Achttiende hoofdstuk.

1Eertijds vergenoegde men zich met dezen bast tot poeder te stampen, dat den naam droeg van “Jezuïeten-poeder”, omdat de Jezuïeten van Rome er in 1640 van hun Amerikaansche zending een aanzienlijke hoeveelheid van kregen.Achttiende hoofdstuk.Het vreeselijk woord!Het werd tijd dat de reizigers de hacienda bereikten. Ten gevolge van buitengewone vermoeidheid was Mevr. Weldon in de onmogelijkheid een reis te vervolgen onder zulke bezwarende omstandigheden. Het was waarlijk een treurig gezicht, die kleine jongen met dat hoog roode gezicht in de aanvallen van koorts, en dan weder zoo bleek in de tusschenpoozen. Zijn moeder maakte zich zoo ongerust, dat zij Jack zelfs niet aan de zorgen van de goede Nan had willen toevertrouwen en hem aanhoudend half liggend in haar armen hield.Ja! het was tijd dat zij aankwamen! Volgens den Amerikaan zouden zij dan ook denzelfden avond van den dag, die aan den hemel kwam, den avond van den 18n April, eindelijk in de hacienda van San-Felice een veilige schuilplaats vinden.Welk een moedige en sterke natuur Mevr. Weldon ook had, zoo was toch een reis van twaalf dagen en daarbij twaalf nachten onder den blooten hemel doorgebracht, meer dan genoeg om haar geheel aftematten. Maar voor een kind was het nog erger en het gezicht van den kleinen zieken Jack die zelfs de eenvoudigste oppassing moest missen, was alleen voldoende haar geheel neer te slaan.Dick Sand, Nan, Tom en zijn reismakkers hadden de vermoeienissen der reis beter verdragen.Wel begonnen de levensmiddelen te verminderen, maar gebrek hadden zij nog geenszins gehad, zoodat hun gezondheid dan ook voldoende was.Wat Harris aangaat, hij scheen tegen de ongemakken van die langdurige tochten door de bosschen bestand te zijn en ’t bleek dat de vermoeienissen geen vat op hem hadden. Alleen merkte Dick Sand op, dat hij, naarmate zij de hacienda naderden, meer in gedachten en minder rond in zijn omgang was dan vroeger. Het tegendeel zou natuurlijker geweest zijn. Dat was althans de meening van den leerling, die den Amerikaan hoe langer hoe meer begon te wantrouwen. En toch, welk belang dreef Harris aan hen te bedriegen? Dick Sand zou het niet hebben kunnen zeggen, maar nog meer dan vroeger hield hij hun gids in ’t oog.De Amerikaan, van zijn kant, gevoelde dat Dick hem niet vertrouwde, en dit wantrouwen deed hem in tegenwoordigheid van zijn “jongen vriend” nog stilzwijgender zijn.Men was weder op marsch gegaan.In het bosch, dat nu minder dicht was, waren de boomen hier en daar in groepen verspreid en vormden geen ondoordringbare massa’s meer. Zou dat nu de werkelijke pampa zijn, waarvan Harris gesproken had?Gedurende de eerste uren van den dag, werd de ongerustheid van Dick Sand door geen enkel voorval vergroot. Alleen werden er twee feiten door hem opgemerkt. Misschien waren zij niet van groot gewicht, maar in de omstandigheden waarin zij verkeerden, mocht geen enkele bijzonderheid onopgemerktvoorbijgaan.Het was vooreerst de houding van Dingo, die meer bijzonder de aandacht van den leerling trok.De hond namelijk, die gedurende den ganschen tocht een spoor scheen te volgen, werd geheel anders, en dat bijna plotseling. Tot nog toe slechts met den neus op den grond, het gras of de struiken beruikende, zweeg hij, of deed hij een soort van klagend geblaf hooren, naar het scheen de uitdrukking van smart of van verdriet.Dien dag nu werd het geblaf van het zonderlinge dier weder luid klinkend, somtijds woedend, zooals het vroeger was, toen Negoro op het dek van denPelgrimverscheen.Eensklaps kwam er een vermoeden bij Dick Sand op, in welk vermoeden hij door Tom versterkt werd, die zeide:”’t Is toch vreemd, mijnheer Dick! Dingo snuffelt niet meer langs den grond, zooals hij gisteren nog deed! Hij loopt met den neus in den wind, hij is ontsteld en zijn haar staat overeind! Men zou zeggen, dat hij in de verte....”“Negoro ruikt, niet waar?” antwoordde Dick Sand, die den arm van den ouden neger aangreep en hem een teeken gaf om zacht te spreken.“Negoro, mijnheer Dick. Zou ’t niet kunnen zijn, dat hij ons spoor gevolgd heeft?...”“Ja, Tom, en dat hij op dit zelfde oogenblik niet ver af is?”“Maar.... waarom?” zei Tom.“Of Negoro kende dit land niet,” hernam Dick Sand, “en in dat geval had hij het grootste belang erbij ons niet uit het gezicht te verliezen....”“Of?....” zei Tom, die den leerling ontsteld aankeek.“Of,” hernam Dick Sand, “hij kende het, en dan....”“Maar hoe zou Negoro dit land kennen? Hij is er nog nooit geweest!”“Nog nooit geweest!” mompelde Dick Sand. “Maar zeker is het dat Dingo doet alsof de man dien hij verfoeit, weder dicht bij is ons!”Daarna viel hij zich in de rede, om den hond te roepen die aarzelend naar hem toe kwam.“Wel,” zei hij, “Negoro, Negoro!”Dingo beantwoordde dit met een woedend geblaf. Deze naam had de gewone uitwerking op hem, en hij sprong vooruit, alsof Negoro zich achter het kreupelhout had verscholen.Harris had dit geheele tooneel gezien. Met de lippen een weinig op elkaar gedrukt, trad hij op den leerling toe.“Wat vraag je toch aan Dingo?”“O! dat beteekent niet veel, mijnheer Harris,” antwoordde de oude Tom gekscheerend. “We vragen hem naar den scheepsmakker dien we verloren hebben!”“Ah!” zei de Amerikaan, “naar dien Portugees, den scheepskok, van wien je me al verteld hebt?”“Ja,” antwoordde Tom. “Als men Dingo hoort, zou men zeggen dat Negoro in de buurt is!”“Hoe zou hij hier hebben kunnen komen!” antwoordde Harris. “Hij is nooit in dit land geweest, voor zoover ik weet!”“Of hij moet het voor ons geheim gehouden hebben,” antwoordde Tom.“Dat zou vreemd zijn,” zei Harris. “Maar als je wilt, zullen we ’t kreupelhout doorzoeken. ’t Kan wezen dat de arme drommel hulp behoeft, dat hij in nood is....””’t Is onnoodig, mijnheer Harris,” antwoordde Dick Sand. “Als Negoro den weg hierheen heeft kunnen vinden, zal hij wel verder terecht komen. Hij is mans genoeg!”“Zooals je wilt,” antwoordde Harris.“Koest, stil, Dingo,” zei Dick gebiedend tot den hond, om een eind aan het gesprek te maken.De tweede opmerking van den leerling had betrekking op het paard van den Amerikaan.Het bleek niet “dat hij den stal rook,” zooals paarden gewoonlijk doen. Het snoof geen lucht op, verhaastte zijn stap niet, het blies niet door zijn neusgaten, liet geen gehinnik hooren, zooals zij gewoonlijk doen als zij den stal naderen. Hij scheen even onverschillig alsof de hacienda, die hij toch goed moest kennen, eenige honderden mijlen daar vandaan geweest was.“Het is geen paard dat thuis komt!” dacht de leerling.En evenwel had Harris den vorigen dag reeds gezegd, dat zij nog slechts zes mijlen van hun doel af waren en van die zes mijlen hadden zij er zeker vier afgelegd.Behalve dat nu het paard niets vanden stal rook, dien het toch zeker hoog noodig had, was er ook niets waaruit zij de nabijheid eener groote nederzetting konden opmaken, zooals toch de hacienda van San-Felice moest zijn.Hoe onverschillig Mevr. Weldon ook moest zijn voor alles wat haar kind niet betrof, was zij toch getroffen door de verlatenheid der streek. Hoe! geen enkele inlander, geen enkele bediende van de hacienda, en nog wel op zulk een kleinen afstand! Was Harris verdwaald? Neen, dat denkbeeld verwierp zij. Een nieuwe vertraging zou de dood van haren kleinen Jack zijn?Intusschen ging Harris altijd vooruit; maar hij scheen de diepten van het bosch te peilen en naar rechts en links te kijken, als iemand die niet zeker van zich zelven.... of van den weg is!....Mevr. Weldon sloot de oogen om hem niet meer te zien!Na een vlakte van omstreeks een mijl te zijn doorgetrokken, kwamen zij weder in het bosch, dat hier evenwel niet zoo dicht meer was als in het westen en zette de kleine troep haren marsch onder de groote boomen voort.Ten vier ure ’s avonds kwam men bij een kreupelbosch, waar niet lang geleden een troep machtige dieren zich een doortocht had gebaand.Dick Sand nam alles om zich heen met de grootste attentie op.Op een hoogte, die de menschelijke lengte ver overtrof, waren de takken afgescheurd of gebroken. Daarbij was het groen met geweld van een gerukt en waren er op den eenigszins moerassigen grond, die nu bloot gekomen was, voetstappen van jaguars of conguars te zien.Zouden het “ai’s” of andere luiaards geweest zijn, welke die indrukken op den grond hadden achtergelaten? Doch hoe dan de gebroken takken op zulk een hoogte te verklaren?Alleen olifanten hadden dergelijke indrukken, zulke breede sporen kunnen achterlaten en een verwoesting in het kreupelbosch aanrichten. Maar olifanten zijn er niet in Amerika. Die ontzaglijke dikhuidige dieren worden in de Nieuwe-Wereld niet gevonden en zijn er ook nooit geweest, terwijl men ze er ook nooit heeft kunnen acclimatiseeren.De onderstelling dat daar olifanten zouden doorgetrokken zijn, was dus volstrekt onaannemelijk.Hoe het zij, Dick Sand liet niet blijken wat dit onverklaarbare feit hem zoo al te denken gaf en te overwegen. Hij ondervroeg zelfs den Amerikaan niet meer in dit opzicht. Wat toch kon hij verwachten van iemand die getracht had hem giraffen voor struisvogels te doen aanzien? Harris zou ook daarvan de een of andere meer of minder goed verzonnen verklaring hebben gegeven, die toch niets aan den toestand veranderd had.Hoe het zij, de meening van Dick omtrent Harris was gevestigd. Hij was nu overtuigd dat hij te doen had met een verrader en wachtte slechts op een gelegenheid om zijn valschheid aan de kaak te stellen, alles zeide hem dat deze gelegenheid zich weldra zou voordoen.Maar wat kon het geheime doel van Harris zijn? Welke toekomst gingen de overlevenden van dePelgrimte gemoet? Dick Sand gevoelde dat zijn verantwoordelijkheid met de stranding van dePelgrimniet geëindigd was. Hij moest altijd, en meer dan ooit, zorgen voor het heil van hen, die de schipbreuk op deze kust geworpen had. Hij alleen was het, die deze vrouw, dit jonge kind, deze negers, al zijn lotgenooten moest redden! Mocht hij aan boord al iets hebben kunnen beproeven, mocht hij als zeeman hebben kunnen handelen, welk besluit zou hij hier nemen, te midden van de vreeselijke beproevingen die hij voorzag?Dick Sand wilde de oogen niet sluiten voor de ontzettende werkelijkheid die elk oogenblik onbetwistbaarder werd. In deze omstandigheid werd hij weder de kapitein van vijftien jaren, die hij aan boord van dePelgrimgeweest was. Maar hij wilde niets zeggen, dat de arme moeder kon verontrusten, voordat het oogenblik van handelen gekomen was!En hij zeide niets, zelf niet, toen hij aan den oever van een vrij breeden stroom gekomen zijnde en de kleine troep een honderd schreden vooruit gaande, eenige reusachtige dieren zag, die zich in het hooge riet en gewassen aan den oever verborgen.