Dertiende hoofdstuk.

1Ongeveer 166 kilometers.Dertiende hoofdstuk.Land! Land!Intusschen zou het vertrouwen, dat Dick Sand als bij instinct bezielde, gedeeltelijk gerechtvaardigd worden.Den volgenden dag, 27 Maart, ging de kwikkolom in de barometerbuis aan het rijzen. De schommeling had niet plotseling plaats en was ook niet belangrijk, eenige strepen slechts, maar de rijzing scheen te zullen aanhouden. De storm ging blijkbaar in het tijdperk van afneming over, en, mocht de zee nog buitengewoon onstuimig blijven, toch kon men zich overtuigen dat de wind afnam.Dick Sand kon er nog niet aan denken zeilen aan te slaan. Het kleinste zeil ware weggerukt geworden. Evenwel hoopte hij dat er geen vier-en-twintig uur zouden verloopen zonder dat hem mogelijk was een stormzeil bij te zetten.En werkelijk ging de wind ’s nachts vrij belangrijk liggen, vooral als men hem vergeleek met ’t geen hij tot nog toe geweest was, en nu ook had het schip minder van het vreeselijke slingeren te lijden, dat vroeger dreigde het te vernielen.De passagiers begonnen zich weder op het dek te vertoonen. Zij liepen geen gevaar meer door de stortzee medegevoerd te worden.Mevr. Weldon verliet het eerst de kerk waar Dick Sand haar uit voorzichtigheid gedwongen had zich den geheelen duur van den storm op te sluiten. Zij kwam eens praten met den leerling, dien een waarlijk bovenmenschelijke geestkracht het vermogen geschonken had zoovele vermoeienissen te weerstaan. Vermagerd, verweerd en bleek van gelaat, had hij verzwakt moeten zijn door het gemis aan den voor zijn leeftijd zoo noodigen slaap! Neen! zijn krachtige natuur weerstond alles. Eenmaal misschien zou hij dit tijdperk van beproevingen duur moeten betalen! Maar het was de tijd niet zich te laten ontmoedigen. Dick Sand had dit alles reeds bij zich zelven nagegaan en Mevr. Weldon vond hem sterker en moediger dan ooit.En daarenboven bezat de moedige Dick een hoedanigheid die, in moeielijke omstandigheden des levens bergen verzet, hij had vertrouwen.“Dick, mijn kind, mijn kapitein!” zei Mevr. Weldon hem de hand reikende.”’k Moet u zeggen, mevrouw Weldon,” riep Dick Sand glimlachend uit, “u komt de bevelen van uw kapitein niet na! U komt weer op het dek, u verlaat uw kajuit in weerwil van zijn.... verzoek!”“Ja, ’k ben je ongehoorzaam,” antwoordde Mevr. Weldon; “maar ’k heb als een voorgevoel dat de storm bedaart of zal bedaren!”“Hij bedaart werkelijk, mevrouw Weldon,” antwoordde de leerling. “U bedriegt u niet! De barometer is sedert gisteren niet gedaald. De wind is niet zoo hevig meer, en ’k heb alle reden te gelooven dat onze ergste beproevingen voorbij zijn.”“God geve het, Dick! Wat heb je geleden, arm kind! Je hebt....”“Niets dan mijn plicht gedaan, mevrouw Weldon.”“Maar zou je nu niet wat rust gaan nemen?”“Rust!” antwoordde de leerling. “’k Heb geen rust noodig, mevrouw Weldon! ’k Gevoel me zeer wel. Goddank,en ’k moet tot het einde toe volhouden! U hebt me den kapitein genoemd, ’k zal kapitein blijven tot het oogenblik dat al de passagiers van denPelgrimbehouden zijn.”“Dick,” hernam Mevr. Weldon, “mijn man en ik, we zullen nooit vergeten, wat je gedaan hebt.”“God heeft alles gedaan,” antwoordde Dick Sand “alles.”“Mijn kind, ’k zeg nog eens dat je door je zedelijken en lichamelijken moed je als een man gedragen hebt, als een man waard om het commando te voeren, en spoedig, zoodra je studies geëindigd zijn,—’k weet zeker dat mijn man geheel met mij zal instemmen,—zal je gezagvoerder worden voor het huis James W. Weldon!”“Ik.... ik!” riep Dick Sand uit, wiens oogen zich met tranen vulden.“Dick!” antwoordde Mevr. Weldon, “je waart ons aangenomen kind reeds en nu ben je onze zoon, de redder van je moeder en je broertje Jack! Mijn waarde Dick, ’k omhels je voor mijn man en voor mij!”De moedige vrouw had zich goed willen houden, toen ze Dick aan haar hart drukte, maar ’t was haar niet mogelijk. Doch welke pen zou kunnen beschrijven wat Dick Sand gevoelde! Hij vroeg zich af of hij niet meer kon doen dan zijn leven voor zijn weldoeners opofferen, en hij nam nu reeds al de beproevingen aan, die hem in de toekomst zouden worden opgelegd.Na dit onderhoud gevoelde Dick Sand zich sterker. Als de wind handelbaarder werd en het hem mogelijk zou zijn een zeil bij te zetten, twijfelde hij geen oogenblik of hij zou zijn schip naar een haven kunnen voeren waar allen die het droeg eindelijk gelukkig zouden zijn.Toen de wind, den 29n een weinig bedaard was, dacht Dick er over om de fok en het marszeil weder aan te slaan en bij gevolg de snelheid van denPelgrimte bevorderen.“Komaan, Tom! komaan, mijn vrienden!” riep hij uit, toen hij bij het krieken van den dag aan dek kwam. “Kom! ’k Heb je armen noodig!”“We zijn gereed, kapitein Sand,” antwoordde Tom.“Gereed tot alles,” voegde Hercules er bij. “Er was niets te doen, terwijl het zoo stormde en ’k begon me mooi te vervelen!”“Je hadt moeten blazen met je grooten mond,” zei de kleine Jack. “’k Wed dat je net zoo sterk als de wind geweest waart!”“Daar zeg je zoo wat, Jack!” antwoordde Dick Sand lachende. “Als er windstilte is, zullen we Hercules in de zeilen laten blazen!”“Tot je dienst, mijnheer Dick!” antwoordde de brave neger, terwijl hij zijn wangen opblies als een reusachtige Boreas.“We zullen beginnen, vrienden,” hernam de leerling, “met een waarloos zeil aan te slaan, want ons marszeil is in den storm weggewaaid. ’t Zal misschien wel moeilijk zijn, maar ’t moet gebeuren.”“Dan zal ’t ook gebeuren!” antwoordde Actéon.“Kan ik je helpen?” vroeg de kleine Jack.“Ja, Jack,” antwoordde de leerling. “Ga jij maar naar ’t roer om onzen vriend Bat te helpen sturen.”Men kon zich voorstellen hoe trotsch Jack was op het vertrouwen door Dick Sand in hem gesteld.“Nu aan ’t werk,” hernam deze “en laten we ons zoo min mogelijk blootstellen.”De negers gingen door Dick geleid, dadelijk aan hun moeielijken arbeid. Een marszeil aanslaan was voor Tom en zijn kameraden een moeielijke taak. Men moest eerst het opgerolde zeil naar boven hijschen en het dan aan de ra bevestigen.Evenwel commandeerde Dick zoo goed en werd zoo goed gehoorzaamd, dat het zeil na verloop van een uur was aangeslagen, de ra geheschen en het marszeil met twee reven behoorlijk bijgezet.Wat de fok en stagfok betreft, die voor den storm hadden ingenomen kunnen worden, deze zeilen werden vrij gemakkelijk bijgezet, niettegenstaande de kracht van den wind.Dienzelfden dag, des morgens tien uur, zeilde dePelgrimonder fok, marszeil en stagzeil.Dick Sand had het niet voorzichtig geoordeeld meer zeilen bij te zetten. De zeilen toch die hij droeg, moesten hem, zoolang de wind niet afnam, een snelheid verzekeren van tweehonderdmijlen minstens per vier-en-twintig uur, en meer was niet noodig om over tien dagen de Amerikaansche kust te bereiken.De leerling was wezenlijk voldaan, toen hij het roer overnam, na meester Jack, den onderstuurman van denPelgrimbedankt te hebben. Hij behoefde zich nu niet meer op genade aan de golven over te geven. DePelgrimkwam nu werkelijk goed vooruit. Iedereen die maar een weinig met zeezaken bekend is, zal zijn vreugde kunnen begrijpen.Den volgenden dag jaagden de wolken nog met dezelfde snelheid door het luchtruim, maar zij lieten nu groote openingen tusschen haar over, waar doorheen de zonnestralen de oppervlakte der wateren beschenen. DePelgrimbaadde zich somtijds in dat alles bezielende licht! Dan weder verschool het zich achter een dichte massa dampen in het oosten, maar in het volgende oogenblik verscheen het nogmaals om wederom te verdwijnen, doch het weder werd opnieuw schoon.De luiken werden geopend om de frische lucht in het inwendige van het schip te laten stroomen, die doordrong tot in het ruim, de achterkajuit en in het verblijf der bemanning. Men hing de nattezeilente drogen en spreidde ze daartoe op het waarloos rondhout uit. Ook werd het dek geschrobd. Dick Sand wilde niet dat zijn schip een haven binnenkwam zonder een weinig toilet te hebben gemaakt. Wilde hij de equipage niet te veel vermoeien, dan konden slechts eenige uren per dag aan dit werk besteed worden.Alhoewel de leerling niet meer loggen kon, had hij door gewoonte genoeg geleerd de vaart van een schip te schatten om zich nagenoeg rekenschap van zijn snelheid te geven. Hij twijfelde dus niet of hij zou binnen zeven dagen land in ’t gezicht hebben en deze meening deelde hij aan Mevr. Weldon mede, na haar op de kaart de waarschijnlijke positie te hebben aangetoond.“Welnu! op welk punt van de kust zullen we aankomen, Dick! vroeg zij hem.“Hier, mevrouw,” antwoordde de leerling, terwijl hij haar de lange kustlijn aanwees, die zich uitstrekt van Peru naar Chili. Ik kan het niet juister aangeven. Dit is het Paasch-eiland, dat wij in het westen hebben laten liggen, en uit de richting van den wind die bestendig geweest is, besluit ik dat wij land in het oosten zullen zien. Er zijn genoeg havens aan de kust, maar ’t is me op dit oogenblik niet mogelijk te zeggen, welke wij het eerst in ’t gezicht zullen krijgen.”“Welnu, Dick, welke die haven zij, ze zal ons welkom zijn.”“Welzeker, mevrouw Weldon, en u zult er zeker gelegenheid vinden om spoedig naar San-Francisco terugtekeeren. Er bestaat een Stoomboot-Maatschappij van de Stille Zuidzee, die een zeer goed georganiseerden dienst op deze kust heeft. Haar stoombooten doen de voornaamste punten der kust aan en u zult zeer gemakkelijk met een dezer booten de reis naar Californië kunnen afleggen.”“Maar is het dan je plan niet denPelgrimnaar San-Francisco te brengen?” vroeg Mevr. Weldon.“Jawel, mevrouw, na u ontscheept te hebben. Als we ons een officier en een equipage kunnen verschaffen, zullen we onze lading te Valparaiso lossen, zooals kapitein Hull zou gedaan hebben. Daarna zullen we dan naar San-Francisco terugkeeren. Maar dat zou u te lang ophouden, ofschoon ’t me zeer spijten zou afscheid van u te moeten nemen....“Ja, ja, Dick,” antwoordde Mevr. Weldon. “We zullen later zien, wat ons te doen staat.—Zeg eens, je scheen bang te zijn om aan land te komen?””’k Kan dat niet ontkennen,” antwoordde de leerling, “maar ik hoop altijd een vaartuig in deze streken te ontmoeten en ’t verwondert me zeer er nog geen te zien. Zoodra er een passeerde, zouden we ’t praaien, ’t zou ons juist zeggen waar we ons bevinden en dat zou onze landing zeer gemakkelijk maken.”“Zijn er dan geen loodsen die op deze kust dienst doen?” vroeg Mevr. Weldon.“Die moeten er wel zijn,” antwoordde Dick Sand, “maar veel dichter bij de kust. We moeten dus steeds voortgaan.”“En als we nu geen loods ontmoeten,” vroeg Mevr. Weldon, die volstrekt wilde weten hoe de leerling al die moeilijkheden dacht te boven te komen.“In dat geval, mevrouw, als het weer goed en de wind kalm blijft, zal ik trachten dicht genoeg bij de kust tehouden om er een schuilplaats te zoeken, maar als de wind opsteekt, dan....”“Dan?.... Wat zal je dan doen, Dick?”“Dan,” antwoordde Dick Sand, “zal ’t in den toestand waarin dePelgrimverkeert, eenmaal aan lager wal geraakt, zeer moeielijk zijn hem weer in volle zee te brengen!”“Wat zal je dan doen?” herhaalde Mevr. Weldon.”’k Zal dan genoodzaakt zijn mijn schip op het strand te zetten,” antwoordde de leerling, wiens gelaat een oogenblik een droevige uitdrukking aannam. “’t Is waar, ’t is een harde noodzakelijkheid, en Godgevedat het nietzoverzal komen! Maar, ’k zeg u nog eens, mevrouw Weldon, het voorkomen van de lucht is geruststellend en ’t is niet mogelijk dat we geen schip of een loodsvaartuig zouden ontmoeten! Goeden moed dus! We hebben den steven naar de kust gericht en we zullen haar gauw zien!”Ja, zijn schip op het strand zetten, dat is een uiterste waartoe de flinkste zeeman slechts noode besluit! Ook verbande Dick Sand met geweld de gedachte aan een dergelijke ramp, zoolang er maar eenige kans voor hem was haar te vermijden.Gedurende eenige dagen waren er in den toestand van den dampkring afwisselingen die de leerling opnieuw zeer ongerust maakten. Steeds bleef er een flinke bries waaien en uit zekere schommeling der kwikkolom was duidelijk op te maken dat de wind nog zou aanwakkeren. Dick Sand dacht er dus niet zonder vrees aan of hij zich niet weer zou genoodzaakt zien voor top en takel te gaan loopen. Hij had er evenwel zulk een groot belang bij althans zijn marszeil te behouden, dat hij besloot het niet te laten bergen, zoolang het geen gevaar liep weg te waaien. Maar om de stevigheid der masten te verzekeren, liet hij want en stagen aanzetten. Bovenal was het zaak de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, want hun toestand zou nog erger geworden zijn, indien dePelgrimmasteloos rond had gedreven.Een paar malen ook moest men, daar de barometer rees, vreezen dat de wind geheel om zou loopen, namelijk dat hij naar het oosten zou gaan. In dat geval zouden zij zoo dicht mogelijk aan den wind moeten houden!Een nieuwe zorg voor Dick Sand. Wat zou hij met tegenwind gedaan hebben? Laveeren? Maar, zoo hij zich daartoe verplicht zag, welke nieuwe vertraging en hoe licht kon hij dan weder in volle zee teruggeworpen worden?Deze vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind bleef, na gedurende eenige dagen gezocht te hebben, nu eens naar het noorden, dan weder naar het zuiden loopende, eindelijk in het westen staan. Maar het was altijd een stijve koelte die in hettuigvan denPelgrimblies.Het was de 5e April en dus reeds meer dan twee maanden geleden, dat dePelgrimNieuw-Zeeland had verlaten. Twintig dagen achtereen was zijn loop door tegenwind en langdurige windstilte vertraagd. Vervolgens had hij zich in gunstige omstandigheden bevonden om spoedig land te bereiken. Zelfs had zijn snelheid gedurende den storm zeer belangrijk moeten zijn. Dick Sand schatte de gemiddelde vaart op niet minder dan op twee honderd mijlen per dag! Hoe kwam het dan dat men nog altijd geen kust in het gezicht kreeg! Ontvluchtte zij denPelgrim? Het was volkomen onverklaarbaar!En evenwel werd geen land gezien, hoewel een der negers voortdurend op den uitkijk stond.Dikwijls begaf Dick Sand zich zelf in het want. Daar trachtte hij dan met den verrekijker iets van bergen te ontdekken. De bergketen der Andes is zeer hoog en het was dus in de wolken dat aan den verren horizont zich te midden der nevelen een top zou voorgedaan hebben.Meermalen werden Tom en zijn kameraden door valsche teekenen van land misleid. Dampen van vreemde vormen vertoonden zich op den achtergrond. Het gebeurde soms dat de goede menschen halsstarrig bleven volhouden dat zij land zagen, maar na eenigen tijd waren zij dan genoodzaakt te erkennen dat zij de dupes van een gezichtsbedrog geweest waren. Het gewaande land verplaatste zich, veranderde van gedaante en verdween eindelijk geheel.Maar den 6en April was er eindelijk geen twijfel mogelijk. Het was acht uur ’s morgens. Dick Sand was zoo evenin het want geklommen. In dit oogenblik verdichtten de nevelen zich onder de eerste stralen der zon en klaarde de horizont geheel op.Eindelijk deed Dick Sand den reeds zoo dikwijls geuiten kreet hooren:“Land! land! vlak voor den boeg!”Bij dezen kreet liep iedereen op het dek, zoowel de kleine Jack, nieuwsgierig als men op dien leeftijd is, Mevr. Weldon, wier beproevingen met de landing zouden ophouden, Tom en zijn kameraden, die eindelijk het Amerikaansche vasteland weder zouden betreden, en zelfs neef