ZEVENTIENDE HOOFDSTUK.Een pleistertje op de wonde.

„Spaart mijn zoon!” (Bladz. 182).„Spaart mijn zoon!” (Bladz. 182).

„Spaart mijn zoon!” (Bladz. 182).

Die toovenaar was niemand anders dan Dom Diego. Hij was een kloek en gezet man met hoog voorhoofd en kort gesneden haar. Zijne donkere oogen staarden kalm, waardig en onverschrokken de plunderaars aan. Zijne geheele gestalte was vorstelijk, en rustig sprak hij tot de woeste rabauwen: „Komt gijlieden om mij te dooden? Spaart dan mijn’ zoon! Hij is nog te jong om uw’ vijand te zijn!”

Die houding en die taal maakten een’ diepen indruk op de woeste mannen, en toen Allert Schouten binnentrad, weken ze zelfs eerbiedig terzijde.

„Is u de Bevelhebber der stad?” vroeg Schouten beleefd.

„Die ben ik,” luidde het korte antwoord.

„Goed,” sprak Schouten, en zich tot zijn volk keerende, zeide hij: „Schaamt gij u niet om u als roovers te gedragen? Met uw leven blijft gij borg voor de veiligheid van dezen man. Hij is een held.”—Hierop wendde hij zich weer tot Dom Diego en zeide: „Senor, men zal uw leven eerbiedigen, en al wat ge hier om en bij u hebt, zal veilig zijn. Straks kom ik terug. Ik moet de verdere plundering trachten te beletten.”

Na dit gezegd te hebben, verwijderde hij zich; maar de plundering tegen te gaan, dat was boven zijne macht. Met de meest mogelijke ruwheid brak men alle woningen, pakhuizen en kantoren open, zocht er het beste uit en liet het overige in de schromelijkste wanorde liggen.

Toen de Majoor zag, dat de soldaten niet tegen te houden waren, stuurde hij Hopman Knijf naar den Admiraal om dezen te zeggen, dat men in de stad was, en dat hij geen kans zag, zijn volk in bedwang te houden en de plundering tegen te gaan. Zoodra Willekens deze tijding vernomen had, zond hij Piet Heyn met eenige gewapende sloepen naar de stad om de woeste soldaten tot hun’ plicht te brengen, wantde rijkdommen der stad dienden, als buit, aan de Compagnie terhand gesteld te worden.

Piet Heyn zelf was er met Blokmaker en Marten spoedig, en weldra zag hij, dat hij hier een’ moeielijken post had. Zoo de soldaten niet dadelijk naar hem luisterden, zou hij genoodzaakt zijn om, als hun vijand, tegen hen op te treden, en dat zou, voor het behoud van het veroverde, zeer gevaarlijk zijn.

Blokmaker en Marten waren al vooruit geloopen naar een’ hoop plunderaars.

„Wil-je met je lange vingers wel eens handig van dat goed blijven?” riep Marten.

„Voor jou zeker?” antwoordde een ruw en breed geschouderdsoldaat, die blijkens zijn’ tongval, uit het Kleefsche kwam.

„Neen, voor onzen Vice-Admiraal Piet Heyn!”

„Voor Piet Heyn? Ha, ha! Krijgt die anders zijn aandeel niet in den buit? Is hij bang, dat hij te kort komen zal? Al was hij de Koning van Frankrijk, een’ soldaat de plundering te beletten, dat krijgt hij toch niet gedaan!”

„Dan zal ik je mores leeren,” riep Marten, en op den reusachtigen soldaat toeloopend, gaf hij hem zulk een’ vuistslag in het gelaat, dat de reus suizebollend neerviel. Dat hielp voor een oogenblik, want het bracht schrik, en eer deze over was, verscheen Piet Heyn aan het hoofd van zijne gewapende matrozen, en het kostte hem nu niet zoo heel veel moeite de plunderaars tot staan te brengen.

„Admiraal, een woordje, alsjeblieft,” sprak nu een ander soldaat. „Ik wou u wat vragen.”

„Wat hebt gij te zeggen?” vroeg Piet Heyn.

„Is dan alles, wat wij hier vinden, niet de buit van de Heeren der West-Indische Compagnie? Moeten wij nu voor hen stelen en rustig toezien, dat zij den roof verdeelen zonder, dat wij er iets van krijgen?”

„Ja, soldaat, dat moet gij toezien! Dat moet ik ook toezien. De Compagnie heeft u gevraagd, of ge voor eene vastgestelde soldij in de maand voor haar vechten wilt. Dat heeft ze mij ook gevraagd, en wij beiden hebben het aangenomen. Was er geen stad te veroveren of geen buit te behalen geweest, dan zouden we toch onze soldij ontvangen. Zijn voor de Compagnie de mogelijke nadeelen, dan zijn voor haar ook de mogelijke baten.”

„Admiraal, gij hebt gelijk! Wij zullen het plunderen staken, al zegt men ook tot spreekwoord: de kat komt een graatje toe,” luidde het kalme antwoord en men plunderde niet meer.

Terwijl dit in de stad voorviel, was, tot verbazing van de geheele vloot, het schip „Hollandia” aangekomen. We weten, dat Kolonel van Dorth hier aan boord was. Hij was bij de uitreis, door storm, voorbij het eiland Sint-Vincent naarSierra-Leona, meer dan honderd mijlen van Kaap Verd geslagen, en was, na lang naar de vloot gezocht te hebben, maar op goed geluk naar de Allerheiligen-baai gekomen, waar hij het plan, de inneming van San-Salvador, volvoerd vond. Toch was zijne komst niet overbodig; want al was het Piet Heyn nu ook al gelukt de oproerige plunderaars te bedwingen, er heerschte onder de troepen zulk een geest van weerspannigheid, dat er wel eene krachtige hand noodig was om hen tot rede, plicht en gehoorzaamheid te dwingen.