“Nijlpaarden! nijlpaarden!” was hij op het punt om uit te roepen.En werkelijk waren het van die dikhuiden met groote koppen en lange gebochelde snuiten, wier bek bezet is met groote tanden, die meer dan een voetver uitsteken, ineengedrongen op hun korte pooten, en waarvan de huid, onbehaard, taankleurig rood is? Nijlpaarden in Amerika!Den geheelen dag werd de marsch voortgezet, maar bezwaarlijk. Zelfs de sterksten konden van vermoeidheid bijna niet verder. Het werd inderdaad tijd, dat men aankwam of wel zou men genoodzaakt zijn halt te houden.Mevr. Weldon, die zich uitsluitend met haar kleinen Jack bezighield, voelde misschien geen vermoeidheid, maar haar krachten waren uitgeput. Allen waren meer of minder afgemat. Een verheven geestkracht, in het gevoel van plicht, hield Dick Sand staande.Tegen zes uur ’s avonds vond de oude Tom in het gras een voorwerp dat zijn aandacht trok. Het was een wapen, een soort van mes, van bijzondere gedaante, gevormd uit een breed, gebogen lemmet en gevat in een ivoren heft van vrij ruwe bewerking.Tom gaf dit mes aan Dick Sand, die het nauwkeurig bekeek en het eindelijk aan den Amerikaan toonde, met de woorden:“De inboorlingen zijn ongetwijfeld niet ver meer!”“Inderdaad,” antwoordde Harris, “en toch....”“Toch?....” herhaalde Dick Sand, die Harris strak aankeek.“We moesten nu zeer dicht bij de hacienda zijn,” hernam Harris aarzelend, “en ’k weet niet....”“Waar we zijn?” zei Dick Sand driftig.“We kunnen nu niet verder dan drie mijlen van de hacienda meer af zijn. Maar ik wilde den kortsten weg door het bosch nemen en ik heb misschien ongelijk gehad!”“Misschien!” herhaalde Dick Sand.”’t Zou dunkt me niet kwaad zijn als ik vooruit ging,” zei Harris.“Neen, mijnheer Harris, we gaan niet van elkaar,” antwoordde Dick Sand op stelligen toon.“Zooals ge wilt!” hernam de Amerikaan. “Maar in den nacht zal ’t me moeilijk vallen u te geleiden.”“Dat doet er niet toe!” antwoordde Dick Sand. “We zullen halt houden. Mevr. Weldon zal ’t zeker goedvinden nog één nacht in het bosch door te brengen, en morgen, als ’t helder dag is, gaan we weer op weg! Nog twee of drie mijlen, die we in een uurtje zullen afleggen!”“Goed,” antwoordde Harris.Op dit oogenblik liet Dingo een woedend geblaf hooren.“Hier, Dingo, hier!” riep Dick Sand. “Je weet wel dat er niemand is, en dat we hier in de wildernis zijn!”Men besloot dus nog eens halt te houden. Mevr. Weldon liet haar metgezellen hun gang gaan, zonder een woord te zeggen. Haar kleine Jack was met de koorts in haar armen ingesluimerd.Men zocht naar een goed plaatsje om er den nacht door te brengen.Dick Sand was druk bezig met onder het dichte gebladerte van eenige bijeenstaande boomen alles voor den nacht in gereedheid te brengen, toen de oude Tom, die hem hierin te hulp kwam, plotseling stil hield, uitroepende:“Mijnheer Dick, kom eens gauw hier en kijk eens!”“Wat scheelt er aan, ouwe Tom?” vroeg Dick Sand op den bedaarden toon van iemand, die op alles voorbereid is.“Daar.... daar....” zei Tom, “op die boomen.... bloedvlekken!.... En op den grond.... verminkte leden!....”Dick Sand vloog naar de plaats die de oude Tom hem aanwees. Toen, tot zich zelven komende, zeide hij:“Zwijg toch, Tom, zwijg.”En werkelijk lagen daar op den grond afgesneden handen, en bij die menschelijke overblijfselen, eenige gebroken jukken, en een gesprongen ketting!Mevr. Weldon had gelukkig niets van die afschuwelijke voorwerpen gezien.Wat Harris aangaat, hij hield zich ter zijde en wie hem op dit oogenblik bespied had, zou getroffen zijn geweest door de verandering die bij hem plaats greep. Zijn gelaat had iets woests.Dingo had zich bij Dick Sand gevoegd en blafte als razend tegen die bloedige overblijfselen.Het kostte den leerling moeite den hond weg te jagen.Intusschen was de oude Tom, op het gezicht van die jukken, van dien gebroken ketting onbeweeglijk, als in den bodem vastgeworteld, blijven staan. De oogen bovenmate wijd gesperd, de handen saamgewrongen, keek hij strak vóór zich en mompelde deze onsamenhangendewoorden:“Heel klein.... als heel klein kind, heb ik die jukken gezien!....”En ongetwijfeld kwamen de herinneringen uit zijn eerste kindsheid, als in nevelen gehuld, bij hem op. Hij trachtte zich zekere zaken te binnen te brengen!... Hij was op het punt te spreken!....“Spreek niet, Tom!” herhaalde Dick Sand. “Voor mevrouw Weldon, voor ons allen, zwijg!”En de leerling nam den ouden neger mede.Een andere plaats op eenigen afstand, werd nu gekozen en voor den nacht in gereedheid gebracht.Ofschoon de maaltijd toebereid was, had niemand lust er deel aan te nemen. Zij waren te zeer afgemat om te eten, maar daarenboven verkeerden allen onder den indruk eener ongerustheid die aan schrik grensde.Allengs begon het nacht te worden, die dezen keer buitengewoon donker was. De hemel was met dikke onstuimige wolken bedekt. Men zag tusschen de boomen door aan de westerkim, tengevolge van de warmte, eenige bliksemflitsen flikkeren. De wind was gaan liggen, geen blad bewoog zich. Een diepe stilte volgde op het geruisch van den dag, en het was alsof de zware dampkring, met electriciteit verzadigd, ongeschikt werd tot het overbrengen van geluiden.Dick Sand, Austin en Bat waakten te zamen. Zij trachtten in dien stikdonkeren nacht te zien, te hooren of eenig lichtschijnsel, eenig verdacht geluid hun oogen of ooren trof. Maar niets verstoorde de stilte noch de duisternis van het woud.Tom was niet ingesluimerd, maar in zijn herinneringen verdiept, zat hij met gebogen hoofd onbeweeglijk, alsof hij door een plotselingen slag was getroffen.Mevr. Weldon wiegde haar kind in haar armen en had slechts gedachten voor hem.Alleen neefBenedictussliep misschien, want hij was de eenige die den algemeenen indruk niet deelde. Zijn voorgevoelens gingen zoo ver niet.Plotseling tegen elf uur, deed zich een langgerekt, grootsch gebrul hooren.Tom richtte zich in zijn volle lengte op en strekte zijn hand uit naar een dicht kreupelbosch, op zijn hoogst een mijl van daar verwijderd.Dick Sand pakte hem bij den arm, maar kon niet beletten dat Tom luidkeels uitriep:“De leeuw! de leeuw!”De oude neger had het gebrul herkend, dat hij zoo dikwijls in zijn kindsheid had gehoord!”“De leeuw!” herhaalde hij.Dick Sand kon zich niet langer inhouden en vloog met den hartsvanger in de hand op de plaats toe, door Harris ingenomen....Maar Harris was weg, en zijn paard verdwenen met hem.Als door den donder getroffen, had er nu een soort van omkeering plaats in het gemoed van Dick Sand.... Hij was niet waar hij gemeend had te zijn!DePelgrimwas dus niet op de Amerikaansche kust gestrand? ’t Was dus niet op het Paasch-eiland welks ligging de leerling had opgenomen, maar een ander eiland, juist ten westen van dit vasteland gelegen, evenals het Paascheiland ten westen van Amerika ligt.Het kompas had hem gedurende een gedeelte van de reis bedrogen, men weet hoe! Door den storm op een verkeerden weg gebracht, was hij kaap Hoorn omgevaren en van de Stille zuidzee in den Atlantischen Oceaan geraakt. De snelheid van zijn schip, die hij slechts onvolkomen kon berekenen, was, buiten zijn weten, door de kracht van den orkaan verdubbeld geworden!Dat was de reden waarom er geen caoutchouc- noch kinaboomen waren en de voortbrengselen van Zuid-Amerika aan dat land ontbraken, dat noch de hoogvlakte van Atacama, noch de Boliviaansche pampa was!Er was nu geen twijfel aan, het waren giraffen en geen struisvogels, die bij de open plek in het woud op de vlucht waren gegaan! Het waren olifanten die door het dichte kreupelhout trokken! Het waren nijlpaarden, wier rust in het hooge gras door Dick Sand gestoord was! Het was wel degelijk de tsetsé-vlieg, dat tweevleugelig insect, door Benedictus gevangen, de geduchte tsetsé die de dieren der karavanen door haar steken doet bezwijken!En om de kroon op dit alles te zetten, het was wel het gebrul van den leeuw, dat door het bosch weerklonk! En dejukken, die ketens, dat wonderlijk gevormde mes, dat alles was het gereedschap van den slavenhandelaar! Die afgesneden handen, het waren handen van opgevangen menschen!De Portugees Negoro en de Amerikaan Harris moesten het samen eens zijn!En het vreeselijk woord, door Dick geraden, ontsnapte eindelijk aan zijn lippen:“Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!”Negentiende hoofdstuk.De slavenhandel.De slavenhandel! Iedereen kent de beteekenis van dit woord, dat nooit in de menschelijke taal had moeten opgenomen worden. De afschuwelijke handel die langen tijd gedreven werd ten voordeele der Europeesche volken, in ’t bezit van overzeesche koloniën, is reeds sedert een aantal jaren verboden. Toch wakkert het menschonteerend misbruik nog steeds voort op uitgebreide schaal en voornamelijk in Midden-Afrika. En nog altijd, in onzeXXeeeuw, de eeuw van verlichting en beschaving, ontbreekt de handteekening van eenige zoogenaamde christelijke staten aan het verbond, gesloten tot afschaffing der slavernij.Men zou misschien meenen dat er geen slavenhandel meer is, dat nu koop en verkoop van menschelijke wezens hebben opgehouden te bestaan! Helaas in geenen deele! en dit is het wat de lezer moet weten, indien hij het belang in het vervolg dezer geschiedenis wil stellen, dat het onderwerp verdient. Hij moet weten dat nog in den tijd waarin wij leven, de menschenjachten werkelijkheid zijn, die een geheel vasteland dreigen te ontvolken, om te voorzien in het onderhoud van eenige slaven-koloniën, waar en hoe die barbaarsche strooptochten