[3]Deze uitdrukking van schipper Zegers zal denkelijk voor velen eenige opheldering behoeven. Wanneer men op het dek van een schip staat met den rug naar het roer en dus met het gelaat naar den boeg, dan heet dat deel van den scheepswand, hetwelk men aan de rechterhand heeft, „stuurboord”. Het deel, dat links ligt, draagt den naam van „bakboord”. En evenals ieder wellevend mensch zijn meerdere of oudere aan zijne rechterzijde laat loopen, zoo laat men ook aan boord van schepen menschen, die men eeren wil, aan stuurboordszij op het schip komen. Met stoombooten, die aanleggen, kan dat niet in acht genomen worden, omdat men dan vaak zou moeten wenden en dat houdt niet alleen op, maar valt voor een’ steiger ook niet altijd zoo gemakkelijk te doen. Dat eerbewijs van iemand aan stuurboordszij aan boord nemen geldt dan ook meer voor een schip in volle zee.
[3]Deze uitdrukking van schipper Zegers zal denkelijk voor velen eenige opheldering behoeven. Wanneer men op het dek van een schip staat met den rug naar het roer en dus met het gelaat naar den boeg, dan heet dat deel van den scheepswand, hetwelk men aan de rechterhand heeft, „stuurboord”. Het deel, dat links ligt, draagt den naam van „bakboord”. En evenals ieder wellevend mensch zijn meerdere of oudere aan zijne rechterzijde laat loopen, zoo laat men ook aan boord van schepen menschen, die men eeren wil, aan stuurboordszij op het schip komen. Met stoombooten, die aanleggen, kan dat niet in acht genomen worden, omdat men dan vaak zou moeten wenden en dat houdt niet alleen op, maar valt voor een’ steiger ook niet altijd zoo gemakkelijk te doen. Dat eerbewijs van iemand aan stuurboordszij aan boord nemen geldt dan ook meer voor een schip in volle zee.
Onder behoorlijk geleide en een hernieuwd geschreeuw van straatbengels werden schipper Zegers en zijne elf mannen aan boord van „de Lucera” gebracht, waar zes banken voor hen waren leeggemaakt. De overige roeiers, allen Spaansche boeven, ontvingen hunne makkers met schimpschoten, gevloek en gelach, doch daar ze dat deden in hunne platte, Spaansche boeventaal, zoo verstonden de onzen er niet alles van, en dat was maar goed ook, want hun leed was al groot genoeg.
Galeislaaf zijn, wat was dat eigenlijk in dien tijd?
Een schip heeft om op zee voort te komen en in de goede richting te varen, masten, zeilen, staand en loopend want, kortom, tuigage noodig. Een roer is ook onmisbaar. Dit alles is een onderdeel van het schip, en het wordt door de bemanning gebruikt op dezelfde manier, als een timmerman zijn gereedschap. Maar alles is dood, levenloos, zonder eenig gevoel. Het zijn machine’s. Welnu, de galeislaven waren niets anders dan machine’s, en ze behoorden tot de tuigage van het schip, tot de gevoellooze, doode tuigage. Men kon ze trappen, knijpen, slaan, branden, schroeien, wat hinderde het? Tuigage is dood en voelt tóch niets. Opdat de tuigage niet door wind of water verloren ga, is ze aan het schip vast. Ook de tuigage, die uit galeislaven bestond, was aan het schip vast. Met deketenen, die ze aan de voeten hadden, werden ze in het schip aan de roeibanken der galeien geketend. Moest de galei in een’ storm in de diepte wegzinken, de tuigage: masten, roer, zeilen, enz. zonk mee. Ook de slaven-tuigage, die vast aan het schip was, verdween in de diepte. Toch was er onderscheid tusschen die slaven en al de andere tuigage, die werkelijk uit levenlooze voorwerpen bestond. Men beschouwde galeislaven wel als levenlooze tuigage, maar ze waren niet levenloos. Ze leefden en hadden een’ wil, en die wil kwam wel eens in verzet tegen den wil der bemanning. Als dat waar was, moest de slavenzweep den slavenwil doen verdwijnen. Eten en drinken hadden die slaven ook noodig, doch dat beduidde niets. Een zeil moest op zijn tijd getaand, een kabel geteerd, een rad in de olie gezet worden. Zie, nu weet ge wat in dien tijd galeislaven waren, of, neen, ge weet nog niet alles.
Een troost is het vaak voor een lijdend mensch aan een ander mensch zijn leed te klagen. Ook dát mochten de galeislaven niet. Ze moesten stom naast elkander zitten en geen woord spreken. Gebeurde dat, zooals nu gebeurd was toen de mannen van „de Maze” op de galei kwamen, en ze door de slaven, die er al waren, vervloekt en uitgescholden werden, dan vond de man met de zweep dit wel aardig, en dat spreken liet hij lachend toe, doch ander spreken niet, en toen de eerste stuurman tot Pieter zeide: „Wel, nu nog mooier! Je zult zien, Heyn, dat wij zelf nu zullen moeten medewerken om onze landgenooten ook op de galeien te brengen,” daalde de zweep neer en striemde de nauwelijks met wat vodden bedekte huid van den arme, die het waagde een woord te spreken.
„Leelijke schildpad, mogen wij hier met elkander niet praten?” vroeg Pieter op brutalen toon.
Een tweede zweepslag, heviger dan de eerste, doch nu op Pieters schouders, was het eenige antwoord.
Pieter verkropte zijn leed zoo goed mogelijk en deed, alsof de slag hem geen pijn gedaan had.
Ondertusschen hadden de schipper en Dirksz. al eens beproefd of ze, ter stilling van den dorst, want nog altijd hadden ze geen druppel drinken gehad, niet wat zeewater met de hand konden scheppen. Doch pas hadden ze hiertoe pogingen aangewend, of er daalden op de handen, nog rood van de koorden, waarmede ze gebonden waren geweest, ook zweepslagen neer. Jan Dirksz. gaf een’ gil van pijn, en toen Pieter eens even omkeek, ontving hij weer een’ slag en ditmaal vlak over de wang. De tranen sprongen hem uit de oogen, doch al zwol de wang ook op, al was de pijn snerpend en fel, geen klacht kwam over zijne lippen.
Eindelijk werden eenige kruiken met drabbig water en een paar hompen droog brood gebracht.
Als honger rauwe boonen zoet maakt, dan werd het hier bewezen; want de arme mannen deden, na zooveel honger en dorst geleden te hebben, een koningsmaal.
Men roeide dien dag gestadig heen en weer, en hoewel iedere slaaf zeer goed aan de beweging der galei bemerkte, dat men niet meer in de haven, maar in volle zee was, zoo kon hij toch niet ontdekken, waar ergens hij zich bevond. De roeibanken waren veel te laag om in zee te kunnen zien. Men vermoedde evenwel, dat Don Calliado op den uitkijk was of hij nog niet een tweede Nederlandsch schip zag. Hij kruiste evenwel tevergeefs rond en toen het avondschot, van een nabijgelegen fort aan den wal, viel, roeiden ze de Taag op en werden ze, in de nabijheid van het schip, in een hok gebracht om daar den nacht door te brengen, of te wachten tot men hen riep om opnieuw de galei voort te roeien.
Gelukkig was dit hok veel grooter dan het andere, en het dak was voor een gedeelte open, zoodat ze over gebrek aan versche lucht ook niet te klagen zouden hebben. Eenige bossen stroo en riet lagen daar op den kalen grond, en hierop konden zij zich uitstrekken om in den slaap te vergeten, dat ze ellendige galei-slaven waren, en te droomen van .... ja, waarvan zoo al? Eigenlijk van alles.
En ook Pieter had een’ droom. Hij zag zijne Moeder het huis uitgaan en spoedig daarop terugkeeren met een’ vollen geldbuidel. Op dien zak stond wat geschreven; maar wat, dat kon hij niet lezen. Zij lachte hem vriendelijk tegen en kwam met een’ doek, met koud water bevochtigd, om hem de gloeiende wang te verkoelen.
