Vijfde hoofdstuk.

1Verkorting van Bartholomeus.Vijfde hoofdstuk.S.V.Intusschen had dePelgrimzijn reis hervat en getracht zooveel mogelijk oost te houden. Die betreurenswaardige aanhoudende windstilten gaven kapitein Hull vrij veel zorg, niet omdat hij zich ongerust maakte over een paar weken vertraging op een reis van Nieuw-Zeeland naar Valparaiso, maar wegens de groote vermoeienis die deze vertraging voor zijn passagiers zou hebben.Evenwel beklaagde Mevr. Weldon zich niet en verdroeg het onaangename van haren toestand zeer geduldig.Dien zelfden dag, den 2n Februari, ’s avonds, geraakte het wrak uit het gezicht.Kapitein Hull zorgde in de eerste plaats om Tom en zijn makkers zoo goed mogelijk te logeeren. Het verblijf van de bemanning dat uit een hut op het dek bestond, zou te klein geweest zijn om ze te bevatten. Men nam dus de noodige schikkingen om hun een verblijf onder den bak te bezorgen. Trouwens waren deze brave menschen, aan harden arbeid gewoon, met weinig tevreden en met het schoone, warme en heilzame weder zou dit verblijf hun gedurende den geheelen overtocht ook voldoende zijn.Het leven aan boord dat door dit voorval een oogenblik uit zijn eentonigheid gewekt was, hernam zijn gewonen loop.Tom, Austin, Bat, Actéon, Hercules zouden gaarne de handen uit de mouw gestoken en zich verdienstelijk gemaakt hebben, maar met de vaste winden, was er, nadat de zeilen eenmaal gesteld waren, niets te doen. Wanneer men evenwel moest wenden, dan beijverden zich de oude neger en zijn kameraden om de equipage bij te staan en dat is zeker dat, als de kolossale Hercules een handje meehielp, men ’t goed kon merken. Die krachtige neger, zes voet lang, verrichtte alleen het werk van den takel!Wat was het een pret voor den kleinen Jack, als hij den reus in ’t gezicht kreeg! Hij was volstrekt niet bang voor hem en als Hercules hem in zijn armen deed opspringen alsof hij slechts een kleine jongen van kurk geweest was, dan waren het vreugdekreten die geen einde namen.“Licht me eens zoo hoog als je kunt,” zei kleine Jack.“Daar, mijnheer Jack,” antwoordde Hercules.“Ben ik niet zwaar?””’k Voel je niet eens.”“Toe dan nog hooger! Zoo hoog als je arm reikt!”Hercules hield dan de kleine voeten van het kind in zijn groote hand en liep met hem in de rondte als een kunstenmaker in een circus. Jack was dan in eens groot, heel groot geworden, wat hem ontzaglijk veel pleizier deed. Zelfs deed hij zijn best om zich zoo zwaar mogelijk te houden, hetgeen de reus niet eens opmerkte.Dick Sand en Hercules waren dus twee vrienden van den kleinen Jack. Weldra maakte hij zich een derden vriend.Dit was Dingo.Wij zeiden reeds dat Dingo geen zeer gezellige hond was. Dat kwam misschien ook veel omdat het gezelschap aan boord van deWaldeckhem niet bijzonder beviel. Met dat van denPelgrimwas het een heel andere zaak. Jack wist waarschijnlijk het hart van het schoone dier te treffen. Dit kreeg al spoedig pleizier om met den kleinen jongen te spelen, wien dit spelen zeer beviel. Men zag gauw dat Dingo een van die honden was die veel van kinderen houden. Nu deed Jack het dier nooit kwaad. Zijn grootste plezier was om Dingo de rol van een vluggen harddraver te laten spelen, en wij mogen vrij aannemen dat een harddraver dezer soort te verkiezen is boven een viervoetig dier van bordpapier, al heeft dit rolletjes onder de pooten. Jack galoppeerde dus, op den rug van den hond gezeten, die het gaarne toeliet en inderdaad woog Jack voor hem niet meer dan de helft van een jockey voor een renpaard.Maar wat een bres elken dag in den voorraad suiker der kombuis!Dingo werd weldra de lieveling van de geheele bemanning. Negoro alleen bleef elke ontmoeting met het dier vermijden, welks antipathie tegen hem even onverklaarbaar bleef.Daarom had kleine Jack om Dingo zijn vriend van vroeger, Dick Sand,niet verzuimd. Al den tijd buiten zijn diensten aan boord, bracht de kweekeling met den kleinen jongen door.Dat Mevr. Weldon die vertrouwelijkheid zeer gaarne zag, kan men zich licht voorstellen.Eens, den 6n Februari, sprak zij over Dick Sand met kapitein Hull, die den jongen zeer prees.“Die jongen,” zei hij tot mevr. Weldon, “zal eens een flink zeeman zijn, dat verzeker ik u! Hij heeft wezenlijk het instinct van de zee, en door dat instinct vult hij aan wat hem natuurlijk nog ontbreekt aan de theoretische zaken van het vak. Wat hij reeds weet is verwonderlijk, als men bedenkt hoe weinig tijd hij gehad heeft om het te leeren.”“U moogt er nog wel bijvoegen,” antwoordde Mevr. Weldon, “dat het ook een beste jongen is, die, zoolang we hem nu kennen, geen berisping verdiend heeft.”“Ja, ja, ’t is een goede jongen,” hernam kapitein Hull, “met recht bemind en geacht door iedereen.”“Als deze kampanje geëindigd is,” zei Mevr. Weldon, “weet ik dat mijn man van plan is hem les in de hydrographie te laten nemen, om hem later een brevet van kapitein te doen verkrijgen.”“Mijnheer Weldon heeft gelijk,” antwoordde kapitein Hull. “Dick Sand zal eens de Amerikaansche marine eer aandoen.”“Die arme wees is het leven treurig begonnen!” merkte Mevr. Weldon op. “Hij is in een harde leerschool geweest!”“Ongetwijfeld, mevrouw Weldon, maar die lessen zijn voor hem niet verloren gegaan. Hij heeft begrepen dat hij zich zelven moet helpen in deze wereld en hij is op het rechte pad.”“Waarvan hij niet zal afwijken.”“Zie eens, mevrouw,” hernam kapitein Hull, “hoe de jongen daar aan het roer staat, het oog op den fokkehals gevestigd. Geen verstrooidheid van den jongen, dus ook geen gieren van het schip! Dick Sand heeft nu reeds de vastheid van een ouden roerganger! Een goed begin voor een zeeman! Ons vak, mevrouw, moet reeds als kind geleerd worden. Wie geen scheepsjongen is geweest, zal nooit een volleerd zeeman worden, althans bij de koopvaardij. Alles moet geleerd worden, en, bijgevolg moet alles instinctmatig en te gelijk beredeneerd bij den zeeman gaan,—het nemen van een besluit zoowel als het uitvoeren van een manoeuvre.“En toch, kapitein Hull,” antwoordde Mevr. Weldon, “zijn er ook in de oorlogsmarine goede officieren in menigte.”“Ja,” antwoordde kapitein Hull, “maar de besten zijn bijna allen als kind bij het vak gekomen, en, om van Nelson en eenige anderen niet te spreken, zijn de slechtsten niet zij die als scheepsjongens begonnen zijn.”Op dit oogenblik zag men neef Benedictus voor den dag komen, altijd in zich zelven gekeerd en evenmin met zijn gedachten op deze wereld als de profeet Elias het zal zijn als hij eenmaal op de aarde terugkomt.Neef Benedictus liep op en neer op het dek als een ziel in nood, terwijl hij de reten in de verschansing doorsnuffelde, onder de kippenhokken keek en zijn hand tusschen de naden van het dek stak op plaatsen waar het pek verdwenen was.“Wel, neef Benedict,” vroeg Mevr. Weldon, “blijf je altijd wel?”“Ja.... nicht Weldon.... ’k ben wel gezond.... maar ’k verlang zeer aan land te komen.”“Wat zoekt u toch onder die bank, mijnheer Benedict?” vroeg kapitein Hull.“Insecten, mijnheer!” hernam neef Benedictus. “Wat wil je dat ’k anders zoek dan insecten?”“Insecten! U zult het u moeten getroosten dat u op zee uw verzameling niet verrijken zult!”“En waarom niet, mijnheer? ’t Is immers niet onmogelijk aan boord een of ander soort van....”“Neef Benedict,” zei Mevr. Weldon, “geef kapitein Hull gerust de schuld! Zijn schip wordt zoo zindelijk gehouden, dat je platzak van je jacht zult terugkomen!”Kapitein Hull begon te lachen.“Mevrouw Weldon overdrijft,” antwoordde hij. “Maar toch geloof ik, mijnheer Benedict, dat u je tijd met snuffelen in onze kooien verliezen zoudt.””’k Weet het!” riep neef Benedictus uit, de schouders ophalend, “’k Magdoen wat ik wil!....”“Maar in ’t ruim van denPelgrim,” hernam kapitein Hull, “zult u misschien eenige kakkerlakken vinden, die evenwel niet veel bijzonders als insecten opleveren.”“Niet veel bijzonders, die nachtelijke, zesvleugelige insecten die zich de verwenschingen van Virgilius en Horatius op den hals gehaaid hebben!” hernam neef Benedictus, zich daarbij in zijn geheele lengte oprichtend. “Niet veel bijzonders, die naaste bloedverwanten van de ‘periplaneta orientalis’ en van den Amerikaanschen kakkerlak, die de schepen bewonen....”“Verpesten....” zei kapitein Hull.“Aan boord regeeren....” hernam neef Benedictus fier.“Een liefelijke regeering!....”“Is u geen entomoloog, mijnheer?”“Neen, gelukkig!”“Kom, neef Benedict,” zei Mevr. Weldon glimlachend, “verlang nu niet dat we uit liefde voor de wetenschap verslonden worden!””’k Wensch niets anders, nicht Weldon,” antwoordde de driftige entomoloog, “dan mijn verzameling met het een of ander zeldzaam exemplaar te verrijken!”“Ben je dan niet tevreden met je aanwinst op Nieuw-Zeeland?”“Wel zeker, nicht Weldon, ’k Ben zoo gelukkig geweest een van die nieuwe staphylini machtig te worden, die tot nog toe slechts eenige honderden mijlen verder, in Nieuw-Caledonië, gevonden werden.”Op dit oogenblik kwam Dingo, die met Jack speelde, al springende, wat dicht bij neef Benedictus.“Voort! voort!” zei deze, het dier wegduwende.“Veel ophebben met kakkerlakken en een hekel hebben aan honden!” riep kapitein Hull uit. “Hoe is ’t mogelijk, mijnheer Benedict!”“Een goede hond toch!” zei kleine Jack, die den grooten kop van Dingo in zijn handjes nam.“Nu ja, ’k heb niets tegen den hond!...” antwoordde neef Benedictus. Maar dit zal ’k je zeggen. Dat drommelsche dier heeft de hoop teleurgesteld, die ’k bij zijn eerste ontmoeting had.”“Maar, lieve Hemel!” riep Mevr. Weldon uit, “had je dan gehoopt hem te kunnen rangschikken in de orde der tweevleugeligen of in die der vliesvleugeligen?”“Neen,” antwoordde neef Benedictus ernstig. “Maar is die Dingo, die van Nieuw-Zeelandsch ras is, niet gevonden op de westkust van Afrika?”“Dat is ongetwijfeld zoo,” antwoordde Mevr. Weldon, “en Tom heeft het den kapitein van deWaldeckdikwijls hooren zeggen.”“Welnu, ’k had gedacht.... ’k had gehoopt.... dat die hond misschien eenige vlooien van een bijzonder ras, eigenaardig aan de Afrikaansche fauna, zou hebben meegebracht....”“Groote goedheid!” riep Mevr. Weldon uit.’“En dat misschien....” ging neef Benedictus verder, “de een of andere culex penetrans of irritans.... van een nieuwe soort....”“Hoor je, Dingo?” zei kapitein Hull. “Hoor je, mijn hond? je hebt volstrekt je plicht niet gedaan!”“Maar ’k ben een uur bezig geweest met hem te vlooien....” voegde de entomoloog op spijtigen toon er bij, “’k heb geen enkel insect kunnen vinden.”“En dat zoudt u toch zeker wel onmiddellijk en meedoogenloos ter dood gebracht hebben, hoop ik!” riep kapitein Hull uit.“Mijnheer.” antwoordde neef Benedictus droogjes, “weet dat Sir John Franklin zich angstvallig wachtte het geringste insect te dooden, al was het een Amerikaansche muskiet, wier beten heel wat geduchter zijn dan die van de vloo, en toch zult u me toestemmen dat Sir John Franklin een zeeman was zooals er weinige gevonden worden!”