Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn lief, klein vrouwtje, met[49]je bleeke wangen en die oude trekken om je mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie. Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als je lichte lichaam vóór mij zweeft.Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje, jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en[50]vreezeloos in de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig rein-zijn.Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de droeve dood was alles wat mij nog kon wachten.O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak! Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve. Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken heb je dan dit[51]groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t allerschoonste nooit geheel kon geven!De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op mijn schouder rust.En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen, rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie. Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven. Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij nu blank gereinigd, en waardig het geluk.Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht lachen[52]in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom, zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht.Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en, der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen.…⁂Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono,7in het diepe dal van rust.Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van licht.… Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk.…Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen, zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot plotseling een hoek om, en ziet![53]vóór ons, liefelijk aan onze voeten, het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan. Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal. Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht. O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen, opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.… De hooge, heilige heerscher, de zachte-machtige, van deze wijde werelden.…En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd, daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn algoede Moeder.…[54]Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele menschenleven woont.…Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot aangezicht.… En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?.…⁂Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en zuiverste van haar heeft geschonken.…Ze is toch eerder leelijk dan mooi.… er is, zou je zoo op ’t eerste gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.… Haar trekken zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige, blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte neusje, en die twee[55]dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige kin!.…Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde wel wou geven?⁂Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk, somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag, grauw duister, onzeker en mysterieus.Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen ondergaande zon, op een[56]bergkruin boven het paadje, waar ik loop, staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend, ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening.…Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel, somber-stom.…Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille, maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht, liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht.…Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te wijlen.…⁂18 November.Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die[57]„zachtzinnige krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens, op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden, een dwaas, groot kind.En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan, zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten, zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die lucht in zeeë-horizon[58]vergaan, door koelen winde-adem gedreven!Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm en benauwd.„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar versche lucht.”En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar broer.Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.Maar nu den weg te vinden in het donker!Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit, en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr, daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig[59]lichtje. Zacht metaal-gezang van wind in duistere dennen.…Een krekel neuriet wat.…En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den nacht.…We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne in den nacht.…We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm, het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die perkenvormen en dien tuinmans-smaak.„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die perken zoo genoemd.”Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze hoofden.…Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb[60]je ’t niet koud? Wil je niet een stukje van mijn shawl hebben?”En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt, bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar. Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó, steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard, en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je geven mag in kuischheid!Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk ziet[61]zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven. Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik zal sterk blijven, en een reine ridder zijn.…De droom, de droom is òver ons gekomen.…Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve lichtjes branden, en de duistere menschen zijn.…Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag wel van je houën, zeg?”Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in teederen, kuischen kus.Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid[62]ontstegen, en voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde leven.…Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.… het leven mág geen zoete wonne zijn van liefde.… het Leven is lijden, lijden, lijden, en eenzaam weenen.…Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:„Ik hoû van je, ik hoû van je”.…⁂Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren, tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van het wegje.Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras, heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t grazen,[63]scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter, grazend.…Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede, zacht intiem gepraat..De man staat stil, roept weêr de koeien.…De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in de lucht.… De andere komt langzaam, zoo langzaam.… De man roept niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet, vergeet.… Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens héél hoog in de lucht, van vreugde.… De koe met opgeheven kop, staart droomerig.… De ander komt zoo langzaam.… De heel stille man.… Alles zoo stil, zoo stil.… Ruischt zoo rustig het water.… Zachtjes, zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge.…Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo lang hebt gezocht.…⁂Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief wezentje vond.[64]„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”„Hoe bedoel je dat: zwak?”„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”„Ik begrijp je nog niet goed.”„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is. Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag niet boos worden?”„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie geweest bent op het[65]terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk van haar.”Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat lieve,teêrewezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je doen voelen, dat ze het prettig vond.”„Maar waaròm dan toch, zusje?”„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je[66]laten zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn, als een[67]mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten, ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft, maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen.…”Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord heel gelaten:„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me zoo eenzaam gevoeld,[68]dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige, dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je zult je zelf altijd ongelukkig maken.”En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan zeggen:„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n zachte,teêreziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar het allermooiste van haar hebiktoch gehad.Ikheb haar lieve ziel gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind. Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk véél te lief en te broos voor[69]iets anders. Noem ’t maar een beetje ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen. Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat een ander krijgen.”⁂Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze eens bij mij was.En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat, stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte, zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi[70]het wel is. Ze zit maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet, zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare lieve ziel en zachte gratie.…Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de vriendelijkheid,waarmeêze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en hoe ze dan melodieus „Dág!.… Dág!.…” kan roepen, lang uitgehaald, en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan voorzichtig in haar ceinture steekt!In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw woont onbewust de ziele van een serafijn.Ze weet het niet, ze weet het niet.… En dit is wel juist het mooiste.… Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb vermoed.…Door ’t leven hier en dáár gedreven, door[71]hartstocht heen en barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn.…Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer.…Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij, en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te zijn.…Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in ’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien van uw zacht hoofd aan mijnen schouder.…En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten staat.…⁂Van dehôtel-gastenwil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De heerlijke berglucht waait[72]hier al het ridicule poeha en de larie weg, en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens over.… in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier slenteren er een paar van rond.En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van levenslustig, gezond vrouwtje!Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo heelemaal nog als een[73]kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat.…⁂Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de mooiste wandelingen, die hier zijn.Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van hetHôtel, den weg naar Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld aan den voet, waar koeien grazen.Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om ’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap houdt.Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit, onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht,[74]lucht zwevende in het April-blauw van de hemelen.…Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele, lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar beneden, in eene diepe ravijnkloof.Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een groote, rose kapel.… Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite. Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél, héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte, warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in een diepe valeikloof.[75]De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven. We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder, dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus.…Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige, prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed vol plooien en deuken! Wat licht en[76]glanzend blij, zoo’n stralend jong vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke, zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel, klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur, en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in zaligheid tegen elkaar bevende harten.… O! een groot, groot verlangen om al het verleden en het leed met één forschen zwaai[77]van me àf te schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het van jonge liefde hamerend hart te prangen.…Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen. Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog.…En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.… Mijn zachte, lichte lieveling.… Mijn blijde, blozende bloem..Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig, zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning breekt.… Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel, ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien, waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem, rustig-rijzende naar ’t licht.…⁂Dat was mooi van avond!Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten zonsondergang.[78]In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen, fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware, witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is rood-donkere sombernis daar vóór mij.…Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt de vage vlakte.Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven, één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer.…Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde licht vèr en vèr door de lucht.…Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle, blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen schitterlicht, wuivend[79]vèr door de hemelen, als gewaden van droomende engelen.De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in zilveren schijn.En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een vèr visioen.… Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf, maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik.…Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil.…⁂Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich niet wel en kon niet meê.Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend van kool-velden, met[80]hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een keizerlijk heerscher van de wereld rondom.Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door, tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens, in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas, naar Nongko Djadjar.Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan weerszijden[81]te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár, maar het loeit en brult en klatert langs je heen.De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas, waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg, zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche, zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en je bent blij, te ademen in dit reine schoon.[82]Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudigehôtelvan Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare, koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en de droevige gedachten?.… Leven, leven, en de lucht te drinken in de bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere licht glanst over de vòl-schoone wereld!Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr terug.Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland![83]In de plechtige vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog stiller—roept de koekkoek.Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk, daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak. Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de verte, en de specht de stammen tikt.Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar huis te gaan,—wijl de[84]avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen.…Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling in Nongko Djadjar.⁂O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een kind geworden?Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde, veilig leven in de kalme contemplatie!Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe. Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn[85]roos vaststeken tusschen haar ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary, Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel, dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel, het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.… ik wéét, dat is het verlangen.… O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte, donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren! Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in zalig zwijmelen snikkend te vergaan!Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine ridder zijn.… het mag niet[86]breken.… zij hoort een ander toe.… alleen haar ziel is je van God gegeven.… bedenk dat wèl.”Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch. Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet vleien om bescherming.Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof, als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen, en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn zachte kind was, dat ik beschutten[87]moest tegen koû. Zoo is ze heel stil blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten, zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft[88]nog even lief goênacht gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht.…Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij toegedekt, en tegen koû beschut.Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen, en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en al het lieve,teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal vergeten zijn.…Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht van hare lieve voeten.…En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.… een wijze, ál-gerechte God, die enkel ’t goede wil.…⁂Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust maakte.[89]Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende, door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren. Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels, wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen, kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr, den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den krater-muur.Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe Zandzee.…Maar het plotselinge gezicht beneden was niet[90]zoo immens overweldigend als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken, en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten, wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het slijkgrauw van de Zandzee.Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen, treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn.…Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan[91]ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon, maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara. De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen, ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen verspreid.Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet vanbroeiing.…Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot aan den rand.Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.… Beneden, diep, diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken solfataren, en een[92]dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden, eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als van woedende machines onder te zwaren druk.…Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en het valsch geglim van gele zwavel.… Het beklemde mij met een angst alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing, als van zonde, en nacht, en negatie.… hoe haat ik hem!.…Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid; hier is woestenij, en droefenis, en dood.…Toen.…, nooit, nooit zal ik het vergeten,.… midden in de grauwe woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden in doodsche[93]sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond, een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom. Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland, vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid.…En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen, zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend, ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen haat rondòm.…⁂Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed.[94]Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand.„Een telegram.… van mijn man.…,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang.… hij vraagt of ik bij hem kom.… den 12den gaat er een boot van Soerabaia.… en over vier dagen ga ik weg.…”Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.„Ga je wèg.… ga je wèg.…?” zeg ik.… „zal ik dan nooit meer met je wandelen?.… en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand houden, en nooit meer gelukkig zijn?.… en ik hoû zoo van je, Annie.…”Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat ineens.„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.… weet je dat dan niet.…? dat hadt je nooit mogen zeggen.… hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.… ik ben getrouwd, Rudolf.… alleen mijn man mag dat zeggen.… en het spijt me zoo dat je zoo lief tegen me bent.… en ik ben zelf óók zoo zwak geweest.… Ik ben nog zoo’n kind soms.… En nu ineens dat telegram van mijn man.…”Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.… En ik zeg met tranen in mijn oogen:„Ik zal het niet meer zeggen.… je hebt gelijk Annie.… wees niet boos.… ik zal je óók niet[95]meer vragen om nog meê te gaan.… ik zal je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen samen.…? Maar doe mij dan ook één pleizier.… Zeg dat nooit meer waar ik bij ben: „mijn man,” ikkánhet niet hooren, ikkánhet niet. Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar het is verschrikkelijk.…”En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.⁂Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn. Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van pleizier.En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets verloren.…⁂Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono gegaan. Annie had beloofd,[96]óók klaar te staan om zes uur, en haar mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.
Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn lief, klein vrouwtje, met[49]je bleeke wangen en die oude trekken om je mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie. Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als je lichte lichaam vóór mij zweeft.Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje, jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en[50]vreezeloos in de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig rein-zijn.Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de droeve dood was alles wat mij nog kon wachten.O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak! Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve. Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken heb je dan dit[51]groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t allerschoonste nooit geheel kon geven!De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op mijn schouder rust.En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen, rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie. Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven. Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij nu blank gereinigd, en waardig het geluk.Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht lachen[52]in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom, zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht.Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en, der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen.…⁂Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono,7in het diepe dal van rust.Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van licht.… Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk.…Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen, zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot plotseling een hoek om, en ziet![53]vóór ons, liefelijk aan onze voeten, het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan. Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal. Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht. O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen, opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.… De hooge, heilige heerscher, de zachte-machtige, van deze wijde werelden.…En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd, daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn algoede Moeder.…[54]Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele menschenleven woont.…Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot aangezicht.… En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?.…⁂Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en zuiverste van haar heeft geschonken.…Ze is toch eerder leelijk dan mooi.… er is, zou je zoo op ’t eerste gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.… Haar trekken zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige, blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte neusje, en die twee[55]dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige kin!.…Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde wel wou geven?⁂Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk, somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag, grauw duister, onzeker en mysterieus.Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen ondergaande zon, op een[56]bergkruin boven het paadje, waar ik loop, staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend, ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening.…Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel, somber-stom.…Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille, maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht, liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht.…Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te wijlen.…⁂18 November.Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die[57]„zachtzinnige krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens, op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden, een dwaas, groot kind.En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan, zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten, zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die lucht in zeeë-horizon[58]vergaan, door koelen winde-adem gedreven!Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm en benauwd.„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar versche lucht.”En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar broer.Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.Maar nu den weg te vinden in het donker!Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit, en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr, daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig[59]lichtje. Zacht metaal-gezang van wind in duistere dennen.…Een krekel neuriet wat.…En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den nacht.…We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne in den nacht.…We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm, het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die perkenvormen en dien tuinmans-smaak.„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die perken zoo genoemd.”Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze hoofden.…Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb[60]je ’t niet koud? Wil je niet een stukje van mijn shawl hebben?”En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt, bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar. Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó, steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard, en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je geven mag in kuischheid!Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk ziet[61]zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven. Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik zal sterk blijven, en een reine ridder zijn.…De droom, de droom is òver ons gekomen.…Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve lichtjes branden, en de duistere menschen zijn.…Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag wel van je houën, zeg?”Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in teederen, kuischen kus.Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid[62]ontstegen, en voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde leven.…Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.… het leven mág geen zoete wonne zijn van liefde.… het Leven is lijden, lijden, lijden, en eenzaam weenen.…Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:„Ik hoû van je, ik hoû van je”.…⁂Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren, tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van het wegje.Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras, heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t grazen,[63]scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter, grazend.…Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede, zacht intiem gepraat..De man staat stil, roept weêr de koeien.…De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in de lucht.… De andere komt langzaam, zoo langzaam.… De man roept niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet, vergeet.… Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens héél hoog in de lucht, van vreugde.… De koe met opgeheven kop, staart droomerig.… De ander komt zoo langzaam.… De heel stille man.… Alles zoo stil, zoo stil.… Ruischt zoo rustig het water.… Zachtjes, zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge.…Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo lang hebt gezocht.…⁂Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief wezentje vond.[64]„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”„Hoe bedoel je dat: zwak?”„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”„Ik begrijp je nog niet goed.”„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is. Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag niet boos worden?”„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie geweest bent op het[65]terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk van haar.”Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat lieve,teêrewezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je doen voelen, dat ze het prettig vond.”„Maar waaròm dan toch, zusje?”„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je[66]laten zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn, als een[67]mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten, ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft, maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen.…”Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord heel gelaten:„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me zoo eenzaam gevoeld,[68]dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige, dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je zult je zelf altijd ongelukkig maken.”En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan zeggen:„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n zachte,teêreziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar het allermooiste van haar hebiktoch gehad.Ikheb haar lieve ziel gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind. Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk véél te lief en te broos voor[69]iets anders. Noem ’t maar een beetje ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen. Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat een ander krijgen.”⁂Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze eens bij mij was.En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat, stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte, zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi[70]het wel is. Ze zit maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet, zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare lieve ziel en zachte gratie.…Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de vriendelijkheid,waarmeêze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en hoe ze dan melodieus „Dág!.… Dág!.…” kan roepen, lang uitgehaald, en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan voorzichtig in haar ceinture steekt!In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw woont onbewust de ziele van een serafijn.Ze weet het niet, ze weet het niet.… En dit is wel juist het mooiste.… Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb vermoed.…Door ’t leven hier en dáár gedreven, door[71]hartstocht heen en barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn.…Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer.…Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij, en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te zijn.…Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in ’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien van uw zacht hoofd aan mijnen schouder.…En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten staat.…⁂Van dehôtel-gastenwil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De heerlijke berglucht waait[72]hier al het ridicule poeha en de larie weg, en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens over.… in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier slenteren er een paar van rond.En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van levenslustig, gezond vrouwtje!Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo heelemaal nog als een[73]kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat.…⁂Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de mooiste wandelingen, die hier zijn.Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van hetHôtel, den weg naar Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld aan den voet, waar koeien grazen.Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om ’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap houdt.Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit, onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht,[74]lucht zwevende in het April-blauw van de hemelen.…Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele, lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar beneden, in eene diepe ravijnkloof.Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een groote, rose kapel.… Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite. Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél, héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte, warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in een diepe valeikloof.[75]De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven. We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder, dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus.…Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige, prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed vol plooien en deuken! Wat licht en[76]glanzend blij, zoo’n stralend jong vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke, zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel, klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur, en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in zaligheid tegen elkaar bevende harten.… O! een groot, groot verlangen om al het verleden en het leed met één forschen zwaai[77]van me àf te schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het van jonge liefde hamerend hart te prangen.…Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen. Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog.…En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.… Mijn zachte, lichte lieveling.… Mijn blijde, blozende bloem..Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig, zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning breekt.… Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel, ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien, waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem, rustig-rijzende naar ’t licht.…⁂Dat was mooi van avond!Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten zonsondergang.[78]In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen, fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware, witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is rood-donkere sombernis daar vóór mij.…Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt de vage vlakte.Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven, één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer.…Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde licht vèr en vèr door de lucht.…Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle, blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen schitterlicht, wuivend[79]vèr door de hemelen, als gewaden van droomende engelen.De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in zilveren schijn.En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een vèr visioen.… Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf, maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik.…Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil.…⁂Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich niet wel en kon niet meê.Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend van kool-velden, met[80]hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een keizerlijk heerscher van de wereld rondom.Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door, tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens, in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas, naar Nongko Djadjar.Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan weerszijden[81]te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár, maar het loeit en brult en klatert langs je heen.De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas, waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg, zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche, zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en je bent blij, te ademen in dit reine schoon.[82]Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudigehôtelvan Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare, koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en de droevige gedachten?.… Leven, leven, en de lucht te drinken in de bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere licht glanst over de vòl-schoone wereld!Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr terug.Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland![83]In de plechtige vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog stiller—roept de koekkoek.Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk, daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak. Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de verte, en de specht de stammen tikt.Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar huis te gaan,—wijl de[84]avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen.…Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling in Nongko Djadjar.⁂O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een kind geworden?Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde, veilig leven in de kalme contemplatie!Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe. Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn[85]roos vaststeken tusschen haar ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary, Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel, dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel, het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.… ik wéét, dat is het verlangen.… O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte, donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren! Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in zalig zwijmelen snikkend te vergaan!Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine ridder zijn.… het mag niet[86]breken.… zij hoort een ander toe.… alleen haar ziel is je van God gegeven.… bedenk dat wèl.”Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch. Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet vleien om bescherming.Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof, als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen, en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn zachte kind was, dat ik beschutten[87]moest tegen koû. Zoo is ze heel stil blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten, zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft[88]nog even lief goênacht gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht.…Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij toegedekt, en tegen koû beschut.Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen, en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en al het lieve,teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal vergeten zijn.…Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht van hare lieve voeten.…En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.… een wijze, ál-gerechte God, die enkel ’t goede wil.…⁂Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust maakte.[89]Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende, door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren. Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels, wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen, kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr, den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den krater-muur.Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe Zandzee.…Maar het plotselinge gezicht beneden was niet[90]zoo immens overweldigend als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken, en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten, wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het slijkgrauw van de Zandzee.Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen, treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn.…Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan[91]ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon, maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara. De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen, ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen verspreid.Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet vanbroeiing.…Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot aan den rand.Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.… Beneden, diep, diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken solfataren, en een[92]dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden, eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als van woedende machines onder te zwaren druk.…Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en het valsch geglim van gele zwavel.… Het beklemde mij met een angst alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing, als van zonde, en nacht, en negatie.… hoe haat ik hem!.…Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid; hier is woestenij, en droefenis, en dood.…Toen.…, nooit, nooit zal ik het vergeten,.… midden in de grauwe woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden in doodsche[93]sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond, een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom. Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland, vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid.…En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen, zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend, ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen haat rondòm.…⁂Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed.[94]Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand.„Een telegram.… van mijn man.…,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang.… hij vraagt of ik bij hem kom.… den 12den gaat er een boot van Soerabaia.… en over vier dagen ga ik weg.…”Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.„Ga je wèg.… ga je wèg.…?” zeg ik.… „zal ik dan nooit meer met je wandelen?.… en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand houden, en nooit meer gelukkig zijn?.… en ik hoû zoo van je, Annie.…”Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat ineens.„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.… weet je dat dan niet.…? dat hadt je nooit mogen zeggen.… hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.… ik ben getrouwd, Rudolf.… alleen mijn man mag dat zeggen.… en het spijt me zoo dat je zoo lief tegen me bent.… en ik ben zelf óók zoo zwak geweest.… Ik ben nog zoo’n kind soms.… En nu ineens dat telegram van mijn man.…”Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.… En ik zeg met tranen in mijn oogen:„Ik zal het niet meer zeggen.… je hebt gelijk Annie.… wees niet boos.… ik zal je óók niet[95]meer vragen om nog meê te gaan.… ik zal je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen samen.…? Maar doe mij dan ook één pleizier.… Zeg dat nooit meer waar ik bij ben: „mijn man,” ikkánhet niet hooren, ikkánhet niet. Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar het is verschrikkelijk.…”En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.⁂Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn. Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van pleizier.En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets verloren.…⁂Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono gegaan. Annie had beloofd,[96]óók klaar te staan om zes uur, en haar mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.
Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn lief, klein vrouwtje, met[49]je bleeke wangen en die oude trekken om je mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie. Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als je lichte lichaam vóór mij zweeft.Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje, jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en[50]vreezeloos in de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig rein-zijn.Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de droeve dood was alles wat mij nog kon wachten.O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak! Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve. Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken heb je dan dit[51]groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t allerschoonste nooit geheel kon geven!De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op mijn schouder rust.En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen, rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie. Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven. Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij nu blank gereinigd, en waardig het geluk.Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht lachen[52]in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom, zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht.Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en, der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen.…⁂Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono,7in het diepe dal van rust.Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van licht.… Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk.…Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen, zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot plotseling een hoek om, en ziet![53]vóór ons, liefelijk aan onze voeten, het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan. Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal. Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht. O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen, opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.… De hooge, heilige heerscher, de zachte-machtige, van deze wijde werelden.…En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd, daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn algoede Moeder.…[54]Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele menschenleven woont.…Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot aangezicht.… En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?.…⁂Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en zuiverste van haar heeft geschonken.…Ze is toch eerder leelijk dan mooi.… er is, zou je zoo op ’t eerste gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.… Haar trekken zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige, blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte neusje, en die twee[55]dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige kin!.…Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde wel wou geven?⁂Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk, somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag, grauw duister, onzeker en mysterieus.Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen ondergaande zon, op een[56]bergkruin boven het paadje, waar ik loop, staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend, ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening.…Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel, somber-stom.…Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille, maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht, liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht.…Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te wijlen.…⁂18 November.Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die[57]„zachtzinnige krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens, op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden, een dwaas, groot kind.En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan, zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten, zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die lucht in zeeë-horizon[58]vergaan, door koelen winde-adem gedreven!Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm en benauwd.„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar versche lucht.”En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar broer.Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.Maar nu den weg te vinden in het donker!Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit, en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr, daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig[59]lichtje. Zacht metaal-gezang van wind in duistere dennen.…Een krekel neuriet wat.…En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den nacht.…We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne in den nacht.…We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm, het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die perkenvormen en dien tuinmans-smaak.„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die perken zoo genoemd.”Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze hoofden.…Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb[60]je ’t niet koud? Wil je niet een stukje van mijn shawl hebben?”En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt, bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar. Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó, steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard, en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je geven mag in kuischheid!Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk ziet[61]zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven. Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik zal sterk blijven, en een reine ridder zijn.…De droom, de droom is òver ons gekomen.…Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve lichtjes branden, en de duistere menschen zijn.…Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag wel van je houën, zeg?”Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in teederen, kuischen kus.Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid[62]ontstegen, en voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde leven.…Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.… het leven mág geen zoete wonne zijn van liefde.… het Leven is lijden, lijden, lijden, en eenzaam weenen.…Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:„Ik hoû van je, ik hoû van je”.…⁂Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren, tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van het wegje.Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras, heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t grazen,[63]scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter, grazend.…Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede, zacht intiem gepraat..De man staat stil, roept weêr de koeien.…De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in de lucht.… De andere komt langzaam, zoo langzaam.… De man roept niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet, vergeet.… Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens héél hoog in de lucht, van vreugde.… De koe met opgeheven kop, staart droomerig.… De ander komt zoo langzaam.… De heel stille man.… Alles zoo stil, zoo stil.… Ruischt zoo rustig het water.… Zachtjes, zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge.…Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo lang hebt gezocht.…⁂Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief wezentje vond.[64]„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”„Hoe bedoel je dat: zwak?”„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”„Ik begrijp je nog niet goed.”„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is. Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag niet boos worden?”„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie geweest bent op het[65]terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk van haar.”Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat lieve,teêrewezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je doen voelen, dat ze het prettig vond.”„Maar waaròm dan toch, zusje?”„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je[66]laten zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn, als een[67]mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten, ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft, maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen.…”Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord heel gelaten:„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me zoo eenzaam gevoeld,[68]dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige, dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je zult je zelf altijd ongelukkig maken.”En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan zeggen:„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n zachte,teêreziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar het allermooiste van haar hebiktoch gehad.Ikheb haar lieve ziel gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind. Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk véél te lief en te broos voor[69]iets anders. Noem ’t maar een beetje ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen. Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat een ander krijgen.”⁂Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze eens bij mij was.En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat, stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte, zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi[70]het wel is. Ze zit maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet, zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare lieve ziel en zachte gratie.…Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de vriendelijkheid,waarmeêze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en hoe ze dan melodieus „Dág!.… Dág!.…” kan roepen, lang uitgehaald, en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan voorzichtig in haar ceinture steekt!In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw woont onbewust de ziele van een serafijn.Ze weet het niet, ze weet het niet.… En dit is wel juist het mooiste.… Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb vermoed.…Door ’t leven hier en dáár gedreven, door[71]hartstocht heen en barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn.…Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer.…Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij, en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te zijn.…Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in ’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien van uw zacht hoofd aan mijnen schouder.…En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten staat.…⁂Van dehôtel-gastenwil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De heerlijke berglucht waait[72]hier al het ridicule poeha en de larie weg, en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens over.… in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier slenteren er een paar van rond.En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van levenslustig, gezond vrouwtje!Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo heelemaal nog als een[73]kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat.…⁂Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de mooiste wandelingen, die hier zijn.Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van hetHôtel, den weg naar Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld aan den voet, waar koeien grazen.Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om ’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap houdt.Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit, onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht,[74]lucht zwevende in het April-blauw van de hemelen.…Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele, lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar beneden, in eene diepe ravijnkloof.Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een groote, rose kapel.… Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite. Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél, héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte, warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in een diepe valeikloof.[75]De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven. We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder, dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus.…Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige, prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed vol plooien en deuken! Wat licht en[76]glanzend blij, zoo’n stralend jong vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke, zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel, klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur, en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in zaligheid tegen elkaar bevende harten.… O! een groot, groot verlangen om al het verleden en het leed met één forschen zwaai[77]van me àf te schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het van jonge liefde hamerend hart te prangen.…Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen. Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog.…En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.… Mijn zachte, lichte lieveling.… Mijn blijde, blozende bloem..Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig, zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning breekt.… Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel, ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien, waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem, rustig-rijzende naar ’t licht.…⁂Dat was mooi van avond!Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten zonsondergang.[78]In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen, fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware, witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is rood-donkere sombernis daar vóór mij.…Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt de vage vlakte.Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven, één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer.…Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde licht vèr en vèr door de lucht.…Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle, blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen schitterlicht, wuivend[79]vèr door de hemelen, als gewaden van droomende engelen.De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in zilveren schijn.En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een vèr visioen.… Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf, maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik.…Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil.…⁂Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich niet wel en kon niet meê.Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend van kool-velden, met[80]hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een keizerlijk heerscher van de wereld rondom.Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door, tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens, in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas, naar Nongko Djadjar.Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan weerszijden[81]te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár, maar het loeit en brult en klatert langs je heen.De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas, waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg, zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche, zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en je bent blij, te ademen in dit reine schoon.[82]Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudigehôtelvan Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare, koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en de droevige gedachten?.… Leven, leven, en de lucht te drinken in de bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere licht glanst over de vòl-schoone wereld!Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr terug.Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland![83]In de plechtige vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog stiller—roept de koekkoek.Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk, daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak. Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de verte, en de specht de stammen tikt.Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar huis te gaan,—wijl de[84]avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen.…Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling in Nongko Djadjar.⁂O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een kind geworden?Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde, veilig leven in de kalme contemplatie!Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe. Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn[85]roos vaststeken tusschen haar ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary, Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel, dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel, het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.… ik wéét, dat is het verlangen.… O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte, donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren! Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in zalig zwijmelen snikkend te vergaan!Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine ridder zijn.… het mag niet[86]breken.… zij hoort een ander toe.… alleen haar ziel is je van God gegeven.… bedenk dat wèl.”Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch. Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet vleien om bescherming.Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof, als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen, en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn zachte kind was, dat ik beschutten[87]moest tegen koû. Zoo is ze heel stil blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten, zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft[88]nog even lief goênacht gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht.…Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij toegedekt, en tegen koû beschut.Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen, en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en al het lieve,teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal vergeten zijn.…Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht van hare lieve voeten.…En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.… een wijze, ál-gerechte God, die enkel ’t goede wil.…⁂Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust maakte.[89]Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende, door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren. Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels, wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen, kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr, den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den krater-muur.Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe Zandzee.…Maar het plotselinge gezicht beneden was niet[90]zoo immens overweldigend als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken, en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten, wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het slijkgrauw van de Zandzee.Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen, treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn.…Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan[91]ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon, maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara. De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen, ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen verspreid.Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet vanbroeiing.…Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot aan den rand.Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.… Beneden, diep, diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken solfataren, en een[92]dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden, eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als van woedende machines onder te zwaren druk.…Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en het valsch geglim van gele zwavel.… Het beklemde mij met een angst alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing, als van zonde, en nacht, en negatie.… hoe haat ik hem!.…Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid; hier is woestenij, en droefenis, en dood.…Toen.…, nooit, nooit zal ik het vergeten,.… midden in de grauwe woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden in doodsche[93]sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond, een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom. Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland, vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid.…En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen, zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend, ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen haat rondòm.…⁂Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed.[94]Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand.„Een telegram.… van mijn man.…,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang.… hij vraagt of ik bij hem kom.… den 12den gaat er een boot van Soerabaia.… en over vier dagen ga ik weg.…”Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.„Ga je wèg.… ga je wèg.…?” zeg ik.… „zal ik dan nooit meer met je wandelen?.… en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand houden, en nooit meer gelukkig zijn?.… en ik hoû zoo van je, Annie.…”Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat ineens.„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.… weet je dat dan niet.…? dat hadt je nooit mogen zeggen.… hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.… ik ben getrouwd, Rudolf.… alleen mijn man mag dat zeggen.… en het spijt me zoo dat je zoo lief tegen me bent.… en ik ben zelf óók zoo zwak geweest.… Ik ben nog zoo’n kind soms.… En nu ineens dat telegram van mijn man.…”Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.… En ik zeg met tranen in mijn oogen:„Ik zal het niet meer zeggen.… je hebt gelijk Annie.… wees niet boos.… ik zal je óók niet[95]meer vragen om nog meê te gaan.… ik zal je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen samen.…? Maar doe mij dan ook één pleizier.… Zeg dat nooit meer waar ik bij ben: „mijn man,” ikkánhet niet hooren, ikkánhet niet. Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar het is verschrikkelijk.…”En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.⁂Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn. Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van pleizier.En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets verloren.…⁂Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono gegaan. Annie had beloofd,[96]óók klaar te staan om zes uur, en haar mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.
Inééns heb ik het gezien, in je oogen. Ik vond je vroeger leelijk, mijn lief, klein vrouwtje, met[49]je bleeke wangen en die oude trekken om je mond. Ik kon het toen nog niet zien, wat achter je oogen was. Je zachte, zuivere ziel zag ik niet, die onbesmet was van het leven, en waar Gods licht mysterie ongerept in woont. Dat heeft het droeve vrouweleven, en de hartstocht waar je doorheen gegaan bent, toch nooit in je kunnen dooden, het lieve, zachte, milde, maagdelijke in je, dat je voor den eersten keer aan mij gegeven hebt. Die lieve gratie is in het geluid van je stem, mijn lieveling, en in je zachte bewegingen, als je je hand even over je voorhoofd strijkt, en als je een bloem plukt met zoo teêre vingers, en het is in je voetjes, die gaan zoo zachtekens op rythmischen stap. Zóó teeder-lucht beweeg je, als een lieve melodie. Alleen je zien is al zoo zalig, en mijn ziel beeft vol van vreugde, als je lichte lichaam vóór mij zweeft.
Heb je me dan weêr jong en sterk gemaakt, mijn vriendelijk vrouwtje, jij zoo klein en broos maar, ik zoo donker-groot? Heb ik dan ál die jaren in mijn sombere gepeinzen gansch niet meer geweten wat het leven was, en heb jij met één vriendelijk knikje en één zachten handdruk mij dan weêr geleerd dat leven lieven is en Liefde ’t eenig doel van ’t wereld-wezen? Ik begrijp het nog niet goed, mijn lieveling, ik kan het nog niet goed gelooven. Wat is toch in je, dat mij zoo bevangt van lief verlangen? Je weet zou weinig, en toch weet je méér dan al mijn droef gevonden wijsheid. Want je zacht gezicht ziet zoo blij en[50]vreezeloos in de wereld, en het mooie om je heen maakt je zoo dankbaar, dat je ál maar liefelijk-lachend door de lichte dagen gaat, met zoete gratie, als één van Godes engelen, wier ziel een lichte vreugde is van zalig rein-zijn.
Nooit droomde ik, dat dit nog ééns voor mij kon komen. Ik dacht, de droeve dood was alles wat mij nog kon wachten.
O! die eenzaam-stille nachten, bij ’t bleeke lamplicht in zoo duister peinzen, met al die troostelooze boeken, waar geen liefde uit sprak! Mijn aangezicht was bleek, mijn liefste, en mijn oogen stonden droeve. Mijn hart, het klopte maar zoo traag, en van verlangen ganschelijk ledig kwijnde klagelijk mijn ziel.
Is het de goede bergwind, die de nevelen uit mij waaide? Is het de nieuwe, warme kracht, die in mijn aderen stroomt? Of is het enkel jouw lichte lachen, en al die zoete muziek van je lieve stem? Hoe heb jij dat gedaan, mijn ranke vrouwtje, het jonge leven weer te wekken in mijn stervend hart? Zoo klein ben je, en zoo broos. Je handjes kan ik wel breken in de mijne, je hoofdje reikt maar éven aan mijn schouders, en ik zou heel bang zijn om mijn sterke armen om je heen te slaan. Hoe heb je ’t toch gedaan, om al mijn trots te breken, en ’t donker hoofd, dat voor de gróótsten niet wou buigen, zoo heél diep neigen te doen voor jouw zoo teêre, zwakke gratie? Met één lachje en wat vriendelijk kijken heb je dan dit[51]groote hart zoo zachtelijk overheerd, dat zich aan ’t allerschoonste nooit geheel kon geven!
De vreugde is mij vreemd geweest, mijn Lief, zoo lange, lange jaren. Ik had zoo’n honger en zoo grooten dorst. En nu ben ik al zoo héél, héél blij als je zachte hand maar in de mijne gloeit, en zalig klopt mijn hart als ik je rok hoor ruischen, en een stroom van warm, warm geluk beeft door mijn lijf als je vriendelijk hoofdje maar even rustiglijk op mijn schouder rust.
En alles zoo grandioos en statig-schoon rondom! Die wijze bergen, rijzend hoog ten hemel, die ijle, reine luchten, en die koele wind! Het lijkt hier wel een zalig paradijs, en vèr is nu de droge, heete aarde van weleer, waar ééns mijn lijf in smachtte. Alles is hier zoo ganschelijk puur, en recht, en kuisch van wezen. En jij bent hier ook eigenlijk wèl tehuis, die zuivere atmosfeer hoort bij je lieve gratie. Het is nu een wondere, lichte droom, na ál dat droeve, duistere leven. Dat lijkt van lang, o! lang geleden, en we hebben ’t ganschelijk wèggedaan. De koele wind heeft het verwaaid, mijn Lief, en wèl zijn wij nu blank gereinigd, en waardig het geluk.
Ik weet, mijn Lief, dit kan niet blijven. Het leven is te hard, en teêre, broze ziele-dingen breken, als niet de dood ze veilig bergt. Ik weet, mijn Lief, hoe ’t ál te mooi zou wezen, als dit zóó kon duren. ’t Leven is een droeve kruisgang, en zóó, aan uw zachte hand, met uw licht lachen[52]in de klare lucht, en al de bergen en dat blinkend groen rondom, zou ’t ééne lange zaligheid worden, een eindelooze vreugde als van zielen, die der droeve aarde ontstegen, herrezen in het Groote Licht.
Maar éven, voor een korte poos, mogen wij ’t misschien wel nemen, en, der duist’re werkelijkheid onttogen, een korten droom droomen, in de reine regionen van ’t geluk, hier in dit hooge land, zoo veilig vèr boven der menschen stedingen, waar de zonde en de weedom wonen.…
⁂
Zóó zag ik de vredige dessa Ngadiwono,7in het diepe dal van rust.
