HoofdstukXVI.Het was een triestige kamer, ook niet erg groot. Ze keek op een kaaswinkel, waar alle soorten van dit artikel tot boven aan de ruiten opgestapeld waren, en er naast was ’n bakker; de bakkersjongens zaten in hun schaftuur bij haar binnen te gluren, en wierpen kushandjes naar de ramen.De geuren van de kaas vermengden zich met de goed-lucht van het stoffen-magazijn beneden haar; er was altijd gerij en gefiets door de smalle straat, en ’s avonds láát nog joelde het ruwe gelach naar boven van flaneerende fabrieksmeiden.Ze dacht wel ’s, dat ze niet erg gelukkig geweest was met haar keuze, al had ze Moeder nog zoo vast verzekerd, dat ze nu toch oud genoeg was en genoeg in Leiden bekend, om zélf voor haar kamer te zorgen. Afgeschrikt door haar eerste ondervindingen, toen ze in studentenhuizen was gekomen, of bij juffrouwen, die “geen dames namen,” had ze maar dadelijk toegehapt, toen deze juffrouw “er maar één hebben kon, en heer of dame was gelijk.” Maar nu ze er zat,—’t viel niet mee; ’t huishouden slonzig,—de juffrouw....ze wist niet, ’t zou ook wel komen, omdat ze dat alleen-zijn zoo akelig vond, maar ze kón zich hier nog maar niet thuis voelen. Het was zoo triestig ’s morgens wakker te worden van het lijzig-uitgehaald gezang van de oudste dochter, en dan te weten, dat de voorkamer leeg en ongezellig zou zijn, met ’t muffe luchtje, zonder zon.Het deed haar ’s middags treuzelen weer naar huis te gaan, omdat ze ’t binnenkomen van die kamer, waar ná haar niemand meer was geweest, zoo ellendig vond; en ’s avonds kon ze vaak niet werken van het luisteren naar de stilte van het huis.Ze miste Else zoo en haar opgewekte gelijkmatigheid. Nu ging ze wel dikwijls bij Lize koffiedrinken,—een ei en ’n paar appels in de mouw van haar mantel, haar broodje onder den arm,—maar die was toch zoo heel anders, al had ’t engagement met Hoefman haar zachter en rustiger gemaakt. Ze kwam ook ’s avonds wel bij andere meisjes theedrinken, nu meer opgenomen in hun midden, maar vaak had ze ook dáárin geen lust, omdat het haar toch niet bevredigde; ze wist altijd vooruit, hoe het zou gaan: de hartelijke ontvangst: “wat leuk, dat je komt, ik ben juist zoo alleen; gauw theezetten,”—dan getob met water en ’n spiritusstel, zoeken naar lucifers, veel onrust, en geen oogenblik van rustige, breede gezelligheid, zooals aan de theetafel thuis, waar ieder bezoeker dádelijk in den kring werd opgenomen. Nu ze weer de lange vacantie in haar familie was geweest en zich weer heelemaal had ingeleefd in hun vredige leven, wist ze het weer, dat al hun gehuishoud maar surrogaat was, dat ze allen gelijkelijk misten: het thuis, de familie, de moeder.En dof, verveeld, werkte ze van Maandag tot Vrijdag boven ’t gejoel van de straat, pas oplevend, wanneer ze met haar taschje naar ’t station ging, naar huis.“Laborando Vincimus” begon z’n vergaderingen pas weer ná de inauguratie van de nieuwe corpsleden, en de groentijd was nog in vollen gang: schuchtere, kaalkoppige jongens slopen, langs de huizen gedrukt, over de straat, en soms ook kwam ze ’n heele kudde tegen, opgedreven door ’n paar studenten met wandelstokken, die ze leerden hard-loopen, of marcheeren.Gerard had ze een paar maal gesproken, meer gewoon en vertrouwelijker dan vroeger, omdat hij nu ook thuis was geweest, lang met moeder had zitten praten en gestoeid met de kleintjes. Hij klaagde over Hans, die tegenwoordig zoo ongenietbaar was, nergens meer kwam, en als je hèm ging opzoeken, je binnen ’n kwartier weer buiten de deur had gezet, omdat hij nét zoo goed ín z’n werk was.“Komen jij en Lou en Coba dan tenminste ’s bij me koffiedrinken, met Han en nog een paar.—Komen jullie drie October: dan is er muziek op de Korenbeurs, en dat is toch wel vroolijk en gemoedelijk.”Ze had ’t aangenomen, en toen voor ’t eerst na de vacantie Eduard weer gesproken. Ze had ’m wel al eens gezien: ’t was geweest bij de inauguratie-rede van ’n professor van de juridische faculteit, toen hij als faculteits-praeses achter den senaat was binnen gekomen, en ze, ondanks de statigheid van de pedels met de zilveren bellen, de professoren in toga en de oude curatoren, die in de eikenhouten banken hadden gezeten als deftige patriciërs uitde zeventiende eeuw, niets zóó imponeerend had gevonden als zijn slanke figuur in den sluitenden rok, z’n fier gedragen hoofd met de dof-glanzende haarpracht, en het sterk-vaste kijken van z’n donkere oogen.Nu kwam hij Gerard’s kamer binnen, samen met De Veer, die in uitgelaten joligheid ronddanste op ’t kopergeschetter, dat van beneden opklonk. Ze trachtten Gerard over te halen om ’s avonds mee te gaan naar de kermis op Zomerzorg, maar terwijl Eduard er kalm over praatte, riep Wim de meisjes bij ’t raam, weer schaterlachend om ’n vuurrooden kerel, die het vaandel van ’n aanrukkende muziek-bende torste.“Kijk, nou gaan die óók spelen, tegen elkaar in! Toe dan jongens, mooi zoo, blaasd’rmaar op los! Wie ’t maar ’t hardste kan! Kunstmin tegen Apollo! of hoe ze heeten mogen!”En z’n heele lijf was in beweging van dol plezier om die lollige lui, die zoo parmantig achter hun groote koperen, in de zon schitterende hoorns liepen, en tegen elkaar op bliezen met bollende wangen.“Kunnen wij niet mee naar de kermis?” vroeg Go, ineens in feeststemming.Gerard schudde lachend ’t hoofd. “Ik denk eer, dat de dochters van je juffrouw er naar toe zullen gaan.”“Maar jij komt toch,” drong Wim, “Rolands gaat ook, dan zijn we met z’n vieren.”Eduard zag Go even kijken, met vragen, met angst; ze begreep niet, waarmee ze zich zouden vermaken, in ’n tuin met ’n paar kramen en.... de dochters van hun hospita’s. Maar Wim vertelde van de draaimolen, en “waarachtig kerel, je moetmee, er is ’n schiettent ook, en je kunt met halters werken.” Dit stelde haar weer gerust, al vond ze het niet prettig, dat Rolands er bij zou zijn; en ’t koffiedrinken met haring en wittebrood, dè tractatie van de juffrouw, verliep vroolijk en ongeregeld, omdat telkens een muziekkorps voorbijtrekken kwam, en allen dan jubelend naar de ramen vlogen.Maar toen ’s avonds het brallende gezang uit de smalle straat opsteeg, dat in woestheid en gillen aangroeide, naarmate ’t later werd, had Go, alleen in de kleine kamer, toch bezorgd het hoofd tegen ’t venster geleund, en starend in de duisternis met wijde oogen, vol onrust aan de jongens, aan Eddy gedacht.Ze zat weer alleen te werken, in onvrede met zichzelf, met donkere voorgevoelens van droeve dingen, die gebeuren zouden,—stemming, waar ze onder leed, sinds ze weer hier was teruggekeerd,—toen opeens Gerard binnenkwam, ’t gezicht bleek, de blauwe oogen onrustig wijd-open.“Je moet niet schrikken, Go; ik moet je iets akeligs vertellen.”“Eddy!” gilde ze, de handen uitstrekkend.“Nee, Hans,” antwoordde hij zacht, en hij zag den wilden schrik in haar oogen zich even ontspannen, maar dadelijk, angstig weer, vroeg ze:“Wat is er dan? Is hij ziek geworden?”“Hij is al twee dagen zoek. Z’n juffrouw is ’t vanmiddag bij Beerenstijn komen zeggen. Ze was eerst niet ongerust geworden, omdat-ie wel ’s meer uitbleef; maar nu twéé dagen!”“Maar kan hij niet naar huis toe zijn?”“Nee, Hoefman had gisteren nog z’n vader gesproken.”“God, denk je aan een ongeluk?”“Ik weet niet, wat ik denk, Go. Je hebt ’m niet meer gezien na de vacantie, wel?”“Nee, ’k heb ’m niet gezien. Wat moeten we doen, Gerard?”“Ik wilde nu naar z’n kamer gaan, en daar ’s alles doorzoeken. Misschien vind ik iets, dat opheldert.”“Ik ga mee, ’k ben klaar.” En ze draaide de studeerlamp uit, stond even onzeker in ’t duister: was dit de reden van haar onrust van de laatste weken, was dit ’t vreeselijke, dat gebeuren moest?“Maar ik geloof ’t toch niet, jij wel?” begon ze buiten, weer met ’n hoopvoller stem, “hij was altijd zoo opgewekt, hè? God, ’t is toch pas twee dagen.... hij kan ergens bij familie zijn.”“Ik weet ’t niet.... O, vroeger deed ie ’t wel eens meer. Ik heb ’n jaar met ’m samen gewoond; dan zat hij soms eerst ’n beetje stil in ’n hoek,—mopperen of klagen deed hij nooit,—en dan opeens liep hij naar de deur, waar ’n groot treinenplan hing; hij keek op z’n horloge, ging na, waarheen hij ’t eerste weg kon, en dan met ’n eenvoudig: “Dag kerel. Ik moet er uit,” trok hij er van door, kwam na ’n paar dagen dood-op, maar veel opgewekter weer aanzetten.”“O, maar natuurlijk; dat doet hij nu ook. En omdat hij alleen was, heeft hij ’t niemand kunnen zeggen.”“Mij leek ’t meer de onrust van ’n eerstejaars;.... later deed hij ’t niet meer, ofschoon hij altijd aanvallen hield, dat “’t ’m te benauwd werd”, zooals hij ’t noemde, maar dan ging-die ’neind roeien of fietsen, of naar ’n mooi concert;—dat hielp ook altijd wel.”Ze waren nu aan z’n huis gekomen en zagen licht op z’n kamer. “Zou hij?” hoopte Go, maar de juffrouw vertelde huilerig, dat meneer Beerenstijn boven was; wat zij er toch van dachten, “zoo’n dierbare meneer.”Ze ging met hen mee de trap op, steeds klagelijk pratend, dat hij de laatste maanden toch ook zoo schrikkelijk veel gewerkt had, altijd in de boeken, en nooit er ’s uit, de heele vacantie door op z’n kamer gezeten, en ’s avonds, als ’r man en zij naar bed gingen, vast nog ’t licht op, en als ze ’s ochtends beneden kwam, meneer dikwijls nóg voor z’n schrijftafel met ’n kop koffie en ’n bleek gezicht, waar je akelig van werd.Otto groette verstrooid; hij zat voor de tafel met z’n hand in z’n haar. “Er liggen dagboeken,” zei hij, “maar je begrijpt, dat ik daar nog niet in kijken wil; verder niets dan cahiers met aanteekeningen, van wat hij den laatsten tijd gelezen had;.... kijk maar ’s even.”Stapels boeken lagen naast en op de schrijftafel; Gerard las langs de ruggen, schudde somber het hoofd: “Wat ’n zware kost allemaal, en hoe on-systematisch alles door elkaar. Wat denk-jij, Otto?”Beerenstijn keek naar Go; ze liep door de kamer alle dingen op te nemen, als wilde ze van hen het geheim van hun bezitter te weten komen; ze staarde naar de gravures, naar de piano, naar z’n klok; en toen draaide ze zich opeens om naar Gerard: “Hebben jullie eigenlijk al ’s op z’n slaapkamer gekeken?”“Nee; waarom zouën we?” maar ze gingentoch; ze hoorde de sleutels van de kasten knarsen, en Beerenstijn’s stem, die zei: “’t Is dwaasheid, hij zal zich hier waarachtig niet verstoppen;... maar och, ’t kan toch nooit kwaad, en we weten niets anders meer.”“Was hij nog bij iemand geweest?”“Het laatste bij Frieda, geloof ik. Dat is ’n week geleden. Hij was er maar even, om ’n boek terug te brengen.”“Wat zouën we nu doen? Weet niemand van ’t corps iets?”“Neerwinden is bij al z’n intiemere vrienden geweest.”Go luisterde naar de juffrouw. “Hij was ’s ’n nacht om drie uur met z’n fiets uitgegaan, en om zeven vreeselijk bemodderd teruggekomen. Toen had-ie aldoor gefietst. Hij zei, dat ’t dan zoo mooi was buiten.”—“We moeten ’t nu aangeven,” zei Beerenstijn. “’t Is wel beroerd en mal, als er niets is, maar langer afwachten...”“We konden ook zelf gaan zoeken.”“Dat kunnen we tóch doen, vannacht.”“Toe, neem mij mee,” vroeg Go beverig.“Nee; Gerard gaat naar ’t politiebureau, en ik breng je thuis. ’t Zou geen zín hebben, en ons hinderen, als jíj er bij was.” En hij praatte nog even zachtjes met de juffrouw in de gang, sprak af met Leeden, dat ze elkaar bij Neerwinden zouden vinden.“Maar je dénkt toch niet?” smeekte Go, in ’n wanhopig verlangen gerust gesteld te worden. “Hij hield toch zoo van al het mooie in ’t leven. Ik weet nog, dat we ’s samen over ’t Rapenburg liepen, en dat hij zei: dat je toch wel een ingeroest-ondankbare,onverbeterlijke pessimist moest zijn, als je, wanneer je ’t Rapenburg in de herfstzon zag liggen, iets anders voelen kon dan ’n diepe, blije dankbaarheid, dat je leefde.”Beerenstijn haalde de schouders op. “We wéten op ’t oogenblik niets, en ’t is nutteloos ons in supposities te verdiepen. ’t Eenige, dat we kunnen doen, is handelen en afwachten. En ’t zou heel dwaas zijn, ons al vooruit náár te maken,” en hij wierp ’n afkeurenden blik naar Go’s betraande oogen.“Waar gaan jullie heen?” vroeg ze zacht.“Ik weet niet, ieder ’n andere richting, hier in den omtrek.”“Neem Bruno mee. Misschien weet die den weg.”“We zullen ’t Eduard voorstellen; dan moet hij iets van ’m ruiken, eerst, handschoenen of zoo... Maar ik weet niet, of setters...”“We zijn ’m ’s ’s avonds langs de Haarlemmertrekvaart tegengekomen;—hij liep alleen, en toen kéék hij wel somber.”“Ja, ja, we zullen wezenlijk alle kanten uit zoeken;—kom even mee!” en hij ging ’n apotheek in, bestelde Hoffmandruppels: “Dat moet je innemen, zoodra je thuis bent, en dan naar bed gaan; opblijven dient nergens toe.”Ze knikte onverschillig, praatte weer: “Op die picnic was hij toch ook zoo vroolijk, zeg, wel onrustig opeens, toen ik vroeg, wat hij wilde worden. Weet je nog wel, hoe hij toen doorsloeg, en hoe vreemd z’n oogen stonden?”“Nee, ik heb er niets van gemerkt. Ga nu in godsnaam niet fantazeeren. Je slaat ’n mal figuur, als hij morgen weer terug komt.”“O, dus je denkt toch ook....”“Ik weet niet. Ga naar bed. Er is niets van te zeggen. Is de winkel nog open? Zoo. Dag Go. Morgen hoor-je verder.”Ze stak maar geen licht aan, en ging stil op de sofa in den hoek zitten. Het fleschje stond naast haar, en ze besloot te wachten, tot de jongens terug waren van hun onderzoekingstocht. Slapen kon ze nu toch niet en als ze in bed lag, zou ze telkens denken, dat ze hun stemmen in de straat hoorde en geen oogenblik rust hebben.Hans! Hansje! Het kòn toch niet. Dat lieve, fijne gezicht, en die opgewekte klank in z’n stem, en z’n lachen. En z’n hartelijke eenvoud! Hij kòn het niet hebben gedaan. Maar natuurlijk zou hij wél een ongeluk gekregen kunnen hebben, ergens buiten, waar niemand langs kwam, of in ’t water zijn gevallen;—maar ’t hoefde toch heelemaal niet zoo iets ergs te zijn; hij kon er gewoon weer eens uit zijn getrokken. Toch was ’t iets vreemds, die onrust, vooral bij iemand die zich altijd zoo kalm voordeed. Eigenlijk was hij wel erg gesloten, ofschoon hij niet den indruk maakte iets te verbergen. Er was altijd ’n sluier van opgewekte gelijkmatigheid over z’n dieper leven heen;—God, àls hij daaronder eens erg geleden had, en geworsteld met zichzelf en nù ondergelegen. Er wàs iets onder zijn woorden, achter z’n lach; dat lag soms éven in z’n oogen, als ’n onrust; dat gleed soms over z’n gezicht, als ’n schaduw. Als z’n heele leven eens één strijd was geweest tegen ’n groeiende melancholie, als hij ’s vergeefs overal had gezocht naar een waarheid, die hem bevredigen kon.Ze begreep niet, dat ze dit alles niet vroeger had ingezien; het was eigenlijk zoo duidelijk. Allekleinigheden, die ze zich van z’n leven herinnerde: z’n bleekheid op Eduard’s examen, toen hij den zonsopgang had gezien: z’n uitgelatenheid en dán weer z’n stil-zijn op de picnic, en ’t nooit éven willen bekennen, dat hij triestig of ziek was, alles wees op ’n verwoeden strijd met ’n donkere macht, die ondanks ’t verzet sterker in hem werd.