“Dat zal waar zijn!” zei kapitein Hull, even buigend.“En eens, toen hij vreeselijk gehavend werd door een tweevleugelig insect, tot de orde der diptera behoorende, (muggen, muskieten, vliegen), blies hij het weg, zeggende: Ga heen! De wereld is groot genoeg voor u en voor mij!”“Wel, wel!” zei kapitein Hull.“Ja mijnheer!”“Welnu, mijnheer Benedict,” hernam kapitein Hull, “een ander, lang voor Sir John Franklin, heeft dit al gezegd!”“Een ander!”“Ja en die andere is oom Tobias.”“Een entomoloog?” vroeg neef Benedictuslevendig.“Neen! Oom Tobias van Sterne, en die waardige man heeft juist dezelfde woorden gesproken toen hij een muskiet liet vliegen die hem kwelde: ‘Ga, arme duivel,’ zei hij, ‘de wereld is groot genoeg om jou en mij te bevatten!’”“Een braaf mensch die oom Tobias!” antwoordde neef Benedictus. “Is hij dood?”“Dat geloof ik wel,” hernam kapitein Hull ernstig, “want hij heeft nooit bestaan.”Allen lachten, terwijl zij neef Benedictus aankeken.Onder dergelijke en vele andere gesprekken, die zoodra neef Benedictus er deel aan nam, altijd over een of ander punt der entomologische wetenschap liepen, vervlogen de lange uren dezer langdurige zeereis. Met een altijd schoone zee, maar met winden die de schoenerbrik verplichtten zoo dicht mogelijk bij den wind te houden. DePelgrimkon bij de zwakke bries niet spoedig het oosten halen en meer dan ooit verlangde hij die streken te bereiken, waar de wind hem gunstiger zoude zijn.Wij mogen vooral niet verzwijgen dat neef Benedictus getracht had den jeugdigen leerling in de verborgenheden der entomologie in te wijden. Maar Dick Sand had niet de minste neiging voor de beoefening dezer wetenschappen beloond. Uit gebrek aan beter, had de geleerde zich nu tot de negers gewend, die er niets van begrepen. Tom, Actéon, Bat en Austin waren zelfs de lessen ontloopen en de professor had zijn toevlucht genomen tot Hercules, die hem voorkwam wel eenigen aanleg te hebben voor natuurlijke historie.De reusachtige neger leefde dus in de wereld der torren, vleeschetende dieren, jagers, kanonniers, doodgravers, aardkevers, sylfen, aardtorren, schallebijters, koorwormen, onze-Lieve-Vrouwen-beestjes, terwijl hij de gansche verzameling van neef Benedictus bestudeerde, niet zonder dat deze duizend angsten uitstond, als hij die teere voorwerpen zag tusschen de dikke vingers van Hercules, die zoo hard en sterk waren als een schroef. Maar de kolossale leerling hoorde zoo gedwee de lessen van den professor aan, dat het wel waard was iets te wagen.Terwijl neef Benedictus zich op deze wijze bezighield, liet mevr. Weldon den kleinen Jack ook niet onledig. Ze leerde hem lezen en schrijven. Wat het rekenen betreft, was het zijn vriend Dick Sand die er hem de eerste beginselen van inprentte.Op den leeftijd van vijf jaar, dus nog als klein kind, leert men misschien beter door praktische spelen dan door theoretische lessen, die natuurlijk altijd wat zwaar zijn.Jack leerde lezen, niet in een A.B.C.-boek. maar door middel van beweegbare letters, die in ’t rood op vierkante stukjes hout gedrukt waren; hij vermaakte zich met deze op die wijze te rangschikken dat er woorden van gevormd werden. Somtijds nam Mevr. Weldon deze blokjes hout en stelde een woord samen; daarna rommelde zij ze door elkander en moest Jack ze dan weer in orde brengen.De kleine jongen vond het zeer prettig op deze wijze lezen te leeren. Iederen dag besteedde hij eenige uren, nu eens in de kajuit dan op het dek, aan het rangschikken en weer in de war brengen van zijn alphabet.Dit nu bracht op zekeren dag zulk een buitengewoon en onverwachtvoorvalteweeg, dat het hier eenigszins uitvoerig moet vermeld worden.In den morgen van den 9n Februari hield Jack, in half liggende houding op het dek, zich wederom bezig met het vormen van een woord dat de oude Tom weder moest samenstellen, nadat de letters dooreen waren geschud. Tom hield de hand voor de oogen om niet valsch te spelen, zooals het hoort, want hij mocht niets zien en zag dan ook niets van ’t geen de kleine jongen deed.Van deze verschillende letters, ten getale van een vijftig, waren eenige dezer vierkante blokjes met een cijfer voorzien, ’t geen diende om getallen even goed als woorden te vormen.Deze blokjes waren op het dek gerangschikt, en de kleine Jack nam nu eens het eene, dan weer het andere om een woord te vormen—werkelijk een heele taak voor het kind.Nu draaide Dingo sedert eenige oogenblikken om den jongen heen, toen hij plotseling bleef staan. Zijn oogen vestigden zich op een punt, zijn linkerpoot werd in de hoogte gelicht, zijn staart bewoog zich krampachtig. Daarnawierp hij zich eensklaps op een der blokjes, pakte het in zijn bek en legde het op eenige schreden van Jack op het dek neder.Dit blokje had een hoofdletter,—de letter S.“Dingo! Wat is dat! Dingo!” riep de kleine jongen, die eerst bang was dat zijn S. door den hond zou ingeslikt worden.Maar Dingo kwam terug, pakte wederom een ander blokje en legde het naast het eerste neder.Dit tweede blokje was de hoofdletter V.Op het gezicht van deze V., uitte Jack een kreet.Dadelijk kwamen Mevr. Weldon, de kapitein en de leerling, die op het dek wandelden, toeloopen. De kleine Jack vertelde hun toen wat er gebeurd was.Dingo kende zijn letters! Dingo kon lezen! ’t Was zeker, want Jack had het gezien!Dick Sand Wilde de twee blokjes opnemen, om ze aan zijn vriend Jack terug te geven, maar Dingo liet zijn tanden zien.Evenwel gelukte het den leerling weder in het bezit van de twee blokjes te komen en hij voegde ze weer bij deanderen.Doch opnieuw wierp Dingo zich op de twee zelfde letters en legde ze weer ter zijde. Dezen keer zette hij er zijn pooten op en scheen vast besloten ze te houden. Wat de andere letters van ’t alphabet aangaat, zij schenen voor hem niet te bestaan.“Dat is vreemd!” zei Mevr. Weldon.“Werkelijk zeer zonderling,” antwoordde kapitein Hull,die de twee letters met aandacht bekeek.“S. V.”—zei Mevr. Weldon.“S. V.”—herhaalde kapitein Hull.“Dat zijn dezelfde letters als op den halsband van Dingo staan!”Toen richtte hij zich eensklaps tot den ouden neger en vroeg:“Tom, heb je me niet verteld dat die hond nog maar kort aan den kapitein van deWaldeckbehoorde?”“Ja, mijnheer,” antwoordde Tom. “Dingo was nog maar twee jaar aan boord.”“En zei je er niet bij dat de kapitein van deWaldeckdien hond op de westkust van Afrika had opgenomen.”“Ja, mijnheer, in den omtrek van de monding van den Congo. ’k Heb het den kapitein dikwijls hooren vertellen.”“Dus,” vroeg kapitein Hull verder, “heeft men nooit geweten aan wien deze hond toebehoorde en ook niet van waar hij kwam.”“Nooit mijnheer. Met een verloren hond is ’t veel erger gesteld dan met een verloren kind. Hij heeft geen papieren en daarenboven kan hij niets zeggen.”Kapitein Hull zweeg en was in diep gepeins verzonken.“Wekken deze twee letters een herinnering bij u op?” vroeg Mevr. Weldon den kapitein, na hem eenige oogenblikken met zijn gedachten alleen te hebben gelaten.“Ja, mevrouw, een herinnering, of liever een zonderlinge overeenkomst van gebeurtenissen.”“Welke?”“Deze twee letters zouden wel eens een zin kunnen hebben en onze aandacht moeten vestigen op het lot van een stoutmoedig reiziger....”“Wat wilt u daarmede zeggen?” vroeg Mevr. Weldon.“Dit, Mevrouw. In 1871,—twee jaar geleden dus,—vertrok een Fransch reiziger, op aansporing van het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs, met het doel om dwars door Afrika van het westen naar het oosten door te dringen. Zijn punt van aankomst moest zoo dicht mogelijk bij kaap Deldago zijn, bij de monden van de Rovouma, die hij moest afzakken. Deze Fransche reiziger nu heette Samuel Vernon.”“Samuel Vernon!” herhaalde Mevr. Weldon.“Ja, mevrouw, en zijn twee namen beginnen juist met de twee letters die Dingo onder allen heeft uitgezocht en die op zijn halsband gegraveerd zijn.”“Inderdaad!” antwoordde Mevrouw Weldon, “En hoe is ’t met den reiziger afgeloopen?”“Die reiziger vertrok,” antwoordde kapitein Hull, “en sedert zijn vertrek heeft men niets meer van hem vernomen.”“Nooit?” vroeg de leerling.“Nooit,” herhaalde kapitein Hull.“Wat besluit u daaruit?” vroeg Mevr. Weldon.“Dat Samuel Vernon de oostkust van Afrika niet heeft kunnenbereiken, hetzijhij door de inboorlingen gevangen genomen is, hetzij de dood hem onderweg heeft getroffen!”“En dan die hond?....”“Die hond zal hem toebehoord hebben en gelukkiger dan zijn meester zou hij, als mijn stelling juist is, naar het kustland van den Congo hebben kunnen terugkomen, omdat hij op het tijdstip dat deze gebeurtenissen hebben moeten plaats hebben, door den kapitein van deWaldeckis opgenomen.”“Maar,” merkte Mevr. Weldon op, “weet u of die Fransche reiziger bij zijn vertrek een hond bij zich had? Is ’t geen eenvoudige veronderstelling?””’t Is werkelijk maar een eenvoudige Veronderstelling, Mevrouw,” antwoordde kapitein Hull. “Maar zeker is ’t, dat Dingo de twee letters S. en V., die juist de beginletters zijn van de twee namen van den Franschen reiziger, kent. Onder welke omstandigheden nu het dier geleerd heeft ze te onderscheiden, kan ik niet verklaren, maar, nog eens, hij kent ze ongetwijfeld en kijk, hij brengt er zijn poot bij en schijnt ons uit te noodigen ze met hem te lezen.”En werkelijk kon men zich niet in het doel van Dingo vergissen.“Zou Samuel Vernon dan alleen geweest zijn, toen hij het kustland van den Congo verliet?” vroeg Dick Sand.“Dat weet ik niet,” antwoordde kapitein Huil. “Maar ’t dunkt me waarschijnlijk dat hij een geleide van inlanders heeft moeten meenemen.”Op dit oogenblik verliet Negoro het verblijf der matrozen en kwam aan dek. Niemand merkte in ’t eerst zijn tegenwoordigheid op en zag den zonderlingen blik dien hij wierp op den hond, toen hij de twee letters waarnam voor welke deze, als een jachthond voor het wild, scheen stil te staan. Maar Dingo, die den kok nu opmerkte, begon teekenen van de hoogste woede te geven.Negoro ging dadelijk naar het matrozen-verblijf terug, niet zonder dat hem een dreigend gebaar tegen den hond ontsnapt was.“Daar zit iets achter!” mompelde kapitein Hull, wien niets van dit kleine tooneel ontgaan was.“Maar, mijnheer,” zei de leerling, “is het niet verwonderlijk dat een hond de letters kent van ’t alphabet?”“Wel neen!” riep kleine Jack uit.“Mama heeft me dikwijls de geschiedenis verteld van een hond die lezen en schrijven en zelfs domino kon spelen als een ware schoolmeester.”“Die hond, lief kind, die Munito heette, was geen geleerde, zooals je denkt. Als ’k gelooven mag wat men er me van gezegd heeft, zou hij de letters waarmee hij zijn woorden samenstelde niet eens van elkaar hebben kunnen onderscheiden. Maar zijn meester, een slimme Amerikaan, had opgemerkt dat Munito een bijzonder fijn gehoor had en nu had hij zich er op toegelegd dat zintuig te oefenen en er verwonderlijke uitwerkselen van verkregen.”