VIJFDE HOOFDSTUK.Onder Moeders gebed naar zee.

„Gij zijt een braaf, lief, best, goed Moedertje,” riep Pieter en kuste haar de tranen van de wangen, en zich hierop van haar losmakende, ging hij naar Meester Zegers en zei: „Heeft u het gehoord, Meester, ik mag, ja, ik mag! Heerlijk!”

„Zoo, wildzang, vindt gij dat zoo heerlijk? Maar wie het doel wil, moet ook de middelen willen, die tot dat doel leiden, en .... die middelen zijn nu juist niet zoo gemakkelijk, vooral niet voor een’ knaap, die als gij, de schooljaren al achter den rug heeft. Gij hebt echter in uwe schooljaren al bitter weinig geleerd, Pieter, bitter weinig!”

Onze Piet had een paar brutale kijkers in het hoofd, en er moest heel wat gebeuren, als hij ze neersloeg. Nu evenwel schenen die kijkers opeens al hun’ overmoed afgelegd te hebben, want hij sloeg ze neer, en een hoog schaamrood vloog hem over de verbruinde wangen.

Meester Zegers scheen het niet te zien of wilde het niet zien, en vervolgde op denzelfden deftigen toon: „Gij hebt den kostbaren tijd van uwe leerjaren vermorst, en als ik op het zwarte bord de woorden van mijn’ vriend Valcoogh, schoolmeester tot Barsigherhorn, geschreven had:

„Ghy jonge kynders wilt op mijn leer mercken,Verlaet rabbouwen ende boose wercken,”

„Ghy jonge kynders wilt op mijn leer mercken,Verlaet rabbouwen ende boose wercken,”

dan staakt gij er den draak mede, o, jongeling!”

Vader knikte met het hoofd en bromde, toen de jonge Pieter nog meer verlegen werd: „Pieter, mijn jongen, Meesterverstaat de kunst om iemand ongezouten de waarheid te zeggen.”

De waardige schoolmeester scheen dat nu ook niet te hooren, of er geen aandacht aan te verleenen, en ging op denzelfden preektoon voort: „Een zeeman, die wat meer wil worden dan matroos, moet wat in het hoofd hebben. Een, die ter nauwernood lezen en schrijven kan, zooals gij, Pieter, en die van de stuurmanskunst zooveel weet, als een Heiden van den Bijbel, gaat, als jong-matroos naar zee, en als hij niet vóór dien tijd sterft, als oud-matroos het graf in! Weet gij dat wel, o, jongeling? Verstaat gij mijne tale, jeugdige vriend?”

„Ja, Meester, ik voel wel, wat u zeggen wil,” antwoordde Pieter. „Een zeeman, die niet meer weet dan ik, komt niet vooruit. Wat hij is, als hij aan boord komt, dat is hij zestig jaar later nog, als hij het boord verlaat.”

„Juist, juist,” vervolgde Meester, tevreden, dat Piet hem zoo goed begrepen had. „Het is nu de vraag, de groote vraag maar, of gij lust hebt om aan boord heel uw leven lang matroos te blijven, dan wel of ge vooruitkomen wilt!”

Thans pas scheen de jonge Pieter wat op dreef te komen. De schaamteblos maakte op de wangen voor jongensvuur plaats, en eenigszins gejaagd kwam er uit: „Ik zou niet graag op zee altijd de oude knecht blijven. Ik zou willen vooruitkomen, Meester! En ik zou er mijn best voor doen ook om wat meer te worden dan matroos. En als ik wil, kan ik wel!”

„Dat is een goed voornemen, jonge vriend, maar, niet ten onrechte heeft iemand eens gezegd: „Met goede voornemens is de weg naar de hel geplaveid.” Ik hoop dat voornemens bij u daden zullen worden, en dat zult ge veel gauwer kunnen bewijzen dan gij denkt. Luister naar het plan, dat ik gemaakt heb. Ik heb een’ broeder, die schipper is geweest op een’ Levantvaarder. Hij krijgt nu een nieuw schip, dat over een paar maanden klaar zal zijn. Dan gaat hij er mede naar Lissabon en Venetië. Die broeder is een zeer knap zeeman,die de stuurmanskunst en de zeevaartkunde uitmuntend verstaat. Hij woont te Rotterdam in de Hoogstraat, en zoo lang, als hij nu nog niet uitgezeild is, gaat gij iederen dag, behalve op Zon- en feestdagen, des middags om drie uur naar hem toe, dan zal hij u de stuurmanskunst en zeevaartkunde leeren. Wilt gij dat?”

Nu was Pieter niet klein meer; nu waren zijne wangen niet schaamrood meer! Neen, het vuur der blijdschap straalde uit zijne oogen en vol geestdrift riep hij uit: „Of ik wil, Meester? O, graag, heel graag! U zal zien, dat ik wil!”

„Best, best, knaap! Maar wij zijn nog niet ten einde! Gij kunt slecht lezen en schrijven, en dat moet ook niet zoo wezen. Daarom komt gij iederen morgen tusschen zeven en acht uren bij mij aan huis om ook dat te leeren. Hebt ge het verstaan?”

„Maar, Meester,” zeide eindelijk de oude Heyn, „wij zijngeen vermogende lieden. Wij hebben geen penning om al dat onderwijs te bekostigen!”

„Wie spreekt er van geld?” (Bladz. 56).„Wie spreekt er van geld?” (Bladz. 56).

„Wie spreekt er van geld?” (Bladz. 56).

„Wie spreekt er van geld? Ik immers niet? Mijn broeder doet het om Godswil en ik ook. Maar als Pieter later opklimt en iemand wordt, die het betalen kan, dan zal hij aan ons, of, als wij dan niet meer in leven mochten zijn, aan de armen vergoeden, wat wij aan hem ten koste gelegd hebben!”

„Nu, als het zóó is, dan heb ik er vrede meê. Dan zal het schip wel in eene goede haven komen, zooals onze Watergeuzen-hopman Dirk Duivel, een man van zessen klaar, gewoon was te zeggen, als het hem naar den zin ging,” zeide Vader Pieter.

