1Militaire school van den Staat New-York.2Men weet dat er nog eene andere verdeeling der gelede dieren is, namelijk die invierklassen: de kreeftachtige, spinachtige, duizendpooten en insecten.—Vert.Zevendehoofdstuk.Toebereidselen.Men begrijpt licht dat het gezicht van dit reusachtig zoogdier zeer geschikt was om de bemanning van denPelgrimin zulk een opgewonden stemming te brengen.De walvisch, die zich te midden der roode golven bewoog, scheen ontzettend groot te zijn. Het was voorzeker zeer verleidelijk hem te vangen en de lading op deze wijze vol te maken! Konden visschers een dergelijke gelegenheid laten ontsnappen?Evenwel meende Mevr. Weldon aan kapitein Hull te moeten vragen of er geen gevaar voor de bemanning en voor hem in gelegen was een walvisch onder zulke ongunstige omstandigheden aan te vallen.“In het minst niet, mevrouw Weldon,” antwoordde kapitein Hull. “Meermalen is het mij gebeurd dat ik den walvisch met een enkele boot vervolgde en ’k heb hem altijd meester kunnen worden. ’k Zeg u nogmaals, er is in ’t geheel geen gevaar voor ons en dus ook niet voor u.”Mevrouw Weldon was volkomen gerust gesteld en drong nu niet meer aan.Kapitein Hull nam nu dadelijk maatregelen om den walvisch te vangen. Hij wist bij ondervinding dat de jacht op deze soort van walvisschen met vrij ernstige moeilijkheden gepaard gaat en hij wilde deze allen trachten te voorkomen.Wat vooral deze vangst minder gemakkelijk maakte, was dat de equipage van de schoenerbrik slechts met een enkele boot kon werken, alhoewel dePelgrimeen sloep bezat die in haar davits tusschen den grooten en den fokkemast hing, daarenboven drie walvischsloepen, waarvan twee langs bakboords- en stuurboordszijde waren opgehangen en de derde aan het hek.Gewoonlijk werden deze drie walvischsloepen gelijktijdig bij de vervolging der walvisschen gebruikt. Maar gedurende het vischseizoen werd, zooals men weet, een hulpequipage, ontleend aan sommige factorijen op Nieuw-Zeeland, aan boord genomen.Doch in de omstandigheden waarin dePelgrimvoor het oogenblik verkeerde, waren er slechts vijf matrozen beschikbaar, juist genoeg om een enkele der walvischsloepen te wapenen. De hulp van Tom en zijn kameraden aan te nemen, die zich dadelijk hadden aangeboden, was onmogelijk, want het besturen van een whaleboot vordert bijzonder daartoe afgerichte zeelieden. Een verkeerde manoeuvre met het roer of een riem kan bij den aanval het behoud van de sloep in gevaar brengen.Van den anderen kant wilde kapitein Hull zijn schip niet verlaten zonder er althans een man der bemanning achter te laten in wien hij vertrouwen stelde. Men moest op alle mogelijkheden bedacht zijn.Nu was kapitein Hull verplicht om ter bemanning der sloep flinke zeelieden te kiezen en moest zich daarom voor de zorg om op denPelgrimde wacht te houden op Dick Sand verlaten.“Dick,” zei hij tot dezen, “u belast ik om in mijn afwezigheid, die naar ik hoop, niet lang zal zijn, aan boord te blijven!”“Goed, mijnheer,” antwoordde de leerling.Dick had nu eigenlijk wel gaarne deel willen nemen aan die visscherij, die een groote aantrekkelijkheid voor hem had, maar hij begreep dat eensdeels de armen van een volwassen man beter geschikt waren voor de bediening der walvischsloep dan de zijne en dat anderdeels hij alleen kapitein Hull kon vervangen. Hij onderwierp zich dus.De bemanning der sloep zou uit vijf man bestaan, bootsman Howik er onder begrepen, die de geheele bemanning van denPelgrimuitmaakten. De viermatrozen zouden de riemen hanteeren en Howik den langen riem houden, die dient om een boot dezer soort te besturen. Van een eenvoudig roer zou de werking niet snel genoeg zijn en bijaldien de riemen buiten dienst gesteld worden, kan de lange of stuurriem, zoo hij goed gehanteerd wordt, de sloep buiten het bereik der slagen van het monster brengen.Wat kapitein Hull aangaat, deze had voor zich den post van harpoenier bewaard en zooals hij reeds zei, het zou niet de eerste maal zijn. Hij moest het eerst den harpoen werpen, daarna het afloopen van de lange lijn bewaken die aan zijn uiteinde was bevestigd en vervolgens het dier, zoodra het zich aan de oppervlakte van den oceaan vertoonde met lanssteken afmaken.De walvischvangers maken somtijds gebruik van vuurwapenen voor deze soort van visscherij. Door middel van een daartoe ingericht werktuig, een soort van klein kanon, of aan boord van het vaartuig, of voor in de boot, werpen zij, hetzij een harpoen die de lijn aan zijn uiteinde bevestigd medevoert, of ontplofbare kogels die groote verwoestingen in het lichaam van het dier aanrichten.Maar dePelgrimwas niet van toestellen dezer soort voorzien. Het zijn trouwens vuurwapenen van hoogen prijs, die vrij moeielijk te behandelen zijn, en de visschers die niet veel met nieuwigheden op hebben, schijnen het gebruik der van ouds gebruikelijke wapenen te verkiezen, waarvan zij zich behendig bedienen, namelijk den harpoen en de lans.Het is dus met de gewone middelen, den walvisch namelijk met de blanke wapenen aan te vallen, dat kapitein Hull zou beproeven den vinvisch, die op vijf mijlen van zijn vaartuig gesignaleerd was, machtig te worden.Overigens zou het weder dezen tocht begunstigen. De zee was zeer kalm en gunstig voor de manoeuvres van een walvischvanger. De wind was aan het afnemen en dePelgrimzou slechts zeer weinig afdrijven, terwijl zijn equipage zich in volle zee bezighield.De walvischsloep aan stuurboordszijde werd dus dadelijk gestreken en de vier matrozen bemanden het ranke vaartuigje.Howik reikte hun twee van die lange werpspiesen over, die als harpoenen moeten dienen en daarna twee lange lansen met scherpe punten. Bij deze aanvalswapenen voegde hij vijf strengen, buigzame en sterke touwen, die de walvischvangers “lijnen” noemen en die een lengte hebben van zeshonderd voet. Korter mogen zij niet zijn, want het gebeurt meermalen dat al deze “lijnen” aan elkander gebonden, niet toereikend zijn om den walvisch bij zijn vaart naar de diepte genoeg te kunnen vieren.Dat waren de verschillende toestellen die met zorg vóór in de sloep gereed gelegd werden.Howik en de vier matrozen wachtten nog slechts op de order om den sleper los te gooien.Een enkele plaats vóór in de sloep,—die van kapitein Hull,—was nog onbezet.Het spreekt van zelf dat de equipage van dePelgrim, alvorens van boord te gaan, het schip bijgedraaid had. Met andere woorden, de raas werden zoodanig gebrast, dat de zeilen, tegen elkander in werkende, de schoenerbrik nagenoeg op dezelfde plaats hielden.Op het oogenblik dat kapitein Hull zich zou inschepen, wierp hij nog een laatsten blik op zijn vaartuig. Hij overtuigde zich dat alles in orde was, met behoorlijk gestelde zeilen. Daar hij den leerling gedurende een afwezigheid van misschien eenige uren aan boord liet, wilde hij met recht dat Dick Sand, tenzij uit noodzakelijkheid geen enkele manoeuvre had uit te voeren.Op het punt van te vertrekken, gaf hij hem zijn laatste instructies.“Dick,” zei hij, “ik laat je alleen. Zorg voor alles. Zoo ’t, wat zeer onwaarschijnlijk is, noodig werd het schip te manoeuvreeren ingeval we te ver bij de vervolging van den walvisch werden meegevoerd, zouden Tom en zijn kameraden je zeer goed kunnen helpen. Door ze goed aan hun verstand te brengen wat ze te doen hebben, ben ik er zeker van dat ze ’t doen zouden.”“Ja, kapitein Hull,” antwoordde de oude Tom, “en mijnheer Dick kan op ons rekenen.”“Beveel, beveel!” riep Bat. “We zouden zoo graag willen helpen!”“Waaraan moeten we trekken?...”vroeg Hercules, terwijl hij de wijde mouwen van zijn wambuis opstroopte.“Aan niets op ’t oogenblik,” antwoordde Dick Sand glimlachende.“Tot uw dienst,” hernam de kolossale kerel.“Dick,” hernam, kapitein Hull, “’t is mooi weer. De wind is gaan liggen. Geen enkel teeken zie ik dat hij weer aan zal wakkeren. Wat er gebeure, strijk geen boot en verlaat het schip niet!”“Dat beloof ik u, kapitein.”“Als het noodig mocht worden dat dePelgrimnaar ons toekwam, zou ik je waarschuwen door een vlag aan een bootshaak te hijschen.”“Wees gerust, kapitein, ’k zal de sloep niet uit het oog verliezen,” antwoordde Dick Sand.“Goed, mijn jongen. Moed en koelbloedigheid. Je bent nu tweede kapitein. Houd je graad in eer. Nooit heeft iemand van dien leeftijd hem bekleed!”Dick Sand antwoordde niet, maar een blos van vergenoegen verspreidde zich over zijn gelaat. Kapitein Hull begreep dezen blos en dezen glimlach.“Die brave jongen,” dacht hij, “bescheiden en vergenoegd, zoo is de jongen!”Evenwel bleek het uit deze dringende aanbevelingen duidelijk dat, al stak er werkelijk niets gewaagds in, kapitein Hull niet gaarne zijn schip verliet, zelfs niet voor eenige uren. Maar zijn onweerstaanbaar visschersinstinct en vooral de vurige begeerte zijn lading traan aan te vullen en aan de verplichtingen te voldoen die James W. Weldon te Valparaiso had aangegaan, dat alles vuurde hem aan het avontuur te wagen. Daarenboven was de zee op ’t oogenblik zoo bijzonder geschikt om een walvisch te vervolgen. Noch zijn equipage, noch hij zelf konden zulk een verzoeking weerstaan. De tocht zou op die wijze nog goed kunnen worden en deze laatste beweegreden was het vooral die hem alle bedenkingen over het hoofd deed zien.Kapitein Hull richtte zich naar de valreep.“Veel geluk!” wenschte Mevr. Weldon hem.“Heb dank, mevrouw Weldon!”“Doe dien armen walvisch toch vooral niet te veel pijn!” riep kleine Jack.“Neen, mijn jongen!” antwoordde kapitein Hull.“Vang hem heel zachtjes, mijnheer.” “Ja.... met handschoenen, Jack!”“Somtijds,” merkte neef Benedictus aan, “vindt men vrij zeldzame insecten op den rug van die groote zoogdieren!”“Goed, mijnheer Benedict,” antwoordde kapitein Hull lachend, “u hebt het recht om je hart als entomoloog zooveel als je maar wilt op te halen als onze visch langs denPelgrimdrijft!”Daarna zich tot Tom wendende, zeide hij:“Tom, ’k reken op u en je kameraden, om ons den walvisch te helpen aan stukken houwen, als hij aan den romp van het schip is vastgesjord,—wat niet lang zal duren.”“U zult ons volkomen bereid vinden, mijnheer,” antwoordde de oude neger.“Goed!” antwoordde kapitein Hull.—“Dick, die goede menschen zullen je helpen de ledige vaten gereed te maken. Terwijl we weg zijn zullen ze die op het dek brengen en dan zal het werk bij onze terugkomst met spoed gaan.””’t Zal geschieden, kapitein.”Voor hen die het niet weten, zij hier gezegd dat de walvisch, eens dood, naar denPelgrimgesleept en stevig aan stuurboordszijde moest vastgesjord worden. Dan gaan er matrozen, wier laarzen met scherpe haken voorzien zijn op den rug van het ontzaglijk gevaarte zitten en hakken het in regelmatige, evenwijdig loopende strooken in de richting van den kop naar den staart. Deze strooken worden dan in stukken van anderhalven voet gesneden en verder in kleinere stukken verdeeld, die, na in de vaten weggestuwd te zijn in het ruim worden geborgen.Meestentijds tracht de walvischvaarder, zoodra de visscherij is afgeloopen, zoo spoedig mogelijk den wal te halen, teneinde de laatste hand aan de bewerking van den visch te leggen. De equipage zoekt ergens aan het strand een geschikte plaats om tot het smelten van het spek over te gaan, dat onder de werking van het vuur het bruikbare gedeelte, namelijk de traan, levert.1Maar in de omstandigheden waarinkapitein Hull op het oogenblik verkeerde, kon hij moeielijk teruggaan, om deze bewerking te voltooien en dacht hij het eerst te Valparaiso te doen. Bovendien hoopte hij met dezen wind, die, voordat er twintig dagen zouden verloopen zijn, weldra naar het westen zou loopen, de Amerikaansche kust te bereiken, en dit tijdsverloop kon de resultaten zijner vangst niet in gevaar brengen.Het oogenblik van vertrek was nu gekomen. Voordat dePelgrimdoor het tegenbrassen der zeilen nagenoeg onbeweeglijk was geworden, had men hem iets dichter bij de plaats gebracht waar de walvisch door het uitwerpen van damp en water zijn tegenwoordigheid bleef te kennen geven.De walvisch zwom altijd te midden van het uitgestrekte roode veld van schaaldiertjes en opende automatisch zijn ontzaglijken bek om bij elken slok millioenen diertjes op te slorpen.Volgens de deskundigen aan boord, bestond er volstrekt geen vrees dat hij zou ontsnappen. Hij was ongetwijfeld wat de visschers een “vechtwalvisch,” noemen.Kapitein Hull stapte de verschansing over, liet zich langs de valreep zakken, en stapte voor in de boot.Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus, Tom en zijn kameraden riepen den kapitein geluk en een laatst vaarwel toe.Dingo zelfs, die op zijn achterpooten ging staan en zijn kop boven de reeling uitstak, scheen de equipage vaarwel te zeggen.Daarna begaven allen zich naar het voorschip, om toch vooral niets van al de belangwekkende tooneelen eener dergelijke visscherij te verliezen.De walvischsloep stak van boord en begon onder de krachtige riemslagen van haar vier riemen zich van denPelgrimte verwijderen.“Pas goed op, Dick, pas goed op!” riep kapitein Hull een laatste maal den leerling toe. “Een oog voor het schip, een oog voor de sloep, mijn jongen! Vergeet het niet!”“Wees gerust, kapitein,” antwoordde Dick Sand, die bij het roer ging staan.De lichte boot bevond zich reeds verscheiden honderden voeten van het schip af. Kapitein Hull, overeind op de voorplecht, kon zich nu niet meer doen hooren, maar hernieuwde zijn aanbevelingen met de nadrukkelijkste gebaren.Op dat oogenblik liet Dingo, nog altijd met zijn pooten op de reeling, een jammerlijk geblaf hooren, dat op bijgeloovige menschen een ongunstigen indruk zou gemaakt hebben.Dit geblaf deed zelfs Mevr. Weldon ontstellen.“Dingo,” zei ze, “Dingo! moedig je op die wijze je vrienden aan? Kom, een helder, vroolijk geblaf!”Maar de hond blafte niet meer, liet zich op zijn pooten neervallen en kwam langzaam naar Mevr. Weldon toe, wier hand hij vriendelijk likte.“Hij kwispelstaart niet!” mompelde Tom. “Een slecht teeken! Een slecht teeken!”Maar bijna op hetzelfde oogenblik richtte Dingo zich op en barstte in een woedend gehuil uit.Mevr. Weldon keerde zich om.Negoro had zoo even het matrozenverblijf verlaten en richtte zich naar de voorplecht, met het blijkbare doel om evenals de anderen, de manoeuvres van de walvischsloep gade te slaan.Dingo vloog op den kok toe, ten prooi aan de grootste, doch tevens aan de meest onverklaarbare woede.Negoro pakte een handspaak en nam een verdedigende houding aan.De hond was op het punt hem naar de keel te vliegen.“Hier, Dingo, hier!” riep Dick Sand, die zijn post van observatie een oogenblik verliet en naar voren liep.Ook Mevr. Weldon van haar kant trachtte den hond te doen bedaren.Dingo gehoorzaamde, niet zonder tegenzin en kwam, een dof gebrom doende hooren, naar den leerling terug.Negoro had geen enkel woord geuit, maar was een oogenblik bleek geworden. Vervolgens zijn handspaak latende vallen, ging hij naar zijn hut terug.