Dat de soldaten zoo heel anders waren dan de matrozen, valt niet te verwonderen. Slechts een zeer klein deel der troepen bestond uit Nederlanders. De anderen waren allen huur-soldaten, mannen uit alle landen van Europa, die soldaat-zijn hun ambacht noemden en hem dienden, die het meest betaalde.

Kolonel van Dorth, die zeer goed begreep, dat het behoud der stad geheel afhangen zou van de soldaten, daar dezen bleven, ook als de vloot vertrok, trachtte op kalme en bezadigde wijze de orde te herstellen, wat hem ook gelukte, tot groote verwondering van Majoor Schouten, die dit tevergeefs beproefd had.

Onderwijl dit geschiedde brachten de matrozen den rijken buit aan boord. De Compagnie zou tevreden zijn; want het gevondene was meer dan voldoende om het onderhoud der vloot te bestrijden, terwijl ze nu bovendien nog in het bezit was van de hoofdplaats van Brazilië, en daardoor in de gelegenheid een’ meer dan voordeeligen handel op deze gewesten te drijven. En terwijl men zoo bezig was, alles op orde te brengen, kwamen er van tijd tot tijd nog eenige Portugeesche schepen binnen, welke van de verovering niets wisten, en deze schepen, hoewel niet rijk geladen, want men moest de lading te San-Salvador innemen, vielen zonder slag of stoot in onze handen.

Maar te midden van al deze bedrijven sneuvelde Kolonel van Dorth bij gelegenheid, dat hij een’ verkenningstocht om de stad deed. Het land verloor in hem een uitstekend Aanvoerderen de nieuwe West-Indische bezetting een onmisbaar man. Wel werd hij opgevolgd door den moedigen, maar veel minder geschikten Majoor Allert Schouten, die echter kort daarna ziek werd en overleed. Nu was Allert’s broeder Willem de Bevelhebber, doch deze, hoe dapper ook, was voor die taak nog veel minder berekend dan zijn broeder. Het gevolg hiervan was dan ook, dat San-Salvador reeds een jaar later door de Spanjaarden, onder Don Frederik de Toledo, heroverd was. Dit geschiedde alleen door de lafhartigheid van den toenmaligen Bevelhebber Knijf, die den afgezetten Willem Schouten was opgevolgd.

Doch keeren we tot onzen Piet Heyn terug.

Admiraal Jacob Willekens was reeds den acht-en-twintigsten Juli vertrokken, Piet Heyn achterlatende om nog eenige zaken te beredderen. Deze was hiermede den vijfden Augustus klaar en stond juist gereed, de ankers te lichten en de baai te verlaten, toen Marten op hem afkwam.

„Wel, wat hadt ge, goede vriend?” vroeg Piet Heyn.

„Ja, Admiraal, ge zult me vervelend noemen; maar ik heb wat op het hart.”

„En dat is?”

„Wel, toen Jan Pietersz. Koen Jacatra veroverd had, stichtte hij op de puinhoopen eene nieuwe stad en liet die Batavia noemen.”

„Dat weet ik; maar wat zou dat?”

„En hoe heet de plaats, die wij hier voor de West-Indische Compagnie veroverd hebben?”

„Wel man, suft ge, of hoe heb ik het met u? Ze heet San-Salvador, dat weet ge toch?”

„Juist, en hoe heette ze vóór de inneming?”

„San Salvador, hoe anders?”

„Juist, Admiraal, Portugeesch of Spaansch was ze, toen we haar namen; Portugeesch of Spaansch blijft ze, als ze zoo blijft heeten. Geef haar een’ anderen naam! Noem haar Delftshaven, dat is een echt Hollandsche naam.”

„Dat is het; maar wat dan?”

„Doe dan, alsof ge hier thuis waart, Admiraal, en blijf hier; want ik voorzie er in, dat die mooie heeren aan den wal de stad zoo netjes weer in handen van den Spanjaard zullen spelen, als ge ooit gezien hebt.”

„Dat geloof ik ook, Marten! Edoch, ik kreeg het bevel terug te keeren, en een Vice-Admiraal moet aan zijne minderen steeds een voorbeeld van gehoorzaamheid geven!”

„Admiraal, als de Heeren Bewindhebbers hier waren....”

„Ze zijn hier niet, goede vriend! Ze zijn ver van ons!”

„Dat weet ik, Admiraal, maaralsze hier waren en ze zagen, wat wij van die bende landroovers zien, dan zouden ze zeker zeggen: „Admiraal, blijf met uwe schepen voor San-Salvador! Gij zijt er hard noodig!”

„Ge meent het goed, Marten! Ik voorzie ook niet veel goeds; maar ik weet zeker, dat de Compagnie weer terstond eene nieuwe vloot in zee zenden zal. Wie weet of we, eer het jaar om is, weer niet hier zijn.”

„Om toch te laat te komen, Admiraal,” antwoordde Marten knorrig en ging aan zijne bezigheden.

Een uur later was het smaldeel, bestaande uit drie schepen en een jacht, onderzeil.

Piet Heyn kreeg onderweg geen tegenbevel om terug te keeren, zooals hij gehoopt had, en tegen November was hij weer te Rotterdam, om eene poos bij vrouw en Ouders van de doorgestane gevaren en vermoeienissen uit te rusten. Hij was nog niet lang binnen, of hij hoorde, dat de voormalige Bevelhebber van San-Salvador te Rotterdam in de herberg Sint-Lucas gevangen gehouden werd. Piet Heyn had, als man van moed, eerbied voor Dom Diego en daarom besloot hij op zekeren morgen hem eens te gaan opzoeken. Zoodra Piet Heyn zijn’ naam had laten noemen, werd hij oogenblikkelijk toegelaten.