„Houd maar moed, mijn jongen,” dus hoorde hij haar zeggen, „over een paar maanden ben-je vrij. Wij zullen je loskoopen!”
Toen ze dit gezegd had, keerde ze den zak hem zóó toe, dat hij lezen kon, wat er opstond. Hij las: „Matroozen-troost.”
Pieter werd van blijdschap wakker en voelde nu, dat de regen, die door de openingen van het dak viel, hem het gelaat verkoeld had. Dat was dan de doek met koud water van zijne lieve Moeder geweest. Maar over dien doek dacht hij niet meer. Hij dacht alleen aan „Matroozen-troost” en aan het geld, dat in den zak was, om hem vrij te koopen.
Thans stond hem alles klaar voor den geest. Hoe dom was het van hem geweest, dat hij er niet reeds dadelijk aan gedacht had, dat hij lid was van eene vereeniging, die zich ten doel had gesteld, gevangengenomen varensgezellen vrij te koopen! Ja, hij herinnerde zich wel, dat er altijd gesproken was van gevangengenomen worden door Duinkerksche kapers, maar hij meende, dat de hulp van „Matroozen-troost” zich ook wel uitstrekken zou tot hen, die nu op de Spaansche galeien zaten. Vol blijdschap en hoop, dat hij althans niet gedoemd zou zijn, lang die martelingen te ondergaan, viel hij opnieuw in slaap en werd eerst wakker toen zijn kameraad hem aanstootte en zeide: „Als je soms nog wat te zeggen hebt, doe het dan nu! Als we straks aan boord zijn, wordt ieder woord, dat wij spreken, met een’ zweepslag gestraft.”
Pieter vertelde hem thans zijn’ droom, en de hoop, die hij had, vrijgekocht te zullen worden.
„Hoop doet zelfs een’ galeislaaf leven,” antwoordde Nelissen,„maar die hoop bestaat voor ons niet. „Matroozen-troost”, waarvan ik ook lid ben, koopt alleen mannen vrij, die door Duinkerkers gevangengenomen worden. Dat er ook zoo iets met onze matrozen in Spanje en Portugal zou kunnen gebeuren, hieraan heeft men nooit gedacht en daarom is de jaarlijksche bijdrage ook zoo laag. Een schat van geld zou er te kort komen, als „Matroozen-troost” ook ons moest loskoopen. Voor mijzelven heb ik dus hierop heelemaal geen hoop, en als ik ze toch nog heb, dan is het om wat anders. Aan de Algerijnsche slavernij wist ik door de vlucht te ontkomen en dat ook hier eens te kunnen doen, is mijn eenige troost, hoewel de kansen veel geringer zijn, want vergeleken bij de behandeling hier, hadden we in Algiers een prinsen-leventje. Het kan evenwel zijn, dat Don Calliado de wreedste van alle Spaansche Scheepskapiteins is, en dat we er later een’ krijgen, die minder tijger en meer mensch heet, want ook onder de Spanjaarden zijn mannen met edele harten. Denk maar eens aan den nobelen, dapperen, eerlijken en braven Mondragon.”
„En als die Calliado nu hier blijft en we geen Mondragon krijgen?”
„Ja, dan is het eindje de dood. Maar misschien heeft je Moeder of je Vader een’ vetten spaarpot of een’ vriend met eene goedgespekte beurs. Als dat zoo is, ja, dan is er hoop om losgekocht te worden voor jou, maar ook voor jou alleen!”
Pieter was ineens ternedergeslagen.
Wat had hij zich in die enkele oogenblikken niet al verheugd! En nu?
„Moeder heeft geen geld!” zeide hij met groote tranen in de oogen.
„Welnu, dan is je lot, evenals het onze, ook beslist! Dan blijf-je hier tot aan je dood!”
„O, lieve Heer! Zóó lang! Zóó lang!” kermde Pieter.
„Welneen, vriend, niet lang! Of, laat ik vragen: wat noem-je wel lang? Laat hooren!”
„Wat lang is? Wel, veertig jaar bijvoorbeeld!”
Stuurman Nelissen begon te lachen.
„Dus,” hervatte hij op eenigszins spottenden toon, „je denkt dat iemand op de galeiën twee-en-zestig jaar oud wordt?”
„Gisteren zat er vlak voor ons één, die zeker ouder was!”
„Goed; maar wanneer is die man hier gekomen? Niet ieder wordt jong al galeislaaf. Dat gaat hier als met den dood. De menschen sterven op alle leeftijden; de galei-boeven komen hier met alle mogelijke jaren achter den rug. Ik ben straks vijftig!”
Pieter ontroerde. Wat was die Nelissen vreeselijk hard en koud in zijn spreken. Maar....
„Misschien heb-je in het geheel geen familie, dat je er zoo koud over praten kunt!” sprak Pieter.
„Geen familie?” zeide Nelissen nu opeens bijna snikkend. „Geen familie? Ik heb eene oude, lieve Moeder, die ik onderhoud. Ik heb eene vrouw en vijf, nog jonge, kinderen. Heb ik geen familie?”
„Ja, Nelissen, dat heb-je, man! Maar hoe kan-je dan toch zoo onverschillig spreken?”
„Dat is zoo mijne manier, Pieter! Maar nog altijd ben-je het antwoord op mijne vraag schuldig gebleven. Wat noem-je lang?”
„Nu, dat heb ik gezegd: veertig jaren!”
„Veertig jaren? Pieter, Pieter, wat ben-je nog onnoozel! Eer we vier of vijf jaar verder zijn, dan zijn we geen galeislaven meer! Dan is alle leed, dan is alle smart vergeten! Dan zijn we dood!”
„Maar dat meen-je toch niet?” riep Pieter, voor wien het leven nog zooveel heerlijks had. „Neen, neen, dat is bangmakerij! Dat kan-je niet meenen!”
„Volstrekt geen bangmakerij, mijn jongen! Ik meen het wel en ik ben er van overtuigd, dat het zóó is en niet anders. Maar wat ik zeggen wil: Ik heb zooeven verteld, dat „Matroozen-troost” hier niet helpt! Heb ik niet?”
„Ja, en....”
„Maartroostis er voor armematrozen, die aan de galei-banken geklonken zijn, toch.”
„O ja, de troost, dat hij ontvluchten kan. Wanneer zullen we dat eens beproeven?”
„Zeker, dat is een troost, maar .... het is een schrale troost, mijn jongen! Men ontvlucht, als er eene gunstige gelegenheid is, en die doet zich maar zelden voor. Neen, als de zeeman op de baren rondzwalkt, te midden van den storm, zonder roer, en ieder oogenblik in gevaar op eene klip het schip te bersten zien stooten, dan blijft hem altijd nog één troost over, en die is, dat de Groote Man daarboven,—neem me niet kwalijk, dat ik Hem zoo noem; Hijzelf zal dat ook wel niet kwalijk nemen,—dat de Groote Man daarboven ook een Vader is voor arme zeelui, die in nood en in doodsangst verkeeren! En zoo, Pieter, denk ik er hier ook maar over. Dat is nu mijn „Matroozen-troost”. Een mensch kan zijn lot niet ontloopen, en dat lot te dragen, in het volle vertrouwen op den Grooten Man, dat geeft kracht om in het leven te blijven, zoolang men kan. Dat geeft lust om te hopen, zoolang men leeft!”
Pieter voelde zich door de woorden van den zeeman, die op het oog zoo ruw en onverschillig leek, heel wat opgeruimder gestemd. En al ontving hij dien dag ook bij slecht water en droog brood menigen onverdienden zweepslag, hij bleef vrij kalm en gelaten in zijn lot.
Zoo gingen weken, ja, maanden voorbij.