Thans scheen Moeder ook uit hare verbazing te bekomen, want opstaande ging ze naar Meester Zegers en zeide: „Meester, gij slaat wonden, maar gij heelt ze ook! Hoe komt het toch, dat u zooveel voor onzen Pieter, die u eens zoo mishandeld heeft, doen wilt?”

„Wel, vrouw Heyn, dat is gauw gezegd. Pieters gedrag bij den verschrikkelijken brand verdient nog meer loon, dan hij reeds kreeg. Het eerste loon kreeg hij van den goeden God, die zegenend op hem nederzag. Het tweede loon ontving hij van zijne Ouders, die vol vreugde en trots op hun’ oudsten jongen wijzen. Het derde loon kreeg hij in een dankbaar hart van de lieden, wier huizen en bezittingen hij hielp beschermen. Het vierde loon vond hij in alle Delftshavenaars, die na dien tijd met lof van hem spreken. Ik kom hem, omdat mijn hart voor zulke jongens warm klopt, het vijfde loon brengen, en dat vijfde loon zal zijn, hem te helpen om in de wereld vooruit te komen. Die begeerte om hem te beloonen, heeft al lang bij mij bestaan. Toen ik hem daar zoo zag boven op dat pannendak, te midden van de vlammen, die naar alle kanten uitsloegen, en hem zelfs de haren zengden, vergaf ik hem terstond de pijn en de schande, die hij mij eenmaal in eene booze bui aandeed, en ik besloot al mijne zwakke krachten in te spannen ten einde hem iets voor zijn’ moed te geven. Ziet ge, daarom en dáárom alleen is het,dat ik uw’ Pieter helpen wil, opdat er iets meer uit hem groeie dan een simpel matroos. En nu ik mijne boodschap gedaan heb, en alles naar genoegen is afgeloopen, zoo wensch ik u allen een’ goeden avond en wel te rusten! Pieter, morgenochtend om zeven uren in de Groenendaal, hoort ge?”

Zoodra Meester Zegers vertrokken was, raakten alle banden der tongen los. Wat al gepraat en gesnap! Men zou dit; men zou dat; men wilde hier; men wilde daar! Ieder had wat te zeggen en Pieter wel het meest. Alleen Moeder zweeg en dacht stil voor zichzelve na, terwijl Vader vergenoegd de handen wreef en maar ieder oogenblik mompelde: „Ja, ja, het is waarheid: Het muist graag, wat van katten komt.”

Het ongewone van alweer te gaan leeren, maar bovenal zijne blijdschap, dat hij binnenkort naar zee zou mogen gaan, had Pieter den nacht, die op dit gewichtige besluit volgde, slechts eene korte rust vergund. Had het lang geduurd eer hij den slaap vatten kon, toen deze eindelijk kwam, kwamen droomen mede, en zoodra de stralen der morgenzon door het dakvenstertje vielen, was hij wakker, en moede van het droomen, wilde hij liever maar niet langer blijven liggen. Hij stond dus op, waschte en kleedde zich. Voor het kleine dakvenster gekomen, deed hij dat open, boog zich er door heen en keek naar de Maas, waarover een dunne nevel lag. De masten der schepen werden zichtbaar, doch overal aan boord was alles nog in rust. Alleen de mannen van de hondewacht, die om vier uur zouden afgelost worden door de dagwacht, keken hier en daar droomerig over de verschansing.

En daar, met de oogen naar het water en de schepen gekeerd, begon onze Pieter te denken aan de zee,—aan zijnetoekomst! Er ging veel om in het hoofd van den knaap.

Dat hij bij het weinige, dat hij op school geleerd had, ook niets aan de geschiedenis gedaan had, is duidelijk, maar zonder dat de geschiedenis op school onderwezen werd, wist zelfs de geringste man in de zeegewesten de gebeurtenissen van den dag mede te deelen.

Wanneer de bakker het deeg heeft gekneed, laat hij het eene poos in den trog staan om het door gist te laten rijzen. Dan zet het deeg uit, en wat een halfvolle trog was, wordt weldra een volle, en als hij er ten laatste geen brood van ging bakken, dan zou het deeg over den trog heen komen.

Zie, de Nederlanders der zeegewesten van dien tijd, waren als het bakkersdeeg in den trog; er was werking in. Nog bijna onbewust hoe het kwam, gevoelde het volk zich tot daden geprikkeld, op de groote wateren, maar niet zoo zeer hier te lande. Althans de Hollanders, Zeeuwen en Friezen hadden met dappere daden op het land weinig op. Er stak een zeeman in hen, geen soldaat.

Leycester was een paar jaren geleden vertrokken en na diens vertrek had men de oppermacht dezer landen niet aan een’ anderen Vorst aangeboden. De Republiek was, als het ware, gevestigd, en met een’ Prins Maurits aan het hoofd van het leger en een van Oldenbarnevelt in ’s Lands raadzaal, begon de jonge Republiek al de kracht van hare jeugd te gevoelen, en evenals een gezonde knaap, die vrij gekregen heeft, denkt: „Wat zal ik toch nu eens doen? Ik moet, ik wil, ik zal wat doen,” zoo spitsten ook zoo onze Voorouders in die dagen hun brein tot het zoeken van alles, wat ze doen konden, doen, het liefst op zee en ver van honk.

Dat de jonge Pieter nu ook zoo dacht, is duidelijk. Wat zou hij aan boord van het schip doen? Waar zou hij komen? Wat zou hij worden?

De Ridders van vroegere eeuwen waren er sinds lang niet meer; de adellijke grondbezitters, mannen met aanzienlijke namen, waren er nog wel in Holland, maar het ontzag, dat het volk vroeger voor hen gehad had, bestond niet meer. Erwas een andere aanzienlijke stand aan het opkomen. Het was die der „Burgerkoningen van de Republiek” en deze stand groeide op uit heel de burgerij, uit de armen zoowel als uit de aanzienlijken en rijken. Het was, alsof iedereen gevoelde, dat hij het ver in de wereld zou brengen, als hij maar van aanpakken wist. Die geest van „willen aanpakken” bezielde duizenden van hoofdstraat tot achterbuurt.

