„Een Hollandsch kind, dat is bekend,Dat vindt in zee zijn element.”
„Een Hollandsch kind, dat is bekend,Dat vindt in zee zijn element.”
Ja, in de dertien jaren van haar bestaan, van 1623 tot 1639, zond zij meer dan achthonderd schepen met zevenenzestigduizend zeelieden en soldaten naar hare bezittingen, en er waren tijden, dat ze wel vierentwintigduizend man in haar’ dienst had. Ze had dan ook hare eigene Admiraals en Zee-officieren.
Zoo ik hoop, zullen deze paar bladzijden geschiedenis u niet te zeer verveeld hebben. Ik achtte ze noodig om u eenig begrip te laten verkrijgen van de betrekking, die de held van ons verhaal bij de West-Indische Compagnie bekleedde. Nu we echter hieromtrent op de hoogte gebracht zijn, keeren we tot onzen kloeken visscherszoon terug.
De verbazende vlucht, die de West-Indische Compagnie binnen korten tijd maakte, scheen iedereen in den waan te brengen, dat de West voor de Republiek veel meer worden zou dan de Oost. Er werden winsten behaald, die aan het ongelooflijke grensden, en wat elken zeeman vooral aantrok was, dat er voor het scheepsvolk, boven de hooge gage, zoo nu en dan nogal eens een voordeeltje te behalen was door zelf in alle stilte op eigen houtje te handelen. Het mochtwel niet, maar men deed het toch. De groote winsten hadden de aandeelhouders van deze Compagnie brutaal gemaakt. Alles durfden ze aan en bijna alle waagstukken gelukten ook.
Toen Piet Heyn weer eens uit de Oost thuis gekomen was, kwam hij in aanraking met schippers, die op de West voeren, en dezen wisten de zaak zoo smakelijk te maken, dat onze Piet, al ware het alleen om ook eens in die Amerikaansche landen te komen en wat anders te zien en te beleven, in dienst van de West-Indische Compagnie overging, en daar hij, het geheele land door, als een ondernemend, verstandig, gelukkig en dapper schipper bekend stond, namen de Heeren hem gaarne in hun’ dienst, en weldra was hij schipper of Kapitein op een der grootste en schoonste schepen van die Maatschappij.
We gebruiken hier de uitdrukking „schipper of Kapitein” en dat komt, omdat het woord schipper langzamerhand was gaan beduiden: „gezagvoerder op geen heel groot schip”, en hierboven hebben we al gezien welke groote schepen de West-Indische Compagnie in de vaart had. Zoo de bemanning en de bewapening van een schip recht konden geven op den titel van Kapitein, dan verdienden de gezagvoerders van de West-Indische koopvaardij-schepen hem meer dan die van de oorlogsschepen in ’s lands dienst, hoewel Kapitein op een oorlogsschip nog altijd voor wat hoogers aangezien werd dan Kapitein op een’ koopvaarder. Toch zullen we Piet Heyn den titel van Kapitein geven tot hij wat anders, wat meer geworden is.
Het eerste schip der West-Indische Compagnie, waarop hij, als Kapitein, werd aangesteld, voerde niet minder dan achttien stukken geschut. Voor een’ gewonen koopvaarder was niet alleen deze bewapening veel te sterk, maar ook de bemanning was er te talrijk voor. Dit alles was echter noodig en heel wat anders dan vertooning maken. Alles, wat de Spanjaarden in Oost-Indië hadden, was hoofdzakelijk bezitting geweest van Portugal, en nog altijd waren de Portugeezen in de Oost veel talrijker dan de Spanjaarden, terwijl deSpaansche oorlogsschepen er bijna niet gezien werden. Heel anders was dat in Amerika, want al wat Amerika was, in het Noorden zoowel als in het Midden en Zuiden, en op de Groote en Kleine Antillen, werd door de West-Indische Compagnie bezocht, en daar waren de Spanjaarden de machtigsten. Uit Amerika kreeg Spanje goud en zilver en daar had het vrij machtige vloten en versterkingen. In heel veel gevallen moesten schepen van de West-Indische Compagnie met vechten eene lading in krijgen, en van ruilen en koopen, als in Oost-Indië, kwam daar niet veel in.
Reeds lang had de West-Indische Compagnie het oog gehad op eene vaste havenplaats in het rijke Brazilië, en haar oog was gevallen op San Salvador bij de Allerheiligen-baai, of zooals die toen heette:„Bahia de Todos los Santos.”Men rustte daartoe eene vloot van drieëntwintig groote schepen en drie jachten uit. Het opperbevel over de zeemacht werd toevertrouwd aan Jacob Willekens, die den titel kreeg van Luitenant-Admiraal, en het bevel over de landmacht, die ook aan boord was, werd opgedragen aan Kolonel Joan van Dordt. Maar behalve een Luitenant Admiraal had de Compagnie ook een’ Vice-Admiraal noodig, en voor die betrekking liet ze het oog vallen op onzen Pieter Pietersz. Heyn. Daar men echter overal menschen vindt, die al het nieuws, dat ze weten, aan iedereen vertellen, zoo was er besloten geworden, dat men het gemaakte plan voor iedereen, zelfs voor den Admiraal en den Vice-Admiraal geheim zou houden. Eerst wanneer de vloot op eene bepaalde hoogte was, zou de Admiraal zijn’ lastbrief mogen openen. Men ging hierbij zoo geheimzinnig te werk om te zorgen, dat de Spanjaard van het doel der onderneming niets te weten kwam.
Op de eerste reis, die Piet Heyn met dat schip van achttien stukken geschut naar Amerika gemaakt had, was het uitgekomen, dat hij een’ man naar het hart der Bewindhebbers van de West-Indische Compagnie was. Hij had bewezen te zijn een Kapitein, die op de zee door en door thuis was, een man, die moed en beleid bezat, een gezagvoerder, die bijzijn volk bemind was, en wat den Heeren misschien nog meer waard was, door eene buitengewoon rijke lading in het Vaderland te brengen, had hij ook getoond een uitstekend koopman te zijn. Zoo’n Kapitein, van alle markten thuis, wilde men behouden en daardoor kwam het, dat men op hem het oog liet vallen voor Vice-Admiraal.
Nog niet zoo heel lang van die eerste reis teruggekeerd, en nog niet denkende om spoedig te vertrekken, zat Piet op een’ Augustusavond van 1623 aan zijne vrouw een en ander van zijne reizen te verhalen, toen men den klopper op de deur liet vallen.
„Er wordt geklopt, Piet,” zei Annetje.
„Laat genoeg,” bromde Piet, die zich ongaarne in zijn verhaal gestoord zag.
„Nu, ik zal wel eens opendoen,” sprak de oude De Reus.