Een tocht, door lichte zon begonnen, te paard het steile bergpad op naar Pådåkåjå, de schamele, simpele dessa, op den hoogen bergrug in ’t Zuiden. Klimmen, klimmen, hooge bergpaden langs diepe ravijnen. Overal bergkammen, waar het zien tegen stuit. Boven een rijzenden rotswand vóór mij steekt langzaam het hoofd op een blanke prachtwolk, zwaar van licht.… Het stijgen gaat langzaam naar dat geluk.…
Nu langs de grillige grot van Pådåkåjå, en rechts een smal zijpad, en weer links, langs hoog ravijn, met groene koolvelden langs hellingen, zóó gaat het windend en slingerend door in die hooge regionen, tot plotseling een hoek om, en ziet![53]vóór ons, liefelijk aan onze voeten, het groote vrije opene, onverwacht, waar we langs smal bergpad gaan. Aan de rechterhand, vlakbij, rakelings, de bergmuur; achter, in ’t Zuiden, de donkere, sombere krater-randen, waarachter, bang vermoed, de dorre woestijn des doods. Vóór, in ’t Noorden, hoog opgaande berg-golven, maar links, naar ’t Westen, is ’t opengegaan en, diep beneden, in wijdingsvolle stilte, ligt een liefelijk, vreedzaam dal. Stil en rustig ligt daarin de dessa Ngadiwono, als een oord van gelukzaligen. Wijd en wijd gaat alles nu open daarachter, vèr en vèr spreidt zich, in ’t lage, de glanzende vlakte uit, in gouden schitterlicht van den morgen. En in ijle, lente-blauwe lucht, waar héél fijne nevel trilt, rijst Ardjoenå, in transparant parelgrijs morgengewaad, een blanke god gelijk, in ’t bevende edele ochtendlicht. O! hoe hij daar, na àl ’t beslotene van overal rondom bergruggen, opeens, aan ’t einde der open, ruime vlakte oprijst, zoo kuisch-eerwaarde, in parelen glans!.… De hooge, heilige heerscher, de zachte-machtige, van deze wijde werelden.…
En die kleine, simpele dessa, stemmige hutten met daken van lichtgele bamboe, zoo blank en schoon, zoo zacht-tevreden en gansch vertrouwd, daar zoo diep beneden aan mijne voeten, is in ’t vredig dal van deemoed zoo rustiglijk gelegen, als een kind, zacht in den schoot van zijn algoede Moeder.…[54]
Niets dan dit; de parelgrijze Ardjoenå, statig rijzende in ’t blanke morgenlicht, de verre vlakte naar vage horizonnen van glans, de vredig-zachte dessa, diep in dal van deemoed, waar ’t simpele menschenleven woont.…
Ik houd mijn paard in, en zie het éven, zalig, aan, van aangezicht tot aangezicht.… En ’t is mij ineens zoo hoogheerlijk zeker, dat ik nu Gods eigen, heilig Wezen zacht voor mijne aandachtige oogen voel, want is dit niet Zijn rustige, sereene schoonheid, die daar voor mij troont en praalt, in zoo prachtig-kalme staatsie?.…
⁂
Er is in die vrouw zoo iets essentieel liefs, stellig buiten alle zinnelijke attractie òm, dat bijvoorbeeld haar eenvoudigste gebaren soms, als aan tafel het aanreiken van een gewone schaal vruchten met een lief-vragend stemmetje: „Mag ik u dit eens geven!” opeens mijn ziel op ’t allerwonderbaarst beroert. Ik geloof dat ik de éénige ben, die dat ooit van haar gevoeld heeft, en wien zij dus het allerbeste en zuiverste van haar heeft geschonken.…
Ze is toch eerder leelijk dan mooi.… er is, zou je zoo op ’t eerste gezicht zeggen, in ’t geheel niets bijzonders aan haar.… Haar trekken zijn niet zoo erg fijn en om haar mond wat ouwelijk; haar glanzige, blonde krullen zijn hier en daar wat grijs, en o, jee! haar zotte neusje, en die twee[55]dolle kuiltjes op zij van haar smalle, koddige kin!.…
Maar wat is het dan toch eigenlijk, dat van dat zelfde gezichtje zoo allerliefst over mij komt, met zoo warme goedheid, dat het me zoo wèl en zalig wordt van binnen als ze mij vriendelijk lachend aanziet? En wat is er dan toch voor heerlijk zachts overal aan haar lijf, dat ik met al mijn trots en donkeren weemoed als een kind het hoofd wel graag wil leggen in haar zoeten schoot, en in zoo diepen eerbied wel het stof wil kussen van haar voeten, en wel véél van mijn allerkostbaarst weten zou willen geven, om nog jong met haar te zijn, in den tijd, toen ik nog vragen kon of zij haar zachte ziel en lieve leden aan mijne liefde wel wou geven?
⁂
Vanmiddag tegen zes uur wandelde ik op den weg naar ’t Leverlaantje, om rechtsaf naar het „karrenplateau” te gaan. Het was een wandeling door dikken, zwaren mist. Overal wolken de grijze nevelen wijd uit. In een ravijn links, dat nog niet vol is, drijft langzaam een grauwe wolk, somber onheilspellend, zich kronkelend en rekkend als een immense slang. Boomen noch bergen zijn te zien. Het gaan is door een vaag, grauw duister, onzeker en mysterieus.
Alleen, ziet! door vreemden weerschijn van ergens in ’t Westen ondergaande zon, op een[56]bergkruin boven het paadje, waar ik loop, staat, apart en bizonder, een licht geluk. Een kleine groep tjemårå-boomen, heel stil en rustig, onder een stuk open, teederen hemel van een zacht, engelrein blauw, met vaag roze van avondrood door-droomd. Alles is grijs en duister en droef. Maar die kalme groep daar staat in een vreemde sfeer van reinen aether, zachtjes lichtend, ongelooflijk en onreëel. Een fijne japansche teekening.…
Alóm dat zware, donkere, grijze, dat alles omhult, en de dikke mist-afgronden der ravijnen, en zwartende bergen in nevel, somber-stom.…
Maar hoog in ’t hooge daar boven mij, in een aparte sfeer, eenzaam en vreezeloos, met zulk een vrome wijding van vrede overtogen, de stille, maagderanke boomen in dat zacht-bloze, rein-roze licht, liefelijk-lachend, als de morgen lacht boven den nacht.…
Zóó staat het broos geluk te lichten, overtogen van zoo wonder-teederen gloed, tot de nevelen hooger rijzen, hooger en hooger, en zachtjes kwijnt het weg, als alles wat héél broos is en te teêr om lang te wijlen.…
⁂
18 November.
Stel je nu voor, zoo’n eenzaam, ongezellig mensch als ik, die de leêge vreugde jaren schuwde, en nu gaat meêdoen aan een bal-masqué!
Stel je voor, al die dwazen van ’t Hôtel, die[57]„zachtzinnige krankzinnigen,” zooals de dokter ze noemt, in lange, witte beddelakens, op het hoofd geplooid tot capuchons, met overal blauwe en rose strikken, en maskers, gemaakt van japansche waaiers, als even zooveel dolle geesten rondspokende door het Hôtel, onder hooge fausset-geluiden. Ikzelf doe ’t hardste meê, en ben een kind geworden, een dwaas, groot kind.
En dat alles om dat ééne, ranke figuurtje, dat ik dadelijk herken onder de wijde, witte wade, al wil ik het niet weten, om haar pleizier te doen. Ze heeft vuurroode strikken om den hals en om het middel, en haar vriendelijke oogen blinken als sterren door het masker. Zij komt me plagen, en malle dingen zeggen, en ik houd me of ik haar niet ken, en laat me beetnemen, want ik weet hoe innig zoo’n kluchtig clowntje daar in groeit. En we gaan dansen, waarachtig! dansen, ik, die dat altijd zoo afschuwelijk vond. O! maar met háár warm, zacht lijf tegen je aan, zoo donzen, en met haar zoete-geur van jong vrouwtje om je heen, en de muziek van haar stem zoo melodieus streelende over je ziel, zou je zoo niet áltijd doordansen, en, alles vergetend, héél niets meer voelen dan één groote zaligheid van twee minnende zielen, zwevend op luchten cadans, in reine rythmen óp naar ’t licht geluk van liefde? O! Niets dan muziek zijn en rythme, en samen wègdroomen in allerzoetst vergeten, zóó zacht-dansend verglijden in extaze, als twee lichte wolkjes, die lucht in zeeë-horizon[58]vergaan, door koelen winde-adem gedreven!
Zóó duurt het lange uren. Er wordt wijn geschonken, serpentines warrelen door de recreatiezaal, en het sneeuwt confetti. Het wordt warm en benauwd.
„Kom, laten we wat buiten gaan,” roept het clowntje, „ik hijg naar versche lucht.”
En met ons vijven gaan we, met Mary, Annie, Sophie Wouters en haar broer.
Het is zwaar-donkere nacht buiten, zonder maan, alleen doortinteld door der sterren fonkelend licht. Annie heeft mijn arm gegrepen.
„Ik zal je Geloof, Hoop en Liefde laten zien,” zegt ze zacht.
Maar nu den weg te vinden in het donker!
Voetje voor voetje gaat het voort, rechts den hoek om, langs de kamers van den administrateur, en dàn het trapje af naar het terras. Wij zijn de achtersten. Ze is zoo bang dat ik zal vallen! Ze weet dat ik in donker zoo slecht kan zien, en de grond is glad. Zij zal niet struikelen, ze is immers zoo’n klip-geit, zegt ze. En ze stapt vooruit, en leidt me aan haar hand. Zij, zacht, broos wezentje, en ik, zoo groote, sterke man! En veilig kom ik beneden, op het terras. Waar zijn de anderen? O! dáár, rechts, in het priëel, ze zingen en lachen.
Zoo doodstil is het rondom! Vaag staan de dingen in het duister. Hier en daar, hoog in de lucht, de donkere contouren van bergen. En vèr, daar in de vlakte diep beneê, een eenzaam, droevig[59]lichtje. Zacht metaal-gezang van wind in duistere dennen.…
Een krekel neuriet wat.…
En de sterren zien het rustig aan, met liefdevol geschitter in den nacht.…
We zwijgen beiden. O neen! niet in dat priëel gaan, waar de anderen zijn. Niet lachen nu en zingen. Stil verder loopen, naar ’t uiterste einde van het terras. Zou ze meêgaan? Ik leg mijn arm in de hare, en trek haar zachtekens voort. En ze gaat. Haar ziel volgt zacht de mijne in den nacht.…
We komen achter, bij drie bloemperken. Het eene is in een kruisvorm, het andere is een hart, het derde een anker. Stil buigt ze zich over de bloemen heen. Hoe fijn is haar figuurtje in het donker! Het lijkt zoo immateriëel, zóó rein staat ze daar genegen, ze lijkt nu wel enkel een zachte ziel, ootmoedig buigend. Ik vergeet het banale van die perkenvormen en dien tuinmans-smaak.
„Dit is geloof, dit is hoop, dit is liefde,” zegt ze. „Ik heb die perken zoo genoemd.”
Ze is nu het clowntje niet meer. Zoo ernstig klinkt haar stem!
Een zoete geur van héliotrope droomt omhoog, en vergaat langs onze hoofden.…
Ik leg mijn arm om haar middel. Ze laat het toe, en is niet boos. Zacht druk ik haar lief lichaampje tegen mij aan. Gewillig laat ze ’t rusten.
„Wat is ’t donker,” zegt ze fluisterend, „heb[60]je ’t niet koud? Wil je niet een stukje van mijn shawl hebben?”
En ze staat wat van haar wollen shawl, die om haar schouders ligt, bezorgd om mijn hals. Onze hoofden zijn daardoor heel dicht bij elkaar. Wij wandelen nu zacht op en neer, vèr van de anderen.
Een groote teederheid welt in mij op. Lief, rank wezentje dáár naast mij, dat nooit door één gekend is in je zachte gratie! Ben je dan zóó, steeds ongekend door ’t leven gegaan, heeft het je gestuwd door hartstocht, heb je een kind gebaard, en al de droeve menschen-dingen meêgemaakt, en heeft niemand, ook je man niet, ooit gezien het licht mysterie in je lieve ziel? Heeft dan niemand ooit gebogen voor het diepste wezen van je vrouw-zijn, voor dat teedere, heilige in je, dat het leven niet kon schenden, en nog altijd ongerept gebleven, door je zachte oogen heenblinkt in zoo vlekkeloozen staat? Heb je dan dat allerbeste van je, dat niemand kende, kuisch alleen voor mij bewaard, en mag ik dan nu nemen, wat er maagdelijk en reinst van je gebleven is?
O! dat het nooit mag breken, liefste, dat het altijd rein tusschen ons moge blijven, en ik sterk raag wezen nu niet méér te vragen dan je geven mag in kuischheid!
Zij laat zich nu gewillig leiden. Ze vraagt niet om terug te gaan. Ik streel haar zachte hand. Mijn arm blijft om haar heen. Vertrouwelijk ziet[61]zij naar mij op. Ik weet, zij heeft zich nu ganschelijk gegeven. Wat ik nu met haar doen zal is goed. Zij zal niet wederstreven. Maar ik zal sterk blijven, en een reine ridder zijn.…
De droom, de droom is òver ons gekomen.…
Het verleden is vergeten. Het lijkt zoo vèr, zoo vèr, en het was zoo héél, héél diep beneden, dáár, duizel-diep beneden, waar wat droeve lichtjes branden, en de duistere menschen zijn.…
Nu zijn we het ontstegen, en zoo hoog, hoog in de wolken zijn wij vrij en rein van al wat lang geleên. Onze hoofden zijn nu zacht elkaar genegen, en eindelijk, na al het droeve leven, hebben wij elkaar dan gevonden, en we weten niets, dan dat we bij elkander zijn.
„Ik ben zoo van je gaan houën,” zeg ik zacht. „Ik heb zoo lang alléén geleden. Maar nu heb ik je gevonden. En hier bóven màg ’t wel. Ik mag wel van je houën, zeg?”
Ze zegt niet neen. Haar ranke lijf, dat zachtkens beeft, blijft tegen mij gevleid, en mijn arm is streelend om haar heen. Ik hoor het ademen van haar mond, en voel het kloppen van haar hart. Haar oogen zien getrouwelijk mij aan, gansch vreezeloos en onvervaard.
En, door een reinen aandrang van mijn ziel gedreven, voel ik mijn hoofd naar ’t hare neigen, en mijn lippen droomen op haar zachte wang, in teederen, kuischen kus.
