Elfde hoofdstuk.

Hij was geheel in de studie van den kakkerlak verdiept en bewonderde hem niets minder, ja gaf er zich even veel moeite mede alsof dit afschuwelijk insect een gouden tor geweest ware.Het leven aan boord had dus zijn gewonen loop hernomen, alhoewel ieder natuurlijk nog geruimen tijd onder den indruk bleef eener zoo grievende en onverwachte ramp.Gedurende dien geheelen dag was Dick Sand overal, om te zien of alles op zijn plaats was en te zorgen dat hij gewapend was tegen alles wat er gebeuren kon. De negers gehoorzaamden hem goed willig en de volmaaktste orde heerschte aan boord van denPelgrim. Men mocht dus hopen dat alles nu zonder hinder zou gaan.Van zijn kant deed Negoro geen nieuwe pogingen om zich aan het gezag van Dick Sand te ontrekken. Hij scheen het stilzwijgend erkend te hebben. Zooals altijd in zijn bekrompen kombuis bezig, zag men hem niet meer dan vroeger. Trouwens Dick Sand had zich stellig voorgenomen hem bij de minste overtreding, bij het eerste teeken van verzet voor de rest van den overtocht in de boeien te zetten. Op een teeken van hem zou Hercules den kok bij den nek gepakt hebben. Dat had zeker niet de minste moeite gekost. In dat geval ware Nan, die goed koken kon, in de plaats van den kok opgetreden. Negoro moest zich dus bekennen dat hij niet onmisbaar was, en, daar men van nabij op hem lette, scheen hij geen vat op zich te willen geven.De wind, die tot den avond toe aanwakkerde, maakte geen verandering in de zeilen van denPelgrimnoodig. Zijn stevige masten, zijn ijzeren tuig, dat in goeden staat verkeerde, hadden hem veroorloofd onder dezen gang zelfs een sterkere bries te verdragen.Het is dikwijls ’s nachts de gewoonte zeil te minderen en inzonderheid de bovenzeilen, bovenbramzeilen, boven stagzeilen, enz. Dat is voorzichtig, in het geval dat een rukwind onverwacht in de zeilen viel. Maar Dick Sand meende zich van deze voorzorg te kunnen onthouden. De toestand der atmosfeer deed niets noodlottigs voorzien en daarenboven had Dick Sand besloten dezen eersten nacht op het dek door te brengen en het oog over alles te houden. Bovendien had het schip een snelleren gangen zoo spoedig mogelijk wenschte hij zich in minder eenzame streken te bevinden.Wij hebben reeds gezegd dat de log en het kompas de eenige instrumenten waren, die Dick Sand te zijner beschikking had, om althans tennaastenbij den door denPelgrimafgelegden weg te ramen.Gedurende dezen dag liet de leerling om het half uur loggen en teekende de aanwijzingen op, die het instrument hem verschafte.Wat den magneet aangaat, die ook den naam van kompas draagt, er bevonden zich twee aan boord. De een was geplaatst in het kompashuisje, onder de oogen van den man aan het roer. Zijn wijzer, op den dag door het daglicht verlicht en des nachts door twee ter zijde geplaatste lampen, wees ieder oogenblik aan welke richting het schip volgde.Het andere kompas was een omgekeerde magneetnaald, bevestigd aan een dekbalk in de kajuit die vroeger door kapitein Hull bewoond werd. Op deze wijze kon hij, zonder het vertrek te verlaten, altijd weten of de goede koers gestuurd werd en of de man aan het roer, hetzij door onkunde of achteloosheid niet te veel gierde.Trouwens is er geen schip, dat lange zeereizen moet maken, of het heeft minstens twee kompassen aan boord, zooals het twee chronometers heeft. Men moet deze instrumenten met elkander kunnen vergelijken en bijgevolg hun opgaven controleeren.DePelgrimwas dus in dit opzicht voldoende voorzien, en Dick Sand drukte zijn onderhoorigen op het hart de grootste zorg voor deze twee kompassen, die hij zoo noodig had, in acht te nemen.Maar ongelukkig had er in den nacht van den 12en op den 13en Februari, terwijl Dick de wacht had en aan het roer stond, een bedroevend ongeval plaats. Het kompas, dat in een koperen ring hing, die aan een dekbalk der kajuit bevestigd was, raakte los en viel op den vloer. Men ontdekte het pas denvolgendenmorgen.Hoe kwam deze koperen ring te breken? Het was vrij duister. Het was evenwel mogelijk dat hij geoxydeerd was en door het slingeren en stampen van het schip van den balk was losgeraakt. Juist toch was de zee in den gepasseerden nacht onstuimiger geweest. Hoe het zij, het kompas was gebroken en kon niet gerepareerd worden.Dick Sand was zeer teleurgesteld. Er schoot hem nu voortaan niets meer over dan het nachthuiskompas te raadplegen. Het breken van dit tweede kompas kon blijkbaar aan niemand geweten worden, maar het kon treurige gevolgen hebben. Dick nam dus alle mogelijke maatregelen om het tweede kompas voor ongelukken te bewaren.Tot nog toe ging, behalve dat, alles goed aan boord van denPelgrim.Toen Mevr. Weldon zag hoe kalm en bedaard Dick Sand was, had ook zij haar vertrouwen teruggekregen. Wel had zij zich nooit aan wanhoop overgegeven en rekende zij boven alles op Gods goedheid. Ook versterkte zij zich, als oprechte en vrome katholieke, door het gebed.Dick Sand had het zoo weten te schikken, dat hij gedurende den nacht aan het roer bleef. Hij sliep vijf of zes uur per dag en dat scheen hem voldoende te zijn, daar hij zich niet al te vermoeid gevoelde. Gedurende dien tijd werd hij door Tom of diens zoon Bat aan het roer vervangen, die, dank zijn raadgevingen, langzamerhand tamelijke roergangers werden.Dikwijls hadden Mevr. Weldon en de leerling een gesprek met elkander. Dick Sand raadpleegde gaarne die schrandere en moedige vrouw. Iederen dag toonde hij haar het bestek op de kaart, dat hij bij schatting afzette, daarbij alleen rekening houdende met den gezeilden koers en den afstand.“Ziet u, mevrouw Weldon,” herhaalde hij haar dikwijls, “met die vaste winden moeten wij de kust van Zuid-Amerika wel bereiken. ’k Zou het niet durven verzekeren, maar ’k geloof wel dat, wanneer ons vaartuig in ’t gezicht van land zal komen, het niet ver van Valparaiso zal zijn!”Mevr. Weldon kon niet twijfelen of de koers was goed, vooral begunstigd door die noord-westenwinden. Maar wat kwam dePelgrimhaar nog ver van het Amerikaansche strand voor! Welke gevaren lagen er nog tusschen hen en het vasteland, al waren het alleen die, welke konden voortkomen uit eene verandering in den toestand van de zee en den hemel!Jack had met de zorgeloosheid aan zijn leeftijd eigen, weldra zijn gewone spelen hervat. Hij liep weder op het dek, speelde met Dingo, en vond ongetwijfeld dat zijn vriend Dick zich minder dan vroeger met hem bemoeide, maar zijn moeder had hem aan het verstand gebracht, dat hij den leerling niet van zijn bezigheden moest aftrekken. Jack had genoegen met deze redenen genomen en stoorde “kapitein Sand” niet meer.Zoo ging het met de zaken aan boord. De zwarten verrichtten met schranderheid hun werk en werden elken dag meer bedreven in de praktijk van het zeemansvak. Tom werd natuurlijk bootsman en ook zijn kameraden zouden hem ongetwijfeld voor deze betrekking uitgekozen hebben. Hij commandeerde de wacht, terwijl Dick sliep en met hem waren dan steeds zijn zoon Bat en Austin. Actéon en Hercules maakten de andere wacht uit onder commando van Dick Sand. Terwijl dus de een stuurde, waakten de anderen op het voorschip.Hoewel deze streken eenzaam waren en een aanzeiling geenszins te vreezen was, nam de leerling gedurende den nacht de uiterste waakzaamheid in acht. Hij voer nooit zonder zijn lichten op te hebben,—een groen licht aan stuurboordszij, een rood aan bakboordszij,—en hierin handelde hij wijs.In die nachten evenwel, die Dick Sand geheel aan het roer doorbracht, maakte zich somtijds een onweerstaanbare neerslachtigheid van hem meester. Zijn hand stuurde dan zuiver instinctmatig. Het was het gevolg eener afgematheid, waarvan hij niets wilde weten.Nu gebeurde het in den nacht van den 13n op den 14n Februari dat Dick Sand, die zeer vermoeid was, eenige uren rust moest gaan nemen en door den ouden Tom aan het roer vervangen werd.De hemel was met dikke wolken bezet, die tegen den avond onder den invloed van de koude lucht gedaald waren. Het was dus zeer duister en het was onmogelijk de bovenzeilen te onderscheiden. Hercules en Actéon hadden de wacht op den bak.Op het achterschip werd het zwakke schijnsel van het licht van het kompashuisje zacht weerkaatst door het metalen bekleedsel van het stuurrad. De boordseinlantarens, die hun lichten zijdelings deden uitstralen, lieten het dek van het schip in diepe duisternis gehuld.Tegen drie uur ’s morgens deed zich bij Tom een soort van helderziendheid voor, waarvan hij zich zelven niet bewust was. Zijn oogen, die al te lang op een lichtend punt van het kompashuisje gestaard hadden, verloren plotseling het gezichtsvermogen en hij verviel in een soort van werkelijke anaesthetische slaperigheid.Niet alleen zag hij niet meer, maar al had men hem aangeraakt of hard geknepen, zou hij waarschijnlijk niets gevoeld hebben.Hij zag dus de schaduw niet die over het dek gleed.Het was Negoro.Achteruit gekomen, plaatste de kok onder het kompashuisje een tamelijk zwaar voorwerp, dat hij in de hand hield.Na toen een oogenblik den verlichten wijzer van het kompas waargenomen te hebben, trok hij zich terug zonder dat hij gezien was.Indien Dick Sand den volgenden morgen het voorwerp had opgemerkt, dat Negoro onder het kompashuisje geplaatst had, zou hij zich gehaast hebben het weg te nemen.En niet zonder reden, want het was een stuk ijzer, waarvan de invloed de aanwijzingen van het kompas veranderd had. De magneetnaald was afgeweken en in plaats van het magnetische noorden aan te wijzen, dat een weinig van het geographische noorden verschilt, wees zij het noord-oosten aan. Het was een afwijking van vier streken, anders gezegd van een halven rechten hoek.Tom was bijna dadelijk uit zijn diepe sluimering ontwaakt. Zijn oogen wendden zich terstond naar het kompas... en hij geloofde, hij moest wel gelooven dat dePelgrimde goede richting niet had.Hij draaide dus het roer, teneinde den steven weder naar het oosten te richten.... Hij dacht het althans.Maar, bij de afwijking van de naald, die hij niet kon vermoeden, wendde hij den schoener naar het zuidoosten.Terwijl men dus niet anders dacht dan dat dePelgrimbij gunstigen wind de goede richting had, vervolgde hij met een verschil vanvijf-en-veertiggraden zijn weg!Elfde hoofdstuk.Storm.In de week die op dit voorval volgde, van den 14n tot den 21n Februari, had er niets bijzonders aan boord plaats.De noordoostelijke wind wakkerde allengs aan en dePelgrimliep snel, een afstand afleggende van gemiddeld honderd zestig mijlen in devier-en-twintiguren. Dit was nagenoeg alles wat men van een vaartuig van deze afmeting kon vergen.De schoenerbrik moest dus, naar de berekening van Dick, de streken naderen waar de mailbooten van het eene halfrond naar het andere oversteken. De leerling hoopte altijd een van die vaartuigen te ontmoeten, en hij had het stellige voornemen, hetzij er zijn passagiers op over te brengen, hetzij eenige matrozen en misschien wel een officier te leenen. Maar hoewel er zeer nauwkeurig werd uitgekeken, kon er geen enkel schip gesignaleerd worden en bleef de zee altijd eenzaam.Dit begon Dick Sand wel een weinig vreemd te vinden. Hij had meermalen dit gedeelte der Stille Zuidzee op zijn drie reizen naar de zuidelijke zeeën, om te visschen, doorkruist en bij de breedte en de lengte waarop hij zich meende te bevinden, was het zeldzaam dat er zich geen enkel Engelsch of Amerikaansch schip vertoonde, dat van Kaap Hoorn naar den evenaar kwam opwerken of naar de uiterste punt van Zuid-Amerika afzakte.Maar Dick Sand wist niet, en hij kon het ook niet weten, dat dePelgrimreeds op een hoogere breedte was, dat is te zeggen meer zuidelijk dan hij vermoedde.Dit lag aan twee redenen.De eerste was dat de stroomen dezer streken, welker snelheid de leerling slechts onvolkomen kon gissen, er aan hadden toegebracht, om het schip van zijn weg af te brengen zonder dat het hem mogelijk was er zich rekenschap van te geven.De tweede reden was dat het kompas, geschonden door de schuldige hand van Negoro, slechts onnauwkeurige uitkomsten gaf,—uitkomsten die Dick Sand, sedert het verlies van het tweede kompas, niet kon controleeren. Zoodat hij, meenende en moetende meenen dat de steven naar het oosten gekeerd was, werkelijk naar het zuid-oosten stevende! Het kompas werd steeds trouw door hem waargenomen. Er werd geregeld gelogd. Met zijn twee instrumenten kon hij in zekere mate denPelgrimbesturen en het aantal afgelegde mijlen bij benadering bepalen. Maar was dit voldoende?Evenwel deed Dick Sand steeds zijn best om Mevr. Weldon, die zich over de voorvallen dezer reis dikwijls ongerust maakte, moed in te spreken.