Chapter 5

Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu maar weer het Leverlaantje ingereden.En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch blij en vol hoop.Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw was ik in Wonokitri.[97]Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het lang te genieten.En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo teeder wiegend als een wiegelende bloem!”Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden, en het ravijn in.En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht[98]te drinken, die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en gelukkig zijn!Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water, die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende, tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel, hun pluimen toppen óp naar ’t licht!Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val, staan, eenzaam en bizonder,[99]wat wilde azalea’s, van een ernstig donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig peinzend aan.Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden, en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt. Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn, daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw, het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo heel, heel tevreden zijn![100]Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai! één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is voorbij!.…Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart.En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde, wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge licht. Eenzaam zag ik[101]het van boven aan en liet het zalig onder mij gebeuren.…Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte, schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de eindeloosheid.…Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd uitgespreid, in glanzende genade.En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon.…”Lang, lang heb ik het aangezien.…Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord; zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden.Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld, liefelijk en harmonieus.…Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden, vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en glanst aan mijne voeten.…O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare couleur?.…⁂[102]Het is de láátste dag.Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde.Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde, donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu zelf maar vragen.En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga. Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat indische kers, om zich een beweging te geven.Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt. Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél pijnlijker zal maken.[103]„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te doen.”En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat, zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van geluk onder den blauwen hemel!„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog meer mee?”—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval, en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn.Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort, fijn, gracieus beestje als het is.[104]En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen, drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden, waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt, op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?” vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond.„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik, „Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind vooruit komen, hoor!”Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats, dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna.En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en we gaan stapvoets naast elkaar.Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een bloem, zacht in den wind.[105]„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.”Zij kijkt een beetje strak.„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan.Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn.…Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol van geluk is, dat wij er achterlieten.Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor[106]mij uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen, onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht, lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht, en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar alles blijheid is en liefde.Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen, als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch.Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net één plaatsje over!”En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik kan alleen mijn evenwicht[107]houden als ik mijn arm om haar heen sla. En zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu. Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals. Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij, mij altijd te behooren.…Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag, en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond.„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een heerlijk plekje zijn.”Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen.Nu komt een „spada” van hetHôtelmet ajer blanda, en wij drinken, vlak naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom, en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid, en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt[108]zoo gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen, met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend omhoog.”En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt, als Liefde’s Licht maar schijnt.…Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn.…Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt naar het „Karrenplateau.”En het is weêr een zelfdeapothéoseals gisteren. Van het hooge, kleine plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder[109]ons. Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke, lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en beweeg.…Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar hand in de mijne.„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!”„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in sneeuwen reinheid.„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende. „En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden.The Blessed Damozel.…”[110]Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de bladen van een bloem.„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over praten.”Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze het me dat ze heusch wel van mehoudt, al mag ze het niet uitspreken in woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het bij haar!Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht.…„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan weer droomen van dien kus.…”Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en zóó heel stil moet blijven.[111]Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende, groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld, en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen schoot.…⁂Alle gasten in ’thôtelhebben een feestje bereid den avond vóór Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”Ik ril en huiver.Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede. Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen de goede[112]bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom …En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig, nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.… De allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal geven.…Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in den morgen, haar kindje naast haar.… Een zachte wijding is om haar heen.… Liefelijk lichten daarin haar oogen.…„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen.…”Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.… O! het gebaar, waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.… Wie heeft gelegd de vrome gratie in dieteêreleden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als gebed?.… En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed bewaren.…”Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:[113]„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél het leven, en nooit weêr af te staan!En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.… Dra is de lieve droom voorbij.…Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige, blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is, weer terug naar de stad te gaan.„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.[114]Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds. Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het hebben gelezen, mijn lief geheim?Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning, die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’thôtelgaan, en groeten, en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die beneden staan.Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen! Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie.…[115]Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.… Maar neen, het leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.… Het leven is licht, en vreugde, en geluk.…Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter, Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel gauw rijden wij alleen.Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je, Rudolf, wèg, wèg.…”Maar het lijkt te onbestaanbaar.… Het komt zoo héélemaal niet bij het lichte geluk rondom.… En ik lách even om mijn eigen vrees.… Dáár is ze immers vlák, vlàk bij mij.… Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik haar zachten arm.… Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om haar hoofd.… Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel.…Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met overal in de verte bergen, en wolken, en[116]horizonnen, en rechts de diepe ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen. Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze stem!En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde … nu komt de nacht weer voor je, de lange, bange nacht”.… Dan rijd ik heel dicht naast haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken.…Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè? het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?.…”Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen.…En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi.… De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende, ruischende groen rondom.… Alles is er nog, alles, éven mooi.… Dáár, kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje, haar hoed,[117]haar ceinture.… Het is vlák naast me, als ik éven de hand uitsteek is het mijn.…Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm.…Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit schrijf.… En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit dagboek.… Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet meer.… Hoe is het ook weer gebeurd.…? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn hart klopt zoo.… O ja.… we waren, inééns, en toch moet het eerst na anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stilleHôtelvan Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.… Toen kwam er iemand iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.… Wat?.… ja, de trein.… in Pasoeroean.…En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin weer te begrijpen.…Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit een bergwand schiet.…„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.… ik vind het verschrikkelijk, zoo’n afscheid.… het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke Tosari.… maar ik moet weg.… ik moetnaar mijn man, hoor je ’t,naar mijn man.… dag Rudolf.…”[118]Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar stem.… Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.… Ik probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.… Want, opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het einde van een droom.… het hel ontwaken.… het is onverbiddelijk, genadeloos.…Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te broos op ’t breken.… Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu langs mijn wangen gaan.…„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat ik nu toch weggaan!.…”Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan. Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.… Mary kust haar, en zij geeft Wouters en Sophie een hand.… en roept nog wat liefs.…Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit … Dáár, dáár.… wèg, wèg.… Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje houdt op.… „Annie! Annie!” roep ik.Ze zit zoo héél, héél stil.… Haar donkere oogen blinken van zoo zachten glans.… O! die[119]zachte tranen, uit haar ziel geweld om mij!.…„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je me niet héélemaal vergeten?.…”„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.… Kijk, je bloemen van vanochtend, die ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal verlept.… maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken.… ik zal altijd aan je denken.…”Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.… Ik hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel zegt.… O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar oogen.…Dan gaat het vàn mij, ver en verder.…Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.… Ze wuift en wuift nog met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.… mijn arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met haar kindje tegen zich aan.…Nu is het over.… Nog èven, èven, een winding van den weg … Haar rank, licht figuurtje … Ze wuift en wuift.…En de droom, de droom is voorbij.…

Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu maar weer het Leverlaantje ingereden.En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch blij en vol hoop.Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw was ik in Wonokitri.[97]Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het lang te genieten.En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo teeder wiegend als een wiegelende bloem!”Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden, en het ravijn in.En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht[98]te drinken, die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en gelukkig zijn!Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water, die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende, tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel, hun pluimen toppen óp naar ’t licht!Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val, staan, eenzaam en bizonder,[99]wat wilde azalea’s, van een ernstig donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig peinzend aan.Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden, en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt. Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn, daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw, het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo heel, heel tevreden zijn![100]Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai! één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is voorbij!.…Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart.En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde, wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge licht. Eenzaam zag ik[101]het van boven aan en liet het zalig onder mij gebeuren.…Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte, schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de eindeloosheid.…Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd uitgespreid, in glanzende genade.En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon.…”Lang, lang heb ik het aangezien.…Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord; zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden.Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld, liefelijk en harmonieus.…Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden, vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en glanst aan mijne voeten.…O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare couleur?.…⁂[102]Het is de láátste dag.Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde.Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde, donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu zelf maar vragen.En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga. Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat indische kers, om zich een beweging te geven.Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt. Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél pijnlijker zal maken.[103]„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te doen.”En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat, zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van geluk onder den blauwen hemel!„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog meer mee?”—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval, en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn.Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort, fijn, gracieus beestje als het is.[104]En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen, drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden, waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt, op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?” vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond.„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik, „Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind vooruit komen, hoor!”Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats, dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna.En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en we gaan stapvoets naast elkaar.Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een bloem, zacht in den wind.[105]„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.”Zij kijkt een beetje strak.„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan.Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn.…Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol van geluk is, dat wij er achterlieten.Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor[106]mij uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen, onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht, lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht, en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar alles blijheid is en liefde.Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen, als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch.Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net één plaatsje over!”En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik kan alleen mijn evenwicht[107]houden als ik mijn arm om haar heen sla. En zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu. Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals. Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij, mij altijd te behooren.…Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag, en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond.„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een heerlijk plekje zijn.”Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen.Nu komt een „spada” van hetHôtelmet ajer blanda, en wij drinken, vlak naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom, en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid, en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt[108]zoo gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen, met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend omhoog.”En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt, als Liefde’s Licht maar schijnt.…Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn.…Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt naar het „Karrenplateau.”En het is weêr een zelfdeapothéoseals gisteren. Van het hooge, kleine plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder[109]ons. Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke, lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en beweeg.…Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar hand in de mijne.„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!”„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in sneeuwen reinheid.„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende. „En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden.The Blessed Damozel.…”[110]Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de bladen van een bloem.„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over praten.”Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze het me dat ze heusch wel van mehoudt, al mag ze het niet uitspreken in woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het bij haar!Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht.…„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan weer droomen van dien kus.…”Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en zóó heel stil moet blijven.[111]Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende, groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld, en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen schoot.…⁂Alle gasten in ’thôtelhebben een feestje bereid den avond vóór Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”Ik ril en huiver.Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede. Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen de goede[112]bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom …En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig, nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.… De allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal geven.…Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in den morgen, haar kindje naast haar.… Een zachte wijding is om haar heen.… Liefelijk lichten daarin haar oogen.…„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen.…”Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.… O! het gebaar, waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.… Wie heeft gelegd de vrome gratie in dieteêreleden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als gebed?.… En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed bewaren.…”Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:[113]„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél het leven, en nooit weêr af te staan!En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.… Dra is de lieve droom voorbij.…Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige, blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is, weer terug naar de stad te gaan.„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.[114]Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds. Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het hebben gelezen, mijn lief geheim?Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning, die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’thôtelgaan, en groeten, en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die beneden staan.Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen! Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie.…[115]Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.… Maar neen, het leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.… Het leven is licht, en vreugde, en geluk.…Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter, Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel gauw rijden wij alleen.Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je, Rudolf, wèg, wèg.…”Maar het lijkt te onbestaanbaar.… Het komt zoo héélemaal niet bij het lichte geluk rondom.… En ik lách even om mijn eigen vrees.… Dáár is ze immers vlák, vlàk bij mij.… Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik haar zachten arm.… Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om haar hoofd.… Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel.…Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met overal in de verte bergen, en wolken, en[116]horizonnen, en rechts de diepe ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen. Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze stem!En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde … nu komt de nacht weer voor je, de lange, bange nacht”.… Dan rijd ik heel dicht naast haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken.…Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè? het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?.…”Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen.…En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi.… De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende, ruischende groen rondom.… Alles is er nog, alles, éven mooi.… Dáár, kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje, haar hoed,[117]haar ceinture.… Het is vlák naast me, als ik éven de hand uitsteek is het mijn.…Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm.…Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit schrijf.… En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit dagboek.… Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet meer.… Hoe is het ook weer gebeurd.…? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn hart klopt zoo.… O ja.… we waren, inééns, en toch moet het eerst na anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stilleHôtelvan Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.… Toen kwam er iemand iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.… Wat?.… ja, de trein.… in Pasoeroean.…En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin weer te begrijpen.…Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit een bergwand schiet.…„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.… ik vind het verschrikkelijk, zoo’n afscheid.… het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke Tosari.… maar ik moet weg.… ik moetnaar mijn man, hoor je ’t,naar mijn man.… dag Rudolf.…”[118]Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar stem.… Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.… Ik probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.… Want, opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het einde van een droom.… het hel ontwaken.… het is onverbiddelijk, genadeloos.…Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te broos op ’t breken.… Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu langs mijn wangen gaan.…„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat ik nu toch weggaan!.…”Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan. Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.… Mary kust haar, en zij geeft Wouters en Sophie een hand.… en roept nog wat liefs.…Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit … Dáár, dáár.… wèg, wèg.… Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje houdt op.… „Annie! Annie!” roep ik.Ze zit zoo héél, héél stil.… Haar donkere oogen blinken van zoo zachten glans.… O! die[119]zachte tranen, uit haar ziel geweld om mij!.…„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je me niet héélemaal vergeten?.…”„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.… Kijk, je bloemen van vanochtend, die ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal verlept.… maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken.… ik zal altijd aan je denken.…”Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.… Ik hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel zegt.… O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar oogen.…Dan gaat het vàn mij, ver en verder.…Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.… Ze wuift en wuift nog met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.… mijn arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met haar kindje tegen zich aan.…Nu is het over.… Nog èven, èven, een winding van den weg … Haar rank, licht figuurtje … Ze wuift en wuift.…En de droom, de droom is voorbij.…

Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu maar weer het Leverlaantje ingereden.En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch blij en vol hoop.Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw was ik in Wonokitri.[97]Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het lang te genieten.En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo teeder wiegend als een wiegelende bloem!”Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden, en het ravijn in.En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht[98]te drinken, die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en gelukkig zijn!Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water, die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende, tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel, hun pluimen toppen óp naar ’t licht!Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val, staan, eenzaam en bizonder,[99]wat wilde azalea’s, van een ernstig donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig peinzend aan.Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden, en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt. Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn, daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw, het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo heel, heel tevreden zijn![100]Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai! één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is voorbij!.…Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart.En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde, wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge licht. Eenzaam zag ik[101]het van boven aan en liet het zalig onder mij gebeuren.…Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte, schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de eindeloosheid.…Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd uitgespreid, in glanzende genade.En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon.…”Lang, lang heb ik het aangezien.…Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord; zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden.Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld, liefelijk en harmonieus.…Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden, vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en glanst aan mijne voeten.…O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare couleur?.…⁂[102]Het is de láátste dag.Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde.Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde, donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu zelf maar vragen.En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga. Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat indische kers, om zich een beweging te geven.Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt. Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél pijnlijker zal maken.[103]„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te doen.”En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat, zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van geluk onder den blauwen hemel!„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog meer mee?”—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval, en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn.Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort, fijn, gracieus beestje als het is.[104]En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen, drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden, waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt, op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?” vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond.„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik, „Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind vooruit komen, hoor!”Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats, dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna.En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en we gaan stapvoets naast elkaar.Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een bloem, zacht in den wind.[105]„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.”Zij kijkt een beetje strak.„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan.Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn.…Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol van geluk is, dat wij er achterlieten.Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor[106]mij uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen, onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht, lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht, en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar alles blijheid is en liefde.Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen, als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch.Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net één plaatsje over!”En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik kan alleen mijn evenwicht[107]houden als ik mijn arm om haar heen sla. En zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu. Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals. Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij, mij altijd te behooren.…Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag, en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond.„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een heerlijk plekje zijn.”Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen.Nu komt een „spada” van hetHôtelmet ajer blanda, en wij drinken, vlak naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom, en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid, en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt[108]zoo gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen, met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend omhoog.”En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt, als Liefde’s Licht maar schijnt.…Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn.…Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt naar het „Karrenplateau.”En het is weêr een zelfdeapothéoseals gisteren. Van het hooge, kleine plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder[109]ons. Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke, lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en beweeg.…Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar hand in de mijne.„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!”„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in sneeuwen reinheid.„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende. „En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden.The Blessed Damozel.…”[110]Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de bladen van een bloem.„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over praten.”Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze het me dat ze heusch wel van mehoudt, al mag ze het niet uitspreken in woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het bij haar!Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht.…„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan weer droomen van dien kus.…”Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en zóó heel stil moet blijven.[111]Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende, groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld, en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen schoot.…⁂Alle gasten in ’thôtelhebben een feestje bereid den avond vóór Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”Ik ril en huiver.Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede. Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen de goede[112]bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom …En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig, nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.… De allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal geven.…Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in den morgen, haar kindje naast haar.… Een zachte wijding is om haar heen.… Liefelijk lichten daarin haar oogen.…„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen.…”Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.… O! het gebaar, waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.… Wie heeft gelegd de vrome gratie in dieteêreleden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als gebed?.… En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed bewaren.…”Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:[113]„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél het leven, en nooit weêr af te staan!En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.… Dra is de lieve droom voorbij.…Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige, blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is, weer terug naar de stad te gaan.„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.[114]Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds. Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het hebben gelezen, mijn lief geheim?Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning, die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’thôtelgaan, en groeten, en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die beneden staan.Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen! Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie.…[115]Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.… Maar neen, het leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.… Het leven is licht, en vreugde, en geluk.…Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter, Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel gauw rijden wij alleen.Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je, Rudolf, wèg, wèg.…”Maar het lijkt te onbestaanbaar.… Het komt zoo héélemaal niet bij het lichte geluk rondom.… En ik lách even om mijn eigen vrees.… Dáár is ze immers vlák, vlàk bij mij.… Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik haar zachten arm.… Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om haar hoofd.… Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel.…Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met overal in de verte bergen, en wolken, en[116]horizonnen, en rechts de diepe ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen. Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze stem!En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde … nu komt de nacht weer voor je, de lange, bange nacht”.… Dan rijd ik heel dicht naast haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken.…Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè? het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?.…”Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen.…En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi.… De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende, ruischende groen rondom.… Alles is er nog, alles, éven mooi.… Dáár, kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje, haar hoed,[117]haar ceinture.… Het is vlák naast me, als ik éven de hand uitsteek is het mijn.…Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm.…Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit schrijf.… En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit dagboek.… Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet meer.… Hoe is het ook weer gebeurd.…? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn hart klopt zoo.… O ja.… we waren, inééns, en toch moet het eerst na anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stilleHôtelvan Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.… Toen kwam er iemand iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.… Wat?.… ja, de trein.… in Pasoeroean.…En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin weer te begrijpen.…Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit een bergwand schiet.…„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.… ik vind het verschrikkelijk, zoo’n afscheid.… het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke Tosari.… maar ik moet weg.… ik moetnaar mijn man, hoor je ’t,naar mijn man.… dag Rudolf.…”[118]Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar stem.… Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.… Ik probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.… Want, opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het einde van een droom.… het hel ontwaken.… het is onverbiddelijk, genadeloos.…Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te broos op ’t breken.… Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu langs mijn wangen gaan.…„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat ik nu toch weggaan!.…”Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan. Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.… Mary kust haar, en zij geeft Wouters en Sophie een hand.… en roept nog wat liefs.…Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit … Dáár, dáár.… wèg, wèg.… Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje houdt op.… „Annie! Annie!” roep ik.Ze zit zoo héél, héél stil.… Haar donkere oogen blinken van zoo zachten glans.… O! die[119]zachte tranen, uit haar ziel geweld om mij!.…„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je me niet héélemaal vergeten?.…”„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.… Kijk, je bloemen van vanochtend, die ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal verlept.… maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken.… ik zal altijd aan je denken.…”Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.… Ik hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel zegt.… O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar oogen.…Dan gaat het vàn mij, ver en verder.…Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.… Ze wuift en wuift nog met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.… mijn arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met haar kindje tegen zich aan.…Nu is het over.… Nog èven, èven, een winding van den weg … Haar rank, licht figuurtje … Ze wuift en wuift.…En de droom, de droom is voorbij.…

Waar nu naar toe te gaan? Met die bittere teleurstelling bijtende in mijn hart, en dat verlangen naar het zonnestraaltje van haar lach, haar vriendelijken morgengroet, die een geheelen dag zoo blij kon maken! Nu maar weer het Leverlaantje ingereden.

En kijk, dicht bij het eerste bankje vloog ineens zoo’n wonder rood vogeltje uit het ravijn, als een vliegende bloem, en bleef in een struik zich wiegen op een tak. Schitterend als vuur blonk het even voor mijn oogen, en flikkerde toen brandend òp, hoog in de lucht. En het zien van dit glanzende stukje schoonheid maakte me waarlijk weer gansch blij en vol hoop.

Nu maar teruggaan, het ravijn in, en dan stijgen naar Wonokitri, om den tocht door „de drie dessa’s” te maken. Kranig liep mijn paardje Radjek het ravijn in, toen het steile pad op tegen den berg, en al heel gauw was ik in Wonokitri.[97]Daar éven, stil, over de wereld zien, en groeten den machtigen Ardjoenå, daar vèr boven de verre vlakte, en dan, door allerlei steegjes en paadjes, opeens in een heerlijk dennelaantje. Wat een laantje! Heel smal, met aan weerszijden kleine tjemårås, en daarachter dicht groen. Het lijkt wel wat op de dennelaantjes bij den Bataafschen Boer in de Haagsche Boschjes. Nu maar zacht rijden, om het lang te genieten.

En een denken: „dit is nu eerst een paadje om met háár te gaan. Ging zij nu maar op haar gele paardje vóór me, met haar ranke lijf zoo teeder wiegend als een wiegelende bloem!”