„Neen, neen, blijf zitten, Vader! Dat kan ik ook wel,” hernam Annetje en ging naar de deur.
„Wel, vrouwtje,” dus klonk eene stem, die aan alle huisgenooten vreemd was, „wel, vrouwtje, is Kapitein Pieter Heyn ook thuis?”
„Jawel, Mijnheer, hij is binnen.”
„Wij wenschten hem wel eens te spreken,” zeide nu de ander. De Heeren waren met hun beiden.
„Komt er dan in, Heeren! Is het eene geheime zaak?”
„Hoe dat, vrouwtje?”
„Dan zal ik u hier in de pronkkamer laten, anders....”
„Nu, wat „anders”?”
„Anders wil ik u uitnoodigen in de woonkamer te komen. Er is daar niemand dan mijn man en mijne Ouders!”
„Ha, is u de vrouw van onzen wakkeren Kapitein? Vergeef ons onze lompheid; wij kenden u niet!”
„Niets te vergeven, Heeren! Men zegt immers: In den donker zijn alle katjes grauw?”
„Nu, als er dan niemand anders binnen is dan de lieden, die u genoemd heeft, laat ons dan gerust in de woonkamer. Wij komen uw’ man een vereerend aanbod doen.”
„Komt ge hem weer naar zee halen, Heeren?”
„Ja! Niet goed?”
„Och, wat zal ik zeggen? Eene zeemansvrouw is een ongelukkig wezen. Maar, komt er in, komt er in! Ze zullen daar binnen anders denken, dat er allerlei zaken verhandeld worden.”
De twee heeren traden binnen. (Bladz. 160).De twee heeren traden binnen. (Bladz. 160).
De twee heeren traden binnen. (Bladz. 160).
De twee heeren, door vrouw Heyn voorgegaan, traden binnen. Blijkbaar behoorden ze tot de aanzienlijkste burgers van Rotterdam; want hunne kleeding was, hoe eenvoudig ook, toch van dure en keurig fijne stof.
Zoodra ze binnentraden stond Piet Heyn op en wenschte hun goeden avond.
„Goeden avond, Kapitein,” sprak hij, die de oudste was. „Zoo genoeglijk aan den huiselijken haard?”
„Zooals ge ziet, Heeren! En ofschoon ik de eer niet heb u te kennen, zag ik toch gaarne, dat ge daar niet bleeftstaan, maar eene gewone burgermans-zitting voor lief wildet nemen!”
De twee heeren gingen zitten en nauwelijks was dat geschied, of de oudste zeide weer: „Ge kent ons niet, zegt ge. Welnu, we zijn Bewindhebbers van de Kamer van de Maze der West-Indische Compagnie. Op de vergadering, kortelings te Amsterdam gehouden, is besloten, dat de Compagnie eene vloot zou uitzenden om hiermede den Spanjaard in eene van zijne Amerikaansche bezittingen aan te tasten. Welke die bezitting is, moet geheim blijven. De Admiraal krijgt een’ lastbrief mede, welken hij pas op eene bepaalde hoogte in zee openen mag. Daar de heele onderneming van het hoogste gewicht is, zoo is geheimhouding een der voornaamste middelen om te slagen. De Spanjaard moet verrast worden.”
„Eene schoone onderneming, Heeren,” sprak Pieter.
„Ja, maar toch ook nog iets anders dan eene schoone. Het is eene gewichtige, moeilijke, ja, gevaarlijke onderneming. Zoo ze slaagt, dan zal het, voorwaar, niet lang duren, of wij zijn onze oudere zuster de Oost-Indische Compagnie boven het hoofd gewassen. Slaagt ze niet, dan loopen we veel gevaar er geheel onder te geraken.”
„Er is maar één weg, Heeren, om te zorgen, dat de onderneming gelukt!”
„En deze is?”
„Eene flinke vloot met een landingsleger er heen te zenden. Als de vloot onder een wakker Admiraal staat en de landingstroepen worden door een moedig en beleidvol Overste aangevoerd, dan zou de wind al uit een’ vreemden hoek moeten waaien, als het schip van zijne ankers weggeslagen werd en zijne bestemming niet bereikte.”
„Dat wil zeggen?”
„Dat wil zeggen, dat er dan al heel vreemde dingen zouden moeten gebeuren, als het doel niet ten volle bereikt werd. Maar zoowel de vloot als het leger moet uitstekend zijn.”
„Daar houden wij het ook voor!”
„En als ik nu den Heeren een’ goeden raad mocht geven,dan zou ik hun een’ besten Admiraal kunnen noemen. Het hangt bijna geheel van hem af, of het plan gelukken zal, ja ofte neen!”
„Let op,” fluisterde de jongste Bewindhebber en stootte den oudsten aan, „hij zal zichzelf noemen!”
Piet Heyn scheen echter een scherp gehoor te hebben; want eensklaps schoten zijne oogen, als het ware, vlammen en zich half uit zijn’ stoel oprichtende, sprak hij met kwalijk ingehouden woede: „Ik behoef mij, den Heere zij dank, nog niet bij de Heeren Bewindhebbers van de eene of andere Compagnie op te dringen om een baantje te krijgen. Pieter Pietersz. Heyn is mans genoeg om geen baantjes-bedelaar te worden!”
De jonge Bewindhebber was bij het aanhooren dezer woorden niet op zijn gemak. Hij trachtte zich te verontschuldigen door te zeggen: „Fij, fij, wat zijt ge oploopend! Ik meende dat zóó niet; het was slechts eene aardigheid!”
Piet Heyn scheen evenwel, en met recht, van zulke aardigheden niet gediend, althans hij vroeg zeer kortaf: „Mag ik derhalve weten, wat de Heeren hier komen zoeken?”
„We zullen u dat gaarne zeggen, Kapitein! Eerst evenwel wilden wij van u den naam van den Admiraal hooren, die, naar ge meent, voor deze onderneming het meest geschikt is!”
Piet Heyn zweeg in het eerst, doch eindelijk zeide hij: „Als de Heeren kans willen hebben, dat hunne onderneming slaagt, dan moeten ze niemand anders nemen dan Jacob Willekens. Dát is de aangewezen man!”
„Dien hebben we reeds gekozen en hij heeft de benoeming aangenomen,” antwoordde de oudste.
„Dan hebben de Heeren goed gekozen!”
„Ziet ge wel, dat we toch ook wel iets kunnen doen dat goed is?” zeide hij, die het eerst gesproken had. „Maar we hebben aan een’ Admiraal niet genoeg. Des menschen leven is in des Allerhoogsten hand. Hem zou iets menschelijks kunnen overkomen, en in dat geval is het noodig, dat er reeds vooraf iemand is aangewezen, die hem vervangt. Voordie betrekking hopen we in uwe oogen ook een zeer geschikt man gekozen te hebben.”