Zóó staan wij, zwijgend, ziel aan ziel, der werkelijkheid[62]ontstegen, en voelen onze harten samen kloppen. Twee droeve, arme wezens, die elkaar éven in een droom ontmoeten, en dra, dra weer henegaan in ’t harde leven.…
Ik wéét, ai mij! ik weet, dit kan niet duren.… het leven mág geen zoete wonne zijn van liefde.… het Leven is lijden, lijden, lijden, en eenzaam weenen.…
Maar vast omstrengelt mijn arm haar teêre leden, en nógmaals kus ik haar lief gelaat; nog éven mag de kuische droom wel duren, en ik fluister zacht, o! zoo heel, heel zacht tegen haar lieve ziel:
„Ik hoû van je, ik hoû van je”.…
⁂
Ik heb weer op het eerste bankje in het Leverlaantje gezeten, van avond, in de schemering. Boven was alles weer mistig en vaag, maar beneden, in de ravijnen, was ’t nog helder. En niets dan dit:
Boven, tegenover mij, aan de andere, hooge zijde van ’t ravijn, het weggetje naar Wonokitri, twee paarden, achter elkaar, een bruin en een wit, langzaam, naar huis. Zoo teer en gevoelig is dat aan ’t gebeuren, tusschen de fijne stammetjes der stille tjemårås, aan weerszijden van het wegje.
Beneden in de diepte, heel ver en klein, een mannetje; plukt gras, heeft een stier aan een touw. Een zwarte koe en een bruine, aan ’t grazen,[63]scharrelen langzaam door het groen en de varens. Nu hier, dan daar, loom-zalig. Eindelijk gaat het mannetje door, een grooten bundel gras op den rug, den stier aan het touw. Hij roept de koeien, die langzaam-lijzig komen, ver van elkaar, en één blijft weer achter, grazend.…
Ruischen, ruischen de vallende beekjes, zoo stemmig in den avond-vrede, zacht intiem gepraat..
De man staat stil, roept weêr de koeien.…
De bruine blijft stilstaan, ziet òm, met den kop geheven, droomerig in de lucht.… De andere komt langzaam, zoo langzaam.… De man roept niet meer, staat stil in den avond, en kijkt omhoog, vergeet, vergeet.… Ver boven, de keelstem van een jongen, die jubelt ineens héél hoog in de lucht, van vreugde.… De koe met opgeheven kop, staart droomerig.… De ander komt zoo langzaam.… De heel stille man.… Alles zoo stil, zoo stil.… Ruischt zoo rustig het water.… Zachtjes, zachtjes klimmen de kuische tjemårås op ten hooge.…
Dit is het goede leven, en dit is de wijding, mijn ziel, die gij zoo lang hebt gezocht.…
⁂
Dát was een droevig, pijnlijk ding voor mij van morgen, dat gesprek met Mary. Ik was begonnen over Annie, en dat ik haar toch zoo’n innig lief wezentje vond.[64]
„Ja, o! zoo lief!” zei Mary ernstig, „er is iets aan haar, je weet niet wat het is, waardoor je vreeselijk van haar gaat hoûen, of je wilt of niet: Maar o! het is tegelijk zoo’n zwak poppetje, zoo’n kind nog.”
„Hoe bedoel je dat: zwak?”
„Ik bedoel niet zwak van lichaam of zoo, want ze is nu weer heel gezond, en ze heeft rozen op haar wangen. Maar zwak van karakter. Ze heeft zelf eigenlijk heelemaal geen bestaan. Ze is altijd onder den invloed van een ander. En ze is een echt kindje van het oogenblik.”
„Ik begrijp je nog niet goed.”
„Kijk, zóó bedoel ik het. Ze is nog zoo’n gansje. Ze weet nog zoo weinig van de menschen en de wereld. Ze vindt het bijvoorbeeld vreeselijk om alléén te zijn. Ze heeft een groote behoefte om gekoesterd en lief gedaan te worden, en zich tegen iemand aan te vleien, die grooter is. Ze is net een wassen poppetje. Je kunt haar kneden zooals je wilt. Iedereen krijgt haar weer onder een anderen indruk. Maar het blijft niet lang bij haar, zoodra ze weer alleen is. Je zou eigenlijk aldoor bij haar moeten zijn om iets heel goeds van haar te maken. En nu wou ik je nog wel eens iets zeggen, maar je mag niet boos worden?”
„—Neen, heusch niet, je weet wel, dat ik ’t van jou wel verdragen kan.”
„Nu dan, ik heb gehoord dat je eergisterenavond erg lief met Annie geweest bent op het[65]terras, en dat je haar gezoend hebt. En dat vind ik niet mooi van jou, en vooral niet van Annie. Het is onverantwoordelijk van haar.”
Een vlijmende pijn steekt in mijn hart. En ik zeg eerlijk:
„Ik kon het niet helpen, beste zus. Het is zoo inééns gekomen, ik was alles vergeten. Je zult wel gemerkt hebben, hoe innig ik mij aan dat lieve,teêrewezentje gehecht heb, al begrijp ik het zelf niet van me.”
„Juist dáárom, Rudolf. Van jou kan ik het me begrijpen, zelfs al was je nog getrouwd met je lieve Louise, die toch eigenlijk meer een zuster voor je was. Maar juist omdat jij Rudolf de Wall bent, en omdat ze uit je verzen weet, hoe diep je voelt, zooveel dieper dan anderen, en omdat ze heel goed weet hoe mooi en innig je van haar bent gaan houden,—dát heeft ze wel gezien, hoor!—daarom had ze dadelijk van je weg moeten loopen, en zich niet laten liefkoozen, en niet door haar blijven je doen voelen, dat ze het prettig vond.”
„Maar waaròm dan toch, zusje?”
„Waarom? Maar zie je dat dan niet? Om het vreeselijke verdriet dat ze je zal aandoen later. Ze blijft nog maar heel kort hier. Ze zal doorgaan, lief met je te wezen. Ze zal doorgaan met van de anderen weg te loopen om alleen op eenzame plekjes met je te zijn, en ze zal zich laten kussen en liefkoozen en lieve, prettige dingen door je[66]laten zeggen, en je nog véél verliefder maken dan je al bent. Ze zal je vragen om wandelingen te maken en dan met je op eenzame plekjes zitten en een echte lieveling voor je blijven. En niet uit coquetterie of flirtation, maar omdat het lieve kind heusch veel van je is gaan honden. Maar vergeet je haar man dan? Is het eerlijk en oprecht tegen haar man? Heb je daar nooit eens over gedacht?”
O! o! de pijn, de vlijmende, scherpe pijn ineens in mijn hart!
En Mary gaat door, op haar vriendelijken, moederlijken toon:
„En als ze dan weg is? Zal het dan voor jou voorbij zijn? Zal je dan niet vrééselijk van haar zijn gaan houden? Je voelt het zooveel sterker dan zij. Want zij kan het beter vergeten. En zal je dan niet véél ongelukkiger zijn dan vóór je hier kwam?”
Ik probeer nog te zeggen: „Ik zal haar toch nog wel eens zien. Wie weet, wordt haar man nog niet eens in Soerabaia geplaatst. En ze komt nog eerst in Soerabaia logeeren, als ze van hier weggaat, zegt ze.”
„Dat zal ze niet, Ru. Dat weet je heel goed. Misschien in ’t begin, dat ze nog wel eens probeeren zal je te ontmoeten. Maar die indruk van Tosari zal hoe langer hoe zwakker bij haar worden. Ze is veel te zwak van karakter om lang iets groots te voelen. Ze zal het vergeten zijn, als een[67]mooien, prettigen droom dien ze had. En inplaats van jouw invloed komt dan weer de invloed van haar man. Want ze is altijd onder den indruk van wie het meest en dichtst bij haar is. Ik zei, ze is een kindje van het oogenblik. En ze zal terugzinken in den sleur van het alledaagsch leventje, van haar huishouden, haar man, haar kinderen die ze zal krijgen, haar visites, haar dinertjes, en je heelemaal vergeten, ook omdat haar man nu haar verliefdheid anders zal bevredigen. Ik weet dat het hard klinkt, Ru, maar ’t is goed dat je ’t eens hoort. En ik ben niet zoo’n heel jong meisje meer, ik mag je dat best zóó zeggen. Ze zal je vergeten, en je zult haar onverschillig worden. En als jij dan misschien ’s nachts om haar zult liggen snikken, en je droef leven nog véél droever zal zijn geworden dan vóór je haar kende, dan zal zij geen oogenblik zelfs maar denken aan hoe je lijdt en hoe je hart pijn heeft, maar in de armen liggen van haar man. En dat is onrecht, Ru, dat is wreed, wreed onrecht, dat kan nooit goed zijn. Ze zal het nooit beseffen, omdat ze eigenlijk maar een zwak, lichtzinnig kindje is. Maar ze zal je ’n vreeselijk groot verdriet aandoen.…”
Ze spreekt niet door, want ze ziet de tranen in mijn oogen staan.
Ja, ik wéét het, ik wéét het, dat Mary gelijk heeft. Maar ik antwoord heel gelaten:
„Ik wéét het, zusje. Maar ik heb nu zóó jaren lang verdriet gehad en me zoo eenzaam gevoeld,[68]dat ik nu o! zoo graag ook eens een klein beetje geluk zou willen proeven. Laat me nu dien héél korten tijd nog maar éven gelukkig zijn met mijn droom. Dan wil ik er graag later weer erg voor lijden. En al doet ze dan ook nog zoo wreed en koud en ondankbaar tegen me, tóch zal ik haar altijd blijven zegenen voor het geluk dat ze mij gegeven heeft, voor al het lieve en vriendelijke en warm-weldadige, dat mijn eenzaam leven ééns van haar heeft mogen krijgen.”
Mary schudt het hoofd en zegt: „Je bent een dwaze droomer, Ru. En je zult je zelf altijd ongelukkig maken.”
En ik weet ineens, wat ik moet antwoorden, dat ze niets meer terug kan zeggen:
„Het zijn heel teêre dingen, zusje, om over te spreken. Maar zóó zou ik het u kunnen uitleggen. Ik geloof dat Annie zelf niet weet, hoe ’n zachte,teêreziel van God ze heeft. Ze mag getrouwd zijn geweest, en nu gauw weer naar haar tweeden man gaan, en zich aan hem geven. Maar het allermooiste van haar hebiktoch gehad.Ikheb haar lieve ziel gezien, en die heeft ze aan mij gegeven, al weet ze ’t zelf misschien niet zoo. ’t Is heelemaal zonder iets onreins geweest wat ik voor haar voel. Alleen een groote, groote teederheid, bijna als voor een kind. Ja, soms,—ik ben geen engel,—héél enkele keeren, is het heviger geworden, maar ik heb er niet aan toegegeven. Ze lijkt me eigenlijk véél te lief en te broos voor[69]iets anders. Noem ’t maar een beetje ziekelijk, misschien is ’t dat ook wel. Maar ik kan er niets aan doen. Ik heb alleen van de zachte ziel gehouden, die door haar lieve leden heenschijnt, het allerreinste van haar heb ik gehad, en nooit kan dat een ander krijgen.”
⁂
Ze is toch zoo’n dom gansje. Ze weet niets. Ze heeft bijna niets gelezen, zoo goed als geen muziek gehoord, en weet ook maar niet het allereerste beginsel van de groote sociale vraagstukken, die de wereld vervullen. Ze staat heel vèr buiten mijn ideeën, en zou me in niets kunnen helpen, en in ’t geheel niet met mij meê kunnen leven als ze eens bij mij was.
En toch kan het heel goed zijn dat zij dichter bij de hoogste wijsheid is dan ik. Want de hoogste wijsheid, niet waar, moet zoo uiterst simpel zijn, en zonder denken, vèr boven gedachten uit, aanlanden in de reine rust van ’t onbewust-natuurlijke. Bijvoorbeeld zooals een bloem staat, stil in den avond, gedachteloos, zwijgend van innig gevoel, of zooals een heel klein kindje, dat zachtjes ligt te lachen tegen moeder. En zóó lijkt me mijn lieveling al het moois om haar heen te zien. Als ik ’s avonds met haar in ’t priëel zit op het terras, en we kijken naar de vage berglijnen en den praal der sterren, dan heeft ze geen behoefte, zooals ik, om zich te uiten en te zeggen hoe mooi[70]het wel is. Ze zit maar stil te kijken, zooals een bloem, geloof ik, naar de sterren ziet, zoo stil en onbewust. Het is niet eens apart mooi voor haar, maar heel gewoon, eenvoudig de simpele schoonheid, die nu eenmaal past bij hare lieve ziel en zachte gratie.…
Ik zie haar ook het liefst in heel gewone dingen; er moet vooral niets bijzonders aan haar zijn. Als zij speelt met haar kindje, en er lief tegen doet. Als zij zit te lezen, en het verhaal boeit haar, zoodat haar gezicht opeens heel ernstig wordt, en haar oogen in spanning de regels volgen. Als zij heel gewoon me iets aangeeft, en de vriendelijkheid,waarmeêze dat doet! of wel, als ik haar tegenkom, en hoe ze dan melodieus „Dág!.… Dág!.…” kan roepen, lang uitgehaald, en met zoo’n warme, doordringende liefheid, dat je de tranen in de oogen komen. En hoe ze een bloem plukt, die heel innig aanziet, en dan voorzichtig in haar ceinture steekt!
