of hij den stuurman aan zijne zijde krijgen zal? Ik denk van neen, want die Pieter Heyn lijkt mij een flink zeeman.”
Pieter had op de grootspraak van koopman Evertsz. met geen enkel woord laten hooren, wat hij dacht.
Dat viel Evertsz. tegen en daarom zeide deze nu: „Ik hoop niet, dat gij zoo gek zult zijn als de schipper!”
„De schipper gek?” vroeg Pieter verstoord en driftig.
„Nu, gek! Ik bedoel niet, dat het hem in de bovenkamer hapert, dat niet. Ik wou hem alleen maar een beetje verstandiger en minder lichtgeloovig hebben. Ik houd het er zoo voor, dat de Compagnie eene betere keus had kunnen doen, en dat ze met hem wel wat bekocht is.”
„Maar, koopman,” riep Pieter nijdig en verontwaardigd uit, „hoe kan u zoo iets van schipper Rogiersz. vertellen? Hij te lichtgeloovig en te weinig verstandig! Hoe komt u er toch aan om dat te meenen? Maar aangenomen, dat hij die groote gebreken heeft, waarom heeft u het dan niet aan de Heeren der Compagnie gezegd vóór ze hem benoemden?”
„Nu, dat is vrij duidelijk. Toen wist ik het nog niet!”
„En weet gij het dan nu?”
„Ja! Hij luistert naar het geleuter van Marten! En wie een paar heldere oogen in een verstandig hoofd heeft, die zal het met mij eens zijn, dat Rogiersz. eigenlijk een groote sukkel is en niet verdient schipper van de „Muskaatboom” te zijn.”
„Maar, koopman, dat....”
Pieter hield zich eensklaps in.
„Nu, wat wildet gij zeggen?” vroeg Evertsz. „Ik houd van een rond en openhartig woord.”
„Welnu, als gij het dan weten wilt, hoor dan! Schipper Rogiersz. staat veel te hoog bij mij aangeschreven om te dulden, dat iemand, al was hij Zijne Excellentie Prince Maurits in persoon, hem minacht en minachtend over hem spreken durft. Evenals ik, doet gij voor de eerste maal de reis naar de Oost, maar zee zonder land zag ik toch dikwijls, en u nooit. Als zeeman heb ik dus recht om van schipper Rogiersz. te zeggen, dat ik zijne eerste dwaze en onverstandige daad nog zien moet. Maar behalve dat, gij moogt zoo niet over hem spreken, want dat is niets minder dan rebellie. Ik mag die taal ook niet aanhooren, want ook ik ben verantwoordelijkervoor, dat het gezag van den schipper door ieder, van mij af tot den pluimgraaf, gehandhaafd wordt. En wat den ouden Marten betreft, eerlijk beken ik, dat ik dikwijls de schouders ophaal, als hij wat zegt, maar dat is geen spotten, dat is bekennen, dat ik het niet weet, en voor mogelijk houden, als ik zijne ondervinding heb, dat ik het óók voor waarheid houd. En nu heb ik het gezegd, zooals ik het meen met ronde en openhartige woorden, die ge zelf wildet. Euvel duiden zult gij ze mij dus niet! Ik wensch u goeden avond, koopman! Mijn werk wacht me!”
Pieter stond op en ging bij den man aan het roer om de noodige aanwijzingen te geven, doch Marten stond beneden bij de campagne van pret in de handen te wrijven, mompelend: „Die Heyn is een man naar mijn hart! Hij verstaat de kunst om iemand de volle laag te geven!”
De koopman had geen pret. Nijdig stond hij op om naar zijne hut te gaan, terwijl hij bromde: „Met zulk dom en betwijs zeevolk is de Compagnie over een paar jaren naar de maan!”
„Koopman,” riep Marten, die nu voor den dag kwam, „als u nog meer zulk moois van mij en den „Ouwen” weet, zoek dan een’ anderen winkel op om het kwijt te raken.”
„Je bent een brutale vent, en ik zal je op staanden voet aanklagen,” zeide Evertsz.
„Bij den „grooten sukkel” zeker?” sarde Marten.
Evertsz. bromde zoo iets, dat het tegenovergestelde was van iemand wat goeds toewenschen en trad zijne hut binnen. En als hij nu dagen aaneen maar heel weinig aan dek kwam, en dan bijna niemand te woord stond, gniffelde Marten: „Hij is zeker leelijk te haring gevaren en de graten zitten hem in de keel.”
