TWAALFDE HOOFDSTUK.Het landje van Schep-op.

„Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen gehad.” (Bladz. 130)„Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen gehad.” (Bladz. 130)

„Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen gehad.” (Bladz. 130)

„Mannen, ik heb wel eens leelijke gedachten van u allen gehad. Ik meende, dat de „Muskaatboom” het al zeer ongelukkig getroffen, en van schipper Rogiersz. af tot aan den pluimgraaf, onbevaren volk aan boord had. De storm heeft mij heel anders doen denken, mannen! Ik weet nu, dat de Compagnie met zulke varensgezellen eene schoone toekomst heeft. Gij allen hebt u als helden gedragen, en aan de Compagnie is het, u daarvoor te beloonen. Ik sta hier in de plaats der Compagnie, en zal den nieuwen schipper een bewijs geven, dat de helft der goederen, die we uit het Portugeesche schip haalden, voor u allen is, om de opbrengst onder elkander te verdeelen. Ik zal eene nauwkeurige lijst opmaken van alles, wat wij uit dat schip gehaald hebben. Gaarne zou ik den onversaagden schipper Rogiersz. vergeving willen vragen voor mijn wantrouwen. Ik kan het, helaas, niet! Maar één man is er toch, dien ik nog meer miskende dan den ouden schipper, en dat is Marten.”

Hierop trad hij op Marten toe, bood hem de hand en zeide: „Marten, gij zijt die man, dat weet ge ook wel. Wees niet boos, ouwentje! Van dit oogenblik af zal-je gage hebben als hoogbootsman, en zoodra op een van de schepen die betrekking vrij komt, zal jij ze bekleeden. Is het nu goed?”

Of Marten het goed vond! Vurig drukte hij de hand van Evertsz. en zeide: „Ik zal zoolang ik krachten heb, de Compagnie trouw dienen. Maar u vergeven kan ik niet, daar ik niets te vergeven heb. Ik wist wel, dat u, eer we te Amboina waren, anders denken zou. U is de eerste niet, die door ondervinding geleerd heeft, u zal de laatste niet zijn ook. Maar, koopman, u heeft mij beloond boven allen, doch mijne maats hebt gij ook beloond. Uit hun’ naam zeg ik u daarvoor dank. Hoezee! Hoezee! Leve de Compagnie! Leve koopman Evertsz.!”

Uit volle borst riepen al de mannen dat Marten na, en van dat oogenblik af was Evertsz. bij niemand meer te veel aan boord.

Niet maar zoo goed mogelijk, maar geheel hersteld, verliet de „Muskaatboom” na een verblijf van veertien dagen het eenzame eiland en zette opnieuw koers naar Amboina.

Vooruit, wakkere mannen! Vooruit, stoere, kloeke zonen der zeventiende eeuw! Met levensgevaar haalt ge de schatten uit Oost en West, om die in uw Vaderland aan de voeten van uwe landslieden neer te leggen. En die verzamelde schatten zullen de Republiek groot en machtig maken;—ze zullen de milde voorraadschuur worden van zoovele kostbare waterwerken der komende eeuw. Aan uw’ moed en uwe geestkracht danken we ons bestaan en onze welvaart! Wij zullen u niet vergeten! Wij zullen u volgen! Vooruit! Vooruit!

En gij, eenvoudig, goed Moedertje te Delftshaven, die uw’ jongen met een gebed vaarwel kniktet, en die sedert nooit opgehouden hebt om elken morgen en elken avond voor hem te bidden, houd moed, Moedertje! Uw zoon is nu schipper van de „Muskaatboom”, en hij zal wel zorgen, dat hij schipper blijft. De Compagnie kan geen beteren krijgen.

Niet lang nadat de „Muskaatboom” het onbekende eilandje verlaten had, kreeg het schip opnieuw onstuimig weder.

Men vorderde bitter weinig, want wat men in de eene wacht won, verloor men vaak dubbel in de volgende wacht.

Zoo lang wind en weer gediend hadden, was iedereen over het schip tevreden geweest, maar nu de zee zich heel anders vertoonde, bleek het dat de „Muskaatboom” heel wat te wenschen overliet. Het schip liet zich slecht sturen en deed op het onstuimige water zoo nu en dan hetzelfde, als eene eend, die langs het ijs loopt.

Op welk eene lengte en breedte men was, wist men wel, doch daar de zeekaarten van dien tijd nog zeer gebrekkig waren, wist niemand in welk land men ten laatste zou aankomen, als de wind niet veranderde en het schip geen’ anderen koers nemen kon.

Tot overmaat van allerlei tegenspoeden was eenige dagen aaneen de lucht sterk of geheel bewolkt, zoodat men des middags niet berekenen kon op welk eene lengte of breedte men zich bevond.

Eens op een’ morgen evenwel riep de matroos, die in den mast op den uitkijk zat: „Schip in lij!”

„Een schip in lij! Zeker weer een ponteschippersknecht, die daar op de fokkera op den uitkijk staat, als een hengelaar naar zijn’ dobber,” bromde Marten.

„En dat waarom, Marten?” vroeg Pieter Heyn.

„Wel, wat hij daar voor een schip aanziet, lijkt zooveel op een schip, als een Dek-officier op eene straalkwal. Dat zeg ik!”

„En waarvoor houdt gij het dan?”

„Dat kan ik u nog niet zeggen. Wacht vijf minuten, Kapitein, zei de kok, dan is de eierstruif gaar!” was Martens antwoord.

Pieter Heyn kende Marten te goed om hem deze manier van spreken ten kwade te duiden, en daarom zeide hij dan ook: „Al goed, maat! Ik zal vijf minuten wachten, dan weet ik het misschien ook!”

Marten lachte eens fijntjes, alsof hij zeggen wilde: „Kijk hij zichzelf eens groot houden!”

Eer evenwel de vijf minuten om waren, kwam Marten al aan en zei: „Gevonden, schipper! Gevonden!”

„En wat is het dan?”

„Wat die man daar boven ziet is geen schip; het is de top van de Adamspiek op het eiland Ceylon.”

„Maar, Marten! Ceylon? Zouden we nu zoo ongelukkig zijn om zoo ver afgedwaald te wezen?”

„Ongelukkig, schipper? Zeg dat zoo gauw niet! Admiraalvan Spilbergen, een vroom mensch en bovenst zeeman, had tot spreuk:

„Nu ’t soo isEn wesen moet,Waerom ghequelt?’t Is ghewisDen Heere goet,Die ’t al bestelt.”

„Nu ’t soo isEn wesen moet,Waerom ghequelt?’t Is ghewisDen Heere goet,Die ’t al bestelt.”

„Maar ik kan het niet gelooven, dat we hier voor Ceylon zouden komen,” zeide Piet Heyn, bij welken naam we hem maar zullen blijven noemen, omdat hij ons daaronder het best bekend is.