“Hoe legde hij het aan, mevrouw Weldon?” vroeg Dick Sand, die bijna even veel belang in de geschiedenis stelde als kleine jack.“Dat zal ik u zeggen, mijn vriend. Als Munito voor het publiek moest ‘werken’, werden even zulke letters op een tafel uitgespreid. De hond liep op deze tafel heen en weer en wachtte totdat een woord werd voorgesteld, hetzij met luide, hetzij met zachte stem. Alleen was ’t een noodzakelijke voorwaarde, dat zijn meester het woord wist.”“Dus zou bij afwezigheid van zijn meester?....” zei de leerling.“De hond niets hebben kunnen doen,” antwoordde Mevr. Weldon, “en ziehier waarom niet. Als de letters op de tafel uitgespreid lagen, liep Munito door dit alphabet. Kwam hij dan bij de letter welke hij moest uitkiezen om het verlangde woord te vormen, dan stond hij stil; maar hij bleef staan omdat hij het geluid hoorde van een tandenstoker dien de Amerikaan in zijn zak deed rammelen en dat voor ieder ander onmerkbaar was. Dit geluid was voor Munito het teeken om de letter te nemen en haar in de overeengekomen volgorde te plaatsen.”“En is dat nu het geheele geheim?” vroeg Dick Sand.“Dat is ’t geheele geheim,” antwoordde Mevrouw Weldon, “’t Is zeer eenvoudig, als alles in de goochelkunst. Bij de afwezigheid van den Amerikaan, zou Munito niet meer Munito geweest zijn. ’t Verwondert me dus wel, dat, nu zijn meester er niet bij is,—zoo al de reiziger Samuel Vernon ooit zijn meester geweest is—Dingo die twee letters heeft kunnen onderscheiden.”“Dat is werkelijk zeer verwonderlijk,” zei kapitein Hull. “Maar u moet bedenken, dat er hier slechts sprake is van twee letters, twee bijzondere letters, en niet van een woord dat in ’t wild gekozen wordt. En dan dunkt mij dat die hond die aan de deur van een klooster aanbelde om zich meester te maken van den schotel die bestemd was voor de arme voorbijgangers, en die andere, die met een van zijn natuurgenooten belast was om den anderen dag het spit te draaien en die weigerde dezen post waar te nemen als ’t zijn beurt niet was, dat deze honden, zeg ik, hooger verstandelijk ontwikkeld waren dan Dingo. Hoe het zij, we staan hier voor een onbetwistbaar feit. Van al de letters van dit alphabet heeft Dingo slechts deze twee uitgezocht:S.enV.De andere schijnt hij zelfs niet te kennen. Men moet er dus uit besluiten dat wegens de een of andere reden, die wij niet kennen, zijn aandacht bijzonder op deze twee letters is gevestigd geweest.”“Och, kapitein Hull,” hernam Dick, “als Dingo maar eens spreken kon!.... Misschien zou hij ons dan zeggen wat die twee letters beteekenen en waarom hij altijd zijn tanden aan onzen kok laat zien?”“En welke tanden!” antwoordde kapitein Hull, op het oogenblik dat Dingo, zijn bek opende, en dus zijn geducht gebit liet zien.Zesde hoofdstuk.Een walvisch in ’t gezicht.Wat wonder dat dit zonderling voorval meermalen het onderwerp uitmaakte van de gesprekken, die op het halfdek van denPelgrimtusschen Mevr. Weldon, kapitein Hull en den jeugdigen leerling gehouden werden. Deze laatste vooral voelde een instinctmatig wantrouwen jegens Negoro, wiens gedrag evenwel niet de minste berisping verdiende.Ook in het vooruit sprak men er over, maar men maakte daar niet dezelfde gevolgtrekkingen. Daar, in het matrozenverblijf, ging Dingo eenvoudig door voor een hond, die kon lezen en misschien zelfs beter schrijven dan één matroos aan boord. Zoo hij niet sprak, dan had hij daar waarschijnlijk goede redenen voor.“Maar eens,” zei de roerganger Bolton, “eens zal die hond ons komen vragen, wat we voorleggen als de wind N.W. t. W. ½ W. is en dan zullen we hem moeten antwoorden!”“Er zijn dieren die spreken!” hernam een ander matroos, “zooals eksters en papegaaien! Waarom zou een hond het ook niet kunnen, al hij er lust toe heeft? ’t Is moeielijker met een snavel te spreken dan met een mond!”“Zonder twijfel,” antwoordde bootsman Howik. “Maar dat is nog nooit gebeurd.”Wat zouden die goede menschen verbaasd gestaan hebben, als men hun verteld had, dat zoo iets wel degelijk gebeurd was, en dat een zeker Deensch geleerde een hond bezat, die duidelijk een twintigtal woorden uitsprak. Doch tusschen dat en ’t geen dit dier begreep van wat hij zei, was een ontzaglijk verschil. Blijkbaar hechtte de hond, wiens stemspleet op die wijze georganiseerd was, dat geregelde tonen konden voortgebracht worden, niet meer beteekenis aan zijn woorden dan de papegaaien, de meerkollen of de eksters aan de hunne. De spreekwijze bij deze dieren is niets anders dan een soort van gezang of van gesproken kreten, die ontleend zijn aan een vreemde taal, waarvan men de beteekenis niet zou begrijpen.Hoe het zij, Dingo was de held aan boord geworden,—waarop hij zich evenwel geenszins liet voorstaan. Meermalen hernieuwde kapitein Hull de proef. De blokjes hout van het alphabet werden telkens opnieuw voor Dingo geplaatst, en steeds zonder te dwalen, zonder te aarzelen, werden de twee letters S. en V. onder alle door het zonderlinge dier uitgekozen, terwijl de andere nooit zijn aandacht trokken.Wat neef Benedictus aangaat, deze proef werd dikwijls voor hem herhaald, zonder dat zij hem belang scheen in te boezemen.“Evenwel,” verwaardigde hij zich eens te zeggen, “moet men niet aannemen dat de honden alleen het voorrecht hebben op die wijze met oordeel begaafd te zijn! Andere dieren evenaren ze, alleen door hun instinkt te volgen. Zoo bijv. de ratten die het schip verlatendat bestemd is om in zee te zinken; de bevers die het wassen van het water vooruit kunnen zien en hunne dijken dienovereenkomstig verhoogen; de paarden van Nicomedes, van Scanderberg en van Oppius, wier smart zoo bitter was, dat zij stierven bij den dood hunner meesters; de ezels, zoo merkwaardig door hun geheugen, en zoovele andere beesten eindelijk die den roem van het dierenrijk geweest zijn! Wie heeft niet gehoord van die verwonderlijk afgerichte vogels, die zonder fouten woorden schrijven door hunne meesters gedicteerd, van kaketoe’s die zeer nauwkeurig het aantal personen in een salon weten te tellen! Is er geen papegaai geweest die met honderd gouden kronen betaald werd en zonder zich een enkel woord te vergissen den kardinaal, zijn meester, de Geloofsbelijdenis der apostelen opzei? En moet eindelijk de rechtmatige hoogmoed van een entomoloog niet ten top stijgen, als hij eenvoudige insecten de bewijzen ziet geven eener buitengewone bevatting en welsprekendheid het axioma bevestigen:In minimis maximus Deus:de mieren, die een lesje zouden kunnen geven aan de magistraatspersonen van de grootste steden; de waterspinnen, die duikerklokken vervaardigen zonder ooit iets van werktuigkunde geleerd te hebben; de vlooien die rijtuigen voorttrekken als echte koetspaarden, die exerceeren als soldaten, die beter een kanon afvuren dan de geëxamineerde artilleristen van West-Point?1Neen! die Dingo verdient den lof niet die hem wordt toegezwaaid, en als hij zoo sterk in ’t alphabet is, dan behoort hij ongetwijfeld tot een ras van bulhonden, dat in de classificatie van de zoölogische wetenschap nog geen plaats gevonden heeft, den ‘canis alphabeticus’ van Nieuw-Zeeland!”Inweerwil van deze en andere redeneeringen van den afgunstigen entomoloog, verloor Dingo niets van de algemeene achting en bleef hij in de gesprekken van de voorplecht behandeld worden als een bijzonder verschijnsel.Nochtans is het meer dan waarschijnlijk dat Negoro de ingenomenheid met het dier van allen aan boord niet deelde. Misschien vond hij hem te schrander. Wat hier van zij, de hond toonde altijd dezelfde vijandschap tegen den kok en ongetwijfeld zou hij er niet best afgekomen zijn, zoo hij van den eenen kant geen hond geweest was die van zich af kon bijten en van den anderen kant niet beschermd werd door de sympathie van de geheele equipage.Negoro vermeed dus meer dan ooit zich in tegenwoordigheid van Dingo te bevinden. Maar Dick Sand had meenen op te merken dat, sedert het voorval der twee letters, de wederkeerige tegenzin van den mensch en den hond was toegenomen. Dat was werkelijk onverklaarbaar.Den 10n Februari begon de wind uit het noord-oosten merkbaar af te nemen; reeds was deze gevolgd op die langdurige en verdrietige windstilten, gedurende welke dePelgrimbijna stillag. Kapitein Hull mocht dus hopen dat er zich weldra een verandering in de richting der luchtstroomen zou voordoen. Eindelijk zou de schoener-brik dan misschien voor den wind gaan loopen. Slechts negentien dagen geleden hadden zij de haven van Auckland verlaten. De vertraging was vooralsnog niet zeer belangrijk en met den wind dwars zou dePelgrim, met behulp zijner zeilen, den verloren tijd gemakkelijk inhalen. Doch er zouden nog wel eenige dagen verloopen, voor er een bestendige bries uit het westen ging waaien.Dit gedeelte van de Stille-Zuidzee was altijd vrij eenzaam. Bijna geen enkel vaartuig vertoonde zich in deze streken. Het was een breedte die slechts hoogst zelden door de zeevaarders bezocht werd. De walvischvaarders der Zuidelijke zeeën overschreden den keerkring nog niet. Men kon dus op denPelgrim, die door bijzondere omstandigheden gedwongen was geweest vóór den afloop der kampanjes de plaatsen waar gewoonlijk gevischt werd te verlaten, niet verwachten een schip dat dezelfde bestemming had te ontmoeten.Wat de transatlantischepakketbootenbetreft, wij hebben reeds gezegd dat zij bij haar tochten tusschen Australië en het vasteland van Amerika niet zulk een noordelijken parallel volgden.Doch, omdat de zee verlaten is, moet men niet verzuimen haar tot de uiterste grenzen van den horizon gade te slaan. Zij moge voor onachtzame geesten eentonigschijnen, voor hem die haar kent en begrijpt, is er een oneindige afwisseling in haar op te merken. Haar ondoorgrondelijkste veranderingen bekoren de verbeelding van hen die de poëzie van den oceaan begrijpen. Een zeeplantje dat met den golfslag op en neer gaat, een boschje zeekroos dat slechts een lichte rimpeling op de oppervlakte der golven voortbrengt, een eindje plank welker geschiedenis men zou willen raden, meer is er niet noodig om aan die verbeelding den teugel te vieren. Voor deze oneindigheid wordt de geest door niets belemmerd. Onze voorstellingen hebben vrij spel. Elk van die moleculen water die de verdamping voortdurend tusschen de zee en den hemel doet afwisselen, bevatmisschienhet geheim van de een of andere vreeselijke ramp! Ook moet men ze benijden, hen wier diepste gedachten deverborgenhedenvan den Oceaan weten uit te vorschen, die geesten die zich van zijn beweeglijke oppervlakte verheffen tot de hoogten des hemels.En overal vertoont zich het leven, zoowel boven de oppervlakte der zee als onder haar. De passagiers van denPelgrimkonden troepen vogels zien, die driftig jacht maakten op de kleinste vischjes; het waren landverhuizers die voor den winter het ruw klimaat der poolstreken verlaten. En meer dan eens gaf Dick Sand, ook hierin, als in zoovele andere zaken, den leerling van den heer Weldon, de bewijzen zijner verwonderlijke behendigheid met het geweer of pistool, door eenige van die vlugge luchtbewoners neer te vellen.Nu eens waren het witte, dan weder andere stormvogels wier vleugels omzoomd waren met een bruin randje. Somwijlen ook trokken troepen duiven voorbij of eenige van die vetganzen welker gang op het land zoo zwaar en zoo belachelijk is. Evenwel kunnen deze vetganzen, zooals kapitein Hull deed opmerken, door zich van hare stompen als vinnen te bedienen, de vlugste visschen tarten, in die mate zelfs, dat zij somtijds met springvisschen zijn verward geworden.Hooger doorkliefden reusachtige albatrossen de lucht met groote vleugelslagen en zetten zich vervolgens op de oppervlakte der zee neder, die zij met hun bek doorwoelden om er hun voedsel te zoeken.Al die tooneelen leverden een afwisselend schouwspel op, dat alleen door hen wier geest gesloten is voor de schoonheden der natuur, eentonig zou gevonden worden.Dienzelfden dag wandelde Mevr. Weldon op het achterdek van denPelgrim, toen een vrij zonderling verschijnsel haar aandacht trok. Bijna plotseling was de zee roodachtig geworden. Men zou gezegd hebben dat zij met bloed was gekleurd, en deze onverklaarbare tint strekte zich zoo ver uit als de oogen konden zien.Op dat oogenblik bevond Dick Sand zich met kleinen Jack bij Mevr. Weldon.