Met ongekenden voorspoed ging alles tot ze zoo ongeveer op twintig graden Zuiderbreedte tusschen de eilanden Mauritius en Madagascar gekomen waren. Hoewel deze eilanden op de heenreis gewoonlijk nooit aangedaan werden, had de schipper besloten één dezer twee, ja, als het kon, beide aan te doen,in de hoop er wel iets te vinden, dat van hunne gading zijn zou. Het eiland Mauritius zelf was onder dien naam toen nog niet zoo bekend, doch de eilandengroep, waartoe het behoorde, kende men wel.
Het was nacht en daar het nieuwe maan was, vrij donker. Men stelle zich zulk een’ nacht evenwel niet voor als een’ van onze nachten. De lucht is in die streken veel helderder. In Perzië kunnen de nachten, waarin de maan niet schijnt, nog zóó helder zijn, dat men niet al te kleine letters zeer goed, enkel bij het licht der sterren, lezen kan, en hoewel het op zee, door de vele dampen, die opstijgen, nu niet zóó helder is, als in Perzië, toch zijn de nachten tusschen de Keerkringen, ook op den Oceaan, in den regel veel minder duister dan bij ons.
Pieter had de wacht en stond wat te praten met den roerganger, die ditmaal onze Marten was. Het gesprek scheen echter niet al te best te willen vlotten en dit bevreemdde Pieter, want Marten was een echt praatvaartje.
„Praktizeer-je over wat?” vroeg Pieter eindelijk.
„Ja, Stuur! Ik praktizeer zoo een beetje over het weer. Er zit wat in de lucht, dat niet goed is. Het schip werkt meer en de zee begint hol te staan. Ik vertrouw het zaakje niet!” Met dat „werken van het schip” bedoelde de oude matroos, dat hij de onderscheidene deelen van het schip, ten gevolge van de beweging der zee, tegen elkander hoorde wrijven. De uitdrukking: „het schip werkt,” wordt nog altijd in dien zin gebruikt.
„Het is ook drukkend heet! Er kon wel eens een stoker op til zijn.”
„Ja, Stuur, ik heb al gezegd: als we zóó in de Indiën komen, dan is dat wel een soort van wereldwonder. Het gaat waarlijk wat àl te mooi! En nu zegt Blokmaker wel: „Je lijkt wel een stormvogel en je bent een ongelukskraaier, die den boer en zijne varkens voor Oom Joost en gevolg aanziet,” maar ik laat hem kallen. Zulk een onbevaren brasem heeft geen kennis van deze wateren.”
Blokmaker, de tweede stuurman, die de wacht niet had, was een half uurtje geleden ook aan dek gekomen, omdat de snikheete lucht daar beneden hem het slapen belette. Toen hij nu Marten weer zoo echt op zijn ouderwetsch hoorde doorslaan, riep hij hem toe: „Komaan, onze oude baas zit weer op zijn praatstoeltje! Verder, maat, verder, dat frischt een mensch op!”
„Een mensch, ja, maar ongelukkig ben je er geen,” spotte Marten. „Alével zal ik maar net doen, alsof je er een bent. Luister dan, want het is tot je bestwil. Zie-je, maat, ik zeg altijd maar: het is hier de Noordzee niet, waar zulk een baaivanger een’ blauwen Maandag of wat heeft liggen zwalpen, als eene kubboot in de deining!”
„Nu ja,” antwoordde Pieter, die eigenlijk niet wist hoe hij aan den uitval van den praatzieken, ouden matroos een einde zou maken, „nu ja, maar Blokmaker meent het zoo kwaad niet!”