“We zullen er wel komen!” herhaalde hij telkens. “We zullen de Amerikaansche kust bereiken, hier of daar, onverschillig waar, maar ergens aanlanden zullen we!””’k Twijfel er niet aan, Dick.”“Natuurlijk, mevrouw, zouden we geruster zijn, als u niet aan boord waart en we slechts voor ons zelven hadden te zorgen, maar....”“Maar als ik niet aan boord was,” antwoordde Mevr. Weldon, “als neef Benedictus, Jack, Nan en ik geen plaats op denPelgrimgenomen hadden, en als van den anderen kant, Tom en zijn kameraden niet in zee waren opgenomen, Dick, zou er niemand overgebleven zijn dan gij en Negoro!.... Wat zou er van je geworden zijn, alleen met dien raadselachtigen man, dien je niet vertrouwen kunt?””’k Zou begonnen zijn,” antwoordde Dick flink weg, “met Negoro te beletten mij te benadeelen.”“En je zoudt alleen het schip bestuurd hebben?”“Ja....alleen.... met God’s hulp!”De moed en de geestkracht die uit deze woorden spraken, waren zeer geschikt om Mevr. Weldon op te beuren. En toch, als zij haar kleinen Jack aanzag, maakte zij zich dikwijls ongerust! Als de moeder niets wilde laten blijken van ’t geen de moeder gevoelde, dan kon zij niet altijd beletten dat een heimelijke angst zich van haar hart meester maakte.Mocht intusschen de jeugdige leerling niet ver genoeg in zijn hydrographische studiën gevorderd zijn om zijn bestek op te maken, zoo bezat hij een werkelijk zeemans instinct, als er sprake van was om naar het weer te raden. Het voorkomen van de lucht van de eenezijde, van de andere de aanwijzingen van den barometer, deden hem voorzorgen nemen. Kapitein Hull, die een goed meteoroloog was, had hem geleerd dit instrument te raadplegen, dat merkwaardig zeker het weer kan voorspellen.Ziehier met weinige woorden wat de aanteekeningen betrekkelijk de waarneming van den barometer bevatten.11º. Wanneer de barometer, nadat het tamelijk lang mooi weer geweest is, plotseling en aanhoudend begint te dalen, komt er ongetwijfeld regen; maar, als het lang mooi weer geweest is, kan de kwik twee of drie dagen lang in de barometer-buis zakken, voordat men eenige verandering in den toestand der atmosfeer opmerkt. Hoe meer tijd er dan verloopt tusschen de daling van de kwik en het komen van regen, des te langer zal de regentijd duren.2º. Indien integendeel de barometer bij regenachtig weder, dat reeds lang geduurd heeft, langzaam en geregeld begint te rijzen, zal het zeker mooi weer worden, hetgeen des te langer zal duren hoe langer tusschenpoos verloopen is tusschen het mooie weer en het begin van het rijzen des barometers.3º. Indien in de twee gevallen die voorafgaan, de verandering van weer onmiddellijk volgt op de beweging van de kwikkolom, zal deze verandering slechts kort duren.4º. Wanneer de barometer gedurende twee of drie of zelfs meer dagen langzaam en aanhoudend rijst, verkondigt hij mooi weer, al houdt de regen gedurende deze drie dagen niet op, envice versa; maar, indien de barometer gedurende twee of meer dagen, terwijl het regent, rijst en hij vervolgens, terwijl het mooi weer geworden is, wederom begint te zakken, zal het mooie weer zeer kort duren, envice versa.5º. In de lente en den herfst, voorspelt een plotselinge daling van den barometer wind. In den zomer, kondigt hij, als het zeer warm weer is, dan een onweer aan. In den winter, na eenigen tijd vorst gehad te hebben, voorspelt een snelle daling van de kwikkolom een verandering van wind, gepaard met dooiweder en regen; maar het rijzen van den barometer, terwijl het reeds eenigen tijd gevroren heeft, voorspelt sneeuw.6º. De snelle schommelingen van den barometer moeten nooit opgenomen worden als droog of regenachtig weer van eenigen duur te voorspellen. Deze aanwijzingen worden uitsluitend gegeven door het rijzen of het dalen, dat langzaam en aanhoudend plaats heeft.7º. Wanneer tegen het einde van den herfst, na aanhoudend regenachtig en winderig weer, de barometer rijst, dan kondigt dit rijzen den overgang aan van den wind naar het noorden en de nadering van den vorst.Dit zijn algemeene regelen, die men moet afleiden uit de aanwijzingen van dit kostbaar instrument.Dit was het wat ook aan Dick Sand zeer goed bekend was, ’t geen hij in verschillende omstandigheden van zijn zeemansleven bevestigd had gezien en hem leerde op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.Nu begonnen, juist tegen den 20sten Februari, de schommelingen van de kwikkolom den jeugdigen leerling, die ze verscheidene malen per dag met groote zorg opteekende, eenigszins te verontrusten. Werkelijk begon de barometer langzaam en aanhoudend te zakken, ’tgeen regen voorspelde; maar daar deze regen nog niet spoedig kwam, besloot Dick Sand daaruit dat het slechte weder zou aanhouden. Dit was dan ook werkelijk het geval.Maar de regen was hier de wind, en inderdaad wakkerde de bries zoo zeer aan, dat de lucht zich met een snelheid van zestig voet per seconde, of een en dertig mijlen per uur2verplaatste.Dick Sand moest toen eenige voorzorgen nemen, om de masten en de zeilen van denPelgrimniet in gevaar te brengen. Hij had reeds het bovenbramzeil, het gaftopzeil en den buitenkluiver laten bergen en besloot dit ook met het bramzeil te doen en daarna twee reven in het marszeil te laten steken.Dit laatste moest zekere moeielijkheid in zich hebben met een bemanning die nog zoo weinig geoefend was. Evenwel viel er niet te talmen en niemand talmde ook.Dick Sand, vergezeld van Bat enAustin, ging naar boven en nam, ofschoon niet zonder moeite, het bramzeil in. Met minder dreigend weer, zou hij de twee raas niet hebben afgenomen, maar, daar hij voorzag dat hij waarschijnlijk verplicht zou zijn de bramsteng te schieten en die zelfs geheel aan dek te nemen, nam hij de beide raas af. Men begrijpt toch dat, als de wind te sterk wordt, men niet alleen de zeilen, maar ook het boventuig moet neernemen. Dit is een groote verlichting voor het schip, dat, hoog getuigd, van het slingeren en stampen niet meer zoo veel te lijden heeft.Nadat deze eerste arbeid volbracht was,—en er gingen twee uren mede om,—hielden Dick Sand en de zwarten zich bezig met het marszeil te verkleinen door twee reven in te steken.DePelgrimvoer niet, als de meeste nieuwere vaartuigen, een dubbel marszeil, hetgeen de manoeuvre gemakkelijk maakt. Men moest dus doen als vroeger, namelijk de ra op den rand laten loopen, een zeil door den wind geslagen naar zich toe halen en de rifseizings stevig vastknoopen. Dat alles was moeielijk, gevaarlijk en duurde lang, maar eindelijk gaf het gereefde marszeil minder vat aan den wind en daardoor werd de schoenerbrik aanmerkelijk verlicht.Dick Sand kwam met Bat en Austin weder beneden. DePelgrimbevond zich toen in den toestand van zeewaardigheid, gevorderd door dien staat van den dampkring, waaraan men de benaming van “stijve koelte” heeft toegekend.Gedurende de drie volgende dagen, 20, 21 en 22 Februari, was de wind noch in kracht, noch in richting belangrijk gewijzigd. Intusschen ging het kwik voort in de barometerbuis te zakken en den laatsten dag merkte Dick op, dat het voortdurend onder acht en twintig duim zeven tiende3stond.Er was overigens volstrekt geen schijn van dat de barometer voor eenigen tijd zou gaan rijzen. De lucht zag er slecht en buitengewoon winderig uit. Buitendien werd zij aanhoudend door dikke dampen bedekt. Deze laag van nevels was zelfs zoo dik, dat men de zon niet meer kon zien en dat het moeilijk zou geweest zijn de plaats waar zij op- en ondergingaan te wijzen.Dick Sand begon zich ongerust te maken. Hij verliet het dek niet meer. Hij sliep nauwelijks. Evenwel had hij geestkracht genoeg om zijn angst in het diepst van zijn hart te verbergen.Den volgenden dag, 23 Februari, scheen de wind in den loop van den morgen een weinig af te nemen, maar Dick Sand vertrouwde het niet, en hij had gelijk, want in den namiddag stak de wind weer op en ging de zee hol staan.Tegen vier uur verliet Negoro, dien men weinig zag, het verblijf der matrozen en begaf zich naar den voorsteven. Dingo sliep zeker ergens in een hoek, want hij blafte niet, zooals gewoonlijk.Negoro bleef, altijd zwijgend, een half uur lang den horizon waarnemen.Lange golven volgden elkander op, zonder nog in botsing met elkander te komen. Evenwel waren zij hooger dan met de kracht van den wind overeenkwam. Men moest er uit besluiten dat er slecht weer in het westen was, niet ver af meer misschien, en dat het weldra deze streken zou bereiken.Negoro liet, in gedachten verzonken, zijn blikken weiden over de onmetelijke zee, die rondom denPelgrimin volslagen oproer verkeerde. Daarna richtten zich zijn koude en strakke oogen naar de lucht.De lucht zag er verontrustend genoeg uit. De dampen verplaatsten zich met zeer verschillende snelheden. De wolken in de bovenlucht bewogen zich sneller dan die der benedenlagen van den dampkring. Men mocht dus vooruitzien dat weldra deze zware massa’s naar beneden zouden dalen en wat nu nog slechts een stijve koelte was, namelijk een verplaatsing van lucht tegen drie-en-veertig mijlen per uur, zou overgaan in een storm en misschien in een orkaan.Hetzij Negoro geen man was om angst te gevoelen, hetzij hij niets begreep van het dreigende weer, hij scheen volstrekt niet ontroerd. Wel speelde er een valsche glimlach op zijn lippen. Eigenlijk was het of deze toestand van het weer hem eer genoegen gaf dan dat hij er zich onaangenaam gestemd over gevoelde. Een oogenblik klom hij op den boegspriet en kroop tot aan de woeling, om zijn blikken nog verder te laten weiden, alsof hij eenig teekenaan den horizont zocht. Daarna klom hij weder naar beneden en begaf zich, zonder een enkel woord gezegd of zelfs maar een gebaar gemaakt te hebben, weder naar het matrozenverblijf.Evenwel was er onder al deze verschrikkelijke omstandigheden één gelukkige zaak, die ieder aan boord wel op prijs mocht stellen, namelijk dat de wind, hoe stevig hij werd of zou worden, gunstig was en dus dePelgrimsnelle vorderingen naar de Amerikaansche kust scheen te maken. En zelfs kon, als het weer maar niet tot storm oversloeg, deze overtocht zonder gevaar volbracht worden en zouden de werkelijke gevaren eerst dan beginnen, als het oogenblik gekomen was dat zij op eenig onbekend punt der kust land zouden bezeilen.Dit was iets dat nu reeds dikwijls een onderwerp van Dick Sand’s overdenkingen uitmaakte. Hoe zou hij, als het land eenmaal in ’t gezicht was, manoeuvreeren, indien hij geen loods of geen zeeman ontmoette, die met het vaarwater bekend was? Wat zou hij doen, ingeval het slechte weder hem verplichtte een noodhaven te zoeken, daar deze kust hem ten eenemale onbekend was? Wel is waar had hij zich vooralsnog over deze zaak niet ongerust te maken, alhoewel er, als het uur eenmaal gekomen was, een besluit moest genomen worden.Gedurende de 13 dagen die verliepen, van den 24n Februari tot den 9n Maart, veranderde de toestand van den dampkring niet belangrijk. De hemel was altijd met zwaren nevel bezwangerd. Gedurende eenige uren nam de wind af, om dan weder met dezelfde woede los te barsten. Twee of driemaal ging de barometer aan het rijzen, maar zijn schommeling, een twaalftal strepen uitmakende, was te plotseling om een verandering van weer en een terugkeer tot zachtere winden aan te kondigen. Daarbij kwam dat de kwikkolom bijna dadelijk weder daalde, zoodat vooralsnog niets het einde van het slechte weder voorspelde.Ook barstten er van tijd tot tijd geduchte onweders los, die Dick ernstig ongerust maakten. Twee of drie malen sloeg de bliksem op slechts eenige kabellengten van het schip af in de zee. Daarna viel dan de regen in stroomen neder en kwamen er van die dwarrelwinden van half verdichte dampen voor, die denPelgrimmet een dichten mist omgaven.Uren achtereen had de man op den uitkijk geen uitzicht meer en ging men op goed geluk verder.Alhoewel het vaartuig, niettegenstaande het sterk stampte, vreeselijk slingerde, verdroeg Mevr. Weldon dit stampen en slingeren, zonder er gelukkig eenigen hinder van te gevoelen. Maar haar kleine jongen was zeer ongesteld en vereischte al haar zorgen.Wat neef Benedictus betreft, hij was evenmin ziek als de Amerikaansche kakkerlakken, die hij gezelschap hield, en hij bracht zijn tijd door met studeeren, alsof hij rustig in zijn studeervertrek te San-Francisco zat.Zeer gelukkig hadden ook Tom en zijn kameraden weinig last van de zeeziekte en konden zij daarom hun jeugdigen bevelvoerder hulp blijven verleenen, die zelf volkomen gewend was aan al de ongeregelde bewegingen van een schip dat voor den wind loopt.DePelgrimliep snel onder zijn verminderde zeilen en reeds zag Dick Sand aankomen dat hij nog meer zeil zou moeten minderen. Maar hij wilde volhouden, zoolang het zonder gevaar mogelijk zou zijn. Naar zijn berekening kon de kust niet ver meer verwijderd zijn. Men zag dus ijverig uit. Evenwel kon Dick niet te veel op de oogen zijner metgezellen vertrouwen om de eerste teekenen van land te ontdekken, want hoe scherp van gezicht men moge zijn, hij, die niet gewoon is om den horizont op zee te onderzoeken, is niet in staat om de eerste omtrekken eener kust te onderscheiden, vooral te midden van dikke nevels. Ook moest Dick Sand zelf uitkijken en klom hij daarom dikwijls in het want om beter te zien. Maar niets deed zich nog voor van de Amerikaansche kust.Dat verwonderde hem en toen hem hieromtrent eenige woorden ontvielen, begreep Mevr. Weldon zijn verwondering. Het was de 9e Maart. De leerling bevond zich op het voorschip, nu eens den blik gericht op de zee en de lucht, dan weder met het oog op de masten van denPelgrim, die onder het aanhoudend geweld van den wind begonnen te lijden.