—En tòch:—het zou bijna bovenmenschelijk zijn, als die levens-onwil zoo groot was geweest, dat hij er nooit iemand over had gesproken, ja, juist degene geweest was, die de anderen altijd opwekte en aanzette. Was het niet tè romantisch te denken aan ’n zóó moedig volgehouden comedie tot ’t einde toe;... maar de laatste weken had hij niemand meer willen ontvangen. Wellicht was tóen z’n kracht op geweest; hij had gezocht en gelezen, geen uitkomst meer gezien...Go rilde. Ze maakte haar haar wat los, en leunde ’t kloppend hoofd tegen den harden muur.Wat er toch niet allemaal in je omgaan moest, vóór je zoo’n besluit nàm. En als ’t eenmaal vast-stond, hoe vreemd ’t dan zijn zou te denken, bij elk banaal kleinigheidje, dat je deedt: voor ’t laatst, voor ’t laatst.... Als je je liet scheren,... als je ging eten.... En dan ’t afscheid van je kamer, die je nooit meer zou zien; en ’t denken aan al de menschen, die veel van je houden; en dan tòch gaan, en ergens, waar ’t heel stil is, gaan zitten en je heele leven, àlles nog ’s overzien—en dàn—Ze sprong op en liep de kamer op en neer: het kòn niet, het kòn niet; ze mócht zoo niet denken. Ze wist immers nog niets. De jongens waren niet terug;... misschien was hij wel naarAmerika gegaan;... de wereld was zoo groot; hij hàd de trek-lust, den zwerversgeest.—-Ze werkte het idee verder uit, ofschoon ze het zelf niet geloofde. Ze liep heen en weer en ging weer zitten, terwijl uur na uur langzaam in wachten verging. Soms doezelde ze even in, steeds haar bewustzijn bewarend, dan schrikte ze weer op, schoof de ramen open, en keek gespannen door de nacht-onbeweeglijke straat. Alleen bij den bakker was licht op, en eens kwam ’n troepje luid-pratende studenten voorbij.Toen ’t dag begon te worden, maakte ze haar haar weer op, en waschte haar wit gezicht en haar beverige handen. Het huis sliep nog, maar bakkerskarren en melkwagens begonnen in de verte toch al te rijden, en fabrieksmeiden trokken in risten naar haar werk, op trijpen pantoffels, de handen onder de uitstaande schorten.Opeens hoorde ze stemmen onder haar raam. “Natuurlijk slaapt ze nog.”“Nee, haar raam staat open.”Ze gleed de trap af, strompelde den winkel door, waar de japonnen en jassen spokig achter de neergelaten gordijnen huigen. Gerard en Beerenstijn kwamen zwijgend binnen; instinctmatig deed ze de deur weer op het nachtslot, klom ze toen na, naar de kamer. Beerenstijn schonk haar ’n glas water in, maar ze weerde ’m af: “Is-tie gevonden?”“Ja, bij Leiderdorp,” zei Gerard zacht.“Verdronken?”“Nee, ’n schot.”’t Was, of ze onder water zakte, haar ooren liepen vol; Beerenstijn zei iets, dat ze niet verstond, en de kamer was in ’n nevel. Toen hoordeze z’n stem, steeds duidelijker, vlak aan haar oor:“Niet flauw vallen. Niet flauw vallen. Hier, drink eens.” Hij zette het glas tusschen haar klapperende tanden.“Het is niets,” zei ze, terwijl ze op de canapé ging zitten. “Is ’t zeker?”“Ja, er is ’n groot couvert in z’n zak gevonden aan mij geadresseerd.”“O; wié heeft ’m gevonden?” Ze verbaasde zich over haar helderheid opeens.“Ik weet niet; er is getelefoneerd aan het politiebureau. We gaan straks nog ’s hooren.”Beerenstijn had in een hoek van de kamer iets in ’n glas water gemengd. “Dit moet je eerst opdrinken,” zei hij, zacht-beslist, “en dan naar bed gaan.”“Weten de anderen ’t al?” vroeg ze, zonder belangstelling.“Nee, daar gaan we nu heen. Zul-je nu naar bed gaan? Er is niets meer, waarop je hoeft te wachten.”“Nee, dat is waar,” zei ze slap, de deur openend.Op ’t portaal stond de juffrouw, de oogen wijd van verbazing; maar ’t drong niet tot Go door. Ze gaf Otto en Gerard machinaal ’n hand.“Ga nu dadelijk naar je slaapkamer,” beval Beerenstijn, en ze knikte, wankelde weg, dof, gevoelloos; terwijl ze de jongens zacht de trap af hoorde gaan.Ze kwamen ’s middags,—een, twee tegelijk,—langzamerhand allemaal naar haar kamer toe. Eerst Lou en Coba, die ’t op college hadden gehoord, bleek, geschrikt, met behuilde oogen. Toen Hoefman en Lize, en De Veer, en Rolands;Frieda ’t laatst, die zich kalm hield, ofschoon ze er afgetobd en gebroken uitzag. Han en Beerenstijn waren naar Den Haag, om ’t aan z’n vader te gaan zeggen, “beroerde geschiedenis,” bromde De Veer, “ze lagen zoo’n beetje overhoop met elkaar,” en Eduard was met Gerard naar den burgemeester van Leiderdorp om de brieven af te halen, en de begrafenis te regelen.Ze zaten stil om de tafel, als ’n troep bedroefde kinderen; praten deden ze bijna niet; ze hadden alleen maar behoefte allemaal bij elkaar te zijn. Go had getracht thee te zetten, had gerommeld in de kast, alles omver gehaald. Maar opeens viel ze neer met ’n snik; ze kòn niet; ze kòn haar hoofd niet bij elkaar houden om ’t klaar te krijgen; en ze was blijven liggen, met haar gezicht tegen ’t gordijn, uitgeput, verslagen.... Ze begreep ’t nog niet; ze had nooit iemand verloren, die ze goed kende; ze had geen ideewat het:“nooit weer”eigenlijk beteekende. Ze betrapte er zich op, dat ze telkens even dacht: waar blijft Hans? of z’n stem meende te hooren in den winkel beneden; hij ontbrak immers nóóit op ’n vergadering....Rolands zat op de canapé, ineengedoken als ’n klein, ziek poesje; z’n triestig gezichtje drukte angstige verbazing en schrik uit, en hij schudde telkens z’n hoofd, zuchtend: “Hans Elders—De beste van ons allemaal. De flinkste. De sterkste.” En dan opeens als ’n besluit: “Maar als die niet eens kon blijven leven, hoe moeten wij ’t dan uithouden, die zooveel minder zijn?”“Frits,” zei Coba met nadruk, “het is dwaasheid, wat je zegt.” Maar Frieda keek ’m aan met ongewone zachtheid in haar donkere oogen,en zei: “Dat we beneden Hans staan, zullen we wel allemaal moeten bekennen... Z’n leven is voor ons een voorbeeld geweest. Maar al hebben we niet ’t recht hard te zijn: z’n dood was zeker ’n misslag. Daarom zou ’t wel heel verkeerd zijn, als wij, die ’m in ’t goede niet navolgden, het hierin juist wèl wilden doen... Laten we liever hopen, Rolands, dat we nog ’n heeleboel tijd overhouden om ons zelf beter te maken.”“Ik ben daarvoor niet op den goeden weg,” klaagde ’t bruintje weemoedig.“Laat dit dan ’n keerpunt in je leven zijn.”De Veer trok zich zuchtend recht op z’n stoel. Hij had ’n gezonden afkeer van alle verdriet, en wist ook bijna altijd de narigheid van zich af te zetten. Maar dit, dit diep-ellendige vlak náást z’n eigen zonnig-onbezorgde leven, had hem ’n geduchten schok gegeven, ’n vreemd gevoel van ijdelheid en vergankelijkheid, van veel schijn en geveinsheid bij alles, wat hem zoo heerlijk leek, en noch de dikke poes van de juffrouw, die binnengeslopen was, noch ’t komische kindergebler van beneden kon z’n sombere stemming breken.Om vier uur kwamen Han en Beerenstijn. Ze gingen tusschen de anderen zitten, praatten met doffe stemmen over “de oude heer, die er zoo kapot over was geweest, dat die twist niet bijgelegd was.”—“Zijn Leeden en Neerwinden er nog niet met de brieven?”“Nee.”“Er zal wel wat voor hém bij zijn. Hans zal ’t wel goed gemaakt hebben natuurlijk.”“Wist-ie niets?” vroeg Go, en begon weer te snikken, als ze zich den ouden man voorstelde,alleen in z’n huis, die opeens hoort: “uw zoon... dood.” Ze klemde krampachtig de handen voor haar gezicht.Lou gaf haar wat water, huilde zelf kinder-hard mee, terwijl ze fluisterde: “Stil nou, Gootje, je maakt je ziek.... toe, huil nou niet,” en toen zelf doorsnikte, het hoofd op haar schouder.“Jullie moeten niet alleen blijven, kom allemaal vanavond bij mij,” vroeg Han, “dan weten we, wat in de brieven staat.” En toen tegen Go: “Ik heb ’t Else geschreven;... wat zal ze schrikken; ze hield zoo van Hans.”“Dat deed iedereen,” zuchtte De Veer, overtuigd.’s Avonds waren ze weer samen: Gerard en Eduard, moe en nerveus, praatten eerst over zaken met Han en Beerenstijn, scharrelend met papieren en verklaringen. Toen kwam Otto naar Go om te vragen, of ze geslapen had;—en ze spraken er kalm-treurig over, hoe alles geregeld zou worden voor de begrafenis.“Als z’n vader er niet tegen is, wilden we ’m naar Warmond laten brengen; hij hield zoo van dat vriendelijke, begroeide kerkhof.”“Wàs er ’n brief aan z’n vader?”“Ja, we hebben ’m vanmiddag nog gebracht. Hij was er zoo blij mee.”Eduard zat naast Go; hij leunde z’n bleek hoofd op z’n handen, de oogen gesloten, en om z’n mond trokken lange, moeë strepen neer.“Was-tie dadelijk....”, vroeg ze zacht aan Gerard, “of zou hij nog pijn hebben gehad?”“Hij had direct getroffen, zeiden ze.... denkelijk vannacht om één uur.”“O, dus gisteravond nog... Als we toèn....”“Zoo moet je niet praten,” zei Beerenstijn, medisch-beslist, “’n mensch is altijd geneigd allerlei bijkomstigheden de schuld te geven: àls we ons maar meer met ’m hadden bemoeid, àls we ’m maar minder alleen hadden gelaten, àls we er maar eerder werk van hadden gemaakt. Dat is onzin. ’t Is ’n ziekte. Als we ’m er nú van terug hadden gehouden, zou hij ’t de volgende gelegenheid hebben gedaan. Misschien met ’n halfjaar voortdurende observatie was hij er over heen gekomen; maar tòch: dat verlangen naar den dood,.... zonder dat er reden voor is.... Hij hàd geen enkele reden—-”Ze bleven stil zitten luisteren, en levendiger praatte hij door, verdiept in z’n lievelingsstudie:“Een van de treffendste voorbeelden, dat ’t doodsverlangen bepaald ’n soort waanzin, ’n idée fixe is, is ’n werkman, getrouwd, met kinderen, niet ongelukkig, alleen heel nerveus, die opeens op ’n middag zich den hals afsnijdt.... Enfin, ’t mes weigerde halfweg; hij wordt opgenomen, met de uiterste zorg verpleegd, en wezenlijk: hij geneest.... Vrouw en kinderen komen ’m verheugd van ’t ziekenhuis halen; hij gaat mee naar huis, ’s avonds is hij niet te vinden, en na lang zoeken, vinden ze ’m op den zolder aan ’n balk bengelen.... opgehangen.”De Veer knikte, dat hij ’t ook wist; maar Go barstte in ’n zenuwachtig lachen uit: “Och Otto, ’t is niet waar. Praat toch niet zulken onzin.... ’t Is zoo idioot, als die menschen al hun zorg hebben besteed, maanden lang, om ’m beter te maken, en als hij dan....”“Toch is ’t waar,” besliste Beerenstijn, “en ditis de eenige oplossing van zooveel duistere gevallen....”“Maar Hans beschouwde ’t toch zelf niet als ’n ziekte-geval.”“Nee; natuurlijk niet,” en Eduard gaf Go z’n afscheidsbriefje; hij las over haar schouder mee. “Is ’t niet heelemaal Hans,” zei hij zacht, “dat ons zelf nog over z’n dood willen troosten: “Jullie moet niet denken, dat de laatste uren, als het besluit vast staat, zoo pijnlijk zijn. Wel de onzekerheid vooruit, als je niet leven kunt, en nog niet wilt sterven. Maar als je tot klaarheid bent gekomen, als ’t besloten is,dan is ’t net, of je er al niet meer bent.”En dan dit: “Je begrijpt, dat ik door deze daad geen uitspraak over het leven doe, waarvan ik zoo weinig heb kunnen begrijpen. Ik toon hier alleen mee aan, dat mijn leven hier geen plaats, geen bevrediging vinden kon. Daarom is ’t beter zoo. Waarom zou er één mee-eten, en mee-ademen en mee-streven in deze overvolle wereld, als hijzelf niet dankbaar om z’n bestaan kan zijn, en anderen ’t brood ontneemt?””“’t Is zoo logisch, hè,” peinsde Eduard, “maar er móet toch iets mankeeren aan ’n levensleer, die tot zelfvernietiging leidt. Wàt ’t hier is, weet ik niet: Hans stond moreel hoog, was ernstig, ijverig...”“Hij was de beste van ons allemaal,” zuchtte Rolands, en hij huilde, stil en nederig. Lou gaf ’m eau-de-cologne, en Coba, die van mevrouw ’n groote flesch eau-des-Carmes had meegekregen, bereidde voor ieder ’n glaasje van ’t melkige vocht, “toe, heusch, dan slapen we vannacht tenminste.”Het licht suisde. Ze zaten heelemaal stil. Eduard had verteld, dat hij ’m nog gezien had: nu schemerde voor hun oogen z’n lieve gezicht, verstijfd, de oogen dicht, den mond strak, en de wond bij de slapen.Ze zaten bang te zwijgen in de groote kamer, en voelden den angst voor den nacht, als hij daar liggen zou, alleen in ’t donker.Toen keek Go langzaam de rij langs; en dacht aan de picnic, aan den avond, toen ze gezongen hadden, één van ziel, op het balkon. Else was naar Parijs gegaan,—Hans... wie nu? Wie zou nu ’t eerste uit hun midden weggaan? Ze zóuden gaan, de een na den ander, naar verschillende steden, naar vreemde landen, in allerlei betrekkingen, hooge en lage;—alleen de studietijd bracht zóó verschillende menschen bij elkaar.Er zou ’n tijd komen, dat ze elkaar nauwelijks meer kenden; zij, eens één in vreugde; en nu vereend in ’n groote droefenis.Hoofdstuk XVII.De eerstvolgende dagen was Go bijna nooit thuis; dadelijk na college en ’s avonds weer ging ze met Frieda Gerard, Han en Beerenstijn helpen, die Hans’ vader beloofd hadden, alles te zullen regelen en in orde brengen. Er was ’n huiselijk testamentje gevonden, dat ze met toewijding uitvoerden; kleeren en boeken moesten in groote kisten worden verpakt, rekeningen gesorteerd en aangezuiverd, brieven en dagboeken verbrand;—ze werkten te zamen uur na uur op de stille kamer, waar iets kils bleef hangen, ondanks de lustige zon; soms even onderbroken door iemand, die kamers zocht en boven kwam, aangetrokken door ’t houten bordje, dat tegen ’t raamkozijn kletterde. “Cubicula locanda;” het klonk zoo koud; of de vorige bewoner ruzie met de juffrouw heeft gehad, of gepromoveerd is of gesjeesd, of om geldverlies z’n studie heeft moeten staken, of zelf ’n einde aan alles maakte—“cubicula locanda”; het bleef ’t zelfde. En telkens, als Go weer aan kwam met, bijna onbewust, de hoop, dat hij er wel zou zijn, dan zag ze weer dat bordje, dat alle verwachting versloeg, en in de zon blikkerde als ’n emblemavan de snelle wisselvalligheid, èn de onaantastbare gelijkmatigheid van het leven.Ze overlegden nu alles met elkaar, en de zorg voor de nalatenschap scheen ’t werk van “het dispuut” te zijn; telkens kwamen De Veer en Rolands, Beerenstijn of Hoefman met ’n rekening, ’n brief: wat Go er van dacht; en door de noodzakelijkheid van eenvoudig-practischen ernst groeide hun vriendschap in de kil-droeve dagen tot een wezenlijk, steungevend, bemoedigend gevoel.Zoo kwam ook Gerard ’n avond met ’n pakje lidmaatschap-kaarten, om te bespreken, of ze afgeschreven moesten worden, of door den dood vanzelf vervielen, toen hij Go wild snikkend met haar hoofd op de schrijftafel vond, de handen in wanhoop door haar haren woelend.“Maar Go, kindje; wat is er gebeurd?” begon hij verschrikt, maar toen ze z’n stem hoorde, ging er opeens ’n schok door haar heen, en ’t betraand gezicht opheffend fluisterde ze nerveus: “Ga weg, Gerard; hoe kom-je hierbinnen? Hield ze je niet tegen? Heb-je ’n scène gemaakt?”“Wie? Ik heb niemand gesproken.” En z’n oogen staarden verbaasd haar aan.“De juffrouw—ze zegt—o, Gé, ze zegt...” Nu begon ze weer opnieuw en erger te huilen, telkens tusschen twee snikken door hijgend: “Ga weg.... ga weg.... ze wil ’t niet hebben.”Hij schonk haar een glas water in, en ging op den rand van de tafel zitten; hij dácht er niet over heen te gaan, vóór ze wat kalmer zijn zou, en z’n afgebroken stem dwingend tot rustig spreken, begon hij:“Je hebt dus herrie met de juffrouw gehad. Maar is dát nu een reden om zóó te huilen? Is ’t heelemensch wel één traan van jou waard? Als je me nu maar ’s wou vertellen, kalm en verstandig, wat er eigenlijk is, dan zouden we kunnen overleggen, hoe ’t in orde te brengen.... Maar als je zóó blijft, word-je ziek en ellendig en kan ik onmogelijk iets voor je doen.”“Maar je moet dadelijk weg.... Ze zegt juist, dat heeren.... dat ’t geen pas heeft, als ’n méisje hééren op ’r kamer ontvangt.... Eerst was jij alleen gekomen, en toen had ze niets willen zeggen.... het kon.... het had....”—en even trok ’n glimlach over haar trillende lippen—“het had ’n fatsoenlijk engagement kunnen zijn, ofschoon ik geen ring droeg,—maar nu telkens andere,.... ieder oogenblik ’n ander....”“Vervl...,” viel hij uit; “heeft ze dat durven zeggen?”“Ze zei, dat het ’r goeien naam kwaad dee. En ze had zélf groote dochters... En de heeren mochten vroeger ook nooit dames op hun kamer ontvangen; als je ’n heer had, ontving-je heeren, als je ’n dame had dames.”“En wat antwoordde jij, Go?”