plaats hebben, het bloed dat zij kosten, wat al branden en plunderingen zij uitlokken en eindelijk ten voordeele van wie zij plaats hebben.De geschiedenis leert, dat de handel in negers het eerst in deXVeeeuw in zwang kwam en wel onder de volgende omstandigheden:Na uit Spanje verdreven te zijn, hadden de Mohamedanen de wijk genomen naar de kust van Afrika, aan gene zijde der straat. Hier werden zij evenwel hardnekkig vervolgd door de Portugeezen, die toen dit gedeelte van het kustland bewoonden. Een zeker aantal dezer vluchtelingen werd gevangen genomen en naar Portugal gevoerd. Tot slavernij gebracht, maakten zij de eerste kern uit van Afrikaansche slaven, die sedert de Christelijke jaartelling in westelijk Europa is gevormd geworden.Nu behoorden deze Muzelmannen meerendeels tot rijke families, die hen tegen hooge prijzen wilden los koopen, ’t geen evenwel de Portugeezen weigerden, hoe hoog het losgeld ook ware, dat hun werd aangeboden. Zij wilden het vreemde goud niet, maar wel de armen die hun ontbraken voor den arbeid der opkomende koloniën, of beter gezegd, zij hadden slavenarmen noodig.Daar nu de Muzelmaansche familie hun gevangen bloedverwanten niet kondenloskoopen, boden zij aan hen in te ruilen tegen een grooter aantal Afrikaansche negers, waarvan zij zich maar al te gemakkelijk konden meester maken. Dit aanbod werd aangenomen door de Portugeezen, die hun voordeel in dezen ruilhandel vonden, en ziedaar de wijze waarop de slavenhandel in Europa ontstond.Tegen het einde derXVIeeeuw was deze schandelijke handel algemeen in zwang gekomen en geenszins in strijd met de nog barbaarsche zeden. Alle staten beschermden hem, teneinde des te sneller en zekerder de eilanden der Nieuwe-Wereld te koloniseeren. Want het waren juist de negerslaven die het dáár konden uithouden, waar de blanken, niet aan het klimaat gewoon en nog ongeschikt om de hitte van de tropische luchtstreek te verdragen, bij duizenden waren omgekomen. Het vervoer der negers naar de Amerikaansche koloniën had dus geregeld plaats met bijzondere, daartoe bestemde vaartuigen en deze overzeesche handelstak gaf het aanzijn aan belangrijke kantoren op verschillende punten der Afrikaansche kust. De “koopwaar” kostte weinig aan het land van uitvoer en de winsten waren aanzienlijk.Maar hoe noodig in alle opzichtende stichting der overzeesche koloniën ook ware, kon zij toch die markten van menschenvleesch niet rechtvaardigen. Weldra verhieven zich edelmoedige stemmen, die openlijk tegen den slavenhandel der negers opkwamen en bij de Europeesche gouvernementen aandrongen uit naam der menschelijkheid er de afschaffing van uit te vaardigen.In 1751 stelden de kwakers zich aan het hoofd der afschaffingsbeweging, in den boezem zelf van dat Noord-Amerika, waar honderd jaren later de oorlog tusschen de noordelijke en zuidelijke Staten zou losbarsten, waarvan deze kwestie der slavernij de aanleiding was. Verschillende Staten van het Noorden: Virginië, Connecticut, Massachusets, Pennsylvanië vaardigden de afschaffing der slavernij uit en stelden de slaven in vrijheid, die met groote kosten naar hun bezittingen gevoerd waren.Maar de strijd door de kwakers begonnen, bepaalde zich niet tot de noordelijke Staten der Nieuwe-Wereld. De voorstanders der slavernij werden hevig bestreden tot aan gene zijde van den Oceaan. Frankrijk, en meer in het bijzonder Engeland, wierven aanhangers voor deze rechtvaardige zaak.“Mogen de koloniën te gronde gaan, eerder dan een beginsel!” was de leus die door de gansche oude wereld weerklonk, en, ondanks de groote staatkundige en commercieele belangen in de zaak betrokken, verspreidde zij zich door Europa.De stoot was gegeven. In 1807 schafte Engeland den slavenhandel in zijn koloniën af en Frankrijk volgde dat voorbeeld in 1814. De twee machtige natiën sloten een verbond betreffende deze zaak, dat door Napoleon gedurende de Honderd Dagen werd bevestigd.Intusschen was dit nog niets meer dan een zuiver theoretische verklaring. De slavenhalers doorkruisten onophoudelijk de zeeën en losten hun “ebbenhouten lading” in de koloniale havens.Om een einde te maken aan dezen handel, moesten meer praktische maatregelen worden genomen. De Vereenigde Staten in 1820, Engeland in 1824, verklaarden den slavenhandel als een daad van zeerooverij en als zeeroovers hen die hem dreven. Als zoodanig beliepen zij de doodstraf en werden hardnekkig vervolgd. Frankrijk trad weldra toe tot dit nieuwe verbond. Maar de Zuidelijke Staten van Amerika, de Spaansche en Portugeesche koloniën namen geen deel aan het afschaffingsverbond en de uitvoer der negers duurde ten hunnen voordeele voort, niettegenstaande het algemeen erkende recht van visitatie, dat zich bepaalde tot het onderzoek naar de vlag der verdachte schepen.Evenwel had de nieuwe wet der afschaffing geen terugwerkende kracht meer. Men maakte wel geen nieuwe slaven meer, maar de ouden hadden hun vrijheid nog niet teruggekregen.In deze omstandigheden was het, dat Engeland het voorbeeld gaf. Den 14n Mei 1833 stelde een algemeene verordening alle negers der koloniën van Groot-Brittannië in vrijheid en in Augustus 1838, werden zeshonderd-zeventigduizend slaven vrij verklaard.Tien jaren later, in 1848, stelde de Republiek de slaven der Fransche koloniën vrij, ten bedrage van tweehonderd zestig duizend negers.In 1864 brak de oorlog uit tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten van Noord Amerika, het Noorden volbracht het werk der vrijmaking en verspreidde haar over geheel Noord-Amerika.Het waren dus de drie groote machten, die dit werk van menschlievendheid hadden tot stand gebracht. Thans wordt de slavenhandel alleen nog maar gedreven ten behoeve der Spaansche of Portugeesche koloniën en om aan de behoeften te voldoen der Oostersche, Turksche of Arabische volkeren. Moge Brazilië zijn oude slaven nog niet in vrijheid gesteld hebben, het verkrijgt althans geen nieuwe en de kinderen der zwarten worden er vrij geboren.Het is in de binnenlanden van Afrika, na de bloedige oorlogen die tusschen de Afrikaansche opperhoofden wegens de menschenjacht gevoerd worden, dat gansche stammen tot slavernij gedoemd worden. De karavanen gaan dan in twee tegengestelde richtingen op weg: de eene naar het westen, naar de Portugeesche koloniën van Angola; de andere naar het oosten, naar Mozambique. Van deze ongelukkigen, waarvan slechts een klein gedeelte hun bestemming bereikt, worden eenigen naar Cuba of naar Madagascar, anderen naar de Arabische of Turksche provinciën vanAzië, naar Mekka of Mascate gezonden. De Engelsche en Fransche kruisers kunnen dezen handel slechts onvoldoende beletten, tengevolge van de moeilijkheid om zulk een uitgestrekte kustlijn te bewaken.Maar is het cijfer van dien schandelijken uitvoer nog aanzienlijk?Ja! Men schat op niet minder dan tachtig duizend het aantal slaven dat op de kust aankomt en dit getal schijnt slechts het tiende gedeelte der vermoorde inboorlingen te bedragen. Na die afgrijselijke slachtingen zijn de verwoeste velden verlaten en de verbrande dorpen ontvolkt, de stroomen voeren lijken mede en wilde dieren waren overal rond in het land. Na den afloop dezer menschenjachten herkende Livingstone de provinciën niet meer, die hij eenige maanden vroeger bezocht had. Al de overige reizigers, Grant, Speke, Burton, Cameron, Stanley spreken in denzelfden geest over de boschrijke hoogvlakte van Midden-Afrika, het voornaamste tooneel van de oorlogen tusschen de verschillende opperhoofden. In de streek der groote meren, over de gansche uitgestrekte landstreek, die de markt van Zanzibar voorziet, in Bernoe en Fezzan, verder ten zuiden, op de oevers van de Nyassa en de Zambesi, meer ten westen, in de distrikten van de boven-Zaïre die de stoutmoedige Stanley nog voor niet lang is door getrokken, overal hetzelfde schouwspel, verwoesting, moord, ontvolking. Zal dan de slavernij in Afrika eerst ophouden met de verdwijning van het zwarte ras en zal het gaan met dit ras als met het Australische in Nieuw-Holland?Maar eens zal de markt der Spaansche en Portugeesche koloniën gesloten zijn en deze uitvoerhandel een einde nemen; beschaafde volken kunnen den slavenhandel niet langer dulden!En inderdaad moet ditzelfde jaar, waarin dit geschreven wordt, 1878, de vrijmaking zien van al de slaven die zich nog in het bezit der Christen-Staten bevinden. Evenwel zullen de Mohamedaansche volken den handel, die het Afrikaansche vasteland ontvolkt, nog gedurende vele jaren instandhouden. Naar Turkije toch heeft de belangrijkste uitvoer van zwarten plaats, daar het cijfer der inboorlingen, die aan hun land ontrukt en naar de oostkust opgezonden worden, jaarlijks meer dan veertigduizend bedraagt. Vele jaren vóór den veldtocht van Egypte, werden de negers van Sennaar bij duizenden aan de negers van Darfoer verkocht en wederkeerig. Generaal Bonaparte kocht zelfs een vrij groot aantal dezer zwarten, waarvan hij soldaten maakte, die op de wijze der Mamelukken georganiseerd waren. Sedert dien tijd, is in deze eeuw, waarvan het vier vijfde gedeelte reeds verloopen is, helaas! de slavenhandel in Afrika niet verminderd. Integendeel.En werkelijk is het Mohamedanisme den slavenhandel gunstig. De zwarte slaaf moet in het Turksche land den blanken slaaf van vroeger vervangen. Ook wordt de verfoeilijke handel door kooplieden van allerlei landaard in het groot gedreven. Zij vullen op die wijze het te kort aan, dat bij de rassen voorkomt, die uitsterven en eenmaal geheel zullen verdwijnen, omdat zij zich niet door den arbeid herstellen. Deze slaven worden, evenals ten tijde van Bonaparte dikwijls soldaat. Bij zekere volken van den Boven-Niger, maken zij voor de helft de legers der Afrikaansche opperhoofden uit. In dezen toestand is hun lot niet veel slechter dan dat der vrije menschen. Wanneer overigens de slaaf geen soldaat is, is hij een munt die koers heeft en zelfs in Egypte, en Bornoe, worden officieren en ambtenaars met deze munt betaald. Willem Lejean heeft het gezien en het ons medegedeeld.Zoodanig is dus de tegenwoordige toestand van den slavenhandel.Moeten wij er