“Zie je nog niets, Dick?” vroeg zijhem, op een oogenblik dat hij den verrekijker liet zakken.“Niets, mevrouw, niets,” antwoordde hij, “en toch schijnt de horizont een weinig op te klaren, onder den hevigen wind die nog meer gaat aanwakkeren.”“En volgens u, Dick, kan de Amerikaansche kust niet ver meer af zijn, nu?”“Dat kan zij niet,mevrouw,en als er iets is dat me verwondert, dan is het dat zij nog niet in ’t gezicht is!”“En toch,” hernam Mevr. Weldon, “heeft het schip altijd goeden koers gehouden.”“Altijd, vanaf de wind noord-west geweest is,” antwoordde Dick Sand, “dat is dus sedert den dag dat we onzen ongelukkigen kapitein en zijn equipage hebben verloren. Dat was de 10e Februari, we hebben nu den 9en Maart. Er zijn dus sedert dien tijd zeven-en-twintig dagen verloopen!”“Maar hoever waren we toen nog van de kust verwijderd?” vroeg Mevr. Weldon.“Vier duizend vijfhonderd mijlen ongeveer, mevrouw. Zijn er soms zaken, die ik zeer betwijfel, voor dit cijfer kan ik instaan op twintig mijlen na.”“En hoe groot is de snelheid van het schip geweest?”“Gemiddeld honderdtachtig mijlen per dag, sedert de wind zich verhief,” antwoordde de leerling. “Ook verwondert het mij, dat we nog niet in ’t gezicht van land zijn. En wat me nog vreemder voorkomt, is, dat we zelfs geen enkel van die vaartuigen ontmoeten, die gewoonlijk deze streken bezoeken.”“Hebt ge u niet kunnen vergissen, Dick?” hernam Mevr. Weldon, “bij het bepalen van de snelheid van denPelgrim?”“Neen, mevrouw. Op dat punt heb ik niet kunnen dwalen. Er is om het half uur gelogd; en ’k heb de uitkomsten zeer juist opgeteekend.—Kom, ’k zal ’t op ’t oogenblik weer doen en u zult zien dat we nu tien mijlen per uur loopen, wat meer dan twee honderd mijlen per dag bedraagt!”Dick Sand riep Tom en beval hem te loggen,—een werk dat de oude neger nu zeer gewoon was te doen.De log, stevig aan het einde van de lijn bevestigd, werd gebracht en buiten boord gegooid.Nauwelijks waren twintig vademen afgeloopen, of de lijn in de handen van Tom werd eensklaps slapper.“Och! mijnheer Dick!” riep hij uit.“Welnu, Tom?”“De lijn is gebroken!”“Gebroken!” riep Dick Sand uit! “En de log is verloren!”De oude Tom liet het eind van de lijn zien, dat hij in de hand hield.Het was maar al te waar. Zij was goed vastgebonden geweest. De lijn was in het midden afgebroken. En toch was het touw van eerste kwaliteit. De strengen moesten dus op het punt waar ze afbraken, zeer versleten zijn geweest! En dat waren zij inderdaad, waarvan Dick zich kon overtuigen toen hij het eind van de lijn in de hand hield! Maar.... waren zij door het gebruik versleten, vroeg de leerling zich af, die wantrouwend geworden was.Hoe het zij, de log was verloren, en Dick Sand had nu geen enkel middel meer om de snelheid van zijn schip juist te schatten. Het eenige instrument dat hij nu nog bezat, was een kompas, en hij wist niet eens dat zijn aanwijzingen valsch waren!Mevr. Weldon zag dat hij zoo terneergeslagen was over dit ongeluk, dat zij niet verder wilde aandringen en met een bezwaard hart zich in haar kajuit terugtrok.Maar, al kon de snelheid van denPelgrimen bijgevolg de afgelegde weg niet meer bepaald worden, het was gemakkelijk zich te overtuigen dat de vaart van het schip niet verminderde.Werkelijk daalde de barometer den volgenden dag, 10 Maart, tot acht-en-twintig duim twee tiende.4Dat voorspelde een van die stormvlagen die tot zestig mijl per uur maken.Het werd dringend noodzakelijk nog meer zeil te minderen, teneinde de veiligheid van het vaartuig niet in de waagschaal te stellen.Dick Sand besloot zijn bramsteng te strijken, zijn kluifhout in te voeren en zijn benedenzeilen te bergen, om slechts te varen onder stagfok en gereefd marszeil.Hij riep Tom en de anderen om hem behulpzaam te zijn in dit moeielijkwerk, dat ongelukkig niet snel kon verricht worden.En toch, de tijd drong, want de storm barstte reeds met hevigheid los.Dick Sand, Austin, Actéon en Bat gingen naar boven terwijl Tom aan het roer bleef, en Hercules op het dek, om dadelijk, als hem de order gegeven werd, de vallen te vieren of los te gooien.Na talrijke pogingen werd het kluifhout ingevoerd en de bramsteng gestreken, niet zonder dat deze brave menschen door het vreeselijk schudden der masten, tengevolge van het slingeren, honderd maal op het punt waren in zee te storten. Nadat daarna nog een rif ingestoken en de fok geborgen was, lag de schoenerbrik alleen onder stagfok en het dicht gereefd marszeil.Alhoewel zijn zeilen nu aanmerkelijk verminderd waren, bleef dePelgrimnog altijd een buitengewoon snelle vaart houden.Den 12en zag het er met het weder nog slechter uit. Dien dag toch zag Dick Sand in den vroegen morgenstond den barometer tot zeven-en-twintig duim negen tiende5dalen.Het was nu een echte storm geworden, zoodanig, dat dePelgrimzelfs het weinigje doek niet meer kon dragen, dat hem nog over bleef.Toen Dick Sand zag dat zijn marszeil zou scheuren, gaf bij bevel het te beslaan.Maar te vergeefs, want een nog heviger rukwind wierp zich op dit oogenblik op het schip en scheurde het zeil los. Austin, die zich op de marsra bevond, werd door den bakboordsschoot getroffen. Gewond, maar vrij licht, kon hij zelf naar beneden komen.Dick Sand was nu ten hoogste ongerust en had slechts één gedachte: dat namelijk het schip, met zulk een woedende vaart voortgestuwd, zich elk oogenblik kon te bersten stooten, want volgens zijn raming, konden de klippen van het strand niet meer ver af zijn. Hij keerde dus terug naar het voorschip, maar hij zag niets, dat zelfs den schijn van land had en nam het roer weder op.Een oogenblik later trad Negoro op het dek. Daar gekomen, strekte zich zijn arm onwillekeurig uit naar een punt van den horizont. Men zou gezegd hebben dat hij zeer in de vertedoorden dichten nevel heen hoog land ontdekte!....Nogmaals vertoonde diezelfde valsche glimlach zich op zijn gelaat, en zonder iets te zeggen van ’t geen hij misschien gezien had, ging hij weder naar zijn verblijf terug.1Uittreksel uit den “Dictionnaire illustré” van Vorepièrre.257 kilometers.3De Engelsche en Fransche barometers zijn in duimen en strepen gegradueerd. Acht- en twintig duim zeven tiende staan gelijk met 728 millimeters.4716 millimeters.5709 millimeters.Twaalfde hoofdstuk.Aan den horizont.Het was op dezen dag dat de storm op zijn felst woedde en zijn vreeselijksten vorm aannam, namelijk dien van orkaan. De wind was naar het zuidoosten geloopen. De lucht verplaatste zich met een snelheid van negentig mijlen in ’t uur.1Het was nu wel degelijk een orkaan, een van die vreeselijke windvlagen, die al de schepen eener reede op de kust werpen en waaraan, zelfs aan land, de stevigste gebouwen geen weerstand kunnen bieden. Zoodanig een was die, welke den 25n Juli 1825 Guadeloupe verwoestte. Wanneer vier-en-twintig ponders van hunne affuiten worden gelicht, bedenke men eens wat er van een schip moet worden dat geen ander steunpunt heeft dan een oproerige zee! En toch is het juist aan de beweeglijkheid van die zee, dat het vaartuig dikwijls zijn redding te danken heeft. Het loopt met den wind mede en mits het maar stevig gebouwd zij, is het in staat de hevigste windstooten te weerstaan. Dit was het geval met denPelgrim. Eenige minuten nadat het marszeil aan flarden gescheurd was, werd ook de stagfok op haar beurt weggerukt. Dick Sand moest er toen van afzien om zelfs een stormfok, een klein zeil van sterk doek, te stellen, hetgeen het sturen van het schip anders gemakkelijker zou gemaakt hebben.Er bleef dus geen enkel stukje doek aan denPelgrimmeer over waarop de wind vat kon hebben, die nu woedde tegen zijn romp, zijn masten en zijn want; dit reeds was genoeg om hem met ontzettende snelheid te doen voortvliegen. Somtijds scheen het schip zelfs boven de golven te zweven enmoest men aannemen dat het die slechts even aanraakte.In dezen toestand was het slingeren van het vaartuig op de door den storm heen en weer geschudde golven, vreeselijk. Telkens liep men gevaar een monsterachtige stortzee achterin te krijgen. De bergen water liepen sneller dan de schoenerbrik en dreigden den achtersteven te treffen, zoo zij zich niet snel genoeg oprichtte. Dit is een der grootste gevaren die een schip, dat voor den storm vlucht, kan beloopen.Maar, wat te doen om deze mogelijke ramp te voorkomen? Men kon denPelgrimgeen grootere snelheid mededeelen, omdat hij niet het kleinste stukje doek zou behouden hebben. Men moest dus beproeven door middel van het roer, waarvan de werking evenwel dikwijls onmachtig was, aan het vaartuig dezelfde richting te blijven geven.Dick Sand verliet het roer niet meer. Hij had zich met een touw om het middel vastgesjord, om niet door een stortzee weggeslagen te worden. Ook Tom en Bat hadden zich vastgebonden en hielden zich gereed om hem te hulp te komen. Hercules en Actéon hadden zich aan de betings vastgeklampt en waakten op het voorschip.Wat Mevr. Weldon, den kleinen Jack, neef Benedictus en Nan aangaat, zij bleven op verzoek van den leerling in de achterkajuit. Mevr. Weldon was liever op het dek gebleven, maar Dick Sand had het met alle macht tegengehouden, omdat dit zich zonder noodzakelijkheid in gevaar begeven zou geweest zijn.Al de luiken waren hermetisch gesloten. Het was te hopen dat zij genoegzaam tegenstand zouden bieden ingeval het mocht gebeuren, dat er een van die ontzaglijke zeeën over boord sloeg waartegen niets bestand is. Indien zij ongelukkig voor het gewicht dezer stortzeeën weken, kon het schip onderloopen en zinken. Zeer practisch was ook de lading met zorg gestuwd, zoodat in weerwil van het vreeselijk overhalen der schoenerbrik, haar lading zich niet verplaatste.Dick Sand had de uren, die hij aan den slaap gaf, nog verminderd. Ook bekroop Mevr. Weldon de vrees dat hij ziek zou worden. Zij verkreeg van hem dat hij eenigen tijd rust zou nemen.Nu had er juist, terwijl hij sliep, in den nacht van den 13en op den 14en Maart weder iets bijzonders plaats.Tom en Bat waren achteruit, toen Negoro, die zich slechts zelden op dit gedeelte van het schip liet zien, op hen toekwam en zelfs een gesprek met hen scheen te willen aanknoopen; maar Tom en zijn zoon gaven hem geen antwoord.Plotseling, op het oogenblik eener vreeselijke slingering, viel Negoro, en zou hij stellig in zee geslingerd zijn, zoo hij zich niet aan het kompasbuisje had vastgegrepen.Tom gaf een schreeuw, daar hij vreesde dat het kompas gebroken was.Dick Sand was in een oogenblik wakker, hoorde den kreet en vloog op het dek.Negoro was reeds weder op de been, maar hij hield het stuk ijzer in de hand, dat hij van onder het kompashuisje had weggenomen en deed het verdwijnen voordat Dick Sand het bemerkt had.Zou Negoro er belang bij gehad hebben dat de magneetnaald de goede richting hernam! Ja, want deze winden uit het zuid-westen kwamen hem nu te stade!....“Wat is er gaande?” vroeg de leerling.“Dat is die ongelukkige kok, die viel op het kompas!” antwoordde Tom.Bij deze woorden, bukte zich Dick Sand, die zich zeer ongerust maakte, naar het kompashuisje.... Het was in order, het kompas door de lampen verlicht, lag altijd op zijn beide concentrische ringen.Dat was een steen van het hart van Dick! Het breken van het eenige kompas aan boord zou een onherstelbaar ongeluk geweest zijn.Maar, wat Dick Sand niet had kunnen opmerken, was, dat sedert het wegnemen van het stuk ijzer, de naald haar normalen stand weder had ingenomen en juist het magnetische noorden aanwees, zooals het onder dezen meridiaan moest zijn.Al kon men nu evenwel Negoro niet verantwoordelijk stellen voor een val, die onwillekeurig scheen, zoo had Dick Sand toch alle reden er zich over te verwonderen dat de kok zich op dat uur op het achterschip bevond.“Wat doe je daar?” vroeg hij hem.“Wat me bevalt,” antwoordde Negoro.