“Zie je, Dick,” zei zij tot den leerling, “daar die vreemde kleur van het water? Zou dat zijn door de een of andere zeeplant?”“Neen, mevrouw,” antwoordde Dick, “die kleur wordt voortgebracht door millioenen kleine schaaldiertjes, waarmede de groote zoogdieren zich gewoonlijk voeden. De visschers noemen dat met recht ‘walvisch-eten’”.“Schaaldiertjes!” zei Mevr. Weldon. “Maar ze zijn zoo klein dat men ze bijna zeeinsecten zou kunnen noemen. Neef Benedictus zou er misschien gaarne zijn verzameling mee willen verrijken!”“Neef Benedict!” riep zij toen.Neef Benedictus kwam toen uit zijn hut te voorschijn, bijna gelijktijdig met den kapitein.“Neef Benedictus,” zei Mevr. Weldon, “zie toch eens die onmetelijke roodachtige bank, die zich uitstrekt zoover het oog reikt.”“He!” zei kapitein Hull, “dat is walvisch-eten! Mijnheer Benedict, ziedaar een schoone gelegenheid om die vreemde soort van schaaldieren te bestudeeren!””’t Zou wat!” zei de entomoloog.“Hoe! ’t Zou wat!” riep de kapitein uit. “Maar u hebt het recht niet zulk een onverschilligheid voor te geven! De schaaldieren maken een van de zes klassen der gelede dieren uit2als ik me niet bedrieg, en als zoodanig....””’t Zou wat!” zei nogmaals neefBenedictus, het hoofd schuddende.“Hoor eens! ’k Vind u vrij onverschillig voor een entomoloog!”“Entomoloog, goed,” antwoordde neef Benedictus, “maar meer bijzonder hexapodist, kapitein, onthoud het goed!”“Hoe het zij,” antwoordde de kapitein, “dat u geen belang in die schaaldieren stelt, mij wel, maar ’t zou heel wat anders wezen, als u een walvisschenmaag hadt. Wat een smulpartij, in dat geval! want weet u, mevrouw Weldon, als wij, walvischvaarders, gedurende het vischseizoen in ’t gezicht komen van een bank van die schaaldieren, dan worden onmiddellijk de harpoenen en de lijnen in orde gebracht! Wij zijn dan zeker dat het wild niet ver af is!”“Is ’t mogelijk dat zulke kleine diertjes zulke groote kunnen voeden?” riep Jack uit.“Wel, mijn jongen,” antwoordde kapitein Hull, “geven ons de microscopisch fijne meelkorreltjes geen goede soepen? Ja, en de natuur heeft het zoo gewild. Wanneer een walvisch zich te midden van dat roode water beweegt, is zijn soep gereed en heeft hij niets meer te doen dan zijn onmetelijken bek te openen, waarin dadelijk millioenen schaaldiertjes worden opgenomen, terwijl de talrijke baarden, waarmede het verhemelte van het dier voorzien is, zich uitspreiden als de netten van een visscher; niets kan er dan meer uit en een geweldige massa schaaldiertjes verzinkt in de enorme maag van den walvisch, als de soep van uw diner in de uwe.”“Je begrijpt licht, Jack,” merkte Dick Sand op, “dat mijnheer de walvisch zijn tijd niet verliest met een voor een die schaaldiertjes te pellen, zooals gij garnalen pelt!””’k Moet er nog bijvoegen,” zei kapitein Hull, “dat juist op het oogenblik als de ontzaglijke gulzigaard op die manier bezig is, ’t gemakkelijkste is hem te naderen zonder zijn wantrouwen te wekken. Dat is dus juist het geschiktste oogenblik om hem met eenig succes te harpoeneeren.”Op dit oogenblik, en als om kapitein Hull gelijk te geven, deed zich de stem van den matroos op den uitkijk hooren: “Een walvisch aan bakboordszij vooruit!”Kapitein Hull had zich opgericht.“Een walvisch!” riep hij uit.En door zijn visschersinstinct aangevuurd, snelde hij naar den bak.Mevr. Weldon, Jack, Dick Sand en zelfs neef Benedictus volgden hem terstond.En werkelijk gaf op vier mijlen onder lij, een zekere borreling te kennen dat een groot dier zich te midden der roode golven bewoog. Vooral walvischvaarders konden er zich niet in vergissen.Maar de afstand was nog te groot om de soort te kunnen onderscheiden, waartoe dit dier behoorde. Deze soorten zijn inderdaad zeer van elkander verschillend.Was het een van die echte walvisschen die bij voorkeur door de visschers van de noordpool-zeeën opgezocht worden? Die walvisschen, bij wie de rugvin ontbreekt, maar wier huid eene dikke laag spek bedekt, kunnen een lengte van vier-en-tachtig voet bereiken, hoewel de gemiddelde lengte geen zestig bedraagt, en in dit geval verschaft een enkele van die monsters tot honderd vaten traan.Was het integendeel een “humpback”, die tot de soort der baleinoptera behoort,—een woord waarvan de eindlettergreep hem althans de gunst van den entomoloog had moeten doen verwerven? Zij zijn het die rugvinnen bezitten, wit van kleur en zoo lang als de halve lengte des lichaams, die als een paar vleugels uitzien en hem daardoor wel eenigszins op een vliegenden walvisch doen gelijken.Had men niet waarschijnlijker een “vinvisch” in ’t gezicht, een zoogdier ook bekend onder den naam van “snavelwalvisch”, die voorzien is van een rugvin en welks lengte die van den echten walvisch kan evenaren?Kapitein Hull en zijn bemanning konden nog geen uitspraak doen, maar zij beschouwden het dier nog met meer begeerte dan wel bewondering.Zoo het waar is dat een horlogemaker geen pendule kan zien zonder de onweerstaanbare behoefte te gevoelen haar op te winden, hoeveel meer moet dan niet de walvischvaarder op het gezicht van een walvisch door een dringende begeerte bezield zijn er zich meester van te maken! De jagers op grof wild zijn, zegt men, vuriger dan die op kleinwild. Hoe grooter het dier is, des te meer wekt het de begeerlijkheid op! Wat moeten dan niet de jagers op olifanten en de visschers op walvisschen gevoelen! En dan bestond ook nog de teleurstelling der geheele equipage van denPelgrimom met eene halve lading thuis te varen!...Intusschen trachtte kapitein Hull het dier dat gesignaleerd was, te onderscheiden. Het was op dien afstand niet zichtbaar. Evenwel kon het geoefend oog van een walvischvaarder zich niet bedriegen in zekere bijzonderheden die gemakkelijk van verre te ontdekken waren.Werkelijk moest de straal, namelijk de kolom van damp en water die de walvisch door zijne neusgaten in de hoogte spuit, de aandacht wekken van kapitein Hull en hem de soort doen bepalen waartoe deze walvisch behoorde.“Dat is geen echte walvisch!” riep hij uit. “Zijn straal zou hooger zijn en een kleiner volumen hebben. Zoo van den anderen kant het geraas dat de straal maakt vergeleken kon worden met het verwijderd geluid van een stuk geschut, zou ik geneigd zijn te gelooven dat deze walvisch tot de soort der ‘humpbacks’ behoort; maar daar is niets van aan en wanneer men goed hoort, dan kan men zich overtuigen dat dit geluid van gansch anderen aard is.”“Hoe denkt gij daarover, Dick?” vroeg kapitein Hull den leerling.“Mij dunkt, kapitein, dat we hier te doen hebben met een vinvisch. Zie eens, met welk een geweld hij dien waterstraal in de lucht spuit. Komt het u ook niet voor,—’t geen mijne meening zou bevestigen,—dat die straal meer water dan verdichte lucht bevat? En dat is immers een eigenaardige bijzonderheid van den vinvisch?”“Je hebt gelijk, Dick,” antwoordde kapitein Hull. “Er is geen twijfel meer mogelijk! ’t Is een vinvisch die aan de oppervlakte van die roode golven drijft.”“Wat is dat een prachtig gezicht!” riep Jack uit.“Ja, mijn jongen! En wanneer men dan bedenkt dat het groote dier daar aan zijn ontbijt is en volstrekt niet vermoedt dat walvischvaarders naar hem kijken!””’k Zou durven verzekeren, dat het een groote vinvisch is,” merkte Dick Sand aan.“Ongetwijfeld,” antwoordde kapitein Hull, die zich allengs begon op te winden, “ik schat hem ten minste op zeventig voet lengte!”“Ja, ja!” voegde de bootsman er bij. “Een half dozijntje walvisschen van die grootte en een schip als het onze zou genoeg hebben!”“Je hebt gelijk!” antwoordde kapitein Hull, die op de boegspriet klom om beter te kunnen zien.“En als we dezen hadden,” voegde de bootsman er bij, “zouden we in weinige uren de helft der twee honderd vaten traan kunnen inschepen, die ons nog ontbreken.”“Ja! inderdaad.... ja!....” mompelde kapitein Hull.“Dat is waar,” hernam Dick Sand, “maar ’t is geen gemakkelijke taak, somtijds, die geweldige vinvisschen aan te vallen!”“Niet gemakkelijk, niet gemakkelijk!” antwoordde kapitein Hull. “Ze hebben geduchte staarten, die men niet te dicht moet naderen! De sterkste sloep zou aan een goed gerichten slag geen weerstand bieden. Maar het voordeel beloont de moeite!”“Nu!” zei een der matrozen, “een prachtige vinvisch is toch ook een prachtige vangst!”“En winstgevend!” antwoordde een ander.”’t Zou jammer zijn dezen in ’t voorbijgaan niet even te groeten!”Het was duidelijk dat de brave zeelieden op het gezicht van den walvisch hoe langer hoe meer bezield werden met den wensch hem te vangen. Een gansche lading traan maar voor het grijpen? Er bleef volgens hen niets anders meer te doen dan de vaten in het ruim van den Pelgrim te stuwen om de lading er van aan te vullen!Eenige matrozen die in het want van den fokkemast geklommen waren, deden kreten van begeerlijkheid hooren. Kapitein Hull sprak niet en stond op zijn nagels te bijten. Het was alsof een onweerstaanbare magneet denPelgrimen zijn geheele equipage aantrok.“Mama, mama!” hoorde men kleine Jack roepen, “’k zou zoo graag den walvisch hebben om te zien hoe hij er uit ziet!”“Zoo, zoo, zou je dien walvischwillen hebben, mijn jongen? Wel! waarom niet, vrienden!” antwoordde kapitein Hull, die eindelijk aan zijn geheime begeerte toegaf. “De hulpvisschers ontbreken ons wel, dat is waar, maar wij alleen....”“Ja, ja!” riepen de matrozen als uit één mond. “’t Zou de eerste keer niet zijn dat ik als harpoenier fungeer,” voegde kapitein Hull er bij, “en dan zult ge kunnen oordeelen of ik den harpoen nog kan werpen!”“Hoera! hoera! hoera!” was het antwoord der bemanning.