Was het nu wonder, dat de zoon van een’ matroos, die slechts ter haringvangst voer, eerzuchtige droomen kreeg en met tal van voorbeelden voor oogen, van zichzelven dacht: „Wat een ander kan, dat kan ik ook!”—Immers reeds tegen het begin der zeventiende eeuw waren, vooral in Holland en Zeeland mannen uit den minderen stand al heel wat geworden in den lande!

Het was aan Pieters gelaat te zien, dat zijn vurig hart van eerzucht klopte, en naarmate de nevelen op de Maas meer verdwenen, naarmate de zonnestralen alles meer in gloed zett’en en naarmate alles, op de rivier en in de havenbuurt, meer tot leven kwam, naar diezelfde mate stegen zijne eerzuchtige plannen, en wie weet hoe hoog ze wel gestegen waren, als Vader, die niet wist dat Pieter al lang en breed op was, beneden aan de trap niet geroepen had: „Jongens, jongens, het is halfzes! Er uit, jongens!”

Jacob, Simon en Cornelis rekten zich uit en riepen: „Ja, Vader!” waarna ze opstonden. Onder het aankleeden vertelde Pieter hun, wat hij dien morgen zoo al op de Maas gezien en welke mooie plannen hij voor zichzelven gemaakt had.

Na het ontbijt, dat steeds te zes uren gehouden werd, begaf Pieter zich naar zijn’ ouden Meester, en des middags ging hij vol blijden levensmoed naar Rotterdam om bij schipper Zegers de eerste lessen te nemen in de stuurmanskunst.

Zoo ging het den eenen dag na den anderen bijna twee maanden lang. Zoo traag in het leeren Pieter vroeger geweest was, zoo ijverig was hij nu. De tijd vloog hem om. Maar ook voor Moeder vlogen de dagen te schielijk voorbij. Ze was wel arm, en het geld moest uit alle hoekjes en gaatjes opgezocht,ja, op een paar boterhammen en een stukje kaas minder, uitgewonnen worden; maar ze wilde toch niet hebben, dat haar oudste jongen als een schooier aan boord zou komen. Oude spulletjes waren het, zeker, dat viel niet tegen te spreken. Op een koopje, van oud nieuw gemaakt, ieder zag het! Maar was dat schande? Zet eens eene vuist als ge geen hand hebt, en koop eens spiksplinternieuwe en mooie kleeren, als er zelfs niet genoeg voor oude is! Eene Moeder kan veel, maar zulke wonderen verrichten, dat gaat niet, dat kan niet. En dan, behalve die uitrusting was er nog meer noodig.

In 1580 was te Delftshaven eene vereeniging tot stand gekomen, die den naam droeg van: „Matroozen-troost”. Die vereeniging bestond uit zeelieden, die eenig geld bij elkander brachten, hetwelk door drie Regenten beheerd werd. Viel nu een der matrozen, die lid van die vereeniging was, in handen van Duinkerksche kapers, dan werd hij met geld van de bijeengebrachte som vrijgekocht. Dat lidmaatschap kostte nu wel veel geld, veel althans voor menschen, die met schrale verdiensten moesten rondkomen, maar Moeder had besloten, dat haar jongen ook lid zou worden, het mocht kosten wat het wilde. Wanneer hij in handen van die woeste zeeschuimers, niet veel beter, misschien wel erger, dan de Watergeuzen, viel, dan zou hij in harde gevangenschap moeten blijven zuchten, en wie weet of ze hem zelfs niet om het leven zouden brengen. Dus, Pieter moest lid worden van „Matroozen-troost”.

En onder die velerlei beschikkingen brak eindelijk de dag aan, dat Pieter zou vertrekken. Het schip, „de Westland” geheeten, en voor rekening van eenige Delftsche kooplieden uitgerust, lag zeilreê in Delftshaven.

Slechts een paar uren nog en dan zou het de haven verlaten. Wie wist voor hoe lang!

Pieter was nog aan boord; hij had echter geen afscheid genomen en mocht dat nog gauw gaan doen. Zijn Vader was niet thuis; deze was op de vischvangst, en hem had Pieter al vaarwel gezegd. Jacob was bij een’ timmermante Delft in de leer, en Cornelis en Simon waren in school. Moeder was dus alleen, heel alleen thuis.

„Nu, jongens, een half uurtje, hoor, niet langer,” zeide de schipper, aan wien gevraagd werd om thuis afscheid te gaan nemen.

Hierop liepen drie jongens van boord de Haven op.

Wie dat waren?

Dat waren Willem Adriaensz. Blokmaker,—Jan Dirksz. en onze Pieter.

De eerste twee gingen met „de Westland” als licht-matrozen mede, en Pieter, als bootsmans-leerling.

„Tot straks,” klonk het thans, en de drie knapen liepen ieder naar hun eigen huis.

Maar weldra vertraagde Pieter zijne schreden. Hij wilde wel hard loopen; maar hij kon niet. Er was iets, dat hem hinderde, en hoe dichter hij bij huis kwam, des te vreemder gevoelde hij zich. Het was in zijne keel, alsof daar een stuk droog brood zat, dat hij wel doorslikken wilde, maar niet doorslikken kon.

Eindelijk kwam hij, ondanks zijne vertraagde schreden, toch thuis.

Hij deed de deur open, trad binnen en ging naar zijne Moeder, die bezig was om met de tang het vuur wat op te rakelen. Zij keerde zich om toen zij iemand hoorde binnenkomen, en Pieter in het vertrek ziende, zag ze hem verstoord aan en zeide: „Blijf staan! Wat is dát?”

Pieter stond onthutst stil en vroeg: „Wat, Moeder?”

„Vraag-je nog „wat”, jongen?”

„Ja, Moeder, ik weet niet....”

„Zoo, weet gij altemet niet, waarom daar voor de deur eene voetmat ligt?”

Pieter lachte even en zei: „Maar, Moeder! Ik....”

„Houd dat „maar” toch eindelijk voor je! Doe als altijd!”

Pieter keerde terug en veegde de lage zeemansschoenen, die niet vuil waren, aan het matje af. Hij had dat voor het eerst van zijn leven vergeten.