De Vice-Admiraal werd door den armen gevangene hartelijk ontvangen. Ook hij had eerbied voor een’ man, als Piet Heyn, van wiens heldenmoed hij getuige geweest was.

„Wees welkom in mijne residentie, Heer Admiraal,” sprakhij, met treurigen glimlach. „Mag ik u mijn gevolg voorstellen? Dom Columbo,—Dom Barthelomeo en Domna Lucretia.”

Piet Heyn lachte. De drie voorgestelden waren drie honden, die Dom Diego in zijne gevangenschap tot het maken van allerlei kunstjes afgericht had.

Weldra kwam het gesprek op San-Salvador, en toen Piet Heyn veel verteld had van het groote belang, dat de Compagnie er bij had, dat deze stad ingenomen werd, viel Dom Diego hem in de rede met te zeggen: „Zeker, daar had de Compagnie groot belang bij. Dat heb ik dadelijk begrepen. Maar ze heeft een belang, dat nog veel grooter is dan het nemen van de stad, het land, de forten en de baai!”

Piet Heyn keek verbaasd op en vroeg, of hij ook mocht weten welk belang dan nog grooter was.

„Welzeker, Senor, welzeker! Dat grootere belang van de Compagnie is: te behouden, wat ze heeft laten nemen!”

„Nu, dat zal ze wel ook.”

„Ja, op hare manier; maar dat is de rechte niet.”

„Welke is dan toch wel hare manier, Senor? Ik begrijp u niet. En hoe kunt gij hare manier kennen? Ze heeft u toch van hare plannen niet onderricht?”

„Zij bemoeit zich niet met een’ wegkwijnenden, gevangen vijand, en toch doorgrond ik hare plannen volkomen. Haar eenig doel, haar opstaan, haar zitten, haar naar bed gaan, haar eten, drinken, slapen, ja, haar droomen is: goede zaken maken, geld verdienen. Geld, geld, allemaal geld! Eerst de beurzen tot overloopens toe gevuld, en dan eenige pogingen aangewend om met het geld, dat uit de beurzen rolt, de stad te verdedigen. De Compagnie houdt San-Salvador niet. Plunderaars zijn slechte oorlogsvoerders. Ge vraagt hoe ik dit weet? Door ondervinding, Senor, door ondervinding! Te veel voorspoed maakt zorgeloos. Het rijke Spanje is hiervan het bewijs. Eens zal er een tijd komen, dat dit groote gebied, nu nog het rijkste land der wereld, een’ gelapten schoudermantel bedelen zal om zijne, door den honger vermagerde, leden te bedekken.”

„Dat geloof ik ook, Senor!”

„Dat doet me genoegen; maar geloof dat ook van uwe West-Indische Compagnie! Ik zal den val van Spanje en de vrijwording van Portugal, dat mijn Vaderland is, niet beleven en den ondergang van uwe Compagnie niet zien. De koude lucht in dit vochtige klimaat doet mij nu al voelen, dat ik weldra aan waterzucht sterven zal. Maar gij zijt nog jong, ten minste, betrekkelijk jong. Gij zijt ook krachtig, een zoon van dit land en tegen zijn klimaat bestand. Gij zult het misschien nog beleven. En als ge dan den ondergang van Spanje of van uwe West-Indische Compagnie ziet, herinner u dan dat Dom Diego Furtado de Mendoça Kruisheer, en door Koning Filips genade,”—hij grimlachte bij deze woorden—„Grande van Spanje, en eenmaal Bevelhebber van San-Salvador, thans een arm berooid gevangene, die zijn’ tijd tusschen zijn’ zoon en zijne hondjes verdeelt, dit eenmaal gezegd heeft. Laten wij thans over andere onderwerpen spreken.”

Toen Piet Heyn een paar uren later de deur van de herberg Sint-Lukas dichtsloot, en hij zich door het gewoel van de toenmaals reeds drukke Hoogstraat heen gewerkt had, kwam hij voorbij de West-Indische pakhuizen, waaruit men bezig was de kisten suiker te dragen, welke bij San-Salvador buitgemaakt waren.

„Schipper en Kruisheer profeteeren hetzelfde,” bromde hij, „doch dat de Compagnie karig is om geld uit te geven om te trachten te behouden, wat ze heeft, dat is niet waar.”

„Nu nog eens de Spaansche Zilvervloot, Admiraal!” zeide iemand, hem op de schouders tikkende.

Piet Heyn zag om en herkende den oudsten van de Bewindhebbers der Compagnie, die bij hem gekomen was om hem de betrekking van Vice-Admiraal op de West-Indische vloot aan te bieden.

„Ja, maar deze zal niet zoo gemakkelijk te nemen zijn, als San-Salvador met de Allerheiligen-baai er bij, Mijnheer!”

„Gemakkelijk, gemakkelijk, daar vragen wij niet naar. Maar zulk eene vloot zou beter zijn dan eene stad, als San-Salvador. Dat is zoo klaar als de dag.”

„Mag ik u vragen waarom, Mijnheer? Eene vaste bezitting geeft niet alles opeens, maar is op den duur toch voordeeliger.”

„Papperlepap, men kan wel hooren, dat gij geen aandeelhouder zijt. Ge vergeet het onderhoud en de verdediging eener vaste bezitting. Eene Zilvervloot wordt genomen en daarmee uit. Alles is winst. Maar tusschen twee haakjes, weet gij wel, dat San-Salvador ernstig bedreigd wordt?”

„Ja, onlangs gehoord, Mijnheer!”

„Men vreest, dat ze daarginds zich te spoedig zullen overgeven, en daarom heeft men het jacht de „Haese” er heen gezonden om te zeggen, dat er spoedig hulp zal komen. Ja, ja, San-Salvador heeft hier veel buit doen binnenkomen; maar het zal een bijleggertje worden. Let op mijne woorden. Goeden morgen!”