nog bijvoegen dat een aantal lasthebbers der groote Europeesche mogendheden zich niet schamen een betreurenswaardige toegevendheid voor dien handel aan den dag te leggen? Niets is zekerder, en terwijl de kruisers de hutten van de Atlantische zee en den Indischen oceaan bewaken, wordt in het binnenland geregeld handel gedreven, gaan de karavanen onder de oogen van zekere ambtenaren huns weegs en hebben de moorden, waarbij tien zwarten omkomen om één slaaf te leveren, op geregelde tijden plaats!Ook begrijpt men nu, welke vreeselijke beteekenis in de woorden lag opgesloten, door Dick Sand uitgesproken:“Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!”En hij bedroog zich niet: Het was het Afrika met al zijne gevaren voor zijn reisgenooten en voor hem.Maar op welk gedeelte van het Afrikaansche vasteland had een onverklaarbaar noodlot hem doen aanlanden? Op de westkust blijkbaar, en wat deze treurige omstandigheid nog treuriger maakte, was dat de jeugdige leerling tot de overtuiging kwam dat de Pelgrim juist gestrand was op de kust van Angola, waar de karavanen aankomen, die dit geheele gedeelte van Afrika voorzien.En werkelijk was dit zoo. Het was het land, dat eenige jaren later Cameron ten zuiden en Stanley ten noorden zouden doortrekken, ten koste van bovenmenschelijke inspanning! Van dat uitgebreide grondgebied, dat uit drie provinciën bestaat, Benguela, Congo, en Angola, kende men toen slechts het kustland. Het strekte zich uit van den Nourse ten zuiden, tot den Zaïre ten noorden, terwijl twee voorname steden er twee havens bezitten, Benguela en St. Paul de Loanda, hoofdstad der kolonie, die aan het koninkrijk Portugal toebehoort.Het binnenland van deze uitgestrekte streek was toen bijna onbekend. Weinige reizigers hadden er zich durven wagen. Een noodlottig klimaat, een warme en vochtige bodem, die koortsen doet ontstaan, barbaarsche inboorlingen waar van eenige nog menscheneters zijn, een aanhoudende oorlog van de stammen onderling, het wantrouwen der slavenhandelaars tegen iedereen vreemdeling, die de geheimen van hun schandelijken handel tracht te doorgronden, zoodanig zijn de moeilijkheden en de gevaren die overwonnen moeten worden in deze provincie van Angola, een der gevaarlijkste van Midden-Afrika.Tuckey was in 1816 den Congo tot boven de watervallen van Yellala opgevaren, ’t geen slechts een tocht was van hoogstens twee honderd mijlen. Dit eenvoudig uitstapje was niet voldoende om het land grondig te doen kennen en toch had het den dood gekost van de meeste geleerden en officieren die den tocht medemaakten.Zeven en dertig jaren later was Livingstone van de Kaap de Goede Hoop tot den boven-Zambesi doorgedrongen. In de maand November 1853, reisde hij met een ongehoorde stoutmoedigheid, Afrika van het zuiden naar het noordoosten door, stak den Coango, een der zijtakken van den Congo over, en kwam den 31n Mei 1854 te St.-Paul de Loanda aan. Het was de eerste doortocht door de onbekende groote Portugeesche kolonie.Achttien jaren later zouden twee stoutmoedige ontdekkers Afrika van het oosten naar het westen doorreizen en ten koste van ontzettende moeilijkheden, de een ten zuiden, de andere ten noorden van Angola weder uitkomen.De eerste dezer reizigers was de luitenant der Engelsche marine Verny-Howet Cameron. In 1872 had men alle reden om te meenen dat het met den tocht van den Amerikaan Stanley, die ter opsporing van Livingstone naar de landstreek om de groote meren was uitgezonden, zeer hachelijk gesteld was. Luitenant Cameron bood aan hem op te zoeken. Het aanbod werd aangenomen. Cameron, vergezeld van dokter Dillon, den luitent Cecil Murphy en Robert Moffat, neef van Livingstone, vertrok van Zanzibar. Na den Ougogo te zijn overgetrokken, ontmoette hij het lijk van Livingstone, dat door zijn getrouwe bedienden naar de oostkust gevoerd werd. Daarna zette hij zijn tocht naar het westen voort, met den onwrikbaren wil, van de eene kust naar de andere te trekken. Hij doorreisde Ounyanyembé, Ougoenda, Kahouélé waar hij de papieren van den grooten reiziger verzamelde, stak hetTanganyika-meer, de bergen van Bambarré, den Loualaba over, dien hij niet kon afzakken en na al deze provincies, die door den oorlog verwoest, door den slavenhandel ontvolkt waren, verder Kilemmba, Ouroua, de bronnen van den Lomané, Oulouda, Lovalé bezocht te hebben, na Coanza en de onmetelijke bosschen doorkruist te hebben, waarin Harris Dick Sand en diens reisgenooten had doen verdwalen, zag de onvermoeide Cameron eindelijk den Atlantischen oceaan vóór zich en kwam te St.-Phillippe de Benguela aan. Deze reis van drie jaar en vier maanden had het leven gekost aan twee zijner reisgenooten, dokter Dillon en Robert Moffat.Bijna onmiddellijk daarop zou de Engelschman Cameron in deze reeks van ontdekkingen opgevolgd worden doorden Amerikaan Henry Moroland Stanley. Men weet dat deze stoutmoedige korrespondent van denNew-York Herald, uitgezonden om Livingstone op te sporen, hem den 30n October 1971 te Oujiji aan de oevers van het Tanganyika-meer gevonden had. Maar hetgeen Stanley uit een oogpunt van menschelijkheid zoo gelukkig volbracht had, wilde hij in het belang der geografische wetenschap opnieuw beginnen.Zijn doel was toen de algeheele verkenning van den Loualaba-stroom dien hij slechts even gezien had. Cameron bevond zich nog in de provinciën van midden-Afrika, toen Stanley, in November 1874, Bagamoyo op de oostkust verliet, en een-en-twintig maanden later, den 24n Augustus 1876, uit Oujiji door de pokken ontvolkt, vertrok, in vier-en-zeventig dagen den overtocht van het meer te Nyangwé volbracht, een groote slavenmarkt, die reeds door Livingstone en Cameron bezocht was, en de vreeselijkste tooneelen bijwoonde op de strooptochten, ondernomen door de officieren van den Sultan van Zanzibar, in de landen der Maroungous en Marryouemas.Stanley nam toen de noodige maatregelen om den loop van den Loualaba te verkennen en dezen stroom tot aan zijn monding af te zakken. Honderd veertig lastdragers, te Nyangwé gehuurd, en negentien booten vormden het materieel en personeel van zijn tocht. In het begin reeds moest hij de menscheneters van Oegousoe bestrijden en zich al dadelijk bezighouden met het overdragen der booten, teneinde onbevaarbare watervallen om te gaan. Onder den evenaar, op het punt waar de Loualaba zich naar het noord-oosten kromt, werd de kleine vloot van Stanley aangevallen door vier-en-vijftig booten, bemand met verscheidene honderden inboorlingen, die op de vlucht werden gedreven. Daarna bevestigde de moedige Amerikaan, die tot den tweeden graad N.B. de rivier weder opvoer, dat de Loualâba niet anders was dan de Boven-Zaïre of Congo en dat hij, door den loop dezer rivier te volgen, rechtstreeks naar de zee zou afzakken. Dit ondernam hij onder een bijna dagelijksch gevecht tegen de stammen aan de oevers. Den 3n Juni 1877, bij den overtocht der watervallen van Massassa, verloor hij een zijner reisgenooten, Francis Prook, en hij zelf werd den 18n Juli met zijn boot in de watervallen van M’bélo medegesleept en ontsnapte als door een wonder aan den dood.Eindelijk kwam Henry Stanley, den 6n Augustus, bij het dorp van Ni Sanda aan, nog vier dagen van de kust verwijderd. Twee dagen later, vond hij te Banza M’bouko de levensmiddelen, die twee kooplieden van Emboma daarheen hadden gezonden, en eindelijk rustte hij uit in deze kleine stad van de kuststreek, verouderd op vijfendertig-jarigen leeftijd door vermoeienissen en ontberingen, na het Afrikaansche vaste land van de eene kust naar de andere dwars te zijn doorgetrokken, een reis die hem twee jaren en negen maanden van zijn leven gekost had. Maar de loop van den Loualâba was nu tot den Atlantischen Oceaan bekend geworden, en indien de Nijl de groote slagader van het noorden is en de Zambesi die van het oosten, dan weet men nu dat Afrika in het westen nog een derde rivier bezit, een van de grootste der wereld, de rivier namelijk die in haar loop van twee duizend negen honderd mijlen1, onder de namen van Loualâba, Zaïre en Congo de streek der meren vereenigt met den Atlantischen oceaan.Intusschen was, niettegenstaande deze twee reizen, die van Stanley en van Cameron, de provincie van Angola nagenoeg onbekend gebleven in het jaar 1873, het tijdperk waarop dePelgrimop de kust van Afrika gestrand was. Het eenige wat men er van wist, was, dat zij het tooneel van den slavenhandel in het westen was, dank zij haar belangrijke markten van Bihé, Cassange enKazondé.En in dit land was het, dat Dick Sand tot op meer dan honderd mijlen van de kuststreek was medegevoerd, met eene vrouw, uitgeput door vermoeienis en smart, een bijna stervend kind en reisgenooten, die als geboren negers een gereede prooi waren voor de roofzucht der slavenhandelaars.Ja, het was Afrika en niet dat Amerika waar noch de inboorlingen, noch de wilde dieren, noch het klimaat wezenlijk geducht zijn. Het was niet de gelukkige en welvarende streek tusschen de Cordillerasen de kust waar talrijke dorpen worden aangetroffen en de vestingen der zendelingen gastvrij voor iederen reiziger openstaan. Helaas! zij waren veraf, de provincies van Peru en Bolivia waar de storm dePelgrimongetwijfeld zou gebracht hebben, indien een misdadige hand hem niet van zijn weg had doen afwijken en waar voor schipbreukelingen zoovele gemakkelijke gelegenheden bestonden om naar hun vaderland terug te keeren!Het was het vreeselijke Angola en niet het gedeelte van de kust dat rechtstreeks door de Portugeesche overheid bewaakt werd, maar het middelpunt der kolonie die doorkruist werd door de slavenkaravanen onder de zweep der havildars.Wat wist Dick Sand van het land waar het verraad hem geworpen had? Niet veel. Alleen maar wat de zendelingen derXVIeenXVIIeeeuw en de Portugeesche kooplieden, die den weg volgen van St.-Paul de Loanda naar den Zaïre over San-Salvador, er van gezegd hadden en wat dokter Livingstone er van verhaald had ten tijde van zijn reis van 1853, en dat was voldoende om een minder sterke ziel dan de zijne geheel uit het veld te slaan.En werkelijk was de toestand verschrikkelijk.