„Genoeg,” sprak thans Moeder, „zeg mij nu vaarwel!”

Pieter deed het; maar, koel. Moeder deed ook zoo raar!

„Vergeet—je—Moeder—niet!”„Vergeet—je—Moeder—niet!” (Bladz. 62).

„Vergeet—je—Moeder—niet!” (Bladz. 62).

„Hoor eens, jongen,” begon Moeder terwijl ze hem de armen om den hals bleef houden, „ik weet dat je mij al heel vreemd vindt. Goed, vind dat. Maar nu we op het punt staan, van elkander te scheiden, heb ik je nog wat ernstigs te zeggen. Tot heden heb-je altijd ons, uw’ Ouders, moeten gehoorzamen, en als je het niet deedt, dan wachtte je straf. Nu ga-je naar zee. De zee maakt een’ mensch lichtelijk vrij en ongebonden, ja, soms woest, hardvochtig en onverschillig. Zoo ze jou dat óók maakt, dan zou ik liever hebben, dat je nimmer weer een’ voet over dezen drempel zettet. Ik wil van mijne kinderen gehoorzaamheid, al werden ze zoo hoog geplaatst, dat er tusschen hen en Zijne Excellentie Prince Maurits, dien God behoede, slechts ééne schrede afstands was. Ik heb je geleerd, God en uw’ Ouders te gehoorzamen. Als ik je wederzie, moet dat nóg zoo zijn. En gehoorzaamheid zit niet enkel in het groote,—gehoorzaamheid zit ook in het kleine. Wie, als hij binnen de deur komt, begint met de voeten niet op de mat af te vegen, ofschoon hij weet, dat dit orde en regel is, die eindigt met zelfs God niet te gehoorzamen en te leven als een heiden. En nu, mijn jongen, denk altijd, je heele leven lang, in Noord of Zuid, in Oost of West, nu of over veertig jaar, als bootsmans-leerling, als schipper of als Kapitein, denk altijd aan deze ure. Vergeet je Moeder nooit, dan vergeet je ook de lessen niet, die zij je gegeven heeft; dan vergeet je den Lieven Heer niet; dan zal mijn gebed voor je welzijn niet onverhoord blijven! En nu, Pieter, lieve beste Pieter, ga, ga met God! Vergeet .... je—je Moeder—-je Moeder niet!”

Hier moest de strenge Moeder opeens zwijgen. Zij had zich geweld aangedaan om kalm te blijven; ze wilde tot op het laatste oogenblik den schijn aannemen, alsof er in dat kloppende en zwoegende hart geen teedere liefde te vinden was. Maar de strenge Moeder moest in dien fellen strijd voor de teedere Moeder onderdoen. Ze wierp de tang neer enkrampachtig snikkend sloeg ze de armen, de trouwe Moederarmen, om den hals van haar’ oudsten en drukte hem aan het Moederhart, het trouwe Moederhart, dat zóó hevig klopte, dat Pieter de slagen wel tellen kon. Eindelijk, na zijn gelaat met kussen overdekt te hebben, maakte zij zich los, en een klein pakje, dat op de tafel lag, in de hand nemende, reikte zij het hem over en zeide: „Aan boord eerst te openen,” kuste hem nogmaals en nogmaals, en .... beval hem heen te gaan, omdat zijn tijd verstreken was.

„Een half uurtje, hoor!” had de schipper gezegd.

Het was bijna een uur geworden.

Voort, Pieter, voort! Niet begonnen met nu al te kort te doen aan zeemansplichten!

Pieter toonde thans, dat hij nog loopen kon. Den weg,waarover hij wel tien minuten gedaan had, toen hij naar zijne Moeder ging, werd nu in minder dan de helft afgelegd. Hij kwam evenwel volgens het bevel te laat, maar toch won hij het nog van zijne beide makkers, Willem en Jan.

Zoodra hij nu aan boord trad, vond hij daar Meester Zegers en zijne broeders Cornelis en Simon om afscheid te nemen, en hoewel Meester hem niet zoo weekhartig maakte, als Moeder, toch vond Pieter, dat de oude man hartelijk was, als weinig anderen. Maar eindelijk, toen Willem en Jan ook aan boord waren gekomen, verzocht de schipper zijn’ broeder vriendelijk om henen te gaan. Hij kon er op rekenen, vast en stellig, dat hij voor den jongen Pieter Pietersz. Heyn zorgen zou, alsof hij zijn eigen kind was.

Meester ging met Piets broeders aan den wal. De loopplank werd ingehaald en toen, evenals eenige jaren geleden waarin onze goede Dr. Heye zong, was het:

„De kabels los, de zeilen op,Dat gaat er op een varen:Al waren wij Sinjeurs aan wal,Ons hart lag in de baren;Een Hollandsch kind, dat is bekend,Dat vindt in zee zijn element!Hoezee dan, jongens, in het want!De handen uit de mouwen!Laat Duitscher, Noor of EngelschmanNiet klimmen in je touwen!Dàn kan je varen zonder peil,Al blies de Nikker in het zeil.”

„De kabels los, de zeilen op,Dat gaat er op een varen:Al waren wij Sinjeurs aan wal,Ons hart lag in de baren;Een Hollandsch kind, dat is bekend,Dat vindt in zee zijn element!

Hoezee dan, jongens, in het want!De handen uit de mouwen!Laat Duitscher, Noor of EngelschmanNiet klimmen in je touwen!Dàn kan je varen zonder peil,Al blies de Nikker in het zeil.”

Pieter keek naar alle kanten uit, of hij zijne Moeder nog niet eens zou zien. Hier stond een groepje mannen en vrouwen; zij was er niet bij.—Daar stonden eenige nieuwsgierigen, die van alles, wat er gebeurt, het naadje van de kous willen weten; vrouw Heyn was er niet bij. Ginds liepen eenige luierende manspersonen met een dergelijk slag van vrouwen, den tijd dooden met kallen en snappen over allerlei onbeteekenende dingen, soms ook wel over hunne buren; ook daar was ze niet bij.