„Niet kwaad meenen! dat zou er ook nog bij moeten komen, zei grootje, en ze stak bijna haar’ vinger uit de heete asch in kokend water om hem een beetje af te koelen. Dat zou er nog bij moeten komen! Hoor eens, stuurmannetje, de goede niet te na gesproken, de schepen van de Compagnie hebben meestal een raar soepzoodje van bemanning aan boord. Wilde daar gisteren die Steven, de bootsman, me niet met het leukste gezicht van de wereld wijsmaken, dat men de konste van ter zee te varen zoowel uit boeken leeren moet, als op zee zelf? En al zeg ik al: man je schiet met spek, als eene kat met peperbollen, dat leutert maar toe, als doove Neel, die meende, dat ze stommetje speelde, omdat ze zichzelve niet verstond, en haar mond ging als een klappermolen in den kerseboomgaard, van Zondagmorgen twaalf uur tot Zaterdagnacht twaalf uur. Praat me niet van die gotelingen, die meenen, dat ze een kanon zijn, en ze zijn nog niet eens eene klakkerbos, waarmee de jongskens proppen schieten. Maar wat de heeren wijzen, moeten de gekken prijzen, zeg ik. Ik stoor er mij niet aan. Ik zet mijne muts over mijne ooren en ik denk: Snapt en kalt maar voort,vriendjes, het eindje zal den last dragen. Maar wat ik zeggen wil, er komt verandering, dat zeg ik. Je mocht den „Ouwe” wel eens laten roepen, anders loopen we gevaar, eer het morgen is, in de maag van een’ haai te kijken, of er ook smout in is om onze laarzen in het vet te zetten, of om op onze beschuit te smeren, en onszelven dan te verbeelden, dat we versch wittebrood met Delftsche grasboter eten!”
„Doe nu zoo gek niet, meen-je het inderdaad?” vroeg Blokmaker, zich keerend naar de plek, waar zooeven Pieter nog stond, doch die er nu niet meer was.
„Mijn neus mag in een’ pompstok en mijn rug in eene provoost-lantaarn veranderen, als het niet waar is. Toe, help me maar aan het roer, want ik kan het alleen niet meer af!”
„Jawel, maar je bent altijd zoo’n soort van halven nar,” spotte Blokmaker ongeloovig.
„Pak ân! Help!” riep Marten, die het werk inderdaad niet zonder hulp af kon. „Wat ik anders ben, komt nu niet te pas! Ik ben nu een heele profeet, vat-je!”
Blokmaker schoot toe om te helpen en bemerkte al dadelijk, dat Marten nu niet voor nar gespeeld had.
Piet Heyn mocht in deze wateren ook al minder bekend zijn, zulk een vreemdeling op zee was hij toch niet om niet aan alles te zien, dat er zwaar weder op til was. De horizon in het Oosten begon nevelig te worden, en de hitte werd meer en meer onverdraaglijk. Hij had zich dus alleen verwijderd om den schipper te wekken, want hij begreep, dat het noodig was.
De schipper, die bijna altijd half gekleed ter kooi ging om gauw bij de hand te zijn, stond dadelijk op, en nauwelijks was hij op het dek, of hij voelde en zag, dat Pieter en deroerganger gelijk hadden. Aanstonds werd al het volk aan dek geroepen. Oogenblikkelijk werden alle zeilen ingenomen en vastgemaakt. Alleen de fok bleef op. Toen dat gedaan was, moest men ook het roer buiten het schip, langs den achtersteven, met sterke takels bezorgen. Vervolgens begon men in de konstabelskamer de victualie-, boon- en rijsthokken met stutten te verzekeren.
„We zullen een’ kwaden dobber hebben, Heyn! Dat zie ik al aankomen!” zeide Rogiersz., toen alles zoo goed mogelijk in orde gebracht was geworden om den storm weerstand te kunnen bieden.
„Ik heb het gezegd; ik heb het gezegd!” bromde de roerganger, en lachte eens fijntjes, alsof hij blij was, dat hij, bij de anderen vergeleken, zulk een Piet was.
Het ongelukkigste evenwel was, dat de wind nu juist uit een’ hoek ging waaien, dat de „Muskaatboom” gedwongen werd langs den zoo voorspoedig afgelegden weg terug te keeren, en dat wel met veel grooter snelheid dan men tot hier gekomen was.
Stormweer kon men het nog niet noemen, doch naarmate het meer naar den morgen liep, nam de wind steeds in kracht toe en zware wolken bedekten langzamerhand den heelen hemel, zoodat men geen zon zag opkomen.
Toch vertelde de zandlooper, dat de zon al op moest zijn, doch de zwarte wolken herschiepen den dag bijna in nacht. Het uitzicht over de watervlakte werd bovendien door de hooggaande golven belemmerd, en waar men was, wist niemand, want met zulk eene bewolkte lucht konden er geen waarnemingen gedaan worden.