“Hercules,” zei Dick Sand daarop, “ik draag je dringend op het oog op dien man te houden.””’k Zal hem in ’t oog houden,” antwoordde Hercules eenvoudig, terwijl zijn twee kolossale vuisten zich ten teeken van toestemming sloten.Mevr. Weldon en Dick Sand sloegen den blik na dit voorval wederom op de sloep, die door haar vier riemen snel werd voortbewogen.Weldra was zij nog slechts een stip op de onmetelijke zee.1Bij deze bewerking verliest het spek van den walvisch ongeveer een tiende van het gewicht.Achtste hoofdstuk.De walvisch.Kapitein Hull, een man van ondervinding in de jacht op walvischen, liet niets aan het toeval over. De vangst van een vinvisch vooral, is een moeielijke taak en geen enkele voorzorg mag verzuimd worden. En geen enkele werd verzuimd in deze omstandigheid.Al dadelijk bestuurde kapitein Hull de sloep op die wijze dat zij den walvisch aan lij zou naderen, opdat hij door niet het minste geluid kon verontrust worden.Howik bestuurde dus de sloep volgens de vrij uitgestrekte kromme lijn die de roodachtige bank afteekende, te midden waarvan de walvisch zijn ontbijt gebruikte. Men moest dus om hem heen varen.De bootsman die deze manoeuvre ten uitvoer bracht, was een zeeman van groote koelbloedigheid, in wien kapitein Hull het meeste vertrouwen stelde. Men had van hem geen aarzeling, noch verstrooiing te vreezen.“Pas op je roer, Howik,” zei kapitein Huil. “We zullen probeeren den walvisch te verrassen en hem met rust laten totdat we dichtbij genoeg zijn om hem te harpoeneeren.”“Begrepen, mijnheer,” antwoordde de bootsman. “Ik zal den omtrek, van dat roodachtig water volgen, maar op die wijze dat we altijd aan lij blijven.”“Goed!” zei kapitein Hull.—“Jongens, zoo stil mogelijk geroeid.”De met stroo omwonden riemen ploften dan ook bij elken slag zonder eenig geruisch in het water.De met behendigheid door den bootsman bestuurde sloep, had de uitgestrekte bank der schaaldieren bereikt. Aan stuurboordszijde dompelden zich de riemen nog in het groene heldere water, terwijl van die aan bakboordszij, de roodachtige vloeistof als met duizenden bloeddruppels scheen af te stroomen.“Wijn en water!” zei een der matrozen.“Ja,” antwoordde kapitein Hull, “maar water dat men niet drinken en wijn dien men niet slikken kan!—Kom jongens, geen gepraat meer en flink doorgezet!”De door den bootsman bestuurde sloep, gleed zonder geruisch over de oppervlakte van het vetachtige water, alsof zij over een laag olie heenvoer.De walvisch bewoog zich niet en scheen de boot, die een kring om haar heen beschreef, niet opgemerkt te hebben.Natuurlijk moest kapitein Hull bij het maken van dezen omweg zich al verder en verder van denPelgrimverwijderen, die door den afstand allengs kleiner werd.De snelheid waarmede de voorwerpen in zee door den afstand afnemen, heeft altijd iets zonderlings. Het is alsof men ze bekijkt door een verrekijker dien men omgekeerd in de hand houdt. Dit gezichtsbedrog moet blijkbaar daaraan toegeschreven worden dat de punten van vergelijking ons in die onmetelijke ruimten ontbreken. Zoo ging het ook met denPelgrim, die zichtbaar afnam en reeds veel verder af scheen dan dat hij het werkelijk was.Een half uur nadat kapitein Hull en de zijnen het schip verlaten hadden, bevonden zij zich juist aan lij van den walvisch, zoodanig dat deze zich in het midden tusschen het schip en de sloep bevond.Het oogenblik was dus nu gekomen om hem zoo stil mogelijk te naderen. Het was niet onmogelijk dat men ter zijde van het dier komen en het op den geschikten afstand kon harpoeneeren, voordat hij hen opgemerkt had.“Roeit wat zachter, jongens,” zei kapitein Hull met gesmoorde stem.“Me dunkt,” antwoordde Howik, “dat het grondeltje iets gemerkt heeft! want het spuit minder hard dan straks!”“Stilte! stilte!” hernam kapitein Hull.Vijf minuten later, bevond zich de sloep een kabellengte van den walvisch af.1De bootsman, achter in de sloep overeind staande, stuurde zoodanig dat zij het reusachtige zoogdier aan de linkerzijde naderden, maar vermeeddaarbij met de grootste zorg in het bereik van zijn ontzaglijken staart te komen, waarvan één slag voldoende ware geweest om de boot te verbrijzelen.Vóór in de boot stond kapitein Hull, met de beenen een weinig uiteen om des te beter zijn evenwicht te kunnen bewaren, bij het doen van den eersten worp. Men mocht gerust op zijn behendigheid rekenen, waarvan hij weldra de bewijzen zou geven als de harpoen in de dikke massa bleef steken, die boven het water uitkwam.Bij den kapitein, in een balie, lag een der vijf lijnen opgeschoten, die stevig aan den harpoen bevestigd was en waaraan achtereenvolgens de vier andere zouden geknoopt worden, indien de walvisch zeer diep onderdook.“Zijn we er, jongens?” vroeg kapitein Hull zacht.“Ja,” antwoordde Howik, terwijl hij zijn riem stevig in zijn krachtige vuisten vastklemde.“Leg aan! leg aan!”De bootsman voldeed aan het bevel en de sloep legde zich op ongeveer tien voet aan de zijde van het dier.Dit verplaatste zich niet en scheen te slapen. De walvisschen die men op deze wijze in hun slaap verrast, kunnen gemakkelijker gevangen worden en het gebeurt dikwijls dat de eerste worp hen reeds doodelijk treft.“Die onbeweeglijkheid is nog al vreemd!” dacht de kapitein.“De schelm moet niet slapen, en toch!.... Daar zit iets achter!”Zoo dacht de bootsman er ook over, die het dier ook aan de andere zijde trachtte te zien.Doch het was nu geen tijd om na te denken, men moest handelen.Kapitein Hull, die zijn harpoen bij het midden van den steel gevat had, hield hem meermalen in evenwicht teneinde zich des te beter van de juistheid van zijn worp te verzekeren, terwijl hij op de zijde van den walvisch mikte. Daarna wierp hij hem met alle kracht.“Strijken, strijken!” riep hij dadelijk.En de matrozen, gelijktijdig achteruit roeiende, deden de sloep snel achteruitgaan, met het doel haar voorzichtig buiten het bereik van het zeemonster te brengen.Maar op dit oogenblik deed een kreet van den bootsman begrijpen waarom de walvisch zich zoo lang en zoo zonderling onbeweeglijk aan de oppervlakte der zee hield.“Een walvischjong!” zeide hij.En werkelijk had de walvisch, na door den harpoen getroffen te zijn, zich bijna geheel op de zijde gewend, terwijl het dier op die wijze een jong liet zien dat het bezig was te zoogen.Deze omstandigheid, en Kapitein Hull was hiervan zeer goed bewust, moest de vangst van den walvisch veel moeielijker maken. De moeder zou zich natuurlijk met meer woede verdedigen, zoowel voor zich zelve als om haar “kleintje” te beschermen—indien men althans dien naam kan geven aan een dier dat niet minder dan twintig voet was.Evenwel werd de vrees dat de walvisch zich onmiddellijk op de sloep zou werpen niet bewaarheid en er was geen reden, om de lijn, waaraan de harpoen bevestigd was, door te snijden, met het doel om dadelijk op de vlucht te gaan. Integendeel, en zooals dit meestal gebeurt, dook de walvisch, gevolgd door zijn jong, eerst in zeer schuinsche richting; daarna, zich met een ontzaglijken sprong in de hoogte werpende, begon hij met buitengewone snelheid aan de oppervlakte van het water te zwemmen.Maar voordat hij onderdook, hadden kapitein Hull en de bootsman, die beiden overeind in de boot stonden, den tijd gehad hem te zien en hem dus op zijn juiste waarde te schatten.En werkelijk was deze “vinvisch” een walvisch van de grootste soort. Zijn lengte bedroeg van den kop tot den staart minstens tachtig voet. Zijn huid, van een geelachtig bruin, was als bezaaid met talrijke vlekken van donkerder kleur.Het ware inderdaad jammer geweest, na een gelukkigen aanval bij het begin, in de noodzakelijkheid te zijn zulk een rijke prooi te laten varen.De vervolging, of liever het op sleeptouw nemen was begonnen.De walvischsloep, met de riemen “op”, snelde als een pijl op den rug der golven voort.Howik stuurde uitmuntend, niettegenstaande haar snelle en groote gieren.Kapitein Hull met het oog op zijn prooi, liet onophoudelijk zijn eeuwig refrein hooren:“Pas goed op, Howik, pas goed op!”En men kon zich verzekerd houden, dat de waakzaamheid van den bootsman geen enkel oogenblik faalde.Daar evenwel de sloep op verre na niet met dezelfde snelheid gierde als de walvisch, liep de harpoenlijn met zulk een verbazende snelheid af, dat zij telkens op het punt stond bij de wrijving langs boord vuur te vatten. Ook zorgde kapitein Hull haar nat te houden, door de balie waarin zij opgeschoten lag, met water te vullen.Nochtans scheen de walvisch zich niet in zijn loop op te houden, noch hem te willen matigen. De tweede lijn werd dus aan de eerste vastgehecht en weldra met dezelfde snelheid als de eerste ontrold.Na vijf minuten moest de derde lijn aangeknoopt worden, die even als de twee eerste onder het water was verdwenen.En nog altijd verminderde de walvisch zijn vaart niet. De harpoen was blijkbaar in geen voor het leven gevaarlijk lichaamsdeel doorgedrongen. Men kon zelfs aan de meer schuinsche richting der lijn opmerken, dat het dier, inplaats van aan de oppervlakte terug te komen, tot in diepere lagen doordrong.“Wel duivels!” riep kapitein Huil, “die schelm zal ons waarlijk onze vijf lijnen opeten!”“En ons een tot op goeden afstand van denPelgrimmedeslepen!” antwoordde de bootsman.“Hij zal toch aan de oppervlakte moeten terugkomen om adem te scheppen!” hernam kapitein Hull. “Hij behoort niet tot de visschen en heeft even goed zijn voorraad lucht noodig als ieder ander particulier!”“Hij zal zijn adem ingehouden hebben om beter te kunnen loopen!” zei al lachende een der matrozen.Werkelijk bleef de lijn met dezelfde snelheid af loopen.Weldra werd het noodig de vierde lijn bij de derde te voegen en werkelijk begonnen de matrozen zich wel wat ongerust te maken omtrent hun toekomstig aandeel in de winst.“Wel drommels!” mompelde kapitein Hull, “zoo iets heb ik nog nooit gezien! Satansche visch!”Eindelijk moest ook de vijfde lijn er aan, en reeds was zij tot op de helft afgerold, toen er eindelijk wat bocht in scheen te komen.“Komaan!” riep kapitein Hull, “de lijn is minder gespannen! De walvisch wordt moe!”Op dit oogenblik bevond dePelgrimzich op meer dan vijf mijlen aan lij van de walvischsloep.Kapitein Hull heesch nu een vlag aan het einde van een bootshaak en gaf daarmede het afgesproken signaal om dichter bij te komen.En bijna dadelijk kon hij zien dat Dick Sand, geholpen door Tom en zijn kameraden, volbraste, en zoo dicht mogelijk aan den wind hield.Maar de bries was zwak en ongestadig. Zij kwam slechts bij vlagen van korten duur. Zeer zeker zou dePelgrimeenige moeite hebben om de sloep te bereiken, indien het al mogelijk was.Intusschen was de walvisch zooals men voorspeld had, aan de oppervlakte teruggekomen om adem te halen, altijd nog met den harpoen in zijn zijde. Hij bleef toen nagenoeg onbeweeglijk en scheen op zijn jong te wachten, dat bij deze woeste jacht natuurlijk had moeten achterblijven.Kapitein Hull liet hard aan roeien, om hem te naderen en weldra was hij er weder dichtbij.Twee riemen werden opgelicht en twee matrozen wapenden zich, zooals de kapitein het reeds gedaan had, met lange lansen om het dier te treffen.Howik bestuurde nu de boot zeer behendig en hield zich gereed snel af te houden, in het geval dat de walvisch haar plotseling zou aanvallen.“Opgepast!” riep kapitein Hull. “Laat geen worp verloren gaan! Mikt goed, jongens! Ben je klaar, Howik?”“Klaar, mijnheer,” antwoordde de bootsman, “maar een ding maakt me ongerust en dat is dat het dier, na zoo snel gevlucht te zijn, op dit oogenblik zoo stil is!”“Je hebt gelijk, Howik, dat komt me ook verdacht voor.”“Laten we op onze hoede zijn!”“Ja, maar laten we vooruit gaan.”Kapitein Hull wond zich steeds meer op.De boot kwam nog dichter bij. De walvisch wendde zich op de plaats zelve rond. Zijn jong bevond zich niet meer bij hem en misschien zocht hij het.Plotseling maakte hij een bewegingmet zijn staart, die hem een dertig voet verder bracht.Zou hij opnieuw op de vlucht gaan en moest die eindelooze vervolging hervat worden?“Opgepast!” riep kapitein Hull. “Het dier neemt zijn aanloop en zal zich op ons werpen! Houd koers, Howik, houd koers!”De walvisch had zich werkelijk zoodanig gewend dat hij met den kop naar de sloep gekeerd lag. Daarna de zee met zijn ontzaglijke vinnen doende opbruisen, stortte hij zich vooruit.De bootsman die op den rechtstreekschen aanval voorbereid was, manoeuvreerde op die wijze dat de walvisch langs de boot heengleed, zonder haar evenwel te raken.Kapitein Hull en de twee matrozen brachten hem in het voorbijgaan drie krachtige lanssteken toe en trachtten eenig levensorgaan te treffen.De walvisch hield plotseling op en terwijl hij twee stralen water, met bloed gemengd, tot een groote hoogte in de lucht spoot, stortte hij zich wederom als met een vervaarlijken sprong op de boot en was werkelijk vreeselijk om aan te zien.Voorzeker moesten deze zeelieden koene visschers zijn om bij een gelegenheid als deze bedaard te blijven.Nogmaals wist Howik behendig den aanval van het dier te ontwijken door het roer aan boord te gooien.Door drie nieuwe, op het geschikte oogenblik toegebrachte stooten, kreeg het dier drie nieuwe verwondingen. Maar in het voorbijgaan sloeg hij het water zoo geweldig met zijn geduchten staart, dat een ontzaglijke golf de sloep bijna deed omslaan en haar voor de helft met water vulde.“De puts, de puts!” riep kapitein Hull.De twee matrozen lieten hunne riemen loopen en gingen snel aan het uithoozen van de sloep, terwijl de kapitein de lijn doorsneed die nu nutteloos geworden was.Neen! de walvisch woedend geworden door de pijn, dacht aan geen vluchten meer. Op zijn beurt was hij nu de aanvaller en zijn doodsstrijd dreigde vreeselijk te zijn.Voor den derden keer wierp hij zich om en storte zich opnieuw op de boot.Maar deze, half vol water, kon niet meer met dezelfde gemakkelijkheid bestuurd worden, en hoe zou zij onder deze omstandigheden den schok vermijden die haar dreigde? Luisterde zij niet meer naar het roer, nog veel minder kon zij op de vlucht gaan.En bovendien, hoeveel vaart de boot ook had geloopen, zou de vlugge walvisch haar in weinige sprongen achterhaald hebben. Het kwam er nu niet meer op aan aan te vallen, men moest zich nu verdedigen.Kapitein Hull begreep het terecht.De derde aanval van het dier kon niet geheel afgewend worden. In het voorbijgaan raakte hij de sloep even met zijn ontzaglijke rugvin aan, maar met zulk eene ontzettende kracht, dat Howik van zijn bank werd geworpen.De drie lansen die door de schommeling ongelukkig afweken, misten dezen keer haar doel.“Howik! Howik!” riep kapitein Hull, die zelf moeite had te blijven staan.“Present!” antwoordde de bootsman, zich oprichtende.Maar op hetzelfde oogenblik merkte hij dat zijn lange of stuurriem in zijn val doormidden was gebroken.“Een anderen riem!” zei kapitein Hull.