“Ik weet niet; het kwam zoo vreeselijk opeens. Ik probeerde ’r eerst uit te leggen, dat ’t m’n collega’s waren, en dat onze verhouding anders is dan van gewone jongens en meisjes.—Maar ze keek me zoo raar, zoo verdenkend aan, en zei weer iets over ’t fatsoen van haar dochter, en toen kón ik opeens niet meer; tegen zoo’n mensch, over zoo iets...”“Nee, natuurlijk. Laat mij maar ’s...”“Nee, Gé, nee, als je blieft niet... Dan wordt ’t immers nog veel erger...”“En wat wou-je nou doen?”“’k Heb gezegd, dat ’k zoo gauw mogelijk van ’n andere kamer werk zou maken.”“Goddank; dus je hebt toch niet toegegeven, ’t Is... ’t is... zoo’n mensch tegen joù, tegen joù... zóó iets...”“Ja maar,” zei Go, kalmer door zijn opwinding, “we moeten ook niet onredelijk zijn. Ik kan er eigenlijk best in komen, dat ze zoo praat. Wat weet ze van de verhouding onder ons, studenten, af? Hoe kan ze ons samen-zijn zich anders voorstellen dan ’n jongelui’s partijtje in háár jeugd? Bovendien zouden voor vijf-en-twintig jaar àlle menschen ’t met haar eens geweest zijn...”“Voor vijf-en-twintig jaar, jà. Maar ’t veranderen van de publieke opinie is geen toeval; die volgt de omstandigheden, en daarom...”“Toe, je verwacht van háár toch geen redelijkheid!... En ik ben hier pas zoo kort; en juist in ’t begin, door den dood van Hans, zijn er zulke vreemde dingen gebeurd: Otto en jij dien ochtend vroeg... en ’s middags de heele club... en later telkens weer iemand om iets te vragen... telkens ’n ànder, zooals zij zegt...”“Praat er maar niet meer over. Ik kán dit niet filozofisch opvatten... Ik vind ’t min, láág, afschuwelijk.—Enfin; wat doe-je nou? Weet je ’n kamer?”“Nee, ’k moet toch ook eerst naar huis schrijven.”“Ja, natuurlijk. Doe dat dan nu dadelijk. Dan breng ik den brief naar ’t postkantoor... Het was eigenlijk beter, als je naar huis ging, tot je iets anders hadt. ’t Zal je zoo irriteeren, als je hier moet blijven, en ’k heb de kamer altijd beroerd gevonden.”“Och, ’k zal ’t maar niet al te erg maken voormoeder. Die vindt ’t zoo vreeselijk, als iemand iets slechts van ons denkt.”“Maar de ploerterij...”“Nou, ja, die scherpe afscheiding bestaat bij ons niet. Moeder vertrouwt me natuurlijk, maar ze is wel ’s bang, dat ’k onvoorzichtig ben.”Gerard knikte: “Kwam Van Neerwinden veel bij je?”“Nee; hij is zoowat de eenige, die nooit op deze kamer geweest is.”“Zoo... Weet je wat, je moest ook even aan Friedaschrijven;—die wéét misschien wel ’n kamer. Ik ga dan zelf met ’t briefje naar haar toe.”“O, wat ben ik toch blij, dat jij gekomen bent. Ik was zoo wanhopig,—alleen tusschen al die vijandige menschen.”“En je wou me nog al dadelijk wegsturen... Nou, schrijf maar.”Bij den brief aan moeder kwamen de tranen toch weer. Wat zou-die wel zeggen? Ze hadden nooit aan die mogelijkheid gedacht;.... de kamer, die je huurde, was toch je eigen,—maar natuurlijk, ’t was ’t huis van de juffrouw.—Hád ze schuld? Moesje had gezegd: “Maak nooit misbruik van je vrijheid,” maar ze had de jongens toch niet in den winkel kunnen ontvangen, vooral niet in die omstandigheden...Gerard hoorde haar de snikken in haar zakdoek smoren: “Ben-je bijna klaar?” riep hij uit den hoek van de kamer, waar hij water kookte voor thee.“Ja, dadelijk.” En vlugger pende ze het briefje aan Frieda.“Nu heb ik alles in je kast kunnen vinden, zelfs het zeefje en ’n zakje biscuits, behalve dethee zelf,” klaagde hij hulpeloos; “ik zou je zoo graag met ’n kopje verrast hebben, en ’t water kookt “als ’n see”, zou mijn juffrouw zeggen.”“O, Gé, hoe lief van je. Wat zou ik toch beginnen zonder jou!”“Kon ik maar wat meer voor je doen. Nu moet ’k je weer alleen laten. Beloof me, dat je je best zult doen niet bedroefd te zijn.”“Nee, nee,” zei ze, maar haar lippen trilden.En hij keek haar aan, met ’n oneindig zacht medelijden in z’n eerlijke open oogen, en eenvoudig-weg, of ’t zóó in z’n hart opkwam, zei hij:“Ik wilde, ik kon u iets gevenTot troost diep in uw leven;Maar ik heb woorden alleen,Daden en dingen geen...”Toen nam hij de brieven, die op de tafel lagen en met ’n bemoedigend knikje, ernstig en opgewekt, ging hij de deur uit, wegstommelend langs de ongelijke trap.Den volgenden morgen, toen Go na ’n onrustigen nacht, want ze hóórde de vijandigheid uit alle geluiden om zich heen, de ontbijtkamer binnenkwam, vond ze naast haar bord ’n groote bos witte seringen en donkerroode anjers; de heele muffe kamer was vol lentegeur, en achter op z’n kaartje had Gerard geschreven: “Goeienmorgen Go. Vanmiddag komt Frieda bij je, en brengt ’n prettige boodschap mee.”Ze drukte haar hoofd dieper in de bloemen, dankbaar, zalig; opeens niet bang en niet eenzaam meer.Hoofdstuk XVIII.Drie dagen later was Go bij Frieda en Mary Bruining ingekwartierd. Voorloopig kreeg ze alleen maar ’n zit-slaapkamer, omdat er nog iets verbouwd moest worden, vóór de meisjes met hun drieën de heele verdieping konden betrekken, maar Gerard had er zoo op aangedrongen, dat Go dadelijk verhuizen zou, dat Mary en Frieda beide hadden gezegd, dat ze zoo vaak in haar kamer kon komen zitten, als ze wilde, en als ’n droom zoo vlug was alles gegaan: Frieda had haar dien middag dadelijk meegenomen om bij haar te eten; den volgenden dag hadden zij tweeën en Lou en Coba alles gepakt en de breekbare waar zelf overgedragen, en nog geen vier maanden, nadat ’t binnengedragen was, was haar heele huishouden weer uit de donkere straat weggereden naar de lichte Jan-van-Goyenkade, met ’t wijde uitzicht over water en land, en de vroolijkheid van meisjes-huishoudentjes in de zonnige huizen.Gerard was in de wolken, dat ze nu zoo prachtig onder dak was gebracht, niet langer alleen—“het wàs geen kind om alleen te laten,” maar mettwee aardige, verstandige meisjes, die voor haar zorgen zouden en lief voor haar zijn. Ook haar moeder had enthousiast over de gunstige verandering geschreven en gesproken. “Ik begrijp wel, kindje, dat je, zoo heel alleen, behóefte hadt aan gezelligheid, zoowel van vrienden als van vriendinnen. Maar ik ben toch wel bang, dat de bezoeken wat erg druk zijn geloopen den laatsten tijd. Dat zal nu heelemaal anders worden; jullie maaltijden met je drieën geven veel meer de gezelligheid van een huishouden. Je kunt met je drieën bezoeken ontvangen...”Iedereen was tevreden en voldaan over de schikking, maar Go, nadat de eerste roes van nieuwigheid voorbij was, nu ze als gewoon huisgenoot was opgenomen, ze voelde ’t wel: voldaan was zíj niet. Ze zat voor Frieda’s schrijftafel en staarde over het kale, wijde land, en, de ellebogen op haar boeken, redeneerde ze met zichzelf: “Het kwam dus niet door de kamer, en niet door de eenzaamheid, dat onrustige, onbevredigde gevoel. Het komt uit m’n eigen hart, en daarom kan niemand er iets aan verhelpen... Want deze kamers zijn licht, en aan elken maaltijd en ’s avonds ook, zijn Mary en Frieda er, met hun hartelijke gezichten en opgewekte gesprekken, en ik zit er zwijgend bij, en voel, dat ’t me niet schelen kan. En als Gerard vraagt, hoe deze levenswijze me nu bevalt, dan kan ik lange verhalen van lof houden; maar ik wéét ’t alleen met m’n verstand. In mijn hart voel ik ’t anders. Dit samenwonen is uitstekend, en ’t moest veel meer door jongens worden gedaan; ik zou wel willen, dat Gerard en Han en Eduard ergens met hun drieën gingen wonen. Dat zou voor Eddy zooveel beter zijn,dan zou hij misschien wel weer anders worden... en dan zou ik ook weer kunnen voelen, dat ’t leven prettig is.”Ze legde haar handen nu voor haar oogen om aan z’n laatste bezoek te denken; hij was op de vergadering zoo koel tegen haar geweest, zoo anders dan de anderen, die nog onder den indruk van Hans waren. Hij had alleen even met ’n naren lach gezegd: “Voor menschen, die pessimist praten, hoef-je niet bang te zijn; juist de opgewekten maken er opeens ’n einde aan,” en uit ’n paar losse woorden van Rolands had ze gemerkt, dat er weer druk gefuifd werd in hun clubje. Bij ’t weggaan had ze toen gevraagd, of hij ’s op haar nieuwe kamer kwam, en toen hij ontwijken wilde, er beslist op aangedrongen, omdat ze ’m noodig spreken moest.Zoo was hij ’n avond in Frieda’s kamer ontvangen, maar er was geen stemming, geen harmonie geweest. Go had gemerkt, dat Mary en Frieda geen van beide vóór z’n bezoek waren, ze had zich onzeker en gegêneerd gevoeld, en hij had niets gedaan om ’r tot kalmte te brengen: hij was heen en weer blijven loopen, had de fotografieën en beeldjes bekeken, en steeds over allerlei onverschillige dingen gepraat.Na ’n kwartier had hij al weer weg gewild. Ze kon ’m niet laten gaan; ze moest toch zeggen, dat ze ’t zoo akelig vond...“Waar ga-je heen?”Hij moest naar de kroeg, afgesproken met vrienden...“Waaróm nou? Ik heb je al zoo lang niet gezien.”Ja, maar ze zouën spelen, kaarten...“Hè nee, Eddy, doe ’t niet.”Er had in z’n oogen dat ongeduld gebrand, dat haar altijd even bang maakte: “Natuurlijk zal ik gaan.”“Ja maar, ’t is zoo verkeerd; jullie spelen om geld.”“Ik hoop zelfs veel te winnen; daarom ga ’k eigenlijk. ’n Lastige beer.”“Je kunt toch onmogelijk zoo heel veel winnen op ’n avond.”“Twintig, vijf-en-twintig gulden is ook al genoeg. ’k Moet ’t hebben.”“Dus dáárom alleen?” En ze was naar de kast gegaan, en, smeekend, dat hij niét boos zou worden... ’t was wezenlijk beter.... had ze ’m het bankbiljet van vijf-en-twintig gegeven, terwijl hij weifelde, ontroerd keek.“Ik schaam me, Go,” had hij alleen gezegd, en toen was hij gauw weggegaan, en ze had ’m niet weerhouden, omdat ze voelde, hoe pijnlijk ’t voor beide zijn zou, nog samen te blijven.Den volgenden middag had ze geen vleesch gewild aan de koffie. Of ze vegetariër werd?—Nee, ’t was zuinigheid; haar maandgeld was op....Mary had haar even doordringend aangekeken, toen luchtig gezegd: “Mooi zoo! Enfin, Frieda en ik hébben nog ’t onze. Eet dus gewoon mee; zoo sterk ben-je niet.”En daarna had ze niets meer van ’m gehoord of gezien. Zelfs niet op de laatste vergadering van L. V.; Rolands had zoo iets gepreveld, van dat hij uit moest, maar Gerard had er dadelijk over heen gepraat, en hij was beboet “wegens niet verschijnen ter vergadering, zonder hiervanvooruit schriftelijk kennis te geven,” en “wegens niet inleveren van z’n verplichte werkzaamheid.”’n Vergadering zonder hém had geen doel, en ’t had Go toegeschenen, of ze allemaal maar hadden zitten praten, om met hun woorden de leegte te bedekken, en eigenlijk leek haar heele leven haar tegenwoordig zoo, vooral als ze ’n middag alleen zat in de kamer, met haar boeken. Wat moest dat allemaal nu eigenlijk? Wat had het met haar geluk of ’t heil van de menschheid te maken, of ze al wist, hoeveel uitgaven er van Maerlants strofische gedichten bestonden, of wat voor invloed de eerste en tweede klankverschuiving hadden gehad? En nu kon-je zeggen: dat had-je nu eenmaal in iedere studie, of je rechten nam, of medicijnen, of scheikunde: altijd moest je eerst ’n massa concrete kennis vergaderen, waar je ’t nut niet zoo dadelijk van inzag. Maar dat was ’t hier niet alleen; als ze dóór dacht over later, wat er zou gebeuren, als ze dit nu allemaal wist, als ze haar candidaats en haar doctoraal had gedaan, en dan ook nog ’n boek, ’n dissertatie, had geschreven,—dan sloeg haar eerst recht de schrik om ’t hart. Dan zou ze de hier vergaderde wijsheid gaan onderwijzen op ’n burgerschool of ’n gymnasium, of op ’n bibliotheek als archivaris studeeren in perkamenten, dag in dag uit, òf aan “het woordenboek” ’n baantje krijgen, bij gratie, en de rijkste jaren van haar leven besteden b.v. aan de letterp. En nóóit, nóóit zou ze, als de studenten van andere vakken, in ’t werkelijke leven kunnen ingrijpen en nuttig worden; nooit zou ze direct met “menschen,” menschenléven, te maken hebben, zooals ’n dokter, ’n advocaat. Zelfs nooit haar hánden kunnen gebruiken, zooalsMary, die kookte en knoeide op ’t laboratorium, die zoo heerlijk moe kon zijn, nadat ze ’n middag gestaan had. Voor haar waren er niets dan boeken, die naar andere boeken verwezen, en altijd weer boeken, waar niets achter was, en niet kòn wezen. ’t Was immers zuivere wetenschap, alleen òm de wetenschap, zooals: l’art pour l’art. Dat had ze eerst juist zoo mooi, zoo groot gevonden, voor gedachten te leven, in ideeën; maar nu, nu ze lange uren er zich aan begon te geven, m’n God, nú voelde ze, dat ze jong was en krachtig, dat haar lichaam niet wilde vegeteeren, dat haar spieren trokken van ongeduld bij al dat stil zitten studeeren; en dat ze benijdde, o, benijdde met hart en ziel, de bedrijvige wereld, beneden op straat, de meisjes, die kleeden klopten in de zon, met flink beweeg van de stevige armen; de jongens, die zware schuiten voortboomden, met groente, met turf; iedereen, die z’n lijf inspannen kon, z’n kracht uiten.“Het Comburgsche HS; het Zutfensch-Groningsche HS, het HS der Pelgrimage van der mensceliker creaturen, de Heidelbergsche fragmenten....” Ze zette zich opeens op, en ’t bloed vloog naar haar hoofd: ’t was om dól van te worden, zoo’n heele middag zitten, terwijl vlak voor de deur ’n schuit met steenen werd afgeladen, en al die menschen zich bukten, en sjouwden en zwoegden in den frisschen winterdag, met de kou tegen hun warme lijven. Ze móest ook iets doen. En met ’n ruk sjorde ze de ramen open, begon de kussens van Frieda’s canapé uit te slaan op de vensterbank, ofschoon ze wist, dat dat eigenlijk overbodig werk was, want ze had tegenwoordig zoo dikwijls ’n bui, dat ze opeens iets móest doen, en dan gingen de kussensen de kleedjes er altijd ’t eerst aan. Al haar handschoenen waren ook heelemaal schoon, en ze schommelde in de laden van Frieda en Mary; daar was wel wat te doen: warm water maken, zeep raspen, goddank, nu leefde ze weer, in de koele lucht, met de beweging; lekker, zoo met haar handen in ’t warme sop voor ’t raam te staan; de waschkom kantelde wel wat op de vensterbank, maar ’t zou wel houden, en de wind was zoo frisch tegen haar gezicht. Was de slang met ’t aansteken zooeven ’n eindje van ’t comfoor afgegleden? O, nee, Frieda had al meer over gaslucht geklaagd; ze rook het nu ook, nu ze er dicht bij was;—ze zouden—hé, daar was Ru Bruining, met z’n fiets.“Mary is niet thuis, Ru.”“Zóó. Zou ’t nog lang duren?”“Nee. Binnen ’n kwartier zal ze er wel zijn.”“O, dan kom ’k toch maar even boven; ik heb ’n pakje van huis gekregen, met ook iets voor haar; ’n das of ’n strik; ik weet niet precies.”Ze hoorde ’m de fiets in de gang zetten, toen z’n vlugge stappen op de trap. Het was zoo’n kordaat kereltje, niet groot, maar breed gebouwd, rechtop en energiek, met kleine, sterke handen, en ’n kop met ’n wil.“Goeienmiddag. Wat voer-jij uit?”“O, ik wasch handschoenen. Geef jij me misschien ook de clandisie?”“Nee, die draag ik nooit. Je mag er wel wat opleggen, dat ze niet wegwaaien, als ze gedroogd zijn.”“Ja. Zeg, Ru, ruik-jij geen gaslucht, daar in dien hoek?”“Nee, ’k ben verkouden. Ja, hier toch; ’t zit bij ’t kastje.”“Niet aan de slang? Frieda klaagt er al langer over. We zullen ’s ’n man van de gasfabriek....”“Laat mij ’s kijken; mag ’t tafeltje even weg?”“Pas op; geen lucifers, Ru,... je vliegt in de lucht....”“Nee, wacht maar; zoo erg is ’t niet. O, kijk; deze schroef zit los. Je hebt hier zeker geen gereedschap.”“De juffrouw zal wel....”“Och, ik kan het wel met m’n fietssleutel.”Hij was al weg, om dien van beneden te halen, heelemaal in z’n werk verdiept; en Go keek met welgevallen, hoe hij zich boog, schroefde, z’n kracht spande, dat ’t bloed roodend naar z’n voorhoofd liep, tot onder z’n stug, blond haar.“Kom nu ’s ruiken. Wat denk-je er van?”