Na den middag gaf de schipper bevel, de groote ra te strijken en de stengen te schieten om den storm minder windvang te bieden, doch welke pogingen het wakkere zeevolk ook aanwendde, alle moeite was vergeefsch. De touwen, al waren ze nóg zoo stevig, braken af, als verteerd koord, en het schip werkte zoo zwaar, dat men alles maar moest laten zitten, zooals het zat. Tegen den avond nam de stormin hevigheid toe, en eene vreeselijke duisternis bedekte de woeste zee. Geen bevelen werden gehoord, al werden ze door den scheepsroeper geschreeuwd. Het geraas van de golven en het loeien van den storm waren de sterkste stem te machtig.
Steeds hooger klom de nood, en scheen het nu en dan ook een oogenblik, dat de storm ging liggen, kort daarop stak hij weer met nieuwe hevigheid op.
Tegen den morgen had er ook weer zulk eene schijnbare vermindering plaats.
„Daar fleurt een mensch van op! Ik hoop dat het nu gedaan zal zijn!” sprak Steven tot Marten.
„Gedaan? Gedaan? Ei wat, boekenwijsheid en niemendal anders. Zeg, heb-je wel eens krijgertje gespeeld en zóó, dat je heelemaal af was, en een oogenblik moest uitrusten? Ja, zeker, zeker! Maar met dat uitrusten wilde-je niet zeggen: „Nou houd ik op!” Wel neen, dat rusten diende maar om weer met nieuwen moed te beginnen, alsof er nog niets gebeurd was. Ik zeg, de wind is ook zulk een wispelturig krijgertje-speler. Straks komt hij weer. Ik verwed er mijne oliejas tegen eene ton Zeeuwen onder, dat hij terug.... Wat zullen we nou hebben? Berg-je, berg-je, daar komt eene stortzee!”
Nauwelijks had de man dat gezegd, of eene vreeselijke golf sloeg met zooveel geweld tegen het achterschip, dat het geheel van boven tot beneden ingeslagen werd. De beelden, die aan den spiegel tot sieraad aangebracht waren, en de galerijen, weg, alles op eens weg! De glazen in de kajuit werden in duizenden stukken geslagen en de vensters uitgerukt. De konstabelkamer werd opengebonsd en alles, wat niet muurvast stond, werd door elkander gesmeten. Het was eene vreeselijke verwoesting!
„O, Heere, Heere, red ons! Wij vergaan!” schreeuwde er hier een.
„Brandemoris! Brandemoris!” klonk het dáár met een’ akeligen kreet, en een matroos snelde naar beneden om een brandewijnvat open te slaan en zich dan dronken te drinken en dronken te sterven.
„Ja, brandemoris! brandemoris!” schreeuwden verscheidene matrozen hem na, en daalden met zulk eene woestheid naar beneden, dat enkelen van de trappen rolden en zich vreeselijk bezeerden.
Dat had Pieter Heyn gezien, en was hij ook al een van die „nieuwbakken bollen, die het kielhaken niet waard waren,” zooals de oude Marten zich eens had laten ontvallen, hij begreep er nu toch zóóveel van, dat schip en manschap voor de haaien zouden zijn, als het volk zich aan den brandewijn te buiten ging. In een oogenblik was hij in zijne hut, haalde een pistool, dat altijd geladen bij zijne kooi hing, en snelde er mede naar beneden.
„Halt, kerels! Ben-je dan krankzinnig, dat je allen op den brandemoris aanvalt, als een hongerig varken op den gevulden trog? Terug, zeg ik!”
„Luistert niet naar hem, mannen! Tast toe! Wie dronken is, voelt er niets van, als hij verdrinkt!” riep een breed geschouderde Zeeuw, en gaf aan de anderen opnieuw het voorbeeld van drank inzwelgen.
„Bij den hemel, mannen, houdt op! Den eersten, die zich bukt om zich een’ kroes te vullen, zal ik als een’ dollen hond neerschieten,” sprak Pieter Heyn en legde het pistool op den Zeeuw aan.
„Dood is dood! Schiet maar toe!” riep deze en bukte zich andermaal.
Wat zou Heyn doen? Zou hij werkelijk aan zijne bedreiging gevolg geven? Er was maar één schot te doen, en dan? Zouden de overigen zich dan niet op hem werpen en hem misschien vermoorden? Kon hij niet wat anders doen, dat meer afdoende hielp?
Hij behoefde niet lang na te denken. Hij had wat gevonden.