“Al klaar,” antwoordde Howik.Op dit oogenblik deed zich op slechts weinige vademen van de sloep af een borreling onder het water hooren.Het walvischjong kwam weder te voorschijn. De walvisch zag het en snelde naar hem toe.Deze omstandigheid zou aan de worsteling slechts een vreeselijker karakter mededeelen. De walvisch zou nu den strijd hervatten voor twee.Kapitein Hull keek naar den kant van denPelgrim. Zijn hand bewoog driftig den staak met de vlag.Wat kon Dick Sand anders doen dan hetgeen hij bij het eerste signaal van den kapitein reeds gedaan had? De zeilen van denPelgrimstonden bij en de wind begon ze te zwellen. Ongelukkig bezat de schoener-brik geen schroef welker werking men kon aanzetten om sneller te loopen. Een der booten te strijken en den kapitein met behulp der negers bij te staan, zou een groot tijdverlies geweest zijn en bovendienhad ook de leerling bevel ontvangen niet van boord te gaan, wat er ook mocht gebeuren. Evenwel streek hij de boot die aan het hek hing en nam die op sleper, opdat de kapitein, zoo het noodig was, er de vlucht in kon nemen.Op dit oogenblik had de walvisch, het jong met zijn lichaam bedekkende, den aanval hervat. Dezen keer scheen zijn plan te zijn rechtstreeks op de sloep aan te vallen.“Opgepast, Howik!” riep een laatste maal kapitein Hull.Maar de bootsman was zoo goed als ongewapend. In plaats van een hefboom, waarvan de lengte de kracht uitmaakte, hield hij slechts een betrekkelijk korten riem in de hand.Hij trachtte af te houden.Het was onmogelijk.De matrozen begrepen dat zij verloren waren. Allen richten zich op en dezen een vreeselijken kreet hooren, die misschien op denPelgrimwel gehoord kon worden.Een vreeselijke slag met den staart van het monster had de walvischsloep van onderen getroffen.De boot, met onweerstaanbaar geweld in de lucht geslingerd, viel in drie stukken neder, te midden der golven, die door de sprongen van den walvisch met woest geweld tegen elkander aanbotsten.De ongelukkige matrozen, hoewel ernstig gekwetst, zouden misschien de kracht gehad hebben zich, hetzij al zwemmende, hetzij zich aan een of ander drijvend voorwerp vastgrijpende, boven water te houden.Dit deed ook kapitein Hull, dien men een oogenblik den bootsman op een drijvend stuk hout zag trekken....Maar de walvisch, ten toppunt van woede, keerde zich om, maakte een vervaarlijken sprong, misschien in de laatste oogenblikken van een vreeselijken doodsstrijd, en sloeg met zijn geduchten staart het woelige water waarin de ongelukkigen nog rondzwommen!Gedurende eenige minuten zag men slechts een vloeibare waterkolom die zich in duizende kleine waterstralen naar alle kanten verspreidde.Toen een kwartier later Dick Sand zich met de negers in de boot geworpen en het tooneel van het ongeluk bereikt had, waren alle levende wezens verdwenen. Eenige overblijfselen van de walvischsloep was alles wat er op de oppervlakte der bloedroode golven was overgebleven.1Een kabellengte, een eigenaardige maat bij de marine, bedraagt een lengte van honderd twintig vademen, dat is twee honderd meters.Negende hoofdstuk.Kapitein Sand.De eerste indruk door deze verschrikkelijke ramp op de passagiers van denPelgrimteweeggebracht, was een mengsel van medelijden en schrik. Zij dachten slechts aan den ontzettenden dood van kapitein Hull en zijn vijf matrozen. Dit ijselijk tooneel had zich nagenoeg onder hunne oogen afgespeeld zonder dat zij iets hadden kunnen doen om hen te redden! Zij waren zelfs te laat gekomen om de bemanning der walvischsloep, hunne ongelukkige verwonde, maar nog levende makkers op te nemen, en den romp van denPelgrimte stellen tegenover de geduchte slagen van den walvisch! Kapitein Hull en zijne matrozen waren voor altijd verdwenen!Toen de schoenerbrik op de plaats van het onheil was aangekomen, viel Mevr. Weldon op de knieën, met de handen ten hemel opgeheven.“Laat ons bidden!” zei de vrome vrouw.De kleine Jack knielde weenende bij zijne moeder. Het arme kind had alles begrepen. Dick Sand, Nan, Tom en de andere negers stonden overeind met gebogen hoofd. Allen herhaalden bij zich zelven het gebed dat Mevr. Weldon tot God richtte, terwijl zij aan zijne oneindige goedheid hen beval, die zooeven voor hem verschenen waren.Daarna, zich tot haar metgezellen richtende, zei Mevr. Weldon:“En nu, mijne vrienden, laat ons van God de kracht en den moed afsmeeken om ons te helpen!”Ja! zij konden niet genoeg de hulp afbidden van Hem die alles vermag, want hun toestand was hoogst ernstig!Het schip dat hen droeg, had geen kapitein meer om hen te commandeeren, geen bemanning meer om het te besturen. Het bevond zich te midden van de onmetelijke Stille-Zuidzee, op honderdenmijlen van eenig land, overgegeven aan wind en golven.Welk noodlot had toch dien walvisch op den weg van denPelgrimgeleid? Welk grooter noodlot nog had den ongelukkigen kapitein Hull, gewoonlijk zoo verstandig, aangespoord om alles op het spel te zetten, teneinde zijn lading aan te vullen? En welke ramp, vreeselijker dan deze, kon er opgeteekend worden in de jaarboeken van de groote visscherij, waarbij geen enkel matroos van de walvischsloep had kunnen gered worden!Ja! het was een vreeselijk noodlot!Inderdaad was er geen enkele zeeman meer aan boord van denPelgrim.Toch! een enkele! Dick Sand, maar het was slechts een leerling, een jongeling van vijftien jaar!Kapitein, bootsman, matrozen, men kon zeggen dat de geheele bemanning nu in hem alleen vereenigd was.En aan boord bevond zich een passagier, een moeder en haar zoon, wier tegenwoordigheid den toestand nog moeielijker maakte.Verder waren er ook eenige negers, goede menschen, moedig en ijverig, ongetwijfeld bereid om iedereen te gehoorzamen die in staat zou zijn hen te commandeeren, doch ontbloot van de eenvoudigste begrippen van het zeemansvak!Dick Sand stond daar onbeweeglijk, de armen over elkander geslagen en den blik gewend naar de plaats waar kapitein Hull, zijn weldoener en beschermer, voor wien hij een kinderlijke liefde gevoelde, verzwolgen was. Daarna doorzochten zijn oogen den horizont om naar eenig vaartuig uit te zien, dat hij hulp en bijstand verzocht zou hebben en waaraan hij althans Mevr. Weldon had kunnen toevertrouwen.Hij zou daarom toch denPelgrimniet verlaten hebben, neen, voorzeker niet, zonder alles gedaan te hebben om hen naar een veilige haven te brengen. Maar Mevr. Weldon en haar kleine jongen waren dan in veiligheid geweest en hij zou niet meer te vreezen gehad hebben voor die twee wezens, aan wie hij zich met lichaam en ziel gewijd had.De oceaan was verlaten. Sedert de verdwijning van den walvisch had geen enkel voorwerp de onmetelijke vlakte verstoord. Niets dan water en lucht rondom denPelgrim. De jeugdige leerling wist maar al te goed, dat hij zich buiten den gewonen weg der koopvaardijschepen bevond en dat de andere walvischvaarders nog ver weg ter visscherij verwijlden.Evenwel was het zaak den toestand onder de oogen te zien en de dingen in het ware licht te beschouwen. Dit deed Dick Sand, maar vroeg daarbij aan God, uit het binnenste zijns harten, hulp en bijstand.Welk besluit zou hij nemen?Op dit oogenblik verscheen Negoro op het dek, dat hij na de ramp verlaten had. Niemand had kunnen zeggen wat zulk een raadselachtig wezen bij dit onherstelbaar ongeluk gevoeld had. Had hij het onheil mede aangezien zonder eenig teeken te geven en zonder een oogenblik van zijn stomme rol af te wijken. Met de oogen had hij al de bijzonderheden van het ongelukkig voorval verslonden. Maar indien men op zulk een oogenblik op de gedachte gekomen was hem waar te nemen, zou men er zich althans over verwonderd hebben dat geen enkele spier van zijn hardvochtig gelaat zich vertrok. Zeker is het dat hij deed alsof hij niets gehoord had toen Mevr. Weldon allen opriep om voor de gezonken bemanning te bidden.Negoro begaf zich naar het achterdek, naar de plaats waar Dick Sand onbeweeglijk in gedachten verzonken stond. Hij bleef op drie schreden van den leerling af staan.“Moet je me spreken?” vroeg Dick Sand.”’k Moet kapitein Hull spreken,” antwoordde Negoro koel, “of als dat niet kan, den bootsman Howik.”“Je weet wel dat beide zijn omgekomen!” riep de leerling uit.“Wie commandeert dan nu aan boord?” vroeg Negoro onbeschaamd.“Ik,” antwoordde Dick Sand zonder de minste aarzeling.“Gij!” zeide Negoro, de schouders optrekkende. “Een kapitein van vijftien jaar!”“Een kapitein van vijftien jaar!” antwoordde de leerling, op den kok toeloopende.Deze ging achteruit.“Vergeet niet,” zei toen Mevr. Weldon,“dat er hier slechts één kapitein is.... kapitein Sand, en ’t is goed dat iedereen wete dat hij zich zal doen gehoorzamen!”Negoro boog, terwijl hij op spottenden toon eenige woorden mompelde die men niet hooren kon en hij daarna naar zijn verblijf terugkeerde.Men ziet, Dick had een besluit genomen.Intusschen was de schoenerbrik, door de werking van de bries die begon op te steken, de uitgestrekte bank schaaldieren reeds voorbijgestevend.Dick Sand nam den toestand van het tuig op. Daarna daalden zijn oogen op het dek neder. Hij had daarbij het gevoel dat, zoo er voortaan een geduchte verantwoordelijkheid op hem rustte, hij de kracht moest hebben haar op zich te nemen. Hij dorst hen aanzien de overlevenden van denPelgrim, wier oogen nu op hem gericht waren. En terwijl hij in hunne blikken las, dat hij op hen kon rekenen, zeide hij hun in twee woorden dat zij zich op hunne beurt op hem konden verlaten.Dick Sand had in alle oprechtheid zijn geweten onderzocht.Mocht hij al in staat zijn om met behulp van de armen van Tom en zijn kameraden naar omstandigheden voldoende te kunnen manoeuvreeren, toch bezat hij natuurlijk nog al de kundigheden niet die noodig waren om zijn bestek door berekening te bepalen.Ware Dick Sand vier of vijf jaar ouder geweest, zoo zou hij het schoone, maar moeielijke zeemansvak in den grond gekend hebben! Hij zou zich hebben weten te bedienen van den sextant, het instrument waarmede kapitein Hull de sterrenhoogte nam! Hij zou op den chronometer den middelbaren tijd van Greenwich afgelezen en met behulp daarvan en den bekenden uurhoek, de lengte gevonden hebben. De zon zou elken dag zijn raadgeefster geweest zijn! De maan en de planeten zouden hem gezegd hebben: Daar op dat punt van den Oceaan bevindt zich uw schip! Het uitspansel waar langs de sterren zich bewegen als de wijzers van een volkomen juist uurwerk, dat uitspansel zou hem de uren en de afstanden geleerd hebben! Door de sterrenkundige waarnemingen, zou hij op een mijl na de plaats hebben leeren bepalen, zooals zijn kapitein zulk elken dag deed, waar dePelgrimzich bevond, zoowel als den afgelegden weg en den weg die nog afgelegd moest worden!En nu moest hij geheel op gegist bestek varen, dat wil zeggen: zich alleen op de log en het kompas verlaten, waarvan hij de miswijzing in rekening kon brengen.Evenwel verloor hij den moed niet.Mevr. Weldon had zeer goed begrepen, wat er in het moedige hart van den leerling omging.“Heb dank, Dick,” zeide zij tot hem met vaste stem. “Kapitein Hull is niet meer! Zijn geheele equipage is met hem omgekomen. Het lot van het schip is in uw handen! Dick, je zult het schip met allen die het draagt, redden.”“Ja, mevrouw,” antwoordde Dick Sand, “ja, met Gods hulp zal ik het beproeven.”“Tom en zijn kameraden zijn brave menschen die je volkomen kunt vertrouwen.””’k Weet het en ’k zal er zeelieden van maken. We zullen samen manoeuvreeren en met goed weer zal het best gaan, maar met slecht weer,—welnu, met slecht weer, zullen we alles doen wat we kunnen en we zullen u redden, mevrouw Weldon, u en uw kleinen Jack, allen. Ja, ’k voel dat ’k het doen zal....”En hij voegde er bij:“Met Gods hulp!”“En nu, Dick, zou je juist kunnen zeggen, waar we ons op ’t oogenblik bevinden?”“Zeer gemakkelijk,” antwoordde de leerling, “’k Heb niets anders te doen dan de kaart te raadplegen, waarop kapitein Hull gisteren nog het bestek heeft afgezet.”“En zou je den goeden koers kunnen aangeven?”“Ja, ’k zou den steven naar het oosten kunnen wenden, nagenoeg naar dat punt van de Amerikaansche kust waar we moeten aanlanden.”“Maar, Dick,” hernam Mevr. Weldon, “je begrijpt, niet waar, dat deze ramp onze eerste plannen kan en zelfs moet wijzigen? Er is nu geen sprake meer van denPelgrimnaar Valparaiso te brengen. De dichtstbij gelegen haven van de Amerikaansche kust is nu zijn bestemming.”“Ongetwijfeld, mevrouw,” antwoordde de leerling. “Maak u vooral maar niet ongerust! We kunnen niet missen de Amerikaansche kust die zich zoo ver zuidelijk uitstrekt te bereiken.”“Waar is zij gelegen?” vroeg Mevr. Weldon.“Daar, in die richting,” antwoordde Dick Sand, het oosten met den vinger aanwijzende.“Welnu, Dick, ’t komt er niet op aan of we Valparaiso of een ander punt van de kust bereiken. Het voornaamste is dat we aan land komen.”“En ’t zal geschieden, mevrouw Weldon, ’k zal u op een veilige plaats ontschepen,” antwoordde de leerling met vaste stem. “Bovendien geef ik de hoop niet op om, als we dichter bij land komen, eenige vaartuigen te ontmoeten die den kusthandel drijven. Kom! mevrouw Weldon, de wind loopt naar het noord-oosten! God geve dat hij daar blijve, dan zullen we flink vooruitkomen, want we zullen alle zeilen bijzetten.”Dick Sand had dit alles gezegd met het vertrouwen van den zeeman, die weet dat hij een goed schip onder zich heeft, een schip waarvan hij volkomen meester is. Hij ging aan het roer en riep zijn metgezellen om de zeilen behoorlijk te stellen, toen Mevr. Weldon hem er aan herinnerde dat hij vooral goed de plaats moest kennen waar dePelgrimzich bevond.Dit was inderdaad iets dat geen uitstel gedoogde. Dick Sand begaf zich naar de kajuit van den kapitein en haalde daar de kaart waarop het bestek den vorigen dag juist was aangegeven. Hij kon dus Mevr. Weldon toonen dat de schoener-brik zich op 43° 35′ breedte en op 164° 13′ lengte bevond, want sedert vier-en-twintig uren was zij nagenoeg stationnair gebleven.Mevr. Weldon had zich over deze kaart heengebogen. Zij zag de bruine tint die de aarde, rechts van den uitgestrekten Oceaan moest voorstellen. Het was het kustland van Zuid-Amerika, dat als een onmetelijke slagboom, van Kaap Hoorn af tot aan de stranden van Columbia toe, tusschen de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan geworpen is. Bij de beschouwing van deze kaart, waarop een gansche oceaan was afgebeeld, kwam onwillekeurig de gedachte bij haar op dat het zeer gemakkelijk zoude zijn de passagiers van denPelgrimnaar hun vaderland terug te brengen. Dit is een zinsbedrog dat zich steeds bij iedereen voordoet die niet bekend is met de schalen waarnaar de zeekaarten vervaardigd worden Werkelijk scheen het Mevr. Weldon toe dat het land in het gezicht moest zijn, zooals het op dit stuk papier was.En evenwel zou dePelgrimte midden van dit witte stuk papier, op zijn juiste schaal afgebeeld, kleiner geweest zijn dan het allerkleinste der infusiediertjes! Dit mathematische punt, zonder waarneembare afmetingen, zou als verloren beschouwd zijn, zooals het werkelijk het geval was, in de onmetelijkheid van de Stille Zuidzee!Dick Sand zelf had niet denzelfden indruk als Mevr. Weldon ondervonden. Hij wist dat het land ver verwijderd was en dat honderden mijlen niet voldoende waren om den afstand, die het van hen scheidde, te meten. Maar zijn besluit was genomen: Hij was een man geworden door de verantwoordelijkheid, die op zijn schouders rustte.Het oogenblik om te handelen was gekomen. Men moest van deze bries uit het noord-oosten, die aanwakkerde, gebruik maken. De tegenwind had eindelijk voor een gunstigen wind plaats gemaakt en eenige “cyrrhus” wolken, hier en daar aan de kim opkomende, wezen aan dat hij althans gedurende eenigen tijd zou aanhouden.Dick Sand riep Tom en zijn kameraden.