„Misschien wel,” antwoordde Piet Heyn, nog altijd een weinig geraakt, „doch de Heeren zullen niet gekomen zijn om mij te vertellen, wat ze zoo al gedaan hebben om de West-Indische Compagnie voordeel te bezorgen, daar dit iets is, wat mij niet aangaat, want ik heb geen enkel aandeel in die Compagnie. Mag ik derhalve weten, wat u in den laten avond herwaarts voert?”
„Welzeker, Kapitein! De vergadering koos u tot Vice-Admiraal en vaardigde ons af om u te vragen of ge lust hebt, onze Compagnie, als vlootvoogd, te dienen.”
Piet Heyn stond verslagen en zijne vrouw de handen in elkander slaande, riep uit: „Wel, groote deugd! Piet Vice-Admiraal! Wat eene eer voor een eenvoudig Koopvaardij-kapitein! Vice-Admiraal!”
„Ik zal u in de volgende week antwoord geven, Heeren,” antwoordde Piet Heyn, die met deze benoeming niet zooveel op scheen te hebben, misschien wel, omdat de Heeren zich als wat al te voornaam goedhartig voordeden.
„Het spijt mij u te moeten zeggen,” hernam de woordvoerder, „dat wij u dit uitstel niet kunnen toestaan. Wat wij van plan zijn te laten doen, moet zoo spoedig mogelijk geschieden, en als u nu die waardigheid niet aanneemt, dan dienen we naar een’ anderen Vice-Admiraal om te zien, en deze is niet zoo gemakkelijk te vinden, want mannen, die voor deze gewichtige taak geschikt zijn, liggen maar niet voor het grijpen. Zeg dus kortaf, ja of neen!”
„Neen, Heeren, ik zeg neen!”
„Maar, Piet!” riep Annetje, die blijkbaar wel de vrouw van een’ Vice-Admiraal wilde zijn. „Als gij weigert, slaat gij uwe eigen glazen in! Bedenk het, man, bedenk het, Vice-Admiraal, wat eene eer! Wat zegt gij, Vader?”
Claes De Reus, die tot dit oogenblik gezwegen had, stond op en zeide: „Jongen, neem niet aan! Men meent immers, dat ge lamlendig kerel genoeg zijt der Compagnie gunstente vragen? Een Kapitein, als gij zijt, behoeft niet met den honigpot te loopen.”
Nu evenwel rees de jonge Bewindhebber van zijne zitplaats op en naar Piet Heyn gaande, sprak hij: „Ik zelf heb u in de algemeene vergadering voorgesteld! Gelooft ge nu nog, dat ik u een’ bedelaar acht? Kom, vergeet dat ongelukkige woord, dat ik mij inderdaad uit eene aardigheid liet ontvallen. Ik gevoel het, dat het u moest beleedigen, en dat lag niet in mijn voornemen. Daarvoor acht ik u te hoog. Laat ik nu, die u voorgesteld heb, de eerste zijn, die uit uw’ mond verneem, dat gij der Compagnie met uwe diensten genoegen en voordeel wilt doen. Niet gij bedelt, deCompagniebedelt!”
„Als de vork zóó in den steel zit, dan heb ik er vrede meê,” zeide De Reus en stak doodbedaard zijn pijpje aan.
„Ik zou het aannemen, Piet! Wat zal uwe Moeder in haar’ schik zijn, als ze dat hoort,” fluisterde Annetje hem in.
„Wat zal uwe Moeder in haar’ schik zijn,” dat woord maakte indruk op den forschen zeeman, die zoo gevoelig was, zelfs voor de kleinste beleediging.
„Nu dan, Heeren,” antwoordde hij na eene poos nadenkens, „ter wille van Moeder en Vrouw neem ik de benoeming aan. Wanneer en waar aan boord?”
„Ja, de vloot is nog niet geheel klaar. We zouden evenwel gaarne willen, dat de laatste schepen nog in Januari uitliepen. Admiraal Willekens zal met de eerste schepen vooruitgaan en al de andere bij Sint-Vincent, een der Kaap-Verdische eilanden, afwachten. Wij noodigen u daarom uit, eens naar Middelburg en naar Enkhuizen te gaan om den bouw der schepen te bespoedigen en in gereedheid te helpen brengen.”
„Het zal geschieden, Heeren!”
„Dank u! En nu we hier onze boodschap verricht hebben, zult ge het ons wel niet euvel duiden, dat we u verlaten. Tijdens ons verblijf te Amsterdam is al ons werk blijven liggen. We hebben het zeer druk. Mag ik u verzoeken, dat ge zelf ook uw besluit aan de Kamer van Amsterdam bekendmaakt?”
„Zeker, zeker, Heeren!”
„Nu, dan wenschen we u allen een’ goeden avond! Wel te rusten, samen!”
De heeren gingen heen en lieten Piet Heyn met zijne familie achter om in alle stilte zich te verheugen over den loop der gebeurtenissen, die van hem, eenvoudig visscherszoon, een’ Vice-Admiraal maakten.
Reeds een paar dagen later kwam Moeder Heyn uit Delftshaven naar Rotterdam om te vernemen, of het waar was, wat ze had hooren vertellen. Ze vond haar’ Pieter niet meer thuis, maar reeds op reis naar Enkhuizen. Het woord van hare schoondochter was haar evenwel voldoende. Vol vreugde strompelde de oude naar Delftshaven terug, en....
„Kijk vrouw Heyn haar huisje eens laten opknappen,” zeiden de buren den anderen morgen.
En dat ze dit riepen was niet zonder grond; want timmerman en metselaar begonnen het eenigszins vervallen gebouwtje op te knappen, en toen dit geschied was, kwam de verver, en tooverde met rood en groen zóó mooi, dat het huisje wel nieuw scheen.
„Wel, buurtje, eene erfenis gehad?” vroeg vrouw Blokmaker, die van Pieters benoeming nog niets gehoord had.
„Neen, Trui, neen, geen erfenis. Maar mijn Pieter, o, God, wat eene vreugde voor eene oude Moeder zulk een’ zoon te hebben!”
„Wat is er dan met Pieter gebeurd?”
„Wat er mee gebeurd is? Met Pieter vraagt ge? Mensch, mensch, ze hebben hem tot Vice-Admiraal van de West-Indische Compagnie benoemd!”
„Wat!? Pieter Vice-Admiraal!? Pieter daartoe benoemd!?”
„Ja, mijn goede mensch, tot Vice-Admiraal! En nu begrijpt gij, moet ik óók wat doen. Als eene Moeder zulk een voornaam personage tot zoon heeft, kan ze toch niet in een armoedig huisje wonen. En daarom zei ik tot mijn’ man, die nog niet zóó suft of hij begrijpt mij wel: „Vader, onze Piet is tot Vice-Admiraal benoemd.”