Benedictus, die hoopte een rijke verzameling nieuwe insecten bijeen te garen.Alleen Negoro verscheen niet.Iedereen zag toen wat Dick Sand gezien had, deze zeer duidelijk, gene stellig meenende dat zij het zagen. Maar voor den leerling die zoo gewoon was den horizont waar te nemen, was er geen dwaling mogelijk en een uur later bleek het dat hij zich niet bedrogen had.Op een afstand van ongeveer vier mijlen strekte zich een vrij lage kust uit of althans iets dat zich als zoodanig voordeed. Op den achtergrond moest zich de hooge keten der Andes vertoonen, maar een wolkensluier belette er de toppen van te zien.DePelgrimliep rechtstreeks en snel op deze kust toe, die zich zienderoog verder uitstrekte.Twee uur later was hij er nog slechts drie mijlen van verwijderd.Dit gedeelte van de kust liep in het noord-oosten uit in een vrij hooge kaap, die een soort van open ree verborg. In het Zuid-oosten daarentegen, verlengde zij zich tot een smalle landtong.Eenige boomen bekroonden een reeks van niet zeer verheven rotsachtige steilten, die zich scherp tegen den hemel afteekenden. Maar op het geografisch karakter van het land was het duidelijk, dat de achtergrond gevormd werd door de hooge bergketen der Andes.Overigens was er geen woning, geen haven, geen riviermonding in ’t gezicht die aan een vaartuig tot schuilplaats had kunnen dienen.Op dit oogenblik liep dePelgrimrechtstreeks op het land toe.Met het kleine aantal zeilen waarover hij nu beschikken kon en den wind op de kust, was het Dick Sand onmogelijk hem er af te houden.Vooraan liep een lange lijn klippen waartegen de hoog opbruisende golven braken en een eind weegs het strand op, wit schuimend uiteenspatten. Er moest daar een geduchte branding zijn.Dick Sand, die eenigen tijd op den bak gebleven was om de kust te observeeren, kwam op het achterschip terug en nam het roer weder in handen.De wind wakkerde steeds aan. De schoenerbrik bevond zich weldra nog slechts een mijl van het strand af.Dick Sand merkte toen een soort van kleine baai op waarin hij besloot binnen te loopen; maar vóór haar te bereiken moest hij de lijn van klippen door, waartusschen het moeielijk zou geweest zijn een doortocht te vinden. De branding toonde aan dat het water overal ontbrak.Op dit oogenblik sprong Dingo, die op het dek heen en weder liep, naar voren en deed, met den kop naar de kust gewend, een klaaglijk geblaf hooren. Men zou gezegd hebben dat de hond dit strand herkende en dat zijn instinct hem een smartelijke herinnering in het geheugen terugbracht.Negoro hoorde het zeker, want een onweerstaanbaar gevoel drong hem buiten de kombuis, en hoewel hij den hond moest vreezen, ging hij bijna dadelijk over de verschansing hangen.Zeer gelukkig voor hem, merkte Dingo, wiens droevig geblaf steeds tot dat land gericht was, hem niet op.Negoro scheen zich over de woeste branding volstrekt niet ongerust te maken. Mevr. Weldon, die hem waarnam, meende op te merken dat er zich een lichte blos over zijn gelaat verspreidde en zijn trekken zich een oogenblik samentrokken.Zou Negoro het punt van het vaste land herkend hebben waar de wind denPelgrimheen dreef?Op dit oogenblik verliet Dick Sand het roer dat hij aan den ouden Tom overgaf. Een laatste maal nam hij den inham op, die zich allengs opende. Toen, zich tot Mevr. Weldon wendende, sprak hij met vaste stem:”’k Heb geen hoop meer, Mevrouw een schuilplaats te vinden! Over een half uur zal, niettegenstaande al mijnpogingen, dePelgrimop de klippen stooten. We moeten hem op het strand zetten! Ik zal het schip niet meer naar een haven kunnen brengen! ’k Ben genoodzaakt het op te offeren om u te redden! Maar tusschen uw geluk en het mijne mag ik niet aarzelen!”“Heb je alles gedaan wat mogelijk was, Dick?” vroeg Mevr. Weldon.“Alles,” antwoordde de leerling.Een oogenblik later ging hij over tot de toebereidselen voor de schipbreuk.Vooreerst werden Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus en Nan met zwemgordels voorzien. Dick Sand, Tom en de andere zwarten, bekwame zwemmers namen eveneens maatregelen om de kust te bereiken, indien zij misschien in zee geworpen werden.Hercules werd speciaal belast met de zorg voor Mevr. Weldon.De leerling zou voor den kleinen Jack zorgen. Neef Benedictus, die overigens zeer bedaard was, verscheen op het dek, omhangen met zijn insectendoos. De leerling beval hem aan Bat en Austin aan. Wat Negoro aangaat, zijn zonderlinge bedaardheid deed genoeg zien dat hij van niemand hulp behoefde.Dick Sand liet, als uiterste voorzorg, een tiental vaten met walvischtraan op den bak brengen.Deze olie op het juiste oogenblik dat dePelgrimzich in de branding zou bevinden, uitgegoten, moest de zee een oogenblik doen bedaren door de watermolecule glad te maken, hetgeen het passeeren van het schip tusschen de klippen misschien gemakkelijk zoude maken.Dick Sand wilde niets verzuimen dat misschien het geluk van allen kon verzekeren.Nadat al deze voorzorgen genomen waren, kwam de leerling zijn plaats aan het roerrad weder innemen.DePelgrimwas nog slechts twee kabellengten van de kust verwijderd, in de onmiddellijke nabijheid van de klippen. Zijn bakboordszijde baadde reeds in het witte schuim der branding.Elk oogenblik kon de kiel van het vaartuig tegen een verborgen klip stooten.Eensklaps zag Dick Sand aan een verandering van de kleur van het water, dat er een doorvaart tusschen de klippen liep. Hij moest het vaartuig zonder aarzeling in de opening sturen, om zoo dicht mogelijk bij de kust te stranden.De leerling aarzelde dan ook niet. Een wending van het roer wierp het schip in de nauwe en bochtige geul.Op deze plaats was de zee nog onstuimiger en de golven stoven tot op het dek.De negers waren voor, bij de vaten geposteerd, en wachtten op de orders van den leerling.“Stort de traan uit!” riep Dick Sand.Als door tooverij bedaarde de zee onder deze olie, al werd zij in het volgende oogenblik woedender dan ooit.DePelgrimgleed snel over het gladde water en richtte zich rechtstreeks naar het strand.Plotseling had er een schok plaats. Het schip werd door een geduchte golf in de hoogte getild en op het strand gezet, terwijl de masten daarbij vielen zonder iemand te verwonden.De romp van denPelgrim, midden doorgebroken door den schok, werd met geweld door het water overstroomd. Maar het strand was slechts een halve kabellengte verwijderd, en langs een keten van kleine zwartachtige rotsen was het gemakkelijk te bereiken.Ook waren drie minuten later allen die zich op denPelgrimbevonden, aan den voet van het rotsachtige strand ontscheept.Veertiende hoofdstuk.Wat men doen moet.Na een overtocht dus, langen tijd door windstilte belemmerd, daarna door noord- en zuidwestenwinden begunstigd—een overtocht die niet minder dan vier-en-zeventig dagen geduurd had,—werd dePelgrimop het strand geworpen.Evenwel dankten Mevr. Weldon en haar metgezellen de Voorzienigheid, zoodra zij behouden aan land waren.Het was werkelijk een vasteland en niet een der noodlottige eilanden van Polynesië waarop de storm hen geworpen had. Den terugkeer in hun vaderland, op welk punt van Zuid-Amerika zij ook geland waren, stond naar het scheen,geen ernstige beletselen in den weg.Wat dePelgrimaangaat, deze was verloren. Het was slechts een geraamte zonder waarde, welks overblijfselen binnen weinige uren door de branding zouden verspreid zijn. Het zou onmogelijk geweest zijn er iets van te redden. Maar al mocht Dick Sand het genoegen niet smaken zijn reeder een onbeschadigd vaartuig thuis te brengen, toch waren, dank zij hem, zij die er zich op bevonden, frisch en gezond op een gastvrije kust aangeland en onder deze de vrouw en het kind van James W. Weldon.Wat nu de vraag betreft op welk gedeelte van de Amerikaansche kust de schoener-brik gestrand was, daarover had men lang kunnen beraadslagen. Was het, zooals Dick Sand moest veronderstellen, op de kust van Peru? Misschien, want hij wist door de verkenning van het Paasch-eiland, dat dePelgrimdoor de werking der winden en ongetwijfeld ook onder den invloed der aequatoriale stroomen, naar het noord-oosten was gedreven. Van den drie-en-veertigsten breedtegraad, had hij zeer goed tot den vijftienden kunnen afdrijven.Het was dus van belang zoo spoedig mogelijk het juiste punt der kust te weten waar de schoenerbrik gestrand was. Gesteld dat deze kust die van Peru was, dan ontbraken de havens, de steden en dorpen er niet en zou het bijgevolg gemakkelijk zijn de eene of andere bewoonde plaats te bereiken. Wat dit gedeelte van het strand betrof, het scheen geheel verlaten.Het was een smalle, hier en daar door zwarte rotsen afgewisselde oever, die door een kustrand van tamelijke hoogte werd afgesloten; deze kustrand werd zeer onregelmatig doorsneden door groote, trechtervormige openingen, gevormd door het doorbreken der rots. Hier en daar gaven eenige zachte hellingen toegang tot den top.Ten noorden, op een kwart mijl van de plaats van de stranding, bevond zich de monding eener kleine rivier, die uit volle zee niet kon gezien worden.Langs haar oevers hingen talrijke “rhizophoren” over het water, een soort van wortelboomen, geheel verschillende van die van hetzelfde geslacht in Indië.De steile kust was aan den top bedekt door een dicht bosch, dat steeds een door den wind in golvende beweging verkeerende groene massa aanbood en zich uitstrekte tot de bergen op den achtergrond. Wel zou neef Benedictus, zoo hij in plaats van entomoloog botanist ware geweest, opgetogen zijn door het ontzaglijk aantal voor hem vreemde boomen!Het waren hooge baobabs of apenbroodboomen,—waaraan men verkeerdelijk een buitengewoon hoogen ouderdom heeft toegeschreven,—plataanboomen, witte pijnboomen, tamarindeboomen, peperboomen van een bijzondere soort en honderd andere gewassen, die een Amerikaan uit de noordelijke streken der nieuwe wereld niet gewoon is te zien.Maar als een zonderlinge omstandigheid moet vermeld worden dat men onder al deze boomsoorten geen enkel exemplaar ontmoet van de talrijke familie der palmboomen, die meer dan duizend soorten telt en verspreid zijn over bijna de geheele oppervlakte der aarde.Boven het strand zweefde een groot aantal schel schreeuwende vogels, die grootendeels tot verschillende soorten van zwaluwen behoorden, zwart van veeren met een staal blauwen weerschijn, maar kastanje-bruin van kleur boven op den kop. Hier en daar vlogen ook eenige patrijzen op met een geheel kalen hals en grijs van kleur.Mevr. Weldon en Dick Sand merkten op, dat al deze vogels niet zeer wild schenen te zijn. Men kon ze naderen zonder ze te verjagen. Hadden zij dan nog niet geleerd den mensch te vreezen en was die kust zoo verlaten, dat de losbarsting van een vuurwapen er nog nooit was gehoord?Aan den rand der klippen wandelden eenige pelikanen, die zich druk bezig hielden met den zak dien zij tusschen de takken van hun onderkaak dragen met kleine vischjes te vullen.Eenige meeuwen uit volle zee gekomen, begonnen om denPelgrimheen te vliegen.Maar deze vogels waren dan ook de eenige wezens die dit gedeelte van de kust schenen te bezoeken,—ongerekend, voorzeker, een aantal belangwekkende insecten, die neef Benedictus wel zouopsporen. Maar, hoe het den kleinen Jack ook ter harte ging, hun kon men den naam van het land niet vragen, en om dien naam te weten diende men zich wel tot een inboorling te richten.Doch er waren geen inboorlingen, of men zag er althans geen. Evenmin een hut of tent, noch ten noorden aan den anderen oever van het kleine riviertje, noch ten zuiden, noch eindelijk op den top van de steile kust, te midden van de boomen van het dichte woud. Geen rookkolom zag men boven het bosch ten hemel kronkelen. Geen enkel bewijs, teeken of indruk gaf te kennen dat dit gedeelte van het vasteland door menschelijke wezens bezocht werd.Dick Sand was tamelijk verwonderd.“Waar zijn we? Waar kunnen we zijn?” dacht hij bij zich zelven. “Er is niemand wien het te vragen!”Niemand, inderdaad, en indien zich een inboorling in de nabijheid bevond, zou Dingo hem stellig geroken en door blaffen aangemeld hebben. De hond liep heen en weder op de zandige kust met den neus langs den grond, den staart omlaag, dof knorrende, ongetwijfeld met zeer vreemde bewegingen, maar noch de nadering van een mensch, noch die van eenig dier verradende.“Zie Dingo toch eens!” zei Mevr. Weldon.“Ja, ’t is vreemd!” antwoordde de leerling. “Het schijnt dat hij tracht een spoor te vinden!”“Zeer vreemd, dat is zeker!” mompelde Mevr. Weldon.“Wat doet Negoro?” vroeg zij.“Hij doet, wat Dingo doet,” antwoordde Dick Sand. “Hij komt, hij gaat!.... Maar in alle geval, is hij hier vrij. ’k Heb het recht niet meer hem bevelen te geven. Zijn dienst is geëindigd met het stranden van denPelgrim!”Werkelijk liep Negoro met groote schreden heen en weder, keerde zich om, bekeek het strand en de steile kust, als iemand die tracht zich een of ander feit te herinneren. Kende hij dan dat land? Hij zou waarschijnlijk geweigerd hebben die vraag te beantwoorden als men hem haar gedaan had. Het beste was nog, zich niet met den ongezelligen mensch te bemoeien. Dick Sand zag weldra dat hij zich naar de zijde van het kleine riviertje begaf, en toen Negoro bij de bocht van den hoogen oever verdween, dacht hij niet meer aan hem.Dingo had wel geblaft toen de kok op den oever verscheen, maar hij was bijna dadelijk uitgescheiden.Men moest nu bedacht zijn op ’t geen het noodzakelijkst was. Nu was het hoog noodig een beschutting, een wijkplaats te vinden, waar men zich voorloopig kon vestigen en eenig voedsel nemen. Daarna zou men dan raad schaffen en beslissen wat te doen.Over voedsel behoefde men zich niet ongerust te maken. Om niet te spreken van de hulpbronnen die het land moest opleveren, was de kombuis of voorraadkamer van het schip geledigd ten voordeele van de overlevenden van de schipbreuk. De branding had hier en daar, te midden der klippen die de eb nu bloot had gelegd, een groote menigte voorwerpen geworpen. Tom en zijn kameraden hadden reeds eenige vaatjes beschuit, blikken bussen met allerlei voedingstoffen en kisten met gedroogd vleesch opgevischt. Daar het water ze niet beschadigd had, was de voeding van den kleinen troep voor langer verzekerd dan ze noodig zouden hebben om een dorp of vlek te bereiken. In dit opzicht was er niets te vreezen. Deze verschillende goederen waren reeds door hen in zekerheid gebracht, zoodat zij bij den vloed niet door de zee hernomen konden worden.Ook aan zoet water was geen gebrek. Dadelijk had Dick Sand zorg gedragen door Hercules eenige pinten uit de kleine rivier te laten halen. De sterke neger had zich echter niet met eenige pinten vergenoegd, maar een ton op den schouder genomen en dezen met versch en zuiver water gevuld.Indien het noodig was vuur aan te steken, was er geen gebrek aan dood hout in den omtrek en daarenboven konden de wortels der oude wortelboomen al de brandstof leveren die men noodig had. De oude Tom was een sterke rooker en als zoodanig steeds voorzien van een zekere hoeveelheid zwam, goed bewaard in een hermetisch gesloten doos, en als men het wilde zou men vuurslaan, al was het met de keisteenen uit het zand aan den oever.Er bleef dus nu nog over een plek op te sporen waar de kleine troep zich zou kunnen verschuilen, indien zijmochten goedvinden één nacht rust te nemen voordat zij zich weder op marsch begaven.En daar was het nu waarlijk de kleine Jack die de bedoelde slaapkamer vond. Terwijl hij aan den voet van den steilen oever heen en weer trippelde, ontdekte hij achter een rotswand een van die fraaie, ruime grotten met gladde wanden, die de zee zelf uitholt, als haar onstuimige golven de kust beuken.Het kind was verrukt. Hij riep zijn moeder, en juichend kwam hij haar halen om haar zegevierend zijn ontdekking te toonen.