Opeens werd een hevige slag gehoord. Pieter had het pistool op den grond gesmeten en dit was door den val afgegaan.
Het volk wist niet, wat het hoorde. Het stond een oogenblik bedremmeld. Hiervan maakte Pieter gebruik. Met de snelheid van eene tijgerkat sprong hij op den stoeren Zeeuwtoe, wierp hem op den grond, en eer deze nog op kon staan, had Pieter het kleine vaatje, dat men opengebroken had, opgenomen en den heelen inhoud over het lichaam van den gevallene ledig gegoten, terwijl hij hem toebulderde: „Slok dan, zwijn! De draf is goed!”
„Hei, hop, jelui daar beneden!” schreeuwde Rogiersz. door het luik. „Hei, hop, allemaal boven! Vijf of zes man kunnen den boêl niet klaren! Er is hoop op behoud!”
„Er is hoop op behoud!” Deze woorden van den ervaren zeeman werkten honderdmaal meer uit dan de daad van Pieter Heyn, die het volk wel voor een klein oogenblik tot bedaren bracht, doch niet instaat was, de andere brandewijnvaten te sparen.
„Er is hoop op behoud!” Niet één, die bij de woorden van den schipper niet honderdmaal meer moed vatte, dan door het drinken van eenige kroezen brandemoris, door het zeevolk heel dikwijls, uit spot of uit ernst, „courage-water” genoemd.
„Er is hoop op behoud!” Bijna even vlug waren ze nu op, als zooeven onder dek.
Doch nauwelijks waren ze, waar ze wezen moesten, of ze kregen half berouw over hunne lichtgeloovigheid. De storm woei even fel; de golven gingen even hoog; het zwerk was even loodblauw.
„Ik ga terug!” riep de Zeeuw, die bijna niet op zijne beenen staan kon, omdat het zoo woei en, omdat hij zoo dronken was.
Doch nauwelijks had hij dat gezegd, of Pieter pakte hem andermaal beet, gooide hem van de trap af in het ruim en riep: „Je bent er al! Het naar beneden klimmen gaat je te langzaam, hazenhart, dat je bent!”
„En nu aan het werk, mannen!” hernam de schipper. „Ik heb je gezegd: er is hoop op behoud! Ik loog niet! Helpt allen het achterschip stutten. Hier, vier aan de pompen! Zoo je geen zeewater lust, dan wakker aan den slag! Vier man deze oude raas, die stengen en dit waarloos hout op gelijke afstanden doorgezaagd, zooals de meester timmermandat aanwijzen zal. Drie man bij de konstabelskamer en de vier timmerlui daar geholpen! De kok, de bootsman, de barbier en de stuurlui een waarloos zeil of wat naar boven gesjord! Moed, mannen, aan het werk! Aan het werk! Onder den arbeid een „Vader Ons” gepreveld! Wie niet geleerd heeft een kort, maar ernstig gebed uit te spreken, heeft nooit leeren varen! Op, op! De handen uit de mouwen! Wie zichzelf helpt, dien helpt God! Een dubbele oorlam, als het werk gelukt! Eene halve maand gage voor ieder, als we in de eene of andere haven behouden aankomen! Op, op! Ik doe ook mee, zoo goed als elk ander.”
Op dit oogenblik kwam de groote Zeeuw weer naar boven. De schrik van den val, die, wonder boven wonder, niet zoo heel hard aangekomen was, had hem bijna ontnuchterd.
„Schipper,” sprak hij op Rogiersz. toetredend, „waar ben ik noodig? Voor varken spelen bevalt me niet!”
„Help zeilen halen, kerel! Je hebt kracht voor vier!” was het antwoord.
Daar kwamen ze met het waarlooze grootzeil aansjorren; het ging moeielijk voort.
„Alles vergeten en vergeven, Stuur! Ik was een kwajongen! Geef hier een’ hoek van dat zeil!” klonk het Pieter in de ooren.
Zóó sprak de man, die bij alle andere gelegenheden steeds getoond had, een „kerel-van-wat-ben-je-me” te zijn, en, door zijne reuzenkrachten geholpen, kwamen ze met het zeil op het achterschip, dat, al was het ook nog zoo gebrekkig hersteld, een heel ander aanzien gekregen had.
„We moeten trachten het zeil achter het schip te krijgen. Als ons dat gelukt, zal het water niet zoo indringen!” sprak de schipper.