“Mijne vrienden,” zoo sprak hij hun toe, “ons schip heeft geen andere equipage meer dan u. Zonder uwe hulp kan ik het niet besturen. Ge zijt wel geen zeelieden, maar ge hebt goede armen: Stelt ze dan ten dienste van denPelgrim, dan zullen we hem kunnen besturen. Ons aller heil is er mede gemoeid dat alles goed gaat aan boord.”“Mijnheer Dick,” antwoordde Tom, “ik en mijn kameraden, wij zijn uwe matrozen. Aan goeden wil zal het ons niet ontbreken. Alles wat mannen vermogen, door u aangevoerd, zal gedaan worden.”“Goed gesproken, oude Tom,” zei Mevr. Weldon.“Ja, goed gesproken,” hernam Dick Sand, “maar we moeten voorzichtig zijn en ’k zal niet alle zeilen laten bijzetten,om niets in de waagschaal te stellen. Een beetje minder snelheid, maar meer veiligheid in acht te nemen, wordt ons dringend door de omstandigheden geboden. ’k Zal u aanwijzen, mijne vrienden, wat iedereen te doen staat. Wat mij betreft, ik blijf aan ’t roer, zoolang ik door vermoeidheid niet genoodzaakt wordt het over te geven. Eenige uren slaap van tijd tot tijd zijn voldoende om me weer in orde te brengen. Maar gedurende dien tijd, moet een van u me vervangen. Tom, ’k zal je wijzen hoe men op het kompas stuurt. ’t Is niet moeielijk en met een weinig oplettendheid, zult ge spoedig goed kunnen sturen.”“Zoodra u maar wilt, mijnheer Dick,” antwoordde de oude neger.“Komaan,” antwoordde de leerling, “blijf bij mij, aan het roer tot van avond en als ik door den slaap overmand mocht worden, zul je me al spoedig eenige uren kunnen vervangen.”“En ik,” zei de kleine Jack, “kan ik onzen vriend Dick ook niet een handje helpen?”“Ja, lief kind,” antwoordde Mevr. Weldon, terwijl zij Jack in hare armen drukte, “jij zult ook leeren sturen, en ’k geloof zeker dat, zoolang jij aan ’t roer zult staan, we goeden wind zullen hebben!”“Zeker! Zeker! moeder, ’k beloof het u!” antwoordde de kleine jongen in de handen klappende.“Ja,” zei de jeugdige leerling glimlachende, “het spreekwoord: ‘de goede scheepsjongens weten een goeden wind te houden,’ is bij onze zeelieden zeer bekend!”Daarna wendde hij zich tot Tom en de andere negers: “Mijne vrienden,” zei hij, “we zullen volbrassen. Doe maar wat ik je zeggen zal.”“Tot uw dienst,” antwoordde Tom, “tot uw dienst, kapitein Sand.”Tiende hoofdstuk.De vier volgende dagen.Dick Sand was dus nu de kapitein van denPelgrim, en, zonder een oogenblik te verliezen, nam hij de noodige maatregelen om zeil te zetten.Het spreekt van zelf dat slechts één hoop de passagiers kon bezielen, die namelijk, om de een of andere haven op de Amerikaansche kust te bereiken, zooal niet Valparaiso. Wat Dick Sand dacht te doen, was den koers en de vaart van den Pelgrim op te teekenen en er een gemiddelde uit op te maken. Daartoe was het voldoende elken dag, zooals wij reeds zeiden, door middel van de log en het kompas den afgelegden weg op de kaart af te zetten. Er bevond zich juist een van die “patentlogs”, met wijzers en een schroef aan boord, die voor een bepaalden tijd de juiste snelheid aangeven. Dit nuttig instrument, zeer gemakkelijk in ’t gebruik, kon de grootste diensten bewijzen, en daarbij waren de negers volkomen in staat het te behandelen.Een enkele bron van dwaling zou er altijd blijven bestaan,—de stroomen. Om haar te bestrijden, waren de log en het kompas onvoldoende, alleen de astronomische waarnemingen zouden er een juiste rekening van hebben kunnen geven. Maar de leerling was nog niet in staat deze waarnemingen te doen.Dick Sand had er een oogenblik over gedacht om met den Pelgrim naar Nieuw-Zeeland te stevenen. De overtocht zou niet zoo lang geweest zijn en voorzeker zou hij het gedaan hebben, indien de wind, die tot nog toe tegen geweest was, niet gunstig was geworden.Het was dus beter den steven naar Amerika te wenden.En werkelijk was de wind gedraaid en woei nu uit het noord-westen, met neiging om aan te wakkeren. Men moest er dus gebruik van maken en zooveel mogelijk spoed maken.Dick Sand maakte zich dus gereed om denPelgrimzijn koers te doen vervolgen.Op een schoenerbrik draagt de fokkemast vier vierkante zeilen; de fok, aan den ondermast; boven, het marszeil, aan de marssteng; verder aan de bramsteng, een bramzeil en een bovenbramzeil.De groote mast is daarentegen minder van zeilen voorzien. Achter den ondermast heeft hij slechts een brikzeil en daarboven een gaftopzeil.Tusschen deze twee masten, aan de stagen, die ze van voren steunen, kanmen nog een driedubbele verdieping van driehoekige zeilen aanbrengen.Eindelijk, op den voorsteven, aan den boegspriet en haar kluifhout worden de drie stagzeilen bevestigd.De stagzeilen, het brikzeil, het topzeil, de tusschenstagzeilen zijn gemakkelijk te behandelen. Zij kunnen van dek af geheschen worden, zonder dat het noodig is in den mast te klimmen, omdat zij niet aan de raas bevestigd worden met beslagseizings, die men eerst moet losmaken.Integendeel vordert het zetten der vierkante zeilen meerdere oefening. Het is toch noodig, als men ze wil bijzetten, hetzij in de mars van den fokkemast te klimmen, hetzij op de bramzaling, hetzij in het bramwant van genoemden mast,—en dat zoowel om ze los te maken of ze te bergen, als om hunne oppervlakte te verkleinen door ze te reven. Daarvoor is men dan verplicht op de paarden te loopen,—beweeglijke touwen onder de raas gespannen,—met ééne hand te werken en zich met de andere vast te houden, een gevaarlijke manoeuvre voor iedereen die het niet gewoon is. Het slingeren en stampen van het schip, het slaan der zeilen bij een flinke bries, doen gemakkelijk een man over boord slaan. Men kan zich voorstellen dat dergelijke gymnastische toeren voor Tom en zijn kameraden zeer gevaarlijk waren.Zeer gelukkig was de wind gematigd en het slingeren en het stampen niet hevig.Toen Dick Sand, op het signaal van kapitein Hull, zich naar het tooneel van de ramp begeven had, lag dePelgrimalleen onder zijn tusschenstagzeilen, brikzeil en marszeil. Om zoo spoedig mogelijk voltebrassen, had Dick niets anders te doen dan het voortuig om te halen, waarbij de negers hem gemakkelijk geholpen hadden. De zeilen moesten dus nu kant worden gezet en om alles bij te zetten, het bramzeil, het gaftopzeil en de stagzeilen worden geheschen.“Vrienden,” zei de leerling tot de vijf negers, “als ge doet wat ik commandeer, zal alles goed gaan.”Dick Sand was aan het stuurrad gebleven.“Hola Tom,” riep hij, “vier gauw dat touw af!”“Afvieren....?” zei Tom, die niets van deze uitdrukking begreep.“Ja.... maak het maar los!—En jij ook, Bat!.... Goed zoo!.... Haal aan.... Kom, trekken!”“Zoo goed?” zei Bat.“Ja, goed zoo. Best!.... Kom, flink aangepakt!”Om tot Hercules te zeggen: “flink aangepakt!” was misschien onvoorzichtig. De reus deed een ruk om alles ’t onderste boven te halen.“Niet zoo hard, mijn jongen!”riep Dick Sand glimlachend. “Je zult ’t geheele want naar beneden trekken!””’k Heb nauwelijks getrokken,” antwoordde Hercules.“Nu, doe maar alsof je trekt! Je zult zien dat dat genoeg is!.... Goed, laat schieten.... vier.... Leg vast.... goed zoo!.... Goed! Haal de brassen aan....”En het geheele Vaartuig welks bakboordsbrassen los lagen, ging langzaam aan ’t draaien. De wind, de zeilen nu doende zwellen, deelde aan het schip een zekere snelheid mede.Dick Sand liet toen de voorschooten afvieren. Daarna riep hij de negers op het achterdek.“Ziezoo, vrienden, dat heb jelui er eens goed afgebracht! Nu moeten we ons met het groottuig bezig houden. Maar breek niets, Hercules.”“Ik hoop het niet,” antwoordde de kolos, zonder zich tot iets meer te willen verbinden.Deze tweede manoeuvre was nog al gemakkelijk. Nadat de boomschoot zachtjes gevierd was geworden, nam het brikzeil den wind beter op en voegde het zijn machtige werking bij die van de voorzeilen.Nu werd het topzeil geheschen, en daar het eenvoudig gegeid was, had men slechts het val door te halen. Maar Herkules trok zoo goed, geholpen door zijn vriend Actéon, zonder nog den kleinen Jack mede te rekenen, die zich bij hen gevoegd had, dat het touw glad afbrak.Alle drie vielen omver,—gelukkig zonder zich te bezeeren. Jack was verrukt!“Dat’s niets, dat’s niets!” riep de leerling. “Knoop voorloopig de twee einden aan elkaar en hijsch dan zachtjes aan.”Dit werd onder de oogen van Dick Sand verricht, zonder dat hij het roer nog had verlaten. DePelgrimliep reeds snel voor den wind, met den steven naar het oosten gewend en er was op ’t oogenblik niets anders te doen dan hem in deze richting te houden. Niets gemakkelijker, daar de wind handelbaar was en men voor gieren of afvallen niet behoefde te vreezen.“Goed, vrienden!” zei de leerling. “Vóór het einde van den overtocht, zult ge goede zeelieden zijn!”“We zullen ons best doen, kapitein Sand,” antwoordde Tom.Ook Mevr. Weldon maakte haar compliment aan de goede menschen.Zelfs de kleine Jack kreeg zijn deel in de lofspraak, want hij had aardig meegewerkt.”’k Geloof, jongeheer Jack,” zei Hercules glimlachend, “dat u eigenlijk het touw stuk hebt getrokken! Welke flinke sterke vuistjes hebt u! Zonder u waren we er niet gekomen!”En de kleine Jack, zeer trotsch op zich zelven, schudde krachtig de hand van zijn vriend Hercules.Evenwel ontbraken er aan de uitgespannen zeilen nog eenige die vooral bij het zeilen vóór den wind niet te versmaden zijn. Vooral de bovenzeilen, als het bramzeil, het bovenbramzeil, de stagzeilen moesten allen het hunne toebrengen om den gang van de schoener-brik te versnellen, en Dick Sand besloot daarom ze mede bij te zetten.Deze manoeuvre moest moeielijker zijn dan de andere, niet wat de stagzeilen aangaat, die van het dek geheschen en aangehaald konden worden, maar wat betreft de vierkante zeilen. Men moest naar de bramzaling om ze los te maken, en Dick Sand, die niemand van zijn geïmproviseerde bemanning in gevaar wilde brengen, deed het liever zelf.Hij riep dus Tom en plaatste hem aan het stuurrad, terwijl hij hem aantoonde hoe hij moest sturen. Toen vervolgens Hercules, Bat, Actéon, Austin allen geplaatst waren, deze aan den bovenbramval, gene aan den bramval, ging hij het want in. Het openteren langs de weeflijnen van het onderwant, en langs het puttingwant en het stengwant de bramzaling te bereiken, dat alles was slechts spel voor Dick. In één minuut, was hij op het paard van de bramra en maakte de beslagseizings los die het zeil bestigd hielden.Daarna ging hij naar den hommer en vierde op de bovenbramra snel het bramzeil.Nadat Dick Sand zijn werk verricht had, greep hij een der pardoens aan stuurboordszij en liet zich op het dek glijden.Op zijn aanwijzingen werden nu de twee schooten flink aangehaald en bevestigd en daarna de twee raas opgeheschen. Nadat vervolgens de stagzeilen tusschen den grooten mast en den fokkemast bijgezet waren, was ook deze manoeuvre geëindigd.Dezen keer had Hercules niets gebroken.DePelgrimhad nu al de zeilen bij, die zijn tuig uitmaakten. Wel had Dick Sand er nog de lijzeilen aan bakboordszijde kunnen bijvoegen, maar dit was een moeilijke manoeuvre in de omstandigheden waarin zij verkeerden, en indien men ze in geval van een windvlaag had moeten bergen, zou men het niet haastig genoeg hebben kunnen doen. De leerling bepaalde er zich dus bij.Tom werd toen van zijn post aan het roer afgelost, dat Dick Sand weder ter hand nam.De bries wakkerde aan. DePelgrim, die aan stuurboordszij een weinig overhelde, gleed snel over de oppervlakte der zee en liet slechts een vlak kielwater achter, dat voor de zuiverheid van zijn waterlinie getuigde.“Nu zijn wij op den goeden weg, mevrouw Weldon,” zei Dick Sand, “en nu geve God dat we dien gunstigen wind behouden!”Mevrouw Weldon drukte de hand van den leerling. Daarna ging zij, vermoeid van al de aandoeningen die zij in het laatste uur beleefd had, naar haar kajuit terug en verzonk in een soort van diepe sluimering die toch geen slaap was.De nieuwe bemanning bleef op den bak van de schoenerbrik, gereed om de bevelen van Dick Sand uit te voeren, namelijk om de zeilen te wijzigen naar de veranderingen van den wind; maar, zoolang de bries dezelfde kracht en richting bleef behouden, zou er niets te doen zijn.Maar, waar zat toch al dien tijd neef Benedictus?Neef Benedictus hield zich met de loupe in de hand bezig met de studie van een geleed insect dat hij eindelijk aan boord ontdekt had, een eenvoudig insect tot de orthoptera behoorende (rechtvleugeligen), welks kop onder den prothorax verborgen is, een insect met platte bovenvleugels, een ronden buik en vrij lange vleugels, dat tot de familie der kakkerlakken en tot de soort der Amerikaansche kakkerlakken behoorde.Hij had deze ontdekking gedaan, juist toen hij in de kombuis van Negoro aan ’t snuffelen was, en op het oogenblik dat de kok op punt stond het insect onmeedoogend plat te trappen. Vandaar boos worden van neef Benedictus, waarbij Negoro trouwens zeer onverschillig bleef.Maar.... wist neef Benedictus welke verandering aan boord had plaats gehad van het oogenblik af dat kapitein Hull en zijn metgezellen op die noodlottige vangst van den walvisch waren uitgegaan? Ongetwijfeld. Hij was zelfs aan het dek, toen dePelgrimin het gezicht kwam van de overblijfselen der walvischsloep. De equipage van de schoenerbrik was dus onder zijn oogen omgekomen.Nu zouden wij hem van groote ongevoeligheid beschuldigen, als wij zeiden dat deze ramp hem niet had getroffen. Ongetwijfeld was ook zijn hart bewogen geworden door diep medelijden met zijn evenmensch. En evenzeer was hij ontroerd over den toestand waarin zijne nicht nu verkeerde. Hij had de hand van Mevr. Weldon gedrukt, als om haar te zeggen: “Vrees niets! Ik blijf bij u!”Daarna was neef Benedictus naar zijn hut teruggekeerd, zeker wel om na te denken over de gevolgen van dit zoo droevig ongeluk en de krachtige maatregelen die genomen moesten worden.Maar onderweg had hij den kakkerlak ontmoet, en daar hij tegen het oordeel van eenige entomologen in, beweerde dat de kakkerlakken van zekere soort, merkwaardig door hunne kleur, gewoonten hebben, zeer verschillende van de eigenlijke kakkerlakken, had hij zich dadelijk aan het werk gezet, vergetende dat er ooit een kapitein Hull geweest was, die het bevel over denPelgrimvoerde en dat die ongelukkig met zijn bemanning was omgekomen!
1Militaire school van den Staat New-York.2Men weet dat er nog eene andere verdeeling der gelede dieren is, namelijk die invierklassen: de kreeftachtige, spinachtige, duizendpooten en insecten.—Vert.
1Militaire school van den Staat New-York.
2Men weet dat er nog eene andere verdeeling der gelede dieren is, namelijk die invierklassen: de kreeftachtige, spinachtige, duizendpooten en insecten.—Vert.
Men begrijpt licht dat het gezicht van dit reusachtig zoogdier zeer geschikt was om de bemanning van denPelgrimin zulk een opgewonden stemming te brengen.