„Ja, het geloof kan ik niet geven,” bromde Marten. „Maar ik zeg u, dat ik gelijk heb. Dat is de Adamspiek en niets anders.”

„Maar, man, ben-je in deze streken dan vroeger ook al geweest?” vroeg Piet Heyn verwonderd. „Ben-je dan hier bekend?”

„Hier bekend, schipper? Wel, nu nog fraaier! Ik ben hier in den omtrek beter bekend dan thuis bij mijne vrouw, die viermaal in de week haar huis met bezemen keert. Ik ben hier al geweest, laat eens kijken, o ja, in het jaar der Compagnie, in ’2, met Admiraal Joris van Spilbergen. Een mooi land, dat Ceylon, een mooi land! Het is daar vetpot en botertje tot den boôm. Ik heb toen zelfs de Keizerin van Kandy,—zoo heet een deel van Ceylon,—gezien, met mijne eigene oogen gezien. Donna Cataryna heette ze, en ze ging heelemaal op haar Portugeesch gekleed. Een knap stel van een zeeschip was ze ook, en ze hield er eene prachtige tuigage op na, òf ze! Zij heeft een’ neus als eene bramzaling, oogen als botters, en vingers als breeuwhamers. Hare huid is bruiner dan de bruinste kastanje, en als ze lacht, laat ze al hare bijters en malers, die bruin als roet zijn, zien, precies alsof ze zeggen wil: Maatjan is mijn broertje!”

„Hoort hem, hoort hem! Dat heeft zóó lang gevaren endat zegt nog: „Maatjan”! Zeg, oude zeekoe, weet-je dan niet, dat het Janmaat en niet Maatjan is?” riep op luiden, spotachtigen toon een matroos uit, die het minder prettig vond, dat Marten, al was hij ook nóg zoo bevaren, altijd zoo op hunne onervarenheid schimpte.

Marten keerde zich even om en den lacher in het aangezicht ziende, zeide hij: „Beunhaas, wat praat-je mee? Ik spreek niet van Janmaat, ik spreek van „Maatjan”, en dat is zooveel als „tijger”, zie je! En als je nou niet te eigenwijs bent om tenminste nog wat te leeren, dan zal-je op je honderdste jaar zooveel van het Maleisch verstaan, dat je weet, dat ze in die taal een tijger „matian” noemen! En nu, ga uit mijne kombuis! Je bederft mijne vracht!”

„Ho, ho, niet al te boud, man! Gerrit meent het zoo kwaad niet,” sprak Piet Heyn vergoêlijkend.

„Het is waar, schipper, het is waar! Ik, oude zeebonk, vergeet telkens, dat kleine broekmannekens gauw beginnen te huilen en om Moetje roepen!” sprak Marten op zoogenaamd vriendelijken, doch eigenlijk sarrenden toon, en het scheelde niet veel, of Gerrit had getoond, dat broekmannekens, als hij, toch ook al vuisten hadden.

„Dat is heelemaal buiten koers, schipper,” sprak op half fluisterenden toon Blokmaker, die in Pieters plaats eerste stuurman geworden was en gehoord had, waar ergens ze waren.

„Ja, en wat het gekste is, hier in deze streken waait van November tot April de Zuidoost-moesson. We loopen dus veel gevaar hier in den omtrek eene maand of drie te moeten doorbrengen! Mijne vrouw ziet me spoediger schipper dan ze gedacht had; maar of ik een schipper zal zijn, die een vet potje maakt, dat staat te bezien!”

Terwijl Piet Heyn en Blokmaker zoo met elkander stonden te praten, was Marten wat terzijde gegaan, doch aan zijn meesmuilen te zien, scheen het wel, alsof hij het geheele gesprek van a tot z verstond. En dat was ook zoo; want toen Piet Heyn zeide, dat hij met hier drie maanden stil te liggen geen vet potje maken zou, keerde hij zich plotselingom, ging op Piet Heyn af en zei, op zijne manier zoo beleefd mogelijk: „Schipper, een woordje, alsjeblief!”

„Wel tien, Marten, als het maar gezonde zijn; wat had-je, maat?”

„Ik wilde zeggen, schipper, dat onze vorige „Ouwe”, met uw verlof, ik meen schipper Rogiersz., heel anders zou gesproken hebben, als hij hier verzeild was!”

„Zoo? En wat zou hij dan gezegd hebben?” vroeg Piet Heyn, wel een weinig ontevreden over het halve verwijt, dat hij niet zoo knap was als Rogiersz.

„Wel, schipper, hij zou gezegd hebben: „Voor het middelmootje kregen we, door den storm, het neusje van den zalm.” Ik ben een opgelapte pomphaak, als hij dat niet gezegd zou hebben.”

„Zoo, zoo! En wat is er dan aan dat neusje van den zalm wel te vinden?”

„Neem eene schalie (lei), schipper, en schrijf op, wat ik u zeg, anders vergeet ge het, als ik aan het opnoemen ga van alles, wat er op dit eiland, een soort van Paradijs, te vinden is.”

„Te vinden is,—ei, ei! Maar te koopen, man?”

„Te koopen ook, schipper en wel voor een schuifje, als men maar bij de pinken is. De Portugeezen hebben daar zoo veel als uitgediend, en wij hebben er het hecht in handen. De inboorlingen zien ons aan voor de beste menschen, die er op twee beenen loopen. En als u wil, dan krijgt ge voor zooveel, als niemendal, de schuit propvol!”

„Met niemendal, zeker?” vroeg Steven spottend.

„Och, duik naar katvisch, komkommerkerel,” zeide Marten boos. „Neen, de heele schuit vol met wat Ceylon eêls oplevert. Als daar te vinden is,—denk om de schalie, schipper,—hoenders, herten, pauwen, duiven, wilde zwijnen, olifanten, ossen, buffels en vreemde vogels. Verder goud, zilver, edelgesteenten, granaat-appelen, meloenen, druiven, suiker, lange peper, uien, gember, zijde, katoen, honig, melk, rijst en, ja, het beste komt achteraan, en kaneel. Er zijndaar heele wouden van kaneelboomen, en het is een lieve lust om daarin eens rond te dwalen, als ge maanden achtereen planken onder de voeten hebt gehad. Kent ge soms een’ oranjeboom? Nu, daar lijkt de kaneelboom wel wát op, maar hij is fijner van takken en van stam. Hij groeit zoo recht, als de groote mast, en zijne bladeren gelijken veel op die van den laurierboom. Als de boomen vol witte bloesems staan, dan houdt men zijn’ neus ook liever in zulk een kaneelboombosch dan over een’ legger met bedorven drinkwater. En nu vraag ik onzen schipper, of er voor ons in de drie maanden wat te verdienen zou vallen?”