“Je zegt!....” riep Dick Sand uit, die zich een oogenblik boos maakte.“Ik zeg!....” antwoordde de kok, “dat er geen reglement is dat me verbiedt op het achterschip te wandelen!”“Welnu, ik maak dat reglement,” antwoordde Dick Sand, “en nu verbied ik u achteruit te komen!”“Och kom!” antwoordde Negoro.De man, die zich zelf gewoonlijk zoo meester was, maakte een dreigende beweging.De leerling haalde een revolver te voorschijn en richtte deze op den kok, zeggende:“Negoro, onthoud dat ik dit wapen altijd bij me draag en ik je bij het eerste teeken van verzet door ’t hoofd schiet!”Op dit oogenblik voelde Negoro zich door een onweerstaanbare kracht tot het dek neergebogen.Hercules had eenvoudig zijn zware hand op zijn schouder gelegd.“Kapitein Sand,” zei de reus, “wilt u dat ’k dien kerel over boord gooi? Het is een lekkerbeetje voor de visschen die nog al zoo kiesch niet zijn.”“Nog niet,” antwoordde Dick Sand.Negoro richtte zich op, zoodra hij de hand van den neger niet meer op zich voelde drukken. Maar Hercules voorbijgaande, mompelde hij:“Dat zal ’k je betaald zetten, vervloekte neger!”Intusschen was de wind omgeloopen en toch gaf, tot Dick’s verwondering, niets in den toestand der zee te kennen dat er een verandering op til was. Het schip hield nog steeds koers, maar door wind en zeeën, die nu dwars inkwamen, was Dick Sand genoodzaakt vier streken af te houden om voor den storm te blijven wegloopen.Maar van den anderen kant was zijn aandacht meer dan ooit opgewekt en vroeg hij zich af of er niet eenig verband bestond tusschen den val van Negoro en het breken van het eerste kompas. Wat was de kok daar komen doen? Had hij er misschien eenig belang bij dat het tweede kompas ook buiten dienst gesteld werd? Welk belang zou dat hebben kunnen zijn? Er was geen enkele reden voor te vinden. Moest ook Negoro, evenzeer als allen, niet vurig wenschen zoo spoedig mogelijk aan de Amerikaansche kust te landen?Toen Dick Sand met Mevr. Weldon over het voorval sprak, kon ook zij, hoewel zijn wantrouwen in zekere mate deelende, geen aannemelijke drijfveer vinden voor ’t geen van den kant van Negoro een misdadig overleg zou geweest zijn.Intusschen werd op den kok, uit voorzichtigheid, nauwkeurig het oog gehouden. Overigens kwam hij in zooverre de bevelen van den leerling na, dat hij zich niet meer op het achterschip waagde, waar zijn dienst hem nimmer riep. Bovendien nam men de voorzorg er Dingo aanhoudend verblijf te laten houden, en men weet dat Negoro niet bijzonder op het gezelschap van den hond gesteld was.Gedurende de geheele week bleef de storm voortwoeden. De barometer daalde nog altijd. Van den 14en tot den 26en Maart, was het onmogelijk, van een oogenblikje kalmte gebruik te maken om eenige zeilen bij te zetten. DePelgrimstormde naar het noordoosten met een snelheid die niet onder de twee honderd mijlen in de vier-en-twintig uur kon zijn, en nog altijd geen land! En toch, dat land was Amerika, dat als een onmetelijke slagboom tusschen de Atlantische zee en de Stille Zuidzee ligt, op een lengte van meer dan honderd twintig graden.Dick Sand vroeg zich somtijds af of hij niet krankzinnig was, of hij nog het bewustzijn had het ware van het valsche te onderscheiden, of hij niet sedert zoo vele dagen, buiten zijn weten, in een verkeerde richting liep! Neen, zoo erg kon hij zich niet vergissen! De zon, die hij wel is waar in den dikken nevel niet kon onderscheiden, kwam altijd vóór hem op, om achter hem onder te gaan!Maar was het land dan verdwenen? Waar lag dan Amerika, waarop zijn schip misschien te gronde zou gaan, waar was het, zoo het zich niet daar bevond? Het mocht dan het zuidelijke of het noordelijke vasteland zijn,—want alles was mogelijk in die verwarring,—een van beiden moest de Pelgrim toch bereiken. Wat was er toch gebeurd sedert het begin van dien verschrikkelijken storm? Wat geschiedde er nog, nu die kust, die zijn heil of zijn ondergang zou zijn, nog altijd niet opdoemde? Moest Dick Sand dan veronderstellendat hij bedrogen was door zijn kompas, welks aanwijzingen hij niet meer kon vergelijken, omdat het tweede kompas hem ontbrak om die vergelijking te doen? En werkelijk zijn vrees was gewettigd door die voortdurende totale afwezigheid van land!Wanneer Dick Sand zich dan ook niet aan het roer bevond, was hij onophoudelijk bezig de kaart met de oogen te verslinden. Maar al bestudeerde hij deze nog zoo vlijtig, zij kon hem het raadsel niet oplossen dat, in den toestand waarin Negoro hem gebracht had, onbegrijpelijk voor hem was, zooals het voor iedereen zou geweest zijn.Dien dag evenwel, den 27n Maart ongeveer 8 uur ’s morgens deed zich iets van het grootste gewicht voor.Hercules voor op den uitkijk, deed den kreet hooren:“Land! land!”Dick Sand nam een sprong naar den bak. Zou Hercules, die geen zeemansoogen kon hebben, zich niet bedriegen?“Land!” riep Dick Sand.“Dáár!” antwoordde Hercules, terwijl hij een bijna onmerkbaar punt aan den horizont in het noord-oosten aanwees.Men kon elkander te midden van het geloei van den storm slechts moeielijk verstaan.“Heb je werkelijk land gezien?....” vroeg de leerling.“Ja,” antwoordde Hercules, met het hoofd knikkend. En wederom wees hij met de hand aan bakboord vooruit.De leerling keek, maar zag niets.Op dit oogenblik betrad Mevr. Weldon, die den kreet door Hercules geuit, gehoord had, het dek, niettegenstaande haar belofte er niet te komen.“Mevrouw!....” riep Dick Sand.Ook Mevr. Weldon, zich niet kunnende doen hooren, beproefde het door den neger aangewezen land te ontdekken, en scheen haar geheele leven in haar oogen te concentreeren.Waarschijnlijk had de hand van Hercules naar een verkeerd punt aan den horizont gewezen, want noch Mevrouw Weldon, noch Dick Sand konden iets zien.Maar eensklaps strekte ook hij de hand uit.“Ja! ja! land!” zeide hij.En werkelijk was op een plek, waar de nevelen voor een oogenblik uiteen weken, een soort van top te zien. Zijn zeemansoogen konden hem niet bedriegen.“Eindelijk!” riep hij uit, “eindelijk!”Hij hield zich koortsachtig aan de verschansing vast. Mevr. Weldon, door Hercules ondersteund, keek onophoudelijk naar dat zoo vurig verlangde land.De kust, die door dit voorgebergte gevormd werd, verhief zich op tien mijlen aan lij van bakboordszij. Daar er nu een blinker kwam, kon men de kust duidelijker onderscheiden. Het was ongetwijfeld een kaap van het Amerikaansche vasteland. DePelgrimkon zonder zeilen niet goed koers houden, maar moest wel op het strand aanloopen.Het was slechts om eenige uren te doen. Het was nu acht uur ’s morgens en dus zou dePelgrimvoor twaalf uur dicht bij land zijn.Op een teeken van Dick Sand, geleidde Hercules Mevr. Weldon weder naar het achterschip, want zij zou het geweld van het stampen niet hebben kunnen weerstaan.De leerling bleef nog een oogenblik op den bak en keerde vervolgens naar het roer bij den ouden Tom terug.Eindelijk zag hij dan nu deze zoo lang weggebleven, zoo vurig begeerde kust! maar nu helaas! met een gevoel van schrik!En inderdaad, in den toestand waarin dePelgrimzich bevond, namelijk vluchtende voor den storm, het land aan lij, was er niets anders te wachten dan een schipbreuk met al haar mogelijke verschrikkingen.Twee uren verliepen. Het voorgebergte vertoonde zich nu dwarsscheeps.Op dit oogenblik kwam Negoro aan dek. Dezen keer keek hij met de grootste aandacht naar de kust, schudde het hoofd als iemand die wist waaraan zich te houden, en ging weder naar beneden, na een naam genoemd te hebben dien niemand kon verstaan.Wat Dick Sand betreft, hij trachtte de kust te ontdekken, die zich achter het voorgebergte moest uitstrekken.Opnieuw verliepen twee uren. Het voorgebergte verhief zich aan bakboordszij van achteren, maar de kust was nog altijd niet te onderscheiden.Intusschen klaarde de lucht aan den horizont op, en een hooge kust, zooalshet Amerikaansche land zich juist moest voordoen in het verre verschiet, begrensd door de ontzaglijke keten der Andes, zou op een afstand van meer dan twintig mijlen zichtbaar geweest zijn.Dick Sand nam zijn verrekijker en liet dien langzaam langs den geheelen oostelijken horizont gaan.Niets! Hij zag niets meer!Om twee uren na den middag, was alle spoor van land achter denPelgrimuitgewischt. Vooruit kon de verrekijker niet de minste lijn van een hooge of lage kust ontdekken.Toen ontsnapte aan Sand een smartelijke kreet; hij verliet onmiddellijk het dek en begaf zich haastig naar de kajuit waar Mevr. Weldon met den kleinen Jack, Nan en Neef Benedictus zich ophielden.“Een eiland! ’t was maar een eiland!” zeide hij.“Een eiland, Dick! maar welk?” vroeg Mevr. Weldon.“De kaart zal ’t ons zeggen.”En even heengaande, kwam hij met de kaart terug.“Daar, mevrouw Weldon, daar!” zei hij. “Het land dat in ’t gezicht geweest is, kan niet anders zijn dan het verloren punt te midden der Stille Zuidzee! ’t kan niet anders zijn dan het Paascheiland! Er zijn geen andere eilanden in deze streken!”“En hebben we ’t al achter ons?” vroeg Mevr. Weldon.“Ja, loefwaarts van ons!”Mevr. Weldon keek aandachtig naar het Paasch-eiland, dat slechts een onmerkbaar punt op de kaart uitmaakte.“En hoe ver is het van de Amerikaansche kust.“Vijf en dertig graden.”“En dat is?....”“Ongeveer twee duizend mijlen.”“Maar is dan dePelgrimniet vooruitgegaan, omdat we nog zoo ver van het vasteland afzijn?”“Mevrouw Weldon,”antwoordde Dick Sand, die een oogenblik de hand aan het voorhoofd bracht, als om zijn gedachten bijeen te houden, “’k weet.... ’k kan geen verklaring van de ongelooflijke vertraging geven!.... Neen! ik kan niet.... of de aanwijzingen van het kompas moeten valsch geweest zijn!.... Maar dat eiland moet wel het Paasch-eiland geweest zijn, omdat we voor den wind naar het noord-oosten hebben moeten loopen en de Hemel zij gedankt dat we nu weten waar we zijn. Ja! ’t is het Paasch-eiland! Ja het is nog twee duizend mijlen van de kust af! Eindelijk weet ik dan toch waarheen de storm ons gejaagd heeft, en zoo hij bedaart, kunnen we met eenige kans op geluk de Amerikaansche kust aandoen! Nu althans mag ons schip niet meer verloren heeten in de onmetelijke Stille Zuidzee!”Dit vertrouwen, door den jeugdigen leerling geuit, werd door allen gedeeld die hem zoo hoorden spreken. Mevr. Weldon zelve liet zich overtuigen. Het was wezenlijk alsof die arme menschen aan het einde van hun zorgen, van hun lijden gekomen waren en dePelgrimweldra met goeden wind in een haven zou binnenloopen!Het Paascheiland,—met zijn waren naam Vai-Hou geheeten,—ontdekt door David in 1686, bezocht door Cook en Lapérouse, is gelegen op 27°Z.B.en 112°O.L.Indien de schoenerbrik op deze wijze meer dan vijftien graden naar het noorden was verzeild, dan was dit blijkbaar tengevolge van dien storm uit het zuid-westen waarvoor zij had moeten lenzen.DePelgrimwas dus nog twee duizend mijlen van de kust verwijderd. Evenwel moest hij door de kracht van den wind, die nog altijd even hevig bleef, in minder dan tien dagen een of ander punt van de kust van Zuid-Amerika bereikt hebben.Maar mocht men niet hopen, zooals de leerling gezegd had, dat het weder eindelijk toch wat zou bedaren en dat het dan mogelijk zou zijn een of ander zeil bij te zetten, zoodra men land in ’t gezicht had?Dit was nog altijd de hoop van Dick Sand. Hij was van meening dat die orkaan, die nu reeds zoovele dagen had aangehouden, eindelijk toch wel zou afnemen. En nu hij, tengevolge van de verkenning van het Paasch-eiland, juist wist waar zij zich bevonden, had hij alle reden te vertrouwen, dat hij, eenmaal weder meester van zijn vaartuig geworden, het naar een veilige ankerplaats zou kunnen brengen.Nu Dick Sand als door een bijzondere gunst der Voorzienigheid dat verlaten punt te midden der zee had kunnen verkennen, nu had Dick Sand zijn vertrouwen,dat bijna verloren was gegaan, teruggekregen. Werd hij altijd door een orkaan, dien hij niet beteugelen kon, voortgezweept, dan ging dit toch niet geheel blindelings meer.DePelgrim, stevig gebouwd en getuigd, had onder deze woedende aanvallen van den storm, weinig geleden. Zijn averij bepaalde zich tot het verlies van het marszeil en de kleine stagstok—verliezen die licht te herstellen waren. Geen druppel water was door de met zorg gestopte naden van den romp en het dek gedrongen. De pompen waren volkomen onbelemmerd. In dit opzicht was er niets te vreezen.Doch onophoudelijk bleef de orkaan voortwoeden en niets scheen hem tot bedaren te brengen. Kon Dick Sand zijn schip in zekere mate bestand maken tegen den storm, hij vermocht den wind niet bevelen te gaan liggen, den golven te bedaren, den hemel op te klaren. Was hij aan boord na God “heer en meester,” buiten boord was het God alleen die wind en golven gebood.