“Goed, mijn Jack!” antwoordde Mevr. Weldon. “Als we Robinsons waren, die deze kust lang moesten bewonen, zouden we haar stellig naar jou een naam geven!”De grot was slechts tienof twaalfvoet diep en even zoo breed, maar in de oogen van den kleinen Jack, was het een ontzaglijk hol. Genoeg dat zij ruim genoeg was om de schipbreukelingen te bergen, en—’t geen met genoegen door Mevr. Weldon en Nan werd opgemerkt,—zij was zeer droog. De maan was in haar eerste kwartier, en het was niet te vreezen dat het getij den voet der steile kust en dus de grot zou bereiken. Men kon zich dus zonder zorg eenige uren te rusten leggen.Tien minuten later waren allen op een tapijt van zeegras uitgestrekt. Zelfs Negoro had gemeend zich bij het troepje te moeten voegen en zijn aandeel in den maaltijd te nemen, die gezamenlijk zou gehouden worden. Ongetwijfeld was het hem minder aangenaam voorgekomen zich alleen te wagen in het dichte woud, waar doorheen de bochtige rivier kronkelde.Het was één uur na den middag. Het in bussen bewaarde vleesch, de beschuit, het versche water met eenige druppels rum, waarvan Bat eenige flesschen gered had, maakten de menu van dezen maaltijd uit.Maar al nam Negoro er deel aan, toch mengde hij zich volstrekt niet in het gesprek, waarin over de maatregelen beraadslaagd werd, die in den toestand der schipbreukelingen zouden moeten genomen worden. Evenwel hoorde hij toe, zonder het te laten blijken, en trok ongetwijfeld zijn voordeel uit hetgeen hij hoorde.Gedurende dien tijd waakte Dingo, dien men niet vergeten had, buiten de grot. Geen levend wezen zou zich op het strand vertoond hebben zonder dat het getrouwe dier bij tijds gewaarschuwd had.Mevr. Weldon, die haar kleinen Jack half liggende en bijna ingeslapen op haar schoot hield, nam het woord.“Dick, mijn vriend,” zeide zij, “uit naam van allen zeg ik je dank voor de zorg en opofferingen die ge u voor ons getroost hebt, maar we laten je nog niet los. Je zult onze leidsman zijn te land, zooals je onze kapitein aan boord waart. Al onze hoop is op je gevestigd. Spreek dus! Wat moeten we doen?”Mevr. Weldon, de oude Nan, Tom en zijn kameraden, allen hadden de oogen op den leerling gevestigd. Zelfs Negoro zag hem met een zonderlinge belangstelling aan. Blijkbaar was hij zeer nieuwsgierig naar ’t geen Dick zou zeggen.Nadat Dick Sand eenige oogenblikken had nagedacht, zeide hij:“Mevrouw Weldon, in de eerste plaats is het van het grootste belang te weten, waar we zijn. Ik geloof dat ons schip geland is op dat gedeelte van het Amerikaansche strand dat de Peruviaansche kust vormt. De winden en de stroomen hebben het tot deze breedte gebracht. Maar.... bevinden we ons hier in een van de zuidelijke provinciën van Peru, namelijk in het minst bewoonde gedeelte, dat aan de pampa’s grenst? Misschien. Bij het zien van deze woeste kust, die slechts weinig schijnt bezocht te worden, zou ik het haast zelf gaan gelooven. In dat geval, zou het kunnen zijn dat we vrij ver van het dichtstbij zijnde dorp verwijderd waren, ’t geen zeer noodlottig zou zijn.”“Welnu, wat te doen?” herhaalde Mevr. Weldon.“Ik zou raden,” hernam Dick Sand, deze schuilplaats niet te verlaten voor dat we goed omtrent onzen toestand zijn ingelicht. Morgen, na een nacht rust, zouden twee van ons op ontdekking kunnen uitgaan. Zij moeten dan trachten, zonder zich te ver te verwijderen, eenige inlanders te ontmoeten, inlichtingen bij hen in te winnen en daarna naar de grot terugkeeren. Het is niet mogelijk dat men binnen tien of twaalf mijlen niemand zou vinden.”“Zouden we ons van elkander scheiden!” zei Mevr. Weldon.“Dat komt me noodzakelijk voor,” antwoordde de leerling. “Zoo we op deze wijze volstrekt geen inlichtingen kunnen verkrijgen en wat bijna onmogelijk is, de streek geheel verlaten blijkt, welnu! dan zullen we ons best doen om ons op een andere manier uit onze verlegenheid te redden.”“En wie van ons zou op ontdekking uitgaan?” vroeg Mevr. Weldon, na een oogenblik nagedacht te hebben.“Dat zouden we moeten bepalen,” antwoordde Dick Sand. “Evenwel dunkt me, dat u, mevrouw, Jack, mijnheer Benedictus en Nan, deze grot niet moet verlaten.Bat, Hercules, Actéon en Austin zouden dan bij u blijven, terwijl Tom en ik op verkenning zouden gaan.—Negoro zal wel liever hier blijven?” voegdeDickSand er bij, terwijl hij den kok aankeek.“Dat zou wel kunnen zijn,” antwoordde Negoro, die de man niet was om zich verder uit te laten.“We nemen dan Dingo mede,” hernam de leerling. “Hij zou ons op onzen tocht nuttig kunnen zijn.”Toen Dingo zijn naam hoorde noemen, vertoonde hij zich aan den ingang der grot en scheen door een zacht geblaf de plannen van Dick Sand goed te keuren.Sedert de leerling dit voorstel gedaan had, bleef Mevr. Weldon in gedachten verdiept. Met tegenzin dacht zij aan een scheiding, hoe kort dan ook. Was het niet mogelijk dat de schipbreuk van denPelgrimbij de Indiaansche stammen die de kust, hetzij ten noorden hetzij ten zuiden bezochten, bekend werd, en was het, ingeval er strandroovers opdaagden, niet beter dat allen vereenigd waren om hen terug te dringen.Deze tegenwerping tegen het voorstel van Dick Sand, verdiende werkelijk wel overwogen te worden.Zij viel evenwel voor zijn bewijsgronden, daar hij deed opmerken dat de Indianen niet verward moesten worden met de wilden van Afrika of Polynesië en dat een aanval van hun zijde waarschijnlijk niet te vreezen was. Maar dit land binnen te dringen zonder zelfs te weten tot welke provincie van Zuid Amerika het behoorde, noch op welken afstand zich het naaste dorp dezer provincie bevond, zou een hoogstvermoeiende taak geweest zijn. De scheiding kon weliswaar met ongelegenheden gepaard gaan, maar minder dan een tocht te ondernemen door een bosch dat zich scheen uit te strekken tot den voet der bergen.“Ook,” herhaalde Dick Sand, aandringende, “kan ik niet gelooven dat deze scheiding van langen duur zal zijn, en ik durf wel zeggen dat zij het niet zal zijn. Als Tom en ik na twee dagen op zijn hoogst geen woning of geen bewoner ontmoet hebben, keeren we naar de grot terug. Maar dat zou al te onwaarschijnlijk zijn en we zullen geen twintig mijlen in het binnenland afgelegd hebben, of we zullen met de geographische ligging bekend zijn. ’t Is mogelijk dat ik me vergist heb, omdat de middelen om de ligging astronomisch te bepalen me ontbroken hebben, zoodat het niet onmogelijk is, dat we op een hoogere of een lagere breedte zijn.””’k Moet je gelijk geven, mijn kind!” antwoordde Mevr. Weldon, die zich zeer ongerust maakte.“En u, mijnheer Benedict,” vroeg Dick Sand, “wat dunkt u van dit plan?” “Ik?....” antwoordde neef Benedictus.“Ja, hoe zoudt u er over denken?”“Ik kan geen raad geven,” antwoordde neef Benedictus. “Ik vind alles goed wat men voorstelt en ik zal alles doen wat men wil. ’t Zou me heel goed bevallen hier een paar dagen te blijven, dan kon ik dien tijd besteden om dit strand uit een zuiver entomologisch oogpunt te bestudeeren.”“Doe dan zoo als ge wilt,” zei Mevr. Weldon tot Dick Sand. “Wij zullen hier blijven en gij zult met den ouden Tom vertrekken.”“Dat is dus afgesproken,” zei neef Benedictus met de grootste bedaardheid. “Ik ga een bezoek aan de insecten van het land brengen.”“Verwijder u niet te ver, mijnheer Benedict,” zei de leerling. “We kunnen u dat niet genoeg op het hart drukken!”“Maak je maar niet ongerust, mijn jongen.”“En breng ons vooral maar niet te veel muskieten mee!” voegde de oude Tom er bij.Eenige minuten later verliet de entomoloog de grot, met zijn kostbare blikkenbus aan een band over den schouder.Bijna op hetzelfde oogenblik verliet ook Negoro de grot. Het scheen zoo in het karakter van den man te liggen zich met niemand af te geven dan met zich zelven. Maar terwijl neef Benedictus de steile kust beklom, om den rand van het bosch te gaan doorsnuffelen, verwijderde Negoro zich, naar de rivier terugkeerende, met langzame schreden en verdween hij terwijl hij den steilen waterkant voor de tweede maal beklom.Jack bleef altijd door slapen. Mevr. Weldon liet hem op den schoot van Nan en daalde naar het strand af. Dick Sand volgde haar met zijn kameraden. Zij wilden zich vergewissen of de toekomst der zee zou toelaten zich naar den romp van denPelgrimte begeven, alwaar zich nog een menigte voorwerpen bevonden die de kleine troep kon gebruiken.De klippen waarop de schoenerbrik gestrand was, lagen nu droog. Temidden van overblijfselen van allerlei aard vertoonde zich de romp van het vaartuig, gedeeltelijk overdekt door de hooge zee. Dit wekte wel eenigszins de bevreemding op van Dick Sand, want hij wist dat de vloed op de Amerikaansche kust van de Stille Zuidzee niet hoog is. Maar dit verschijnsel liet zich toch ook zeer goed verklaren door den wind die op de kust stond.Het terugzien van hun vaartuig maakte op Mevr. Weldon en haar metgezellen een pijnlijken indruk. Daar hadden zij te zamen zoovele dagen in lief en leed doorgebracht! Het gezicht van dat arme schip, half gebroken, zonder mast en zeilen, op zijde liggende als een wezen van het leven beroofd, deed hun smartelijk aan.Maar voordat de zee dien romp geheel zou verzwelgen, moest men hem bezoeken.Dick Sand en de negers konden zich gemakkelijk in het ruim laten afzakken, na zich door middel van de touwen, die langs de zijde van dePelgrimhingen op het dek geheschen te hebben. Terwijl Tom, Hercules, Bat en Austin zich bezighielden met alles uit de kombuis te halen wat hun nuttig kon zijn, zoowel spijzen als dranken, drong de leerling in de kerk door. Den hemel zij dank was het water nog niet in dit gedeelte van het vaartuig binnengedrongen, daar het achterschip na de branding boven was gebleven.Daar vond Dick Sand vier geweren in goeden staat—uitmuntende remmingtons,—alsmede een honderdtal patronen. Dit was voldoende om zijn kleinen troep te wapenen en hen in staat de stellen weerstand te bieden, indien zij onverhoopt onder weg door Indianen werden aangevallen.De leerling verzuimde ook niet een zakkompas mede te nemen; maar de scheepskaarten, in een hut van de voorplecht geborgen en door het water beschadigd, waren nutteloos.Ook bevonden er zich in het arsenaal van dePelgrim, eenige van die stevige houwers of hartsvangers die dienen om den walvisch in stukken te hakken. Dick Sand koos er zes uit, die bestemd waren om de bewapening zijner metgezellen volledig te maken, en hij vergat ook niet een onschadelijk kindergeweer mede te nemen dat den kleinen Jack toebehoorde.Wat de overige voorwerpen betreft, die het schip nog bevatte, zij lagen hier en daar verspreid, of zij konden niet meer dienen. Bovendien was het niet noodig zich zoo zwaar te belasten voor de weinige dagen dat de reis zou duren. Van levensmiddelen, wapenen, ammunutie, was men meer dan voorzien. Evenwel verzuimde Dick Sand, op raad van Mevr. Weldon, niet om al het geld mede te nemen dat zich aan boord bevond,—ongeveer vijfhonderd dollars.Het was waarlijk niet veel! Mevr. Weldon had een veel grootere som in haar bezit gehad, maar men vond ze niet terug.Wie anders dan Negoro had gezorgd de eerste bezoeker van het schip te zijn en wie anders dan hij had den geldvoorraad van kapitein Hull en van Mevr. Weldon geplunderd? Niemand anders dan hij kon verdacht worden. Toch twijfelde Dick Sand een oogenblik. Wat hij van hem wist en opmerkte was wel geschikt om dit sombere karakter, wien het leed van anderen een glimlach kon afpersen, te vreezen! Ja, Negoro was een slecht mensch, maar mocht men daaruit besluiten dat hij een misdadiger was? Zoover kon Dick Sand met zijn rechtschapen karakter niet gaan. En toch, kon men vermoeden op iemand anders hebben? Neen, de brave negershadden geen oogenblik de grot verlaten, terwijl Negoro over het strand had loopen dwalen. Hij alleen moest de schuldige zijn. Dick Sand besloot dus Negoro te ondervragen en des noods zijn zakken te laten doorzoeken, zoodra hij terugkwam. Hij wilde met zekerheid weten waaraan zich te houden.De zon neigde toen ter kim. Op dezen datum, had zij den aequator nog niet overschreden om warmte en licht in het noordelijk halfrond te verspreiden, maar zij naderde den evenaar. Zij viel dus bijna loodrecht op die cirkelvormige lijn waar zee en lucht ineenliepen,—’t geen den leerling in het denkbeeld versterkte dat hij aangeland was op een punt van de kust, tusschen den Steenbokskeerkring en den evenaar.Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug om eenige uren rust te genieten.“De nacht zal onstuimig zijn,” deed Tom opmerken terwijl hij naar den horizon wees, door dikke wolken verduisterd.“Ja,” antwoordde Dick Sand, “er zal een stevige koelte waaien. Maar wat doet het er nu toe! Ons arm schip is verloren en de storm kan ons niet meer deren!”“Gods wil geschiede!” zei Mevr. Weldon.Men kwam overeen dat de negers in dezen nacht, die zeer donker zou zijn beurt om beurt aan den ingang der grot de wacht zouden houden. Daarenboven kon men zich veilig op de waakzaamheid van Dingo verlaten.Men bemerkte toen dat neef Benedictus, nog niet terug was.Hercules riep hem met alle kracht zijner machtige longen, en bijna onmiddellijk daarop zag men den entomoloog haastig den steilen oever afklimmen, op gevaar af zich den nek te breken.Neef Benedictus was woedend. Hij had geen enkel nieuw insect in het bosch gevonden, neen, geen enkel dat waard was in zijn verzameling te prijken!Schorpioenen, duizendpooten en andere myriapoden, zooveel men maar wilde en zelfs nog meer! En men weet dat neef Benedictus niet bijzonder ingenomen was met de myriapoden.”’t Was wel de moeite waard,” voegde hij er bij, “vijf of zes duizend mijlen te hebben afgelegd, vreeselijke stormen getrotseerd te hebben, op de kust geworpen te zijn, en dan geen enkele van die Amerikaansche hexapoden te vinden, die den roem uitmaken van een entymoloogsch museum! ’t Was waarlijk wel de moeite waard!”Tot besluit vroeg neef Benedictus, om maar verder te gaan. Hij wilde geen uur langer op die ellendige kust blijven.Mevr. Weldon trachtte haar groot kind tot bedaren te brengen. Zij gaf hem de hoop dat hij den volgenden dag gelukkiger zou zijn, waarna allen zich in de grot begaven om er tot zonsopgang te slapen, toen Tom de opmerking maakte dat Negoro niet teruggekeerd was, hoewel de nacht reeds was aangebroken.“Waar zou hij zijn?” vroeg Mevr. Weldon.“Wat scheelt het ons!” zei Bat.“Het scheelt ons integendeel veel,” antwoordde Mevr. Weldon.“’k Had liever dat die man bij ons was.”“U hebt gelijk, mevrouw Weldon,” zei Dick Sand; “maar, zoo hij uit eigen beweging stil uit ons gezelschap verdwenen is, zie ik niet in hoe we hem zouden kunnen dwingen om weer bij ons te komen! Wie weet of hij geen reden heeft ons gezelschap voor altoos te mijden!”En zoo, dat de anderen hem niet hooren konden, deelde Dick Sand haar zijn vermoeden mede. Het verwonderde hem niet van haar te hooren dat ook zij hem verdacht had. Alleen verschilden zij in één punt.