Piet Heyn had aandachtig toegeluisterd en nauwelijks zweeg Marten, of Piet sprak: „Marten, je bent hier meer geweest. Je moet mijn loods zijn. Zeg nu zelf maar waar de beste boter gevonden wordt.”

„Die is overal best, schipper! Maar ik weet niet overal den rechten koers. Onder Joris van Spilbergen kwamen we te Matecalo aan; daar weet ik den weg!”

„Best, Marten, als koopman Evertsz. het goedvindt, dan gaan wij naar Matecalo.”

Onze koopman had in de laatste dagen weer veel zijne hut gehouden. Hij gevoelde zich niet wel en de barbier, die met behulp van een recepten-boek, ook de zieken onder de bemanning genezen moest, had reeds alle medicamenten uit zijne kleine apotheek gebruikt om den man, die niet ziek en toch ziek was, te genezen.

Evertsz. leed echter aan heimwee en tegen deze ziekte stond in het recepten-boek geen enkel middel. Men had deze ziekte vergeten, of wel, men wist er geen geneesmiddel voor.

Toen Piet Heyn nu bij hem in de hut kwam en vertelde dat ze in de nabijheid van Ceylon waren, zeide hij eenvoudig: „Zoo!” en toen Piet vroeg, of hij het goedvond, dat men naar Matecalo zou gaan om daar handel te drijven, luidde het antwoord: „Och ja, dat is goed!”

Piet Heyn ging heen en zeide tot Marten en enkele anderen: „We zullen de mooie Keizerin een bezoek brengen.”

„En goede zaken doen,” vulde Marten aan, terwijl hij binnensmonds mompelde: „De inboorlingen noemen het eiland Singhala, en ik wed, dat dit niets anders beteekent dan: „Het landje van Schep-op.”

Zes dagen later wierp de „Muskaatboom” het anker vlak voor de plaats, die Marten den naam van Matecalo gegeven had, doch tot zijne groote verwondering zag hij nergens de vlag van de Compagnie waaien, en ze woei er toch lustig toen Joris van Spilbergen dit land verliet.

„Ben-je er wel zeker van, Marten?” vroeg Steven toen hij tevergeefs uitgekeken had naar de vlag van de Compagnie, welke daar volgens Martens zeggen, mooier wapperde en klapperde dan ergens elders. „Heeft je memorie je niet in den steek gelaten, en is dat je zoogenaamd Matecalo wel?”

„Verkeerd? Ik verkeerd? Als dat Matecalo niet is, dan ben ik wel een onklaar roer, dat is zeker! Maar, stil, daar schiet me opeens wat te binnen! Luister eens, schipper?”

„Wat is er, Marten?” vroeg Piet Heyn, die niet ver van de sprekers af naar het land stond te kijken.

„Heeft u indertijd ook wel eens gehoord van schipper Sebald De Weert?”

„Genoeg! Dat moet een ruwe gast geweest zijn, die ten slotte de rekening onder in den zak vond, maar waar, dat herinner ik mij niet!”

„Ik wel. Hij maakte het met zijn volk hier op Ceylon zoo van eieren, dat ze hem en zijn volk hebben neergesabeld. Ik had er aan moeten denken. Nu heb ik de „Muskaatboom” hier gebracht, en....”

„Kom, kom, Marten, geen ellende voor den tijd,” zeidekoopman Evertsz., die hem aangehoord had, en die alweer een beetje opgefleurd was toen hij meende, dat er zaken te doen waren. „Wie de eieren wil, moet het kakelen van de kippen kunnen verdragen. Wij zullen zien, wat we doen kunnen, en is „Pas op je tellen” het wachtwoord, nu, dat is schipper Heyn toevertrouwd. Hij is bij de pinken genoeg, dat weet ik!”

„Al te veel lof, Sinjeur, al te veel,” zeide Piet Heyn. „Aan de kat komt een graatje toe, en onze Marten is nu de poes, die het graatje krijgt eer wij wat nemen. Ik zal met hem raadplegen, en, vindt hij het verstandig, dan zullen we morgenochtend eens met eene boot aan den wal gaan. Vannacht moet er maar goed uitgekeken worden, dat ze ons schip niet afloopen, want recht vertrouw ik de zaak niet!”

Spoedig werd alles in gereedheid gebracht om, desnoods, de „Muskaatboom” tegen mogelijke aanvallen te verdedigen, en, zooals de Oostindie-vaarder daar nu voor anker lag, was hij geen katje om zonder handschoenen aan te pakken. Menig oorlogsschip zou hem stil laten liggen met een: „Houd af van den dien! Hij kan bijten!”

Gedurende den nacht evenwel werd niets van eenige vijandelijkheid ontdekt, en den volgenden morgen was men al vroeg in de weer met alles in gereedheid te brengen, wat noodig was, voor een bezoek aan den wal.

Piet Heyn meende voor alle zekerheid goed gewapend er te moeten heengaan, doch Marten meende, dat dit juist oorzaak kon zijn, dat men hen reeds als vijanden behandelen zou, eer men nog aan den wal was. Op ons scheepshoofd evenwel rustte de verplichting voor schip, lading en manschap zorg te dragen. De lastbrief: „in alles de voorzichtigheid en de koopmanschap te betrachten,” welken schipper Rogiersz. van de Bewindhebbers der Oost-Indische Compagnie medegekregen had, was nu ook natuurlijk gericht aan den nieuwen schipper, die vast besloten was, er zich aan te houden. Daarom zeide hij ook tot Marten, toen deze zijne meening had te kennen gegeven: „Hoor eens, Marten, het ishier de vraag niet, wie er bang is voor zijn leven. Als schipper der Compagnie ben ik niet vrij te doen, wat ik wil. Ik dien dus zoo goed, als mij dat mogelijk is, de belangen der Compagnie te behartigen, en daarom moet ik niet doen, wat ik wel zou willen, maar wat die belangen mij voorschrijven, en met het oog daarop acht ik het raadzaam om gewapend aan den wal te gaan. We kunnen evenwel die wapenen onder in de boot leggen, en die, welke daar bezwaarlijk liggen kunnen, zóó onder onze kleederen verbergen, dat ze niet reeds uit de verte zichtbaar zijn. Ikzelf blijf hier vooreerst aan boord, en als Blokmaker er niets tegen heeft, zou ik hem wel willen verzoeken, het bevel over de boot op zich te willen nemen, doch zich in alles zooveel mogelijk te schikken naar de raadgevingen van u. Verder zullen acht man de boot aan den wal brengen, en Blokmaker moet trachten den Bevelhebber der stad te spreken, en hem dan vragen, of er gelegenheid bestaat, hier voor geld en goede woorden eenige lading in te nemen. De Bevelhebber zal de Portugeesche taal wel verstaan en Blokmaker heeft net zoowel als ik,—de galeiën zijn ons dus niet in alles ten nadeele geweest,—gelegenheid gehad om die taal te leeren. Gelukt de zending ten deele, of worden er geen vijandelijkheden getoond, dan komt ge zoo spoedig mogelijk terug om er mij verslag van te geven. Zijt ge over twee uren niet terug, dan zal ik de geschutpoorten openen en het er voor houden, dat ze u geweld hebben aangedaan. Het zou misschien geen kwaad kunnen, dat ge het aantal kanonnen, dat we voeren, vergroot of niet noemt, en dat ge den Bevelhebber dreigt, dat we zijne stad plat zullen schieten, ingeval ge meent, dat men u en de anderen kwaad doet. En, maar dit blijft voorloopig onder ons, ik zal u uit hunne handen redden. Reken daarop. Maar, eerst als ge gedreigd wordt, hoort ge, eerst dàn moogt ge ook beginnen te dreigen. Ik hoop, dat ge mij begrepen hebt! Laat de kleine boot strijken, en ga!”