„Is dat wat?” vroeg hij.
Hoe kon hij dat vragen, zulk een oude Watergeus! Maar zooals ik zei: hij suft toch wat, en toen heb ik zelve de handen aan het werk geslagen. Gij weet zoo goed als ik, want geheel Delftshaven weet het, dat wij door Pieters goedheid in ons eigen huisje leven, en hij heeft ons nu al jaren lang iedere week zóó ruim van geld voorzien, dat we iedere week nog wat konden overhouden. En nu dacht ik, dat geld kan niet beter gebruikt worden.”
Zoo ratelde de oude maar voort, en wie haar over de onderdeur had zien staan, zou zeker niet geweten hebben, wie er prettiger uitzag, de geverfde en opgeknapte gevel, of het blijde gelaat der gelukkige Moeder.
Eenige dagen later trad Piet Heyn in de kleeding van Vice-Admiraal binnen.
„Dag, jongen! Dag, Piet!” riep ze en viel hem aan de breede borst.
„Dag, beste Moeder!” antwoordde Piet. „Wat hebt ge ons huisje netjes gemaakt!”
„Ja? En vindt gij het nu niet mooi, zeg?”
„Zeker, zeker, Moeder! Het is mooi, maar mijn gelukkig Moedertje vind ik duizendmaal mooier,” klonk het op zachten en vriendelijken toon.
Terwijl Moeder en zoon zoo met elkander gelukkig waren, zat de oude Piet bij den brandenden haard met de tang in het vuur te poken, en zoo op het oog zou men gezegd hebben, dat hij niets begreep van al wat er gebeurd was. Wie hem echter nauwlettend gadegeslagen had, zou gezien hebben, dat er leven kwam in die doffe oogen, en dat de herinnering, als het ware, uit een’ diepen slaap ontwaakte.
Eensklaps keek hij Piet aan en zei toen: „Ver gebracht, jongen! Ver gebracht! Het is mooi! Mooi! Mooi!”
En de tang opnemende, liet hij ze op de ijzeren haardplaat in de maat op en neer dansen, en met schorre stem begon hij het oude Geuzenliedeken te zingen:
„Wilt nu tsaem vreught bedrijven,Ghy Steden in Hollant,In Zeelandt mans en wijvenBedryft vreught aen elcken kant.”
„Wilt nu tsaem vreught bedrijven,Ghy Steden in Hollant,In Zeelandt mans en wijvenBedryft vreught aen elcken kant.”
Opeens wierp hij de tang op de haardplaat, strompelde op Piet toe, greep zijne beide handen en zei: „Vice-Admiraal, dat snap ik nog, mijn jongen! Ver gebracht! ’k Wensch-je er zegen mee, Piet! Een goed baantje! Hi-hi-hi! Een goed baantje!”
Hij liet Piets handen los, ging op zijn plaatsje bij het vuur zitten en de tang weer grijpend liet hij deze, onder het zingen van:
„Slaet opten trommele, van dirredomdeyne!Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”
„Slaet opten trommele, van dirredomdeyne!Slaet opten trommele, van dirredomdoes!”
op de ijzeren vuurplaat in de maat dansen.
De arme, kindsche man! Wát scheen hij van het gebeurde te begrijpen, doch het was toch maar weinig, en op het laatst hoorden Moeder en zoon van hem niets anders dan het stampen met de tang en zijn tot in het oneindige met eene schorre stem herhaald: „Slaet opten trommele! Slaet opten trommele!”
Den zesentwintigsten Maart van het jaar 1624 lag op de hoogte van het eiland Sint-Vincent eene prachtige vloot van bijna dertig schepen. Het was de vloot, die door de West-Indische Compagnie uitgezonden was om, als het maar eenigszins mogelijk was, San-Salvador in te nemen. Van den grooten top der „Zeelandia”, een schip bewapend met zesendertig kanonnen, en bemand met honderddertien matrozen en honderd soldaten, woei de Admiraals-vlag. Hier was dus Jacob Willekens aan boord. Van den voortop der „Gelderland”, voorzien van acht en twintig stukken geschut en bemand met honderdzevenentachtigmatrozen, woei de Vice-Admiraals-vlag. Hier voerde dus onze Piet Heyn het bevel en aan boord van zijn schip vinden we ook nog drie bekenden, die Piet Heyn in dienst van de West-Indische Compagnie gevolgd zijn. Door voorspraak van Pieter werd zijn oude vriend Blokmaker, als Kapitein van de „Gelderland” aangesteld, en Marten was er schipper op. Dat hij geen Kapitein geworden was, lag niet aan de Heeren Bewindhebbers, die hem wel, als zoodanig, hadden willen aanstellen, maar aan Marten zelf. Met zijne lees- en schrijfkunst was het niet zoo best gesteld en onze wakkere zeeman hield het ervoor, dat de betrekking van Kapitein te gewichtig was om door een ongeletterd persoon vervuld te worden, hoewel er in dien tijd menig Kapitein ter zee, en denkelijk ook wel bij het leger, gevonden werd, die in het geheel niet lezen of schrijven kon. Marten was echter met zijne betrekking van schipper zeer tevreden, want deze gaf een vrij groot inkomen, en daar hij voor geen kinderen en alleen maar voor zijne vrouw en zichzelf te zorgen had, meende hij, dat het zoo al wel was. Een derde bekende was Steven, die nu eens dienst genomen had, als trompetter. Deze betrekking was zeer gering, doch Steven was wel wat onverschillig en had zelfs na de reis met de „Muskaatboom” het land een poosje als soldaat gediend. Nog veel meer dan Piet Heyn was Steven een Jantje Nergensrust, want toen het hem in het leger niet beviel, liet hij het soldaatje-spelen bij één veldtocht blijven, en werd hij te Rotterdam kaaigast, die het kostje desnoods als wegwijzer wilde ophalen. Niet zoodra vernam hij, dat zijn oude vriend Piet Heyn bij de West-Indische Compagnie tot Vice-Admiraal benoemd was geworden, of hij besloot de Rotterdamsche kaden vaarwel te zeggen, en zich alweer bij het zeevolk te laten aanmonsteren. Als trompetter had hij in het leger gediend, en als trompetter wilde hij met de vloot mede. Juist toen hij zich naar de Heeren Bewindhebbers van de Rotterdamsche West-Indische Kamer wilde begeven, kwam hij Blokmaker tegen, en niet zoodra wist deze, wat Steven’s voornemen was, of hij zorgdeer voor, dat Steven trompetter zou worden op Piet Heyn’s Vice-Admiraalsschip. Zoo kwamen de vier oude kennissen op één schip.