“Als Negoro terugkomt,” zei Mevr. Weldon, “zal hij zijn diefstal op een veilige plaats geborgen hebben. Mij dunkt, daar we hem toch niet kunnen overtuigen, zal het beste zijn, hem ons vermoeden verborgen te houden en hem daardoor in den waan te brengen dat we zijn dupes zijn.”Mevr. Weldon had gelijk. Dick Sand stemde dan ook geheel met haar in.Evenwel riep men Negoro herhaaldelijk naar alle kanten.... Hij antwoordde niet. Of hij was reeds te ver om te hooren of hij wilde niet terugkeeren.De zwarten waren er niet rouwig om dat zij van zijn tegenwoordigheid verlost waren, maar zooals Mevr. Weldon terecht gezegd had, hij was misschiennog meer in de verte dan dichtbij te vreezen! Maar hoe te verklaren dat Negoro zich geheel alleen in dat onbekende land ging wagen? Was hij misschien verdwaald, en trachtte hij in dien donkeren nacht te vergeefs den weg naar de grot te vinden?Mevr. Weldon en Dick Sand wisten niet wat zij denken moesten. Hoe het zij, men mocht, om op Negoro te wachten, zich niet van de rust berooven die allen zoo noodig hadden.Op dit oogenblik begon de hond die op het strand liep, met kracht te blaffen.“Wat scheelt Dingo toch?” vroeg Mevr. Weldon.“We moeten het volstrekt weten,” antwoordde de leerling. “Misschien is het Negoro wel!”Onmiddellijk begaven Hercules, Bat Austin en Dick Sand zich naar de monding der rivier.Maar toen zij aan den oever kwamen, zagen en hoorden zij niets. Dingo zweeg nu.Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug.De slaapgelegenheden werden zoo goed mogelijk ingericht.De zwarten maakten zich gereed om beurtelings buiten te waken.Maar Mevr. Weldon was ongerust en kon niet slapen. Het land waarnaar zij zoo vurig verlangde, gaf haar tot nog toe niet wat zij gehoopt had, veiligheid voor de haren en rust voor haar zelf.Vijftiende hoofdstuk.Harris.Den volgenden morgen, 7 April, zag Austin, die met het krieken van den dag de wacht hield, Dingo blaffende naar het kleine riviertje snellen. Bijna op hetzelfde oogenblik traden Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers uit de grot te voorschijn.Het leed geen twijfel of er was iets gaande.“Dingo heeft een levend wezen geroken, een mensch of een beest,” zei de leerling.“In alle geval is het Negoro niet,” deed Tom opmerken, “want dan zou Dingo woedend blaffen.”“Als het Negoro niet is, waar zou hij dan toch kunnen zijn?” vroeg Mevr. Weldon, terwijl zij een blik naar Dick Sand wierp die alleen door haar begrepen werd, “en als hij het niet is, wie is het dan?”“Wij zullen het spoedig weten, Mevr. Weldon,” antwoordde de leerling.Daarna, zich tot Bat, Austin en Hercules wendende:“Wapent u, vrienden, en komt mee!”De negers namen ieder een geweer en een hartsvanger, evenals Dick Sand gedaan had. Na de geweren geladen te hebben, richtten allen zich naar den oever der rivier.Mevr. Weldon, Tom en Actéon bleven bij den ingang der grot, waar de kleine Jack en Nan zich nog bevonden.De zon kwam op. Haar stralen, die door de hooge bergen van het oosten werden opgevangen, kwamen niet rechtstreeks tot het strand; maar tot den westelijken horizon, zoover het oog reikte, schitterde de zee onder het eerste licht van den dag.Dick Sand en zijn metgezellen hielden het midden van het strand welks kromming zich met de monding der rivier vereenigde.Daar zagen zij Dingo onbeweeglijk als een staande hond, steeds blaffende. Blijkbaar zag of rook hij een inboorling.En werkelijk had de hond het dezen keer niet tegen Negoro, zijn vijand aan boord.Van achter den laatsten hoek van den rotsachtigen oever kwam een man te voorschijn. Hij naderde voorzichtig en trachtte door vriendelijke gebaren Dingo te doen bedaren. Men kon zien dat hij volstrekt niet onverschillig was voor den toorn van het krachtige dier.”’t Is Negoro niet!” zeide Hercules.“We verliezen niets met den ruil!” antwoordde Bat.“Neen,” zei de leerling, “’t Is waarschijnlijk een inboorling die ons het onaangename van onze scheiding zal besparen. Eindelijk zullen we dan toch eens te weten komen waar we juist zijn!”En alle vier wierpen hun geweer op den schouder en liepen snel op den vreemdeling toe.Toen deze hen zag naderen gaf hij in ’t eerst teekenen van de grootste verbazing. Ongetwijfeld verwachtte hij geenvreemdelingen op dit gedeelte van de kust te ontmoeten. Blijkbaar ook had hij het wrak van dePelgrimnog niet opgemerkt, want anders had hij de tegenwoordigheid van schipbreukelingen zeer natuurlijk gevonden. Trouwens had ook de branding gedurende den nacht den romp van het schip geheel vernietigd en bleef er niets anders van over dan wrakhout dat naar volle zee wegdreef.Toen de onbekende de vier gewapende mannen naar zich zag toe komen, maakte hij in het eerste oogenblik een beweging om terug te keeren. Hij droeg een geweer aan een riem tegen den schouder en liet het snel van zijn schouder in zijn hand en uit zijn hand weder tegen zijn schouder overgaan. Men begrijpt licht dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.Dick Sand maakte een gebaar van begroeting, dat de vreemdeling zeker begreep, want na eenige aarzeling, deed hij eenige stappen voorwaarts.Dick Sand kon hem toen goed opnemen.Het was een krachtig gebouwd man van hoogstens veertig jaar, met een levendig oog, grijzende haren en baard, een verweerde gelaatskleur als van iemand die altijd in de open lucht, in de bosschen of op de vlakte gezworven heeft. Een soort van kiel van gelooid leder diende hem voor buis of jas, een breedgerande hoed bedekte zijn hoofd, leeren laarzen reikten hem tot boven de knie en sporen met groote wieltjes weerklonken aan de hooge hielen.Dick Sand zag dadelijk, ’t geen ook werkelijk het geval was, dat hij niet een van die Indianen, gewone zwervers der pampa’s, voor zich had, maar een van die avonturiers van vreemd bloed, gewoonlijk niet veel bijzonders, die men menigmaal in verafgelegen streken ontmoet. Het scheen zelfs, aan zijn stijve houding, aan de roodachtige kleur van eenige baardharen dat deze onbekende van anglo-saxische oorsprong moest zijn. In dat geval was hij noch Indiaan, noch Spanjaard.En dat bleek werkelijk zoo te zijn, toen hij Dick Sand, die hem in ’t Engelsch zei “wees welkom!” in dezelfde taal zonder eenig vreemd accent antwoordde.“Wees ook gij welkom, jonge vriend,” zei de onbekende, naar den leerling toekomende, wiens hand hij drukte.Wat de zwarten aangaat, vergenoegde hij zich met hun een gebaar te maken, zonder het woord tot hen te richten.“Zijt gij Engelschen?” vroeg hij den leerling.“Amerikanen,” antwoordde Dick Sand.“Van het Zuiden?”“Van het Noorden.”Dit antwoord scheen den onbekende te bevallen, die de hand van den jongeling nog krachtiger en ditmaal goed op zijn Amerikaansch schudde.“En mag ik weten jonge vriend,” vroeg hij, “hoe ge u op deze kust bevindt?”Maar op dit oogenblik, nam de onbekende den hoed af en groette, zonder te wachten dat de leerling zijn vraag beantwoord had.Mevr. Weldon was tot aan den oever genaderd en stond toen tegenover hem.Zij was het die zijn vraag beantwoordde.“Mijnheer,” zeide zij, “we zijn schipbreukelingen wier schip gisteren op die klippen verbrijzeld is!”Een gevoel van medelijden was duidelijk op het gelaat van den onbekende te lezen, wiens blikken het vaartuig zochten dat op het strand was gezet.“Er is niets meer van ons schip overgebleven!” voegde de leerling er bij. “De branding heeft het van nacht geheel vernield.”“En onze eerste vraag,” hernam Mevr. Weldon, “zal zijn waar we ons bevinden.”“Maar weet u dan niet dat dit de kust van Zuid-Amerika is?” antwoordde de onbekende, die verwonderd scheen over de vraag. “Hadt u eenigen twijfel hieromtrent?”“Ja, mijnheer, want de stroom heeft ons van onzen weg doen afwijken, dien ik niet met de noodige juistheid heb kunnen opnemen,” antwoordde Dick Sand. “Maar ’k wilde nog wel wat nauwkeuriger weten waar we zijn. Zijn we niet op de kust van Peru?”“Neen, mijn jonge vriend, neen! Een beetje zuidelijker. Ge hebt op de Boliviaansche kust schipbreuk geleden.”“O!” was de verbaasde uitroep van Dick Sand.“En nog wel op dat zuidelijk gedeelte van Bolivia dat aan Chili grenst.”“En welke kaap is dat dan?” vroeg Dick Sand, op het noordelijk voorgebergte wijzende.“Ik kan er u den naam niet van zeggen,”antwoordde de onbekende, “want al ken ik het binnenland vrij goed, omdat ik het zoo dikwijls doorkruist heb, zoo bezoek ik voor de eerste maal dit strand.”Dick Sand dacht na over ’t geen hij van den vreemdeling vernam. Het verwonderde hem maar half, want zijn berekening had hem kunnen en moeten bedriegen, wat de stroomen betrof; maar toch was de vergissing niet onbelangrijk. Hij meende zich toch te bevinden ongeveer tusschen de zeven endertigsteen dertigste parallel, volgens zijn verkenning van het Paasch-eiland, en op de hoogte van de vijf-en-twintigste parallel was hij gestrand. Het was volstrekt niet onmogelijk dat dePelgrimop zulk een lange reis betrekkelijk zoo weinig ter zijde was afgedreven.Bovendien hadden zij volstrekt geen reden om de mededeelingen van den onbekende in twijfel te trekken, en daar deze kust die van Beneden-Bolivia was, was er niets vreemds in gelegen dat zij zoo verlaten was.“Mijnheer,” zei toen Dick Sand, “ik moet uit uw antwoord besluiten dat we hier vrij ver van Lima af zijn.”“Ohé! Lima ligt ver.... daarheen! in het noorden!”Mevr. Weldon die eerst vrij wantrouwig was, wegens de verdwijning van Negoro, nam den vreemdeling met de grootste attentie op, maar zij kon noch in zijn houding, noch in zijn wijze om zich uit te drukken, iets ontdekken, dat zijn goede trouw kon doen betwijfelen.“Mijnheer,” zeide zij, “ik hoop niet dat u mijn vraag indiscreet zal voorkomen.... u schijnt niet van Peruviaanschen oorsprong te zijn?”“Ik ben een Amerikaan zooals u, mevrouw....!” zeide de onbekende, die een oogenblik wachtte totdat de Amerikaansche hem haar naam deed kennen.“Mevrouw Weldon,” antwoordde deze.“Mijn naam is Harris, en ik ben geboren in Zuid-Carolina. Maar ’t zal nu twintig jaar geleden zijn dat ik mijn land verliet, om naar de pampa’s van Bolivia te gaan, en het doet me genoegen landgenooten te ontmoeten.”“Bewoont u dit gedeelte der provincie, mijnheer Harris?” vroeg Mevr. Weldon.“Neen, mevrouw Weldon,” antwoordde Harris, “ik woon in het Zuiden op de Chiliaansche grens, maar, op dit oogenblik ga ik naar Atacama, in het noord-oosten.”“Zijn we dan hier op den rand van de woestijn van dien naam?” vroeg Dick Sand.“Juist, mijn jonge vriend, en deze woestijn strekt zich ver aan de andere zijde der bergen uit die zich aan den horizon vertoonen.”“De woestijn van Atacama?” herhaalde Dick Sand.“Ja,”antwoordde Harris. “Deze woestijn is zooveel als een land op zich zelf in dit uitgestrekte Zuid-Amerika, waarvan het toch in vele opzichten verschilt. Het is tegelijk het belangrijkste en het minst bekende gedeelte van dit vasteland.”“En reist u er alleen naar toe?” vroeg Mevr. Weldon.“O! ’t Is niet de eerste keer dat ik die reis maak!” antwoordde de Amerikaan. “Er is op tweehonderd mijlen van hier een aanzienlijke hoeve, de hacienda van San-Felice, die het eigendom is van een mijner broeders, naar wien ik mij voor mijn handel begeef. Als u met mij wilt gaan, zult u er goed ontvangen worden, en de middelen van vervoer om naar Atacama te reizen, zullen u daar niet ontbreken. Mijn broeder zal ze u met genoegen verschaffen.”Dit aanbod uit eigen beweging gedaan, nam Mevr. Weldon zeer voor den Amerikaan in, die zich nu tot haar richtte met de vraag:“Zijn deze negers uw slaven?”En hij wees op Tom en zijn kameraden.“We hebben geen slaven meer in de Vereenigde Staten,” antwoordde Mevr. Weldon. “Het Noorden heeft sedert lang de slavernij afgeschaft, en het Zuiden heeft het voorbeeld van het Noorden wel moeten volgen!”“Dat’s waar ook,” antwoordde Harris. “Ik had vergeten dat de oorlog van 1862 die ernstige vraag beslist heeft.—Ik hoop dat die brave menschen ’t me zullen vergeven,” voegde Harris er bij met een zweem van spotternij die een Amerikaan uit het Zuiden, tegen negers sprekende, altijd laat doorschemeren. “Maar toen ik die heeren inuw dienst zag, dacht ik....”“Ze zijn niet en waren niet in mijn dienst, mijnheer,” antwoordde Mevr. Weldon ernstig.“We zouden ons vereerd gevoelen u te dienen, mevrouw Weldon,” zei toen de oude Tom. “Maar, mijnheer Harris moet weten dat we aan niemand toebehooren. Ik ben slaaf geweest, ’t is waar en werd als slaaf in Afrika verkocht toen ik nog maar zes jaar oud was, maar mijn zoon Bat, die daar staat, is de zoon van een vrijgemaakten vader en onze kameraden zijn allen uit vrije ouders geboren.”“Ik moet er u wel zeer geluk mee wenschen!” antwoordde Harris op een toon dien Mevr. Weldon niet ernstig genoeg vond. “Ook op dezen grond van Bolivia hebben we geen slaven. Ge hebt dus niets te vreezen en ge kunt even vrij hier rondwandelen als in de Staten van Nieuw-Engeland.”Op dit oogenblik kwam de kleine Jack, gevolgd door Nan, de grot uit, zich de oogen wrijvende.Toen hij zijn moeder in ’t oog kreeg, liep hij naar haar toe. Mevr. Weldon omhelsde hem teeder.“Wat een aardige, kleine jongen!” zei de Amerikaan.“Dat’s mijn zoon,” antwoordde Mevr. Weldon.“O! mevrouw Weldon, u moet u dubbel ongerust gemaakt hebben, nu uw kind in al uw gevaren deelde!”“God heeft hem gespaard, zoowel als ons, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon.“Mag ik hem een kus op zijn gezonde wangen geven?” vroeg Harris.“Gaarne,” antwoordde Mevr. Weldon.Maar “mijnheer Harris” scheen den kleinen Jack niet bijzonder te bevallen, want hij drukte zich nog vaster tegen zijn moeder aan.“Wat!” zei Harris, “wil je niet dat ik je kus! Ben je bang voor me, mannetje?”“Neem ’t hem niet kwalijk, mijnheer,” haastte zich Mevr. Weldon te zeggen, “’t Is niets anders dan verlegenheid van hem.”“Nu, we zullen wel nader kennismaken!” antwoordde Harris. “Als we maar eens op de hacienda zijn en hij een mooien pony van me krijgt om op te rijden, zal hij wel veel van me houden!“Maar het aanbod van den ‘mooien pony’ was evenmin geschikt om Jack te streelen als het voorstel om zich door mijnheer Harris te laten kussen.”Mevr. Weldon, die het hinderde dat Jack zoo onaardig was, haastte zich het gesprek op iets anders te brengen Men moest oppassen den man niet te kwetsen, die zoo beleefd zijn diensten had aangeboden.Dick Sand dacht intusschen over het voorstel na, dat hun zoo ter rechter tijd gedaan werd, om de hacienda van San-Felice te bereiken. Het was, zooals Harris gezegd had, een tocht van meer dan twee honderd mijlen, nu eens door bosschen, dan weder door vlakten, een zeer vermoeiende reis ongetwijfeld, omdat de middelen van vervoer volstrekt ontbraken.De jeugdige leerling maakte dus eenige opmerkingen in dit opzicht en wachtte het antwoord af dat de Amerikaan hierop zou geven.”’t Is waar, de reis is wat lang,” antwoordde Harris, “maar ’k heb daar op een honderd of wat schreden van den oever een paard dat ik ter beschikking van mevrouw Weldon en haar zoon wilde stellen. Wat ons betreft, voor ons is er niets bezwarends en zelfs niet veel vermoeiends in gelegen den weg te voet af te leggen en als ik van twee honderd mijlen spreek, wil ik daarmede zeggen door den loop dezer rivier te volgen, zooals ik ’t al eens gedaan heb. Maar, als we onzen weg dwars door het bosch namen, zou dit den afstand minstens tachtig mijlen verkorten. Als we dan tien mijlen per dag maakten, dunkt me dat we de hacienda zonder veel moeite zouden bereiken.”