De walvisch, die zich te midden der roode golven bewoog, scheen ontzettend groot te zijn. Het was voorzeker zeer verleidelijk hem te vangen en de lading op deze wijze vol te maken! Konden visschers een dergelijke gelegenheid laten ontsnappen?
Evenwel meende Mevr. Weldon aan kapitein Hull te moeten vragen of er geen gevaar voor de bemanning en voor hem in gelegen was een walvisch onder zulke ongunstige omstandigheden aan te vallen.
“In het minst niet, mevrouw Weldon,” antwoordde kapitein Hull. “Meermalen is het mij gebeurd dat ik den walvisch met een enkele boot vervolgde en ’k heb hem altijd meester kunnen worden. ’k Zeg u nogmaals, er is in ’t geheel geen gevaar voor ons en dus ook niet voor u.”
Mevrouw Weldon was volkomen gerust gesteld en drong nu niet meer aan.
Kapitein Hull nam nu dadelijk maatregelen om den walvisch te vangen. Hij wist bij ondervinding dat de jacht op deze soort van walvisschen met vrij ernstige moeilijkheden gepaard gaat en hij wilde deze allen trachten te voorkomen.
Wat vooral deze vangst minder gemakkelijk maakte, was dat de equipage van de schoenerbrik slechts met een enkele boot kon werken, alhoewel dePelgrimeen sloep bezat die in haar davits tusschen den grooten en den fokkemast hing, daarenboven drie walvischsloepen, waarvan twee langs bakboords- en stuurboordszijde waren opgehangen en de derde aan het hek.
Gewoonlijk werden deze drie walvischsloepen gelijktijdig bij de vervolging der walvisschen gebruikt. Maar gedurende het vischseizoen werd, zooals men weet, een hulpequipage, ontleend aan sommige factorijen op Nieuw-Zeeland, aan boord genomen.
Doch in de omstandigheden waarin dePelgrimvoor het oogenblik verkeerde, waren er slechts vijf matrozen beschikbaar, juist genoeg om een enkele der walvischsloepen te wapenen. De hulp van Tom en zijn kameraden aan te nemen, die zich dadelijk hadden aangeboden, was onmogelijk, want het besturen van een whaleboot vordert bijzonder daartoe afgerichte zeelieden. Een verkeerde manoeuvre met het roer of een riem kan bij den aanval het behoud van de sloep in gevaar brengen.
Van den anderen kant wilde kapitein Hull zijn schip niet verlaten zonder er althans een man der bemanning achter te laten in wien hij vertrouwen stelde. Men moest op alle mogelijkheden bedacht zijn.
Nu was kapitein Hull verplicht om ter bemanning der sloep flinke zeelieden te kiezen en moest zich daarom voor de zorg om op denPelgrimde wacht te houden op Dick Sand verlaten.
“Dick,” zei hij tot dezen, “u belast ik om in mijn afwezigheid, die naar ik hoop, niet lang zal zijn, aan boord te blijven!”
“Goed, mijnheer,” antwoordde de leerling.
Dick had nu eigenlijk wel gaarne deel willen nemen aan die visscherij, die een groote aantrekkelijkheid voor hem had, maar hij begreep dat eensdeels de armen van een volwassen man beter geschikt waren voor de bediening der walvischsloep dan de zijne en dat anderdeels hij alleen kapitein Hull kon vervangen. Hij onderwierp zich dus.
De bemanning der sloep zou uit vijf man bestaan, bootsman Howik er onder begrepen, die de geheele bemanning van denPelgrimuitmaakten. De viermatrozen zouden de riemen hanteeren en Howik den langen riem houden, die dient om een boot dezer soort te besturen. Van een eenvoudig roer zou de werking niet snel genoeg zijn en bijaldien de riemen buiten dienst gesteld worden, kan de lange of stuurriem, zoo hij goed gehanteerd wordt, de sloep buiten het bereik der slagen van het monster brengen.
Wat kapitein Hull aangaat, deze had voor zich den post van harpoenier bewaard en zooals hij reeds zei, het zou niet de eerste maal zijn. Hij moest het eerst den harpoen werpen, daarna het afloopen van de lange lijn bewaken die aan zijn uiteinde was bevestigd en vervolgens het dier, zoodra het zich aan de oppervlakte van den oceaan vertoonde met lanssteken afmaken.
De walvischvangers maken somtijds gebruik van vuurwapenen voor deze soort van visscherij. Door middel van een daartoe ingericht werktuig, een soort van klein kanon, of aan boord van het vaartuig, of voor in de boot, werpen zij, hetzij een harpoen die de lijn aan zijn uiteinde bevestigd medevoert, of ontplofbare kogels die groote verwoestingen in het lichaam van het dier aanrichten.
Maar dePelgrimwas niet van toestellen dezer soort voorzien. Het zijn trouwens vuurwapenen van hoogen prijs, die vrij moeielijk te behandelen zijn, en de visschers die niet veel met nieuwigheden op hebben, schijnen het gebruik der van ouds gebruikelijke wapenen te verkiezen, waarvan zij zich behendig bedienen, namelijk den harpoen en de lans.
Het is dus met de gewone middelen, den walvisch namelijk met de blanke wapenen aan te vallen, dat kapitein Hull zou beproeven den vinvisch, die op vijf mijlen van zijn vaartuig gesignaleerd was, machtig te worden.
Overigens zou het weder dezen tocht begunstigen. De zee was zeer kalm en gunstig voor de manoeuvres van een walvischvanger. De wind was aan het afnemen en dePelgrimzou slechts zeer weinig afdrijven, terwijl zijn equipage zich in volle zee bezighield.
De walvischsloep aan stuurboordszijde werd dus dadelijk gestreken en de vier matrozen bemanden het ranke vaartuigje.
Howik reikte hun twee van die lange werpspiesen over, die als harpoenen moeten dienen en daarna twee lange lansen met scherpe punten. Bij deze aanvalswapenen voegde hij vijf strengen, buigzame en sterke touwen, die de walvischvangers “lijnen” noemen en die een lengte hebben van zeshonderd voet. Korter mogen zij niet zijn, want het gebeurt meermalen dat al deze “lijnen” aan elkander gebonden, niet toereikend zijn om den walvisch bij zijn vaart naar de diepte genoeg te kunnen vieren.
Dat waren de verschillende toestellen die met zorg vóór in de sloep gereed gelegd werden.
Howik en de vier matrozen wachtten nog slechts op de order om den sleper los te gooien.
Een enkele plaats vóór in de sloep,—die van kapitein Hull,—was nog onbezet.
Het spreekt van zelf dat de equipage van dePelgrim, alvorens van boord te gaan, het schip bijgedraaid had. Met andere woorden, de raas werden zoodanig gebrast, dat de zeilen, tegen elkander in werkende, de schoenerbrik nagenoeg op dezelfde plaats hielden.
Op het oogenblik dat kapitein Hull zich zou inschepen, wierp hij nog een laatsten blik op zijn vaartuig. Hij overtuigde zich dat alles in orde was, met behoorlijk gestelde zeilen. Daar hij den leerling gedurende een afwezigheid van misschien eenige uren aan boord liet, wilde hij met recht dat Dick Sand, tenzij uit noodzakelijkheid geen enkele manoeuvre had uit te voeren.
Op het punt van te vertrekken, gaf hij hem zijn laatste instructies.
“Dick,” zei hij, “ik laat je alleen. Zorg voor alles. Zoo ’t, wat zeer onwaarschijnlijk is, noodig werd het schip te manoeuvreeren ingeval we te ver bij de vervolging van den walvisch werden meegevoerd, zouden Tom en zijn kameraden je zeer goed kunnen helpen. Door ze goed aan hun verstand te brengen wat ze te doen hebben, ben ik er zeker van dat ze ’t doen zouden.”
“Ja, kapitein Hull,” antwoordde de oude Tom, “en mijnheer Dick kan op ons rekenen.”
“Beveel, beveel!” riep Bat. “We zouden zoo graag willen helpen!”
“Waaraan moeten we trekken?...”vroeg Hercules, terwijl hij de wijde mouwen van zijn wambuis opstroopte.
“Aan niets op ’t oogenblik,” antwoordde Dick Sand glimlachende.
“Tot uw dienst,” hernam de kolossale kerel.
“Dick,” hernam, kapitein Hull, “’t is mooi weer. De wind is gaan liggen. Geen enkel teeken zie ik dat hij weer aan zal wakkeren. Wat er gebeure, strijk geen boot en verlaat het schip niet!”
“Dat beloof ik u, kapitein.”
“Als het noodig mocht worden dat dePelgrimnaar ons toekwam, zou ik je waarschuwen door een vlag aan een bootshaak te hijschen.”
“Wees gerust, kapitein, ’k zal de sloep niet uit het oog verliezen,” antwoordde Dick Sand.
“Goed, mijn jongen. Moed en koelbloedigheid. Je bent nu tweede kapitein. Houd je graad in eer. Nooit heeft iemand van dien leeftijd hem bekleed!”
Dick Sand antwoordde niet, maar een blos van vergenoegen verspreidde zich over zijn gelaat. Kapitein Hull begreep dezen blos en dezen glimlach.
“Die brave jongen,” dacht hij, “bescheiden en vergenoegd, zoo is de jongen!”
Evenwel bleek het uit deze dringende aanbevelingen duidelijk dat, al stak er werkelijk niets gewaagds in, kapitein Hull niet gaarne zijn schip verliet, zelfs niet voor eenige uren. Maar zijn onweerstaanbaar visschersinstinct en vooral de vurige begeerte zijn lading traan aan te vullen en aan de verplichtingen te voldoen die James W. Weldon te Valparaiso had aangegaan, dat alles vuurde hem aan het avontuur te wagen. Daarenboven was de zee op ’t oogenblik zoo bijzonder geschikt om een walvisch te vervolgen. Noch zijn equipage, noch hij zelf konden zulk een verzoeking weerstaan. De tocht zou op die wijze nog goed kunnen worden en deze laatste beweegreden was het vooral die hem alle bedenkingen over het hoofd deed zien.
Kapitein Hull richtte zich naar de valreep.
“Veel geluk!” wenschte Mevr. Weldon hem.
“Heb dank, mevrouw Weldon!”
“Doe dien armen walvisch toch vooral niet te veel pijn!” riep kleine Jack.
“Neen, mijn jongen!” antwoordde kapitein Hull.
“Vang hem heel zachtjes, mijnheer.” “Ja.... met handschoenen, Jack!”
“Somtijds,” merkte neef Benedictus aan, “vindt men vrij zeldzame insecten op den rug van die groote zoogdieren!”
“Goed, mijnheer Benedict,” antwoordde kapitein Hull lachend, “u hebt het recht om je hart als entomoloog zooveel als je maar wilt op te halen als onze visch langs denPelgrimdrijft!”
Daarna zich tot Tom wendende, zeide hij:
“Tom, ’k reken op u en je kameraden, om ons den walvisch te helpen aan stukken houwen, als hij aan den romp van het schip is vastgesjord,—wat niet lang zal duren.”
“U zult ons volkomen bereid vinden, mijnheer,” antwoordde de oude neger.
“Goed!” antwoordde kapitein Hull.—“Dick, die goede menschen zullen je helpen de ledige vaten gereed te maken. Terwijl we weg zijn zullen ze die op het dek brengen en dan zal het werk bij onze terugkomst met spoed gaan.”
”’t Zal geschieden, kapitein.”
Voor hen die het niet weten, zij hier gezegd dat de walvisch, eens dood, naar denPelgrimgesleept en stevig aan stuurboordszijde moest vastgesjord worden. Dan gaan er matrozen, wier laarzen met scherpe haken voorzien zijn op den rug van het ontzaglijk gevaarte zitten en hakken het in regelmatige, evenwijdig loopende strooken in de richting van den kop naar den staart. Deze strooken worden dan in stukken van anderhalven voet gesneden en verder in kleinere stukken verdeeld, die, na in de vaten weggestuwd te zijn in het ruim worden geborgen.
Meestentijds tracht de walvischvaarder, zoodra de visscherij is afgeloopen, zoo spoedig mogelijk den wal te halen, teneinde de laatste hand aan de bewerking van den visch te leggen. De equipage zoekt ergens aan het strand een geschikte plaats om tot het smelten van het spek over te gaan, dat onder de werking van het vuur het bruikbare gedeelte, namelijk de traan, levert.1
Maar in de omstandigheden waarinkapitein Hull op het oogenblik verkeerde, kon hij moeielijk teruggaan, om deze bewerking te voltooien en dacht hij het eerst te Valparaiso te doen. Bovendien hoopte hij met dezen wind, die, voordat er twintig dagen zouden verloopen zijn, weldra naar het westen zou loopen, de Amerikaansche kust te bereiken, en dit tijdsverloop kon de resultaten zijner vangst niet in gevaar brengen.
Het oogenblik van vertrek was nu gekomen. Voordat dePelgrimdoor het tegenbrassen der zeilen nagenoeg onbeweeglijk was geworden, had men hem iets dichter bij de plaats gebracht waar de walvisch door het uitwerpen van damp en water zijn tegenwoordigheid bleef te kennen geven.
De walvisch zwom altijd te midden van het uitgestrekte roode veld van schaaldiertjes en opende automatisch zijn ontzaglijken bek om bij elken slok millioenen diertjes op te slorpen.
Volgens de deskundigen aan boord, bestond er volstrekt geen vrees dat hij zou ontsnappen. Hij was ongetwijfeld wat de visschers een “vechtwalvisch,” noemen.
Kapitein Hull stapte de verschansing over, liet zich langs de valreep zakken, en stapte voor in de boot.
Mevr. Weldon, Jack, neef Benedictus, Tom en zijn kameraden riepen den kapitein geluk en een laatst vaarwel toe.
Dingo zelfs, die op zijn achterpooten ging staan en zijn kop boven de reeling uitstak, scheen de equipage vaarwel te zeggen.
Daarna begaven allen zich naar het voorschip, om toch vooral niets van al de belangwekkende tooneelen eener dergelijke visscherij te verliezen.
De walvischsloep stak van boord en begon onder de krachtige riemslagen van haar vier riemen zich van denPelgrimte verwijderen.
“Pas goed op, Dick, pas goed op!” riep kapitein Hull een laatste maal den leerling toe. “Een oog voor het schip, een oog voor de sloep, mijn jongen! Vergeet het niet!”
“Wees gerust, kapitein,” antwoordde Dick Sand, die bij het roer ging staan.
De lichte boot bevond zich reeds verscheiden honderden voeten van het schip af. Kapitein Hull, overeind op de voorplecht, kon zich nu niet meer doen hooren, maar hernieuwde zijn aanbevelingen met de nadrukkelijkste gebaren.
Op dat oogenblik liet Dingo, nog altijd met zijn pooten op de reeling, een jammerlijk geblaf hooren, dat op bijgeloovige menschen een ongunstigen indruk zou gemaakt hebben.
Dit geblaf deed zelfs Mevr. Weldon ontstellen.
“Dingo,” zei ze, “Dingo! moedig je op die wijze je vrienden aan? Kom, een helder, vroolijk geblaf!”
Maar de hond blafte niet meer, liet zich op zijn pooten neervallen en kwam langzaam naar Mevr. Weldon toe, wier hand hij vriendelijk likte.
“Hij kwispelstaart niet!” mompelde Tom. “Een slecht teeken! Een slecht teeken!”
Maar bijna op hetzelfde oogenblik richtte Dingo zich op en barstte in een woedend gehuil uit.
Mevr. Weldon keerde zich om.
Negoro had zoo even het matrozenverblijf verlaten en richtte zich naar de voorplecht, met het blijkbare doel om evenals de anderen, de manoeuvres van de walvischsloep gade te slaan.
Dingo vloog op den kok toe, ten prooi aan de grootste, doch tevens aan de meest onverklaarbare woede.
Negoro pakte een handspaak en nam een verdedigende houding aan.
De hond was op het punt hem naar de keel te vliegen.
“Hier, Dingo, hier!” riep Dick Sand, die zijn post van observatie een oogenblik verliet en naar voren liep.
Ook Mevr. Weldon van haar kant trachtte den hond te doen bedaren.
Dingo gehoorzaamde, niet zonder tegenzin en kwam, een dof gebrom doende hooren, naar den leerling terug.
Negoro had geen enkel woord geuit, maar was een oogenblik bleek geworden. Vervolgens zijn handspaak latende vallen, ging hij naar zijn hut terug.
“Hercules,” zei Dick Sand daarop, “ik draag je dringend op het oog op dien man te houden.”
”’k Zal hem in ’t oog houden,” antwoordde Hercules eenvoudig, terwijl zijn twee kolossale vuisten zich ten teeken van toestemming sloten.
