Een Kerstlied in ProzaZijnde een Spook-Kerstvertelling door Charles Dickens

Een Kerstlied in ProzaZijnde een Spook-Kerstvertelling door Charles DickensEerste Zang.Marley’s Geest.Om ’t dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge’s naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen.1Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er bijzonderdoods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of ’t is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen.Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur, zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf, en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van Marley’s begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.—Er bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley’s dood.—Dit moet goed verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat Hamlet’s vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht, bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den avond gaat wandelen op een winderige plaats—bijvoorbeeld St. Pauls Churchyard—met geen ander opzet, dan om denzwakken geest van zijn zoon in verbazing te zetten.Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles hetzelfde.Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw, en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen nogwel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: “m’n waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?” Geen bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken, en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: “géén oog is beter dan een boos oog, blinde meester!”Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte, en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden, dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge’s hand noemden.Op een keer—en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den avond vóór Kerstmis—was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen, hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel donker—het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest—en kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar binnen door iedere reet en elksleutelgat, en was buiten zóó dicht, dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.De deur van Scrooge’s kantoor stond open, opdat hij een oogje kon houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort hok, brievencopiëerde. Scróóge had al eenkleinvuurtje, doch het vuur van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer; en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.“Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!” riep een vroolijke stem. Het was de stem van Scrooge’s neef, die hem zoo plotseling overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.“Bah!” zei Scrooge, “nonsens!”Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.“Kerstmis nónsens, oom!” zei Scrooge’s neef, “dat meent u niet.”“Waarachtig wel,” zei Scrooge. “Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen.”“Kom nu,” antwoordde de neef vroolijk, “welk recht hebt ù om knorrig te zijn? ù is rijk genoeg.”Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij nogmaals “bah” en liet er op volgen: “Nonsens.”“Wees nu niet knorrig, oom,” zei de neef.“Wat kan ik anders zijn,” antwoordde de oom, “als ik in zoo’n wereld vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou,” zeide Scrooge verontwaardigd, “zou iedere idioot die rondloopt met “vroolijke Kerstmis” op zijn lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met een hulsttak door zijn hart.—Dàt zou ie!”“Oom!” pleitte de neef.“Neef!” antwoordde de oom streng, “vier Kerstmis zooals je verkiest en laat mij het doen zooals ik het wil.”“Vieren!” hernam Scrooge’s neef. “Maar u viert het heelemaal niet.”“Laat me het dan laten voor wat het is,” zeide Scrooge. “Veel goed moge het je doen! ’t Heeft je altijd veel geluk gebracht!”“Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen nut getrokken heb waarschijnlijk,” antwoordde de neef, “en van deze dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd als hij weder dáár was—nog afgezien vanden eerbied, verschuldigd aan zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past er van afgescheiden kan worden)—gedacht heb als aan een goeden tijd: een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen, en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem.”De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.“Laat ik joù nog es hooren,” zeide Scrooge, “en jij zult je Kerstmis vieren met het verlies van je betrekking.—Ge zijt bepaald een groot redenaar, meneer,” voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. “’t Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit.”“Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten.”Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han—, ja, waarachtig, dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.“Maar waarom?” riep Scrooge’s neef uit. “Waarom?”“Waarom trouwde je?” zeide Scrooge.“Omdat ik verliefd werd.”“Omdat je verliefd werd!” gromde Scrooge, alsof dit het eenige ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke Kerstmis. “Goeien middag!”“Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen.”“Goeien middag,” zei Scrooge.“Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen wij geen goede vrienden zijn?”“Goeien middag!” zei Scrooge.“Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch mijn Kerststemming bewaren tot ’t laatste. En daarom, een gelukkig Kerstfeest, oom!”“Goeien middag!” zei Scrooge.“En een gelukkig Nieuw Jaar!”“Goeien middag!” zei Scrooge.En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.“Daar heb je nòg zoo’n idioot,” mompelde Scrooge, die hem hoorde: “mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen, en dat praat over ’n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar Bedlam2zal verhuizen.”Deze idioot had, toen hij Scrooge’s neef uitliet, tweeandere menschen binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge’s kantoor stonden. Zij hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.“De firma Scrooge en Marley, geloof ik,” zei een der heeren, zijn lijst inziend. “Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer Marley te zien?”“Mijnheer Marley is al zeven jaren dood,” antwoordde Scrooge. “Vanavond voor zeven jaren is hij gestorven.”“Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij zijn overlevenden compagnon,” zeide de heer, zijne geloofsbrieven overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante zielen geweest. Bij het onheilspellende woord “mildheid,” fronste Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven terug.“In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge,” zei de heer, een pen opnemend, “is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen; honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!”“Zijn er geen gevangenissen?” vroeg Scrooge.“O ja, gevangenissen in overvloed,” zei de heer, zijn pen weder neêrleggend.“En de werkhuizen?” vroeg Scrooge. “Zijn die nog in werking?”“Zeker. En toch,” antwoordde de heer, “wenschte ik dat ik zeggen kon dat ze ’t niet meer waren.”“De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?” zeide Scrooge.“Beide nog op volle kracht, meneer.”“Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,” zeide Scrooge. “’t Doet me genoegen dàt te hooren.”“In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen,” antwoordde de heer, “trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?”“Voor niets!” antwoordde Scrooge.“Wenscht u anoniem te blijven?”“Ik wensch met rust gelaten te worden,” zeide Scrooge. “Daar u mij vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen feest op Kerstmis en ’t kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven noemde—en die kosten genoeg—en zij die ’t arm hebben kunnen dáárheen gaan.”“Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven.”“Als zij liever willen sterven,” zeide Scrooge, “dan moeten ze dat maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien—neem me niet kwalijk—maar daar weet ik niet van.”“Maar u kòn het toch weten,” merkte de heer op.“’t Zijn mijn zaken niet,” antwoordde Scrooge. “Het is voldoende als een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van anderen. De mijnehouden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!”Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden, gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk, wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna, alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje, waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels, waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages, kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers- en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtigeStadhuis, gaf zijnen vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze, zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest, roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch te koopen.Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen (smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus, afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge’s sleutelgat om hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:“Heil en zegen op deez’ dag,Dat geen leed u treffen mag!”greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist en de nog meer met Scrooge’s aard overeenkomende vorst.Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok, die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.“Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?” zeide Scrooge.“Als ’t gelegen komt, meneer.”“’t Komt nièt gelegen,” zeide Scrooge, “en ’t is bovendien niet billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker dat je je al heel verongelijkt zou achten.”De klerk glimlachte flauwtjes.“En toch,” zeide Scrooge, “vindje niet dat ìk benadeeld word, als ik jou een dag salaris betaal voor geen werk.”De klerk merkte op, dat ’t maar eens in ’t jaar was.“Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten December te rollen!” zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin toeknoopend. “Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te vroeger bent.”De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend, (want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde toen huiswaarts naar Camden Town,3zoo hard zijne beenen slechts draven wilden, om blindemannetje te spelen.Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen, en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek, ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamersdie voortijds behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was, om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde, en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder begrijpend—wat een stout woord is—den raad, de schepenen en de gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper, doch Marley’s gezicht.Marley’s gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen,in ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril, die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit verschijnsel keek was het weder een klopper.Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had, draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half en half verwachtte verschrikt te worden door Marley’s staartpruikje, uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij: poe, poe! en sloot de deur met een slag.Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven, en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een eigen naklankvan echo’s te hebben.Doch Scrooge was er de man niet naar zich door echo’s uit het veld te laten slaan. Hij grendelde de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam, onder het gaan zijn kaars snuitend.Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet; maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed; wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals ’t behoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard; lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm, oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en slootzichzelf in; draaide den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje, van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels, die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams, Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley’s gezicht te zien zijn geweest.“Malligheid!” zei Scrooge en liep de kamer op en neer.Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel, die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergetendoeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op, en al de schellen in het huis deden eveneens.Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden, doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend gerommel laag beneden in ’t huis, alsof iemand een zwaren ketting sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker, op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht op zijn deur aan.“’k Hou toch vol dat het malligheid is!” zei Scrooge. “Ik wil er niet in gelooven.”Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur helder op, alsof het zeggen wilde: “die ken ik! Marley’s Geest!” en toen doofde het weder.Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje, en zijn jaspandenen het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang, slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten, grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan; hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had, was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. “Wat heeft dat nu te beteekenen!” zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. “Wat wilt ge van mij?”“Heel veel!”—Marley’s stem, daar viel niet aan te twijfelen.“Wie zijt ge?”“Vraag me wie ik geweest ben.”“Wie ben je dan geweest?” zeide Scrooge, zijn stem verheffend. “Je bent nog al kieskeurig—voor een schim.” Hij had willen zeggen “kieskeurig tot op een haar,” maar stelde het eerste ervoor in de plaats, als meer passend.“Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley.”“Kunt ge—kunt ge gaan zitten?” vroeg Scrooge, hem twijfelachtig aanziend.“Jawel.”“Doe dat dan.”Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.“Ge gelooft niet aan mij,” merkte de Geest op.“Nee, dat doe ik ook niet,” zeide Scrooge.“Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat uwer zintuigen?”“Dat weet ik niet,” zeide Scrooge.“Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?”“Omdat,” zeide Scrooge, “er maar heel weinig noodig is om ze in de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn, een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan ook zijn moogt!” Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde, dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en weer als door de heete lucht uit een oven.“Ziet ge dezen tandestoker?” zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend, om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.“Zeker,” antwoordde het spook.“En je kijkt er niet eens naar,” zei Scrooge.“Maar ik zie hem tòch,” zei het spook.“Nu,” antwoordde Scrooge, “ik heb dezen maar door te slikken, om voor de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters, allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je—allemaal nonsens.”Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook denbinddoekvan zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.“Genade!” zeide hij. “Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij lastig?”“Wereldschgezinde man,” antwoordde het spook, “gelooft ge in mij of niet?”“Ja,” zeide Scrooge, “ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over de aarde, en waarom komen zij tot mij?”“Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen—oh, wee mij—en getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen.”Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong zijne doorschijnende handen.“Ge zijt geboeid,” zeide Scrooge bevend. “Zeg mij waarom.”“Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde,” antwoordde de Geest. “Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is het model ervan ù vreemd?”Scrooge beefde al meer en meer.“Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!”Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch hij zag niets.“Jacob,” zeide hij smeekend. “Oude Jacob Marley, vertel mij nòg meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob.”“Die heb ik niet voor u,” antwoordde de Geest.“Die komen van andere regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren van ons kantoor—luister—gedurende mijn leven dwaalde mijn geest nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle lange reizen liggen vóór mij!”Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of zijne knielende houding te verlaten.“Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob,” merkte Scrooge op, op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.“Langzaam!” herhaalde de Geest.“Zeven jaren dood!” zeide Scrooge peinzend. “En al dien tijd op reis?”“Al dien tijd,” zei het spook. “Geen rust, geen vrede en voortdurende knaging van berouw.”“Reist ge snel?” zei Scrooge.“Op de vleugelen van den wind,” antwoordde de Geest.“Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn,” zei Scrooge.Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal van op te maken wegens burengerucht.“O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende,” riep het spook uit, “gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest, in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!”“Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob,” stamelde Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.“Zaken!” riep de Geest uit, zijne handen wringend. “De menschheid was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde, mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!”Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag weder op den grond.“In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd ’k het meest,” zei het spook. “Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?”Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde voortgaan, en begon erg te beven.“Hoor mij aan,” riep de Geest. “Mijn tijd is bijna om.”“Dat wil ik,” zeide Scrooge. “Maar wees niet hard tegen me en wees niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!”“Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt, mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten.”Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte zich het zweet van het voorhoofd.“Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening,” ging de Geest voort. “Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb, Ebenezer.”“Je waart altijd een goed vriend voor mij,” zeide Scrooge. “Dank je wel.”“Je zult bezocht worden,” hernam het spook, “door Drie Geesten.”Scrooge’s gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.“Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?”“Ja.”“Dan geloof ik, dat—dat ik ’t toch maar liever niet wou,” zeide Scrooge.“Zonder hun bezoek,” zeide de Geest, “kunt ge niet hopen het pad te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten, als de klok één slaat.”“Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan hebben, Jacob?” stelde Scrooge voor.“Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden wat er tusschen ons is voorgevallen.”Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley’s tanden maakten, toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open, zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley’s geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees; want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw, onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts zweefden. Elk van hentorste ketenen zooals die van Marley’s geest; een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor altijd de macht verloren hadden.Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde om weder “nonsens!” te zeggen, doch bleef bij de eerste lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel onmiddellijk in slaap.1De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te vinden, neerkomt.2Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.3Kleinburgerlijke voorstad van Londen.Tweede Zang.De Eerste der Drie Geesten.Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij tot zij het volle uur zouden slaan.Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg twaalf; en zweeg.“Wel heb ik van m’n leven, ’t is toch niet mogelijk dat ik een heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben,” zei Scrooge. “Er zal tochniets met de zon wezen, zoodat dit twaalf uur ’s middags kan zijn?”Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met den mouw van zijnchambercloakaf te wrijven voor hij iets kon zien, en zag toen nòg maar heel weinig. ’t Eenige dat hij zien kon was, dat het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote verlichting, omdat “na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief” enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen, en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.Marley’s Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: “Was het een droom of niet?”Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat de Geest hemeen bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan, was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn luisterend oor:“Bim-bam!”“Kwartier over!” telde Scrooge.“Bim-bam!”“Half slag!” zei Scrooge.“Bim-bam!”“Kwartier vóór,” zei Scrooge.“Bim-bam!”“Volslag,” zeide Scrooge, triomfantelijk, “en er komt niks.”Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde, evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge, die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte, zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof, zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan uwe elboog.Het was een vreemde gedaante—gelijkend op een kind; en toch weer niet zoozeer op een kind, als welop een oud man, gezien door de een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat, en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter, was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van al deze verdwijnende ledematen was geenomlijning zichtbaar door de dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk en helder als altijd.“Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?” vroeg Scrooge.“Die ben ik!”De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.“Wie, en wat ben je?” vroeg Scrooge.“Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden.”“Van làng verledene?” vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw opmerkte.“Neen, van ùw verleden.”Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.“Wat!” riep de Geest uit, “wilt gij met wereldsche handen reeds zoo gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?”Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.“Uw welzijn!” zeide de Geest.Scrooge betuigde zijn’ dank, doch kon niet nalaten te denken dat een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijkvoor dit doel geweest zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij zeide onmiddellijk:“Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!”Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.“Sta op! en ga met mij mee!”Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand, was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.“Ik ben maar een sterveling,” zeide Scrooge, “en zou licht kunnen vallen.”“Laat mijne hand u slechts dáár raken,” zeide de Geest, zijn hand op Scrooge’s hart leggend, “en gij zult gesteund worden in meer dan dit!”Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.“Goeie hemel!” zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij om zich heen keek. “Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik jong was.”De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden, elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en zorgen die lang, lang vergeten waren.“Uw lip beeft,” zeide de Geest. “En wat is dat daar op uw wang?”Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij maar wilde.“Herinnert gij u den weg nog?” vroeg de Geest.“Of ik!” riep Scrooge met vuur.—“Ik zou hem blindelings kunnen loopen.”—“Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!” merkte de Geest op. “Laten we voortgaan.”Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde, met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.“Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn,” zeide de Geest. “Zij beseffen niet dat wij hier staan.”De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onderhet aankomen herkende Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen, naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om “een vroolijke Kerstmis?” Weg met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?“De school is nog niet geheel verlaten,” zei de Geest. “Een eenzaam kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven.”Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had; want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen; en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht, een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen.De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren schoolbanken en lessenaars.Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn verteederenden invloed op Scrooge’s hart en gaf vrijer loop aan zijne tranen.De Geest raakte zijn’ arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.“Wel heb ik van m’n leven, dat’s Ali Baba!” riep Scrooge verrukt uit. “’t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als nu. Arme jongen! En Valentijn,” zeide Scrooge, “en zijn wilde broeder Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet,ziet ge hem niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik ben er tòch blij om, wat moesthijook met de Prinses trouwen?”Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge’s zakenkennissen uit de City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen, te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde kleur en opgewonden gezicht te zien.“Daar heb je de Papegaai ook!” riep Scrooge. “Groen lijf en gele staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. “Arme Robinson Crusoë,” noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart om zijn eiland heen. “Arme Robinson Crusoë,” waar zijt ge geweest, Robinson Crusoë?” De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch niet zoo: Het was de papegaai die ’t zei, weet je. Daar gaat Vrijdag, loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te redden. “Hallo, hoep, hallo!”En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, “arme jongen!” en weende weder.“Ik wou,” mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord: “maar ’t is nu te laat.”“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.“Niets,” zeide Scrooge. “Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat’s al!”—De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaidemet de hand, zeggend terwijl hij dit deed: “Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien.”Bij deze woorden werd Scrooge’s vroeger eigen ik grooter, en de kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in, de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde, wist Scrooge evenmin als gij of ik.—Hij wist alleen dat het precies zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend angstig naar de deur.Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk kussend, noemde zij hem haar “lieve, lieve broertje.”“Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!” zei het kind, in hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen, “om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!”“Naar huis, kleine Fan?” antwoordde de jongen.“Ja!” zeide het kind, dol van vreugde. “Naar huis, en voor goed. Vader is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op ’n heerlijken avond toen ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!” zei hetkind, haar oogen openend, “en hier kom je nooit meer terug; maar eerst moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd hebben dien je je denken kunt.”“Je bent al ’n heele meid, kleine Fan!” riep de jongen uit. Zij klapte in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken, ging met haar mede.Een barsche stem in den gang riep: “Hei daar, breng de koffer van jongenheer Scrooge es naar beneden!” en in den gang verscheen de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het alleroudste gat van een kille “mooie kamer” dat ge ooit gezien hebt, waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht naar buiten sturend om den postrijder een glas van “’t een of ander” aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer’s aanbod dankbaar aannam, maar dat als het ’t zelfde was wat hij al meer gehad had, dan had hij ’t liever niet.Daar de koffer van jongenheer Scrooge nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; desneldraaiende raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen der coniferen.“Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen blazen,” zei de Geest. “Maar ze had een ruim hart.”“Dàt had ze,” riep Scrooge uit. “Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!”“Ze stierf toen ze ’n vrouw was,” zei de Geest, “en had, geloof ik, kinderen.”“Eén kind,” antwoordde Scrooge.“’t Is waar ook,” zeide de Geest, “uw neef.”Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: “Ja.”Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden, bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar schimmigepassagiersheen en weder liepen; waar schimmige karren en koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij het kende.“Of ik!” zeide Scrooge.“Ik was hier immers leerling!”Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:“Wel heb ik van m’n leven, ’t is de ouwe Fezziwig! God zegen hem; het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is.”De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette, joviale stem:“Hallo daar! Ebenezer! Dick!”Scrooge’s vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.“Dick Wilkins, waarachtig!” zei Scrooge tegen den Geest. “Waarachtig ’t is ’em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!”“Yo ho, jongens!” zeide Fezziwig. “Voor vandaag genoeg gewerkt, hoor. AvondvóórKerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er vóór, hoor,” riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen, “vóór je tot tien kunt tellen!”Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken—een, twee, drie—en ze zaten al op hun plaats—vier, vijf, zes—de boomen en pennen erop—zeven, acht, negen—en daar waren ze al weer terug voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.“Hilli-ho!” riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met merkwaardige vlugheid. “Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant zetten!” Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen, als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werdgeveegd en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt kunnen wenschen.Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend, den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist dat haar meesteres haar aan ’r ooren getrokken had. Binnen kwamen ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur, sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen, hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los, twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond in verschillende houdingen van verliefdheid,het oude eerste paar dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: “Goed zoo!” en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier, die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht, die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst, en er was tulband en “negus,” en er was een groot stuk koud vleesch en een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch, rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt, toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen) Sir Roger de Coverley1begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig aan om tedansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners; allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel, dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is, doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den dans gegaan waren, “avancez en retirez,” “geef uw partner de hand,” “buig en curtsey,” “kurketrekker,” “doe een draad in de naald,” en “weer terug naar uw plaats,” sprong Fezziwig in de hoogte—sprong met de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na, wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne beddendie zich onder een toonbank achter in den winkel bevonden.Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles, en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik, dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het licht op zijn hoofd zeer helder brandde.“Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze luidjes!” zeide de Geest.“Gering iets!” echoëde Scrooge.De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen, die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden, en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: “Nu, is het niet zooals ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven, drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar al dien lof voor verdient?”“Dàt is het niet,” zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet zijn later Ik het zou gedaan hebben. “Dat is het niet, Geest. Hij heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidtis precies even groot als wanneer het een vermogen kostte.”Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.“O, niks bijzonders,” zeide Scrooge.“Toch wel ìets, geloof ik?” hield de Geest aan.“Neen,” zeide Scrooge, “neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!” Zijn vroeger Ik draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest stonden weder naast elkaar in de open lucht.“Mijn tijd spoedt ten einde,” merkte de Geest op. “Vlug!”Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van den groeienden boom zou vallen.Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad, in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk uit den Geest van Verleden Kersttijden.“Het komt er niet erg op aan,” zeide ze zacht. “Voor jou al heel weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht hebben, dan heb ik geen reden om te treuren.”“Welke afgod heeft je verdrongen?” vroeg hij.“Een gouden afgod, de mammon.”“En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld,” zeide hij. “Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen van rijkdommen.”“Je bent te bang voor de wereld,” antwoordde zij zacht. “Al je hoop is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de overheerschende hartstocht “winstbejag,” je geheel in beslag genomen heeft. Is het niet zoo?”“Nu, wat zou dat?” antwoordde hij. “Wat zou het dan nog, al bèn ik veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?”Zij schudde het hoofd.“Ben ik wèl?”“Onze overeenkomst is al ’n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je een heel ander man.”“Toen was ik ’n jongen,” zeide hij ongeduldig.“Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent,” antwoordde zij. “Ikben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende, nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en dat ik je nu je woord kan teruggeven.”“Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?”“Met woorden? neen, nooit.”“Waarmede dan?”“Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in jouw oog. Zeg eens eerlijk,” zeide het meisje, hem vriendelijk, doch vast aanziend, “of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was, mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet zeker van niet”—Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: “Jìj denkt van niet.”“Ik zou er graag anders over denken als ik kón,” antwoordde zij. “God weet ’t! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart, terwille van hem die je eens was.”Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:“Misschien dat dit je pijn zal doen,—en de gedachtenis aan wat voorbij is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten tijd zal ditzoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt.”Zij ging heen, en aldus scheidden zij.“Geest,” zeide Scrooge. “Laat me niet méér zien! Breng mij naar huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?”“Nog één schim!” riep de Geest uit.“Neen, neen, niet meer!” riep Scrooge. “Niet meer. Ik wil het niet zien. Laat dit genoeg zijn!”Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag, nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon; en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen; integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot vermaak in, en delaatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen!ikhad dat gevlochten haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen; ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben, en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen, die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul enhet gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen, en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was, doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg, dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen, en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes, terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend, hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot een lente maken, werd zijn oog vochtig.“Bella,” zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach, “ik zag een oud vriend van je van-middag.”“En wie was dat?”“Raad ’es?”“Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet ’t,” voegde zij er in denzelfden adem bij, evenals hij lachend, “meneer Scrooge.”“Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor; en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde, moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt, en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik.”“Geest!” zeide Scrooge met bevende stem, “voer mij weg van deze plaats.”“Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden behooren,” zeide de Geest. “Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt zij zijn.”“Breng mij hier vandaan!” riep Scrooge uit. “Ik kan het niet dragen!”Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.“Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!”In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die onverwacht op zijn hoofd.De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte bedekte; doch hoewel Scrooge uitalle macht er op drukte, kon hij het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.1Een oude danswijs. Over “Sir Roger de Coverley” vindt men een en ander in Prof. Knappert’s aanteekeningen bij Sara Burgerhart—1e deel, pag. 287.—