„Alle man aan het werk! Ho-hop!” klonk de stem van den bootsman, en weldra was het zeil, hoewel het heel veel moeite en behendigheid gekost had, aan den achterkant van het gebrekkige timmerwerk gehecht.
Nu rustte men een oogenblik, en wie kon, trachtte eenstuk rauw spek met eene scheepsbeschuit, zoo goed en kwaad dat ging uitgedeeld, naar binnen te werken.
En nog nam de storm in hevigheid toe.
Eene tweede stortzee sloeg alles aan stukken. (Bladz. 125).Eene tweede stortzee sloeg alles aan stukken. (Bladz. 125).
Eene tweede stortzee sloeg alles aan stukken. (Bladz. 125).
Eene tweede stortzee sloeg opnieuw alles op het achterschip aan stukken. Het zeil vloog met vreeselijk geraas aan flarden.
„Er is nog één middel, één enkel middel om niet te vergaan, Kapitein!” fluisterde Marten den „Ouwe” in de ooren.
„Ik weet het, Marten! Ik weet het. Je bedoelt.....”
„Met den kop in den wind!”
„Behoeft me niet te zeggen. Weet het! Kan hier niet! Onmogelijk!” gaf Rogiersz. met korte en afgebroken woorden te verstaan.
„Zóó houden we het geen vijf minuten, schipper!”
„Ik weet het, man! Dat is geen nieuws!”
„Dan is het gedaan, schipper! En, als de dood met deze proefgemoeid is, welnu, vijf minuten vroeger of later, wat geeft dat?”
Rogiersz. bedacht zich een oogenblik;—de wind bedaarde iets, en....
„Het zàl gebeuren, het zal, Marten! God sta ons bij!” sprak de schipper op vast besloten toon.
In een omzien was het onder al het volk bekend, welke gevaarlijke proef men ging ondernemen. Midden in den storm keeren! Als het schip dwarszees lag, maar ééne enkele seconde te lang—maar ééne stortzee er tegen, dan.....
„Mannen, er op, of er onder! Het schip moet met den kop in den wind, of .... het is gedaan! Op, nog eens, nog eens! Misschien voor het laatst! Bootsman, op post! Mannen, aangevat! Op, op! Ieder kent zijne plaats! Al klaar?”
De bootsman knikte.
„Almachtige God! Vader in den Hemel, help, o help ons!” bad schipper Rogiersz. met zulk eene krachtige stem, dat het wel een uitgeschreeuwd gebed mocht heeten. Doch hij moest door allen verstaan worden. De storm floot en bulderde; de golven raasden; de donderslagen rommelden en kletterden zoo ontzettend hard!
„Amen!” stamelden zij, die zijne woorden gehoord hadden, en zij, die er te ver afstonden en zelfs geen enkel woord gehoord hadden, zij bewogen toch ook hunne lippen, en....
Het gebed van den zeeman in nood is kort. Schipper Rogiersz. had het immers ook al gezegd?
Het schip draaide, draaide en draaide!
Daar kwam eene golf aan, eene golf als een berg.
„Te laat, te laat!” schreeuwde Rogiersz.
„God lof! We zijn er! We zijn er! We liggen met den kop in den wind!” juichte Pieter.
„Een wonderwerk des Almachtigen Gods,” prevelde Rogiersz. „Zijn naam zij geloofd van nu af tot in alle eeuwigheid!”
Met donderend geweld sloeg de stortzee, die de schipper had zien aankomen, als met reuzenhamers tegen het voorschip!
De „Muskaatboom” was aanvankelijk behouden.
Wat blijde gezichten! Wat dankbare woorden! Wat al stilledankgebeden aan Hem, die in de ure des gevaars hun zoo wondervol was nabij geweest!
Rogiersz. ging naar het achterschip om opnieuw bevel te geven, te herstellen, wat te herstellen was. Maar eensklaps gleed hij uit; de stuk geslagen verschansing kon hem in zijn’ val niet tegenhouden. Hij werd in zee geworpen.
„Man overboord! Man overboord!” schreeuwde de bootsman.
„In de boot! Eene dreg!” klonk het van vele kanten.
„In de boot?” Onmogelijk! Er was geen denken aan.
Eene uitgeworpen dreg kwam niet ver genoeg.
Daar zagen ze hem nog even. Hij stak eene hand uit.
„O, God, hij groet ons vaarwel,” riep Marten, wien op dat gezicht de tranen uit de oogen sprongen.
