Mevr. Weldon dankte den Amerikaan.“U kunt me niet beter bedanken dan door mijn voorstel aan te nemen,” antwoordde Harris. “’k Heb wel nooit dit bosch doorkruist maar ik geloof toch wel er mijn weg in te zullen vinden, omdat ik zoo gewoon ben in de pampa te reizen. Maar er is een ernstiger zaak te bespreken, die der levensmiddelen namelijk. Ik heb slechts het hoog noodige om de hacienda van San-Felice te bereiken....”“Wat dat aangaat, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon, “we hebben gelukkig meer dan genoeg levensmiddelenen ’t zal ons genoegen doen ze met u te deelen.”“Als dat zoo is, mevrouw Weldon, dunkt me dat alles zich best zal schikken en we maar vertrekken moesten.”Harris wilde nu zijn paard gaan halen op de plaats waar hij het gelaten had, toen Dick Sand hem nog even ophield om hem een vraag te doen.Het beviel den jeugdigen leerling niet bijzonder, de kuststreek te verlaten, om zoover in het binnenland door te dringen. De zeeman kwam bij hem boven en hij had liever de reis langs de kust genomen.“Mijnheer Harris,” zeide hij, “waarom, in plaats van honderd twintig mijlen in de woestijn van Atacama af te leggen, niet liever de kust gevolgd? Was het niet beter de dichtstbij zijnde stad te bereiken, het zij ten noorden, hetzij ten zuiden?”“Maar, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris, het voorhoofd licht fronsende. “’k geloof niet dat er op een afstand van drie of vier honderd mijlen een stad op deze kust is, die ik—het is waar—zeer weinig ken.”“Ten noorden, ja,” antwoordde Dick Sand, “maar ten zuiden?....”“Ten zuiden,” hernam de Amerikaan, “zouden we tot Chili de kust moeten afzakken. Nu is die afstand bijna even ver, en in uw plaats zou ik liever niet langs de pampa’s van de Argentijnsche Republiek willen reizen. Wat mij betreft, tot mijn groote spijt, zou ik u niet kunnen vergezellen.”“Gaan dan de schepen, die van Chili naar Peru varen, niet in ’t gezicht van deze kust voorbij?” vroeg daarop Mevr. Weldon.“Neen,” antwoordde Harris. “Zij kiezen liever het ruime sop en u hebt er ook zeker geen ontmoet.”“Dat is ook zoo,” antwoordde Mevr. Weldon.”—“Nu, Dick, heb je nog iets aan mijnheer Harris te vragen?”“Nog een enkele vraag, mevrouw Weldon,” antwoordde de leerling, die noode toestemde, “’k Wilde mijnheer Harris nog vragen in welke haven hij denkt dat we een schip kunnen vinden om naar San-Francisco terug te keeren?”“Dat zou ik u waarlijk niet kunnen zeggen, mijn jonge vriend,” antwoordde de Amerikaan. “Alles wat ik weet, is dat we u op de hacienda van San-Felice de middelen zullen verschaffen de stad Atacama te bereiken, en van daar....”“Mijnheer Harris,” zei nu Mevr. Weldon, “meen niet dat Dick Sand aarzelt uw aanbod aan te nemen!”“Neen, mevrouw Weldon, neen, ik aarzel niet,” antwoordde de leerling, “maar ’t spijt me zoo dat we niet eenige graden meer ten noorden of ten zuiden gestrand zijn! We zouden dan dichter bij een haven geweest zijn en door deze omstandigheden niet hebben behoeven gebruik te maken van den goeden wil van mijnheer Harris, omdat we dan gemakkelijker naar ons vaderland hadden kunnen terugkeeren.”“Beschik vrij over mij, mevrouw Weldon,” hernam Harris. “Ik zeg nog eens, dat ik maar al te zelden in de gelegenheid ben eens landgenooten te ontmoeten. ’t Is voor mij een wezenlijk genoegen u te verplichten.”“We nemen uw aanbod aan, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon, “maar ’k zou u toch niet gaarne van uw paard willen berooven. ’k Ben een goede voetgangster....”“En ik een zeer goede voetganger,” antwoordde Harris buigende, “’k Ben aan lange marschen door de pampa’s gewoon en ik zal geen vertraging in onze karavaan brengen. Neen, mevrouw Weldon, u en uw kleine Jack zult u van dat paard bedienen. ’t Is trouwens ook mogelijk dat we onderweg eenige bedienden van de hacienda ontmoeten, en daar deze gewoonlijk te paard zitten, kunnen ze ons hunne paarden afstaan.”Dick Sand zag nu zeer goed in, dat hij door nieuwe tegenwerpingen te maken Mevr. Weldon geen pleizier zou doen.“Wanneer vertrekken we, mijnheer Harris?” vroeg hij.“Van daag nog, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris. “De regentijd begint met April en we moeten het mogelijke doen om vóór dien tijd de hacienda van San-Felice te bereiken. De weg door het woud is nog de kortste en misschien ook de veiligste. Hij is minder dan de kust blootgesteld aan de invallen der zwervende Indianen, die onverbeterlijke plunderaars zijn.”“Tom, mijn vrienden,” zei nu Dick Sand zich tot de negers wendende, “er blijft ons nu slechts over de toebereidselentot het vertrek te maken. Kiest dus uit den scheepsvoorraad, wat het gemakkelijkst te vervoeren is, en laten we pakken maken, waarvan ieder zijn deel moet dragen.”“Mijnheer Dick,” zei Hercules, “als u ’t wilt, zal ik alles wel dragen!”“Neen, mijn brave Hercules!” antwoordde de leerling, “’t Is beter dat we den last onder ons verdeelen.”“Je bent een stevige kameraad, Hercules,” zei toen Harris, die den neger mat alsof deze te koop ware geweest. “Je zoudt veel opgebracht hebben op de markten van Afrika!””’t Is mogelijk dat ik veel zou kosten,” antwoordde Hercules lachende, “maar de koopers zouden hard moeten loopen, als ze me vangen wilden!”Alles was nu afgesproken en om het vertrek te verhaasten, zette ieder zich aan ’t werk. Men had slechts zooveel voorraad voor den kleinen troep mede te nemen als noodig was voor de reis van de kust naar de hacienda, namelijk slechts voor een tiental dagen.“Maar, voordat we vertrekken, mijnheer Harris,” zeide Mevr. Weldon, “voordat we van uw gastvrijheid gebruik maken, wilde ik u verzoeken de onze aan te nemen. We bieden haar u van harte aan!”“Dat neem ik aan, mevrouw Weldon, volgaarne!” antwoordde Harris opgeruimd.“Binnen eenige minuten zal ons ontbijt klaar zijn.”“Goed, mevrouw Weldon. Ik maak me die tien minuten ten nutte om mijn paard te gaan halen. Hij zal wel ontbeten hebben....”“Wilt u dat ik met u mee ga, mijnheer?”vroeg Dick Sand den Amerikaan.“Zooals ge wilt, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris. “Kom! Ik zal u den loop dezer rivier leeren kennen.”Beiden vertrokken.Gedurende dien tijd werd Hercules uitgezonden om den entomoloog op te zoeken. Neef Benedictus verontrustte zich waarlijk wel over ’t geen rondom hem voorviel! Hij zwierf op dat oogenblik op den top van het rotsachtige strand en zocht naar een insect dat niet te vinden was en dat hij dan ook trouwens niet vond.Hercules nam hem tegen wil en dank mee. Mevr. Weldon vertelde hem dat het vertrek bepaald was en dat ze nu een tiental dagen in het binnenland zouden reizen.Neef Benedictus antwoordde dat hij gereed was om te vertrekken en dat hij met pleizier geheel Amerika wilde doorkruisen als men hem onderweg maar liet verzamelen.Mevr. Weldon hield zich daarop bezig, om met behulp van Nan een krachtig maal gereed te maken. Een goede voorzorg alvorens zich op weg te begeven.In dien tijd was Harris, vergezeld van Dick Sand, den hoek der rotsen omgegaan. Zij volgden den oever een drie honderd schreden ver. Op een zeker punt aangekomen, liet een paard, aan een boom gebonden, bij de nadering van zijn meester, een vroolijk gehinnik hooren.Het was een krachtig dier, van een ras dat Dick Sand niet kende. Met zijn langen hals, zijn korte lenden en uitgestrekt kruis, zijn platte schouders, zijn bijna gebocheld voorhoofd, bood dit paard de onderscheidingskenmerken aan van Arabischen oorsprong.“Ge ziet, mijn jonge vriend,” zei Harris, “dat het een krachtig dier is, en ge kunt er op rekenen dat hij ons onderweg niet in den steek zal laten.”Harris maakte zijn paard los, nam het bij den toom en klom van den steilen oever weder naar omlaag, terwijl hij Dick Sand hierbij voorging. Deze had een vluchtigen blik geworpen, zoowel op de rivier als op het bosch dat haar beide oevers omzoomde. Doch hij zag niets dat hem kon verontrusten.Toen hij zich wederom bij den Amerikaan gevoegd had, deed hij hem evenwel plotseling de volgende vraag, die deze moeilijk had kunnen verwachten.“Hebt u van nacht geen Portugees ontmoet, mijnheer Harris, die zich Negoro noemde?”“Negoro?” antwoordde Harris op een toon van iemand die niet begrijpt wat men wil zeggen. “Wat is er dat voor een, die Negoro?”“Dat was de scheepskok,” antwoordde Dick Sand, “en hij is eensklaps verdwenen.”“Verdronken misschien?” zei Harris.“Neen, neen!” antwoordde Dick Sand. “Gisteren avond was hij nogbij ons, maar van nacht heeft hij ons verlaten en zich waarschijnlijk langs den oever der rivier uit de voeten gemaakt. Daarom vroeg ik of u, die van dezen kant gekomen is, hem niet ontmoet hebt?””’k Heb niemand ontmoet,” antwoordde de Amerikaan, “en als uw kok zich alleen in het bosch gewaagd heeft, is er veel kans dat hij verdwaald is. Misschien nemen we hem onderweg wel op?”“Ja.... misschien!” antwoordde Dick Sand.Bij hun terugkomst vonden zij het ontbijt gereed. Het bestond als het maal van den vorigen avond, uit ingemaakte voedingsmiddelen, pekel-vleesch en beschuit. Harris deed er eer aan als iemand dien de natuur met een flinken eetlust begiftigd heeft.“Kom, kom,” zeide hij, “ik zie dat we onderweg niet van honger zullen omkomen! Dat zal ik niet zeggen van dien armen Portugees, van wien onze jonge vriend me verteld heeft.”“O!” riep Mevr. Weldon uit, “heeft Dick Sand u gezegd dat we Negoro niet terug gezien hebben?”“Ja, mevrouw Weldon,” antwoordde de leerling, “’k Wilde eens hooren of mijnheer Harris hem niet ontmoet had.”“Neen,” antwoordde Harris. “Laten we dus dien deserteur, waar hij is, en houden we ons alleen met het vertrek bezig!—Als ’t u blieft, mevrouw Weldon!”Ieder nam het pak op dat voor hem bestemd was. Herkules hielp Mevr. Weldon te paard en de ondankbare kleine Jack, met zijn geweer aan den schouderriem, zette zich schrijlings, zonder er zelfs aan te denken den man te bedanken, die zulk een uitmuntend rijdier te zijner beschikking stelde.Jack, vóór zijn moeder geplaatst, zeide haar toen dat hij het “paard van den mijnheer” zeer goed mennen kon.Men gaf hem dus den teugel in handen, en natuurlijk twijfelde hij geen oogenblik of hij was het hoofd der karavaan.Zestiende hoofdstuk.Onderweg.Niet zonder eenige bezorgdheid,—die trouwens door niets gerechtvaardigd scheen,—drong Dick Sand, op driehonderd schreden van den steilen oever der rivier, in het dichte woud door, welks moeielijke voetpaden door hem en zijn metgezellen tien dagen lang gevolgd zouden worden.Integendeel was Mevr. Weldon, zij, die als vrouw en moeder, dubbele reden had zich ongerust te maken, vol vertrouwen.Zij had twee zeer ernstige redenen om gerust te zijn: vooreerst werd deze streek der pampa’s niet onveilig gemaakt door inboorlingen, noch door wilde dieren; vervolgens, omdat men onder de leiding van Harris, een gids zoo zeker van zich zelven als de Amerikaan scheen te zijn, niet bevreesd hoefde zijn te verdwalen.De marschorder, die zooveel mogelijk gedurende de reis moest gehandhaafd worden, was de volgende:Aan het hoofd van den kleinen troep hadden zich Dick Sand en Harris gesteld, beiden gewapend, de een met zijn lang geweer, de ander met zijn remmington.Daarna kwamen Bat en Austin, insgelijks gewapend ieder met een geweer en een hartsvanger.Achter hen volgden Mevr. Weldon en de kleine Jack te paard; daarna Nan en Tom.Achteraan werd de marsch gesloten door Actéon, gewapend met een vierde remmington-geweer en door Herkules met een bijl in den gordel.Dingo liep heen en weer en zooals Dick Sand deed opmerken, altijd als een hond die een spoor zocht. Sedert de schipbreuk van dePelgrimden hond op deze kust had geworpen, was hij in zijn wijze van doen geheel veranderd. Hij scheen onrustig en bijna onophoudelijk liet hij een dof gebrom hooren, eer klaaglijk dan woedend. Hoewel niemand het zich kon verklaren, werd het door allen opgemerkt.Wat neef Benedictus betreft, ook deze had men evenmin als aan Dingo een plaats in de marschorde kunnen aanwijzen. Tenzij men hem aan een leibandgehouden had, zou hij haar niet bewaard hebben. Zijn blikken doos met een band over den schouder geslagen, zijn netje in de hand, zijn groot oogglas om den hals gehangen, nu eens achter, dan weder vooraan, kroop hij door het hooge gras, bespiedde hij de orthoptera (rechtvleugelige insecten), of andere insecten op “ptera”, op het gevaar af van zich door de een of andere vergiftige slang te laten bijten.In het eerst maakte Mevr. Weldon zich ongerust en riep hem elk oogenblik, maar niets mocht baten.“Neef Benedict,” zeide zij eindelijk, “’k verzoek u dringend u niet te verwijderen en voor de laatste maal druk ik u op het hart mijn waarschuwing niet in den wind te slaan.”“Maar nicht,” antwoordde de onhandelbare entomoloog, “als ik een insect zie....”“Als u een insect ziet,” hernam Mevr. Weldon,“zult u het arme diertje wel met vrede willen laten of u zult me in de noodzakelijkheid brengen u uw bus te ontnemen!”“Me mijn bus ontnemen!” riep Neef Benedictus uit, alsof het gold hem zijn ingewanden uit het lijf te scheuren.“Uw bus en uw net,” voegde Mevr. Weldon er onmeedoogend bij.“Mijn net, nicht! En waarom niet mijn bril! U zoudt het niet durven! Neen! u zoudt het niet durven!”