1Ongeveer 166 kilometers.

1Ongeveer 166 kilometers.

Intusschen zou het vertrouwen, dat Dick Sand als bij instinct bezielde, gedeeltelijk gerechtvaardigd worden.

Den volgenden dag, 27 Maart, ging de kwikkolom in de barometerbuis aan het rijzen. De schommeling had niet plotseling plaats en was ook niet belangrijk, eenige strepen slechts, maar de rijzing scheen te zullen aanhouden. De storm ging blijkbaar in het tijdperk van afneming over, en, mocht de zee nog buitengewoon onstuimig blijven, toch kon men zich overtuigen dat de wind afnam.

Dick Sand kon er nog niet aan denken zeilen aan te slaan. Het kleinste zeil ware weggerukt geworden. Evenwel hoopte hij dat er geen vier-en-twintig uur zouden verloopen zonder dat hem mogelijk was een stormzeil bij te zetten.

En werkelijk ging de wind ’s nachts vrij belangrijk liggen, vooral als men hem vergeleek met ’t geen hij tot nog toe geweest was, en nu ook had het schip minder van het vreeselijke slingeren te lijden, dat vroeger dreigde het te vernielen.

De passagiers begonnen zich weder op het dek te vertoonen. Zij liepen geen gevaar meer door de stortzee medegevoerd te worden.

Mevr. Weldon verliet het eerst de kerk waar Dick Sand haar uit voorzichtigheid gedwongen had zich den geheelen duur van den storm op te sluiten. Zij kwam eens praten met den leerling, dien een waarlijk bovenmenschelijke geestkracht het vermogen geschonken had zoovele vermoeienissen te weerstaan. Vermagerd, verweerd en bleek van gelaat, had hij verzwakt moeten zijn door het gemis aan den voor zijn leeftijd zoo noodigen slaap! Neen! zijn krachtige natuur weerstond alles. Eenmaal misschien zou hij dit tijdperk van beproevingen duur moeten betalen! Maar het was de tijd niet zich te laten ontmoedigen. Dick Sand had dit alles reeds bij zich zelven nagegaan en Mevr. Weldon vond hem sterker en moediger dan ooit.

En daarenboven bezat de moedige Dick een hoedanigheid die, in moeielijke omstandigheden des levens bergen verzet, hij had vertrouwen.

“Dick, mijn kind, mijn kapitein!” zei Mevr. Weldon hem de hand reikende.

”’k Moet u zeggen, mevrouw Weldon,” riep Dick Sand glimlachend uit, “u komt de bevelen van uw kapitein niet na! U komt weer op het dek, u verlaat uw kajuit in weerwil van zijn.... verzoek!”

“Ja, ’k ben je ongehoorzaam,” antwoordde Mevr. Weldon; “maar ’k heb als een voorgevoel dat de storm bedaart of zal bedaren!”

“Hij bedaart werkelijk, mevrouw Weldon,” antwoordde de leerling. “U bedriegt u niet! De barometer is sedert gisteren niet gedaald. De wind is niet zoo hevig meer, en ’k heb alle reden te gelooven dat onze ergste beproevingen voorbij zijn.”

“God geve het, Dick! Wat heb je geleden, arm kind! Je hebt....”

“Niets dan mijn plicht gedaan, mevrouw Weldon.”

“Maar zou je nu niet wat rust gaan nemen?”

“Rust!” antwoordde de leerling. “’k Heb geen rust noodig, mevrouw Weldon! ’k Gevoel me zeer wel. Goddank,en ’k moet tot het einde toe volhouden! U hebt me den kapitein genoemd, ’k zal kapitein blijven tot het oogenblik dat al de passagiers van denPelgrimbehouden zijn.”

“Dick,” hernam Mevr. Weldon, “mijn man en ik, we zullen nooit vergeten, wat je gedaan hebt.”

“God heeft alles gedaan,” antwoordde Dick Sand “alles.”

“Mijn kind, ’k zeg nog eens dat je door je zedelijken en lichamelijken moed je als een man gedragen hebt, als een man waard om het commando te voeren, en spoedig, zoodra je studies geëindigd zijn,—’k weet zeker dat mijn man geheel met mij zal instemmen,—zal je gezagvoerder worden voor het huis James W. Weldon!”

“Ik.... ik!” riep Dick Sand uit, wiens oogen zich met tranen vulden.

“Dick!” antwoordde Mevr. Weldon, “je waart ons aangenomen kind reeds en nu ben je onze zoon, de redder van je moeder en je broertje Jack! Mijn waarde Dick, ’k omhels je voor mijn man en voor mij!”

De moedige vrouw had zich goed willen houden, toen ze Dick aan haar hart drukte, maar ’t was haar niet mogelijk. Doch welke pen zou kunnen beschrijven wat Dick Sand gevoelde! Hij vroeg zich af of hij niet meer kon doen dan zijn leven voor zijn weldoeners opofferen, en hij nam nu reeds al de beproevingen aan, die hem in de toekomst zouden worden opgelegd.

Na dit onderhoud gevoelde Dick Sand zich sterker. Als de wind handelbaarder werd en het hem mogelijk zou zijn een zeil bij te zetten, twijfelde hij geen oogenblik of hij zou zijn schip naar een haven kunnen voeren waar allen die het droeg eindelijk gelukkig zouden zijn.

Toen de wind, den 29n een weinig bedaard was, dacht Dick er over om de fok en het marszeil weder aan te slaan en bij gevolg de snelheid van denPelgrimte bevorderen.

“Komaan, Tom! komaan, mijn vrienden!” riep hij uit, toen hij bij het krieken van den dag aan dek kwam. “Kom! ’k Heb je armen noodig!”

“We zijn gereed, kapitein Sand,” antwoordde Tom.

“Gereed tot alles,” voegde Hercules er bij. “Er was niets te doen, terwijl het zoo stormde en ’k begon me mooi te vervelen!”

“Je hadt moeten blazen met je grooten mond,” zei de kleine Jack. “’k Wed dat je net zoo sterk als de wind geweest waart!”

“Daar zeg je zoo wat, Jack!” antwoordde Dick Sand lachende. “Als er windstilte is, zullen we Hercules in de zeilen laten blazen!”

“Tot je dienst, mijnheer Dick!” antwoordde de brave neger, terwijl hij zijn wangen opblies als een reusachtige Boreas.

“We zullen beginnen, vrienden,” hernam de leerling, “met een waarloos zeil aan te slaan, want ons marszeil is in den storm weggewaaid. ’t Zal misschien wel moeilijk zijn, maar ’t moet gebeuren.”

“Dan zal ’t ook gebeuren!” antwoordde Actéon.

“Kan ik je helpen?” vroeg de kleine Jack.

“Ja, Jack,” antwoordde de leerling. “Ga jij maar naar ’t roer om onzen vriend Bat te helpen sturen.”

Men kon zich voorstellen hoe trotsch Jack was op het vertrouwen door Dick Sand in hem gesteld.

“Nu aan ’t werk,” hernam deze “en laten we ons zoo min mogelijk blootstellen.”

De negers gingen door Dick geleid, dadelijk aan hun moeielijken arbeid. Een marszeil aanslaan was voor Tom en zijn kameraden een moeielijke taak. Men moest eerst het opgerolde zeil naar boven hijschen en het dan aan de ra bevestigen.

Evenwel commandeerde Dick zoo goed en werd zoo goed gehoorzaamd, dat het zeil na verloop van een uur was aangeslagen, de ra geheschen en het marszeil met twee reven behoorlijk bijgezet.

Wat de fok en stagfok betreft, die voor den storm hadden ingenomen kunnen worden, deze zeilen werden vrij gemakkelijk bijgezet, niettegenstaande de kracht van den wind.

Dienzelfden dag, des morgens tien uur, zeilde dePelgrimonder fok, marszeil en stagzeil.

Dick Sand had het niet voorzichtig geoordeeld meer zeilen bij te zetten. De zeilen toch die hij droeg, moesten hem, zoolang de wind niet afnam, een snelheid verzekeren van tweehonderdmijlen minstens per vier-en-twintig uur, en meer was niet noodig om over tien dagen de Amerikaansche kust te bereiken.

De leerling was wezenlijk voldaan, toen hij het roer overnam, na meester Jack, den onderstuurman van denPelgrimbedankt te hebben. Hij behoefde zich nu niet meer op genade aan de golven over te geven. DePelgrimkwam nu werkelijk goed vooruit. Iedereen die maar een weinig met zeezaken bekend is, zal zijn vreugde kunnen begrijpen.

Den volgenden dag jaagden de wolken nog met dezelfde snelheid door het luchtruim, maar zij lieten nu groote openingen tusschen haar over, waar doorheen de zonnestralen de oppervlakte der wateren beschenen. DePelgrimbaadde zich somtijds in dat alles bezielende licht! Dan weder verschool het zich achter een dichte massa dampen in het oosten, maar in het volgende oogenblik verscheen het nogmaals om wederom te verdwijnen, doch het weder werd opnieuw schoon.

De luiken werden geopend om de frische lucht in het inwendige van het schip te laten stroomen, die doordrong tot in het ruim, de achterkajuit en in het verblijf der bemanning. Men hing de nattezeilente drogen en spreidde ze daartoe op het waarloos rondhout uit. Ook werd het dek geschrobd. Dick Sand wilde niet dat zijn schip een haven binnenkwam zonder een weinig toilet te hebben gemaakt. Wilde hij de equipage niet te veel vermoeien, dan konden slechts eenige uren per dag aan dit werk besteed worden.

Alhoewel de leerling niet meer loggen kon, had hij door gewoonte genoeg geleerd de vaart van een schip te schatten om zich nagenoeg rekenschap van zijn snelheid te geven. Hij twijfelde dus niet of hij zou binnen zeven dagen land in ’t gezicht hebben en deze meening deelde hij aan Mevr. Weldon mede, na haar op de kaart de waarschijnlijke positie te hebben aangetoond.

“Welnu! op welk punt van de kust zullen we aankomen, Dick! vroeg zij hem.

“Hier, mevrouw,” antwoordde de leerling, terwijl hij haar de lange kustlijn aanwees, die zich uitstrekt van Peru naar Chili. Ik kan het niet juister aangeven. Dit is het Paasch-eiland, dat wij in het westen hebben laten liggen, en uit de richting van den wind die bestendig geweest is, besluit ik dat wij land in het oosten zullen zien. Er zijn genoeg havens aan de kust, maar ’t is me op dit oogenblik niet mogelijk te zeggen, welke wij het eerst in ’t gezicht zullen krijgen.”

“Welnu, Dick, welke die haven zij, ze zal ons welkom zijn.”

“Welzeker, mevrouw Weldon, en u zult er zeker gelegenheid vinden om spoedig naar San-Francisco terugtekeeren. Er bestaat een Stoomboot-Maatschappij van de Stille Zuidzee, die een zeer goed georganiseerden dienst op deze kust heeft. Haar stoombooten doen de voornaamste punten der kust aan en u zult zeer gemakkelijk met een dezer booten de reis naar Californië kunnen afleggen.”

“Maar is het dan je plan niet denPelgrimnaar San-Francisco te brengen?” vroeg Mevr. Weldon.

“Jawel, mevrouw, na u ontscheept te hebben. Als we ons een officier en een equipage kunnen verschaffen, zullen we onze lading te Valparaiso lossen, zooals kapitein Hull zou gedaan hebben. Daarna zullen we dan naar San-Francisco terugkeeren. Maar dat zou u te lang ophouden, ofschoon ’t me zeer spijten zou afscheid van u te moeten nemen....

“Ja, ja, Dick,” antwoordde Mevr. Weldon. “We zullen later zien, wat ons te doen staat.—Zeg eens, je scheen bang te zijn om aan land te komen?”

”’k Kan dat niet ontkennen,” antwoordde de leerling, “maar ik hoop altijd een vaartuig in deze streken te ontmoeten en ’t verwondert me zeer er nog geen te zien. Zoodra er een passeerde, zouden we ’t praaien, ’t zou ons juist zeggen waar we ons bevinden en dat zou onze landing zeer gemakkelijk maken.”

“Zijn er dan geen loodsen die op deze kust dienst doen?” vroeg Mevr. Weldon.

“Die moeten er wel zijn,” antwoordde Dick Sand, “maar veel dichter bij de kust. We moeten dus steeds voortgaan.”

“En als we nu geen loods ontmoeten,” vroeg Mevr. Weldon, die volstrekt wilde weten hoe de leerling al die moeilijkheden dacht te boven te komen.

“In dat geval, mevrouw, als het weer goed en de wind kalm blijft, zal ik trachten dicht genoeg bij de kust tehouden om er een schuilplaats te zoeken, maar als de wind opsteekt, dan....”

“Dan?.... Wat zal je dan doen, Dick?”

“Dan,” antwoordde Dick Sand, “zal ’t in den toestand waarin dePelgrimverkeert, eenmaal aan lager wal geraakt, zeer moeielijk zijn hem weer in volle zee te brengen!”

“Wat zal je dan doen?” herhaalde Mevr. Weldon.

”’k Zal dan genoodzaakt zijn mijn schip op het strand te zetten,” antwoordde de leerling, wiens gelaat een oogenblik een droevige uitdrukking aannam. “’t Is waar, ’t is een harde noodzakelijkheid, en Godgevedat het nietzoverzal komen! Maar, ’k zeg u nog eens, mevrouw Weldon, het voorkomen van de lucht is geruststellend en ’t is niet mogelijk dat we geen schip of een loodsvaartuig zouden ontmoeten! Goeden moed dus! We hebben den steven naar de kust gericht en we zullen haar gauw zien!”

Ja, zijn schip op het strand zetten, dat is een uiterste waartoe de flinkste zeeman slechts noode besluit! Ook verbande Dick Sand met geweld de gedachte aan een dergelijke ramp, zoolang er maar eenige kans voor hem was haar te vermijden.

Gedurende eenige dagen waren er in den toestand van den dampkring afwisselingen die de leerling opnieuw zeer ongerust maakten. Steeds bleef er een flinke bries waaien en uit zekere schommeling der kwikkolom was duidelijk op te maken dat de wind nog zou aanwakkeren. Dick Sand dacht er dus niet zonder vrees aan of hij zich niet weer zou genoodzaakt zien voor top en takel te gaan loopen. Hij had er evenwel zulk een groot belang bij althans zijn marszeil te behouden, dat hij besloot het niet te laten bergen, zoolang het geen gevaar liep weg te waaien. Maar om de stevigheid der masten te verzekeren, liet hij want en stagen aanzetten. Bovenal was het zaak de grootste voorzichtigheid in acht te nemen, want hun toestand zou nog erger geworden zijn, indien dePelgrimmasteloos rond had gedreven.

Een paar malen ook moest men, daar de barometer rees, vreezen dat de wind geheel om zou loopen, namelijk dat hij naar het oosten zou gaan. In dat geval zouden zij zoo dicht mogelijk aan den wind moeten houden!

Een nieuwe zorg voor Dick Sand. Wat zou hij met tegenwind gedaan hebben? Laveeren? Maar, zoo hij zich daartoe verplicht zag, welke nieuwe vertraging en hoe licht kon hij dan weder in volle zee teruggeworpen worden?

Deze vrees werd gelukkig niet bewaarheid. De wind bleef, na gedurende eenige dagen gezocht te hebben, nu eens naar het noorden, dan weder naar het zuiden loopende, eindelijk in het westen staan. Maar het was altijd een stijve koelte die in hettuigvan denPelgrimblies.

Het was de 5e April en dus reeds meer dan twee maanden geleden, dat dePelgrimNieuw-Zeeland had verlaten. Twintig dagen achtereen was zijn loop door tegenwind en langdurige windstilte vertraagd. Vervolgens had hij zich in gunstige omstandigheden bevonden om spoedig land te bereiken. Zelfs had zijn snelheid gedurende den storm zeer belangrijk moeten zijn. Dick Sand schatte de gemiddelde vaart op niet minder dan op twee honderd mijlen per dag! Hoe kwam het dan dat men nog altijd geen kust in het gezicht kreeg! Ontvluchtte zij denPelgrim? Het was volkomen onverklaarbaar!

En evenwel werd geen land gezien, hoewel een der negers voortdurend op den uitkijk stond.

Dikwijls begaf Dick Sand zich zelf in het want. Daar trachtte hij dan met den verrekijker iets van bergen te ontdekken. De bergketen der Andes is zeer hoog en het was dus in de wolken dat aan den verren horizont zich te midden der nevelen een top zou voorgedaan hebben.

Meermalen werden Tom en zijn kameraden door valsche teekenen van land misleid. Dampen van vreemde vormen vertoonden zich op den achtergrond. Het gebeurde soms dat de goede menschen halsstarrig bleven volhouden dat zij land zagen, maar na eenigen tijd waren zij dan genoodzaakt te erkennen dat zij de dupes van een gezichtsbedrog geweest waren. Het gewaande land verplaatste zich, veranderde van gedaante en verdween eindelijk geheel.

Maar den 6en April was er eindelijk geen twijfel mogelijk. Het was acht uur ’s morgens. Dick Sand was zoo evenin het want geklommen. In dit oogenblik verdichtten de nevelen zich onder de eerste stralen der zon en klaarde de horizont geheel op.

Eindelijk deed Dick Sand den reeds zoo dikwijls geuiten kreet hooren:

“Land! land! vlak voor den boeg!”

Bij dezen kreet liep iedereen op het dek, zoowel de kleine Jack, nieuwsgierig als men op dien leeftijd is, Mevr. Weldon, wier beproevingen met de landing zouden ophouden, Tom en zijn kameraden, die eindelijk het Amerikaansche vasteland weder zouden betreden, en zelfs neef Benedictus, die hoopte een rijke verzameling nieuwe insecten bijeen te garen.