Maar dat zal wel nooit gebeuren, en o! overmorgen is ze weg!

Een verrukkelijke rit door die dennen, tot eindelijk, na een groot kwartier, de weg breeder wordt, en opeens gaat het steil naar beneden, en het ravijn in.

En opeens een glorie van groen, in heerlijk verkwikkende koelte. Het was als een zachte neêrglijding in het geluk. Overal zwaar lommer van boomen, uit-waaiende pracht van kolossale varens, en breede neêr-pluiming van wijd-uitneigend bamboe, een liefelijke wildernis van schitterend groen. Nu je paard stil laten gaan, het zal den weg wel vinden, en nu àl maar kijken naar dat milde groen, rechts, links en over je hoofd, en overal, en het zingen te hooren van de vogels, en hoor! het bruisend geruisch van de watervallen, en de lucht[98]te drinken, die ál maar koeler en koeler, en de wind waait zoo groote kracht door je ziel, die al rein en reiner! O ja, o ja, jong zijn, jong zijn, niet meer weten en niet meer denken, enkel leven, leven. O God! ik dank u voor dit goede, goede leven! Nu zingen en jubileeren, en liefhebben, en gelukkig zijn!

Zóó, met al die vreugde in mijn ziel, was ik ál maar doorgereden, tot onverwacht, bij òmmegang van een paadje, van hoogen rotswand loodrecht-steil naar beneden stort een breede stroom bruisend water, die de geheele lucht melodieus maakt van zijn rein geruisch. Hoe blinkt die blanke waterstroom daar schitterend in de lucht, en hoe moedig ijlt hij van die hooge hoogte zingend naar beneden, fonkelstralend in zijn klaren val! Heel de atmosfeer is puur en koel van zijn volmaakte reinheid. O! Dat lavende, heilige water, daar als een groote goedheid neêrgelaten van het dichte, blinkende groen boven den rotswand, dat daar ál maar stijgende is en stijgende, een triomf van lichtende, tintelende schoonheid, tot in ’t hooge-hooge, waar op den ravijn-kam de stille tjemårås staan, vòl-gelukkig onder den doorschemerenden hemel, hun pluimen toppen óp naar ’t licht!

Beneden, aan den rand van de waterkom, waar de stroom plitsplassend neêrstort, met kletterend geraas, tusschen breede blokken rots, en het water dan langzaam murmelt dóór, gekalmeerd en moede van den val, staan, eenzaam en bizonder,[99]wat wilde azalea’s, van een ernstig donkerroode kleur in al ’t groen overal rondom, en zien het rustig peinzend aan.

Ik heb daar even in groote aandacht stilgestaan. Toen weêr doorgereden, en na een korte poos hield ik mijn paard in voor een mooie plek. Wild dooreen liggen groote rotsblokken, waar stemmig een stroompje ruischt. Overal in ’t rond hooge bamboes, die, stam aan stam, hoog als vuurpijlen opschietend, zich dán kuischelijk nederneigen in statige pluimen. O! die fijne, spitse bladertjes, hoe die zich toch zoo gansch staan te geven! Kijk, daar links, gaat het water door onder donker priëel, en hoe zacht is het gras daaronder! Hoe heerlijk moet het zijn, daar te liggen, met het bamboe-lommer boven je hoofd, in koele schaduw, het water zoo klaar ruischende aan je voorbij! O, mijn lieve vrouw, was je nu maar hier, was je nu maar bij me, in dat zalige priëel; met mijn hoofd zou ik zoo heel zacht rusten in je schoot, en zou ik niet je rozige, warme hand voelen in de mijne, en het licht van je vriendelijke oogen drinken, en gelukkig zijn van je melodieuze stem, en o! misschien héél, héél even een kus droomen op je roode lippen! Het is toch niet zoo véél, het geluk, waar ik vroeger zoo lange nachten over peinsde, en dat ik maar nooit, nooit vatten kon. Enkel wat vriendelijk oogenschijnen, wat lichte lachjes, en wat zoeten kus, en dan al zoo heel, heel tevreden zijn![100]

Maar o! mijn arm hart, dit zal toch nooit, nooit voor je gebeuren. Ai! één dag nog maar en mijn lieveling gaat hene, en de droom, de droom is voorbij!.…

Zóó, wat droef, en bang voor wat zoo gauw zou komen, reed ik door, nú stijgende, ál maar stijgende op mijn hijgend paard, tot bij de laatste dessa Proewånå. Een klein, steil paadje nu nog, links naar boven, en ik stond op het heerlijke „Karrenplateau,” hoog-apart.

En opeens, plotseling geopenbaard, het vèrre vergezicht op de wijde, wijde wereld, met de blinkende sawahs en de tuinen, en de bergen, en de luchten en de zee. Het lag alles in het jonge, reine morgenlicht, met zonneglans door transparanten, vochten sluier, in een zacht beven, als een groote ziel, die bewust wordt. De lijnen en kleuren verteederd en vervluchtigd in zacht-tintelende waze van parelmoeren zonneglans. Zoo onreëel en ongeloofelijk. als in een andere sfeer, waar al ’t harde en helle is verreind tot aetherischen adem van essence. De zachtblauwe Ardjoenå geruischloos rijzend aan den vagen horizon, met vreemd groene en vaag-violette tinten bevende om zijn droomende golvingen, de Penanggoenan wègwazende in de wemelende wade van licht, en de Kawi, als een rustig-sluimerende maagd onder den blauwen hemel.

Alles zoo vèr, vèr beneden in ’t lage, en ik zelf zoo hoog in ’t hooge licht. Eenzaam zag ik[101]het van boven aan en liet het zalig onder mij gebeuren.…

Wat puur-witte wolkjes zwevende vèr beneden, boven de vlakte, schitterend in blanken staat; zachtkens, zachtkens droomden zij voort naar de horizonnen van de zee, als lichte zielen, uitvarende in de eindeloosheid.…

Waar ik staarde, overal, naar alle zijden uit, was de wereld in zacht-bevend, transparant licht, en een groote liefde lag er wijd uitgespreid, in glanzende genade.

En opeens een voelend weten: „Het is alles goed, en van God gegeven, in groote eerwaardigheid, van een eeuwig, onsterfelijk schoon.…”

Lang, lang heb ik het aangezien.…

Klonk van verre het gekraai van een haan, en hoor, een antwoord; zingelt nu het lachen van een meisje óp in de ijle lucht; loeit een koe; en klagend blaat een schaap, van diep beneden.

Vaag en onbestemd, een zacht ruischen omhoog van de levende wereld, liefelijk en harmonieus.…

Wèg-rijende bosschen ten horizon, groen-goudenen sawahs en velden, vèr-tintelende zee, en rustig-rijzende bergen, het golft en wemelt en glanst aan mijne voeten.…

O! Het Leven, het Leven is mij gegeven, o! dank toch! dank! en is er mijn Lief niet licht, en staat er de wereld niet blinkend in klare couleur?.…

[102]

Het is de láátste dag.