“En zelfs uw bril, dien vergat ik nog! Ik dank u, neef Benedict, er mij aan te herinneren dat ik het middel had u blind te maken en u daardoor te noodzaken gehoorzaam te zijn!”Na deze driedubbele bedreiging hield neef zich een uur lang bedaard, die ongehoorzame neef. Daarna begon hij opnieuw af te dwalen, en daar hij het toch gedaan zou hebben, ook zonder net, zonder bus en zonder bril, zoo was het maar het best hem zijn gang te laten gaan. Maar Hercules nam op zich speciaal op hem te letten,—’t geen ook meer bijzonder tot zijn taak behoorde,—en men kwam overeen dat hij met hem zou handelen als neef Benedictus met een insect, dat hij hem namelijk, als hij ’t noodig oordeelde, zou vangen en hem even voorzichtig zou terugbrengen als de andere met een zeldzaam exemplaar der lepidoptera (schubvleugeligen) zou gedaan hebben.Nadat dit geregeld was, hield men zich niet meer met neef Benedictus bezig.Men heeft gezien dat de kleine troep goed gewapend en op haar hoede was. Doch, zooals Harris telkens verzekerde, was er geen andere ontmoeting te vreezen dan met zwervende Indianen en waarschijnlijk zou men ook die niet zien.In ieder geval waren de genomen beschikkingen voldoende om dezen des noods in toom te houden.De paden, die door het dichte woud liepen, verdienden dien naam eigenlijk niet. Het waren meer sporen voor dieren dan doorgangen voor menschen. Men kon er dan ook slechts moeielijk op vooruitkomen en daarom had Harris den gemiddelden afstand van vijf tot zes mijlen, dien de kleine troep zou afleggen, dan ook wijselijk op twaalf uren berekend.Het weer was overigens zeer schoon. De zon stond hoog en verspreidde bijna loodrecht haar schitterende stralen. Op de vlakte zou deze warmte onverdraaglijk geweest zijn, ’t geen Harris niet verzuimde te doen opmerken; maar onder dat ondoordringbare dak van bladeren, verdroeg men haar gemakkelijk en ongestraft.De meeste boomen in dit bosch waren, zoowel Mevr. Weldon als haren zwarten en blanken medereizigers, onbekend. Toch zou een deskundige opgemerkt hebben dat zij merkwaardiger waren door hunne hoedanigheid dan door hunne grootte. Hier was het de “bauhinia” of ijzerhout-boom; daar de “molompi”, identisch met den pterocarpus of sandelhoutboom, vast en licht hout, goed om pagaaien of roeiriemen van te maken, en welks stam een groote hoeveelheid hars oplevert: verderop waren het “geelboomen”, vol beladen met hun gele kleurstof, en “pokhoutboomen,” tot twaalf voet dik, maar van mindere hoedanigheid dan de gewone pokhoutboomen.Dick Sand vroeg onder het gaan den naam dezer verschillende houtsoorten.“Zijt ge dan nooit op de kust van Zuid-Amerika geweest?” vroeg Harris hem, alvorens op zijn vragen te antwoorden.“Nooit,” antwoordde de leerling, “nooit was ik op mijn reizen in de gelegenheid deze kusten te bezoeken enom de waarheid te zeggen geloof ik niet dat iemand mij ooit als deskundige er iets van verteld heeft.”“Maar de kusten van Columbië, die van Chili of Patagonië hebt ge toch wel bezocht?”“Neen, nooit.”“Maar Mevr. Weldon heeft misschien dit gedeelte van het nieuwe vasteland bezocht?” vroeg Harris. “De Amerikaansche dames zijn niet bang om een reisje te maken en ongetwijfeld....”“Neen, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon. “De handelsbelangen van mijn man voerden hem nergens dan naar Nieuw-Zeeland en ik ben nergens anders met hem mee geweest. Geen van ons kent dus dit gedeelte van beneden-Bolivia.”“Welnu, mevrouw Weldon, u en uwe reisgenooten, u zult een zonderling land zien, dat zeer verschilt van de streken van Peru, Brazilië of de Argentijnsche Republiek. Zijn bloemen- en dierenschat wekken de verbazing op van den natuurkundige. Men kan met recht zeggen dat u op een goede plaats schipbreuk hebt geleden, en als men ooit het toeval mag dankzeggen....””’k Geloof liever dat het niet het toeval is, dat ons geleid heeft, mijnheer Harris, maar God.”“Ja, ja, God!” antwoordde Harris, op den toon van iemand die niet veel hecht aan de tusschenkomst der Voorzienigheid in de wereldsche zaken.Daar dus niemand van den kleinen troep noch het land, noch zijn voortbrengselen kende, maakte Harris er zich een waar genoegen van om de vreemdste boomen van het woud op te noemen.Het was waarlijk jammer dat neef Benedictus behalve entomoloog ook niet botanist was! Had hij tot nog toe geen zeldzame of nieuwe insecten gevonden, in plantenkunde zou hij prachtige ontdekkingen gedaan hebben. Er was een rijkdom van planten en gewassen van allerlei grootte, welks bestaan in de tropische wouden der Nieuwe-Wereld nog niet vastgesteld had kunnen worden. Neef Benedictus zou anders zeker zijn naam aan eenig voortbrengsel van het plantenrijk geschonken en hem daardoor vereeuwigd hebben. Maar hij hield niet van de kruidkunde en wist er ook niets van. Hij had zelfs, zeer natuurlijk, een afkeer van bloemen, onder voorwendsel dat er waren die zich veroorloven de insecten in haar bloemkronen op te sluiten en ze met haar giftige sappen te dooden.Het bosch was somtijds moerassig en overal met dunne waterstraaltjes doorsneden, die door de kleine rivier gevormd werden. Eenige dezer beken waren wat breeder, en konden slechts op sommige plaatsen doorwaad worden.Langs haar oevers groeiden bundels biezen, waaraan Harris den naam van papyrus gaf. Hij vergiste zich niet en deze grasachtige planten schoten in overvloed van onder den vochtigen waterkant uit.Na het moeras, overdekte het dichte geboomte opnieuw de smalle paden van het bosch.Harris deed aan Mevr. Weldon en aan Dick Sand zeer schoone ebbenhoutboomen opmerken, dikker dan de gewone ebbenboom en die zwarter en harder hout opleveren dan het hout dat gewoonlijk in den handel voorkomt. Verder waren het mangoboomen, die nog talrijk voorkwamen, alhoewel zij vrij ver van de zee af waren. Zij waren als bekleed met verfmos dat langs de stammen tot de takken opklom. Door hun dichte schaduw, hun heerlijke vruchten, mochten zij met recht kostbare boomen heeten en toch, zoo vertelde Harris, zou geen inlander er de soort van durven voortplanten. “Die een mangoboom plant, sterft!” Dat was de bijgeloovige machtspreuk van het land.Op den middag van deze eerste dagreis, begon de kleine troep, na een poos halt gehouden te hebben, een licht hellend terrein te beklimmen. Het waren nog de hellingen niet van de keten op den voorgrond, maar een soort van golvend bergvlak dat de vlakte met de bergen verbond.Daar zouden de iets minder dicht staande boomen, hier en daar in groepen vereenigd, het gaan gemakkelijker gemaakt hebben, indien de bodem niet met grasachtige planten bedekt was. Men zou zich daar in de bamboes- en kreupelbosschen van Oost-Indië gewaand hebben. De plantengroei scheen minder weelderig dan in de lage vallei van de kleine rivier, maar toch nog weelderiger dan die der gematigde luchtstreken van de Oude of de NieuweWereld. De indigo groeide er rijkelijk en volgens Harris ging deze plant met recht voor de weelderigst groeiende plant van het land door. Niet zoodra werd er een veld verlaten of deze woekerplant, die daar even veracht wordt als de distel of netel bij ons, maakte er zich dadelijk meester van.Eén boom scheen er in dit bosch te ontbreken, die in dit gedeelte van het nieuwe vasteland zeer algemeen had moeten voorkomen. Het was de caoutchouc-boom. Werkelijk zijn de “ficus prinoïdes,” de “castilloa elastica,” de “cecropia peltato,” de “collophora utilis,” de “emeraria latifolia,” en vooral de “syphonia elastica,” die tot verschillende familiën behooren, in de provinciën van Zuid-Amerika rijkelijk voorhanden. En toch zag men er—vreemd genoeg—geen enkele.Nu had Dick Sand juist aan zijn kleinen vriend Jack beloofd hem caoutchouc-boomen te laten zien. Hoe groot was dus nu de teleurstelling voor den kleinen jongen, die zich verbeeldde dat de kalbasflesschen, de sprekende poppen, de gelede hansworsten en de elastieke ballen, heel natuurlijk aan die boomen groeiden. Hij beklaagde er zich bitter over.“Geduld maar, mannetje!” zei Harris tot hem. “We zullen van die caoutchoucfiguren bij honderden, in den omtrek der hacienda vinden!”“Van die mooie, echt elastieke?” vroeg de kleine Jack.“Zoo elastiek mogelijk.—Maar kom, wil ik je al vast eens een lekkere vrucht geven om je dorst te lesschen?”En dit zeggende plukte Harris van een boom eenige vruchten die zoo saprijk als perziken waren.“Is u wel zeker, mijnheer Harris,” vroeg Mevr. Weldon, “dat deze vrucht niet ongezond is?””’k Zal u geruststellen, mevrouw,” antwoordde de Amerikaan die met smaak in een van deze vruchten beet. “’t Is een mango.”En zonder zich langer te bedenken, volgde de kleine Jack het voorbeeld van Harris. Hij verklaarde dat “die peren” zeer lekker waren, zoodat de boom dadelijk schatting moest betalen.Deze mangoboomen behooren tot de soort welker vruchten in Maart en April rijp zijn, terwijl andere het eerst in September zijn, en bijgevolg waren hun mango’s juist goed.“Ja! dat ’s lekker!” zei de kleine Jack, met den mond vol. “Maar mijn vriend Dick heeft me caoutchouc-speelgoed beloofd, als ik zoet was, en nu wil ik het hebben!”“Je zult het hebben, Jack,” antwoordde Mevr. Weldon, “mijnheer Harris belooft het u immers.“Maar dat is ’t niet alleen,” hernam Jack, “mijn vriend Dick heeft me nog meer beloofd!”“Wat heeft je vriend Dick je dan nog meer beloofd?” vroeg Harris glimlachende.“Vliegenvogeltjes, mijnheer.”“En je zult vliegenvogeltjes ook hebben, mijn ventje, maar verder op.... verder!” antwoordde Harris.Nu had de kleine Jack werkelijk het recht eenige van die bekoorlijke kolibrietjes te vorderen, want hij bevond zich in een land waar zij in overvloed moesten voorkomen. De Indianen, die de kunst verstaan hun veeren te vlechten, hebben de dichterlijkste namen aan deze juweelen van vogeltjes gegeven. Zij noemen ze of de “stralen” of “de haren der zon.” Hier is het “de kleine koning der bloemen,” daar, “de hemelsche bloem, die in haar vlucht de aardsche bloem komt liefkoozen.” Dan weder noemen zij den kolibri “de bundel edelgesteenten, die in de stralen der zon schittert!” Men kan zelfs aannemen dat hun verbeelding voor ieder der honderd vijftig soorten waaruit dit bewonderenswaardige geslacht der kolibries bestaat een nieuwe dichterlijke benaming heeft weten te vinden.Hoe talrijk nu evenwel deze vliegenvogeltjes in de bosschen van Bolivia hadden moeten zijn, moest de kleine Jack zich vooralsnog met de belofte van Harris vergenoegen. Volgens den Amerikaan was men nog te dicht bij de kust en hielden de kolibries niet van deze woeste streken, zoo dicht bij den Oceaan. De tegenwoordigheid van den mensch verschrikte ze niet en in de hacienda hoorde men den ganschen dag niets anders, dan hun geschreeuw van “téretére”, en het gegons hunner vleugels, gelijk aan dat van een spinnewiel.“O! hoe graag was ik er al!” riep dekleine Jack uit.Het zekerste middel spoedig aan de hacienda van San-Felice te zijn, was zich onderweg niet op te houden. Mevr. Weldon en haar reisgenooten besteedden dus slechts den kortst mogelijken tijd aan den slaap.Het bosch veranderde reeds van gedaante. Hier en daar vertoonden zich reeds open plekken tusschen het minder dichte geboomte. De bodem, die nu en dan door het grastapijt heendrong, vertoonde nu zijn samenstelling uit rooskleurig graniet, gelijk aan vakken lapis-lazuli. Op eenige hoogten woekerden de salsaparrilla (steekwinde), een plant met vleeschachtige knollen, die een onbegrijpelijke verwarde massa vormden. Dan was het bosch met zijn smalle voetpaden ver te verkiezen.Vóór het ondergaan der zon bevond zich de kleine troep op ongeveer acht mijlen van het punt waarvan zij vertrokken was.Deze tocht was zonder eenige bijzondere gebeurtenis en zelfs zonder groote vermoeienis afgelegd geworden. Weliswaar was het de eerste dagreis en de volgende marschen zouden ongetwijfeld vermoeiender zijn.Met algemeen goedvinden besloot men op deze plaats halt te houden. Zij wilden nu geen eigenlijk kamp inrichten, maar eenvoudig een plek in orde brengen om te rusten. Eén man, die om de twee uur afgelost werd, zou voldoende zijn om ’s nachts wacht te houden, daar noch de inlanders, noch de wilde dieren werkelijk te vreezen waren.Men vond niets beters voor schuilplaats dan een kolossale mangoboom, welks uitgebreide, zeer dichte takken een soort van natuurlijke veranda vormden. Desnoods had men zich in zijn loof kunnen nestelen.Alleenlijk deed zich bij de aankomst van den kleinen troep een oorverdoovend concert in den top van den boom hooren.De mangoboom diende tot verblijf van een gansche kolonie veelkleurige papegaaien, babbelachtige, twistzieke, wreede vogels, die andere levende vogels aanvallen, en waarin men zich als men ze wilde beoordeelen naar haar familieleden die in Europa in kooien gehouden worden, schromelijk zou bedriegen.Deze papegaaien maakten zulk een geraas, dat Dick Sand er over dacht een geweerschot op hen te lossen, om ze tot zwijgen te brengen of op de vlucht te jagen. Maar Harris ried het hem af, onder voorwendsel dat het beter was in deze eenzame streken zijn tegenwoordigheid door de losbarsting van een vuurwapen niet te verraden.“Laten we ons stil houden,” zei hij “dan hebben we geen gevaar te vreezen.”Terstond hield men zich nu bezig met het bereiden van den avondmaaltijd zonder dat men zelfs noodig had tot het koken der spijzen over te gaan. Het souper bestond namelijk uit ingemaakt voedsel en uit beschuit. Een beekje dat zich door het gras kronkelde, verschafte drinkbaar water, ’t welk men echter niet dronk, zonder er eenige druppels rum bijgevoegd te hebben. En wat het dessert betreft, de mangoboom bood in overvloed zijn saprijke vruchten aan, die de papegaaien evenwel niet lieten plukken zonder er door een vervaarlijk geschreeuw tegen op te komen.Toen het souper was afgeloopen, begon de avond te vallen. De duisternis verhief zich langzaam van den grond naar den top der boomen, waarvan het gebladerte zich weldra sterk tegen den nog helderen hemel afteekende. De eerste sterren geleken op schitterende bloemen, die aan het eind der hoogste takken glinsterden. De wind ging met den naderenden nacht liggen en suisde niet meer in de twijgen. Zelfs de papegaaien waren stom geworden. De natuur sliep in en noodigde alle levende wezens uit, haar in haren diepen slaap te volgen.De toebereidselen voor het nachtverblijf konden niet dan hoogst eenvoudig zijn.“Zouden we van nacht geen groot vuur aansteken?” vroeg Dick Sand den Amerikaan.“Waarom?” antwoordde Harris. “De nachten zijn gelukkig niet koud en onze kolossale mangoboom zal den grond voor uitdamping bewaren. We behoeven noch voor kou, noch voor vochtigheid bang te zijn. Nogmaals zeg ik u, wat ik u straks zeide! Laten we ons incognito houden. Geen vuur, noch geweervuur, of er moet nood zijn.”“Ik geloof nu ook wel,” zei Mevrouw Weldon, “dat we niets van de Indianenen zelfs van de woudloopers te vreezen hebben, waarvan u ons vertelde, mijnheer Harris. Maar zijn er nog geen andere loopers, op vier pooten, die het gezicht van een vuur op een afstand houdt?”“Mevrouw Weldon,” antwoordde de Amerikaan, “u doet de wilde dieren van dit land te veel eer aan! Werkelijk zijn zij banger voor den mensch dan deze voor hen!”“We zijn in een bosch,” zei Jack, “en er zijn altijd dieren in de bosschen.”“Er zijn bosschen en bosschen, mijn jongen, zooals er dieren en dieren zijn!” antwoordde Harris lachende. “Verbeeld je dat je in een groot park bent. Inderdaad zeggen de Indianen niet zonder reden van dit land: ‘Es como el paradiso!’ Het is als een aardsch paradijs!”“Zouden er dan ook geen slangen zijn?”“Neen, Jack, er zijn geen slangen, je kunt gerust slapen,” antwoordde Mevr. Weldon.“En leeuwen dan?” vroeg Jack.“Geen schaduw van leeuwen mannetje!” antwoordde Harris.“Tijgers dan?”“Vraag eens aan je Mama, of ze ooit gehoord heeft dat er tijgers in dit land zijn.”“Nooit,” antwoordde Mevr. Weldon.“Nu goed!” zei neef Benedictus, die bij toeval op de hoogte van het gesprek was, “al zijn er dan geen tijgers of geen leeuwen in de Nieuwe-Wereld, wat volkomen waar is, dan vindt men er toch conguars en jaguars.”“Zijn die ondeugend?” vroeg de kleine Jack.“Ondeugend?” antwoordde Harris, “één inlander durft die dieren wel aanvallen en wij zijn niet zoo velen,—Hercules alleen is sterk genoeg om twee jaguars tegelijk te verbrijzelen, een met elke hand!”“Zal je goed oppassen, Hercules,” zei toen de kleine Jack, “en als je een beest ziet dat komt om ons te bijten....”“Dan zal ik het bijten, mijnheer Jack!” antwoordde Hercules, zijn mond met prachtige tanden gewapend, openend.“Ja, je zult oppassen, Hercules,” zei de leerling, “maar je kameraden en ik, we zullen je om beurten aflossen.”“Neen, mijnheer Dick,” antwoordde Actéon. “Hercules, Bat, Austin en ik, we kunnen dat werk met ons vieren best af, u gaat den geheelen nacht maar gerust slapen.””’k Dank u, Actéon,” antwoordde Dick Sand, “maar ik moet....”“Neen! Laat die goede menschen doen zooals ze willen, waarde Dick!” zei toen Mevr. Weldon.“Ik zal ook de wacht houden!” voegde de kleine Jack er nog bij, wiens oogleden zich reeds sloten.“Ja, ja, Jack jij zult ook de wacht houden!” antwoordde zijn moeder die hem niet wilde tegenspreken.“Maar,” zei de kleine jongen toen weder, “al zijn er geen leeuwen en al zijn er geen tijgers in het bosch, dan zijn er toch wel wolven!””’t Zijn er ook wolven naar!” antwoordde de Amerikaan, “’t Zijn zelfs geen wolven, maar een soort van vossen, of liever van die boschhonden die men ‘guara’s’ noemt.“En die guara’s, die bijten dan toch?” vroeg de kleine Jack.“Kom, kom! Dingo zou die beesten in eens ophappen!””’t Doet er niet toe,” antwoordde Jack, al geeuwende, “guara’s zijn toch wolven, omdat men ze wolven noemt!”En daarop sliep Jack gerust in, in de armen van Nan, die tegen den stam van den mangoboom zat geleund. Mevr. Weldon, bij haar uitgestrekt, gaf haren kleinen jongen nog een kus en ook hààr vermoeide oogen sloten zich weldra.Eenige oogenblikken later bracht Hercules neef Benedictus naar de rustplaats terug; hij was juist weggeslopen om een jacht op de “cocuyo’s” of vuurvliegen te beginnen, die de elegante dames in het haar dragen, als zooveel levende edelgesteenten. Deze insecten, die een helder, blauwachtig licht verspreiden uit twee onder hun borstschild gelegen vlekjes, zijn zeer talrijk in Zuid-Amerika. Neef Benedictus meende er dus een goeden voorraad van op te doen; maar Hercules liet er hem den tijd niet toe, en bracht hem, ondanks zijn tegenstribbelen, naar de halte terug. Want als Hercules een consigne had, dan bracht hij het op militaire wijze ten uitvoer,—’t geen voorzeker een aanzienlijk aantal lichtvliegen van gevangenschap redde in de blikken bus van den entomoloog.Eenige oogenblikken later waren allen,uitgenomen de reus die de wacht hield, gerust ingeslapen.Zeventiende hoofdstuk.Honderd mijlen in tien dagen.Gewoonlijk worden de boschreizigers of woudloopers, die in de bosschen onder den blooten hemel geslapen hebben, gewekt door een fantastisch en onaangenaam gehuil. Er is van alles in dit morgenconcert, gekakel, geknor, gekras, gegrinnik, geblaf en bijna “gepraat”, als men dat zoo noemen mag, dat de reeks van al deze verschillende geluiden besluit.Het zijn de apen, die op deze wijze het begin van den dag in het woud begroeten. Daar ontmoet men de kleine “marikina”, de gestreepte meerkat, de “grijze mono”, wiens huid de Indianen gebruiken om het slot hunner geweren te bedekken, de sagoe’s, herkenbaar aan hunne twee lange haarbossen en nog vele andere soorten van die talrijke familie.Van al die vierhandige dieren zijn de “guéribas”, met den grijpstaart en het Beëlzebub-gezicht ontegenzeglijk de merkwaardigste. Zoodra de zon opkomt, heft de oudste van den troep met indrukwekkende en sombere stem een eentonig psalmgezang aan. Hij is de bariton van de bende. De jonge tenors herhalen na hem de morgen-symphonie. De Indianen zeggen dan dat de guériba’s “hun paternosters opzeggen”.Maar dien morgen scheen het dat de apen hun gewoon gebed niet deden, want men hoorde ze niet en toch hebben zij een vèr klinkende stem, want het geluid ontstaat door de snelle trilling van een soort van beenachtige trommel, gevormd door een uitzetting van het tongbeen.In één woord, wegens de een of andere reden hielden noch de guériba’s, noch de sagoe’s, noch de andere vierhandige dieren van dat onmetelijke woud dien morgen hun gewoon concert.Dat zou den zwervenden Indianen niet bijzonder bevallen zijn. Niet omdat deze inboorlingen zoo bijzonder gesteld zijn op deze soort van koraalmuziek, maar omdat zij gaarne jacht maken op de apen, wier vleesch, vooral gekookt, uitmuntend is.Dick Sand en zijn reisgenooten waren zeker niet bekend met deze gewoonten der guériba’s, want dan zou het voor hen een reden tot verwondering geweest zijn ze niet te hooren. Zij ontwaakten dus de een na den ander, verkwikt door die weinige uren slaap, die door geen enkel alarm was gestoord geworden.De kleine Jack was niet de laatste om zich uit te rekken. Zijn eerste vraag was of Hercules ’s nachts ook een wolf had opgegeten. Geen wolf had zich vertoond en bijgevolg had Hercules nog niet ontbeten.Dit was trouwens met allen het geval en na het morgengebed hield Nan zich bezig met het toebereiden van den maaltijd.De spijskaart was dezelfde als die van het souper van den vorigen dag, maar met den eetlust, die door de morgenlucht van het bosch gescherpt was, dacht niemand er aan om in dit opzicht lastig te zijn. Het was vóór alles noodig kracht op te doen voor een flinken dagmarsch en dit werd dan ook terecht door allen begrepen. Voor het eerst misschien snapte neef Benedictus dat eten geen onverschillige of nuttelooze verrichting van het leven was. Alleen verklaarde hij dat hij dit land niet was komen “bezoeken”, om er met de handen in de zakken in rond te wandelen en dat, zoodra Hercules hem weer belette jacht te maken op de cocuyo’s en andere vuurvliegen, Hercules met hem, neef Benedictus, zou te doen hebben.Deze bedreiging scheen den reus nog al geen bijzondere vrees in te boezemen. Evenwel nam Mevr. Weldon hem ter zijde en zeide hem dat hij haar groot kind maar wat rechts en links moest laten rondloopen, maar hem toch niet uit het oog verliezen. Men diende neef Benedictus niet geheel en al de genoegens te onthouden, op zijn leeftijd zoo natuurlijk.Ten zeven ure ’s morgens hernam de kleine troep den weg naar het oosten en behield daarbij dezelfde orde in het marcheeren als den vorigen dag.Nog altijd niets dan bosch. Op dien maagdelijken grond waar warmte en vochtigheid zich vereenigden om den plantengroei sneller te doen ontwikkelen, was het wel te denken dat het plantenrijkzich in al zijn rijkdom zou voordoen. De parallel van dat uitgestrekte bergvlak liep bijna ineen met de tropische breedten en de zon schoot er gedurende eenige maanden van den zomer haar loodrechte stralen. Er was dus een ontzaglijke warmtevoorraad in de terreinen opgestapeld, welker ondergrond vochtig bleef. Ook was er niets prachtiger om te aanschouwen dan die opeenvolging van bosschen of liever dat eindelooze woud.Toch had Dick Sand het volgende opgemerkt, namelijk dat men zich in de streek der pampa’s bevond. Nu is pampa een woord uit de taal “quichna”, dat “vlakte” beteekent. En, indien zijn geheugen hem niet bedroog, meende hij zich te herinneren dat die vlakten de volgende kenmerken aanboden: gebrek aan water, afwezigheid van boomen, gemis aan steenen; verder een weelderigen overvloed van distels in het regenseizoen, distels, die in het warme jaargetijde struiken worden en alsdan ondoordringbare kreupelbosschen vormen, dan ook dwergboompjes, doornachtige struiken, wat vereenigd, aan deze vlakten een dor en woest voorkomen verleent.Nu was dit, sedert de kleine troep onder het geleide van den Amerikaan het kustland verlaten had, geenszins het geval. Altoos bleef het woud zich tot de grenzen van den horizon uitstrekken. Dat kon onmogelijk de pampa zijn zooals de leerling zich die had voorgesteld. Had het dan werkelijk de natuur behaagd om, zooals Harris gezegd had, een afzonderlijke streek te maken van die hoogvlakte van Atacama, waarvan hij overigens niets anders wist dan dat zij een der uitgestrektste woestijnen van Zuid-Amerika, tusschen de Andes en de Stille Zuidzee vormde?Dick Sand wierp dienzelfden dag eenige vragen over dit onderwerp op en gaf den Amerikaan zijn verwondering over dit zonderling voorkomen der pampa te kennen.Maar hij werd dadelijk door Harris uit den waan geholpen, die hen over dit gedeelte van Bolivia de nauwkeurigste bijzonderheden mededeelde en daardoor bewijzen gaf van zijn groote kennis van het land.“Ge hebt gelijk, mijn jonge vriend,” zei hij tot den leerling. “De werkelijke pampa is wel degelijk zoo als de reisbeschrijvingen haar u hebben afgeschilderd, dat is te zeggen een vrij dorre vlakte, die dikwijls moeilijk te bereizen is. Zij doet ons denken aan onze prairiën van Noord-Amerika,—met het onderscheid dat deze wat moerassiger zijn. Ja, zoodanig is wel de pampa van den Rio-Colorado; zoodanig zijn de ‘Llanos’ van den Orinoco en van Venezuela. Maar hier zijn we in een landstreek welker voorkomen me zelf doet verbaasd staan. ’t Is waar, ’t is de eerste keer dat ik dezen weg over het bergvlak neem, omdat hij het voordeel heeft onze reis te verkorten. Maar al heb ik de eigenlijke pampa nog nooit gezien, weet ik toch wel dat deze streek zeer van haar verschilt. Wat de pampa aangaat, ge zoudt haar vinden, niet tusschen de Cordilleras van het westen en de hooge keten der Andes, maar aan gene zijde der bergen, op het geheel oostelijk gedeelte van het vasteland dat zich uitstrekt tot den Atlantischen Oceaan.”“Moeten we de keten der Andes overtrekken?” vroeg Dick Sand levendig.“Wel neen, mijn jonge vriend, wel neen,” antwoordde de Amerikaan glimlachend. “’k Zei: ge zoudt haar vinden, en niet: ge zult haar vinden. Stel je gerust, we verlaten dit bergvlak niet, waarvan de grootste hoogten zich niet boven de vijftien honderd voet verheffen. Als we de Cordilleras hadden moeten overtrekken met de eenvoudige middelen van vervoer waarover we beschikken, zou ik je nooit tot een dergelijke onderneming hebben overgehaald.”“Dan zou het ook waarlijk beter zijn geweest,” antwoordde Dick Sand, “noordelijk of zuidelijk de kust te volgen.”“O! honderdmaal beter!” hernam Harris. “Maar de hacienda van San-Felice is aan deze zijde van de Cordilleras gelegen. Onze reis zal dus evenmin nu, als later, eenige wezenlijke moeilijkheid opleveren.”“En vreest u niet te verdwalen in de bosschen die u voor ’t eerst doortrekt?” vroeg Dick Sand.“Neen, mijn jonge vriend, neen,” antwoordde Harris. “’k Weet wel dat zulk een woud als een onmetelijke zee is, of liever als de bodem eener zee, waar zelfs een zeeman geen hoogte zoukunnen nemen om zijn positie te verkennen. Maar, ik ben gewoon in de bosschen te reizen, en heb niets noodig om mijn weg te vinden als de schikking van zekere boomen, de richting hunner bladeren, de gedaante of de samenstelling van den bodem, een menigte bijzonderheden die u ontgaan! Wees er zeker van dat ik u en de uwen zal brengen waar ge wezen wilt!”Dit alles werd zeer stellig door Harris gezegd. Dick Sand en hij liepen vooraan en praatten dikwijls, zonder dat iemand zich in hun gesprek mengde. Mocht de leerling soms al eens eenige zorg hebben, die de Amerikaan niet altijd kon verdrijven, dan hield hij die liever voor zich.De 8e, 9e, 10e,11e en 12e April verliepen op deze wijze zonder dat er iets bijzonders op de reis voorviel. Men legde niet meer dan acht of negen mijlen per twaalf uur af. De oogenblikken aan den maaltijd of aan de rust gewijd, volgden elkander geregeld op, en hoewel zich reeds eenige vermoeienis begon te openbaren, was de gezondheidstoestand nog zeer voldoende.De kleine Jack had wel wat te lijden tengevolge van dit leven in de bosschen, waaraan hij niet gewoon was en dat zeer eentonig voor hem werd. En daarbij was men al de beloften die men hem gedaan had niet nagekomen. De mannetjes van caoutchouc, de vliegenvogeltjes, dat alles scheen hoe langer zoo meer op den achtergrond te geraken. Er was ook sprake geweest hem de prachtigste papegaaien van de wereld te laten zien en zij moesten in deze rijke bosschen niet ontbreken. Waar waren ze dan nu, die papegaaien met hun groen gevederte, bijna alle uit deze streken afkomstig, de ara’s met kale wangen, zeer lange puntige staarten en schitterende kleuren, wier pooten nooit den grond aanraken, en de camindé’s, die meer bijzonder tot de tropische gewesten behooren, verder de veelkleurige langstaartpapegaaien, met het gevederde gelaat, en eindelijk al die snapachtige vogels die, naar het zeggen der Indianen, nog de taal der uitgestorven stammen spreken?Van papegaaien zag de kleine Jack slechts de jako’s of ongekuifde aschkleurige boomlorries, met rooden staart, die onder de boomen krioelden. Maar deze jako’s waren niet nieuw voor hem. Zij zijn door de geheele wereld verspreid. In alle deelen der aarde doen zij de huizen van hun onverdraaglijk gekakel weergalmen en van de gansche familie der “psittacini”, zijn zij het gemakkelijkst praten te leeren.Doch, Jack was niet de eenige die ontevreden was, neef Benedictus was het ook. Men had hem onderweg wat heen en weer laten loopen en evenwel vond hij geen enkel insect dat waardig was zijn verzameling te verrijken. ’s Avonds weigerden zelfs de vuurvliegen hardnekkig zich aan hem te vertoonen en hem door hun lichtgevende borstschilden aan te trekken. De natuur scheen waarlijk den spot te drijven met den ongelukkigen entomoloog, wiens humeur onuitstaanbaar werd.Nog vier dagen lang bleven zij den marsch onder dezelfde omstandigheden voortzetten. Den 16en April moest men den van de kust af aan afgelegden weg op niet minder dan honderd mijlen schatten. Indien Harris niet verdwaald was,—en hij verzekerde dit zonder aarzelen,—dan was de hacienda van San-Felice niet meer dan twintig mijlen verwijderd van het punt waar de halte dien dag gehouden werd. Nog omstreeks acht-en-veertig uren en de kleine troep zou een veilig dak vinden, waaronder hij eindelijk van zijn vermoeienissen zou kunnen uitrusten.Alhoewel zij nu de hoogvlakte in haar gansche uitgestrektheid waren doorgetrokken, hadden zij geen enkelen inboorling, geen enkelen zwervenden Indiaan in het onmetelijk woud ontmoet.Meermalen had Dick Sand, zonder er iets van te zeggen, spijt gevoeld dat zij niet op een andergedeelteder kust gestrand waren! Meer ten zuiden of meer ten noorden zouden zij in overvloed gehuchten, dorpen en plantages op hun weg ontmoet en Mevr. Weldon en haar reisgenooten een schuilplaats gevonden hebben.Maar, scheen deze streek al door den mensch verlaten te zijn, met de dieren was dit in de laatste dagen geenszins het geval. Somwijlen hoorde men een langgerekten klagenden kreet, dien Harris toeschreef aan eenige van die groote luiaards, de gewone gasten van die uitgestrekte boschachtigestrekendie men “ai’s” noemt.Dien zelfden dag liet zich ook, onder de middaghalte een gefluit in de lucht hooren, zoo vreemd klinkend, dat Mevr. Weldon er zich ongerust over maakte.