1Verkorting van Bartholomeus.

1Verkorting van Bartholomeus.

Intusschen had dePelgrimzijn reis hervat en getracht zooveel mogelijk oost te houden. Die betreurenswaardige aanhoudende windstilten gaven kapitein Hull vrij veel zorg, niet omdat hij zich ongerust maakte over een paar weken vertraging op een reis van Nieuw-Zeeland naar Valparaiso, maar wegens de groote vermoeienis die deze vertraging voor zijn passagiers zou hebben.

Evenwel beklaagde Mevr. Weldon zich niet en verdroeg het onaangename van haren toestand zeer geduldig.

Dien zelfden dag, den 2n Februari, ’s avonds, geraakte het wrak uit het gezicht.

Kapitein Hull zorgde in de eerste plaats om Tom en zijn makkers zoo goed mogelijk te logeeren. Het verblijf van de bemanning dat uit een hut op het dek bestond, zou te klein geweest zijn om ze te bevatten. Men nam dus de noodige schikkingen om hun een verblijf onder den bak te bezorgen. Trouwens waren deze brave menschen, aan harden arbeid gewoon, met weinig tevreden en met het schoone, warme en heilzame weder zou dit verblijf hun gedurende den geheelen overtocht ook voldoende zijn.

Het leven aan boord dat door dit voorval een oogenblik uit zijn eentonigheid gewekt was, hernam zijn gewonen loop.

Tom, Austin, Bat, Actéon, Hercules zouden gaarne de handen uit de mouw gestoken en zich verdienstelijk gemaakt hebben, maar met de vaste winden, was er, nadat de zeilen eenmaal gesteld waren, niets te doen. Wanneer men evenwel moest wenden, dan beijverden zich de oude neger en zijn kameraden om de equipage bij te staan en dat is zeker dat, als de kolossale Hercules een handje meehielp, men ’t goed kon merken. Die krachtige neger, zes voet lang, verrichtte alleen het werk van den takel!

Wat was het een pret voor den kleinen Jack, als hij den reus in ’t gezicht kreeg! Hij was volstrekt niet bang voor hem en als Hercules hem in zijn armen deed opspringen alsof hij slechts een kleine jongen van kurk geweest was, dan waren het vreugdekreten die geen einde namen.

“Licht me eens zoo hoog als je kunt,” zei kleine Jack.

“Daar, mijnheer Jack,” antwoordde Hercules.

“Ben ik niet zwaar?”

”’k Voel je niet eens.”

“Toe dan nog hooger! Zoo hoog als je arm reikt!”

Hercules hield dan de kleine voeten van het kind in zijn groote hand en liep met hem in de rondte als een kunstenmaker in een circus. Jack was dan in eens groot, heel groot geworden, wat hem ontzaglijk veel pleizier deed. Zelfs deed hij zijn best om zich zoo zwaar mogelijk te houden, hetgeen de reus niet eens opmerkte.

Dick Sand en Hercules waren dus twee vrienden van den kleinen Jack. Weldra maakte hij zich een derden vriend.

Dit was Dingo.

Wij zeiden reeds dat Dingo geen zeer gezellige hond was. Dat kwam misschien ook veel omdat het gezelschap aan boord van deWaldeckhem niet bijzonder beviel. Met dat van denPelgrimwas het een heel andere zaak. Jack wist waarschijnlijk het hart van het schoone dier te treffen. Dit kreeg al spoedig pleizier om met den kleinen jongen te spelen, wien dit spelen zeer beviel. Men zag gauw dat Dingo een van die honden was die veel van kinderen houden. Nu deed Jack het dier nooit kwaad. Zijn grootste plezier was om Dingo de rol van een vluggen harddraver te laten spelen, en wij mogen vrij aannemen dat een harddraver dezer soort te verkiezen is boven een viervoetig dier van bordpapier, al heeft dit rolletjes onder de pooten. Jack galoppeerde dus, op den rug van den hond gezeten, die het gaarne toeliet en inderdaad woog Jack voor hem niet meer dan de helft van een jockey voor een renpaard.

Maar wat een bres elken dag in den voorraad suiker der kombuis!

Dingo werd weldra de lieveling van de geheele bemanning. Negoro alleen bleef elke ontmoeting met het dier vermijden, welks antipathie tegen hem even onverklaarbaar bleef.

Daarom had kleine Jack om Dingo zijn vriend van vroeger, Dick Sand,niet verzuimd. Al den tijd buiten zijn diensten aan boord, bracht de kweekeling met den kleinen jongen door.

Dat Mevr. Weldon die vertrouwelijkheid zeer gaarne zag, kan men zich licht voorstellen.

Eens, den 6n Februari, sprak zij over Dick Sand met kapitein Hull, die den jongen zeer prees.

“Die jongen,” zei hij tot mevr. Weldon, “zal eens een flink zeeman zijn, dat verzeker ik u! Hij heeft wezenlijk het instinct van de zee, en door dat instinct vult hij aan wat hem natuurlijk nog ontbreekt aan de theoretische zaken van het vak. Wat hij reeds weet is verwonderlijk, als men bedenkt hoe weinig tijd hij gehad heeft om het te leeren.”

“U moogt er nog wel bijvoegen,” antwoordde Mevr. Weldon, “dat het ook een beste jongen is, die, zoolang we hem nu kennen, geen berisping verdiend heeft.”

“Ja, ja, ’t is een goede jongen,” hernam kapitein Hull, “met recht bemind en geacht door iedereen.”

“Als deze kampanje geëindigd is,” zei Mevr. Weldon, “weet ik dat mijn man van plan is hem les in de hydrographie te laten nemen, om hem later een brevet van kapitein te doen verkrijgen.”

“Mijnheer Weldon heeft gelijk,” antwoordde kapitein Hull. “Dick Sand zal eens de Amerikaansche marine eer aandoen.”

“Die arme wees is het leven treurig begonnen!” merkte Mevr. Weldon op. “Hij is in een harde leerschool geweest!”

“Ongetwijfeld, mevrouw Weldon, maar die lessen zijn voor hem niet verloren gegaan. Hij heeft begrepen dat hij zich zelven moet helpen in deze wereld en hij is op het rechte pad.”

“Waarvan hij niet zal afwijken.”

“Zie eens, mevrouw,” hernam kapitein Hull, “hoe de jongen daar aan het roer staat, het oog op den fokkehals gevestigd. Geen verstrooidheid van den jongen, dus ook geen gieren van het schip! Dick Sand heeft nu reeds de vastheid van een ouden roerganger! Een goed begin voor een zeeman! Ons vak, mevrouw, moet reeds als kind geleerd worden. Wie geen scheepsjongen is geweest, zal nooit een volleerd zeeman worden, althans bij de koopvaardij. Alles moet geleerd worden, en, bijgevolg moet alles instinctmatig en te gelijk beredeneerd bij den zeeman gaan,—het nemen van een besluit zoowel als het uitvoeren van een manoeuvre.

“En toch, kapitein Hull,” antwoordde Mevr. Weldon, “zijn er ook in de oorlogsmarine goede officieren in menigte.”

“Ja,” antwoordde kapitein Hull, “maar de besten zijn bijna allen als kind bij het vak gekomen, en, om van Nelson en eenige anderen niet te spreken, zijn de slechtsten niet zij die als scheepsjongens begonnen zijn.”

Op dit oogenblik zag men neef Benedictus voor den dag komen, altijd in zich zelven gekeerd en evenmin met zijn gedachten op deze wereld als de profeet Elias het zal zijn als hij eenmaal op de aarde terugkomt.

Neef Benedictus liep op en neer op het dek als een ziel in nood, terwijl hij de reten in de verschansing doorsnuffelde, onder de kippenhokken keek en zijn hand tusschen de naden van het dek stak op plaatsen waar het pek verdwenen was.

“Wel, neef Benedict,” vroeg Mevr. Weldon, “blijf je altijd wel?”

“Ja.... nicht Weldon.... ’k ben wel gezond.... maar ’k verlang zeer aan land te komen.”

“Wat zoekt u toch onder die bank, mijnheer Benedict?” vroeg kapitein Hull.

“Insecten, mijnheer!” hernam neef Benedictus. “Wat wil je dat ’k anders zoek dan insecten?”

“Insecten! U zult het u moeten getroosten dat u op zee uw verzameling niet verrijken zult!”

“En waarom niet, mijnheer? ’t Is immers niet onmogelijk aan boord een of ander soort van....”

“Neef Benedict,” zei Mevr. Weldon, “geef kapitein Hull gerust de schuld! Zijn schip wordt zoo zindelijk gehouden, dat je platzak van je jacht zult terugkomen!”

Kapitein Hull begon te lachen.

“Mevrouw Weldon overdrijft,” antwoordde hij. “Maar toch geloof ik, mijnheer Benedict, dat u je tijd met snuffelen in onze kooien verliezen zoudt.”

”’k Weet het!” riep neef Benedictus uit, de schouders ophalend, “’k Magdoen wat ik wil!....”

“Maar in ’t ruim van denPelgrim,” hernam kapitein Hull, “zult u misschien eenige kakkerlakken vinden, die evenwel niet veel bijzonders als insecten opleveren.”

“Niet veel bijzonders, die nachtelijke, zesvleugelige insecten die zich de verwenschingen van Virgilius en Horatius op den hals gehaaid hebben!” hernam neef Benedictus, zich daarbij in zijn geheele lengte oprichtend. “Niet veel bijzonders, die naaste bloedverwanten van de ‘periplaneta orientalis’ en van den Amerikaanschen kakkerlak, die de schepen bewonen....”

“Verpesten....” zei kapitein Hull.

“Aan boord regeeren....” hernam neef Benedictus fier.

“Een liefelijke regeering!....”

“Is u geen entomoloog, mijnheer?”

“Neen, gelukkig!”

“Kom, neef Benedict,” zei Mevr. Weldon glimlachend, “verlang nu niet dat we uit liefde voor de wetenschap verslonden worden!”

”’k Wensch niets anders, nicht Weldon,” antwoordde de driftige entomoloog, “dan mijn verzameling met het een of ander zeldzaam exemplaar te verrijken!”

“Ben je dan niet tevreden met je aanwinst op Nieuw-Zeeland?”

“Wel zeker, nicht Weldon, ’k Ben zoo gelukkig geweest een van die nieuwe staphylini machtig te worden, die tot nog toe slechts eenige honderden mijlen verder, in Nieuw-Caledonië, gevonden werden.”

Op dit oogenblik kwam Dingo, die met Jack speelde, al springende, wat dicht bij neef Benedictus.

“Voort! voort!” zei deze, het dier wegduwende.

“Veel ophebben met kakkerlakken en een hekel hebben aan honden!” riep kapitein Hull uit. “Hoe is ’t mogelijk, mijnheer Benedict!”

“Een goede hond toch!” zei kleine Jack, die den grooten kop van Dingo in zijn handjes nam.

“Nu ja, ’k heb niets tegen den hond!...” antwoordde neef Benedictus. Maar dit zal ’k je zeggen. Dat drommelsche dier heeft de hoop teleurgesteld, die ’k bij zijn eerste ontmoeting had.”

“Maar, lieve Hemel!” riep Mevr. Weldon uit, “had je dan gehoopt hem te kunnen rangschikken in de orde der tweevleugeligen of in die der vliesvleugeligen?”

“Neen,” antwoordde neef Benedictus ernstig. “Maar is die Dingo, die van Nieuw-Zeelandsch ras is, niet gevonden op de westkust van Afrika?”

“Dat is ongetwijfeld zoo,” antwoordde Mevr. Weldon, “en Tom heeft het den kapitein van deWaldeckdikwijls hooren zeggen.”

“Welnu, ’k had gedacht.... ’k had gehoopt.... dat die hond misschien eenige vlooien van een bijzonder ras, eigenaardig aan de Afrikaansche fauna, zou hebben meegebracht....”

“Groote goedheid!” riep Mevr. Weldon uit.’

“En dat misschien....” ging neef Benedictus verder, “de een of andere culex penetrans of irritans.... van een nieuwe soort....”

“Hoor je, Dingo?” zei kapitein Hull. “Hoor je, mijn hond? je hebt volstrekt je plicht niet gedaan!”

“Maar ’k ben een uur bezig geweest met hem te vlooien....” voegde de entomoloog op spijtigen toon er bij, “’k heb geen enkel insect kunnen vinden.”

“En dat zoudt u toch zeker wel onmiddellijk en meedoogenloos ter dood gebracht hebben, hoop ik!” riep kapitein Hull uit.

“Mijnheer.” antwoordde neef Benedictus droogjes, “weet dat Sir John Franklin zich angstvallig wachtte het geringste insect te dooden, al was het een Amerikaansche muskiet, wier beten heel wat geduchter zijn dan die van de vloo, en toch zult u me toestemmen dat Sir John Franklin een zeeman was zooals er weinige gevonden worden!”