Ik zit met Mary op het bankje, in het eerste priëel, op het terras. De lucht is van een teeder, ijl Aprilblauw, transparant als heel fijn chineesch porselein. De jonge morgen lacht liefelijk boven de blijde wereld. En het gansche bestaan lijkt wel louter liefde.

Zou er nu niet nog ééns iets komen? Nog ééns, voor ’t laatst?

Het lucht gerucht van voeten in het zand, het zacht frou-frou van ruischende rokken, daar komt een lieve vrouw aan. Annie, in wijde, donkerblauwe baby, haar vriendelijk gezicht licht lachend in den morgen. Een groote vreugde gaat over mijn ziel.

Nu is ze toch vanzelf gekomen! Zou ze nog meêwillen? Ze moet het nu zelf maar vragen.

En zoo vriendelijk haar stem: „Zeg, gaan jullie nog eens meê, voor den laatsten keer? Je hebt gisteren immers zoo’n mooien tocht gemaakt in de drie dessa’s? Dat moet ik toch absoluut nog eens zien vóór ik wegga. Zeg nu maar ja, jullie gaat meê, hè?”

Ze is een beetje verlegen, dat ze nu zelf is komen vragen, en plukt wat indische kers, om zich een beweging te geven.

Mary kijkt me eens aan. Ze vindt het niet goed. Ik wéét wat ze denkt. Ze vindt het wreed van Annie, mij nog voor ’t laatst te doen proeven van ’t geluk, dat morgen dood zal gaan, en nu het scheiden nog véél pijnlijker zal maken.[103]

„Ik kan niet mee,” zegt ze, „het spijt me, ik hèb nog zoo véél te doen.”

En ze kijkt mij aan, verwachtende dat ik sterk zal zijn.

Maar ik bén niet sterk als Annie vóór mij staat, liefelijk als een meisje, in haar wijde, wallende baby, met de fijne kanten figuurtjes over haar borst, en bloemen in haar handen. Zóó, als ze daar staat, zacht-lachend, bloeiend van jong, warm leven, rank, lief wezentje van geluk onder den blauwen hemel!

„Ik ga héél graag mee, dat weet je wel,” roep ik blij. „Wie gaan nog meer mee?”

—„Sophie en Hendrik Wouters.—Dus we gaan met ons viertjes.”

Ik wéét wat het zeggen wil. Ze zal haar paard weer aansporen en vooruit galoppeeren om met me alleen te zijn, en lief te worden gedaan. Ze kan het toch niet laten. En het zal weer erg intiem en gelukkig tusschen ons worden, en morgen zal het scheiden nog véél droever zijn. Ik zie ineens het dennelaantje van gisteren, en de bloemen bij den waterval, en de rotsblokken, waar ik zoo naar haar verlangde.

Maar ik ga meê. Daar gaan we weer samen naar boven, en hand aan hand de trappen op, als twee groote kinderen, die we zijn.

Ze krijgt haar wit-gele paardje Gambir, dat nu eenmaal bij haar hoort, fijn, gracieus beestje als het is.[104]

En daar rijden we met ons vieren weer uit, in den lichten morgen, drinkend van den frisschen wind, door der bergen statige pracht. Ik weer vlak achter haar, mijn oogen niet afwendend van haar lieve leden, waar ze als een groot meisje, in haar blauwe baby, voor mij uit wiegt, op het luchte rythmusje van haar dansend paardje. Wij zijn de anderen weêr een beetje vooruit; als wij in de hoogte staan bij Wonokitri zijn ze nog stijgende, beneden in ’t ravijn.

„Waar is nu ergens dat mooie dennelaantje, waar je zoo over uit was?” vraagt ze, met een ondeugend trekje om haar mond.

„Het is vlakbij, als je maar recht dit pad dóórrijdt,” antwoord ik, „Maar weet je dat de anderen nog achter zijn? We zullen een heel eind vooruit komen, hoor!”

Ze wil het niet begrijpen, en tikt haar vurig paardje met de karwats, dat het opeens in galop voortrent. Ik haar achterna.

En daar rijden we nu samen in de dennelaan, precies zooals ik gisteren zoo verlangde. Het lijkt wel de vervulling van een wensch uit een sprookje. Als wij een goed eind vooruit zijn houdt ze haar paard in, en we gaan stapvoets naast elkaar.

Als ze rijdt is ze nog gracieuzer dan anders. Het is haar licht naar rechts gebogen hoofdje, dat dan iets heel apart teêrs en fragiels aan haar geeft. En ze wiegt op het rythmusje van haar paardje, als een bloem, zacht in den wind.[105]

„Nu zijn we toch weer alleen,” zeg ik. „En je weet dat het niet goed is. Nu ga ik je tòch weer zeggen, hoe lief ik je vind, en hoe ik van je hoû. Je weet dat ik het toch niet laten kan.”

Zij kijkt een beetje strak.

„Begin je nu weer?” zegt ze verwijtend.

Ze wil lief gedaan wezen. Ze wil heel alleen met me zijn, en ik mag haar ook wel liefkoozen en kussen. Maar ik mag het niet zeggen. Het mag nooit gezegd worden wat onze zielen alleen weten. Ze heeft geen behoefte aan uiten, zooals ik. Ze houdt alleen van ’t stille ondergaan.

Want als ik nu, stilhoudende, haar hand neem, en zachtkens kus, trekt zij die niet terug, en ziet me tevreden-lachend aan. En dàn rijden we zwijgend verder, zonder iets te zeggen, al heel gelukkig met bij elkaar te zijn in het geurige dennelaantje, onze paarden stil stappend op den grond vol zachte, bruine naalden. Zij spreekt niet, en ziet me alleen maar vriendelijk aan. Maar ik voel haar lieve ziel zoo héél, héél dicht aan de mijne, dat ik denk haar zelf te zijn.…

Bij Sidaĕng gekomen, waar de stille laan opeens uitloopt in steile rotspaden, en het ópene wijd onder ons ligt, blijven we wachten op de anderen. Het is of het donkere laantje, waar we even in terugzien, vol van geluk is, dat wij er achterlieten.

Als Sophie en Wouters zijn gekomen, gaan we verder. Denzelfden weg van gisteren, maar hoe héél, héél anders, nu haar lief figuurtje voor[106]mij uit wiegt op het lichtgele paard! Zoo met al het licht en het groen, onder het pure blauw van den hemel, met die frissche, ijle lucht, lavend je longen, is het als een tocht met je Liefste door een paradijs. Het lijkt nu zoo onbestaanbaar en onreëel dat ik ooit geleefd heb het triestige, vreugdelooze leven in Soerabaia, hijgend naar lucht, en leêg van liefde, Ik voel me herboren in veel reinere gewesten, waar alles blijheid is en liefde.

Bij den waterval gekomen is de weg moeilijk voor de paarden. Ik stijg af, en leid Gambir bij den teugel. En even kus ik haar hand. Ze vindt het zoo prettig, zoo’n kleine attentie, en lacht een beetje verlegen, als een meisje dat door een jongen wordt gezoend.