“Wat is dat?” vroeg zij, opspringende.“Een slang!” riep Dick Sand, terwijl hij met zijn geladen geweer zich voor Mevr. Weldon wierp.En werkelijk kon het zeer goed zijn dat er eenig kruipend gedierte in het gras tot nabij de plaats der halte was geslopen. Er was niets vreemds in gelegen dat het een dier enorme “sukuru’s”, een soort van boa’s was, die somtijds veertig voet lengte hebben.Maar Harris herinnerde dadelijk Dick Sand, dat de negers reeds volgden en hij stelde Mevr. Weldon gerust.Volgens hem had geen sukuru dit gefluit kunnen voortbrengen, omdat deze slang niet fluit, maar het verkondigde de tegenwoordigheid van zekere onschadelijke viervoetige dieren, die vrij talrijk in dit land zijn.“Verontrust u dus niet,” zeide hij, “en maak vooral geen beweging, die de dieren kan doen verschrikken.”“Maar welke dieren zijn het toch?” vroeg Dick Sand, die het zich tot wet maakte den Amerikaan te ondervragen en te doen spreken, terwijl deze zich trouwens nooit liet bidden om hem te antwoorden.“Het zijn antilopen, mijn jonge vriend,”antwoordde Harris.“O! wat zou ik ze graag eens zien!” riep Jack.“Dat zal moeielijk gaan, mijn ventje,” antwoordde de Amerikaan, “zeer moeielijk!”“Zouden we niet kunnen probeeren die fluitende antilopen te naderen?” hernam Dick Sand.“O! ge zoudt geen drie stappen gedaan hebben,” antwoordde de Amerikaan het hoofd schuddend, “of de gansche troep zou op de vlucht gaan! ’k Raad je dus je niet te bewegen!”Maar Dick Sand had zijn redenen om nieuwsgierig te zijn. Hij wilde zien, en met het geweer in de hand, sloop hij in het gras. Onmiddellijk vlogen een dozijn bevallige gazellen, met kleine puntige horens bliksemsnel voorbij. De helroode kleur van hun haar teekende zich als een vurige wolk tegen het geboomte af.“Ik heb het je wel gezegd,” zei Harris, toen de leerling zijn plaats weder innam.Was het wezenlijk onmogelijk deze antilopen door hun verbazende vlugheid duidelijk te onderscheiden, zoo was dit niet het geval met een anderen troep dieren, die denzelfden dag werden opgemerkt. Die dieren kon men, hoewel onvolkomen, zien, maar hun verschijning gaf aanleiding tot een vrij zonderlinge woordenwisseling tusschen Harris en eenigen zijner metgezellen.De kleine troep had zich tegen vier uur ’s avonds een oogenblik op een open plek in het bosch opgehouden, toen drie of vier ontzaglijk groote beesten uit een kreupelbosch op een honderd schreden van hen af te voorschijn kwamen en oogenblikkelijk met verwonderlijke snelheid op de vlucht gingen.Ondanks de aanbevelingen van den Amerikaan had de leerling vlug zijn geweer aangelegd en op een dezer dieren vuur gegeven. Maar, op het oogenblik dat het schot afging, was het wapen snel door Harris afgewend en Dick Sand had, hoe handig hij ook was, zijn doel gemist.“Geen geweerschoten! geen geweerschoten!” zei de Amerikaan.“Maar, dat zijn giraffen!” riep Dick Sand uit, zonder iets anders op de opmerking van Harris te antwoorden.“Giraffen!” herhaalde Jack, terwijl hij zich op zijn zaal oprichtte. “Waar zijn ze gebleven, die groote dieren?”“Giraffen!”antwoordde Mevr. Weldon. “Je vergist je, mijn waarde Dick. Er zijn geen giraffen in Amerika.”“U hebt gelijk,” zei Harris, die mede verbaasd scheen, “er kunnen geen giraffen in dit land zijn!”“Maar hoe dan?....” zei Dick Sand.”’k Weet waarlijk niet wat ik er van denken moet!” antwoordde Harris. “Heeft je gezicht je niet bedrogen en zouden die dieren geen struisvogels geweest zijn?”“Struisvogels!” herhaalden Dick Sand en Mevr. Weldon, terwijl zij elkander zeer verwonderd aankeken.“Ja, eenvoudig struisvogels,” herhaalde Harris.“Maar struisvogels zijn vogels,” hernam Dick Sand, “en ze hebben maar twee pooten!”“Welnu,” antwoordde Harris, “’k meende juist te zien dat de dieren die daar zoo snel op de vlucht gingen, tweebeenige waren!”“Tweebeenige dieren!” herhaalde de leerling.“Me dunkt toch dat ik beesten met vier pooten gezien heb,” zei Mevr. Weldon.“Ik ook,” voegde de oude Tom er bij, wiens woorden door Bat, Actéon en Austin bevestigd werden.“Viervoetige struisvogels!” riep Harris lachend uit. “Dat zou nog al aardig zijn!”“Ook meenden we,” hernam Dick Sand, “dat het giraffen en geen struisvogels waren.”“Neen, mijn jonge vriend, neen!” zei Harris. “Je hebt stellig verkeerd gezien, maar dat laat zich best verklaren door de snelheid waarmee die beesten op de vlucht zijn gegaan.’t Is trouwens jagers meermalen overkomen zich even als gij te vergissen!”Wat de Amerikaan zeide, was zeer aannemelijk. Tusschen een grooten struisvogel en een giraffe van gemiddelde grootte, op zekeren afstand gezien, is het gemakkelijk zich te vergissen. Of ze een bek of een snuit aan het eind van hun langen naar achteren gebogen hals hebben, is op een afstand niet zoo gemakkelijk te onderscheiden en desnoods zoude men kunnen zeggen dat een struisvogel slechts een halve giraffe is. De achterpooten ontbreken hem slechts. Dit tweebeenig en dit vierbeenig dier, onvoorzien snel voorbijgaande, kunnen desnoods met elkander verward worden.Het beste bewijs overigens dat Mevr. Weldon en de anderen zich vergisten is, dat er geen giraffen in Amerika zijn.Dick Sand maakte toen de volgende opmerking:“Maar ik dacht dat er evenmin struisvogels als giraffen in de Nieuwe wereld zijn?”“Ja wel, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris, “en juist bezit Zuid-Amerika er een bijzondere soort van. Tot deze soort behoort de ‘nandoe’, die je daar zoo even gezien hebt!”Harris had gelijk. De nandoe is een steltlooper, die in de vlakten van Zuid-Amerika vrij veel voorkomt, en zijn vleesch, vooral van een jong dier, is een zeer goed voedsel. Dit sterke dier, dat somtijds twee vademen hoog is, heeft een rechten bek, lange vleugels, bestaande uit dichte vederen van blauwachtige kleur, de pooten gevormd uit drie vingers met nagels voorzien,—hetgeen hem duidelijk onderscheidt van de struisvogels van Afrika.Deze zeer nauwkeurige bijzonderheden werden door Harris medegedeeld, die bijzonder goed op de hoogte van de gewoonten der nandoes bleek. Mevr. Weldon en haar reisgenooten moesten toestemmen dat zij zich vergist hadden.”’t Is bovendien zeer goed mogelijk dat we nog een anderen troep van die struisvogels ontmoeten. Mocht dat zoo zijn, kijk dan beter en zie nooit meer vogels voor viervoetige dieren aan! Maar vooral, mijn jonge vriend, vergeet mijn raad niet en schiet op geen dieren meer! ’t Is gelukkig niet noodig dat we jagen om ons levensmiddelen te verschaffen.... en nog eens, de losbarsting van een vuurwapen moet onze tegenwoordigheid in dit bosch niet verraden.”Dick Sand bleef evenwel in gedachten verzonken. Andermaal kwam twijfel bij hem op.Den volgenden dag, den 17en April, werd de reis hervat en verzekerde de Amerikaan, dat nu geen vier-en-twintig uren meer zouden verloopen of de kleine troep zou in de hacienda van San-Felice gehuisvest zijn.“Dáár, Mevr. Weldon,” voegde hij er bij, “zult u al de zorg ontvangen die uw toestand vereischt. Eenige dagen van rust moeten u weer geheel opknappen. Misschien zult u in die hoeve wel niet de weelde vinden, waaraan u in uw woning te San-Francisco gewoon zijt, maar u zult zien dat het in de woningen op onze ontginningen in het binnenland niet aan de geriefelijkheden des levens ontbreekt. We zijn nu juist niet heelemaal wilden.”“Mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon, “al kunnen we niet anders dan u dankzeggen voor uw edelmoedige hulp, zoo doen we dat althans van ganscher harte. Ja! ’t is tijd dat we aankomen!”“Gevoelt u zich bijzonder vermoeid, mevrouw Weldon?”“Aan mij is niets gelegen!” antwoordde Mevr. Weldon, “maar ik merk dat mijn kleine Jack langzamerhand uitgeput raakt! De koorts begint hem tusschenbeide beet te nemen!”“Ja,” antwoordde Harris, “en ofschoon het klimaat van dit bergvlak zeer gezond is, kan het niet ontkend worden dat er in Maart en April tusschenpoozende koortsen heerschen.”“Dat is zeker,” zei nu Dick Sand, “maar de steeds zorgende natuur heeft dan ook weder hier het geneesmiddel voor de kwaal bij de hand!”“En hoe dat, mijn jonge vriend?” vroeg Harris, die zich onwetend hield.“Zijn we dan hier niet in de streek der kinasoorten?” vroeg Dick Sand.”’t Is waar ook,” zei Harris, “je hebt volkomen gelijk. De boomen die den kostbaren kinabast verschaffen, zijn hier thuis.””’k Heb me al verwonderd dat ik er nog geen gezien heb,” hernam Dick Sand.“Ja, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris, “die boomen zijn zoo gemakkelijk niet te onderscheiden. Hoewel zij dikwijls vrij hoog en hun bladeren groot zijn, hun bloemen rooskleurig en heerlijk van geur, ontdekt men ze toch niet gemakkelijk. Zeldzaam ontmoet men ze in groepen. Ze zijn eerder hier en daar in het bosch verspreid, zoo dat de Indianen die de kina inoogsten, ze niet anders dan aan hun altijd groene bladeren herkennen.”“Zoudt u zoo goed willen zijn, mijnheer Harris,” zei Mevr. Weldon, “om, als u een van die boomen ziet, hem mij dan te wijzen?”“Welzeker, mevrouw Weldon, maar u zult in de hacienda sulphas chinini vinden en dat zout is nog beter om de koorts te verdrijven dan de eenvoudige bast van een boom.”1Deze laatste dagreis liep zonder eenig bijzonder voorval ten einde. De avond kwam en de gewone toebereidselen voor den nacht werden gemaakt. Tot nog toe had het niet geregend, doch het weder scheen te zullen veranderen, want er steeg een warme walm uit den bodem op, die weldra in een dikken mist overging.Men naderde nu werkelijk het regenseizoen. Gelukkig zou den volgenden dag een geriefelijk thuis aan den kleinen troep worden aangeboden. Nog eenige uren slechts moesten er verloopen.Alhoewel men volgens Harris, die zijn berekening niet anders kon maken dan naar den tijd dat de reis geduurd had, niet verder dan zes mijlen van de hacienda kon verwijderd zijn, werden de gewone voorzorgen voor den nacht genomen. Tom en zijn kameraden zouden om beurten wacht houden. Dick Sand was er op gesteld dat niets in dit opzicht verzuimd werd. Minder dan ooit wilde hij zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verliezen, want een vreeselijk vermoeden had in zijn gemoed wortel geschoten, maar hij wilde nog niets zeggen.De rustplaats voor den nacht bevond zich aan den voet van een groep groote boomen. Tengevolge van sterke vermoeidheid waren Mevr. Weldon en de haren reeds in slaap, toen zij door een luiden kreet gewekt werden.“Wat is er?” vroeg Dick Sand, die de eerste van allen, onmiddellijk overeind was.“Ik ben het! ik heb geschreeuwd!” antwoordde neef Benedictus.“En wat scheelt er aan?” vroeg Mevr. Weldon.”’k Ben daar juist gebeten!”“Door een slang....? vroeg Mevr. Weldon verschrikt.“Neen, neen! ’t Is geen slang, maar een insect,” antwoordde Benedictus. “Daar heb ik hem, ik heb ’m.”“Welnu, dood het dan, je insect,” zei Harris, “en laat ons gerust slapen, mijnheer Benedict!”“Een insect dood maken!” riep neef Benedictus. “Verstrekt niet! ’k moet eens zien wat het is!”“Een muskiet!” zei Harris, de schouders ophalende.“Welnu! ’t is een vlieg,” antwoordde neef Benedictus, “en zeker een heel vreemde!”Dick Sand had een klein zaklantaarntje aangestoken en ging er mee naar den lastigen neef.“Groote goedheid!” riep deze uit. “Dat maakt al mijn teleurstellingen goed! Eindelijk heb ik dan toch een ontdekking gedaan!”De geestvervoering van den goeden man grensde aan waanzin. Hij beschouwde zijn vlieg met zegevierende blikken! Hij had ze wel willen kussen!“Maar wat is het dan toch?” vroeg Mevrouw Weldon.“Een diptera (tweevleugelig insect) nicht, een prachtige diptera!”En neef Benedictus liet haar een vlieg zien, kleiner dan een bij, van een doffe kleur en aan het onderste gedeelte van haar lichaam geel gestreept.“Die vlieg is toch niet vergiftig?” vroeg Mevr. Weldon.“Neen, nicht, neen, althans niet voor menschen. Maar voor dieren, zooals voor antilopen, voor buffels, zelfs voor olifanten, is ’t wat anders!”“Maar zeg ons nu eindelijk toch eens welke vlieg het is,” zei Dick Sand.“Die vlieg,” antwoordde de entomoloog, “die vlieg, die ik hier tusschen mijn vingers heb, die vlieg! is een tsetsé!.... Dat is de vermaarde diptera, de roem van haar land, maar toch wel vreemd, tot nog toe heeft men nog nooit een tsetsé in Amerika gevonden!”Dick Sand had den moed niet neef Benedictus te vragen in welk werelddeel die geduchte tsetsé alleen wordt aangetroffen!En toen zijn reisgenooten, na dit voorval, hun afgebroken slaap hervat hadden, deed Dick Sand, ondanks zijn zware vermoeidheid, den ganschen nacht geen oog meer dicht!
Mevr. Weldon dankte den Amerikaan.
“U kunt me niet beter bedanken dan door mijn voorstel aan te nemen,” antwoordde Harris. “’k Heb wel nooit dit bosch doorkruist maar ik geloof toch wel er mijn weg in te zullen vinden, omdat ik zoo gewoon ben in de pampa te reizen. Maar er is een ernstiger zaak te bespreken, die der levensmiddelen namelijk. Ik heb slechts het hoog noodige om de hacienda van San-Felice te bereiken....”