Hij was geheel in de studie van den kakkerlak verdiept en bewonderde hem niets minder, ja gaf er zich even veel moeite mede alsof dit afschuwelijk insect een gouden tor geweest ware.

Het leven aan boord had dus zijn gewonen loop hernomen, alhoewel ieder natuurlijk nog geruimen tijd onder den indruk bleef eener zoo grievende en onverwachte ramp.

Gedurende dien geheelen dag was Dick Sand overal, om te zien of alles op zijn plaats was en te zorgen dat hij gewapend was tegen alles wat er gebeuren kon. De negers gehoorzaamden hem goed willig en de volmaaktste orde heerschte aan boord van denPelgrim. Men mocht dus hopen dat alles nu zonder hinder zou gaan.

Van zijn kant deed Negoro geen nieuwe pogingen om zich aan het gezag van Dick Sand te ontrekken. Hij scheen het stilzwijgend erkend te hebben. Zooals altijd in zijn bekrompen kombuis bezig, zag men hem niet meer dan vroeger. Trouwens Dick Sand had zich stellig voorgenomen hem bij de minste overtreding, bij het eerste teeken van verzet voor de rest van den overtocht in de boeien te zetten. Op een teeken van hem zou Hercules den kok bij den nek gepakt hebben. Dat had zeker niet de minste moeite gekost. In dat geval ware Nan, die goed koken kon, in de plaats van den kok opgetreden. Negoro moest zich dus bekennen dat hij niet onmisbaar was, en, daar men van nabij op hem lette, scheen hij geen vat op zich te willen geven.

De wind, die tot den avond toe aanwakkerde, maakte geen verandering in de zeilen van denPelgrimnoodig. Zijn stevige masten, zijn ijzeren tuig, dat in goeden staat verkeerde, hadden hem veroorloofd onder dezen gang zelfs een sterkere bries te verdragen.

Het is dikwijls ’s nachts de gewoonte zeil te minderen en inzonderheid de bovenzeilen, bovenbramzeilen, boven stagzeilen, enz. Dat is voorzichtig, in het geval dat een rukwind onverwacht in de zeilen viel. Maar Dick Sand meende zich van deze voorzorg te kunnen onthouden. De toestand der atmosfeer deed niets noodlottigs voorzien en daarenboven had Dick Sand besloten dezen eersten nacht op het dek door te brengen en het oog over alles te houden. Bovendien had het schip een snelleren gangen zoo spoedig mogelijk wenschte hij zich in minder eenzame streken te bevinden.

Wij hebben reeds gezegd dat de log en het kompas de eenige instrumenten waren, die Dick Sand te zijner beschikking had, om althans tennaastenbij den door denPelgrimafgelegden weg te ramen.

Gedurende dezen dag liet de leerling om het half uur loggen en teekende de aanwijzingen op, die het instrument hem verschafte.

Wat den magneet aangaat, die ook den naam van kompas draagt, er bevonden zich twee aan boord. De een was geplaatst in het kompashuisje, onder de oogen van den man aan het roer. Zijn wijzer, op den dag door het daglicht verlicht en des nachts door twee ter zijde geplaatste lampen, wees ieder oogenblik aan welke richting het schip volgde.

Het andere kompas was een omgekeerde magneetnaald, bevestigd aan een dekbalk in de kajuit die vroeger door kapitein Hull bewoond werd. Op deze wijze kon hij, zonder het vertrek te verlaten, altijd weten of de goede koers gestuurd werd en of de man aan het roer, hetzij door onkunde of achteloosheid niet te veel gierde.

Trouwens is er geen schip, dat lange zeereizen moet maken, of het heeft minstens twee kompassen aan boord, zooals het twee chronometers heeft. Men moet deze instrumenten met elkander kunnen vergelijken en bijgevolg hun opgaven controleeren.

DePelgrimwas dus in dit opzicht voldoende voorzien, en Dick Sand drukte zijn onderhoorigen op het hart de grootste zorg voor deze twee kompassen, die hij zoo noodig had, in acht te nemen.

Maar ongelukkig had er in den nacht van den 12en op den 13en Februari, terwijl Dick de wacht had en aan het roer stond, een bedroevend ongeval plaats. Het kompas, dat in een koperen ring hing, die aan een dekbalk der kajuit bevestigd was, raakte los en viel op den vloer. Men ontdekte het pas denvolgendenmorgen.

Hoe kwam deze koperen ring te breken? Het was vrij duister. Het was evenwel mogelijk dat hij geoxydeerd was en door het slingeren en stampen van het schip van den balk was losgeraakt. Juist toch was de zee in den gepasseerden nacht onstuimiger geweest. Hoe het zij, het kompas was gebroken en kon niet gerepareerd worden.

Dick Sand was zeer teleurgesteld. Er schoot hem nu voortaan niets meer over dan het nachthuiskompas te raadplegen. Het breken van dit tweede kompas kon blijkbaar aan niemand geweten worden, maar het kon treurige gevolgen hebben. Dick nam dus alle mogelijke maatregelen om het tweede kompas voor ongelukken te bewaren.

Tot nog toe ging, behalve dat, alles goed aan boord van denPelgrim.

Toen Mevr. Weldon zag hoe kalm en bedaard Dick Sand was, had ook zij haar vertrouwen teruggekregen. Wel had zij zich nooit aan wanhoop overgegeven en rekende zij boven alles op Gods goedheid. Ook versterkte zij zich, als oprechte en vrome katholieke, door het gebed.

Dick Sand had het zoo weten te schikken, dat hij gedurende den nacht aan het roer bleef. Hij sliep vijf of zes uur per dag en dat scheen hem voldoende te zijn, daar hij zich niet al te vermoeid gevoelde. Gedurende dien tijd werd hij door Tom of diens zoon Bat aan het roer vervangen, die, dank zijn raadgevingen, langzamerhand tamelijke roergangers werden.

Dikwijls hadden Mevr. Weldon en de leerling een gesprek met elkander. Dick Sand raadpleegde gaarne die schrandere en moedige vrouw. Iederen dag toonde hij haar het bestek op de kaart, dat hij bij schatting afzette, daarbij alleen rekening houdende met den gezeilden koers en den afstand.

“Ziet u, mevrouw Weldon,” herhaalde hij haar dikwijls, “met die vaste winden moeten wij de kust van Zuid-Amerika wel bereiken. ’k Zou het niet durven verzekeren, maar ’k geloof wel dat, wanneer ons vaartuig in ’t gezicht van land zal komen, het niet ver van Valparaiso zal zijn!”

Mevr. Weldon kon niet twijfelen of de koers was goed, vooral begunstigd door die noord-westenwinden. Maar wat kwam dePelgrimhaar nog ver van het Amerikaansche strand voor! Welke gevaren lagen er nog tusschen hen en het vasteland, al waren het alleen die, welke konden voortkomen uit eene verandering in den toestand van de zee en den hemel!

Jack had met de zorgeloosheid aan zijn leeftijd eigen, weldra zijn gewone spelen hervat. Hij liep weder op het dek, speelde met Dingo, en vond ongetwijfeld dat zijn vriend Dick zich minder dan vroeger met hem bemoeide, maar zijn moeder had hem aan het verstand gebracht, dat hij den leerling niet van zijn bezigheden moest aftrekken. Jack had genoegen met deze redenen genomen en stoorde “kapitein Sand” niet meer.

Zoo ging het met de zaken aan boord. De zwarten verrichtten met schranderheid hun werk en werden elken dag meer bedreven in de praktijk van het zeemansvak. Tom werd natuurlijk bootsman en ook zijn kameraden zouden hem ongetwijfeld voor deze betrekking uitgekozen hebben. Hij commandeerde de wacht, terwijl Dick sliep en met hem waren dan steeds zijn zoon Bat en Austin. Actéon en Hercules maakten de andere wacht uit onder commando van Dick Sand. Terwijl dus de een stuurde, waakten de anderen op het voorschip.

Hoewel deze streken eenzaam waren en een aanzeiling geenszins te vreezen was, nam de leerling gedurende den nacht de uiterste waakzaamheid in acht. Hij voer nooit zonder zijn lichten op te hebben,—een groen licht aan stuurboordszij, een rood aan bakboordszij,—en hierin handelde hij wijs.

In die nachten evenwel, die Dick Sand geheel aan het roer doorbracht, maakte zich somtijds een onweerstaanbare neerslachtigheid van hem meester. Zijn hand stuurde dan zuiver instinctmatig. Het was het gevolg eener afgematheid, waarvan hij niets wilde weten.

Nu gebeurde het in den nacht van den 13n op den 14n Februari dat Dick Sand, die zeer vermoeid was, eenige uren rust moest gaan nemen en door den ouden Tom aan het roer vervangen werd.

De hemel was met dikke wolken bezet, die tegen den avond onder den invloed van de koude lucht gedaald waren. Het was dus zeer duister en het was onmogelijk de bovenzeilen te onderscheiden. Hercules en Actéon hadden de wacht op den bak.

Op het achterschip werd het zwakke schijnsel van het licht van het kompashuisje zacht weerkaatst door het metalen bekleedsel van het stuurrad. De boordseinlantarens, die hun lichten zijdelings deden uitstralen, lieten het dek van het schip in diepe duisternis gehuld.

Tegen drie uur ’s morgens deed zich bij Tom een soort van helderziendheid voor, waarvan hij zich zelven niet bewust was. Zijn oogen, die al te lang op een lichtend punt van het kompashuisje gestaard hadden, verloren plotseling het gezichtsvermogen en hij verviel in een soort van werkelijke anaesthetische slaperigheid.

Niet alleen zag hij niet meer, maar al had men hem aangeraakt of hard geknepen, zou hij waarschijnlijk niets gevoeld hebben.

Hij zag dus de schaduw niet die over het dek gleed.

Het was Negoro.

Achteruit gekomen, plaatste de kok onder het kompashuisje een tamelijk zwaar voorwerp, dat hij in de hand hield.

Na toen een oogenblik den verlichten wijzer van het kompas waargenomen te hebben, trok hij zich terug zonder dat hij gezien was.

Indien Dick Sand den volgenden morgen het voorwerp had opgemerkt, dat Negoro onder het kompashuisje geplaatst had, zou hij zich gehaast hebben het weg te nemen.

En niet zonder reden, want het was een stuk ijzer, waarvan de invloed de aanwijzingen van het kompas veranderd had. De magneetnaald was afgeweken en in plaats van het magnetische noorden aan te wijzen, dat een weinig van het geographische noorden verschilt, wees zij het noord-oosten aan. Het was een afwijking van vier streken, anders gezegd van een halven rechten hoek.

Tom was bijna dadelijk uit zijn diepe sluimering ontwaakt. Zijn oogen wendden zich terstond naar het kompas... en hij geloofde, hij moest wel gelooven dat dePelgrimde goede richting niet had.

Hij draaide dus het roer, teneinde den steven weder naar het oosten te richten.... Hij dacht het althans.

Maar, bij de afwijking van de naald, die hij niet kon vermoeden, wendde hij den schoener naar het zuidoosten.

Terwijl men dus niet anders dacht dan dat dePelgrimbij gunstigen wind de goede richting had, vervolgde hij met een verschil vanvijf-en-veertiggraden zijn weg!

In de week die op dit voorval volgde, van den 14n tot den 21n Februari, had er niets bijzonders aan boord plaats.De noordoostelijke wind wakkerde allengs aan en dePelgrimliep snel, een afstand afleggende van gemiddeld honderd zestig mijlen in devier-en-twintiguren. Dit was nagenoeg alles wat men van een vaartuig van deze afmeting kon vergen.

De schoenerbrik moest dus, naar de berekening van Dick, de streken naderen waar de mailbooten van het eene halfrond naar het andere oversteken. De leerling hoopte altijd een van die vaartuigen te ontmoeten, en hij had het stellige voornemen, hetzij er zijn passagiers op over te brengen, hetzij eenige matrozen en misschien wel een officier te leenen. Maar hoewel er zeer nauwkeurig werd uitgekeken, kon er geen enkel schip gesignaleerd worden en bleef de zee altijd eenzaam.

Dit begon Dick Sand wel een weinig vreemd te vinden. Hij had meermalen dit gedeelte der Stille Zuidzee op zijn drie reizen naar de zuidelijke zeeën, om te visschen, doorkruist en bij de breedte en de lengte waarop hij zich meende te bevinden, was het zeldzaam dat er zich geen enkel Engelsch of Amerikaansch schip vertoonde, dat van Kaap Hoorn naar den evenaar kwam opwerken of naar de uiterste punt van Zuid-Amerika afzakte.

Maar Dick Sand wist niet, en hij kon het ook niet weten, dat dePelgrimreeds op een hoogere breedte was, dat is te zeggen meer zuidelijk dan hij vermoedde.

Dit lag aan twee redenen.

De eerste was dat de stroomen dezer streken, welker snelheid de leerling slechts onvolkomen kon gissen, er aan hadden toegebracht, om het schip van zijn weg af te brengen zonder dat het hem mogelijk was er zich rekenschap van te geven.

De tweede reden was dat het kompas, geschonden door de schuldige hand van Negoro, slechts onnauwkeurige uitkomsten gaf,—uitkomsten die Dick Sand, sedert het verlies van het tweede kompas, niet kon controleeren. Zoodat hij, meenende en moetende meenen dat de steven naar het oosten gekeerd was, werkelijk naar het zuid-oosten stevende! Het kompas werd steeds trouw door hem waargenomen. Er werd geregeld gelogd. Met zijn twee instrumenten kon hij in zekere mate denPelgrimbesturen en het aantal afgelegde mijlen bij benadering bepalen. Maar was dit voldoende?

Evenwel deed Dick Sand steeds zijn best om Mevr. Weldon, die zich over de voorvallen dezer reis dikwijls ongerust maakte, moed in te spreken.

“We zullen er wel komen!” herhaalde hij telkens. “We zullen de Amerikaansche kust bereiken, hier of daar, onverschillig waar, maar ergens aanlanden zullen we!”

”’k Twijfel er niet aan, Dick.”

“Natuurlijk, mevrouw, zouden we geruster zijn, als u niet aan boord waart en we slechts voor ons zelven hadden te zorgen, maar....”

“Maar als ik niet aan boord was,” antwoordde Mevr. Weldon, “als neef Benedictus, Jack, Nan en ik geen plaats op denPelgrimgenomen hadden, en als van den anderen kant, Tom en zijn kameraden niet in zee waren opgenomen, Dick, zou er niemand overgebleven zijn dan gij en Negoro!.... Wat zou er van je geworden zijn, alleen met dien raadselachtigen man, dien je niet vertrouwen kunt?”