„Waar is toch de wacht op, Kapitein?” vroeg op zekeren dag Marten, nadat ze bij Sint-Vincent wel al veertien dagen stil gelegen hadden, aan Blokmaker. „Dat hangen begint me te vervelen, zei de dief, en hij sneed zijn’ strop af.”
„Nu, nu, geduld hebben, man! Weet-je wel, dat Admiraal Willekens hier al ligt van den achtentwintigsten Januari? En van hangen is toch zooveel sprake niet. Me dunkt, dat de luî genoeg in den wapenhandel gedrild worden.”
„Daar weet ik van mee te praten,” viel Steven in, die naderbij gekomen was, „mijne trompet is al schor van al het blazen.”
„Jij, met je schorre trompet! Ik zou wel eens willen weten of een trompetter eigenlijk zijn gort wel waard is. Een akelig baantje voor een’ flinken borst. Maar voor iemand, die wat bang uitgevallen is....”
„Bang, schipper Marten, Bang? Bijlo, als het er op aankomt, zal ik toonen, dat je met spek geschoten hebt, schipper! Onthoud dat! Maar weet-je niet waarop eigenlijk de wacht is? Ik weet het.”
„Profeteert de koperen lawaai-schopper mogelijk?”
„Misschien wel, schipper! We wachten op het schip „Hollandia” waar Kolonel van Dorth, de Bevelhebber van de landingstroepen, aan boord is.”
„Dan kan men wachten tot het zog het schip vooruit loopt. Als de „Hollandia” niet naar de haaien is, dan ben ik wel een harpuislepel. Dat schip had al lang hier moeten zijn, want het is nog afgevaren vóór het onze.”
„Ik begin ook te gelooven dat de „Hollandia” naar den kabeljauwskelder is,” sprak Blokmaker, „doch ik denk, dat we hier nu niet zoo heel lang meer zullen liggen, want de Vice-Admiraal heeft me gelast, straks een paar booten uit te zetten en op het eiland visch, bokkingen, oranje-appelen en citroenen te gaan halen.”
„En waar gaat het dan op af?” vroeg Steven.
„Vraag het aan den bezaans-gaffel, die weet het misschien,” antwoordde Blokmaker.
Pas was dit door Blokmaker gezegd, of het bevel van den Admiraal werd door Piet Heyn aan boord van het dichtst bij liggend schip „Neptunus” gebracht, om de ankers te lichten en onderzeil te gaan, daar men op Kolonel van Dorth niet langer kon wachten. Het Admiraalsschip moest maar gevolgd worden.
Half ontevreden, dat men nu nog niet wist waarheen de tocht was, ging men onderzeil en stevende Zuid-zuid-west. Toen men op zes graden Zuiderbreedte gekomen was, seinde de Admiraal alle Bevelhebbers bij zich aan boord en toen dezen er waren, opende hij zijn’ lastbrief.
Een paar uren later wist ieder, die op de vloot was, dat de lastbrieven van den Admiraal het bevel inhielden, om San-Salvador in Brazilië te gaan veroveren. Dit land behoorde vroeger aan Portugal, doch was, na de inlijving van dit land bij Spanje, natuurlijk eene Spaansche bezitting geworden, hoewel bijna nog alles particulier eigendom van Portugeezen was, zoodat land, stad, forten en baai ook bijna uitsluitend geheel door Portugeezen verdedigd werden. Ook wist men, dat de Admiraal, in plaats van Kolonel van Dorth, die denkelijk met zijn schip vergaan was, tot Bevelhebber der landingstroepen aangesteld had: Majoor Allert Schouten, een oud gediende uit het leger van Zijne Excellentie Prins Maurits. Aan moed en dapperheid ontbrak het hem niet, doch hij was honderdmaal beter om een gegeven bevel uit te voeren dan er een te geven, dat zou later blijken. Of de Admiraal dat niet wist, is niet bekend, doch als hij wist, kon hij toch moeielijk een ander benoemen, want van al de Officieren van de landingstroepen, was hij de hoogst geplaatste, en op zijn gedrag viel niet het minste aan te merken, terwijl iedere soldaat van hem wist te vertellen, dat hij vechten kon, als een leeuw.
Vol vroolijken moed werd de tocht nu voortgezet. Schepenaanvallen en na plundering in brand steken, muren beschieten en bestormen, roem, eer en buit behalen, wat kon iemand, die ten oorlog voer, meer verlangen? Men was, dat wist ieder, voor zoo iets aangemonsterd!
Den achtsten Mei kreeg men de Allerheiligen-baai in het gezicht en werden andermaal de Bevelhebbers geroepen om op de „Zeelandia” het plan van aanval te bespreken, opdat alles met orde en regel geschieden zou, wat zeer noodig was, daar een deel van het gevecht op het land en een ander deel op het water zou gehouden worden, en de een op den ander zou kunnen rekenen. Er werd besloten den vijand eerst van de zeezijde aan te vallen, en dan, te midden van het gevecht, het landingsleger te ontschepen.
San-Salvador was voor eene verdediging zeer gunstig gelegen, doch het fort San-Antonio, dat de haven of den ingang der baai moest beschermen, lag veel te hoog om schepen, die reeds in de baai waren, te beschieten. Hoewel er van het fort vreeselijk gevuurd werd, leden de onzen geen schade, want de kogels vlogen boven de toppen der masten heen.
De Portugeezen van de stad konden evenwel meer kwaad doen, en de oorlogsvloot, die in de baai lag, liet de Hollanders ook maar niet ongestoord naderen. De ontvangst toonde, dat de Portugeezen, al waren ze ook aan Spanje onderworpen, hun’ ouden heldenmoed nog niet verloren hadden. Uit deze kleine mededeeling blijkt voldoende, dat de Portugeezen geheel handelden als de Oost- en West-Indische Compagnie bij ons deden. Evenmin als onze oorlogsschepen in dienst van de Republiek waren, behoorde de oorlogsvloot der vijanden tot het Spaansche Rijk. Zij was geheel en al eene oorlogsvloot van verbonden Portugeesche kooplieden.
Die krachtige verdediging verbaasde niet een der onzen. Ze hadden volstrekt niet verwacht, dat ze zonder slag of stoot zulk eene belangrijke en sterke havenstad zouden innemen en ze hadden op een’ kloeken tegenstand gerekend. Dat de kogels van San-Antonio geen doel troffen, was een meevallertje, maar uit de stad van het strand, en vooral van hetfort San-Marcello do Mar, dat midden in de baai op eene rots van arduinsteen opgebouwd was, scheen men goed te willen maken, wat San-Antonio te kort kwam.