De Bewindhebber ging aan zijne bezigheden en Piet Heyn vervolgde zijn’ weg, thans geheel overtuigd, dat de profetie van schipper en Kruisheer, van vriend en vijand, binnen korten tijd reeds vervuld zou worden.

In het begin van Juli kwam de tijding: „San-Salvador heeft zich op eerlijke voorwaarden overgegeven aan Don Frederik de Toledo.”

„Wat heb ik u gezegd, Admiraal?” vroeg Marten onzen Piet een paar dagen later.

„Je hebt goed gezien, schipper! Heel goed!”

„Och, ja, Admiraal, een eenvoudig mensch heeft oogen om te zien, en een schipper heeft ook oogen, weet u!” luidde Martens antwoord en hij voegde er nog bij: „Binnen kort zullen we weer wel voor een ander karweitje geroepen worden. Tot ziens, Admiraal!”

„Nu, Moeder Heyn, nu kom ik je misschien wat nieuws vertellen,” sprak op een’ Aprilmorgen in 1626 eene buurvrouw, die bij Moeder Heyn in huis trad.

„Zoo, buurvrouw? Als het maar goed nieuws is!”

„Goed nieuws? Of het! Weet-je het al van je zoon Piet?”

„Wat? Ik zie hem tegenwoordig zoo weinig.”

„Wel, de Heeren Bewindhebbers der West-Indische Compagnie hebben hem tot Admiraal benoemd. Is dat geen goed nieuws? Wat belief-je?”

„Wat zal ik zeggen, buurvrouw? Toen ik nog een twintig jaar jonger was, heb ik dikwijls gehoopt, dat hij het in den zeedienst ver brengen zou. Ik heb mijn’ wensch verkregen, want Piet bracht het ver; hij werd Vice-Admiraal. Maar nu ik zooveel ouder geworden ben, begeer ik niets hoogers meer voor hem. Ik wilde wel, dat hij nu maar bij honk bleef. Hij heeft genoeg oververdiend om rustig te kunnen leven, en moest nu tevreden zijn. Hij heeft toch geen kinderen. Voor wie heeft hij anders te zorgen dan voor Annetje en mij? En dat doet hij goed. De Heere zegene hem!”

Juist op dat oogenblik kwam Piet binnen en vertelde met van blijdschap stralende oogen aan zijne Moeder, dat hij tot Admiraal benoemd was.

„Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven, jongen! Gij moet weten, of ge er blij mee zijn moet, ja ofte neen. Ik zag u liever aan den wal blijven. Na den dood van uw’ Vader, aan wien ik toch altijd nog eenig gezelschap had, gevoel ik mij zoo verlaten, als ge zoo ver zijt.”

„Maar, Moeder, ik heb u al zoo vaak gezegd bij Annetje te komen inwonen. Zij zelve heeft u toch ook dikwijls genoeg dit voorstel gedaan.”

„Mijn jongen, ik weet, dat ge dit gaarne zien zoudt, en Annetje heb ik lief, als mijn eigen kind. Maar mijn huisjeverlaten? Voor geen paleis, jongen, voor geen paleis! Ik ben hier geboren; ik ben er in opgevoed; ik ben er oud in geworden; ze zullen mij er uitdragen naar mijne laatste rustplaats. Praat dus daarover niet meer. En doet de benoeming tot Admiraal u genoegen, welnu, jongen, ik wensch er u dan geluk mee, en uit grond van mijn hart bidde ik, dat de Heere u moge behoeden tot heil van het lieve vaderland!”

Deze ontvangst had Piet Heyn wel half verwacht, en het deed hem ook wel leed, dat zijne Moeder en ook zijne vrouw beiden zoo veranderd waren en met verdriet zagen, dat hij niet stilletjes thuis bleef; maar hij kon niet anders. „Naar zee! Naar zee!” riep hem altijd eene stem van binnen toe. Het was, alsof ze er hem met kabels heentrokken. Aan het bevel van die stem moest hij ook gehoorzamen. Hij kón niet anders.

Zoo ook nu. Wat Moeder ook zeide, hoe zijne vrouw hem vriendelijk en dringend noodigde om de benoeming niet aan te nemen, en als rustig en welgezeten burger aan den wal te blijven, te vergeefs.

Naar zee! Naar zee!

Reeds den zesden Juli van het jaar 1626 was hij met eene vloot van negen groote schepen en vijf jachten op de hoogte van Barbados. Hem was bevolen zich te vereenigen met Boudewijn Hendriksz., teneinde met vereenigde krachten de Spaansche Zilvervloot, die ieder jaar, op bijna geregelde tijden, uit Amerika naar Spanje vertrok, als het kon, te veroveren.

Doch wat wil het geval?

Op zekeren morgen ziet Marten, die alweer met Blokmaker op de vloot en op het Admiraalsschip was, een Hollandsch vaartuig, dat op de vloot afkomt. Hij geeft hiervan tijding aan den Admiraal, en weldra verneemt deze uit den mond van den Kapitein van dat schip, dat Admiraal Boudewijn Hendriksz. te Havanna overleden, en dat zijne vloot naar het Vaderland teruggekeerd is.

Dat was eene teleurstelling voor den wakkeren Heyn, die gehoopt had, nu toch eens aan de lang gekoesterde hoop derCompagnie gevolg te zullen kunnen geven en Spanje eens aan den zoogenaamden Zilveren pols te voelen.

Wat te doen? Er zat niets anders op dan met eigen krachten dit te beproeven, en in den omtrek te blijven kruisen.