1Eertijds vergenoegde men zich met dezen bast tot poeder te stampen, dat den naam droeg van “Jezuïeten-poeder”, omdat de Jezuïeten van Rome er in 1640 van hun Amerikaansche zending een aanzienlijke hoeveelheid van kregen.

1Eertijds vergenoegde men zich met dezen bast tot poeder te stampen, dat den naam droeg van “Jezuïeten-poeder”, omdat de Jezuïeten van Rome er in 1640 van hun Amerikaansche zending een aanzienlijke hoeveelheid van kregen.

Het werd tijd dat de reizigers de hacienda bereikten. Ten gevolge van buitengewone vermoeidheid was Mevr. Weldon in de onmogelijkheid een reis te vervolgen onder zulke bezwarende omstandigheden. Het was waarlijk een treurig gezicht, die kleine jongen met dat hoog roode gezicht in de aanvallen van koorts, en dan weder zoo bleek in de tusschenpoozen. Zijn moeder maakte zich zoo ongerust, dat zij Jack zelfs niet aan de zorgen van de goede Nan had willen toevertrouwen en hem aanhoudend half liggend in haar armen hield.

Ja! het was tijd dat zij aankwamen! Volgens den Amerikaan zouden zij dan ook denzelfden avond van den dag, die aan den hemel kwam, den avond van den 18n April, eindelijk in de hacienda van San-Felice een veilige schuilplaats vinden.

Welk een moedige en sterke natuur Mevr. Weldon ook had, zoo was toch een reis van twaalf dagen en daarbij twaalf nachten onder den blooten hemel doorgebracht, meer dan genoeg om haar geheel aftematten. Maar voor een kind was het nog erger en het gezicht van den kleinen zieken Jack die zelfs de eenvoudigste oppassing moest missen, was alleen voldoende haar geheel neer te slaan.

Dick Sand, Nan, Tom en zijn reismakkers hadden de vermoeienissen der reis beter verdragen.

Wel begonnen de levensmiddelen te verminderen, maar gebrek hadden zij nog geenszins gehad, zoodat hun gezondheid dan ook voldoende was.

Wat Harris aangaat, hij scheen tegen de ongemakken van die langdurige tochten door de bosschen bestand te zijn en ’t bleek dat de vermoeienissen geen vat op hem hadden. Alleen merkte Dick Sand op, dat hij, naarmate zij de hacienda naderden, meer in gedachten en minder rond in zijn omgang was dan vroeger. Het tegendeel zou natuurlijker geweest zijn. Dat was althans de meening van den leerling, die den Amerikaan hoe langer hoe meer begon te wantrouwen. En toch, welk belang dreef Harris aan hen te bedriegen? Dick Sand zou het niet hebben kunnen zeggen, maar nog meer dan vroeger hield hij hun gids in ’t oog.

De Amerikaan, van zijn kant, gevoelde dat Dick hem niet vertrouwde, en dit wantrouwen deed hem in tegenwoordigheid van zijn “jongen vriend” nog stilzwijgender zijn.

Men was weder op marsch gegaan.

In het bosch, dat nu minder dicht was, waren de boomen hier en daar in groepen verspreid en vormden geen ondoordringbare massa’s meer. Zou dat nu de werkelijke pampa zijn, waarvan Harris gesproken had?

Gedurende de eerste uren van den dag, werd de ongerustheid van Dick Sand door geen enkel voorval vergroot. Alleen werden er twee feiten door hem opgemerkt. Misschien waren zij niet van groot gewicht, maar in de omstandigheden waarin zij verkeerden, mocht geen enkele bijzonderheid onopgemerktvoorbijgaan.

Het was vooreerst de houding van Dingo, die meer bijzonder de aandacht van den leerling trok.

De hond namelijk, die gedurende den ganschen tocht een spoor scheen te volgen, werd geheel anders, en dat bijna plotseling. Tot nog toe slechts met den neus op den grond, het gras of de struiken beruikende, zweeg hij, of deed hij een soort van klagend geblaf hooren, naar het scheen de uitdrukking van smart of van verdriet.

Dien dag nu werd het geblaf van het zonderlinge dier weder luid klinkend, somtijds woedend, zooals het vroeger was, toen Negoro op het dek van denPelgrimverscheen.

Eensklaps kwam er een vermoeden bij Dick Sand op, in welk vermoeden hij door Tom versterkt werd, die zeide:

”’t Is toch vreemd, mijnheer Dick! Dingo snuffelt niet meer langs den grond, zooals hij gisteren nog deed! Hij loopt met den neus in den wind, hij is ontsteld en zijn haar staat overeind! Men zou zeggen, dat hij in de verte....”

“Negoro ruikt, niet waar?” antwoordde Dick Sand, die den arm van den ouden neger aangreep en hem een teeken gaf om zacht te spreken.

“Negoro, mijnheer Dick. Zou ’t niet kunnen zijn, dat hij ons spoor gevolgd heeft?...”

“Ja, Tom, en dat hij op dit zelfde oogenblik niet ver af is?”

“Maar.... waarom?” zei Tom.

“Of Negoro kende dit land niet,” hernam Dick Sand, “en in dat geval had hij het grootste belang erbij ons niet uit het gezicht te verliezen....”

“Of?....” zei Tom, die den leerling ontsteld aankeek.

“Of,” hernam Dick Sand, “hij kende het, en dan....”

“Maar hoe zou Negoro dit land kennen? Hij is er nog nooit geweest!”

“Nog nooit geweest!” mompelde Dick Sand. “Maar zeker is het dat Dingo doet alsof de man dien hij verfoeit, weder dicht bij is ons!”

Daarna viel hij zich in de rede, om den hond te roepen die aarzelend naar hem toe kwam.

“Wel,” zei hij, “Negoro, Negoro!”

Dingo beantwoordde dit met een woedend geblaf. Deze naam had de gewone uitwerking op hem, en hij sprong vooruit, alsof Negoro zich achter het kreupelhout had verscholen.

Harris had dit geheele tooneel gezien. Met de lippen een weinig op elkaar gedrukt, trad hij op den leerling toe.

“Wat vraag je toch aan Dingo?”

“O! dat beteekent niet veel, mijnheer Harris,” antwoordde de oude Tom gekscheerend. “We vragen hem naar den scheepsmakker dien we verloren hebben!”

“Ah!” zei de Amerikaan, “naar dien Portugees, den scheepskok, van wien je me al verteld hebt?”

“Ja,” antwoordde Tom. “Als men Dingo hoort, zou men zeggen dat Negoro in de buurt is!”

“Hoe zou hij hier hebben kunnen komen!” antwoordde Harris. “Hij is nooit in dit land geweest, voor zoover ik weet!”

“Of hij moet het voor ons geheim gehouden hebben,” antwoordde Tom.

“Dat zou vreemd zijn,” zei Harris. “Maar als je wilt, zullen we ’t kreupelhout doorzoeken. ’t Kan wezen dat de arme drommel hulp behoeft, dat hij in nood is....”

”’t Is onnoodig, mijnheer Harris,” antwoordde Dick Sand. “Als Negoro den weg hierheen heeft kunnen vinden, zal hij wel verder terecht komen. Hij is mans genoeg!”

“Zooals je wilt,” antwoordde Harris.

“Koest, stil, Dingo,” zei Dick gebiedend tot den hond, om een eind aan het gesprek te maken.

De tweede opmerking van den leerling had betrekking op het paard van den Amerikaan.

Het bleek niet “dat hij den stal rook,” zooals paarden gewoonlijk doen. Het snoof geen lucht op, verhaastte zijn stap niet, het blies niet door zijn neusgaten, liet geen gehinnik hooren, zooals zij gewoonlijk doen als zij den stal naderen. Hij scheen even onverschillig alsof de hacienda, die hij toch goed moest kennen, eenige honderden mijlen daar vandaan geweest was.

“Het is geen paard dat thuis komt!” dacht de leerling.

En evenwel had Harris den vorigen dag reeds gezegd, dat zij nog slechts zes mijlen van hun doel af waren en van die zes mijlen hadden zij er zeker vier afgelegd.

Behalve dat nu het paard niets vanden stal rook, dien het toch zeker hoog noodig had, was er ook niets waaruit zij de nabijheid eener groote nederzetting konden opmaken, zooals toch de hacienda van San-Felice moest zijn.

Hoe onverschillig Mevr. Weldon ook moest zijn voor alles wat haar kind niet betrof, was zij toch getroffen door de verlatenheid der streek. Hoe! geen enkele inlander, geen enkele bediende van de hacienda, en nog wel op zulk een kleinen afstand! Was Harris verdwaald? Neen, dat denkbeeld verwierp zij. Een nieuwe vertraging zou de dood van haren kleinen Jack zijn?

Intusschen ging Harris altijd vooruit; maar hij scheen de diepten van het bosch te peilen en naar rechts en links te kijken, als iemand die niet zeker van zich zelven.... of van den weg is!....

Mevr. Weldon sloot de oogen om hem niet meer te zien!

Na een vlakte van omstreeks een mijl te zijn doorgetrokken, kwamen zij weder in het bosch, dat hier evenwel niet zoo dicht meer was als in het westen en zette de kleine troep haren marsch onder de groote boomen voort.

Ten vier ure ’s avonds kwam men bij een kreupelbosch, waar niet lang geleden een troep machtige dieren zich een doortocht had gebaand.

Dick Sand nam alles om zich heen met de grootste attentie op.

Op een hoogte, die de menschelijke lengte ver overtrof, waren de takken afgescheurd of gebroken. Daarbij was het groen met geweld van een gerukt en waren er op den eenigszins moerassigen grond, die nu bloot gekomen was, voetstappen van jaguars of conguars te zien.

Zouden het “ai’s” of andere luiaards geweest zijn, welke die indrukken op den grond hadden achtergelaten? Doch hoe dan de gebroken takken op zulk een hoogte te verklaren?

Alleen olifanten hadden dergelijke indrukken, zulke breede sporen kunnen achterlaten en een verwoesting in het kreupelbosch aanrichten. Maar olifanten zijn er niet in Amerika. Die ontzaglijke dikhuidige dieren worden in de Nieuwe-Wereld niet gevonden en zijn er ook nooit geweest, terwijl men ze er ook nooit heeft kunnen acclimatiseeren.

De onderstelling dat daar olifanten zouden doorgetrokken zijn, was dus volstrekt onaannemelijk.

Hoe het zij, Dick Sand liet niet blijken wat dit onverklaarbare feit hem zoo al te denken gaf en te overwegen. Hij ondervroeg zelfs den Amerikaan niet meer in dit opzicht. Wat toch kon hij verwachten van iemand die getracht had hem giraffen voor struisvogels te doen aanzien? Harris zou ook daarvan de een of andere meer of minder goed verzonnen verklaring hebben gegeven, die toch niets aan den toestand veranderd had.

Hoe het zij, de meening van Dick omtrent Harris was gevestigd. Hij was nu overtuigd dat hij te doen had met een verrader en wachtte slechts op een gelegenheid om zijn valschheid aan de kaak te stellen, alles zeide hem dat deze gelegenheid zich weldra zou voordoen.

Maar wat kon het geheime doel van Harris zijn? Welke toekomst gingen de overlevenden van dePelgrimte gemoet? Dick Sand gevoelde dat zijn verantwoordelijkheid met de stranding van dePelgrimniet geëindigd was. Hij moest altijd, en meer dan ooit, zorgen voor het heil van hen, die de schipbreuk op deze kust geworpen had. Hij alleen was het, die deze vrouw, dit jonge kind, deze negers, al zijn lotgenooten moest redden! Mocht hij aan boord al iets hebben kunnen beproeven, mocht hij als zeeman hebben kunnen handelen, welk besluit zou hij hier nemen, te midden van de vreeselijke beproevingen die hij voorzag?