Een Kerstlied in ProzaZijnde een Spook-Kerstvertelling door Charles DickensEerste Zang.Marley’s Geest.Om ’t dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge’s naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen.1Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er bijzonderdoods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of ’t is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen.Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur, zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf, en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van Marley’s begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.—Er bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley’s dood.—Dit moet goed verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat Hamlet’s vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht, bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den avond gaat wandelen op een winderige plaats—bijvoorbeeld St. Pauls Churchyard—met geen ander opzet, dan om denzwakken geest van zijn zoon in verbazing te zetten.Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles hetzelfde.Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw, en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen nogwel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: “m’n waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?” Geen bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken, en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: “géén oog is beter dan een boos oog, blinde meester!”Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte, en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden, dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge’s hand noemden.Op een keer—en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den avond vóór Kerstmis—was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen, hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel donker—het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest—en kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar binnen door iedere reet en elksleutelgat, en was buiten zóó dicht, dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.De deur van Scrooge’s kantoor stond open, opdat hij een oogje kon houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort hok, brievencopiëerde. Scróóge had al eenkleinvuurtje, doch het vuur van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer; en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.“Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!” riep een vroolijke stem. Het was de stem van Scrooge’s neef, die hem zoo plotseling overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.“Bah!” zei Scrooge, “nonsens!”Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.“Kerstmis nónsens, oom!” zei Scrooge’s neef, “dat meent u niet.”“Waarachtig wel,” zei Scrooge. “Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen.”“Kom nu,” antwoordde de neef vroolijk, “welk recht hebt ù om knorrig te zijn? ù is rijk genoeg.”Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij nogmaals “bah” en liet er op volgen: “Nonsens.”“Wees nu niet knorrig, oom,” zei de neef.“Wat kan ik anders zijn,” antwoordde de oom, “als ik in zoo’n wereld vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou,” zeide Scrooge verontwaardigd, “zou iedere idioot die rondloopt met “vroolijke Kerstmis” op zijn lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met een hulsttak door zijn hart.—Dàt zou ie!”“Oom!” pleitte de neef.“Neef!” antwoordde de oom streng, “vier Kerstmis zooals je verkiest en laat mij het doen zooals ik het wil.”“Vieren!” hernam Scrooge’s neef. “Maar u viert het heelemaal niet.”“Laat me het dan laten voor wat het is,” zeide Scrooge. “Veel goed moge het je doen! ’t Heeft je altijd veel geluk gebracht!”“Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen nut getrokken heb waarschijnlijk,” antwoordde de neef, “en van deze dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd als hij weder dáár was—nog afgezien vanden eerbied, verschuldigd aan zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past er van afgescheiden kan worden)—gedacht heb als aan een goeden tijd: een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen, en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem.”De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.“Laat ik joù nog es hooren,” zeide Scrooge, “en jij zult je Kerstmis vieren met het verlies van je betrekking.—Ge zijt bepaald een groot redenaar, meneer,” voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. “’t Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit.”“Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten.”Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han—, ja, waarachtig, dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.“Maar waarom?” riep Scrooge’s neef uit. “Waarom?”“Waarom trouwde je?” zeide Scrooge.“Omdat ik verliefd werd.”“Omdat je verliefd werd!” gromde Scrooge, alsof dit het eenige ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke Kerstmis. “Goeien middag!”“Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen.”“Goeien middag,” zei Scrooge.“Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen wij geen goede vrienden zijn?”“Goeien middag!” zei Scrooge.“Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch mijn Kerststemming bewaren tot ’t laatste. En daarom, een gelukkig Kerstfeest, oom!”“Goeien middag!” zei Scrooge.“En een gelukkig Nieuw Jaar!”“Goeien middag!” zei Scrooge.En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.“Daar heb je nòg zoo’n idioot,” mompelde Scrooge, die hem hoorde: “mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen, en dat praat over ’n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar Bedlam2zal verhuizen.”Deze idioot had, toen hij Scrooge’s neef uitliet, tweeandere menschen binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge’s kantoor stonden. Zij hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.“De firma Scrooge en Marley, geloof ik,” zei een der heeren, zijn lijst inziend. “Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer Marley te zien?”“Mijnheer Marley is al zeven jaren dood,” antwoordde Scrooge. “Vanavond voor zeven jaren is hij gestorven.”“Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij zijn overlevenden compagnon,” zeide de heer, zijne geloofsbrieven overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante zielen geweest. Bij het onheilspellende woord “mildheid,” fronste Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven terug.“In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge,” zei de heer, een pen opnemend, “is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen; honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!”“Zijn er geen gevangenissen?” vroeg Scrooge.“O ja, gevangenissen in overvloed,” zei de heer, zijn pen weder neêrleggend.“En de werkhuizen?” vroeg Scrooge. “Zijn die nog in werking?”“Zeker. En toch,” antwoordde de heer, “wenschte ik dat ik zeggen kon dat ze ’t niet meer waren.”“De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?” zeide Scrooge.“Beide nog op volle kracht, meneer.”“Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,” zeide Scrooge. “’t Doet me genoegen dàt te hooren.”“In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen,” antwoordde de heer, “trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?”“Voor niets!” antwoordde Scrooge.“Wenscht u anoniem te blijven?”“Ik wensch met rust gelaten te worden,” zeide Scrooge. “Daar u mij vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen feest op Kerstmis en ’t kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven noemde—en die kosten genoeg—en zij die ’t arm hebben kunnen dáárheen gaan.”“Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven.”“Als zij liever willen sterven,” zeide Scrooge, “dan moeten ze dat maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien—neem me niet kwalijk—maar daar weet ik niet van.”“Maar u kòn het toch weten,” merkte de heer op.“’t Zijn mijn zaken niet,” antwoordde Scrooge. “Het is voldoende als een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van anderen. De mijnehouden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!”Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden, gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk, wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna, alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje, waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels, waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages, kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers- en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtigeStadhuis, gaf zijnen vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze, zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest, roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch te koopen.Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen (smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus, afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge’s sleutelgat om hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:“Heil en zegen op deez’ dag,Dat geen leed u treffen mag!”greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist en de nog meer met Scrooge’s aard overeenkomende vorst.Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok, die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.“Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?” zeide Scrooge.“Als ’t gelegen komt, meneer.”“’t Komt nièt gelegen,” zeide Scrooge, “en ’t is bovendien niet billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker dat je je al heel verongelijkt zou achten.”De klerk glimlachte flauwtjes.“En toch,” zeide Scrooge, “vindje niet dat ìk benadeeld word, als ik jou een dag salaris betaal voor geen werk.”De klerk merkte op, dat ’t maar eens in ’t jaar was.“Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten December te rollen!” zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin toeknoopend. “Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te vroeger bent.”De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend, (want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde toen huiswaarts naar Camden Town,3zoo hard zijne beenen slechts draven wilden, om blindemannetje te spelen.Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen, en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek, ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamersdie voortijds behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was, om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde, en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder begrijpend—wat een stout woord is—den raad, de schepenen en de gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper, doch Marley’s gezicht.Marley’s gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen,in ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril, die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit verschijnsel keek was het weder een klopper.Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had, draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half en half verwachtte verschrikt te worden door Marley’s staartpruikje, uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij: poe, poe! en sloot de deur met een slag.Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven, en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een eigen naklankvan echo’s te hebben.Doch Scrooge was er de man niet naar zich door echo’s uit het veld te laten slaan. Hij grendelde de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam, onder het gaan zijn kaars snuitend.Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet; maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed; wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals ’t behoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard; lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm, oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en slootzichzelf in; draaide den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje, van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels, die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams, Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley’s gezicht te zien zijn geweest.“Malligheid!” zei Scrooge en liep de kamer op en neer.Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel, die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergetendoeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op, en al de schellen in het huis deden eveneens.Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden, doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend gerommel laag beneden in ’t huis, alsof iemand een zwaren ketting sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker, op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht op zijn deur aan.“’k Hou toch vol dat het malligheid is!” zei Scrooge. “Ik wil er niet in gelooven.”Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur helder op, alsof het zeggen wilde: “die ken ik! Marley’s Geest!” en toen doofde het weder.Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje, en zijn jaspandenen het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang, slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten, grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan; hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had, was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. “Wat heeft dat nu te beteekenen!” zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. “Wat wilt ge van mij?”“Heel veel!”—Marley’s stem, daar viel niet aan te twijfelen.“Wie zijt ge?”“Vraag me wie ik geweest ben.”“Wie ben je dan geweest?” zeide Scrooge, zijn stem verheffend. “Je bent nog al kieskeurig—voor een schim.” Hij had willen zeggen “kieskeurig tot op een haar,” maar stelde het eerste ervoor in de plaats, als meer passend.“Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley.”“Kunt ge—kunt ge gaan zitten?” vroeg Scrooge, hem twijfelachtig aanziend.“Jawel.”“Doe dat dan.”Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.“Ge gelooft niet aan mij,” merkte de Geest op.“Nee, dat doe ik ook niet,” zeide Scrooge.“Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat uwer zintuigen?”“Dat weet ik niet,” zeide Scrooge.“Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?”“Omdat,” zeide Scrooge, “er maar heel weinig noodig is om ze in de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn, een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan ook zijn moogt!” Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde, dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en weer als door de heete lucht uit een oven.“Ziet ge dezen tandestoker?” zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend, om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.“Zeker,” antwoordde het spook.“En je kijkt er niet eens naar,” zei Scrooge.“Maar ik zie hem tòch,” zei het spook.“Nu,” antwoordde Scrooge, “ik heb dezen maar door te slikken, om voor de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters, allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je—allemaal nonsens.”Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook denbinddoekvan zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.“Genade!” zeide hij. “Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij lastig?”“Wereldschgezinde man,” antwoordde het spook, “gelooft ge in mij of niet?”“Ja,” zeide Scrooge, “ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over de aarde, en waarom komen zij tot mij?”“Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen—oh, wee mij—en getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen.”Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong zijne doorschijnende handen.“Ge zijt geboeid,” zeide Scrooge bevend. “Zeg mij waarom.”“Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde,” antwoordde de Geest. “Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is het model ervan ù vreemd?”Scrooge beefde al meer en meer.“Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!”Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch hij zag niets.“Jacob,” zeide hij smeekend. “Oude Jacob Marley, vertel mij nòg meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob.”“Die heb ik niet voor u,” antwoordde de Geest.“Die komen van andere regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren van ons kantoor—luister—gedurende mijn leven dwaalde mijn geest nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle lange reizen liggen vóór mij!”Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of zijne knielende houding te verlaten.“Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob,” merkte Scrooge op, op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.“Langzaam!” herhaalde de Geest.“Zeven jaren dood!” zeide Scrooge peinzend. “En al dien tijd op reis?”“Al dien tijd,” zei het spook. “Geen rust, geen vrede en voortdurende knaging van berouw.”“Reist ge snel?” zei Scrooge.“Op de vleugelen van den wind,” antwoordde de Geest.“Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn,” zei Scrooge.Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal van op te maken wegens burengerucht.“O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende,” riep het spook uit, “gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest, in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!”“Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob,” stamelde Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.“Zaken!” riep de Geest uit, zijne handen wringend. “De menschheid was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde, mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!”Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag weder op den grond.“In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd ’k het meest,” zei het spook. “Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?”Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde voortgaan, en begon erg te beven.“Hoor mij aan,” riep de Geest. “Mijn tijd is bijna om.”“Dat wil ik,” zeide Scrooge. “Maar wees niet hard tegen me en wees niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!”“Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt, mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten.”Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte zich het zweet van het voorhoofd.“Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening,” ging de Geest voort. “Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb, Ebenezer.”“Je waart altijd een goed vriend voor mij,” zeide Scrooge. “Dank je wel.”“Je zult bezocht worden,” hernam het spook, “door Drie Geesten.”Scrooge’s gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.“Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?”“Ja.”“Dan geloof ik, dat—dat ik ’t toch maar liever niet wou,” zeide Scrooge.“Zonder hun bezoek,” zeide de Geest, “kunt ge niet hopen het pad te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten, als de klok één slaat.”“Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan hebben, Jacob?” stelde Scrooge voor.“Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden wat er tusschen ons is voorgevallen.”Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley’s tanden maakten, toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open, zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley’s geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees; want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw, onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts zweefden. Elk van hentorste ketenen zooals die van Marley’s geest; een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor altijd de macht verloren hadden.Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde om weder “nonsens!” te zeggen, doch bleef bij de eerste lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel onmiddellijk in slaap.1De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te vinden, neerkomt.2Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.3Kleinburgerlijke voorstad van Londen.