De helft der manschappen had de roeispaan al voorgoed nedergelegd, met andere woorden, was onder nameloos lijden bezweken. Tot dezen behoorden Jan Dirkz., Govert en de schipper. Langzamerhand hadden al de Spaansche galei-slaven plaats gemaakt voor gevangengenomen Nederlanders; maar al duurde het ook nóg zoo lang, de tienduizend slagen van Don Calliado schenen nooit uitgeteld te zijn. Dag aan dag daalden ze striemend neer; dag aan dag was het drinkwater slecht en het brood bijna oneetbaar. De dunne kleederen hingen er aan lappen en vellen bij, en de gevolgen van de gedwongen onreinheid, neen, die verzwijg ik liever maar. Ze passen niet voor een jong oor.
En geen berichten uit het lieve Vaderland! Hoe zouden die er ook komen? De Nederlanders, die op „de Lucera” de Spanjaarden vervingen, waren omstreeks denzelfden tijd als zij, gevangengenomen. Hun nieuws was dus voor hen geen nieuws, maar wat ouds.
Hoorden ze maar eens wat! Het was wel niet nobel en goed, maar bijna verlangden ze naar een andermans leed, en hoopten ze, dat er weer eens een Nederlandsch schip zou genomen worden, en dat de bemanning dan hun lot op „de Lucera” kwam deelen. Konden ze op de roeibanken ook al niet met elkander spreken, des nachts was er toch wel gelegenheid voor. Wie weet, wat men dan vernemen zou, want dat de zaak voor Spanje in Nederland slecht stond, slechter dan toen ze het Vaderland verlieten, dat stond bij allen zoo vast, als een paal boven water.
Maar—hunne hoop werd niet vervuld, want toen men in de Republiek wist, wat er in Spanje met de Nederlandsche schepen en de bemanning gebeurde, kwamen er geen schepen uit het Vaderland meer.
„Zouden Vader en Moeder Heyn, Simon, Jacob en Cornelis nog leven?” dacht Pieter vaak.
Och, kon hij hun maar eens wat, al was het nog zoo weinig, van zich laten hooren! Hoe hard de slavernij ook ware, hij zou tevreden geweest zijn.
Maar zij daar in het Vaderland, hoorden niets! Ze wisten niets, en ook hij, hij hoorde niets en wist niets!
Arme menschen!
Zoo waren ze reeds meer dan twee jaren op de galeiën. Nog altijd bevond stuurman Nelissen zich goed bij zijn’ „Troost der Matrozen”. Nog altijd bleef hij hopen! En als Pieter eens dreigde moedeloos te worden, dan zeide Nelissen: „Hoor eens, kompeer, je kunt lezen, en je Bijbeltje, dat je nu al zóó lang en zóó handig voor het oog van de Spanjolen hebt kunnen verbergen, geeft je, naar het schijnt, ook al niet veel. Ik heb geen Bijbel en kan er dus des morgens niet in lezen, maar zonder Bijbel breng ik het verder dan jij met een. Je leestzeker niet goed, anders zou-je niet zoo neerslachtig en hopeloos wezen.”
„Wat valt er dan te hopen?” vroeg Pieter korzelig. „Het komt me voor, dat jij het meer doet dan ik!”
„Wel, dat doe ik ook. Is er in de laatste dagen niet eene groote verandering ten goede gekomen? Hebben we, als Capitano van de nachtwacht, in Don Fernando niet iemand gekregen van het goede soort, als Mondragon was? Mogen we ons niet iederen avond en morgen flink wasschen? Kregen we geen beter stroo om op te slapen? Zorgt hij niet dat ons brood goed en ons drinkwater zuiver en frisch is? Heeft hij ons ooit onverdiend laten slaan? Moet hij ons den eersten snauw nog niet geven? Toe, antwoord hier eens op!”
Misschien dat Pieter dit zou gedaan hebben, doch een vreemd geluid buiten de deur in de gang deed niet alleen Pieter en Nelissen, maar ook al de anderen opspringen, en een: „Wat zou dat zijn?” klonk uit aller mond.
„Hop, hop, mannen! Ik heb je wat goeds mede te deelen!” (Bladz. 85).„Hop, hop, mannen! Ik heb je wat goeds mede te deelen!” (Bladz. 85).
„Hop, hop, mannen! Ik heb je wat goeds mede te deelen!” (Bladz. 85).
De deur werd geopend en vóór hen stond een Officier, een ander dan Don Calliado, en deze riep: „Hop, hop, mannen! Hop, ik heb je allen, voor zoover gij Nederlanders zijt, iets mede te deelen!”
Er waren onder deze galei-slaven geen andere dan Nederlanders, zoodat allen op dat geroep voor hem kwamen staan, nieuwsgierig om te weten, wat de Capitano, die er op het oog zoo grimmig en bar uitzag, doch die innerlijk zulk een nobel en goedhartig man was, te zeggen had. Hier was het werkelijk: „de schijn bedriegt.” Hoe vele Spanjaarden ook al door deze arme Nederlanders verwenscht waren, hem hadden ze nog nooit verwenscht, ja, als ze maar geen galei-slaven van de Spanjaarden geweest waren, dan zouden ze hem inderdaad liefgehad hebben.
„Mannen,” dus begon hij, toen allen stonden, „ik heb u een heuglijk nieuws mede te deelen. Gij allen zijt vrij!”
Tot zijne verwondering gaven de slaven geen enkel bewijs, dat zij er verheugd over waren.
„Hoe nu? Wilt gij liever hier blijven dan dat gij naar uw Vaderland wederkeert?” vroeg hij hartelijk.
„Wij kunnen het niet gelooven, Senor!” zeide Nelissen.
„Nu, ik kan u het geloof niet anders geven dan u nogmaals te zeggen: „Gij zijt allen, allen, niet één uitgezonderd, vrij!”
„Senor,” hernam Nelissen, „wees niet boos, dat we u nog niet gelooven! Zeg ons hoe het komt, dat we vrij zijn!”
Don Fernando lachte en zei: „Waarom zou ik boos zijn, man? Ik wil u met alle genoegen uitleg geven. Verleden jaar heeft Prins Maurits,—een kranig veldoverste, dat moet ik bekennen,—eene schitterende overwinning op de onzenbehaald bij zeker stedeke Nieuwpoort, in Vlaanderen. Tot hen, die gevangengenomen zijn geworden, behoorden vele aanzienlijke mannen. De aanzienlijkste van allen evenwel is de Admirant van Aragon, onze dappere en knappe Mendoza. Hij is tegen u allen in de schaal gelegd, en weegt zooveel als gijlieden te zamen. Ge wordt tegen hem uitgewisseld!”
Thans steeg er een oorverdoovend gejuich onder de gevangenen op, en toen ze van hunne voetboeien bevrijd waren, begonnen sommigen van louter blijdschap zich aan te stellen, als halve krankzinnigen.
Pieter stond van vreugde in een’ hoek te weenen. Toen kwam Nelissen bij hem en fluisterde hem in het oor: „Wel, is de „Troost der Matrozen” goed of niet? Wat zegt gij nu van dien Grooten Man daarboven?”
„Dat ik Hem mijn leven lang dankbaar zal zijn, Nelissen, voor Zijne hulp in nood! Dat zàl ik!”
„Goed, en .... dat ge voortaan ook op Hem vertrouwen wilt, nietwaar? Niets maakt een mensch in ongeluk, in leed en in ramp zóó sterk, als dat vertrouwen op den goeden God. Wij zijn altijd en overal Zijne kinderen,” zeide Nelissen, waarop beiden de anderen volgden, die onder geleide van Don Fernando naar de haven gebracht werden, waar men hun op zijn bevel, misschien wel op zijne kosten, niet alleen van eten en drinken, maar ook van geschikte kleederen voorzag. Een tegenvaller was het echter, dat er geen schip lag, dat hen naar het Vaderland kon brengen, zoodat ze meer dan eene maand lang geduldig moesten wachten. Gelukkig bleef Don Fernando uitstekend voor hen zorgen, dat ze aan niets gebrek leden, en in een der vertrekken van het arsenaal door niemand werden lastig gevallen. Trouwens, de Portugeezen waren zoo kwaad niet, want ze waren ook geen vrienden van de Spanjaarden en hoopten maar, dat zij eens zoo gelukkig zouden wezen, als de Nederlanders, die hun Vaderland van de Spaansche overheersching hadden bevrijd. De Portugeezen ondervonden ook hoe zwaar de Spaansche verdrukking woog.