Mevr. Weldon en Dick Sand sloegen den blik na dit voorval wederom op de sloep, die door haar vier riemen snel werd voortbewogen.
Weldra was zij nog slechts een stip op de onmetelijke zee.
1Bij deze bewerking verliest het spek van den walvisch ongeveer een tiende van het gewicht.
1Bij deze bewerking verliest het spek van den walvisch ongeveer een tiende van het gewicht.
Kapitein Hull, een man van ondervinding in de jacht op walvischen, liet niets aan het toeval over. De vangst van een vinvisch vooral, is een moeielijke taak en geen enkele voorzorg mag verzuimd worden. En geen enkele werd verzuimd in deze omstandigheid.
Al dadelijk bestuurde kapitein Hull de sloep op die wijze dat zij den walvisch aan lij zou naderen, opdat hij door niet het minste geluid kon verontrust worden.
Howik bestuurde dus de sloep volgens de vrij uitgestrekte kromme lijn die de roodachtige bank afteekende, te midden waarvan de walvisch zijn ontbijt gebruikte. Men moest dus om hem heen varen.
De bootsman die deze manoeuvre ten uitvoer bracht, was een zeeman van groote koelbloedigheid, in wien kapitein Hull het meeste vertrouwen stelde. Men had van hem geen aarzeling, noch verstrooiing te vreezen.
“Pas op je roer, Howik,” zei kapitein Huil. “We zullen probeeren den walvisch te verrassen en hem met rust laten totdat we dichtbij genoeg zijn om hem te harpoeneeren.”
“Begrepen, mijnheer,” antwoordde de bootsman. “Ik zal den omtrek, van dat roodachtig water volgen, maar op die wijze dat we altijd aan lij blijven.”
“Goed!” zei kapitein Hull.—“Jongens, zoo stil mogelijk geroeid.”
De met stroo omwonden riemen ploften dan ook bij elken slag zonder eenig geruisch in het water.
De met behendigheid door den bootsman bestuurde sloep, had de uitgestrekte bank der schaaldieren bereikt. Aan stuurboordszijde dompelden zich de riemen nog in het groene heldere water, terwijl van die aan bakboordszij, de roodachtige vloeistof als met duizenden bloeddruppels scheen af te stroomen.
“Wijn en water!” zei een der matrozen.
“Ja,” antwoordde kapitein Hull, “maar water dat men niet drinken en wijn dien men niet slikken kan!—Kom jongens, geen gepraat meer en flink doorgezet!”
De door den bootsman bestuurde sloep, gleed zonder geruisch over de oppervlakte van het vetachtige water, alsof zij over een laag olie heenvoer.
De walvisch bewoog zich niet en scheen de boot, die een kring om haar heen beschreef, niet opgemerkt te hebben.
Natuurlijk moest kapitein Hull bij het maken van dezen omweg zich al verder en verder van denPelgrimverwijderen, die door den afstand allengs kleiner werd.
De snelheid waarmede de voorwerpen in zee door den afstand afnemen, heeft altijd iets zonderlings. Het is alsof men ze bekijkt door een verrekijker dien men omgekeerd in de hand houdt. Dit gezichtsbedrog moet blijkbaar daaraan toegeschreven worden dat de punten van vergelijking ons in die onmetelijke ruimten ontbreken. Zoo ging het ook met denPelgrim, die zichtbaar afnam en reeds veel verder af scheen dan dat hij het werkelijk was.
Een half uur nadat kapitein Hull en de zijnen het schip verlaten hadden, bevonden zij zich juist aan lij van den walvisch, zoodanig dat deze zich in het midden tusschen het schip en de sloep bevond.
Het oogenblik was dus nu gekomen om hem zoo stil mogelijk te naderen. Het was niet onmogelijk dat men ter zijde van het dier komen en het op den geschikten afstand kon harpoeneeren, voordat hij hen opgemerkt had.
“Roeit wat zachter, jongens,” zei kapitein Hull met gesmoorde stem.
“Me dunkt,” antwoordde Howik, “dat het grondeltje iets gemerkt heeft! want het spuit minder hard dan straks!”
“Stilte! stilte!” hernam kapitein Hull.
Vijf minuten later, bevond zich de sloep een kabellengte van den walvisch af.1
De bootsman, achter in de sloep overeind staande, stuurde zoodanig dat zij het reusachtige zoogdier aan de linkerzijde naderden, maar vermeeddaarbij met de grootste zorg in het bereik van zijn ontzaglijken staart te komen, waarvan één slag voldoende ware geweest om de boot te verbrijzelen.
Vóór in de boot stond kapitein Hull, met de beenen een weinig uiteen om des te beter zijn evenwicht te kunnen bewaren, bij het doen van den eersten worp. Men mocht gerust op zijn behendigheid rekenen, waarvan hij weldra de bewijzen zou geven als de harpoen in de dikke massa bleef steken, die boven het water uitkwam.
Bij den kapitein, in een balie, lag een der vijf lijnen opgeschoten, die stevig aan den harpoen bevestigd was en waaraan achtereenvolgens de vier andere zouden geknoopt worden, indien de walvisch zeer diep onderdook.
“Zijn we er, jongens?” vroeg kapitein Hull zacht.
“Ja,” antwoordde Howik, terwijl hij zijn riem stevig in zijn krachtige vuisten vastklemde.
“Leg aan! leg aan!”
De bootsman voldeed aan het bevel en de sloep legde zich op ongeveer tien voet aan de zijde van het dier.
Dit verplaatste zich niet en scheen te slapen. De walvisschen die men op deze wijze in hun slaap verrast, kunnen gemakkelijker gevangen worden en het gebeurt dikwijls dat de eerste worp hen reeds doodelijk treft.
“Die onbeweeglijkheid is nog al vreemd!” dacht de kapitein.“De schelm moet niet slapen, en toch!.... Daar zit iets achter!”
Zoo dacht de bootsman er ook over, die het dier ook aan de andere zijde trachtte te zien.
Doch het was nu geen tijd om na te denken, men moest handelen.
Kapitein Hull, die zijn harpoen bij het midden van den steel gevat had, hield hem meermalen in evenwicht teneinde zich des te beter van de juistheid van zijn worp te verzekeren, terwijl hij op de zijde van den walvisch mikte. Daarna wierp hij hem met alle kracht.
“Strijken, strijken!” riep hij dadelijk.
En de matrozen, gelijktijdig achteruit roeiende, deden de sloep snel achteruitgaan, met het doel haar voorzichtig buiten het bereik van het zeemonster te brengen.
Maar op dit oogenblik deed een kreet van den bootsman begrijpen waarom de walvisch zich zoo lang en zoo zonderling onbeweeglijk aan de oppervlakte der zee hield.
“Een walvischjong!” zeide hij.
En werkelijk had de walvisch, na door den harpoen getroffen te zijn, zich bijna geheel op de zijde gewend, terwijl het dier op die wijze een jong liet zien dat het bezig was te zoogen.
Deze omstandigheid, en Kapitein Hull was hiervan zeer goed bewust, moest de vangst van den walvisch veel moeielijker maken. De moeder zou zich natuurlijk met meer woede verdedigen, zoowel voor zich zelve als om haar “kleintje” te beschermen—indien men althans dien naam kan geven aan een dier dat niet minder dan twintig voet was.
Evenwel werd de vrees dat de walvisch zich onmiddellijk op de sloep zou werpen niet bewaarheid en er was geen reden, om de lijn, waaraan de harpoen bevestigd was, door te snijden, met het doel om dadelijk op de vlucht te gaan. Integendeel, en zooals dit meestal gebeurt, dook de walvisch, gevolgd door zijn jong, eerst in zeer schuinsche richting; daarna, zich met een ontzaglijken sprong in de hoogte werpende, begon hij met buitengewone snelheid aan de oppervlakte van het water te zwemmen.
Maar voordat hij onderdook, hadden kapitein Hull en de bootsman, die beiden overeind in de boot stonden, den tijd gehad hem te zien en hem dus op zijn juiste waarde te schatten.
En werkelijk was deze “vinvisch” een walvisch van de grootste soort. Zijn lengte bedroeg van den kop tot den staart minstens tachtig voet. Zijn huid, van een geelachtig bruin, was als bezaaid met talrijke vlekken van donkerder kleur.
Het ware inderdaad jammer geweest, na een gelukkigen aanval bij het begin, in de noodzakelijkheid te zijn zulk een rijke prooi te laten varen.
De vervolging, of liever het op sleeptouw nemen was begonnen.
De walvischsloep, met de riemen “op”, snelde als een pijl op den rug der golven voort.
Howik stuurde uitmuntend, niettegenstaande haar snelle en groote gieren.
Kapitein Hull met het oog op zijn prooi, liet onophoudelijk zijn eeuwig refrein hooren:
“Pas goed op, Howik, pas goed op!”
En men kon zich verzekerd houden, dat de waakzaamheid van den bootsman geen enkel oogenblik faalde.
Daar evenwel de sloep op verre na niet met dezelfde snelheid gierde als de walvisch, liep de harpoenlijn met zulk een verbazende snelheid af, dat zij telkens op het punt stond bij de wrijving langs boord vuur te vatten. Ook zorgde kapitein Hull haar nat te houden, door de balie waarin zij opgeschoten lag, met water te vullen.
Nochtans scheen de walvisch zich niet in zijn loop op te houden, noch hem te willen matigen. De tweede lijn werd dus aan de eerste vastgehecht en weldra met dezelfde snelheid als de eerste ontrold.
Na vijf minuten moest de derde lijn aangeknoopt worden, die even als de twee eerste onder het water was verdwenen.
En nog altijd verminderde de walvisch zijn vaart niet. De harpoen was blijkbaar in geen voor het leven gevaarlijk lichaamsdeel doorgedrongen. Men kon zelfs aan de meer schuinsche richting der lijn opmerken, dat het dier, inplaats van aan de oppervlakte terug te komen, tot in diepere lagen doordrong.
“Wel duivels!” riep kapitein Huil, “die schelm zal ons waarlijk onze vijf lijnen opeten!”
“En ons een tot op goeden afstand van denPelgrimmedeslepen!” antwoordde de bootsman.
“Hij zal toch aan de oppervlakte moeten terugkomen om adem te scheppen!” hernam kapitein Hull. “Hij behoort niet tot de visschen en heeft even goed zijn voorraad lucht noodig als ieder ander particulier!”
“Hij zal zijn adem ingehouden hebben om beter te kunnen loopen!” zei al lachende een der matrozen.
Werkelijk bleef de lijn met dezelfde snelheid af loopen.
Weldra werd het noodig de vierde lijn bij de derde te voegen en werkelijk begonnen de matrozen zich wel wat ongerust te maken omtrent hun toekomstig aandeel in de winst.
“Wel drommels!” mompelde kapitein Hull, “zoo iets heb ik nog nooit gezien! Satansche visch!”
Eindelijk moest ook de vijfde lijn er aan, en reeds was zij tot op de helft afgerold, toen er eindelijk wat bocht in scheen te komen.
“Komaan!” riep kapitein Hull, “de lijn is minder gespannen! De walvisch wordt moe!”
Op dit oogenblik bevond dePelgrimzich op meer dan vijf mijlen aan lij van de walvischsloep.
Kapitein Hull heesch nu een vlag aan het einde van een bootshaak en gaf daarmede het afgesproken signaal om dichter bij te komen.
En bijna dadelijk kon hij zien dat Dick Sand, geholpen door Tom en zijn kameraden, volbraste, en zoo dicht mogelijk aan den wind hield.
Maar de bries was zwak en ongestadig. Zij kwam slechts bij vlagen van korten duur. Zeer zeker zou dePelgrimeenige moeite hebben om de sloep te bereiken, indien het al mogelijk was.
Intusschen was de walvisch zooals men voorspeld had, aan de oppervlakte teruggekomen om adem te halen, altijd nog met den harpoen in zijn zijde. Hij bleef toen nagenoeg onbeweeglijk en scheen op zijn jong te wachten, dat bij deze woeste jacht natuurlijk had moeten achterblijven.
Kapitein Hull liet hard aan roeien, om hem te naderen en weldra was hij er weder dichtbij.
Twee riemen werden opgelicht en twee matrozen wapenden zich, zooals de kapitein het reeds gedaan had, met lange lansen om het dier te treffen.
Howik bestuurde nu de boot zeer behendig en hield zich gereed snel af te houden, in het geval dat de walvisch haar plotseling zou aanvallen.
“Opgepast!” riep kapitein Hull. “Laat geen worp verloren gaan! Mikt goed, jongens! Ben je klaar, Howik?”
“Klaar, mijnheer,” antwoordde de bootsman, “maar een ding maakt me ongerust en dat is dat het dier, na zoo snel gevlucht te zijn, op dit oogenblik zoo stil is!”
“Je hebt gelijk, Howik, dat komt me ook verdacht voor.”
“Laten we op onze hoede zijn!”
“Ja, maar laten we vooruit gaan.”
Kapitein Hull wond zich steeds meer op.
De boot kwam nog dichter bij. De walvisch wendde zich op de plaats zelve rond. Zijn jong bevond zich niet meer bij hem en misschien zocht hij het.
Plotseling maakte hij een bewegingmet zijn staart, die hem een dertig voet verder bracht.
Zou hij opnieuw op de vlucht gaan en moest die eindelooze vervolging hervat worden?
“Opgepast!” riep kapitein Hull. “Het dier neemt zijn aanloop en zal zich op ons werpen! Houd koers, Howik, houd koers!”
De walvisch had zich werkelijk zoodanig gewend dat hij met den kop naar de sloep gekeerd lag. Daarna de zee met zijn ontzaglijke vinnen doende opbruisen, stortte hij zich vooruit.
De bootsman die op den rechtstreekschen aanval voorbereid was, manoeuvreerde op die wijze dat de walvisch langs de boot heengleed, zonder haar evenwel te raken.
Kapitein Hull en de twee matrozen brachten hem in het voorbijgaan drie krachtige lanssteken toe en trachtten eenig levensorgaan te treffen.
De walvisch hield plotseling op en terwijl hij twee stralen water, met bloed gemengd, tot een groote hoogte in de lucht spoot, stortte hij zich wederom als met een vervaarlijken sprong op de boot en was werkelijk vreeselijk om aan te zien.
Voorzeker moesten deze zeelieden koene visschers zijn om bij een gelegenheid als deze bedaard te blijven.
Nogmaals wist Howik behendig den aanval van het dier te ontwijken door het roer aan boord te gooien.
Door drie nieuwe, op het geschikte oogenblik toegebrachte stooten, kreeg het dier drie nieuwe verwondingen. Maar in het voorbijgaan sloeg hij het water zoo geweldig met zijn geduchten staart, dat een ontzaglijke golf de sloep bijna deed omslaan en haar voor de helft met water vulde.
“De puts, de puts!” riep kapitein Hull.
De twee matrozen lieten hunne riemen loopen en gingen snel aan het uithoozen van de sloep, terwijl de kapitein de lijn doorsneed die nu nutteloos geworden was.
Neen! de walvisch woedend geworden door de pijn, dacht aan geen vluchten meer. Op zijn beurt was hij nu de aanvaller en zijn doodsstrijd dreigde vreeselijk te zijn.
Voor den derden keer wierp hij zich om en storte zich opnieuw op de boot.
Maar deze, half vol water, kon niet meer met dezelfde gemakkelijkheid bestuurd worden, en hoe zou zij onder deze omstandigheden den schok vermijden die haar dreigde? Luisterde zij niet meer naar het roer, nog veel minder kon zij op de vlucht gaan.
En bovendien, hoeveel vaart de boot ook had geloopen, zou de vlugge walvisch haar in weinige sprongen achterhaald hebben. Het kwam er nu niet meer op aan aan te vallen, men moest zich nu verdedigen.
Kapitein Hull begreep het terecht.
De derde aanval van het dier kon niet geheel afgewend worden. In het voorbijgaan raakte hij de sloep even met zijn ontzaglijke rugvin aan, maar met zulk eene ontzettende kracht, dat Howik van zijn bank werd geworpen.
De drie lansen die door de schommeling ongelukkig afweken, misten dezen keer haar doel.
“Howik! Howik!” riep kapitein Hull, die zelf moeite had te blijven staan.
“Present!” antwoordde de bootsman, zich oprichtende.
Maar op hetzelfde oogenblik merkte hij dat zijn lange of stuurriem in zijn val doormidden was gebroken.
“Een anderen riem!” zei kapitein Hull.
“Al klaar,” antwoordde Howik.
Op dit oogenblik deed zich op slechts weinige vademen van de sloep af een borreling onder het water hooren.
Het walvischjong kwam weder te voorschijn. De walvisch zag het en snelde naar hem toe.
Deze omstandigheid zou aan de worsteling slechts een vreeselijker karakter mededeelen. De walvisch zou nu den strijd hervatten voor twee.