Alleen Negoro verscheen niet.

Iedereen zag toen wat Dick Sand gezien had, deze zeer duidelijk, gene stellig meenende dat zij het zagen. Maar voor den leerling die zoo gewoon was den horizont waar te nemen, was er geen dwaling mogelijk en een uur later bleek het dat hij zich niet bedrogen had.

Op een afstand van ongeveer vier mijlen strekte zich een vrij lage kust uit of althans iets dat zich als zoodanig voordeed. Op den achtergrond moest zich de hooge keten der Andes vertoonen, maar een wolkensluier belette er de toppen van te zien.

DePelgrimliep rechtstreeks en snel op deze kust toe, die zich zienderoog verder uitstrekte.

Twee uur later was hij er nog slechts drie mijlen van verwijderd.

Dit gedeelte van de kust liep in het noord-oosten uit in een vrij hooge kaap, die een soort van open ree verborg. In het Zuid-oosten daarentegen, verlengde zij zich tot een smalle landtong.

Eenige boomen bekroonden een reeks van niet zeer verheven rotsachtige steilten, die zich scherp tegen den hemel afteekenden. Maar op het geografisch karakter van het land was het duidelijk, dat de achtergrond gevormd werd door de hooge bergketen der Andes.

Overigens was er geen woning, geen haven, geen riviermonding in ’t gezicht die aan een vaartuig tot schuilplaats had kunnen dienen.

Op dit oogenblik liep dePelgrimrechtstreeks op het land toe.

Met het kleine aantal zeilen waarover hij nu beschikken kon en den wind op de kust, was het Dick Sand onmogelijk hem er af te houden.

Vooraan liep een lange lijn klippen waartegen de hoog opbruisende golven braken en een eind weegs het strand op, wit schuimend uiteenspatten. Er moest daar een geduchte branding zijn.

Dick Sand, die eenigen tijd op den bak gebleven was om de kust te observeeren, kwam op het achterschip terug en nam het roer weder in handen.

De wind wakkerde steeds aan. De schoenerbrik bevond zich weldra nog slechts een mijl van het strand af.

Dick Sand merkte toen een soort van kleine baai op waarin hij besloot binnen te loopen; maar vóór haar te bereiken moest hij de lijn van klippen door, waartusschen het moeielijk zou geweest zijn een doortocht te vinden. De branding toonde aan dat het water overal ontbrak.

Op dit oogenblik sprong Dingo, die op het dek heen en weder liep, naar voren en deed, met den kop naar de kust gewend, een klaaglijk geblaf hooren. Men zou gezegd hebben dat de hond dit strand herkende en dat zijn instinct hem een smartelijke herinnering in het geheugen terugbracht.

Negoro hoorde het zeker, want een onweerstaanbaar gevoel drong hem buiten de kombuis, en hoewel hij den hond moest vreezen, ging hij bijna dadelijk over de verschansing hangen.

Zeer gelukkig voor hem, merkte Dingo, wiens droevig geblaf steeds tot dat land gericht was, hem niet op.

Negoro scheen zich over de woeste branding volstrekt niet ongerust te maken. Mevr. Weldon, die hem waarnam, meende op te merken dat er zich een lichte blos over zijn gelaat verspreidde en zijn trekken zich een oogenblik samentrokken.

Zou Negoro het punt van het vaste land herkend hebben waar de wind denPelgrimheen dreef?

Op dit oogenblik verliet Dick Sand het roer dat hij aan den ouden Tom overgaf. Een laatste maal nam hij den inham op, die zich allengs opende. Toen, zich tot Mevr. Weldon wendende, sprak hij met vaste stem:

”’k Heb geen hoop meer, Mevrouw een schuilplaats te vinden! Over een half uur zal, niettegenstaande al mijnpogingen, dePelgrimop de klippen stooten. We moeten hem op het strand zetten! Ik zal het schip niet meer naar een haven kunnen brengen! ’k Ben genoodzaakt het op te offeren om u te redden! Maar tusschen uw geluk en het mijne mag ik niet aarzelen!”

“Heb je alles gedaan wat mogelijk was, Dick?” vroeg Mevr. Weldon.

“Alles,” antwoordde de leerling.

Een oogenblik later ging hij over tot de toebereidselen voor de schipbreuk.

Vooreerst werden Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus en Nan met zwemgordels voorzien. Dick Sand, Tom en de andere zwarten, bekwame zwemmers namen eveneens maatregelen om de kust te bereiken, indien zij misschien in zee geworpen werden.

Hercules werd speciaal belast met de zorg voor Mevr. Weldon.

De leerling zou voor den kleinen Jack zorgen. Neef Benedictus, die overigens zeer bedaard was, verscheen op het dek, omhangen met zijn insectendoos. De leerling beval hem aan Bat en Austin aan. Wat Negoro aangaat, zijn zonderlinge bedaardheid deed genoeg zien dat hij van niemand hulp behoefde.

Dick Sand liet, als uiterste voorzorg, een tiental vaten met walvischtraan op den bak brengen.

Deze olie op het juiste oogenblik dat dePelgrimzich in de branding zou bevinden, uitgegoten, moest de zee een oogenblik doen bedaren door de watermolecule glad te maken, hetgeen het passeeren van het schip tusschen de klippen misschien gemakkelijk zoude maken.

Dick Sand wilde niets verzuimen dat misschien het geluk van allen kon verzekeren.

Nadat al deze voorzorgen genomen waren, kwam de leerling zijn plaats aan het roerrad weder innemen.

DePelgrimwas nog slechts twee kabellengten van de kust verwijderd, in de onmiddellijke nabijheid van de klippen. Zijn bakboordszijde baadde reeds in het witte schuim der branding.Elk oogenblik kon de kiel van het vaartuig tegen een verborgen klip stooten.

Eensklaps zag Dick Sand aan een verandering van de kleur van het water, dat er een doorvaart tusschen de klippen liep. Hij moest het vaartuig zonder aarzeling in de opening sturen, om zoo dicht mogelijk bij de kust te stranden.

De leerling aarzelde dan ook niet. Een wending van het roer wierp het schip in de nauwe en bochtige geul.

Op deze plaats was de zee nog onstuimiger en de golven stoven tot op het dek.

De negers waren voor, bij de vaten geposteerd, en wachtten op de orders van den leerling.

“Stort de traan uit!” riep Dick Sand.

Als door tooverij bedaarde de zee onder deze olie, al werd zij in het volgende oogenblik woedender dan ooit.

DePelgrimgleed snel over het gladde water en richtte zich rechtstreeks naar het strand.

Plotseling had er een schok plaats. Het schip werd door een geduchte golf in de hoogte getild en op het strand gezet, terwijl de masten daarbij vielen zonder iemand te verwonden.

De romp van denPelgrim, midden doorgebroken door den schok, werd met geweld door het water overstroomd. Maar het strand was slechts een halve kabellengte verwijderd, en langs een keten van kleine zwartachtige rotsen was het gemakkelijk te bereiken.

Ook waren drie minuten later allen die zich op denPelgrimbevonden, aan den voet van het rotsachtige strand ontscheept.

Na een overtocht dus, langen tijd door windstilte belemmerd, daarna door noord- en zuidwestenwinden begunstigd—een overtocht die niet minder dan vier-en-zeventig dagen geduurd had,—werd dePelgrimop het strand geworpen.

Evenwel dankten Mevr. Weldon en haar metgezellen de Voorzienigheid, zoodra zij behouden aan land waren.

Het was werkelijk een vasteland en niet een der noodlottige eilanden van Polynesië waarop de storm hen geworpen had. Den terugkeer in hun vaderland, op welk punt van Zuid-Amerika zij ook geland waren, stond naar het scheen,geen ernstige beletselen in den weg.

Wat dePelgrimaangaat, deze was verloren. Het was slechts een geraamte zonder waarde, welks overblijfselen binnen weinige uren door de branding zouden verspreid zijn. Het zou onmogelijk geweest zijn er iets van te redden. Maar al mocht Dick Sand het genoegen niet smaken zijn reeder een onbeschadigd vaartuig thuis te brengen, toch waren, dank zij hem, zij die er zich op bevonden, frisch en gezond op een gastvrije kust aangeland en onder deze de vrouw en het kind van James W. Weldon.

Wat nu de vraag betreft op welk gedeelte van de Amerikaansche kust de schoener-brik gestrand was, daarover had men lang kunnen beraadslagen. Was het, zooals Dick Sand moest veronderstellen, op de kust van Peru? Misschien, want hij wist door de verkenning van het Paasch-eiland, dat dePelgrimdoor de werking der winden en ongetwijfeld ook onder den invloed der aequatoriale stroomen, naar het noord-oosten was gedreven. Van den drie-en-veertigsten breedtegraad, had hij zeer goed tot den vijftienden kunnen afdrijven.

Het was dus van belang zoo spoedig mogelijk het juiste punt der kust te weten waar de schoenerbrik gestrand was. Gesteld dat deze kust die van Peru was, dan ontbraken de havens, de steden en dorpen er niet en zou het bijgevolg gemakkelijk zijn de eene of andere bewoonde plaats te bereiken. Wat dit gedeelte van het strand betrof, het scheen geheel verlaten.

Het was een smalle, hier en daar door zwarte rotsen afgewisselde oever, die door een kustrand van tamelijke hoogte werd afgesloten; deze kustrand werd zeer onregelmatig doorsneden door groote, trechtervormige openingen, gevormd door het doorbreken der rots. Hier en daar gaven eenige zachte hellingen toegang tot den top.

Ten noorden, op een kwart mijl van de plaats van de stranding, bevond zich de monding eener kleine rivier, die uit volle zee niet kon gezien worden.Langs haar oevers hingen talrijke “rhizophoren” over het water, een soort van wortelboomen, geheel verschillende van die van hetzelfde geslacht in Indië.

De steile kust was aan den top bedekt door een dicht bosch, dat steeds een door den wind in golvende beweging verkeerende groene massa aanbood en zich uitstrekte tot de bergen op den achtergrond. Wel zou neef Benedictus, zoo hij in plaats van entomoloog botanist ware geweest, opgetogen zijn door het ontzaglijk aantal voor hem vreemde boomen!

Het waren hooge baobabs of apenbroodboomen,—waaraan men verkeerdelijk een buitengewoon hoogen ouderdom heeft toegeschreven,—plataanboomen, witte pijnboomen, tamarindeboomen, peperboomen van een bijzondere soort en honderd andere gewassen, die een Amerikaan uit de noordelijke streken der nieuwe wereld niet gewoon is te zien.

Maar als een zonderlinge omstandigheid moet vermeld worden dat men onder al deze boomsoorten geen enkel exemplaar ontmoet van de talrijke familie der palmboomen, die meer dan duizend soorten telt en verspreid zijn over bijna de geheele oppervlakte der aarde.

Boven het strand zweefde een groot aantal schel schreeuwende vogels, die grootendeels tot verschillende soorten van zwaluwen behoorden, zwart van veeren met een staal blauwen weerschijn, maar kastanje-bruin van kleur boven op den kop. Hier en daar vlogen ook eenige patrijzen op met een geheel kalen hals en grijs van kleur.

Mevr. Weldon en Dick Sand merkten op, dat al deze vogels niet zeer wild schenen te zijn. Men kon ze naderen zonder ze te verjagen. Hadden zij dan nog niet geleerd den mensch te vreezen en was die kust zoo verlaten, dat de losbarsting van een vuurwapen er nog nooit was gehoord?

Aan den rand der klippen wandelden eenige pelikanen, die zich druk bezig hielden met den zak dien zij tusschen de takken van hun onderkaak dragen met kleine vischjes te vullen.

Eenige meeuwen uit volle zee gekomen, begonnen om denPelgrimheen te vliegen.

Maar deze vogels waren dan ook de eenige wezens die dit gedeelte van de kust schenen te bezoeken,—ongerekend, voorzeker, een aantal belangwekkende insecten, die neef Benedictus wel zouopsporen. Maar, hoe het den kleinen Jack ook ter harte ging, hun kon men den naam van het land niet vragen, en om dien naam te weten diende men zich wel tot een inboorling te richten.

Doch er waren geen inboorlingen, of men zag er althans geen. Evenmin een hut of tent, noch ten noorden aan den anderen oever van het kleine riviertje, noch ten zuiden, noch eindelijk op den top van de steile kust, te midden van de boomen van het dichte woud. Geen rookkolom zag men boven het bosch ten hemel kronkelen. Geen enkel bewijs, teeken of indruk gaf te kennen dat dit gedeelte van het vasteland door menschelijke wezens bezocht werd.

Dick Sand was tamelijk verwonderd.

“Waar zijn we? Waar kunnen we zijn?” dacht hij bij zich zelven. “Er is niemand wien het te vragen!”

Niemand, inderdaad, en indien zich een inboorling in de nabijheid bevond, zou Dingo hem stellig geroken en door blaffen aangemeld hebben. De hond liep heen en weder op de zandige kust met den neus langs den grond, den staart omlaag, dof knorrende, ongetwijfeld met zeer vreemde bewegingen, maar noch de nadering van een mensch, noch die van eenig dier verradende.

“Zie Dingo toch eens!” zei Mevr. Weldon.

“Ja, ’t is vreemd!” antwoordde de leerling. “Het schijnt dat hij tracht een spoor te vinden!”

“Zeer vreemd, dat is zeker!” mompelde Mevr. Weldon.

“Wat doet Negoro?” vroeg zij.

“Hij doet, wat Dingo doet,” antwoordde Dick Sand. “Hij komt, hij gaat!.... Maar in alle geval, is hij hier vrij. ’k Heb het recht niet meer hem bevelen te geven. Zijn dienst is geëindigd met het stranden van denPelgrim!”

Werkelijk liep Negoro met groote schreden heen en weder, keerde zich om, bekeek het strand en de steile kust, als iemand die tracht zich een of ander feit te herinneren. Kende hij dan dat land? Hij zou waarschijnlijk geweigerd hebben die vraag te beantwoorden als men hem haar gedaan had. Het beste was nog, zich niet met den ongezelligen mensch te bemoeien. Dick Sand zag weldra dat hij zich naar de zijde van het kleine riviertje begaf, en toen Negoro bij de bocht van den hoogen oever verdween, dacht hij niet meer aan hem.

Dingo had wel geblaft toen de kok op den oever verscheen, maar hij was bijna dadelijk uitgescheiden.

Men moest nu bedacht zijn op ’t geen het noodzakelijkst was. Nu was het hoog noodig een beschutting, een wijkplaats te vinden, waar men zich voorloopig kon vestigen en eenig voedsel nemen. Daarna zou men dan raad schaffen en beslissen wat te doen.

Over voedsel behoefde men zich niet ongerust te maken. Om niet te spreken van de hulpbronnen die het land moest opleveren, was de kombuis of voorraadkamer van het schip geledigd ten voordeele van de overlevenden van de schipbreuk. De branding had hier en daar, te midden der klippen die de eb nu bloot had gelegd, een groote menigte voorwerpen geworpen. Tom en zijn kameraden hadden reeds eenige vaatjes beschuit, blikken bussen met allerlei voedingstoffen en kisten met gedroogd vleesch opgevischt. Daar het water ze niet beschadigd had, was de voeding van den kleinen troep voor langer verzekerd dan ze noodig zouden hebben om een dorp of vlek te bereiken. In dit opzicht was er niets te vreezen. Deze verschillende goederen waren reeds door hen in zekerheid gebracht, zoodat zij bij den vloed niet door de zee hernomen konden worden.

Ook aan zoet water was geen gebrek. Dadelijk had Dick Sand zorg gedragen door Hercules eenige pinten uit de kleine rivier te laten halen. De sterke neger had zich echter niet met eenige pinten vergenoegd, maar een ton op den schouder genomen en dezen met versch en zuiver water gevuld.

Indien het noodig was vuur aan te steken, was er geen gebrek aan dood hout in den omtrek en daarenboven konden de wortels der oude wortelboomen al de brandstof leveren die men noodig had. De oude Tom was een sterke rooker en als zoodanig steeds voorzien van een zekere hoeveelheid zwam, goed bewaard in een hermetisch gesloten doos, en als men het wilde zou men vuurslaan, al was het met de keisteenen uit het zand aan den oever.

Er bleef dus nu nog over een plek op te sporen waar de kleine troep zich zou kunnen verschuilen, indien zijmochten goedvinden één nacht rust te nemen voordat zij zich weder op marsch begaven.

En daar was het nu waarlijk de kleine Jack die de bedoelde slaapkamer vond. Terwijl hij aan den voet van den steilen oever heen en weer trippelde, ontdekte hij achter een rotswand een van die fraaie, ruime grotten met gladde wanden, die de zee zelf uitholt, als haar onstuimige golven de kust beuken.

Het kind was verrukt. Hij riep zijn moeder, en juichend kwam hij haar halen om haar zegevierend zijn ontdekking te toonen.

“Goed, mijn Jack!” antwoordde Mevr. Weldon. “Als we Robinsons waren, die deze kust lang moesten bewonen, zouden we haar stellig naar jou een naam geven!”