Maar bij de Sluis, ja, daar bij Gerrit, den sluiswachter, die uit de Kolk verdreven werd door den brand, en die nu bijna aan het einde van de haven in een nieuw huisje woonde, daar stonden een paar vrouwen door de ruiten te kijken.

De eene was de Moeder van Mietje en Jantje.

De andere?

Zou Pieter dat nog behoeven te vragen? Neen, hij herkende haar terstond, al was haar gelaat, door eene huive gedekt, nauw zichtbaar. Die andere was zijne Moeder.

Hij wuifde met de wollen muts, deed het nog eens en nog eens, en zij, die daar binnen stond en wie die laatste groet gold, knikte hem zoo lang vriendelijk tegen, tot ze voor elkander verdwenen....

En de wind, die de zeilen van de „Westland” deed zwellen, en haar langs het gerimpelde watervlak der Maas naar zee bracht, diezelfde wind sloeg het deurtje van Moeders huisje toe, toen zij er intrad om nog eens in alle stilte, door niemand gezien en door Één slechts gehoord, te stamelen: „Goede God, bewaar mijn’ jongen! Behoed mijn’ zoon, mijn’ oudste.”

Acht jaren lang had Pieter met wisselvallig geluk gevaren. Op zijn’ eersten tocht leed hij met „de Westland” schipbreuk in de Middellandsche Zee en kwam hij weer aan boord van een ander schip in het Vaderland terug, arm en berooid. De uitrusting, waaraan zijne lieve Moeder zooveel ten koste had gelegd, lag op den bodem der zee, en alleen dat, wat in het pakje zat, hetwelk zij hem bij het heengaan gegeven had, was behouden gebleven. Dat had hij, zelfs met levensgevaar, nog uit het zinkende schip gehaald. Het was een tamelijk versleten en beduimeld Bijbeltje, doch met geen enkele bladzijde te weinig, al lagen er ook bladen los in.

Niet afgeschrikt door den ongelukkigen afloop van dien eersten tocht, ging hij met schipper Zegers, die op een ander schip voor Rotterdam was gaan varen, mede naar de Oostzee. Maar ook deze tocht was niet gelukkig; want een zeer vroeg invallende winter sloot het schip met nog enkele andere Hollandsche vaartuigen bijna vijf maanden in de haven van Danzig op. Schipper Zegers, door dezen nieuwen tegenspoed erg korzelig en onverschillig geworden, gaf onzen Pieter weinig of geen les meer in stuurmanskunst en zeevaartkunde, hoewel er in die vijf lange wintermaanden anders gelegenheid genoeg toe zou geweest zijn. Boeken waren toen nog verre van algemeen, zoodat er aan boord ook geen te vinden waren. De tijd werd dus doorgebracht met wat in de stad te slenteren, wat op het verkeer- en dambord spelen, zingen, vertellen of zich vervelen. Ter eere van Pieter moet evenwel gezegd worden, dat hij geen dag voorbij liet gaan zonder een hoofdstuk uit zijn’ Bijbel, of wat in een boek over zeevaartkunde gelezen te hebben.

Eerst half Mei kwam hij weder te Delftshaven aan en daar hij op dat oogenblik geen schip krijgen kon, nam hij dienst op eene schuit voor de vaart naar Antwerpen. Dat gedurig heen- en weervaren beviel hem echter in het geheel niet, hoewel zijne Moeder het niet ongaarne zag. Zij had hem dan om de veertien dagen zeker eenmaal thuis. Van de binnenvaart ging hij op de haringvloot, en van de haringvloot alweer op een schip, dat naar de Middellandsche Zee moest. En zoo ging het af en aan, nu eens op dit, dan op dat schip. Nu eens op Spanje, dan op de Oostzee. In 1599 evenwel was hij zoo gelukkig, zich, als tweeden stuurman, te laten aanmonsteren op de „Maze”. De schipper was zijn oude bekende, Zegers, en behalve Willem Adriaensz. Blokmaker, die, als bootsman, dienst deed, en Jan Dirksz. die voor kok aangenomen was geworden, bevonden zich ook thans aan boord Govert en Steven, de neven van Meester Zegers. Zij hadden zich als gewoon matroos laten aanmonsteren. De reis van de „Maze” was naar Lissabon. Vroolijk en vol blijde verwachtingging men het zeegat andermaal uit. Men zou toch eindelijk wel eens eene gelukkige reis maken!

Maar onderwijl de reis voorspoedig werd voortgezet, gebeurde er iets in Spanje, waarvan de bemanning van de „Maze” niets te weten kwam vóór het te laat was.

Wat was het?

In 1580 had Koning Filips II door Alva Portugal laten veroveren, zoodat dit kleine land met zijne uitgestrekte bezittingen in Oost en West, vooral in Oost-Indië, ook tot het Spaansche rijk behoorde. Voor de Indische voortbrengselen waren eerst Venetië en Genua de stapelplaatsen geweest, doch toen de koene en ondernemende Portugeezen, om Kaap de Goede Hoop heen, den weg naar Oost-Indië gevonden hadden, werd Lissabon de stapelplaats van de Indische voortbrengselen, en voor heel Europa kwam men ze hier uit de tweede hand koopen. Dat deden vooral de Nederlanders, en hoewel Koning Filips II met zijne Nederlandsche gewesten in oorlog was, en menigmaal op het punt gestaan had om de Spaansche en Portugeesche havens voor de Nederlandsche schepen te sluiten, hadden de kooplieden in Portugal en Spanje dat nog altijd weten te voorkomen, want zij vreesden, dat de Nederlanders, als ze de Indische waren niet meer in Portugal uit de tweede hand konden koopen, niet rusten zouden, voor ze die uit de eerste hand in Oost-Indië zelve zouden kunnen koopen. De Nederlanders wisten den weg wel niet om Kaap de Goede Hoop heen, doch men kende hun’ ondernemingsgeest genoeg om te begrijpen, dat zij zóó lang zoeken zouden, tot ze den weg gevonden hadden, en dan zouden ze niet rusten voor ze ook vasten voet in de Indiën hadden. Om dat zoeken en vinden van dien weg, met al wat er op volgen zou, te voorkomen, wist men Koning Filips II te bewegen om den Nederlanders de vrije handelsvaart op de Spaansche havens te blijven toestaan. In 1598 stierf Koning Filips II, en onder den naam van Filips III, volgde zijn zoon hem op. Deze luisterde niet naar de raadgevingen en verzoeken van de Portugeesche kooplieden, en in het sluitenvan al de havens in zijn gebied voor de Nederlandsche schepen zag hij juist het middel om de oproerige gewesten, die het Spaansche gezag reeds afgezworen hadden, tot onderwerping te dwingen. Van dien kloeken ondernemingsgeest der Nederlanders, om niet te rusten vóór ze den weg naar de Oost-Indië gevonden hadden, geloofde hij, jammer genoeg voor Portugal en Spanje, niets.