“Ik ruik niets,” snoof Go behagelijk. “Wat leuk, dat je ook van zulke dingen verstand hebt, zeg. Zoo ’s practisch iets doen, dat kan bijna geen een student.”“Dat komt door de stomme verdeeling van den arbeid. Er is ’n klasse menschen, die hun lichaam óver-aftobben, en geen tijd voor eenige ontwikkeling overhouden, ook geen kracht en geen lust; en aan den anderen kant staan wij, de z.g. bevoorrechten, maar die even goed zelf ook lijden door de misstanden, die we in onze kortzichtigheid toch niet opgeven willen; wij, die ons suf en stomp werken met ons hoofd, en onze spieren als niets-nut moeten laten verslappen.”“Hè ja,” zei Go gretig, “ik had vanmiddag zoo graag ’s met dien steenensjouwer geruild;—hij hier ’s wat uitrusten en ik me ’s weldadig moe maken. Je hebt gelijk; ’t is ’n domme indeeling.”“We kunnen er natuurlijk zelf wel wat aan verhelpen. Ik woon daar nu buiten, en als ik ’s twee uur gewerkt heb in Hesiodus of Isocrates, dan ga ’k eens naar m’n kooltjes kijken, of neem de geit mee wandelen; maar dat is maar spielerei, en aardig voor mij persoonlijk. De gemeenschap heeft er geen nut van, zooals ’t zou zijn, wanneer de verhoudingen beter georganiseerd waren.”Ja, Mary heeft wel ’s verteld, je hebt daar ’n eigen huisje, hè, en je doet alles zelf.”“Zoowat, ja; kom ’s kijken, als je lust hebt, met Mary. Er is nu niet veel om jullie mee te geven: vroeger heb ik ’t huishouden hier wel ’s van boontjes of aardbeien voorzien.”“Aardbeien! O, heerlijk! Mogen we dan van den zomer nog ’s komen? En je hebt ’n roeiboot, niet?”“Ja, en ’n kraai en ’n paar kippen, en konijntjes. Je zult ’t wel grappig vinden, denk ik.”“Hè, zalig zoo buiten wonen....”Mary vond hen in druk gesprek bij het open raam. “Zoo broertje!”“Dag Mary, ik breng iets van moeder voor je mee.”“O, de das, dank je.”“Zeg Mary, Ru vraagt, of ’k vanavond mee ga naar de lezing van Mevrouw Roland Holst. Doe-jij ’t ook?”“Nee, Go, ik kan niet. Maar doe ’t. ’t Is zeker mooi, en ’t zal je opfrisschen.”“Natuurlijk,” pleitte Ru. “Dát is ’n vrouw! Ik voel me niet gauw klein bij iemand, maar bij háár....”“Wat is hij toch altijd opgewekt,” zuchtte Go, toen Ru weer naar “de boerderij” was. “Je voeltje al anders, als hij de kamer maar binnenkomt.”“Dat komt, omdat hij sociaal-democraat is,” antwoordde Mary, de handschoenen naar binnen hengelend.“Dan is dat toch ’n mooie overtuiging, als ’t je zoo levens-tevreden maakt.”“Ach, dat doet natuurlijk ieder wezenlijk geloof.” Maar Go luisterde niet. ’t Was net, of er iets prettigs gebeuren ging, iets met Eddy, zoo opgeleefd was ze opeens, door dat gesprekje, door ’t vooruitzicht van de lezing: misschien zou hij er ook zijn,—ofschoon sociaal-democratie—’t was niets voor hem; misschien zou er gauw ’n brief komen, of hij dàcht nu aan haar; ze wist niet, wat ze verwachtte, maar haar bloed stuwde krachtig door haar verwachtende hoofd, ze vóelde, dat ’t toch zoo maar niet opeens uit kon zijn, tusschen hem en haar, en terwijl ze zich waschte en ’n héél klein beetje toilet maakte,—ze mocht niet te mooi wezen, ’t zou iets van gelijkheid zijn, dacht ze,—zong ze aldoor die bemoedigende spreuk voor zich heen, die uit ’n droge kolom van het middelnederlandsch woordenboek haar plots toegegeurd had en die haar nu zóó sterkte:»Dat nemmer man en was so wilde,Een vrouw diene met smeekene hilde.”Ze zoù ’m houden, al trachtte alles hem van haar af te trekken; door haar liefde alleen.Ze liepen samen terug door de stille straten, beide warm van opwinding, gedragen op hun bewondering, hun extase over dien avond.“Nog nooit heb ik zoo iets gehoord,” zuchtte Go, “en ’k had ’t heelemaal niet gedacht, toen zepas opkwam. Niet eens sympathiek, vond ik, en geen mooie stem....”“Er is niets heerlijker, dan mee te gaan, op te gaan in haar geestdrift en bezieling. Ze electriseert de menschen eenvoudig, en níet door stijl-effecten, niet door woorden-klinkklank, maar alleen door haar overtuiging, en haar passie om anderen te overtuigen.”“O, Ru, ik ben zoo blij, dat je me meegenomen hebt. Ik weet er heelemaal niets van, van socialisme of anarchisme of al die dingen; maar ’t is net, of ik nu weer harder m’n best zal doen om goed te zijn.”“Ja, die opwekking geeft ze zeker ieder: ’n behoefte eerlijk en zuiver te zijn, in alles, ook in je intiemste gedachten; ’n behoefte te werken, nooit bij de pakken neer te zitten.”“Laten we nog ’n endje omloopen, de avond is zoo heerlijk, en ik voel zoo’n kracht; ik zou toch niet kunnen slapen.”“Als we nu maar ’s dadelijk met wat moeilijks beginnen konden, hè, ’n groote opoffering, ’n heldendaad. Maar ’t lastige is ’t vuur brandend te houden in ’t gewone doen van alle dag, ook als we onder kleine en groote zonden leven.”“Maar ’t helpt toch zeker, zoo’n avond, en de beloften, die je jezelf dan doet.”“’n Mooi gevoel is niet verloren,” zei Ru, maar Go keek strak voor zich uit. Ze waren nu op de Stille Rijn en van de brug zag ze twee menschen komen, ’n jonge man en ’n meisje, die dicht bij een lantaarn, tegen elkaar geleund, bleven staan. Zij, die in ’t donker liepen, zagen hen hel belicht; Go onderscheidde ’t grijze hoedje op ’n bos ros-blond haar, het beige manteltje,waarom ’n zwarte arm lag. De man was lang en slank, hij droeg ’n slappen hoed; zwart haar.... o, God, en z’n gezicht was bleek, maar z’n oogen straalden.... Hij keek in ’t gezicht daar beneden hem, en boog zich, en z’n hand was op haar schouder; maar toen ze de voetstappen hoorden, liepen ze door langs den donkeren waterkant, en z’n stap, even sleepend, klonk door haar hakgekletter heen....“Scheelt er wat aan, Go?”“Nee. Wat koud.” Haar lippen weigerden bijna, maar Ru scheen ’t niet te merken.“Laten we dan gauw naar huis toe gaan. Je ziet zoo vreeselijk bleek.”“Ja. ’t Is ook mistig, kijk.” En ze staarde over het water, waar de booten met hun roode lichtjes lagen, en terug naar de donkere, stille gracht, waar ze nu samen zouden zijn.“Ik begrijp niet,” begon Ru weer over de lezing, “dat er niet veel studenten waren vanavond. Natuurlijk wel de partij-leden, maar dit was toch iets, dat iedereen goed zou hebben gedaan.”“Och, ze hebben zooveel andere dingen.” Ze liep steeds sneller om maar thuis te zijn.“Maar nergens leeren ze ’n historischen kijk op de wereld krijgen.... Als je die kerels soms hoort beweren—” Nu was hij op z’n stokpaardje, praatte door tot bij de deur, waar hij weer verschrikt zei: “God, Go, je hébt toch niets? je ziet er zoo ellendig uit; kan ’k niets voor je doen; iets halen?”“’t Is alleen de kou....” En ze klappertandde. “Nacht Ru! Ik dank je wel.”Ze knikte nog even op de stoep; sloot toen langzaamde deur en deed er den grendel en de knippen op. Iedereen was al naar bed, en met de kleine olielamp ging ze langzaam, tastend, de trap op, naar Frieda’s kamer, waar nog wat kachelwarmte en theegeur hing. Ze zette de lamp neer, en wist opeens niet meer. Onderweg had ze hevig naar ’t oogenblik van alleen-zijn verlangd. Nu stond ze als te wachten. Er was iets ergs gebeurd; er was iets gescheurd van binnen; maar wat moest ze nu hier alleen in die kamer? Ze had nog geen pijn; ’t was te scherp geweest. Ze wou even zich herinneren, hoe ’t maar weer precies was gebeurd: ze liep naast Ru, en was moedig, en had honderd groote en dappere plannen in haar hoofd; toen kwamen er twee de brug af, en ze vermoedde zonder woorden; ze voorvoelde; ’t was als het bewustzijn van één, die vallen gaat, diep, dood;... ze had gekeken, strak, naar één punt, en het was duidelijker geworden;—háár Eddy was even tusschen het dreigende beeld komen schuiven, hij, met z’n belovende oogen, z’n streelende lach; toen was hij er mee samen gevallen: z’n lach naar ’n ander, de belofte aan ’n ander....Nu waren de tranen er, opeens in ’n stroom over haar strakke gezicht; ze stond met haar hoofd tegen den muur als om zich op te houden, en trillend over haar heele lichaam, fluisterde ze: “Hoe kòn-je, hoe kòn-je! O, Eddy, wat bén-je slecht. Ik had het nooit gedacht....” En als ze even stil was geweest, barstte dadelijk haar snikken weer heviger uit, tot ze uitgeput op de canapé viel en daar onbeweeglijk bleef zitten, in de donkere kamer starend, waar alleen ’t olielichtje ’n spokig schijnsel door wierp.Zoo was dus het leven; en dít de liefde, waar ze zoo naar had verlangd. Zoo waren de menschen, die ze had vertrouwd; hij, hij, de aller-liefste, deed zulke dingen. En dat hoorde zoo. De ouderen wisten het; er veranderde niets om op de wereld; zooals Rolands gewoon in hun clubje was teruggekomen, zoo zou hij de volgende keer weer één der hunnen zijn, met z’n zingende stem, met z’n lieve manieren. Niemand zou iets van ’t gebeurde aan hem kunnen zien;....deden ze dan misschien allemaal zoo: Hoefman en Otto en Han—en Gerard ook? Wien kon ze nú vertrouwen, nadat ze hem zoo gezien had!O, ze had er wel eens over hooren praten en er van gelezen, van het leven van jongelui, en dat ’t zoo anders was meestal, dan ’t scheen aan den buitenkant, en ze had niet gedacht, dat de menschen, die zoo oordeelden, logen of zich vergisten, maar wèl: dat ze over ’n ander soort jongens praatten, dan zíj kende. Háár vrienden had ze altijd geheel als zichzelf vertrouwd, en toen Eddy dien middag in het laantje had gezegd: “Ja, zoo zijn we, wij, studenten; zoo zijn we haast allemaal”, had ze wél de pijn gevoeld, dat hij ook wel ’s iets kwaads gedaan zou hebben, ’s lief gedaan tegen ’n meisje; maar nú toch zeker nooit meer, nu hij háár kende. En ze had zich ook niet voor kunnen stellen, dat hij ooit erg intiem met zoo iemand kon zijn geweest;—misschien ’s tegen ’r gelachen,—dat was al erg genoeg, z’n mooie lach;—misschien ’s een endje met haar opgeloopen, maar hoe kon hij, de ontwikkelde, beschaafde, over-verfijnde, voor wien zij zich vaak te grof en te onwetend had gevoeld, wezenlijk behagen vinden in ’n burgerlijk, onbeschaafdschepsel, zoo een, die Leidsch dialect sprak, met ’t leelijke zangetje, en niets had gelezen; die bovendien niet wezenlijk van ’m houden kon.En tòch, ze had het gezien, het wàs zoo: hij gáf haar zijn liefkoozingen, hij verdiepte zich in haar wezen. O, nu begon ze te begrijpen de tragedie van vrouwenliefde in zooveel boeken, die altijd zooveel roerender dan mannen-désillusies was. Nu begon ze iets te voelen van de wanverhoudingen tusschen het meisje, dat wacht en hoopt, om zich geheel aan den man, dien ze liefheeft, te kunnen wijden, en den man, die minnarijen zoekt, die hem direct voordeel en bevrediging geven, zonder al de zorgen en ’t bindende van ’n huwelijk met ’n vrouw van dezelfde ontwikkeling, die hooger eischen stelt. En als hij dan eindelijk toch naar ’n eigen huis, ’n familie verlangen gaat, met hoe verschillende idealen, met hoe ongelijke verwachting, gaan de twee dan het nieuwe leven in: het meisje, dat al, wat ze bezat, heeft bewaard en vermooid, ’t hem nu bevend wil geven; hij, al moe, en gedésillusioneerd, met herinneringen, die schrijnen en bezoedelen, vaak met ’n ontveinsd dédain.Dát stond de vriendschappelijke verhouding tusschen jongens en meisjes in den weg; niet, dat ze vaak dronken waren in de eerste plaats, maar ’t feit, dat andere vrouwen op ’n andere manier in hun leven gedrongen waren, en ze daarom geen achting, geen zuiver, hartelijk gevoel meer konden voelen voor eenig meisje, want hun gedachten waren vol van wat laag en afschuwelijk was.O, wat wás de wereld leelijk, en wat deed ’t weten ’n pijn. ’t Was net, of ze haar heele leven geslapen had, en nu opeens, wakker geschrikt,de onwaarheid van haar mooie droomen besefte; ’t was, of ze al lang in ’n modderpoel was rondgegaan, en nu pas zàg, waar ze was verdwaald.Het zien van Rolands had haar niet diep getroffen. Het was even pijn geweest, maar wat wist ze van z’n leven, en hoe kon ze er zich indenken, hoe z’n liefde zou zijn? Maar Eddy’s liefkoozingen had ze gevoeld in haar droomen; ze wist, hoe z’n oogen keken, wanneer hij teeder was; ze zag de zachte gebaren van z’n streelende handen, en nu dit alles, haar lang-gedroomde schat, aan ’n ander werd gegeven, als ’n nietswaardigheid; nu haar hoogste geluks-verlangen was neergestort bij den vreeselijken aanblik van het tot bespottelijk-karikatuur misvormde beeld van haar ideaal,—nu doorvoelde ze plots de diepte van ellende van ongelijke moraal van twee naar gelijkheid strevende geslachten, en duizelend van haar eigen misstanden-peilende helderheid, hield ze het hoofd in de handen, en kreunde om haar gewond, beleedigd vertrouwen.“Als je maar altijd ’t allerleelijkste van de menschen denkt, als je je maar nooit door idealisme laat verleiden, dan krijg-je ’t meeste gelijk in de wereld. De oude, wantrouwende menschen hebben gelijk, de misanthropen hebben gelijk,” prevelde ze bitter, “en wie vertrouwt en liefde geeft, zal net zoo lang gemarteld worden, tot hij wijzer geworden is. “Zoo ís de wereld eenmaal,” zeggen de ouderen altijd. Hoe heb ik ze gehaat, om hun hard en liefdeloos oordeel. Ik voelde, dat ’t niet waar kon zijn; en nu....”Ze begon in Frieda’s kamer op en neer te loopen, en bleef lang voor de bul van L. V. staan; het was ’n groot papier met ’n gewichtig-uitziend zegel opden hoek, en er stond met dikke letters gedrukt: Virginem ornatissimam Friedam Vervoort, enz.; onderaan de drie handteekeningen van het bestuur, den datum en ’t jaar in Romeinsche cijfers. Onwillekeurig trachtte ze het in gewone over te brengen, en onderwijl herinnerde ze zich, hoe het alles was begonnen, dien avond op z’n kamer, hoe ze in ’m was opgeleefd zonder eenige terughoudendheid, terwijl intusschen z’n gedachten vol leelijke dingen, o ze wist ’t nu, moesten geweest zijn. Wie weet, wat hij van haar en haar dringende openheid had gedacht; of hij niet met anderen over haar verlangen, voor állen iets te zijn, had gelachen. Hoe schaamde ze zich, dat ze zich had laten gaan, en haar mooiste gevoel misschien tot spot gemaakt. En al zei ze weer: “nee; zóó slecht kan hij niet zijn; hij was toch eerlijk tegen me, al wilde ik het niet begrijpen”,—hoe wist ze, in hoeverre ze nu nog iemand vertrouwen kon; hoe wist ze, of niet de heele wereld één afschuwelijke leugen was, waar de menschen toch maar mee doorleefden, omdat het nu eenmaal zoo gewoonte was...Toen het drie uur sloeg door de stilte, stond ze nóg voor ’t raam in de duisternis te staren. Het olielampje achter haar rug was bijna leeggebrand, en ze zei ’t zich, dat ze nu maar naar bed moest gaan. Maar de roerloosheid van de kamer, de gevoellooze rust van het heele huis, deed haar de schouders ophalen: waarom eigenlijk; wie kon ’t iets schelen, of ze hier heen en weer liep, in angst en verbijstering, of naar haar bed toe ging? Wie mérkte ’t zelfs? Iedereen sliep. En wat kwam ’t er voor haarzelf op aan, of ze hoofdpijnzou hebben morgen; wat kwamen alle dingen van alle verdere dagen er op aan?Ja, natuurlijk; ze moest examen doen; ze moest promoveeren en ’n betrekking krijgen, om voor zichzelf te kunnen zorgen; ’n ander zou ’t niet doen. Ze moest verdienen, om te kunnen leven, of eigenlijk: bestaan. Ze wist niet, waarvóór. Wist die vrouw, die toch ouder was dan zij, en die.... dienzelfden avond, maar hoe lang scheen ’t al geleden,—had gesproken van ’n toekomst, ’n omwenteling, dan niet, dat de ménschen slecht waren, en dat daar geen veranderde staat voor hielp? En ze had wel gepraat van verandering van de leugen-moraal, maar wat hielp ’t, als de mannen van aanleg ontrouw waren, de meisjes trouw? Of die misschien alleen uit noodzakelijkheid?Ze wist ’t niet meer, ze wist niets meer. Van wat, dat ze vroeger hoog en heilig had gehouden, kon ze nú nog zeker zijn, nu het hoogste van haar leven schijn was gebleken?