De grot was slechts tienof twaalfvoet diep en even zoo breed, maar in de oogen van den kleinen Jack, was het een ontzaglijk hol. Genoeg dat zij ruim genoeg was om de schipbreukelingen te bergen, en—’t geen met genoegen door Mevr. Weldon en Nan werd opgemerkt,—zij was zeer droog. De maan was in haar eerste kwartier, en het was niet te vreezen dat het getij den voet der steile kust en dus de grot zou bereiken. Men kon zich dus zonder zorg eenige uren te rusten leggen.

Tien minuten later waren allen op een tapijt van zeegras uitgestrekt. Zelfs Negoro had gemeend zich bij het troepje te moeten voegen en zijn aandeel in den maaltijd te nemen, die gezamenlijk zou gehouden worden. Ongetwijfeld was het hem minder aangenaam voorgekomen zich alleen te wagen in het dichte woud, waar doorheen de bochtige rivier kronkelde.

Het was één uur na den middag. Het in bussen bewaarde vleesch, de beschuit, het versche water met eenige druppels rum, waarvan Bat eenige flesschen gered had, maakten de menu van dezen maaltijd uit.

Maar al nam Negoro er deel aan, toch mengde hij zich volstrekt niet in het gesprek, waarin over de maatregelen beraadslaagd werd, die in den toestand der schipbreukelingen zouden moeten genomen worden. Evenwel hoorde hij toe, zonder het te laten blijken, en trok ongetwijfeld zijn voordeel uit hetgeen hij hoorde.

Gedurende dien tijd waakte Dingo, dien men niet vergeten had, buiten de grot. Geen levend wezen zou zich op het strand vertoond hebben zonder dat het getrouwe dier bij tijds gewaarschuwd had.

Mevr. Weldon, die haar kleinen Jack half liggende en bijna ingeslapen op haar schoot hield, nam het woord.

“Dick, mijn vriend,” zeide zij, “uit naam van allen zeg ik je dank voor de zorg en opofferingen die ge u voor ons getroost hebt, maar we laten je nog niet los. Je zult onze leidsman zijn te land, zooals je onze kapitein aan boord waart. Al onze hoop is op je gevestigd. Spreek dus! Wat moeten we doen?”

Mevr. Weldon, de oude Nan, Tom en zijn kameraden, allen hadden de oogen op den leerling gevestigd. Zelfs Negoro zag hem met een zonderlinge belangstelling aan. Blijkbaar was hij zeer nieuwsgierig naar ’t geen Dick zou zeggen.

Nadat Dick Sand eenige oogenblikken had nagedacht, zeide hij:

“Mevrouw Weldon, in de eerste plaats is het van het grootste belang te weten, waar we zijn. Ik geloof dat ons schip geland is op dat gedeelte van het Amerikaansche strand dat de Peruviaansche kust vormt. De winden en de stroomen hebben het tot deze breedte gebracht. Maar.... bevinden we ons hier in een van de zuidelijke provinciën van Peru, namelijk in het minst bewoonde gedeelte, dat aan de pampa’s grenst? Misschien. Bij het zien van deze woeste kust, die slechts weinig schijnt bezocht te worden, zou ik het haast zelf gaan gelooven. In dat geval, zou het kunnen zijn dat we vrij ver van het dichtstbij zijnde dorp verwijderd waren, ’t geen zeer noodlottig zou zijn.”

“Welnu, wat te doen?” herhaalde Mevr. Weldon.

“Ik zou raden,” hernam Dick Sand, deze schuilplaats niet te verlaten voor dat we goed omtrent onzen toestand zijn ingelicht. Morgen, na een nacht rust, zouden twee van ons op ontdekking kunnen uitgaan. Zij moeten dan trachten, zonder zich te ver te verwijderen, eenige inlanders te ontmoeten, inlichtingen bij hen in te winnen en daarna naar de grot terugkeeren. Het is niet mogelijk dat men binnen tien of twaalf mijlen niemand zou vinden.”

“Zouden we ons van elkander scheiden!” zei Mevr. Weldon.

“Dat komt me noodzakelijk voor,” antwoordde de leerling. “Zoo we op deze wijze volstrekt geen inlichtingen kunnen verkrijgen en wat bijna onmogelijk is, de streek geheel verlaten blijkt, welnu! dan zullen we ons best doen om ons op een andere manier uit onze verlegenheid te redden.”

“En wie van ons zou op ontdekking uitgaan?” vroeg Mevr. Weldon, na een oogenblik nagedacht te hebben.

“Dat zouden we moeten bepalen,” antwoordde Dick Sand. “Evenwel dunkt me, dat u, mevrouw, Jack, mijnheer Benedictus en Nan, deze grot niet moet verlaten.Bat, Hercules, Actéon en Austin zouden dan bij u blijven, terwijl Tom en ik op verkenning zouden gaan.—Negoro zal wel liever hier blijven?” voegdeDickSand er bij, terwijl hij den kok aankeek.

“Dat zou wel kunnen zijn,” antwoordde Negoro, die de man niet was om zich verder uit te laten.

“We nemen dan Dingo mede,” hernam de leerling. “Hij zou ons op onzen tocht nuttig kunnen zijn.”

Toen Dingo zijn naam hoorde noemen, vertoonde hij zich aan den ingang der grot en scheen door een zacht geblaf de plannen van Dick Sand goed te keuren.

Sedert de leerling dit voorstel gedaan had, bleef Mevr. Weldon in gedachten verdiept. Met tegenzin dacht zij aan een scheiding, hoe kort dan ook. Was het niet mogelijk dat de schipbreuk van denPelgrimbij de Indiaansche stammen die de kust, hetzij ten noorden hetzij ten zuiden bezochten, bekend werd, en was het, ingeval er strandroovers opdaagden, niet beter dat allen vereenigd waren om hen terug te dringen.

Deze tegenwerping tegen het voorstel van Dick Sand, verdiende werkelijk wel overwogen te worden.

Zij viel evenwel voor zijn bewijsgronden, daar hij deed opmerken dat de Indianen niet verward moesten worden met de wilden van Afrika of Polynesië en dat een aanval van hun zijde waarschijnlijk niet te vreezen was. Maar dit land binnen te dringen zonder zelfs te weten tot welke provincie van Zuid Amerika het behoorde, noch op welken afstand zich het naaste dorp dezer provincie bevond, zou een hoogstvermoeiende taak geweest zijn. De scheiding kon weliswaar met ongelegenheden gepaard gaan, maar minder dan een tocht te ondernemen door een bosch dat zich scheen uit te strekken tot den voet der bergen.

“Ook,” herhaalde Dick Sand, aandringende, “kan ik niet gelooven dat deze scheiding van langen duur zal zijn, en ik durf wel zeggen dat zij het niet zal zijn. Als Tom en ik na twee dagen op zijn hoogst geen woning of geen bewoner ontmoet hebben, keeren we naar de grot terug. Maar dat zou al te onwaarschijnlijk zijn en we zullen geen twintig mijlen in het binnenland afgelegd hebben, of we zullen met de geographische ligging bekend zijn. ’t Is mogelijk dat ik me vergist heb, omdat de middelen om de ligging astronomisch te bepalen me ontbroken hebben, zoodat het niet onmogelijk is, dat we op een hoogere of een lagere breedte zijn.”

”’k Moet je gelijk geven, mijn kind!” antwoordde Mevr. Weldon, die zich zeer ongerust maakte.

“En u, mijnheer Benedict,” vroeg Dick Sand, “wat dunkt u van dit plan?” “Ik?....” antwoordde neef Benedictus.

“Ja, hoe zoudt u er over denken?”

“Ik kan geen raad geven,” antwoordde neef Benedictus. “Ik vind alles goed wat men voorstelt en ik zal alles doen wat men wil. ’t Zou me heel goed bevallen hier een paar dagen te blijven, dan kon ik dien tijd besteden om dit strand uit een zuiver entomologisch oogpunt te bestudeeren.”

“Doe dan zoo als ge wilt,” zei Mevr. Weldon tot Dick Sand. “Wij zullen hier blijven en gij zult met den ouden Tom vertrekken.”

“Dat is dus afgesproken,” zei neef Benedictus met de grootste bedaardheid. “Ik ga een bezoek aan de insecten van het land brengen.”

“Verwijder u niet te ver, mijnheer Benedict,” zei de leerling. “We kunnen u dat niet genoeg op het hart drukken!”

“Maak je maar niet ongerust, mijn jongen.”

“En breng ons vooral maar niet te veel muskieten mee!” voegde de oude Tom er bij.

Eenige minuten later verliet de entomoloog de grot, met zijn kostbare blikkenbus aan een band over den schouder.

Bijna op hetzelfde oogenblik verliet ook Negoro de grot. Het scheen zoo in het karakter van den man te liggen zich met niemand af te geven dan met zich zelven. Maar terwijl neef Benedictus de steile kust beklom, om den rand van het bosch te gaan doorsnuffelen, verwijderde Negoro zich, naar de rivier terugkeerende, met langzame schreden en verdween hij terwijl hij den steilen waterkant voor de tweede maal beklom.

Jack bleef altijd door slapen. Mevr. Weldon liet hem op den schoot van Nan en daalde naar het strand af. Dick Sand volgde haar met zijn kameraden. Zij wilden zich vergewissen of de toekomst der zee zou toelaten zich naar den romp van denPelgrimte begeven, alwaar zich nog een menigte voorwerpen bevonden die de kleine troep kon gebruiken.

De klippen waarop de schoenerbrik gestrand was, lagen nu droog. Temidden van overblijfselen van allerlei aard vertoonde zich de romp van het vaartuig, gedeeltelijk overdekt door de hooge zee. Dit wekte wel eenigszins de bevreemding op van Dick Sand, want hij wist dat de vloed op de Amerikaansche kust van de Stille Zuidzee niet hoog is. Maar dit verschijnsel liet zich toch ook zeer goed verklaren door den wind die op de kust stond.

Het terugzien van hun vaartuig maakte op Mevr. Weldon en haar metgezellen een pijnlijken indruk. Daar hadden zij te zamen zoovele dagen in lief en leed doorgebracht! Het gezicht van dat arme schip, half gebroken, zonder mast en zeilen, op zijde liggende als een wezen van het leven beroofd, deed hun smartelijk aan.

Maar voordat de zee dien romp geheel zou verzwelgen, moest men hem bezoeken.

Dick Sand en de negers konden zich gemakkelijk in het ruim laten afzakken, na zich door middel van de touwen, die langs de zijde van dePelgrimhingen op het dek geheschen te hebben. Terwijl Tom, Hercules, Bat en Austin zich bezighielden met alles uit de kombuis te halen wat hun nuttig kon zijn, zoowel spijzen als dranken, drong de leerling in de kerk door. Den hemel zij dank was het water nog niet in dit gedeelte van het vaartuig binnengedrongen, daar het achterschip na de branding boven was gebleven.

Daar vond Dick Sand vier geweren in goeden staat—uitmuntende remmingtons,—alsmede een honderdtal patronen. Dit was voldoende om zijn kleinen troep te wapenen en hen in staat de stellen weerstand te bieden, indien zij onverhoopt onder weg door Indianen werden aangevallen.

De leerling verzuimde ook niet een zakkompas mede te nemen; maar de scheepskaarten, in een hut van de voorplecht geborgen en door het water beschadigd, waren nutteloos.

Ook bevonden er zich in het arsenaal van dePelgrim, eenige van die stevige houwers of hartsvangers die dienen om den walvisch in stukken te hakken. Dick Sand koos er zes uit, die bestemd waren om de bewapening zijner metgezellen volledig te maken, en hij vergat ook niet een onschadelijk kindergeweer mede te nemen dat den kleinen Jack toebehoorde.

Wat de overige voorwerpen betreft, die het schip nog bevatte, zij lagen hier en daar verspreid, of zij konden niet meer dienen. Bovendien was het niet noodig zich zoo zwaar te belasten voor de weinige dagen dat de reis zou duren. Van levensmiddelen, wapenen, ammunutie, was men meer dan voorzien. Evenwel verzuimde Dick Sand, op raad van Mevr. Weldon, niet om al het geld mede te nemen dat zich aan boord bevond,—ongeveer vijfhonderd dollars.

Het was waarlijk niet veel! Mevr. Weldon had een veel grootere som in haar bezit gehad, maar men vond ze niet terug.

Wie anders dan Negoro had gezorgd de eerste bezoeker van het schip te zijn en wie anders dan hij had den geldvoorraad van kapitein Hull en van Mevr. Weldon geplunderd? Niemand anders dan hij kon verdacht worden. Toch twijfelde Dick Sand een oogenblik. Wat hij van hem wist en opmerkte was wel geschikt om dit sombere karakter, wien het leed van anderen een glimlach kon afpersen, te vreezen! Ja, Negoro was een slecht mensch, maar mocht men daaruit besluiten dat hij een misdadiger was? Zoover kon Dick Sand met zijn rechtschapen karakter niet gaan. En toch, kon men vermoeden op iemand anders hebben? Neen, de brave negershadden geen oogenblik de grot verlaten, terwijl Negoro over het strand had loopen dwalen. Hij alleen moest de schuldige zijn. Dick Sand besloot dus Negoro te ondervragen en des noods zijn zakken te laten doorzoeken, zoodra hij terugkwam. Hij wilde met zekerheid weten waaraan zich te houden.

De zon neigde toen ter kim. Op dezen datum, had zij den aequator nog niet overschreden om warmte en licht in het noordelijk halfrond te verspreiden, maar zij naderde den evenaar. Zij viel dus bijna loodrecht op die cirkelvormige lijn waar zee en lucht ineenliepen,—’t geen den leerling in het denkbeeld versterkte dat hij aangeland was op een punt van de kust, tusschen den Steenbokskeerkring en den evenaar.

Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug om eenige uren rust te genieten.

“De nacht zal onstuimig zijn,” deed Tom opmerken terwijl hij naar den horizon wees, door dikke wolken verduisterd.

“Ja,” antwoordde Dick Sand, “er zal een stevige koelte waaien. Maar wat doet het er nu toe! Ons arm schip is verloren en de storm kan ons niet meer deren!”

“Gods wil geschiede!” zei Mevr. Weldon.

Men kwam overeen dat de negers in dezen nacht, die zeer donker zou zijn beurt om beurt aan den ingang der grot de wacht zouden houden. Daarenboven kon men zich veilig op de waakzaamheid van Dingo verlaten.

Men bemerkte toen dat neef Benedictus, nog niet terug was.

Hercules riep hem met alle kracht zijner machtige longen, en bijna onmiddellijk daarop zag men den entomoloog haastig den steilen oever afklimmen, op gevaar af zich den nek te breken.

Neef Benedictus was woedend. Hij had geen enkel nieuw insect in het bosch gevonden, neen, geen enkel dat waard was in zijn verzameling te prijken!Schorpioenen, duizendpooten en andere myriapoden, zooveel men maar wilde en zelfs nog meer! En men weet dat neef Benedictus niet bijzonder ingenomen was met de myriapoden.

”’t Was wel de moeite waard,” voegde hij er bij, “vijf of zes duizend mijlen te hebben afgelegd, vreeselijke stormen getrotseerd te hebben, op de kust geworpen te zijn, en dan geen enkele van die Amerikaansche hexapoden te vinden, die den roem uitmaken van een entymoloogsch museum! ’t Was waarlijk wel de moeite waard!”

Tot besluit vroeg neef Benedictus, om maar verder te gaan. Hij wilde geen uur langer op die ellendige kust blijven.

Mevr. Weldon trachtte haar groot kind tot bedaren te brengen. Zij gaf hem de hoop dat hij den volgenden dag gelukkiger zou zijn, waarna allen zich in de grot begaven om er tot zonsopgang te slapen, toen Tom de opmerking maakte dat Negoro niet teruggekeerd was, hoewel de nacht reeds was aangebroken.

“Waar zou hij zijn?” vroeg Mevr. Weldon.

“Wat scheelt het ons!” zei Bat.

“Het scheelt ons integendeel veel,” antwoordde Mevr. Weldon.“’k Had liever dat die man bij ons was.”

“U hebt gelijk, mevrouw Weldon,” zei Dick Sand; “maar, zoo hij uit eigen beweging stil uit ons gezelschap verdwenen is, zie ik niet in hoe we hem zouden kunnen dwingen om weer bij ons te komen! Wie weet of hij geen reden heeft ons gezelschap voor altoos te mijden!”

En zoo, dat de anderen hem niet hooren konden, deelde Dick Sand haar zijn vermoeden mede. Het verwonderde hem niet van haar te hooren dat ook zij hem verdacht had. Alleen verschilden zij in één punt.

“Als Negoro terugkomt,” zei Mevr. Weldon, “zal hij zijn diefstal op een veilige plaats geborgen hebben. Mij dunkt, daar we hem toch niet kunnen overtuigen, zal het beste zijn, hem ons vermoeden verborgen te houden en hem daardoor in den waan te brengen dat we zijn dupes zijn.”

Mevr. Weldon had gelijk. Dick Sand stemde dan ook geheel met haar in.

Evenwel riep men Negoro herhaaldelijk naar alle kanten.... Hij antwoordde niet. Of hij was reeds te ver om te hooren of hij wilde niet terugkeeren.