”’k Zou begonnen zijn,” antwoordde Dick flink weg, “met Negoro te beletten mij te benadeelen.”

“En je zoudt alleen het schip bestuurd hebben?”

“Ja....alleen.... met God’s hulp!”

De moed en de geestkracht die uit deze woorden spraken, waren zeer geschikt om Mevr. Weldon op te beuren. En toch, als zij haar kleinen Jack aanzag, maakte zij zich dikwijls ongerust! Als de moeder niets wilde laten blijken van ’t geen de moeder gevoelde, dan kon zij niet altijd beletten dat een heimelijke angst zich van haar hart meester maakte.

Mocht intusschen de jeugdige leerling niet ver genoeg in zijn hydrographische studiën gevorderd zijn om zijn bestek op te maken, zoo bezat hij een werkelijk zeemans instinct, als er sprake van was om naar het weer te raden. Het voorkomen van de lucht van de eenezijde, van de andere de aanwijzingen van den barometer, deden hem voorzorgen nemen. Kapitein Hull, die een goed meteoroloog was, had hem geleerd dit instrument te raadplegen, dat merkwaardig zeker het weer kan voorspellen.

Ziehier met weinige woorden wat de aanteekeningen betrekkelijk de waarneming van den barometer bevatten.1

1º. Wanneer de barometer, nadat het tamelijk lang mooi weer geweest is, plotseling en aanhoudend begint te dalen, komt er ongetwijfeld regen; maar, als het lang mooi weer geweest is, kan de kwik twee of drie dagen lang in de barometer-buis zakken, voordat men eenige verandering in den toestand der atmosfeer opmerkt. Hoe meer tijd er dan verloopt tusschen de daling van de kwik en het komen van regen, des te langer zal de regentijd duren.

2º. Indien integendeel de barometer bij regenachtig weder, dat reeds lang geduurd heeft, langzaam en geregeld begint te rijzen, zal het zeker mooi weer worden, hetgeen des te langer zal duren hoe langer tusschenpoos verloopen is tusschen het mooie weer en het begin van het rijzen des barometers.

3º. Indien in de twee gevallen die voorafgaan, de verandering van weer onmiddellijk volgt op de beweging van de kwikkolom, zal deze verandering slechts kort duren.

4º. Wanneer de barometer gedurende twee of drie of zelfs meer dagen langzaam en aanhoudend rijst, verkondigt hij mooi weer, al houdt de regen gedurende deze drie dagen niet op, envice versa; maar, indien de barometer gedurende twee of meer dagen, terwijl het regent, rijst en hij vervolgens, terwijl het mooi weer geworden is, wederom begint te zakken, zal het mooie weer zeer kort duren, envice versa.

5º. In de lente en den herfst, voorspelt een plotselinge daling van den barometer wind. In den zomer, kondigt hij, als het zeer warm weer is, dan een onweer aan. In den winter, na eenigen tijd vorst gehad te hebben, voorspelt een snelle daling van de kwikkolom een verandering van wind, gepaard met dooiweder en regen; maar het rijzen van den barometer, terwijl het reeds eenigen tijd gevroren heeft, voorspelt sneeuw.

6º. De snelle schommelingen van den barometer moeten nooit opgenomen worden als droog of regenachtig weer van eenigen duur te voorspellen. Deze aanwijzingen worden uitsluitend gegeven door het rijzen of het dalen, dat langzaam en aanhoudend plaats heeft.

7º. Wanneer tegen het einde van den herfst, na aanhoudend regenachtig en winderig weer, de barometer rijst, dan kondigt dit rijzen den overgang aan van den wind naar het noorden en de nadering van den vorst.

Dit zijn algemeene regelen, die men moet afleiden uit de aanwijzingen van dit kostbaar instrument.

Dit was het wat ook aan Dick Sand zeer goed bekend was, ’t geen hij in verschillende omstandigheden van zijn zeemansleven bevestigd had gezien en hem leerde op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.

Nu begonnen, juist tegen den 20sten Februari, de schommelingen van de kwikkolom den jeugdigen leerling, die ze verscheidene malen per dag met groote zorg opteekende, eenigszins te verontrusten. Werkelijk begon de barometer langzaam en aanhoudend te zakken, ’tgeen regen voorspelde; maar daar deze regen nog niet spoedig kwam, besloot Dick Sand daaruit dat het slechte weder zou aanhouden. Dit was dan ook werkelijk het geval.

Maar de regen was hier de wind, en inderdaad wakkerde de bries zoo zeer aan, dat de lucht zich met een snelheid van zestig voet per seconde, of een en dertig mijlen per uur2verplaatste.

Dick Sand moest toen eenige voorzorgen nemen, om de masten en de zeilen van denPelgrimniet in gevaar te brengen. Hij had reeds het bovenbramzeil, het gaftopzeil en den buitenkluiver laten bergen en besloot dit ook met het bramzeil te doen en daarna twee reven in het marszeil te laten steken.

Dit laatste moest zekere moeielijkheid in zich hebben met een bemanning die nog zoo weinig geoefend was. Evenwel viel er niet te talmen en niemand talmde ook.

Dick Sand, vergezeld van Bat enAustin, ging naar boven en nam, ofschoon niet zonder moeite, het bramzeil in. Met minder dreigend weer, zou hij de twee raas niet hebben afgenomen, maar, daar hij voorzag dat hij waarschijnlijk verplicht zou zijn de bramsteng te schieten en die zelfs geheel aan dek te nemen, nam hij de beide raas af. Men begrijpt toch dat, als de wind te sterk wordt, men niet alleen de zeilen, maar ook het boventuig moet neernemen. Dit is een groote verlichting voor het schip, dat, hoog getuigd, van het slingeren en stampen niet meer zoo veel te lijden heeft.

Nadat deze eerste arbeid volbracht was,—en er gingen twee uren mede om,—hielden Dick Sand en de zwarten zich bezig met het marszeil te verkleinen door twee reven in te steken.

DePelgrimvoer niet, als de meeste nieuwere vaartuigen, een dubbel marszeil, hetgeen de manoeuvre gemakkelijk maakt. Men moest dus doen als vroeger, namelijk de ra op den rand laten loopen, een zeil door den wind geslagen naar zich toe halen en de rifseizings stevig vastknoopen. Dat alles was moeielijk, gevaarlijk en duurde lang, maar eindelijk gaf het gereefde marszeil minder vat aan den wind en daardoor werd de schoenerbrik aanmerkelijk verlicht.

Dick Sand kwam met Bat en Austin weder beneden. DePelgrimbevond zich toen in den toestand van zeewaardigheid, gevorderd door dien staat van den dampkring, waaraan men de benaming van “stijve koelte” heeft toegekend.

Gedurende de drie volgende dagen, 20, 21 en 22 Februari, was de wind noch in kracht, noch in richting belangrijk gewijzigd. Intusschen ging het kwik voort in de barometerbuis te zakken en den laatsten dag merkte Dick op, dat het voortdurend onder acht en twintig duim zeven tiende3stond.

Er was overigens volstrekt geen schijn van dat de barometer voor eenigen tijd zou gaan rijzen. De lucht zag er slecht en buitengewoon winderig uit. Buitendien werd zij aanhoudend door dikke dampen bedekt. Deze laag van nevels was zelfs zoo dik, dat men de zon niet meer kon zien en dat het moeilijk zou geweest zijn de plaats waar zij op- en ondergingaan te wijzen.

Dick Sand begon zich ongerust te maken. Hij verliet het dek niet meer. Hij sliep nauwelijks. Evenwel had hij geestkracht genoeg om zijn angst in het diepst van zijn hart te verbergen.

Den volgenden dag, 23 Februari, scheen de wind in den loop van den morgen een weinig af te nemen, maar Dick Sand vertrouwde het niet, en hij had gelijk, want in den namiddag stak de wind weer op en ging de zee hol staan.

Tegen vier uur verliet Negoro, dien men weinig zag, het verblijf der matrozen en begaf zich naar den voorsteven. Dingo sliep zeker ergens in een hoek, want hij blafte niet, zooals gewoonlijk.

Negoro bleef, altijd zwijgend, een half uur lang den horizon waarnemen.

Lange golven volgden elkander op, zonder nog in botsing met elkander te komen. Evenwel waren zij hooger dan met de kracht van den wind overeenkwam. Men moest er uit besluiten dat er slecht weer in het westen was, niet ver af meer misschien, en dat het weldra deze streken zou bereiken.

Negoro liet, in gedachten verzonken, zijn blikken weiden over de onmetelijke zee, die rondom denPelgrimin volslagen oproer verkeerde. Daarna richtten zich zijn koude en strakke oogen naar de lucht.

De lucht zag er verontrustend genoeg uit. De dampen verplaatsten zich met zeer verschillende snelheden. De wolken in de bovenlucht bewogen zich sneller dan die der benedenlagen van den dampkring. Men mocht dus vooruitzien dat weldra deze zware massa’s naar beneden zouden dalen en wat nu nog slechts een stijve koelte was, namelijk een verplaatsing van lucht tegen drie-en-veertig mijlen per uur, zou overgaan in een storm en misschien in een orkaan.

Hetzij Negoro geen man was om angst te gevoelen, hetzij hij niets begreep van het dreigende weer, hij scheen volstrekt niet ontroerd. Wel speelde er een valsche glimlach op zijn lippen. Eigenlijk was het of deze toestand van het weer hem eer genoegen gaf dan dat hij er zich onaangenaam gestemd over gevoelde. Een oogenblik klom hij op den boegspriet en kroop tot aan de woeling, om zijn blikken nog verder te laten weiden, alsof hij eenig teekenaan den horizont zocht. Daarna klom hij weder naar beneden en begaf zich, zonder een enkel woord gezegd of zelfs maar een gebaar gemaakt te hebben, weder naar het matrozenverblijf.

Evenwel was er onder al deze verschrikkelijke omstandigheden één gelukkige zaak, die ieder aan boord wel op prijs mocht stellen, namelijk dat de wind, hoe stevig hij werd of zou worden, gunstig was en dus dePelgrimsnelle vorderingen naar de Amerikaansche kust scheen te maken. En zelfs kon, als het weer maar niet tot storm oversloeg, deze overtocht zonder gevaar volbracht worden en zouden de werkelijke gevaren eerst dan beginnen, als het oogenblik gekomen was dat zij op eenig onbekend punt der kust land zouden bezeilen.

Dit was iets dat nu reeds dikwijls een onderwerp van Dick Sand’s overdenkingen uitmaakte. Hoe zou hij, als het land eenmaal in ’t gezicht was, manoeuvreeren, indien hij geen loods of geen zeeman ontmoette, die met het vaarwater bekend was? Wat zou hij doen, ingeval het slechte weder hem verplichtte een noodhaven te zoeken, daar deze kust hem ten eenemale onbekend was? Wel is waar had hij zich vooralsnog over deze zaak niet ongerust te maken, alhoewel er, als het uur eenmaal gekomen was, een besluit moest genomen worden.

Gedurende de 13 dagen die verliepen, van den 24n Februari tot den 9n Maart, veranderde de toestand van den dampkring niet belangrijk. De hemel was altijd met zwaren nevel bezwangerd. Gedurende eenige uren nam de wind af, om dan weder met dezelfde woede los te barsten. Twee of driemaal ging de barometer aan het rijzen, maar zijn schommeling, een twaalftal strepen uitmakende, was te plotseling om een verandering van weer en een terugkeer tot zachtere winden aan te kondigen. Daarbij kwam dat de kwikkolom bijna dadelijk weder daalde, zoodat vooralsnog niets het einde van het slechte weder voorspelde.

Ook barstten er van tijd tot tijd geduchte onweders los, die Dick ernstig ongerust maakten. Twee of drie malen sloeg de bliksem op slechts eenige kabellengten van het schip af in de zee. Daarna viel dan de regen in stroomen neder en kwamen er van die dwarrelwinden van half verdichte dampen voor, die denPelgrimmet een dichten mist omgaven.

Uren achtereen had de man op den uitkijk geen uitzicht meer en ging men op goed geluk verder.

Alhoewel het vaartuig, niettegenstaande het sterk stampte, vreeselijk slingerde, verdroeg Mevr. Weldon dit stampen en slingeren, zonder er gelukkig eenigen hinder van te gevoelen. Maar haar kleine jongen was zeer ongesteld en vereischte al haar zorgen.

Wat neef Benedictus betreft, hij was evenmin ziek als de Amerikaansche kakkerlakken, die hij gezelschap hield, en hij bracht zijn tijd door met studeeren, alsof hij rustig in zijn studeervertrek te San-Francisco zat.

Zeer gelukkig hadden ook Tom en zijn kameraden weinig last van de zeeziekte en konden zij daarom hun jeugdigen bevelvoerder hulp blijven verleenen, die zelf volkomen gewend was aan al de ongeregelde bewegingen van een schip dat voor den wind loopt.

DePelgrimliep snel onder zijn verminderde zeilen en reeds zag Dick Sand aankomen dat hij nog meer zeil zou moeten minderen. Maar hij wilde volhouden, zoolang het zonder gevaar mogelijk zou zijn. Naar zijn berekening kon de kust niet ver meer verwijderd zijn. Men zag dus ijverig uit. Evenwel kon Dick niet te veel op de oogen zijner metgezellen vertrouwen om de eerste teekenen van land te ontdekken, want hoe scherp van gezicht men moge zijn, hij, die niet gewoon is om den horizont op zee te onderzoeken, is niet in staat om de eerste omtrekken eener kust te onderscheiden, vooral te midden van dikke nevels. Ook moest Dick Sand zelf uitkijken en klom hij daarom dikwijls in het want om beter te zien. Maar niets deed zich nog voor van de Amerikaansche kust.

Dat verwonderde hem en toen hem hieromtrent eenige woorden ontvielen, begreep Mevr. Weldon zijn verwondering. Het was de 9e Maart. De leerling bevond zich op het voorschip, nu eens den blik gericht op de zee en de lucht, dan weder met het oog op de masten van denPelgrim, die onder het aanhoudend geweld van den wind begonnen te lijden.