„Dat gaat er dan zeker eens op zijn ouderwetsch op los, Admiraal,” sprak Marten tot Piet Heyn, in wien de zeerob nog maar altijd niet een’ man kon zien, die in rang zoo ver boven hem stond.
„Ja, Marten, maar het gaat mij te langzaam! Blokmaker, ziet ge ginds die vijftien vijandelijke schepen liggen?”
„Jawel, Admiraal!”
„Best, die zullen we met behulp van „de Neptunus,” „de Groningen” en „de Nassau” voor onze rekening nemen!”
„Maar het fort, dat er achter ligt, zie ik ook, Admiraal,” zeide Marten eenigszins schroomvallig.
„Het fort zie ik niet van al de schepen, Marten! Dat zullen we zien, als we de schepen op de vlucht gejaagd, of vernield hebben,” antwoordde Piet Heyn.
„Gansbloed, wat een kerel,” riep Marten, thans werkelijk den afstand tusschen schipper en Vice-Admiraal geheel vergetende. „Gij zijt er een uit de duizend, Piet! Mijn zuidwester zal in eene zeilkooi veranderen, als we dat varkentje niet gewasschen krijgen. Een zwabberpaai ben ik, als ik bakzeil inhaal.”
„Komaan, Steven, een Wilhelmusje, oude jongen,” zeide Blokmaker. „De Portugees moet hooren met welk slag van volk hij te doen heeft.”
De onzen waren ook kerels. (Bladz. 172).De onzen waren ook kerels. (Bladz. 172).
De onzen waren ook kerels. (Bladz. 172).
Vroolijk klonken de tonen van Steven’s trompet langs het water, doch weldra werden ze geheel en al verdoofd door het gedonder der kanonnen. Tot zeven uren hield men het gevecht vol, toen Piet Heyn, nadat „de Groningen” buiten staat geraakt was, den strijd voort te zetten, eensklaps drie sloepen, elk met twintig matrozen bemand, op den vijand afzond. Het is bijna ongeloofelijk, dat de Portugeezen zich hierdoor zoo bevreesd lieten maken, dat ze haast niet wisten, wat te doen. Maar de onzen waren ook kerels. Ze klommen aan boord van het grootste schip, doch vonden dit reedsverlaten en in brand gestoken. Drie andere schepen vatt’en mede vuur en thans werd de vlucht algemeen. Piet Heyn meende, dat men, van den schrik onder de vijanden gebruik makende, ook meteen het lastige arduinsteenen fort wel bemachtigen kon. Hij liet aan den Admiraal verlof vragen om dit te mogen doen, en deze was met dit voorstel zeer ingenomen. De wakkere Vice-Admiraal talmde niet lang. Hij liet veertien booten uitzetten. In elke boot namen twintig mannen plaats, terwijl hijzelf wel zorgde, er één van te zijn. Met den trompetter Steven bevond hij zich in de voorste boot. De onderneming was gewaagd genoeg, en zelfs Marten, die in de tweede boot was, noemde het een „gevaarlijk karweitje”, want men was te weten gekomen, dat de bezetting uit zeshonderd man bestond.
Maar de brutale regeert de halve wereld, en hoe men ook van het fort schoot, weldra lag Piet Heyn met zijne boottegen den muur, en Marten volgde met de andere bijna op hetzelfde oogenblik.
„Houd-je goed, schipper,” riep Steven, die in de eene hand een zwaard hield, en de andere gebruikte om de trompet vast te houden. „Houd-je goed, man! Volg mijn voorbeeld maar, dan kan-je jezelven overtuigen of iemand, die eene schorre trompet blaast, ook bang uitgevallen is.”
„Akelige toetermajoor, belast den hond en blaf zelf,” antwoordde Marten geraakt. Toch stond hij op, maar niet, omdat Steven hem dit beval, doch om zelf naar boven te klauteren. Hij sloeg zijn’ bootshaak in den muur en....
„Ben-je nou heelemaal van Lotje getikt, kerel?” schreeuwde eensklaps Marten tot Steven, die tegen hem opklom om zoo op de borstwering te komen. Steven stoorde er zich evenwel niet aan, maar was al boven, en eer Marten zich wat verplaatsen kon, stond Piet Heyn al op zijne schouders en sprong ook op het bolwerk.
Steven was de eerste van allen, die in de sterkte was, en, alsof zijne trompet moest scheuren, zoo blies hij het krachtige en geliefde „Wilhelmus”.
„Ha, Steven, ben-je daar, jongen?” riep Piet Heyn, die de tweede was. „Dat is een goed begin! Valt aan! Valt aan! Slaat dood! Geen genade! Hoezee!”
De Portugeezen stonden verbluft en gingen op de vlucht. Weldra waren al de booten aangekomen en het fort was genomen. De laatste, die op de borstwering stapte, was Marten. Hij ging regelrecht naar Steven toe, die nog maar uit al zijne macht stond te blazen, en hem bij de schouders schuddende, schreeuwde hij: „Zeg ereis, droge gruttenteller, jij moet me nog eens voor ladder gebruiken, als je het hart hebt. Dan zal ik je met je magere spillebeenen en je bolle wangen, als een gerezen papbeschuit, zoo mooi koppetje onder doen duikelen, als je ooit gezien hebt, waterhoen, die je bent! Wat heb-je mijn tuig onklaar te maken, als....”
Daar vloog hem de wollen muts van het hoofd en kreeg hij een’ musketkogel door de pijp van zijne wijde broek.
„Dat heb-je voor je razen, oude scholker,” zei Steven lachende, daar hij onder het schudden van Marten onmogelijk had kunnen blazen.
De kogels, die Marten bijna het hachje hadden doen inschieten, kwamen van den vijand, die het veroverde fort eenige kogels toezond, doch het dan stil liet liggen, om later alweer te gaan vuren.
Piet Heyn wuifde zich met den zakdoek koelte te.
Er kwam een oogenblik van rust, wat ieder welkom was, want men had zich in het zweet gevochten. Piet Heyn wuifde zich met den zakdoek koelte toe, en riep: „Mannen, op het fort gedurende den nacht overblijven, zullen wij niet, want de schepen zijn te zwak bemand en zouden gevaar loopen, zoo niet genomen, dan toch in brand gestoken te worden. Beter het fort verlaten en dat mogelijk weer prijs gegeven dan de schepen kwijt. Maar, eer wij de stukken vernagelen en alles vernielen, een paar kanonskogels tot afscheid aan het volk daar aan het strand. Het kan ons nog te veel kwaad brouwen. Hebben wij die luî daar op den loop gejaagd en hier alles onbruikbaar gemaakt, dan keeren wij naar boord terug. Komtaan, over een half uur moet San-Marcello do Mar niemendal meer zijn, en ieder onzer het scheepsdek onder de voeten hebben. Na gedaan werk is het goed rusten.”