De zwarten waren er niet rouwig om dat zij van zijn tegenwoordigheid verlost waren, maar zooals Mevr. Weldon terecht gezegd had, hij was misschiennog meer in de verte dan dichtbij te vreezen! Maar hoe te verklaren dat Negoro zich geheel alleen in dat onbekende land ging wagen? Was hij misschien verdwaald, en trachtte hij in dien donkeren nacht te vergeefs den weg naar de grot te vinden?

Mevr. Weldon en Dick Sand wisten niet wat zij denken moesten. Hoe het zij, men mocht, om op Negoro te wachten, zich niet van de rust berooven die allen zoo noodig hadden.

Op dit oogenblik begon de hond die op het strand liep, met kracht te blaffen.

“Wat scheelt Dingo toch?” vroeg Mevr. Weldon.

“We moeten het volstrekt weten,” antwoordde de leerling. “Misschien is het Negoro wel!”

Onmiddellijk begaven Hercules, Bat Austin en Dick Sand zich naar de monding der rivier.

Maar toen zij aan den oever kwamen, zagen en hoorden zij niets. Dingo zweeg nu.

Dick Sand en de negers keerden naar de grot terug.

De slaapgelegenheden werden zoo goed mogelijk ingericht.

De zwarten maakten zich gereed om beurtelings buiten te waken.

Maar Mevr. Weldon was ongerust en kon niet slapen. Het land waarnaar zij zoo vurig verlangde, gaf haar tot nog toe niet wat zij gehoopt had, veiligheid voor de haren en rust voor haar zelf.

Den volgenden morgen, 7 April, zag Austin, die met het krieken van den dag de wacht hield, Dingo blaffende naar het kleine riviertje snellen. Bijna op hetzelfde oogenblik traden Mevr. Weldon, Dick Sand en de negers uit de grot te voorschijn.

Het leed geen twijfel of er was iets gaande.

“Dingo heeft een levend wezen geroken, een mensch of een beest,” zei de leerling.

“In alle geval is het Negoro niet,” deed Tom opmerken, “want dan zou Dingo woedend blaffen.”

“Als het Negoro niet is, waar zou hij dan toch kunnen zijn?” vroeg Mevr. Weldon, terwijl zij een blik naar Dick Sand wierp die alleen door haar begrepen werd, “en als hij het niet is, wie is het dan?”

“Wij zullen het spoedig weten, Mevr. Weldon,” antwoordde de leerling.

Daarna, zich tot Bat, Austin en Hercules wendende:

“Wapent u, vrienden, en komt mee!”

De negers namen ieder een geweer en een hartsvanger, evenals Dick Sand gedaan had. Na de geweren geladen te hebben, richtten allen zich naar den oever der rivier.

Mevr. Weldon, Tom en Actéon bleven bij den ingang der grot, waar de kleine Jack en Nan zich nog bevonden.

De zon kwam op. Haar stralen, die door de hooge bergen van het oosten werden opgevangen, kwamen niet rechtstreeks tot het strand; maar tot den westelijken horizon, zoover het oog reikte, schitterde de zee onder het eerste licht van den dag.

Dick Sand en zijn metgezellen hielden het midden van het strand welks kromming zich met de monding der rivier vereenigde.

Daar zagen zij Dingo onbeweeglijk als een staande hond, steeds blaffende. Blijkbaar zag of rook hij een inboorling.

En werkelijk had de hond het dezen keer niet tegen Negoro, zijn vijand aan boord.

Van achter den laatsten hoek van den rotsachtigen oever kwam een man te voorschijn. Hij naderde voorzichtig en trachtte door vriendelijke gebaren Dingo te doen bedaren. Men kon zien dat hij volstrekt niet onverschillig was voor den toorn van het krachtige dier.

”’t Is Negoro niet!” zeide Hercules.

“We verliezen niets met den ruil!” antwoordde Bat.

“Neen,” zei de leerling, “’t Is waarschijnlijk een inboorling die ons het onaangename van onze scheiding zal besparen. Eindelijk zullen we dan toch eens te weten komen waar we juist zijn!”

En alle vier wierpen hun geweer op den schouder en liepen snel op den vreemdeling toe.

Toen deze hen zag naderen gaf hij in ’t eerst teekenen van de grootste verbazing. Ongetwijfeld verwachtte hij geenvreemdelingen op dit gedeelte van de kust te ontmoeten. Blijkbaar ook had hij het wrak van dePelgrimnog niet opgemerkt, want anders had hij de tegenwoordigheid van schipbreukelingen zeer natuurlijk gevonden. Trouwens had ook de branding gedurende den nacht den romp van het schip geheel vernietigd en bleef er niets anders van over dan wrakhout dat naar volle zee wegdreef.

Toen de onbekende de vier gewapende mannen naar zich zag toe komen, maakte hij in het eerste oogenblik een beweging om terug te keeren. Hij droeg een geweer aan een riem tegen den schouder en liet het snel van zijn schouder in zijn hand en uit zijn hand weder tegen zijn schouder overgaan. Men begrijpt licht dat hij zich niet op zijn gemak gevoelde.

Dick Sand maakte een gebaar van begroeting, dat de vreemdeling zeker begreep, want na eenige aarzeling, deed hij eenige stappen voorwaarts.

Dick Sand kon hem toen goed opnemen.

Het was een krachtig gebouwd man van hoogstens veertig jaar, met een levendig oog, grijzende haren en baard, een verweerde gelaatskleur als van iemand die altijd in de open lucht, in de bosschen of op de vlakte gezworven heeft. Een soort van kiel van gelooid leder diende hem voor buis of jas, een breedgerande hoed bedekte zijn hoofd, leeren laarzen reikten hem tot boven de knie en sporen met groote wieltjes weerklonken aan de hooge hielen.

Dick Sand zag dadelijk, ’t geen ook werkelijk het geval was, dat hij niet een van die Indianen, gewone zwervers der pampa’s, voor zich had, maar een van die avonturiers van vreemd bloed, gewoonlijk niet veel bijzonders, die men menigmaal in verafgelegen streken ontmoet. Het scheen zelfs, aan zijn stijve houding, aan de roodachtige kleur van eenige baardharen dat deze onbekende van anglo-saxische oorsprong moest zijn. In dat geval was hij noch Indiaan, noch Spanjaard.

En dat bleek werkelijk zoo te zijn, toen hij Dick Sand, die hem in ’t Engelsch zei “wees welkom!” in dezelfde taal zonder eenig vreemd accent antwoordde.

“Wees ook gij welkom, jonge vriend,” zei de onbekende, naar den leerling toekomende, wiens hand hij drukte.

Wat de zwarten aangaat, vergenoegde hij zich met hun een gebaar te maken, zonder het woord tot hen te richten.

“Zijt gij Engelschen?” vroeg hij den leerling.

“Amerikanen,” antwoordde Dick Sand.

“Van het Zuiden?”

“Van het Noorden.”

Dit antwoord scheen den onbekende te bevallen, die de hand van den jongeling nog krachtiger en ditmaal goed op zijn Amerikaansch schudde.

“En mag ik weten jonge vriend,” vroeg hij, “hoe ge u op deze kust bevindt?”

Maar op dit oogenblik, nam de onbekende den hoed af en groette, zonder te wachten dat de leerling zijn vraag beantwoord had.

Mevr. Weldon was tot aan den oever genaderd en stond toen tegenover hem.

Zij was het die zijn vraag beantwoordde.

“Mijnheer,” zeide zij, “we zijn schipbreukelingen wier schip gisteren op die klippen verbrijzeld is!”

Een gevoel van medelijden was duidelijk op het gelaat van den onbekende te lezen, wiens blikken het vaartuig zochten dat op het strand was gezet.

“Er is niets meer van ons schip overgebleven!” voegde de leerling er bij. “De branding heeft het van nacht geheel vernield.”

“En onze eerste vraag,” hernam Mevr. Weldon, “zal zijn waar we ons bevinden.”

“Maar weet u dan niet dat dit de kust van Zuid-Amerika is?” antwoordde de onbekende, die verwonderd scheen over de vraag. “Hadt u eenigen twijfel hieromtrent?”

“Ja, mijnheer, want de stroom heeft ons van onzen weg doen afwijken, dien ik niet met de noodige juistheid heb kunnen opnemen,” antwoordde Dick Sand. “Maar ’k wilde nog wel wat nauwkeuriger weten waar we zijn. Zijn we niet op de kust van Peru?”

“Neen, mijn jonge vriend, neen! Een beetje zuidelijker. Ge hebt op de Boliviaansche kust schipbreuk geleden.”

“O!” was de verbaasde uitroep van Dick Sand.

“En nog wel op dat zuidelijk gedeelte van Bolivia dat aan Chili grenst.”

“En welke kaap is dat dan?” vroeg Dick Sand, op het noordelijk voorgebergte wijzende.

“Ik kan er u den naam niet van zeggen,”antwoordde de onbekende, “want al ken ik het binnenland vrij goed, omdat ik het zoo dikwijls doorkruist heb, zoo bezoek ik voor de eerste maal dit strand.”

Dick Sand dacht na over ’t geen hij van den vreemdeling vernam. Het verwonderde hem maar half, want zijn berekening had hem kunnen en moeten bedriegen, wat de stroomen betrof; maar toch was de vergissing niet onbelangrijk. Hij meende zich toch te bevinden ongeveer tusschen de zeven endertigsteen dertigste parallel, volgens zijn verkenning van het Paasch-eiland, en op de hoogte van de vijf-en-twintigste parallel was hij gestrand. Het was volstrekt niet onmogelijk dat dePelgrimop zulk een lange reis betrekkelijk zoo weinig ter zijde was afgedreven.

Bovendien hadden zij volstrekt geen reden om de mededeelingen van den onbekende in twijfel te trekken, en daar deze kust die van Beneden-Bolivia was, was er niets vreemds in gelegen dat zij zoo verlaten was.

“Mijnheer,” zei toen Dick Sand, “ik moet uit uw antwoord besluiten dat we hier vrij ver van Lima af zijn.”

“Ohé! Lima ligt ver.... daarheen! in het noorden!”

Mevr. Weldon die eerst vrij wantrouwig was, wegens de verdwijning van Negoro, nam den vreemdeling met de grootste attentie op, maar zij kon noch in zijn houding, noch in zijn wijze om zich uit te drukken, iets ontdekken, dat zijn goede trouw kon doen betwijfelen.

“Mijnheer,” zeide zij, “ik hoop niet dat u mijn vraag indiscreet zal voorkomen.... u schijnt niet van Peruviaanschen oorsprong te zijn?”

“Ik ben een Amerikaan zooals u, mevrouw....!” zeide de onbekende, die een oogenblik wachtte totdat de Amerikaansche hem haar naam deed kennen.

“Mevrouw Weldon,” antwoordde deze.

“Mijn naam is Harris, en ik ben geboren in Zuid-Carolina. Maar ’t zal nu twintig jaar geleden zijn dat ik mijn land verliet, om naar de pampa’s van Bolivia te gaan, en het doet me genoegen landgenooten te ontmoeten.”

“Bewoont u dit gedeelte der provincie, mijnheer Harris?” vroeg Mevr. Weldon.

“Neen, mevrouw Weldon,” antwoordde Harris, “ik woon in het Zuiden op de Chiliaansche grens, maar, op dit oogenblik ga ik naar Atacama, in het noord-oosten.”

“Zijn we dan hier op den rand van de woestijn van dien naam?” vroeg Dick Sand.

“Juist, mijn jonge vriend, en deze woestijn strekt zich ver aan de andere zijde der bergen uit die zich aan den horizon vertoonen.”

“De woestijn van Atacama?” herhaalde Dick Sand.

“Ja,”antwoordde Harris. “Deze woestijn is zooveel als een land op zich zelf in dit uitgestrekte Zuid-Amerika, waarvan het toch in vele opzichten verschilt. Het is tegelijk het belangrijkste en het minst bekende gedeelte van dit vasteland.”

“En reist u er alleen naar toe?” vroeg Mevr. Weldon.

“O! ’t Is niet de eerste keer dat ik die reis maak!” antwoordde de Amerikaan. “Er is op tweehonderd mijlen van hier een aanzienlijke hoeve, de hacienda van San-Felice, die het eigendom is van een mijner broeders, naar wien ik mij voor mijn handel begeef. Als u met mij wilt gaan, zult u er goed ontvangen worden, en de middelen van vervoer om naar Atacama te reizen, zullen u daar niet ontbreken. Mijn broeder zal ze u met genoegen verschaffen.”

Dit aanbod uit eigen beweging gedaan, nam Mevr. Weldon zeer voor den Amerikaan in, die zich nu tot haar richtte met de vraag:

“Zijn deze negers uw slaven?”

En hij wees op Tom en zijn kameraden.

“We hebben geen slaven meer in de Vereenigde Staten,” antwoordde Mevr. Weldon. “Het Noorden heeft sedert lang de slavernij afgeschaft, en het Zuiden heeft het voorbeeld van het Noorden wel moeten volgen!”

“Dat’s waar ook,” antwoordde Harris. “Ik had vergeten dat de oorlog van 1862 die ernstige vraag beslist heeft.—Ik hoop dat die brave menschen ’t me zullen vergeven,” voegde Harris er bij met een zweem van spotternij die een Amerikaan uit het Zuiden, tegen negers sprekende, altijd laat doorschemeren. “Maar toen ik die heeren inuw dienst zag, dacht ik....”

“Ze zijn niet en waren niet in mijn dienst, mijnheer,” antwoordde Mevr. Weldon ernstig.

“We zouden ons vereerd gevoelen u te dienen, mevrouw Weldon,” zei toen de oude Tom. “Maar, mijnheer Harris moet weten dat we aan niemand toebehooren. Ik ben slaaf geweest, ’t is waar en werd als slaaf in Afrika verkocht toen ik nog maar zes jaar oud was, maar mijn zoon Bat, die daar staat, is de zoon van een vrijgemaakten vader en onze kameraden zijn allen uit vrije ouders geboren.”

“Ik moet er u wel zeer geluk mee wenschen!” antwoordde Harris op een toon dien Mevr. Weldon niet ernstig genoeg vond. “Ook op dezen grond van Bolivia hebben we geen slaven. Ge hebt dus niets te vreezen en ge kunt even vrij hier rondwandelen als in de Staten van Nieuw-Engeland.”

Op dit oogenblik kwam de kleine Jack, gevolgd door Nan, de grot uit, zich de oogen wrijvende.

Toen hij zijn moeder in ’t oog kreeg, liep hij naar haar toe. Mevr. Weldon omhelsde hem teeder.

“Wat een aardige, kleine jongen!” zei de Amerikaan.

“Dat’s mijn zoon,” antwoordde Mevr. Weldon.

“O! mevrouw Weldon, u moet u dubbel ongerust gemaakt hebben, nu uw kind in al uw gevaren deelde!”

“God heeft hem gespaard, zoowel als ons, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon.

“Mag ik hem een kus op zijn gezonde wangen geven?” vroeg Harris.

“Gaarne,” antwoordde Mevr. Weldon.

Maar “mijnheer Harris” scheen den kleinen Jack niet bijzonder te bevallen, want hij drukte zich nog vaster tegen zijn moeder aan.

“Wat!” zei Harris, “wil je niet dat ik je kus! Ben je bang voor me, mannetje?”

“Neem ’t hem niet kwalijk, mijnheer,” haastte zich Mevr. Weldon te zeggen, “’t Is niets anders dan verlegenheid van hem.”

“Nu, we zullen wel nader kennismaken!” antwoordde Harris. “Als we maar eens op de hacienda zijn en hij een mooien pony van me krijgt om op te rijden, zal hij wel veel van me houden!

“Maar het aanbod van den ‘mooien pony’ was evenmin geschikt om Jack te streelen als het voorstel om zich door mijnheer Harris te laten kussen.”

Mevr. Weldon, die het hinderde dat Jack zoo onaardig was, haastte zich het gesprek op iets anders te brengen Men moest oppassen den man niet te kwetsen, die zoo beleefd zijn diensten had aangeboden.

Dick Sand dacht intusschen over het voorstel na, dat hun zoo ter rechter tijd gedaan werd, om de hacienda van San-Felice te bereiken. Het was, zooals Harris gezegd had, een tocht van meer dan twee honderd mijlen, nu eens door bosschen, dan weder door vlakten, een zeer vermoeiende reis ongetwijfeld, omdat de middelen van vervoer volstrekt ontbraken.

De jeugdige leerling maakte dus eenige opmerkingen in dit opzicht en wachtte het antwoord af dat de Amerikaan hierop zou geven.

”’t Is waar, de reis is wat lang,” antwoordde Harris, “maar ’k heb daar op een honderd of wat schreden van den oever een paard dat ik ter beschikking van mevrouw Weldon en haar zoon wilde stellen. Wat ons betreft, voor ons is er niets bezwarends en zelfs niet veel vermoeiends in gelegen den weg te voet af te leggen en als ik van twee honderd mijlen spreek, wil ik daarmede zeggen door den loop dezer rivier te volgen, zooals ik ’t al eens gedaan heb. Maar, als we onzen weg dwars door het bosch namen, zou dit den afstand minstens tachtig mijlen verkorten. Als we dan tien mijlen per dag maakten, dunkt me dat we de hacienda zonder veel moeite zouden bereiken.”


Back to IndexNext