Eindelijk zijn we bij de rotspartij, waar de rotsblokken liggen opgestapeld in het groen, en waar het water liefelijk ruischt, diep in het ravijn. De hoog pluimende bamboes neigen zegenend over onze hoofden, zacht-wuivende. Overal is vogelgekweel en bladerengeruisch.

Annie is afgestegen, en vindt het hier een goed plekje om wat te rusten. De koelies leiden de paarden heen om te grazen. Zij ziet een hoog rotsblok, en klimt er vlug tegen op. Boven gekomen roept ze plagend als een kind: „Je kunt tóch niet bij me komen! Er is nog net één plaatsje over!”

En natuurlijk klim ik bij haar. Eigenlijk is er géén plaats meer. Ik kan alleen mijn evenwicht[107]houden als ik mijn arm om haar heen sla. En zóó blijven we zitten, héél dicht bij elkaar. Hoe vlák bij is ze nu. Het lijkt zoo onmogelijk dat ze ooit weg zal zijn. Waaien haar krullen niet tegen mijn wang, en voel ik niet tegen mij aandeinen het zacht ademhalen van haar borst? Mijn lippen zijn zoo dicht bij haar hals. Even, even, heel zacht, een kus. Ze lijkt nu wel ganschelijk van mij, mij altijd te behooren.…

Ze wijst me op het priëel óver ons, het priëel, dat ik gisteren al zag, en waarbij ik zoo naar haar te verlangen stond.

„Jammer dat het er zoo nat is,” zegt ze ondeugend. „Dát zou pas een heerlijk plekje zijn.”

Ze is òf heel naïef, òf heel wreed, denk ik even. Maar als ik in haar kinderlijke oogen zie, weet ik dat het enkel groote naïefheid is. En toch ril ik even zachtjes bij het denkbeeld, met haar te droomen onder dat zware, donkere lommer, en haar daar rusten te doen in mijn armen.

Nu komt een „spada” van hetHôtelmet ajer blanda, en wij drinken, vlak naast elkaar, het verkwikkende vocht. Hoe idyllisch lijkt het, zoo met je tweeën op een rotsblok, diep in ’t ravijn, met óveral groen rondom, en water ruischend aan je voeten. Zij in haar blauwe, wijde baby, als een groot kind, ik in een glanzend wit pak. Alles is zomer-luchtigheid, en zonneschijn, en koelte, en geluk. Het licht blinkt op de groene blâren, de wind suist door het riet, en haar lief gezicht lijkt[108]zoo gansch te behooren bij al het moois rondom, het lijkt zóó uit al die welige weelde opgebloeid, als een zachte, roode bloem. En dit, geloof ik nu, zou wel de simpele wijsheid kunnen zijn, waar ik zoo lang en droef naar zocht: „Eén zijn met de groote, àlgoede natuur, ademen één zelfden, reinen adem met de blijde bloemen en de bloesemende boomen, met naast je de goede, lichte Liefste, die dáár is, om je leven te volmaken, dat alléén zijn harmonie niet vindt. Niet denken, en niet willen, en niet weten. Maar stil-tevreden leven met het Lief, twee zachte, simpele bloemen onder Gods blauwen hemel, in deemoed bloeiend omhoog.”

En werkelijk, zóó als ze daar dicht tegen me aanzat, waar ik haar hart kon voelen kloppen, en de zachte strooming van haar leven voelde vloeien langs ’t mijne, heb ik even gekend dat zoo eenvoudige en kalme geluk, dat ik zoo verre, verre zocht, maar dat vlakbij gevonden wordt, als Liefde’s Licht maar schijnt.…

Al ’t lieve moet voorbij gaan, als een droom, anders zou ’t leven hier één eindelooze zaligheid worden, en hemel zijn.…

Wij stijgen weêr in ’t zadel, en nu gaat het berg op, moeilijk, met hijgende paarden, tot bij Proewono, waar een steil, smal zijpad opklimt naar het „Karrenplateau.”

En het is weêr een zelfdeapothéoseals gisteren. Van het hooge, kleine plateau opééns uitziende op de wijde, wijde wereld daar vér onder[109]ons. Bevende, wemelende horizonnen van zee en licht en lucht. Geelgouden en smaragdgroene schittering van sawahs en tuinen. Maagdelijke rijzenis van zachtblauwe bergen, nevel-omdroomd, die als wèl-bewuste wijsheid kuischelijk ópstaan boven de lage vlakte, hoog ten hemel. Blanke, lumineerende wolkjes, die als lichtende engelen zachtkens, zachtkens voortzweven aan blinkende transen. Wijd ligt de wondere wereld ónder ons. in een goddelijke zaligheid van licht, en kleur, en nuance, en beweeg.…

Wij zijn afgestegen, en ik bind de paarden aan een boom. Ik sta met haar op den rand van het plateau, vlak bij de helling. Ik houd haar hand in de mijne.

„Vin je dat nu niet héél mooi?” vraag ik haar. „Zie je die blanke wolkjes daar? O! kon ik met jou zóó samen aan den hemel drijven, zoo heel zacht naast elkaar, en nooit meer scheiden!”

„Je wordt weer poëtisch!” plaagt ze lief. Maar ze kijkt aandachtig naar de lichte, blinkende wezens, die daar voortdrijven naar de zee, in sneeuwen reinheid.

„Wat is het alles laag en vèr beneden,” zeg ik weêr, hardop denkende. „En wat staan wij hier héél hoog er boven. Wat kijk je lief-lachend naar omlaag! Hoe teêr en fijn is nu je gezicht, hier zoo bizonder glanzend, in die hooge regionen! Je lijkt nu wel een zachte engel, die vóór den hemel staat, en uitziet op de aarde vér beneden.The Blessed Damozel.…”[110]

Ze lacht wat, en begrijpt me niet heel goed. Ze is moê, zegt ze en gaat liggen in het gras, haar baby in wijde plooien om haar heen, als de bladen van een bloem.

„Mag ik bij je komen? Zal je niet boos zijn?”

„—Neen, maar je mag niets zeggen, zooals verleden. Je mag er niet over praten.”

Neen, spreken zal ik er niet meer over, en haar niet meer vragen of ze van me houdt. Ik zal alleen maar naast haar liggen, mijn hoofd doen rusten in haar zachten schoot, en haar handen streelen in de mijne. Zij houdt haar grooten strooien zonnehoed beschermend boven mij, en haar lief gelaat buigt zich over het mijne, vriendelijk lachend. Zóó zegt ze het me dat ze heusch wel van mehoudt, al mag ze het niet uitspreken in woorden. Hoe heerlijk is het, zoo te liggen! Hoe warm en veilig is het bij haar!