“Dat zal waar zijn!” zei kapitein Hull, even buigend.

“En eens, toen hij vreeselijk gehavend werd door een tweevleugelig insect, tot de orde der diptera behoorende, (muggen, muskieten, vliegen), blies hij het weg, zeggende: Ga heen! De wereld is groot genoeg voor u en voor mij!”

“Wel, wel!” zei kapitein Hull.

“Ja mijnheer!”

“Welnu, mijnheer Benedict,” hernam kapitein Hull, “een ander, lang voor Sir John Franklin, heeft dit al gezegd!”

“Een ander!”

“Ja en die andere is oom Tobias.”

“Een entomoloog?” vroeg neef Benedictuslevendig.

“Neen! Oom Tobias van Sterne, en die waardige man heeft juist dezelfde woorden gesproken toen hij een muskiet liet vliegen die hem kwelde: ‘Ga, arme duivel,’ zei hij, ‘de wereld is groot genoeg om jou en mij te bevatten!’”

“Een braaf mensch die oom Tobias!” antwoordde neef Benedictus. “Is hij dood?”

“Dat geloof ik wel,” hernam kapitein Hull ernstig, “want hij heeft nooit bestaan.”

Allen lachten, terwijl zij neef Benedictus aankeken.

Onder dergelijke en vele andere gesprekken, die zoodra neef Benedictus er deel aan nam, altijd over een of ander punt der entomologische wetenschap liepen, vervlogen de lange uren dezer langdurige zeereis. Met een altijd schoone zee, maar met winden die de schoenerbrik verplichtten zoo dicht mogelijk bij den wind te houden. DePelgrimkon bij de zwakke bries niet spoedig het oosten halen en meer dan ooit verlangde hij die streken te bereiken, waar de wind hem gunstiger zoude zijn.

Wij mogen vooral niet verzwijgen dat neef Benedictus getracht had den jeugdigen leerling in de verborgenheden der entomologie in te wijden. Maar Dick Sand had niet de minste neiging voor de beoefening dezer wetenschappen beloond. Uit gebrek aan beter, had de geleerde zich nu tot de negers gewend, die er niets van begrepen. Tom, Actéon, Bat en Austin waren zelfs de lessen ontloopen en de professor had zijn toevlucht genomen tot Hercules, die hem voorkwam wel eenigen aanleg te hebben voor natuurlijke historie.

De reusachtige neger leefde dus in de wereld der torren, vleeschetende dieren, jagers, kanonniers, doodgravers, aardkevers, sylfen, aardtorren, schallebijters, koorwormen, onze-Lieve-Vrouwen-beestjes, terwijl hij de gansche verzameling van neef Benedictus bestudeerde, niet zonder dat deze duizend angsten uitstond, als hij die teere voorwerpen zag tusschen de dikke vingers van Hercules, die zoo hard en sterk waren als een schroef. Maar de kolossale leerling hoorde zoo gedwee de lessen van den professor aan, dat het wel waard was iets te wagen.

Terwijl neef Benedictus zich op deze wijze bezighield, liet mevr. Weldon den kleinen Jack ook niet onledig. Ze leerde hem lezen en schrijven. Wat het rekenen betreft, was het zijn vriend Dick Sand die er hem de eerste beginselen van inprentte.

Op den leeftijd van vijf jaar, dus nog als klein kind, leert men misschien beter door praktische spelen dan door theoretische lessen, die natuurlijk altijd wat zwaar zijn.

Jack leerde lezen, niet in een A.B.C.-boek. maar door middel van beweegbare letters, die in ’t rood op vierkante stukjes hout gedrukt waren; hij vermaakte zich met deze op die wijze te rangschikken dat er woorden van gevormd werden. Somtijds nam Mevr. Weldon deze blokjes hout en stelde een woord samen; daarna rommelde zij ze door elkander en moest Jack ze dan weer in orde brengen.

De kleine jongen vond het zeer prettig op deze wijze lezen te leeren. Iederen dag besteedde hij eenige uren, nu eens in de kajuit dan op het dek, aan het rangschikken en weer in de war brengen van zijn alphabet.

Dit nu bracht op zekeren dag zulk een buitengewoon en onverwachtvoorvalteweeg, dat het hier eenigszins uitvoerig moet vermeld worden.

In den morgen van den 9n Februari hield Jack, in half liggende houding op het dek, zich wederom bezig met het vormen van een woord dat de oude Tom weder moest samenstellen, nadat de letters dooreen waren geschud. Tom hield de hand voor de oogen om niet valsch te spelen, zooals het hoort, want hij mocht niets zien en zag dan ook niets van ’t geen de kleine jongen deed.

Van deze verschillende letters, ten getale van een vijftig, waren eenige dezer vierkante blokjes met een cijfer voorzien, ’t geen diende om getallen even goed als woorden te vormen.

Deze blokjes waren op het dek gerangschikt, en de kleine Jack nam nu eens het eene, dan weer het andere om een woord te vormen—werkelijk een heele taak voor het kind.

Nu draaide Dingo sedert eenige oogenblikken om den jongen heen, toen hij plotseling bleef staan. Zijn oogen vestigden zich op een punt, zijn linkerpoot werd in de hoogte gelicht, zijn staart bewoog zich krampachtig. Daarnawierp hij zich eensklaps op een der blokjes, pakte het in zijn bek en legde het op eenige schreden van Jack op het dek neder.

Dit blokje had een hoofdletter,—de letter S.

“Dingo! Wat is dat! Dingo!” riep de kleine jongen, die eerst bang was dat zijn S. door den hond zou ingeslikt worden.

Maar Dingo kwam terug, pakte wederom een ander blokje en legde het naast het eerste neder.

Dit tweede blokje was de hoofdletter V.

Op het gezicht van deze V., uitte Jack een kreet.

Dadelijk kwamen Mevr. Weldon, de kapitein en de leerling, die op het dek wandelden, toeloopen. De kleine Jack vertelde hun toen wat er gebeurd was.

Dingo kende zijn letters! Dingo kon lezen! ’t Was zeker, want Jack had het gezien!

Dick Sand Wilde de twee blokjes opnemen, om ze aan zijn vriend Jack terug te geven, maar Dingo liet zijn tanden zien.

Evenwel gelukte het den leerling weder in het bezit van de twee blokjes te komen en hij voegde ze weer bij deanderen.

Doch opnieuw wierp Dingo zich op de twee zelfde letters en legde ze weer ter zijde. Dezen keer zette hij er zijn pooten op en scheen vast besloten ze te houden. Wat de andere letters van ’t alphabet aangaat, zij schenen voor hem niet te bestaan.

“Dat is vreemd!” zei Mevr. Weldon.

“Werkelijk zeer zonderling,” antwoordde kapitein Hull,die de twee letters met aandacht bekeek.

“S. V.”—zei Mevr. Weldon.

“S. V.”—herhaalde kapitein Hull.

“Dat zijn dezelfde letters als op den halsband van Dingo staan!”

Toen richtte hij zich eensklaps tot den ouden neger en vroeg:

“Tom, heb je me niet verteld dat die hond nog maar kort aan den kapitein van deWaldeckbehoorde?”

“Ja, mijnheer,” antwoordde Tom. “Dingo was nog maar twee jaar aan boord.”

“En zei je er niet bij dat de kapitein van deWaldeckdien hond op de westkust van Afrika had opgenomen.”

“Ja, mijnheer, in den omtrek van de monding van den Congo. ’k Heb het den kapitein dikwijls hooren vertellen.”

“Dus,” vroeg kapitein Hull verder, “heeft men nooit geweten aan wien deze hond toebehoorde en ook niet van waar hij kwam.”

“Nooit mijnheer. Met een verloren hond is ’t veel erger gesteld dan met een verloren kind. Hij heeft geen papieren en daarenboven kan hij niets zeggen.”

Kapitein Hull zweeg en was in diep gepeins verzonken.

“Wekken deze twee letters een herinnering bij u op?” vroeg Mevr. Weldon den kapitein, na hem eenige oogenblikken met zijn gedachten alleen te hebben gelaten.

“Ja, mevrouw, een herinnering, of liever een zonderlinge overeenkomst van gebeurtenissen.”

“Welke?”

“Deze twee letters zouden wel eens een zin kunnen hebben en onze aandacht moeten vestigen op het lot van een stoutmoedig reiziger....”

“Wat wilt u daarmede zeggen?” vroeg Mevr. Weldon.

“Dit, Mevrouw. In 1871,—twee jaar geleden dus,—vertrok een Fransch reiziger, op aansporing van het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs, met het doel om dwars door Afrika van het westen naar het oosten door te dringen. Zijn punt van aankomst moest zoo dicht mogelijk bij kaap Deldago zijn, bij de monden van de Rovouma, die hij moest afzakken. Deze Fransche reiziger nu heette Samuel Vernon.”

“Samuel Vernon!” herhaalde Mevr. Weldon.

“Ja, mevrouw, en zijn twee namen beginnen juist met de twee letters die Dingo onder allen heeft uitgezocht en die op zijn halsband gegraveerd zijn.”

“Inderdaad!” antwoordde Mevrouw Weldon, “En hoe is ’t met den reiziger afgeloopen?”

“Die reiziger vertrok,” antwoordde kapitein Hull, “en sedert zijn vertrek heeft men niets meer van hem vernomen.”

“Nooit?” vroeg de leerling.

“Nooit,” herhaalde kapitein Hull.

“Wat besluit u daaruit?” vroeg Mevr. Weldon.

“Dat Samuel Vernon de oostkust van Afrika niet heeft kunnenbereiken, hetzijhij door de inboorlingen gevangen genomen is, hetzij de dood hem onderweg heeft getroffen!”

“En dan die hond?....”

“Die hond zal hem toebehoord hebben en gelukkiger dan zijn meester zou hij, als mijn stelling juist is, naar het kustland van den Congo hebben kunnen terugkomen, omdat hij op het tijdstip dat deze gebeurtenissen hebben moeten plaats hebben, door den kapitein van deWaldeckis opgenomen.”

“Maar,” merkte Mevr. Weldon op, “weet u of die Fransche reiziger bij zijn vertrek een hond bij zich had? Is ’t geen eenvoudige veronderstelling?”

”’t Is werkelijk maar een eenvoudige Veronderstelling, Mevrouw,” antwoordde kapitein Hull. “Maar zeker is ’t, dat Dingo de twee letters S. en V., die juist de beginletters zijn van de twee namen van den Franschen reiziger, kent. Onder welke omstandigheden nu het dier geleerd heeft ze te onderscheiden, kan ik niet verklaren, maar, nog eens, hij kent ze ongetwijfeld en kijk, hij brengt er zijn poot bij en schijnt ons uit te noodigen ze met hem te lezen.”

En werkelijk kon men zich niet in het doel van Dingo vergissen.

“Zou Samuel Vernon dan alleen geweest zijn, toen hij het kustland van den Congo verliet?” vroeg Dick Sand.

“Dat weet ik niet,” antwoordde kapitein Huil. “Maar ’t dunkt me waarschijnlijk dat hij een geleide van inlanders heeft moeten meenemen.”

Op dit oogenblik verliet Negoro het verblijf der matrozen en kwam aan dek. Niemand merkte in ’t eerst zijn tegenwoordigheid op en zag den zonderlingen blik dien hij wierp op den hond, toen hij de twee letters waarnam voor welke deze, als een jachthond voor het wild, scheen stil te staan. Maar Dingo, die den kok nu opmerkte, begon teekenen van de hoogste woede te geven.

Negoro ging dadelijk naar het matrozen-verblijf terug, niet zonder dat hem een dreigend gebaar tegen den hond ontsnapt was.

“Daar zit iets achter!” mompelde kapitein Hull, wien niets van dit kleine tooneel ontgaan was.

“Maar, mijnheer,” zei de leerling, “is het niet verwonderlijk dat een hond de letters kent van ’t alphabet?”

“Wel neen!” riep kleine Jack uit.

“Mama heeft me dikwijls de geschiedenis verteld van een hond die lezen en schrijven en zelfs domino kon spelen als een ware schoolmeester.”