“Wat dat aangaat, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon, “we hebben gelukkig meer dan genoeg levensmiddelenen ’t zal ons genoegen doen ze met u te deelen.”
“Als dat zoo is, mevrouw Weldon, dunkt me dat alles zich best zal schikken en we maar vertrekken moesten.”
Harris wilde nu zijn paard gaan halen op de plaats waar hij het gelaten had, toen Dick Sand hem nog even ophield om hem een vraag te doen.
Het beviel den jeugdigen leerling niet bijzonder, de kuststreek te verlaten, om zoover in het binnenland door te dringen. De zeeman kwam bij hem boven en hij had liever de reis langs de kust genomen.
“Mijnheer Harris,” zeide hij, “waarom, in plaats van honderd twintig mijlen in de woestijn van Atacama af te leggen, niet liever de kust gevolgd? Was het niet beter de dichtstbij zijnde stad te bereiken, het zij ten noorden, hetzij ten zuiden?”
“Maar, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris, het voorhoofd licht fronsende. “’k geloof niet dat er op een afstand van drie of vier honderd mijlen een stad op deze kust is, die ik—het is waar—zeer weinig ken.”
“Ten noorden, ja,” antwoordde Dick Sand, “maar ten zuiden?....”
“Ten zuiden,” hernam de Amerikaan, “zouden we tot Chili de kust moeten afzakken. Nu is die afstand bijna even ver, en in uw plaats zou ik liever niet langs de pampa’s van de Argentijnsche Republiek willen reizen. Wat mij betreft, tot mijn groote spijt, zou ik u niet kunnen vergezellen.”
“Gaan dan de schepen, die van Chili naar Peru varen, niet in ’t gezicht van deze kust voorbij?” vroeg daarop Mevr. Weldon.
“Neen,” antwoordde Harris. “Zij kiezen liever het ruime sop en u hebt er ook zeker geen ontmoet.”
“Dat is ook zoo,” antwoordde Mevr. Weldon.”—“Nu, Dick, heb je nog iets aan mijnheer Harris te vragen?”
“Nog een enkele vraag, mevrouw Weldon,” antwoordde de leerling, die noode toestemde, “’k Wilde mijnheer Harris nog vragen in welke haven hij denkt dat we een schip kunnen vinden om naar San-Francisco terug te keeren?”
“Dat zou ik u waarlijk niet kunnen zeggen, mijn jonge vriend,” antwoordde de Amerikaan. “Alles wat ik weet, is dat we u op de hacienda van San-Felice de middelen zullen verschaffen de stad Atacama te bereiken, en van daar....”
“Mijnheer Harris,” zei nu Mevr. Weldon, “meen niet dat Dick Sand aarzelt uw aanbod aan te nemen!”
“Neen, mevrouw Weldon, neen, ik aarzel niet,” antwoordde de leerling, “maar ’t spijt me zoo dat we niet eenige graden meer ten noorden of ten zuiden gestrand zijn! We zouden dan dichter bij een haven geweest zijn en door deze omstandigheden niet hebben behoeven gebruik te maken van den goeden wil van mijnheer Harris, omdat we dan gemakkelijker naar ons vaderland hadden kunnen terugkeeren.”
“Beschik vrij over mij, mevrouw Weldon,” hernam Harris. “Ik zeg nog eens, dat ik maar al te zelden in de gelegenheid ben eens landgenooten te ontmoeten. ’t Is voor mij een wezenlijk genoegen u te verplichten.”
“We nemen uw aanbod aan, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon, “maar ’k zou u toch niet gaarne van uw paard willen berooven. ’k Ben een goede voetgangster....”
“En ik een zeer goede voetganger,” antwoordde Harris buigende, “’k Ben aan lange marschen door de pampa’s gewoon en ik zal geen vertraging in onze karavaan brengen. Neen, mevrouw Weldon, u en uw kleine Jack zult u van dat paard bedienen. ’t Is trouwens ook mogelijk dat we onderweg eenige bedienden van de hacienda ontmoeten, en daar deze gewoonlijk te paard zitten, kunnen ze ons hunne paarden afstaan.”
Dick Sand zag nu zeer goed in, dat hij door nieuwe tegenwerpingen te maken Mevr. Weldon geen pleizier zou doen.
“Wanneer vertrekken we, mijnheer Harris?” vroeg hij.
“Van daag nog, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris. “De regentijd begint met April en we moeten het mogelijke doen om vóór dien tijd de hacienda van San-Felice te bereiken. De weg door het woud is nog de kortste en misschien ook de veiligste. Hij is minder dan de kust blootgesteld aan de invallen der zwervende Indianen, die onverbeterlijke plunderaars zijn.”
“Tom, mijn vrienden,” zei nu Dick Sand zich tot de negers wendende, “er blijft ons nu slechts over de toebereidselentot het vertrek te maken. Kiest dus uit den scheepsvoorraad, wat het gemakkelijkst te vervoeren is, en laten we pakken maken, waarvan ieder zijn deel moet dragen.”
“Mijnheer Dick,” zei Hercules, “als u ’t wilt, zal ik alles wel dragen!”
“Neen, mijn brave Hercules!” antwoordde de leerling, “’t Is beter dat we den last onder ons verdeelen.”
“Je bent een stevige kameraad, Hercules,” zei toen Harris, die den neger mat alsof deze te koop ware geweest. “Je zoudt veel opgebracht hebben op de markten van Afrika!”
”’t Is mogelijk dat ik veel zou kosten,” antwoordde Hercules lachende, “maar de koopers zouden hard moeten loopen, als ze me vangen wilden!”
Alles was nu afgesproken en om het vertrek te verhaasten, zette ieder zich aan ’t werk. Men had slechts zooveel voorraad voor den kleinen troep mede te nemen als noodig was voor de reis van de kust naar de hacienda, namelijk slechts voor een tiental dagen.
“Maar, voordat we vertrekken, mijnheer Harris,” zeide Mevr. Weldon, “voordat we van uw gastvrijheid gebruik maken, wilde ik u verzoeken de onze aan te nemen. We bieden haar u van harte aan!”
“Dat neem ik aan, mevrouw Weldon, volgaarne!” antwoordde Harris opgeruimd.
“Binnen eenige minuten zal ons ontbijt klaar zijn.”
“Goed, mevrouw Weldon. Ik maak me die tien minuten ten nutte om mijn paard te gaan halen. Hij zal wel ontbeten hebben....”
“Wilt u dat ik met u mee ga, mijnheer?”vroeg Dick Sand den Amerikaan.
“Zooals ge wilt, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris. “Kom! Ik zal u den loop dezer rivier leeren kennen.”
Beiden vertrokken.
Gedurende dien tijd werd Hercules uitgezonden om den entomoloog op te zoeken. Neef Benedictus verontrustte zich waarlijk wel over ’t geen rondom hem voorviel! Hij zwierf op dat oogenblik op den top van het rotsachtige strand en zocht naar een insect dat niet te vinden was en dat hij dan ook trouwens niet vond.
Hercules nam hem tegen wil en dank mee. Mevr. Weldon vertelde hem dat het vertrek bepaald was en dat ze nu een tiental dagen in het binnenland zouden reizen.
Neef Benedictus antwoordde dat hij gereed was om te vertrekken en dat hij met pleizier geheel Amerika wilde doorkruisen als men hem onderweg maar liet verzamelen.
Mevr. Weldon hield zich daarop bezig, om met behulp van Nan een krachtig maal gereed te maken. Een goede voorzorg alvorens zich op weg te begeven.
In dien tijd was Harris, vergezeld van Dick Sand, den hoek der rotsen omgegaan. Zij volgden den oever een drie honderd schreden ver. Op een zeker punt aangekomen, liet een paard, aan een boom gebonden, bij de nadering van zijn meester, een vroolijk gehinnik hooren.
Het was een krachtig dier, van een ras dat Dick Sand niet kende. Met zijn langen hals, zijn korte lenden en uitgestrekt kruis, zijn platte schouders, zijn bijna gebocheld voorhoofd, bood dit paard de onderscheidingskenmerken aan van Arabischen oorsprong.
“Ge ziet, mijn jonge vriend,” zei Harris, “dat het een krachtig dier is, en ge kunt er op rekenen dat hij ons onderweg niet in den steek zal laten.”
Harris maakte zijn paard los, nam het bij den toom en klom van den steilen oever weder naar omlaag, terwijl hij Dick Sand hierbij voorging. Deze had een vluchtigen blik geworpen, zoowel op de rivier als op het bosch dat haar beide oevers omzoomde. Doch hij zag niets dat hem kon verontrusten.
Toen hij zich wederom bij den Amerikaan gevoegd had, deed hij hem evenwel plotseling de volgende vraag, die deze moeilijk had kunnen verwachten.
“Hebt u van nacht geen Portugees ontmoet, mijnheer Harris, die zich Negoro noemde?”
“Negoro?” antwoordde Harris op een toon van iemand die niet begrijpt wat men wil zeggen. “Wat is er dat voor een, die Negoro?”
“Dat was de scheepskok,” antwoordde Dick Sand, “en hij is eensklaps verdwenen.”
“Verdronken misschien?” zei Harris.
“Neen, neen!” antwoordde Dick Sand. “Gisteren avond was hij nogbij ons, maar van nacht heeft hij ons verlaten en zich waarschijnlijk langs den oever der rivier uit de voeten gemaakt. Daarom vroeg ik of u, die van dezen kant gekomen is, hem niet ontmoet hebt?”
”’k Heb niemand ontmoet,” antwoordde de Amerikaan, “en als uw kok zich alleen in het bosch gewaagd heeft, is er veel kans dat hij verdwaald is. Misschien nemen we hem onderweg wel op?”
“Ja.... misschien!” antwoordde Dick Sand.
Bij hun terugkomst vonden zij het ontbijt gereed. Het bestond als het maal van den vorigen avond, uit ingemaakte voedingsmiddelen, pekel-vleesch en beschuit. Harris deed er eer aan als iemand dien de natuur met een flinken eetlust begiftigd heeft.
“Kom, kom,” zeide hij, “ik zie dat we onderweg niet van honger zullen omkomen! Dat zal ik niet zeggen van dien armen Portugees, van wien onze jonge vriend me verteld heeft.”
“O!” riep Mevr. Weldon uit, “heeft Dick Sand u gezegd dat we Negoro niet terug gezien hebben?”
“Ja, mevrouw Weldon,” antwoordde de leerling, “’k Wilde eens hooren of mijnheer Harris hem niet ontmoet had.”
“Neen,” antwoordde Harris. “Laten we dus dien deserteur, waar hij is, en houden we ons alleen met het vertrek bezig!—Als ’t u blieft, mevrouw Weldon!”
Ieder nam het pak op dat voor hem bestemd was. Herkules hielp Mevr. Weldon te paard en de ondankbare kleine Jack, met zijn geweer aan den schouderriem, zette zich schrijlings, zonder er zelfs aan te denken den man te bedanken, die zulk een uitmuntend rijdier te zijner beschikking stelde.
Jack, vóór zijn moeder geplaatst, zeide haar toen dat hij het “paard van den mijnheer” zeer goed mennen kon.
Men gaf hem dus den teugel in handen, en natuurlijk twijfelde hij geen oogenblik of hij was het hoofd der karavaan.
Niet zonder eenige bezorgdheid,—die trouwens door niets gerechtvaardigd scheen,—drong Dick Sand, op driehonderd schreden van den steilen oever der rivier, in het dichte woud door, welks moeielijke voetpaden door hem en zijn metgezellen tien dagen lang gevolgd zouden worden.
Integendeel was Mevr. Weldon, zij, die als vrouw en moeder, dubbele reden had zich ongerust te maken, vol vertrouwen.
Zij had twee zeer ernstige redenen om gerust te zijn: vooreerst werd deze streek der pampa’s niet onveilig gemaakt door inboorlingen, noch door wilde dieren; vervolgens, omdat men onder de leiding van Harris, een gids zoo zeker van zich zelven als de Amerikaan scheen te zijn, niet bevreesd hoefde zijn te verdwalen.
De marschorder, die zooveel mogelijk gedurende de reis moest gehandhaafd worden, was de volgende:
Aan het hoofd van den kleinen troep hadden zich Dick Sand en Harris gesteld, beiden gewapend, de een met zijn lang geweer, de ander met zijn remmington.
Daarna kwamen Bat en Austin, insgelijks gewapend ieder met een geweer en een hartsvanger.
Achter hen volgden Mevr. Weldon en de kleine Jack te paard; daarna Nan en Tom.
Achteraan werd de marsch gesloten door Actéon, gewapend met een vierde remmington-geweer en door Herkules met een bijl in den gordel.
Dingo liep heen en weer en zooals Dick Sand deed opmerken, altijd als een hond die een spoor zocht. Sedert de schipbreuk van dePelgrimden hond op deze kust had geworpen, was hij in zijn wijze van doen geheel veranderd. Hij scheen onrustig en bijna onophoudelijk liet hij een dof gebrom hooren, eer klaaglijk dan woedend. Hoewel niemand het zich kon verklaren, werd het door allen opgemerkt.
Wat neef Benedictus betreft, ook deze had men evenmin als aan Dingo een plaats in de marschorde kunnen aanwijzen. Tenzij men hem aan een leibandgehouden had, zou hij haar niet bewaard hebben. Zijn blikken doos met een band over den schouder geslagen, zijn netje in de hand, zijn groot oogglas om den hals gehangen, nu eens achter, dan weder vooraan, kroop hij door het hooge gras, bespiedde hij de orthoptera (rechtvleugelige insecten), of andere insecten op “ptera”, op het gevaar af van zich door de een of andere vergiftige slang te laten bijten.
In het eerst maakte Mevr. Weldon zich ongerust en riep hem elk oogenblik, maar niets mocht baten.
“Neef Benedict,” zeide zij eindelijk, “’k verzoek u dringend u niet te verwijderen en voor de laatste maal druk ik u op het hart mijn waarschuwing niet in den wind te slaan.”
“Maar nicht,” antwoordde de onhandelbare entomoloog, “als ik een insect zie....”
“Als u een insect ziet,” hernam Mevr. Weldon,“zult u het arme diertje wel met vrede willen laten of u zult me in de noodzakelijkheid brengen u uw bus te ontnemen!”
“Me mijn bus ontnemen!” riep Neef Benedictus uit, alsof het gold hem zijn ingewanden uit het lijf te scheuren.
“Uw bus en uw net,” voegde Mevr. Weldon er onmeedoogend bij.
“Mijn net, nicht! En waarom niet mijn bril! U zoudt het niet durven! Neen! u zoudt het niet durven!”
“En zelfs uw bril, dien vergat ik nog! Ik dank u, neef Benedict, er mij aan te herinneren dat ik het middel had u blind te maken en u daardoor te noodzaken gehoorzaam te zijn!”
Na deze driedubbele bedreiging hield neef zich een uur lang bedaard, die ongehoorzame neef. Daarna begon hij opnieuw af te dwalen, en daar hij het toch gedaan zou hebben, ook zonder net, zonder bus en zonder bril, zoo was het maar het best hem zijn gang te laten gaan. Maar Hercules nam op zich speciaal op hem te letten,—’t geen ook meer bijzonder tot zijn taak behoorde,—en men kwam overeen dat hij met hem zou handelen als neef Benedictus met een insect, dat hij hem namelijk, als hij ’t noodig oordeelde, zou vangen en hem even voorzichtig zou terugbrengen als de andere met een zeldzaam exemplaar der lepidoptera (schubvleugeligen) zou gedaan hebben.
Nadat dit geregeld was, hield men zich niet meer met neef Benedictus bezig.
Men heeft gezien dat de kleine troep goed gewapend en op haar hoede was. Doch, zooals Harris telkens verzekerde, was er geen andere ontmoeting te vreezen dan met zwervende Indianen en waarschijnlijk zou men ook die niet zien.
In ieder geval waren de genomen beschikkingen voldoende om dezen des noods in toom te houden.