Eindelijk, na meer dan eene maand wachtens, kwam ereen Antwerpensche koopvaarder, die, na lading ingenomen te hebben, ook de Nederlandsche vrijverklaarden aan boord nam.
„Eén geluk, maat,” zeide Piet, terwijl hij met de hand langs zijn hoofd streek, „ik kan weer stoppeltjes aanpakken. Ik zou verlegen geweest zijn om met zulk een’ vollemaans-knikkerbol in Delftshaven te komen. Wie weet welk een’ leelijken bijnaam ik zou gekregen hebben.”
Hij streek hierop met de hand langs het hoofd en vervolgde: „Het is nog wel geen wildernis, zooals Moeder het wel eens noemde, maar ik kan toch alweer stoppeltjes voelen, weet-je!”
In den Herfst van het jaar 1601 werden al de voormalige galei-slaven te Vlissingen aan den wal gebracht en ieder repte zich om zoo spoedig mogelijk tot de zijnen terug te keeren. Stuurman Nelissen vond Moeder, vrouw en kinderen wel doodarm, doch gelukkig gezond weder. Ook Pieter was even gelukkig, en toen de eerste vreugde over de behouden terugkomst wat over was, en Pieter in korte woorden zijn lijden verteld had, streek Moeder hem de hand over het hoofd en zeide lachend: „Kind, dat korte haar staat je vrij wat beter dan het verwaaide vlasveld van vroeger.”
Misschien meende Pieter dat ook wel, want wie een zijner portretten ziet, zal bemerken, dat hij zeer kort haar droeg.
Toen Pieter eenige weken thuis was geweest, zag Moeder wel, dat het haar’ man niet naar den zin was, dat een sterk jongmensch van vierentwintig jaar, zonder iets ingebracht te hebben en zonder ook iets te verdienen, zijn’ Ouders zoo lang tot last was. De voormalige Watergeus toch, eens een man, die niet wist wat ziekten en gebreken waren, begon af te takelen en kon niet meer doen, wat hij vroeger deed.Hij bemerkte het aan alles: de ouderdom komt met gebreken. En die gebreken zouden te dragen geweest zijn, als de verdiensten er niet onder leden, doch dat was juist het geval. Wel kon hij nog voor zichzelf en zijne vrouw den kost verdienen en waren Simon, Jacob en Cornelis hem niet meer tot last, omdat dezen hun eigen kost en kleeren konden betalen, maar Pieter scheen in Portugal uitgehongerd te zijn of wel, hij had er, zooals de oude man wel eens spottend zeî: den bodem van zijne maag laten liggen, en met hem in huis ging het ophalen van het kostje niet zoo best meer. Jacob, Simon en Cornelis, die nog alle drie thuis waren, ontdekten al heel spoedig, dat Moeder Heyn vier zoons had, waarvan er één Pieter heette, welke Pieter nooit uit hare gedachten was. Ze ging met Pieter naar bed; ze stond met Pieter op; ze werkte met Pieter den heelen, lieven dag; kortom, Pieter lag in haar hart opgesloten, als een edelsteen in gouden rand. Met Jacob ging het op het timmeren vrij goed, en Simon en Cornelis, die kaaigasten geworden waren, verdienden nu eens veel, dan eens weinig. Dat hing geheel en al af van de meerdere of mindere scheepvaart. En die scheepvaart was in de laatste jaren door de handelwijze van den Spaanschen Koning niet zoo heel aanzienlijk geweest. Toch verdienden ze altijd nog genoeg om zichzelf te onderhouden en Vader en Moeder zoo nu en dan eens wat te helpen, maar ..... dan moest hunne Moeder ook niet doen, alsof ze maar één’ zoon had. Voor haar en voor Vader wilden ze wel werken, ze wilden dat ook wel doen voor broer Piet, want zijne schuld was het niet, dat hij buiten de verdiensten was, maar ..... nu, ge begrijpt me wel: ze wilden in Moeders hart dan ook hetzelfde aandeel van het liefdeplaatsje hebben. Nu en dan lieten zij zich woorden ontvallen, waaruit Moeder opmaken kon, hoe Piet’s drie jongere broeders er over dachten. Ook Piet bemerkte dat heel goed, en het voornemen om hierin verandering te brengen bestond reeds bij hem, doch om de waarheid te zeggen: hij zag er tegen op om er over te beginnen.
Eens echter dat hij heel alleen in het kleine woonvertrek bij het raam aan tafel zat, had hij een groot boek, een’ zoogenaamden foliant voor zich.
Wie voorbij het raam ging en eens even naar binnen keek, zou zeggen: „De jonge Pieter Heyn leest!”
Wie echter wat lang bleef kijken, zou al heel gauw zeggen: „Dat is raar lezen! Ik zie geen bladen omslaan!”
Het was geen lezen en ook geen raar lezen, dat Pieter deed. Hij had wel eene reisbeschrijving van Jan Huygen van Linschoten voor zich, maar hij las in het geheel niet. Hij zag zelfs de groote, vette letters niet, waarmede dat boek gedrukt was.
Hij zag, en dat zegt nòg meer, zelfs geen boek.
De jonge Pieter Heyn dacht aan hetgeen hij in den laatsten tijd zoo dag aan dag hier in huis hoorde of waarnam. En hoe meer hij dacht, hoe meer er iets kwam, dat hem in den weg ging zitten, want nu en dan liet hij een wrevelig voetengeschuifel hooren, of schudde hij driftig het hoofd, terwijl de vingers het dunne papier van het dikke boek verfrommelden. Hij had geen vrede met zichzelf; want hij, de sterke, gezonde bul van vier en twintig jaar,—hij, die krachtig geworden was tegen de verdrukking en het lijden in,—hij, die er uitzag om heel alleen het werk van drie of vier te doen,—hij leefde ten koste van anderen, die minder konden dan hij.
Zijn eerlijk en eergierig hart kwam daar tegen op!
Wat was hij blijde geweest alweer thuis te zijn, hij, die al gedacht had, dat hij als „kaalhoofd” weldra een graf zou krijgen op den bodem van den Oceaan!
Wat waren ze blijde, innig blijde geweest toen ze hem weer zagen, Vader, Moeder, Jacob, Simon en Cornelis!
Moeder?
Ja, Moeder was nog blij, dat kon men haar zoo aanzien! Ze was zoo gelukkig haar’ Piet, haar’ lieveling weer bij zich te hebben!
Had zij hem niet te veel lief? Deelde ze haar hart weleerlijk uit onder hare vier kinderen? Kreeg hij, Piet, niet een te groot deel en de anderen een veel te klein?
En als die anderen er nu eens niet waren, of ze gingen de wijde wereld in, ieder alleen om voor zichzelf te zorgen? Wat moest er dan van hem, van den lieveling Piet, worden? Een hongerlijder!
Doch de broeders gingen niet de wijde wereld in! Ze bleven thuis om met hunne verdiensten, zoo moeilijk bekomen en betaald met hun zweet, hunne Ouders te steunen en—den nietsdoener te voeden!
Neen, neen, Jacob, Simon en Cornelis hadden geen ongelijk, en Vader, die zeker ook dikwijls dacht, als die drie, had ook geen ongelijk.
Wat moest hij doen?
Hij wist het nog niet recht, maar dat hij verandering moest brengen, dat wist hij zeker.
Stil, daar kwam Moeder! Zij mocht niet zien, dat er hem wat in den weg zat, en daarom gedaan, alsof hij ijverig las!
Nu werden er bladen gekeerd en Moeder trad binnen.
„Wat lees-je daar, Pieter?” vroeg zij, terwijl ze met hare vingers hem den gespierden nek streelde.
„Ik lees Jan Huygens boek, Moeder!”
„Zoo! Ik wenschte wel, dat we rijk waren, jongen!”
„Waarom, Moeder?”