Hij wist, dat de Nederlanders niet al de goederen, die ze in Lissabon of eene andere haven van het Spaansche grondgebied kochten, voor zich zelven aanschaften, maar dat het grootste deel van die goederen alweer door hen verkocht werd aan de bewoners van de Oostzee-landen, en dat ze hiermede groote winsten wisten te behalen. Dat die winsten alweer voor een groot deel besteed werden om er krijgsvolk voor te werven, dat bestemd was om tegen de Spanjaarden te strijden, wist hij ook. Het was genoeg bekend, dat de legers der oproerige Nederlanders voor het grootste deel uit vreemde huurbenden bestonden. Nu meende Koning Filips III, dat hij door het openlaten van de Spaansche havens zelf oorzaak was, dat de Nederlanders den strijd tegen hem konden volhouden, en hij redeneerde daarbij zoo ongeveer aldus:

„Hieraan moet, hoe eer hoe beter, voorgoed een einde komen. Ik wil niet langer toestaan, dat die rebellen met hunne schepen in mijne havens komen. Zij verrijken zich ten koste van mijne onderdanen, die eigenlijk de vrachtvaarders op heel Europa moesten zijn! Voortaan worde elk Nederlandsch schip, dat mijne havens binnenloopt, verbeurdverklaard en de bemanning naar de galeiën gebracht. Als ik dat doe, snijdt het mes aan twee kanten. Aan den eenen kant ga ik de vermeerdering der rijkdommen van de oproerige kooplieden tegen, en aan den anderen kant breng ik stilstand in den zeehandel, waardoor ginds honderden matrozen zonder verdiensten zullen komen. Deze laatsten zullen met hun’ ledigen tijd geen’ raad weten, en uit ontevredenheid over het gemis aan verdiensten, oproer maken. „In troebel water is het goed visschen,” zeggen de luiden daar! Best, ze zullenondervinden, dat ik Hollandsche spreekwoorden weet toe te passen.”

De verstandig denkende Spanjaarden en Portugeezen, die aan het Hof verkeerden en wisten, wat de Koning van plan was, trachtten hem wel duidelijk te maken, dat hij zichzelf en zijne onderdanen met dat aan twee kanten snijdende mes het eerst wonden en hevig wonden zou ook, maar Koning Filips III meende de wijsheid in pacht te hebben, en luisterde niet naar den goeden raad, zoodat hij den domsten streek beging, dien een Vorst maar begaan kon, en oorzaak zou zijn van Spanje’s ondergang en de opkomst van eene Republiek, die eens zoo machtig worden zou, dat Spanje zich in een bondgenootschap met haar verheugen zou. Van de voorspelde wonden, die de Koning zichzelf en zijn land toebrengen zou, zullen we in dit verhaal nog genoeg te weten komen en te zien krijgen. Keeren we daarom terug aan boord van de „Maze”, die we voor dit uitstapje in de geschiedenis een oogenblik verlaten hebben.

Terstond, na het nemen van dit besluit, werden ijlboden naar alle Spaansche en Portugeesche kuststeden afgezonden, met het bevel aan de bestuurders dier plaatsen, dat men alle Nederlandsche schepen, die er binnenvielen, prijs verklaren en het volk ervan, als slaven, naar de galeiën zenden zou.

Voor den mond van de Taag kruiste de Spaansche oorlogsgalei „de Lucera”.

De Kapitein van dat schip heette Don Calliado. Hij was een tiran voor zijne eigen landslieden en altijd even grimmig als een Noorsche beer. De roeiers van zijne galei, allen veroordeelden, werden door hem nog erger dan wilde dieren behandeld, en als er een paar onder de martelingen bezweken, zei hij: „O, er is in Spanje nog meer van dat tuig te vinden!”

Met scherpen en geoefenden zeemansblik zag hij uit, of hij in de verte geen zeil zag naderen. Hij toch ook had het bevel van Koning Filips ontvangen, en hij verheugde zich al bij voorbaat in de kwellingen, die hij den Nederlanders zouaandoen, en genoot in gedachten al van het voordeel, dat het nemen van een Nederlandsch schip hem aanbrengen zou.

Eindelijk ontdekte hij een zeil; maar het was nog te ver om te zien welke landsman het was. Met een goed gezeilden wind naderde het evenwel spoedig, en kwam het zóó dichtbij, dat men op de „Lucera” alles onderscheiden kon.

Calliado lachte; het was een Hollander.

„Daar kruist eene oorlogsgalei voor de rivier, schipper!” zeide Pieter.

„Dat zie ik ook!” was het antwoord.

„Liggen hier altijd oorlogsbodems?” vroeg Willem Blokmaker.

„Nooit gezien! Maar waarom?”

„Wel, schipper, ze konden het wel eens op ons verzien hebben. Men kan het niet weten.”

„Ben-je mal? Waarom zouden ze dat? We zijn nu wel met Spanje in oorlog, maar zelfs ten tijde van Alva kwamen wij hier rustig aan. Na Alva zijn de zaken heel wat veranderd, en Filips III is Filips II niet!”

„Ze zeggen, dat hij dom is!” waagde Pieter zoo terloops aan te merken. „Zou het waar zijn?”

„Nu ja, het buskruit zou hij nooit uitgevonden hebben. Maar wat geeft dat? Mij dunkt, dat is juist in ons voordeel!”

