Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en nachten in een kleine kamer!En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede, reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt, werd mijn lichaam koel en frisch.Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht. Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen, de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of Van Eijck.[2]En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in ravijnen.…Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer aanhield.Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun lezen.Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar wat wandelen op het terras.…Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen, zoo één uurtje maar.Wat zou er komen?.… wat zou er komen?.… o! zou er nog iets voor mij kunnen komen?.…Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze, droomende maar ijl en éven,[3]als een essence. De ziel van zijn zwaar massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen.…Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den jongen morgen.…Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.… hoe licht voel ik mijn eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde ruimten.…En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee.…⁂Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in het rijk der wonderen te zijn aangeland.Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is op de[4]menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze, simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije, natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met een verbeterd, hooger soort[5]menschen te doen hebt dan beneden. En dit is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben, spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en in spanning.—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis. Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want[6]het is niet die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was. En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veelau sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld[7]toch goed, en wat zijn de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk, en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt aanzien in de uitgelaten vroolijkheid isau fondniets dan overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd een goed ding.”Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht.…In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland, waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven, ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben te winnen!.…Ik ben benieuwd wat daar van komen zal.…[8]’s Ochtends op het terras.De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste, die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts, met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in de lucht.…Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden.… Waarheen?.… Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als een broze droom, die breekt in ’t niets.…De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een schok van warmte door de wijd-bevende lucht.…De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende, donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van[9]den Ardjoenå ligt nog weifeling van wolkennevel, sombere drooming.Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht. Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de zon, zijn toppen rood-vergulden.Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij blauw-grijze droomende omhoog rijst, uitwaduwewade van morgendauw.Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs en velden door de wijkende nevelen.De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het licht.…⁂Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer Mehrmann[10]gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer, allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht, met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander buurvrouwtje willen hebben aan tafel.Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs aan haar is, en dat ze haar[11]graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar, en bewijs haar attenties aan tafel.Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief zijn, mijn goede, zachte zuster.…⁂’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de wereld in de zon.Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden, de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen, droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het niet. Hier en[12]daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden.…Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des doods.…Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep gezonken.Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en wemelend, met stuivenden damp.Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk.…Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij dan de wijde, wilde chaos van duister Niets.…⁂Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het achtergalerijtje gaan kijken in den nacht.…De nevelen hadden de bergen weêr genomen.[13]Ik staarde, staarde, maar niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van een paar tjemårås, weifelend en onreëel.Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren.…Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind in dennen.De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de lucht zoo wreedelijk koud.…Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd, zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost, zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.… alles komt in orde,.… blijf maar vást vertrouwen”.…En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te droomen in het zachte bed.⁂Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik later natuurlijk óók ga maken.[14]Er zijn hier overal mooie plekjes en wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig, net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland blijkbaar weêr even mooi terug.Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,”2en het Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den Semeroe zelf, maar dat[15]zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik vooreerst wel niet aan mogen denken.…Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te wachten staat.Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is. Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over de rotsblokken en beekjes heenspringt.Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs, levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.[16]En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine, zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel verdriet gehad, zegt Mary.Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een echte jonge-meisjes verliefdheid.Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes[17]en gebaartjes aan hem herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend leven in haar.Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst, zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan, dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen, en een beetje deftig te[18]zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen, hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste jeugd zijn.En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die „artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd, „American Post.”Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!⁂[19]Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder vogeltje.3Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en vlamt boven de andere kleuren uit.Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van louter vreugde opeens opjubelen in de lucht.…Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart, pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat delichtebloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht.…⁂23 October.Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr over de wereld beneden mij.Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs. Een wijde schittering[20]van kleuren, geel, en groen, en goud, van dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie. Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam, langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar de horizonnen van de zee.Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van liefde.…’s Avonds.In de late schemering weer op het terras, en.… wonder! wonder!Warenuchtendsdie witte wolken uitgevaren, in[21]zoo kalme, blanke pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en weedom waart rondomme.Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de een op de ander, een donkere droom.Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam, wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen tegen donker-leiblauwe lucht.Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven, verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam langend òp tot hooge hellingen.En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer, de zee, in duisteren deemoed.…O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos zacht!.…Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon achter Westerbergen,[22]hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk, schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God de Vader.…Stiller wordt het, en stiller.…Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen lijdenswolken boven het dal.En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen.…In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet.…Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen.…En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen glans.…En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw, de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende Maagde in den nacht.…[23]Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht.…Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart en zwarter, en zijn glans vergaat.…Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één stille ster, zéér rustig en sereen.… Het droeve wereld-leed is daar gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht, zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie.…En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid van donker lijden, waar mijn ziel van weent.Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten.…Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand, ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn[24]moet liggen, waar de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in Junghuhn’s werk.De Dâsar, of Zandzee,4een zandvlakte van een gehééle geographische mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest,degroote krater van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in eruptie.De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de Zandzee Dâsar.Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn, of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe lucht,[25]alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur brullend en broeiend onder de aarde.Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte goede.Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden zeide.En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en vergankelijkheid, en zonde.Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk, zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden, opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel der brandende aarde.…..Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang[26]even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van teederheid.Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend, doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte verteedering, als een vage melodie.…Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven.…Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig, droomelend weg in dommelend vervlieden.… Zóó ging het vàn mij, zachtekens[27]verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang te wijlen.… En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder het teeder doorbreken van een milde maan.…⁂Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de regendroppelen, metlichtgerucht. De ravijnen links zijn donker, met de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods![28]Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken, onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê, murmelend lief mysterie, dat niemand weet.…Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in de lucht.… Dàn even stilte.… En vér beneden, in ’t ravijn, antwoordt een ander.…Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw van den avond.…Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der wereld.…En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen, onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang verloren, maar nooit vergeten..En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen, nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr, bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet, in allerreinsten staat.…⁂Ik begin nu kleine wandelingen te maken.Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het Leverlaantje, maar recht[29]door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen, plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale, zwaar-schaduwende bergen.Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van beneden eerbiedig aan.Hoe kalm en eenzaam hier!Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht met zacht gepraat.… En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend geraas … Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig bescheiden.…Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.… In de verte alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard..… Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig stappend, voorzichtig.… Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn hals!.…Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke tjemårås omhoog naar het licht!En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende[30]berglucht in je longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér, Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul gevloeid!.… Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje, dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht.…Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?Niets dan dit:.… de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen.…Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon.…En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en liefelijk.…⁂Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent, „heilzame bloem;” „bloem,5die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent „bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats (divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;”[31]Proewono „reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari „gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto „heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden tegenover ’tHôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan had aangeschaft.De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten, voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden. Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v. in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de bergen in, is het weer beter.Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal één zijn met de natuur.Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes,[32]op den weg van Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene koolvelden tegen de hellingen.Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier, schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in dennen..Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden, hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch onvervaard.…Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een[33]mooi kind van den Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk. Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend, omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat natuurlijke, hartelijke, gezonde.Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op, doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr.…En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven, van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit haar jong, onbezorgd gemoed.Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen, trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam zwellend[34]in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon, vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond.…En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure, reine, goddelijke natuur.…⁂Niets dan dit:Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat.…Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.… Zóó is het goed, zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch tevreden.…Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds dieper, stiller.…De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen maannacht-hemel.…En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer,[35]want wel moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart. Ai! het scheurt de stille lucht.…En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog menschen zijn.…Dáár is de vreugde en ’t leven.… En Mary.… En Annie, die lieve vrouw.… Zou zij er nog wezen?.… Zou zij nog niet zijn slapen gegaan?…O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk gezichtje met den warmen, lichten lach!.… O, nu wat liefs en zachts voor mijn arm, kloppend hart!.…⁂Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.… Het Leverlaantje.… Overal die hooge, hooge bergkammen.… Die weggetjes daar zoo zacht tegen.… In de ravijnen hangen zware nevelen, onmerkbaar langzaam stijgende.Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in eens:O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht, hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan! Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande, evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die[36]kuische takjes zoo zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.… Die roerlooze vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.… Zoo hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en kalm als kinderen.…En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.… O! om een lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen, moeden zwerver.…⁂Vreemd, vreemd.… Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te hechten.… Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en ze lacht me vriendelijk toe.… Het doet me zoo goed, in haar schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.… Ze is zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend groen … Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal worden.Ikverliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar wat is het dan?.… Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me zoo in haar aantrekt, het simpele,[37]onbewuste, zonder denken gelukkig zijn.… En toch nog iets méér ook.…Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam.…Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen en rijtochten te maken.Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar ik zal het er toch op wagen.2 November.…Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken mee, voor de koû.…Om half zes reden we al uit, met een gids[38]voorop. Dáár ergens in ’t Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder de aarde.… Daár is het, dat de sombere Bromo broeit.…Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn, en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken, en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden. Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de dennen.… En die stilte, die stemmige stilte rondom.…Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede, droeve, vallei des doods.…Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van edelweiss, en alpenkruiden, en[39]viooltjes.… Ik zie ook de teêre, bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.… en even hoor ik het blij getjiep van vogels.…Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien,voelik den krater. Mijn zielvoelthet sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen.…Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om mijn ooren.… Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.…. „De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den rand van den kratermuur.Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen.… Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de lucht.…En beneden, beneden.… Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt. Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal, en des doods.… Een somber, veeg mysterie.…Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.[40]Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als een duin.Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig, uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling, een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen.…Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan, en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des Doods, de Zandzee Dasar.…Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.… De zware, zondige stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.… Is het een meer van ijs?.… Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.… Is het een wilde woestijn van zand?.… Diepe wreede voren rekken als stijf versteende slangen in alle richtingen er over heen.… Koud en genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat[41]òp ten hemel, uit de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden.…Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale, veege dal des doods.…Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok, daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des doods, vol somber geheim.…Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met vaal-gele glanzen, dreigend omhoog.…Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige beweging des doods.…Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in.[42]dof neêrgehouden door het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis hangt.…Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen, genadeloozen vloek.… Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie, dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre, naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het Leven.…IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.… Is het de droeve beroering van ’t helle-vuur onder de aarde?.… Is het een onweer, broeiend in verre, donkere wolken?.…De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen, en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard.…Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder vreezen.…En het is een apothéose.…[43]Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht, teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet! met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke glorie.…..Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en, dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn top.…Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van waar wij zijn gekomen.Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet! rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon, Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk[44]blauw omhoog, met een blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig hoofd?.…Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.… het is of mijn ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.… Het is zoo zalig en zoo rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is eindeloos.… Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen, hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel in de lichte hemelen te vergaan!.…Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau, wordt door wolken verduisterd.Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te onderscheiden.En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal heen, aan den overkant is de[45]hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe, al van een wolkensluier overtogen.Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel! Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden, rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood.…Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale wolken-nevelen aan.…En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam, langzaam begint het wreede spel des doods.Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in de vervloekte doodenvelden,[46]eindeloos en onherroepelijk verloren.…De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling heen.… Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den Batok. Op den Widodaren6zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s, in somberen triomf.En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen, langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo, treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze traagheid des doods.…En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen.… en het rommelend mompelen van verren donder.…Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie, en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den afgrond beneden mijne voeten.…En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre woestenij.…Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste kil-versteend, verteerd in zich zelf.…Maar ikwildien dood niet, o! ik voel het nu, ikhaathet, ikhaatdit schoon, dat uit den Booze is, ikhaatden dorren, starren dood! Nu ik hem[47]heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek nacht-gelaat, nuhaatik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het Leven!.…Toen,.… een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude tijden, lang geleên.…En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.… Kom maar gerust hier bij me liggen in mijn schoot.… hier heb ik een warme wollen deken.… Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen.… wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.… kom nu maar even bij me rusten.… en nu niet meer naar beneden kijken..”Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk gezicht, haar warme stralende oogen.… Zij is de blijheid, en de vreugde, en het geluk.… Zij is het lachen, en het licht, en het leven.… En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij terug!.…Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot.…. Ik voel, hoe zij bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar stem, die mij zegt te rusten.… te rusten,.… ik wil niet den duisteren dood, maar[48]het Lichte Leven,.… en zachtjes, zachtjes lig ik te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen lief-troostend op mijn hoofd.…⁂Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht over de schitterende vlakte en de zee.Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd, dat maar niet rusten kon.
Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en nachten in een kleine kamer!En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede, reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt, werd mijn lichaam koel en frisch.Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht. Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen, de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of Van Eijck.[2]En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in ravijnen.…Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer aanhield.Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun lezen.Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar wat wandelen op het terras.…Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen, zoo één uurtje maar.Wat zou er komen?.… wat zou er komen?.… o! zou er nog iets voor mij kunnen komen?.…Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze, droomende maar ijl en éven,[3]als een essence. De ziel van zijn zwaar massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen.…Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den jongen morgen.…Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.… hoe licht voel ik mijn eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde ruimten.…En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee.…⁂Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in het rijk der wonderen te zijn aangeland.Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is op de[4]menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze, simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije, natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met een verbeterd, hooger soort[5]menschen te doen hebt dan beneden. En dit is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben, spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en in spanning.—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis. Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want[6]het is niet die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was. En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veelau sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld[7]toch goed, en wat zijn de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk, en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt aanzien in de uitgelaten vroolijkheid isau fondniets dan overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd een goed ding.”Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht.…In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland, waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven, ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben te winnen!.…Ik ben benieuwd wat daar van komen zal.…[8]’s Ochtends op het terras.De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste, die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts, met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in de lucht.…Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden.… Waarheen?.… Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als een broze droom, die breekt in ’t niets.…De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een schok van warmte door de wijd-bevende lucht.…De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende, donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van[9]den Ardjoenå ligt nog weifeling van wolkennevel, sombere drooming.Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht. Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de zon, zijn toppen rood-vergulden.Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij blauw-grijze droomende omhoog rijst, uitwaduwewade van morgendauw.Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs en velden door de wijkende nevelen.De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het licht.…⁂Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer Mehrmann[10]gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer, allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht, met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander buurvrouwtje willen hebben aan tafel.Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs aan haar is, en dat ze haar[11]graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar, en bewijs haar attenties aan tafel.Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief zijn, mijn goede, zachte zuster.…⁂’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de wereld in de zon.Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden, de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen, droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het niet. Hier en[12]daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden.…Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des doods.…Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep gezonken.Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en wemelend, met stuivenden damp.Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk.…Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij dan de wijde, wilde chaos van duister Niets.…⁂Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het achtergalerijtje gaan kijken in den nacht.…De nevelen hadden de bergen weêr genomen.[13]Ik staarde, staarde, maar niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van een paar tjemårås, weifelend en onreëel.Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren.…Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind in dennen.De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de lucht zoo wreedelijk koud.…Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd, zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost, zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.… alles komt in orde,.… blijf maar vást vertrouwen”.…En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te droomen in het zachte bed.⁂Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik later natuurlijk óók ga maken.[14]Er zijn hier overal mooie plekjes en wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig, net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland blijkbaar weêr even mooi terug.Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,”2en het Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den Semeroe zelf, maar dat[15]zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik vooreerst wel niet aan mogen denken.…Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te wachten staat.Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is. Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over de rotsblokken en beekjes heenspringt.Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs, levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.[16]En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine, zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel verdriet gehad, zegt Mary.Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een echte jonge-meisjes verliefdheid.Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes[17]en gebaartjes aan hem herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend leven in haar.Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst, zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan, dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen, en een beetje deftig te[18]zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen, hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste jeugd zijn.En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die „artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd, „American Post.”Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!⁂[19]Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder vogeltje.3Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en vlamt boven de andere kleuren uit.Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van louter vreugde opeens opjubelen in de lucht.…Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart, pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat delichtebloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht.…⁂23 October.Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr over de wereld beneden mij.Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs. Een wijde schittering[20]van kleuren, geel, en groen, en goud, van dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie. Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam, langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar de horizonnen van de zee.Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van liefde.…’s Avonds.In de late schemering weer op het terras, en.… wonder! wonder!Warenuchtendsdie witte wolken uitgevaren, in[21]zoo kalme, blanke pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en weedom waart rondomme.Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de een op de ander, een donkere droom.Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam, wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen tegen donker-leiblauwe lucht.Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven, verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam langend òp tot hooge hellingen.En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer, de zee, in duisteren deemoed.…O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos zacht!.…Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon achter Westerbergen,[22]hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk, schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God de Vader.…Stiller wordt het, en stiller.…Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen lijdenswolken boven het dal.En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen.…In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet.…Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen.…En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen glans.…En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw, de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende Maagde in den nacht.…[23]Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht.…Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart en zwarter, en zijn glans vergaat.…Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één stille ster, zéér rustig en sereen.… Het droeve wereld-leed is daar gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht, zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie.…En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid van donker lijden, waar mijn ziel van weent.Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten.…Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand, ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn[24]moet liggen, waar de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in Junghuhn’s werk.De Dâsar, of Zandzee,4een zandvlakte van een gehééle geographische mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest,degroote krater van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in eruptie.De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de Zandzee Dâsar.Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn, of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe lucht,[25]alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur brullend en broeiend onder de aarde.Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte goede.Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden zeide.En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en vergankelijkheid, en zonde.Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk, zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden, opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel der brandende aarde.…..Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang[26]even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van teederheid.Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend, doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte verteedering, als een vage melodie.…Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven.…Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig, droomelend weg in dommelend vervlieden.… Zóó ging het vàn mij, zachtekens[27]verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang te wijlen.… En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder het teeder doorbreken van een milde maan.…⁂Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de regendroppelen, metlichtgerucht. De ravijnen links zijn donker, met de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods![28]Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken, onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê, murmelend lief mysterie, dat niemand weet.…Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in de lucht.… Dàn even stilte.… En vér beneden, in ’t ravijn, antwoordt een ander.…Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw van den avond.…Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der wereld.…En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen, onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang verloren, maar nooit vergeten..En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen, nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr, bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet, in allerreinsten staat.…⁂Ik begin nu kleine wandelingen te maken.Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het Leverlaantje, maar recht[29]door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen, plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale, zwaar-schaduwende bergen.Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van beneden eerbiedig aan.Hoe kalm en eenzaam hier!Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht met zacht gepraat.… En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend geraas … Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig bescheiden.…Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.… In de verte alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard..… Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig stappend, voorzichtig.… Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn hals!.…Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke tjemårås omhoog naar het licht!En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende[30]berglucht in je longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér, Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul gevloeid!.… Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje, dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht.…Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?Niets dan dit:.… de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen.…Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon.…En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en liefelijk.…⁂Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent, „heilzame bloem;” „bloem,5die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent „bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats (divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;”[31]Proewono „reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari „gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto „heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden tegenover ’tHôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan had aangeschaft.De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten, voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden. Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v. in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de bergen in, is het weer beter.Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal één zijn met de natuur.Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes,[32]op den weg van Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene koolvelden tegen de hellingen.Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier, schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in dennen..Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden, hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch onvervaard.…Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een[33]mooi kind van den Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk. Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend, omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat natuurlijke, hartelijke, gezonde.Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op, doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr.…En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven, van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit haar jong, onbezorgd gemoed.Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen, trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam zwellend[34]in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon, vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond.…En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure, reine, goddelijke natuur.…⁂Niets dan dit:Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat.…Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.… Zóó is het goed, zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch tevreden.…Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds dieper, stiller.…De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen maannacht-hemel.…En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer,[35]want wel moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart. Ai! het scheurt de stille lucht.…En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog menschen zijn.…Dáár is de vreugde en ’t leven.… En Mary.… En Annie, die lieve vrouw.… Zou zij er nog wezen?.… Zou zij nog niet zijn slapen gegaan?…O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk gezichtje met den warmen, lichten lach!.… O, nu wat liefs en zachts voor mijn arm, kloppend hart!.…⁂Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.… Het Leverlaantje.… Overal die hooge, hooge bergkammen.… Die weggetjes daar zoo zacht tegen.… In de ravijnen hangen zware nevelen, onmerkbaar langzaam stijgende.Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in eens:O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht, hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan! Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande, evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die[36]kuische takjes zoo zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.… Die roerlooze vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.… Zoo hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en kalm als kinderen.…En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.… O! om een lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen, moeden zwerver.…⁂Vreemd, vreemd.… Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te hechten.… Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en ze lacht me vriendelijk toe.… Het doet me zoo goed, in haar schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.… Ze is zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend groen … Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal worden.Ikverliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar wat is het dan?.… Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me zoo in haar aantrekt, het simpele,[37]onbewuste, zonder denken gelukkig zijn.… En toch nog iets méér ook.…Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam.…Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen en rijtochten te maken.Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar ik zal het er toch op wagen.2 November.…Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken mee, voor de koû.…Om half zes reden we al uit, met een gids[38]voorop. Dáár ergens in ’t Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder de aarde.… Daár is het, dat de sombere Bromo broeit.…Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn, en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken, en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden. Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de dennen.… En die stilte, die stemmige stilte rondom.…Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede, droeve, vallei des doods.…Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van edelweiss, en alpenkruiden, en[39]viooltjes.… Ik zie ook de teêre, bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.… en even hoor ik het blij getjiep van vogels.…Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien,voelik den krater. Mijn zielvoelthet sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen.…Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om mijn ooren.… Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.…. „De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den rand van den kratermuur.Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen.… Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de lucht.…En beneden, beneden.… Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt. Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal, en des doods.… Een somber, veeg mysterie.…Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.[40]Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als een duin.Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig, uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling, een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen.…Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan, en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des Doods, de Zandzee Dasar.…Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.… De zware, zondige stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.… Is het een meer van ijs?.… Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.… Is het een wilde woestijn van zand?.… Diepe wreede voren rekken als stijf versteende slangen in alle richtingen er over heen.… Koud en genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat[41]òp ten hemel, uit de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden.…Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale, veege dal des doods.…Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok, daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des doods, vol somber geheim.…Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met vaal-gele glanzen, dreigend omhoog.…Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige beweging des doods.…Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in.[42]dof neêrgehouden door het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis hangt.…Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen, genadeloozen vloek.… Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie, dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre, naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het Leven.…IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.… Is het de droeve beroering van ’t helle-vuur onder de aarde?.… Is het een onweer, broeiend in verre, donkere wolken?.…De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen, en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard.…Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder vreezen.…En het is een apothéose.…[43]Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht, teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet! met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke glorie.…..Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en, dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn top.…Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van waar wij zijn gekomen.Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet! rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon, Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk[44]blauw omhoog, met een blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig hoofd?.…Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.… het is of mijn ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.… Het is zoo zalig en zoo rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is eindeloos.… Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen, hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel in de lichte hemelen te vergaan!.…Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau, wordt door wolken verduisterd.Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te onderscheiden.En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal heen, aan den overkant is de[45]hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe, al van een wolkensluier overtogen.Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel! Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden, rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood.…Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale wolken-nevelen aan.…En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam, langzaam begint het wreede spel des doods.Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in de vervloekte doodenvelden,[46]eindeloos en onherroepelijk verloren.…De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling heen.… Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den Batok. Op den Widodaren6zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s, in somberen triomf.En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen, langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo, treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze traagheid des doods.…En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen.… en het rommelend mompelen van verren donder.…Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie, en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den afgrond beneden mijne voeten.…En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre woestenij.…Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste kil-versteend, verteerd in zich zelf.…Maar ikwildien dood niet, o! ik voel het nu, ikhaathet, ikhaatdit schoon, dat uit den Booze is, ikhaatden dorren, starren dood! Nu ik hem[47]heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek nacht-gelaat, nuhaatik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het Leven!.…Toen,.… een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude tijden, lang geleên.…En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.… Kom maar gerust hier bij me liggen in mijn schoot.… hier heb ik een warme wollen deken.… Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen.… wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.… kom nu maar even bij me rusten.… en nu niet meer naar beneden kijken..”Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk gezicht, haar warme stralende oogen.… Zij is de blijheid, en de vreugde, en het geluk.… Zij is het lachen, en het licht, en het leven.… En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij terug!.…Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot.…. Ik voel, hoe zij bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar stem, die mij zegt te rusten.… te rusten,.… ik wil niet den duisteren dood, maar[48]het Lichte Leven,.… en zachtjes, zachtjes lig ik te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen lief-troostend op mijn hoofd.…⁂Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht over de schitterende vlakte en de zee.Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd, dat maar niet rusten kon.
Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en nachten in een kleine kamer!En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede, reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt, werd mijn lichaam koel en frisch.Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht. Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen, de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of Van Eijck.[2]En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in ravijnen.…Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer aanhield.Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun lezen.Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar wat wandelen op het terras.…Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen, zoo één uurtje maar.Wat zou er komen?.… wat zou er komen?.… o! zou er nog iets voor mij kunnen komen?.…Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze, droomende maar ijl en éven,[3]als een essence. De ziel van zijn zwaar massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen.…Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den jongen morgen.…Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.… hoe licht voel ik mijn eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde ruimten.…En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee.…⁂Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in het rijk der wonderen te zijn aangeland.Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is op de[4]menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze, simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije, natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met een verbeterd, hooger soort[5]menschen te doen hebt dan beneden. En dit is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben, spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en in spanning.—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis. Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want[6]het is niet die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was. En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veelau sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld[7]toch goed, en wat zijn de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk, en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt aanzien in de uitgelaten vroolijkheid isau fondniets dan overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd een goed ding.”Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht.…In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland, waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven, ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben te winnen!.…Ik ben benieuwd wat daar van komen zal.…[8]’s Ochtends op het terras.De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste, die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts, met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in de lucht.…Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden.… Waarheen?.… Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als een broze droom, die breekt in ’t niets.…De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een schok van warmte door de wijd-bevende lucht.…De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende, donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van[9]den Ardjoenå ligt nog weifeling van wolkennevel, sombere drooming.Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht. Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de zon, zijn toppen rood-vergulden.Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij blauw-grijze droomende omhoog rijst, uitwaduwewade van morgendauw.Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs en velden door de wijkende nevelen.De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het licht.…⁂Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer Mehrmann[10]gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer, allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht, met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander buurvrouwtje willen hebben aan tafel.Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs aan haar is, en dat ze haar[11]graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar, en bewijs haar attenties aan tafel.Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief zijn, mijn goede, zachte zuster.…⁂’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de wereld in de zon.Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden, de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen, droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het niet. Hier en[12]daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden.…Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des doods.…Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep gezonken.Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en wemelend, met stuivenden damp.Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk.…Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij dan de wijde, wilde chaos van duister Niets.…⁂Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het achtergalerijtje gaan kijken in den nacht.…De nevelen hadden de bergen weêr genomen.[13]Ik staarde, staarde, maar niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van een paar tjemårås, weifelend en onreëel.Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren.…Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind in dennen.De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de lucht zoo wreedelijk koud.…Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd, zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost, zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.… alles komt in orde,.… blijf maar vást vertrouwen”.…En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te droomen in het zachte bed.⁂Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik later natuurlijk óók ga maken.[14]Er zijn hier overal mooie plekjes en wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig, net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland blijkbaar weêr even mooi terug.Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,”2en het Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den Semeroe zelf, maar dat[15]zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik vooreerst wel niet aan mogen denken.…Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te wachten staat.Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is. Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over de rotsblokken en beekjes heenspringt.Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs, levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.[16]En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine, zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel verdriet gehad, zegt Mary.Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een echte jonge-meisjes verliefdheid.Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes[17]en gebaartjes aan hem herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend leven in haar.Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst, zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan, dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen, en een beetje deftig te[18]zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen, hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste jeugd zijn.En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die „artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd, „American Post.”Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!⁂[19]Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder vogeltje.3Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en vlamt boven de andere kleuren uit.Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van louter vreugde opeens opjubelen in de lucht.…Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart, pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat delichtebloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht.…⁂23 October.Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr over de wereld beneden mij.Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs. Een wijde schittering[20]van kleuren, geel, en groen, en goud, van dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie. Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam, langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar de horizonnen van de zee.Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van liefde.…’s Avonds.In de late schemering weer op het terras, en.… wonder! wonder!Warenuchtendsdie witte wolken uitgevaren, in[21]zoo kalme, blanke pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en weedom waart rondomme.Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de een op de ander, een donkere droom.Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam, wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen tegen donker-leiblauwe lucht.Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven, verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam langend òp tot hooge hellingen.En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer, de zee, in duisteren deemoed.…O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos zacht!.…Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon achter Westerbergen,[22]hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk, schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God de Vader.…Stiller wordt het, en stiller.…Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen lijdenswolken boven het dal.En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen.…In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet.…Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen.…En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen glans.…En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw, de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende Maagde in den nacht.…[23]Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht.…Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart en zwarter, en zijn glans vergaat.…Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één stille ster, zéér rustig en sereen.… Het droeve wereld-leed is daar gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht, zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie.…En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid van donker lijden, waar mijn ziel van weent.Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten.…Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand, ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn[24]moet liggen, waar de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in Junghuhn’s werk.De Dâsar, of Zandzee,4een zandvlakte van een gehééle geographische mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest,degroote krater van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in eruptie.De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de Zandzee Dâsar.Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn, of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe lucht,[25]alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur brullend en broeiend onder de aarde.Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte goede.Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden zeide.En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en vergankelijkheid, en zonde.Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk, zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden, opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel der brandende aarde.…..Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang[26]even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van teederheid.Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend, doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte verteedering, als een vage melodie.…Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven.…Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig, droomelend weg in dommelend vervlieden.… Zóó ging het vàn mij, zachtekens[27]verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang te wijlen.… En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder het teeder doorbreken van een milde maan.…⁂Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de regendroppelen, metlichtgerucht. De ravijnen links zijn donker, met de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods![28]Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken, onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê, murmelend lief mysterie, dat niemand weet.…Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in de lucht.… Dàn even stilte.… En vér beneden, in ’t ravijn, antwoordt een ander.…Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw van den avond.…Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der wereld.…En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen, onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang verloren, maar nooit vergeten..En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen, nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr, bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet, in allerreinsten staat.…⁂Ik begin nu kleine wandelingen te maken.Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het Leverlaantje, maar recht[29]door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen, plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale, zwaar-schaduwende bergen.Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van beneden eerbiedig aan.Hoe kalm en eenzaam hier!Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht met zacht gepraat.… En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend geraas … Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig bescheiden.…Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.… In de verte alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard..… Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig stappend, voorzichtig.… Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn hals!.…Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke tjemårås omhoog naar het licht!En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende[30]berglucht in je longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér, Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul gevloeid!.… Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje, dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht.…Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?Niets dan dit:.… de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen.…Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon.…En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en liefelijk.…⁂Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent, „heilzame bloem;” „bloem,5die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent „bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats (divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;”[31]Proewono „reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari „gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto „heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden tegenover ’tHôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan had aangeschaft.De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten, voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden. Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v. in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de bergen in, is het weer beter.Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal één zijn met de natuur.Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes,[32]op den weg van Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene koolvelden tegen de hellingen.Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier, schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in dennen..Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden, hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch onvervaard.…Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een[33]mooi kind van den Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk. Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend, omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat natuurlijke, hartelijke, gezonde.Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op, doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr.…En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven, van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit haar jong, onbezorgd gemoed.Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen, trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam zwellend[34]in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon, vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond.…En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure, reine, goddelijke natuur.…⁂Niets dan dit:Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat.…Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.… Zóó is het goed, zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch tevreden.…Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds dieper, stiller.…De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen maannacht-hemel.…En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer,[35]want wel moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart. Ai! het scheurt de stille lucht.…En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog menschen zijn.…Dáár is de vreugde en ’t leven.… En Mary.… En Annie, die lieve vrouw.… Zou zij er nog wezen?.… Zou zij nog niet zijn slapen gegaan?…O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk gezichtje met den warmen, lichten lach!.… O, nu wat liefs en zachts voor mijn arm, kloppend hart!.…⁂Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.… Het Leverlaantje.… Overal die hooge, hooge bergkammen.… Die weggetjes daar zoo zacht tegen.… In de ravijnen hangen zware nevelen, onmerkbaar langzaam stijgende.Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in eens:O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht, hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan! Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande, evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die[36]kuische takjes zoo zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.… Die roerlooze vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.… Zoo hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en kalm als kinderen.…En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.… O! om een lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen, moeden zwerver.…⁂Vreemd, vreemd.… Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te hechten.… Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en ze lacht me vriendelijk toe.… Het doet me zoo goed, in haar schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.… Ze is zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend groen … Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal worden.Ikverliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar wat is het dan?.… Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me zoo in haar aantrekt, het simpele,[37]onbewuste, zonder denken gelukkig zijn.… En toch nog iets méér ook.…Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam.…Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen en rijtochten te maken.Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar ik zal het er toch op wagen.2 November.…Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken mee, voor de koû.…Om half zes reden we al uit, met een gids[38]voorop. Dáár ergens in ’t Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder de aarde.… Daár is het, dat de sombere Bromo broeit.…Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn, en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken, en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden. Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de dennen.… En die stilte, die stemmige stilte rondom.…Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede, droeve, vallei des doods.…Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van edelweiss, en alpenkruiden, en[39]viooltjes.… Ik zie ook de teêre, bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.… en even hoor ik het blij getjiep van vogels.…Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien,voelik den krater. Mijn zielvoelthet sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen.…Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om mijn ooren.… Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.…. „De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den rand van den kratermuur.Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen.… Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de lucht.…En beneden, beneden.… Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt. Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal, en des doods.… Een somber, veeg mysterie.…Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.[40]Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als een duin.Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig, uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling, een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen.…Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan, en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des Doods, de Zandzee Dasar.…Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.… De zware, zondige stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.… Is het een meer van ijs?.… Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.… Is het een wilde woestijn van zand?.… Diepe wreede voren rekken als stijf versteende slangen in alle richtingen er over heen.… Koud en genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat[41]òp ten hemel, uit de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden.…Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale, veege dal des doods.…Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok, daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des doods, vol somber geheim.…Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met vaal-gele glanzen, dreigend omhoog.…Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige beweging des doods.…Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in.[42]dof neêrgehouden door het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis hangt.…Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen, genadeloozen vloek.… Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie, dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre, naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het Leven.…IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.… Is het de droeve beroering van ’t helle-vuur onder de aarde?.… Is het een onweer, broeiend in verre, donkere wolken?.…De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen, en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard.…Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder vreezen.…En het is een apothéose.…[43]Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht, teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet! met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke glorie.…..Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en, dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn top.…Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van waar wij zijn gekomen.Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet! rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon, Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk[44]blauw omhoog, met een blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig hoofd?.…Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.… het is of mijn ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.… Het is zoo zalig en zoo rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is eindeloos.… Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen, hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel in de lichte hemelen te vergaan!.…Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau, wordt door wolken verduisterd.Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te onderscheiden.En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal heen, aan den overkant is de[45]hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe, al van een wolkensluier overtogen.Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel! Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden, rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood.…Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale wolken-nevelen aan.…En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam, langzaam begint het wreede spel des doods.Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in de vervloekte doodenvelden,[46]eindeloos en onherroepelijk verloren.…De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling heen.… Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den Batok. Op den Widodaren6zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s, in somberen triomf.En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen, langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo, treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze traagheid des doods.…En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen.… en het rommelend mompelen van verren donder.…Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie, en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den afgrond beneden mijne voeten.…En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre woestenij.…Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste kil-versteend, verteerd in zich zelf.…Maar ikwildien dood niet, o! ik voel het nu, ikhaathet, ikhaatdit schoon, dat uit den Booze is, ikhaatden dorren, starren dood! Nu ik hem[47]heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek nacht-gelaat, nuhaatik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het Leven!.…Toen,.… een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude tijden, lang geleên.…En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.… Kom maar gerust hier bij me liggen in mijn schoot.… hier heb ik een warme wollen deken.… Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen.… wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.… kom nu maar even bij me rusten.… en nu niet meer naar beneden kijken..”Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk gezicht, haar warme stralende oogen.… Zij is de blijheid, en de vreugde, en het geluk.… Zij is het lachen, en het licht, en het leven.… En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij terug!.…Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot.…. Ik voel, hoe zij bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar stem, die mij zegt te rusten.… te rusten,.… ik wil niet den duisteren dood, maar[48]het Lichte Leven,.… en zachtjes, zachtjes lig ik te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen lief-troostend op mijn hoofd.…⁂Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht over de schitterende vlakte en de zee.Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd, dat maar niet rusten kon.
Ik ben vandaag voor ’t eerst uit mijn bed geweest. Zeven lange dagen en nachten in een kleine kamer!
En toch was ’t zoo erg niet. Ik voelde langzaam, langzaam een goede, reine lucht in mij stroomen, en, zooals je mond als je water drinkt, werd mijn lichaam koel en frisch.
Mary schoof soms de gordijntjes open voor mijn raam, en dan zag ik overal bergen, bergen, bergen, en witte wolken, zeilende door de lucht. Maar ’t mooiste van alles misschien wel de kleine, deemoedige dennen, de tjemårås, zoo zachtjes ópklimmende tegen hellingen, en in rechte rijen langs paadjes staande. Overal smalle, windende weggetjes, zooals je ze wel ziet op den achtergrond van primitieven, Van der Weijden, of Van Eijck.[2]
En aldoor dat reine ruischen van watervallen, ongezien, diep in ravijnen.…
Nu ben ik dan eindelijk weêr opgestaan, en ik ga een nieuw dagboek beginnen. Het moois dat ik hier zien ga mag niet zóó maar weer vervlieden in de tijden. Ik heb zoo’n voorgevoel, of het nú wel weer de moeite waard zal worden, een dagboek, dat ik sedert jaren niet meer aanhield.
Wat hebben Mary en Henri mij goed opgepast, hoe hartelijk en lief! Ik zal nu al het moois dat hier gaat komen, probeeren te bewaren in dit boek, en later, als ik weer gezond beneden terug ben, laat ik het hun lezen.
Ik mag mij vooràl niet vermoeien, zegt de dokter, en alleen nog maar wat wandelen op het terras.…
Maar mijn Dagboek ga ik toch beginnen, dat zal zoo’n kwaad niet doen, zoo één uurtje maar.
Wat zou er komen?.… wat zou er komen?.… o! zou er nog iets voor mij kunnen komen?.…
Zóó was het broze droom-gezicht van morgen, toen ik op het terras Gods wereld zag, vèr en diep aan mijne voeten:
Een vage, waze wade wijd over de vèrre, dof glinsterende vlakte. Het teêre, zachte, milde morgenlicht voorzichtig brekend daar doorheen.
De Ardjoenå, zonder materie, luchtig vervluchtigd, vèr in dat waze, droomende maar ijl en éven,[3]als een essence. De ziel van zijn zwaar massale goden-lichaam nu, schuchter, bloot, zijn eigenlijke, innigste Wezen éven bevende óp, in dit teedere licht van den morgen.…
Ook, vaag vermoed, de luchte Penanggoenankegel, en de zachte golvende Kawi, en vèr, de parele, glanzende zee, ten horizon verdroomend..
De luchte essence van het wereld-wezen beeft zachtekens voor mijne oogen, in het kuisch-eerwaarde, schemer-teeder maagde-licht van den jongen morgen.…
Hoe ijl, hoe ijl is de dunne, reine lucht.… hoe licht voel ik mijn eigen wezen voorzichtiglijk zich uitspreiden in die wijde, wijde ruimten.…
En het is mij, of het zachte, kuische einde nu wel drâ zal komen, en mijn ziel nu aanstonds zal verdroomen in die teêre, broze sferen, ver over de glanzende vlakten, over de vage horizonnen van de zee.…
⁂
Dat was een heel curieus gesprek vanochtend! Ik schijn dan toch wèl in het rijk der wonderen te zijn aangeland.