Kapitein Hull keek naar den kant van denPelgrim. Zijn hand bewoog driftig den staak met de vlag.
Wat kon Dick Sand anders doen dan hetgeen hij bij het eerste signaal van den kapitein reeds gedaan had? De zeilen van denPelgrimstonden bij en de wind begon ze te zwellen. Ongelukkig bezat de schoener-brik geen schroef welker werking men kon aanzetten om sneller te loopen. Een der booten te strijken en den kapitein met behulp der negers bij te staan, zou een groot tijdverlies geweest zijn en bovendienhad ook de leerling bevel ontvangen niet van boord te gaan, wat er ook mocht gebeuren. Evenwel streek hij de boot die aan het hek hing en nam die op sleper, opdat de kapitein, zoo het noodig was, er de vlucht in kon nemen.
Op dit oogenblik had de walvisch, het jong met zijn lichaam bedekkende, den aanval hervat. Dezen keer scheen zijn plan te zijn rechtstreeks op de sloep aan te vallen.
“Opgepast, Howik!” riep een laatste maal kapitein Hull.
Maar de bootsman was zoo goed als ongewapend. In plaats van een hefboom, waarvan de lengte de kracht uitmaakte, hield hij slechts een betrekkelijk korten riem in de hand.
Hij trachtte af te houden.
Het was onmogelijk.
De matrozen begrepen dat zij verloren waren. Allen richten zich op en dezen een vreeselijken kreet hooren, die misschien op denPelgrimwel gehoord kon worden.
Een vreeselijke slag met den staart van het monster had de walvischsloep van onderen getroffen.
De boot, met onweerstaanbaar geweld in de lucht geslingerd, viel in drie stukken neder, te midden der golven, die door de sprongen van den walvisch met woest geweld tegen elkander aanbotsten.
De ongelukkige matrozen, hoewel ernstig gekwetst, zouden misschien de kracht gehad hebben zich, hetzij al zwemmende, hetzij zich aan een of ander drijvend voorwerp vastgrijpende, boven water te houden.
Dit deed ook kapitein Hull, dien men een oogenblik den bootsman op een drijvend stuk hout zag trekken....
Maar de walvisch, ten toppunt van woede, keerde zich om, maakte een vervaarlijken sprong, misschien in de laatste oogenblikken van een vreeselijken doodsstrijd, en sloeg met zijn geduchten staart het woelige water waarin de ongelukkigen nog rondzwommen!
Gedurende eenige minuten zag men slechts een vloeibare waterkolom die zich in duizende kleine waterstralen naar alle kanten verspreidde.
Toen een kwartier later Dick Sand zich met de negers in de boot geworpen en het tooneel van het ongeluk bereikt had, waren alle levende wezens verdwenen. Eenige overblijfselen van de walvischsloep was alles wat er op de oppervlakte der bloedroode golven was overgebleven.
1Een kabellengte, een eigenaardige maat bij de marine, bedraagt een lengte van honderd twintig vademen, dat is twee honderd meters.
1Een kabellengte, een eigenaardige maat bij de marine, bedraagt een lengte van honderd twintig vademen, dat is twee honderd meters.
De eerste indruk door deze verschrikkelijke ramp op de passagiers van denPelgrimteweeggebracht, was een mengsel van medelijden en schrik. Zij dachten slechts aan den ontzettenden dood van kapitein Hull en zijn vijf matrozen. Dit ijselijk tooneel had zich nagenoeg onder hunne oogen afgespeeld zonder dat zij iets hadden kunnen doen om hen te redden! Zij waren zelfs te laat gekomen om de bemanning der walvischsloep, hunne ongelukkige verwonde, maar nog levende makkers op te nemen, en den romp van denPelgrimte stellen tegenover de geduchte slagen van den walvisch! Kapitein Hull en zijne matrozen waren voor altijd verdwenen!
Toen de schoenerbrik op de plaats van het onheil was aangekomen, viel Mevr. Weldon op de knieën, met de handen ten hemel opgeheven.
“Laat ons bidden!” zei de vrome vrouw.
De kleine Jack knielde weenende bij zijne moeder. Het arme kind had alles begrepen. Dick Sand, Nan, Tom en de andere negers stonden overeind met gebogen hoofd. Allen herhaalden bij zich zelven het gebed dat Mevr. Weldon tot God richtte, terwijl zij aan zijne oneindige goedheid hen beval, die zooeven voor hem verschenen waren.
Daarna, zich tot haar metgezellen richtende, zei Mevr. Weldon:
“En nu, mijne vrienden, laat ons van God de kracht en den moed afsmeeken om ons te helpen!”
Ja! zij konden niet genoeg de hulp afbidden van Hem die alles vermag, want hun toestand was hoogst ernstig!
Het schip dat hen droeg, had geen kapitein meer om hen te commandeeren, geen bemanning meer om het te besturen. Het bevond zich te midden van de onmetelijke Stille-Zuidzee, op honderdenmijlen van eenig land, overgegeven aan wind en golven.
Welk noodlot had toch dien walvisch op den weg van denPelgrimgeleid? Welk grooter noodlot nog had den ongelukkigen kapitein Hull, gewoonlijk zoo verstandig, aangespoord om alles op het spel te zetten, teneinde zijn lading aan te vullen? En welke ramp, vreeselijker dan deze, kon er opgeteekend worden in de jaarboeken van de groote visscherij, waarbij geen enkel matroos van de walvischsloep had kunnen gered worden!
Ja! het was een vreeselijk noodlot!
Inderdaad was er geen enkele zeeman meer aan boord van denPelgrim.
Toch! een enkele! Dick Sand, maar het was slechts een leerling, een jongeling van vijftien jaar!
Kapitein, bootsman, matrozen, men kon zeggen dat de geheele bemanning nu in hem alleen vereenigd was.
En aan boord bevond zich een passagier, een moeder en haar zoon, wier tegenwoordigheid den toestand nog moeielijker maakte.
Verder waren er ook eenige negers, goede menschen, moedig en ijverig, ongetwijfeld bereid om iedereen te gehoorzamen die in staat zou zijn hen te commandeeren, doch ontbloot van de eenvoudigste begrippen van het zeemansvak!
Dick Sand stond daar onbeweeglijk, de armen over elkander geslagen en den blik gewend naar de plaats waar kapitein Hull, zijn weldoener en beschermer, voor wien hij een kinderlijke liefde gevoelde, verzwolgen was. Daarna doorzochten zijn oogen den horizont om naar eenig vaartuig uit te zien, dat hij hulp en bijstand verzocht zou hebben en waaraan hij althans Mevr. Weldon had kunnen toevertrouwen.
Hij zou daarom toch denPelgrimniet verlaten hebben, neen, voorzeker niet, zonder alles gedaan te hebben om hen naar een veilige haven te brengen. Maar Mevr. Weldon en haar kleine jongen waren dan in veiligheid geweest en hij zou niet meer te vreezen gehad hebben voor die twee wezens, aan wie hij zich met lichaam en ziel gewijd had.
De oceaan was verlaten. Sedert de verdwijning van den walvisch had geen enkel voorwerp de onmetelijke vlakte verstoord. Niets dan water en lucht rondom denPelgrim. De jeugdige leerling wist maar al te goed, dat hij zich buiten den gewonen weg der koopvaardijschepen bevond en dat de andere walvischvaarders nog ver weg ter visscherij verwijlden.
Evenwel was het zaak den toestand onder de oogen te zien en de dingen in het ware licht te beschouwen. Dit deed Dick Sand, maar vroeg daarbij aan God, uit het binnenste zijns harten, hulp en bijstand.
Welk besluit zou hij nemen?
Op dit oogenblik verscheen Negoro op het dek, dat hij na de ramp verlaten had. Niemand had kunnen zeggen wat zulk een raadselachtig wezen bij dit onherstelbaar ongeluk gevoeld had. Had hij het onheil mede aangezien zonder eenig teeken te geven en zonder een oogenblik van zijn stomme rol af te wijken. Met de oogen had hij al de bijzonderheden van het ongelukkig voorval verslonden. Maar indien men op zulk een oogenblik op de gedachte gekomen was hem waar te nemen, zou men er zich althans over verwonderd hebben dat geen enkele spier van zijn hardvochtig gelaat zich vertrok. Zeker is het dat hij deed alsof hij niets gehoord had toen Mevr. Weldon allen opriep om voor de gezonken bemanning te bidden.
Negoro begaf zich naar het achterdek, naar de plaats waar Dick Sand onbeweeglijk in gedachten verzonken stond. Hij bleef op drie schreden van den leerling af staan.
“Moet je me spreken?” vroeg Dick Sand.
”’k Moet kapitein Hull spreken,” antwoordde Negoro koel, “of als dat niet kan, den bootsman Howik.”
“Je weet wel dat beide zijn omgekomen!” riep de leerling uit.
“Wie commandeert dan nu aan boord?” vroeg Negoro onbeschaamd.
“Ik,” antwoordde Dick Sand zonder de minste aarzeling.
“Gij!” zeide Negoro, de schouders optrekkende. “Een kapitein van vijftien jaar!”
“Een kapitein van vijftien jaar!” antwoordde de leerling, op den kok toeloopende.
Deze ging achteruit.
“Vergeet niet,” zei toen Mevr. Weldon,“dat er hier slechts één kapitein is.... kapitein Sand, en ’t is goed dat iedereen wete dat hij zich zal doen gehoorzamen!”
Negoro boog, terwijl hij op spottenden toon eenige woorden mompelde die men niet hooren kon en hij daarna naar zijn verblijf terugkeerde.
Men ziet, Dick had een besluit genomen.
Intusschen was de schoenerbrik, door de werking van de bries die begon op te steken, de uitgestrekte bank schaaldieren reeds voorbijgestevend.
Dick Sand nam den toestand van het tuig op. Daarna daalden zijn oogen op het dek neder. Hij had daarbij het gevoel dat, zoo er voortaan een geduchte verantwoordelijkheid op hem rustte, hij de kracht moest hebben haar op zich te nemen. Hij dorst hen aanzien de overlevenden van denPelgrim, wier oogen nu op hem gericht waren. En terwijl hij in hunne blikken las, dat hij op hen kon rekenen, zeide hij hun in twee woorden dat zij zich op hunne beurt op hem konden verlaten.
Dick Sand had in alle oprechtheid zijn geweten onderzocht.
Mocht hij al in staat zijn om met behulp van de armen van Tom en zijn kameraden naar omstandigheden voldoende te kunnen manoeuvreeren, toch bezat hij natuurlijk nog al de kundigheden niet die noodig waren om zijn bestek door berekening te bepalen.
Ware Dick Sand vier of vijf jaar ouder geweest, zoo zou hij het schoone, maar moeielijke zeemansvak in den grond gekend hebben! Hij zou zich hebben weten te bedienen van den sextant, het instrument waarmede kapitein Hull de sterrenhoogte nam! Hij zou op den chronometer den middelbaren tijd van Greenwich afgelezen en met behulp daarvan en den bekenden uurhoek, de lengte gevonden hebben. De zon zou elken dag zijn raadgeefster geweest zijn! De maan en de planeten zouden hem gezegd hebben: Daar op dat punt van den Oceaan bevindt zich uw schip! Het uitspansel waar langs de sterren zich bewegen als de wijzers van een volkomen juist uurwerk, dat uitspansel zou hem de uren en de afstanden geleerd hebben! Door de sterrenkundige waarnemingen, zou hij op een mijl na de plaats hebben leeren bepalen, zooals zijn kapitein zulk elken dag deed, waar dePelgrimzich bevond, zoowel als den afgelegden weg en den weg die nog afgelegd moest worden!
En nu moest hij geheel op gegist bestek varen, dat wil zeggen: zich alleen op de log en het kompas verlaten, waarvan hij de miswijzing in rekening kon brengen.
Evenwel verloor hij den moed niet.
Mevr. Weldon had zeer goed begrepen, wat er in het moedige hart van den leerling omging.
“Heb dank, Dick,” zeide zij tot hem met vaste stem. “Kapitein Hull is niet meer! Zijn geheele equipage is met hem omgekomen. Het lot van het schip is in uw handen! Dick, je zult het schip met allen die het draagt, redden.”
“Ja, mevrouw,” antwoordde Dick Sand, “ja, met Gods hulp zal ik het beproeven.”
“Tom en zijn kameraden zijn brave menschen die je volkomen kunt vertrouwen.”
”’k Weet het en ’k zal er zeelieden van maken. We zullen samen manoeuvreeren en met goed weer zal het best gaan, maar met slecht weer,—welnu, met slecht weer, zullen we alles doen wat we kunnen en we zullen u redden, mevrouw Weldon, u en uw kleinen Jack, allen. Ja, ’k voel dat ’k het doen zal....”
En hij voegde er bij:
“Met Gods hulp!”
“En nu, Dick, zou je juist kunnen zeggen, waar we ons op ’t oogenblik bevinden?”
“Zeer gemakkelijk,” antwoordde de leerling, “’k Heb niets anders te doen dan de kaart te raadplegen, waarop kapitein Hull gisteren nog het bestek heeft afgezet.”
“En zou je den goeden koers kunnen aangeven?”
“Ja, ’k zou den steven naar het oosten kunnen wenden, nagenoeg naar dat punt van de Amerikaansche kust waar we moeten aanlanden.”
“Maar, Dick,” hernam Mevr. Weldon, “je begrijpt, niet waar, dat deze ramp onze eerste plannen kan en zelfs moet wijzigen? Er is nu geen sprake meer van denPelgrimnaar Valparaiso te brengen. De dichtstbij gelegen haven van de Amerikaansche kust is nu zijn bestemming.”
“Ongetwijfeld, mevrouw,” antwoordde de leerling. “Maak u vooral maar niet ongerust! We kunnen niet missen de Amerikaansche kust die zich zoo ver zuidelijk uitstrekt te bereiken.”
“Waar is zij gelegen?” vroeg Mevr. Weldon.
“Daar, in die richting,” antwoordde Dick Sand, het oosten met den vinger aanwijzende.
“Welnu, Dick, ’t komt er niet op aan of we Valparaiso of een ander punt van de kust bereiken. Het voornaamste is dat we aan land komen.”
“En ’t zal geschieden, mevrouw Weldon, ’k zal u op een veilige plaats ontschepen,” antwoordde de leerling met vaste stem. “Bovendien geef ik de hoop niet op om, als we dichter bij land komen, eenige vaartuigen te ontmoeten die den kusthandel drijven. Kom! mevrouw Weldon, de wind loopt naar het noord-oosten! God geve dat hij daar blijve, dan zullen we flink vooruitkomen, want we zullen alle zeilen bijzetten.”
Dick Sand had dit alles gezegd met het vertrouwen van den zeeman, die weet dat hij een goed schip onder zich heeft, een schip waarvan hij volkomen meester is. Hij ging aan het roer en riep zijn metgezellen om de zeilen behoorlijk te stellen, toen Mevr. Weldon hem er aan herinnerde dat hij vooral goed de plaats moest kennen waar dePelgrimzich bevond.
Dit was inderdaad iets dat geen uitstel gedoogde. Dick Sand begaf zich naar de kajuit van den kapitein en haalde daar de kaart waarop het bestek den vorigen dag juist was aangegeven. Hij kon dus Mevr. Weldon toonen dat de schoener-brik zich op 43° 35′ breedte en op 164° 13′ lengte bevond, want sedert vier-en-twintig uren was zij nagenoeg stationnair gebleven.
Mevr. Weldon had zich over deze kaart heengebogen. Zij zag de bruine tint die de aarde, rechts van den uitgestrekten Oceaan moest voorstellen. Het was het kustland van Zuid-Amerika, dat als een onmetelijke slagboom, van Kaap Hoorn af tot aan de stranden van Columbia toe, tusschen de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan geworpen is. Bij de beschouwing van deze kaart, waarop een gansche oceaan was afgebeeld, kwam onwillekeurig de gedachte bij haar op dat het zeer gemakkelijk zoude zijn de passagiers van denPelgrimnaar hun vaderland terug te brengen. Dit is een zinsbedrog dat zich steeds bij iedereen voordoet die niet bekend is met de schalen waarnaar de zeekaarten vervaardigd worden Werkelijk scheen het Mevr. Weldon toe dat het land in het gezicht moest zijn, zooals het op dit stuk papier was.
En evenwel zou dePelgrimte midden van dit witte stuk papier, op zijn juiste schaal afgebeeld, kleiner geweest zijn dan het allerkleinste der infusiediertjes! Dit mathematische punt, zonder waarneembare afmetingen, zou als verloren beschouwd zijn, zooals het werkelijk het geval was, in de onmetelijkheid van de Stille Zuidzee!