Zoo hoog, zoo hoog boven de wereld, in de ijle, fijne, pure lucht! Wij ademen in zoo gansch zuivere sferen hier, waar ’t geluk wel bloeien kan in onze zielen rein. Vèr onder ons is der wereld droef gerucht.…

„Weet je wat nu ’t geluk is?” fluister ik haar toe. „Hier altijd blijven droomen in je schoot, en somtijds heel even wakker worden, en dan de sterren zien van je oogen, en dan een kus van je krijgen, en dan weer droomen van dien kus.…”

Zij legt een vinger op haar lippen, wenkend dat ik niet spreken mag, en zóó heel stil moet blijven.[111]

Totdat de anderen komen, die nog achterbleven, lig ik in het blinkende, groene gras, en rust mijn hoofd in haar schoot, waar zij liefderijk over mij zit heengebogen, als een stille, wakende engel, zwijgend, in groote eerwaardigheid. En zóó ver, zoo héél ver beneden ligt de wereld, en zóó hoog in ’t hooge zijn we hier verheven, dat het mij is, of nu het einde is gekomen, en ik enkel een ziel ben die, der droeve aarde ontstegen, hier landde in Gods reinere regionen, waar één van Zijn lichte engelen haar wachtte, en zacht-genadig opnam in zoo kuischen schoot.…

Alle gasten in ’thôtelhebben een feestje bereid den avond vóór Annie’s vertrek. Er is muziek gemaakt, en gedanst en champagne geschonken. En doodmoe ging ik ’s avonds laat naar bed.

Na een koortsachtigen, bangen slaap word ik om zes uur wakker. De zon is opgekomen, en jonge stralen lichten in mijn kamer.

En ineens, benauwend, een denken: „Ze gaat weg, ze gaat wég.”

Ik ril en huiver.

Gauw nu aankleeden, en naar buiten, naar het terras. Hoe heerlijk schoon is de morgen! De wereld is een puur paradijs van lichten vrede. Hoe blij en liefelijk staan de bloemen om mij heen! De rozen, de viooltjes, de blauwe verbenas, de resedas, de heliotropes! Hoog rijzen de goede[112]bergen ten hemel. Ardjoenå lacht zijn goden-lachen in de stralende zon. Beneden ligt de vlakte in gouden waze, met verheerlijkte kleuren, Er lijkt niets veranderd. Blinkend blaakt nog de droom …

En ik kán, ik kán het niet gelooven. Het is alles zoo goed en warm en licht rondom! Ik buig mij over zachte bloemen, en pluk ze, voorzichtig, nog nat van dauw. Dit zullen mijn láátste bloemen zijn.… De allerlààtste bloemen van liefde, die ik nog ooit een lieve vrouw zal geven.…

Nu naar haar kamer. Gelukkig is er nog niemand op het plein. En daar staat ze voor de deur. Zoo licht, zoo glanzend van warme goedheid in den morgen, haar kindje naast haar.… Een zachte wijding is om haar heen.… Liefelijk lichten daarin haar oogen.…

„Dag Annie, dag lief mevrouwtje,” zeg ik, en ik houd me goed, waar tranen in mijn oogen staan. „Ik heb voor ’t laatst nog wat rozen en héliotrope geplukt, de afscheidsbloemen.…”

Het vriendelijk lachen van haar licht gezicht.… O! het gebaar, waarmee ze nu mijn bloemen aanneemt!.… Wie heeft gelegd de vrome gratie in dieteêreleden, dat elk gebaar zoo zacht maakt als gebed?.… En uit haar lieve ziel komt die stem, die dankbaar zegt:

„Dank je wel, hoor, ik ben er héél blij meê, ik zal ze goed bewaren.…”

Dàn, inééns heel hartelijk, en verontschuldigend voor gisteren:[113]

„Het spijt me zoo dat we gisteren avond niet wat alléén konden zijn, en al die menschen er bij kwamen. Het zou met ons vijven zoo véél gezelliger zijn geweest. Maar ik kon er niets aan doen.”

Hoe klein is ze nog! Ze lijkt wel de groote zuster van haar kindje! Ze is nog zoo héél erg een Meisje zooals ze daar staat! Ze heeft haar blauwe blouse aan met witte cirkeltjes. Haar parelgrijze rijrok, die zoo ruischt. De blanke, ópgeslagen manchetten, en het ópstaande boordje, met de groote, witte das. Een wit stroo matelotje op, met wit zijden lint. Zoo blij, dat blauw in den morgen! Alles zoo frisch en blank aan haar! Wat is ze nu dicht bij me, nu ik haar hand nog vasthoud! Ik zie het héél fijne, blonde dons op haar wangen, en een teêre ader, bleek-blauw, bij haar slaap. Haar glanzende gouden krullen bewegen een beetje in den wind. Ze lijkt zoo héél voor mij, zóó, even maar te grijpen, en dan te houden, o! vást, vást te houden voor héél het leven, en nooit weêr af te staan!

En straks zoo vèr, zoo vèr, zoo vèr.… Dra is de lieve droom voorbij.…

Ik buig mij over haar kindje, en kijk het kereltje in zijn koddige, blauwe oogjes. De oogen van zijn moeder! Ik vraag hem, of hij blij is, weer terug naar de stad te gaan.

„Fritsje liever hier blijven,” zegt zijn stemmetje.[114]

Een fijne, nog heel zachte stem, met iets oneindig teeders en bedeesds. Zoo’n klein, klein kleutertje! Hij is een heel klein stukje ziel van Annie, uit háár zachte gratie weggedroomd, hier in ’t harde leven.

En ineens, heel klaar en pijnlijk vóór me, als een zaligheid hopeloos onbereikbaar: Een kindje van mij en Annie! Door mij uit haar lieve lijf gewekt, en mijn ziel met háár lieve ziel te zamen!

Ik zie haar droevig aan, en zwijgend ziet ze in mijn oogen. Zou ze het hebben gelezen, mijn lief geheim?

Daar komt Sophie haar kamer uit, en maakt een einde aan de spanning, die ontstond. Ze ziet wel dat er iets gebeurt en spreekt van ’t mooie weer, en den heerlijken rit die nog te maken is, en van nu nog maar eens goed profiteeren. En daar komt Mary ook, mijn trouwe, zachte zuster. Ze kijkt heel bezorgd naar me, wetende wat nu voor mij gebeuren gaat. Nu even nog naar het achterplein van ’thôtelgaan, en groeten, en handen geven aan wat gasten, dan de trap af, naar de paarden, die beneden staan.

Wiono, het mooie goudvosje, zal haar wegbrengen.

Daar staat ze weer naast haar paard, zooals zoovele, heerlijke malen! Het is of ’t weer een nieuwen pleiziertocht geldt, zoo in den jongen morgen, met al de bergen zoo licht in de zon, en de wind zoo blijde waaiend. De droom blinkt nog in volle glorie.…[115]

Nu weer de handen saâmgevouwen voor haar òphouden, en hoe lucht, als een vogeltje dat vliegen gaat, springt ze in het zadel! Zie nu haar kleine voetje in den beugel steken! Hoe fijn, haar broze enkel. Wat is zoo’n lieve vrouw toch van louter zachtheid en teederheid gemaakt! Hoe is dit toch bestaanbaar in het harde, harde leven.… Maar neen, het leven is niet hard; zie nu toch die bergen, glanzende in de zon, die blinkende hemelen, waar de blanke wolkenstoeten drijven!.… Het leven is licht, en vreugde, en geluk.…

Nu rijden wij weg, Mary met Sophie en Hendrik Wouters een eind achter, Annie en ik weer vooruit. Hoe zet zij haar paardje weer aan! Al heel gauw rijden wij alleen.