Spoedig waren de tien mannen in de sloep en roeiden zenaar den wal, waar langzamerhand reeds vele bewoners een kijkje waren komen nemen.

Marten zag scherp uit, of hij onder al die gezichten er niet één vond, dat hem bekend voorkwam, doch tot zijne spijt vond hij er geen.

Eindelijk kwam men bij de aanlegplaats en Blokmaker vroeg nu aan een paar lieden, die het dichtst bij stonden, in de Portugeesche taal of er wellicht ook eenige Hollanders in de stad waren.

„Hollanders, Hollanders, kop af, allemaal kop af!” antwoordde een uit den hoop in gebrekkig Portugeesch.

„Dan is het goed, dat er andere lui komen, die nog koppen hebben,” dacht Marten.

„Waar is de Bevelhebber der stad?” vroeg Blokmaker. „Ik verlang hem te spreken.”

„Jij niet Portugeesch, spreek, ik versta wel jij spreek Hollandsch,” zeide een, die de voornaamste scheen te zijn, in onze Vaderlandsche taal.

„Wij willen kaneel en diamanten koopen,” sprak Blokmaker zoo beleefd mogelijk, doch nu in zijne eigene taal.

„Jij koopen komt! Pfoe, jij stelen komt,” sprak de man.

„Neen, wij komen eerlijk koopen! Zeg ons maar waar de Bevelhebber is, dan kunnen wij het hem vragen.”

„Ik die zelf ben!” luidde het antwoord. „Jij de Kapitein?”

„Neen, Heer, de Kapitein is aan boord,” luidde nu het antwoord, dat met een’ deftigen groet vergezeld ging, terwijl hij het woord „schipper” ook maar in „Kapitein” veranderde. En waarom ook niet? In alle andere landen heette hij, die een schip commandeerde, geregeld „Kapitein”, onverschillig of het schip ten oorlog voer, of een koopvaarder was. Nu sprak men in ons land alleen maar aan boord der oorlogsschepen van „Kapitein”.

„Zoo! En jij geld hebt?”

„Zeg ja, en laat hem merken, dat we brandewijn ook hebben,” fluisterde Marten.

Tot eenig antwoord evenwel sloeg Blokmaker op zijn’ zak en liet de Hollandsche dukaten rammelen.

„Die De Weert ook geld had, toch kwam stelen,” bromde de Bevelhebber.

Thans sprong Marten vooruit en op zijne manier eene beleefde buiging makende, zei hij: „Ik zal bij u blijven, Heer, en als één onzer steelt, dan,—Sebald De Weert, denkt u, en pats, mij den kop af!”

De Bevelhebber lachte en zei: „Jij te veel eet. Ik niet hebben wil jij!”

„Ik zal mijn eigen potje doen, brood, vleesch en brandemoris, Heer!”

Dat woord „brandemoris” sprak Marten met voordacht langzaam uit, en hij zag duidelijk, dat hij het spel terstond gewonnen zou hebben, als hij den Bevelhebber nu en dan maar eens liet proeven, wat maar al te zeer het geval was, en als wij er den Engelschen een verwijt van maken, dat ze bij onbeschaafde volken zichzelf nog altijd bevoordeelen met die menschen te laten proeven, dan moeten wij niet vergeten, dat wij vroeger door de brandewijnflesch menig voordeel wisten te behalen. In Amerika is de sterke drank ook de oorzaak geweest van den ondergang van het krachtige, Indiaansche ras, meestal Roodhuiden genoemd.

„Roep uw’ Kapitein,” sprak het Opperhoofd. „Wij wel handelen willen, als niet steelt jij!”

„Moet ik hier blijven?” vroeg Marten.

„Hebt gij brandemoris bij u?” vroeg het Opperhoofd, wiens gebroken Nederlandsch we maar niet langer zullen trachten na te bootsen.

„Neen, Heer; maar aan boord wel.”

„Goed, haal dan den Kapitein, geld en brandemoris, dan zullen we zien.”

Weldra was de boot van den wal gestoken en uit de verte riep Piet Heyn den terugkeerenden al toe: „Wel, zijn er zaken te doen?”

„Als we willen goede, schipper,” riep Marten.

Zoodra de mannen aan dek waren en Blokmaker alles verhaald had, wat hem wedervaren was, bovenal hoe ze hem verteld hadden, dat de inboorlingen, zooals hun Opperhoofd zelf bevestigde, Sebald De Weert en zijn volk allen een hoofd kleiner gemaakt hadden, omdat ze niet eerlijk te werk gingen, besloot Piet Heyn den weg op te gaan van elken goeden koopman, en dus te trachten voor zoo weinig geld mogelijk, eene rijke lading te krijgen. Hij ging in de kajuit, kleedde zich in een deftig krijgsmanspak van schipper Rogiersz., hetwelk hem reeds eenige dagen geleden, door een’ der matrozen, die het kleermaken verstond, zoo eenigszins pasklaar gemaakt was, nam behalve geld, een paar kruiken brandewijn en eenige alledaagsche voorwerpen mede, en stapte in de boot. Hij liet nu Blokmaker op de „Muskaatboom” achter, met het bevel, ook te doen, wat hij zou gedaan hebben, als zij niet terugkwamen. Hij nam evenwel in plaats van twee nu vier uren, want daar koopman Evertsz. niet te bewegen was om reeds mede aan den wal te gaan, meende Piet Heyn, dat de zaken met zeer veel overleg en bedachtzaamheid moesten behandeld worden, en daartoe was tijd noodig.

Dit tweede bezoek was er op ingericht, vertoon te maken. Zelfs de matrozen hadden zich in hun beste pak gestoken.

Als man van ondervinding was Marten ook alweer mede gegaan, en in zijn eenvoud meende hij, dat het welslagen van alles eigenlijk nu geheel van hem afhing en vergat hij wat al te veel den afstand, die tusschen hem en den schipper bestond.