“Zie je nog niets, Dick?” vroeg zijhem, op een oogenblik dat hij den verrekijker liet zakken.

“Niets, mevrouw, niets,” antwoordde hij, “en toch schijnt de horizont een weinig op te klaren, onder den hevigen wind die nog meer gaat aanwakkeren.”

“En volgens u, Dick, kan de Amerikaansche kust niet ver meer af zijn, nu?”

“Dat kan zij niet,mevrouw,en als er iets is dat me verwondert, dan is het dat zij nog niet in ’t gezicht is!”

“En toch,” hernam Mevr. Weldon, “heeft het schip altijd goeden koers gehouden.”

“Altijd, vanaf de wind noord-west geweest is,” antwoordde Dick Sand, “dat is dus sedert den dag dat we onzen ongelukkigen kapitein en zijn equipage hebben verloren. Dat was de 10e Februari, we hebben nu den 9en Maart. Er zijn dus sedert dien tijd zeven-en-twintig dagen verloopen!”

“Maar hoever waren we toen nog van de kust verwijderd?” vroeg Mevr. Weldon.

“Vier duizend vijfhonderd mijlen ongeveer, mevrouw. Zijn er soms zaken, die ik zeer betwijfel, voor dit cijfer kan ik instaan op twintig mijlen na.”

“En hoe groot is de snelheid van het schip geweest?”

“Gemiddeld honderdtachtig mijlen per dag, sedert de wind zich verhief,” antwoordde de leerling. “Ook verwondert het mij, dat we nog niet in ’t gezicht van land zijn. En wat me nog vreemder voorkomt, is, dat we zelfs geen enkel van die vaartuigen ontmoeten, die gewoonlijk deze streken bezoeken.”

“Hebt ge u niet kunnen vergissen, Dick?” hernam Mevr. Weldon, “bij het bepalen van de snelheid van denPelgrim?”

“Neen, mevrouw. Op dat punt heb ik niet kunnen dwalen. Er is om het half uur gelogd; en ’k heb de uitkomsten zeer juist opgeteekend.—Kom, ’k zal ’t op ’t oogenblik weer doen en u zult zien dat we nu tien mijlen per uur loopen, wat meer dan twee honderd mijlen per dag bedraagt!”

Dick Sand riep Tom en beval hem te loggen,—een werk dat de oude neger nu zeer gewoon was te doen.

De log, stevig aan het einde van de lijn bevestigd, werd gebracht en buiten boord gegooid.

Nauwelijks waren twintig vademen afgeloopen, of de lijn in de handen van Tom werd eensklaps slapper.

“Och! mijnheer Dick!” riep hij uit.

“Welnu, Tom?”

“De lijn is gebroken!”

“Gebroken!” riep Dick Sand uit! “En de log is verloren!”

De oude Tom liet het eind van de lijn zien, dat hij in de hand hield.

Het was maar al te waar. Zij was goed vastgebonden geweest. De lijn was in het midden afgebroken. En toch was het touw van eerste kwaliteit. De strengen moesten dus op het punt waar ze afbraken, zeer versleten zijn geweest! En dat waren zij inderdaad, waarvan Dick zich kon overtuigen toen hij het eind van de lijn in de hand hield! Maar.... waren zij door het gebruik versleten, vroeg de leerling zich af, die wantrouwend geworden was.

Hoe het zij, de log was verloren, en Dick Sand had nu geen enkel middel meer om de snelheid van zijn schip juist te schatten. Het eenige instrument dat hij nu nog bezat, was een kompas, en hij wist niet eens dat zijn aanwijzingen valsch waren!

Mevr. Weldon zag dat hij zoo terneergeslagen was over dit ongeluk, dat zij niet verder wilde aandringen en met een bezwaard hart zich in haar kajuit terugtrok.

Maar, al kon de snelheid van denPelgrimen bijgevolg de afgelegde weg niet meer bepaald worden, het was gemakkelijk zich te overtuigen dat de vaart van het schip niet verminderde.

Werkelijk daalde de barometer den volgenden dag, 10 Maart, tot acht-en-twintig duim twee tiende.4Dat voorspelde een van die stormvlagen die tot zestig mijl per uur maken.

Het werd dringend noodzakelijk nog meer zeil te minderen, teneinde de veiligheid van het vaartuig niet in de waagschaal te stellen.

Dick Sand besloot zijn bramsteng te strijken, zijn kluifhout in te voeren en zijn benedenzeilen te bergen, om slechts te varen onder stagfok en gereefd marszeil.

Hij riep Tom en de anderen om hem behulpzaam te zijn in dit moeielijkwerk, dat ongelukkig niet snel kon verricht worden.

En toch, de tijd drong, want de storm barstte reeds met hevigheid los.

Dick Sand, Austin, Actéon en Bat gingen naar boven terwijl Tom aan het roer bleef, en Hercules op het dek, om dadelijk, als hem de order gegeven werd, de vallen te vieren of los te gooien.

Na talrijke pogingen werd het kluifhout ingevoerd en de bramsteng gestreken, niet zonder dat deze brave menschen door het vreeselijk schudden der masten, tengevolge van het slingeren, honderd maal op het punt waren in zee te storten. Nadat daarna nog een rif ingestoken en de fok geborgen was, lag de schoenerbrik alleen onder stagfok en het dicht gereefd marszeil.

Alhoewel zijn zeilen nu aanmerkelijk verminderd waren, bleef dePelgrimnog altijd een buitengewoon snelle vaart houden.

Den 12en zag het er met het weder nog slechter uit. Dien dag toch zag Dick Sand in den vroegen morgenstond den barometer tot zeven-en-twintig duim negen tiende5dalen.

Het was nu een echte storm geworden, zoodanig, dat dePelgrimzelfs het weinigje doek niet meer kon dragen, dat hem nog over bleef.

Toen Dick Sand zag dat zijn marszeil zou scheuren, gaf bij bevel het te beslaan.

Maar te vergeefs, want een nog heviger rukwind wierp zich op dit oogenblik op het schip en scheurde het zeil los. Austin, die zich op de marsra bevond, werd door den bakboordsschoot getroffen. Gewond, maar vrij licht, kon hij zelf naar beneden komen.

Dick Sand was nu ten hoogste ongerust en had slechts één gedachte: dat namelijk het schip, met zulk een woedende vaart voortgestuwd, zich elk oogenblik kon te bersten stooten, want volgens zijn raming, konden de klippen van het strand niet meer ver af zijn. Hij keerde dus terug naar het voorschip, maar hij zag niets, dat zelfs den schijn van land had en nam het roer weder op.

Een oogenblik later trad Negoro op het dek. Daar gekomen, strekte zich zijn arm onwillekeurig uit naar een punt van den horizont. Men zou gezegd hebben dat hij zeer in de vertedoorden dichten nevel heen hoog land ontdekte!....

Nogmaals vertoonde diezelfde valsche glimlach zich op zijn gelaat, en zonder iets te zeggen van ’t geen hij misschien gezien had, ging hij weder naar zijn verblijf terug.

1Uittreksel uit den “Dictionnaire illustré” van Vorepièrre.257 kilometers.3De Engelsche en Fransche barometers zijn in duimen en strepen gegradueerd. Acht- en twintig duim zeven tiende staan gelijk met 728 millimeters.4716 millimeters.5709 millimeters.

1Uittreksel uit den “Dictionnaire illustré” van Vorepièrre.

257 kilometers.

3De Engelsche en Fransche barometers zijn in duimen en strepen gegradueerd. Acht- en twintig duim zeven tiende staan gelijk met 728 millimeters.

4716 millimeters.

5709 millimeters.

Het was op dezen dag dat de storm op zijn felst woedde en zijn vreeselijksten vorm aannam, namelijk dien van orkaan. De wind was naar het zuidoosten geloopen. De lucht verplaatste zich met een snelheid van negentig mijlen in ’t uur.1

Het was nu wel degelijk een orkaan, een van die vreeselijke windvlagen, die al de schepen eener reede op de kust werpen en waaraan, zelfs aan land, de stevigste gebouwen geen weerstand kunnen bieden. Zoodanig een was die, welke den 25n Juli 1825 Guadeloupe verwoestte. Wanneer vier-en-twintig ponders van hunne affuiten worden gelicht, bedenke men eens wat er van een schip moet worden dat geen ander steunpunt heeft dan een oproerige zee! En toch is het juist aan de beweeglijkheid van die zee, dat het vaartuig dikwijls zijn redding te danken heeft. Het loopt met den wind mede en mits het maar stevig gebouwd zij, is het in staat de hevigste windstooten te weerstaan. Dit was het geval met denPelgrim. Eenige minuten nadat het marszeil aan flarden gescheurd was, werd ook de stagfok op haar beurt weggerukt. Dick Sand moest er toen van afzien om zelfs een stormfok, een klein zeil van sterk doek, te stellen, hetgeen het sturen van het schip anders gemakkelijker zou gemaakt hebben.

Er bleef dus geen enkel stukje doek aan denPelgrimmeer over waarop de wind vat kon hebben, die nu woedde tegen zijn romp, zijn masten en zijn want; dit reeds was genoeg om hem met ontzettende snelheid te doen voortvliegen. Somtijds scheen het schip zelfs boven de golven te zweven enmoest men aannemen dat het die slechts even aanraakte.

In dezen toestand was het slingeren van het vaartuig op de door den storm heen en weer geschudde golven, vreeselijk. Telkens liep men gevaar een monsterachtige stortzee achterin te krijgen. De bergen water liepen sneller dan de schoenerbrik en dreigden den achtersteven te treffen, zoo zij zich niet snel genoeg oprichtte. Dit is een der grootste gevaren die een schip, dat voor den storm vlucht, kan beloopen.

Maar, wat te doen om deze mogelijke ramp te voorkomen? Men kon denPelgrimgeen grootere snelheid mededeelen, omdat hij niet het kleinste stukje doek zou behouden hebben. Men moest dus beproeven door middel van het roer, waarvan de werking evenwel dikwijls onmachtig was, aan het vaartuig dezelfde richting te blijven geven.

Dick Sand verliet het roer niet meer. Hij had zich met een touw om het middel vastgesjord, om niet door een stortzee weggeslagen te worden. Ook Tom en Bat hadden zich vastgebonden en hielden zich gereed om hem te hulp te komen. Hercules en Actéon hadden zich aan de betings vastgeklampt en waakten op het voorschip.

Wat Mevr. Weldon, den kleinen Jack, neef Benedictus en Nan aangaat, zij bleven op verzoek van den leerling in de achterkajuit. Mevr. Weldon was liever op het dek gebleven, maar Dick Sand had het met alle macht tegengehouden, omdat dit zich zonder noodzakelijkheid in gevaar begeven zou geweest zijn.

Al de luiken waren hermetisch gesloten. Het was te hopen dat zij genoegzaam tegenstand zouden bieden ingeval het mocht gebeuren, dat er een van die ontzaglijke zeeën over boord sloeg waartegen niets bestand is. Indien zij ongelukkig voor het gewicht dezer stortzeeën weken, kon het schip onderloopen en zinken. Zeer practisch was ook de lading met zorg gestuwd, zoodat in weerwil van het vreeselijk overhalen der schoenerbrik, haar lading zich niet verplaatste.

Dick Sand had de uren, die hij aan den slaap gaf, nog verminderd. Ook bekroop Mevr. Weldon de vrees dat hij ziek zou worden. Zij verkreeg van hem dat hij eenigen tijd rust zou nemen.

Nu had er juist, terwijl hij sliep, in den nacht van den 13en op den 14en Maart weder iets bijzonders plaats.

Tom en Bat waren achteruit, toen Negoro, die zich slechts zelden op dit gedeelte van het schip liet zien, op hen toekwam en zelfs een gesprek met hen scheen te willen aanknoopen; maar Tom en zijn zoon gaven hem geen antwoord.

Plotseling, op het oogenblik eener vreeselijke slingering, viel Negoro, en zou hij stellig in zee geslingerd zijn, zoo hij zich niet aan het kompasbuisje had vastgegrepen.

Tom gaf een schreeuw, daar hij vreesde dat het kompas gebroken was.

Dick Sand was in een oogenblik wakker, hoorde den kreet en vloog op het dek.

Negoro was reeds weder op de been, maar hij hield het stuk ijzer in de hand, dat hij van onder het kompashuisje had weggenomen en deed het verdwijnen voordat Dick Sand het bemerkt had.

Zou Negoro er belang bij gehad hebben dat de magneetnaald de goede richting hernam! Ja, want deze winden uit het zuid-westen kwamen hem nu te stade!....

“Wat is er gaande?” vroeg de leerling.

“Dat is die ongelukkige kok, die viel op het kompas!” antwoordde Tom.

Bij deze woorden, bukte zich Dick Sand, die zich zeer ongerust maakte, naar het kompashuisje.... Het was in order, het kompas door de lampen verlicht, lag altijd op zijn beide concentrische ringen.

Dat was een steen van het hart van Dick! Het breken van het eenige kompas aan boord zou een onherstelbaar ongeluk geweest zijn.

Maar, wat Dick Sand niet had kunnen opmerken, was, dat sedert het wegnemen van het stuk ijzer, de naald haar normalen stand weder had ingenomen en juist het magnetische noorden aanwees, zooals het onder dezen meridiaan moest zijn.

Al kon men nu evenwel Negoro niet verantwoordelijk stellen voor een val, die onwillekeurig scheen, zoo had Dick Sand toch alle reden er zich over te verwonderen dat de kok zich op dat uur op het achterschip bevond.

“Wat doe je daar?” vroeg hij hem.

“Wat me bevalt,” antwoordde Negoro.

“Je zegt!....” riep Dick Sand uit, die zich een oogenblik boos maakte.

“Ik zeg!....” antwoordde de kok, “dat er geen reglement is dat me verbiedt op het achterschip te wandelen!”

“Welnu, ik maak dat reglement,” antwoordde Dick Sand, “en nu verbied ik u achteruit te komen!”

“Och kom!” antwoordde Negoro.