Dick Sand wilde de oogen niet sluiten voor de ontzettende werkelijkheid die elk oogenblik onbetwistbaarder werd. In deze omstandigheid werd hij weder de kapitein van vijftien jaren, die hij aan boord van dePelgrimgeweest was. Maar hij wilde niets zeggen, dat de arme moeder kon verontrusten, voordat het oogenblik van handelen gekomen was!

En hij zeide niets, zelf niet, toen hij aan den oever van een vrij breeden stroom gekomen zijnde en de kleine troep een honderd schreden vooruit gaande, eenige reusachtige dieren zag, die zich in het hooge riet en gewassen aan den oever verborgen.

“Nijlpaarden! nijlpaarden!” was hij op het punt om uit te roepen.

En werkelijk waren het van die dikhuiden met groote koppen en lange gebochelde snuiten, wier bek bezet is met groote tanden, die meer dan een voetver uitsteken, ineengedrongen op hun korte pooten, en waarvan de huid, onbehaard, taankleurig rood is? Nijlpaarden in Amerika!

Den geheelen dag werd de marsch voortgezet, maar bezwaarlijk. Zelfs de sterksten konden van vermoeidheid bijna niet verder. Het werd inderdaad tijd, dat men aankwam of wel zou men genoodzaakt zijn halt te houden.

Mevr. Weldon, die zich uitsluitend met haar kleinen Jack bezighield, voelde misschien geen vermoeidheid, maar haar krachten waren uitgeput. Allen waren meer of minder afgemat. Een verheven geestkracht, in het gevoel van plicht, hield Dick Sand staande.

Tegen zes uur ’s avonds vond de oude Tom in het gras een voorwerp dat zijn aandacht trok. Het was een wapen, een soort van mes, van bijzondere gedaante, gevormd uit een breed, gebogen lemmet en gevat in een ivoren heft van vrij ruwe bewerking.

Tom gaf dit mes aan Dick Sand, die het nauwkeurig bekeek en het eindelijk aan den Amerikaan toonde, met de woorden:

“De inboorlingen zijn ongetwijfeld niet ver meer!”

“Inderdaad,” antwoordde Harris, “en toch....”

“Toch?....” herhaalde Dick Sand, die Harris strak aankeek.

“We moesten nu zeer dicht bij de hacienda zijn,” hernam Harris aarzelend, “en ’k weet niet....”

“Waar we zijn?” zei Dick Sand driftig.

“We kunnen nu niet verder dan drie mijlen van de hacienda meer af zijn. Maar ik wilde den kortsten weg door het bosch nemen en ik heb misschien ongelijk gehad!”

“Misschien!” herhaalde Dick Sand.

”’t Zou dunkt me niet kwaad zijn als ik vooruit ging,” zei Harris.

“Neen, mijnheer Harris, we gaan niet van elkaar,” antwoordde Dick Sand op stelligen toon.

“Zooals ge wilt!” hernam de Amerikaan. “Maar in den nacht zal ’t me moeilijk vallen u te geleiden.”

“Dat doet er niet toe!” antwoordde Dick Sand. “We zullen halt houden. Mevr. Weldon zal ’t zeker goedvinden nog één nacht in het bosch door te brengen, en morgen, als ’t helder dag is, gaan we weer op weg! Nog twee of drie mijlen, die we in een uurtje zullen afleggen!”

“Goed,” antwoordde Harris.

Op dit oogenblik liet Dingo een woedend geblaf hooren.

“Hier, Dingo, hier!” riep Dick Sand. “Je weet wel dat er niemand is, en dat we hier in de wildernis zijn!”

Men besloot dus nog eens halt te houden. Mevr. Weldon liet haar metgezellen hun gang gaan, zonder een woord te zeggen. Haar kleine Jack was met de koorts in haar armen ingesluimerd.

Men zocht naar een goed plaatsje om er den nacht door te brengen.

Dick Sand was druk bezig met onder het dichte gebladerte van eenige bijeenstaande boomen alles voor den nacht in gereedheid te brengen, toen de oude Tom, die hem hierin te hulp kwam, plotseling stil hield, uitroepende:

“Mijnheer Dick, kom eens gauw hier en kijk eens!”

“Wat scheelt er aan, ouwe Tom?” vroeg Dick Sand op den bedaarden toon van iemand, die op alles voorbereid is.

“Daar.... daar....” zei Tom, “op die boomen.... bloedvlekken!.... En op den grond.... verminkte leden!....”

Dick Sand vloog naar de plaats die de oude Tom hem aanwees. Toen, tot zich zelven komende, zeide hij:

“Zwijg toch, Tom, zwijg.”

En werkelijk lagen daar op den grond afgesneden handen, en bij die menschelijke overblijfselen, eenige gebroken jukken, en een gesprongen ketting!

Mevr. Weldon had gelukkig niets van die afschuwelijke voorwerpen gezien.

Wat Harris aangaat, hij hield zich ter zijde en wie hem op dit oogenblik bespied had, zou getroffen zijn geweest door de verandering die bij hem plaats greep. Zijn gelaat had iets woests.

Dingo had zich bij Dick Sand gevoegd en blafte als razend tegen die bloedige overblijfselen.

Het kostte den leerling moeite den hond weg te jagen.

Intusschen was de oude Tom, op het gezicht van die jukken, van dien gebroken ketting onbeweeglijk, als in den bodem vastgeworteld, blijven staan. De oogen bovenmate wijd gesperd, de handen saamgewrongen, keek hij strak vóór zich en mompelde deze onsamenhangendewoorden:

“Heel klein.... als heel klein kind, heb ik die jukken gezien!....”

En ongetwijfeld kwamen de herinneringen uit zijn eerste kindsheid, als in nevelen gehuld, bij hem op. Hij trachtte zich zekere zaken te binnen te brengen!... Hij was op het punt te spreken!....

“Spreek niet, Tom!” herhaalde Dick Sand. “Voor mevrouw Weldon, voor ons allen, zwijg!”

En de leerling nam den ouden neger mede.

Een andere plaats op eenigen afstand, werd nu gekozen en voor den nacht in gereedheid gebracht.

Ofschoon de maaltijd toebereid was, had niemand lust er deel aan te nemen. Zij waren te zeer afgemat om te eten, maar daarenboven verkeerden allen onder den indruk eener ongerustheid die aan schrik grensde.

Allengs begon het nacht te worden, die dezen keer buitengewoon donker was. De hemel was met dikke onstuimige wolken bedekt. Men zag tusschen de boomen door aan de westerkim, tengevolge van de warmte, eenige bliksemflitsen flikkeren. De wind was gaan liggen, geen blad bewoog zich. Een diepe stilte volgde op het geruisch van den dag, en het was alsof de zware dampkring, met electriciteit verzadigd, ongeschikt werd tot het overbrengen van geluiden.

Dick Sand, Austin en Bat waakten te zamen. Zij trachtten in dien stikdonkeren nacht te zien, te hooren of eenig lichtschijnsel, eenig verdacht geluid hun oogen of ooren trof. Maar niets verstoorde de stilte noch de duisternis van het woud.

Tom was niet ingesluimerd, maar in zijn herinneringen verdiept, zat hij met gebogen hoofd onbeweeglijk, alsof hij door een plotselingen slag was getroffen.

Mevr. Weldon wiegde haar kind in haar armen en had slechts gedachten voor hem.

Alleen neefBenedictussliep misschien, want hij was de eenige die den algemeenen indruk niet deelde. Zijn voorgevoelens gingen zoo ver niet.

Plotseling tegen elf uur, deed zich een langgerekt, grootsch gebrul hooren.

Tom richtte zich in zijn volle lengte op en strekte zijn hand uit naar een dicht kreupelbosch, op zijn hoogst een mijl van daar verwijderd.

Dick Sand pakte hem bij den arm, maar kon niet beletten dat Tom luidkeels uitriep:

“De leeuw! de leeuw!”

De oude neger had het gebrul herkend, dat hij zoo dikwijls in zijn kindsheid had gehoord!”

“De leeuw!” herhaalde hij.

Dick Sand kon zich niet langer inhouden en vloog met den hartsvanger in de hand op de plaats toe, door Harris ingenomen....

Maar Harris was weg, en zijn paard verdwenen met hem.

Als door den donder getroffen, had er nu een soort van omkeering plaats in het gemoed van Dick Sand.... Hij was niet waar hij gemeend had te zijn!

DePelgrimwas dus niet op de Amerikaansche kust gestrand? ’t Was dus niet op het Paasch-eiland welks ligging de leerling had opgenomen, maar een ander eiland, juist ten westen van dit vasteland gelegen, evenals het Paascheiland ten westen van Amerika ligt.

Het kompas had hem gedurende een gedeelte van de reis bedrogen, men weet hoe! Door den storm op een verkeerden weg gebracht, was hij kaap Hoorn omgevaren en van de Stille zuidzee in den Atlantischen Oceaan geraakt. De snelheid van zijn schip, die hij slechts onvolkomen kon berekenen, was, buiten zijn weten, door de kracht van den orkaan verdubbeld geworden!

Dat was de reden waarom er geen caoutchouc- noch kinaboomen waren en de voortbrengselen van Zuid-Amerika aan dat land ontbraken, dat noch de hoogvlakte van Atacama, noch de Boliviaansche pampa was!

Er was nu geen twijfel aan, het waren giraffen en geen struisvogels, die bij de open plek in het woud op de vlucht waren gegaan! Het waren olifanten die door het dichte kreupelhout trokken! Het waren nijlpaarden, wier rust in het hooge gras door Dick Sand gestoord was! Het was wel degelijk de tsetsé-vlieg, dat tweevleugelig insect, door Benedictus gevangen, de geduchte tsetsé die de dieren der karavanen door haar steken doet bezwijken!

En om de kroon op dit alles te zetten, het was wel het gebrul van den leeuw, dat door het bosch weerklonk! En dejukken, die ketens, dat wonderlijk gevormde mes, dat alles was het gereedschap van den slavenhandelaar! Die afgesneden handen, het waren handen van opgevangen menschen!

De Portugees Negoro en de Amerikaan Harris moesten het samen eens zijn!

En het vreeselijk woord, door Dick geraden, ontsnapte eindelijk aan zijn lippen:

“Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!”

De slavenhandel! Iedereen kent de beteekenis van dit woord, dat nooit in de menschelijke taal had moeten opgenomen worden. De afschuwelijke handel die langen tijd gedreven werd ten voordeele der Europeesche volken, in ’t bezit van overzeesche koloniën, is reeds sedert een aantal jaren verboden. Toch wakkert het menschonteerend misbruik nog steeds voort op uitgebreide schaal en voornamelijk in Midden-Afrika. En nog altijd, in onzeXXeeeuw, de eeuw van verlichting en beschaving, ontbreekt de handteekening van eenige zoogenaamde christelijke staten aan het verbond, gesloten tot afschaffing der slavernij.