Om ’t dadelijk te zeggen: Marley was dood. Twijfel daarover is onmogelijk. Zijn begrafeniscedel werd geteekend door den geestelijke, den burgerlijken ambtenaar, den begrafenisondernemer en den voornaamsten rouwdrager. Scrooge teekende haar; en Scrooge’s naam was op de Beurs goed voor alles waarop hij zijne handteekening verkoos te zetten. De oude Marley was zoo dood als een deurpen.1Let wel! ik wil niet zeggen, dat ik uit eigen ervaring weet, wat er bijzonderdoods is aan een deurpen. Ik voor mij zou geneigd zijn een nagel in een doodkist te beschouwen als het doodste ding in den ijzerhandel. Doch in deze vergelijking steekt de wijsheid onzer voorouders; en mijn ongewijde handen zullen er niet aan tornen, of ’t is gedaan met het land. Ge zult mij daarom veroorloven nog eens met nadruk te herhalen, dat Marley zoo dood was als een deurpen.

Wist Scrooge dat hij dood was? Natúúrlijk wist hij dat. Hoe kon het anders? Scrooge en hij waren ik weet niet hoeveel jaren lang compagnons geweest. Scrooge was zijn eenige executeur, zijn eenige administrateur, zijn eenige overgebleven erfgenaam, zijn eenige vriend en eenige rouwdrager. En niettegenstaande dit alles was Scrooge nog niet zóó volkomen verslagen door de droevige gebeurtenis, of hij toonde zich nog wel een uitstekend man van zaken op den dag der begrafenis zelf, en vierde hem plechtig met een onmiskenbaar koopje. De vermelding van Marley’s begrafenis voert mij terug naar mijn punt van uitgang.—Er bestaat niet de minste twijfel omtrent Marley’s dood.—Dit moet goed verstaan worden, of er kan niets wondervols steken in de geschiedenis die ik nu ga vertellen. Zoo we niet volkomen overtuigd waren dat Hamlet’s vader dood was vóór het tooneelspel begon, zou er niets méér wonderbaarlijks steken in het feit, dat hij in den nacht, bij oostenwind, op zijn eigen wallen een wandeling ging doen, dan er zou zijn in het gedrag van den eersten den besten persoon van middelbaren leeftijd, die op onbezonnen wijze, na het vallen van den avond gaat wandelen op een winderige plaats—bijvoorbeeld St. Pauls Churchyard—met geen ander opzet, dan om denzwakken geest van zijn zoon in verbazing te zetten.

Scrooge verwijderde den naam van den ouden Marley nooit. Het stond er jaren daarna nog, boven de deur van het magazijn: Scrooge en Marley. De firma stond bekend onder den naam van Scrooge en Marley. Nu eens noemden lieden die de zaak niet kenden, Scrooge Scrooge en dan weder Marley, doch hij antwoordde op beide namen. Het was hem alles hetzelfde.

Ah, hij hield het mes zoo vast op den slijpsteen, die Scrooge! een uitpersende, vasthoudende, schrapende, naar zich toehalende, vrekkige oude zondaar! Hard en scherp als vuursteen, waaruit geen staal ooit een vonk edelmoedigheid had geslagen; geheimzinnig en in zichzelf gekeerd als een oester. De kou in hem deed zijn oude gelaatstrekken verstijven, scherpte zijn puntigen neus, rimpelde zijn wang en maakte zijn gang stijf; maakte zijn oogen rood, zijn dunne lippen blauw, en kwam listig uit in zijn krassende stem. Een vorstige rijp lag op zijn hoofd, en wenkbrauwen, en stekelige kin. Hij droeg zijn eigen lage temperatuur steeds met zich om; hij bevroor zijn kantoor in de hondsdagen; en ontdooide het niet één graad op Kerstmis.

Uitwendige hitte of koude oefenden hoegenaamd geen invloed op Scrooge. Geen warmte kon hem verwarmen, noch winterweêr hem koud maken. Geen wind die waaide was bitterder dan hij, geen vallende sneeuw ging rechter op haar doel af, geen kletterende regen was minder gevoelig voor smeekbeden. Hondeweêr wist niet waar hem aan te vatten. De zwaarste regen en sneeuw, en hagel en ijzel, konden slechts in één opzicht bogen zijne meerderen te zijn. Zij kwamen nogwel eens uit den hoek, en Scrooge deed dit nooit. Niemand hield hem ooit op straat staande om met vroolijke blikken te zeggen: “m’n waarde Scrooge, hoe gaat het je? wanneer kom je me eens opzoeken?” Geen bedelaars smeekten hem, hun een kleinigheid te geven, geen kinderen vroegen hem hoe laat het was, geen man of vrouw die hem ooit den weg naar de een of andere plaats gevraagd had. Zelfs de honden der blinden bleken hem te kennen, en als zij hem zagen aankomen plachten zij hunne eigenaars in portaaltjes en binnenplaatsen te trekken, en kwispelden dan met den staart alsof ze wilden zeggen: “géén oog is beter dan een boos oog, blinde meester!”

Doch wat kon dit Scrooge schelen? Dit was juist wat hem smaakte. Zich een weg te bànen door de, den levensweg mèt hem bewandelende menigte, en alle menschelijke sympathie op een afstand van zich te houden, dat was wat de ingewijden een kolfje naar Scrooge’s hand noemden.

Op een keer—en van al de goede dagen van het jaar nog wel op den avond vóór Kerstmis—was oude Scrooge druk bezig in zijn kantoor. Het was koud, naargeestig, nijpend weder: en daarbij mistig: en hij kon de menschen buiten op de plaats blazend op en neder hooren loopen, hunne armen kruiselings over de borst slaand, en met hunne voeten op de steenen van het plaveisel stampend om ze te warmen. De klokken van de City hadden pas drie geslagen, doch het was reeds geheel donker—het was den ganschen dag eigenlijk niet licht geweest—en kaarsen flikkerden voor de vensters der omringende kantoren, als rossige vlekken op de tastbare bruine lucht. De mist stroomde naar binnen door iedere reet en elksleutelgat, en was buiten zóó dicht, dat, hoewel het plaatsje zeer klein was, de huizen aan de overzijde niet anders dan schimmen geleken. Als men de donkere wolk zoo neer zag dalen, alles verduisterend, zou men hebben kunnen denken dat de Natuur daar dicht bij woonde en op groote schaal aan het brouwen was.

De deur van Scrooge’s kantoor stond open, opdat hij een oogje kon houden op zijn klerk, die in een naargeestige kleine cel, een soort hok, brievencopiëerde. Scróóge had al eenkleinvuurtje, doch het vuur van den klerk was zóóveel kleiner, dat het wel één kool leek. Hij kon er niets op doen, want Scrooge hield den kolenbak in zijn eigen kamer; en als de klerk binnenkwam met den kolenschepper, voorspelde zijn meester hem dat ze van elkaar zouden moeten gaan, waarop de klerk zijn witte bouffante omdeed en zich trachtte te verwarmen aan de kaars, wat hem, daar hij geen man was van groote verbeeldingskracht, niet gelukte.

“Vroolijke Kerstmis, oom! Veel heil en zegen!” riep een vroolijke stem. Het was de stem van Scrooge’s neef, die hem zoo plotseling overviel, dat dit de eerste aanduiding zijner komst was.

“Bah!” zei Scrooge, “nonsens!”

Deze neef van Scrooge had zich zóó warm gemaakt door zijn snelle loopen in den mist en vorst, dat hij er van gloeide; zijn gelaat was rood en knap; zijne oogen schitterden en zijn adem dampte.

“Kerstmis nónsens, oom!” zei Scrooge’s neef, “dat meent u niet.”

“Waarachtig wel,” zei Scrooge. “Vroolijke Kerstmis! Welk recht heb jìj om vroolijk te zijn? Jìj bent arm genoeg, zou ik zeggen.”

“Kom nu,” antwoordde de neef vroolijk, “welk recht hebt ù om knorrig te zijn? ù is rijk genoeg.”

Daar Scrooge op dat moment geen beter antwoord klaar had, zei hij nogmaals “bah” en liet er op volgen: “Nonsens.”

“Wees nu niet knorrig, oom,” zei de neef.

“Wat kan ik anders zijn,” antwoordde de oom, “als ik in zoo’n wereld vol dwazen leef? Vroolijke Kerstmis! Weg met vroolijke Kerstmis! Wat beteekent Kersttijd voor jou anders dan een tijd waarin je rekeningen moet betalen, zonder dat je er geld voor hebt; een tijd dat je jezelf een jaar ouder weet, en geen uur rijker; een tijd om je balans op te maken, en al zijne posten sedert twaalf maanden lang zich tegen je te zien keeren! Als ik kon doen wat ik wou,” zeide Scrooge verontwaardigd, “zou iedere idioot die rondloopt met “vroolijke Kerstmis” op zijn lippen, gekookt worden met zijn eigen pudding en begraven worden met een hulsttak door zijn hart.—Dàt zou ie!”

“Oom!” pleitte de neef.

“Neef!” antwoordde de oom streng, “vier Kerstmis zooals je verkiest en laat mij het doen zooals ik het wil.”

“Vieren!” hernam Scrooge’s neef. “Maar u viert het heelemaal niet.”

“Laat me het dan laten voor wat het is,” zeide Scrooge. “Veel goed moge het je doen! ’t Heeft je altijd veel geluk gebracht!”

“Er zijn vele dingen, die me goed hadden kùnnen doen en waaruit ik geen nut getrokken heb waarschijnlijk,” antwoordde de neef, “en van deze dingen is Kerstmis er een. Maar ik weet zeker, dat ik aan Kersttijd als hij weder dáár was—nog afgezien vanden eerbied, verschuldigd aan zijn heiligen naam en oorsprong, (zoo tenminste iets dat er bij past er van afgescheiden kan worden)—gedacht heb als aan een goeden tijd: een gelukkige, vergevende, liefderijke, aangename tijd: den eenigen tijd dien ik in den langen jaarkalender ken, waarop mannen en vrouwen als bij onderlinge overeenkomst hunne gesloten harten vrijelijk openen, en denken aan lieden beneden hen als aan werkelijke medereizigers naar het graf, en niet als aan een ander ras van schepselen dat naar een ander einddoel reist. En daarom, oom, al heeft Kersttijd nooit een greintje goud of zilver in mijn zak gebracht, geloof ik toch, dàt het mij goed gedaan hèèft en mij goed zàl doen; en ik zeg, God zegene hem.”

De klerk in het hok applaudisseerde onwillekeurig; en zich onmiddellijk daarop bewust wordend van de ongepastheid hiervan, pookte hij in het vuur en doofde het laatste zwakke vonkje voor altijd uit.

“Laat ik joù nog es hooren,” zeide Scrooge, “en jij zult je Kerstmis vieren met het verlies van je betrekking.—Ge zijt bepaald een groot redenaar, meneer,” voegde hij er bij, zich tot zijn neef wendend. “’t Verwondert me, dat je nog niet in het Parlement zit.”

“Wees nu niet boos, oom. Kom! kom morgen bij ons eten.”

Scrooge zei dat hij hem nog net zoo lief zag han—, ja, waarachtig, dat zei hij. Hij gebruikte de geheele uitdrukking, en zei dat hij hem nog net zoo lief in dat uiterste zou zien.

“Maar waarom?” riep Scrooge’s neef uit. “Waarom?”

“Waarom trouwde je?” zeide Scrooge.

“Omdat ik verliefd werd.”

“Omdat je verliefd werd!” gromde Scrooge, alsof dit het eenige ter wereld was dat nòg belachelijker was dan een vroolijke Kerstmis. “Goeien middag!”

“Maar oom, u is me evenmin ooit komen opzoeken vóór dat dit gebeurde. Waarom geeft u dat nù als een reden voor uw niet-komen.”

“Goeien middag,” zei Scrooge.

“Ik verlang niets van u; ik vraag u immers om niets; waarom kunnen wij geen goede vrienden zijn?”

“Goeien middag!” zei Scrooge.

“Het spijt me werkelijk dat ik u zoo vastbesloten vind. Nooit hebben wij een twist gehad waartoe ik aanleiding gegeven heb. Doch ik heb geprobeerd u over te halen ter eere van Kerstmis, en ìk zal toch mijn Kerststemming bewaren tot ’t laatste. En daarom, een gelukkig Kerstfeest, oom!”

“Goeien middag!” zei Scrooge.

“En een gelukkig Nieuw Jaar!”

“Goeien middag!” zei Scrooge.

En toch verliet zijn neef het vertrek zonder een verbolgen woord te uiten. Hij bleef bij de buitendeur staan om de complimenten van den dag te wisselen met den klerk, die, koud als hij was, toch warmer was dan Scrooge, want hij beantwoordde ze hartelijk.

“Daar heb je nòg zoo’n idioot,” mompelde Scrooge, die hem hoorde: “mijn klerk met negen gulden in de week en een vrouw en kinderen, en dat praat over ’n vroolijke Kerstmis. Ik geloof dat ik maar naar Bedlam2zal verhuizen.”

Deze idioot had, toen hij Scrooge’s neef uitliet, tweeandere menschen binnengelaten. Het waren deftige welgedane heeren, prettig om aan te zien, die nu met hunne hoeden af in Scrooge’s kantoor stonden. Zij hadden boeken en papieren in de hand en bogen voor Scrooge.

“De firma Scrooge en Marley, geloof ik,” zei een der heeren, zijn lijst inziend. “Heb ik het genoegen den heer Scrooge of den heer Marley te zien?”

“Mijnheer Marley is al zeven jaren dood,” antwoordde Scrooge. “Vanavond voor zeven jaren is hij gestorven.”

“Wij twijfelen er niet aan, of zijne mildheid is in goede handen bij zijn overlevenden compagnon,” zeide de heer, zijne geloofsbrieven overhandigend. Dat was zij ongetwijfeld, want zij waren twee verwante zielen geweest. Bij het onheilspellende woord “mildheid,” fronste Scrooge de wenkbrauwen, schudde het hoofd en gaf de geloofsbrieven terug.

“In dezen blijden tijd van het jaar, mijnheer Scrooge,” zei de heer, een pen opnemend, “is het meer nog dan anders wenschelijk dat wij iets zouden doen voor de armen en behoeftigen, die in dezen tijd veel te lijden hebben. Duizenden moeten het allernoodigste ontberen; honderdduizenden ontberen de meest gewone gemakken, meneer!”

“Zijn er geen gevangenissen?” vroeg Scrooge.

“O ja, gevangenissen in overvloed,” zei de heer, zijn pen weder neêrleggend.

“En de werkhuizen?” vroeg Scrooge. “Zijn die nog in werking?”

“Zeker. En toch,” antwoordde de heer, “wenschte ik dat ik zeggen kon dat ze ’t niet meer waren.”

“De tredmolen en de armenwet zijn dus nog in volle kracht?” zeide Scrooge.

“Beide nog op volle kracht, meneer.”

“Ha! ik was bang, uit wat u eerst zei, te moeten opmaken dat er iets was voorgevallen dat hen in hunne nuttige werking gestuit had,” zeide Scrooge. “’t Doet me genoegen dàt te hooren.”

“In de overtuiging, dat zij aan de overgroote meerderheid nièt juist christelijke vreugde naar ziel en lichaam verschaffen,” antwoordde de heer, “trachten enkelen van ons geld bij elkaar te krijgen om den armen aan wat voedsel en middelen ter verwarming te helpen. Wij kozen dezen tijd uit, omdat nu meer nog dan anders het gebrek scherp gevoeld wordt en de overvloed feestviert. Voor hoeveel mag ik u inschrijven?”

“Voor niets!” antwoordde Scrooge.

“Wenscht u anoniem te blijven?”

“Ik wensch met rust gelaten te worden,” zeide Scrooge. “Daar u mij vraagt wat ik wensch, heeren, is dàt mijn antwoord. Ik vier zelf geen feest op Kerstmis en ’t kan bij mij niet lijden nietsdoenden lieden vermaak te verschaffen. Ik steun de inrichtingen die ik zooeven noemde—en die kosten genoeg—en zij die ’t arm hebben kunnen dáárheen gaan.”

“Maar velen kunnen daar niet heengaan, en velen zouden liever sterven.”

“Als zij liever willen sterven,” zeide Scrooge, “dan moeten ze dat maar doen en zoodoende de overbevolking tegengaan. Bovendien—neem me niet kwalijk—maar daar weet ik niet van.”

“Maar u kòn het toch weten,” merkte de heer op.

“’t Zijn mijn zaken niet,” antwoordde Scrooge. “Het is voldoende als een mensch zijn eigen zaken verstaat en zich niet bemoeit met die van anderen. De mijnehouden mij voortdurend bezig. Goeien middag, heeren!”

Duidelijk ziende dat het nutteloos zou zijn om langer aan te houden, gingen de heeren heen. Scrooge hervatte zijn arbeid, met een verhoogden dunk van zichzelf en boertiger geluimd dan gewoonlijk.

Onderwijl werden de mist en de duisternis zoo zwaar, dat de menschen buiten rondliepen met flakkerende toortsen, en aanboden vóór rijtuigen uit te loopen en ze den weg te wijzen. De oude toren van een kerk, wiens schorre oude klok steeds met listige blikken op Scrooge neerzag vanuit een Gothisch venster in den muur, werd onzichtbaar en sloeg de uren en kwartieren in de wolken, met bevende trillingen achterna, alsof zijn tanden daarboven in zijn bevroren hoofd klapperden. De kou werd doordringend. In de hoofdstraat, op den hoek van het hofje, waren eenige arbeiders bezig de gaspijpen te repareeren en hadden een flink vuur aangestoken in een komfoor, waaromheen een troep havelooze mannen en jongens stonden: hunne handen warmend, en van verrukking met de oogen knippend tegen den gloed. Daar de waterkraan aan zichzelf overgelaten was, stolde het water dat er overgevloeid was plotseling gemelijk en werd tot misantropisch ijs. De schittering der winkels, waar hulsttakken en bessen knapperden in de lampenhitte der etalages, kleurde bleeke gezichten rossig onder het voorbijgaan. Poeliers- en kruidenierswinkels werden een schitterende grap, een glorierijke praalvertooning, waarvan men ternauwernood kon gelooven dat suffe dingen als koop en verkoop er iets mee uit te staan hadden.

De Lord-Mayor, in de sterkte van het machtigeStadhuis, gaf zijnen vijftig koks en botteliers bevel Kerstmis te vieren op een wijze, zooals dat in het huishouden van een Lord-Mayor betaamt; en zelfs de kleine kleêrmaker, dien hij den vorigen Maandag drie gulden boete opgelegd had, omdat hij op straat dronken en bloeddorstig was geweest, roerde op zijn vliering de pudding voor den volgenden dag, terwijl zijn magere vrouw met het kleine kind de straat opging om het rundvleesch te koopen.

Al mistiger en kouder werd het! Doordringend, snerpend, snijdend koud. Als de goede Sint Dunstan den neus van den Duivel slechts genepen had met een tikje van dit weder, in plaats van zijn gewone wapenen (smidshamer en nijptang) te gebruiken, dan zou de Satan er eerst lustig op losgebruld hebben. De eigenaar van een schralen jongen neus, afgeknabbeld en bekauwd door de hongerige koude, zooals beentjes door honden afgeknabbeld worden, bukte zich naar Scrooge’s sleutelgat om hem te onthalen op een Kerstlied; doch bij de eerste klanken van:

“Heil en zegen op deez’ dag,Dat geen leed u treffen mag!”

“Heil en zegen op deez’ dag,

Dat geen leed u treffen mag!”

greep Scrooge de liniaal met zulk een energie, dat de zanger doodelijk verschrikt de vlucht nam en het sleutelgat ten prooi liet aan de mist en de nog meer met Scrooge’s aard overeenkomende vorst.

Eindelijk was het sluitingsuur daar. Onwillig stapte Scrooge van zijn kruk, en erkende het feit stilzwijgend tegenover den klerk in het hok, die zijn kaars onmiddellijk doofde, en zijn hoed opzette.

“Morgen moet je zeker den heelen dag vrij hebben, he?” zeide Scrooge.

“Als ’t gelegen komt, meneer.”

“’t Komt nièt gelegen,” zeide Scrooge, “en ’t is bovendien niet billijk. Als ik je er een daalder loon voor inhield, weet ik zeker dat je je al heel verongelijkt zou achten.”

De klerk glimlachte flauwtjes.

“En toch,” zeide Scrooge, “vindje niet dat ìk benadeeld word, als ik jou een dag salaris betaal voor geen werk.”

De klerk merkte op, dat ’t maar eens in ’t jaar was.

“Een erbarmelijk voorwendsel om iemands zak iederen vijfentwintigsten December te rollen!” zeide Scrooge, zijn overjas tot de kin toeknoopend. “Maar natuurlijk zul je den geheelen dag wel moeten vrij zijn. Zorg dan dat je hier den volgenden morgen zooveel te vroeger bent.”

De klerk beloofde dit te zullen doen, en Scrooge ging grommend heen. Het kantoor was in een oogwenk gesloten en de klerk, met de lange einden van zijn witte bouffante tot op zijn middel bengelend, (want hij kon niet bogen op een overjas) ging een glippertje maken op een glijbaan in Cornhill, achter een rij jongens aan, twintig maal achtereen, ter eere van den vooravond van Kerstmis, en holde toen huiswaarts naar Camden Town,3zoo hard zijne beenen slechts draven wilden, om blindemannetje te spelen.

Scrooge gebruikte zijn naargeestig middagmaal in het naargeestige restaurant waar hij dit gewoonlijk deed, en na al de bladen gelezen, en de rest van den avond zoek gebracht te hebben met zijn bankkasboek, ging hij huiswaarts en te bed. Hij woonde op kamersdie voortijds behoord hadden aan zijn overleden compagnon. Het was een somber stel vertrekken, in een somber, groot gebouw aan een hofje, waar het zoo weinig te maken had, dat men zich bijna zou kunnen verbeeld hebben, dat het erheen geloopen was toen het nog een jong huis was, om verstoppertje te spelen met andere huizen, en den weg eruit vergeten had. Het was nu wèl oud en naargeestig, want er woonde niemand anders in dan Scrooge, daar de andere vertrekken alle verhuurd waren als kantoren. Op het plaatsje was het zoo donker, dat zelfs Scrooge, die iederen steen ervan kende, wel met zijn handen moest rondtasten. De mist en de vorst hingen zoo dicht om de oude poort van het huis, dat het leek alsof de Genius van het weder in droevige overpeinzingen op den drempel zat. Nu is het een feit dat er niets bijzonders aan den klopper op de deur was, behalve dat hij zeer groot was. Ook is het een feit, dat Scrooge hem voor oogen gehad had zoolang hij daar woonde, en dat Scrooge al even weinig had van wat men verbeeldingskracht noemt, als eenig koopman in de City van Londen, zelfs hieronder begrijpend—wat een stout woord is—den raad, de schepenen en de gildebroeders. Ook moet men niet vergeten dat Scrooge geen oogenblik meer gedacht had aan zijn nu zeven jaren dooden compagnon, sinds hij er dien middag melding van gemaakt had. En laat iemand mij dan eens, zoo hij kan, verklaren, hoe het kwam dat Scrooge, toen hij den sleutel in het sleutelgat gestoken had, in den klopper, zonder dat deze eenig veranderingsproces onderging, zag: niet een klopper, doch Marley’s gezicht.

Marley’s gezicht. Het was niet, als de andere voorwerpen,in ondoordringbare schaduw gehuld, doch er omheen scheen een naargeestig licht zooals men soms ziet om een bedorven kreeft in een donkeren kelder. Het gelaat was niet boos of woest, doch keek Scrooge slechts aan zooals Marley dit placht te doen: met een spookachtigen bril, die opgeslagen was op het spookachtige voorhoofd. Het haar wuifde vreemd heen en weer, als bewogen door adem of heete lucht; en hoewel de oogen wijd open stonden waren ze geheel bewegingloos. Dat en de lijkkleur maakten het tot iets afgrijselijks; doch dit laatste scheen onafhankelijk te zijn van zijn eigen wil, meer nog dan dat het een deel van de uitdrukking ervan vormde. Toen Scrooge strak naar dit verschijnsel keek was het weder een klopper.

Het zou bezijden de waarheid zijn te zeggen, dat Scrooge niet ontdaan was of dat zijn bloed zich niet bewust was van een vreeselijke sensatie, waaraan hij sedert zijne kindsheid vreemd was geweest. Doch hij legde zijn hand weder op den sleutel dien hij losgelaten had, draaide hem met vaste hand om, ging binnen en stak zijn kaars aan.

Weliswaar stond hij een oogenblik besluiteloos vóór hij de deur sloot; en ook keek hij er eerst behoedzaam achter, alsof hij half en half verwachtte verschrikt te worden door Marley’s staartpruikje, uithangend in den gang. Doch er was niets achter de deur, behalve de schroeven en moeren die den klopper vasthielden; daarom zeide hij: poe, poe! en sloot de deur met een slag.

Het geluid weergalmde door het huis als donder. Ieder vertrek boven, en ieder vat in de kelders van den wijnhandelaar beneden, scheen een eigen naklankvan echo’s te hebben.Doch Scrooge was er de man niet naar zich door echo’s uit het veld te laten slaan. Hij grendelde de deur, en ging den gang door de trappen op: en nog wel langzaam, onder het gaan zijn kaars snuitend.

Men praat wel eens over het rijden van een rijtuig met de zes tegen een goede oude trap op, of door de leemten van een jonge Parlementswet; maar ik houd vol, dat ge met gemak een lijkkoets dien trap had kunnen oprijden, en nog wel over-dwars met den disselboom naar den muur en het portier naar de balustrade. En er was ruimte in overvloed; wat misschien de reden is waarom Scrooge dacht, dat hij een zich voortbewegende lijkstatie vóór zich zag uitgaan in het halfduister. Een half-dozijn gaslantaarns van de straat zouden den ingang niet al te goed verlicht hebben; ge kunt dus wel aannemen dat het er tamelijk donker was: duisternis is goedkoop, en daar hield Scrooge van. Doch vóór hij zijn zware deur sloot, ging hij zijne vertrekken rond om te zien of alles in orde was. Hij herinnerde zich het gezicht nog juist genoeg om die zekerheid ten minste te willen hebben.

Huiskamer, slaapkamer, rommelkamer. Alles zooals ’t behoorde. Niemand onder de tafel, niemand onder de sofa; een klein vuurtje in den haard; lepel en kom klaar gezet; en het kleine pannetje met pap (Scrooge had koû in het hoofd) op den rooster. Niemand onder het bed; niemand in de kast; niemand in zijn chambercloak die in verdachte houding tegen den muur hing. Rommelkamer als gewoonlijk. Het oude vuurscherm, oude schoenen, twee vischmanden, waschtafel op drie pooten en een pook.

Volkomen voldaan deed hij de deur dicht en slootzichzelf in; draaide den sleutel twéémaal om, wat niet zijne gewoonte was. Aldus verzekerd tegen een overval, deed hij zijn das af, trok zijn chambercloak en pantoffels aan, zette zijn slaapmuts op en ging voor het vuur zitten om zijn pap te gebruiken. Het was wèl een heel klein vuurtje, van geen beteekenis op zulk een bitter kouden avond. Hij moest er zeer dicht bij gaan zitten, en zich eroverheen buigen, vóór hij het geringste gevoel van warmte uit zulk een handvol brandstof kreeg. De schouw was een zeer oude, lang geleden gebouwd door den een of anderen Hollandschen koopman en rondom ingelegd met vreemde Hollandsche tegels, die tafereelen uit de Heilige Schrift voorstelden. Er waren Kaïns en Abels; Pharaohs dochters, Koninginnen van Scheba, hemelsche boden die uit de lucht afdaalden op wolken als veêren-bedden, Abrahams, Belshazars, Apostelen die in botervlootjes in zee staken, honderden figuren, om zijne gedachten bij te doen stilstaan; en toch kwam dit gezicht van den zeven-jaar-dooden Marley telkens terug en verzwolg al het andere evenals de tooverstaf van den ouden profeet. Als iedere gladde tegel in het eerst zonder figuren erop geweest was, met het vermogen een tafereel op zijn oppervlakte te malen, genomen uit de losse brokken zijner gedachten, zou er op elk een afdruk van Marley’s gezicht te zien zijn geweest.

“Malligheid!” zei Scrooge en liep de kamer op en neer.

Na dit verscheidene malen gedaan te hebben ging hij weder zitten. Toen hij zijn hoofd achterover op zijn stoel liet rusten, bleef zijn blik toevallig rusten op een schel, een in onbruik geraakte schel, die in het vertrek hing, en die voor het een of ander, nu vergetendoeleinde, de gemeenschap onderhield met een vertrek in de bovenste verdieping van het huis. Met de uiterste verbazing en met een vreemden onverklaarbaren angst zag hij, hoe, terwijl hij er naar keek deze bel heen en weer begon te slingeren. Zij slingerde zoo zacht in het begin, dat zij nauwelijks geluid maakte: doch weldra klonk ze luid op, en al de schellen in het huis deden eveneens.

Dit zal zoowat een halve minuut of een minuut hebben aangehouden, doch het leek wel een uur. De bellen hielden op zooals ze begonnen waren, alle tegelijk. Hun geluid werd gevolgd door een rammelend gerommel laag beneden in ’t huis, alsof iemand een zwaren ketting sleepte over de vaten in den kelder van den wijnkooper. En Scrooge herinnerde zich toen opeens de verhalen van geesten in spookhuizen en dat daar altijd ketengerammel in voorkwam. De kelderdeur vloog open met een hollen slag, en toen hoorde hij het lawaai veel duidelijker, op de verdiepingen onder hem; vervolgens kwam het de trap op en recht op zijn deur aan.

“’k Hou toch vol dat het malligheid is!” zei Scrooge. “Ik wil er niet in gelooven.”

Niettemin verschoot hij van kleur, toen het, zonder een oogenblik stil te houden, dóór de zware deur gleed en zoo in de kamer voor zijne oogen verscheen. Toen het binnenkwam, flakkerde het kwijnende vuur helder op, alsof het zeggen wilde: “die ken ik! Marley’s Geest!” en toen doofde het weder.

Het wàs zijn gezicht, volmaakt zijn gezicht. Marley met zijn pruikstaartje, zijn gewone vest, spanbroek en hooge laarzen; de kwasten aan deze laatste stonden recht overeind, evenals zijn pruikstaartje, en zijn jaspandenen het haar op zijn hoofd. De ketting dien hij voortsleepte was om zijn middel vastgemaakt. Deze keten was lang, slingerde zich om hem heen als een staart en was gemaakt (want Scrooge nam hem nauwkeurig op) van geldkisten, sleutels, hangsloten, grootboeken, akten en zware van staal gevlochten beurzen. Zijn lichaam was doorschijnend, zoodat Scrooge, terwijl hij hem opnam, door zijn vest keek en de twee knoopen achter op zijn jas kon zien.

Scrooge had dikwijls hooren zeggen dat Marley geen hart had, maar dit had hij nooit kunnen gelooven voor hij het nù zag.

Neen, en ook nu geloofde hij het nog niet.

Hoewel hij dwars door het spook heenzag, en het voor zich zag staan; hoewel hij den kil-makenden invloed van de doods-koude oogen voelde en zelfs het weefsel kon onderscheiden van den doek die om hoofd en kin gewonden was, welke binddoek hij tot nu toe niet opgemerkt had, was hij toch nog ongeloovig en streed tegen zijne zintuigen. “Wat heeft dat nu te beteekenen!” zeide Scrooge, scherp en koud als altijd. “Wat wilt ge van mij?”

“Heel veel!”—Marley’s stem, daar viel niet aan te twijfelen.

“Wie zijt ge?”

“Vraag me wie ik geweest ben.”

“Wie ben je dan geweest?” zeide Scrooge, zijn stem verheffend. “Je bent nog al kieskeurig—voor een schim.” Hij had willen zeggen “kieskeurig tot op een haar,” maar stelde het eerste ervoor in de plaats, als meer passend.

“Toen ik leefde was ik je compagnon, Jacob Marley.”

“Kunt ge—kunt ge gaan zitten?” vroeg Scrooge, hem twijfelachtig aanziend.

“Jawel.”

“Doe dat dan.”

Scrooge deed deze vraag, omdat hij niet wist of een zóó doorschijnende geest wel in staat zou zijn een stoel te nemen en hij voelde dat ingeval deze dit niet kon, een vrij lastige verklaring hiervan het noodzakelijk gevolg moest zijn. Doch de geest ging zitten aan den anderen kant van den haard alsof hij niet anders gewoon was.

“Ge gelooft niet aan mij,” merkte de Geest op.

“Nee, dat doe ik ook niet,” zeide Scrooge.

“Welk verder bewijs voor mijn bestaan hebt ge noodig, behalve dat uwer zintuigen?”

“Dat weet ik niet,” zeide Scrooge.

“Waaròm vertrouwt ge uwe zintuigen niet?”

“Omdat,” zeide Scrooge, “er maar heel weinig noodig is om ze in de war te brengen. Een geringe ongesteldheid van de maag maakt ze bedriegelijk. Je kunt wel een onverteerd stukje ossevleesch zijn, een beetje mosterd, een kruimeltje kaas of een ongare aardappel. Ge komt eerder uit de vette jus dan uit de vette aarde voort, wat je dan ook zijn moogt!” Scrooge was niet gewoon aardigheden te verkoopen en ook voelde hij zich in zijn binnenste nu juist allerminst grappig gestemd. Het feit was, dat hij geestig trachtte te zijn, om zijn eigen aandacht af te leiden en zijn angst er onder te houden, want de stem van het spook drong hem door merg en been. Scrooge voelde, dat als hij ook maar één oogenblik stil naar die starende, verglaasde oogen zat te kijken, hij heel van zijn stokje zou vallen.

Ook was er iets gruwelijks in het feit dat het spook een eigen helschen atmosfeer om zich heen had. Scrooge kon dat zelf niet voelen, doch het was klaarblijkelijk het geval; want hoewel het spook volmaakt stil zat, gingen zijn haar, en panden en kwasten nog steeds heen en weer als door de heete lucht uit een oven.

“Ziet ge dezen tandestoker?” zeide Scrooge, snel opnieuw aanvallend, om de hierboven aangeduide reden en om den versteenden blik van het visioen van zich af te leiden, al was het maar voor een sekonde.

“Zeker,” antwoordde het spook.

“En je kijkt er niet eens naar,” zei Scrooge.

“Maar ik zie hem tòch,” zei het spook.

“Nu,” antwoordde Scrooge, “ik heb dezen maar door te slikken, om voor de rest van mijn dagen vervolgd te worden door een legioen kabouters, allen van mijn eigen vinding. Nonsens, zeg ik je—allemaal nonsens.”

Op deze woorden stiet het spook een vreeselijken kreet uit, en rammelde zóó lawaai-naargeestig met zijn keten, dat Scrooge zich aan zijn stoel vastklemde om te voorkomen dat hij in zwijm zou vallen. Doch hoeveel grooter werd zijn ontzetting toen het spook denbinddoekvan zijn hoofd verwijderde, alsof het te warm was om hem binnenshuis te dragen en zijn onderkaak op zijn borst neerviel.

Scrooge viel op de knieën en sloeg de handen voor het gezicht.

“Genade!” zeide hij. “Vreeselijke verschijning, waarom valt ge mij lastig?”

“Wereldschgezinde man,” antwoordde het spook, “gelooft ge in mij of niet?”

“Ja,” zeide Scrooge, “ik moet wel. Maar waarom dwalen Geesten over de aarde, en waarom komen zij tot mij?”

“Van ieder mensch wordt geëischt, dat de geest die in hem is onder zijne medeschepselen heinde en ver zal omwandelen en zoo die geest dit in dit leven niet doet, is hij veroordeeld het te doen na den dood. Hij is gedoemd om door de wereld te dolen—oh, wee mij—en getuige te zijn van wat hij niet deelen kan, doch op aarde had kunnen deelachtig worden, en waardoor hij geluk had kunnen bevorderen.”

Weer slaakte de Geest een kreet, en rammelde met zijn keten en wrong zijne doorschijnende handen.

“Ge zijt geboeid,” zeide Scrooge bevend. “Zeg mij waarom.”

“Ik torsch den keten dien ik bij mijn leven smeedde,” antwoordde de Geest. “Ik maakte hem schalm voor schalm, en el voor el; uit eigen vrijen wil gordde ik hem om, en uit eigen vrijen wil torste ik hem. Is het model ervan ù vreemd?”

Scrooge beefde al meer en meer.

“Of wilt ge het gewicht en de lengte van den sterken keten dien ge zelf draagt, weten? Zeven Kerstavonden geleden was die ruim zoo zwaar en lang als deze. En sedert dien tijd hebt gij er voortdurend aan gearbeid. Het is een zeer zware keten nu!”

Scrooge keek om zich heen op den grond, alsof hij verwachtte zichzelf omringd te zien door een vijftig of zestig vademen staalkabel; doch hij zag niets.

“Jacob,” zeide hij smeekend. “Oude Jacob Marley, vertel mij nòg meer. Spreek mij woorden van troost toe, Jacob.”

“Die heb ik niet voor u,” antwoordde de Geest.“Die komen van andere regionen, Ebenezer Scrooge, en worden door andere dienaren aan andere menschen gebracht. Ook kan ik u niet zooveel zeggen als ik wel zou willen. Nog slechts zeer weinig mag ik u mededeelen. Ik mag nergens toeven en heb nergens rust. Mijn geest ging nooit verder dan de muren van ons kantoor—luister—gedurende mijn leven dwaalde mijn geest nooit buiten de enge grenzen van ons geld-wissel-hol en moeitevolle lange reizen liggen vóór mij!”

Scrooge had de gewoonte, als hij ergens over nadacht zijne handen in zijne broekzakken te steken. Nadenkend over wat de Geest hem verteld had, deed hij dit ook nu, doch zonder zijne oogen op te slaan of zijne knielende houding te verlaten.

“Je moet wel langzaam aan gedaan hebben, Jacob,” merkte Scrooge op, op zakelijken toon, maar toch met ootmoed en ontzag.

“Langzaam!” herhaalde de Geest.

“Zeven jaren dood!” zeide Scrooge peinzend. “En al dien tijd op reis?”

“Al dien tijd,” zei het spook. “Geen rust, geen vrede en voortdurende knaging van berouw.”

“Reist ge snel?” zei Scrooge.

“Op de vleugelen van den wind,” antwoordde de Geest.

“Dan kunt ge in zeven jaar een heel eindje gekomen zijn,” zei Scrooge.

Op deze woorden stiet de Geest wederom een kreet uit en rammelde zoo vreeselijk met zijn keten in de stilte van den nacht, dat de nachtwacht volkomen gerechtigd zou zijn geweest er proces-verbaal van op te maken wegens burengerucht.

“O, gij, gevangene, gebondene, en dubbel geketende,” riep het spook uit, “gij, die niet beseft dat er eeuwen van onafgebroken zwoegen door onsterfelijke schepselen voor deze aarde in de eeuwigheid moeten te niet gaan vóór al het goede waarvoor de aarde ontvankelijk is, zich ontwikkeld heeft. Gij, die niet beseft dat voor elken Christen-geest, in haar kleinen werkkring bezig, welke die ook zijn moge, dit sterfelijke leven te kort is voor al het oneindige nut dat hij sticht en kan stichten. Niet te weten dat geen berouw, hoe groot ook, al de ongebruikt gelaten gelegenheden tot goeddoen kan goed maken. En dit alles heb ik gedaan, heb ik gedaan!”

“Maar je was toch altijd een goed man van zaken, Jacob,” stamelde Scrooge, die dit nu op zichzelven begon toe te passen.

“Zaken!” riep de Geest uit, zijne handen wringend. “De menschheid was mijn zaak. Het algemeene welzijn was mijn zaak; naastenliefde, mededoogen, verdraagzaamheid en milddadigheid, die allen hadden mijne zaak behooren te zijn. De transacties in mijnen handel waren slechts een druppel water in den oneindigen oceaan van mijne plichten!”

Het hield zijn keten op armlengte voor zich uit, alsof deze de oorzaak was van al zijn nutteloos berouw en wierp hem met een zwaren slag weder op den grond.

“In dezen tijd van het voortspoedende jaar lijd ’k het meest,” zei het spook. “Waarom ging ik met neergeslagen oogen mijn weg tusschen de menigte mijner medeschepselen, zonder mijne oogen ooit op te slaan naar die gezegende ster, die den Wijzen den weg wees naar de krib? Waren er geen arme huizen waar haar licht mij heen had kunnen geleiden?”

Scrooge was heel ontdaan toen hij het spook op deze wijze hoorde voortgaan, en begon erg te beven.

“Hoor mij aan,” riep de Geest. “Mijn tijd is bijna om.”

“Dat wil ik,” zeide Scrooge. “Maar wees niet hard tegen me en wees niet hoogdravend alsjeblieft, Jacob!”

“Hoe het komt dat ik je verschijn in een gedaante die je zien kunt, mag ik niet zeggen. Menigen dag heb ik onzichtbaar naast je gezeten.”

Dit was geen bijzonder aangename gedachte. Scrooge huiverde en wischte zich het zweet van het voorhoofd.

“Dat is geen licht gedeelte mijner boetedoening,” ging de Geest voort. “Ik ben hier om je te zeggen, dat je nog kans en hoop hebt om mijn lot te ontgaan. Een kans en een hoop die ik je verschaft heb, Ebenezer.”

“Je waart altijd een goed vriend voor mij,” zeide Scrooge. “Dank je wel.”

“Je zult bezocht worden,” hernam het spook, “door Drie Geesten.”

Scrooge’s gezicht werd bijna even lang als dat van den Geest.

“Is dat de kans en de hoop waar je daar net van sprak, Jacob?”

“Ja.”

“Dan geloof ik, dat—dat ik ’t toch maar liever niet wou,” zeide Scrooge.

“Zonder hun bezoek,” zeide de Geest, “kunt ge niet hopen het pad te ontgaan, dat ik betreed. Morgen kunt gij den eerste verwachten, als de klok één slaat.”

“Kan ik ze niet alle drie tegelijk nemen, en er dan mee afgedaan hebben, Jacob?” stelde Scrooge voor.

“Verwacht den tweede den daaropvolgenden avond als de laatste slag van twaalven opgehouden heeft te trillen. Draag zorg dat ik je niet andermaal behoef te verschijnen en in je eigen belang goed te onthouden wat er tusschen ons is voorgevallen.”

Na deze woorden gezegd te hebben, nam de Geest zijn binddoek van de tafel en bond hem om zijn hoofd als te voren. Scrooge wist dat hij dit deed, aan het klapperend geluid dat Marley’s tanden maakten, toen de kaken door den binddoek tegen elkander gedrukt werden. Hij waagde het zijne oogen weder op te slaan, en zag zijn bovenaardschen bezoeker voor zich staan in zijn rechte houding, met zijn keten om den arm gewonden. De verschijning verwijderde zich achterwaarts van hem en bij iederen schrede ging het raam vanzelf een eindje verder open, zoodat, toen het spook het bereikte, het geheel open stond. De Geest wenkte Scrooge om naderbij te komen, hetwelk deze deed. Toen zij nog slechts enkele schreden van elkaar verwijderd waren, stak Marley’s geest de hand op, hem beduidend niet nader te komen. Scrooge bleef staan. Niet zoozeer uit gehoorzaamheid, als wel in verbazing en vrees; want bij het opsteken der hand, hoorde hij plotseling verwarde geluiden in de lucht, onsamenhangende geluiden van weegeklaag en berouw, onuitsprekelijk droevige en zelfbeschuldigende klachten. Nadat het spook een oogenblik had toegeluisterd, stemde het in met den droevigen lijkzang en zweefde het grauwe, nachtelijke duister in.

Scrooge volgde het tot aan het venster: overmoedig in zijne nieuwsgierigheid. Hij keek naar buiten. De lucht was vol spookgestalten, die in rustelooze haast klagend her- en derwaarts zweefden. Elk van hentorste ketenen zooals die van Marley’s geest; een paar (het waren misschien schuldige regeeringen) waren aan elkaar geketend; geen van hen was geheel vrij. Scrooge had er verscheidene bij hun leven gekend. Hij had op zeer goeden voet gestaan met een ouden geest met een wit vest aan, die een reusachtige ijzeren brandkast aan den enkel had, en die erbarmelijk klaagde omdat hij een havelooze vrouw met een kind, die hij beneden op een stoep zag zitten, niet kon helpen. Hun ellende bestond klaarblijkelijk hierin, dat zij trachtten ten goede in te grijpen in menschelijke verhoudingen en hiertoe voor altijd de macht verloren hadden.

Of deze wezens vervaagden in mist of dat nevel hen omhulde, kon hij niet uitmaken. Doch zij en hunne geestenstemmen verdwenen te zamen en de nacht werd weder zooals hij was toen Scrooge naar huis liep.

Scrooge sloot het venster en onderzocht de deur door welke de Geest binnengekomen was. Zij was dubbel-gegrendeld, zooals hij haar met zijn eigen handen gegrendeld had, en de grendels waren onaangeroerd. Hij probeerde om weder “nonsens!” te zeggen, doch bleef bij de eerste lettergreep steken. En daar hij, hetzij door de emotie, die hij gehad had, of door de vermoeienissen van dien dag, of door het kijkje in de onzichtbare wereld, of door het vervelende gesprek dat hij met den geest gehad had, of door het late uur, groote behoefte aan rust had, ging hij dadelijk te bed zonder zich uit te kleeden, en viel onmiddellijk in slaap.

1De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te vinden, neerkomt.2Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.3Kleinburgerlijke voorstad van Londen.

1De deurpen is de pen, waarop de klopper, in oude huizen nog te vinden, neerkomt.

2Bedlam = ons krankzinnigengesticht Meerenberg.

3Kleinburgerlijke voorstad van Londen.

Tweede Zang.De Eerste der Drie Geesten.Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij tot zij het volle uur zouden slaan.Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg twaalf; en zweeg.“Wel heb ik van m’n leven, ’t is toch niet mogelijk dat ik een heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben,” zei Scrooge. “Er zal tochniets met de zon wezen, zoodat dit twaalf uur ’s middags kan zijn?”Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met den mouw van zijnchambercloakaf te wrijven voor hij iets kon zien, en zag toen nòg maar heel weinig. ’t Eenige dat hij zien kon was, dat het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote verlichting, omdat “na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief” enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen, en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.Marley’s Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: “Was het een droom of niet?”Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat de Geest hemeen bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan, was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn luisterend oor:“Bim-bam!”“Kwartier over!” telde Scrooge.“Bim-bam!”“Half slag!” zei Scrooge.“Bim-bam!”“Kwartier vóór,” zei Scrooge.“Bim-bam!”“Volslag,” zeide Scrooge, triomfantelijk, “en er komt niks.”Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde, evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge, die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte, zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof, zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan uwe elboog.Het was een vreemde gedaante—gelijkend op een kind; en toch weer niet zoozeer op een kind, als welop een oud man, gezien door de een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat, en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter, was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van al deze verdwijnende ledematen was geenomlijning zichtbaar door de dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk en helder als altijd.“Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?” vroeg Scrooge.“Die ben ik!”De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.“Wie, en wat ben je?” vroeg Scrooge.“Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden.”“Van làng verledene?” vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw opmerkte.“Neen, van ùw verleden.”Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.“Wat!” riep de Geest uit, “wilt gij met wereldsche handen reeds zoo gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?”Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.“Uw welzijn!” zeide de Geest.Scrooge betuigde zijn’ dank, doch kon niet nalaten te denken dat een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijkvoor dit doel geweest zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij zeide onmiddellijk:“Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!”Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.“Sta op! en ga met mij mee!”Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand, was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.“Ik ben maar een sterveling,” zeide Scrooge, “en zou licht kunnen vallen.”“Laat mijne hand u slechts dáár raken,” zeide de Geest, zijn hand op Scrooge’s hart leggend, “en gij zult gesteund worden in meer dan dit!”Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.“Goeie hemel!” zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij om zich heen keek. “Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik jong was.”De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden, elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en zorgen die lang, lang vergeten waren.“Uw lip beeft,” zeide de Geest. “En wat is dat daar op uw wang?”Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij maar wilde.“Herinnert gij u den weg nog?” vroeg de Geest.“Of ik!” riep Scrooge met vuur.—“Ik zou hem blindelings kunnen loopen.”—“Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!” merkte de Geest op. “Laten we voortgaan.”Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde, met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.“Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn,” zeide de Geest. “Zij beseffen niet dat wij hier staan.”De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onderhet aankomen herkende Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen, naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om “een vroolijke Kerstmis?” Weg met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?“De school is nog niet geheel verlaten,” zei de Geest. “Een eenzaam kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven.”Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had; want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen; en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht, een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen.De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren schoolbanken en lessenaars.Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn verteederenden invloed op Scrooge’s hart en gaf vrijer loop aan zijne tranen.De Geest raakte zijn’ arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.“Wel heb ik van m’n leven, dat’s Ali Baba!” riep Scrooge verrukt uit. “’t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als nu. Arme jongen! En Valentijn,” zeide Scrooge, “en zijn wilde broeder Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet,ziet ge hem niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik ben er tòch blij om, wat moesthijook met de Prinses trouwen?”Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge’s zakenkennissen uit de City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen, te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde kleur en opgewonden gezicht te zien.“Daar heb je de Papegaai ook!” riep Scrooge. “Groen lijf en gele staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. “Arme Robinson Crusoë,” noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart om zijn eiland heen. “Arme Robinson Crusoë,” waar zijt ge geweest, Robinson Crusoë?” De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch niet zoo: Het was de papegaai die ’t zei, weet je. Daar gaat Vrijdag, loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te redden. “Hallo, hoep, hallo!”En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, “arme jongen!” en weende weder.“Ik wou,” mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord: “maar ’t is nu te laat.”“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.“Niets,” zeide Scrooge. “Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat’s al!”—De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaidemet de hand, zeggend terwijl hij dit deed: “Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien.”Bij deze woorden werd Scrooge’s vroeger eigen ik grooter, en de kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in, de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde, wist Scrooge evenmin als gij of ik.—Hij wist alleen dat het precies zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend angstig naar de deur.Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk kussend, noemde zij hem haar “lieve, lieve broertje.”“Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!” zei het kind, in hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen, “om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!”“Naar huis, kleine Fan?” antwoordde de jongen.“Ja!” zeide het kind, dol van vreugde. “Naar huis, en voor goed. Vader is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op ’n heerlijken avond toen ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!” zei hetkind, haar oogen openend, “en hier kom je nooit meer terug; maar eerst moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd hebben dien je je denken kunt.”“Je bent al ’n heele meid, kleine Fan!” riep de jongen uit. Zij klapte in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken, ging met haar mede.Een barsche stem in den gang riep: “Hei daar, breng de koffer van jongenheer Scrooge es naar beneden!” en in den gang verscheen de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het alleroudste gat van een kille “mooie kamer” dat ge ooit gezien hebt, waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht naar buiten sturend om den postrijder een glas van “’t een of ander” aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer’s aanbod dankbaar aannam, maar dat als het ’t zelfde was wat hij al meer gehad had, dan had hij ’t liever niet.Daar de koffer van jongenheer Scrooge nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; desneldraaiende raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen der coniferen.“Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen blazen,” zei de Geest. “Maar ze had een ruim hart.”“Dàt had ze,” riep Scrooge uit. “Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!”“Ze stierf toen ze ’n vrouw was,” zei de Geest, “en had, geloof ik, kinderen.”“Eén kind,” antwoordde Scrooge.“’t Is waar ook,” zeide de Geest, “uw neef.”Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: “Ja.”Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden, bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar schimmigepassagiersheen en weder liepen; waar schimmige karren en koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij het kende.“Of ik!” zeide Scrooge.“Ik was hier immers leerling!”Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:“Wel heb ik van m’n leven, ’t is de ouwe Fezziwig! God zegen hem; het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is.”De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette, joviale stem:“Hallo daar! Ebenezer! Dick!”Scrooge’s vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.“Dick Wilkins, waarachtig!” zei Scrooge tegen den Geest. “Waarachtig ’t is ’em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!”“Yo ho, jongens!” zeide Fezziwig. “Voor vandaag genoeg gewerkt, hoor. AvondvóórKerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er vóór, hoor,” riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen, “vóór je tot tien kunt tellen!”Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken—een, twee, drie—en ze zaten al op hun plaats—vier, vijf, zes—de boomen en pennen erop—zeven, acht, negen—en daar waren ze al weer terug voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.“Hilli-ho!” riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met merkwaardige vlugheid. “Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant zetten!” Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen, als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werdgeveegd en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt kunnen wenschen.Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend, den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist dat haar meesteres haar aan ’r ooren getrokken had. Binnen kwamen ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur, sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen, hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los, twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond in verschillende houdingen van verliefdheid,het oude eerste paar dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: “Goed zoo!” en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier, die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht, die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst, en er was tulband en “negus,” en er was een groot stuk koud vleesch en een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch, rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt, toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen) Sir Roger de Coverley1begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig aan om tedansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners; allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel, dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is, doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den dans gegaan waren, “avancez en retirez,” “geef uw partner de hand,” “buig en curtsey,” “kurketrekker,” “doe een draad in de naald,” en “weer terug naar uw plaats,” sprong Fezziwig in de hoogte—sprong met de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na, wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne beddendie zich onder een toonbank achter in den winkel bevonden.Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles, en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik, dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het licht op zijn hoofd zeer helder brandde.“Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze luidjes!” zeide de Geest.“Gering iets!” echoëde Scrooge.De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen, die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden, en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: “Nu, is het niet zooals ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven, drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar al dien lof voor verdient?”“Dàt is het niet,” zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet zijn later Ik het zou gedaan hebben. “Dat is het niet, Geest. Hij heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidtis precies even groot als wanneer het een vermogen kostte.”Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.“O, niks bijzonders,” zeide Scrooge.“Toch wel ìets, geloof ik?” hield de Geest aan.“Neen,” zeide Scrooge, “neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!” Zijn vroeger Ik draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest stonden weder naast elkaar in de open lucht.“Mijn tijd spoedt ten einde,” merkte de Geest op. “Vlug!”Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van den groeienden boom zou vallen.Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad, in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk uit den Geest van Verleden Kersttijden.“Het komt er niet erg op aan,” zeide ze zacht. “Voor jou al heel weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht hebben, dan heb ik geen reden om te treuren.”“Welke afgod heeft je verdrongen?” vroeg hij.“Een gouden afgod, de mammon.”“En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld,” zeide hij. “Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen van rijkdommen.”“Je bent te bang voor de wereld,” antwoordde zij zacht. “Al je hoop is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de overheerschende hartstocht “winstbejag,” je geheel in beslag genomen heeft. Is het niet zoo?”“Nu, wat zou dat?” antwoordde hij. “Wat zou het dan nog, al bèn ik veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?”Zij schudde het hoofd.“Ben ik wèl?”“Onze overeenkomst is al ’n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je een heel ander man.”“Toen was ik ’n jongen,” zeide hij ongeduldig.“Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent,” antwoordde zij. “Ikben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende, nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en dat ik je nu je woord kan teruggeven.”“Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?”“Met woorden? neen, nooit.”“Waarmede dan?”“Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in jouw oog. Zeg eens eerlijk,” zeide het meisje, hem vriendelijk, doch vast aanziend, “of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was, mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet zeker van niet”—Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: “Jìj denkt van niet.”“Ik zou er graag anders over denken als ik kón,” antwoordde zij. “God weet ’t! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart, terwille van hem die je eens was.”Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:“Misschien dat dit je pijn zal doen,—en de gedachtenis aan wat voorbij is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten tijd zal ditzoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt.”Zij ging heen, en aldus scheidden zij.“Geest,” zeide Scrooge. “Laat me niet méér zien! Breng mij naar huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?”“Nog één schim!” riep de Geest uit.“Neen, neen, niet meer!” riep Scrooge. “Niet meer. Ik wil het niet zien. Laat dit genoeg zijn!”Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag, nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon; en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen; integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot vermaak in, en delaatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen!ikhad dat gevlochten haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen; ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben, en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen, die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul enhet gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen, en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was, doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg, dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen, en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes, terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend, hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot een lente maken, werd zijn oog vochtig.“Bella,” zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach, “ik zag een oud vriend van je van-middag.”“En wie was dat?”“Raad ’es?”“Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet ’t,” voegde zij er in denzelfden adem bij, evenals hij lachend, “meneer Scrooge.”“Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor; en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde, moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt, en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik.”“Geest!” zeide Scrooge met bevende stem, “voer mij weg van deze plaats.”“Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden behooren,” zeide de Geest. “Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt zij zijn.”“Breng mij hier vandaan!” riep Scrooge uit. “Ik kan het niet dragen!”Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.“Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!”In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die onverwacht op zijn hoofd.De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte bedekte; doch hoewel Scrooge uitalle macht er op drukte, kon hij het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.1Een oude danswijs. Over “Sir Roger de Coverley” vindt men een en ander in Prof. Knappert’s aanteekeningen bij Sara Burgerhart—1e deel, pag. 287.—

Toen Scrooge ontwaakte, was het zoo donker, dat, toen hij uit bed keek, hij nauwelijks het doorschijnende raam van de donkere wanden zijner slaapkamer kon onderscheiden. Hij trachtte nog de duisternis met zijn frettenoogen te doorboren, toen de klokken eener naburige kerk de vier kwartierslagen deden hooren. En derhalve luisterde hij tot zij het volle uur zouden slaan.

Tot zijn groote verbazing ging de zware klok door van zes tot zeven en zeven tot acht en zoo voort tot twaalf toe en zweeg toen. Twaalf! en het was over tweeën toen hij naar bed ging. Die klok kon niet gelijk zijn. Er moest een ijskegel in zijn slagwerk zitten. Twaalf!

Hij drukte op de veer van zijn repeteer-horloge, om die averechtsche klok een lesje te geven. De kleine snelle pols van het horloge sloeg twaalf; en zweeg.

“Wel heb ik van m’n leven, ’t is toch niet mogelijk dat ik een heelen dag en ver in den volgenden nacht kan doorgeslapen hebben,” zei Scrooge. “Er zal tochniets met de zon wezen, zoodat dit twaalf uur ’s middags kan zijn?”

Daar dit denkbeeld hem verontrustte, krabbelde hij uit bed en ging tastend naar het venster. Hij was genoodzaakt de vorstbloemen met den mouw van zijnchambercloakaf te wrijven voor hij iets kon zien, en zag toen nòg maar heel weinig. ’t Eenige dat hij zien kon was, dat het erg mistig en buitengewoon koud was en dat er geen geluid was van heen en weer loopende menschen of van veel lawaai, zooals er zeker zou geweest zijn als de duisternis den dag plotseling in nacht had doen overgaan en de wereld in beslag genomen had. Dit was een groote verlichting, omdat “na drie dagen zicht, gelieve te betalen aan den heer Ebenezer Scrooge of order, op dezen mijnen eersten wisselbrief” enz., geen beter waarborg zou hebben opgeleverd dan een stuk papier der Vereenigde Staten, als er geen dagen meer waren.

Scrooge stapte weder in bed en bepeinsde het geval en kon er niet uitkomen. Hoe meer hij dacht, hoe meer alles hem een raadsel scheen, en hoe meer hij trachtte niet te denken, hoe meer hij dacht.

Marley’s Geest kwelde hem geweldig. Telkenmale als hij na alles nog eens zorgvuldig nagegaan te hebben, tot de slotsom kwam dat alles een droom was, sprong zijn geest, evenals een sterke veer die losgelaten wordt, terug naar het punt van uitgang, en stelde hem voor hetzelfde vraagstuk, dat weder geheel opnieuw uitgewerkt moest worden: “Was het een droom of niet?”

Scrooge lag aldus te denken tot de klokken aanduidden dat er weder drie kwartier verloopen waren, en hij zich plotseling herinnerde dat de Geest hemeen bezoek aangekondigd had als de klok één sloeg. Hij besloot wakker te blijven totdat het uur om was; en daar hij wèl-beschouwd evenmin den slaap kòn vatten als naar den hemel gaan, was dit misschien nog het wijste wat hij doen kon.

Het kwartier duurde zoo lang, dat hij er meer dan eens van overtuigd was dat hij zonder het zelf te weten in den dommel moest geraakt zijn en het kwartier niet had hooren slaan. Eindelijk trof het zijn luisterend oor:

“Bim-bam!”

“Kwartier over!” telde Scrooge.

“Bim-bam!”

“Half slag!” zei Scrooge.

“Bim-bam!”

“Kwartier vóór,” zei Scrooge.

“Bim-bam!”

“Volslag,” zeide Scrooge, triomfantelijk, “en er komt niks.”

Hij zeide dit vóór dat de klok het uur sloeg, wat ze nu deed met een zwaar, dof, hol, melancholisch Eén. Op hetzelfde oogenblik schoot een hel licht in de kamer op en de gordijnen van zijn bed werden terzij geschoven door een hand. Niet de gordijnen aan het voeteneinde, evenmin de gordijnen achter hem, doch die waarnaar zijn gelaat gewend was. De gordijnen van zijn bed werden terzijde geschoven en Scrooge, die zich haastig in half zittende, half liggende houding oprichtte, zag voor zich den bovenaardschen bezoeker die ze terzijde schoof, zoo dicht bij hem als ik nu bij u ben, en ik sta in den geest aan uwe elboog.

Het was een vreemde gedaante—gelijkend op een kind; en toch weer niet zoozeer op een kind, als welop een oud man, gezien door de een of andere bovennatuurlijke middenstof, die het deed voorkomen alsof hij ver uit het gezicht geweken was en aldus geslonken tot de proporties van een kind. Het haar, dat hem over hals en rug viel, was wit als door ouderdom en toch was er niet één rimpeltje in het gelaat, en de huid was bedekt met zeer zacht dons. De armen waren zeer lang en gespierd; de handen eveneens, alsof in hun greep buitengewone kracht stak. De voeten en beenen, die zeer fijn gevormd waren, waren evenals de bovenste ledematen naakt. De gedaante droeg een smetteloos-witte tunica; en om zijn middel was een schitterende gordel, welks glans prachtig was om te zien. Hij hield een tak versche groene hulst in de hand, en, in vreemde tegenstelling met dit zinnebeeld van den winter, was zijn kleed versierd met zomerbloemen. Doch het vreemdste aan de verschijning was, dat er aan den kroon van zijn hoofd een lichtstraal ontsprong, waardoor dit alles zichtbaar werd; wat hem zonder twijfel in zijn minder heldere oogenblikken een grooten domper, dien hij nu onder den arm hield, als muts deed gebruiken om deze vlam te dooven.

En toch, terwijl Scrooge hem steeds scherper opnam, vond hij ook dit niet het vreemdste aan hem. Want terwijl de gordel nu eens in dit gedeelte dan weder in dat glinsterde en schitterde, en dat wat het eene oogenblik licht, een volgend weder donker was, wisselde de gedaante zèlf ook in duidelijkheid. Nu eens was het een wezen met één arm, dan weer met één been, dan weer met twintig beenen, dan weer een paar beenen zonder hoofd, dan weer een hoofd zonder lichaam; en van al deze verdwijnende ledematen was geenomlijning zichtbaar door de dichte duisternis waarin zij zich oplosten. En terwijl Scrooge zich hierover nog verbaasde, was de gedaante al weder zichzelf; duidelijk en helder als altijd.

“Is u de Geest, mijnheer, wiens komst mij voorspeld werd?” vroeg Scrooge.

“Die ben ik!”

De stem was zacht en liefelijk. Bijzonder laag, alsof zij van verre kwam, inplaats van zoo dicht bij hem te zijn.

“Wie, en wat ben je?” vroeg Scrooge.

“Ik ben de Geest van voorbijgegane Kersttijden.”

“Van làng verledene?” vroeg Scrooge, die zijn dwergachtigen bouw opmerkte.

“Neen, van ùw verleden.”

Als iemand hem gevraagd had waarom, zou Scrooge er misschien niet op hebben kunnen antwoorden; doch hij had een vurig verlangen den Geest met zijn muts op te zien en verzocht hem zich te dekken.

“Wat!” riep de Geest uit, “wilt gij met wereldsche handen reeds zoo gauw het licht dat ik geef weder uitdooven? Is het niet erg genoeg dat gij een dier genen zijt wier hartstochten dezen muts maakten en mij noodzaken hem lange, lange jaren lang op het voorhoofd te dragen?”

Scrooge ontkende eerbiedig dat hij ooit het voornemen gehad had den Geest willens en wetens in eenige periode van zijn leven een domper op het hoofd te zetten. Hij vermande zich vervolgens in zooverre dat hij hem vroeg wat hem hierheen voerde.

“Uw welzijn!” zeide de Geest.

Scrooge betuigde zijn’ dank, doch kon niet nalaten te denken dat een ongestoorde nachtrust meer bevorderlijkvoor dit doel geweest zou zijn. De Geest had hem klaarblijkelijk hooren denken, want hij zeide onmiddellijk:

“Uwe verbetering dan. Wees gewaarschuwd!”

Hij stak zijn krachtige hand uit en vatte hem zacht bij den arm.

“Sta op! en ga met mij mee!”

Scrooge had tevergeefs kunnen pleiten dat het weder en het uur zich niet bijzonder leenden tot voetreizen voor welk doel dan ook; dat het in bed warm was, en de thermometer een heel eind onder vriespunt stond; dat hij niet al te dik gekleed was met slechts pantoffels en chambercloak aan en een slaapmuts op; en dat hij op dat oogenblik verkouden was. De greep, hoewel ze zacht was als van een vrouwenhand, was onwederstaanbaar. Hij stond op, doch ziende dat de Geest naar het venster ging, vatte hij hem smeekende bij den zoom van zijn gewaad.

“Ik ben maar een sterveling,” zeide Scrooge, “en zou licht kunnen vallen.”

“Laat mijne hand u slechts dáár raken,” zeide de Geest, zijn hand op Scrooge’s hart leggend, “en gij zult gesteund worden in meer dan dit!”

Toen de Geest deze woorden gesproken had, gingen zij door den muur heen, en stonden op een vlakken landweg, met velden aan weerszijden. De stad was geheel verdwenen. Er was geen spoor meer van te bespeuren. De duisternis en de mist waren tegelijkertijd verdwenen, want het was een heldere koude winterdag, met sneeuw op den grond.

“Goeie hemel!” zeide Scrooge, zijne handen ineenslaand, toen hij om zich heen keek. “Hier ben ik opgevoed. Hier woonde ik toen ik jong was.”

De geest keek hem vriendelijk aan. De zachte aanraking, hoe licht en kortstondig deze ook geweest was, scheen den ouden man nog bijgebleven te zijn. Hij was zich bewust van honderden geuren die hem toewuifden, elk in verband staand met honderden gedachten, en hoop en vreugde en zorgen die lang, lang vergeten waren.

“Uw lip beeft,” zeide de Geest. “En wat is dat daar op uw wang?”

Scrooge mompelde, met ongewone aandoening in zijn stem, dat het een puistje was, en smeekte den Geest hem te brengen waarheen hij maar wilde.

“Herinnert gij u den weg nog?” vroeg de Geest.

“Of ik!” riep Scrooge met vuur.—“Ik zou hem blindelings kunnen loopen.”—

“Vreemd dat ge er zooveel jaren lang niet aan gedacht hebt!” merkte de Geest op. “Laten we voortgaan.”

Zij gingen verder den weg op; Scrooge herkende elk hek, en elke paal en boom; totdat een klein marktstadje zich in de verte vertoonde, met zijn brug, kerk en kronkelende rivier. Zij zagen nu een paar ruigharige ponies hun tegemoet draven met jongens op den rug, die andere jongens zittend in tilburies en boerenkarren door boeren gemend, iets toeriepen. Al deze jongens waren bijzonder opgeruimd en riepen elkaar luide toe, totdat de wijde velden zoo van blijde klanken vervuld waren dat de droge lucht van den weeromstuit meelachte.

“Dit zijn slechts schimmen van dingen die verleden zijn,” zeide de Geest. “Zij beseffen niet dat wij hier staan.”

De vroolijke reizigers kwamen naderbij; en onderhet aankomen herkende Scrooge ze een voor een en noemde hunne namen. Waarom was hij toch buitengewoon verheugd hen te zien? Waarom fonkelde zijn koude oog en sprong zijn hart op van vreugde terwijl zij voorbijtrokken? Waarom was hij vervuld van blijdschap toen hij ze elkaar een vroolijke Kerstmis hoorde wenschen, terwijl zij uiteengingen op kruispunten en zijwegen, naar hunne woonsteden! Wat gaf Scrooge om “een vroolijke Kerstmis?” Weg met vroolijk Kerstmis! Wat goeds had het hem ooit gebracht?

“De school is nog niet geheel verlaten,” zei de Geest. “Een eenzaam kind, verwaarloosd door zijne vrienden, is er nog in achtergebleven.”

Scrooge zeide dat hij het jongetje kende. En hij snikte. Zij verlieten den grooten weg, sloegen een hem welbekende laan in, en kwamen weldra aan een huis opgetrokken van dofrooden steen, op het dak een rond torentje met een weerhaan erop, in welk torentje een bel hing. Het was een groot huis, doch dat betere dagen gekend had; want de ruime lokalen werden weinig meer gebruikt, hunne muren waren vochtig en met mos bedekt, hunne ruiten waren gebarsten en de deuren vermolmd. Hoenders kakelden en stapten parmantig in de stallen; en het koetshuis en de vloer der schuur waren bedekt met gras.

Ook daarbinnen was evenmin iets van den vroegeren toestand te herkennen; want toen zij den naargeestigen gang ingingen en door de open deuren van vele kamers naar binnen keken, zagen zij hoe schaarsch gemeubeld, koud en groot ze waren. Er hing een grondlucht, een kille kaalheid, die op de eene of andere wijze deed denken aan te veel opstaan bij kaarslicht en niet te veel te eten krijgen.

De Geest en Scrooge gingen den gang door naar een deur achterin het huis. Zij ging vanzelf open en liet een lange, kale, naargeestige kamer zien, die nog kaler gemaakt werd door rijen ongeverfde vuren schoolbanken en lessenaars.

Aan een van deze zat een eenzaam knaapje te lezen bij een kwijnend vuurtje; en Scrooge ging op een bank zitten en weende toen hij zijn eigen arme ik daar zoo vergeten zag zitten, net als vroeger.

Geen slapende echo in het huis, geen gepiep en geritsel van de muizen achter de lambriseering, geen drup van de half-ontdooide regenpijp op de verlaten plaats achter, geen zuchtje in de bladerlooze takken van een treurpopulier, geen losgeknars van een deur van een leeg pakhuis, ja zelfs geen geluid van knettering in het vuur miste zijn verteederenden invloed op Scrooge’s hart en gaf vrijer loop aan zijne tranen.

De Geest raakte zijn’ arm aan, en wees op zijn jonger ik, zooals hij daar aandachtig zat te lezen. Plotseling stond er een man, in vreemdsoortige kleederdracht, wonder duidelijk en werkelijk om naar te zien, buiten voor het raam, met een bijl dien hij in zijn gordel gestoken had, en leidde een met hout beladen ezel bij den teugel.

“Wel heb ik van m’n leven, dat’s Ali Baba!” riep Scrooge verrukt uit. “’t Is die goeie, echte, ouwe Ali Baba! Ja, ja, ik ken hem nog wel! Eens met Kersttijd, toen dat eenzame kind daar heelemaal aan zichzelf was overgelaten, kwam hij werkelijk voor het eerst, net als nu. Arme jongen! En Valentijn,” zeide Scrooge, “en zijn wilde broeder Orson; daar gaan ze! En hoe heet hij ook weer, die in zijn slaap, in zijn onderbroek bij de poort van Damascus werd neergezet,ziet ge hem niet?! En de stalknecht van den sultan die door Geniï op zijn hoofd werd gezet; daar staat hij, op zijn hoofd! Zijn verdiende loon. Ik ben er tòch blij om, wat moesthijook met de Prinses trouwen?”

Het zou bepaald een verrassing voor Scrooge’s zakenkennissen uit de City geweest zijn, hem aldus met al den ernst, zijn natuur eigen, te hooren uitweiden over dergelijke onderwerpen, met een eigenaardige stem, die het midden hield tusschen lachen en weenen, en zijn verhoogde kleur en opgewonden gezicht te zien.

“Daar heb je de Papegaai ook!” riep Scrooge. “Groen lijf en gele staart, met iets als een slablad dat boven uit zijn kop groeit. “Arme Robinson Crusoë,” noemde hij hem als-ie weer thuiskwam na zijn vaart om zijn eiland heen. “Arme Robinson Crusoë,” waar zijt ge geweest, Robinson Crusoë?” De man dacht dat hij droomde, maar dat was toch niet zoo: Het was de papegaai die ’t zei, weet je. Daar gaat Vrijdag, loopend al wat hij loopen kan naar de kleine kreek om zijn leven te redden. “Hallo, hoep, hallo!”

En toen met een snelheid van overgang die zijn karakter totaal vreemd was, zeide hij, zijn vroeger ik beklagend, “arme jongen!” en weende weder.

“Ik wou,” mompelde Scrooge, zijn hand in den zak stekend en om zich heen kijkend, nadat hij zijne oogen had afgedroogd met zijn mouwboord: “maar ’t is nu te laat.”

“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.

“Niets,” zeide Scrooge. “Gisterenavond zong een jongen een Kerstliedje aan mijn deur; ik had hem graag wat willen geven nu. Dat’s al!”—

De Geest glimlachte, als in gedachten, en zwaaidemet de hand, zeggend terwijl hij dit deed: “Laten we eens een ander Kerstfeest gaan zien.”

Bij deze woorden werd Scrooge’s vroeger eigen ik grooter, en de kamer werd een beetje donkerder en smeriger. De paneelen slonken in, de ramen klapperden; stukjes kalk vielen uit het plafond, en lieten de naakte latten zien; doch hoe dit alles zoo plotseling gebeurde, wist Scrooge evenmin als gij of ik.—Hij wist alleen dat het precies zoo was als vroeger; dat alles juist zoo was voorgevallen; dat hij daar zat, nogmaals aan zichzelf overgelaten, toen al de andere jongens naar huis vertrokken waren gedurende den heerlijken vacantietijd.

Hij was nu niet bezig met lezen, doch liep in wanhoop op en neder. Scrooge zag den Geest aan, en keek treurig het hoofd schuddend angstig naar de deur.

Deze ging open, en een klein meisje, veel jonger dan het jongetje, kwam binnenhuppelen, en hare armen om zijn hals slaand en hem herhaaldelijk kussend, noemde zij hem haar “lieve, lieve broertje.”

“Ik kom om je naar huis te halen, lieve broertje!” zei het kind, in hare kleine handjes klappend, en zich vooroverbuigend om te lachen, “om je mee naar huis te nemen, naar huis, naar huis!”

“Naar huis, kleine Fan?” antwoordde de jongen.

“Ja!” zeide het kind, dol van vreugde. “Naar huis, en voor goed. Vader is veel vriendelijker dan hij vroeger was, zoodat het thuis als een hemel is! Hij sprak zóó aardig tegen mij op ’n heerlijken avond toen ik naar bed zou gaan, dat ik niets bang was hem nog eens te vragen of je thuis mocht komen; en hij zei: Ja, je mocht; en stuurde mij met een koets om je te halen. En nu zul je een man worden!” zei hetkind, haar oogen openend, “en hier kom je nooit meer terug; maar eerst moeten we den heelen Kersttijd samen zijn, en den heerlijksten tijd hebben dien je je denken kunt.”

“Je bent al ’n heele meid, kleine Fan!” riep de jongen uit. Zij klapte in haar handen en probeerde bij zijn hoofd te komen, doch daar zij te klein was, lachte zij weder en ging op haar teenen staan om hem te omhelzen. Toen begon ze hem, in haar kinderlijk vuur, naar de deur te trekken; en hij, volstrekt niet afkeerig om te vertrekken, ging met haar mede.

Een barsche stem in den gang riep: “Hei daar, breng de koffer van jongenheer Scrooge es naar beneden!” en in den gang verscheen de schoolmeester zelf, die op jongenheer Scrooge neerkeek met tijgerachtige minzaamheid, en hem verschrikkelijk confuus maakte door hem de hand toe te steken. Toen leidde hij hem en zijn zusje in het alleroudste gat van een kille “mooie kamer” dat ge ooit gezien hebt, waar de kaarten aan den wand en de globes beslagen waren van de kou. Hier haalde hij een wijnkaraf met erg bleeken wijn en een brok bijzonder zware tulband te voorschijn, en deelde brokjes van deze lekkernij aan de kinderen uit: terzelfdertijd een broodmageren knecht naar buiten sturend om den postrijder een glas van “’t een of ander” aan te bieden, die liet zeggen, dat hij meneer’s aanbod dankbaar aannam, maar dat als het ’t zelfde was wat hij al meer gehad had, dan had hij ’t liever niet.Daar de koffer van jongenheer Scrooge nu boven op de diligence gebonden was, namen de kinderen afscheid van den schoolmeester zonder tranen te storten, stapten in en reden in vroolijke stemming de kronkelende tuinlaan af; desneldraaiende raderen schudden de rijp en de sneeuw als schuim van de donkere bladen der coniferen.

“Ze was altijd een fijn poppetje, een ademtocht had haar omver kunnen blazen,” zei de Geest. “Maar ze had een ruim hart.”

“Dàt had ze,” riep Scrooge uit. “Daarin hebt ge gelijk. Dat zal ik niet tegenspreken, Geest. God bewaar me!”

“Ze stierf toen ze ’n vrouw was,” zei de Geest, “en had, geloof ik, kinderen.”

“Eén kind,” antwoordde Scrooge.

“’t Is waar ook,” zeide de Geest, “uw neef.”

Scrooge scheen met zichzelf te kampen, en antwoordde kort: “Ja.”

Hoewel zij de school datzelfde moment slechts verlaten hadden, bevonden zij zich nu in de drukke, breede straten eener stad, waar schimmigepassagiersheen en weder liepen; waar schimmige karren en koetsen elkaar verdrongen om vooruit te komen, en waar al de strijd en het rumoer eener heusche stad zich vertoonden. Het was duidelijk te zien aan de uitstalling der winkels, dat hier ook Kerstfeest gevierd werd; doch het was avond en de straten waren verlicht. De Geest bleef stilstaan voor de deur van een pakhuis en vroeg aan Scrooge of hij het kende.

“Of ik!” zeide Scrooge.“Ik was hier immers leerling!”

Zij gingen binnen. Bij het zien van een ouden heer met een wollen kalotje op, die achter zulk een hoogen lessenaar zat, dat als hij twee duim langer geweest was hij zijn hoofd had moèten stooten tegen de zoldering, riep Scrooge opgewonden uit:

“Wel heb ik van m’n leven, ’t is de ouwe Fezziwig! God zegen hem; het is de oude Fezziwig, die weer levend geworden is.”

De oude Fezziwig legde zijn pen neder en keek op de klok, die het uur van zeven aanwees. Hij wreef zich in de handen, schikte zijn wijde vest, lachte van top tot teen, en riep met een smeeïge, rijke, vette, joviale stem:

“Hallo daar! Ebenezer! Dick!”

Scrooge’s vroeger Ik, nu tot een jongen man opgegroeid, kwam snel binnengeloopen, vergezeld van zijn mede-leerling.

“Dick Wilkins, waarachtig!” zei Scrooge tegen den Geest. “Waarachtig ’t is ’em. Hij hield veel van me, die Dick. Goeie Dick. Wel, wel!”

“Yo ho, jongens!” zeide Fezziwig. “Voor vandaag genoeg gewerkt, hoor. AvondvóórKerstmis, Dick, Kerstmis, Ebenezer! De luiken er vóór, hoor,” riep de oude Fezziwig met een luiden klap in de handen, “vóór je tot tien kunt tellen!”

Ge zoudt uw oogen niet hebben kunnen gelooven, als ge die twee jongens aan het werk gezien had. Zij renden de straat op met de luiken—een, twee, drie—en ze zaten al op hun plaats—vier, vijf, zes—de boomen en pennen erop—zeven, acht, negen—en daar waren ze al weer terug voor je tot twaalf gekomen was, hijgend als ren-paarden.

“Hilli-ho!” riep de oude Fezziwig, van zijn hooge kruk afwippend met merkwaardige vlugheid. “Vooruit met den boel, en hoopen ruimte moeten we hier hebben, hoor! Hilli-ho! Vooruit Ebenezer! Den boel aan kant zetten!” Er was niets dat ze niet hadden willen of kunnen opruimen, als de oude Fezziwig stond toe te kijken. Binnen een minuut was alles klaar. Alles wat los was werd er uit gebracht, alsof het voor goed aan het publieke leven onttrokken werd; de vloer werdgeveegd en besprenkeld, de lampen schoongemaakt, brandstof op het vuur gehoopt; en het magazijn was een even gezellige en warme en droge en helder-verlichte balzaal, als ge op een winteravond maar zoudt kunnen wenschen.

Er kwam een vedelaar binnen met een muziekboek. Hij ging op de hooge kruk zitten en deed zijn best voor een heel orkest, en steunde om er maagpijn van te krijgen. Mevrouw Fezziwig kwam binnen, één aangekleede glimlach. De drie juffers Fezziwig kwamen binnen, stralend en beminnelijk. Binnen kwamen de zes jonge cavaliers wier harten zij gebroken hadden. Binnen kwamen al de jongelingen en jongedochters die in de zaak geëmployeerd werden. Binnen kwam de meid met haar neef, den bakker. Binnen kwam de keukenmeid met haars broeders intiemen vriend, den melkman. Binnen kwam de jongen van den overkant, dien men verdacht van niet genoeg te eten te krijgen van zijn meester, en die trachtte zich te verstoppen achter het meisje van daarnaast, van wie men wist dat haar meesteres haar aan ’r ooren getrokken had. Binnen kwamen ze allemaal, de een na den ander; enkelen bedeesd, anderen zonder schroom, enkelen gracieus, anderen geen weg wetend met hun figuur, sommigen drukkend, anderen weer trekkend, maar allen kwamen ze binnen, hoe dan ook en vanwaar dan ook. En daar gingen ze er allen op los, twintig paren tegelijk, de eerste twee paren handen kruisend; tóén de dames van het tweede viertal handen kruisend met de heeren van het tweede viertal en hetzelfde met de heeren van het eerste viertal en de dames van het tweede; naar elkaar toe en weder terug, rond in verschillende houdingen van verliefdheid,het oude eerste paar dat bovenaan stond steeds op de verkeerde plaats in de dansfiguur uitkomend, het paar dat nu bovenaan stond weder wegdansend zoodra ze bovenaan wàren; alle spits-paren deden ten laatste hetzelfde en geen laatste paar om hen te steunen. Toen de zaken tot dit schitterend resultaat gebracht waren, klapte de oude Fezziwig in de handen ten teeken dat er met dansen moest opgehouden worden en riep: “Goed zoo!” en de vedelaar dompelde zijn verhitte gelaat in een pul bier, die speciaal voor dat doel er neer gezet was. Doch toen zijn hoofd er weder uit te voorschijn kwam, begon hij, niet bang zijnde voor een beetje werk, onmiddellijk weer te spelen hoewel er nog geen dansers waren, en dat met zooveel energie alsof de andere violist uitgeput op een bank naar huis gedragen was en hij een totaal versche kracht, die vast besloten had zijn mededinger te kloppen of er in te blijven.

Er werd nog meer gedanst, en er werd pandverbeurd en nòg meer gedanst, en er was tulband en “negus,” en er was een groot stuk koud vleesch en een groot stuk gekookt koud vleesch en pasteien met gehakt vleesch, rozijnen, krenten en suiker erin, en dan was er véél bier. Doch het knaleffect van den avond kwam eerst na het gebraden en gekookt, toen de violist (een listige oude vos, snapt ge! het soort man die zijn zaakjes beter kende, dan gij of ik ze hem had kunnen zeggen) Sir Roger de Coverley1begon te spelen. Toen trad de oude Fezziwig aan om tedansen met mevrouw Fezziwig. En nog wel eerste paar; met een flink beetje werk vóór hen; drie of vierentwintig paar partners; allen lieden waar nièt mee te spotten viel; lieden die er op stònden te dánsen en die niet wisten hoe ze lóópen moesten.

Maar al waren er ook tweemaal zooveel geweest, ja viermaal zooveel, dan nòg zou de oude Fezziwig hun gestaan hebben, en mevrouw Fezziwig evenzeer. Wat haar aangaat, zij was waardig zijn partner te zijn in iederen zin van het woord. En als dat niet de hoogste lof is, doe gij mij dan een betere aan de hand en ik zal er die voor in de plaats stellen. Een waar licht glom er uit de kuiten van Fezziwig. In elk figuur van den dans schenen zij als volle manen. Ge kondt nooit vooruit zeggen wat er een volgend oogenblik van ze zou worden. En toen de oude Fezziwig en mevrouw Fezziwig door alle figuren van den dans gegaan waren, “avancez en retirez,” “geef uw partner de hand,” “buig en curtsey,” “kurketrekker,” “doe een draad in de naald,” en “weer terug naar uw plaats,” sprong Fezziwig in de hoogte—sprong met de teenen gekruist, zóó handig dat het was alsof hij met zijn beenen knipoogjes gaf, en kwam weer zonder wankelen op zijn voeten terecht.

Toen de klok elf uur sloeg, kwam er een einde aan dit huiselijk bal. Mijnheer en mevrouw Fezziwig namen hunne plaatsen in aan weerszijden van de deur, en gaven ieder persoonlijk de hand, als er een hij of zij voorbijging, en wenschten hen allen een vroolijke Kerstmis. Toen allen heengegaan waren op de twee leerlingen na, wenschten zij dezen hetzelfde; en aldus stierven de vroolijke stemmen weg, en werden de beide jongens overgelaten aan hunne beddendie zich onder een toonbank achter in den winkel bevonden.

Zoolang dit alles duurde had Scrooge zich aangesteld als een uitzinnige. Hij was met hart en ziel bij het tooneel en bij zijn vroeger Ik. Hij beâamde alles, herinnerde zich alles, genoot van alles, en was ten prooi aan de grootste opwinding. Niet vóór het oogenblik, dat de blijde gezichten van zijn vroeger Ik en van Dick aan zijn oog onttrokken werden, herinnerde hij zich de tegenwoordigheid van den Geest en was hij zich bewust dat deze hem strak aankeek, terwijl het licht op zijn hoofd zeer helder brandde.

“Een veel te gering iets om zoo dankbaar voor te zijn, die dwaze luidjes!” zeide de Geest.

“Gering iets!” echoëde Scrooge.

De Geest gaf hem een teeken te luisteren naar wat de twee leerlingen, die hun hart voor elkaar uitstortten, vol lof van Fezziwig, zeiden, en toen hij dit gedaan had, zeide de Geest: “Nu, is het niet zooals ik zeg? Hij heeft maar een paar pond aardsch geld er voor uitgegeven, drie of vier misschien. Heeft dat zóóveel te beteekenen, dat hij daar al dien lof voor verdient?”

“Dàt is het niet,” zeide Scrooge, vuur vattend bij deze opmerking en zonder dat hij het zelf wist, sprekend zooals zijn vroeger Ik, niet zijn later Ik het zou gedaan hebben. “Dat is het niet, Geest. Hij heeft de macht ons gelukkig of ongelukkig te maken; onzen dienst licht of ondragelijk te maken: een genoegen of een last. Al zegt gij dat zijn macht in woorden of blikken ligt, in dingen zoo gering en onbeduidend dat het onmogelijk was ze op te tellen, wat doet dat er alles toe? Het geluk dat hij om zich heen spreidtis precies even groot als wanneer het een vermogen kostte.”

Hij voelde den blik van den Geest op zich rusten, en zweeg.

“Wat scheelt er aan?” vroeg de Geest.

“O, niks bijzonders,” zeide Scrooge.

“Toch wel ìets, geloof ik?” hield de Geest aan.

“Neen,” zeide Scrooge, “neen, ik zou graag, dit oogenblik, een paar woorden tot mijn klerk willen zeggen! meer niet!” Zijn vroeger Ik draaide de lampen neer terwijl hij dit zeide en Scrooge en de Geest stonden weder naast elkaar in de open lucht.

“Mijn tijd spoedt ten einde,” merkte de Geest op. “Vlug!”

Dit werd niet tegen Scrooge gezegd, of tegen iemand dien hij zien kon, doch de uitwerking er van deed zich onmiddellijk bespeuren, want weder zag Scrooge zichzelf. Hij was nu ouder; een man in de kracht des levens. Zijn gelaat had nog niet de harde en strenge trekken van later jaren, doch droeg reeds de teekenen van zorg en geldzucht. Er was een gretig, begeerig, rusteloos bewegen van het oog, dat liet zien den hartstocht die wortel geschoten had, en waar de schaduw van den groeienden boom zou vallen.

Hij was niet alleen, doch zat naast een mooi jong meisje in rouwgewaad, in wier oog tranen stonden, die glinsterden in het licht dat blonk uit den Geest van Verleden Kersttijden.

“Het komt er niet erg op aan,” zeide ze zacht. “Voor jou al heel weinig. Een andere afgod heeft mij verdrongen, en zoo het je kan opvroolijken en troosten in komende tijden, zooals ik zou getracht hebben, dan heb ik geen reden om te treuren.”

“Welke afgod heeft je verdrongen?” vroeg hij.

“Een gouden afgod, de mammon.”

“En dit is nu de rechtvaardige behandeling van de wereld,” zeide hij. “Er is niets waartegen ze zoo hard is als tegen armoede en er is niets dat ze voorwendt met méér strengheid te laken dan het najagen van rijkdommen.”

“Je bent te bang voor de wereld,” antwoordde zij zacht. “Al je hoop is opgegaan in de hoop haar verachtelijk verwijt te ontkomen. Ik heb je edeler aspiraties alle zien wegvallen, een voor een, totdat de overheerschende hartstocht “winstbejag,” je geheel in beslag genomen heeft. Is het niet zoo?”

“Nu, wat zou dat?” antwoordde hij. “Wat zou het dan nog, al bèn ik veel wijzer geworden. Tegenover jou ben ik toch niet veranderd?”

Zij schudde het hoofd.

“Ben ik wèl?”

“Onze overeenkomst is al ’n oude. Zij werd gesloten toen wij beiden arm waren en tevreden om arm te zijn, totdat we, mettertijd, onze wereldsche bezittingen door geduld en vlijt konden vermeerderen. Je bent werkelijk veranderd. Toen wij onze overeenkomst sloten was je een heel ander man.”

“Toen was ik ’n jongen,” zeide hij ongeduldig.

“Je eigen gevoel zegt je dat je toen niet was, wat je nu bent,” antwoordde zij. “Ikben dezelfde gebleven. Dat wat geluk beloofde toen wij één van hart en zin waren, is nu bezwaard door ellende, nu wij niet meer één zijn. Hoe vaak en met hoeveel pijn ik daar aan gedacht heb, kan ik niet zeggen. Genoeg dàt ik er aan gedacht heb en dat ik je nu je woord kan teruggeven.”

“Heb ik ooit mijn woord teruggevraagd?”

“Met woorden? neen, nooit.”

“Waarmede dan?”

“Door een veranderden aard, door een veranderden geest, door een anderen levensatmosfeer, een andere Hoop als het groote einddoel van dit leven. Verandering in al wat mijn liefde waarde gaf in jouw oog. Zeg eens eerlijk,” zeide het meisje, hem vriendelijk, doch vast aanziend, “of je, als dit nooit tusschen ons gekomen was, mij nù nog zoudt kiezen en mij voor je trachten te winnen? Ik weet zeker van niet”—

Hij scheen de juistheid van hare woorden in te zien, tegen wil en dank. Doch hij zeide, zich er tegen-in zettend: “Jìj denkt van niet.”

“Ik zou er graag anders over denken als ik kón,” antwoordde zij. “God weet ’t! Nu ik een Waarheid als deze heb leeren zien, weet ik hoe sterk en onweerstaanbaar ze zijn moet. Maar als je vandaag, morgen of gisteren vrij waart, zou ik dan nog kunnen gelooven dat je een meisje zonder bruidschat zoudt kiezen, jij die zelfs in je vertrouwelijkste gesprekken met haar, alles berekent naar de meerdere of mindere winst die het zal aanbrengen; of àls je haar al hadt gekozen, zoo je voor een oogenblik ontrouw genoeg kon worden aan het principe dat je regeert, denk je dan dat ik niet weet, dat je er heel gauw berouw van zoudt krijgen? Ik geef je je woord terug met een bloedend hart, terwille van hem die je eens was.”

Hij wilde wat zeggen, doch met afgewend hoofd ging zij voort:

“Misschien dat dit je pijn zal doen,—en de gedachtenis aan wat voorbij is doet mij bijna hopen dat het dit zal. Maar slechts voor heel korten tijd zal ditzoo zijn, en dan zul je maar al te blij zijn alles wat je er nog aan deed denken te vergeten, als een geen-winst-brengende droom, waaruit je gelukkig ontwaakt bent. Ik hoop dat je gelukkig moogt worden in het leven, dat je je gekozen hebt.”

Zij ging heen, en aldus scheidden zij.

“Geest,” zeide Scrooge. “Laat me niet méér zien! Breng mij naar huis. Waarom schept ge er behagen in mij te pijnigen?”

“Nog één schim!” riep de Geest uit.

“Neen, neen, niet meer!” riep Scrooge. “Niet meer. Ik wil het niet zien. Laat dit genoeg zijn!”

Doch de meedoogenlooze Geest omvatte hem met beide armen, en dwong hem te zien wat er nu plaats greep. Zij waren nu te midden eener andere omgeving en op eene andere plaats: een vertrek, niet zeer groot of mooi, doch vol gezelligheid. Dicht bij het wintervuur zat een mooi jong meisje, zóózeer gelijkend op dat hetwelk Scrooge zoo juist had gezien, dat hij geloofde, dat het hetzelfde was, totdat hij háár zag, nu een knappe bejaarde matrone, die tegenover haar dochter zat.

Het gedruisch in de kamer was oorverdoovend, want er waren daar meer kinderen dan Scrooge in zijn opgewonden geestestoestand tellen kon; en in tegenstelling met de beroemde kudde van veertig koeien uit het gedicht, die zoo kalm en eenstemmig graasden alsof het maar ééne koe was, waren het niet veertig kinderen die zich gedroegen als één kind, doch elk kind ging tekeer voor veertig. De gevolgen gingen alle beschrijving te boven; doch dit scheen niemand te hinderen; integendeel: moeder en dochter lachten hartelijk en schepten er groot vermaak in, en delaatste, die weldra aan de spelletjes begon mee te doen, werd door de jonge roovers meedoogenloos geplunderd.

Wat had ik niet willen geven om een van die roovertjes te zijn. Al had ik nooit zoo woest kunnen zijn, neen, neen!ikhad dat gevlochten haar voor nog zooveel niet niet zóó kunnen in de war brengen, en het hebben kunnen neertrekken; en ook dat lieve kleine schoentje had ik haar niet van den voet kunnen afrukken, al was het om mijn leven te doen geweest. Haar middel uit de grap te meten zooals dat overmoedige jonge goedje deed, ik zou het niet hebben kùnnen doen; ik zou bang zijn geweest dat mijn arm er als straf rondomheen ware gegroeid en nooit weer recht was geworden. En toch zou ik graag hare lippen hebben willen aanraken; haar iets gevraagd hebben, opdat zij ze had geopend, gekeken hebben naar de wimpers van haar neergeslagen oogen, zonder haar een enkele maal te doen blozen; golven van haar te hebben losgemaakt, waarvan een duimlengte een onschatbaar souvenir zou zijn geweest, om kort te gaan, ik moet bekennen, dat ik gaarne al het voorrecht van de vrijpostigheid van een kind had willen hebben, en toch man genoeg zijn om het naar waarde te schatten.

Doch nu werd er op de deur geklopt, en er volgde onmiddellijk zulk een stormloop, dat het jonge meisje met lachend gezicht en geplunderde kleederen meegesleept werd, als het middenpunt van een opgewonden en luidruchtige groep, juist in tijds om den vader te verwelkomen, die thuis kwam, vergezeld van een man, beladen met Kerstgeschenken en speelgoed. Toen hadt ge eens getuige moeten zijn van het gebrul enhet gedrang, en van den verwoeden aanval op den hulpeloozen kruier! Hoe ze hem met stoelen, als stormladders, beklommen om in zijne zakken te voelen, en hem te berooven van bruin-papieren pakjes, hoe ze zich vastklemden aan zijn bouffante, hoe ze om zijn hals hingen, en hem in den rug stompten, en tegen zijn beenen schopten in niet te onderdrukken teederheid! De kreten van verbazing en verrukking waarmede het uitpakken van ieder pakje begroet werd! De vreeselijke mededeeling dat de baby betrapt was op het in-den-mond-steken van een braadpan uit de poppekeuken, en hoe diezelfde baby verdacht werd een nagemaakte kalkoen, die op een houten voetje gelijmd was, doorgeslikt te hebben! De verbazende opluchting toen men bevond dat het een valsch alarm bleek te zijn! Wat een blijdschap, dankbaarheid en verrukking! Zij zijn geen van alle juist te beschrijven. Genoeg, dat éen voor éen de kinderen en hunne emoties uit de kamer verdwenen, en trap, trap, trap, naar de boven-verdieping van het huis, waar ze naar bed gebracht werden en zoo tot rust kwamen.

En nu keek Scrooge aandachtiger toe dan ooit, toen de heer des huizes, terwijl zijn dochter vol liefde haren arm door den zijnen stak, met haar en hare moeder aan zijn eigen haard plaats nam; en als Scrooge er aan dacht dat een dergelijk wezen, even gratievol en veelbelovend, hèm vader had kunnen noemen, en den ruwen winter van zijn leven tot een lente maken, werd zijn oog vochtig.

“Bella,” zei de vader, zich tot zijn vrouw wendend met een glimlach, “ik zag een oud vriend van je van-middag.”

“En wie was dat?”

“Raad ’es?”

“Hoe kan ik dat nu? Wacht es, ik weet ’t,” voegde zij er in denzelfden adem bij, evenals hij lachend, “meneer Scrooge.”

“Ja, het wàs Scrooge. Ik kwam voorbij het raam van zijn kantoor; en daar het nog niet gesloten was, en er binnen een kaars brandde, moèst ik hem wel zien. Ik hoor dat zijn compagnon op sterven ligt, en hij zat daar alleen. Heelemaal alleen op de wereld, geloof ik.”

“Geest!” zeide Scrooge met bevende stem, “voer mij weg van deze plaats.”

“Ik zei je toch dat dit schimmen zijn van dingen die tot het verleden behooren,” zeide de Geest. “Wijt het niet aan mij dat zij zijn wàt zij zijn.”

“Breng mij hier vandaan!” riep Scrooge uit. “Ik kan het niet dragen!”

Hij keerde zich naar den Geest, en ziende dat deze hem aanzag met een gelaat waarin, op onverklaarbare wijze, alle gezichten zichtbaar waren die hij hem getoond had, worstelde Scrooge met hem.

“Ga heen! Voer mij terug. Vervolg mij niet langer!”

In den strijd, als men het een strijd kon noemen, waarin de Geest zonder zichtbaren tegenstand van zijn kant, ongedeerd bleef trots alle pogingen van zijnen tegenstander, merkte Scrooge op dat zijn licht hoog en helder brandde; en dit, zonder dat hij er zichzelven rekenschap van kon geven waarom, in verband brengende met den invloed van den Geest op hem, greep hij de domper-muts, en drukte hem die onverwacht op zijn hoofd.

De Geest zakte er onder ineen zoodat de domper zijn geheele gestalte bedekte; doch hoewel Scrooge uitalle macht er op drukte, kon hij het licht niet dempen, dat er in een breeden straal onderuit, en over den grond stroomde. Hij voelde dat hij uitgeput was, en dat hij overvallen werd door een onwederstaanbare slaperigheid, en toen, dat hij zich in zijn eigen slaapkamer bevond. Hij gaf nog een laatsten druk op de muts, toen liet zijn hand los en nauwelijks had hij den tijd naar zijn bed te wankelen, of hij viel in een diepen slaap.

1Een oude danswijs. Over “Sir Roger de Coverley” vindt men een en ander in Prof. Knappert’s aanteekeningen bij Sara Burgerhart—1e deel, pag. 287.—

1Een oude danswijs. Over “Sir Roger de Coverley” vindt men een en ander in Prof. Knappert’s aanteekeningen bij Sara Burgerhart—1e deel, pag. 287.—


Back to IndexNext