Den zesden September kreeg men de bewuste vloot in het gezicht, doch ten getale van veertig zeilen. Tegen deze groote overmacht rekende Piet Heyn zich niet opgewassen. Toch belegde hij krijgsraad om het verwijt te ontgaan, dat hij op eigen hand, misschien wel uit vrees, zoo kostelijk een’ buit had laten ontsnappen. Al de Kapiteins waren evenwel van hetzelfde gevoelen, als hun Admiraal en er werd besloten, de vloot maar ongemoeid te laten doorzeilen. Doch, waar nu heen? Met ledige handen thuiskomen en zeggen: „Hier zijn wij, Heeren! Wij komen met de kous op het hoofd terug! Er viel buit noch roem te behalen,” dat kon toch ook niet.

„Admiraal,” fluisterde Marten.

„Wat is er?” vroeg Piet Heyn, door teleurstelling, niet vrij van boosheid en een weinig wrevelig.

„Denkt u nog wel eens aan San-Salvador? Gij hebt nog een kostelijk appeltje met den Spanjool te schillen. Wie weet of het ons niet gelukt de stad opnieuw in te nemen.”

„San-Salvador innemen? Tien tegen één, dat ik er de Compagnie een’ zeer slechten dienst mee bewijs. Maar toch,—zeg er tegen niemand nog iets van. Ik zal me eens bedenken.”

Nog dien eigen avond vertelde Blokmaker, als een groot nieuwtje, aan Marten, dat het naar de Allerheiligen-baai ging. Niet om de stad in te nemen, maar om onder het kanonvuur der stad, eenige rijk geladen schepen te rooven.

„Het is misschien zoo beter ook,” antwoordde Marten, „want als wij San-Salvador innamen, zouden wij die stad moeten bezetten, en daarvoor hebben wij het volk niet aan boord.”

In de Allerheiligen-baai en voor San-Salvador te komen was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Eerst na maandenlang met stormen, onweder, tegenwind en wat al meer, gekampt te hebben, kwam men pas den eersten Maart van het volgende jaar op de bedoelde plaats aan.

En, nu was men er; maar er moest wat gekregen, wat genomen worden.

De baai was met Spaansche schepen goed bezet en ieder vijandelijk schip was uitmuntend bewapend. Ten overvloede werd de vloot nog beschermd door de stad, die door Don Frederik de Toledo in een’ geduchten staat van tegenweer gebracht was.

Er was bovendien haast geen wind om vooruit te komen, en reeds begon men den moeielijken tocht, als vruchteloos gedaan, te beschouwen toen er een gunstig koeltje opstak.

Terstond gaf Piet Heyn het teeken tot den aanval.

„Een mooi, een kostelijk appeltje,” bromde Marten vergenoegd.

De Admiraal ging zelf het eerst op den vijand los, liet midden tusschen de vijandelijke vloot het anker vallen en begon den vijand van bak- en daarna van stuurboord de volle laag te geven.

Marten en Blokmaker dansten schier van pret, dat het er zoo wakker van langs ging.

„Kijk, kijk,” riep Blokmaker, „daar strijkt er al vast een de vlag!”

„Ginder nog één, kijk, kijk, nog één! Hoezee! Hoezee!” schreeuwden de matrozen.

„Daar gaat de vijandelijke Vice-Admiraal naar de grondvergadering!” joelde men op eene andere plaats.

„Ik sterf!” steunde een oud matroos, wien door een’ kogel de beenen afgeschoten werden, doch te midden van de opgewonden vreugde hoorde niemand naar deze woorden.

„Houdt moed, jongens, houdt moed!” liet Piet Heyn zich hooren. „Aan ons de eer! Den Spanjaard de schande! Houdt moed!”

„Wat zal er nu gebeuren?” vroeg Blokmaker aan Piet Heyn. „Wat moet er nu gedaan, Admiraal?”

„In de booten!” beval Piet Heyn. „We zullen aan zijn eigen boord den Spanjaard een bezoek brengen.”

Het was eene gewaagde, eene stoutmoedige onderneming, meende men.

Maar Piet Heyn was niet alleen dapper; hij was ook verstandig. Hij had gezien hoe bij het zinken van het Vice-Admiraalschip, waarvan er geen tien aan den dood ontkwamen, de moed der Spanjaarden aan het wankelen sloeg en hiervan moest gebruik gemaakt worden.

„In de booten, Marten! Snel als de wind in de booten!” had hij onzen schipper toegeroepen, en de oude zeerob, wiens hart in het lijf van vreugde opsprong, had niet gemard.

Ziet, daar gaan ze rechtuit op den vijand af.

Ja, San-Salvador, laat uw geschut maar donderen! De onzen kennen slechts één wachtwoord; „Vooruit!”

Onder eene hagelbui van kogels komen de rappe gasten bij de Spaansche schepen aan. Elk afhangend touw wordt aangegrepen. Ze klimmen als apen, en klauteren als katten naar boven.

„Valt aan! Valt aan!” klinkt het hier.

„Vlucht! Vlucht!” klinkt het daar.

In de grootste verwarring denken de Spanjaarden er niet meer aan om tegenweer te bieden. Ze springen over boord om zich het leven te redden, of vallen op de knieën en smeeken genade.

De Bevelhebber der stad, dol van woede over zulk eene schandelijke lafhartigheid zijner zeelieden, vuurde als een bezetene.

„De Admiraal is gewond,” hoorde men eensklaps een matroos schreeuwen.

„Houd den mond, kerel! Zoolang het hoofd er nog opstaat en de beenen me onder het lijf blijven, is er geen gevaar. Valt aan! Vooruit!” riep Piet Heyn, die een’ musketkogel door den linkerarm gekregen had.

„Ja, ja, vooruit! De Admiraal heeft gelijk! Leve Piet Heyn,” was Blokmakers uitroep.