HoofdstukXVI.Het was een triestige kamer, ook niet erg groot. Ze keek op een kaaswinkel, waar alle soorten van dit artikel tot boven aan de ruiten opgestapeld waren, en er naast was ’n bakker; de bakkersjongens zaten in hun schaftuur bij haar binnen te gluren, en wierpen kushandjes naar de ramen.De geuren van de kaas vermengden zich met de goed-lucht van het stoffen-magazijn beneden haar; er was altijd gerij en gefiets door de smalle straat, en ’s avonds láát nog joelde het ruwe gelach naar boven van flaneerende fabrieksmeiden.Ze dacht wel ’s, dat ze niet erg gelukkig geweest was met haar keuze, al had ze Moeder nog zoo vast verzekerd, dat ze nu toch oud genoeg was en genoeg in Leiden bekend, om zélf voor haar kamer te zorgen. Afgeschrikt door haar eerste ondervindingen, toen ze in studentenhuizen was gekomen, of bij juffrouwen, die “geen dames namen,” had ze maar dadelijk toegehapt, toen deze juffrouw “er maar één hebben kon, en heer of dame was gelijk.” Maar nu ze er zat,—’t viel niet mee; ’t huishouden slonzig,—de juffrouw....ze wist niet, ’t zou ook wel komen, omdat ze dat alleen-zijn zoo akelig vond, maar ze kón zich hier nog maar niet thuis voelen. Het was zoo triestig ’s morgens wakker te worden van het lijzig-uitgehaald gezang van de oudste dochter, en dan te weten, dat de voorkamer leeg en ongezellig zou zijn, met ’t muffe luchtje, zonder zon.Het deed haar ’s middags treuzelen weer naar huis te gaan, omdat ze ’t binnenkomen van die kamer, waar ná haar niemand meer was geweest, zoo ellendig vond; en ’s avonds kon ze vaak niet werken van het luisteren naar de stilte van het huis.Ze miste Else zoo en haar opgewekte gelijkmatigheid. Nu ging ze wel dikwijls bij Lize koffiedrinken,—een ei en ’n paar appels in de mouw van haar mantel, haar broodje onder den arm,—maar die was toch zoo heel anders, al had ’t engagement met Hoefman haar zachter en rustiger gemaakt. Ze kwam ook ’s avonds wel bij andere meisjes theedrinken, nu meer opgenomen in hun midden, maar vaak had ze ook dáárin geen lust, omdat het haar toch niet bevredigde; ze wist altijd vooruit, hoe het zou gaan: de hartelijke ontvangst: “wat leuk, dat je komt, ik ben juist zoo alleen; gauw theezetten,”—dan getob met water en ’n spiritusstel, zoeken naar lucifers, veel onrust, en geen oogenblik van rustige, breede gezelligheid, zooals aan de theetafel thuis, waar ieder bezoeker dádelijk in den kring werd opgenomen. Nu ze weer de lange vacantie in haar familie was geweest en zich weer heelemaal had ingeleefd in hun vredige leven, wist ze het weer, dat al hun gehuishoud maar surrogaat was, dat ze allen gelijkelijk misten: het thuis, de familie, de moeder.En dof, verveeld, werkte ze van Maandag tot Vrijdag boven ’t gejoel van de straat, pas oplevend, wanneer ze met haar taschje naar ’t station ging, naar huis.“Laborando Vincimus” begon z’n vergaderingen pas weer ná de inauguratie van de nieuwe corpsleden, en de groentijd was nog in vollen gang: schuchtere, kaalkoppige jongens slopen, langs de huizen gedrukt, over de straat, en soms ook kwam ze ’n heele kudde tegen, opgedreven door ’n paar studenten met wandelstokken, die ze leerden hard-loopen, of marcheeren.Gerard had ze een paar maal gesproken, meer gewoon en vertrouwelijker dan vroeger, omdat hij nu ook thuis was geweest, lang met moeder had zitten praten en gestoeid met de kleintjes. Hij klaagde over Hans, die tegenwoordig zoo ongenietbaar was, nergens meer kwam, en als je hèm ging opzoeken, je binnen ’n kwartier weer buiten de deur had gezet, omdat hij nét zoo goed ín z’n werk was.“Komen jij en Lou en Coba dan tenminste ’s bij me koffiedrinken, met Han en nog een paar.—Komen jullie drie October: dan is er muziek op de Korenbeurs, en dat is toch wel vroolijk en gemoedelijk.”Ze had ’t aangenomen, en toen voor ’t eerst na de vacantie Eduard weer gesproken. Ze had ’m wel al eens gezien: ’t was geweest bij de inauguratie-rede van ’n professor van de juridische faculteit, toen hij als faculteits-praeses achter den senaat was binnen gekomen, en ze, ondanks de statigheid van de pedels met de zilveren bellen, de professoren in toga en de oude curatoren, die in de eikenhouten banken hadden gezeten als deftige patriciërs uitde zeventiende eeuw, niets zóó imponeerend had gevonden als zijn slanke figuur in den sluitenden rok, z’n fier gedragen hoofd met de dof-glanzende haarpracht, en het sterk-vaste kijken van z’n donkere oogen.Nu kwam hij Gerard’s kamer binnen, samen met De Veer, die in uitgelaten joligheid ronddanste op ’t kopergeschetter, dat van beneden opklonk. Ze trachtten Gerard over te halen om ’s avonds mee te gaan naar de kermis op Zomerzorg, maar terwijl Eduard er kalm over praatte, riep Wim de meisjes bij ’t raam, weer schaterlachend om ’n vuurrooden kerel, die het vaandel van ’n aanrukkende muziek-bende torste.“Kijk, nou gaan die óók spelen, tegen elkaar in! Toe dan jongens, mooi zoo, blaasd’rmaar op los! Wie ’t maar ’t hardste kan! Kunstmin tegen Apollo! of hoe ze heeten mogen!”En z’n heele lijf was in beweging van dol plezier om die lollige lui, die zoo parmantig achter hun groote koperen, in de zon schitterende hoorns liepen, en tegen elkaar op bliezen met bollende wangen.“Kunnen wij niet mee naar de kermis?” vroeg Go, ineens in feeststemming.Gerard schudde lachend ’t hoofd. “Ik denk eer, dat de dochters van je juffrouw er naar toe zullen gaan.”“Maar jij komt toch,” drong Wim, “Rolands gaat ook, dan zijn we met z’n vieren.”Eduard zag Go even kijken, met vragen, met angst; ze begreep niet, waarmee ze zich zouden vermaken, in ’n tuin met ’n paar kramen en.... de dochters van hun hospita’s. Maar Wim vertelde van de draaimolen, en “waarachtig kerel, je moetmee, er is ’n schiettent ook, en je kunt met halters werken.” Dit stelde haar weer gerust, al vond ze het niet prettig, dat Rolands er bij zou zijn; en ’t koffiedrinken met haring en wittebrood, dè tractatie van de juffrouw, verliep vroolijk en ongeregeld, omdat telkens een muziekkorps voorbijtrekken kwam, en allen dan jubelend naar de ramen vlogen.Maar toen ’s avonds het brallende gezang uit de smalle straat opsteeg, dat in woestheid en gillen aangroeide, naarmate ’t later werd, had Go, alleen in de kleine kamer, toch bezorgd het hoofd tegen ’t venster geleund, en starend in de duisternis met wijde oogen, vol onrust aan de jongens, aan Eddy gedacht.Ze zat weer alleen te werken, in onvrede met zichzelf, met donkere voorgevoelens van droeve dingen, die gebeuren zouden,—stemming, waar ze onder leed, sinds ze weer hier was teruggekeerd,—toen opeens Gerard binnenkwam, ’t gezicht bleek, de blauwe oogen onrustig wijd-open.“Je moet niet schrikken, Go; ik moet je iets akeligs vertellen.”“Eddy!” gilde ze, de handen uitstrekkend.“Nee, Hans,” antwoordde hij zacht, en hij zag den wilden schrik in haar oogen zich even ontspannen, maar dadelijk, angstig weer, vroeg ze:“Wat is er dan? Is hij ziek geworden?”“Hij is al twee dagen zoek. Z’n juffrouw is ’t vanmiddag bij Beerenstijn komen zeggen. Ze was eerst niet ongerust geworden, omdat-ie wel ’s meer uitbleef; maar nu twéé dagen!”“Maar kan hij niet naar huis toe zijn?”“Nee, Hoefman had gisteren nog z’n vader gesproken.”“God, denk je aan een ongeluk?”“Ik weet niet, wat ik denk, Go. Je hebt ’m niet meer gezien na de vacantie, wel?”“Nee, ’k heb ’m niet gezien. Wat moeten we doen, Gerard?”“Ik wilde nu naar z’n kamer gaan, en daar ’s alles doorzoeken. Misschien vind ik iets, dat opheldert.”“Ik ga mee, ’k ben klaar.” En ze draaide de studeerlamp uit, stond even onzeker in ’t duister: was dit de reden van haar onrust van de laatste weken, was dit ’t vreeselijke, dat gebeuren moest?“Maar ik geloof ’t toch niet, jij wel?” begon ze buiten, weer met ’n hoopvoller stem, “hij was altijd zoo opgewekt, hè? God, ’t is toch pas twee dagen.... hij kan ergens bij familie zijn.”“Ik weet ’t niet.... O, vroeger deed ie ’t wel eens meer. Ik heb ’n jaar met ’m samen gewoond; dan zat hij soms eerst ’n beetje stil in ’n hoek,—mopperen of klagen deed hij nooit,—en dan opeens liep hij naar de deur, waar ’n groot treinenplan hing; hij keek op z’n horloge, ging na, waarheen hij ’t eerste weg kon, en dan met ’n eenvoudig: “Dag kerel. Ik moet er uit,” trok hij er van door, kwam na ’n paar dagen dood-op, maar veel opgewekter weer aanzetten.”“O, maar natuurlijk; dat doet hij nu ook. En omdat hij alleen was, heeft hij ’t niemand kunnen zeggen.”“Mij leek ’t meer de onrust van ’n eerstejaars;.... later deed hij ’t niet meer, ofschoon hij altijd aanvallen hield, dat “’t ’m te benauwd werd”, zooals hij ’t noemde, maar dan ging-die ’neind roeien of fietsen, of naar ’n mooi concert;—dat hielp ook altijd wel.”Ze waren nu aan z’n huis gekomen en zagen licht op z’n kamer. “Zou hij?” hoopte Go, maar de juffrouw vertelde huilerig, dat meneer Beerenstijn boven was; wat zij er toch van dachten, “zoo’n dierbare meneer.”Ze ging met hen mee de trap op, steeds klagelijk pratend, dat hij de laatste maanden toch ook zoo schrikkelijk veel gewerkt had, altijd in de boeken, en nooit er ’s uit, de heele vacantie door op z’n kamer gezeten, en ’s avonds, als ’r man en zij naar bed gingen, vast nog ’t licht op, en als ze ’s ochtends beneden kwam, meneer dikwijls nóg voor z’n schrijftafel met ’n kop koffie en ’n bleek gezicht, waar je akelig van werd.Otto groette verstrooid; hij zat voor de tafel met z’n hand in z’n haar. “Er liggen dagboeken,” zei hij, “maar je begrijpt, dat ik daar nog niet in kijken wil; verder niets dan cahiers met aanteekeningen, van wat hij den laatsten tijd gelezen had;.... kijk maar ’s even.”Stapels boeken lagen naast en op de schrijftafel; Gerard las langs de ruggen, schudde somber het hoofd: “Wat ’n zware kost allemaal, en hoe on-systematisch alles door elkaar. Wat denk-jij, Otto?”Beerenstijn keek naar Go; ze liep door de kamer alle dingen op te nemen, als wilde ze van hen het geheim van hun bezitter te weten komen; ze staarde naar de gravures, naar de piano, naar z’n klok; en toen draaide ze zich opeens om naar Gerard: “Hebben jullie eigenlijk al ’s op z’n slaapkamer gekeken?”“Nee; waarom zouën we?” maar ze gingentoch; ze hoorde de sleutels van de kasten knarsen, en Beerenstijn’s stem, die zei: “’t Is dwaasheid, hij zal zich hier waarachtig niet verstoppen;... maar och, ’t kan toch nooit kwaad, en we weten niets anders meer.”“Was hij nog bij iemand geweest?”“Het laatste bij Frieda, geloof ik. Dat is ’n week geleden. Hij was er maar even, om ’n boek terug te brengen.”“Wat zouën we nu doen? Weet niemand van ’t corps iets?”“Neerwinden is bij al z’n intiemere vrienden geweest.”Go luisterde naar de juffrouw. “Hij was ’s ’n nacht om drie uur met z’n fiets uitgegaan, en om zeven vreeselijk bemodderd teruggekomen. Toen had-ie aldoor gefietst. Hij zei, dat ’t dan zoo mooi was buiten.”—“We moeten ’t nu aangeven,” zei Beerenstijn. “’t Is wel beroerd en mal, als er niets is, maar langer afwachten...”“We konden ook zelf gaan zoeken.”“Dat kunnen we tóch doen, vannacht.”“Toe, neem mij mee,” vroeg Go beverig.“Nee; Gerard gaat naar ’t politiebureau, en ik breng je thuis. ’t Zou geen zín hebben, en ons hinderen, als jíj er bij was.” En hij praatte nog even zachtjes met de juffrouw in de gang, sprak af met Leeden, dat ze elkaar bij Neerwinden zouden vinden.“Maar je dénkt toch niet?” smeekte Go, in ’n wanhopig verlangen gerust gesteld te worden. “Hij hield toch zoo van al het mooie in ’t leven. Ik weet nog, dat we ’s samen over ’t Rapenburg liepen, en dat hij zei: dat je toch wel een ingeroest-ondankbare,onverbeterlijke pessimist moest zijn, als je, wanneer je ’t Rapenburg in de herfstzon zag liggen, iets anders voelen kon dan ’n diepe, blije dankbaarheid, dat je leefde.”Beerenstijn haalde de schouders op. “We wéten op ’t oogenblik niets, en ’t is nutteloos ons in supposities te verdiepen. ’t Eenige, dat we kunnen doen, is handelen en afwachten. En ’t zou heel dwaas zijn, ons al vooruit náár te maken,” en hij wierp ’n afkeurenden blik naar Go’s betraande oogen.“Waar gaan jullie heen?” vroeg ze zacht.“Ik weet niet, ieder ’n andere richting, hier in den omtrek.”“Neem Bruno mee. Misschien weet die den weg.”“We zullen ’t Eduard voorstellen; dan moet hij iets van ’m ruiken, eerst, handschoenen of zoo... Maar ik weet niet, of setters...”“We zijn ’m ’s ’s avonds langs de Haarlemmertrekvaart tegengekomen;—hij liep alleen, en toen kéék hij wel somber.”“Ja, ja, we zullen wezenlijk alle kanten uit zoeken;—kom even mee!” en hij ging ’n apotheek in, bestelde Hoffmandruppels: “Dat moet je innemen, zoodra je thuis bent, en dan naar bed gaan; opblijven dient nergens toe.”Ze knikte onverschillig, praatte weer: “Op die picnic was hij toch ook zoo vroolijk, zeg, wel onrustig opeens, toen ik vroeg, wat hij wilde worden. Weet je nog wel, hoe hij toen doorsloeg, en hoe vreemd z’n oogen stonden?”“Nee, ik heb er niets van gemerkt. Ga nu in godsnaam niet fantazeeren. Je slaat ’n mal figuur, als hij morgen weer terug komt.”“O, dus je denkt toch ook....”“Ik weet niet. Ga naar bed. Er is niets van te zeggen. Is de winkel nog open? Zoo. Dag Go. Morgen hoor-je verder.”Ze stak maar geen licht aan, en ging stil op de sofa in den hoek zitten. Het fleschje stond naast haar, en ze besloot te wachten, tot de jongens terug waren van hun onderzoekingstocht. Slapen kon ze nu toch niet en als ze in bed lag, zou ze telkens denken, dat ze hun stemmen in de straat hoorde en geen oogenblik rust hebben.Hans! Hansje! Het kòn toch niet. Dat lieve, fijne gezicht, en die opgewekte klank in z’n stem, en z’n lachen. En z’n hartelijke eenvoud! Hij kòn het niet hebben gedaan. Maar natuurlijk zou hij wél een ongeluk gekregen kunnen hebben, ergens buiten, waar niemand langs kwam, of in ’t water zijn gevallen;—maar ’t hoefde toch heelemaal niet zoo iets ergs te zijn; hij kon er gewoon weer eens uit zijn getrokken. Toch was ’t iets vreemds, die onrust, vooral bij iemand die zich altijd zoo kalm voordeed. Eigenlijk was hij wel erg gesloten, ofschoon hij niet den indruk maakte iets te verbergen. Er was altijd ’n sluier van opgewekte gelijkmatigheid over z’n dieper leven heen;—God, àls hij daaronder eens erg geleden had, en geworsteld met zichzelf en nù ondergelegen. Er wàs iets onder zijn woorden, achter z’n lach; dat lag soms éven in z’n oogen, als ’n onrust; dat gleed soms over z’n gezicht, als ’n schaduw. Als z’n heele leven eens één strijd was geweest tegen ’n groeiende melancholie, als hij ’s vergeefs overal had gezocht naar een waarheid, die hem bevredigen kon.Ze begreep niet, dat ze dit alles niet vroeger had ingezien; het was eigenlijk zoo duidelijk. Allekleinigheden, die ze zich van z’n leven herinnerde: z’n bleekheid op Eduard’s examen, toen hij den zonsopgang had gezien: z’n uitgelatenheid en dán weer z’n stil-zijn op de picnic, en ’t nooit éven willen bekennen, dat hij triestig of ziek was, alles wees op ’n verwoeden strijd met ’n donkere macht, die ondanks ’t verzet sterker in hem werd.—En tòch:—het zou bijna bovenmenschelijk zijn, als die levens-onwil zoo groot was geweest, dat hij er nooit iemand over had gesproken, ja, juist degene geweest was, die de anderen altijd opwekte en aanzette. Was het niet tè romantisch te denken aan ’n zóó moedig volgehouden comedie tot ’t einde toe;... maar de laatste weken had hij niemand meer willen ontvangen. Wellicht was tóen z’n kracht op geweest; hij had gezocht en gelezen, geen uitkomst meer gezien...Go rilde. Ze maakte haar haar wat los, en leunde ’t kloppend hoofd tegen den harden muur.Wat er toch niet allemaal in je omgaan moest, vóór je zoo’n besluit nàm. En als ’t eenmaal vast-stond, hoe vreemd ’t dan zijn zou te denken, bij elk banaal kleinigheidje, dat je deedt: voor ’t laatst, voor ’t laatst.... Als je je liet scheren,... als je ging eten.... En dan ’t afscheid van je kamer, die je nooit meer zou zien; en ’t denken aan al de menschen, die veel van je houden; en dan tòch gaan, en ergens, waar ’t heel stil is, gaan zitten en je heele leven, àlles nog ’s overzien—en dàn—Ze sprong op en liep de kamer op en neer: het kòn niet, het kòn niet; ze mócht zoo niet denken. Ze wist immers nog niets. De jongens waren niet terug;... misschien was hij wel naarAmerika gegaan;... de wereld was zoo groot; hij hàd de trek-lust, den zwerversgeest.—-Ze werkte het idee verder uit, ofschoon ze het zelf niet geloofde. Ze liep heen en weer en ging weer zitten, terwijl uur na uur langzaam in wachten verging. Soms doezelde ze even in, steeds haar bewustzijn bewarend, dan schrikte ze weer op, schoof de ramen open, en keek gespannen door de nacht-onbeweeglijke straat. Alleen bij den bakker was licht op, en eens kwam ’n troepje luid-pratende studenten voorbij.Toen ’t dag begon te worden, maakte ze haar haar weer op, en waschte haar wit gezicht en haar beverige handen. Het huis sliep nog, maar bakkerskarren en melkwagens begonnen in de verte toch al te rijden, en fabrieksmeiden trokken in risten naar haar werk, op trijpen pantoffels, de handen onder de uitstaande schorten.Opeens hoorde ze stemmen onder haar raam. “Natuurlijk slaapt ze nog.”“Nee, haar raam staat open.”Ze gleed de trap af, strompelde den winkel door, waar de japonnen en jassen spokig achter de neergelaten gordijnen huigen. Gerard en Beerenstijn kwamen zwijgend binnen; instinctmatig deed ze de deur weer op het nachtslot, klom ze toen na, naar de kamer. Beerenstijn schonk haar ’n glas water in, maar ze weerde ’m af: “Is-tie gevonden?”“Ja, bij Leiderdorp,” zei Gerard zacht.“Verdronken?”“Nee, ’n schot.”’t Was, of ze onder water zakte, haar ooren liepen vol; Beerenstijn zei iets, dat ze niet verstond, en de kamer was in ’n nevel. Toen hoordeze z’n stem, steeds duidelijker, vlak aan haar oor:“Niet flauw vallen. Niet flauw vallen. Hier, drink eens.” Hij zette het glas tusschen haar klapperende tanden.“Het is niets,” zei ze, terwijl ze op de canapé ging zitten. “Is ’t zeker?”“Ja, er is ’n groot couvert in z’n zak gevonden aan mij geadresseerd.”“O; wié heeft ’m gevonden?” Ze verbaasde zich over haar helderheid opeens.“Ik weet niet; er is getelefoneerd aan het politiebureau. We gaan straks nog ’s hooren.”Beerenstijn had in een hoek van de kamer iets in ’n glas water gemengd. “Dit moet je eerst opdrinken,” zei hij, zacht-beslist, “en dan naar bed gaan.”“Weten de anderen ’t al?” vroeg ze, zonder belangstelling.“Nee, daar gaan we nu heen. Zul-je nu naar bed gaan? Er is niets meer, waarop je hoeft te wachten.”“Nee, dat is waar,” zei ze slap, de deur openend.Op ’t portaal stond de juffrouw, de oogen wijd van verbazing; maar ’t drong niet tot Go door. Ze gaf Otto en Gerard machinaal ’n hand.“Ga nu dadelijk naar je slaapkamer,” beval Beerenstijn, en ze knikte, wankelde weg, dof, gevoelloos; terwijl ze de jongens zacht de trap af hoorde gaan.Ze kwamen ’s middags,—een, twee tegelijk,—langzamerhand allemaal naar haar kamer toe. Eerst Lou en Coba, die ’t op college hadden gehoord, bleek, geschrikt, met behuilde oogen. Toen Hoefman en Lize, en De Veer, en Rolands;Frieda ’t laatst, die zich kalm hield, ofschoon ze er afgetobd en gebroken uitzag. Han en Beerenstijn waren naar Den Haag, om ’t aan z’n vader te gaan zeggen, “beroerde geschiedenis,” bromde De Veer, “ze lagen zoo’n beetje overhoop met elkaar,” en Eduard was met Gerard naar den burgemeester van Leiderdorp om de brieven af te halen, en de begrafenis te regelen.Ze zaten stil om de tafel, als ’n troep bedroefde kinderen; praten deden ze bijna niet; ze hadden alleen maar behoefte allemaal bij elkaar te zijn. Go had getracht thee te zetten, had gerommeld in de kast, alles omver gehaald. Maar opeens viel ze neer met ’n snik; ze kòn niet; ze kòn haar hoofd niet bij elkaar houden om ’t klaar te krijgen; en ze was blijven liggen, met haar gezicht tegen ’t gordijn, uitgeput, verslagen.... Ze begreep ’t nog niet; ze had nooit iemand verloren, die ze goed kende; ze had geen ideewat het:“nooit weer”eigenlijk beteekende. Ze betrapte er zich op, dat ze telkens even dacht: waar blijft Hans? of z’n stem meende te hooren in den winkel beneden; hij ontbrak immers nóóit op ’n vergadering....Rolands zat op de canapé, ineengedoken als ’n klein, ziek poesje; z’n triestig gezichtje drukte angstige verbazing en schrik uit, en hij schudde telkens z’n hoofd, zuchtend: “Hans Elders—De beste van ons allemaal. De flinkste. De sterkste.” En dan opeens als ’n besluit: “Maar als die niet eens kon blijven leven, hoe moeten wij ’t dan uithouden, die zooveel minder zijn?”“Frits,” zei Coba met nadruk, “het is dwaasheid, wat je zegt.” Maar Frieda keek ’m aan met ongewone zachtheid in haar donkere oogen,en zei: “Dat we beneden Hans staan, zullen we wel allemaal moeten bekennen... Z’n leven is voor ons een voorbeeld geweest. Maar al hebben we niet ’t recht hard te zijn: z’n dood was zeker ’n misslag. Daarom zou ’t wel heel verkeerd zijn, als wij, die ’m in ’t goede niet navolgden, het hierin juist wèl wilden doen... Laten we liever hopen, Rolands, dat we nog ’n heeleboel tijd overhouden om ons zelf beter te maken.”“Ik ben daarvoor niet op den goeden weg,” klaagde ’t bruintje weemoedig.“Laat dit dan ’n keerpunt in je leven zijn.”De Veer trok zich zuchtend recht op z’n stoel. Hij had ’n gezonden afkeer van alle verdriet, en wist ook bijna altijd de narigheid van zich af te zetten. Maar dit, dit diep-ellendige vlak náást z’n eigen zonnig-onbezorgde leven, had hem ’n geduchten schok gegeven, ’n vreemd gevoel van ijdelheid en vergankelijkheid, van veel schijn en geveinsheid bij alles, wat hem zoo heerlijk leek, en noch de dikke poes van de juffrouw, die binnengeslopen was, noch ’t komische kindergebler van beneden kon z’n sombere stemming breken.Om vier uur kwamen Han en Beerenstijn. Ze gingen tusschen de anderen zitten, praatten met doffe stemmen over “de oude heer, die er zoo kapot over was geweest, dat die twist niet bijgelegd was.”—“Zijn Leeden en Neerwinden er nog niet met de brieven?”“Nee.”“Er zal wel wat voor hém bij zijn. Hans zal ’t wel goed gemaakt hebben natuurlijk.”“Wist-ie niets?” vroeg Go, en begon weer te snikken, als ze zich den ouden man voorstelde,alleen in z’n huis, die opeens hoort: “uw zoon... dood.” Ze klemde krampachtig de handen voor haar gezicht.Lou gaf haar wat water, huilde zelf kinder-hard mee, terwijl ze fluisterde: “Stil nou, Gootje, je maakt je ziek.... toe, huil nou niet,” en toen zelf doorsnikte, het hoofd op haar schouder.“Jullie moeten niet alleen blijven, kom allemaal vanavond bij mij,” vroeg Han, “dan weten we, wat in de brieven staat.” En toen tegen Go: “Ik heb ’t Else geschreven;... wat zal ze schrikken; ze hield zoo van Hans.”“Dat deed iedereen,” zuchtte De Veer, overtuigd.’s Avonds waren ze weer samen: Gerard en Eduard, moe en nerveus, praatten eerst over zaken met Han en Beerenstijn, scharrelend met papieren en verklaringen. Toen kwam Otto naar Go om te vragen, of ze geslapen had;—en ze spraken er kalm-treurig over, hoe alles geregeld zou worden voor de begrafenis.“Als z’n vader er niet tegen is, wilden we ’m naar Warmond laten brengen; hij hield zoo van dat vriendelijke, begroeide kerkhof.”“Wàs er ’n brief aan z’n vader?”“Ja, we hebben ’m vanmiddag nog gebracht. Hij was er zoo blij mee.”Eduard zat naast Go; hij leunde z’n bleek hoofd op z’n handen, de oogen gesloten, en om z’n mond trokken lange, moeë strepen neer.“Was-tie dadelijk....”, vroeg ze zacht aan Gerard, “of zou hij nog pijn hebben gehad?”“Hij had direct getroffen, zeiden ze.... denkelijk vannacht om één uur.”“O, dus gisteravond nog... Als we toèn....”“Zoo moet je niet praten,” zei Beerenstijn, medisch-beslist, “’n mensch is altijd geneigd allerlei bijkomstigheden de schuld te geven: àls we ons maar meer met ’m hadden bemoeid, àls we ’m maar minder alleen hadden gelaten, àls we er maar eerder werk van hadden gemaakt. Dat is onzin. ’t Is ’n ziekte. Als we ’m er nú van terug hadden gehouden, zou hij ’t de volgende gelegenheid hebben gedaan. Misschien met ’n halfjaar voortdurende observatie was hij er over heen gekomen; maar tòch: dat verlangen naar den dood,.... zonder dat er reden voor is.... Hij hàd geen enkele reden—-”Ze bleven stil zitten luisteren, en levendiger praatte hij door, verdiept in z’n lievelingsstudie:“Een van de treffendste voorbeelden, dat ’t doodsverlangen bepaald ’n soort waanzin, ’n idée fixe is, is ’n werkman, getrouwd, met kinderen, niet ongelukkig, alleen heel nerveus, die opeens op ’n middag zich den hals afsnijdt.... Enfin, ’t mes weigerde halfweg; hij wordt opgenomen, met de uiterste zorg verpleegd, en wezenlijk: hij geneest.... Vrouw en kinderen komen ’m verheugd van ’t ziekenhuis halen; hij gaat mee naar huis, ’s avonds is hij niet te vinden, en na lang zoeken, vinden ze ’m op den zolder aan ’n balk bengelen.... opgehangen.”De Veer knikte, dat hij ’t ook wist; maar Go barstte in ’n zenuwachtig lachen uit: “Och Otto, ’t is niet waar. Praat toch niet zulken onzin.... ’t Is zoo idioot, als die menschen al hun zorg hebben besteed, maanden lang, om ’m beter te maken, en als hij dan....”“Toch is ’t waar,” besliste Beerenstijn, “en ditis de eenige oplossing van zooveel duistere gevallen....”“Maar Hans beschouwde ’t toch zelf niet als ’n ziekte-geval.”“Nee; natuurlijk niet,” en Eduard gaf Go z’n afscheidsbriefje; hij las over haar schouder mee. “Is ’t niet heelemaal Hans,” zei hij zacht, “dat ons zelf nog over z’n dood willen troosten: “Jullie moet niet denken, dat de laatste uren, als het besluit vast staat, zoo pijnlijk zijn. Wel de onzekerheid vooruit, als je niet leven kunt, en nog niet wilt sterven. Maar als je tot klaarheid bent gekomen, als ’t besloten is,dan is ’t net, of je er al niet meer bent.”En dan dit: “Je begrijpt, dat ik door deze daad geen uitspraak over het leven doe, waarvan ik zoo weinig heb kunnen begrijpen. Ik toon hier alleen mee aan, dat mijn leven hier geen plaats, geen bevrediging vinden kon. Daarom is ’t beter zoo. Waarom zou er één mee-eten, en mee-ademen en mee-streven in deze overvolle wereld, als hijzelf niet dankbaar om z’n bestaan kan zijn, en anderen ’t brood ontneemt?””“’t Is zoo logisch, hè,” peinsde Eduard, “maar er móet toch iets mankeeren aan ’n levensleer, die tot zelfvernietiging leidt. Wàt ’t hier is, weet ik niet: Hans stond moreel hoog, was ernstig, ijverig...”“Hij was de beste van ons allemaal,” zuchtte Rolands, en hij huilde, stil en nederig. Lou gaf ’m eau-de-cologne, en Coba, die van mevrouw ’n groote flesch eau-des-Carmes had meegekregen, bereidde voor ieder ’n glaasje van ’t melkige vocht, “toe, heusch, dan slapen we vannacht tenminste.”Het licht suisde. Ze zaten heelemaal stil. Eduard had verteld, dat hij ’m nog gezien had: nu schemerde voor hun oogen z’n lieve gezicht, verstijfd, de oogen dicht, den mond strak, en de wond bij de slapen.Ze zaten bang te zwijgen in de groote kamer, en voelden den angst voor den nacht, als hij daar liggen zou, alleen in ’t donker.Toen keek Go langzaam de rij langs; en dacht aan de picnic, aan den avond, toen ze gezongen hadden, één van ziel, op het balkon. Else was naar Parijs gegaan,—Hans... wie nu? Wie zou nu ’t eerste uit hun midden weggaan? Ze zóuden gaan, de een na den ander, naar verschillende steden, naar vreemde landen, in allerlei betrekkingen, hooge en lage;—alleen de studietijd bracht zóó verschillende menschen bij elkaar.Er zou ’n tijd komen, dat ze elkaar nauwelijks meer kenden; zij, eens één in vreugde; en nu vereend in ’n groote droefenis.
Het was een triestige kamer, ook niet erg groot. Ze keek op een kaaswinkel, waar alle soorten van dit artikel tot boven aan de ruiten opgestapeld waren, en er naast was ’n bakker; de bakkersjongens zaten in hun schaftuur bij haar binnen te gluren, en wierpen kushandjes naar de ramen.
De geuren van de kaas vermengden zich met de goed-lucht van het stoffen-magazijn beneden haar; er was altijd gerij en gefiets door de smalle straat, en ’s avonds láát nog joelde het ruwe gelach naar boven van flaneerende fabrieksmeiden.
Ze dacht wel ’s, dat ze niet erg gelukkig geweest was met haar keuze, al had ze Moeder nog zoo vast verzekerd, dat ze nu toch oud genoeg was en genoeg in Leiden bekend, om zélf voor haar kamer te zorgen. Afgeschrikt door haar eerste ondervindingen, toen ze in studentenhuizen was gekomen, of bij juffrouwen, die “geen dames namen,” had ze maar dadelijk toegehapt, toen deze juffrouw “er maar één hebben kon, en heer of dame was gelijk.” Maar nu ze er zat,—’t viel niet mee; ’t huishouden slonzig,—de juffrouw....ze wist niet, ’t zou ook wel komen, omdat ze dat alleen-zijn zoo akelig vond, maar ze kón zich hier nog maar niet thuis voelen. Het was zoo triestig ’s morgens wakker te worden van het lijzig-uitgehaald gezang van de oudste dochter, en dan te weten, dat de voorkamer leeg en ongezellig zou zijn, met ’t muffe luchtje, zonder zon.
Het deed haar ’s middags treuzelen weer naar huis te gaan, omdat ze ’t binnenkomen van die kamer, waar ná haar niemand meer was geweest, zoo ellendig vond; en ’s avonds kon ze vaak niet werken van het luisteren naar de stilte van het huis.