„Wel, dan kon ik je ongestoord laten lezen! Ik zou je al de boeken geven, die je hebben wildet!”
„Och, Moeder, in veel boeken zit het weten niet. Één goed boek, dat gelezen en nog eens gelezen wordt, doet meer nut dan honderd boeken, die zoo maar eens terloops doorbladerd of vlug en slecht gelezen worden!”
„Ja, jongen, dat geloof ik ook wel. Maar als je nu zulk een boek leest, Pieter, heb-je dan nog lust om naar zee te gaan, of vermindert die lust er door?”
„Wel neen, Moeder, de lust vermindert er niet door; integendeel, de lust wordt er door aangewakkerd om zoo spoedig mogelijk die verre landen te gaan bezoeken.”
„Dus je hebt dan nog altijd lust om....”
Pieter liet zijne Moeder niet uitspreken. Hij sloot het boek en haar aanziende, zeide hij: „Moeder, er zit u wat op het gemoed. Waarom spreekt u niet open en rond met mij?”
„Wel, jongen, doe ik dat niet?”
„Neen, Moeder! Er is wat, dat niet in orde is, en ge durft het mij niet ronduit zeggen!”
„Maar, Pieter!!”
„Ja, Moeder, doe maar zoo vreemd niet, alsof ik den bal geheel missla. Er zit u wat onaangenaams in den weg, Moeder!”
„Och, jongen, dat verbeeldt gij uzelven maar!”
„Neen, Moeder! Ik ben geen kind meer! Ik heb met mijne oogen leeren zien, en ik wil eens raden, wat ge op het hart hebt!”
„Dat kan-je toch niet! Zoo knap ben jij niet en is niemand.”
„Nu, we zullen zien! Omdat ik hier zit en geen’ penning in huis breng, ben ik hier zooveel, als het vijfde wiel aan den wagen.”
„Pieter, zwijg!” riep Moeder, terwijl haar de tranen uit de oogen sprongen.
„Luister, Moeder! Ik heb nog niet alles gezegd. Als het van u afhing, dan bleef ik mijn leven lang hier, al voerde ik geen slag werk uit. Dat weet ik, Moedertje! En zoo er sprake is, dat ik hier te veel ben, dan geldt dat u niet, dan geldt dat Vader en mijne broeders!”
„Uw Vader meent het zoo kwaad niet, jongen!”
„Dat weet ik wel, Moedertje, dat weet ik wel! En Jacob, Simon en Cornelis meenen het óók zoo kwaad niet. Maar de verdiensten zijn tegenwoordig zoo luttel, dat het hun wel ergeren moet, dat ik hier zit en niets doe om ook een stuk brood thuis te brengen. Ik wil eerlijk zijn en ronduit zeggen, dat ik als mijne broers zou doen, als één van de drie in mijne en ik in zijne plaats was. Ik heb al lang en breed gezien, hoe er gerekend en nog eens gerekend moet worden om den schralen pot betaald te krijgen, en daarom, ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een schip, en ga-je weer als tweede stuurman uit?”
„Een schip heb ik nog niet. Moeder! Het is hier alles doodstroom. Ik ga ten oorlog varen!”
„Ten oorlog, jongen? Doe dat niet, neen, doe dat niet! Je kunt niet beseffen, hoe ik in gestadige vreeze zal verkeeren, als ik weet hoe je dan telkens in gevaar zijt, doodgeschoten te worden!”
„Gekheid, Moeder! Niets dan overdreven vreeze. Heb ik het dan niet moeten ondervinden, dat iemand, die ter koopvaart uitgaat, zijn leven en zijne vrijheid ook niet zeker is? Een koopvaarder, al kan deze zich ook verweren, loopt altijd veel meer gevaar, in handen van den vijand te vallen, dan een welbemand en goed uitgerust schip van oorlog.”
„Ja, jongen, dat weet ik wel. Maar wie ten oorlog vaart, is genoodzaakt de gevaren op te zoeken. Een koopvaarder ontwijkt ze uit vrees voor de lading!”
Moeder Heyn was in al hare eenvoudigheid toch uitgeslapen, en Pieter zag geen kans dit tegen te spreken. Daarom zei hij dan ook: „Jawel, Moeder, dat is zoo. Maar ik verveel mij hier aan den wal, en ik neem maar, wat ik krijgen kan. Ik beloof u, dat ik, als ik anders kán, niet ten oorlog zal blijven varen. Ik laat mij slechts aanmonsteren voor één jaar, en is er dan een plaatsje op een’ koopvaarder, dan zal ik er naar mededingen. Het is dus maar voor tijd en wijl.”
„Nu, Pieter, als je mij dát belooft, ja, dan! Want het is, zooals je zegt, mijn jongen, de verdiensten zijn zoo gering, dat wij je niet dan met opoffering van een en ander, dat we toch moeielijk missen kunnen, voor niemendal den kost kunnen geven. Maar....”
Vrouw Heyn hield hare woorden eensklaps in, alsof ze vreesde iets te zullen zeggen, dat haar’ oudsten minder aangenaam zou wezen.
„Nu, moeder, spreek gerust uit, wat gij te zeggen hebt en maak van uw hart geen moordkuil, en al is het nu voor mij niet pleizierig om aan te hooren, dat doet er niet toe. Ikweet immers, dat uw goed hart er geen deel aan neemt?”
„Overhaast-je niet, meende ik te zeggen, doch .... een beetje haast maken zou toch geen kwaad kunnen. Dat kon er moeielijk uit, maar nu is het er uit. Je gelooft immers niet, dat Vader en—en—ik je wegjagen?”
„Wegjagen, Moeder? Wegjagen? Wat is dát voor praat? Gaat het dan aan, dat ik het brood, dat een ander in het zweet zijns aanschijns verdient, in luiheid help opeten? Ben ik niet vierentwintig jaar? Ben ik niet sterk, niet gezond, niet kloek? Wees gerust, lieve Moeder! Mijn eigen geweten jaagt mij de deur uit!”
„Zoo, Piet, zoo, mijn jongen! Nu ben ik gerust,” sprak Moeder en ze viel haar’ lieveling om den hals.
Nog dien eigen middag zocht Piet stuurman Nelissen op. Hij vond hem thuis.
„Zoo, Heyn, ben-je daar, jongen? Ik zie je tegenwoordig in het geheel niet! Is er averij aan boord, dat je mij komt praaien? Kom aan, leg dan aan stuurboordszij aan. Mijn bakboord is door de slagen van den Spanjool onklaar gemaakt!”
De Spanjaarden hadden onzen Nelissen zoo mishandeld, dat hij met het linkeroor niet al te best hooren kon. Kwam dus iemand aan dien kant zitten, dan verzocht hij zulk een, als hij ten minste op zijn gezelschap gesteld was, van plaats te veranderen en aan zijne rechterzijde te komen.
Pieter voldeed er dus ook aan en zette zich aan zijne rechterzijde neer.
„Verbeeld u, Moeder,” dus begon Nelissen tot eene oude vrouw, die zich ook in het vertrek bevond, „verbeeld u, dat deze jonkman met een’ haarbos als een leeuw, een half jaar geleden nog een kaal hoofd had.”
De stokoude vrouw, die wel van Nelissen alles van die galeien had hooren vertellen, doch die erg vergeetachtig was, lachte en vroeg of hij dan eene ziekte gehad had.
„Neen, Moeder, neen! Dat hebben de Spanjolen ons gebakken. Hebben we daar niet meer dan twee jaar met een kaal hoofd gezeten? Telkens als er een haartje te zien was, kwamer zoo een knul en begon ons hoofd te scheren. Ik geloof, dat ze van ons haar kabels gemaakt hebben, waaraan de heele Spaansche vloot voor jaren genoeg heeft. Maar alle gekheid terzijde, Heyn, dat lange haar staat je heel niet netjes. Je mag den barbier wel eens een paar duiten laten verdienen, anders gaan alle Delftshavensche meisjes voor je aan den haal, als ze je in de verte maar zien aankomen.”