„Of in ons nadeel, schipper! Hoewel Spanje en Portugal veel voordeel trekken uit onzen handel op hunne havens, kon de nieuwe Koning er wel eens anders over denken. Domme menschen doen soms domme dingen!”

„Ei, Pieter Pietersz. Heyn, de tweede stuurman op de „Maze” begint zoo wat aan de regeerderij te doen? Een slecht baantje, vriendlief! Voor een’ zeeman geldt het in de eerste plaats: „Schoenmaker, blijf bij uwe leest!”

Pieter en Willem zwegen. Ze dorsten niet langer voortgaan met ook maar met een enkel woord, den schipper, die nooit eenige tegenspraak verdragen kon, uit zijn humeur te brengen.

Ondertusschen kwam de oorlogsgalei wat nader, en het was duidelijk, dat ze iets met de „Maze” te maken had.

„Hoe vreemd toch, dat die galei ons zoo tegemoet komt,” zeide Pieter tot Willem.

„Misschien denken ze wel, dat we de kinderpokjes of eene andere ziekte aan boord hebben, en dat wij de besmetting in Lissabon brengen zullen!”

„Kwamen ze daarnaar vroeger ook onderzoek doen?”

„Weet ik het? Ik ben hier voor den eersten keer!”

Nu werd er eene roeiboot van de galei uitgezet en deze legde aan bakboordszijde aan.

„Aan stuurboord, man aan het roer!” riep schipper Zegers. „Nobel gezelschap ontvangen we nooit aan bakboord. Dat is alleen voor de kadraaiers en uitventers van vruchten.”[3]

De Spaansche Bevelhebber scheen zich evenwel niet aan deze woorden te storen en klom, gevolgd door een tiental matrozen, tegen den valreep van de „Maze” op en betrad het dek.

Schipper Zegers en de manschappen, voor zoover deze op het dek waren, stonden verwonderd op te kijken, en wisten niet, wat zij van dat vreemde bezoek maken moesten.

„Wie is de schipper?” vroeg Calliado, die in persoon met de boot medegegaan was, voorwaarts tredende.

„Die ben ik, Senor!” antwoordde Schipper Zegers beleefd, en ook in het Spaansch.

„Welnu, dan! In naam van Z. M. den Koning van Spanje, Heer der Nederlanden en Oppermachtig gebieder van Amerika verklaar ik dezen bodem prijs en de bemanning gevangen!” Schipper Zegers, zoowel als al de schepelingen, stonden op dat bericht geheel verslagen.

Eindelijk vatte de schipper moed en zei: „Maar dat is schenden van alle volkenrecht!”

„Als je dat denkt, zeg het dan den Koning zelf, als je hem ooit in je leven te spreken krijgt. Ik denk er anders over!”

Tot op dit oogenblik hadden de matrozen geen woord gesproken, doch plotseling trad één hunner vooruit en riep: „Op, mannen, zullen we ons door deze Spaansche bloedhonden, als slachtvee, laten knevelen? Op, op, slaat ze dood! Slaat ze dood!”

En de daad bij het woord voegend, greep hij eene bijl en vloog op Don Calliado en zijne manschappen in. De overigenvolgden dit voorbeeld, en zeker zouden de Spanjaarden het onderspit gedolven hebben, als er niet twee sloepen van de galei hulp gebracht hadden.

Schipper Zegers en al de zijnen werden gekneveld. (Bladz. 73).Schipper Zegers en al de zijnen werden gekneveld. (Bladz. 73).

Schipper Zegers en al de zijnen werden gekneveld. (Bladz. 73).

Nu werden schipper Zegers en al de zijnen gekneveld, en op den matroos, die het eerst aangevallen was, toetredende, zeide Don Calliado, op eene buil aan het hoofd wijzende, hem door een’ vuistslag toegebracht: „Ééne buil heb-je mij toegebracht, oproerig gespuis, tienduizend zal ik er je allen teruggeven. Don Calliado heeft altijd woord gehouden! Reken er dus op, dat de tienduizend meer dan vol zullen gemaakt worden! Mannen, voert hen weg!”

De geknevelde Hollanders werden nu onder het gejuich der straatjongens van Lissabon, als een troep slachtvee naar een’ donkeren kelder van de gevangenis gebracht. De deur werd gesloten, doch aan het losmaken der banden en touwen werd niet gedacht. Heel den tijd, dat ze in dat donkere hol zaten, hoe lang wisten ze niet, liep er een schildwacht voor de deur met eentonigen tred op en neder.

„Schipper, waar is u?” riep Pieter na eenigen tijd.

„Hier ben ik. Wat moet gij van mij hebben?”

„Hoe lang moeten we hier blijven?”

„Weet ik het, jongmensch? Heb ik het bevel gegeven om ons te laten opsluiten en behandelen als honden?”

„Ik heb ergen dorst!” klaagde Jan Dirksz.

„Jongen, als je ons niet allen razend wilt maken, spreek dan niet van dorst, van water, of van wijn! Hoe meer men daarover praat, hoe meer men den dorst opwekt,” sprak de eerste stuurman.

Op dit bevel zwegen allen, hoewel de vijf kameraads elkander hadden opgezocht om, ware het dan ook maar fluisterend, malkander hun’ nood te klagen.

En er was nood! Het hok was te nauw voor één’ man om er, zonder toevoer van versche lucht, vierentwintig uren in opgesloten te blijven, hoe veel te nauw was het dan niet voor de twaalf personen, waaruit de bemanning van de „Maze” bestaan had!

Het werd er snikheet, en naarmate de hitte toenam, begonnen de meesten ook woelig te worden, niettegenstaande de eerste stuurman, die nog eens in Algiers gevangengezeten had, en er dus alles van wist, hen aanmaande, toch zoo bedaard mogelijk te blijven.

„O, eer de dag een uur ouder is, ben ik toch al van de hitte gestorven! Een half uur later of vroeger doet er niets aan af of toe,” klaagde Govert.

„Zwijg, lummel, gij moogt niet met uw leven spotten! Wie weet of er niet binnen het uur redding opdaagt. Ik voor mij denk altijd nog, dat het eene vergissing geweest is, en dat we weldra allen zoo vrij zullen zijn, als een vogel in de lucht,” hernam de stuurman.