Aan dit bevel werd ten spoedigste voldaan, want die Portugeezen daar op het strand, konden met hun schieten het den Hollanders al te lastig maken, en af en toe zag men een der onzen door een’ welgemikten musket-kogel doodelijk gewond of getroffen neervallen.
„Vuur!” commandeerde Piet Heyn toen zijne mannen een paar kanonnen naar het strand gericht hadden.
De Portugeezen hielden eenigen tijd wakker stand, doch namen eindelijk, toen het aantal hunner dooden te groot werd, de vlucht.
Nu werden de vijandelijke kanonnen vernageld en de dapperen keerden naar hunne schepen terug.
Toen ze weer op de „Gelderland” waren, klopte Piet Heyn zijn’ schipper op den schouder en zeide: „Zie-je wel, Marten,eerst konden we het fort zelfs van buiten niet zien, en nu hebben we het van binnen bekeken. Hoe bevalt je dat?”
„Best, Admiraal, best! Maar als we weer eens zulk een kattebelletje te verrekenen hebben, mag ik lijden, dat u en het volk een’ bril opzet om een fatsoenlijk schipper niet aan te zien voor eene ladder, weet u! Alles behalve pleizierig zulk eene vracht op den nek!”
„Nu, nu, je bent er toch ook nog aan den slag geweest, dat heb ik best gezien. En kwam-je, tegen je wil, ook wat laat om van leer te trekken, troost-je dan met de gedachte, dat je een’ volgenden keer de eerste zult wezen,” zeide Piet Heyn, ondeugend lachende, waarna hij zijne kajuit binnenging en den schipper alleen liet brommen.
„Zeg, Marten,” riep eensklaps Blokmaker, „zeg, waar is Steven toch? Ik zie hem nergens!”
„Steven? Wel, aan boord, waar anders?”
„Neen, niet aan boord. We missen hem.”
„Wat? Is hij er niet? Weet gij het zeker?”
„Zoo zeker, als ik weet, dat tweemaal twee vier is.”
„Dan is hij nog op het fort. Ik ga hem halen. Wie gaat er mede?” riep Marten.
Aanstonds verklaarden zich tien wakkere gasten daartoe bereid. Zonder tegenstand te ontmoeten beklom men, toen de duisternis reeds ingevallen was, de gehavende muren, en begon men onder de gesneuvelde Portugeezen naar Steven te zoeken.
„Wacht,” zei Marten, „hier heb ik gestaan toen ik, even vóór we het fort verlieten, met hem praatte. Komt eens hier met eene lantaarn!”
Men kwam en zocht, doch tevergeefs.
Eindelijk ontdekte men een veertig schreden verder eenige beweging. Men ging er heen en....
„Ben-je daar, Marten?” vroeg iemand met zwakke stem.
Marten herkende de stem van Steven en zeide: „Maar, Steven, hoe lig-je daar zoo? Kom, sta op! Hier is je hangmat toch niet, kameraad!”
„Laat me maar liggen, Marten! Ik zal het zoolang—niet meer—maken.”
„Wat blief-je?”
„Ik—was de eerste—op—het fort;—ik wilde—de laatste—zijn.—Jelui—waart al—in de—b-boot,—er stonden nog—een—veertig van de „Groningen”—toen—een k—kogel;—ik weet—niet—wat er—met—me gebeurd is.—De—borst—doet me—pijn.—Zal-je moeder—goe—den dag—zeg—zeggen en—en—Piet Hey—Heyn,—den—den—Admi—Admiraal!—W—wel—te—r—rus....”
„O, God! Steven, wat doe-je? Ben-je dood? Steven, zeg, jongen! Zeg, dat het niet waar is! Steven, hei, hei, word wakker! Een „Wilhelmusje”, toe dan, kerel,” riep Marten bijna krankzinnig van schrik en smart.
Men naderde van de stad.
„Mee, schipper, mee! De vijand schijnt te komen. Haast u, gauw wat,” riepen de matrozen.
„Niet zonder hem. Hij zal op de „Gelderland” wel tot zijn verhaal komen,” antwoordde Marten en nam den trompetter op. De anderen hielpen hem, en juist bijtijds was men in de boot en in het duister van den nacht verdwenen, toen de Portugeezen aankwamen. Eenige musketschoten werden door hen op goed geluk gelost, doch kwetsten niemand.
Ook Piet Heyn had vernomen, dat Steven niet teruggekeerd was en stond nu, nieuwsgierig naar den afloop der zaak, over de verschansing in zee te kijken.
„Wel, mannen, hebt gij het verdwaalde schaap gevonden?” riep hij den terugkeerenden toe, toen hij hen gewaar werd.
„Jawel, Admiraal, gevonden wel, maar dood,” antwoordde een der matrozen.
„Neen, hij kan niet dood zijn,” liet Marten zich hooren. „Hij heeft zich overblazen; hij zal wel bijkomen. Hier, helpt hem voorzichtig naar boven! Maar voorzichtig, hoor-je! Zijne borst doet hem pijn, heeft hij me gezegd.”
Steven werd op het dek neergelegd en de scheepsbarbierverklaarde, nadat hij hem den pols gevoeld en overal betast had: „Dood!”
Op dat woord barstte Marten in een hevig geween los. Hij viel op Steven’s lijk en zijne eigenaardige zeemans-uitdrukkingen niet kunnende veranderen, riep bij op bijna gillenden toon: „Steven, Steven, jongen, vergeef me, dat ik je uitgescholden heb. Wakkere maat, moest jij alleen nu door zoo’n blauwe boon het licht uitgeblazen worden? En dat nog al zonder van mij gehoord te hebben, dat je woord gehouden en getoond hebt, zooals je bij Sint-Vincent zei, dat je, als het er opaan kwam, zoudt laten zien, dat je de gort waard was? Arme maat! Arme maat!”
De matrozen namen Marten, die, na de hevige opwinding, stom van smart geworden was, van het lijk af.
„Blokmaker,” zeide Piet Heyn, „waar is Steven’s trompet gebleven?”
„Ze ligt naast hem, Admiraal!”
„Bind ze hem op de borst eer de zeilmaker zijn werk doet,” sprak Piet Heyn. „De arme jongen en zijne trompet waren onafscheidelijk één. Ze moeten één blijven, ook daar in de diepte.”
Getroffen door zulk een fijn gevoel bond Blokmaker de trompet op dat plekje van de borst, waar Steven pijn gevoeld had. Toen kwam de zeilmaker met een lap schoon zeildoek, wikkelde Steven’s lijk er in, en de timmerman bond dat aan eene plank, die aan het voeteinde met kogels bezwaard was, vast.