„Dat is minder, Stuur! Ik heb nu heel wat anders in het hoofd om er aan te denken. Stel-je gerust! En zoodra ik weer een scheepsdek onder de voeten voel, laat ik weer stoppeltjes maken!”
„Een goed voornemen, maar, heb-je dan een schip?”
„Nu nog niet, maar, als het maar een beetje wil, zal ik er toch een hebben eer het avond is!”
„Papperlepap, wat eene verbeelding! Denk-je, dat de schepen tegenwoordig zoo maar voor het oprapen of grijpen liggen? Als dat waar was, dan zat ik hier niet als een baliekluiver bij moeder de vrouw. Je zult lang kunnen zoeken, eer je een schip hebt, maat!”
„Toch niet; ik ga ten oorlog varen. De verdiensten zijn er thuis niet naar om nog langer den luibak te spelen. Ik moet er uit, ten oorlog of ter koopvaart.”
„Jongen, je zegt daar zoo wat! Wacht even, ik ga mijne vrouw roepen; ze staat bij buurvrouw aan de waschkuip.”
Nelissen stond op en kwam een oogenblik later met zijne vrouw terug.
„Ga zitten, vrouw, ga zitten,” sprak Nelissen, en toen ze dat gedaan had, hernam hij: „Het is maar voor een oogenblik. Ik ga weer naar zee!”
„Heb-je dan een gelukje gehad en ben-je weer aangemonsterd?”
„Neen, vrouw, nog niet! Maar hier, mijn makker Pieter, gaat zich voor één’ zeetocht ten oorlog verhuren. Dat ga ik ook doen! Ja, trek nu maar geen gezicht, alsof je een stuk van den zwabber in de gort vindt. Ik zeg maar, Pieter heeft gelijk. Beter blauwe boonen geblazen en messenvet uit tedeelen, dan hier als een dooddoener van een’ slampamper aan den wal armoede en gebrek lijden. Dat had ik te zeggen, vrouw! We gaan samen naar Rotterdam en van avond komen we thuis, als mannen van oorlog.”
„Is je dat nu heusch ernst, man?” klonk de verwonderde vraag: „Ik kan het niet gelooven!”
„Waarom niet, wijfke? Denk-je, dat het mij niet hindert, als ik zie, dat je bij anderen uit het werken gaat om niet alleen onzen kinderen en onze oude Moeder, maar ook mij den kost te geven?”
„Toch hindert het mij, man! Er wordt ter koopvaart altijd meer verdiend!”
„Dat weet ik wel, maar als men nu maar niet op een’ koopvaarder klaar kan komen, dan zeg ik toch: beter wat dan niemendal. Verdien ik niet genoeg om het huisgezin te onderhouden, welnu, ga dan twee, desnoods drie dagen in de week uit werken. Als ik je van de zeven dagen er maar vier in huis houd, dan ben ik tevreden. Moeder kan ook niet goed meer weg, en alles doen, wat noodig is. Bovendien, als de Moeder niet thuis is, zijn de kinderen niet gelukkig. Dus, afgesproken. Na den noen ga ik naar Rotterdam en laat mij op een oorlogsschip aanmonsteren.”
Nelissen en Pieter begaven zich des middags samen op weg en toen ze hun’ ouden kameraad Willem Adriaansz. Blokmaker ontmoetten, haalden ze ook dezen over om dienst op de oorlogsvloot te nemen.
Nog voor het vallen van den avond kwamen ze thuis. Nelissen was eerste, Pieter tweede stuurman en Willem Blokmaker bootsman op „de Samson”, een schip van twintig stukken. De Kapitein van dien bodem was Gerbrandt Jansz. Sael, een wakker burger van Hoorn. Eene week later waren ze reeds aan boord, en eer men het jaar 1602 telde, kruisten ze al op de Noordzee, met het oogmerk, Spaansche oorlogsbodems op te pikken. Ieder oogenblik toch was Spanje genoodzaakt nieuwe manschappen naar de Nederlanden te zenden, en niet alleen de Staten, maar ook Engeland, trachtten ditzooveel mogelijk te beletten. Engeland deed dit niet, omdat het zooveel van de Republiek hield, maar omdat het er belang bij had, dat Spanje door den oorlog met de Nederlandsche gewesten steeds van zijne macht verloor. De Engelschen konden toen ook al rekenen. Nu liep er bovendien opnieuw een gerucht, dat in Spanje eene groote vloot uitgerust werd om het doel van de „Onoverwinlijke vloot” beter te bereiken dan deze gedaan had. Wat hiervan aan was, zegt de geschiedenis niet rechtstreeks, maar wel is het waar, dat Koningin Elizabeth van Engeland op grond van gemaakte overeenkomsten, de Staten uitnoodigde, ook eene vloot in zee te zenden om bij mogelijk gevaar niet overvallen te worden, maar bij de hand te zijn, evenals in 1588. De Staten voldeden hieraan, en zoo geschiedde het, dat omstreeks half April van het jaar 1602, Admiraal van Obdam van Duyvenvoorde met een tiental oorlogsbodems zich naar Engeland begaf en te Duins tweehonderd Staatsche soldaten ten dienste der Koningin aan wal zette. De „Samson” kreeg met andere schepen van de vloot, die onder van Duyvenvoorde stond, eene andere bestemming, doch de Admiraal zette met de hoofdvloot koers naar Spanje en vereenigde zich daar met de Engelsche vloot, onder bevel van Admiraal Levison. In het gezicht van Lissabon werd de Spaansche vloot onverschrokken aangetast, zoodat de Spanjaarden genoodzaakt waren, hun heil in de vlucht te zoeken. Zes Spaansche galeien onder bevel van Don Frederik Spinola wisten echter te ontsnappen naar het Kanaal, en reeds waren ze in de Noordzee, niet ver van Duinkerken, waar ze in veiligheid zouden zijn, toen ze stuitten op eene andere Engelsch-Nederlandsche vloot van zeven schepen. Een dezer zeven schepen was de „Samson” met volk aan boord, waarvan enkelen belust waren en hunkerden om met den Spanjaard een appeltje te schillen.
Dus, zooveel als wraak nemen?
Ja! Wat anders?
Dat is slecht!
Best mogelijk, dat het niet goed is, doch wat doet hij, dieeen den oorlog verklaart, ooit anders dan wraak nemen. Oog om oog, tand om tand, wonde om wonde, buile om buile, dat is oorlog nu, dat was hij, dat zal hij zijn en blijven.
„Weet-je, wat ik nu toch wel zou willen?” had Pieter een paar dagen geleden aan Nelissen gevraagd toen ze, misschien voor de zesde of zevende maal in eene week of drie tijds, de Vlaamsche en Fransche kust weer in het gezicht kregen.
„Je kunt wel zooveel willen,” meende Nelissen. „Ik zou ook wel wat willen.”
„En dat is?”
„Dat we een’ flinken koopvaarder onder de voeten hadden.”
„Valt de dienst je dan tegen?”
„De dienst niet!”
„Wat dan?”
„Vraag-je nog: wat dan? Vat-je dan niet dat het de vaart en alleen de vaart is?”
„Ik snap het toch niet!”
„Ben jij dan een zeeman? Spring zoo gauw mogelijk in een’ komenijs-winkel en weeg stroop af! Is dat eene manier van doen zoo dag aan dag, week uit, week in wat heen en weer kuieren, alsof er op den heelen aardbol geen ander zout water is dan de Noordzee! Bah! Dat is straatslijperswerk! Neen, duizendmaal liever hup, vooruit, als een koopvaarder, desnoods met eene vermolmde kast over het „Matrozen-kerkhof” om de Kaap! Dat is pas het echte zeemans-leven! Wat zou jij dan willen?”
„Precies hetzelfde, maar eer ik dat deed, wat anders doen!”
„Wat anders doen? En wat zou dat zijn?”
„Vraag jij dat nog? Jij, Nelissen?”
„Ik, en geen mensch anders!”