Nog eens werd de dreg uitgeworpen. Tevergeefs! Er was niets meer van hem te ontdekken.
De man, die zich zoo wakker, zoo kloek gedragen had, de schipper door het volk de „abele, goeie Ouwe” genoemd, hij had een zeemansgraf gevonden, juist toen hij de anderen gered had.
Thans was onze Pieter de wettige Gezagvoerder op de „Muskaatboom.”
Hij had op dit oogenblik geen’ tijd om na te denken over het gewichtig werk, waartoe hij zoo onverwachts geroepen was. Hij begon terstond zijne bevelen uit te deelen en het volk gehoorzaamde hem.
Nog twee volle dagen hield de storm, doch in zeer langzaam afnemende kracht aan. Niemand wist, waar hij was. Door den betrokken hemel had men in al dien tijd geen waarnemingen kunnen doen. Maar dat wisten allen: men was ver, zeer ver uit den koers geraakt, en ieder haakte naar het oogenblik, dat men zou weten, waar men zich bevond.
Eindelijk bedaarde het noodweer. De wolken verdunden zich; de sterren werden zichtbaar en, plotseling liep de wind naar het Zuiden. Dit gebeurde in den nanacht, en ofschoon al het volk afgebeuld was, geen bleef toch tusschendeks toen het van boven klonk: „De zon komt op!”
Niemand had gedacht die lieve zon weer te zien. Toch was het daar, dat vroolijke, vriendelijke licht!
Wat al blijdschap! Wat al dankbaarheid!
„Mannen,” riep de nieuwe schipper, „God is met ons geweest! Dies zij tot in alle eeuwigheid Zijn naam geloofd! Amen.”
Het volk sprak zacht die woorden na, doch Marten steunde: „Mijn abele, goede „Ouwe” is er niet bij. Wel te rusten, maat! God hebbe uwe goede ziel!”
In den loop van den dag kwam men bij een onbekend eiland waar een schip op strand lag.
Pieter gaf bevel om met eene welgewapende boot aan den wal te gaan en te onderzoeken, of het eiland ook bewoond was. Na verloop van een groot uur keerde men terug met de tijding, dat het slechts een klein, rotsachtig eiland, en dat het schip een verlaten Portugeesch wrak was.
Heyn begreep hiermede zijn voordeel te kunnen doen. Hij liet zich naar het wrak roeien en bevond, dat er alles aan boord was, wat zij in den storm verspeeld hadden. Een kwartier verder vond hij eene veilige baai. Daar liet hij het anker vallen om het zwaar gehavende schip te herstellen, drinkwater in te nemen, levensvoorraad van den Portugees te laten halen, en den kostbaren schat van specerijen en goud, welken deze aan boord had, in het ruim van de „Muskaatboom” te doen overbrengen. Hoe lang de Portugees daar gelegen had, was wel niet juist te zeggen, maar de schipbreuk kon toch maar pas eenige dagen geleden hebben plaats gehad, want van den levensvoorraad was niets bedorven, en zelfs het drinkwater in de leggers was nog volkomen goed. Van de lading was slechts een zeer klein gedeelte door het binnengekomen zeewater beschadigd. De hevige storm, die zooveel averij bracht, die een menschenleven eischte en de „Muskaatboom” ver uit den koers sloeg, was nu toch oorzaak, dat men op eene goedkoope wijze eene kostbare lading kon innemen. Al brachten ze anders niets naar Nederland, dan zou de reis toch eene zeer voordeelige zijn. Aan terugkeerendacht de nieuwe schipper echter in het geheel niet. De „Muskaatboom” was veel grooter dan de Portugees, zoodat men in de Oost nog heel wat laden kon, en daar alles, wat men hier vond, geen gekochte koopmansgoederen waren, zoo kon men het als buit beschouwen. Koopman Evertsz., die gedurende den storm gelegenheid in overvloed gehad had om te weten te komen, dat de Compagnie met zulk volk heel wat anders dan te gronde zou gaan, vroeg, kort voor het vertrek van het eiland, aan den nieuwen schipper of hij de bemanning eens mocht toespreken. Pieter, die sinds eenige dagen gezien had, dat Evertsz. een ander mensch scheen geworden te zijn, had er niets tegen, en liet de heele bemanning aan dek komen, en toen ze daar was, zeide Evertsz.: