Derde Zang.

Derde Zang.De Tweede der Drie Geesten.Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem door Jacob Marley’s tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig gemaakt worden.Heeren die tot het genus “gladde, gewikste lui” behooren, die er zich op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen dat ze voor alles te vinden zijn, van“kruis of munt,” tot manslag toe; tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven, toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang dat hij een interessant geval van “spontane verbranding” voorstelde, zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten laatste begon hij te bedenken—zooals gij of ik dit dadelijk zouden gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat, die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben ook—ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had, stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur.Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge’s hand den knop aanvatte, riep een vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit deed hij.Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in Scrooge’s tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters, heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen, lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus, grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig om de deur stak.“Kom binnen,” riep de Geest uit. “Kom binnen! en leer me wat beter kennen, menschenkind!”Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen Geest hangen.Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun blik toch liever niet ontmoeten.“Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden,” zei de Geest. “Bekijk me maar es goed!”Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af; open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij was geheel doorvreten van den roest.“Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!” riep de Geest uit.“Nooit,” antwoordde Scrooge.“Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel (want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de laatste jaren geboren werden?” vervolgde het spook.“Ik geloof het niet,” zei Scrooge. “Ik vrees van niet. Hebt ge veel broeders, Geest?”“Meer dan achttienhonderd,” zei de Geest.“Een geweldig gezin om te onderhouden!” mompelde Scrooge.De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.“Geest,” zeide Scrooge onderworpen, “leid mij waarheen ge wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt.”“Raak mijn kleed aan!”Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild, gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes, oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen, waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder, afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken, en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste straten stonden vol dikke vuile mist,half ontdooid, half bevroren, welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes, alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem te overschaduwen.Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een sneeuwbal—een goediger projectiel dan menige met woorden geuite grap—hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde, dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen, terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid, deden denken aanoude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk, plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur van vruchten waren geplaatst, en voor ’t overige leden van een dom, koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was, en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend, hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid.Maar de kruidenierswinkels! O, die kruidenierswinkels! bijna geheel gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen; doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren, als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk, de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker, zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en weekwaren, of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak, vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen, en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken als ze wilden.Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten, in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten.En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen,een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was!Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen te koken.“Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw’ toorts sprenkelt?” vroeg Scrooge.“Zeker, mijn eigene.”“Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?”“Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van een’ arme.”“Waarom op dat van een arme het meest?” vroeg Scrooge.“Omdat die het ’t meest noodig heeft.”“Geest,” zei Scrooge na eenig nadenken, “wat me verwondert is, dat juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen, de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken.”“Ik!” riep de Geest uit.“Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd kunnen worden te eten,” zeide Scrooge. “Is dit niet zoo?”“Ik!” riep de Geest uit.“Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?” zeide Scrooge. “En dat komt op ’t zelfde neer.”“Ik zou trachten...!” riep de Geest uit.“Vergeef me als ik ’t mis heb. Het is toch in uw’ naam geschied of tenminste in dien van uw geslacht,” zeide Scrooge.“Er leven op deze onze aarde,” antwoordde de Geest, “enkelen die beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots, haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn, alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste, en niet ons, geesten van het Kerstfeest.”Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar, zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen, en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste de beste hooge ruime hal.En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige, hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar het huis van Scrooge’s klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob had maar vijftien “bob” (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds slechtsvijftien exemplaren van zijn doopnaam in z’n zak; en tòch zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond!Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit’s vrouw, die slechts armelijk gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent; en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak, en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn’ zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, ’n jongen en een meisje, binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden.“Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven,” zeide juffrouw Cratchit. “En je broertje,kleineTim; en je zuster Martha was op geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis.”“Daar is Martha al, moeder!” riepen de twee jonge Cratchits. “O, d’r is zoo’n groote gans, Martha!”“Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!” zeide juffrouw Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar aannemend met behulpzamen ijver.“Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken,” antwoordde het meisje, “en we moesten van morgen opruimen, moe!”“Nou, ’t is niks, nu je er maar bent!” zeide juffrouw Cratchit. “Ga voor ’t vuur zitten, lieve, en warm je es.”“Nee, nee! Daar komt vader,” riepen de twee jonge Cratchits, die overal tegelijk waren. “Verstop je, Martha, verstop je!”En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim, hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door een ijzeren beugel!“Wel, waar is Martha?” riep Bob Cratchit, overal rondkijkend.“Die komt niet,” zeide juffrouw Cratchit.“Kòmt die niet?” zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn vroolijke stemming; want hij was Tim’s raspaard geweest heelemaal van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. “Komt ze nièt op Kèrstdag?”Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits kleineTim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok, om de pudding te hooren zingen in den aker.“En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?” vroeg juffrouw Cratchit, toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne dochter naar hartelust gepakt had.“Als goud en nog beter,” zeide Bob. “Ik weet niet hoe het komt, maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen gezond en de blinden ziende maakte.”Bob’s stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden.Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,—alsof ze nog kaler konden worden, arme duivel—in een kan een heet mengsel maakte van jenever en citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen.En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij een zwartezwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus (die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste; jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie; jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend, stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met het heft van zijn mes en riep zwakjes: “hoerah!”Nooit had je zoo’n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat er ooit zoo’n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak, zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eensallemaal opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer—te zenuwachtig om getuigen mede te nemen—om de pudding op te doen en binnen te brengen.Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen werden er geopperd.Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden, met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel, hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was.Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er geen bloemgenoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken, doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo iets te zinspelen.Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit’s elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit: twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor.Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in:“Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!”Wat de geheele familie hem na-zei.“God zegene ons allemaal!” zei kleine Tim het laatst van allen.Hij zat heel dicht naast zijn’ vader op zijn kleine kruk. Bob hield het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad, en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem ontnomen zou worden.“Geest,” zei Scrooge, met eene belangstelling zooalshij nooit te voren gevoeld had, “zeg of kleine Tim zal blijven leven.”“Ik zie een ledige plaats,” hernam de Geest, “in het hoekje van den haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst, zal het kind sterven.”“O, neen, neen,” zei Scrooge. “O neen, goede Geest! zeg dat hij gespaard zal blijven!”“Als de Toekomst deze schimmen niet verandert,” ging de Geest voort, “zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert hij meteen de overbevolking.”Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen, liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw.“Mensch”—vervolgde de Geest—“als je werkelijk in je hart een mensch en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!—te moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel “leven” is onder zijn hongerige broeders in het stof!”—Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij zijn naam hoorde noemen.“Meneer Scrooge!” zeide Bob. “Ik ga een toastuitbrengen op meneer Scrooge, den stichter van het feest.”“De stichter van het feest! ’t mocht wat!” riep juffrouw Cratchit uit, rood wordend van ergernis. “Ik wou dat ik ’em hier had. Dan zou ik hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik hoop dat hij er goeden trek in zou hebben.”“Lieve,” zeide Bob, “denk om de kinderen; Kerstdag.”“Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van zoo’n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!”“Lieve,” was Bob’s zachte antwoord, “Kerstdag.”“Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag,” zeide juffrouw Cratchit, “maar niet om ’mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!—hij zal beslist wel erg vroolijk en erg gelukkig zijn!”De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen.Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op ’t oog had voor jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig per week zouinbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door, alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha, die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte, en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren, en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje en zong zijn liedje heel goed.In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig, dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge keek naarhen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen.Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje, met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen des huizes om ’t hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet, en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen met kappen over ’t hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar—dat wisten die schalken wel,—met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge hadt willen oordeelen naar de massa’s menschen die allen op weg waren naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de Geest voorbijging. Maar—dat de Kerstgeest hem nabij, jain hem was, wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook Scrooge was voorbij geloopen!En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa’s ongehouwen steen in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde—of liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had gehouden—en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten, die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.“Wat is dit voor een plaats?” vroeg Scrooge.“Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde werken,” antwoordde de Geest. “Doch zij kennen mij. Kijk maar!”Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw, met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na, allen in feestdos.Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied, van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne plotselinge energie weder.De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijnkleed vast te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar zéé. Tot Scrooge’s ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen aanwendde om de aarde te ondermijnen.Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame vuurtoren. Groote massa’s zeewier hadden zich aan zijn voet vastgehecht, en stormvogels—door den wind gebaard, kon men denken, zooals het zeewier door het water—rezen en daalden er rondom, als de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht, zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee, voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naastde officieren die de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen, goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen, en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.Het was tot Scrooge’s groote verbazing dat hij, terwijl hij nog luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het was tot Scrooge’s groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog, prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.“Ha, ha!” lachte Scrooge’s neef. “Ha, ha, ha!”Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een vroolijker lach dan Scrooge’s neef, dan is het eenige wat ik zeggen kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor, en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo aanstekelijk is als lachen engoedgehumeurdheid. Als Scrooge’s neef aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge’s aangetrouwde nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets bij hen achter en brulden lustig mede.“Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!”“Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef, dat zei hij!” riep Scrooge’s neef. “En hij geloofde ’t zelf!”“Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!” zeide Scrooge’s nicht verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt scheen gekust te worden—wat het zonder twijfel dan ook werd; en het zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo’n klein schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk, en sympathiek!”“Een grappige oude man,” zeide Scrooge’s neef, “dat is een feit; en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van hem spreken, hoor!”“Hij zit er erg warmpjes in, Fred,” zeide Scrooge’s nicht. “Tenminste dat zeg jij altijd.”“Nu, en wat zou dat, lieve!” zeide Scrooge’s neef. “Hij kan toch geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed mede. En ook zichzelfmaakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha, ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens goed mee zal doen.”“Ik kan hem niet uitstaan,” merkte Scrooge’s nicht op.De zusters van Scrooge’s nicht en al de andere dames waren van dezelfde meening.“Och, ik wel!” zeide Scrooge’s neef. “Ik heb medelijden met hem; ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet, is toch niet veel zaaks.”“Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet,” viel Scrooge’s nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp om den haard zaten.“Nou, ’t doet me pleizier dat te hooren,” zeide Scrooge’s neef, “omdat ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat zeg jij er van, Topper?”Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van Scrooge’s nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge’s nicht, de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.“Ga nu door Fred,” zeide Scrooge’s nicht in harehanden klappend, “Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo’n rare jongen!”Scrooge’s neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.“Ik wou maar zeggen,” zei Scrooge’s neef, “dat het gevolg van zijn hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: “Oom Scrooge, hoe gaat het?” Al bracht ’t hem alleen maar in de stemming van zijn armen klerk vijftig pond na te laten, dan zou ’t toch wàt gegeven hebben, en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb.”Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de flesch door.Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale familie en ze wisten wel wat zededen, toen ze een lied met een canon1zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper, die met z’n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van werd. Scrooge’s nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind, dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had, hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd, en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was, dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is, dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge’s neef,en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat, zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen, ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben alsof hij trachtte u te grijpen—wat een beleediging zou zijn geweest van uw inzicht—en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht, toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk achter de overgordijnen zaten. Scrooge’s nicht deed niet mee aan ’t blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet, met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de Geest en Scrooge vlakachter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was, met al de letters van het alphabet.2En zeer bedreven, en versloeg hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge’s neef; en toch waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien, en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.“Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen,” zeide Scrooge. “Nog één klein half uurtje, Geest, nog maar één!”Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge’s neef aan iets denken moest, en de overigenmoesten zien te vinden waaraan hij dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde, naar het geval vereischte.Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel, of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken, of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd, barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken staat als hij geraakt was, uit:“Ik heb ’t! Ik weet wat ’t is, Fred! Ik weet wat ’t is!”“Nou wat is ’t dan?” riep Fred.“’t Is je oom Scro-o-o-o-ge!”En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen, hoewel sommigen opperden dat het antwoord op “is het een beer?” “ja” behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige neiging dien kant uit gehad hadden.“Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft,” zei Fred, “en het zou ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink hier op hem met eenglas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat hij: Oom Scrooge!”“Nu goed dan, oom Scrooge!” riepen allen.“Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man toegewenscht, wat hij ook zijn moge!” zeide Scrooge’s neef. “Hij wilde mijn wensch niet aannemen, maar ’t is hem tòch gegund. Oom Scrooge; daar ga je!”Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden, dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds weder op reis.Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij, doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden, en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen, en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd, dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd, klaarblijkelijk ouder. Scrooge wasdeze verandering niet ontgaan, doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het haar van den Geest grijs was.“Is het leven van Geesten zóó kort?” vroeg Scrooge.“Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort,” antwoordde de Geest. “Vanavond loopt het af.”“Vanavond!” riep Scrooge.“Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert.”De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.“Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag,” zeide Scrooge, aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, “maar ik zie iets vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed uitsteken. Is het een voet of een klauw?”“Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch dat er opzit,” antwoordde de Geest pijnlijk. “Zie hier.”Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige, vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.“O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!” riep de Geest uit. Het waren een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des ouderdoms, hengeknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje en meisje.Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren, doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.“Geest, zijn dit uwe kinderen?” was alles wat Scrooge kon uitbrengen.“Zij zijn Menschen-kinderen,” zeide de Geest op hen neerziend. “En zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis, tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg,” riep de Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. “Beschimp hen die ’t u verzekeren. Geef ’t toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!”“Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?” riep Scrooge uit.“Zijn er geen gevangenissen?” zei de Geest, zich voor de laatste maal tot hem wendend met Scrooge’s eigen woorden. “Zijn er geen werkhuizen?”De klok sloeg twaalf.Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend, op zich toe komen.1Meerstemmig koraal.2Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.: Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem (haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden, geeft een pand.

Derde Zang.De Tweede der Drie Geesten.Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem door Jacob Marley’s tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig gemaakt worden.Heeren die tot het genus “gladde, gewikste lui” behooren, die er zich op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen dat ze voor alles te vinden zijn, van“kruis of munt,” tot manslag toe; tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven, toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang dat hij een interessant geval van “spontane verbranding” voorstelde, zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten laatste begon hij te bedenken—zooals gij of ik dit dadelijk zouden gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat, die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben ook—ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had, stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur.Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge’s hand den knop aanvatte, riep een vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit deed hij.Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in Scrooge’s tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters, heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen, lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus, grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig om de deur stak.“Kom binnen,” riep de Geest uit. “Kom binnen! en leer me wat beter kennen, menschenkind!”Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen Geest hangen.Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun blik toch liever niet ontmoeten.“Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden,” zei de Geest. “Bekijk me maar es goed!”Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af; open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij was geheel doorvreten van den roest.“Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!” riep de Geest uit.“Nooit,” antwoordde Scrooge.“Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel (want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de laatste jaren geboren werden?” vervolgde het spook.“Ik geloof het niet,” zei Scrooge. “Ik vrees van niet. Hebt ge veel broeders, Geest?”“Meer dan achttienhonderd,” zei de Geest.“Een geweldig gezin om te onderhouden!” mompelde Scrooge.De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.“Geest,” zeide Scrooge onderworpen, “leid mij waarheen ge wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt.”“Raak mijn kleed aan!”Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild, gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes, oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen, waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder, afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken, en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste straten stonden vol dikke vuile mist,half ontdooid, half bevroren, welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes, alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem te overschaduwen.Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een sneeuwbal—een goediger projectiel dan menige met woorden geuite grap—hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde, dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen, terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid, deden denken aanoude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk, plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur van vruchten waren geplaatst, en voor ’t overige leden van een dom, koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was, en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend, hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid.Maar de kruidenierswinkels! O, die kruidenierswinkels! bijna geheel gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen; doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren, als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk, de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker, zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en weekwaren, of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak, vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen, en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken als ze wilden.Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten, in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten.En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen,een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was!Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen te koken.“Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw’ toorts sprenkelt?” vroeg Scrooge.“Zeker, mijn eigene.”“Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?”“Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van een’ arme.”“Waarom op dat van een arme het meest?” vroeg Scrooge.“Omdat die het ’t meest noodig heeft.”“Geest,” zei Scrooge na eenig nadenken, “wat me verwondert is, dat juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen, de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken.”“Ik!” riep de Geest uit.“Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd kunnen worden te eten,” zeide Scrooge. “Is dit niet zoo?”“Ik!” riep de Geest uit.“Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?” zeide Scrooge. “En dat komt op ’t zelfde neer.”“Ik zou trachten...!” riep de Geest uit.“Vergeef me als ik ’t mis heb. Het is toch in uw’ naam geschied of tenminste in dien van uw geslacht,” zeide Scrooge.“Er leven op deze onze aarde,” antwoordde de Geest, “enkelen die beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots, haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn, alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste, en niet ons, geesten van het Kerstfeest.”Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar, zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen, en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste de beste hooge ruime hal.En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige, hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar het huis van Scrooge’s klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob had maar vijftien “bob” (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds slechtsvijftien exemplaren van zijn doopnaam in z’n zak; en tòch zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond!Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit’s vrouw, die slechts armelijk gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent; en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak, en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn’ zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, ’n jongen en een meisje, binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden.“Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven,” zeide juffrouw Cratchit. “En je broertje,kleineTim; en je zuster Martha was op geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis.”“Daar is Martha al, moeder!” riepen de twee jonge Cratchits. “O, d’r is zoo’n groote gans, Martha!”“Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!” zeide juffrouw Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar aannemend met behulpzamen ijver.“Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken,” antwoordde het meisje, “en we moesten van morgen opruimen, moe!”“Nou, ’t is niks, nu je er maar bent!” zeide juffrouw Cratchit. “Ga voor ’t vuur zitten, lieve, en warm je es.”“Nee, nee! Daar komt vader,” riepen de twee jonge Cratchits, die overal tegelijk waren. “Verstop je, Martha, verstop je!”En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim, hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door een ijzeren beugel!“Wel, waar is Martha?” riep Bob Cratchit, overal rondkijkend.“Die komt niet,” zeide juffrouw Cratchit.“Kòmt die niet?” zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn vroolijke stemming; want hij was Tim’s raspaard geweest heelemaal van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. “Komt ze nièt op Kèrstdag?”Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits kleineTim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok, om de pudding te hooren zingen in den aker.“En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?” vroeg juffrouw Cratchit, toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne dochter naar hartelust gepakt had.“Als goud en nog beter,” zeide Bob. “Ik weet niet hoe het komt, maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen gezond en de blinden ziende maakte.”Bob’s stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden.Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,—alsof ze nog kaler konden worden, arme duivel—in een kan een heet mengsel maakte van jenever en citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen.En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij een zwartezwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus (die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste; jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie; jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend, stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met het heft van zijn mes en riep zwakjes: “hoerah!”Nooit had je zoo’n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat er ooit zoo’n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak, zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eensallemaal opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer—te zenuwachtig om getuigen mede te nemen—om de pudding op te doen en binnen te brengen.Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen werden er geopperd.Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden, met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel, hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was.Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er geen bloemgenoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken, doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo iets te zinspelen.Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit’s elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit: twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor.Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in:“Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!”Wat de geheele familie hem na-zei.“God zegene ons allemaal!” zei kleine Tim het laatst van allen.Hij zat heel dicht naast zijn’ vader op zijn kleine kruk. Bob hield het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad, en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem ontnomen zou worden.“Geest,” zei Scrooge, met eene belangstelling zooalshij nooit te voren gevoeld had, “zeg of kleine Tim zal blijven leven.”“Ik zie een ledige plaats,” hernam de Geest, “in het hoekje van den haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst, zal het kind sterven.”“O, neen, neen,” zei Scrooge. “O neen, goede Geest! zeg dat hij gespaard zal blijven!”“Als de Toekomst deze schimmen niet verandert,” ging de Geest voort, “zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert hij meteen de overbevolking.”Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen, liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw.“Mensch”—vervolgde de Geest—“als je werkelijk in je hart een mensch en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!—te moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel “leven” is onder zijn hongerige broeders in het stof!”—Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij zijn naam hoorde noemen.“Meneer Scrooge!” zeide Bob. “Ik ga een toastuitbrengen op meneer Scrooge, den stichter van het feest.”“De stichter van het feest! ’t mocht wat!” riep juffrouw Cratchit uit, rood wordend van ergernis. “Ik wou dat ik ’em hier had. Dan zou ik hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik hoop dat hij er goeden trek in zou hebben.”“Lieve,” zeide Bob, “denk om de kinderen; Kerstdag.”“Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van zoo’n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!”“Lieve,” was Bob’s zachte antwoord, “Kerstdag.”“Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag,” zeide juffrouw Cratchit, “maar niet om ’mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!—hij zal beslist wel erg vroolijk en erg gelukkig zijn!”De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen.Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op ’t oog had voor jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig per week zouinbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door, alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha, die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte, en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren, en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje en zong zijn liedje heel goed.In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig, dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge keek naarhen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen.Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje, met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen des huizes om ’t hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet, en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen met kappen over ’t hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar—dat wisten die schalken wel,—met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge hadt willen oordeelen naar de massa’s menschen die allen op weg waren naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de Geest voorbijging. Maar—dat de Kerstgeest hem nabij, jain hem was, wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook Scrooge was voorbij geloopen!En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa’s ongehouwen steen in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde—of liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had gehouden—en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten, die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.“Wat is dit voor een plaats?” vroeg Scrooge.“Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde werken,” antwoordde de Geest. “Doch zij kennen mij. Kijk maar!”Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw, met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na, allen in feestdos.Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied, van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne plotselinge energie weder.De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijnkleed vast te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar zéé. Tot Scrooge’s ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen aanwendde om de aarde te ondermijnen.Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame vuurtoren. Groote massa’s zeewier hadden zich aan zijn voet vastgehecht, en stormvogels—door den wind gebaard, kon men denken, zooals het zeewier door het water—rezen en daalden er rondom, als de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht, zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee, voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naastde officieren die de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen, goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen, en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.Het was tot Scrooge’s groote verbazing dat hij, terwijl hij nog luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het was tot Scrooge’s groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog, prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.“Ha, ha!” lachte Scrooge’s neef. “Ha, ha, ha!”Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een vroolijker lach dan Scrooge’s neef, dan is het eenige wat ik zeggen kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor, en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo aanstekelijk is als lachen engoedgehumeurdheid. Als Scrooge’s neef aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge’s aangetrouwde nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets bij hen achter en brulden lustig mede.“Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!”“Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef, dat zei hij!” riep Scrooge’s neef. “En hij geloofde ’t zelf!”“Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!” zeide Scrooge’s nicht verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt scheen gekust te worden—wat het zonder twijfel dan ook werd; en het zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo’n klein schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk, en sympathiek!”“Een grappige oude man,” zeide Scrooge’s neef, “dat is een feit; en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van hem spreken, hoor!”“Hij zit er erg warmpjes in, Fred,” zeide Scrooge’s nicht. “Tenminste dat zeg jij altijd.”“Nu, en wat zou dat, lieve!” zeide Scrooge’s neef. “Hij kan toch geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed mede. En ook zichzelfmaakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha, ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens goed mee zal doen.”“Ik kan hem niet uitstaan,” merkte Scrooge’s nicht op.De zusters van Scrooge’s nicht en al de andere dames waren van dezelfde meening.“Och, ik wel!” zeide Scrooge’s neef. “Ik heb medelijden met hem; ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet, is toch niet veel zaaks.”“Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet,” viel Scrooge’s nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp om den haard zaten.“Nou, ’t doet me pleizier dat te hooren,” zeide Scrooge’s neef, “omdat ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat zeg jij er van, Topper?”Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van Scrooge’s nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge’s nicht, de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.“Ga nu door Fred,” zeide Scrooge’s nicht in harehanden klappend, “Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo’n rare jongen!”Scrooge’s neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.“Ik wou maar zeggen,” zei Scrooge’s neef, “dat het gevolg van zijn hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: “Oom Scrooge, hoe gaat het?” Al bracht ’t hem alleen maar in de stemming van zijn armen klerk vijftig pond na te laten, dan zou ’t toch wàt gegeven hebben, en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb.”Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de flesch door.Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale familie en ze wisten wel wat zededen, toen ze een lied met een canon1zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper, die met z’n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van werd. Scrooge’s nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind, dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had, hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd, en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was, dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is, dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge’s neef,en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat, zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen, ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben alsof hij trachtte u te grijpen—wat een beleediging zou zijn geweest van uw inzicht—en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht, toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk achter de overgordijnen zaten. Scrooge’s nicht deed niet mee aan ’t blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet, met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de Geest en Scrooge vlakachter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was, met al de letters van het alphabet.2En zeer bedreven, en versloeg hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge’s neef; en toch waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien, en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.“Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen,” zeide Scrooge. “Nog één klein half uurtje, Geest, nog maar één!”Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge’s neef aan iets denken moest, en de overigenmoesten zien te vinden waaraan hij dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde, naar het geval vereischte.Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel, of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken, of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd, barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken staat als hij geraakt was, uit:“Ik heb ’t! Ik weet wat ’t is, Fred! Ik weet wat ’t is!”“Nou wat is ’t dan?” riep Fred.“’t Is je oom Scro-o-o-o-ge!”En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen, hoewel sommigen opperden dat het antwoord op “is het een beer?” “ja” behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige neiging dien kant uit gehad hadden.“Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft,” zei Fred, “en het zou ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink hier op hem met eenglas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat hij: Oom Scrooge!”“Nu goed dan, oom Scrooge!” riepen allen.“Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man toegewenscht, wat hij ook zijn moge!” zeide Scrooge’s neef. “Hij wilde mijn wensch niet aannemen, maar ’t is hem tòch gegund. Oom Scrooge; daar ga je!”Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden, dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds weder op reis.Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij, doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden, en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen, en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd, dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd, klaarblijkelijk ouder. Scrooge wasdeze verandering niet ontgaan, doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het haar van den Geest grijs was.“Is het leven van Geesten zóó kort?” vroeg Scrooge.“Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort,” antwoordde de Geest. “Vanavond loopt het af.”“Vanavond!” riep Scrooge.“Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert.”De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.“Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag,” zeide Scrooge, aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, “maar ik zie iets vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed uitsteken. Is het een voet of een klauw?”“Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch dat er opzit,” antwoordde de Geest pijnlijk. “Zie hier.”Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige, vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.“O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!” riep de Geest uit. Het waren een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des ouderdoms, hengeknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje en meisje.Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren, doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.“Geest, zijn dit uwe kinderen?” was alles wat Scrooge kon uitbrengen.“Zij zijn Menschen-kinderen,” zeide de Geest op hen neerziend. “En zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis, tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg,” riep de Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. “Beschimp hen die ’t u verzekeren. Geef ’t toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!”“Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?” riep Scrooge uit.“Zijn er geen gevangenissen?” zei de Geest, zich voor de laatste maal tot hem wendend met Scrooge’s eigen woorden. “Zijn er geen werkhuizen?”De klok sloeg twaalf.Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend, op zich toe komen.1Meerstemmig koraal.2Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.: Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem (haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden, geeft een pand.

Ontwakend uit een verbazend vasten slaap en in bed overeind gaande zitten om zijne gedachten wat te ordenen, hoefde Scrooge niet gezegd te worden dat de klok nogmaals op het punt stond één te slaan. Hij voelde dat hij nog juist bijtijds tot bewustzijn gekomen was, zuiver en alleen om eene conferentie te houden met den tweeden bode, die hem door Jacob Marley’s tusschenkomst toegezonden werd. Doch bemerkend dat hij onaangenaam koud werd toen hij erover begon te denken, welke van de gordijnen het nieuwe spook zou terzijde trekken, schoof hij ze allebei weg met eigen hand en weder gaande liggen, bleef hij goed rondkijken overal om het bed heen. Want hij wilde den Geest uitdagen zoodra deze verscheen, en wilde niet nogmaals overvallen en zenuwachtig gemaakt worden.

Heeren die tot het genus “gladde, gewikste lui” behooren, die er zich op beroemen dat ze de loopjes kennen en goed op de hoogte zijn, drukken hunne groote vertrouwdheid met allerlei avonturen uit door te zeggen dat ze voor alles te vinden zijn, van“kruis of munt,” tot manslag toe; tusschen welke twee uitersten nog een vrij groote hoeveelheid dingen ligt. Zonder volkomen hetzelfde van Scrooge te durven verklaren, zou ik toch wel zóó ver durven gaan u te doen gelooven dat hij klaar was voor een tamelijk groote hoeveelheid vreemde verschijningen, en dat niets tusschen een baby en een rhinoceros hem erg verbaasd zou hebben.

Daar hij dus op ongeveer àlles voorbereid was, was hij geenszins voorbereid op nièts; en dientengevolge begon hij hevig te beven, toen de klok Een sloeg, en er geen gedaante verscheen. Vijf minuten, tien minuten, een kwartier ging voorbij, en nog kwam er niets. Al dien tijd lag hij in bed, als middenpunt van een rossigen gloed, die op hem neerstroomde toen de klok het uur sloeg; en daar het slechts licht was en niets meer, was het nog onrustbarender dan een dozijn geesten, daar hij niet bij machte was uit te maken wat het beduidde of in het schild voerde; en hij was op sommige oogenblikken bang dat hij een interessant geval van “spontane verbranding” voorstelde, zonder den troost te bezitten te wéten of dit werkelijk zoo was. Ten laatste begon hij te bedenken—zooals gij of ik dit dadelijk zouden gedaan hebben, want het is altijd de stuurman die aan wal staat, die weet wat er gedaan had moeten worden en het gedaan zou hebben ook—ten laatste, zeg ik begon hij te bedenken dat de bron en het geheim van dit spookachtig licht zich in de aangrenzende kamer zou kunnen bevinden, vanwaar het, als hij het goed naging, scheen te komen. Toen dit denkbeeld zich geheel van hem meester gemaakt had, stond hij zachtjes op, en slofte op zijn pantoffels naar de deur.

Op hetzelfde oogenblik dat Scrooge’s hand den knop aanvatte, riep een vreemde stem hem bij den naam en verzocht hem binnen te komen. Dit deed hij.

Het was op zijn eigen kamer. Geen twijfel aan. Doch zij had een wonderbaarlijke gedaanteverwisseling ondergaan. De wanden en het plafond waren zoo rijkelijk met levend groen behangen, dat de kamer er volmaakt uitzag als een boschje, waaruit overal glanzende bessen glinsterden. De fijne, droge hulstbladen, mistletoe (vogellijm) en klimop weerkaatsten het licht, alsof er overal even zoovele kleine spiegeltjes aangebracht waren, en er ging zulk een kolossale gloed den schoorsteen in als deze oude mummie van een schouw nooit gekend had in Scrooge’s tijd of in dien van Marley, in vervlogen winters. Opgehoopt op den vloer bij wijze van troon, lagen kalkoenen, ganzen, wild gevogelte, ribbestukken, groote stukken vleesch, speenvarkentjes, lange kransen van worstjes, vleeschpasteien, pruimetaarten, vaatjes oesters, heete gepofte kastanjes, kerswangige appels, sappige sinaasappelen, lekkere zoete peren, kolossale Driekoningenbrooden en stoomende bowlen met punch, die de kamer wazig maakten van hun heerlijken damp. In behagelijke praal zat op dezen zetel een vroolijke Reus, grandioos om te zien, die een brandende toorts vasthield, in gedaante niet ongelijk een hoorn des overvloeds, en die haar hoog ophield, om haar licht op Scrooge te laten vallen, toen hij het hoofd voorzichtig om de deur stak.

“Kom binnen,” riep de Geest uit. “Kom binnen! en leer me wat beter kennen, menschenkind!”

Scrooge trad schoorvoetend binnen en liet het hoofd voor dezen Geest hangen.

Hij was niet meer de norsche Scrooge die hij geweest was, en hoewel de oogen van den Geest helder en vriendelijk waren, wilde hij hun blik toch liever niet ontmoeten.

“Ik ben de Geest van het Kerstfeest van heden,” zei de Geest. “Bekijk me maar es goed!”

Scrooge deed zulks eerbiedig. De Geest was gekleed in een enkel eenvoudig donkergroen gewaad of mantel, afgezet met wit bont. Dit kleedingstuk hing zóó los om zijne gestalte, dat de breede borst bloot was, alsof deze niet wilde bedekt of verborgen worden door eenig kunstmiddel. Zijn voeten, die zichtbaar waren onder de ruime plooien van het kleed, waren eveneens bloot, en op zijn hoofd droeg hij geen ander deksel dan een hulstkrans waarin hier en daar ijskegeltjes schitterden. Zijn donker-bruine krullen waren lang en hingen vrij af; open was ook zijn hartelijk gezicht, zijn schitterend oog, zijn open hand, zijn vroolijke stem en ongedwongen houding. Om zijn middel was een ouderwetsche schede gegord, doch er stak geen zwaard in, en zij was geheel doorvreten van den roest.

“Iemand als ik heb je nooit te voren gezien, he!” riep de Geest uit.

“Nooit,” antwoordde Scrooge.

“Hebt ge de jongere leden van mijn familie nooit vergezeld; ik bedoel (want ik zelf ben nog heel jong) met mijne oudere broeders die in de laatste jaren geboren werden?” vervolgde het spook.

“Ik geloof het niet,” zei Scrooge. “Ik vrees van niet. Hebt ge veel broeders, Geest?”

“Meer dan achttienhonderd,” zei de Geest.

“Een geweldig gezin om te onderhouden!” mompelde Scrooge.

De Geest van het Huidige Kerstfeest stond op.

“Geest,” zeide Scrooge onderworpen, “leid mij waarheen ge wilt. Gisterennacht ging ik gedwongen mede en ik leerde een les waarvan ik nu de uitwerking gevoel. Laat mij ook dezen nacht mijn voordeel doen met wat gij mij te leeren hebt.”

“Raak mijn kleed aan!”

Scrooge deed wat hem gezegd werd en hield het vast.

Hulst, mistletoe, roode bessen, klimop, kalkoenen, ganzen, wild, gevogelte, ribbestukken, stukken vleesch, biggetjes, worstjes, oesters, pasteien, puddingen, vruchten en punch, verdwenen op hetzelfde oogenblik. Eveneens de kamer, het vuur, de roode gloed, het nachtelijk uur, alles verdween, en zij stonden in de stadsstraten op Kerstmorgen, waar (want het weder was erg koud) de menschen een onwelluidende, doch levendige en niet onaangename, muziek maakten, door het wegschrapen der sneeuw van het plaveisel voor hunne woningen, en van de daken hunner huizen, vanwaar de jongens het met wilde vreugde naar beneden zagen vallen in de straat en uiteenspatten in kunstmatige sneeuwstormen. De gevels der huizen zagen er donker uit en de vensters nog somberder, afsteken als ze deden tegen het zachte witte sneeuwlaken op de daken, en tegen de smoezeliger sneeuw op den grond, welke laatste doorploegd was door de diepe voren die getrokken waren door de zware raderen van karren en wagens; voren die elkaar honderden malen kruisten en weder kruisten daar waar de hoofdstraten bij elkaar kwamen en ingewikkelde kanalen vormden, moeilijk om na te gaan, in de dikke gele modder en het sneeuwwater. De lucht was somber en de kortste straten stonden vol dikke vuile mist,half ontdooid, half bevroren, welker zwaardere deeltjes neerkwamen in een regen van roetdeeltjes, alsof alle schoorsteenen in Groot-Brittannië volgens àfspraak tegelijk in brand stonden en er op los gloorden naar hartelust. Er was niets opbeurends in het klimaat of in de stad, en toch was er daarbuiten op straat zulk een glans van vroolijkheid, dat de heerlijkste zomerlucht en de helderste zonneschijn tevergeefs zouden getracht hebben hem te overschaduwen.

Want de lieden die er op los schoffelden op de daken waren joviaal en vol vroolijkheid, en riepen elkaar over en weer toe van het eene dak naar het andere en wierpen elkaar nu en dan uit den grap met een sneeuwbal—een goediger projectiel dan menige met woorden geuite grap—hartelijk lachend als hij raak en niet minder hartelijk als hij mis was. De poelierswinkels waren nog half open en de winkels der fruitverkoopers straalden in glorie. Daar lagen groote, ronde, dikbuikige manden kastanjes, gevormd als de vesten van joviale welgedane oude heeren, manden die lui tegen de deuren hingen en zóó dik waren dat er gevaar bestond voor eene beroerte. Dan waren er roode, omvangrijke Spaansche uien, die in hunnen vetten groei blonken als Spaansche ordebroeders, en die van hunne planken in schuwe speelschheid den meisjes die voorbijgingen knipoogjes toewierpen, terwijl dezen, schalks doch stemmig, keken naar het opgehangen takje mistletoe. Er waren appels en peren, die de winkeliers zoo welwillend waren geweest op te hangen op in het oog vallende plaatsen, opdat de lieden gratis zouden kunnen watertanden onder het voorbijgaan; er lagen stapels hazelnoten, ruig en bruin, die, in hunne welriekendheid, deden denken aanoude boschpaadjes, en prettig tot aan de enkels schuifelen door dorre bladeren; daar waren gebraden appels uit Norfolk, plomp en bruin, die het geel van sinaasappelen en citroenen nog meer deden uitkomen, en die in de groote stevigheid van hunne sappige persoontjes dringend verzochten, ja smeekten, om in papieren zakjes mede naar huis genomen en na het diner opgegeten te worden. Zelfs de goud- en zilvervisschen die in een vischkom tusschen dezen keur van vruchten waren geplaatst, en voor ’t overige leden van een dom, koudbloedig ras zijn, schenen te begrijpen dat er iets gaande was, en zwommen allen, zonder uitzondering, gapend en naar lucht happend, hun kleine wereldje rond in langzame en hartstochtlooze opgewondenheid.

Maar de kruidenierswinkels! O, die kruidenierswinkels! bijna geheel gesloten, met misschien maar een of twee luiken ervoor weggenomen; doch door deze openingen had men verrukkelijke kijkjes! Niet alleen dat de weegschalen als ze op den toonbank neerkwamen een vroolijk geluid deden hooren, of dat het bindgaren en de klos zoo plotseling van elkaar scheidden, of dat de bussen, als ze vlug van de planken genomen en er weer opgezet werden een ratelend geluid deden hooren, als in goocheltoeren, of dat de zich mengende geuren van koffie en thee den reuk streelden of zelfs dat de rozijnen zoo overvloedig en zeldzaam mooi waren, de amandelen zoo buitengewoon blank, de kaneelbrokken zoo lang en recht, de andere specerijen zoo heerlijk, de geconfijte vruchten bedekt en beplekt waren met gesmolten suiker, zoodat ze de onverschilligste toeschouwers zich flauw in den maag deden voelen. Het was ook niet dat de vijgen vochtig en weekwaren, of dat de pruimedanten zedig bloosden in hunnen zacht-zuren smaak, vanuit hunne versierde doozen, of dat alles goed was om te eten en in Kersttooi, doch de klanten hadden allen zulk een haast en waren zoo ongeduldig door de hoopvolle belofte van dien dag, dat ze bij de deur tegen elkaar aanliepen, en hunne teenen boodschappenmandjes wild tegen elkaar aanbonsden, en hunne inkoopen op den toonbank lieten liggen, en weer terug kwamen hollen om ze te halen, en honderden dergelijke vergissingen begingen in de beste stemming; terwijl de kruidenier en zijn helpers er zoo frank en frisch uitzagen, dat de glimmende harten waarmede zij hunne voorschoten vanachteren vastmaakten hunne eigene hadden kunnen zijn, binnenstbuiten gedragen, opdat iedereen ze zou kunnen zien en opdat de Kerst-kraaien er aan konden pikken als ze wilden.

Doch weldra riepen de torenklokken de goede lieden altemaal naar kerk en godshuis, en daar kwamen ze aan, in drommen door de straten, in hunne beste kleêren en met hunne vroolijkste gezichten.

En terzelfdertijd kwam uit tientallen van zijstraatjes, gangetjes en stegen zonder naam een talrijke menigte, die hun middagmaal naar bakkerswinkels bracht. Het zien van deze arme feestvierenden scheen den Geest veel belang in te boezemen, want hij bleef met Scrooge naast zich in den ingang van een bakkerswinkel staan en de deksels van de schalen afnemend als de dragers voorbijgingen, sprenkelde hij wierook op hunne maaltjes van zijnen toorts. En daar het een buitengewoon soort toorts was, sprenkelde hij er, als er een paar maal harde woorden vielen tusschen eenige dragenden, die tegen elkaar waren aangeloopen,een paar druppels water op, en hun goed humeur was onmiddellijk weder hersteld. Want, zeiden zij, het was schande op Kerstdag met elkaar te twisten. En dat was het ook! Goddank dat het dat ook was!

Na eenigen tijd hielden de klokken op, en werden de bakkerswinkels gesloten; en toch was het eene aangename aankondiging, van al deze diners en het klaarmaken ervan in de ontdooide plek boven elken bakkersoven, waar het plaveisel dampte en de steenen eveneens schenen te koken.

“Is er een bijzondere smaak in wat ge van uw’ toorts sprenkelt?” vroeg Scrooge.

“Zeker, mijn eigene.”

“Is het van denzelfden invloed op àlle middagmalen vandaag?”

“Op alle die uit een goed hart gegeven worden. Het meest op dat van een’ arme.”

“Waarom op dat van een arme het meest?” vroeg Scrooge.

“Omdat die het ’t meest noodig heeft.”

“Geest,” zei Scrooge na eenig nadenken, “wat me verwondert is, dat juist gij, van al de wezens in de vele werelden die ons omringen, de gelegenheid tot onschuldige vreugde van deze lieden wilt beperken.”

“Ik!” riep de Geest uit.

“Gij wilt ze toch de middelen ontzeggen om iederen zevenden dag middageten te eten, dikwijls de eenige dag waarop ze wezenlijk gezegd kunnen worden te eten,” zeide Scrooge. “Is dit niet zoo?”

“Ik!” riep de Geest uit.

“Gij tracht toch deze plaatsen te sluiten op den zevenden dag?” zeide Scrooge. “En dat komt op ’t zelfde neer.”

“Ik zou trachten...!” riep de Geest uit.

“Vergeef me als ik ’t mis heb. Het is toch in uw’ naam geschied of tenminste in dien van uw geslacht,” zeide Scrooge.

“Er leven op deze onze aarde,” antwoordde de Geest, “enkelen die beweren ons te kennen, en die hunne daden van hartstocht, trots, haat en nijd, afgunst, godsdienstige bekrompenheid bedrijven in onzen naam; voor wien wij en al onzen magen en verwanten zoo vreemd zijn, alsof wij nooit bestonden. Onthoud dit en leg hùn die daden ten laste, en niet ons, geesten van het Kerstfeest.”

Scrooge beloofde dat hij dit doen zou, en zij gingen door, onzichtbaar, zooals zij dit te voren ook waren, de voorsteden der stad in. Het was een merkwaardige eigenschap van den Geest (welke Scrooge ook reeds in den bakkers winkel had opgemerkt) dat hij, niettegenstaande zijn reusachtige grootte, zich met gemak aan iedere plaats kon aanpassen, en dat hij onder een laag dak even gratievol en als een bovennatuurlijk wezen stond, als hij met mogelijkheid had kunnen doen in de eerste de beste hooge ruime hal.

En misschien was het het vermaak dat de Geest er in schepte om deze eigenschap te toonen, of anders was het zijn eigen goede, edelmoedige, hartelijke natuur, en zijn sympathie met alle armen, die hem recht naar het huis van Scrooge’s klerk leidde; want daar ging hij heen, en nam Scrooge mede, die zich aan zijn kleed vasthield; en op den drempel der deur glimlachte de Geest en hield even stil om Bob Cratchits woning te zegenen met de sprenkeling van zijn toorts. Denk hièr toch es aan! Bob had maar vijftien “bob” (shilling) per week; hij stak Zaterdagsavonds slechtsvijftien exemplaren van zijn doopnaam in z’n zak; en tòch zegende de Geest zijn huis dat uit slechts vier vertrekjes bestond!

Toen stond juffrouw Cratchit op, Cratchit’s vrouw, die slechts armelijk gekleed was in een tweemaal-gekeerde japon, doch prachtig met linten versierd, want deze zijn goedkoop en lijken heel wat voor dertig cent; en zij dekte de tafel, geholpen door Belinda Cratchit, de tweede harer dochters, eveneens prachtig met linten versierd; terwijl de jongeheer Pieter Cratchit een vork in de sauskom met aardappels stak, en niettegenstaande hij de punten van zijn enormen vadermoorder (Bobs privaat eigendom, dat hij ter gelegenheid van dezen dag aan zijn’ zoon en erfgenaam had afgestaan) in zijn mond kreeg, verheugde hij zich toch uitermate zoo chic gekleed te zijn en verlangde ernaar om met zijn mooi overhemd te pronken in de parken waar de groote wereld komt. En nu kwamen de twee kleinere Cratchits, ’n jongen en een meisje, binnenstormen, schreeuwend dat zij buiten den bakkerswinkel den gans al geroken hadden en hem aan den reuk herkenden als de hunne; en zich overgevend aan weelderige gedachten aan salie en uien, dansten deze jonge Cratchits om de tafel heen, en prezen jongeheer Cratchit hemelhoog terwijl hij het vuur aanblies, totdat de langzaam-pruttelende aardappelen opborrelden en luid tegen het deksel der sauskom tikten om er uit gelaten en van hun schil ontdaan te worden.

“Waar drommel kan vaderlief toch zoolang blijven,” zeide juffrouw Cratchit. “En je broertje,kleineTim; en je zuster Martha was op geen half uur na zoo laat verleden jaar Kerstmis.”

“Daar is Martha al, moeder!” riepen de twee jonge Cratchits. “O, d’r is zoo’n groote gans, Martha!”

“Wel hemelsche goedheid, kind, wat ben je laat!” zeide juffrouw Cratchit, haar tal van keeren kussend en haar shawl en hoed voor haar aannemend met behulpzamen ijver.

“Gisterenavond moesten we nog een heele massa werk afmaken,” antwoordde het meisje, “en we moesten van morgen opruimen, moe!”

“Nou, ’t is niks, nu je er maar bent!” zeide juffrouw Cratchit. “Ga voor ’t vuur zitten, lieve, en warm je es.”

“Nee, nee! Daar komt vader,” riepen de twee jonge Cratchits, die overal tegelijk waren. “Verstop je, Martha, verstop je!”

En zoo verstopte Martha zich, en binnen kwam kleine Bob, de vader met minstens drie voet bouffante behalve nog de franje, voor zich uit bengelend en zijn kale kleêren gestopt en geborsteld, om er feestelijk uit te zien, met kleine Tim op zijn schouder. Die arme kleine Tim, hij droeg een krukje en zijne ledematen werden rechtgehouden door een ijzeren beugel!

“Wel, waar is Martha?” riep Bob Cratchit, overal rondkijkend.

“Die komt niet,” zeide juffrouw Cratchit.

“Kòmt die niet?” zeide Bob met een plotselingen neerslag in zijn vroolijke stemming; want hij was Tim’s raspaard geweest heelemaal van de kerk af, en was steigerend naar huis gekomen. “Komt ze nièt op Kèrstdag?”

Martha kon hem niet goed zoo teleurgesteld zien, al was het dan ook maar uit de grap, daarom kwam ze te vroeg van achter de kastdeur vandaan en snelde in zijne armen, terwijl de twee jonge Cratchits kleineTim stilletjes aanstootten en hem meetroonden naar het waschhok, om de pudding te hooren zingen in den aker.

“En hoe heeft kleine Tim zich gehouden?” vroeg juffrouw Cratchit, toen ze Bob geplaagd had met zijne lichtgeloovigheid en Bob zijne dochter naar hartelust gepakt had.

“Als goud en nog beter,” zeide Bob. “Ik weet niet hoe het komt, maar hij wordt zoo nadenkend, omdat hij zooveel alleen zit, en dan bedenkt-ie de vreemdste dingen die je maar verzinnen kunt. Onder het naar huis gaan vertelde ie me dat hij hoopte dat de menschen in de kerk hem gezien hadden, omdat hij kreupel was, en het misschien prettig voor hen was, als ze er op Kerstdag aan dachten, wie de lammen gezond en de blinden ziende maakte.”

Bob’s stem beefde toen hij hun dit vertelde en beefde nog meer toen hij zeide dat kleine Tim sterk en gezond begon te worden.

Zijn steeds in beweging zijnde kleine kruk hoorde men aankomen, en daar was kleine Tim al weer vóor zij er een woord verder over konden spreken, door zijn broeder geëscorteerd naar zijn kruk bij het vuur gekomen, terwijl Bob, zijn mouwen opslaand,—alsof ze nog kaler konden worden, arme duivel—in een kan een heet mengsel maakte van jenever en citroenen, en het flink rondroerde en het op de plaat zette om zacht te koken; jongenheer Pieter en de twee alomtegenwoordige Cratchits gingen den gans halen, waarmede zij weldra in statige processie terugkwamen.

En nu ontstond er zulk een gedrang, dat ge een gans als de zeldzaamste aller vogels had kunnen beschouwen, een gevederd natuurwonder, waarbij een zwartezwaan nog een doodgewoon iets was, en inderdaad was het in dat huis een zeer zeldzame vogel. Juffrouw Cratchit warmde de saus (die reeds tevoren was klaar gezet in den sauskom) zoodat ze siste; jongenheer Pieter stampte de aardappelen met ongeloofelijke energie; jongejuffrouw Belinda zoette de appelmoes; Martha veegde het stof van de borden; Bob nam kleine Tim naast zich aan een klein hoekje van de tafel; de twee jonge Cratchits zetten stoelen voor iedereen en vergaten vooral zichzelven niet, en op hunne stoelen postvattend, stopten zij hunne lepels in den mond opdat zij niet om gans zouden schreeuwen vóor het hunne beurt was. Eindelijk werden de schalen opgedragen en werd er gebeden. Het gebed werd gevolgd door een ademlooze stilte, toen juffrouw Cratchit, langzaam langs de geheele lengte van het voorsnijmes-lemmet kijkend, zich gereed maakte het in de borst van den gans te stooten; doch toen zij dat deed, en toen de lang verbeide stroom vulsel er uit te voorschijn kwam, ging er één gemompel van verrukking op, de geheele tafel langs, en zelfs kleine Tim, opgewonden door de twee jonge Cratchits, klopte op de tafel met het heft van zijn mes en riep zwakjes: “hoerah!”

Nooit had je zoo’n gans gezien. Bob zeide dat hij niet geloofde dat er ooit zoo’n tweede gans gebraden was. Zijn malschheid en smaak, zijn grootte en goedkoopte waren dingen die de algemeene bewondering wekten. Aangevuld met appelmoes en gestampte aardappelen was het een voldoend diner voor de geheele familie, ja, zooals juffrouw Cratchit glimmend van pleizier zeide (kijkend naar een klein beentje op den schotel), ze hadden het bij slot van rekening niet eensallemaal opgekund! En toch was iedereen verzadigd en de jongste Cratchits in het bijzonder waren tot aan hunne wenkbrauwen besmeerd met salie en uien! Doch nu werden er schoone borden rondgedeeld door jongejuffrouw Belinda, juffrouw Cratchit verliet alleen de kamer—te zenuwachtig om getuigen mede te nemen—om de pudding op te doen en binnen te brengen.

Stel je voor dat hij nu eens niet gaar was! of dat hij brak als hij uit den vorm gedaan werd! of dat iemand over den muur van het plaatsje geklommen was en hem gestolen had, terwijl zij bezig waren zich te goed te doen aan den gans, een veronderstelling waarbij de twee jonge Cratchits lijkkleurig werden! Allerlei vreeselijke dingen werden er geopperd.

Hallo! Een massa stoom! De pudding was uit den vorm. Een lucht als op waschdag! Dat was de doek waarin hij gekookt was. Ik zeg een lucht alsof er een gaarkeuken en pasteibakker naast elkaar woonden, met een waschvrouw daar weer naast! Dàt was de pudding. Na een halve minuut kwam juffrouw Cratchit binnen, met een opgezette kleur doch trotsch glimlachend, met de pudding als een gespikkelde kanonskogel, hard en stevig, brandend in de helft van een half vierde pintje cognac en versierd met Kersthulst die er bovenop gestoken was.

Och, och, wat een prachtige pudding! Bob Cratchit zei en dat nog wel bedaard, dat hij die pudding beschouwde als het grootste succes dat juffrouw Cratchit ooit bereikt had sedert den dag van hun huwelijk. Juffrouw Cratchit zei, dat zij, nu het pak van haar hart was, wel wilde bekennen dat zij een oogenblik bang was geweest dat er geen bloemgenoeg was. Iedereen had het zijne er over aan te merken, doch niemand zeide of dacht ook maar dat het een heele kleine pudding was voor zulk een groot gezin. Het zou platweg ketterij geweest zijn zoo iets te zeggen. Een Cratchit zou gebloosd hebben zelfs op zoo iets te zinspelen.

Eindelijk was het diner afgeloopen, de tafel werd afgeruimd, de haard aangeveegd en het vuur wat opgerakeld. Nadat het mengsel in de kan geproefd en uitstekend bevonden was, werden er appels en sinaasappelen op tafel gezet en een kolenschop vol kastanjes in de asch gelegd. Toen zette de geheele familie zich om den haard, in wat Bob Cratchit een kring noemde (hij bedoelde een halven kring); en aan Bob Cratchit’s elboog stond de geheele glasrijkdom der familie, die bestond uit: twee tumblers en een vlade-glaasje zonder oor.

Doch hierin liet zich het heete vocht uit de kan even goed schenken alsof het gouden bekers geweest waren en Bob deelde het uit met stralend gezicht, terwijl de kastanjes op het vuur knapperden en luidruchtig sputterden. Toen stelde Bob een dronk in:

“Een vroolijke Kerstmis allemaal, kinderen; God zegene ons!”

Wat de geheele familie hem na-zei.

“God zegene ons allemaal!” zei kleine Tim het laatst van allen.

Hij zat heel dicht naast zijn’ vader op zijn kleine kruk. Bob hield het bleeke magere handje in de zijne, alsof hij het kind liefhad, en het aan zijn zijde wenschte te houden, en bang was dat het hem ontnomen zou worden.

“Geest,” zei Scrooge, met eene belangstelling zooalshij nooit te voren gevoeld had, “zeg of kleine Tim zal blijven leven.”

“Ik zie een ledige plaats,” hernam de Geest, “in het hoekje van den haard en een krukje zonder eigenaar, zorgvuldig bewaard. Als er in deze schaduwen geen verandering gebracht wordt door de Toekomst, zal het kind sterven.”

“O, neen, neen,” zei Scrooge. “O neen, goede Geest! zeg dat hij gespaard zal blijven!”

“Als de Toekomst deze schimmen niet verandert,” ging de Geest voort, “zal geen ander van mijn geslacht hem hier vinden. Maar wat zou dat? Als hij toch dood moet, dan hoe eer hoe beter, dan vermindert hij meteen de overbevolking.”

Toen Scrooge zijn eigen woorden aldus door den Geest hoorde herhalen, liet hij het hoofd hangen, overstelpt van smart en berouw.

“Mensch”—vervolgde de Geest—“als je werkelijk in je hart een mensch en niet een blok steen bent, laat dan die booze praat, tot je ontdekt zult hebben wat werkelijk overtollig is en wàar. Wil jij beslissen welke menschen zullen leven en welke sterven? Misschien dat gijzelf in het oog des Hemels meer waardeloos zijt en minder geschikt om voort te leven dan millioenen die zijn als dit kind van dezen arme. O God!—te moeten aanhooren dat het insect op het blad veroordeelt dat er te veel “leven” is onder zijn hongerige broeders in het stof!”—

Scrooge boog zich voor de terechtwijzing van den Geest en sloeg bevend zijne blikken neer. Doch hij sloeg ze snel weder op toen hij zijn naam hoorde noemen.

“Meneer Scrooge!” zeide Bob. “Ik ga een toastuitbrengen op meneer Scrooge, den stichter van het feest.”

“De stichter van het feest! ’t mocht wat!” riep juffrouw Cratchit uit, rood wordend van ergernis. “Ik wou dat ik ’em hier had. Dan zou ik hem es flink de waarheid zeggen, daar kon hij dan van smullen en ik hoop dat hij er goeden trek in zou hebben.”

“Lieve,” zeide Bob, “denk om de kinderen; Kerstdag.”

“Het mag dan ook wel Kerstdag zijn, waarop je de gezondheid drinkt van zoo’n afgrijselijken, vrekkigen, verharden, ongevoeligen man als die meneer Scrooge. En je weet heel goed dat hij dat is, Robert! Niemand weet dat beter dan jijzelf, arme jongen!”

“Lieve,” was Bob’s zachte antwoord, “Kerstdag.”

“Ik zal zijn gezondheid drinken om jouwentwil en om den dag,” zeide juffrouw Cratchit, “maar niet om ’mzelf. Nou, lang zal ie leven! Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar!—hij zal beslist wel erg vroolijk en erg gelukkig zijn!”

De kinderen dronken haar den toast na. Het was de eerste dien dag waarin geen hartelijkheid lag. Kleine Tim dronk den toast het laatst van allen, doch het kon hem geen zier schelen. Scrooge was de boeman van de familie. Toen zijn naam genoemd werd daalde een schaduw op het huisgezin, die wel volle vijf minuten bleef hangen.

Toen de schaduw opgetrokken was, waren zij nog tien maal zoo vroolijk als te voren, uit pure verlichting dat ze met den boeman Scrooge klaar waren. Bob Cratchit vertelde dat hij een betrekking op ’t oog had voor jongenheer Pieter, die, als hij hem kreeg, minstens drie gulden vijftig per week zouinbrengen. De twee jonge Cratchits lachten uitbundig bij het idée dat Pieter een man van zaken zou worden, en Pieter zelf keek in gedachten verzonken in het vuur tusschen zijn twee boordpunten door, alsof hij met zichzelf te rade ging aan welke geldbelegging hij de voorkeur zou geven als hij dat enorme inkomen zou genieten. Martha, die een arm leerlingetje was bij een modiste, vertelde hun toen wat soort van werk zij te doen had en hoeveel uren zij achtereen werkte, en dat ze van plan was morgen eens flink lang uit te slapen; want daar het morgen een vrije dag was, zou ze thuisblijven. En ook vertelde ze dat ze een graaf en een gravin gezien had een paar dagen te voren, en dat de graaf vrijwel even groot was als Pieter; waarop Pieter zijn boord zóó hoog optrok, dat gij, zoo ge dáár geweest waart, zijn hoofd niet meer hadt kunnen zien. En telkens werd er rondgegaan met de kan en de kastanjes; en kleine Tim zong, van een kind dat op reis verloren was geraakt in de sneeuw. Kleine Tim had een fijn stemmetje en zong zijn liedje heel goed.

In dit alles was niets fijns of elegants. Zij waren geen deftige familie en zij waren niet goed gekleed; hunne schoenen waren alles behalve waterdicht; hunne kleederen waren kaal en het zou niet zoo heel vreemd geweest zijn als Pieter tamelijk vertrouwd was met het inwendige van een pandjeshuis; ik voor mij ben zelfs overtuigd dat hij zéér goed wìst hoe dit er uitzag. Doch zij waren gelukkig, dankbaar, mochten elkander gaarne en waren tevreden met het geluk van het oogenblik; en toen vervaagden ook hunne schimmen, en zagen er nog gelukkiger uit in de sprenkeling van de toorts van den Geest. Scrooge keek naarhen en vooral naar kleine Tim tot zij verdwenen.

Het werd nu donker en het sneeuwde tamelijk erg, en terwijl de Geest en Scrooge door de straten gingen, was het heerlijk om den gloed van de helder brandende vuren in keukens en salons te zien. Hier wees het flikkeren van den gloed op toebereidselen tot een gezellig dinertje, met warme borden die door en door verhit werden voor het vuur, en zware roode gordijnen, die klaar hingen om dichtgetrokken te worden en de koude en duisternis buiten te sluiten. Hier liepen al de kinderen des huizes om ’t hardst naar buiten hun getrouwde zusters tegemoet, en om de eerste te zijn met hunne begroetingen. Daar zag men weder schaduwen op de gordijnen, van gasten, die zich verzamelden om aan tafel te gaan en daar trippelde een troepje knappe jonge meisjes allen met kappen over ’t hoofd en met bont afgezette schoenen aan, licht naar het huis van een gebuur. En wee den ongetrouwde die hen daar—dat wisten die schalken wel,—met hoogroode kleur zag binnengaan. Als ge hadt willen oordeelen naar de massa’s menschen die allen op weg waren naar vriendschappelijke partijtjes, zoudt ge hebben kunnen denken dat er niemand thuis was om ze te verwelkomen als ze daar aankwamen. Goeie genade, wat was de Geest in zijn element! Hoe ontblootte hij zijn breede borst en opende zijn groote handpalm, en zweefde verder, met milde hand zijn onschuldige vroolijkheid stortend over alles wat binnen zijn bereik kwam! Zelfs de lantaarnopsteker, die vooruit liep, en de duistere straten met lichtstippen bespikkelde, en die er op gekleed was om dien avond ergens op visite te gaan, lachte vroolijk toen de Geest voorbijging. Maar—dat de Kerstgeest hem nabij, jain hem was, wist hij; al kon hij ook niet weten, dat hij behalve den Geest ook Scrooge was voorbij geloopen!

En nu, zonder Scrooge er op voor te bereiden, stonden zij op een sombere, eenzame heide, waar reusachtige massa’s ongehouwen steen in het rond lagen verspreid alsof het de begraafplaats van een reuzengeslacht was; en het water liep net waarheen het wilde—of liever, dit zou het gedaan hebben, zoo de vorst het niet gevangen had gehouden—en er groeide niets dan mos en brem en grof, ruw gras. In het westen had de nu ondergegane zon een vurig roode streep achtergelaten, die een oogenblik deze woestenij hel verlichtte en al lager en lager zinkend, zich eindelijk verloor in de dikke nachtelijke duisternis.

“Wat is dit voor een plaats?” vroeg Scrooge.

“Een plaats waar mijnwerkers wonen, die in de ingewanden der aarde werken,” antwoordde de Geest. “Doch zij kennen mij. Kijk maar!”

Er scheen een licht uit het venstertje van een hut, en hier gingen zij snel op toe. Door de leemen en steenen muur gaand, vonden zij er een vroolijk gezelschap om een vlammend vuur. Een stokoude man en vrouw, met hunne kinderen en kindskinderen, en een generatie daar weder na, allen in feestdos.

Met een stem die zich slechts zelden verhief boven het geloei van den wind over de kale vlakte, zong de oude man een heel oud lied, van toen hij nog een jongen was, en van tijd tot tijd vielen allen in koor in. En telkens als zij hunne stemmen verhieven, werd de oude man vroolijk en zong harder, en als zij ophielden, begaf hem zijne plotselinge energie weder.

De Geest talmde hier niet, doch beval Scrooge zijnkleed vast te houden, en waar denkt ge dat ze heen gingen terwijl zij zich voortspoedden boven de heide? Toch niet naar zéé? Ja zeker, naar zéé. Tot Scrooge’s ontzetting zag hij, toen hij omkeek, het land verdwijnen en een vreeselijke rij rotsen achter hen; en zijne ooren werden verdoofd door het donderend geraas van het water, dat brulde en woedde tusschen de holen die het gevormd had en dat verwoede pogingen aanwendde om de aarde te ondermijnen.

Een mijl ongeveer van de kust, op een naargeestige klip, waartegen de wateren het geheele jaar woedden en braken, stond een eenzame vuurtoren. Groote massa’s zeewier hadden zich aan zijn voet vastgehecht, en stormvogels—door den wind gebaard, kon men denken, zooals het zeewier door het water—rezen en daalden er rondom, als de golven die zij onder het vliegen nu en dan even raakten.

Doch zelfs hier pasten twee mannen op het licht en hadden een vuur aangelegd, dat door het kijkgat in den dikken steenen muur een heldere straal op de wilde zee deed schijnen. Elkaar de vereelte hand reikend over de ruwe tafel waaraan zij zaten, wenschten zij elkaar een vroolijke Kerstmis, bij een kan grog; en een van hen, de oudste, met zijn met litteekens bedekt gelaat, en verweerd gezicht, zooals het galjoenbeeld van een oud schip zou kunnen zijn, hief met krachtige stem een lied aan dat in zichzelf een storm was.

En weder spoedde de Geest zich voort boven de donkere, deinende zee, voort, voort, totdat, zooals hij Scrooge vertelde, zij ver verwijderd waren van elke kust, en zij op een schip neerstreken. Zij gingen naast den roerganger staan, naast de wacht vooruit, naastde officieren die de wacht hadden; donkere spookachtige gestalten op hunne verschillende posten, doch niet één onder hen of hij neuriede een Kerstliedje, of had een Christelijke gedachte, of sprak op gedempten toon met zijn makker over den een of anderen vervlogen Kersttijd, en over de hoop huiswaarts te keeren. En allen aan boord, of zij waakten of sliepen, goeden of slechten, hadden op dien dag een beter woord voor elkaar over dan op welken anderen dag van het jaar ook en hadden tot op zekere hoogte genoten van de feestelijkheden die dezen dag vergezellen, en hadden gedacht aan hunne geliefden thuis.

Het was tot Scrooge’s groote verbazing dat hij, terwijl hij nog luisterde naar het huilen van den wind en er aan dacht wat een ontzag-inboezemend iets het was zich voort te bewegen boven een afgrond welks diepten ongekend waren als de geheimenissen van den Dood; het was tot Scrooge’s groote verbazing, zeg ik, in deze oogenblikken een hartelijken lach te hooren. En nog meer verbaasd was hij in dezen lach zijn neef te herkennen, en zichzelf te bevinden in een helder, droog, prettig vertrek, terwijl de Geest naast hem stond en met goedkeurende vriendelijkheid naar dezen zelfden neef keek.

“Ha, ha!” lachte Scrooge’s neef. “Ha, ha, ha!”

Als ge, wat niet waarschijnlijk is, toevallig iemand kent met een vroolijker lach dan Scrooge’s neef, dan is het eenige wat ik zeggen kan, dat ik dièn man ook wel zou willen kennen. Stel mij aan hem voor, en ik zal trachten goede vrienden met hem te worden.

Het is een billijke, goede regeling der dingen dat, terwijl er aanstekelijkheid in ziekte en smart zit, er niets ter wereld zoo aanstekelijk is als lachen engoedgehumeurdheid. Als Scrooge’s neef aldus lachte: zijne zijden vasthoudend, met het hoofd schuddend en zijn gezicht allerdwaast vertrekkend, lachte Scrooge’s aangetrouwde nicht even uitbundig als hij. En de aanwezige vrienden stonden niets bij hen achter en brulden lustig mede.

“Ha, ha, ha! Ha, ha, ha!”

“Hij zei dat Kerstmis allemaal maar gekheid was, zoo waar ik leef, dat zei hij!” riep Scrooge’s neef. “En hij geloofde ’t zelf!”

“Zooveel te meer moest hij zich schamen, Fred!” zeide Scrooge’s nicht verontwaardigd. Ja, die vrouwen toch, diè doen nooit iets half. Die zijn altijd ernstig. Zij was heel knap, buitengewoon knap. Met een gezicht met twee kuiltjes er in en dat altijd een beetje verwonderd keek, een mooi gezicht; een rijp, klein mondje, dat er voor gemaakt scheen gekust te worden—wat het zonder twijfel dan ook werd; en het zonnigste paar oogen dat ge ooit zaagt in het hoofd van zoo’n klein schepsel. Over het geheel genomen was zij wat men noemen zou uitdagend door hare bevalligheid; maar toch ook kalmeerend, en vriendelijk, en sympathiek!”

“Een grappige oude man,” zeide Scrooge’s neef, “dat is een feit; en niet zoo prettig om mee om te gaan als wel mogelijk was. Maar zijn zonden brengen hun eigen straf mee, en ik zal geen kwaad van hem spreken, hoor!”

“Hij zit er erg warmpjes in, Fred,” zeide Scrooge’s nicht. “Tenminste dat zeg jij altijd.”

“Nu, en wat zou dat, lieve!” zeide Scrooge’s neef. “Hij kan toch geen gebruik maken van zijn rijkdom. Hij doet er absoluut geen goed mede. En ook zichzelfmaakt hij het er niet genoegelijk mee. Ha, ha, ha, hij smaakt nooit de voldoening te denken dat hij er ons nog eens goed mee zal doen.”

“Ik kan hem niet uitstaan,” merkte Scrooge’s nicht op.

De zusters van Scrooge’s nicht en al de andere dames waren van dezelfde meening.

“Och, ik wel!” zeide Scrooge’s neef. “Ik heb medelijden met hem; ik zou niet boos op hem kunnen zijn, al probeerde ik het. Wie lijdt onder zijn kuren? Niemand anders dan hij-zelf. Bijvoorbeeld, hij heeft zijn zinnen er op gezet, niet van ons te houden, en hij wil niet bij ons komen eten. Wat maakt dat uit? Het diner dat hij er bij inschiet, is toch niet veel zaaks.”

“Nou, ik geloof dat hij er een heel goèd dinertje bij inschiet,” viel Scrooge’s nicht hem in de rede. En al de anderen zeiden hetzelfde en zij waren bevoegde beoordeelaars, daar zij juist het diner geëindigd hadden, en nu, met het dessert op tafel, bij het schijnsel der lamp om den haard zaten.

“Nou, ’t doet me pleizier dat te hooren,” zeide Scrooge’s neef, “omdat ik niet veel vertrouwen stel in de kookkunst van jonge vrouwtjes. Wat zeg jij er van, Topper?”

Topper had klaarblijkelijk een goed oogje op een van de zusters van Scrooge’s nicht, want hij antwoordde dat een vrijgezel dan toch maar een ellendige verworpeling was, die geen recht had zijn meening over een dergelijk onderwerp te uiten. Waarop de zuster van Scrooge’s nicht, de mollige met de kanten halskraag, niet die met de rozen, bloosde.

“Ga nu door Fred,” zeide Scrooge’s nicht in harehanden klappend, “Hij eindigt nooit heelemaal wat hij begonnen is te zeggen! Zoo’n rare jongen!”

Scrooge’s neef schoot opnieuw in een uitbundigen lach, en het was onmogelijk hem te weerstaan, hoewel de mollige zuster er haar best toe deed met geurigen vlieg-op; zijn voorbeeld vond algemeene navolging.

“Ik wou maar zeggen,” zei Scrooge’s neef, “dat het gevolg van zijn hekel aan ons, en zijn geen-feestvieren met ons, is dat hij een paar prettige uurtjes mist die hem geen kwaad zouden doen. Ik ben er zeker van dat hij aangenamer metgezellen verliest dan hij in zijn eigen gedachten of in zijn oude, vermolmde kantoor, of in zijn stoffige oude vertrekken vinden kan. Ik zal hem ieder jaar dezelfde gelegenheid geven, of hij wil of niet, want ik heb medelijden met hem. Hij mag tot aan zijn dood op het Kerstfeest schelden, maar hij zal er toch wel iets voor moèten gaan voelen, als hij mij goedgehumeurd ieder jaar ziet terugkomen en tegen hem hoort zeggen: “Oom Scrooge, hoe gaat het?” Al bracht ’t hem alleen maar in de stemming van zijn armen klerk vijftig pond na te laten, dan zou ’t toch wàt gegeven hebben, en ik geloof beslist dat ik hem gisteren getroffen hèb.”

Het was nu hunne beurt om te lachen, om zijn waan Scrooge getroffen te hebben. Doch daar hij erg goedig was en het hem niet veel kon schelen waarom ze lachten, àls ze maar lachten, om wat dan ook, moedigde hij hen in hunne vroolijkheid aan en gaf met een licht gemoed de flesch door.

Na de thee werd er wat muziek gemaakt. Want het was een muzikale familie en ze wisten wel wat zededen, toen ze een lied met een canon1zongen, dat verzeker ik u: in het bijzonder Topper, die met z’n bas kon brommen als de beste, en wiens aderen nooit opzwollen op zijn voorhoofd en die nooit rood in het gezicht er van werd. Scrooge’s nicht speelde goed harp, en speelde onder meer een simpel kort aria-tje (het had niets te beteekenen, ge zoudt het in twee minuten kunnen fluiten als ge het probeerdet) hetwelk het kind, dat Scrooge van de kostschool haalde, ook gekend had, het kind dat de Geest van verleden Kersttijden hem had laten zien. Toen dat wijsje gespeeld werd kwamen al de dingen welke die Geest hem getoond had, hem weder in het geheugen; hij werd hoe langer zoo meer verteederd, en dacht dat als hij er maar vaak naar had kunnen luisteren, jaren geleden, hij met eigen handen de goede dingen des levens had kunnen aankweeken, zonder zijn toevlucht te hebben behoeven te nemen tot de spade van den doodgraver, zoodat Marley rustig in zijn graf had kunnen blijven liggen en zijnen compagnon niet had behoeven te bezoeken.

Doch zij maakten niet den geheelen avond muziek. Na eenigen tijd speelden ze pandverbeuren; want het is goed soms weder kinderen te zijn, en nooit beter dan op Kerstmis, toen de groote Stichter er van zelf een kind was. Laat mij eens even bedenken. Eerst speelden ze een spelletje blindemannetje. Natuurlijk, dat hoorde er zoo bij. En ik geloof evenmin dat Topper werkelijk blind was, dan ik geloof dat hij oogen in zijn schoenen had. Mijn opinie is, dat het een doorgestoken kaart was tusschen hem en Scrooge’s neef,en dat de Geest van het Tegenwoordige Kerstfeest dit wist. De manier waarop hij als blindeman de mollige zuster met de kanten kraag nazat, zou zelfs den lichtgeloovigsten mensch hebben doen twijfelen aan zijn blindheid. Het haardstel omver loopend, over stoelen struikelend, tegen de piano oploopend, zichzelf bijna doend stikken tusschen de gordijnen, ging hij steeds waar zìj ging. Hij wist altijd waar de mollige zuster was. Niemand anders wilde hij pakken. Al waart ge opzettelijk tegen hem aangevallen, zooals enkelen werkelijk deden, dan zou hij gedaan hebben alsof hij trachtte u te grijpen—wat een beleediging zou zijn geweest van uw inzicht—en zou dan onmiddellijk daarop zijwaarts afgeslagen zijn in de richting van de mollige zuster. Zij gilde dikwijls dat het niet eerlijk ging, en dat ging het ook werkelijk niet. Doch toen hij haar ten laatste vatte, en toen, niettegenstaande al het geritsel van de zijde die zij droeg en haar snelle wendingen om hem heen, hij haar in een hoek kreeg vanwaar geen ontsnappen meer mogelijk was, toen was zijn gedrag allerlaagst. Want zijn voorwenden haar niet te kennen; zijn voorwenden dat het noodig was haar aan te raken, en zich verder van hare identiteit te vergewissen door een zekeren ring aan haar vinger te steken, en een zekeren ketting om haar hals te hangen, was laag en monsterachtig! Zonder twijfel zeide zij hem wat zij er van dacht, toen een andere blindeman in functie was, en zij zoo vertrouwelijk achter de overgordijnen zaten. Scrooge’s nicht deed niet mee aan ’t blindemannetje spelen, doch zij werd in een gemakkelijken stoel gezet, met een voetebankje onder de voeten, in een gezellig hoekje waar de Geest en Scrooge vlakachter haar stonden. Doch ze deed wèl mee aan het pandverbeuren en liefde haren lief dat het te bewonderen was, met al de letters van het alphabet.2En zeer bedreven, en versloeg hare zusters totaal, tot innig genoegen van Scrooge’s neef; en toch waren het slimme meisjes, zooals Topper had kunnen getuigen. Ook in het spel Hoe, Waar en Wanneer toonde zij zich. Er waren daar misschien een twintig jonge en oude lieden bijeen, doch allen speelden, en Scrooge deed mede; want, door de belangstelling die hij voelde voor wat er gebeurde, geheel vergetend dat zijn stem onhoorbaar was voor hunne ooren, zeide hij soms zeer luid wat hìj geraden had en ried het zeer dikwijls goed ook, want de scherpste Whitechapel-naald, gegarandeerd de draad in het oog niet te doen slijten, was niet scherper dan Scrooge.

Het deed den Geest veel genoegen hem in deze stemming te zien, en hij keek Scrooge met zooveel welwillendheid aan, dat deze bij den Geest als een jongen aanhield om te mogen blijven tot de gasten heengingen. Doch dit, zeide de Geest, was onmogelijk.

“Zie, nu gaan ze weer een nieuw spelletje spelen,” zeide Scrooge. “Nog één klein half uurtje, Geest, nog maar één!”

Het was een spelletje van Ja en Neen, waarbij Scrooge’s neef aan iets denken moest, en de overigenmoesten zien te vinden waaraan hij dacht, terwijl hij hunne vragen slechts met ja en neen beantwoordde, naar het geval vereischte.

Het levendige vuur van vragen waaraan hij blootstond bracht aan het licht dat hij aan een dier dacht, een levend dier, nogal een onaangenaam dier, een woest dier, een beest dat soms gromde en knorde en soms ook wel praatte en in Londen verblijf hield en door de straten liep, en dat men niet liet kijken, en door niemand aan een touw rondgeleid werd, en niet in een menagerie thuishoorde, en nooit op een markt geslacht werd; en het was geen paard, of een ezel, of een koe, of een stier, of een tijger, of een hond, of een varken, of een kat, of een beer. Bij iedere nieuwe vraag die hem gesteld werd, barstte de neef opnieuw in uitbundig gelach uit, en zijne lachspieren werden zoo gekitteld, dat hij van de canapé moest opstaan en op den grond stampen. Eindelijk riep de mollige zuster, die in een dergelijken staat als hij geraakt was, uit:

“Ik heb ’t! Ik weet wat ’t is, Fred! Ik weet wat ’t is!”

“Nou wat is ’t dan?” riep Fred.

“’t Is je oom Scro-o-o-o-ge!”

En dat was het zeer zeker. Bewondering was het algemeene gevoelen, hoewel sommigen opperden dat het antwoord op “is het een beer?” “ja” behoorde geweest te zijn, omdat een ontkennend antwoord voldoende was om hunne gedachten van Scrooge af te leiden, zoo zij ooit eenige neiging dien kant uit gehad hadden.

“Hij heeft ons anders pret genoeg verschaft,” zei Fred, “en het zou ondankbaar zijn niet op zijn gezondheid te willen drinken. Ik drink hier op hem met eenglas bisschop dat juist voor ons staat. Daar gaat hij: Oom Scrooge!”

“Nu goed dan, oom Scrooge!” riepen allen.

“Een vroolijke Kerstmis en een gelukkig Nieuwjaar zij den ouden man toegewenscht, wat hij ook zijn moge!” zeide Scrooge’s neef. “Hij wilde mijn wensch niet aannemen, maar ’t is hem tòch gegund. Oom Scrooge; daar ga je!”

Oom Scrooge was, zonder dat hij het zelf wist, zoo vroolijk geworden, dat hij het gezelschap wel bescheid had willen doen en het gedankt hebben in een onhoorbare toespraak, als de Geest hem hiertoe den tijd gegund had. Doch het geheele tafereel verdween met het laatste woord dat gesproken werd door zijn neef, en hij en de Geest waren reeds weder op reis.

Veel zagen zij en ver gingen zij en vele woningen bezochten zij, doch altijd met een gelukkig einde. De Geest stond naast ziekbedden, en de zieken waren niet meer droevig; hij stond in vreemde landen, en de menschen waren plotseling dicht bij huis; bij tobbende menschen, en zij werden geduldig en hoopvoller; bij armoede, en zij werd rijk. In armenhuis, hospitaal en gevangenis, in elken schuilhoek der ellende, waar de ijdele mensch in zijn korte beetje macht de deur niet afgesloten had en den Geest er buiten hield, daar liet hij zijn zegen na, leerde Scrooge zijn voorschriften.

Het was een lange nacht, als het tenminste slechts een nacht wàs; doch Scrooge twijfelde hieraan, omdat de Kerstdagen schenen samengesmolten te zijn in den tijd dien zij samen doorbrachten. Ook was het vreemd, dat, terwijl Scrooge uiterlijk onveranderd bleef, de Geest ouder werd, klaarblijkelijk ouder. Scrooge wasdeze verandering niet ontgaan, doch hij had er nooit over gesproken, tot zij op zekeren keer van een kinderpartij op Driekoningen-avond terugkwamen, en hij naar den Geest keek terwijl zij op een open plaats stonden en hij opmerkte dat het haar van den Geest grijs was.

“Is het leven van Geesten zóó kort?” vroeg Scrooge.

“Mijn leven op dezen aardbol is zeer kort,” antwoordde de Geest. “Vanavond loopt het af.”

“Vanavond!” riep Scrooge.

“Vanavond te middernacht. Hoor maar, mijn tijd nadert.”

De klokken speelden kwart voor twaalf op dat oogenblik.

“Vergeef mij als het niet goed is, wat ik nu vraag,” zeide Scrooge, aandachtig naar het kleed van den Geest ziend, “maar ik zie iets vreemds, iets dat niet aan uzelf hoort, onder den zoom van uw kleed uitsteken. Is het een voet of een klauw?”

“Het zou een klauw kunnen zijn als ge oordeeldet naar het vleesch dat er opzit,” antwoordde de Geest pijnlijk. “Zie hier.”

Uit de plooien haalde hij twee kinderen te voorschijn; ellendige, vermagerde kinderen, vreeselijk om aan te zien. Zij knielden aan zijne voeten en klemden zich aan zijn kleed vast.

“O, mensch, ziet hier. Ziet, ziet hier!” riep de Geest uit. Het waren een jongen en een meisje. Geel, mager, in lompen gehuld, somber-kijkend en wolfachtig; en toch kruipend in hun onderdanigheid. Waar mooie jonkheid hunne trekken gevuld had moeten maken en hun zijne frissche tinten had moeten geven, daar had een verschrompelde hand, als die des ouderdoms, hengeknepen en misvormd en ze doen verschrompelen. Waar engelen hadden kunnen tronen, daar loerden nu dreigend duivelen. Geen verandering, geen ontaarding, geen verdorvenheid der menschelijke natuur, in al de geheimenissen der wonderbare schepping, heeft monsters voortgebracht half zoo verschrikkelijk en ontzettend als dit jongetje en meisje.

Scrooge deinsde verschrikt terug. Daar ze hem op deze wijze getoond werden, trachtte hij te zeggen dat het flinke, mooie kinderen waren, doch de woorden wilden hem niet over de tong, en wilden liever stikken in zichzelven, dan mede-schuldig te zijn aan een zóó groote leugen.

“Geest, zijn dit uwe kinderen?” was alles wat Scrooge kon uitbrengen.

“Zij zijn Menschen-kinderen,” zeide de Geest op hen neerziend. “En zij klemmen zich aan mij vast, een beroep doend van hunne vaders op mij. Deze knaap is de Onwetendheid. Dit meisje is het Gebrek. Pas op voor hen, en voor allen van hun geslacht, doch het meeste voor dezen jongen, want op zijn voorhoofd zie ik geschreven Verdoemenis, tenzij het schrift uitgewischt worde. Ontken het, dat deze jongen onherroepelijk gedoemd is om op te groeien tot de galg,” riep de Geest uit, zijne handen naar de stad uitstrekkend. “Beschimp hen die ’t u verzekeren. Geef ’t toe uit partij-oogmerken, en maak de zaak zoodoende nog erger. Maar, wacht dan ook het einde af!”

“Hebben zij geen onderkomen of middelen van bestaan?” riep Scrooge uit.

“Zijn er geen gevangenissen?” zei de Geest, zich voor de laatste maal tot hem wendend met Scrooge’s eigen woorden. “Zijn er geen werkhuizen?”

De klok sloeg twaalf.

Scrooge keek om zich heen naar den Geest, doch deze was spoorloos verdwenen. Toen de laatste slag opgehouden had te trillen, herinnerde hij zich de voorspelling van den ouden Jacob Marley, en zijne oogen opslaand, zag hij een zeer ernstig spook, in een kleed gehuld, met den kap over zijn hoofd geslagen, als een mist langs den grond glijdend, op zich toe komen.

1Meerstemmig koraal.2Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.: Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem (haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden, geeft een pand.

1Meerstemmig koraal.

2Bij dit spel moet ieder der medespelers twee eigenschappen (een goede en een kwade) bedenken, die met die letter beginnen. B.v.: Ik min mijnen minnaar met een A omdat hij aardig is en ik haat hem (haar) omdat hij àkelig is. Wie een moeilijke letter treft, is er het ergst aan toe, want ieder, die zich niet vlug genoeg weet te redden, geeft een pand.


Back to IndexNext