„Welnu dan, eer ik met eene vermolmde kast naar je zoogenaamd „Matrozen-kerkhof” ging, zou ik de „Lucera” met onzen beul eerst te pakken willen gehad hebben!”
„Stel dat uit het hoofd! Zoover van honk kuiert die man niet. De „Lucera” is geen galei voor de Noordzee.”
„Jawel, maar we zullen toch wel verder komen dan de Noordzee, denk ik. Ik heb er ten minste zoo een paar woorden van opgevangen.”
„Och, het volk, dat zich evenzeer verveelt, als wij ons vervelen, vertelt voor waarheid, wat het zoo gaarne gelooft!”
„Ik heb het niet van het volk. Ik hoorde het den Kapitein tot den schipper zeggen. En als ik wel gehoord heb, dan is het heen en weer kuieren op de Noordzee nu zelfs gedaan en gaan we al verder. Dat bevel moet gisteren gekomen zijn van den Admiraal. Mij dunkt, ik zie nu Duinkerken al liggen, en kijk, daar ginder ligt het Engelsche schip de „Hope”, Kapitein Robert Mansel.”
Het duurde niet lang of er kwam een boot van de „Hope”, waarin de Engelsche Kapitein zelf zat om Kapitein Sael te verzoeken, met hem en nog een paar andere Engelsche en Hollandsche schepen de wacht te houden op de Spaansche galeiën van Don Frederik Spinola. Admiraal Levison, die bij hem aan boord was, had dit bevolen.
„Zie-je nu toch wel, Nelissen,” zeide Pieter, „dat de galeiën wel in het Kanaal durven komen!”
„Dat ze het durven? Nu, als het er op aankomt, zou ik wel willen vragen: „Wat durft de Spanjaard niet?” De Spanjaarden mogen trotschaards zijn, doch laf zijn ze niet. Maar nu er dan toch Spaansche galeiën hier zullen komen, zou ik wel willen om een’ zak vol dukaten, als ik ze maar had, dat de „Lucera” er bij was. Jongen, Pieter, wat zou ik hem van laken geven! De wol zou er afstuiven, reken er op!”
„Wie weet wat gebeurt. Maar ik ga nu ter kooi, want ik heb de hondewacht. Gegroet! Als hij komt, je weet wel wien ik bedoel, dan laten roepen, hoor! Samen geleden, samen afrekening houden! Dat klopt!”
„Slaap er gerust op, Pieter! Als hij komt, dan zullen we het er samen van hebben. Den zegen, maat!”
Dien nacht was er evenwel nog niets van de Spanjaarden ontdekt, doch tegen den middag zei Pieter opeens tot Nelissen: „Heb ik het wel, dan komt ginder wat. De Engelschman schijnt ook wat in de doppen te krijgen. Maar die mist, die mist! Er valt zoo goed als niets te zien, en als wij niet heel goed op onze tellen passen, dan kuiert de Spanjool ons zoo netjes voorbij, als je het nog nooit gezien hebt. Wij zullen er dan niets van bemerken!”
„Tut-tut! Ongemerkt voorbijkomen? Een zeilschip mogelijk, maar eene galei niet. Zoo’n groote honderd riemen maken daarvoor immers veel te veel geweld, en....”
Hij zweeg eensklaps en hield de holle hand achter het rechteroor en luisterde blijkbaar scherp.
„Wat is er te hooren?” vroeg Pieter.
Nelissen’s gezicht, dat er zoo ontevreden uitgezien had, helderde op, en met oogen, die van blijdschap straalden, zeide hij: „Het zijn galeien, die naderen. Ze zijn zelfs al dichtbij, maar om ons te pieren hebben ze de roeidollen alweer met leder bekleed. Je kent dat kunstje van ouds!”
„Wat te hooren, stuurman?” vroeg Kapitein Sael nu op Nelissen toetredend.
„Spaansche galeiën, Kapitein! Ze zijn al dichtbij! Als de galei er nu maar bij is, die ik bedoel!”
„Zoo? Zijn er galeiën waaraan je kennis hebt?”
„Of ik, Kapitein! Ik heb meer dan twee jaar op de „Lucera”, als galei-slaaf, moeten roeien, en ik ben er met mijne makkers behandeld geworden, als een dolle hond!”
„En denk-je, dat de „Lucera” er bij is?”
„Ik weet het niet zeker, Kapitein! Ik hoop het!”
„Ei, ei, liggen zijne boontjes in de week?”
„Of ze, Kapitein! Ik zal....”
„Stil, stuurman! Er komt een koeltje! Kijk de mist eens optrekken! Daar zijn de galeiën!”
„Hoezee! Hoezee!” riep Nelissen, en naar Pieter loopende,die even tusschendeks gegaan was, klonk het: „Pieter, onze bekende is er! Kom, jongen, kom! Hoezee!”
Daarop liep hij weer naar het dek.
„Is de „Lucera” erbij, Nelissen?” vroeg de Kapitein. „Ik ken ze niet.”
„Ja, ja, Kapitein, die middelste is het. Ze zal immers onze partij zijn, Kapitein?”
„Misschien, stuurman, misschien! Dat hangt van omstandigheden af.”
„En van den Engelschman?”
„Ook al!”
„Als die dan maar niet bang is!”
„Sir Mansel bang? Evenmin als de beste Hollander, stuurman! Reken er op, als het van hem afhangt, dat we werk aan den winkel krijgen.”
„Het is te hopen! Mijne handen jeuken om aan den slag te gaan.”
„En de mijne ook,” liet Pieter zich hooren.
„Best, mannen, best! Maar, Nelissen, ga nu eens met die jeukende handen aan het roer! Houd eene streek meer Noord, ééne streek is genoeg.”
Weldra was Nelissen aan het roer.
„Het gaat goed! Het gaat best,” sprak de Kapitein, die bij zijn’ eersten stuurman stond. „We steken den luî prachtig de loef af. Niets beter toch dan een zeilschip, als er wind is. Wat beduidt zoo’n logge galei dan? Hoort me die riemen eens slaan! Ze zetten het op alle haren en snaren om het van ons te winnen!”
„Arme menschen,” zeide Pieter, die toch nu een oogenblik van medelijden had, „elk voetje terug kost-je een zweepslag! Nu, stakkerds, je zult gauw genoeg uit je lijden zijn! Rekent er op!”
„Een vreeselijk lot toch! Geketend aan de roeibanken, worden ze eenvoudig, als onderdeelen van het schip beschouwd. Geen mensch, die eene hand uitsteekt om hen te redden, als de schuit naar den kelder gaat! Maar, daar gaat deEngelschman den Franschen wal halen. Goed gedaan! Duinkerken is te dicht bij, en vijf minuten mist, hup, ze zijn in veiligheid,” sprak de Kapitein.
„Mag ik raad geven, Kapitein?” vroeg Nelissen.
„Jawel! Wat zou-je willen?”
„Wat ik wil, Kapitein? Ik wil met de „Samson” die kast in den grond zeilen. Ons schip heet niet voor niemendal naar dien ouden Richter van Israël!”
„Doe wat je kunt! Ik geef vergunning! Ten minste zoo lang we den boêl niet in de war sturen!”
De Bevelhebber der Spaansche vloot, die aanvankelijk plan scheen te hebben, met zijne overmacht zich op de Engelschen en Nederlanders te werpen, gaf, het groote Engelsche Admiraalsschip ziende, last om terstond de zeilen te geien, en begon tegen den wind in terug te roeien, om vervolgens, onder begunstiging van het nachtelijk donker of den mist, zich stil uit de voeten te maken en dan vervolgens te trachten, de havens van Duinkerken of Nieuwpoort te bereiken. Sir Levison, de Engelsche Opper-bevelhebber, die een ervaren zeeman was, begreep evenwel terstond de bedoeling van Spinola, en gaf Kapitein Jones van de „Advantage” last, naar Sluis te loopen en daar de Staatsche schepen te waarschuwen voor de plannen, die de vijand duidelijk toonde te hebben. Spinola scheen in het eerst niet te vermoeden, dat men hem begrepen had, doch het gestadig vuren van het Engelsche Admiraalsschip, zonder dat de kogels hem konden bereiken, benevens de lantaarns, die Sir Levison in de stengetoppen voerde, maakten het hem ten laatste duidelijk, dat dit alles slechts eene waarschuwing voor andere vijandelijke schepen was, en dat het niet lang zou duren, of hij zou zich tusschen twee vuren bevinden. Hij veranderde derhalve van koers, en tegen den avond was hij zoo dicht onder de Engelsche kust, dat verscheidene Turksche galei-slaven, na hunne boeien doorgevijld te hebben, zich in zee wierpen en zwemmende den oever bereikten.