„Vrij zijn!” Hoe weinig men ook aan zijne woorden geloofde, men hoopte er toch op.

Maar de tijd ging voorbij, liever, de tijd kroop voort.

Ééne minuut in dit akelige hol scheen een uur.

De hitte en de benauwdheid namen hand over hand toe.

„Water! Water!” klaagde Steven, die nu onmogelijk langer zwijgen kon, daar hem de tong aan het gehemelte kleefde van dorst.

Nauwelijks had één dat geroep laten hooren, of „Water! Water!” werd van alle kanten geroepen.

Maar geen vriendelijke hand opende een luik om versche lucht te brengen. Geen vriendelijke hand kwam en bood den gemartelden mannen één’ dronk waters!

Alleen het eentonig: „stap stap,” van den schildwacht en het klagend gesteun van de opgeslotenen werd gehoord, meer niet.

De ellende werd onbeschrijflijk.

„Pieter, Pieter, waar ben-je?” klonk nu op eenmaal eene zwakke stem.

Het was die van Jan Dirksz.

Pieter kroop op het geluid toe en een’ arm grijpende, vroeg hij: „Is dat de arm van Jan Dirksz.?”

„Dat is de arm van mij, van schipper Zegers, jongmensch! Wat wil-je van mij hebben?”

„Ik zoek Jan Dirksz. Hij heeft mij geroepen!”

„Er ligt hier wat op den grond; misschien is hij dat wel, dien je zoekt!”

Pieter, die toch werkelijk geen jongen meer was, stoorde zich op dit oogenblik niet aan dat barsche „jongmensch” van den schipper, die hem heel dikwijls zoo toesprak, meer uit gewoonte, omdat hij hem als knaap gekend had, dan met eenig oogmerk om Pieter te beleedigen.

„Ben-je hier, Jan?” vroeg Pieter nu, terwijl hij zich bukte en met de halfvrije hand rondtastte.

„Ja,” klonk het zwak, „hier ben ik! O, ik ga sterven! Wat wa-water, Pieter! Vraag, vraag het eens aan den schild-schildwacht!”

„Die geeft het toch niet!”

„Dat- weet- je- niet! Vr-aag ma-maar!”

Pieter stond op en zocht de plek, waar de deur moest zijn. Zien kon hij haar niet; maar de schildwacht liep er voor. Zoodra hij meende de deur gevonden te hebben, klopte hij er tegen.

„Wat wilst doe?” vroeg de soldaat in vrij goed verstaanbaar Nederlandsch.

„Och, als je een landsman van ons bent, geef ons dan wat water!” schreeuwde Pieter, zoo hard hij kon, om goed gehoord te worden.

„Ikkik ’eb keen waoter, neen ik. Waor zou ik het ’aolen, jao? Ikkik kan ook niet van main’ post. De koegel zit er op jao, als ikkik main’ post verlaot. Maor ’ebbe gai maor patientie, jao! Over een uurken komen ze, en dan gaot ge allemaol naor de galaien. Ebbe maar patientie, zegge ik oe,” antwoordde de soldaat, die blijkbaar een Vlaming in Spaanschen dienst was.

„Vraag eens hoe laat het is, Pieter!” zei Steven.

Pieter deed dat en het antwoord was: „Het is nog geen vier uren in den naonoen! Bel neen, ikkik zegge oe, het is nog zoo ’eel laot niet!”

Opnieuw wilde Pieter wat vragen, doch opeens fluisterdede schildwacht door het sleutelgat: „Stille, wees stille, zegge ik oe; want daor komt onze Kapitaono Don Calliado. Het en is mai niet toegestaon met oe te praoten. Zwaig en ’oude oe koest!”

Pieter zweeg en ieder luisterde of Don Calliado ook in de gang komen zou, en zoo ja, dan moest men weten wat hij zei.

Maar in plaats van één’ man te hooren aankomen, hoorden ze er meer dan één’, benevens het rammelen van kettingen.

„Let op,” sprak de eerste stuurman; „ze gaan ons opschikken. We krijgen kettingen aan de voeten!”

De deur ging open en bij het daglicht, dat in de gang viel, zag men uit den kelder een’ damp opstijgen, alsof van een’ grooten ketel met kokend water het deksel even opgelicht werd.

Twee mannen traden binnen en begonnen onze zeelieden twee aan twee, de voeten aan elkander te ketenen.

Pieter werd gekoppeld met den eersten stuurman, en hoewel hij liever gezien had, dat Jan Dirksz., Willem Blokmaker, Govert of Steven zijn makker ware geweest, toch dacht hij, dat er misschien nu meer kans op ontvluchten zijn zou. Hij kende Nelissen, den stuurman, en meende zeker te weten, dat hij vroeg of laat wel pogingen zou aanwenden, vrij te komen. Hij was immers in Algiers ook wel ontvlucht! En dan ging hij, Pieter, zeker mee. Waarheen?

Eenige soldaten en andere mannen traden binnen en brachten de schepelingen in een grooter vertrek, waar men hen tot op het ondergoed ontkleedde en een’ dunnen boevenkiel en een soort van broek aantrok. Kousen en schoenen werden hun ook uitgetrokken, doch hiervoor kregen ze niets anders in de plaats. Ze zouden blootsvoets moeten loopen.

En nog waren alle vernederingen niet geleden.

Een ruwe kerel knipte hun de haren af en toen dat gedaan was, kwam er een ander, die met een scheermes hun het hoofd geheel kaal schoor. Geen haartje was op hun hoofd of gelaat te zien.

Nog, neen, nog was alles niet geleden.

Men sleepte voetboeien, zware kettingen, aan en hiermede werden ze, twee aan twee aan elkander gekoppeld.

Dat er zelfs bij de ruwsten onder de bemanning der prijsverklaarde „de Maze” tranen langs de wangen biggelden, wie is er, die dat niet begrijpt? Wie, die dit niet gevoelt?

Ze waren nu klaar voor het werk, dat hen wachtte!

De galeiboeven waren in hunne uniform gestoken!


Back to IndexNext