Ze miste Else zoo en haar opgewekte gelijkmatigheid. Nu ging ze wel dikwijls bij Lize koffiedrinken,—een ei en ’n paar appels in de mouw van haar mantel, haar broodje onder den arm,—maar die was toch zoo heel anders, al had ’t engagement met Hoefman haar zachter en rustiger gemaakt. Ze kwam ook ’s avonds wel bij andere meisjes theedrinken, nu meer opgenomen in hun midden, maar vaak had ze ook dáárin geen lust, omdat het haar toch niet bevredigde; ze wist altijd vooruit, hoe het zou gaan: de hartelijke ontvangst: “wat leuk, dat je komt, ik ben juist zoo alleen; gauw theezetten,”—dan getob met water en ’n spiritusstel, zoeken naar lucifers, veel onrust, en geen oogenblik van rustige, breede gezelligheid, zooals aan de theetafel thuis, waar ieder bezoeker dádelijk in den kring werd opgenomen. Nu ze weer de lange vacantie in haar familie was geweest en zich weer heelemaal had ingeleefd in hun vredige leven, wist ze het weer, dat al hun gehuishoud maar surrogaat was, dat ze allen gelijkelijk misten: het thuis, de familie, de moeder.
En dof, verveeld, werkte ze van Maandag tot Vrijdag boven ’t gejoel van de straat, pas oplevend, wanneer ze met haar taschje naar ’t station ging, naar huis.
“Laborando Vincimus” begon z’n vergaderingen pas weer ná de inauguratie van de nieuwe corpsleden, en de groentijd was nog in vollen gang: schuchtere, kaalkoppige jongens slopen, langs de huizen gedrukt, over de straat, en soms ook kwam ze ’n heele kudde tegen, opgedreven door ’n paar studenten met wandelstokken, die ze leerden hard-loopen, of marcheeren.
Gerard had ze een paar maal gesproken, meer gewoon en vertrouwelijker dan vroeger, omdat hij nu ook thuis was geweest, lang met moeder had zitten praten en gestoeid met de kleintjes. Hij klaagde over Hans, die tegenwoordig zoo ongenietbaar was, nergens meer kwam, en als je hèm ging opzoeken, je binnen ’n kwartier weer buiten de deur had gezet, omdat hij nét zoo goed ín z’n werk was.
“Komen jij en Lou en Coba dan tenminste ’s bij me koffiedrinken, met Han en nog een paar.—Komen jullie drie October: dan is er muziek op de Korenbeurs, en dat is toch wel vroolijk en gemoedelijk.”
Ze had ’t aangenomen, en toen voor ’t eerst na de vacantie Eduard weer gesproken. Ze had ’m wel al eens gezien: ’t was geweest bij de inauguratie-rede van ’n professor van de juridische faculteit, toen hij als faculteits-praeses achter den senaat was binnen gekomen, en ze, ondanks de statigheid van de pedels met de zilveren bellen, de professoren in toga en de oude curatoren, die in de eikenhouten banken hadden gezeten als deftige patriciërs uitde zeventiende eeuw, niets zóó imponeerend had gevonden als zijn slanke figuur in den sluitenden rok, z’n fier gedragen hoofd met de dof-glanzende haarpracht, en het sterk-vaste kijken van z’n donkere oogen.
Nu kwam hij Gerard’s kamer binnen, samen met De Veer, die in uitgelaten joligheid ronddanste op ’t kopergeschetter, dat van beneden opklonk. Ze trachtten Gerard over te halen om ’s avonds mee te gaan naar de kermis op Zomerzorg, maar terwijl Eduard er kalm over praatte, riep Wim de meisjes bij ’t raam, weer schaterlachend om ’n vuurrooden kerel, die het vaandel van ’n aanrukkende muziek-bende torste.
“Kijk, nou gaan die óók spelen, tegen elkaar in! Toe dan jongens, mooi zoo, blaasd’rmaar op los! Wie ’t maar ’t hardste kan! Kunstmin tegen Apollo! of hoe ze heeten mogen!”
En z’n heele lijf was in beweging van dol plezier om die lollige lui, die zoo parmantig achter hun groote koperen, in de zon schitterende hoorns liepen, en tegen elkaar op bliezen met bollende wangen.
“Kunnen wij niet mee naar de kermis?” vroeg Go, ineens in feeststemming.
Gerard schudde lachend ’t hoofd. “Ik denk eer, dat de dochters van je juffrouw er naar toe zullen gaan.”
“Maar jij komt toch,” drong Wim, “Rolands gaat ook, dan zijn we met z’n vieren.”
Eduard zag Go even kijken, met vragen, met angst; ze begreep niet, waarmee ze zich zouden vermaken, in ’n tuin met ’n paar kramen en.... de dochters van hun hospita’s. Maar Wim vertelde van de draaimolen, en “waarachtig kerel, je moetmee, er is ’n schiettent ook, en je kunt met halters werken.” Dit stelde haar weer gerust, al vond ze het niet prettig, dat Rolands er bij zou zijn; en ’t koffiedrinken met haring en wittebrood, dè tractatie van de juffrouw, verliep vroolijk en ongeregeld, omdat telkens een muziekkorps voorbijtrekken kwam, en allen dan jubelend naar de ramen vlogen.
Maar toen ’s avonds het brallende gezang uit de smalle straat opsteeg, dat in woestheid en gillen aangroeide, naarmate ’t later werd, had Go, alleen in de kleine kamer, toch bezorgd het hoofd tegen ’t venster geleund, en starend in de duisternis met wijde oogen, vol onrust aan de jongens, aan Eddy gedacht.
Ze zat weer alleen te werken, in onvrede met zichzelf, met donkere voorgevoelens van droeve dingen, die gebeuren zouden,—stemming, waar ze onder leed, sinds ze weer hier was teruggekeerd,—toen opeens Gerard binnenkwam, ’t gezicht bleek, de blauwe oogen onrustig wijd-open.
“Je moet niet schrikken, Go; ik moet je iets akeligs vertellen.”
“Eddy!” gilde ze, de handen uitstrekkend.
“Nee, Hans,” antwoordde hij zacht, en hij zag den wilden schrik in haar oogen zich even ontspannen, maar dadelijk, angstig weer, vroeg ze:“Wat is er dan? Is hij ziek geworden?”
“Hij is al twee dagen zoek. Z’n juffrouw is ’t vanmiddag bij Beerenstijn komen zeggen. Ze was eerst niet ongerust geworden, omdat-ie wel ’s meer uitbleef; maar nu twéé dagen!”
“Maar kan hij niet naar huis toe zijn?”
“Nee, Hoefman had gisteren nog z’n vader gesproken.”
“God, denk je aan een ongeluk?”
“Ik weet niet, wat ik denk, Go. Je hebt ’m niet meer gezien na de vacantie, wel?”
“Nee, ’k heb ’m niet gezien. Wat moeten we doen, Gerard?”
“Ik wilde nu naar z’n kamer gaan, en daar ’s alles doorzoeken. Misschien vind ik iets, dat opheldert.”
“Ik ga mee, ’k ben klaar.” En ze draaide de studeerlamp uit, stond even onzeker in ’t duister: was dit de reden van haar onrust van de laatste weken, was dit ’t vreeselijke, dat gebeuren moest?
“Maar ik geloof ’t toch niet, jij wel?” begon ze buiten, weer met ’n hoopvoller stem, “hij was altijd zoo opgewekt, hè? God, ’t is toch pas twee dagen.... hij kan ergens bij familie zijn.”
“Ik weet ’t niet.... O, vroeger deed ie ’t wel eens meer. Ik heb ’n jaar met ’m samen gewoond; dan zat hij soms eerst ’n beetje stil in ’n hoek,—mopperen of klagen deed hij nooit,—en dan opeens liep hij naar de deur, waar ’n groot treinenplan hing; hij keek op z’n horloge, ging na, waarheen hij ’t eerste weg kon, en dan met ’n eenvoudig: “Dag kerel. Ik moet er uit,” trok hij er van door, kwam na ’n paar dagen dood-op, maar veel opgewekter weer aanzetten.”
“O, maar natuurlijk; dat doet hij nu ook. En omdat hij alleen was, heeft hij ’t niemand kunnen zeggen.”
“Mij leek ’t meer de onrust van ’n eerstejaars;.... later deed hij ’t niet meer, ofschoon hij altijd aanvallen hield, dat “’t ’m te benauwd werd”, zooals hij ’t noemde, maar dan ging-die ’neind roeien of fietsen, of naar ’n mooi concert;—dat hielp ook altijd wel.”
Ze waren nu aan z’n huis gekomen en zagen licht op z’n kamer. “Zou hij?” hoopte Go, maar de juffrouw vertelde huilerig, dat meneer Beerenstijn boven was; wat zij er toch van dachten, “zoo’n dierbare meneer.”
Ze ging met hen mee de trap op, steeds klagelijk pratend, dat hij de laatste maanden toch ook zoo schrikkelijk veel gewerkt had, altijd in de boeken, en nooit er ’s uit, de heele vacantie door op z’n kamer gezeten, en ’s avonds, als ’r man en zij naar bed gingen, vast nog ’t licht op, en als ze ’s ochtends beneden kwam, meneer dikwijls nóg voor z’n schrijftafel met ’n kop koffie en ’n bleek gezicht, waar je akelig van werd.
Otto groette verstrooid; hij zat voor de tafel met z’n hand in z’n haar. “Er liggen dagboeken,” zei hij, “maar je begrijpt, dat ik daar nog niet in kijken wil; verder niets dan cahiers met aanteekeningen, van wat hij den laatsten tijd gelezen had;.... kijk maar ’s even.”
Stapels boeken lagen naast en op de schrijftafel; Gerard las langs de ruggen, schudde somber het hoofd: “Wat ’n zware kost allemaal, en hoe on-systematisch alles door elkaar. Wat denk-jij, Otto?”
Beerenstijn keek naar Go; ze liep door de kamer alle dingen op te nemen, als wilde ze van hen het geheim van hun bezitter te weten komen; ze staarde naar de gravures, naar de piano, naar z’n klok; en toen draaide ze zich opeens om naar Gerard: “Hebben jullie eigenlijk al ’s op z’n slaapkamer gekeken?”
“Nee; waarom zouën we?” maar ze gingentoch; ze hoorde de sleutels van de kasten knarsen, en Beerenstijn’s stem, die zei: “’t Is dwaasheid, hij zal zich hier waarachtig niet verstoppen;... maar och, ’t kan toch nooit kwaad, en we weten niets anders meer.”
“Was hij nog bij iemand geweest?”
“Het laatste bij Frieda, geloof ik. Dat is ’n week geleden. Hij was er maar even, om ’n boek terug te brengen.”
“Wat zouën we nu doen? Weet niemand van ’t corps iets?”
“Neerwinden is bij al z’n intiemere vrienden geweest.”
Go luisterde naar de juffrouw. “Hij was ’s ’n nacht om drie uur met z’n fiets uitgegaan, en om zeven vreeselijk bemodderd teruggekomen. Toen had-ie aldoor gefietst. Hij zei, dat ’t dan zoo mooi was buiten.”—
“We moeten ’t nu aangeven,” zei Beerenstijn. “’t Is wel beroerd en mal, als er niets is, maar langer afwachten...”
“We konden ook zelf gaan zoeken.”
“Dat kunnen we tóch doen, vannacht.”
“Toe, neem mij mee,” vroeg Go beverig.
“Nee; Gerard gaat naar ’t politiebureau, en ik breng je thuis. ’t Zou geen zín hebben, en ons hinderen, als jíj er bij was.” En hij praatte nog even zachtjes met de juffrouw in de gang, sprak af met Leeden, dat ze elkaar bij Neerwinden zouden vinden.
“Maar je dénkt toch niet?” smeekte Go, in ’n wanhopig verlangen gerust gesteld te worden. “Hij hield toch zoo van al het mooie in ’t leven. Ik weet nog, dat we ’s samen over ’t Rapenburg liepen, en dat hij zei: dat je toch wel een ingeroest-ondankbare,onverbeterlijke pessimist moest zijn, als je, wanneer je ’t Rapenburg in de herfstzon zag liggen, iets anders voelen kon dan ’n diepe, blije dankbaarheid, dat je leefde.”
Beerenstijn haalde de schouders op. “We wéten op ’t oogenblik niets, en ’t is nutteloos ons in supposities te verdiepen. ’t Eenige, dat we kunnen doen, is handelen en afwachten. En ’t zou heel dwaas zijn, ons al vooruit náár te maken,” en hij wierp ’n afkeurenden blik naar Go’s betraande oogen.
“Waar gaan jullie heen?” vroeg ze zacht.
“Ik weet niet, ieder ’n andere richting, hier in den omtrek.”
“Neem Bruno mee. Misschien weet die den weg.”
“We zullen ’t Eduard voorstellen; dan moet hij iets van ’m ruiken, eerst, handschoenen of zoo... Maar ik weet niet, of setters...”
“We zijn ’m ’s ’s avonds langs de Haarlemmertrekvaart tegengekomen;—hij liep alleen, en toen kéék hij wel somber.”
“Ja, ja, we zullen wezenlijk alle kanten uit zoeken;—kom even mee!” en hij ging ’n apotheek in, bestelde Hoffmandruppels: “Dat moet je innemen, zoodra je thuis bent, en dan naar bed gaan; opblijven dient nergens toe.”
Ze knikte onverschillig, praatte weer: “Op die picnic was hij toch ook zoo vroolijk, zeg, wel onrustig opeens, toen ik vroeg, wat hij wilde worden. Weet je nog wel, hoe hij toen doorsloeg, en hoe vreemd z’n oogen stonden?”
“Nee, ik heb er niets van gemerkt. Ga nu in godsnaam niet fantazeeren. Je slaat ’n mal figuur, als hij morgen weer terug komt.”
“O, dus je denkt toch ook....”
“Ik weet niet. Ga naar bed. Er is niets van te zeggen. Is de winkel nog open? Zoo. Dag Go. Morgen hoor-je verder.”
Ze stak maar geen licht aan, en ging stil op de sofa in den hoek zitten. Het fleschje stond naast haar, en ze besloot te wachten, tot de jongens terug waren van hun onderzoekingstocht. Slapen kon ze nu toch niet en als ze in bed lag, zou ze telkens denken, dat ze hun stemmen in de straat hoorde en geen oogenblik rust hebben.
Hans! Hansje! Het kòn toch niet. Dat lieve, fijne gezicht, en die opgewekte klank in z’n stem, en z’n lachen. En z’n hartelijke eenvoud! Hij kòn het niet hebben gedaan. Maar natuurlijk zou hij wél een ongeluk gekregen kunnen hebben, ergens buiten, waar niemand langs kwam, of in ’t water zijn gevallen;—maar ’t hoefde toch heelemaal niet zoo iets ergs te zijn; hij kon er gewoon weer eens uit zijn getrokken. Toch was ’t iets vreemds, die onrust, vooral bij iemand die zich altijd zoo kalm voordeed. Eigenlijk was hij wel erg gesloten, ofschoon hij niet den indruk maakte iets te verbergen. Er was altijd ’n sluier van opgewekte gelijkmatigheid over z’n dieper leven heen;—God, àls hij daaronder eens erg geleden had, en geworsteld met zichzelf en nù ondergelegen. Er wàs iets onder zijn woorden, achter z’n lach; dat lag soms éven in z’n oogen, als ’n onrust; dat gleed soms over z’n gezicht, als ’n schaduw. Als z’n heele leven eens één strijd was geweest tegen ’n groeiende melancholie, als hij ’s vergeefs overal had gezocht naar een waarheid, die hem bevredigen kon.
Ze begreep niet, dat ze dit alles niet vroeger had ingezien; het was eigenlijk zoo duidelijk. Allekleinigheden, die ze zich van z’n leven herinnerde: z’n bleekheid op Eduard’s examen, toen hij den zonsopgang had gezien: z’n uitgelatenheid en dán weer z’n stil-zijn op de picnic, en ’t nooit éven willen bekennen, dat hij triestig of ziek was, alles wees op ’n verwoeden strijd met ’n donkere macht, die ondanks ’t verzet sterker in hem werd.—En tòch:—het zou bijna bovenmenschelijk zijn, als die levens-onwil zoo groot was geweest, dat hij er nooit iemand over had gesproken, ja, juist degene geweest was, die de anderen altijd opwekte en aanzette. Was het niet tè romantisch te denken aan ’n zóó moedig volgehouden comedie tot ’t einde toe;... maar de laatste weken had hij niemand meer willen ontvangen. Wellicht was tóen z’n kracht op geweest; hij had gezocht en gelezen, geen uitkomst meer gezien...
Go rilde. Ze maakte haar haar wat los, en leunde ’t kloppend hoofd tegen den harden muur.
Wat er toch niet allemaal in je omgaan moest, vóór je zoo’n besluit nàm. En als ’t eenmaal vast-stond, hoe vreemd ’t dan zijn zou te denken, bij elk banaal kleinigheidje, dat je deedt: voor ’t laatst, voor ’t laatst.... Als je je liet scheren,... als je ging eten.... En dan ’t afscheid van je kamer, die je nooit meer zou zien; en ’t denken aan al de menschen, die veel van je houden; en dan tòch gaan, en ergens, waar ’t heel stil is, gaan zitten en je heele leven, àlles nog ’s overzien—en dàn—
Ze sprong op en liep de kamer op en neer: het kòn niet, het kòn niet; ze mócht zoo niet denken. Ze wist immers nog niets. De jongens waren niet terug;... misschien was hij wel naarAmerika gegaan;... de wereld was zoo groot; hij hàd de trek-lust, den zwerversgeest.—-
Ze werkte het idee verder uit, ofschoon ze het zelf niet geloofde. Ze liep heen en weer en ging weer zitten, terwijl uur na uur langzaam in wachten verging. Soms doezelde ze even in, steeds haar bewustzijn bewarend, dan schrikte ze weer op, schoof de ramen open, en keek gespannen door de nacht-onbeweeglijke straat. Alleen bij den bakker was licht op, en eens kwam ’n troepje luid-pratende studenten voorbij.
Toen ’t dag begon te worden, maakte ze haar haar weer op, en waschte haar wit gezicht en haar beverige handen. Het huis sliep nog, maar bakkerskarren en melkwagens begonnen in de verte toch al te rijden, en fabrieksmeiden trokken in risten naar haar werk, op trijpen pantoffels, de handen onder de uitstaande schorten.