Men zou misschien meenen dat er geen slavenhandel meer is, dat nu koop en verkoop van menschelijke wezens hebben opgehouden te bestaan! Helaas in geenen deele! en dit is het wat de lezer moet weten, indien hij het belang in het vervolg dezer geschiedenis wil stellen, dat het onderwerp verdient. Hij moet weten dat nog in den tijd waarin wij leven, de menschenjachten werkelijkheid zijn, die een geheel vasteland dreigen te ontvolken, om te voorzien in het onderhoud van eenige slaven-koloniën, waar en hoe die barbaarsche strooptochten plaats hebben, het bloed dat zij kosten, wat al branden en plunderingen zij uitlokken en eindelijk ten voordeele van wie zij plaats hebben.

De geschiedenis leert, dat de handel in negers het eerst in deXVeeeuw in zwang kwam en wel onder de volgende omstandigheden:

Na uit Spanje verdreven te zijn, hadden de Mohamedanen de wijk genomen naar de kust van Afrika, aan gene zijde der straat. Hier werden zij evenwel hardnekkig vervolgd door de Portugeezen, die toen dit gedeelte van het kustland bewoonden. Een zeker aantal dezer vluchtelingen werd gevangen genomen en naar Portugal gevoerd. Tot slavernij gebracht, maakten zij de eerste kern uit van Afrikaansche slaven, die sedert de Christelijke jaartelling in westelijk Europa is gevormd geworden.

Nu behoorden deze Muzelmannen meerendeels tot rijke families, die hen tegen hooge prijzen wilden los koopen, ’t geen evenwel de Portugeezen weigerden, hoe hoog het losgeld ook ware, dat hun werd aangeboden. Zij wilden het vreemde goud niet, maar wel de armen die hun ontbraken voor den arbeid der opkomende koloniën, of beter gezegd, zij hadden slavenarmen noodig.

Daar nu de Muzelmaansche familie hun gevangen bloedverwanten niet kondenloskoopen, boden zij aan hen in te ruilen tegen een grooter aantal Afrikaansche negers, waarvan zij zich maar al te gemakkelijk konden meester maken. Dit aanbod werd aangenomen door de Portugeezen, die hun voordeel in dezen ruilhandel vonden, en ziedaar de wijze waarop de slavenhandel in Europa ontstond.

Tegen het einde derXVIeeeuw was deze schandelijke handel algemeen in zwang gekomen en geenszins in strijd met de nog barbaarsche zeden. Alle staten beschermden hem, teneinde des te sneller en zekerder de eilanden der Nieuwe-Wereld te koloniseeren. Want het waren juist de negerslaven die het dáár konden uithouden, waar de blanken, niet aan het klimaat gewoon en nog ongeschikt om de hitte van de tropische luchtstreek te verdragen, bij duizenden waren omgekomen. Het vervoer der negers naar de Amerikaansche koloniën had dus geregeld plaats met bijzondere, daartoe bestemde vaartuigen en deze overzeesche handelstak gaf het aanzijn aan belangrijke kantoren op verschillende punten der Afrikaansche kust. De “koopwaar” kostte weinig aan het land van uitvoer en de winsten waren aanzienlijk.

Maar hoe noodig in alle opzichtende stichting der overzeesche koloniën ook ware, kon zij toch die markten van menschenvleesch niet rechtvaardigen. Weldra verhieven zich edelmoedige stemmen, die openlijk tegen den slavenhandel der negers opkwamen en bij de Europeesche gouvernementen aandrongen uit naam der menschelijkheid er de afschaffing van uit te vaardigen.

In 1751 stelden de kwakers zich aan het hoofd der afschaffingsbeweging, in den boezem zelf van dat Noord-Amerika, waar honderd jaren later de oorlog tusschen de noordelijke en zuidelijke Staten zou losbarsten, waarvan deze kwestie der slavernij de aanleiding was. Verschillende Staten van het Noorden: Virginië, Connecticut, Massachusets, Pennsylvanië vaardigden de afschaffing der slavernij uit en stelden de slaven in vrijheid, die met groote kosten naar hun bezittingen gevoerd waren.

Maar de strijd door de kwakers begonnen, bepaalde zich niet tot de noordelijke Staten der Nieuwe-Wereld. De voorstanders der slavernij werden hevig bestreden tot aan gene zijde van den Oceaan. Frankrijk, en meer in het bijzonder Engeland, wierven aanhangers voor deze rechtvaardige zaak.

“Mogen de koloniën te gronde gaan, eerder dan een beginsel!” was de leus die door de gansche oude wereld weerklonk, en, ondanks de groote staatkundige en commercieele belangen in de zaak betrokken, verspreidde zij zich door Europa.

De stoot was gegeven. In 1807 schafte Engeland den slavenhandel in zijn koloniën af en Frankrijk volgde dat voorbeeld in 1814. De twee machtige natiën sloten een verbond betreffende deze zaak, dat door Napoleon gedurende de Honderd Dagen werd bevestigd.

Intusschen was dit nog niets meer dan een zuiver theoretische verklaring. De slavenhalers doorkruisten onophoudelijk de zeeën en losten hun “ebbenhouten lading” in de koloniale havens.

Om een einde te maken aan dezen handel, moesten meer praktische maatregelen worden genomen. De Vereenigde Staten in 1820, Engeland in 1824, verklaarden den slavenhandel als een daad van zeerooverij en als zeeroovers hen die hem dreven. Als zoodanig beliepen zij de doodstraf en werden hardnekkig vervolgd. Frankrijk trad weldra toe tot dit nieuwe verbond. Maar de Zuidelijke Staten van Amerika, de Spaansche en Portugeesche koloniën namen geen deel aan het afschaffingsverbond en de uitvoer der negers duurde ten hunnen voordeele voort, niettegenstaande het algemeen erkende recht van visitatie, dat zich bepaalde tot het onderzoek naar de vlag der verdachte schepen.

Evenwel had de nieuwe wet der afschaffing geen terugwerkende kracht meer. Men maakte wel geen nieuwe slaven meer, maar de ouden hadden hun vrijheid nog niet teruggekregen.

In deze omstandigheden was het, dat Engeland het voorbeeld gaf. Den 14n Mei 1833 stelde een algemeene verordening alle negers der koloniën van Groot-Brittannië in vrijheid en in Augustus 1838, werden zeshonderd-zeventigduizend slaven vrij verklaard.

Tien jaren later, in 1848, stelde de Republiek de slaven der Fransche koloniën vrij, ten bedrage van tweehonderd zestig duizend negers.

In 1864 brak de oorlog uit tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten van Noord Amerika, het Noorden volbracht het werk der vrijmaking en verspreidde haar over geheel Noord-Amerika.

Het waren dus de drie groote machten, die dit werk van menschlievendheid hadden tot stand gebracht. Thans wordt de slavenhandel alleen nog maar gedreven ten behoeve der Spaansche of Portugeesche koloniën en om aan de behoeften te voldoen der Oostersche, Turksche of Arabische volkeren. Moge Brazilië zijn oude slaven nog niet in vrijheid gesteld hebben, het verkrijgt althans geen nieuwe en de kinderen der zwarten worden er vrij geboren.

Het is in de binnenlanden van Afrika, na de bloedige oorlogen die tusschen de Afrikaansche opperhoofden wegens de menschenjacht gevoerd worden, dat gansche stammen tot slavernij gedoemd worden. De karavanen gaan dan in twee tegengestelde richtingen op weg: de eene naar het westen, naar de Portugeesche koloniën van Angola; de andere naar het oosten, naar Mozambique. Van deze ongelukkigen, waarvan slechts een klein gedeelte hun bestemming bereikt, worden eenigen naar Cuba of naar Madagascar, anderen naar de Arabische of Turksche provinciën vanAzië, naar Mekka of Mascate gezonden. De Engelsche en Fransche kruisers kunnen dezen handel slechts onvoldoende beletten, tengevolge van de moeilijkheid om zulk een uitgestrekte kustlijn te bewaken.

Maar is het cijfer van dien schandelijken uitvoer nog aanzienlijk?

Ja! Men schat op niet minder dan tachtig duizend het aantal slaven dat op de kust aankomt en dit getal schijnt slechts het tiende gedeelte der vermoorde inboorlingen te bedragen. Na die afgrijselijke slachtingen zijn de verwoeste velden verlaten en de verbrande dorpen ontvolkt, de stroomen voeren lijken mede en wilde dieren waren overal rond in het land. Na den afloop dezer menschenjachten herkende Livingstone de provinciën niet meer, die hij eenige maanden vroeger bezocht had. Al de overige reizigers, Grant, Speke, Burton, Cameron, Stanley spreken in denzelfden geest over de boschrijke hoogvlakte van Midden-Afrika, het voornaamste tooneel van de oorlogen tusschen de verschillende opperhoofden. In de streek der groote meren, over de gansche uitgestrekte landstreek, die de markt van Zanzibar voorziet, in Bernoe en Fezzan, verder ten zuiden, op de oevers van de Nyassa en de Zambesi, meer ten westen, in de distrikten van de boven-Zaïre die de stoutmoedige Stanley nog voor niet lang is door getrokken, overal hetzelfde schouwspel, verwoesting, moord, ontvolking. Zal dan de slavernij in Afrika eerst ophouden met de verdwijning van het zwarte ras en zal het gaan met dit ras als met het Australische in Nieuw-Holland?

Maar eens zal de markt der Spaansche en Portugeesche koloniën gesloten zijn en deze uitvoerhandel een einde nemen; beschaafde volken kunnen den slavenhandel niet langer dulden!

En inderdaad moet ditzelfde jaar, waarin dit geschreven wordt, 1878, de vrijmaking zien van al de slaven die zich nog in het bezit der Christen-Staten bevinden. Evenwel zullen de Mohamedaansche volken den handel, die het Afrikaansche vasteland ontvolkt, nog gedurende vele jaren instandhouden. Naar Turkije toch heeft de belangrijkste uitvoer van zwarten plaats, daar het cijfer der inboorlingen, die aan hun land ontrukt en naar de oostkust opgezonden worden, jaarlijks meer dan veertigduizend bedraagt. Vele jaren vóór den veldtocht van Egypte, werden de negers van Sennaar bij duizenden aan de negers van Darfoer verkocht en wederkeerig. Generaal Bonaparte kocht zelfs een vrij groot aantal dezer zwarten, waarvan hij soldaten maakte, die op de wijze der Mamelukken georganiseerd waren. Sedert dien tijd, is in deze eeuw, waarvan het vier vijfde gedeelte reeds verloopen is, helaas! de slavenhandel in Afrika niet verminderd. Integendeel.

En werkelijk is het Mohamedanisme den slavenhandel gunstig. De zwarte slaaf moet in het Turksche land den blanken slaaf van vroeger vervangen. Ook wordt de verfoeilijke handel door kooplieden van allerlei landaard in het groot gedreven. Zij vullen op die wijze het te kort aan, dat bij de rassen voorkomt, die uitsterven en eenmaal geheel zullen verdwijnen, omdat zij zich niet door den arbeid herstellen. Deze slaven worden, evenals ten tijde van Bonaparte dikwijls soldaat. Bij zekere volken van den Boven-Niger, maken zij voor de helft de legers der Afrikaansche opperhoofden uit. In dezen toestand is hun lot niet veel slechter dan dat der vrije menschen. Wanneer overigens de slaaf geen soldaat is, is hij een munt die koers heeft en zelfs in Egypte, en Bornoe, worden officieren en ambtenaars met deze munt betaald. Willem Lejean heeft het gezien en het ons medegedeeld.