“Die hond, lief kind, die Munito heette, was geen geleerde, zooals je denkt. Als ’k gelooven mag wat men er me van gezegd heeft, zou hij de letters waarmee hij zijn woorden samenstelde niet eens van elkaar hebben kunnen onderscheiden. Maar zijn meester, een slimme Amerikaan, had opgemerkt dat Munito een bijzonder fijn gehoor had en nu had hij zich er op toegelegd dat zintuig te oefenen en er verwonderlijke uitwerkselen van verkregen.”

“Hoe legde hij het aan, mevrouw Weldon?” vroeg Dick Sand, die bijna even veel belang in de geschiedenis stelde als kleine jack.

“Dat zal ik u zeggen, mijn vriend. Als Munito voor het publiek moest ‘werken’, werden even zulke letters op een tafel uitgespreid. De hond liep op deze tafel heen en weer en wachtte totdat een woord werd voorgesteld, hetzij met luide, hetzij met zachte stem. Alleen was ’t een noodzakelijke voorwaarde, dat zijn meester het woord wist.”

“Dus zou bij afwezigheid van zijn meester?....” zei de leerling.

“De hond niets hebben kunnen doen,” antwoordde Mevr. Weldon, “en ziehier waarom niet. Als de letters op de tafel uitgespreid lagen, liep Munito door dit alphabet. Kwam hij dan bij de letter welke hij moest uitkiezen om het verlangde woord te vormen, dan stond hij stil; maar hij bleef staan omdat hij het geluid hoorde van een tandenstoker dien de Amerikaan in zijn zak deed rammelen en dat voor ieder ander onmerkbaar was. Dit geluid was voor Munito het teeken om de letter te nemen en haar in de overeengekomen volgorde te plaatsen.”

“En is dat nu het geheele geheim?” vroeg Dick Sand.

“Dat is ’t geheele geheim,” antwoordde Mevrouw Weldon, “’t Is zeer eenvoudig, als alles in de goochelkunst. Bij de afwezigheid van den Amerikaan, zou Munito niet meer Munito geweest zijn. ’t Verwondert me dus wel, dat, nu zijn meester er niet bij is,—zoo al de reiziger Samuel Vernon ooit zijn meester geweest is—Dingo die twee letters heeft kunnen onderscheiden.”

“Dat is werkelijk zeer verwonderlijk,” zei kapitein Hull. “Maar u moet bedenken, dat er hier slechts sprake is van twee letters, twee bijzondere letters, en niet van een woord dat in ’t wild gekozen wordt. En dan dunkt mij dat die hond die aan de deur van een klooster aanbelde om zich meester te maken van den schotel die bestemd was voor de arme voorbijgangers, en die andere, die met een van zijn natuurgenooten belast was om den anderen dag het spit te draaien en die weigerde dezen post waar te nemen als ’t zijn beurt niet was, dat deze honden, zeg ik, hooger verstandelijk ontwikkeld waren dan Dingo. Hoe het zij, we staan hier voor een onbetwistbaar feit. Van al de letters van dit alphabet heeft Dingo slechts deze twee uitgezocht:S.enV.De andere schijnt hij zelfs niet te kennen. Men moet er dus uit besluiten dat wegens de een of andere reden, die wij niet kennen, zijn aandacht bijzonder op deze twee letters is gevestigd geweest.”

“Och, kapitein Hull,” hernam Dick, “als Dingo maar eens spreken kon!.... Misschien zou hij ons dan zeggen wat die twee letters beteekenen en waarom hij altijd zijn tanden aan onzen kok laat zien?”

“En welke tanden!” antwoordde kapitein Hull, op het oogenblik dat Dingo, zijn bek opende, en dus zijn geducht gebit liet zien.

Wat wonder dat dit zonderling voorval meermalen het onderwerp uitmaakte van de gesprekken, die op het halfdek van denPelgrimtusschen Mevr. Weldon, kapitein Hull en den jeugdigen leerling gehouden werden. Deze laatste vooral voelde een instinctmatig wantrouwen jegens Negoro, wiens gedrag evenwel niet de minste berisping verdiende.

Ook in het vooruit sprak men er over, maar men maakte daar niet dezelfde gevolgtrekkingen. Daar, in het matrozenverblijf, ging Dingo eenvoudig door voor een hond, die kon lezen en misschien zelfs beter schrijven dan één matroos aan boord. Zoo hij niet sprak, dan had hij daar waarschijnlijk goede redenen voor.

“Maar eens,” zei de roerganger Bolton, “eens zal die hond ons komen vragen, wat we voorleggen als de wind N.W. t. W. ½ W. is en dan zullen we hem moeten antwoorden!”

“Er zijn dieren die spreken!” hernam een ander matroos, “zooals eksters en papegaaien! Waarom zou een hond het ook niet kunnen, al hij er lust toe heeft? ’t Is moeielijker met een snavel te spreken dan met een mond!”

“Zonder twijfel,” antwoordde bootsman Howik. “Maar dat is nog nooit gebeurd.”

Wat zouden die goede menschen verbaasd gestaan hebben, als men hun verteld had, dat zoo iets wel degelijk gebeurd was, en dat een zeker Deensch geleerde een hond bezat, die duidelijk een twintigtal woorden uitsprak. Doch tusschen dat en ’t geen dit dier begreep van wat hij zei, was een ontzaglijk verschil. Blijkbaar hechtte de hond, wiens stemspleet op die wijze georganiseerd was, dat geregelde tonen konden voortgebracht worden, niet meer beteekenis aan zijn woorden dan de papegaaien, de meerkollen of de eksters aan de hunne. De spreekwijze bij deze dieren is niets anders dan een soort van gezang of van gesproken kreten, die ontleend zijn aan een vreemde taal, waarvan men de beteekenis niet zou begrijpen.

Hoe het zij, Dingo was de held aan boord geworden,—waarop hij zich evenwel geenszins liet voorstaan. Meermalen hernieuwde kapitein Hull de proef. De blokjes hout van het alphabet werden telkens opnieuw voor Dingo geplaatst, en steeds zonder te dwalen, zonder te aarzelen, werden de twee letters S. en V. onder alle door het zonderlinge dier uitgekozen, terwijl de andere nooit zijn aandacht trokken.

Wat neef Benedictus aangaat, deze proef werd dikwijls voor hem herhaald, zonder dat zij hem belang scheen in te boezemen.

“Evenwel,” verwaardigde hij zich eens te zeggen, “moet men niet aannemen dat de honden alleen het voorrecht hebben op die wijze met oordeel begaafd te zijn! Andere dieren evenaren ze, alleen door hun instinkt te volgen. Zoo bijv. de ratten die het schip verlatendat bestemd is om in zee te zinken; de bevers die het wassen van het water vooruit kunnen zien en hunne dijken dienovereenkomstig verhoogen; de paarden van Nicomedes, van Scanderberg en van Oppius, wier smart zoo bitter was, dat zij stierven bij den dood hunner meesters; de ezels, zoo merkwaardig door hun geheugen, en zoovele andere beesten eindelijk die den roem van het dierenrijk geweest zijn! Wie heeft niet gehoord van die verwonderlijk afgerichte vogels, die zonder fouten woorden schrijven door hunne meesters gedicteerd, van kaketoe’s die zeer nauwkeurig het aantal personen in een salon weten te tellen! Is er geen papegaai geweest die met honderd gouden kronen betaald werd en zonder zich een enkel woord te vergissen den kardinaal, zijn meester, de Geloofsbelijdenis der apostelen opzei? En moet eindelijk de rechtmatige hoogmoed van een entomoloog niet ten top stijgen, als hij eenvoudige insecten de bewijzen ziet geven eener buitengewone bevatting en welsprekendheid het axioma bevestigen:

In minimis maximus Deus:

In minimis maximus Deus:

In minimis maximus Deus:

de mieren, die een lesje zouden kunnen geven aan de magistraatspersonen van de grootste steden; de waterspinnen, die duikerklokken vervaardigen zonder ooit iets van werktuigkunde geleerd te hebben; de vlooien die rijtuigen voorttrekken als echte koetspaarden, die exerceeren als soldaten, die beter een kanon afvuren dan de geëxamineerde artilleristen van West-Point?1Neen! die Dingo verdient den lof niet die hem wordt toegezwaaid, en als hij zoo sterk in ’t alphabet is, dan behoort hij ongetwijfeld tot een ras van bulhonden, dat in de classificatie van de zoölogische wetenschap nog geen plaats gevonden heeft, den ‘canis alphabeticus’ van Nieuw-Zeeland!”

Inweerwil van deze en andere redeneeringen van den afgunstigen entomoloog, verloor Dingo niets van de algemeene achting en bleef hij in de gesprekken van de voorplecht behandeld worden als een bijzonder verschijnsel.

Nochtans is het meer dan waarschijnlijk dat Negoro de ingenomenheid met het dier van allen aan boord niet deelde. Misschien vond hij hem te schrander. Wat hier van zij, de hond toonde altijd dezelfde vijandschap tegen den kok en ongetwijfeld zou hij er niet best afgekomen zijn, zoo hij van den eenen kant geen hond geweest was die van zich af kon bijten en van den anderen kant niet beschermd werd door de sympathie van de geheele equipage.

Negoro vermeed dus meer dan ooit zich in tegenwoordigheid van Dingo te bevinden. Maar Dick Sand had meenen op te merken dat, sedert het voorval der twee letters, de wederkeerige tegenzin van den mensch en den hond was toegenomen. Dat was werkelijk onverklaarbaar.

Den 10n Februari begon de wind uit het noord-oosten merkbaar af te nemen; reeds was deze gevolgd op die langdurige en verdrietige windstilten, gedurende welke dePelgrimbijna stillag. Kapitein Hull mocht dus hopen dat er zich weldra een verandering in de richting der luchtstroomen zou voordoen. Eindelijk zou de schoener-brik dan misschien voor den wind gaan loopen. Slechts negentien dagen geleden hadden zij de haven van Auckland verlaten. De vertraging was vooralsnog niet zeer belangrijk en met den wind dwars zou dePelgrim, met behulp zijner zeilen, den verloren tijd gemakkelijk inhalen. Doch er zouden nog wel eenige dagen verloopen, voor er een bestendige bries uit het westen ging waaien.

Dit gedeelte van de Stille-Zuidzee was altijd vrij eenzaam. Bijna geen enkel vaartuig vertoonde zich in deze streken. Het was een breedte die slechts hoogst zelden door de zeevaarders bezocht werd. De walvischvaarders der Zuidelijke zeeën overschreden den keerkring nog niet. Men kon dus op denPelgrim, die door bijzondere omstandigheden gedwongen was geweest vóór den afloop der kampanjes de plaatsen waar gewoonlijk gevischt werd te verlaten, niet verwachten een schip dat dezelfde bestemming had te ontmoeten.

Wat de transatlantischepakketbootenbetreft, wij hebben reeds gezegd dat zij bij haar tochten tusschen Australië en het vasteland van Amerika niet zulk een noordelijken parallel volgden.

Doch, omdat de zee verlaten is, moet men niet verzuimen haar tot de uiterste grenzen van den horizon gade te slaan. Zij moge voor onachtzame geesten eentonigschijnen, voor hem die haar kent en begrijpt, is er een oneindige afwisseling in haar op te merken. Haar ondoorgrondelijkste veranderingen bekoren de verbeelding van hen die de poëzie van den oceaan begrijpen. Een zeeplantje dat met den golfslag op en neer gaat, een boschje zeekroos dat slechts een lichte rimpeling op de oppervlakte der golven voortbrengt, een eindje plank welker geschiedenis men zou willen raden, meer is er niet noodig om aan die verbeelding den teugel te vieren. Voor deze oneindigheid wordt de geest door niets belemmerd. Onze voorstellingen hebben vrij spel. Elk van die moleculen water die de verdamping voortdurend tusschen de zee en den hemel doet afwisselen, bevatmisschienhet geheim van de een of andere vreeselijke ramp! Ook moet men ze benijden, hen wier diepste gedachten deverborgenhedenvan den Oceaan weten uit te vorschen, die geesten die zich van zijn beweeglijke oppervlakte verheffen tot de hoogten des hemels.

En overal vertoont zich het leven, zoowel boven de oppervlakte der zee als onder haar. De passagiers van denPelgrimkonden troepen vogels zien, die driftig jacht maakten op de kleinste vischjes; het waren landverhuizers die voor den winter het ruw klimaat der poolstreken verlaten. En meer dan eens gaf Dick Sand, ook hierin, als in zoovele andere zaken, den leerling van den heer Weldon, de bewijzen zijner verwonderlijke behendigheid met het geweer of pistool, door eenige van die vlugge luchtbewoners neer te vellen.