Drie uren had het gevecht geduurd en andermaal liep het gerucht van: „De Admiraal is gewond!”

„Wij willen tevreden zijn met de tweeëntwintig schepen, die we buitgemaakt hebben,” sprak Piet Heyn, die door een stuk hout aan het been opnieuw gewond was. „Maar roei naar boord terug, Marten, en dan, de Admiraalsvlag hoog in top met zooveel vlaggen er bij, als we hebben. De onzen moeten zien, dat ik nog leef en de vijand mag mijnentwege zichzelf doodgrijnen, als hij ziet, wat de Hollandsche jongens durven en kunnen.”

Weldra was men op het Admiraalsschip de „Hollandia” terug, doch onderwijl het zich uit de voeten trachtte te maken, bleef het vastzitten, in welk lot ook de „Gelderland” deelde. Met veel moeite werd de „Gelderland” vlot gemaakt, doch met het Admiraalsschip mocht dit niet gelukken. Het werd dan ook verlaten en toen men het den volgenden morgen weer bezocht, bevond men, dat de Spanjaarden het gedurende den nacht zoo beschoten hadden, dat het onmogelijk meer zee kon kiezen, al kreeg men het ook vlot. Het schieten uit de stad had ook nog niet opgehouden, en toen de „Oranjeboom” door eigen kruit in de lucht vloog, zoodat er van de bemanning maar veertien overbleven, en de andere schepen veel te verduren hadden, gaf Piet Heyn bevel, zich met de prijzen zoover van de stad te verwijderen, dat men de geleden schade herstellen kon. Toen men hiermede klaar was, werd de buitgemaakte lading, die uit katoen, verfwaren, tabak en drieduizend kisten suiker bestond, naar het Vaderland gezonden. Piet Heyn verliet de baai om met de Bevelhebbers te overleggen, wat er nu gedaan moest worden. Er werd besloten, de kleine vloot in drie deelen te verdeelen. Een deel zou gaan kruisen voor de baai van Rio-Janeiro, een ander deel moest de Rio-la-Plata afsluiten en Piet Heyn zelf zou met zijne schepen alweer de Allerheiligen-baai een bezoek brengen.

Bij den ingang der baai vernam hij van gevangengenomen Portugeezen, dat er vijf of zes rijk geladen schepen aan denmond der rivier Patinga lagen, en terstond besloot Piet Heyn er heen te zeilen. Toen men er evenwel aankwam, vond men slechts één schip, en daarom beval de Admiraal de rivier, die aan haar’ mond tamelijk breed en diep was, op te zeilen. Nu beging onze wakkere Vlootvoogd evenwel eene fout door het eerste schip, dat ze vermeesterd hadden, daar te laten liggen zonder het te vernielen. Al spoedig ontdekte men verscheidene vijandelijke vaartuigen, die, na eerst beproefd te hebben om te vluchten, doch hierin teleurgesteld werden, thans wakker vuur gaven.

De afgezonden booten keerden terug.

„Het kan niet, Admiraal,” zeide Blokmaker, „de vijand is te sterk en de onzen hebben te weinig moed, als....”

„Wat bedoelt ge toch?” vroeg Piet Heyn.

„Welnu, Admiraal, als u er niet bij is, dan zakt hun het hart in de schoenen.”

„Al wel, Kapitein, ik zal voorgaan! Nog eens er op af! Maar nu is het te laat daartoe. Morgenochtend in de vroegte, zorg dat ge gereed zijt.”

Nog was de zon niet op, of Piet Heyn zat al in eene der booten en stuurde rechtstreeks op het vijandelijke Vice-Admiraalsschip af.

„Weet ge wie daar bevel voert?” vroeg Marten aan Blokmaker.

„Neen, wie dan?”

„De moordenaar van Kolonel van Dorth. Ik heb hem gisteren herkend. Het is de wreede Padilla.”

„Geen kwartier dan! Alles over de kling! Mannen, ge hebt in den vijand den laaghartigen sluipmoordenaar van Kolonel van Dorth te wreken. Valt aan! Geen genade!” Zóó luidde weldra bij de aanvallende macht de kreet, waarmede men de vijandelijke schepen aantastte.

Met de meeste onversaagdheid viel men aan, en dat moest ook wel; want Padilla, die van den Gouverneur der stad honderdvijftig man versterking gekregen had, weerde zich dapper. Toch kon zijne dapperheid niets baten; want de onzenvielen als leeuwen aan, en vochten als verwonde stieren. Weldra was dan ook het gevecht beslist. De geheele bemanning, benevens de versterking uit de stad, werd afgemaakt. Slechts drie jongens bleven gespaard. De overwinning was volkomen, en het schip, zoowel als twee andere, die in de nabijheid lagen, werd prijs verklaard.

„Wat zal er met die drie schepen gedaan worden, Admiraal?” vroeg Blokmaker.

„Ze moeten de rivier afgesleept worden, dat spreekt!”

„En hoe zullen wij de rivier afkomen, Admiraal?”

„Waar zit uw hart, Kapitein?” vroeg Piet Heyn verstoord.

„Op de rechte plaats, Admiraal! Lag het schip, dat we aan den mond der rivier lieten liggen, voor ons ook maar zoo goed op de rechte plaats!”

„Wat is er dan meê gebeurd?”

„De Spanjaard heeft het midden voor de monding laten zinken en aan weerszijden van de rivier is eene afdeeling Spaansche soldaten.”

„Ze willen ons dus den terugtocht afsnijden?”

„Ja, zoo is het, Admiraal!”

„Dom dat ik dat schip ongemoeid liet liggen, maar er gaat hier eene sterke eb, vindt gij niet?”

„Eene heel sterke, Admiraal!”