De paden, die door het dichte woud liepen, verdienden dien naam eigenlijk niet. Het waren meer sporen voor dieren dan doorgangen voor menschen. Men kon er dan ook slechts moeielijk op vooruitkomen en daarom had Harris den gemiddelden afstand van vijf tot zes mijlen, dien de kleine troep zou afleggen, dan ook wijselijk op twaalf uren berekend.
Het weer was overigens zeer schoon. De zon stond hoog en verspreidde bijna loodrecht haar schitterende stralen. Op de vlakte zou deze warmte onverdraaglijk geweest zijn, ’t geen Harris niet verzuimde te doen opmerken; maar onder dat ondoordringbare dak van bladeren, verdroeg men haar gemakkelijk en ongestraft.
De meeste boomen in dit bosch waren, zoowel Mevr. Weldon als haren zwarten en blanken medereizigers, onbekend. Toch zou een deskundige opgemerkt hebben dat zij merkwaardiger waren door hunne hoedanigheid dan door hunne grootte. Hier was het de “bauhinia” of ijzerhout-boom; daar de “molompi”, identisch met den pterocarpus of sandelhoutboom, vast en licht hout, goed om pagaaien of roeiriemen van te maken, en welks stam een groote hoeveelheid hars oplevert: verderop waren het “geelboomen”, vol beladen met hun gele kleurstof, en “pokhoutboomen,” tot twaalf voet dik, maar van mindere hoedanigheid dan de gewone pokhoutboomen.
Dick Sand vroeg onder het gaan den naam dezer verschillende houtsoorten.
“Zijt ge dan nooit op de kust van Zuid-Amerika geweest?” vroeg Harris hem, alvorens op zijn vragen te antwoorden.
“Nooit,” antwoordde de leerling, “nooit was ik op mijn reizen in de gelegenheid deze kusten te bezoeken enom de waarheid te zeggen geloof ik niet dat iemand mij ooit als deskundige er iets van verteld heeft.”
“Maar de kusten van Columbië, die van Chili of Patagonië hebt ge toch wel bezocht?”
“Neen, nooit.”
“Maar Mevr. Weldon heeft misschien dit gedeelte van het nieuwe vasteland bezocht?” vroeg Harris. “De Amerikaansche dames zijn niet bang om een reisje te maken en ongetwijfeld....”
“Neen, mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon. “De handelsbelangen van mijn man voerden hem nergens dan naar Nieuw-Zeeland en ik ben nergens anders met hem mee geweest. Geen van ons kent dus dit gedeelte van beneden-Bolivia.”
“Welnu, mevrouw Weldon, u en uwe reisgenooten, u zult een zonderling land zien, dat zeer verschilt van de streken van Peru, Brazilië of de Argentijnsche Republiek. Zijn bloemen- en dierenschat wekken de verbazing op van den natuurkundige. Men kan met recht zeggen dat u op een goede plaats schipbreuk hebt geleden, en als men ooit het toeval mag dankzeggen....”
”’k Geloof liever dat het niet het toeval is, dat ons geleid heeft, mijnheer Harris, maar God.”
“Ja, ja, God!” antwoordde Harris, op den toon van iemand die niet veel hecht aan de tusschenkomst der Voorzienigheid in de wereldsche zaken.
Daar dus niemand van den kleinen troep noch het land, noch zijn voortbrengselen kende, maakte Harris er zich een waar genoegen van om de vreemdste boomen van het woud op te noemen.
Het was waarlijk jammer dat neef Benedictus behalve entomoloog ook niet botanist was! Had hij tot nog toe geen zeldzame of nieuwe insecten gevonden, in plantenkunde zou hij prachtige ontdekkingen gedaan hebben. Er was een rijkdom van planten en gewassen van allerlei grootte, welks bestaan in de tropische wouden der Nieuwe-Wereld nog niet vastgesteld had kunnen worden. Neef Benedictus zou anders zeker zijn naam aan eenig voortbrengsel van het plantenrijk geschonken en hem daardoor vereeuwigd hebben. Maar hij hield niet van de kruidkunde en wist er ook niets van. Hij had zelfs, zeer natuurlijk, een afkeer van bloemen, onder voorwendsel dat er waren die zich veroorloven de insecten in haar bloemkronen op te sluiten en ze met haar giftige sappen te dooden.
Het bosch was somtijds moerassig en overal met dunne waterstraaltjes doorsneden, die door de kleine rivier gevormd werden. Eenige dezer beken waren wat breeder, en konden slechts op sommige plaatsen doorwaad worden.
Langs haar oevers groeiden bundels biezen, waaraan Harris den naam van papyrus gaf. Hij vergiste zich niet en deze grasachtige planten schoten in overvloed van onder den vochtigen waterkant uit.
Na het moeras, overdekte het dichte geboomte opnieuw de smalle paden van het bosch.
Harris deed aan Mevr. Weldon en aan Dick Sand zeer schoone ebbenhoutboomen opmerken, dikker dan de gewone ebbenboom en die zwarter en harder hout opleveren dan het hout dat gewoonlijk in den handel voorkomt. Verder waren het mangoboomen, die nog talrijk voorkwamen, alhoewel zij vrij ver van de zee af waren. Zij waren als bekleed met verfmos dat langs de stammen tot de takken opklom. Door hun dichte schaduw, hun heerlijke vruchten, mochten zij met recht kostbare boomen heeten en toch, zoo vertelde Harris, zou geen inlander er de soort van durven voortplanten. “Die een mangoboom plant, sterft!” Dat was de bijgeloovige machtspreuk van het land.
Op den middag van deze eerste dagreis, begon de kleine troep, na een poos halt gehouden te hebben, een licht hellend terrein te beklimmen. Het waren nog de hellingen niet van de keten op den voorgrond, maar een soort van golvend bergvlak dat de vlakte met de bergen verbond.
Daar zouden de iets minder dicht staande boomen, hier en daar in groepen vereenigd, het gaan gemakkelijker gemaakt hebben, indien de bodem niet met grasachtige planten bedekt was. Men zou zich daar in de bamboes- en kreupelbosschen van Oost-Indië gewaand hebben. De plantengroei scheen minder weelderig dan in de lage vallei van de kleine rivier, maar toch nog weelderiger dan die der gematigde luchtstreken van de Oude of de NieuweWereld. De indigo groeide er rijkelijk en volgens Harris ging deze plant met recht voor de weelderigst groeiende plant van het land door. Niet zoodra werd er een veld verlaten of deze woekerplant, die daar even veracht wordt als de distel of netel bij ons, maakte er zich dadelijk meester van.
Eén boom scheen er in dit bosch te ontbreken, die in dit gedeelte van het nieuwe vasteland zeer algemeen had moeten voorkomen. Het was de caoutchouc-boom. Werkelijk zijn de “ficus prinoïdes,” de “castilloa elastica,” de “cecropia peltato,” de “collophora utilis,” de “emeraria latifolia,” en vooral de “syphonia elastica,” die tot verschillende familiën behooren, in de provinciën van Zuid-Amerika rijkelijk voorhanden. En toch zag men er—vreemd genoeg—geen enkele.
Nu had Dick Sand juist aan zijn kleinen vriend Jack beloofd hem caoutchouc-boomen te laten zien. Hoe groot was dus nu de teleurstelling voor den kleinen jongen, die zich verbeeldde dat de kalbasflesschen, de sprekende poppen, de gelede hansworsten en de elastieke ballen, heel natuurlijk aan die boomen groeiden. Hij beklaagde er zich bitter over.
“Geduld maar, mannetje!” zei Harris tot hem. “We zullen van die caoutchoucfiguren bij honderden, in den omtrek der hacienda vinden!”
“Van die mooie, echt elastieke?” vroeg de kleine Jack.
“Zoo elastiek mogelijk.—Maar kom, wil ik je al vast eens een lekkere vrucht geven om je dorst te lesschen?”
En dit zeggende plukte Harris van een boom eenige vruchten die zoo saprijk als perziken waren.
“Is u wel zeker, mijnheer Harris,” vroeg Mevr. Weldon, “dat deze vrucht niet ongezond is?”
”’k Zal u geruststellen, mevrouw,” antwoordde de Amerikaan die met smaak in een van deze vruchten beet. “’t Is een mango.”
En zonder zich langer te bedenken, volgde de kleine Jack het voorbeeld van Harris. Hij verklaarde dat “die peren” zeer lekker waren, zoodat de boom dadelijk schatting moest betalen.
Deze mangoboomen behooren tot de soort welker vruchten in Maart en April rijp zijn, terwijl andere het eerst in September zijn, en bijgevolg waren hun mango’s juist goed.
“Ja! dat ’s lekker!” zei de kleine Jack, met den mond vol. “Maar mijn vriend Dick heeft me caoutchouc-speelgoed beloofd, als ik zoet was, en nu wil ik het hebben!”
“Je zult het hebben, Jack,” antwoordde Mevr. Weldon, “mijnheer Harris belooft het u immers.
“Maar dat is ’t niet alleen,” hernam Jack, “mijn vriend Dick heeft me nog meer beloofd!”
“Wat heeft je vriend Dick je dan nog meer beloofd?” vroeg Harris glimlachende.
“Vliegenvogeltjes, mijnheer.”
“En je zult vliegenvogeltjes ook hebben, mijn ventje, maar verder op.... verder!” antwoordde Harris.
Nu had de kleine Jack werkelijk het recht eenige van die bekoorlijke kolibrietjes te vorderen, want hij bevond zich in een land waar zij in overvloed moesten voorkomen. De Indianen, die de kunst verstaan hun veeren te vlechten, hebben de dichterlijkste namen aan deze juweelen van vogeltjes gegeven. Zij noemen ze of de “stralen” of “de haren der zon.” Hier is het “de kleine koning der bloemen,” daar, “de hemelsche bloem, die in haar vlucht de aardsche bloem komt liefkoozen.” Dan weder noemen zij den kolibri “de bundel edelgesteenten, die in de stralen der zon schittert!” Men kan zelfs aannemen dat hun verbeelding voor ieder der honderd vijftig soorten waaruit dit bewonderenswaardige geslacht der kolibries bestaat een nieuwe dichterlijke benaming heeft weten te vinden.
Hoe talrijk nu evenwel deze vliegenvogeltjes in de bosschen van Bolivia hadden moeten zijn, moest de kleine Jack zich vooralsnog met de belofte van Harris vergenoegen. Volgens den Amerikaan was men nog te dicht bij de kust en hielden de kolibries niet van deze woeste streken, zoo dicht bij den Oceaan. De tegenwoordigheid van den mensch verschrikte ze niet en in de hacienda hoorde men den ganschen dag niets anders, dan hun geschreeuw van “téretére”, en het gegons hunner vleugels, gelijk aan dat van een spinnewiel.
“O! hoe graag was ik er al!” riep dekleine Jack uit.
Het zekerste middel spoedig aan de hacienda van San-Felice te zijn, was zich onderweg niet op te houden. Mevr. Weldon en haar reisgenooten besteedden dus slechts den kortst mogelijken tijd aan den slaap.
Het bosch veranderde reeds van gedaante. Hier en daar vertoonden zich reeds open plekken tusschen het minder dichte geboomte. De bodem, die nu en dan door het grastapijt heendrong, vertoonde nu zijn samenstelling uit rooskleurig graniet, gelijk aan vakken lapis-lazuli. Op eenige hoogten woekerden de salsaparrilla (steekwinde), een plant met vleeschachtige knollen, die een onbegrijpelijke verwarde massa vormden. Dan was het bosch met zijn smalle voetpaden ver te verkiezen.
Vóór het ondergaan der zon bevond zich de kleine troep op ongeveer acht mijlen van het punt waarvan zij vertrokken was.Deze tocht was zonder eenige bijzondere gebeurtenis en zelfs zonder groote vermoeienis afgelegd geworden. Weliswaar was het de eerste dagreis en de volgende marschen zouden ongetwijfeld vermoeiender zijn.
Met algemeen goedvinden besloot men op deze plaats halt te houden. Zij wilden nu geen eigenlijk kamp inrichten, maar eenvoudig een plek in orde brengen om te rusten. Eén man, die om de twee uur afgelost werd, zou voldoende zijn om ’s nachts wacht te houden, daar noch de inlanders, noch de wilde dieren werkelijk te vreezen waren.
Men vond niets beters voor schuilplaats dan een kolossale mangoboom, welks uitgebreide, zeer dichte takken een soort van natuurlijke veranda vormden. Desnoods had men zich in zijn loof kunnen nestelen.
Alleenlijk deed zich bij de aankomst van den kleinen troep een oorverdoovend concert in den top van den boom hooren.
De mangoboom diende tot verblijf van een gansche kolonie veelkleurige papegaaien, babbelachtige, twistzieke, wreede vogels, die andere levende vogels aanvallen, en waarin men zich als men ze wilde beoordeelen naar haar familieleden die in Europa in kooien gehouden worden, schromelijk zou bedriegen.
Deze papegaaien maakten zulk een geraas, dat Dick Sand er over dacht een geweerschot op hen te lossen, om ze tot zwijgen te brengen of op de vlucht te jagen. Maar Harris ried het hem af, onder voorwendsel dat het beter was in deze eenzame streken zijn tegenwoordigheid door de losbarsting van een vuurwapen niet te verraden.
“Laten we ons stil houden,” zei hij “dan hebben we geen gevaar te vreezen.”
Terstond hield men zich nu bezig met het bereiden van den avondmaaltijd zonder dat men zelfs noodig had tot het koken der spijzen over te gaan. Het souper bestond namelijk uit ingemaakt voedsel en uit beschuit. Een beekje dat zich door het gras kronkelde, verschafte drinkbaar water, ’t welk men echter niet dronk, zonder er eenige druppels rum bijgevoegd te hebben. En wat het dessert betreft, de mangoboom bood in overvloed zijn saprijke vruchten aan, die de papegaaien evenwel niet lieten plukken zonder er door een vervaarlijk geschreeuw tegen op te komen.
Toen het souper was afgeloopen, begon de avond te vallen. De duisternis verhief zich langzaam van den grond naar den top der boomen, waarvan het gebladerte zich weldra sterk tegen den nog helderen hemel afteekende. De eerste sterren geleken op schitterende bloemen, die aan het eind der hoogste takken glinsterden. De wind ging met den naderenden nacht liggen en suisde niet meer in de twijgen. Zelfs de papegaaien waren stom geworden. De natuur sliep in en noodigde alle levende wezens uit, haar in haren diepen slaap te volgen.
De toebereidselen voor het nachtverblijf konden niet dan hoogst eenvoudig zijn.
“Zouden we van nacht geen groot vuur aansteken?” vroeg Dick Sand den Amerikaan.
“Waarom?” antwoordde Harris. “De nachten zijn gelukkig niet koud en onze kolossale mangoboom zal den grond voor uitdamping bewaren. We behoeven noch voor kou, noch voor vochtigheid bang te zijn. Nogmaals zeg ik u, wat ik u straks zeide! Laten we ons incognito houden. Geen vuur, noch geweervuur, of er moet nood zijn.”
“Ik geloof nu ook wel,” zei Mevrouw Weldon, “dat we niets van de Indianenen zelfs van de woudloopers te vreezen hebben, waarvan u ons vertelde, mijnheer Harris. Maar zijn er nog geen andere loopers, op vier pooten, die het gezicht van een vuur op een afstand houdt?”
“Mevrouw Weldon,” antwoordde de Amerikaan, “u doet de wilde dieren van dit land te veel eer aan! Werkelijk zijn zij banger voor den mensch dan deze voor hen!”
“We zijn in een bosch,” zei Jack, “en er zijn altijd dieren in de bosschen.”
“Er zijn bosschen en bosschen, mijn jongen, zooals er dieren en dieren zijn!” antwoordde Harris lachende. “Verbeeld je dat je in een groot park bent. Inderdaad zeggen de Indianen niet zonder reden van dit land: ‘Es como el paradiso!’ Het is als een aardsch paradijs!”
“Zouden er dan ook geen slangen zijn?”