Ik was op een bankje gaan zitten op het terras, toen de oude heer Mehrmann bij me kwam, die Tosari zoo dóór en dóór kent, en er zooveel over geschreven heeft. Hij heeft me op een heel eigenaardige manier uitgelegd, wat de invloed van deze reine, ijle, aeterische atmosfeer is op de[4]menschen. En als hij het bij ’t rechte eind heeft is het hier zeker een uniek oord van wonderen in de wereld.
„Ik moet u eens waarschuwen,” zeide hij, „dat de menschen, die u hier zult leeren kennen, héél anders zijn dan zij zich later „beneden” weêr zullen toonen. Het is dan ook heel gevaarlijk, hier vriendschap—en nog gevaarlijker liefde—voor iemand te gaan gevoelen, want daar zal beneden niets dan ellende en teleurstelling op volgen. Wat het is,—ik geloof niet dat het alleen de ijle lucht is—weet ik niet, maar de menschen leven hier eigenlijk in een droom. Misschien is het óók de grandioze, simpele, strenge pracht van de natuur, die het ’m doet, maar zij worden hier veel beter en zuiverder dan ze beneden zijn. Het is zeker door het eindelooze van al die heerlijke horizonnen hier om je heen, dat ze ruimer van opvatting worden, dat de engheden van de conventie wègvallen, en de stijve, deftige luidjes van beneden hier vrije, natuurlijke, oprechtere menschen worden. Ik geloof niet, zooals de dokter, dat het alleen de dood is van de malaria-bacillen, die dit wonder tot stand brengt. Ik geloof dat de invloed, door de psyche uitgeoefend, hier veel grooter is dan men vermoedt, ja, dat eigenlijk het psychische proces de hoofdrol speelt, en den stoot geeft aan het physische. Je kunt over het algemeen zeggen, dat je hier op Tosari met een verbeterd, hooger soort[5]menschen te doen hebt dan beneden. En dit is zóó erg dat ik menschen, die ik beneden heel onsympathiek vond, en in wien ik geen glimpje van zielemooi meer vermoedde, zóó diep als ze gezonken waren in den duffen sleur van ’t alledaagsche, hier opeens met lieve, teedere en subtiele dingen voor den dag heb zien komen. Mooie dingen, die jaren in hen geslapen hebben, worden hier ineens weer wakker, en menschen, waar je ’t nooit achter gezocht zou hebben, spreken hier weer van illusies, en idealen, en poëzie. Het is heusch of met de reinere, zuivere lucht hier ook de ziel reiner en zuiverder wordt, en de nevelen er van wegwaaien.”
—„Maar hoe dan, als ze weêr beneden komen?” vroeg ik nieuwsgierig, en in spanning.
—„Ja, ziet u, dát is nu juist de ellende,” zei de oude heer. „Zoodra de menschen een tijdje terug zijn, beneden, in de hitte, is het weer mis. Ze zinken binnen een paar dagen weêr in den sleur terug. Menschen, die hier dag en dag allerintiemst met elkaar omgingen, en om zoo te zeggen geen oogenblik van elkaar af waren te slaan, gaan elkaar later in Soerabaia met een stijf knikje voorbij, of ze elkaar nooit gekend hadden. Het is of ze zich daar schamen voor het mooie, natuurlijke gevoel dat ze elkaar boven getoond hebben, of ze verlegen zijn, daar even een gewoon, natuurlijk mensch te zijn geweest. Daarom is het zoo heel gevaarlijk, hier erg van iemand te gaan houden. Want[6]het is niet die iemand zelf, waar je dan van houdt, maar de illusie, de droom er van, zooals die hier even, in die reine lucht, is ópgebloeid. Ik heb hier een jongmensch gekend, een bizonder gevoeligen jongen, die vrééselijk is gaan houden van een lief meisje. Zij nam hem zoo’n beetje als haar cavalier aan, en ze waren altijd samen, en leken wel twee inséparables. ’s Avonds laat zag ik ze wel eens minnekoozen in een priëel. Hij stuurde haar verzen en bloemen, enfin, u kent dat wel. Toen ik hem later nog eens „beneden” ontmoette—ik was erg intiem met hem—en hem naar het meisje vroeg, zag hij er uit of hij zich schaamde. „Ze is een héél gewoon meisje, als duizend anderen,” zei hij. „Ze was zoo stijf, toen ik haar opzocht, alsof ze me bijna niet kende. Er is niets bizonders aan. En ik begrijp maar niet hoe ik ooit iets in haar gezien kan hebben.” Maar hij vergat dat ze werkelijk wáár en oprecht, en dus ook werkelijk bizonder was geweest boven. Ze was alleen maar in den sleur en de doffe conventie teruggevallen zoodrá ze weer beneden was. En zoo gaat het met bijna alle menschen hier. Daarom, wanneer u als jonge man een goeden raad van mij aan wilt nemen, geniet dan hier zoo véél mogelijk van de natuur, maar neem de luitjes niet al te veelau sérieux. Je zoudt het hier een tijdelijke, verbeterde editie van menschen kunnen noemen. Ze zijn allen zoo ongedwongen en zoo lief en zoo hartelijk. Je zoudt denken, wat is de wereld[7]toch goed, en wat zijn de menschen toch allemaal beminnelijk! Maar het is héél bedriegelijk, en iemand met een beetje hart, die wat erg gevoelig is, en zich gauw aan vrienden hecht, geeft het later niets dan bittere teleurstellingen.
„En dan is er nog iets. De grandioze horizonnen en vergezichten verruimen de ziel, maar de ijle, prikkelende lucht werkt heel sterk op de zinnen, vooral bij vrouwen. Véél wat ge voor lief en adorabel zoudt aanzien in de uitgelaten vroolijkheid isau fondniets dan overprikkeling van de zinnen, en het schijnbaar teedere is dikwijls enkel sensueel. Het is hier dan ook een gevaarlijk land voor jonge vrouwtjes, en ik heb hier in al de jaren, dat ik Tosari ken, al heel wat ongerechtigheden zien begaan voor mijn oogen. Maar u moet het nu maar eens zelf gaan opmerken. U is nu gewaarschuwd, en dat is altijd een goed ding.”
Vreemde, oude knorrepot! En toch zoo’n goedig, vriendelijk gezicht.…
In wat vreemd land van wonderen ben ik terecht gekomen! Een droomland, waar de menschen allemaal beter zijn dan ze eigenlijk zijn! En ik, die nog altijd maar niet wijs kan worden, en nog altijd naïef ben gebleven, ik die met één lief lachje en vriendelijk handgebaar zoo dadelijk ben te winnen!.…
Ik ben benieuwd wat daar van komen zal.…[8]
’s Ochtends op het terras.
De zon is niet te zien achter de Oosterbergen.
De vlakte ligt in een zacht-roze gloed van verwachting, een Liefste, die haar verren Minnaar wacht, en vage blozet. De bergruggen rechts, met rijen donkere boompjes, liggen blauwzwart in zilverig wit parellicht. Wat lage cypressen op zijde van het huis staan doodstil in de lucht.…
Langzaam vaart een roze gloeien door de hemelen, en er is een zachte beving, vaag voorgevoel van kleur in de lucht. Eén eenzaam, smal streepje reeds hangt eenzaam in het Oosten, ijl en bizonder. Het drijft er vreemd en verloren, maar toch zeer rustiglijk verheven, en door eigen, innerlijken glans gedragen. Plotseling weêr vervloden.… Waarheen?.… Fragiele teederheid van èven mooi, en dan niet meer, als een broze droom, die breekt in ’t niets.…
De wereld ligt te wachten, te wachten, in vaag verlangen.
Als eindelijk de zon boven hoogen bergwand opsteekt, een schitterstralend schild, wègspitsend goud-flonkerende pijlen, gaat een schok van warmte door de wijd-bevende lucht.…
De lagere bergheuvelen van het Malangsche in ’t Zuid-Westen liggen nog onbestemd, droef te peinzen in floers van maar langzaam verblankende, donkergrijze wolken. Ook laag om den voet van[9]den Ardjoenå ligt nog weifeling van wolkennevel, sombere drooming.
Maar vreezeloos, in een luchte verreining, rijst Ardjoenå’s lichaam in zacht rozen gloed omhoog, zijne fijne omtrekken bevende in ’t licht. Met een rustigen glimlach ziet hij, als een God eerwaardig, naar de zon, zijn toppen rood-vergulden.
Verder westelijk, bij den Penanggoenan, waar ’t ál ligt te wazen, is het een begin, een vaag vermoeden maar, in zacht ontwaken, waar hij blauw-grijze droomende omhoog rijst, uitwaduwewade van morgendauw.
Geel en groen en goud, in zachte verdooving van glanzen, lichten sawahs en velden door de wijkende nevelen.
De vlakte is dof tintelend, als een immenze schelp van parelmoêr.
De zonnestralen vallen breeder en breeder, als fonkelend-gouden staven uit de lucht, en slaan de bergen met schitterend licht.
En overal, wijd-rondom, het recht-óppe, evenwijdige staan van de kuische tjemårås, verspreid op bergkammen en hooge heuvelruggen als kalme kudden, zéér deemoedig, en zéér tevreden in al het geluk van het licht.…
⁂
Er heerscht een prettige, ongedwongen vroolijkheid aan tafel. Het lijken werkelijk allen beminnelijke menschen, juist zooals de oude heer Mehrmann[10]gezegd heeft. En—o wonder—niets van de pseudo-gewichtige stijfheid en de ridicule afscheiding van rangen, die de indische maatschappij zoo bederft. Er is een President van den Landraad met zijn vrouw, een assistent-resident, een kommies, een officier, een employé in den handel, een chemiker, een controleursvrouwtje, en zoo meer, allen door elkaar, en allen even hartelijk en vroolijk.
Mary zit aan mijn linkerhand, en mijn buurvrouwtje aan den rechterhand is een mevrouw de Vallère. Ik vind haar niet erg mooi; laat ik maar zeggen leelijk. Ze heeft goud-blonde krullen, los neêrhangend tot op haar schouders. Nog erg meisjesachtig. Wat heeft ze een vreemd gezicht, met zoo’n spits toeloopend kinnetje, en wat is ze bleek, met twee ouwelijke trekken om haar mond! Alleen haar bruine, bijna zwarte oogen—zoo heel zeldzaam, zwarte oogen en goudblond haar—hebben iets bizonders, iets koddigs en guitigs, of ze met alles zoowat spotten. Ook haar neus, een echt mopneusje, heeft zoo iets grappigs. Ze doet erg vroolijk, en zegt allerlei dolle dingen, maar het gaat haar nog niet goed af. Ze ziet te bleek, en die trekken om haar mond maken haar te ouwelijk. Ik vind haar niet prettig om te zien, en had wel een ander buurvrouwtje willen hebben aan tafel.
Mary zegt dat ik het zoo niet zie, maar dat er iets erg liefs en teêrs aan haar is, en dat ze haar[11]graag lijden mag. Ze heeft haar als meisje in Holland gekend. Daarom ben ik óók een beetje vriendelijk tegen haar, en bewijs haar attenties aan tafel.
Maar het ziet er nog heelemaal niet uit of ik mij hier erg aan iemand zal hechten. De menschen zijn druk, en luidruchtig, en wel aardig. Maar toch niet om bizonder mee weg te loopen. Ik zal het dus alleen van de natuur moeten hebben, en van de menschen zal alleen Mary mij innig lief zijn, mijn goede, zachte zuster.…
⁂
’s Ochtends, dikwijls al om tien uur, begint een somber droomen-spel.
Alles was zoo licht, zoo puur, zoo klaar, een groote glorie was de wereld in de zon.
Dáár rijst opeens, langzaam, langzaam, een grijs wolkgordijn, wijd uit-waaiende over de vlakte, en alles, de blinkende sawahs en velden, de machtige Ardjoenå, en de Kawi, en de Penanggoenan, zinkt geruischloos weg. Al hooger rijst het, en hooger. Van uit de diepten der ravijnen stijgen duistere, sluipende nevelen, glijden voort als trage slangen, kruipen omhoog tegen de hellingen, en spreiden zich langzaam, langzaam uit in wuivende sleepgewaden.
De treurig-grijzende misten drijven over de bergkammen, droevig-dreigend, en de teêre tjemårås zinken dieper, dieper in het niet. Hier en[12]daar blinkt nog een glanzend koolveld tegen bergwand, en een eenzaam groepje boomen staat vreezeloos op hoogsten top, tot ook dáár de vage nevelen rijzen, en de wijde, witte wade wuivende vaart.
Het lijkt nu alles eeuwen, eeuwen oud, en van een vèr verleden.…
Al hooger en hooger gaat het, zwijgend, somber, onverbiddelijk, en des doods.…
Al ’t schitterende schoon van nog zoo kort geleden is nu duizel-diep gezonken.
Overal, dik-grijs, de wolken en de zware nevel, langzaam wuivend en wemelend, met stuivenden damp.
Koud en eenzaam sta ik op het terras, en huiver.