„Ze komt ons te pas, want wij zullen ons met de eb laten afdrijven. Het gezonken schip zal wel voor een deel boven water liggen, zoodat we het zien kunnen. Gij gaat met twintig man in eene boot en legt er drie vaatjes buskruit in. Ge slaat ze open en legt er eene lont bij, die vijf minuten noodig heeft om tot bij het kruit af te branden, zoodat gij in veiligheid kunt zijn, als het schip in de lucht vliegt. Voor de mannen op de oevers zullen wij zorgen. Begrepen?”

„Jawel, Admiraal!”

„Best, maar help nu eerst die twee prijzen afbrengen. Een ligt er al vast en we zullen nu geen tijd zoek brengen met pogingen aan te wenden, het er af te krijgen.”

Blokmaker gehoorzaamde het laatste bevel, en het eerstevolbracht hij een uur later met het gunstigste gevolg tot groote teleurstelling van de Spanjaarden, die meenden, dat de brutale Hollanders zoo leelijk in de fuik geloopen waren.

Piet Heyn liet op zijne schepen alles met buitgemaakte ossenhuiden behangen en zakte, hoewel zeer langzaam en zich dreggende, de rivier af. Van beide kanten werden onze schepen met een hevig musketvuur begroet, doch de kogels drongen niet door de huiden heen en ongedeerd kwam men met de prijsgemaakte schepen in de baai en vlak voor de stad, waar Piet Heyn de lading der genomen schepen op de zijne liet overladen. Dat was een hard gelag voor de bewoners van San-Salvador, te moeten toezien, zonder het te kunnen beletten, dat hunne eigendommen, bestaande uit eenige duizenden groote kisten suiker, heele stapels ossenhuiden, prachtig meubelmakershout, beste tabak, wijn en nog veel meer, overgingen in handen van mannen, die met kanons- en musketkogels of sabelhouwen betaalden.

De behaalde buit was zóó aanzienlijk, dat men in de jaarboeken van de West-Indische Compagnie deze gebeurtenis de overwinning op deSuikervlootnoemde.

Ook Marten was tevreden.

„Zeg, bottelier, heb-je nog van dien „rooden baai”, dien we in het schip van Padilla vonden?” vroeg hij.

„Jawel, schipper, in overvloed. Waarom vraagt ge dat?”

„Wel, me dunkt, dat er een flinke dronk op staan kan.”

„Dat kan het ook; maar gaf de Admiraal u volmacht om een vat open te laten slaan?”

„Neen, maar nu ik weet, dat er overvloed is, zal ik het hem gaan vragen.”

„Mijnentwege zegt hij ja. Ik heb ook trek in wat fijns om den kruitdamp weg te spoelen.”

Met gepaste vrijmoedigheid begaf Marten zich hierop naar Piet Heyn, die met Blokmaker stond te praten.

„Is het schipper Marten vergund, den Admiraal Piet Heyn wat te vragen, of liever voor te stellen?” begon hij heel deftig.

„Zeker,” zeide Piet Heyn. „Wat heb-je op je gemoed, schipper?”

„Het volk heeft vandaag nog wat meer gedaan dan zijn best, Admiraal!”

„Ik zal de laatste zijn, die het tegenspreekt, schipper!”

„De laatste, Admiraal? Neen, al zette men u het mes op de keel, gij zult toch niet delaatstezijn. Gij spreekt het nooit tegen, want gij weet het beter. Maar nu ons volk zooveel lekkers uit Padilla’s schip gesleept en hier aan boord gebracht heeft, zonder te doen, als die plunderzieke rabauwen van Majoor Schouten, wilde ik u voorstellen, te denken aan ons oude spreekwoord: „Aan de kat komt een graatje toe!”

„Het spijt me, dat je het komt vragen, schipper,” zeide Piet Heyn, „want ik had juist mijn plan om eene extra-uitdeeling op al de schepen te houden aan de verschillende Kapiteins laten mededeelen. Wees dus gerust: de katjes zullen hare graatjes hebben en een beetje visch zal er ook nog wel af te kluiven vallen.”

„We krijgen wat extra’s, hoor,” zoo fluisterde Marten den bottelier in het oor. „De Admiraal zal over al de schepen eene uitdeeling laten houden!”

Wat de bottelier nu wist, dat wisten al de manschappen niet veel later, en dit bericht deed menigen juichkreet opstijgen. Het was rechtstreeks in het voordeel van de Compagnie ook, want Piet Heyn mocht nu ook al zeggen: „De lui hebben wel wat verdiend; laat hen ook eens vroolijk zijn,” zijne manschappen redeneerden anders. Dat kon men des avonds overal hooren en daar we alleen op het Admiraalsschip onze kennissen hebben, willen we eens even een kijkje op het voorschip nemen om een en ander af te luisteren.

„Een lekker wijntje,” zeide er een.

„Ja, maar het Admiraaltje is beter,” meende een ander.

„Zeg, afgedroogde, twintigmaal in het rond gedraaide zwabber, zeg gerust de Admiraal! Is hij niet flink uit de kluiten gewassen? En doet hij, als het op bakkeleien aankomt, voor één onzer onder?” riep een derde in vervoering uit.

„Jawel, dat weet ik zoo goed, als dat ik weet, dat iemand, die het op de borst heeft, slecht berekend is voor het werkvan omroeper. Ik bedoel, dat hij een Admiraal van het bovenste plankje is,” hernam de tweede.

„Druk-je dan beter uit, en laat een fatsoenlijk zeeman niet gelooven, dat je het over een’ schiebout hebt, als er eene enterdreg bedoeld wordt,” was het pruttelend antwoord.

„Hoort eens, geen ruzie aan den bak,” riep Marten. „Ik zeg: Piet Heyn is een Admiraal, zooals heel de Republiek er geen’ tweeden heeft. Zeg eens wat kwaads van hem, als je durft.” Deze laatste woorden golden den ziekentrooster, die door Marten heen en weer geschud werd.