Er gaat een zachte gedachte in mij om, heel droef. „Ze gaat wèg van je, Rudolf, wèg, wèg.…”

Maar het lijkt te onbestaanbaar.… Het komt zoo héélemaal niet bij het lichte geluk rondom.… En ik lách even om mijn eigen vrees.… Dáár is ze immers vlák, vlàk bij mij.… Als ik éven mijn hand uitsteek voel ik haar zachten arm.… Ik zie de goudblonde krullen, zachtjes waaiend om haar hoofd.… Hoe lief lacht ze mij toe, hoe hoort haar vriendelijk oogenschijnen zoo ganschelijk bij mijn ziel.…

Wij spreken ook héél niet over scheiden. Wij spreken over hoe mooi het is rondom, waar wij zachtjes dravend door den breeden weg gaan, met overal in de verte bergen, en wolken, en[116]horizonnen, en rechts de diepe ravijnen, waar de zon schittert en flikkert in licht bewegend groen. Zij is weer zoo blij en lacherig als een kind in den jongen morgen, en het leven is goed, o! het leven is goed en gelukkig, met het lief gekweel van vogelen rondòm, en het liever klinken van haar melodieuze stem!

En tòch, en tòch, heel zacht, die vreemde weifeling héél vèr van binnen in mijn ziel: „Dit is het einde, dit is het einde … nu komt de nacht weer voor je, de lange, bange nacht”.… Dan rijd ik heel dicht naast haar, en neem haar hand in de mijne, en voel wat angstig of het nog heúsch, heúsch wel waar is, als een, die in een droom de dingen angstig betast, bang dat hij aanstonds weêr zal ontwaken.…

Zij laat haar hand gewillig in de mijne. De paarden loopen even naast elkaar.—Somtijds wil ik nog vragen: „Annie, je gaat toch niet weg, hè? het is maar wat jokken, hè, van dat weggaan? Je blijft nog bij me?.…”

Maar ik ben bang, o! bang om het te zeggen. Er gaat een duizeling door mijn hoofd. En mijn hart hoor ik hamerend kloppen.…

En het kán niet, het kán niet! Kijk! alles is immers nog éven mooi.… De koele, reine lucht, en al dat groen, dat blinkende, wuivende, ruischende groen rondom.… Alles is er nog, alles, éven mooi.… Dáár, kijk, de figuurtjes in haar blouse, zoo wèlbekend, dáár is haar dasje, haar hoed,[117]haar ceinture.… Het is vlák naast me, als ik éven de hand uitsteek is het mijn.…

Voel maar, hier is haar eigen hand, zoo zacht en warm.…

Maar nu voel ik het weer warrelen en duizelen in mijn hoofd nu ik dit schrijf.… En toch, het móet, ik wíl het, ik wil het neêrzetten in dit dagboek.… Maar ik wéét het niet meer, ik wéét het heusch niet meer.… Hoe is het ook weer gebeurd.…? Ai! mijn hart klopt zoo, mijn hart klopt zoo.… O ja.… we waren, inééns, en toch moet het eerst na anderhalf uur zijn geweest, we waren ineens in het kleine, stilleHôtelvan Poespo. De anderen waren ook gekomen. Er was een tafel gedekt. En we hebben samen ontbeten. Er is gelachen, en gezongen, en wijn gedronken. Het was zoo verschrikkelijk prettig.… Toen kwam er iemand iets zeggen van hoe laat, en van den trein in Pasoeroean.… Wat?.… ja, de trein.… in Pasoeroean.…

En Annie staat ineens op, en loopt weg van tafel. Ik haar na. Ik begin weer te begrijpen.…

Ze staat opeens met me achter, bij de bijgebouwen, waar het water uit een bergwand schiet.…

„Ik ga weg,” zegt ze, „ik ga weg.… ik vind het verschrikkelijk, zoo’n afscheid.… het héérlijke Tosari, het héérlijke, verrukkelijke Tosari.… maar ik moet weg.… ik moetnaar mijn man, hoor je ’t,naar mijn man.… dag Rudolf.…”[118]

Dit is niet meer mijn vroolijke Annie. Dit is al niet meer haar stem.… Dit droeve en zoo vast serieuze is niet van Annie.… Ik probeer haar niet tegen te houden. Het is onherroepelijk.… Want, opééns wéét ik het weêr, fèl, scherp, hard wéét ik het, dit is het einde van een droom.… het hel ontwaken.… het is onverbiddelijk, genadeloos.…

Ik kan niet spreken. Ik voel de groote tranen in mijn oogen. Ik durf haar niet meer te kussen, ze is al te vèr, de droom is nu al veel te broos op ’t breken.… Ik voel dat ze mijn hand drukt, en de tranen nu langs mijn wangen gaan.…

„Ik kán ’t niet zien, ik kán ’t niet zien,” roept ze angstig. „O! laat ik nu toch weggaan!.…”

Daar vóór het huis staan karretjes klaar. Ik zie het nu zwijgend aan. Er worden koffers opgeladen. De anderen zijn er nu ook, maar ik weet niet wat te zeggen. Ik zie alléén dat Annie nu in het achterste karretje stapt, en haar kindje bij zich heeft.… Mary kust haar, en zij geeft Wouters en Sophie een hand.… en roept nog wat liefs.…

Langzaam, langzaam rolt het wagentje vooruit … Dáár, dáár.… wèg, wèg.… Nog even, nog éven. Ik ren nog éven vooruit, en ’t wagentje houdt op.… „Annie! Annie!” roep ik.

Ze zit zoo héél, héél stil.… Haar donkere oogen blinken van zoo zachten glans.… O! die[119]zachte tranen, uit haar ziel geweld om mij!.…

„Annie! zal je nog wel eens een héél enkelen keer om mij denken? Zal je me niet héélemaal vergeten?.…”

„Neen, Rudolf, dat wéét je wel.… Kijk, je bloemen van vanochtend, die ik in de tandoe bij mijn kindje heb gelegd, ze zijn al heelemaal verlept.… maar ik zal ze áltijd, áltijd bewaren als een aandenken.… ik zal altijd aan je denken.…”

Nog éven voel ik haar handen op mijn brandend hoofd, troostend en zegenend, waar ik mij diep heb gebogen voor haar zachte gratie.… Ik hoor haar stem nog éven klinken vol droefenis, waar ze mij vaarwel zegt.… O! nog éven zie ik haar zachte ziel, blinkend in haar oogen.…

Dan gaat het vàn mij, ver en verder.…

Daar gáát ze, o God, mijn God, daar gáát ze.… Ze wuift en wuift nog met haar zakdoek, ze roept nog lief gedag, en wuift en wuift.… mijn arme, verlepte rozen en héliotropen verspreid over haar schoot, met haar kindje tegen zich aan.…

Nu is het over.… Nog èven, èven, een winding van den weg … Haar rank, licht figuurtje … Ze wuift en wuift.…

En de droom, de droom is voorbij.…


Back to IndexNext