Hadden al die arme mannen dat maar kunnen doen!Ingeval er gevochten zou worden, waren zij immers geheel weerloos en werden door vriend noch vijand ontzien.
Intusschen begon de wind te liggen. Dat was iets in het voordeel der galeien, die er een goed gebruik van maakten ook.
Toch liep Spinola, die door het wijken van den Engelschen Admiraal naar de Fransche kust in den waan gebracht was, dat men van het vervolgen afgezien had, leelijk in de fuik, en de Engelsche en Nederlandsche schepen, die bij Duins lagen, in den boeg. Deze ontvingen hem niet heel malsch, zoodat Spinola genoodzaakt was, af te houden. Thans zou hij mogelijk den dans ontkomen zijn, ware niet de wind opgestoken. Levison maakte hiervan gebruik en sneed den Spanjaard den koers af. Het werd aardedonker, en reeds meende Spinola op weg naar Sluis te zijn, toen Levisons schip de „Hope,” hem ontdekte en de volle laag gaf. Hoewel hoofdzakelijk op goed geluk af was gevuurd, werd van de vijandelijke galei de groote ra afgeschoten en de schuit zelve, dat is de romp van het schip, werd zoo doorboord, dat men de galei-slaven en de bemanning om genade en hulp hoorde schreeuwen. Terwijl men deze galei naderde en de gevangenen wilde overnemen, naderden de vijf andere galeiën. De Engelschen lieten nu het gehavende schip aan zijn lot over en vielen de overige vijandelijke vaartuigen aan, die schielijk ter zijde weken.
Om tien uren evenwel verdeelden zich de donkere wolken, die in het Zuiden en Zuidoosten opeengepakt waren en de maan goot haar licht over het watervlak.
„Daar is de „Lucera”! Daar is de „Lucera”!” juichte Pieter, die nu aan het roer stond.
„Kijk, kijk, die beul Calliado staat bevelen uit te deelen,” riep Blokmaker. „Ik herken hem! Hij is het, en geen mensch anders!”
De „Lucera” scheen op de „Samson” te winnen.
„Zet alle zeilen bij!” beval Kapitein Sael.
„Wil ik je helpen, Pieter, mijn jongen?” vroeg Nelissen.
„Dank-je! Kan het wel alleen af!” bromde Pieter en geloofdein alle eenvoudigheid, dat God hem zijn’ beul in handen had geleverd, om hem de wreede mishandelingen betaald te zetten.
Dat Pieter zijn’ Bijbel trouw las, wil ik gaarne gelooven; dat hij zijn’ Bijbel begreep, betwijfel ik.
Maar men valle den jongen man niet te hard. Het is gemakkelijk gezegd: „Men mag geen kwaad met kwaad vergelden,” als men niet in de gelegenheid komt om zich te wreken. Maar komt die gelegenheid, nu, de groote Spreukschrijver zeide het al: „Wie zichzelven overwint, is sterker dan hij, die steden verwoest.” Bovendien was Pieter niet alleen baas. Al had hijzelf het schip eene andere richting willen geven om zijn’ vijand te laten ontkomen, het volk zou hem het roer uit de handen gerukt hebben, en trots zijn tegenstreven, wraak hebben uitgeoefend. Maar Pieter behoefde de manschappen niet aan te vuren, en er was geen oogenblik sprake van om hem het roer uit de handen te rukken. Hijzelf wilde wraak nemen en hij knarsetandde van woede en spijt, als hij zag, dat de „Lucera” ook maar iets op de „Samson” won. Zonder twijfel werden de arme galei-slaven met vreeselijke slagen aangedreven, zoo krachtig te roeien, als slechts in hunne macht was.
Maar zweepslagen belett’en den wind niet, te doen, wat deze kan. Zie, de zeilen van de „Samson” zwellen weer!
„Hoezee, dat gaat er op los! Hoezee!”
Het daverend gejuich der rauwe, Hollandsche varensgezellen wordt op de „Lucera” gehoord.
Hoort die zweepslagen eens neerkomen!
Hoort die riemen zich met verbazende snelheid in het water bewegen!
Het leder springt door de krachtige wrijving uit de dollen!
Men hoort op den Hollander de slagen, die op de ruggen, vol bloedige wonden, nederdalen, striemend neerkomen. Men hoort het brullen van pijn en van woede, dat de weerlooze, geketende kaalhoofden na elken zweepslag laten hooren.
Eigen schuld, dat ze die duldelooze pijnen op den vermagerden en gekorven rug, of op welk ander lichaamsdeelook, zoo voelen! Waarom willen ze maar niet begrijpen, dat ze geen levende wezens meer zijn? Zullen ze dan ook nooit leeren inzien, dat ze van hout of van ijzer zijn en dat hout en ijzer geen pijn voelen? Dat wil Don Calliado immers?
O, domme, domme kaalhoofden! Uw drilmeester Don Calliado spant toch zijne uiterste krachten zoo in om u zoo knap te maken, dat gij niets meer voelt, niets, niets meer!
Hij is zoo’n edele beul, die Don Calliado!
Maar weg met alle gedachten! Daar is de werkelijkheid!
De Hollanders winnen den afstand; ze winnen den wind.
Nog één, één oogenblik!
Men heeft de „Lucera” bereikt!
Een gil, een akelige gil van zoogenaamde vreugde wordt aan het roer gehoord. Pieter stoot dien uit: hij kan zich niet langer bedwingen.
Het Hollandsche bootsvolk schreeuwt mede.
Nog één oogenblik, nog twee seconden!
Nog één!
Een vreeselijk gekraak wordt vernomen en het angstgeschreeuw der arme galei-slaven klinkt akelig uit het schip. De „Samson” is met volle vaart de „Lucera” tegen bakboordszij geloopen. De riemen zijn verbrijzeld; het achterschip en de koker van het roer zijn stuk geslagen, en de gehavende galei helt zóó over, dat de arme slaven tot hun middel in het water zitten.
Maar het werk der wraak is nog niet voltooid.
Als razenden loopen de Hollanders naar de kanonnen en vuren deze tweemaal af.
„Misericordia! Misericordia!”roepen de Spanjaarden.
En beneden uit het schip klinkt uit andere monden, maar nog veel rauwer, huilender en angstiger:„Misericordia! Misericordia!”
Nelissen en Pieter behoeven niet te vragen wie dat vreeselijk hulpgeroep letterlijk uitbrullen! Zij weten het goed, al te goed, en toch .... toch geen medelijden, geen deernis!
Kapitein Sael kan het moeielijk langer aanhooren. Reddenwil hij niet, maar moorden, zóó moorden, neen, dat wil hij toch ook niet; hij kan het niet ook. Daarom: „Afhouden!”
Ze houden af, maar dat baat de „Lucera” niet, want ze wordt door andere Hollanders aangevallen. De Spanjaarden houden stand. Don Calliado weet van geen wijken of zich overgeven. Hij verdedigt zich tot hij van al zijn volk alleen overschiet. Daar treft hem een kogel en stervend valt hij neer.
De Hollanders springen vlug op het zinkende schip. De plundering begint. Als of ze geboren roovers en niets anders zijn, breken ze alles open en reppen zich om met hun’ roof te ontkomen, als ze bemerken, dat de „Lucera” steeds dieper zinkt, want .... verdrinken willen de roovers niet. Verdrinken mogen zij, de boeven daar beneden op de galei-banken.