Overal, òm mij, boven en beneden, een grijze woestenij, het is als duistere, duistere zonde, alle dingen zijn dood, en vèr-verloren. Het is als een wreede creatie van kwaad, die daar ligt te broeien in somberen, zwarten nacht, meedoogenloos en onverzoenlijk.…
Nu gaat het àl verzinken, het leven en het licht, en niets is òm mij dan de wijde, wilde chaos van duister Niets.…
⁂
Vannacht, het was tegen drie uur, werd ik wakker. Nu even op het achtergalerijtje gaan kijken in den nacht.…
De nevelen hadden de bergen weêr genomen.[13]Ik staarde, staarde, maar niets was te zien dan de dikke, grijze mist. Alleen de vage vormen van een paar tjemårås, weifelend en onreëel.
Het zachte vallen van dauwdroppen door bladeren.…
Het eenzaam getjirp van een krekel maakt den nacht nog stiller.
Nu en dan sonore vlagen, het statig-streng metaal-gezang van den wind in dennen.
De koude nachtlucht huiverend langs mijn hoofd.
Alles zoo duister, zoo vol bang geheim in fantastischen nevel, en de lucht zoo wreedelijk koud.…
Maar hoor! hoor! daar diep in het donker ravijn beneden, het reine ruischen van een waterval, zachte rythmen in den nacht, zoo vertrouwd, zoo altijd door bereid, in rustelooze laving. Het is als een wèl-bekende stem in ’t diepe duister, klinkend van liefelijken troost, zoo van: „het zal toch heusch wel goed worden,.… alles komt in orde,.… blijf maar vást vertrouwen”.…
En van een grooten vrede vervuld, gansch rustig, leg ik mij weer te droomen in het zachte bed.
⁂
Ik mag nog niet uit, en moet nog een paar dagen binnen blijven. Alleen mag ik wat heen en weêr wandelen op het terras.
Maar ik hoor zoo aan tafel allerlei verhalen van wandelingen, die ik later natuurlijk óók ga maken.[14]Er zijn hier overal mooie plekjes en wegen, hoor ik, met aparte namen. Dat klinkt zoo intiem en zoo prettig, net als vroeger de wandelingen in Holland. Ik heb dat in Indië nooit meer gehad. Het is er te warm, en te drukkend, om veel te loopen, en de zon schijnt er dadelijk te fel. Maar hier komt alles van Holland blijkbaar weêr even mooi terug.
Ik heb die namen allemaal opgeschreven om ze goed te onthouden voor later. Je hebt b. v. het Leverlaantje,—dat hóór ik nog ’t meest noemen,—het eenige laantje hier, dat bijna geheel vlak is, en waar je niet behoeft te klimmen, zoodat zelfs leverlijders er kunnen wandelen,—je hebt het Meijer- of echo-laantje, den weg naar de Moulijnsbronnen, de wandeling langs „de drie dessa’s,”2en het Karrenplateau. Je hebt de Doktersvallei, de „dertien watervallen,” het Junghuhn-pad, het Voorhoeve-plateau, de Veths-hoogte. De grootste uitstapjes zijn naar de Zandzee,—den grooten Tĕnggĕr-krater, met zijn drie vulkanen, de Bromo, de Batok, en de Widodaren,—naar den Penandjaän, den hoogsten top van het gebergte naar Soekapoera, door de Zandzee over Ngadisari,—en naar Nongko Djadjar.
Sommigen gaan nog veel verder, naar de meren van den Semeroe, naar den Semeroe zelf, maar dat[15]zijn tochten van vijf, zes dagen, en daar zal ik vooreerst wel niet aan mogen denken.…
Ik luister nu maar vast heel tevreden naar al de verhalen daarover aan tafel, en probeer mij een voorstelling te maken van al wat mij nog te wachten staat.
Vooral mijn buurvrouwtje, mevrouw de Vallère, houdt mij goed op de hoogte. Ze is al in de drie weken dat ze hier is zoo wat overal geweest. In de laatste week ging ze iederen dag heel vroeg met Mary uit, om zes uur ’s morgens, en ze klimmen twee uur lang over bergen en scharrelen door woeste, dichtbegroeide ravijnen of het zoo niets is. Mevrouw de Vallère, of laat ik maar liever zeggen Annie, want zoo noemt Mary haar immers altijd, is een onvermoeide bergwandelaarster. Mary plaagt haar door haar „een klipgeit” te noemen, omdat ze zoo vlug over de rotsblokken en beekjes heenspringt.
Het is merkwaardig, zooals dat vrouwtje hier verandert. In ’t eerst vond ik haar bijna leelijk, zoo bleek en afgemat zag ze er uit. En nu is ze heusch bijna mooi, en zeker erg, erg lief. Het is of die heerlijke lucht hier een nieuw, jong leven in haar gewaaid heeft. Ze heeft een prettigen, rooden blos op haar wangen gekregen, haar oogen zijn gaan schitteren, en er is, ik weet niet wat voor veerkrachtigs, levenslustigs en prettigs om aan te zien aan haar gekomen. Het is nu of er een warm, tintelend leven uit haar stroomt.[16]
En die vroolijkheid, die kinderlijke, ongedwongen, dolle pret die ze kan hebben! Die hebben wel is waar bijna alle gasten gekregen, maar zij toch wel het ergst. Ze komt soms dansende en zingende aan tafel, gooit een paar kennissen met bloemen en water, maakt de koddigste grappen om niets, en ziet van alles alleen het kluchtige en het aardige.
Vroeger zou ik dat, geloof ik, te bruyant hebben gevonden, en niet te hebben. Maar hier doet het mij goed. Het is toch heusch wel eens prettig, zoo gul te hooren lachen en zoo’n vreugde om het leven te zien. Het hoort zoo heelemaal bij de omgeving hier, en bij die reine, zuivere lucht. Ze lijkt eigenlijk nog een groot, dwaas kind, altijd vol grappen en streken. Ik noem haar dikwijls plagend „het clowntje,” en ik geloof dat ze een beetje trotsch is op dat naampje. Toch heeft ze veel verdriet gehad, zegt Mary.
Toen ze achttien jaar was, nog een erg kind, is ze getrouwd met een vriend uit haar jeugd, van wien ze dol veel moet gehouden hebben, een echte jonge-meisjes verliefdheid.
Twee maanden na het huwelijk stierf hij aan acute longontsteking, een gevolg van influenza. Het eenige dat zij van hem terugzag was haar kindje, dat acht maanden na zijn dood werd geboren, en sprekend op hem geleek. Ze is dan ook dol op het kereltje, omdat het de mooie oogen van zijn vader heeft, en in al zijn beweginkjes[17]en gebaartjes aan hem herinnert. Toen ze pas negentien jaar was, kwam er al grijs haar tusschen haar blonde krullen, zegt Mary, en het was aandoenlijk om te zien, dat kind-vrouwtje met die grijze haren. Nu ze haar krullen los draagt, zie je ’t niet meer zoo, en weet ze het te bedekken.
Maar Annie was te levenslustig en te vroolijk om lang te treuren. Een groot verdriet paste zóó heelemaal niet bij haar, dat ze heel kort na den dood van haar man weer uitging en pret maakte. Zoo was ze nu eenmaal, ze kon er niets aan doen. Er zat te veel jong, bruischend leven in haar.
Nù was ze weer hertrouwd, met een majoor van het indische leger, een vriend van haar vader, die al met haar gespeeld had toen ze nog een kleine kleuter was. Ze is een „handschoentje,” zooals ze dat hier noemen. Juist toen ze op zee was, werd hij naar Pedir overgeplaatst, zoodat ze haar man nog niet gezien heeft. Ze heeft toen eerst bij zijn moeder in Semarang gewoond, maar daar pakte de malaria haar zoo aan, dat de dokter haar aanraadde, direct naar Tosari te gaan.
Mary gelooft niet dat Annie erg diep en innig van haar man houdt; zij ziet meer in hem een vriend van haar vader, iets sterks, waar ze zich aan hechten kan, zwak en teêr als ze is, iets veiligs, en veel grooter dan zij, dat haar beschermen kan, en waar ze goed „bezorgd” bij is met haar kindje. Ook vindt ze het wel goed staan om majoorsvrouw te wezen, en een beetje deftig te[18]zijn, zegt Mary. Maar zusje vindt het toch niet sympathiek, dat nieuwe huwelijk van haar. Annie weet nog in ’t geheel niet wat eigenlijk echte liefde is, zegt Mary, het is nog maar enkel een simpel, groot kind, dat van het leven niets begrijpt.
En Mary, die zoo gauw iemand doorziet, en die Annie al als schoolmeisje heeft gekend, zal zeker wel gelijk hebben.
Maar ik ben toch blij, dat zoo’n vriendelijk, vroolijk wezentje, zoo heelemaal „débordant de vie,” zooals een fransch schrijver zou zeggen, hier opeens zingend en lachend in mijn leven is komen staan. Je voelt je waarachtig zélf weer een beetje kind worden als ze bij je is.
Ze steekt het geheele hôtel aan met haar uitgelaten vroolijkheid.
’s Avonds, in de conversatie-zaal, verzint ze allerlei spelletjes, en je ziet er van die deftige heeren en dames uit Soerabaia, die blindeman spelen, en slofje onder, en pandverbeuren, of ze nog in hun eerste jeugd zijn.
En, waarachtig, ik schaam me een beetje voor mij zelf—wat zouden al die „artiesten” in Holland wel zeggen, als ze ’t wisten!—ik ben zelf óók meê gaan doen, toen Annie het zoo lief kwam vragen, en ik ben de blinde man geweest, toen er voor het eerst dat dolle spel gespeeld werd, „American Post.”
Waar je al niet toe komt, zoo hoog in de witte wolken!
⁂
[19]
Vanmiddag, in een fuchsia-struik voor mijn venster, zag ik een wonder vogeltje.3Ik heb nog nooit ergens zóó intenze, schitterende kleur gezien. Boven op den kop fonkelde lichtgroen. De rug licht-grijs met een smal dons van wit bont als rand er omheen. Het borstje licht vuurrood, sterk hel, en ’t buikje zwart. Het rood is ’t innigste en vlamt boven de andere kleuren uit.
Dit is een van die vogeltjes, die je plotseling in een wolk uit rood-bebloesemde dadap-boomen ziet vliegen, en zóó schitteren hun borstjes in de zon, dat ze zijn als vliegende, roode bloemen, die van louter vreugde opeens opjubelen in de lucht.…
Stil, voorzichtig, heb ik zitten spieden. Het keek in een kelkhart, pikte even, en dan, trip, op een ander. Zóó licht is het, dat delichtebloem bijna niet beweegt. Dan, ineens, wiet! weg, en daar gaat het, als een fonkelende vonk vuur, rank, kleurig gelukje, hoog in de lucht.…
⁂
23 October.
Van ochtend vroeg stond ik op het terras vóór het Hôtel, en zag vèr over de wereld beneden mij.
Klaar en luister was de morgen boven de lichte vlakte van het paradijs. Een wijde schittering[20]van kleuren, geel, en groen, en goud, van dauwe-vochte sawahs en velden in de zon.
Het dal tusschen Ardjoenå en Tĕnggĕr, daar in het zuidwesten, waar ergens Malang ligt, is een bed van sneeuwen wolken, glinsterende prachtwolken, als glanzend blanke stoom opgehoopt, in stralende glorie. Daarboven rijst de Ardjoenå lichtblauw in de jonge lucht.
Hoe stil en heilig ligt dat sneeuwen wolkenlandschap daar, door glans van eigen goedheid gedragen! Roerloos ligt het te schitteren in zijn vlekkelooze schoonheid, en toch beweegt het, ziet hoe langzaam, langzaam drijvende die blanke lichtwolken zweven àf, en zachtkens vèr en verder, rijende tot eindelooze krans van sneeuwen bloemen in de lucht! Rondom, wijd uit—van het donzen dal is het aangekomen—droomen die blanke lichtengelen door de hemelen, in schitterende gewaden, en verzweven zoo zachtekens, zoo zachtekens boven de zonnige vlakte, naar de horizonnen van de zee.
Vèr over die verre wateren, die lumineeren van bevend licht, het goudgroene eiland Madoera, vaag en weifelend als een zachte belofte van liefde.…
’s Avonds.
In de late schemering weer op het terras, en.… wonder! wonder!
Warenuchtendsdie witte wolken uitgevaren, in[21]zoo kalme, blanke pracht, en dreven luchtig van boven de vlakte wèg naar de zee, in zoo blinkende vreugde, nu is het donkere lijden in de hemelen gekomen, en weedom waart rondomme.
Ziet, loome en droevig zweven de smartwolken aan van de zee, langzaam drijvende naar het dal, waar ze doodmoê gaan liggen, somber-donzende de een op de ander, een donkere droom.
Die zwartende sneeuw daalt over het duistere dal, zwaar-gedragen. Het groote godenlichaam van Ardjoenå is van die droefenis overtogen, maar zijn heilig hoofd heft hij kalm en statig daarboven, en in een eenzaam, wijs gelooven rijst hij rustig boven het donkere leed. Om zijn trotsche toppen een zwevende wolkenwade, die het scherpe verreint tot een effenheid van zachte, gelatene lijning. Lichtgrijs staat hij verrezen tegen donker-leiblauwe lucht.
Lange sleepgewaden waaien wijd over de vlakte, wuiven en wuiven, verglijden langs dalen en ravijnen, en trekken rekkend, langzaam langend òp tot hooge hellingen.