“Neen, Jack, er zijn geen slangen, je kunt gerust slapen,” antwoordde Mevr. Weldon.
“En leeuwen dan?” vroeg Jack.
“Geen schaduw van leeuwen mannetje!” antwoordde Harris.
“Tijgers dan?”
“Vraag eens aan je Mama, of ze ooit gehoord heeft dat er tijgers in dit land zijn.”
“Nooit,” antwoordde Mevr. Weldon.
“Nu goed!” zei neef Benedictus, die bij toeval op de hoogte van het gesprek was, “al zijn er dan geen tijgers of geen leeuwen in de Nieuwe-Wereld, wat volkomen waar is, dan vindt men er toch conguars en jaguars.”
“Zijn die ondeugend?” vroeg de kleine Jack.
“Ondeugend?” antwoordde Harris, “één inlander durft die dieren wel aanvallen en wij zijn niet zoo velen,—Hercules alleen is sterk genoeg om twee jaguars tegelijk te verbrijzelen, een met elke hand!”
“Zal je goed oppassen, Hercules,” zei toen de kleine Jack, “en als je een beest ziet dat komt om ons te bijten....”
“Dan zal ik het bijten, mijnheer Jack!” antwoordde Hercules, zijn mond met prachtige tanden gewapend, openend.
“Ja, je zult oppassen, Hercules,” zei de leerling, “maar je kameraden en ik, we zullen je om beurten aflossen.”
“Neen, mijnheer Dick,” antwoordde Actéon. “Hercules, Bat, Austin en ik, we kunnen dat werk met ons vieren best af, u gaat den geheelen nacht maar gerust slapen.”
”’k Dank u, Actéon,” antwoordde Dick Sand, “maar ik moet....”
“Neen! Laat die goede menschen doen zooals ze willen, waarde Dick!” zei toen Mevr. Weldon.
“Ik zal ook de wacht houden!” voegde de kleine Jack er nog bij, wiens oogleden zich reeds sloten.
“Ja, ja, Jack jij zult ook de wacht houden!” antwoordde zijn moeder die hem niet wilde tegenspreken.
“Maar,” zei de kleine jongen toen weder, “al zijn er geen leeuwen en al zijn er geen tijgers in het bosch, dan zijn er toch wel wolven!”
”’t Zijn er ook wolven naar!” antwoordde de Amerikaan, “’t Zijn zelfs geen wolven, maar een soort van vossen, of liever van die boschhonden die men ‘guara’s’ noemt.
“En die guara’s, die bijten dan toch?” vroeg de kleine Jack.
“Kom, kom! Dingo zou die beesten in eens ophappen!”
”’t Doet er niet toe,” antwoordde Jack, al geeuwende, “guara’s zijn toch wolven, omdat men ze wolven noemt!”
En daarop sliep Jack gerust in, in de armen van Nan, die tegen den stam van den mangoboom zat geleund. Mevr. Weldon, bij haar uitgestrekt, gaf haren kleinen jongen nog een kus en ook hààr vermoeide oogen sloten zich weldra.
Eenige oogenblikken later bracht Hercules neef Benedictus naar de rustplaats terug; hij was juist weggeslopen om een jacht op de “cocuyo’s” of vuurvliegen te beginnen, die de elegante dames in het haar dragen, als zooveel levende edelgesteenten. Deze insecten, die een helder, blauwachtig licht verspreiden uit twee onder hun borstschild gelegen vlekjes, zijn zeer talrijk in Zuid-Amerika. Neef Benedictus meende er dus een goeden voorraad van op te doen; maar Hercules liet er hem den tijd niet toe, en bracht hem, ondanks zijn tegenstribbelen, naar de halte terug. Want als Hercules een consigne had, dan bracht hij het op militaire wijze ten uitvoer,—’t geen voorzeker een aanzienlijk aantal lichtvliegen van gevangenschap redde in de blikken bus van den entomoloog.
Eenige oogenblikken later waren allen,uitgenomen de reus die de wacht hield, gerust ingeslapen.
Gewoonlijk worden de boschreizigers of woudloopers, die in de bosschen onder den blooten hemel geslapen hebben, gewekt door een fantastisch en onaangenaam gehuil. Er is van alles in dit morgenconcert, gekakel, geknor, gekras, gegrinnik, geblaf en bijna “gepraat”, als men dat zoo noemen mag, dat de reeks van al deze verschillende geluiden besluit.
Het zijn de apen, die op deze wijze het begin van den dag in het woud begroeten. Daar ontmoet men de kleine “marikina”, de gestreepte meerkat, de “grijze mono”, wiens huid de Indianen gebruiken om het slot hunner geweren te bedekken, de sagoe’s, herkenbaar aan hunne twee lange haarbossen en nog vele andere soorten van die talrijke familie.
Van al die vierhandige dieren zijn de “guéribas”, met den grijpstaart en het Beëlzebub-gezicht ontegenzeglijk de merkwaardigste. Zoodra de zon opkomt, heft de oudste van den troep met indrukwekkende en sombere stem een eentonig psalmgezang aan. Hij is de bariton van de bende. De jonge tenors herhalen na hem de morgen-symphonie. De Indianen zeggen dan dat de guériba’s “hun paternosters opzeggen”.
Maar dien morgen scheen het dat de apen hun gewoon gebed niet deden, want men hoorde ze niet en toch hebben zij een vèr klinkende stem, want het geluid ontstaat door de snelle trilling van een soort van beenachtige trommel, gevormd door een uitzetting van het tongbeen.
In één woord, wegens de een of andere reden hielden noch de guériba’s, noch de sagoe’s, noch de andere vierhandige dieren van dat onmetelijke woud dien morgen hun gewoon concert.
Dat zou den zwervenden Indianen niet bijzonder bevallen zijn. Niet omdat deze inboorlingen zoo bijzonder gesteld zijn op deze soort van koraalmuziek, maar omdat zij gaarne jacht maken op de apen, wier vleesch, vooral gekookt, uitmuntend is.
Dick Sand en zijn reisgenooten waren zeker niet bekend met deze gewoonten der guériba’s, want dan zou het voor hen een reden tot verwondering geweest zijn ze niet te hooren. Zij ontwaakten dus de een na den ander, verkwikt door die weinige uren slaap, die door geen enkel alarm was gestoord geworden.
De kleine Jack was niet de laatste om zich uit te rekken. Zijn eerste vraag was of Hercules ’s nachts ook een wolf had opgegeten. Geen wolf had zich vertoond en bijgevolg had Hercules nog niet ontbeten.
Dit was trouwens met allen het geval en na het morgengebed hield Nan zich bezig met het toebereiden van den maaltijd.
De spijskaart was dezelfde als die van het souper van den vorigen dag, maar met den eetlust, die door de morgenlucht van het bosch gescherpt was, dacht niemand er aan om in dit opzicht lastig te zijn. Het was vóór alles noodig kracht op te doen voor een flinken dagmarsch en dit werd dan ook terecht door allen begrepen. Voor het eerst misschien snapte neef Benedictus dat eten geen onverschillige of nuttelooze verrichting van het leven was. Alleen verklaarde hij dat hij dit land niet was komen “bezoeken”, om er met de handen in de zakken in rond te wandelen en dat, zoodra Hercules hem weer belette jacht te maken op de cocuyo’s en andere vuurvliegen, Hercules met hem, neef Benedictus, zou te doen hebben.
Deze bedreiging scheen den reus nog al geen bijzondere vrees in te boezemen. Evenwel nam Mevr. Weldon hem ter zijde en zeide hem dat hij haar groot kind maar wat rechts en links moest laten rondloopen, maar hem toch niet uit het oog verliezen. Men diende neef Benedictus niet geheel en al de genoegens te onthouden, op zijn leeftijd zoo natuurlijk.
Ten zeven ure ’s morgens hernam de kleine troep den weg naar het oosten en behield daarbij dezelfde orde in het marcheeren als den vorigen dag.
Nog altijd niets dan bosch. Op dien maagdelijken grond waar warmte en vochtigheid zich vereenigden om den plantengroei sneller te doen ontwikkelen, was het wel te denken dat het plantenrijkzich in al zijn rijkdom zou voordoen. De parallel van dat uitgestrekte bergvlak liep bijna ineen met de tropische breedten en de zon schoot er gedurende eenige maanden van den zomer haar loodrechte stralen. Er was dus een ontzaglijke warmtevoorraad in de terreinen opgestapeld, welker ondergrond vochtig bleef. Ook was er niets prachtiger om te aanschouwen dan die opeenvolging van bosschen of liever dat eindelooze woud.
Toch had Dick Sand het volgende opgemerkt, namelijk dat men zich in de streek der pampa’s bevond. Nu is pampa een woord uit de taal “quichna”, dat “vlakte” beteekent. En, indien zijn geheugen hem niet bedroog, meende hij zich te herinneren dat die vlakten de volgende kenmerken aanboden: gebrek aan water, afwezigheid van boomen, gemis aan steenen; verder een weelderigen overvloed van distels in het regenseizoen, distels, die in het warme jaargetijde struiken worden en alsdan ondoordringbare kreupelbosschen vormen, dan ook dwergboompjes, doornachtige struiken, wat vereenigd, aan deze vlakten een dor en woest voorkomen verleent.
Nu was dit, sedert de kleine troep onder het geleide van den Amerikaan het kustland verlaten had, geenszins het geval. Altoos bleef het woud zich tot de grenzen van den horizon uitstrekken. Dat kon onmogelijk de pampa zijn zooals de leerling zich die had voorgesteld. Had het dan werkelijk de natuur behaagd om, zooals Harris gezegd had, een afzonderlijke streek te maken van die hoogvlakte van Atacama, waarvan hij overigens niets anders wist dan dat zij een der uitgestrektste woestijnen van Zuid-Amerika, tusschen de Andes en de Stille Zuidzee vormde?
Dick Sand wierp dienzelfden dag eenige vragen over dit onderwerp op en gaf den Amerikaan zijn verwondering over dit zonderling voorkomen der pampa te kennen.
Maar hij werd dadelijk door Harris uit den waan geholpen, die hen over dit gedeelte van Bolivia de nauwkeurigste bijzonderheden mededeelde en daardoor bewijzen gaf van zijn groote kennis van het land.
“Ge hebt gelijk, mijn jonge vriend,” zei hij tot den leerling. “De werkelijke pampa is wel degelijk zoo als de reisbeschrijvingen haar u hebben afgeschilderd, dat is te zeggen een vrij dorre vlakte, die dikwijls moeilijk te bereizen is. Zij doet ons denken aan onze prairiën van Noord-Amerika,—met het onderscheid dat deze wat moerassiger zijn. Ja, zoodanig is wel de pampa van den Rio-Colorado; zoodanig zijn de ‘Llanos’ van den Orinoco en van Venezuela. Maar hier zijn we in een landstreek welker voorkomen me zelf doet verbaasd staan. ’t Is waar, ’t is de eerste keer dat ik dezen weg over het bergvlak neem, omdat hij het voordeel heeft onze reis te verkorten. Maar al heb ik de eigenlijke pampa nog nooit gezien, weet ik toch wel dat deze streek zeer van haar verschilt. Wat de pampa aangaat, ge zoudt haar vinden, niet tusschen de Cordilleras van het westen en de hooge keten der Andes, maar aan gene zijde der bergen, op het geheel oostelijk gedeelte van het vasteland dat zich uitstrekt tot den Atlantischen Oceaan.”
“Moeten we de keten der Andes overtrekken?” vroeg Dick Sand levendig.
“Wel neen, mijn jonge vriend, wel neen,” antwoordde de Amerikaan glimlachend. “’k Zei: ge zoudt haar vinden, en niet: ge zult haar vinden. Stel je gerust, we verlaten dit bergvlak niet, waarvan de grootste hoogten zich niet boven de vijftien honderd voet verheffen. Als we de Cordilleras hadden moeten overtrekken met de eenvoudige middelen van vervoer waarover we beschikken, zou ik je nooit tot een dergelijke onderneming hebben overgehaald.”
“Dan zou het ook waarlijk beter zijn geweest,” antwoordde Dick Sand, “noordelijk of zuidelijk de kust te volgen.”
“O! honderdmaal beter!” hernam Harris. “Maar de hacienda van San-Felice is aan deze zijde van de Cordilleras gelegen. Onze reis zal dus evenmin nu, als later, eenige wezenlijke moeilijkheid opleveren.”
“En vreest u niet te verdwalen in de bosschen die u voor ’t eerst doortrekt?” vroeg Dick Sand.
“Neen, mijn jonge vriend, neen,” antwoordde Harris. “’k Weet wel dat zulk een woud als een onmetelijke zee is, of liever als de bodem eener zee, waar zelfs een zeeman geen hoogte zoukunnen nemen om zijn positie te verkennen. Maar, ik ben gewoon in de bosschen te reizen, en heb niets noodig om mijn weg te vinden als de schikking van zekere boomen, de richting hunner bladeren, de gedaante of de samenstelling van den bodem, een menigte bijzonderheden die u ontgaan! Wees er zeker van dat ik u en de uwen zal brengen waar ge wezen wilt!”
Dit alles werd zeer stellig door Harris gezegd. Dick Sand en hij liepen vooraan en praatten dikwijls, zonder dat iemand zich in hun gesprek mengde. Mocht de leerling soms al eens eenige zorg hebben, die de Amerikaan niet altijd kon verdrijven, dan hield hij die liever voor zich.
De 8e, 9e, 10e,11e en 12e April verliepen op deze wijze zonder dat er iets bijzonders op de reis voorviel. Men legde niet meer dan acht of negen mijlen per twaalf uur af. De oogenblikken aan den maaltijd of aan de rust gewijd, volgden elkander geregeld op, en hoewel zich reeds eenige vermoeienis begon te openbaren, was de gezondheidstoestand nog zeer voldoende.
De kleine Jack had wel wat te lijden tengevolge van dit leven in de bosschen, waaraan hij niet gewoon was en dat zeer eentonig voor hem werd. En daarbij was men al de beloften die men hem gedaan had niet nagekomen. De mannetjes van caoutchouc, de vliegenvogeltjes, dat alles scheen hoe langer zoo meer op den achtergrond te geraken. Er was ook sprake geweest hem de prachtigste papegaaien van de wereld te laten zien en zij moesten in deze rijke bosschen niet ontbreken. Waar waren ze dan nu, die papegaaien met hun groen gevederte, bijna alle uit deze streken afkomstig, de ara’s met kale wangen, zeer lange puntige staarten en schitterende kleuren, wier pooten nooit den grond aanraken, en de camindé’s, die meer bijzonder tot de tropische gewesten behooren, verder de veelkleurige langstaartpapegaaien, met het gevederde gelaat, en eindelijk al die snapachtige vogels die, naar het zeggen der Indianen, nog de taal der uitgestorven stammen spreken?
Van papegaaien zag de kleine Jack slechts de jako’s of ongekuifde aschkleurige boomlorries, met rooden staart, die onder de boomen krioelden. Maar deze jako’s waren niet nieuw voor hem. Zij zijn door de geheele wereld verspreid. In alle deelen der aarde doen zij de huizen van hun onverdraaglijk gekakel weergalmen en van de gansche familie der “psittacini”, zijn zij het gemakkelijkst praten te leeren.
Doch, Jack was niet de eenige die ontevreden was, neef Benedictus was het ook. Men had hem onderweg wat heen en weer laten loopen en evenwel vond hij geen enkel insect dat waardig was zijn verzameling te verrijken. ’s Avonds weigerden zelfs de vuurvliegen hardnekkig zich aan hem te vertoonen en hem door hun lichtgevende borstschilden aan te trekken. De natuur scheen waarlijk den spot te drijven met den ongelukkigen entomoloog, wiens humeur onuitstaanbaar werd.
Nog vier dagen lang bleven zij den marsch onder dezelfde omstandigheden voortzetten. Den 16en April moest men den van de kust af aan afgelegden weg op niet minder dan honderd mijlen schatten. Indien Harris niet verdwaald was,—en hij verzekerde dit zonder aarzelen,—dan was de hacienda van San-Felice niet meer dan twintig mijlen verwijderd van het punt waar de halte dien dag gehouden werd. Nog omstreeks acht-en-veertig uren en de kleine troep zou een veilig dak vinden, waaronder hij eindelijk van zijn vermoeienissen zou kunnen uitrusten.