Toen dat alles gedaan was, trad Piet Heyn nader. Eerbiedig deed hij het gebed.
Na het „Amen!” klonk het bootsmansfluitje en een paar matrozen schoven de plank met haar’ treurigen last half over boord.
„Een-twee-drie! In Godsnaam!” zeide Piet Heyn.
Weer klonk het bootsmans-fluitje en de plank met haar’ last verdween in de diepte.
Uit een afgelegen hoekje keek Marten toe, en met dikketranen op de wangen snikte hij: „Goed gevoeld van Piet, goed gevoeld! Geen ander mocht op die trompet meer blazen. Ze waren één die twee: Trompetter en Trompet!”
De beweging der landingstroepen dreigde aanvankelijk niet gunstig te zullen slagen, want toen de Admiraal het sein gegeven had, dat de troepen aan wal zouden gaan om het fort San-Antonio in te nemen, toonden de soldaten daartoe niet veel lust te hebben. Het fort scheen sterk en op zulk een fort was geen buit, maar wel een pak slaag te bekomen, en het eerste wilden ze graag in ontvangst nemen, maar voor het tweede waren ze niet thuis. Toch wist Majoor Schouten de landing te volbrengen, en—pas waren de soldaten aan den wal, of de bezetting van het fort sloeg op de vlucht naar de stad, achtervolgd door de onzen, die nu niet bang meer waren.
Inmiddels werd de Majoor ook door de invallende duisternis gedwongen de vervolging te staken. Hij liet derhalve zijne manschappen blijven, waar ze waren en zeide hun, dat ze met het krieken van den dag verder zouden gaan, en trachten de stad zelve te veroveren.
Doch wat gebeurde?
De inwoners van San-Salvador zich van twee zijden bedreigd ziende, maakten van den donkeren nacht gebruik om de stad te verlaten en in de bosschen, die daar in den omtrek gevonden werden, zich te verschuilen. De Roomsche Geestelijkheid, die al te veel gehoord had van de dolzinnige Watergeuzen, die het leven van geen enkelen Roomschen Geestelijke, als ze hem in handen kregen, spaarden en de vreeselijkste martelingen voor hem bedachten, hield de Nederlanders, diehier kwamen voor geen ander volk dan Watergeuzen, en hoewel men in dien tijd niet meer zoo wreed te werk ging, kon de Geestelijkheid van deze ruwe mannen toch geen vriendelijke behandeling verwachten. Daarom, vreezende dat deze mannen de stad veroveren zouden, gaf zij het sein tot deze vlucht, en weldra was San-Salvador bijna geheel verlaten. Alleen de Bevelhebber, een man met onverschrokken moed, en Dom Diego Furtado de Mendoça geheeten, trachtte die schandelijke vlucht te beletten, en toen dit hem niet gelukte, besloot hij met zijn gezin en eenige getrouwen te blijven. Hij verkoos eene eervolle gevangenschap boven eene lafhartige vlucht.
Zoodra de dag aangebroken was, begaven de landingstroepen zich verder opweg. Die weg zou zeker niet gemakkelijk te vinden zijn geweest, zoo er niet twee mannen geweest waren, die hier al meer hadden vertoefd, en de boschrijke omstreken der stad dus eenigszins kenden. Deze twee mannen waren Dirk Pietersz. Colver en Dirk De Ruyter.
San-Salvador, het tegenwoordige Bahia, bestond toen alleen uit de Bovenstad en lag in eene verrukkelijk schoone landstreek, bijna tusschen het geboomte verscholen, zoodat men haar wel uit de baai, doch niet van het strand zien kon. De tegenwoordige Benedenstad, het volkrijkste en drukste gedeelte van Bahia, bestond toen alleen uit eenige gebouwen en gebouwtjes, die bij eene aanlegplaats noodig zijn, doch bij de komst van onze vloot waren ze verlaten. Zoo kwam het, dat het landings-legertje gidsen noodig had om bij de eigenlijke stad te komen. Majoor Schouten liet zijn oog naar alle richtingen gaan om niet onverhoeds aangegrepen te worden, wat stellig in het nadeel der onzen zou afgeloopen zijn, want het volk gedroeg zich zeer wanordelijk en de Bevelhebber scheen de kunst niet te verstaan, zijn gezag te laten gehoorzamen. Niemand evenwel belette hun het voorttrekken, en eindelijk kwamen ze voor de poorten der stad, welke ze geopend vonden.
„Gemakkelijker kan het niet,” zeide Hopman Helmont.„Wij hebben de stad zoo maar in te trekken. Die Portugeezen zijn me ook helden, ja! Geen wonder, dat Koning Filips II zijn leger, onder Alva, niet veel meer dan moest laten zien om het heele land voor Spanje te veroveren!”
„We zullen evenwel wijs doen, als we handelen, alsof de poorten gesloten waren. Wie geeft ons de verzekering, dat het geen list is,” sprak de Majoor. Hij liet daarop terstond een paar veldstukken voorbrengen, en reeds stond men gereed los te branden, toen zich een Portugees met een wit vaandel in de hand op den wal vertoonde.
Deze verzocht den Hollandschen Bevelhebber te spreken, en toen de Majoor verscheen, zeide de Portugees, dat de stad in den afgeloopen nacht door het krijgsvolk en de burgers verlaten was.
„Wie zendt u?” vroeg Schouten.
„Mijn Meester, Dom Diego Furtado de Mendoça.”
„En wie is deze?”
„De Bevelhebber, Senor!”
„Is deze dan nog in de stad?”
„Mijn Meester is geen lafaard, Senor! Hij, zijn gezin en eenige dapperen zijn gebleven.”
Thans gaf Schouten bevel, met de noodige voorzichtigheid binnen de poorten te gaan, en zoodra men in de stad was, zag men, dat de Portugees waarheid gesproken had. Nauwelijks was men, zonder ergens tegenstand ontmoet te hebben, op de markt gekomen, of de soldaten sloegen tot plundering over en hier was het, dat Majoor Schouten toonde, dat hij geen goed Bevelhebber was, want, hoewel zelf niet mee plunderende, liet hij het ruwe volk toch rustig zijn’ gang gaan. Het huis van den Bevelhebber lag het eerst aan de beurt. Eenigen der belhamels trapten de deur open en kwamen binnenstormen onder het geschreeuw van: „Slaat dood! Slaat dood!”—Men liep eene zaal in en .... daar stond men tegenover Dom Diego, die met waardige houding de plunderaars en roovers afwachtte.
Wat was het, dat het woeste volk opeens tot staan dwong?Wie was de toovenaar, die den arm, met de bijl om te dooden, onmachtig deed nederdalen? Welke machtige geest deed eensklaps die roofzuchtige tijgers in makke lammeren verkeeren?