En daar vér, vér, achter nevelsluieren, die vaag waaiende heen en weer, de zee, in duisteren deemoed.…
O! Het doodsdroeve, stille lijdensdal daar beneden, onder het grauwe dek van sombere wolken-sneeuw, zoo donzen-donker, en eindeloos zacht!.…
Maar, wonder van genade, in ’t Oosten, in reflectie van zinkende zon achter Westerbergen,[22]hóóg in de hemelen, één groote, blanke triomfwolk, schitterend met gouden randen, door een innerlijken, heiligen glans gedragen, zoo hoog en veilig, vèr van het donkere leed, een mirakel van glorieuze goedheid in de lucht, rayonneerend en lumineerend als een God de Vader.…
Stiller wordt het, en stiller.…
Doodszacht, en langzaam verdonkerend tot zwartblauw de donzen lijdenswolken boven het dal.
En de Ardjoenå, zoo wèl-bewust, en gansch gelaten, rijst nog altijd met omsluierd hoofd boven dat hooger en hooger stijgende leed, en ziet met een subliem, wijs gelaat in de eindeloosheid, eenzaam en grandioos boven de werelden. Een groote wijding beeft om hem heen.…
In de verte kwijnt de slanke kegel van den Penanggoenan langzaam àf in het waze; nog èven, èven, en zinkt zachtekens weg in het niet.…
Zwaarder en zwaarder daalt de avond-nacht met sombere schaduwen.…
En plots, uit de groote schitterwolk, weerkaatsend over al het donzen donker met rillend huivertrillen, schiet de blanke bliksem door de hemelwerelden, straal-vliegend door het firmament.
Even beeft het over het wijze hoofd van den Ardjoenå, met wonderen glans.…
En, zóó verrezen, drâ weer weg boven de èven lichtende bliksemsneeuw, de zachte, blauwe golvingen van den Kawi, die ligt als een slapende Maagde in den nacht.…[23]
Somber gromt de donder mompelend over de donkere bergen, met droef-sonoor oproer-gerucht roerend de lucht.…
Dàn is het weer stil, en geen geluid stoort het zware zwijgen. Donkere schaduwen waren rond, als sombere giganten. De schitterwolk wordt zwart en zwarter, en zijn glans vergaat.…
Maar, hoog en vreemd, in open-drijvend hemelmeer van ernstig blauw, één stille ster, zéér rustig en sereen.… Het droeve wereld-leed is daar gansch vèr beneden en zij staat daar, veilig en onvervaard, een wonder van goedheid in de lucht. Lichter en lichter straalt zij, nu het duister al zwaarder en zwaarder neêrzijgt over de wijde wereld-nacht, zijn breede, zwarte wieken spreidend boven den donkeren chaos van wolken, wijl de bliksem bij korte poozen zijn wit-stralend licht flitst boven het diepe, droeve Niets van nacht-mysterie.…
En ik, moede zwerver, sta daar, bang bevangen boven die eindeloosheid van donker lijden, waar mijn ziel van weent.
Eenzaam en grandioos ligt de sombere wereld-droom aan mijne voeten.…
Met een vreemde beklemming bevangt mij de gedachte dat dáár, vèr in ’t Zuiden, waar de hoogste bergruggen uitloopen in kringvormigen rand, ergens in een diep, diep dal, de wijde zandwoestijn[24]moet liggen, waar de sombere Bromo broeit. Ik hoor er elken dag over praten door menschen, die er geweest zijn, en elken dag lees ik er over in Junghuhn’s werk.
De Dâsar, of Zandzee,4een zandvlakte van een gehééle geographische mijl middenlijn, is ééns één groote krater geweest,degroote krater van den Tĕnggĕr! Later is de ontzaglijke krater met zand bedekt, maar nieuwe kraters vormden zich in die woestijn, de Widodaren, de Giri, de Bromo, de Batok, de eerste drie bij de eruptie vretend in elkaar, de laatste apart en ongeschonden. De Bromo alleen is nog actief, en werpt dikke rookwolken op, somtijds—om de zeven jaren, hoor ik—uitbrekend in eruptie.
De reizigers gaan van hieruit naar den Moengal-berg, aan den Noordelijken kraterrand, om langs den Moengal-pas af te dalen in de Zandzee Dâsar.
Maar het mooiste gezicht op de zandwoestijn moet zijn van den hoogsten bergtop in het Zuid-Oosten, de Penandjaän.
Vanuit den Moengal en den Penandjaän moet ook de Semeroe te zien zijn, of Maha-Meroe, de hoogste vulkaan van Java, altijd door in werking.
Als ik zoo het groote licht hier zie over de bergen met blinkende koolvelden, en de kuische tjemårås staan zoo teer tegen de blij-blauwe lucht,[25]alles zoo vol vreugde en leven, dan word ik bang bevangen door het denkbeeld dat, dààr, achter de hooge bergwanden van ’t Noorden, in wreede, diepe wonde, steil in dal van afgrond, die dorre, grauwe woestijn ligt, met dien somberen, rookenden vulkaan, en het wereld-vuur brullend en broeiend onder de aarde.
Het moet wel zijn als inééns de dood na het lichte leven, als de zonde na heilige deugd, als het kwaad, grimmig en fel, na ’t warme, zachte goede.
Een duitsch reiziger noemde het hier dan ook „Ein Paradies am Höllenrand,” hetzelfde wat een bekend geograaf van de Sandwich-eilanden zeide.
En het enkele idee van die wijde, wijde woestijn, dáár ergens achter die hooge bergmuren, vermengt het lichte geluk om al het schoone rondom met een droeve, altijd-door terugkomende sensatie van sterven, en vergankelijkheid, en zonde.
Somtijds, heel zelden, stijgt plotseling een groote rookwolk, zwaar-grijs, triomfantelijk boven de donkere bergkammen in ’t Zuiden, opgerezen uit den somberen muil van den krater, diep uit het vuurgewoel der brandende aarde.…..
Vanavond, op het terras vóór het Hôtel, uitziende in de schemering, na zware regenbuien, en verwachtend niets dan dikzwart donker, half bang[26]even kijkende. En plotseling, o heerlijk wonder, een apothéose van teederheid.
Door den regen ópgeklaard tot allerteêrsten, zachtst schitterenden staat, was de verreinde avondlucht vaag wemelende over de wereld daar vèr, vèr beneden, bevende in zóó broze breekbare essence.
De kuische atmosfeer van schemering was als een reine engelen-aether over verheerlijkte regionen. En in die wijding van trillend, doorschijnend licht lag de vlakte, in zacht avondblauw, zóó wondervreemd, in zóó subtiele, vaag vervluchtigende kleuren, dat het geen werkelijkheid meer leek, maar een goddelijk visioen.
De Ardjoenå, èven maar zichtbaar, waasde weifelend in het duister van de hemelen, en de maagdelijke lijn, die van zijn hooge toppen af droomt langs de vlakte, om dan zacht óp te vleien naar den kuischen Penanggoenankegel, vèr en vèr, beefde door de lucht in zachte verteedering, als een vage melodie.…
Ik staarde, en staarde, en kón het niet gelooven, dat zóó schoon mijn wereld was. Even zag mijn ziel de ziel van het avondlandschap, zoo eerwaardig opgeschenen in dat heilig uur, die zich in zóó groote teêrheid wel even, in allerreinste essence kon geven.…
Toen verging het zachtjes, in vage wazing, langzaam en voorzichtig, droomelend weg in dommelend vervlieden.… Zóó ging het vàn mij, zachtekens[27]verzwevend, als alles wat héél schoon is, te broos om lang te wijlen.… En een ijle, witte nevelwade voer loome aan, van vèr uit de zee, en hulde het alles kuischelijk in blanke gewaden, fijn als engelen-sluieren, in zachte schittering van transparant licht, onder het teeder doorbreken van een milde maan.…
⁂
Den gehéélen middag had het geregend. Om half zeven ging ik nog even wandelen in ’t Leverlaantje. De avondhemel was zacht opgeklaard, met vegen wolken, en van een diep, ernstig blauw, met hier en daar vage vlagen rood en rose. Ik wandelde even door het intieme, vertrouwde laantje, zachtjes dalend. Peinzend op den heuvelrug rechts boven mij een groep stille tjemårås. Hun roerlooze vederpluimen bewegen niet in de zachte lucht. Een vrome wijding beeft om hen heen. Zacht vallen de regendroppelen, metlichtgerucht. De ravijnen links zijn donker, met de zwarte contouren van boomen vaag te zien in het duister.
Nu, een hoek om, en dan ineens, recht voor mij uit!
Hoe ontzaglijk golven de donkere ruglijnen der bergkammen, een sombere melodie in het avondblauw! Overal, ringsom, die hooge muren, zwart en somber. Ziet, in het Zuid-Oosten, de ópblokkende massa van den Penandjaän! Ik weet, ik weet, daarachter ligt de vale Vallei des Doods![28]Maar naast mij weer de kleine dennen, met hun neêrhangende vedertakken, onbewegelijk. En hoor! hoor! het beekje ruischt in ’t ravijn beneê, murmelend lief mysterie, dat niemand weet.…
Hoog in de bergen, bij Wonokitri, lacht een jongen, en jodelt hoog in de lucht.… Dàn even stilte.… En vér beneden, in ’t ravijn, antwoordt een ander.…
Ziet, een ster blinkt met zachte praal hoog in ’t pieuze donkerblauw van den avond.…
Het is stil nu, en ik ben zoo gansch alleen. Vèr zijn de geruchten der wereld.…
En, in de zachte daling van den nacht, met die roerloos staande boomen, onder het ritselend vallen der reine regendroppen, komt een oud leed langzaam opwellen naar mijn oogen, het leed om de Eéne, die lang verloren, maar nooit vergeten..
En het is mij opeens, als voel ik om mij henen de essence van wat het edelste en immaterieel in haar was, en wat onvergankelijk is. Neen, nooit, nooit kan het sterven, en het is nu bevende in het ernstige schoon van de werelden, waar het ééns van uitstraalde in háár teêr, bloemeblank lichaam, en toen weer zacht henedroomde, puur en onbesmet, in allerreinsten staat.…
⁂
Ik begin nu kleine wandelingen te maken.
Den weg achter het Hôtel loopende, en nu niet links afslaande naar het Leverlaantje, maar recht[29]door, kom ik langs het berri-berri-gesticht en de dessa Ledoq. Daar wordt het pad smaller, en begint te dalen, plotseling àfloopende in een smal, nauw dal tusschen hooge, massale, zwaar-schaduwende bergen.
Overal, rondom, in ’t hooge, rijzen de sombere gevaarten, met breede hellingen vol koolvelden en rijen tjemårås. Ik zie het, klein, van beneden eerbiedig aan.
Hoe kalm en eenzaam hier!
Een beekje klatert stil-kletterend van rotsen, en vult de ijle lucht met zacht gepraat.… En hoor, daarginds, nòg zoo’n vaag-murmelend geraas … Twee stemmen in de stilte, zoo rustig, zoo stemmig bescheiden.…
Nu even hier zitten op een grijs rotsblok, met het water onder mij door. Die heilige, zware, zwijgende stilte rond-om!.… In de verte alleen nog het zacht-bronzen klokgeklingel van een pikelpaard.
.… Héél ver en hoog, langs het steile, smalwindende pad van Ngadiwono om den bergwand, komt een paardje, beladen met gras, voorzichtig stappend, voorzichtig.… Hoe ernstig klinkt dat klokje om zijn hals!.…
Hoe plechtig staan die stille, wijze varens langs de hellingen, wijd uitplooiend hun wuif-waaiende waaierbladen! Hoe innig staan de ranke tjemårås omhoog naar het licht!
En die lucht, die heerlijke, goedertieren, versterkende[30]berglucht in je longen! Je voelt het pure leven wijd-ademend in je lichaam vloeien.
Die koelte, die kalmte, die reinheid, die rust! O! ik dank u wel zéér, Gij die dit alles gegeven, uit Wien ál deze weldaden zoo gul gevloeid!.… Luister nu, luister naar ’t zacht gepraat van het beekje, dat in vreugde-ruischend rythme langs de rotsen schiet, en heel de lucht wordt melodieus van zijn lief gerucht.…
Heb ik ’t dan nu eindelijk gevonden?
Niets dan dit:.… de blauwe zomerhemel, de goede bergen, de heilige boomen naar ’t licht, en ’t wuivende groen.…
Dit is het ware, simpele leven. Ik ben een rustig, rein kind van de Natuur. Ik ben als een boom, als een blanke bloem in dit schoon.…
En mijn goede Moeder buigt zich zacht over mij heen, licht en liefelijk.…
⁂
Wat hebben al die dessa’s hier dichterlijke namen! b. v. Tosari, dat wel een afkorting, of samentrekking zal zijn van Kertosari, beteekent, „heilzame bloem;” „bloem,5die heil aanbrengt.” Telogosari beteekent „bloemvijver” (in het bosch of struikgewas); Baledono „een rustplaats (divan) gevend;” Wonokitri „een bosch van vruchtboomen;”[31]Proewono „reeds van de vroegste tijden bestaan;” Sedaeng „plaats waar buitengewone sirih groeit;” Ngadiwono „gelijk een bosch;” Ngadisari „gelijk een bloem;” Kertanom „heilrijke jeugd;” Wonomerto „heilaanbrengend bosch;” Nongko Djadjar „nangka-boomen, op rijen geplant.” En, eigenaardig, de hooge dessa Pådåkåjå, in ’t Zuiden tegenover ’tHôtel, heet „allen even rijk,” een bijnaam, spottend door de andere dessabewoners gegeven, toen deze dessa het eerst een gamĕlan had aangeschaft.