Ze waren nog niet aan den wal toen hij begon met te zeggen: „Ik zal maar dadelijk vragen of Keizer Vinna Ladarma Soria, of zooals ze hem ook wel noemden: „Dom Joao” nog leeft.”

Geen antwoord.

„En dan zal ik ook vragen of zijne Gemalin Dona Kataryna, die zulk een prachtig zeeschip was, nog altijd frisch en gezond is.”

„Ik zou je aanraden het woord aan mij over te laten, Marten,” klonk het op wel wat al te hoogen toon uit Pieters mond. „Mij dunkt, ik ben mans genoeg om het woord te voeren, hetzij in het Portugeesch of het Hollandsch.”

Verschrikt en onthutst keek Marten den jongen schipper aan. Men kon zien, dat zoo’n afjakker uit dien mond hem leed deed. Piet Heyn zag het ook, en overtuigd dat de eerlijke zeerob dat niet verdiend had, vroeg hij hem, maar veel vriendelijker: „Waarom zou je dat vragen?”

„Och, zoo maar,” was het wrevelige antwoord, „zoo maar, schipper! Domme onverstanden begaan altijd domme dingen, en zoo’n dom onverstand ben ik ook maar.”

Toen nu Piet Heyn bij dit vrij onbeleefde antwoord van den geraakten zeerob, op zijne beurt, het anders zoo gulle en vroolijke gelaat ontevreden plooide, kreeg Marten ook berouw en daarom zei hij: „Bij Keizer Vinna Ladarma Soria zijn wij met van Spilbergen aan het Hof geweest. Misschien, dat hij, ondanks het gebeurde met Sebald De Weert, ons nu weer vriendelijk ontvangt en wij daardoor weer zulke goede zaken maken.”

„Wees maar niet boos, Marten! Ik beloof je, dat ik er naar vragen zal. Mij dunkt toch ook, dat het geen kwaad zal doen. Doe nu dat ontevreden gezicht maar gauw achter slot en grendel,” zeide Piet Heyn, die hiermede weer alles bij Marten goed maakte.

Kort daarop stapte men aan den wal, waar Piet Heyn door den Bevelhebber, die zich in dien tusschentijd ook heel deftig had aangekleed, zoo wat op Europeesche wijze ontvangen werd.

„Wij willen hier eerlijken handel drijven,” dus begon Piet Heyn hem te vertellen, nadat de wederzijdsche plichtplegingen afgeloopen waren.

De Bevelhebber knikte, maar zeide niets.

„En daarom,” zoo vervolgde Piet Heyn, „wilden wij gaarne weten, of we in dezelfde gunsten bij Keizer Vinna Ladarma Soria mogen deelen, als vroeger mijn broeder Joris van Spilbergen.”

„Keizer Dom Joao is dood. Van Spilbergen was een man. Sebald De Weert een zwijn,” klonk het kort terug, en ten bewijze hoe hij Sebald De Weert en de zijnen verachtte, spuwde hij op den grond, in welke verachtende handelwijze hij door zijn gevolg werd nagedaan.

„We hopen dan in den nieuwen Keizer een’ vriend te vinden. Hoe heet Zijne Majesteit?”

„Camapati Mahapasjyn.”

„Zijne Majesteit Camapati Mahapasjyn is een wijs Vorst, wiens naam in het verre Noorden met eere genoemd zal worden. Hij zal in mij geen Sebald De Weert, maar een’ Joris van Spilbergen vinden.”

De Bevelhebber zette nu een vriendelijk gelaat. Die vleierij deed den Hoveling goed, en daarom sprak hij op wat beleefder toon: „Zijne Majesteit is nog slechts eene halve dagreize van de stad. Zij hebben te Kandy uw schip gezien, en men komt thans hier onderzoeken, wat gijlieden wilt.”

„En vóór dien tijd?”

„Deedt ge wijs naar uw schip terug te keeren. De Keizer heeft den handel met de mannen van Hollandsche schepen verboden. Wij zullen u laten roepen, als Zijne Majesteit u spreken wil.”

Piet Heyn begreep wel, dat hij niet verder moest aandringen, doch daar hij den Bevelhebber gaarne te vriend wilde houden, bood hij hem en zijn gevolg een paar kleine geschenken, benevens twee kruikjes brandewijn aan.

Den heelen middag stond men nu aan dek van de „Muskaatboom” op den uitkijk, doch op raad van Piet Heyn deed men het zoo, dat er aan den wal niets van gezien werd, anders zou men daar begrijpen, dat men verlangend was om eenig antwoord te bekomen, en dat zou door de inboorlingen, die blijkbaar uitgeslapen waren, gebruikt worden om er voordeel uit te halen.

Hoe men echter ook uitkeek, men zag wel bedrijvig heen en weer loopen, doch aanstalten maken om eene boodschap naar de „Muskaatboom” te zenden, zag men niet, en zelfseen groot gedeelte van den volgenden voormiddag verliep zonder dat men aan den wal wat bijzonders zag gebeuren.

Piet Heyn liep ongeduldig heen en weer.

„Schipper,” zei Marten en trad Piet Heyn terzijde.

„Wat is het?”

„Ze laten u lang wachten, schipper!”

„Dat behoeft ge me waarlijk niet te zeggen, Marten!”

„Neen, dat behoeft ook niet, schipper! Maar u kan er een einde aan maken.”

„Aan wal roeien en vermoord worden?”

„Neen, doen, alsof we het wachten moede zijn en onder zeil willen gaan.”

„En dan?”

„Dan zullen ze daarginder eieren voor hun geld kiezen en wel boe of ba laten hooren.”

Piet Heyn bedacht zich een oogenblik en vond Martens raad zeer verstandig, want zeer goed had hij gezien, dat ze, als het op een vechten aankwam, bijna stellig en zeker het onderspit zouden moeten delven, want hij had meer dan een duizendtal vrij goed gewapenden gezien. Met geweld was dus niets te winnen dan een pak slaag of het leven te verliezen. Hier moest Marten’s: „Wie niet sterk is, moet slim zijn,” het eenige middel worden om zaken te doen. Hij besloot daarom terstond aan Marten’s raad gevolg te geven. De zeilen werden weer uitgehangen, het anker werd gewonden en er kwam beweging in het schip.

„Kijk, kijk,” riep de koopman, die, nu er van zaken doen sprake was, zijne ongesteldheid en zijn verlangen naar huis geheel vergeten scheen te hebben, „daar steekt al eene boot van den wal af. Al hielden zij zich dom, ze keken toch even hard uit als wij. Je kent je volkje, Marten! Je hadt koopman moeten worden in plaats van zeeman!”

Recht in zijne nopjes, dat hij had kunnen toonen, dat het hem niet aan slimheid mangelde, wreef Marten van pret in de handen, en zei: „Doen, alsof we er niets van zien! Doorvaren, schipper, met een beetje zeil op, doorvaren, danhalen ze ons wel in. Kijk ze eens pagaaien om er te komen.”

„Er steken nog meer booten af,” zeide de koopman, die nu geheel wakker was.

„Dat zie ik,” bromde Piet Heyn, die de zaken niet vertrouwde en al naar de kanonnen uitkeek. „Als ze nu maar geen plan hebben om ons schip af te loopen.”

Marten lachte ondeugend en zeî: „Ik geloof zoo, dat ze bij schipper Piet Heyn aan eene heel verkeerde deur zouden kloppen, als ze dat probeerden. Hier op de „Muskaatboom” zijn wij baas. Aan den wal niet, en dat weet gij ook wel, schipper! Van gevaar is dus geen sprake, al kwamen er vijftig sloepen te gelijk! En als u geen lafaard is, ik ben het niet en geen van al het volk is het. We weten het allen, schipper, dat we onder zoo iets, als een broertje van Reinier Claessens varen, en we zijn er content mee. Dus van, als lafaards, aan den haal gaan of ons schip laten afloopen, is geen sprake.”

Piet Heyn greep de hand van den hooghartigen Marten en zeide: „Lafaards? Neen, dat zijn we geen van allen. We zullen niet op den loop gaan, of ons overgeven. Maar wat zullen wij doen, als ze ons op zijde komen?”

„Dan geeft ge hun de boodschap, dat wij eerlijke kooplieden zijn en niet gerekend willen worden tot die galgenstroppen van Portugeezen, die alleen komen om te stelen. Een weinig hooghartigheid en wat voorname „h’ms, h’ms,” kunnen op hun’ tijd toch geen kwaad, schipper!”

„Ik zal uw’ raad volgen. Je bent een verstandig man,” sprak Piet Heyn, en koopman Evertsz. gaf zulke driftige toestemmende hoofdknikken, dat hij bijna onderstboven tuimelde, want de goede man had het lichaamsgebrek van eenigszins topzwaar te zijn.

De „Muskaatboom” vorderde slechts zeer langzaam en spoedig was de voorste sloep haar dan ook ter zijde. In deze zat de bekende Bevelhebber, en deze riep al heel spoedig: „Zijne Majesteit de Keizer laat u vragen, waarom gij vertrekken wilt?”

„Zeg uw’ Keizer,” dus antwoordde Pieter, „dat wij geen roovers zijn, en het wachten moede, dáár zullen gaan, waar men ons als eerlijke dienaren van de Compagnie behandelen wil. Ceylon-alleen is de wereld niet!”

„Ik zal Zijner Majesteit uwe woorden overbrengen, doch keer dan terug en anker weer,” hernam de Bevelhebber op vriendelijken toon.

„Neen, wij keeren niet terug. We zeilen door, zooals nu. Heeft de Keizer zich bedacht, dan kunt ge ons opnieuw volgen, en gelukt het u niet ons in te halen, laat Zijne Majesteit dan den inhoud van zijne magazijnen, die vol kaneel en peper zitten, aan de Portugeezen voor een’ appel en een ei overdoen. Het is mijn laatste woord. Ga, zeg dat uw’ Keizer!”

De Bevelhebber vertrok, en om zijn hooghartig antwoord wat meer kracht bij te zetten, liet Piet Heyn de geschutpoorten openen, zoodat men zien kon, dat de Compagnie schepen zond, die wat meer te beteekenen hadden dan de vroegere onder Joris van Spilbergen en den onverstandigen Sebald De Weert.

Om nu evenwel niet door al te groote drift het doel, tegen wil en dank, geheel mis te loopen, stuurde Blokmaker de „Muskaatboom” zóó, dat ze hoegenaamd geen voordeel van den wind had, en daardoor kwam het, dat weldra de sloep van den Bevelhebber hen andermaal inhaalde, en hun nu uit naam van Zijne Majesteit Dom Camapati uitnoodigde, terug te keeren, om vervolgens bij Zijne Majesteit ten bezoek toegelaten te worden.

De „Muskaatboom” keerde thans tot hare ankerplaats terug, en Piet Heyn stak zich andermaal in zijne beste kleeding, terwijl hij bovendien gelastte, dat Blokmaker, die hem nu ook vergezellen zou, zorg moest dragen, dat hij en de koopman zich zoo kleeden en wapenen moesten, dat ze meer op Edellieden dan op eenvoudige varensgezellen geleken.

Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats. (Bladz. 147).Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats. (Bladz. 147).

Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats. (Bladz. 147).

Zoo uitgedost kwam men alweer bij de aanlegplaats, waar reeds verscheidene hovelingen in eerbiedige houdinggereedstonden, de voorname dienaren van de Compagnie te ontvangen.

Door honderden, die door eenige gewapenden in toom werden gehouden, gevolgd, kwam men bij een tamelijk groot steenen huis, dat blijken droeg van door de Portugeezen gebouwd te zijn.

De hovelingen brachten Piet Heyn en de zijnen in eene vrij groote zaal, die geheel op Europeesche wijze gemeubileerd en met kostbare tapijten behangen was. Op een’ stoel van kunstig bewerkt hout zat Zijne Majesteit Dom Camapati, met een gezicht „als een bevrozen oester”, zooals Marten fluisterde, hen op te wachten.

Zijne Majesteit Dom Camapati. (Bladz. 148).Zijne Majesteit Dom Camapati. (Bladz. 148).

Zijne Majesteit Dom Camapati. (Bladz. 148).

Piet Heyn groette hem op Europeesche wijze en wachtte de vergunning af, te mogen spreken.

„Wie zijt gij en wat komt ge hier doen?” klonk het eindelijk uit den mond van den Keizer.

„Wij zijn mannen van de Compagnie en komen hier, niet alleen om eerlijken handel te drijven, maar ook om zoomogelijk de oude verbintenissen, met Heer Joris van Spilbergen aangegaan, te hernieuwen, en als een bewijs, dat de Compagnie hare vrienden weet te waardeeren, biedt zij u, door ons deze geschenken aan.”

Allereerst bood men nu den Keizer een geweer aan, zooals Prins Maurits begonnen was in het leger te gebruiken, en dit geschenk trok den machtigen Heerscher zóó aan, dat hij voor al de andere geschenken bijna geen oog had. Doch toen ten laatste in een vaatje, heel sierlijk met koperen hoepeltjes beslagen, de brandewijn voor den dag kwam, wist de goede man niet, wat het meest te bewonderen, het geweer of den brandewijn. Onder de hovelingen deelde men allerlei andere kleinigheden uit. Het was goed dezen ook te vriend te houden.

Toen al de geschenken bezichtigd waren, noodigde de Keizer zijne gasten ten maaltijd, en ook deze was geheel op Portugeesche wijze aangerecht. Na afloop ervan gaf de gastheer zijn’ gasten te verstaan, dat hij hun toestond handel te drijven zooveel ze wilden, doch toen Piet Heyn het waagde, weer over het hernieuwen der oude verbintenissen te spreken, zeide de Keizer: „Ik ga met de Compagnie geen verbond aan. Komt er een van Spilbergen of een broeder van hem, dan handelen wij. Komt er een De Weert of een broeder van hem, dan sabelen wij hem neer. Ik wil vrij zijn. U beschouw ik, als een’ broeder van Joris van Spilbergen. Zoolang gij eerlijk handelt, zal ik u beschermen. Gij kunt gaan.”

„Wel, Kapitein,” zeide Marten onder het heengaan, „die Ceylonsche apen beginnen zoo slim te worden, als menschen. Vindt gij dat ook niet?”

„Maar ik zal hem wel tot een nieuw verbond bewegen,” antwoordde Piet Heyn.

„Dat geloof ik zoo gauw nog niet. Als Donna Kataryne er niet was, dan misschien wel.”

„Regeertzijdan?”

„Half, Kapitein, half! Door Portugeezen grootgebracht, in het Katholieke geloof opgevoed, en nog altijd onder den invloedvan die opvoeding, zal ze al doen, wat ze kan om onze oude verbintenissen in het vergeetboek te brengen.”

„Jawel, Marten, maar de invloed en de macht der Portugeezen zijn toch ook niet groot, anders zouden zij wel verbintenissen met den Keizer hebben aangegaan?”

„Als dat waar was, dan zou zij heelemaal regeeren, Kapitein! De halve macht van den Keizer bestaat daarin, dat hij geen verbond sluiten wil met de Portugeezen, en hare halve macht weet te bewerken, dat hij ook geen verbond sluit met de Compagnie!”

„Marten, je praat als een Advocaat van den lande. Ik geloof, dat je gelijk hebt,” sprak Piet Heyn lachende, en stapte met de zijnen in de sloep om zich aan boord te laten roeien.

Van dien dag af begon de handel, die hoofdzakelijk in ruilen bestond, en hoewel onze mannen hoog opgegeven hadden van hunne eerlijkheid, toch zorgden zij wel, dat ze vijf, zes, ja, tienmaal de waarde terugkregen van hetgeen zij gaven, en, om er op te roemen is het niet, al te veel werd hier van het bekende:

„Als de wijn is in den man,Is de wijsheid in de kan,”

„Als de wijn is in den man,Is de wijsheid in de kan,”

door de onzen, met behulp van brandemoris, een al te vlijtig gebruik gemaakt. Het duurde dan ook niet lang of de „Muskaatboom” had zulk eene rijke lading in, dat er niets meer kon gestuwd worden, zoodat zelfs koopman Evertsz. voorstelde om niet aan den last van de Heeren Bewindhebbers der Compagnie te voldoen, en dus Amboina niet, als het doel van den tocht, te beschouwen. Men kon letterlijk niets meer laden, want het heele schip zat propvol, en dat wel met zulke kostbare goederen tegen haast geen geld bekomen, dat geen enkel der andere schepen, die te gelijk met hen uitgezeild waren, zulk een’ schat zou thuisbrengen. Derhalve was zijn raad: „Niet naar Amboina, maar naar huis.” Piet Heyn en zijn volk vonden dat best, doch eer de „Muskaatboom” onder zeil ging, wilde onze wakkere Heyn eerst nogeene poging wagen bij den Keizer om de Compagnie door een verbond met hem te bevoordeelen; maar al zijne pogingen leidden tot niets. Ook ried Marten hem af, nog langer aan te houden. Men moest zich ditmaal maar met de rijke lading tevredenstellen en hopen, dat later wel zou verkregen worden, wat men nu tevergeefs tot stand trachtte te brengen. Pieter gaf eindelijk toe, liet het anker lichten, en van den gunstigen wind gebruik makende, keerde hij naar het Vaderland weer, waar hij, na eene afwezigheid van ruim twintig maanden, aankwam. De „Muskaatboom” was het eerste schip van de acht, die samen uitgezeild waren, dat terugkwam, en deHeeren Bewindhebbers der Compagnie hadden redenen in overvloed om meer dan tevreden te zijn, dat Piet Heyn niet aan hun’ last voldaan had, en van zijn’ tegenspoed zulk een prachtig gebruik had gemaakt, want, althans voor dien tijd, had de reis buitengewoon kort geduurd en leverde zij voor de Compagnie toch verbazend groote voordeelen op. Een schip kon moeielijk met rijker lading wederkeeren, terwijl men bovendien hoopte, dat de Keizer van Ceylon nu alweer wel tot een verbond met de Compagnie zou te bewegen zijn, als er maar meer schippers kwamen, zoo uitgeslapen als onze Delftshavenaar was.

Geen wonder dus, dat men er van de Compagnie niet aan dacht om Piet Heyn voortaan weer als stuurman te laten varen. Zulk een schipper, die getoond had niet alleen een goed zeeman, maar ook een voorzichtig handelaar te zijn, kon men gebruiken.

Dat onze Piet Heyn welkom was bij zijne vrouw en ook welkom was bij zijne Moeder, dat spreekt. De broeders keken hem nu ook met andere oogen aan, want nu was Piet een man, die wat bracht en heel wat ook. Ze konden het gebruiken en namen het dan ook dankbaar en graag aan. De oude Piet Heyn zeide niet veel. Naarmate zijne jaren klommen werd hij suffer en onverschilliger, en zeer welkom was aan Moeder het voorstel van Piet om, op korting van zijne gage, iedere week eenig geld bij de Heeren van de Compagnie te laten halen. De goede ziel was er door geholpen nu haar man niet meer in staat was om wat te verdienen, en toch zijn „natje en zijn droogje” meer begeerde te hebben dan vroeger, hoewel hij had kunnen weten, dat haar spaarpotje, hoe goed ook voor een burgermensch voorzien, niet groot genoeg was om hem te laten rentenieren. Vader Heyn kon echter niet meer rekenen; hij had het heelemaal afgeleerd.

Met het lossen van de lading had Piet Heyn al zeer weinig te maken, want dat was meer het werk van de Compagnie, die zich repte om er mede klaar te komen, zoodat het volk van de „Muskaatboom” naar huis kon, doch toen het schip geheel en al ledig was, zag men zeer goed, dat het in den storm, dien het had moeten doorstaan, te veel geleden had om zoo alweer zee te kiezen. Op denzelfden dag echter, dat de „Muskaatboom” aankwam, was er een prachtig nieuw schip, dat den naam van de „Breê Veertien” droeg, afgeloopen, en de Oost-Indische Kamer van Rotterdam aarzelde geen oogenblik om dit schip onder bevel van schipper Heyn, zoo spoedig mogelijk te laten vertrekken, en reeds twee maanden na zijne thuiskomst, lag de „Breê Veertien” gereed om uit te zeilen.

Onder de velen, die we aan boord terug konden vinden van de „Muskaatboom”, waren ook Blokmaker, die er eerste stuurman, en Marten, die er hoogbootsman op was. Koopman Evertsz. had in alles trouw woord gehouden, ook in het verdeelen van den buit, dien men in het Portugeesche schip gevonden had.

Hoe lang de reis duurde en waarheen de bestemming van de „Breê Veertien” was, vond ik nergens aangeteekend, doch waarschijnlijk was het weer Ceylon. Wel vermeld vindt men, dat schipper Heyn gelukkig voer, en daardoor bij de Compagnie zeer hoog aangeschreven stond. Nu eens was hij kort of lang thuis, dan weer kort of lang uit, en als zijne Moeder of Annetje over dat steeds van honk zijn begonnen te klagen, en de laatste er vooral op wees, dat ze geen kinderen hadden en voor burgermenschen rijk genoemd konden worden, zoodat langer varen volstrekt niet noodig was, dan lachte hij eens even en zei: „Hoor eens, Annetje, gelijk heb-je, lieveziel, maar ik kan niet anders. Ik heb thuis geen rust, en dat komt, omdat Vader en Moeder me verkeerd heb laten doopen. Iedereen noemt mij Pieter Pietersz. Heyn. Zoo teeken ik mijn naam en zoo heet ik op de scheepsrol, maar mijn ware naam is Jan Nergensrust. Je begrijpt nu wel, dat ik niet geboren ben om thuis onder de schouw (den schoorsteen) te zitten.”

Schoonvader Claes de Reus was er niet tegen, dat Piet Heyn deed, als een Jan Nergensrust en niet ging rentenieren. Volgens zijne meening was Piet nog veel te jong om aan den wal te blijven en daar den tijd door te brengen in ledigheid, en als Annetje hem zeî, dat hij aan den wal toch wel wat doen kon, dan was Vaders antwoord bijna altijd: „Wat zou hij doen? Een zeeman aan den wal is als een os op den preekstoel, en gewoonlijk zoekt hij zijn verzet buitenshuis op plaatsen, waar de drankflesch hem vergeten doet, dat hij aan den wal zich verveelt. Waarom zou Piet anders zijn? Wees dus blijde, kind, dat je man er niet aan denkt om stilletjes aan den wal te blijven.”

Gedurende den tijd dat Piet Heyn de Oost-Indische Compagnie menig voordeel bezorgde, hadden aan den wal de mannen van wapenen rust gehad. In 1609 had de Republiek met Spanje een’ wapenstilstand voor den tijd van twaalf jaren gesloten, en daar die jaren om waren en Spanje er nog niet toe te bewegen was, zich overwonnen te verklaren en een’ nadeeligen vrede te sluiten, zoo hadden de vijandelijkheden opnieuw een aanvang genomen en hoorde men alweer allerwegen over krijgszaken spreken.

Voordeelig ging het den onzen in den oorlog te land niet. De twaalf jaren van rust hadden op het leger een’ zeer nadeeligen invloed uitgeoefend. De oude, in den krijg zoozeer geoefende soldaten, waarmede Prins Maurits, als de eerste Veldheer van Europa, den wapenroem der jonge Republiek zoo menigmaal schitterend gehandhaafd had, waren langzamerhand verdwenen, en het scheen wel, dat met hen ook moed, dapperheid en kracht geweken waren. Ja, die twaalf jaren van rust schenen ook een’ merkbaren invloed uitgeoefendte hebben op den Aanvoerder zelven. De krijgsverrichtingen van Prins Maurits hadden weinig te beduiden; hij was niet meer, als voorheen, de ondernemende krijgsheld, die heel zijn leger wist te bezielen en tot kloeke daden te prikkelen. Maar het was ook verre van rustig geweest in die twaalf jaren. Godsdiensttwisten, die met Staatstwisten hand aan hand gingen, hadden het land beroerd, ja, ze beroerden het nog. Oldenbarnevelt, de grijze Staatsman, die het Vaderland als een „goed patriot” gediend had, was op een schavot onthoofd; het „Delftsche Orakel”, de groote Hugo De Groot, was veroordeeld geworden tot levenslange gevangenschap in een’ ongezonden kerker. Wel was hij in eene boekenkist ontvlucht, doch dat verminderde de hardheid van het vonnis niet. Bloedverwanten van den onthoofden Advocaat peinsden op wraak, en de Remonstranten, eens oppermachtig en nu machteloos, zagen slechts naar eene gelegenheid uit om het verloren gezag te herwinnen. Het was verdeeldheid hier, verdeeldheid daar, verdeeldheid overal in den lande.

En toch genoten deze gewesten, ondanks dien ellendigen staatkundigen toestand en al die verdeeldheid, eene ongekende welvaart. De Oost-Indische Compagnie bracht schatten in het land en gaf den nijveren werkman handen vol arbeids. In de havenplaatsen ging op de scheepstimmerwerven het hameren en kloppen dag aan dag door. Men bouwde daar schepen van vierhonderd tot vijfhonderd lasten inhoud, dikwijls bewapend met vierenveertig stukken geschut, terwijl de schepen in dienst van het land niet veel meer dan driehonderd lasten inhoud hadden. In 1625 telde het sterkst bewapende oorlogsschip van het Gemeenebest slechts zesendertig stukken geschut. De groote voorspoed van de Oost-Indische Compagnie had sommige kooplieden aangespoord ook eene West-Indische Compagnie op te richten. Reeds in 1604 wendde een zeker Antwerpenaar Willem Usselincx, die zich later te Amsterdam nederzette, daartoe pogingen aan. Zijn voorstel, dat door den geleerden Amsterdamschen Predikant Petrus Plancius, zeer aanbevolen werd, werd door de Staten-Generaal gunstigontvangen, en dezen beloofden de ondernemers van Staatswege te steunen met één millioen gulden en zestien oorlogsschepen. Men durfde evenwel niet toebijten, en zoo kwam het, dat de West-Indische Compagnie eerst in 1621 werd opgericht. Al heel spoedig scheen het, alsof zij hare oudere zuster in voorspoed overtreffen zou; want reeds vier of vijf jaar na hare oprichting had ze vier vloten in zee, die samen uit ongeveer tweeënzeventig schepen bestonden, welke zoowel ter oorlogs- als koopvaardijvaart waren ingericht. Die schepen hadden bijna dertienhonderd stukken geschut aan boord, en waren bemand met een negenduizendtal zeelieden, stoere en ondernemende gasten, die toen reeds het liedje van Heye tot waarheid maakten:


Back to IndexNext