In al die kleine gebeurlijkheden, door al die heel gewone gebaren licht de kalme gratie van Gods zachte engelen, en in die lieve menschen-vrouw woont onbewust de ziele van een serafijn.
Ze weet het niet, ze weet het niet.… En dit is wel juist het mooiste.… Het is ook nooit door anderen gezien, ik ben de éénige die door haar uiterlijken schijn haar reinste, innigste wezen heb vermoed.…
Door ’t leven hier en dáár gedreven, door[71]hartstocht heen en barensnood, een frêle, zwak wezentje, beland in ruwe mannenarmen, en doende al de droeve, duistere dingen die des levens zijn.…
Maar haar lichte ziel, uit God gegeven, is toch áltijd onbesmet gebleven, én ik kniel in deemoed voor háár neer.…
Uw zachte gratie, uw lichte engelenschijn, mijn liefste, zijn voor mij, en wat ik in u zie en liefheb is beter dan wat gij zelve denkt te zijn.…
Het spreekt zoo liefelijk tegen mijn ziel in al uw reine vrouwe-gebaren, in ’t lachen van uw oogen, in ’t wuiven van uw hand, in ’t blij goêdag-zeggen van uw stem, en o! in ’t rustiglijk neêrvleien van uw zacht hoofd aan mijnen schouder.…
En dáárom heb ik u lief, dáárom alléén, en dit is reiner en beter dan waarom anderen u ooit hebben liefgehad of lief zullen hebben.
Want ik heb lief in u wat onvergankelijk is en nooit kan sterven, wat maar héél kort nog wijlen kun in uw teêre lijf en zachte leden, om éenmaal weer in Gods eigen wezen te verdroomen, in puren, onbevlekten staat.…
⁂
Van dehôtel-gastenwil ik liefst zoo weinig mogelijk zeggen in mijn dagboek. Maar éven toch dit. Als de indische maatschappij maar aldoor zóó was als hier, dan zou het er heusch wel in uit te houden zijn. De heerlijke berglucht waait[72]hier al het ridicule poeha en de larie weg, en maakt weer gewone, prettige menschen van al de pseudo-gewichtige grootheden en potentaten. En me dunkt, het kán ook moeilijk anders. Wie kan zich nog een sommiteit, een allerhoogste hoogheid vinden, als hij van den Penandjaän in het ontzaglijk dal der dooden staart?
Wèl worden er dolle dingen gedaan; men gaat b. v. met geheele benden naar den Bromo, en speelt al de spelletjes van ’s avonds nog eens over.… in de Zandzee, ongevoelig voor het schoon rondom. Maar men behoeft zich niet te ergeren, door eenvoudig niet meê te gaan.
Ook is het ras der poenen nergens heelemaal afwezig, en ook hier slenteren er een paar van rond.
En het is hard en pijnlijk, een lief, rein wezen als Annie ’s avonds in de recreatiezaal te zien dansen in de armen van den eersten den besten vlegel, die niet waard is, maar éven in haar oogen te zien. Maar zij wéét het niet, en ik vind het beter, er haar niets van te zeggen. Laat zij de menschen maar allen lief en goed zien! Dat hoort zoo heelemaal bij haar altijd-lachend gezicht, en haar kinderlijke vroolijkheid van levenslustig, gezond vrouwtje!
Het is of van haar een glans uitgaat van innerlijke reinheid, die over álle donkere menschen-gezichten een zacht licht doet gaan.
En als ik haar zoo vriendelijk en hartelijk zie doen met iedereen, zoo heelemaal nog als een[73]kind, en of er geen zonde of kwaad bestond, dan wilde ik wel heel graag al mijn droeve weten en mijn bittere wijsheid geven voor háár zuiver, vreugdevol gemoed, zoo licht van eigen blijheidsglans, dat al het duistere rondom in zachte glorie staat.…
⁂
Vanmorgen hebben wij gewandeld in de „Doktersvallei,” een van de mooiste wandelingen, die hier zijn.
Annie zou ons den weg wijzen, Mary, Sophie en mij. Om half zeven ’s ochtends gingen wij uit. Eerst rechts van hetHôtel, den weg naar Telegosari, maar dan, inplaats van recht door, linksaf, en langs die mooie, schilderachtige plek, die „de koeienweide” heet. Een smal pad voert langs een plateau met hooge, ranke tjemårås, een open grasveld aan den voet, waar koeien grazen.
Van daar uit ligt de vlakte open voor ons, met vèr de heuvelruggen om ’t Malangsche, en daarachter de Ardjoenå, die het gansche landschap houdt.
Rein als een jonge God rees Ardjoenå omhoog in ’t morgenlicht. Langs zijn toppen een blinkend, verblindend blanke streep sneeuwwit, onbewegelijk, een hooge lucht-band eindeloos wijd over de hemelen, vèr en vèr. En aan zijn voet een offering van witte wolkbloemen, van een allerreinst, smetteloos wit, ontzaglijk en toch zoo donzen-zacht,[74]lucht zwevende in het April-blauw van de hemelen.…
Wij komen bij de dessa Kertoanom, een echt Tenggerdorp van schamele, lage hutten, en nu gaat opeens een steil, glibberig pad verticaal naar beneden, in eene diepe ravijnkloof.
Nu is Annie in haar element! Wie zal het eerst vallen? De grond is zoo glad van den regen! Je moet een klipgeit wezen om daar af te komen! Zij zal wel voorgaan, ze is niet bang, hoor! Ze heeft het méér gedaan, en ze weet den weg! En daar gaat ze, haar lucht, rank figuurtje in de wijd-waaiende, licht-rose baby, met de breede kanten van haar witte kraag als blanke bloemen om haar hals. Hoe vlug trippen haar gele schoentjes over den gladden grond! Ze lijkt wel te zweven, als een groote, rose kapel.… Ik volg, vlák achter haar, maar met veel moeite. Plof! daar lig ik in den modder, potsierlijk. En ik ben er half blij om, nu zij hoog uitschatert haar koddig lachen om het dolle geval. Wat doet het goed aan je hart dat gulle, blijde lachen, als je zoo héél, héél lang maar niets dan peinzen en droefheid hebt gekend, en niet meer wist wat vreugde was! En nu, als ze flink heeft uitgelachen, de zachte, warme hand die ze je toesteekt, om je óp te helpen! En dat vriendelijke bezorgde vragen, of je je soms pijn hebt gedaan.
Ze laat me nu haar hand, en zóó komen we, als twee groote kinderen, in een diepe valeikloof.[75]De anderen zijn natuurlijk weer achtergebleven. We zijn hun veel te vlug af met ons beidjes.
Hoe diep staan we nu beneden! Overal, wáár onze oogen ook komen, glanst groen van boomen en varens, immense boeketten, hoog klimmende tegen de hellingen. Het welft zich boven onze hoofden in zware, breede bogen, en buigt zich beschuttend over ons heen. Hoe sterk, en toch hoe teeder, dat opschietende, hooge bamboe, neêr-zegenend in zoo fijne, spitse loovertjes! Hoe wijs en wèl-bewust die veêren varens, lucht wiegende op winde-adem, zoo teêr-trillende als zachte zielen!
En hoor! overal, van rechts, van links, van boven, van beneden, de zoete muziek van ruischende wateren, liefelijk en melodieus.…
Het pad is sinds lang niet meer onderhouden, en hooghalmend gras is er overheen gegroeid, in wilde verwarring. Maar Annie weet er den weg als een kind van het bosch. Haar rose baby waait als een zacht-wuivende vlag van liefde door het groen. Dra moeten we weer klimmen, de andere helling van ’t ravijn op. Ze blijft me altijd maar vóór, vlug, licht wezentje dat ze is. Als ze op een hoog punt is gekomen staat ze stil en wacht op mij. Hoe lief is dan haar hoofd genegen, en hoe vriendelijk reikt ze me haar handen toe! Hoe frisch en blozend haar kluchtige, prettige gezichtje uitkijkend van onder haar breeden, slappen zonnehoed vol plooien en deuken! Wat licht en[76]glanzend blij, zoo’n stralend jong vrouwtje onder het welvende groen, donker-belommerd!
Telkens wijst ze me ondeugend op intieme, heerlijke plekjes, zacht beschaduwde priëelen onder bamboe-loover, waar het zoo heel zacht rusten moet zijn. Maar het mooiste komt pas later. Opeens, ergens, een open plek, waar boven lichte, blauwe hemel schijnt. Een blanke, zilveren waterval schiet zacht-zingend van rotsen, en groote steenblokken liggen verspreid als zetels, waar het water langs ruischt.
Een groote, weldadige koelte waait er van in de lucht. Je voelt een jonge, reine kracht in je longen stroomen, en ’t is of je één wordt met de boomen om je heen, zóó thuis voel je je ineens in de natuur.
Groen, groen, glanzend, schitterend groen rondom. De lichtblauwe hemel, klaar-stralend. Het reine, goede, lavende water Gods, als een zegen daar neêrgelaten van boven. Vogelen zingen van vreugde in het rond.
En een groote, breed-ópdeinende behoefte om weer jong te zijn, en niet te weten, dwalende, dwalende met de liefste door Gods glanzende natuur, en te drinken van de klare berglucht, en te luisteren naar het ruischen der wuivende bamboe, en het klaterend gepraat van het water, intiem en vertrouwd, en het zacht, gelijkmatig geklop te voelen van twee in zaligheid tegen elkaar bevende harten.… O! een groot, groot verlangen om al het verleden en het leed met één forschen zwaai[77]van me àf te schudden, en luid-uitjubelend van levens-lust de jonge Liefste aan het van jonge liefde hamerend hart te prangen.…
Ze staat stil. De wijde, rose baby met golvende plooien om haar heen. Ze is zacht als een teedere bloem in al het schoon rondom. Ze is een zoete, rose roos in het groen, rank oprijzend omhoog.…
En ik weet niets meer, ik weet niets meer dan dat ik haar liefheb, ik weet niet van tijd en verleden en van wat moet komen.… Mijn zachte, lichte lieveling.… Mijn blijde, blozende bloem..
Zacht-streelend omvat mijn arm haar teedere leden, en mijn lippen, zij zweven langs haar voorhoofd, haar wangen en haar hals, zoo voorzichtig, zonder kus, als rose vlinders langs ranke bloemen, want dit is de droom, de broze droom, die niet mag duren, en bij hoogste spanning breekt.… Ik zie diep in haar oogen het reine glanzen van haar ziel, ik voel een warme, zoete strooming van haar lijf in ’t mijne vloeien, waar ze zich blozende tegen mij heeft aangevlijd, en ’t is mij in die kuische omarmimg of ik één leven met haar ben, één leven van niets dan vreugde en geluk, onbewust en tevreden, als van een tweelingbloem, rustig-rijzende naar ’t licht.…
⁂
Dat was mooi van avond!
Met Mary in het eerste priëel gezeten, links op het terras, bij laten zonsondergang.[78]
In ’t Westen de donkere, sombere trots-lijnen van de bergkammen, fèl-zwart in rooden brand van de lucht. Om den Ardjoenå zware, witgrijze triomfwolken, waartusschen, heel in ’t midden, een veeg intens bloedrood. Als een donkere, blauw-grijze bol stijgt hij op in ’t rossig-grauwe duister, zijne toppen verdwijnend in nevel. Alles is rood-donkere sombernis daar vóór mij.…
Maar als ik mij nu omwend is o! daar achter, in ’t Oosten, alles lichter, lichter, in een zacht vrede-willen. De lijnen der bergruggen zweven daar, bevende contouren, langzaam biddend langs lichte lucht.
Benèden, vèr, in luchte waze van transparante aether-schittering, ligt de vage vlakte.
Een rij grijze wolken drijft langzaam, langzaam boven de bergen-golven, één groote heeft licht-zilveren randen. Een voorgevoel van vreemde zaligheid beeft zacht trillende in die teêre sfeer.…
Tot statig heft óp het lumineerend bleeke hoofd, boven de reine wolkenranden, de milde maan, schitterend van vrede. Een groote liefde licht vèr en vèr door de lucht.…
Rijst nu langzaam, langzaam boven de biddende bergen dat volle, blank-blinkende maan-gelaat, en ziet met zacht-wijzen, àl-goeden blik over de wereld, veilig in eigen, eindeloozen glans van puurheid.
En de wolken drijven zacht-waaiend uiteen, en worden lange, wijde vegen schitterlicht, wuivend[79]vèr door de hemelen, als gewaden van droomende engelen.
De bergen zoo gansch tevreden daaronder, deemoedig geknield, in zilveren schijn.