De Tenggereezen, die hier wonen, het overblijfsel van de Boeddhisten, voor den Islam hier naar de bergen gevlucht, zijn een eenvoudig natuurvolk, weinig hartstochtelijk, en simpel van zeden. Vrouwen-perkaras komen hier nooit voor. Diefstal is zoo goed als onbekend, en de huizen zijn ’s nachts voor het meerendeel open. Alleen dáár, waar het volk met Europeanen van nabij in aanraking komt, b. v. in de dessa Tosari, is het wat ontaard en bedorven. Maar dieper de bergen in, is het weer beter.
Als ik zoo het harde, simpele leven zie van die eenvoudige bergmenschen hier, dan schaam ik mij over het weeke, onnatuurlijke van ons zoo verfijnd bestaan. Misschien zijn die menschen in hun ruwheid en onwetendheid, toch heel wat zuiverder dan wij, omdat ze bijna heelemaal één zijn met de natuur.
Vanochtend zat ik weêr in het dal bij de watervalletjes,[32]op den weg van Tosari over Ledoq naar Ngadiwono. Overal in het rond de hoog-rijzende berggevaarten, die het dal ringsòm omsluiten, met de blinkend groene koolvelden tegen de hellingen.
Wat jongens boven in die velden, zij jodelen en zingen van pleizier, schelle keelgeluiden, hel door de ijle lucht. Zij die nog aankomen, vèr beneden langs smalle paadjes, zingen lagere, somberder tonen. En ’t is merkwaardig, hoe harmonieus dat gezang samensmelt met het murmelend geruisch van de watervallen, met het bronzen klokgeklingel van paardebellen, met het zacht gonzend metaalgezang van den wind in dennen..
Daar komt een vrouw aan, in donkere lompen, een zuigeling vastgesjord op den rug. Achter haar een meisje van een jaar of acht, óók al met een klein kleutertje op den rug. En een naakt klein kereltje er springend achter. Ze dragen messen en sikkels, gaan hout hakken en kool snijden, hoog in de bergen. Hoe resoluut stappen zij voort, de vrouw diep gebogen, in tegenwicht voor het kind op den rug; hoe vlug gaat het den berg op, zonder morren, gewoon als zij zijn aan het zwoegen, gansch onvervaard.…
Nu komt een oude inlander op een klein, vuil paard, op een hard, houten zadel. Hoe het beestje dapper het steile pad opklimt, zoo vlug en toch voorzichtig zijn pooten zettend op den rotsigen grond!
En nu, ineens, ik kijk er verschrikt van op, een[33]mooi kind van den Tĕnggĕr, een meisje van, geloof ik, veertien jaar, groot en sterk. Zooals ze daar met den mooien berggang, diep in de knieën zinkend, omhoog loopt. Een prachtige, donkerroode gloedkleur op het bruine gezicht, en haar groote, zwarte oogen vol glans van de zon. Ze heeft een langen, puntigen stok in de eene hand, een kleine sikkel in de andere. Ze is vuil, maar van een grandioze vuilheid. Er is iets heerlijk gezonds, jongs, krachtigs aan haar. Je kunt zien, ze is al zoo wat één met de bergen, de vruchtbare aarde, en de reine lucht, ze lijkt er zóó uit ópgebloeid vol sterk, zwellend leven. En ik voel ineens een vreemde sympathie voor haar, een warme aantrekking voor al dat natuurlijke, hartelijke, gezonde.
Daar gaat ze, mijn brave meid, met stevige stappen den steilen berg op, doorneigend in de knieën, zoo heelemaal aangepast aan al het sterke en zuivere van de natuur om haar heen, een kind van den Tĕnggĕr.…
En opeens, ze weet het zelve wel niet, zingt haar schelle, hooge sopraan een jodelenden jubel in de lucht, onbewust, zooals een vogel wel zingt tegen het licht. Tonen van trillende vreugde in het leven, van heerlijk gezond plezier om het mooi rondom, van zelf opgeweld uit haar jong, onbezorgd gemoed.
Zóó gaat ze me jubelend voorbij, de stevige borsten gespannen, trillende in het half-open baadje, haar jong, mooi meisjeslichaam zwellend[34]in welige vormen, haar krachtige heupen nauw omsloten door de strakke sarong, met de prachtige, gespierde beenen naakt in de zon, vliedend zoo vlug en geruischloos over den rotsigen grond.…
En dit is misschien de eerste keer, dat ik een zuiver, gezond meisje gezien heb, zooals het, simpel en onbewust, bedoeld is, in de pure, reine, goddelijke natuur.…
⁂
Niets dan dit:
Ik zit in het eerste priëel op het terras, het mooie, dat zoo dicht omlooverd door indische kers. Het is bijna nacht. Vèr, in maanlichtwaze, de al-goede Ardjoenå, die uit lichten nevelwaduw rustig rijzend, het godgenadig hoofd opricht, in kalm geheven staat.…
Vlak vóór mij een groote, wijze varen, wijd-uitspreidend zijne prachtwaaieren in ’t maanlicht, in rein zich geven.… Zóó is het goed, zóó is het goed, en zij beweegt niet in de stille lucht, zóó gansch tevreden.…
Een krekel neuriet zacht in ’t gras, en piept de diepe stilte somtijds dieper, stiller.…
De statige sterren klaar en pralend in egaal-blauwen maannacht-hemel.…
En, opeens bewust gezien, de zwaar-zwartende golflijn van den bergrug links, in ’t Westen, zoo donkerscherp tegen de lichtende lucht. Dat zware ópgaan, dat zwijgend rekken, dat zacht weer neer,[35]want wel moéten, maar toch weer strekkend rekken, rekken, rekken, angstig zwart. Ai! het scheurt de stille lucht.…
En een vreemde angst bevangt mij, zóó dat ik huiver, en ijlings terug vlucht waar het huis is, waar de lampen branden, en misschien nog menschen zijn.…
Dáár is de vreugde en ’t leven.… En Mary.… En Annie, die lieve vrouw.… Zou zij er nog wezen?.… Zou zij nog niet zijn slapen gegaan?…O, nú haar rank, lucht figuurtje, nú haar vriendelijk gezichtje met den warmen, lichten lach!.… O, nu wat liefs en zachts voor mijn arm, kloppend hart!.…
⁂
Weêr een wandeling in het lievelingspaadje, bij vallenden avond.… Het Leverlaantje.… Overal die hooge, hooge bergkammen.… Die weggetjes daar zoo zacht tegen.… In de ravijnen hangen zware nevelen, onmerkbaar langzaam stijgende.
Zóó loopen droomelen, zonder eigenlijk te weten van wat rondom. En in eens:
O! hoe daar boven op dien donkeren bergrug, tegen zilverparelige lucht, hier en daar droef van moede, grijze wolken, de stille tjemårås staan! Zoo vreezeloos, en toch zoo diep in deemoed, staan zij te wachten, te wachten in het late licht.. Die fijne stammetjes, zoo teêr òpgaande, evenwijdig, zonder verschil, zoo zacht-tevreden! Die[36]kuische takjes zoo zoet uitgespreid in dat parele, milde schemerlicht.… Die roerlooze vederpluimen, zoo plechtig nederneigend, in heilige stonde.… Zoo hoog, zoo vèr-hoog staan ze, op donkeren bergkam! Zóó rijen ze, hand aan hand, de liefelijk gelede, en kijken zoo zacht van uit die duistere hoogte, vèr in het eenzame eindeloos van de hemelen, onvervaard, en kalm als kinderen.…
En een groote teederheid daalt zachtkens over mijn hart.… O! om een lieve hand nu, om stil te strelen, o! om wat vriendelijk lachen nu van een milden mond, o! om een héél klein beetje geluk nu voor een armen, moeden zwerver.…
⁂
Vreemd, vreemd.… Ik begin mij zoo aan dat vroolijke vrouwtje Annie te hechten.… Ik voel me zoo blij, als ze ineens de kamer binnenkomt, en ze lacht me vriendelijk toe.… Het doet me zoo goed, in haar schitterende, donkere oogen te zien, en haar stem te hooren.… Ze is zoo iets echt gezonds, vol vreugde, en vol levenslust, er is iets van de reine berglucht aan haar, en de pure winden, en het blinkend groen … Ze hoort zoo heelemaal bij de eenvoudige, groote natuur hier!
Mary plaagt me er al meê, en zegt, dat ik nog eens „verliefd” zal worden.Ikverliefd! Neen, dát is het niet, dat is héél anders. Maar wat is het dan?.… Het is, geloof ik, alleen het gezonde leven, dat me zoo in haar aantrekt, het simpele,[37]onbewuste, zonder denken gelukkig zijn.… En toch nog iets méér ook.…
Maar ik wéét het niet, en ik behoef het ook niet te weten. Alleen voel ik heel vast en zeker, dat het rein is en zonder slechtheid. Ze is voor mijn ziel wat de zuivere, klare, pure lucht is voor mijn lichaam.…
Wij hebben nog een paar prettige menschen gevonden. Sophie Wouters, een allerliefst jong meisje, met haar broer Hendrik, een controleur. En we hebben afgesproken, met ons vijven een clubje te vormen om wandelingen en rijtochten te maken.
Morgen gaan we naar den Penandjaän, om van uit de hoogte neêr te zien in de Zandzee. De dokter is bang dat het mij te erg zal aandoen. Maar ik zal het er toch op wagen.
2 November.…
Hendrik Wouters was een beetje koortsig vanmorgen, en zijn zuster wilde absoluut bij hem blijven. Ik ging dus alléén met Mary en Annie naar den Penandjaän. Wij namen shawls en wollen dekens en verwarmende dranken mee, voor de koû.…
Om half zes reden we al uit, met een gids[38]voorop. Dáár ergens in ’t Zuid-Oosten, héél ver, ligt de Penandjaän, aan den somberen, hoogen kratermuur om de Zandzee. Dáár gaat op eens het gebergte open, in diepe, donkere wonde, waar in vale, veege vallei het vuur woelt onder de aarde.… Daár is het, dat de sombere Bromo broeit.…
Het denken aan dien duisteren krater, in de eenzaamheid van de zandwoestijn, beving mij met een angstige beklemming, zóó, dat ik het mooie om mij heen bijna niet zag. Ik weet, wij gingen in diep ravijn, en òp aan de overzijde naar Wonokitri, en vèrder en vèrder, met wolken, en bergen, en horizonnen rondom. Toèn, langs rotsige paden, ineens in een stil, vredig denne-bosch. De grond was zacht van de bruine naalden. Hoe stil en rustig werd het dáár! Hoe gracieus stapten de twee damespaardjes voor mij uit, en hoe vertrouwd en intiem was het, daar Mary en Annie zoo vroolijk pratend voor mij uit te zien rijden, in de rustige stilte van het dennewoud! Zóó klommen wij door het bosch den hoogen bergkam op naar ’t Zuiden. Die heerlijke, gezonde geur van de dennen.… En die stilte, die stemmige stilte rondom.…
Maar het angstige denken àldoor maar rondgaande in mijn hoofd, dat straks, inééns, in wreeden val, de aarde zal opengaan, naar wreede, droeve, vallei des doods.…
Ik hoor wel Mary en Annie zooiets zeggen van hoe mooi, en van edelweiss, en alpenkruiden, en[39]viooltjes.… Ik zie ook de teêre, bleek-blauwe vergeet-mij-nietjes, bloeiend in het groen.… en even hoor ik het blij getjiep van vogels.…
Maar al dichter en dichterbij, zonder te zien,voelik den krater. Mijn zielvoelthet sombere, donkere, zondige wat nu gaat komen.…
Dit lijkt wel uren en uren te duren, tot opeens, met een schok in mijn hoofd, het bosch opengaat, en een ijzige, scherpe wind snijdt fel om mijn ooren.… Een koude, wreede woestijn-wind, zonder erbarmen.…. „De Goenoeng Pret,” zegt de gids. En wij staan bij den berg, aan den rand van den kratermuur.
Opeens, een apothéose van verre bergen, van luchten, en horizonnen.… Hoog in ’t Zuid-Westen rijst de blauwe Semeroe grootmachtig in de lucht.…
En beneden, beneden.… Maar „nog niet kijken” heeft een toerist in ’t Hôtel mij gezegd. „Bij den Goenoeng Pret nog niet kijken, als ge kunt. Dadelijk links af naar den Penandjaän gaan.”
Ik voél, even, een duizeling, ik zie het vèr, vèr beneden, grauw, vaal, en des doods.… Een somber, veeg mysterie.…
Maar ik wend mijn hoofd om, en rijd, met afgekeerd gelaat, naar ’t Noorden, linksom een hoogeren berg op. Weer door boschjes, en wilde struiken, een moeilijk, steil pad, met de paarden voorzichtig, langzaam stappend, zoekend een steun met de tastende pooten.[40]
Dán ligt de Penandjaän-top voor ons, begroeid met ruw geel helm, als een duin.