Nu eens waren het witte, dan weder andere stormvogels wier vleugels omzoomd waren met een bruin randje. Somwijlen ook trokken troepen duiven voorbij of eenige van die vetganzen welker gang op het land zoo zwaar en zoo belachelijk is. Evenwel kunnen deze vetganzen, zooals kapitein Hull deed opmerken, door zich van hare stompen als vinnen te bedienen, de vlugste visschen tarten, in die mate zelfs, dat zij somtijds met springvisschen zijn verward geworden.

Hooger doorkliefden reusachtige albatrossen de lucht met groote vleugelslagen en zetten zich vervolgens op de oppervlakte der zee neder, die zij met hun bek doorwoelden om er hun voedsel te zoeken.

Al die tooneelen leverden een afwisselend schouwspel op, dat alleen door hen wier geest gesloten is voor de schoonheden der natuur, eentonig zou gevonden worden.

Dienzelfden dag wandelde Mevr. Weldon op het achterdek van denPelgrim, toen een vrij zonderling verschijnsel haar aandacht trok. Bijna plotseling was de zee roodachtig geworden. Men zou gezegd hebben dat zij met bloed was gekleurd, en deze onverklaarbare tint strekte zich zoo ver uit als de oogen konden zien.

Op dat oogenblik bevond Dick Sand zich met kleinen Jack bij Mevr. Weldon.

“Zie je, Dick,” zei zij tot den leerling, “daar die vreemde kleur van het water? Zou dat zijn door de een of andere zeeplant?”

“Neen, mevrouw,” antwoordde Dick, “die kleur wordt voortgebracht door millioenen kleine schaaldiertjes, waarmede de groote zoogdieren zich gewoonlijk voeden. De visschers noemen dat met recht ‘walvisch-eten’”.

“Schaaldiertjes!” zei Mevr. Weldon. “Maar ze zijn zoo klein dat men ze bijna zeeinsecten zou kunnen noemen. Neef Benedictus zou er misschien gaarne zijn verzameling mee willen verrijken!”

“Neef Benedict!” riep zij toen.

Neef Benedictus kwam toen uit zijn hut te voorschijn, bijna gelijktijdig met den kapitein.

“Neef Benedictus,” zei Mevr. Weldon, “zie toch eens die onmetelijke roodachtige bank, die zich uitstrekt zoover het oog reikt.”

“He!” zei kapitein Hull, “dat is walvisch-eten! Mijnheer Benedict, ziedaar een schoone gelegenheid om die vreemde soort van schaaldieren te bestudeeren!”

”’t Zou wat!” zei de entomoloog.

“Hoe! ’t Zou wat!” riep de kapitein uit. “Maar u hebt het recht niet zulk een onverschilligheid voor te geven! De schaaldieren maken een van de zes klassen der gelede dieren uit2als ik me niet bedrieg, en als zoodanig....”

”’t Zou wat!” zei nogmaals neefBenedictus, het hoofd schuddende.

“Hoor eens! ’k Vind u vrij onverschillig voor een entomoloog!”

“Entomoloog, goed,” antwoordde neef Benedictus, “maar meer bijzonder hexapodist, kapitein, onthoud het goed!”

“Hoe het zij,” antwoordde de kapitein, “dat u geen belang in die schaaldieren stelt, mij wel, maar ’t zou heel wat anders wezen, als u een walvisschenmaag hadt. Wat een smulpartij, in dat geval! want weet u, mevrouw Weldon, als wij, walvischvaarders, gedurende het vischseizoen in ’t gezicht komen van een bank van die schaaldieren, dan worden onmiddellijk de harpoenen en de lijnen in orde gebracht! Wij zijn dan zeker dat het wild niet ver af is!”

“Is ’t mogelijk dat zulke kleine diertjes zulke groote kunnen voeden?” riep Jack uit.

“Wel, mijn jongen,” antwoordde kapitein Hull, “geven ons de microscopisch fijne meelkorreltjes geen goede soepen? Ja, en de natuur heeft het zoo gewild. Wanneer een walvisch zich te midden van dat roode water beweegt, is zijn soep gereed en heeft hij niets meer te doen dan zijn onmetelijken bek te openen, waarin dadelijk millioenen schaaldiertjes worden opgenomen, terwijl de talrijke baarden, waarmede het verhemelte van het dier voorzien is, zich uitspreiden als de netten van een visscher; niets kan er dan meer uit en een geweldige massa schaaldiertjes verzinkt in de enorme maag van den walvisch, als de soep van uw diner in de uwe.”

“Je begrijpt licht, Jack,” merkte Dick Sand op, “dat mijnheer de walvisch zijn tijd niet verliest met een voor een die schaaldiertjes te pellen, zooals gij garnalen pelt!”

”’k Moet er nog bijvoegen,” zei kapitein Hull, “dat juist op het oogenblik als de ontzaglijke gulzigaard op die manier bezig is, ’t gemakkelijkste is hem te naderen zonder zijn wantrouwen te wekken. Dat is dus juist het geschiktste oogenblik om hem met eenig succes te harpoeneeren.”

Op dit oogenblik, en als om kapitein Hull gelijk te geven, deed zich de stem van den matroos op den uitkijk hooren: “Een walvisch aan bakboordszij vooruit!”

Kapitein Hull had zich opgericht.

“Een walvisch!” riep hij uit.

En door zijn visschersinstinct aangevuurd, snelde hij naar den bak.

Mevr. Weldon, Jack, Dick Sand en zelfs neef Benedictus volgden hem terstond.

En werkelijk gaf op vier mijlen onder lij, een zekere borreling te kennen dat een groot dier zich te midden der roode golven bewoog. Vooral walvischvaarders konden er zich niet in vergissen.

Maar de afstand was nog te groot om de soort te kunnen onderscheiden, waartoe dit dier behoorde. Deze soorten zijn inderdaad zeer van elkander verschillend.

Was het een van die echte walvisschen die bij voorkeur door de visschers van de noordpool-zeeën opgezocht worden? Die walvisschen, bij wie de rugvin ontbreekt, maar wier huid eene dikke laag spek bedekt, kunnen een lengte van vier-en-tachtig voet bereiken, hoewel de gemiddelde lengte geen zestig bedraagt, en in dit geval verschaft een enkele van die monsters tot honderd vaten traan.

Was het integendeel een “humpback”, die tot de soort der baleinoptera behoort,—een woord waarvan de eindlettergreep hem althans de gunst van den entomoloog had moeten doen verwerven? Zij zijn het die rugvinnen bezitten, wit van kleur en zoo lang als de halve lengte des lichaams, die als een paar vleugels uitzien en hem daardoor wel eenigszins op een vliegenden walvisch doen gelijken.

Had men niet waarschijnlijker een “vinvisch” in ’t gezicht, een zoogdier ook bekend onder den naam van “snavelwalvisch”, die voorzien is van een rugvin en welks lengte die van den echten walvisch kan evenaren?

Kapitein Hull en zijn bemanning konden nog geen uitspraak doen, maar zij beschouwden het dier nog met meer begeerte dan wel bewondering.

Zoo het waar is dat een horlogemaker geen pendule kan zien zonder de onweerstaanbare behoefte te gevoelen haar op te winden, hoeveel meer moet dan niet de walvischvaarder op het gezicht van een walvisch door een dringende begeerte bezield zijn er zich meester van te maken! De jagers op grof wild zijn, zegt men, vuriger dan die op kleinwild. Hoe grooter het dier is, des te meer wekt het de begeerlijkheid op! Wat moeten dan niet de jagers op olifanten en de visschers op walvisschen gevoelen! En dan bestond ook nog de teleurstelling der geheele equipage van denPelgrimom met eene halve lading thuis te varen!...

Intusschen trachtte kapitein Hull het dier dat gesignaleerd was, te onderscheiden. Het was op dien afstand niet zichtbaar. Evenwel kon het geoefend oog van een walvischvaarder zich niet bedriegen in zekere bijzonderheden die gemakkelijk van verre te ontdekken waren.

Werkelijk moest de straal, namelijk de kolom van damp en water die de walvisch door zijne neusgaten in de hoogte spuit, de aandacht wekken van kapitein Hull en hem de soort doen bepalen waartoe deze walvisch behoorde.

“Dat is geen echte walvisch!” riep hij uit. “Zijn straal zou hooger zijn en een kleiner volumen hebben. Zoo van den anderen kant het geraas dat de straal maakt vergeleken kon worden met het verwijderd geluid van een stuk geschut, zou ik geneigd zijn te gelooven dat deze walvisch tot de soort der ‘humpbacks’ behoort; maar daar is niets van aan en wanneer men goed hoort, dan kan men zich overtuigen dat dit geluid van gansch anderen aard is.”

“Hoe denkt gij daarover, Dick?” vroeg kapitein Hull den leerling.

“Mij dunkt, kapitein, dat we hier te doen hebben met een vinvisch. Zie eens, met welk een geweld hij dien waterstraal in de lucht spuit. Komt het u ook niet voor,—’t geen mijne meening zou bevestigen,—dat die straal meer water dan verdichte lucht bevat? En dat is immers een eigenaardige bijzonderheid van den vinvisch?”

“Je hebt gelijk, Dick,” antwoordde kapitein Hull. “Er is geen twijfel meer mogelijk! ’t Is een vinvisch die aan de oppervlakte van die roode golven drijft.”

“Wat is dat een prachtig gezicht!” riep Jack uit.

“Ja, mijn jongen! En wanneer men dan bedenkt dat het groote dier daar aan zijn ontbijt is en volstrekt niet vermoedt dat walvischvaarders naar hem kijken!”

”’k Zou durven verzekeren, dat het een groote vinvisch is,” merkte Dick Sand aan.

“Ongetwijfeld,” antwoordde kapitein Hull, die zich allengs begon op te winden, “ik schat hem ten minste op zeventig voet lengte!”

“Ja, ja!” voegde de bootsman er bij. “Een half dozijntje walvisschen van die grootte en een schip als het onze zou genoeg hebben!”

“Je hebt gelijk!” antwoordde kapitein Hull, die op de boegspriet klom om beter te kunnen zien.

“En als we dezen hadden,” voegde de bootsman er bij, “zouden we in weinige uren de helft der twee honderd vaten traan kunnen inschepen, die ons nog ontbreken.”

“Ja! inderdaad.... ja!....” mompelde kapitein Hull.

“Dat is waar,” hernam Dick Sand, “maar ’t is geen gemakkelijke taak, somtijds, die geweldige vinvisschen aan te vallen!”

“Niet gemakkelijk, niet gemakkelijk!” antwoordde kapitein Hull. “Ze hebben geduchte staarten, die men niet te dicht moet naderen! De sterkste sloep zou aan een goed gerichten slag geen weerstand bieden. Maar het voordeel beloont de moeite!”

“Nu!” zei een der matrozen, “een prachtige vinvisch is toch ook een prachtige vangst!”

“En winstgevend!” antwoordde een ander.

”’t Zou jammer zijn dezen in ’t voorbijgaan niet even te groeten!”

Het was duidelijk dat de brave zeelieden op het gezicht van den walvisch hoe langer hoe meer bezield werden met den wensch hem te vangen. Een gansche lading traan maar voor het grijpen? Er bleef volgens hen niets anders meer te doen dan de vaten in het ruim van den Pelgrim te stuwen om de lading er van aan te vullen!

Eenige matrozen die in het want van den fokkemast geklommen waren, deden kreten van begeerlijkheid hooren. Kapitein Hull sprak niet en stond op zijn nagels te bijten. Het was alsof een onweerstaanbare magneet denPelgrimen zijn geheele equipage aantrok.

“Mama, mama!” hoorde men kleine Jack roepen, “’k zou zoo graag den walvisch hebben om te zien hoe hij er uit ziet!”

“Zoo, zoo, zou je dien walvischwillen hebben, mijn jongen? Wel! waarom niet, vrienden!” antwoordde kapitein Hull, die eindelijk aan zijn geheime begeerte toegaf. “De hulpvisschers ontbreken ons wel, dat is waar, maar wij alleen....”

“Ja, ja!” riepen de matrozen als uit één mond. “’t Zou de eerste keer niet zijn dat ik als harpoenier fungeer,” voegde kapitein Hull er bij, “en dan zult ge kunnen oordeelen of ik den harpoen nog kan werpen!”

“Hoera! hoera! hoera!” was het antwoord der bemanning.


Back to IndexNext