Alhoewel zij nu de hoogvlakte in haar gansche uitgestrektheid waren doorgetrokken, hadden zij geen enkelen inboorling, geen enkelen zwervenden Indiaan in het onmetelijk woud ontmoet.
Meermalen had Dick Sand, zonder er iets van te zeggen, spijt gevoeld dat zij niet op een andergedeelteder kust gestrand waren! Meer ten zuiden of meer ten noorden zouden zij in overvloed gehuchten, dorpen en plantages op hun weg ontmoet en Mevr. Weldon en haar reisgenooten een schuilplaats gevonden hebben.
Maar, scheen deze streek al door den mensch verlaten te zijn, met de dieren was dit in de laatste dagen geenszins het geval. Somwijlen hoorde men een langgerekten klagenden kreet, dien Harris toeschreef aan eenige van die groote luiaards, de gewone gasten van die uitgestrekte boschachtigestrekendie men “ai’s” noemt.
Dien zelfden dag liet zich ook, onder de middaghalte een gefluit in de lucht hooren, zoo vreemd klinkend, dat Mevr. Weldon er zich ongerust over maakte.
“Wat is dat?” vroeg zij, opspringende.
“Een slang!” riep Dick Sand, terwijl hij met zijn geladen geweer zich voor Mevr. Weldon wierp.
En werkelijk kon het zeer goed zijn dat er eenig kruipend gedierte in het gras tot nabij de plaats der halte was geslopen. Er was niets vreemds in gelegen dat het een dier enorme “sukuru’s”, een soort van boa’s was, die somtijds veertig voet lengte hebben.
Maar Harris herinnerde dadelijk Dick Sand, dat de negers reeds volgden en hij stelde Mevr. Weldon gerust.
Volgens hem had geen sukuru dit gefluit kunnen voortbrengen, omdat deze slang niet fluit, maar het verkondigde de tegenwoordigheid van zekere onschadelijke viervoetige dieren, die vrij talrijk in dit land zijn.
“Verontrust u dus niet,” zeide hij, “en maak vooral geen beweging, die de dieren kan doen verschrikken.”
“Maar welke dieren zijn het toch?” vroeg Dick Sand, die het zich tot wet maakte den Amerikaan te ondervragen en te doen spreken, terwijl deze zich trouwens nooit liet bidden om hem te antwoorden.
“Het zijn antilopen, mijn jonge vriend,”antwoordde Harris.
“O! wat zou ik ze graag eens zien!” riep Jack.
“Dat zal moeielijk gaan, mijn ventje,” antwoordde de Amerikaan, “zeer moeielijk!”
“Zouden we niet kunnen probeeren die fluitende antilopen te naderen?” hernam Dick Sand.
“O! ge zoudt geen drie stappen gedaan hebben,” antwoordde de Amerikaan het hoofd schuddend, “of de gansche troep zou op de vlucht gaan! ’k Raad je dus je niet te bewegen!”
Maar Dick Sand had zijn redenen om nieuwsgierig te zijn. Hij wilde zien, en met het geweer in de hand, sloop hij in het gras. Onmiddellijk vlogen een dozijn bevallige gazellen, met kleine puntige horens bliksemsnel voorbij. De helroode kleur van hun haar teekende zich als een vurige wolk tegen het geboomte af.
“Ik heb het je wel gezegd,” zei Harris, toen de leerling zijn plaats weder innam.
Was het wezenlijk onmogelijk deze antilopen door hun verbazende vlugheid duidelijk te onderscheiden, zoo was dit niet het geval met een anderen troep dieren, die denzelfden dag werden opgemerkt. Die dieren kon men, hoewel onvolkomen, zien, maar hun verschijning gaf aanleiding tot een vrij zonderlinge woordenwisseling tusschen Harris en eenigen zijner metgezellen.
De kleine troep had zich tegen vier uur ’s avonds een oogenblik op een open plek in het bosch opgehouden, toen drie of vier ontzaglijk groote beesten uit een kreupelbosch op een honderd schreden van hen af te voorschijn kwamen en oogenblikkelijk met verwonderlijke snelheid op de vlucht gingen.
Ondanks de aanbevelingen van den Amerikaan had de leerling vlug zijn geweer aangelegd en op een dezer dieren vuur gegeven. Maar, op het oogenblik dat het schot afging, was het wapen snel door Harris afgewend en Dick Sand had, hoe handig hij ook was, zijn doel gemist.
“Geen geweerschoten! geen geweerschoten!” zei de Amerikaan.
“Maar, dat zijn giraffen!” riep Dick Sand uit, zonder iets anders op de opmerking van Harris te antwoorden.
“Giraffen!” herhaalde Jack, terwijl hij zich op zijn zaal oprichtte. “Waar zijn ze gebleven, die groote dieren?”
“Giraffen!”antwoordde Mevr. Weldon. “Je vergist je, mijn waarde Dick. Er zijn geen giraffen in Amerika.”
“U hebt gelijk,” zei Harris, die mede verbaasd scheen, “er kunnen geen giraffen in dit land zijn!”
“Maar hoe dan?....” zei Dick Sand.
”’k Weet waarlijk niet wat ik er van denken moet!” antwoordde Harris. “Heeft je gezicht je niet bedrogen en zouden die dieren geen struisvogels geweest zijn?”
“Struisvogels!” herhaalden Dick Sand en Mevr. Weldon, terwijl zij elkander zeer verwonderd aankeken.
“Ja, eenvoudig struisvogels,” herhaalde Harris.
“Maar struisvogels zijn vogels,” hernam Dick Sand, “en ze hebben maar twee pooten!”
“Welnu,” antwoordde Harris, “’k meende juist te zien dat de dieren die daar zoo snel op de vlucht gingen, tweebeenige waren!”
“Tweebeenige dieren!” herhaalde de leerling.
“Me dunkt toch dat ik beesten met vier pooten gezien heb,” zei Mevr. Weldon.
“Ik ook,” voegde de oude Tom er bij, wiens woorden door Bat, Actéon en Austin bevestigd werden.
“Viervoetige struisvogels!” riep Harris lachend uit. “Dat zou nog al aardig zijn!”
“Ook meenden we,” hernam Dick Sand, “dat het giraffen en geen struisvogels waren.”
“Neen, mijn jonge vriend, neen!” zei Harris. “Je hebt stellig verkeerd gezien, maar dat laat zich best verklaren door de snelheid waarmee die beesten op de vlucht zijn gegaan.’t Is trouwens jagers meermalen overkomen zich even als gij te vergissen!”
Wat de Amerikaan zeide, was zeer aannemelijk. Tusschen een grooten struisvogel en een giraffe van gemiddelde grootte, op zekeren afstand gezien, is het gemakkelijk zich te vergissen. Of ze een bek of een snuit aan het eind van hun langen naar achteren gebogen hals hebben, is op een afstand niet zoo gemakkelijk te onderscheiden en desnoods zoude men kunnen zeggen dat een struisvogel slechts een halve giraffe is. De achterpooten ontbreken hem slechts. Dit tweebeenig en dit vierbeenig dier, onvoorzien snel voorbijgaande, kunnen desnoods met elkander verward worden.
Het beste bewijs overigens dat Mevr. Weldon en de anderen zich vergisten is, dat er geen giraffen in Amerika zijn.
Dick Sand maakte toen de volgende opmerking:
“Maar ik dacht dat er evenmin struisvogels als giraffen in de Nieuwe wereld zijn?”
“Ja wel, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris, “en juist bezit Zuid-Amerika er een bijzondere soort van. Tot deze soort behoort de ‘nandoe’, die je daar zoo even gezien hebt!”
Harris had gelijk. De nandoe is een steltlooper, die in de vlakten van Zuid-Amerika vrij veel voorkomt, en zijn vleesch, vooral van een jong dier, is een zeer goed voedsel. Dit sterke dier, dat somtijds twee vademen hoog is, heeft een rechten bek, lange vleugels, bestaande uit dichte vederen van blauwachtige kleur, de pooten gevormd uit drie vingers met nagels voorzien,—hetgeen hem duidelijk onderscheidt van de struisvogels van Afrika.
Deze zeer nauwkeurige bijzonderheden werden door Harris medegedeeld, die bijzonder goed op de hoogte van de gewoonten der nandoes bleek. Mevr. Weldon en haar reisgenooten moesten toestemmen dat zij zich vergist hadden.
”’t Is bovendien zeer goed mogelijk dat we nog een anderen troep van die struisvogels ontmoeten. Mocht dat zoo zijn, kijk dan beter en zie nooit meer vogels voor viervoetige dieren aan! Maar vooral, mijn jonge vriend, vergeet mijn raad niet en schiet op geen dieren meer! ’t Is gelukkig niet noodig dat we jagen om ons levensmiddelen te verschaffen.... en nog eens, de losbarsting van een vuurwapen moet onze tegenwoordigheid in dit bosch niet verraden.”
Dick Sand bleef evenwel in gedachten verzonken. Andermaal kwam twijfel bij hem op.
Den volgenden dag, den 17en April, werd de reis hervat en verzekerde de Amerikaan, dat nu geen vier-en-twintig uren meer zouden verloopen of de kleine troep zou in de hacienda van San-Felice gehuisvest zijn.
“Dáár, Mevr. Weldon,” voegde hij er bij, “zult u al de zorg ontvangen die uw toestand vereischt. Eenige dagen van rust moeten u weer geheel opknappen. Misschien zult u in die hoeve wel niet de weelde vinden, waaraan u in uw woning te San-Francisco gewoon zijt, maar u zult zien dat het in de woningen op onze ontginningen in het binnenland niet aan de geriefelijkheden des levens ontbreekt. We zijn nu juist niet heelemaal wilden.”
“Mijnheer Harris,” antwoordde Mevr. Weldon, “al kunnen we niet anders dan u dankzeggen voor uw edelmoedige hulp, zoo doen we dat althans van ganscher harte. Ja! ’t is tijd dat we aankomen!”
“Gevoelt u zich bijzonder vermoeid, mevrouw Weldon?”
“Aan mij is niets gelegen!” antwoordde Mevr. Weldon, “maar ik merk dat mijn kleine Jack langzamerhand uitgeput raakt! De koorts begint hem tusschenbeide beet te nemen!”
“Ja,” antwoordde Harris, “en ofschoon het klimaat van dit bergvlak zeer gezond is, kan het niet ontkend worden dat er in Maart en April tusschenpoozende koortsen heerschen.”
“Dat is zeker,” zei nu Dick Sand, “maar de steeds zorgende natuur heeft dan ook weder hier het geneesmiddel voor de kwaal bij de hand!”
“En hoe dat, mijn jonge vriend?” vroeg Harris, die zich onwetend hield.
“Zijn we dan hier niet in de streek der kinasoorten?” vroeg Dick Sand.
”’t Is waar ook,” zei Harris, “je hebt volkomen gelijk. De boomen die den kostbaren kinabast verschaffen, zijn hier thuis.”
”’k Heb me al verwonderd dat ik er nog geen gezien heb,” hernam Dick Sand.
“Ja, mijn jonge vriend,” antwoordde Harris, “die boomen zijn zoo gemakkelijk niet te onderscheiden. Hoewel zij dikwijls vrij hoog en hun bladeren groot zijn, hun bloemen rooskleurig en heerlijk van geur, ontdekt men ze toch niet gemakkelijk. Zeldzaam ontmoet men ze in groepen. Ze zijn eerder hier en daar in het bosch verspreid, zoo dat de Indianen die de kina inoogsten, ze niet anders dan aan hun altijd groene bladeren herkennen.”
“Zoudt u zoo goed willen zijn, mijnheer Harris,” zei Mevr. Weldon, “om, als u een van die boomen ziet, hem mij dan te wijzen?”
“Welzeker, mevrouw Weldon, maar u zult in de hacienda sulphas chinini vinden en dat zout is nog beter om de koorts te verdrijven dan de eenvoudige bast van een boom.”1
Deze laatste dagreis liep zonder eenig bijzonder voorval ten einde. De avond kwam en de gewone toebereidselen voor den nacht werden gemaakt. Tot nog toe had het niet geregend, doch het weder scheen te zullen veranderen, want er steeg een warme walm uit den bodem op, die weldra in een dikken mist overging.
Men naderde nu werkelijk het regenseizoen. Gelukkig zou den volgenden dag een geriefelijk thuis aan den kleinen troep worden aangeboden. Nog eenige uren slechts moesten er verloopen.
Alhoewel men volgens Harris, die zijn berekening niet anders kon maken dan naar den tijd dat de reis geduurd had, niet verder dan zes mijlen van de hacienda kon verwijderd zijn, werden de gewone voorzorgen voor den nacht genomen. Tom en zijn kameraden zouden om beurten wacht houden. Dick Sand was er op gesteld dat niets in dit opzicht verzuimd werd. Minder dan ooit wilde hij zijn gewone voorzichtigheid uit het oog verliezen, want een vreeselijk vermoeden had in zijn gemoed wortel geschoten, maar hij wilde nog niets zeggen.
De rustplaats voor den nacht bevond zich aan den voet van een groep groote boomen. Tengevolge van sterke vermoeidheid waren Mevr. Weldon en de haren reeds in slaap, toen zij door een luiden kreet gewekt werden.
“Wat is er?” vroeg Dick Sand, die de eerste van allen, onmiddellijk overeind was.
“Ik ben het! ik heb geschreeuwd!” antwoordde neef Benedictus.
“En wat scheelt er aan?” vroeg Mevr. Weldon.
”’k Ben daar juist gebeten!”
“Door een slang....? vroeg Mevr. Weldon verschrikt.
“Neen, neen! ’t Is geen slang, maar een insect,” antwoordde Benedictus. “Daar heb ik hem, ik heb ’m.”
“Welnu, dood het dan, je insect,” zei Harris, “en laat ons gerust slapen, mijnheer Benedict!”
“Een insect dood maken!” riep neef Benedictus. “Verstrekt niet! ’k moet eens zien wat het is!”
“Een muskiet!” zei Harris, de schouders ophalende.
“Welnu! ’t is een vlieg,” antwoordde neef Benedictus, “en zeker een heel vreemde!”
Dick Sand had een klein zaklantaarntje aangestoken en ging er mee naar den lastigen neef.
“Groote goedheid!” riep deze uit. “Dat maakt al mijn teleurstellingen goed! Eindelijk heb ik dan toch een ontdekking gedaan!”
De geestvervoering van den goeden man grensde aan waanzin. Hij beschouwde zijn vlieg met zegevierende blikken! Hij had ze wel willen kussen!
“Maar wat is het dan toch?” vroeg Mevrouw Weldon.
“Een diptera (tweevleugelig insect) nicht, een prachtige diptera!”
En neef Benedictus liet haar een vlieg zien, kleiner dan een bij, van een doffe kleur en aan het onderste gedeelte van haar lichaam geel gestreept.
“Die vlieg is toch niet vergiftig?” vroeg Mevr. Weldon.
“Neen, nicht, neen, althans niet voor menschen. Maar voor dieren, zooals voor antilopen, voor buffels, zelfs voor olifanten, is ’t wat anders!”
“Maar zeg ons nu eindelijk toch eens welke vlieg het is,” zei Dick Sand.
“Die vlieg,” antwoordde de entomoloog, “die vlieg, die ik hier tusschen mijn vingers heb, die vlieg! is een tsetsé!.... Dat is de vermaarde diptera, de roem van haar land, maar toch wel vreemd, tot nog toe heeft men nog nooit een tsetsé in Amerika gevonden!”
Dick Sand had den moed niet neef Benedictus te vragen in welk werelddeel die geduchte tsetsé alleen wordt aangetroffen!
En toen zijn reisgenooten, na dit voorval, hun afgebroken slaap hervat hadden, deed Dick Sand, ondanks zijn zware vermoeidheid, den ganschen nacht geen oog meer dicht!