Zoodanig is dus de tegenwoordige toestand van den slavenhandel.

Moeten wij er nog bijvoegen dat een aantal lasthebbers der groote Europeesche mogendheden zich niet schamen een betreurenswaardige toegevendheid voor dien handel aan den dag te leggen? Niets is zekerder, en terwijl de kruisers de hutten van de Atlantische zee en den Indischen oceaan bewaken, wordt in het binnenland geregeld handel gedreven, gaan de karavanen onder de oogen van zekere ambtenaren huns weegs en hebben de moorden, waarbij tien zwarten omkomen om één slaaf te leveren, op geregelde tijden plaats!

Ook begrijpt men nu, welke vreeselijke beteekenis in de woorden lag opgesloten, door Dick Sand uitgesproken:

“Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!”

En hij bedroog zich niet: Het was het Afrika met al zijne gevaren voor zijn reisgenooten en voor hem.

Maar op welk gedeelte van het Afrikaansche vasteland had een onverklaarbaar noodlot hem doen aanlanden? Op de westkust blijkbaar, en wat deze treurige omstandigheid nog treuriger maakte, was dat de jeugdige leerling tot de overtuiging kwam dat de Pelgrim juist gestrand was op de kust van Angola, waar de karavanen aankomen, die dit geheele gedeelte van Afrika voorzien.

En werkelijk was dit zoo. Het was het land, dat eenige jaren later Cameron ten zuiden en Stanley ten noorden zouden doortrekken, ten koste van bovenmenschelijke inspanning! Van dat uitgebreide grondgebied, dat uit drie provinciën bestaat, Benguela, Congo, en Angola, kende men toen slechts het kustland. Het strekte zich uit van den Nourse ten zuiden, tot den Zaïre ten noorden, terwijl twee voorname steden er twee havens bezitten, Benguela en St. Paul de Loanda, hoofdstad der kolonie, die aan het koninkrijk Portugal toebehoort.

Het binnenland van deze uitgestrekte streek was toen bijna onbekend. Weinige reizigers hadden er zich durven wagen. Een noodlottig klimaat, een warme en vochtige bodem, die koortsen doet ontstaan, barbaarsche inboorlingen waar van eenige nog menscheneters zijn, een aanhoudende oorlog van de stammen onderling, het wantrouwen der slavenhandelaars tegen iedereen vreemdeling, die de geheimen van hun schandelijken handel tracht te doorgronden, zoodanig zijn de moeilijkheden en de gevaren die overwonnen moeten worden in deze provincie van Angola, een der gevaarlijkste van Midden-Afrika.

Tuckey was in 1816 den Congo tot boven de watervallen van Yellala opgevaren, ’t geen slechts een tocht was van hoogstens twee honderd mijlen. Dit eenvoudig uitstapje was niet voldoende om het land grondig te doen kennen en toch had het den dood gekost van de meeste geleerden en officieren die den tocht medemaakten.

Zeven en dertig jaren later was Livingstone van de Kaap de Goede Hoop tot den boven-Zambesi doorgedrongen. In de maand November 1853, reisde hij met een ongehoorde stoutmoedigheid, Afrika van het zuiden naar het noordoosten door, stak den Coango, een der zijtakken van den Congo over, en kwam den 31n Mei 1854 te St.-Paul de Loanda aan. Het was de eerste doortocht door de onbekende groote Portugeesche kolonie.

Achttien jaren later zouden twee stoutmoedige ontdekkers Afrika van het oosten naar het westen doorreizen en ten koste van ontzettende moeilijkheden, de een ten zuiden, de andere ten noorden van Angola weder uitkomen.

De eerste dezer reizigers was de luitenant der Engelsche marine Verny-Howet Cameron. In 1872 had men alle reden om te meenen dat het met den tocht van den Amerikaan Stanley, die ter opsporing van Livingstone naar de landstreek om de groote meren was uitgezonden, zeer hachelijk gesteld was. Luitenant Cameron bood aan hem op te zoeken. Het aanbod werd aangenomen. Cameron, vergezeld van dokter Dillon, den luitent Cecil Murphy en Robert Moffat, neef van Livingstone, vertrok van Zanzibar. Na den Ougogo te zijn overgetrokken, ontmoette hij het lijk van Livingstone, dat door zijn getrouwe bedienden naar de oostkust gevoerd werd. Daarna zette hij zijn tocht naar het westen voort, met den onwrikbaren wil, van de eene kust naar de andere te trekken. Hij doorreisde Ounyanyembé, Ougoenda, Kahouélé waar hij de papieren van den grooten reiziger verzamelde, stak hetTanganyika-meer, de bergen van Bambarré, den Loualaba over, dien hij niet kon afzakken en na al deze provincies, die door den oorlog verwoest, door den slavenhandel ontvolkt waren, verder Kilemmba, Ouroua, de bronnen van den Lomané, Oulouda, Lovalé bezocht te hebben, na Coanza en de onmetelijke bosschen doorkruist te hebben, waarin Harris Dick Sand en diens reisgenooten had doen verdwalen, zag de onvermoeide Cameron eindelijk den Atlantischen oceaan vóór zich en kwam te St.-Phillippe de Benguela aan. Deze reis van drie jaar en vier maanden had het leven gekost aan twee zijner reisgenooten, dokter Dillon en Robert Moffat.

Bijna onmiddellijk daarop zou de Engelschman Cameron in deze reeks van ontdekkingen opgevolgd worden doorden Amerikaan Henry Moroland Stanley. Men weet dat deze stoutmoedige korrespondent van denNew-York Herald, uitgezonden om Livingstone op te sporen, hem den 30n October 1971 te Oujiji aan de oevers van het Tanganyika-meer gevonden had. Maar hetgeen Stanley uit een oogpunt van menschelijkheid zoo gelukkig volbracht had, wilde hij in het belang der geografische wetenschap opnieuw beginnen.

Zijn doel was toen de algeheele verkenning van den Loualaba-stroom dien hij slechts even gezien had. Cameron bevond zich nog in de provinciën van midden-Afrika, toen Stanley, in November 1874, Bagamoyo op de oostkust verliet, en een-en-twintig maanden later, den 24n Augustus 1876, uit Oujiji door de pokken ontvolkt, vertrok, in vier-en-zeventig dagen den overtocht van het meer te Nyangwé volbracht, een groote slavenmarkt, die reeds door Livingstone en Cameron bezocht was, en de vreeselijkste tooneelen bijwoonde op de strooptochten, ondernomen door de officieren van den Sultan van Zanzibar, in de landen der Maroungous en Marryouemas.

Stanley nam toen de noodige maatregelen om den loop van den Loualaba te verkennen en dezen stroom tot aan zijn monding af te zakken. Honderd veertig lastdragers, te Nyangwé gehuurd, en negentien booten vormden het materieel en personeel van zijn tocht. In het begin reeds moest hij de menscheneters van Oegousoe bestrijden en zich al dadelijk bezighouden met het overdragen der booten, teneinde onbevaarbare watervallen om te gaan. Onder den evenaar, op het punt waar de Loualaba zich naar het noord-oosten kromt, werd de kleine vloot van Stanley aangevallen door vier-en-vijftig booten, bemand met verscheidene honderden inboorlingen, die op de vlucht werden gedreven. Daarna bevestigde de moedige Amerikaan, die tot den tweeden graad N.B. de rivier weder opvoer, dat de Loualâba niet anders was dan de Boven-Zaïre of Congo en dat hij, door den loop dezer rivier te volgen, rechtstreeks naar de zee zou afzakken. Dit ondernam hij onder een bijna dagelijksch gevecht tegen de stammen aan de oevers. Den 3n Juni 1877, bij den overtocht der watervallen van Massassa, verloor hij een zijner reisgenooten, Francis Prook, en hij zelf werd den 18n Juli met zijn boot in de watervallen van M’bélo medegesleept en ontsnapte als door een wonder aan den dood.

Eindelijk kwam Henry Stanley, den 6n Augustus, bij het dorp van Ni Sanda aan, nog vier dagen van de kust verwijderd. Twee dagen later, vond hij te Banza M’bouko de levensmiddelen, die twee kooplieden van Emboma daarheen hadden gezonden, en eindelijk rustte hij uit in deze kleine stad van de kuststreek, verouderd op vijfendertig-jarigen leeftijd door vermoeienissen en ontberingen, na het Afrikaansche vaste land van de eene kust naar de andere dwars te zijn doorgetrokken, een reis die hem twee jaren en negen maanden van zijn leven gekost had. Maar de loop van den Loualâba was nu tot den Atlantischen Oceaan bekend geworden, en indien de Nijl de groote slagader van het noorden is en de Zambesi die van het oosten, dan weet men nu dat Afrika in het westen nog een derde rivier bezit, een van de grootste der wereld, de rivier namelijk die in haar loop van twee duizend negen honderd mijlen1, onder de namen van Loualâba, Zaïre en Congo de streek der meren vereenigt met den Atlantischen oceaan.

Intusschen was, niettegenstaande deze twee reizen, die van Stanley en van Cameron, de provincie van Angola nagenoeg onbekend gebleven in het jaar 1873, het tijdperk waarop dePelgrimop de kust van Afrika gestrand was. Het eenige wat men er van wist, was, dat zij het tooneel van den slavenhandel in het westen was, dank zij haar belangrijke markten van Bihé, Cassange enKazondé.

En in dit land was het, dat Dick Sand tot op meer dan honderd mijlen van de kuststreek was medegevoerd, met eene vrouw, uitgeput door vermoeienis en smart, een bijna stervend kind en reisgenooten, die als geboren negers een gereede prooi waren voor de roofzucht der slavenhandelaars.

Ja, het was Afrika en niet dat Amerika waar noch de inboorlingen, noch de wilde dieren, noch het klimaat wezenlijk geducht zijn. Het was niet de gelukkige en welvarende streek tusschen de Cordillerasen de kust waar talrijke dorpen worden aangetroffen en de vestingen der zendelingen gastvrij voor iederen reiziger openstaan. Helaas! zij waren veraf, de provincies van Peru en Bolivia waar de storm dePelgrimongetwijfeld zou gebracht hebben, indien een misdadige hand hem niet van zijn weg had doen afwijken en waar voor schipbreukelingen zoovele gemakkelijke gelegenheden bestonden om naar hun vaderland terug te keeren!

Het was het vreeselijke Angola en niet het gedeelte van de kust dat rechtstreeks door de Portugeesche overheid bewaakt werd, maar het middelpunt der kolonie die doorkruist werd door de slavenkaravanen onder de zweep der havildars.

Wat wist Dick Sand van het land waar het verraad hem geworpen had? Niet veel. Alleen maar wat de zendelingen derXVIeenXVIIeeeuw en de Portugeesche kooplieden, die den weg volgen van St.-Paul de Loanda naar den Zaïre over San-Salvador, er van gezegd hadden en wat dokter Livingstone er van verhaald had ten tijde van zijn reis van 1853, en dat was voldoende om een minder sterke ziel dan de zijne geheel uit het veld te slaan.

En werkelijk was de toestand verschrikkelijk.


Back to IndexNext