De man, die zich zelf gewoonlijk zoo meester was, maakte een dreigende beweging.

De leerling haalde een revolver te voorschijn en richtte deze op den kok, zeggende:

“Negoro, onthoud dat ik dit wapen altijd bij me draag en ik je bij het eerste teeken van verzet door ’t hoofd schiet!”

Op dit oogenblik voelde Negoro zich door een onweerstaanbare kracht tot het dek neergebogen.

Hercules had eenvoudig zijn zware hand op zijn schouder gelegd.

“Kapitein Sand,” zei de reus, “wilt u dat ’k dien kerel over boord gooi? Het is een lekkerbeetje voor de visschen die nog al zoo kiesch niet zijn.”

“Nog niet,” antwoordde Dick Sand.

Negoro richtte zich op, zoodra hij de hand van den neger niet meer op zich voelde drukken. Maar Hercules voorbijgaande, mompelde hij:

“Dat zal ’k je betaald zetten, vervloekte neger!”

Intusschen was de wind omgeloopen en toch gaf, tot Dick’s verwondering, niets in den toestand der zee te kennen dat er een verandering op til was. Het schip hield nog steeds koers, maar door wind en zeeën, die nu dwars inkwamen, was Dick Sand genoodzaakt vier streken af te houden om voor den storm te blijven wegloopen.

Maar van den anderen kant was zijn aandacht meer dan ooit opgewekt en vroeg hij zich af of er niet eenig verband bestond tusschen den val van Negoro en het breken van het eerste kompas. Wat was de kok daar komen doen? Had hij er misschien eenig belang bij dat het tweede kompas ook buiten dienst gesteld werd? Welk belang zou dat hebben kunnen zijn? Er was geen enkele reden voor te vinden. Moest ook Negoro, evenzeer als allen, niet vurig wenschen zoo spoedig mogelijk aan de Amerikaansche kust te landen?

Toen Dick Sand met Mevr. Weldon over het voorval sprak, kon ook zij, hoewel zijn wantrouwen in zekere mate deelende, geen aannemelijke drijfveer vinden voor ’t geen van den kant van Negoro een misdadig overleg zou geweest zijn.

Intusschen werd op den kok, uit voorzichtigheid, nauwkeurig het oog gehouden. Overigens kwam hij in zooverre de bevelen van den leerling na, dat hij zich niet meer op het achterschip waagde, waar zijn dienst hem nimmer riep. Bovendien nam men de voorzorg er Dingo aanhoudend verblijf te laten houden, en men weet dat Negoro niet bijzonder op het gezelschap van den hond gesteld was.

Gedurende de geheele week bleef de storm voortwoeden. De barometer daalde nog altijd. Van den 14en tot den 26en Maart, was het onmogelijk, van een oogenblikje kalmte gebruik te maken om eenige zeilen bij te zetten. DePelgrimstormde naar het noordoosten met een snelheid die niet onder de twee honderd mijlen in de vier-en-twintig uur kon zijn, en nog altijd geen land! En toch, dat land was Amerika, dat als een onmetelijke slagboom tusschen de Atlantische zee en de Stille Zuidzee ligt, op een lengte van meer dan honderd twintig graden.

Dick Sand vroeg zich somtijds af of hij niet krankzinnig was, of hij nog het bewustzijn had het ware van het valsche te onderscheiden, of hij niet sedert zoo vele dagen, buiten zijn weten, in een verkeerde richting liep! Neen, zoo erg kon hij zich niet vergissen! De zon, die hij wel is waar in den dikken nevel niet kon onderscheiden, kwam altijd vóór hem op, om achter hem onder te gaan!

Maar was het land dan verdwenen? Waar lag dan Amerika, waarop zijn schip misschien te gronde zou gaan, waar was het, zoo het zich niet daar bevond? Het mocht dan het zuidelijke of het noordelijke vasteland zijn,—want alles was mogelijk in die verwarring,—een van beiden moest de Pelgrim toch bereiken. Wat was er toch gebeurd sedert het begin van dien verschrikkelijken storm? Wat geschiedde er nog, nu die kust, die zijn heil of zijn ondergang zou zijn, nog altijd niet opdoemde? Moest Dick Sand dan veronderstellendat hij bedrogen was door zijn kompas, welks aanwijzingen hij niet meer kon vergelijken, omdat het tweede kompas hem ontbrak om die vergelijking te doen? En werkelijk zijn vrees was gewettigd door die voortdurende totale afwezigheid van land!

Wanneer Dick Sand zich dan ook niet aan het roer bevond, was hij onophoudelijk bezig de kaart met de oogen te verslinden. Maar al bestudeerde hij deze nog zoo vlijtig, zij kon hem het raadsel niet oplossen dat, in den toestand waarin Negoro hem gebracht had, onbegrijpelijk voor hem was, zooals het voor iedereen zou geweest zijn.

Dien dag evenwel, den 27n Maart ongeveer 8 uur ’s morgens deed zich iets van het grootste gewicht voor.

Hercules voor op den uitkijk, deed den kreet hooren:

“Land! land!”

Dick Sand nam een sprong naar den bak. Zou Hercules, die geen zeemansoogen kon hebben, zich niet bedriegen?

“Land!” riep Dick Sand.

“Dáár!” antwoordde Hercules, terwijl hij een bijna onmerkbaar punt aan den horizont in het noord-oosten aanwees.

Men kon elkander te midden van het geloei van den storm slechts moeielijk verstaan.

“Heb je werkelijk land gezien?....” vroeg de leerling.

“Ja,” antwoordde Hercules, met het hoofd knikkend. En wederom wees hij met de hand aan bakboord vooruit.

De leerling keek, maar zag niets.

Op dit oogenblik betrad Mevr. Weldon, die den kreet door Hercules geuit, gehoord had, het dek, niettegenstaande haar belofte er niet te komen.

“Mevrouw!....” riep Dick Sand.

Ook Mevr. Weldon, zich niet kunnende doen hooren, beproefde het door den neger aangewezen land te ontdekken, en scheen haar geheele leven in haar oogen te concentreeren.

Waarschijnlijk had de hand van Hercules naar een verkeerd punt aan den horizont gewezen, want noch Mevrouw Weldon, noch Dick Sand konden iets zien.

Maar eensklaps strekte ook hij de hand uit.

“Ja! ja! land!” zeide hij.

En werkelijk was op een plek, waar de nevelen voor een oogenblik uiteen weken, een soort van top te zien. Zijn zeemansoogen konden hem niet bedriegen.

“Eindelijk!” riep hij uit, “eindelijk!”

Hij hield zich koortsachtig aan de verschansing vast. Mevr. Weldon, door Hercules ondersteund, keek onophoudelijk naar dat zoo vurig verlangde land.

De kust, die door dit voorgebergte gevormd werd, verhief zich op tien mijlen aan lij van bakboordszij. Daar er nu een blinker kwam, kon men de kust duidelijker onderscheiden. Het was ongetwijfeld een kaap van het Amerikaansche vasteland. DePelgrimkon zonder zeilen niet goed koers houden, maar moest wel op het strand aanloopen.

Het was slechts om eenige uren te doen. Het was nu acht uur ’s morgens en dus zou dePelgrimvoor twaalf uur dicht bij land zijn.

Op een teeken van Dick Sand, geleidde Hercules Mevr. Weldon weder naar het achterschip, want zij zou het geweld van het stampen niet hebben kunnen weerstaan.

De leerling bleef nog een oogenblik op den bak en keerde vervolgens naar het roer bij den ouden Tom terug.

Eindelijk zag hij dan nu deze zoo lang weggebleven, zoo vurig begeerde kust! maar nu helaas! met een gevoel van schrik!

En inderdaad, in den toestand waarin dePelgrimzich bevond, namelijk vluchtende voor den storm, het land aan lij, was er niets anders te wachten dan een schipbreuk met al haar mogelijke verschrikkingen.

Twee uren verliepen. Het voorgebergte vertoonde zich nu dwarsscheeps.

Op dit oogenblik kwam Negoro aan dek. Dezen keer keek hij met de grootste aandacht naar de kust, schudde het hoofd als iemand die wist waaraan zich te houden, en ging weder naar beneden, na een naam genoemd te hebben dien niemand kon verstaan.

Wat Dick Sand betreft, hij trachtte de kust te ontdekken, die zich achter het voorgebergte moest uitstrekken.

Opnieuw verliepen twee uren. Het voorgebergte verhief zich aan bakboordszij van achteren, maar de kust was nog altijd niet te onderscheiden.

Intusschen klaarde de lucht aan den horizont op, en een hooge kust, zooalshet Amerikaansche land zich juist moest voordoen in het verre verschiet, begrensd door de ontzaglijke keten der Andes, zou op een afstand van meer dan twintig mijlen zichtbaar geweest zijn.

Dick Sand nam zijn verrekijker en liet dien langzaam langs den geheelen oostelijken horizont gaan.

Niets! Hij zag niets meer!

Om twee uren na den middag, was alle spoor van land achter denPelgrimuitgewischt. Vooruit kon de verrekijker niet de minste lijn van een hooge of lage kust ontdekken.

Toen ontsnapte aan Sand een smartelijke kreet; hij verliet onmiddellijk het dek en begaf zich haastig naar de kajuit waar Mevr. Weldon met den kleinen Jack, Nan en Neef Benedictus zich ophielden.

“Een eiland! ’t was maar een eiland!” zeide hij.

“Een eiland, Dick! maar welk?” vroeg Mevr. Weldon.

“De kaart zal ’t ons zeggen.”

En even heengaande, kwam hij met de kaart terug.

“Daar, mevrouw Weldon, daar!” zei hij. “Het land dat in ’t gezicht geweest is, kan niet anders zijn dan het verloren punt te midden der Stille Zuidzee! ’t kan niet anders zijn dan het Paascheiland! Er zijn geen andere eilanden in deze streken!”

“En hebben we ’t al achter ons?” vroeg Mevr. Weldon.

“Ja, loefwaarts van ons!”

Mevr. Weldon keek aandachtig naar het Paasch-eiland, dat slechts een onmerkbaar punt op de kaart uitmaakte.

“En hoe ver is het van de Amerikaansche kust.

“Vijf en dertig graden.”

“En dat is?....”

“Ongeveer twee duizend mijlen.”

“Maar is dan dePelgrimniet vooruitgegaan, omdat we nog zoo ver van het vasteland afzijn?”

“Mevrouw Weldon,”antwoordde Dick Sand, die een oogenblik de hand aan het voorhoofd bracht, als om zijn gedachten bijeen te houden, “’k weet.... ’k kan geen verklaring van de ongelooflijke vertraging geven!.... Neen! ik kan niet.... of de aanwijzingen van het kompas moeten valsch geweest zijn!.... Maar dat eiland moet wel het Paasch-eiland geweest zijn, omdat we voor den wind naar het noord-oosten hebben moeten loopen en de Hemel zij gedankt dat we nu weten waar we zijn. Ja! ’t is het Paasch-eiland! Ja het is nog twee duizend mijlen van de kust af! Eindelijk weet ik dan toch waarheen de storm ons gejaagd heeft, en zoo hij bedaart, kunnen we met eenige kans op geluk de Amerikaansche kust aandoen! Nu althans mag ons schip niet meer verloren heeten in de onmetelijke Stille Zuidzee!”

Dit vertrouwen, door den jeugdigen leerling geuit, werd door allen gedeeld die hem zoo hoorden spreken. Mevr. Weldon zelve liet zich overtuigen. Het was wezenlijk alsof die arme menschen aan het einde van hun zorgen, van hun lijden gekomen waren en dePelgrimweldra met goeden wind in een haven zou binnenloopen!

Het Paascheiland,—met zijn waren naam Vai-Hou geheeten,—ontdekt door David in 1686, bezocht door Cook en Lapérouse, is gelegen op 27°Z.B.en 112°O.L.Indien de schoenerbrik op deze wijze meer dan vijftien graden naar het noorden was verzeild, dan was dit blijkbaar tengevolge van dien storm uit het zuid-westen waarvoor zij had moeten lenzen.

DePelgrimwas dus nog twee duizend mijlen van de kust verwijderd. Evenwel moest hij door de kracht van den wind, die nog altijd even hevig bleef, in minder dan tien dagen een of ander punt van de kust van Zuid-Amerika bereikt hebben.

Maar mocht men niet hopen, zooals de leerling gezegd had, dat het weder eindelijk toch wat zou bedaren en dat het dan mogelijk zou zijn een of ander zeil bij te zetten, zoodra men land in ’t gezicht had?

Dit was nog altijd de hoop van Dick Sand. Hij was van meening dat die orkaan, die nu reeds zoovele dagen had aangehouden, eindelijk toch wel zou afnemen. En nu hij, tengevolge van de verkenning van het Paasch-eiland, juist wist waar zij zich bevonden, had hij alle reden te vertrouwen, dat hij, eenmaal weder meester van zijn vaartuig geworden, het naar een veilige ankerplaats zou kunnen brengen.

Nu Dick Sand als door een bijzondere gunst der Voorzienigheid dat verlaten punt te midden der zee had kunnen verkennen, nu had Dick Sand zijn vertrouwen,dat bijna verloren was gegaan, teruggekregen. Werd hij altijd door een orkaan, dien hij niet beteugelen kon, voortgezweept, dan ging dit toch niet geheel blindelings meer.

DePelgrim, stevig gebouwd en getuigd, had onder deze woedende aanvallen van den storm, weinig geleden. Zijn averij bepaalde zich tot het verlies van het marszeil en de kleine stagstok—verliezen die licht te herstellen waren. Geen druppel water was door de met zorg gestopte naden van den romp en het dek gedrongen. De pompen waren volkomen onbelemmerd. In dit opzicht was er niets te vreezen.

Doch onophoudelijk bleef de orkaan voortwoeden en niets scheen hem tot bedaren te brengen. Kon Dick Sand zijn schip in zekere mate bestand maken tegen den storm, hij vermocht den wind niet bevelen te gaan liggen, den golven te bedaren, den hemel op te klaren. Was hij aan boord na God “heer en meester,” buiten boord was het God alleen die wind en golven gebood.


Back to IndexNext