Nu klimmen, klimmen den kalen top op, de paarden moeilijk loopend door het mulle, witte zand. Stijgen, stijgen met een kouden wind snijdend langs je ooren, en een bange beklemming om je hart, een voorgevoel van iets verschrikkelijks dat komen gaat, iets ontzettend doodsch en ijzig, uit den Booze, dat straks inééns voor je oogen zal zijn.
Dáár gaat het, langzaam, langzaam den hoogsten top op en, plotseling, een ruk aan de teugels, dat het paard steigerend achteruit wijkt, een duizeling in je hoofd, en het koude zweet parelend langs je slapen.…
Want dáár, diep, diep onder je, is het eensklaps wijd, vèr opengegaan, en, dreigend, in een ijzig, somber zwijgen, ligt de vale Vallei des Doods, de Zandzee Dasar.…
Een diep, roerloos meer, vaal blikkerend, grauw-grijs in kille verstarring, wijd-gapend in den afgrond beneden.… De zware, zondige stilte over dat eeuwig beslotene, het in woeste wanhoop verstomde zwijgen zwáár broeiend boven die veege vallei.… Is het een meer van ijs?.… Van onder giftigen adem roerloos geslagen water?.… Is het een wilde woestijn van zand?.… Diepe wreede voren rekken als stijf versteende slangen in alle richtingen er over heen.… Koud en genadeloos wreed blikt het vaalgrauwe woestijn-gelaat[41]òp ten hemel, uit de donkere afgrond-diepte daar vèr, vèr beneden.…
Het ligt daar zoo gansch droef verloren, onverbiddelijk en onherroepelijk, in een sombere, genadelooze ommuring van hooge rotsgevaarten àlom. Als donkere, gigantische wachters staan aan alle zijden de resoluut-rijzende, steile berg-wanden, wakend over dat vale, veege dal des doods.…
Dáár, diep in dien wijd-uitgestrekten, eindeloos lijkenden afgrond rijzen, als mysterieuze, sombere eilanden, drie groote, grillige eruptie-kraters, ontzaglijk en satanisch grandioos. Geel-groen, met glinsterende kleuren als van slangen, de ruige tulband van den Batok, daarachter, naar ’t Zuid-Westen, de donkerzwartige, zwaar-geribde massa van den Widodaren, maar o! daar vooruit, naast den Batok, naar ’t Zuid-Oosten, de slijkgrijzige en vaal-gele krater van den Bromo, als een groote, gapende wonde met wreed-puntige omranding, een ding des doods, vol somber geheim.…
Langzaam, langzaam stijgt een blauwe rookdamp daaruit omhoog, rijst hooger en hooger, in trage, wanhopig-droeve rekking, spreidt zich wijd en wijder uit, en vaart in een statig-geplooiden wolkpluim, met vaal-gele glanzen, dreigend omhoog.…
Maar zoo langzaam, zoo langzaam, of de minste ontroering die kille rust der ijswoestijn verstoren zou, met de nauw merkbare, spookachtige beweging des doods.…
Moeilijk-zwaar wolkt de rook-kolom de lucht in.[42]dof neêrgehouden door het ijzig zwijgen dat loom als lood over het dal van droefenis hangt.…
Leêg en kaal ligt de vallei, onder den druk van een eeuwigen, genadeloozen vloek.… Dit is de zonde, de donkere, sombere zonde, dit is het absolute, gansch volmaakte kwaad, waar nooit een zweem van ’t goede in kan wonen, dit is de koude levenshaat, de kille Gods-negatie, dit is dan eindelijk gezien, van aangezicht tot aangezicht, in onuitwischbaar, veeg visioen, het Rijk der Duisternis, het starre, naakte dooden-land van Satan, den valen vijand van het Licht en het Leven.…
IJzig snijdt de scherpe wind langs mijn suizende ooren, en loeiend galmt het langs de scherpe ruggen der berggevaarten. Een donderend gerommel mompelt dof-zwaar in de verte.… Is het de droeve beroering van ’t helle-vuur onder de aarde?.… Is het een onweer, broeiend in verre, donkere wolken?.…
De diepte trekt mij aan, het is om nu maar alle hoop te laten varen, en, gehoorzaam aan ’t duister Noodlot, met een angstig gillen in ’t donker omlaag te duizelen, waar de sombere zonde ligt verstard.…
Maar ’t leven is nog sterk in mij. Ik stijg van ’t paard, en deins weêr achteruit, ga voorzichtig zitten op een goed beschutte plek. Nu even niet meer kijken in dien afgrond, nu recht vooruit zien, zonder vreezen.…
En het is een apothéose.…[43]
Vèr over het dooden-rijk zien mijn oogen in de levende wereld.
Rechts, in ’t Zuid-Westen, vèr achter den kratermuur, in een licht, teeder blauw als van een maagde, rijst de ontzaglijke, zachte reuzen-bol van den Semeroe hoog in de hoogste luchten. Hij staat daar glanzend als een heilige Hemel-God, van majesteit overtogen. En ziet! met een machtigen stoot schiet een blanke licht-wolk uit zijn top, een sneeuwen smettelooze puurheid, fèl in de lucht. Hoe triomfantelijk vliegt die witte rook-panache in de lichte hemelen, ziet, hoe zij zich plooit, en spreidt, en kronkelt, hoe dat blinkende, schitterende wezen daar ópdroomt in de hoogste sferen, en dan langzaam, langzaam henedrijft, in wuivend, wit gewaad, stralend van zoo statige, blanke glorie.…..
Links, vèr in ’t Oosten, rijzen grillige, kartelige berggevaarten aan den horizon, de reuzen-massa’s van het Yang-Plateau, de Argapoera, en, dichterbij, de blauwe kegel van den Lamongan, een rookwolk om zijn top.…
Nu even òmzien, met den rug naar den grauwen afgrond, naar den kant van waar wij zijn gekomen.
Dáár liggen de golvende bergkammen, en de ravijnen, daar blinken de prachtige dessa’s, en vèr, vèr schemert de vlakte, en de zee, en ziet! rijst daar niet, in ’t allerverste Westen, aan den lichten horizon, Ardjoenå’s goddelijk lichaam in maagdelijk[44]blauw omhoog, met een blinkende glorie van witte, pure wolken droomende om zijn statig hoofd?.…
Het is of de wereld nu àl grooter wordt, àl grooter.… het is of mijn ziel zich nu àl wijder spreidt, àl wijder.… Het is zoo zalig en zoo rijk van licht, het is zoo in volmaakte, grenzelooze goedheid uit een God gegeven, het is blinkend, het is aanbiddelijk, en het is eindeloos.… Is het niet, om nu ál hooger en hooger òp te rijzen, hooger dan deze hoogste top van den Penandjaän, en met een luiden jubel in de lichte hemelen te vergaan!.…
Zóó sta ik lang te staren, totdat ik mij eindelijk weer omwend. En het is als een wonder, opeens gebeurd. De lichte Semeroe is verdwenen achter nevelen, de verre apothéose in het Oosten, van het Yang-Plateau, wordt door wolken verduisterd.
Beneden, in het doodendal, is het nog donker licht. Over mij, in ’t Zuiden, staat de Ider-Ider-muur nog onbeneveld, recht omhoog; de Moengal-muur, naar rechts in ’t Noorden, begint te deinzen in een fijnen mist, en vèr in ’t Westen is de Idjo al niet meer te onderscheiden.
En nu zie ik voor het eerst, daar vlak beneden mij, den lagen wal, die in een bijna rechte lijn de Noordelijke en Zuidelijke muren van den kraterrand verbindt. De Penandjaän, waar ik sta, is al over den wal heen, aan den overkant is de[45]hoogste Ider-Ider berg, de Poendaq-Lemboe, al van een wolkensluier overtogen.
Die wal, de Tjemara-Lawang, de scheiding van een paradijs en een hel! Rechts ligt de vale vallei der dooden, naakt en kaal. Links, boven de lava-beddingen, van den wal, liggen àl bloeiende terrassen en velden, rijk begroeid, en blinkende van lichte, gele en groene kleuren. Het stralende, glanzende Leven, vlak aan den rand van den Dood.…
Maar dra verdooft nu ook die glans van blijde weelde. Want van den Tjemara-Lawang komt het nu aan, daar komen de grijze, vale wolken-nevelen aan.…
En ’t is of ’t Licht nu wel voor goed daar sterven zal, want langzaam, langzaam begint het wreede spel des doods.
Als vage geesten drijven de grauwe nevelen, over den bloeienden paradijswand, naar de duistere vallei. Hoe langzaam, langzaam schuiven zij voort, en waaien traag en troosteloos over de starre, kille woestijn! Zij wolken in de laagte, maar rijzen weer terug, zich òpstrekkend tegen de muren, met gebaren als van hopeloos smeeken en droef weêr vallen, zij wijken weêr rechts en links, kruipen angstig over de kraters, en zinken geruischloos weêr neder in het dal. Het lijken geen wolken meer, het zijn de vale, droef-verdoemde geesten van dit duistere rijk van den Booze, die daar eeuwigzwijgend rondwaren in de vervloekte doodenvelden,[46]eindeloos en onherroepelijk verloren.…
De slijkgrauwe wonde van den Bromo gaapt nog door de wolken-warreling heen.… Nog éven lichten de groene en valsch-gele ribben van den Batok. Op den Widodaren6zetelen de zwarte, donkere wolken-massa’s, in somberen triomf.
En altijd de doffe, blauwe rook-kolommen, met gelige glanzen, langzaam-traag ópstijgend uit de duistere diepten onder den Bromo, treurig wègdrijvend door den mist, met de wanhopige, troostelooze traagheid des doods.…
En het loeiend metaal-gezang van den wind langs scherpe bergruggen.… en het rommelend mompelen van verren donder.…
Het trekt mij aan, met een vreemde bekoring, als van haat, en negatie, en zonde. Ik voel mij buigen naar het wolken-omnevelde dal in den afgrond beneden mijne voeten.…
En het is als boog ik mij nu droevig over mijn eigen ziel, en of het mijn eigen, eenzaam leven is, daar zoo ganschelijk verloren, in dorre woestenij.…
Zóó, koud-negeerend, zonder liefde, met het warmste en allerbeste kil-versteend, verteerd in zich zelf.…
Maar ikwildien dood niet, o! ik voel het nu, ikhaathet, ikhaatdit schoon, dat uit den Booze is, ikhaatden dorren, starren dood! Nu ik hem[47]heb gezien, van aangezicht tot aangezicht, in zijn koud, vaalbleek nacht-gelaat, nuhaatik hem, en ik wil het leven weêr, het Leven, het Leven!.…
Toen,.… een lieve, vriendelijke stem, een stem als uit heel oude tijden, lang geleên.…
En Annie zit naast mij, boven het dorre dooden-dal. Zij kijkt nu niet kluchtig meer, er is een zachte, teedere uitdrukking in haar oogen.
„Wat rilt u,” zegt ze, „is de koorts weer terug?.… Kom maar gerust hier bij me liggen in mijn schoot.… hier heb ik een warme wollen deken.… Mary haalt wat wijn bij de koelie’s, dat zal u goed doen.… wat is uw hoofd koud, en wat ziet u bleek!.… kom nu maar even bij me rusten.… en nu niet meer naar beneden kijken..”
Ik schrik op, als uit een bangen, boozen droom.. Haar lief, vriendelijk gezicht, haar warme stralende oogen.… Zij is de blijheid, en de vreugde, en het geluk.… Zij is het lachen, en het licht, en het leven.… En het roept mij, het roept mij, hoor! het Leven roept mij terug!.…
Toen heb ik mij afgewend van het droeve dal des doods, en mijn hoofd heb ik heel stil gelegd in haar veiligen schoot.…. Ik voel, hoe zij bezorgd de warme deken over mij uitspreidt, ik hoor de muziek van haar stem, die mij zegt te rusten.… te rusten,.… ik wil niet den duisteren dood, maar[48]het Lichte Leven,.… en zachtjes, zachtjes lig ik te snikken, te snikken van vreugde en berouw, met haar handen lief-troostend op mijn hoofd.…
⁂
Nu is het inééns bewust in me, als een groot licht na lang, lang duister over mijn arm hart: „Ik hoû van haar, ik hoû van haar!”
O! ik hoû van haar, omdat mijn hart weer sterk en jong is, en weer lieven kan; het is door de groote kracht, die de milde lucht mijn lijf gegeven heeft, en haar lichte lachen mijn ziel. Ik hoû van haar, omdat de wereld zoo eindeloos schoon is, omdat het groen zoo blinkt, en de blanke bloemen, omdat de vogels zoo zingen in de boomen, omdat de bergen zoo hoog ten hemel staan, en zoo zalig glanst Gods groote licht over de schitterende vlakte en de zee.
Ik hoû van je, inééns, inééns, mijn lief vrouwtje, dat àl maar lachen doet en, gansch niet wetend, je vreugde zingt door het wereld-leed. Ik hoû van je, omdat je lief tegen me geweest bent, waar jaren lang mijn hart alleen maar droefenis kende en sombere gepeinzen; omdat je heel niet bang was voor dat strakke kijken van mijn donker gezicht; omdat je zoo vreezeloos je zachte handjes gelegd hebt op mijn arm, moê hoofd, dat maar niet rusten kon.