En de vlakte daar ginds, zoo vèr en vèr beneden, in een doorschijnende mane-waze, één wijde beving van licht door trillenden avondnevel, als toegedekt in haren droomeslaap door een aetherische wade, vaag als een vèr visioen.… Maar in het hóógste hooge is de atmosfeer helder en klaar, en boven de fijne neveldroomen hangt het heilig Godsgewelf, maagdenblauw in engelenkleur, met het sereene, wijze maangezicht glanzende van liefde, en der vrome sterren zacht-tintelenden blik.…
Droom nu, droom nu, mijn ziel, want die vrede zijt gij zelve, en tot vrede zult gij éénmaal wederkeeren, als dit arm hart niet meer zal kloppen, dat àl maar langt naar liefde, en maar niet rusten wil.…
⁂
Gisteren ben ik met Mary naar Nongko Djadjar geweest. Annie voelde zich niet wel en kon niet meê.
Wat een héél ander mooi weer, dat Nongko Djadjar, dan Tosari! Het is maar 9¼ paal verder, en 570 M. lager gelegen, en hoe héél anders is daar ineens de natuur! In plaats van de kale bergen, enkel glinsterend van kool-velden, met[80]hier en daar stille, eenzame rijen tjemårås, nu ineens het wilde wouden-mooi, in dichte pracht van glorieus groen!
Wij reden uit in den ochtend, tegen half zes, het steile bergpad op naar Pådåkåjå, ineens weer hóóg de lucht in. Omkijkend in den zadel zie je vèr de vlakte, nog vage, en wazend in den dauwen nevel. De Ardjoenå donkerpurper blozend in eersten zonne-gloed van den morgen, een keizerlijk heerscher van de wereld rondom.
Het ging in galop, lustig door jonge winden, langs diepe ravijnen en kloven, langs ’t vrede-dal van Ngadiwono, en dan al maar recht door, tot aan een nauw paadje, hoog tusschen bergwanden. Dáár staat ineens, in vèrre verte, boven lager bergen triomfantelijk opgerezen, in zacht grijs-blauw, de bolronde top van den Semeroe, pralend in de lucht.
Nu weêr rechtsaf, door lager glooiende wegen, al lager en lager. Er komen al meer en méér boomen, al bijna bosschen, en zachter-zoeler wordt al de lucht. Tot eindelijk, na anderhalf uur flink rijden, een steil rots-pad diep neêr gaat in nauwe kloof. Dit is de Kletta-pas, naar Nongko Djadjar.
Het steil-dalende rotspad vol zware steenblokken daalt langs rechten hoogen bergwand naar diep ravijn. Maar het zijn bergen van blinkend groen, want alles is dicht, zwaar begroeid, tot hóóg in de hóógste toppen, òveral, òveral boomen, hoog boven elkaar; ze schijnen aan weerszijden[81]te zweven in de lucht, immense reuzen-varens, groot als palmen, en breed-gepluimde bladerkronen van onbekenden vreemden woud-bloei, en glorieuze bloesem-boeketten, hangend in de lucht. Links langs de helling boven liggen verlaten kina-plantages, al jaren verwilderd in weelderige pracht, rechts van ’t ravijn stijgt het oer-woud, nog gaaf en ongeschonden, in maagdelijken staat. Het zijn hooge bergen van boomen en bloemen, oprijzend in de lucht, in een triomf van wijd-waaierende varens, wuivend in den wind, en hoog-opschietende bamboe, met zwaar-neigende pluimen. En ongezien storten groote water-vallen klaterend langs de bergwanden. Nu niet meer het zacht geruisch der beekjes als in Tosari, maar luid-schaterend orchest van zware waterstroomen, schetterend in het rond. Het is òveral, boven je hoofd, en op zijde, en beneden, je weet niet wáár, maar het loeit en brult en klatert langs je heen.
De paarden stappen voorzichtig over de harde rotsblokken van de pas, waar de weg met grillige windingen daalt. En bij iedere bocht weer nieuwe pracht van boomen en veeren varens, en hoog-opschietende bamboe-boeketten met zware, breede wuive-pluimen. Even, dàn weer weg, zie je zoo’n breede, zilveren water-kolom flikkerend door het groen vallen. De lucht is gansch puur, in klare koelte van dat frissche, zuiverende water. Je voelt het heerlijk lavend door je lichaam gaan, en je bent blij, te ademen in dit reine schoon.[82]
Nog dalen, en dalen, en altijd dalen, tot een smal, zacht hellend paadje het bosch in leidt. Nu is de moeilijkste weg voorbij, want na een half uur kalm draven houdt je stil voor het rustige, eenvoudigehôtelvan Weyrich, waar een stevig ontbijt al klaar staat. Hoe heerlijk is het te eten, na zoo’n langen, vermoeienden rit, met al die klare, koele berglucht in je longen! Waar is nu het leed, en het duister, en de droevige gedachten?.… Leven, leven, en de lucht te drinken in de bergen, en blij te kijken in het blinkende groen, waar het luistere licht glanst over de vòl-schoone wereld!
Zoo stemmig en rustig dat huisje van Weyrich in dat groene bosch! Wij hebben den geheelen ochtend zitten praten in de voorgalerij, en zijn toen bloemen gaan plukken, als kinderen. ’s Middags na de rijsttafel hebben we wat geslapen, en zijn toen, na het theedrinken, het bosch in gegaan. Eerst liepen wij door de kampong, met haar eenvoudige, bamboe huisjes, en toen kwamen we op een smal bosch-pad langs een diep ravijn.
O! die heerlijke bosch-eenzaamheid daar! Dat dichte, majestueuze natuur-woud daar diep beneden, en dan stijgend, stijgend langs de wanden omhoog. Die vreemde, en toch wèlbekende boomen overal, heel niet indisch lijkend, eerder hollandsch en van lang geleden, nu ineens weêr terug.
Het echte wouden-mooi van heerlijk Holland![83]In de plechtige vóóravond-stilte, onder het donkergroene lommer, het tikken van een specht op een stam, het krassen van een raaf, en het melancholiek geschreeuw van een uil. En hóór, daar vèr—de stilte wordt nog stiller—roept de koekkoek.
Opeens, vlakbij, in ’t ravijn, een luid geruisch in de boomen, en kijk, daar zwaait een zwarte aap door het groen, vliegend van tak tot tak. Kijk, nóg een, en nóg een, in slingers springen zij achter elkaar, van den eenen boom in den anderen. Eén groote, zeker een oude, zwart met dik-wollen vacht, blijft stil zitten, en kijkt ons aandachtig aan. Zijn lange staart hangt roerloos van een tak naar beneden. Mary wuift hem toe met haar zakdoek. Een grijns, een schreeuw, en hij laat zich loodrecht naar beneden vallen, en verdwijnt in de struiken, diep in ’t ravijn. Dàn is alles weer stil. Tot weer èven de koekkoek roept in de verte, en de specht de stammen tikt.
Zóó hebben wij geloopen door het bosch, en hebben onzen naam gesneden in een boom, en wilde rozen geplukt, die bloeien langs den weg. Het was niet meer te gelooven, dat we nu heusch nog in Indië waren. Het was een oud, mooi bosch in Holland, waar we als kinderen dwaalden, broertje en zusje, en elkaar sprookjes vertelden van feeën en kabouters, om, straks bang geworden door onze eigen fantasie, de handen stijf te zaâm geknepen, en dicht tegen elkaar aan gedrongen, angstig zwijgend naar huis te gaan,—wijl de[84]avond zwaar-schaduwend neêrdaalt over de stille boomen, waar de vogels nog maar héél even ritselen in ’t groen.…
Het stemmige, rustige, intieme, het grootsche en toch gansch eenvoudige van een sprookjesbosch, dat was voor mij de impressie van de wandeling in Nongko Djadjar.
⁂
O! Die kleine, innige liefheden van het verliefd-zijn! Ben ik dan een kind geworden?
Waar is dan nu mijn wijsheid, die ik zoo staâg vergaarde, in jarenlange studie, en nacht aan nacht zorgvuldig zamelde bij ’t late lamplicht? En al mijn verzen van de reine eenzaamheid, en ’t, ongerept van liefde, veilig leven in de kalme contemplatie!
Zie me nu ’s ochtends een boeketje rozen zetten in een glas naast haar bord! Als ze aan tafel komt,—wat laat altijd, als de andere gasten al weg zijn,—lacht ze zacht tegen mijn bloemen, en knikt me dankbaar toe. Ze heeft ook wel eens wilde viooltjes geplukt in den tuin, en één zoo’n teêr bloemetje houdt ze spelend in haar mond. Dat vraag ik dan, en kus het, en bewaar het in een liefste boek, Verlaine, of Van Eeden.
’s Avonds vóór het diner, om acht uur, sta ik te wachten, met een groote, donkere roos, of ze nog niet het pleintje bij haar kamer afkomt. En als haar lieve voeten zachtekens komen aangetript, klopt toch zoo mijn hart! Dan mag ik zelf mijn[85]roos vaststeken tusschen haar ceinture, en ik voel haar zacht, warm lijf zoo heel dicht hij mij. Soms kus ik dan even het donzen vleesch van haar arm.
Na het spelen of lezen in de recreatiezaal, na ’t eten, vóór ze naar bed gaat, houdt ze er van, nog wat heen en weer te wandelen, op ’t achterpleintje. „IJsberen” noemen we dat. Met ons vieren, Annie, Mary, Sophie en ik. Ze heeft dan haar bruine, groote shawl om. En ze wil wel, dat ik onder de shawl door mijn arm in den hare leg, en ik streel haar warme, zachte hand, en speel met hare vingers. Die heerlijk koude lucht; is ’t niet of je in Holland bent? Wat is ’t dan zalig warm daar aan haar lijf, hoe veilig is ’t dan bij haar. O ja, ik weet het wel, het blijft niet altijd teêr en zoo heel zacht in mij. Somtijds gaat mij een lange rilling door het lijf, als mijn arm haar lief lichaam even omstrengelt, en ik voel het bloed, dat stijgt naar mijn hoofd, en ik duizel, en mijn hart klopt hamerend. Dat is het verlangen.… ik wéét, dat is het verlangen.… O! Nu haar meê te nemen, waar het eenzaam is en veilig, tusschen goede muren, met haar neêr te zinken op zachte, donzen sponde, en haar heerlijk lijf te omvatten in vlammend begeeren! Haar héélemaal te nemen, van haar zoeten mond te drinken, ál haar lieve leden langs te kussen, héélemaal één met haar eigen, warme lijf in zalig zwijmelen snikkend te vergaan!
Maar sterker is dat ééne, groote gevoel in mij. „Je moet een reine ridder zijn.… het mag niet[86]breken.… zij hoort een ander toe.… alleen haar ziel is je van God gegeven.… bedenk dat wèl.”
Ja, Mary had wel gelijk, zoo’n teêr, zwak vrouwtje is Annie toch. Somtijds, als ze met zus op de canapé zit te praten, wordt ze ineens stil, legt zacht haar krullekopje op haar schouder, en nestelt zich dicht tegen haar aan. ’t Is dan of haar schuchtere ziel opeens geschrokken is van ’t harde leven, en ze zich tegen een vriendin moet vleien om bescherming.
Ik zal dat zachte neigen van haar hoofd niet licht vergeten. Hoe zal ’t altijd bij me zijn, als ik later weer alleen zit op mijn kamer, bij ’t bleeke lamplicht, en de sombere gepeinzen van twijfel komen! Ik geloof, als ik dan weêr wanhoop, en ’t allerergste lijkt me droevig-waar, dan zal ik háár liefgenegen hoofd weer voor me zien en weten, dat alles goed is, en van God gegeven, al lijkt het kwade ’t meest reëel.
Gisteren-avond zaten we buiten, in de vóórgalerij vóór Mary’s kamer, in lange luierstoelen. Ze had het koud, zei ze. Ik mocht haar shawl halen, en haar die omslaan. Maar nóg beefde ze een beetje. Toen heb ik een wollen deken gehaald, en als een kind haar warmpjes ingestopt. Haar voeten goed er onder, en haar handen. En ik heb haar een glas warme punch gebracht. Mary en Sophie Wouters hadden er schik in, en lachten dat ik haar vader was. En werkelijk, het was of ze alleen maar mijn zachte kind was, dat ik beschutten[87]moest tegen koû. Zoo is ze heel stil blijven liggen, terwijl wij drieën vroolijk doorpraatten, en gekheid maakten. Nu en dan klonk alleen haar heldere lach als ze iets bijzonder koddig vond. Zóó lag ze daar stil pleizier te hebben.
Buiten, vóór mij, in het Zuiden, zag ik de donkere berggevaarten, zwart-sombere rijzenis in den nacht. Zwaar-donkere wolken dreven laag in de lucht. En de wind waaide soms met wilde vlagen.
Wij zaten goed beschut, met de heete punch ons warmend, maar ik zag toch heel goed dat sombere mysterie van den nacht, dat woeste, zwarte wereld-wezen zoo groot en hoog daarbuiten.