Dick Sand zelf had niet denzelfden indruk als Mevr. Weldon ondervonden. Hij wist dat het land ver verwijderd was en dat honderden mijlen niet voldoende waren om den afstand, die het van hen scheidde, te meten. Maar zijn besluit was genomen: Hij was een man geworden door de verantwoordelijkheid, die op zijn schouders rustte.
Het oogenblik om te handelen was gekomen. Men moest van deze bries uit het noord-oosten, die aanwakkerde, gebruik maken. De tegenwind had eindelijk voor een gunstigen wind plaats gemaakt en eenige “cyrrhus” wolken, hier en daar aan de kim opkomende, wezen aan dat hij althans gedurende eenigen tijd zou aanhouden.
Dick Sand riep Tom en zijn kameraden.
“Mijne vrienden,” zoo sprak hij hun toe, “ons schip heeft geen andere equipage meer dan u. Zonder uwe hulp kan ik het niet besturen. Ge zijt wel geen zeelieden, maar ge hebt goede armen: Stelt ze dan ten dienste van denPelgrim, dan zullen we hem kunnen besturen. Ons aller heil is er mede gemoeid dat alles goed gaat aan boord.”
“Mijnheer Dick,” antwoordde Tom, “ik en mijn kameraden, wij zijn uwe matrozen. Aan goeden wil zal het ons niet ontbreken. Alles wat mannen vermogen, door u aangevoerd, zal gedaan worden.”
“Goed gesproken, oude Tom,” zei Mevr. Weldon.
“Ja, goed gesproken,” hernam Dick Sand, “maar we moeten voorzichtig zijn en ’k zal niet alle zeilen laten bijzetten,om niets in de waagschaal te stellen. Een beetje minder snelheid, maar meer veiligheid in acht te nemen, wordt ons dringend door de omstandigheden geboden. ’k Zal u aanwijzen, mijne vrienden, wat iedereen te doen staat. Wat mij betreft, ik blijf aan ’t roer, zoolang ik door vermoeidheid niet genoodzaakt wordt het over te geven. Eenige uren slaap van tijd tot tijd zijn voldoende om me weer in orde te brengen. Maar gedurende dien tijd, moet een van u me vervangen. Tom, ’k zal je wijzen hoe men op het kompas stuurt. ’t Is niet moeielijk en met een weinig oplettendheid, zult ge spoedig goed kunnen sturen.”
“Zoodra u maar wilt, mijnheer Dick,” antwoordde de oude neger.
“Komaan,” antwoordde de leerling, “blijf bij mij, aan het roer tot van avond en als ik door den slaap overmand mocht worden, zul je me al spoedig eenige uren kunnen vervangen.”
“En ik,” zei de kleine Jack, “kan ik onzen vriend Dick ook niet een handje helpen?”
“Ja, lief kind,” antwoordde Mevr. Weldon, terwijl zij Jack in hare armen drukte, “jij zult ook leeren sturen, en ’k geloof zeker dat, zoolang jij aan ’t roer zult staan, we goeden wind zullen hebben!”
“Zeker! Zeker! moeder, ’k beloof het u!” antwoordde de kleine jongen in de handen klappende.
“Ja,” zei de jeugdige leerling glimlachende, “het spreekwoord: ‘de goede scheepsjongens weten een goeden wind te houden,’ is bij onze zeelieden zeer bekend!”
Daarna wendde hij zich tot Tom en de andere negers: “Mijne vrienden,” zei hij, “we zullen volbrassen. Doe maar wat ik je zeggen zal.”
“Tot uw dienst,” antwoordde Tom, “tot uw dienst, kapitein Sand.”
Dick Sand was dus nu de kapitein van denPelgrim, en, zonder een oogenblik te verliezen, nam hij de noodige maatregelen om zeil te zetten.
Het spreekt van zelf dat slechts één hoop de passagiers kon bezielen, die namelijk, om de een of andere haven op de Amerikaansche kust te bereiken, zooal niet Valparaiso. Wat Dick Sand dacht te doen, was den koers en de vaart van den Pelgrim op te teekenen en er een gemiddelde uit op te maken. Daartoe was het voldoende elken dag, zooals wij reeds zeiden, door middel van de log en het kompas den afgelegden weg op de kaart af te zetten. Er bevond zich juist een van die “patentlogs”, met wijzers en een schroef aan boord, die voor een bepaalden tijd de juiste snelheid aangeven. Dit nuttig instrument, zeer gemakkelijk in ’t gebruik, kon de grootste diensten bewijzen, en daarbij waren de negers volkomen in staat het te behandelen.
Een enkele bron van dwaling zou er altijd blijven bestaan,—de stroomen. Om haar te bestrijden, waren de log en het kompas onvoldoende, alleen de astronomische waarnemingen zouden er een juiste rekening van hebben kunnen geven. Maar de leerling was nog niet in staat deze waarnemingen te doen.
Dick Sand had er een oogenblik over gedacht om met den Pelgrim naar Nieuw-Zeeland te stevenen. De overtocht zou niet zoo lang geweest zijn en voorzeker zou hij het gedaan hebben, indien de wind, die tot nog toe tegen geweest was, niet gunstig was geworden.
Het was dus beter den steven naar Amerika te wenden.
En werkelijk was de wind gedraaid en woei nu uit het noord-westen, met neiging om aan te wakkeren. Men moest er dus gebruik van maken en zooveel mogelijk spoed maken.
Dick Sand maakte zich dus gereed om denPelgrimzijn koers te doen vervolgen.
Op een schoenerbrik draagt de fokkemast vier vierkante zeilen; de fok, aan den ondermast; boven, het marszeil, aan de marssteng; verder aan de bramsteng, een bramzeil en een bovenbramzeil.
De groote mast is daarentegen minder van zeilen voorzien. Achter den ondermast heeft hij slechts een brikzeil en daarboven een gaftopzeil.
Tusschen deze twee masten, aan de stagen, die ze van voren steunen, kanmen nog een driedubbele verdieping van driehoekige zeilen aanbrengen.
Eindelijk, op den voorsteven, aan den boegspriet en haar kluifhout worden de drie stagzeilen bevestigd.
De stagzeilen, het brikzeil, het topzeil, de tusschenstagzeilen zijn gemakkelijk te behandelen. Zij kunnen van dek af geheschen worden, zonder dat het noodig is in den mast te klimmen, omdat zij niet aan de raas bevestigd worden met beslagseizings, die men eerst moet losmaken.
Integendeel vordert het zetten der vierkante zeilen meerdere oefening. Het is toch noodig, als men ze wil bijzetten, hetzij in de mars van den fokkemast te klimmen, hetzij op de bramzaling, hetzij in het bramwant van genoemden mast,—en dat zoowel om ze los te maken of ze te bergen, als om hunne oppervlakte te verkleinen door ze te reven. Daarvoor is men dan verplicht op de paarden te loopen,—beweeglijke touwen onder de raas gespannen,—met ééne hand te werken en zich met de andere vast te houden, een gevaarlijke manoeuvre voor iedereen die het niet gewoon is. Het slingeren en stampen van het schip, het slaan der zeilen bij een flinke bries, doen gemakkelijk een man over boord slaan. Men kan zich voorstellen dat dergelijke gymnastische toeren voor Tom en zijn kameraden zeer gevaarlijk waren.
Zeer gelukkig was de wind gematigd en het slingeren en het stampen niet hevig.
Toen Dick Sand, op het signaal van kapitein Hull, zich naar het tooneel van de ramp begeven had, lag dePelgrimalleen onder zijn tusschenstagzeilen, brikzeil en marszeil. Om zoo spoedig mogelijk voltebrassen, had Dick niets anders te doen dan het voortuig om te halen, waarbij de negers hem gemakkelijk geholpen hadden. De zeilen moesten dus nu kant worden gezet en om alles bij te zetten, het bramzeil, het gaftopzeil en de stagzeilen worden geheschen.
“Vrienden,” zei de leerling tot de vijf negers, “als ge doet wat ik commandeer, zal alles goed gaan.”
Dick Sand was aan het stuurrad gebleven.
“Hola Tom,” riep hij, “vier gauw dat touw af!”
“Afvieren....?” zei Tom, die niets van deze uitdrukking begreep.
“Ja.... maak het maar los!—En jij ook, Bat!.... Goed zoo!.... Haal aan.... Kom, trekken!”
“Zoo goed?” zei Bat.
“Ja, goed zoo. Best!.... Kom, flink aangepakt!”
Om tot Hercules te zeggen: “flink aangepakt!” was misschien onvoorzichtig. De reus deed een ruk om alles ’t onderste boven te halen.
“Niet zoo hard, mijn jongen!”riep Dick Sand glimlachend. “Je zult ’t geheele want naar beneden trekken!”
”’k Heb nauwelijks getrokken,” antwoordde Hercules.
“Nu, doe maar alsof je trekt! Je zult zien dat dat genoeg is!.... Goed, laat schieten.... vier.... Leg vast.... goed zoo!.... Goed! Haal de brassen aan....”
En het geheele Vaartuig welks bakboordsbrassen los lagen, ging langzaam aan ’t draaien. De wind, de zeilen nu doende zwellen, deelde aan het schip een zekere snelheid mede.
Dick Sand liet toen de voorschooten afvieren. Daarna riep hij de negers op het achterdek.
“Ziezoo, vrienden, dat heb jelui er eens goed afgebracht! Nu moeten we ons met het groottuig bezig houden. Maar breek niets, Hercules.”
“Ik hoop het niet,” antwoordde de kolos, zonder zich tot iets meer te willen verbinden.
Deze tweede manoeuvre was nog al gemakkelijk. Nadat de boomschoot zachtjes gevierd was geworden, nam het brikzeil den wind beter op en voegde het zijn machtige werking bij die van de voorzeilen.
Nu werd het topzeil geheschen, en daar het eenvoudig gegeid was, had men slechts het val door te halen. Maar Herkules trok zoo goed, geholpen door zijn vriend Actéon, zonder nog den kleinen Jack mede te rekenen, die zich bij hen gevoegd had, dat het touw glad afbrak.
Alle drie vielen omver,—gelukkig zonder zich te bezeeren. Jack was verrukt!
“Dat’s niets, dat’s niets!” riep de leerling. “Knoop voorloopig de twee einden aan elkaar en hijsch dan zachtjes aan.”
Dit werd onder de oogen van Dick Sand verricht, zonder dat hij het roer nog had verlaten. DePelgrimliep reeds snel voor den wind, met den steven naar het oosten gewend en er was op ’t oogenblik niets anders te doen dan hem in deze richting te houden. Niets gemakkelijker, daar de wind handelbaar was en men voor gieren of afvallen niet behoefde te vreezen.
“Goed, vrienden!” zei de leerling. “Vóór het einde van den overtocht, zult ge goede zeelieden zijn!”
“We zullen ons best doen, kapitein Sand,” antwoordde Tom.
Ook Mevr. Weldon maakte haar compliment aan de goede menschen.
Zelfs de kleine Jack kreeg zijn deel in de lofspraak, want hij had aardig meegewerkt.
”’k Geloof, jongeheer Jack,” zei Hercules glimlachend, “dat u eigenlijk het touw stuk hebt getrokken! Welke flinke sterke vuistjes hebt u! Zonder u waren we er niet gekomen!”
En de kleine Jack, zeer trotsch op zich zelven, schudde krachtig de hand van zijn vriend Hercules.
Evenwel ontbraken er aan de uitgespannen zeilen nog eenige die vooral bij het zeilen vóór den wind niet te versmaden zijn. Vooral de bovenzeilen, als het bramzeil, het bovenbramzeil, de stagzeilen moesten allen het hunne toebrengen om den gang van de schoener-brik te versnellen, en Dick Sand besloot daarom ze mede bij te zetten.
Deze manoeuvre moest moeielijker zijn dan de andere, niet wat de stagzeilen aangaat, die van het dek geheschen en aangehaald konden worden, maar wat betreft de vierkante zeilen. Men moest naar de bramzaling om ze los te maken, en Dick Sand, die niemand van zijn geïmproviseerde bemanning in gevaar wilde brengen, deed het liever zelf.
Hij riep dus Tom en plaatste hem aan het stuurrad, terwijl hij hem aantoonde hoe hij moest sturen. Toen vervolgens Hercules, Bat, Actéon, Austin allen geplaatst waren, deze aan den bovenbramval, gene aan den bramval, ging hij het want in. Het openteren langs de weeflijnen van het onderwant, en langs het puttingwant en het stengwant de bramzaling te bereiken, dat alles was slechts spel voor Dick. In één minuut, was hij op het paard van de bramra en maakte de beslagseizings los die het zeil bestigd hielden.
Daarna ging hij naar den hommer en vierde op de bovenbramra snel het bramzeil.
Nadat Dick Sand zijn werk verricht had, greep hij een der pardoens aan stuurboordszij en liet zich op het dek glijden.
Op zijn aanwijzingen werden nu de twee schooten flink aangehaald en bevestigd en daarna de twee raas opgeheschen. Nadat vervolgens de stagzeilen tusschen den grooten mast en den fokkemast bijgezet waren, was ook deze manoeuvre geëindigd.
Dezen keer had Hercules niets gebroken.
DePelgrimhad nu al de zeilen bij, die zijn tuig uitmaakten. Wel had Dick Sand er nog de lijzeilen aan bakboordszijde kunnen bijvoegen, maar dit was een moeilijke manoeuvre in de omstandigheden waarin zij verkeerden, en indien men ze in geval van een windvlaag had moeten bergen, zou men het niet haastig genoeg hebben kunnen doen. De leerling bepaalde er zich dus bij.
Tom werd toen van zijn post aan het roer afgelost, dat Dick Sand weder ter hand nam.
De bries wakkerde aan. DePelgrim, die aan stuurboordszij een weinig overhelde, gleed snel over de oppervlakte der zee en liet slechts een vlak kielwater achter, dat voor de zuiverheid van zijn waterlinie getuigde.
“Nu zijn wij op den goeden weg, mevrouw Weldon,” zei Dick Sand, “en nu geve God dat we dien gunstigen wind behouden!”
Mevrouw Weldon drukte de hand van den leerling. Daarna ging zij, vermoeid van al de aandoeningen die zij in het laatste uur beleefd had, naar haar kajuit terug en verzonk in een soort van diepe sluimering die toch geen slaap was.
De nieuwe bemanning bleef op den bak van de schoenerbrik, gereed om de bevelen van Dick Sand uit te voeren, namelijk om de zeilen te wijzigen naar de veranderingen van den wind; maar, zoolang de bries dezelfde kracht en richting bleef behouden, zou er niets te doen zijn.
Maar, waar zat toch al dien tijd neef Benedictus?
Neef Benedictus hield zich met de loupe in de hand bezig met de studie van een geleed insect dat hij eindelijk aan boord ontdekt had, een eenvoudig insect tot de orthoptera behoorende (rechtvleugeligen), welks kop onder den prothorax verborgen is, een insect met platte bovenvleugels, een ronden buik en vrij lange vleugels, dat tot de familie der kakkerlakken en tot de soort der Amerikaansche kakkerlakken behoorde.
Hij had deze ontdekking gedaan, juist toen hij in de kombuis van Negoro aan ’t snuffelen was, en op het oogenblik dat de kok op punt stond het insect onmeedoogend plat te trappen. Vandaar boos worden van neef Benedictus, waarbij Negoro trouwens zeer onverschillig bleef.
Maar.... wist neef Benedictus welke verandering aan boord had plaats gehad van het oogenblik af dat kapitein Hull en zijn metgezellen op die noodlottige vangst van den walvisch waren uitgegaan? Ongetwijfeld. Hij was zelfs aan het dek, toen dePelgrimin het gezicht kwam van de overblijfselen der walvischsloep. De equipage van de schoenerbrik was dus onder zijn oogen omgekomen.
Nu zouden wij hem van groote ongevoeligheid beschuldigen, als wij zeiden dat deze ramp hem niet had getroffen. Ongetwijfeld was ook zijn hart bewogen geworden door diep medelijden met zijn evenmensch. En evenzeer was hij ontroerd over den toestand waarin zijne nicht nu verkeerde. Hij had de hand van Mevr. Weldon gedrukt, als om haar te zeggen: “Vrees niets! Ik blijf bij u!”
Daarna was neef Benedictus naar zijn hut teruggekeerd, zeker wel om na te denken over de gevolgen van dit zoo droevig ongeluk en de krachtige maatregelen die genomen moesten worden.
Maar onderweg had hij den kakkerlak ontmoet, en daar hij tegen het oordeel van eenige entomologen in, beweerde dat de kakkerlakken van zekere soort, merkwaardig door hunne kleur, gewoonten hebben, zeer verschillende van de eigenlijke kakkerlakken, had hij zich dadelijk aan het werk gezet, vergetende dat er ooit een kapitein Hull geweest was, die het bevel over denPelgrimvoerde en dat die ongelukkig met zijn bemanning was omgekomen!