„Wel, goede vriend schipper, schud me niet zoo door mekaar, alsof ik een koortsdrankje met zwaar bezinksel ben. Er is geen haar op mijn hoofd, dat er aan denkt om kwaad van den Admiraal te spreken, want dat hij gisteren van drift met de hak van zijne zware zeelaars mijne rechter groote teen zoo plat als een duit getrapt heeft, had ik hem al vergeven vóór ik gisteren avond naar de kooi ging,” was het lange antwoord van den zieketrooster, waarvan niemand bijna een enkel woord verstond, omdat Marten hem maar bleef heen en weer schudden.

Marten verstond hem echter wel en zei: „Geen kwaad van den Admiraal spreken? Het is je maar geraden ook; want als je maar één klein woordje kwaads van hem kikte, wel man, dan maalde ik je tusschen mijne vuisten zoo fijn als kippengrutjes. Ik zeg: Piet Heyn is de schrik van den Spanjool; de geldkistvuller van de West-Indische Compagnie en de Vader van zijne manschappen! Die daar geen ja en amen op zegt, mag mijnentwege naar Axel gaan om Zeeuwsche mossels te eten.”

„Ja, vrienden,” sprak nu de barbier, „dat is zoo. En daarom een boordevolletje op zijn lang leven!”

Ieder stemde hierin mee, en had Piet Heyn die gehechtheid van zijn volk gehoord, dan zou het hem zeker wèl gedaan hebben. Nu hoorde hij het evenwel niet; want terwijl het volk zich zoo vroolijk maakte, zat hij moederziel alleen in de kajuit te bedenken hoe hij het nu toch eens moestaanleggen om een’ volgenden keer de Zilvervloot binnengaats te krijgen. Hij toch beschouwde dezen tocht maar half gelukt, en hoewel hij vooruit wist, dat de Compagnie dubbel en dwars tevreden zou zijn over de gemaakte prijzen, hij was het niet over zichzelf.

DeZilvervlooten geenSuikervlootspeelde hem dag en nacht door het hoofd. Hij wist, dat het geldgebrek in Holland groot was, en dat men er, niettegenstaande vele kooplieden schatrijk geworden, en de burgers zelven zeer welvarend waren, niet wist hoe den oorlog tegen Spanje met kracht voort te zetten. Het geld van de burgers was niet het eigendom van den Staat. Kon men nu de Zilvervloot veroveren, dan zou men een mesje hebben verkregen, dat aan twee kanten sneed. Spanje toch kon zónder de jaarlijksche opbrengsten dier vloot zoo goed als niets doen. Het moest er zijne groote huurlegers mede betalen. Werden de soldaten niet betaald, dan verliep het leger, en al kwamen al de schatten van de Zilvervloot nu ook in de geldkisten van de aandeelhouders der West-Indische Compagnie, toch had de heele Republiek er dan voordeel bij door het verloopen van het Spaansche leger.

Vast besloten, hetzij vandaag of morgen, den nog altijd gehaten Spanjool zoo aan den Zilveren pols te voelen, begaf Piet Heyn zich ter ruste.

Ook het volk sliep weldra in en droomde misschien wel van een’ Admiraal, die met een suikerschip in eene wijnzee voer, en zijne manschappen onthaalde op het heerlijkste, dat er in een denkbeeldig Luilekkerland te vinden was.

In het Vaderland aangekomen, waren de Heeren Bewindhebbers der Compagnie zóó tevreden, dat ze Piet Heyn, als een bewijs hunner tevredenheid, eene zware gouden halsketen vereerden. Het scheepsvolk echter, dat zich toch ook zoo wakker gehouden had en wel wat extra’s verdiende, bekwam niet veel meer dan het bedongen loon.

En Annetje en Moeder? Och, ze vergaten al haar leed toen ze, den eersten Zondag den besten, samen met hem naar dekerk gingen en alle menschen hem zóó beleefd groetten, alsof hij een broertje van den Stadhouder was. Men kon het Annetje en Moeder aanzien, dat ze trotsch waren op den Admiraal met den gouden ketting om den hals, en toen ze alweer thuis kwamen, kon Moeder niet nalaten Annetje in het oor te fluisteren: „Al die eere, zie-je, kind, en dan die prachtige gouden ketting is een pleistertje op de wonde.” En Annetje was het met Moeder eens, vooral omdat ze het maar een pleistertje en niet eene pleister noemde.

Het is de tweeëntwintigste Augustus van het jaar 1628.

In de Florida-straat op de hoogte van Havana, de hoofdplaats van het groote en schoone eiland Cuba, kruist eene vloot van omstreeks dertig zeilen.

Het is eene Hollandsche vloot. Ziet men dat niet al aanstonds aan de eigenaardige makelij der schepen, dan wijst de vlag dat duidelijk genoeg aan.

De bewegingen dier vloot zijn voor iemand, die het doel niet weet, zeer vreemd. Het is, alsof de Bevelhebber niet recht weet waarheen. Men schijnt te zoeken en niet te kunnen vinden, wat men zoekt.

Wie zou die Bevelhebber van de vloot: „Ik weet niet wat en ik weet niet hoe” toch zijn?

Daar staat hij.

Wat? Is dat de Bevelhebber, dát? Is dat dan niet Pieter Pietersz. Heyn, de man, die steeds onverschrokken rechtuit op zijn doel afging? Heeft voor het eerst in zijn leven de vrees hem verlamd, of laat zijn heldere blik hem voor het eerst in het onzekere?

Wat al voorbarige vragen! Kom, laten we hem opzoeken, dan zullen wij wellicht hooren, wat er van aan is.


Back to IndexNext