En opeens voelde ik een groote teederheid in mij opwellen voor het zwakke broze wezentje daar vóór mij, zoo teêr en hulpeloos in het groote leven, en zoo maar voortgestuwd door de macht der dingen, zonder eigen kracht; een lief, zacht lam in droeve, duistere heide. O! Nu het op te mogen nemen in mijn sterke armen en het altijd warm te schutten met mijn liefde! Haar ál het mooi te leeren, waar ze niet van weet, het moois van Gods groote natuur, en van de kunst, haar zwakke oogen langzaam, langzaam òp te leeren zien in het Groote Licht! En ik zelf mij veiligend voor zondig-duistere gedachten, met de reine intuïtie van haar ziel, die allerkostbaarste gave, die de vrouw van God gegeven is!
Toen het laat werd is ze stil opgestaan, heeft[88]nog even lief goênacht gezegd, en is toen slapen gegaan. Nóg hoor ik het zacht gerucht van hare lieve voeten, wegtrippend in den nacht.…
Maar ik heb nog héél lang eenzaam op en neêr gewandeld, waar het donker was en zwart. En aldoor zag ik maar vóór me haar lieve lichaam zoo droomerig uitgestrekt in den stoel, mijn groote kind, door mij toegedekt, en tegen koû beschut.
Ééns, ééns zal komen de tijd, dat zij is heengegaan, dat zij een vreemde is onder ál vreemde menschen, en in leed of vreugde, in zaligheid of pijn, mag mijn arm niet òm haar zijn. Ze zal mij niet meer kennen, en als ik ééns moet sterven zal zij vèrre van mij wezen, en nimmer weenen. Haar lach zal nooit meer lichten in mijn leven, en al het lieve,teêre, heilige, dat nu tusschen onze zielen leeft, zal vergeten zijn.…
Zóó loop ik droef te peinzen, in den zwarten, kouden nacht, waar zooéven zacht verstierf het ruischen van haar rok, het lucht gerucht van hare lieve voeten.…
En tòch moet er een „Dieu clément” zijn.… een wijze, ál-gerechte God, die enkel ’t goede wil.…
⁂
Ik heb wat koorts, van den vermoeienden tocht naar den Bromo, en vanmiddag had ik zoo hevige hartkloppingen, dat ik mij erg ongerust maakte.[89]Maar ik wil toch nog even iets opschrijven van dezen grootschen gang. Annie was niet wel. Ik ging met Mary alleen. Het rijden er heen is langs een anderen weg, maar van dezelfde natuur als naar den Penandjaän. Eerst de steile hoogte op naar Wonomerto bij Pådåkåjå, dan den weg naar Ngadiwono, om ineens links af te slaan, en dan, stijgende, door een hoog en hooger klimmend dennebosch. Het heel intieme en vertrouwde daar, alsof er niets vreeselijks verder ging gebeuren. Overal de lieve bloemen en kruiden van Holland, wilde rozen, ranonkels, wilde viooltjes, klaverbloemen, weegbree, kruisemunt, vleesch-bloemen, kattestaart, margrietjes, bramen, en alle anderen. De boomen aan weerszijden van de paadjes zijn tjemårås en kemlendingans. Mooi doet vooral het heilige kruid der Tenggereezen, de tinolajoe.
Even wordt het dichte dennebosch verbroken op een open hoogte, de Poessoeng Lepitan, vanwaar je rechts in ’t Noord-Westen, opeens vèr, den blauwen kegel van den Semeroe ziet oprijzen, majestueus heerscher van de hoogste luchten. Dàn daalt het pad weêr in nieuw dennewoud, gaat om den kalen bol-berg Boekwanter, en stijgt langzaam op naar den krater-muur.
Stijgen, stijgen, dan een klein steil paadje op, links, en je staat aan den rand van de Moengal-pas, boven den afgrond naar de grauwe Zandzee.…
Maar het plotselinge gezicht beneden was niet[90]zoo immens overweldigend als van den Penandjaän. De zon was al lang doorgebroken, en scheen goedheid in de doodsche vallei. Overal zongen vogeltjes in de struiken, en er was een krans van levend gezang, wijd in het rond, boven het stille dal. De kleuren beneden waren, door de regens van veel nachten, wat lichter en blijer dan voorheen. De ribben van den Batok glansden van een rijk goudgroen, en er lag goudgeel te gloeien over het slijkgrauw van de Zandzee.
Alleen de Bromo, daar vèr, was even doodsch en koud als voorheen, en lag grimmig te broeien, dikblauwe rookwolken uitstootend met langzamen, treurigen adem; een ongeneeslijke, gore wonde, zwaar op het lijf der aarde. En de wind, gierend langs hoekige ribben en ruggen, neêrjoelend over den Ider-Ider muur, vulde de hooge stilte met huilend geklaag.
Hoe vèr, hoe vèr lijkt de zandwoestijn aan onze voeten! Daar ginds zwarte stokjes, zoo nietig; het zijn tjemårås, die ergens bij den Batok groeien. Overal, vèr uit, de slijkgrauwe, dorre zee van zand. Het lijkt eindeloos. Je huivert om straks daarin te zijn.…
Maar toch gaan we nu, dalende, daarheen. De weg is te steil om te rijden, en wij loopen moeilijk, over rotsblokken en lavaklompen, met de paarden achter ons aan, die gewillig volgen. Zóó gaat het, een half uur lang, en we staan ineens in de Zandzee die nu grooter, veel grooter dan[91]ooit gedacht. Zij ligt daar, grauw-geel, te gloeien in de heete zon, maar met ijzige winden koud-gierend er over heen. Het vogelengezang van boven is niet meer te hooren. De paarden, dronken van de wijde, wijde ruimte voor hen, worden vurig, en in vliegenden galop rennen we nu door de wilde woestijn, en voelen ons als Bedouïnen, jagend door de Sahara. De hoefslagen der paarden klinken hol op den bodem.
Zóó gaat het, met een vreemd-bang en toch heerlijk gevoel van onbekend gevaar, hollend door de sombere woestenij, langs den kolossalen, ruig-geribden tulband van den Batok, al dichter en dichter bij den Bromo. Groote lava-blokken, van een laatste uitbarsting, liggen verspreid.
Nu ligt het bleeke, geel-grauwe monster vóór ons, een ronde, hoekige bult op de aarde, goor en grijnzend. Langzaam stijgt een blauwe dampwolk er uit omhoog, en het lijkt een rookende wonde, heet vanbroeiing.…
Toen zijn wij tegen de gele belt opgereden, hebben de paarden laten staan bij een trap van bamboe, en zijn omhoog geklauterd, moeilijk, tot aan den rand.
Beneden, peilloos diep, een sombere koker, een eindelooze helle-trechter, donker, vol ongure, heillooze dingen.… Beneden, diep, diep, gloeit roode vuurschijn, gloort loensche, valsch gele schijn van zwavel; sissend stoomen blauwe wolkjes uit nauwe gaten, overal rooken solfataren, en een[92]dunne wolk zwaveldamp stijgt op van heel beneden, eerst ijl als een sluier, dán dikker en dikker uitpuilend, tot een zware kolom langzaam-treurig omhoog rijst, met de hopelooze traagheid des doods, in een hijgen en zieden en bliksemend sissen beneden, als van woedende machines onder te zwaren druk.…
Ik kon het niet lang aanzien, dit gloeiende helleding, dien kokenden krater van duisteren haat, met de satanische prikkeling van zwavellucht, het joelend rumoer van ondergrondsch, ziedend water, en het valsch geglim van gele zwavel.… Het beklemde mij met een angst alsof het liefste in mij zou gaan breken. De Bromo, duistere broeiing, als van zonde, en nacht, en negatie.… hoe haat ik hem!.…
Toen weêr afgedaald, en de paarden bestegen, die weer in vliegenden galop voortrenden door de grauwe zandwoestijn. Dalende luchtstroomen gierden fluitend over de hooge bergribben rondom, en een ijzige wind snerpte snijdend langs mijne wangen. Hier is hel, en koude, en dorheid; hier is woestenij, en droefenis, en dood.…
Toen.…, nooit, nooit zal ik het vergeten,.… midden in de grauwe woestijn, in de ijzige, sombere stilte van verdoemenis, diep en reddeloos verloren in die vale vallei des doods, bloeide daar opeens voor mijn oogen, tusschen wat armoedig gras, een groepje vergeet-mij-niet. Vanwaar hier gekomen, door welke liefde hier midden in doodsche[93]sombernis verspreid, van welke sappen levend, hier in ál droogte en dorren dorst? Vreezeloos keken ze op uit den harden grond, een wonder van teederheid in het wreede en koude rondom. Vergeet-mij-niet, van een zwakker blauw dan in Holland, vergeet-mij-niet, bleek van heimwee, maar tòch liefelijk lachend, en gansch zich gevend in volle, maagdelijke broosheid, midden in die kille verstarring van dorre woestenij! Ik weet niet wat er was tusschen die bloemen en mijn ziel, maar ik heb opeens de warme tranen gevoeld in mijn oogen, en ik heb geschreid om het leed dier heimwee-bleeke vergeet-mij-nietjes, daar zoo ganschelijk verloren in de woestijn, maar tóch nog liefelijk lachend, in wondere, nooit verzwakte teederheid.…
En het ontzaglijk wreede van die wijde woestenij, de heete helle-haat van den broeienden krater, de sombere rijzenis van de steile, dreigende rotsenmuren álom, het leek mij opeens toch maar zwak en nietig bij de wonderteêre, maar goddelijk sterke liefde van die bleek-blauwe bloemen, zoo broos, en zoo gansch vreezeloos, ál maar liefelijk lachend, ofschoon stervend van heimwee, tegen de donkere zonde en den grauwen haat rondòm.…
⁂
Vanmorgen kwam ik haar witte rozen brengen, en zette ze in een vaas op de tafel voor haar kamer, zooals ik wel meer deed.[94]
Daar stond ze inééns voor me, bleek en ernstig, zooals ik haar nog nooit had gezien. Ze hield een telegram in haar hand.
„Een telegram.… van mijn man.…,” zeide ze,—hoe hard en fèl klonk dat voor me, „mijn man,”—„hij is met koorts geëvacueerd naar Padang.… hij vraagt of ik bij hem kom.… den 12den gaat er een boot van Soerabaia.… en over vier dagen ga ik weg.…”
Ik voel het duizelen in mijn hoofd. Ik kan het nog niet goed begrijpen.
„Ga je wèg.… ga je wèg.…?” zeg ik.… „zal ik dan nooit meer met je wandelen?.… en nooit meer bij je zijn, en je hand in mijn hand houden, en nooit meer gelukkig zijn?.… en ik hoû zoo van je, Annie.…”
Maar ze blijft heel ernstig. Het is of er een andere Annie staat ineens.
„Dat mag je niet zeggen, Rudolf.… weet je dat dan niet.…? dat hadt je nooit mogen zeggen.… hoe heb je ’t dan kunnen vergeten.… ik ben getrouwd, Rudolf.… alleen mijn man mag dat zeggen.… en het spijt me zoo dat je zoo lief tegen me bent.… en ik ben zelf óók zoo zwak geweest.… Ik ben nog zoo’n kind soms.… En nu ineens dat telegram van mijn man.…”
Ik kàn het niet langer hooren, ik kàn niet.… En ik zeg met tranen in mijn oogen:
„Ik zal het niet meer zeggen.… je hebt gelijk Annie.… wees niet boos.… ik zal je óók niet[95]meer vragen om nog meê te gaan.… ik zal je alleen wegbrengen tot Poespo, dat mag wel, hè, met de anderen samen.…? Maar doe mij dan ook één pleizier.… Zeg dat nooit meer waar ik bij ben: „mijn man,” ikkánhet niet hooren, ikkánhet niet. Het klinkt zoo grof voor me, zoo hard, ik weet niet wat het is, maar het is verschrikkelijk.…”
En ik loop weg, bang om ineens uit te snikken, als een kind.
⁂
Vreemd, ’s avonds na ’t eten, in de conversatiezaal, is ze weer heelemaal de oude. Ze kàn nu eenmaal niet lang droevig of ernstig zijn. Ze heeft weer een pret als een jong meisje. We spelen allerlei dolle spelletjes, als kinderen. Ze gooien met serpentines en confetti, en er wordt warme bowl geschonken. Er wordt pand verbeurd en gekust. Ik zoen haar als een wilde jongen een meisje van kostschool, als ze haar pand moet inlossen. Ze doet weer niets dan lachen en dansen, en zingen van pleizier.
En de Annie van vanmorgen is weer heelemaal weg. Het is als een bange droom geweest. Maar nu is alles weer goed en gewoon, en er is niets verloren.…
⁂
Mary was met Sophie en een paar jongelui nog eens naar Ngadiwono gegaan. Annie had beloofd,[96]óók klaar te staan om zes uur, en haar mooie, lichtgele paardje Gambir stond beneden aan de trap, bij de andere paarden, met de fijne voorbeenen stampend op den grond. Maar wat een teleurstelling! Ze kon niet mee; haar kindje had wat koorts gekregen, en zij wilde het niet alleen laten. En dat de vóórlaatste dag van haar heengaan! Ik was er zoo geslagen van, dat ik onmogelijk met het vroolijke troepje meêkon, en, bij het steile pad naar Pådåkåjå gekomen, plotseling mijn paard omwendde en weggaloppeerde.