Opeens hoorde ze stemmen onder haar raam. “Natuurlijk slaapt ze nog.”
“Nee, haar raam staat open.”
Ze gleed de trap af, strompelde den winkel door, waar de japonnen en jassen spokig achter de neergelaten gordijnen huigen. Gerard en Beerenstijn kwamen zwijgend binnen; instinctmatig deed ze de deur weer op het nachtslot, klom ze toen na, naar de kamer. Beerenstijn schonk haar ’n glas water in, maar ze weerde ’m af: “Is-tie gevonden?”
“Ja, bij Leiderdorp,” zei Gerard zacht.
“Verdronken?”
“Nee, ’n schot.”
’t Was, of ze onder water zakte, haar ooren liepen vol; Beerenstijn zei iets, dat ze niet verstond, en de kamer was in ’n nevel. Toen hoordeze z’n stem, steeds duidelijker, vlak aan haar oor:
“Niet flauw vallen. Niet flauw vallen. Hier, drink eens.” Hij zette het glas tusschen haar klapperende tanden.
“Het is niets,” zei ze, terwijl ze op de canapé ging zitten. “Is ’t zeker?”
“Ja, er is ’n groot couvert in z’n zak gevonden aan mij geadresseerd.”
“O; wié heeft ’m gevonden?” Ze verbaasde zich over haar helderheid opeens.
“Ik weet niet; er is getelefoneerd aan het politiebureau. We gaan straks nog ’s hooren.”
Beerenstijn had in een hoek van de kamer iets in ’n glas water gemengd. “Dit moet je eerst opdrinken,” zei hij, zacht-beslist, “en dan naar bed gaan.”
“Weten de anderen ’t al?” vroeg ze, zonder belangstelling.
“Nee, daar gaan we nu heen. Zul-je nu naar bed gaan? Er is niets meer, waarop je hoeft te wachten.”
“Nee, dat is waar,” zei ze slap, de deur openend.
Op ’t portaal stond de juffrouw, de oogen wijd van verbazing; maar ’t drong niet tot Go door. Ze gaf Otto en Gerard machinaal ’n hand.
“Ga nu dadelijk naar je slaapkamer,” beval Beerenstijn, en ze knikte, wankelde weg, dof, gevoelloos; terwijl ze de jongens zacht de trap af hoorde gaan.
Ze kwamen ’s middags,—een, twee tegelijk,—langzamerhand allemaal naar haar kamer toe. Eerst Lou en Coba, die ’t op college hadden gehoord, bleek, geschrikt, met behuilde oogen. Toen Hoefman en Lize, en De Veer, en Rolands;Frieda ’t laatst, die zich kalm hield, ofschoon ze er afgetobd en gebroken uitzag. Han en Beerenstijn waren naar Den Haag, om ’t aan z’n vader te gaan zeggen, “beroerde geschiedenis,” bromde De Veer, “ze lagen zoo’n beetje overhoop met elkaar,” en Eduard was met Gerard naar den burgemeester van Leiderdorp om de brieven af te halen, en de begrafenis te regelen.
Ze zaten stil om de tafel, als ’n troep bedroefde kinderen; praten deden ze bijna niet; ze hadden alleen maar behoefte allemaal bij elkaar te zijn. Go had getracht thee te zetten, had gerommeld in de kast, alles omver gehaald. Maar opeens viel ze neer met ’n snik; ze kòn niet; ze kòn haar hoofd niet bij elkaar houden om ’t klaar te krijgen; en ze was blijven liggen, met haar gezicht tegen ’t gordijn, uitgeput, verslagen.... Ze begreep ’t nog niet; ze had nooit iemand verloren, die ze goed kende; ze had geen ideewat het:“nooit weer”eigenlijk beteekende. Ze betrapte er zich op, dat ze telkens even dacht: waar blijft Hans? of z’n stem meende te hooren in den winkel beneden; hij ontbrak immers nóóit op ’n vergadering....
Rolands zat op de canapé, ineengedoken als ’n klein, ziek poesje; z’n triestig gezichtje drukte angstige verbazing en schrik uit, en hij schudde telkens z’n hoofd, zuchtend: “Hans Elders—De beste van ons allemaal. De flinkste. De sterkste.” En dan opeens als ’n besluit: “Maar als die niet eens kon blijven leven, hoe moeten wij ’t dan uithouden, die zooveel minder zijn?”
“Frits,” zei Coba met nadruk, “het is dwaasheid, wat je zegt.” Maar Frieda keek ’m aan met ongewone zachtheid in haar donkere oogen,en zei: “Dat we beneden Hans staan, zullen we wel allemaal moeten bekennen... Z’n leven is voor ons een voorbeeld geweest. Maar al hebben we niet ’t recht hard te zijn: z’n dood was zeker ’n misslag. Daarom zou ’t wel heel verkeerd zijn, als wij, die ’m in ’t goede niet navolgden, het hierin juist wèl wilden doen... Laten we liever hopen, Rolands, dat we nog ’n heeleboel tijd overhouden om ons zelf beter te maken.”
“Ik ben daarvoor niet op den goeden weg,” klaagde ’t bruintje weemoedig.
“Laat dit dan ’n keerpunt in je leven zijn.”
De Veer trok zich zuchtend recht op z’n stoel. Hij had ’n gezonden afkeer van alle verdriet, en wist ook bijna altijd de narigheid van zich af te zetten. Maar dit, dit diep-ellendige vlak náást z’n eigen zonnig-onbezorgde leven, had hem ’n geduchten schok gegeven, ’n vreemd gevoel van ijdelheid en vergankelijkheid, van veel schijn en geveinsheid bij alles, wat hem zoo heerlijk leek, en noch de dikke poes van de juffrouw, die binnengeslopen was, noch ’t komische kindergebler van beneden kon z’n sombere stemming breken.
Om vier uur kwamen Han en Beerenstijn. Ze gingen tusschen de anderen zitten, praatten met doffe stemmen over “de oude heer, die er zoo kapot over was geweest, dat die twist niet bijgelegd was.”—
“Zijn Leeden en Neerwinden er nog niet met de brieven?”
“Nee.”
“Er zal wel wat voor hém bij zijn. Hans zal ’t wel goed gemaakt hebben natuurlijk.”
“Wist-ie niets?” vroeg Go, en begon weer te snikken, als ze zich den ouden man voorstelde,alleen in z’n huis, die opeens hoort: “uw zoon... dood.” Ze klemde krampachtig de handen voor haar gezicht.
Lou gaf haar wat water, huilde zelf kinder-hard mee, terwijl ze fluisterde: “Stil nou, Gootje, je maakt je ziek.... toe, huil nou niet,” en toen zelf doorsnikte, het hoofd op haar schouder.
“Jullie moeten niet alleen blijven, kom allemaal vanavond bij mij,” vroeg Han, “dan weten we, wat in de brieven staat.” En toen tegen Go: “Ik heb ’t Else geschreven;... wat zal ze schrikken; ze hield zoo van Hans.”
“Dat deed iedereen,” zuchtte De Veer, overtuigd.
’s Avonds waren ze weer samen: Gerard en Eduard, moe en nerveus, praatten eerst over zaken met Han en Beerenstijn, scharrelend met papieren en verklaringen. Toen kwam Otto naar Go om te vragen, of ze geslapen had;—en ze spraken er kalm-treurig over, hoe alles geregeld zou worden voor de begrafenis.
“Als z’n vader er niet tegen is, wilden we ’m naar Warmond laten brengen; hij hield zoo van dat vriendelijke, begroeide kerkhof.”
“Wàs er ’n brief aan z’n vader?”
“Ja, we hebben ’m vanmiddag nog gebracht. Hij was er zoo blij mee.”
Eduard zat naast Go; hij leunde z’n bleek hoofd op z’n handen, de oogen gesloten, en om z’n mond trokken lange, moeë strepen neer.
“Was-tie dadelijk....”, vroeg ze zacht aan Gerard, “of zou hij nog pijn hebben gehad?”
“Hij had direct getroffen, zeiden ze.... denkelijk vannacht om één uur.”
“O, dus gisteravond nog... Als we toèn....”
“Zoo moet je niet praten,” zei Beerenstijn, medisch-beslist, “’n mensch is altijd geneigd allerlei bijkomstigheden de schuld te geven: àls we ons maar meer met ’m hadden bemoeid, àls we ’m maar minder alleen hadden gelaten, àls we er maar eerder werk van hadden gemaakt. Dat is onzin. ’t Is ’n ziekte. Als we ’m er nú van terug hadden gehouden, zou hij ’t de volgende gelegenheid hebben gedaan. Misschien met ’n halfjaar voortdurende observatie was hij er over heen gekomen; maar tòch: dat verlangen naar den dood,.... zonder dat er reden voor is.... Hij hàd geen enkele reden—-”
Ze bleven stil zitten luisteren, en levendiger praatte hij door, verdiept in z’n lievelingsstudie:
“Een van de treffendste voorbeelden, dat ’t doodsverlangen bepaald ’n soort waanzin, ’n idée fixe is, is ’n werkman, getrouwd, met kinderen, niet ongelukkig, alleen heel nerveus, die opeens op ’n middag zich den hals afsnijdt.... Enfin, ’t mes weigerde halfweg; hij wordt opgenomen, met de uiterste zorg verpleegd, en wezenlijk: hij geneest.... Vrouw en kinderen komen ’m verheugd van ’t ziekenhuis halen; hij gaat mee naar huis, ’s avonds is hij niet te vinden, en na lang zoeken, vinden ze ’m op den zolder aan ’n balk bengelen.... opgehangen.”
De Veer knikte, dat hij ’t ook wist; maar Go barstte in ’n zenuwachtig lachen uit: “Och Otto, ’t is niet waar. Praat toch niet zulken onzin.... ’t Is zoo idioot, als die menschen al hun zorg hebben besteed, maanden lang, om ’m beter te maken, en als hij dan....”
“Toch is ’t waar,” besliste Beerenstijn, “en ditis de eenige oplossing van zooveel duistere gevallen....”
“Maar Hans beschouwde ’t toch zelf niet als ’n ziekte-geval.”
“Nee; natuurlijk niet,” en Eduard gaf Go z’n afscheidsbriefje; hij las over haar schouder mee. “Is ’t niet heelemaal Hans,” zei hij zacht, “dat ons zelf nog over z’n dood willen troosten: “Jullie moet niet denken, dat de laatste uren, als het besluit vast staat, zoo pijnlijk zijn. Wel de onzekerheid vooruit, als je niet leven kunt, en nog niet wilt sterven. Maar als je tot klaarheid bent gekomen, als ’t besloten is,dan is ’t net, of je er al niet meer bent.”
En dan dit: “Je begrijpt, dat ik door deze daad geen uitspraak over het leven doe, waarvan ik zoo weinig heb kunnen begrijpen. Ik toon hier alleen mee aan, dat mijn leven hier geen plaats, geen bevrediging vinden kon. Daarom is ’t beter zoo. Waarom zou er één mee-eten, en mee-ademen en mee-streven in deze overvolle wereld, als hijzelf niet dankbaar om z’n bestaan kan zijn, en anderen ’t brood ontneemt?””
“’t Is zoo logisch, hè,” peinsde Eduard, “maar er móet toch iets mankeeren aan ’n levensleer, die tot zelfvernietiging leidt. Wàt ’t hier is, weet ik niet: Hans stond moreel hoog, was ernstig, ijverig...”
“Hij was de beste van ons allemaal,” zuchtte Rolands, en hij huilde, stil en nederig. Lou gaf ’m eau-de-cologne, en Coba, die van mevrouw ’n groote flesch eau-des-Carmes had meegekregen, bereidde voor ieder ’n glaasje van ’t melkige vocht, “toe, heusch, dan slapen we vannacht tenminste.”
Het licht suisde. Ze zaten heelemaal stil. Eduard had verteld, dat hij ’m nog gezien had: nu schemerde voor hun oogen z’n lieve gezicht, verstijfd, de oogen dicht, den mond strak, en de wond bij de slapen.
Ze zaten bang te zwijgen in de groote kamer, en voelden den angst voor den nacht, als hij daar liggen zou, alleen in ’t donker.
Toen keek Go langzaam de rij langs; en dacht aan de picnic, aan den avond, toen ze gezongen hadden, één van ziel, op het balkon. Else was naar Parijs gegaan,—Hans... wie nu? Wie zou nu ’t eerste uit hun midden weggaan? Ze zóuden gaan, de een na den ander, naar verschillende steden, naar vreemde landen, in allerlei betrekkingen, hooge en lage;—alleen de studietijd bracht zóó verschillende menschen bij elkaar.
Er zou ’n tijd komen, dat ze elkaar nauwelijks meer kenden; zij, eens één in vreugde; en nu vereend in ’n groote droefenis.
Hoofdstuk XVII.De eerstvolgende dagen was Go bijna nooit thuis; dadelijk na college en ’s avonds weer ging ze met Frieda Gerard, Han en Beerenstijn helpen, die Hans’ vader beloofd hadden, alles te zullen regelen en in orde brengen. Er was ’n huiselijk testamentje gevonden, dat ze met toewijding uitvoerden; kleeren en boeken moesten in groote kisten worden verpakt, rekeningen gesorteerd en aangezuiverd, brieven en dagboeken verbrand;—ze werkten te zamen uur na uur op de stille kamer, waar iets kils bleef hangen, ondanks de lustige zon; soms even onderbroken door iemand, die kamers zocht en boven kwam, aangetrokken door ’t houten bordje, dat tegen ’t raamkozijn kletterde. “Cubicula locanda;” het klonk zoo koud; of de vorige bewoner ruzie met de juffrouw heeft gehad, of gepromoveerd is of gesjeesd, of om geldverlies z’n studie heeft moeten staken, of zelf ’n einde aan alles maakte—“cubicula locanda”; het bleef ’t zelfde. En telkens, als Go weer aan kwam met, bijna onbewust, de hoop, dat hij er wel zou zijn, dan zag ze weer dat bordje, dat alle verwachting versloeg, en in de zon blikkerde als ’n emblemavan de snelle wisselvalligheid, èn de onaantastbare gelijkmatigheid van het leven.Ze overlegden nu alles met elkaar, en de zorg voor de nalatenschap scheen ’t werk van “het dispuut” te zijn; telkens kwamen De Veer en Rolands, Beerenstijn of Hoefman met ’n rekening, ’n brief: wat Go er van dacht; en door de noodzakelijkheid van eenvoudig-practischen ernst groeide hun vriendschap in de kil-droeve dagen tot een wezenlijk, steungevend, bemoedigend gevoel.Zoo kwam ook Gerard ’n avond met ’n pakje lidmaatschap-kaarten, om te bespreken, of ze afgeschreven moesten worden, of door den dood vanzelf vervielen, toen hij Go wild snikkend met haar hoofd op de schrijftafel vond, de handen in wanhoop door haar haren woelend.“Maar Go, kindje; wat is er gebeurd?” begon hij verschrikt, maar toen ze z’n stem hoorde, ging er opeens ’n schok door haar heen, en ’t betraand gezicht opheffend fluisterde ze nerveus: “Ga weg, Gerard; hoe kom-je hierbinnen? Hield ze je niet tegen? Heb-je ’n scène gemaakt?”“Wie? Ik heb niemand gesproken.” En z’n oogen staarden verbaasd haar aan.“De juffrouw—ze zegt—o, Gé, ze zegt...” Nu begon ze weer opnieuw en erger te huilen, telkens tusschen twee snikken door hijgend: “Ga weg.... ga weg.... ze wil ’t niet hebben.”Hij schonk haar een glas water in, en ging op den rand van de tafel zitten; hij dácht er niet over heen te gaan, vóór ze wat kalmer zijn zou, en z’n afgebroken stem dwingend tot rustig spreken, begon hij:“Je hebt dus herrie met de juffrouw gehad. Maar is dát nu een reden om zóó te huilen? Is ’t heelemensch wel één traan van jou waard? Als je me nu maar ’s wou vertellen, kalm en verstandig, wat er eigenlijk is, dan zouden we kunnen overleggen, hoe ’t in orde te brengen.... Maar als je zóó blijft, word-je ziek en ellendig en kan ik onmogelijk iets voor je doen.”“Maar je moet dadelijk weg.... Ze zegt juist, dat heeren.... dat ’t geen pas heeft, als ’n méisje hééren op ’r kamer ontvangt.... Eerst was jij alleen gekomen, en toen had ze niets willen zeggen.... het kon.... het had....”—en even trok ’n glimlach over haar trillende lippen—“het had ’n fatsoenlijk engagement kunnen zijn, ofschoon ik geen ring droeg,—maar nu telkens andere,.... ieder oogenblik ’n ander....”“Vervl...,” viel hij uit; “heeft ze dat durven zeggen?”“Ze zei, dat het ’r goeien naam kwaad dee. En ze had zélf groote dochters... En de heeren mochten vroeger ook nooit dames op hun kamer ontvangen; als je ’n heer had, ontving-je heeren, als je ’n dame had dames.”“En wat antwoordde jij, Go?”“Ik weet niet; het kwam zoo vreeselijk opeens. Ik probeerde ’r eerst uit te leggen, dat ’t m’n collega’s waren, en dat onze verhouding anders is dan van gewone jongens en meisjes.—Maar ze keek me zoo raar, zoo verdenkend aan, en zei weer iets over ’t fatsoen van haar dochter, en toen kón ik opeens niet meer; tegen zoo’n mensch, over zoo iets...”“Nee, natuurlijk. Laat mij maar ’s...”“Nee, Gé, nee, als je blieft niet... Dan wordt ’t immers nog veel erger...”“En wat wou-je nou doen?”“’k Heb gezegd, dat ’k zoo gauw mogelijk van ’n andere kamer werk zou maken.”“Goddank; dus je hebt toch niet toegegeven, ’t Is... ’t is... zoo’n mensch tegen joù, tegen joù... zóó iets...”“Ja maar,” zei Go, kalmer door zijn opwinding, “we moeten ook niet onredelijk zijn. Ik kan er eigenlijk best in komen, dat ze zoo praat. Wat weet ze van de verhouding onder ons, studenten, af? Hoe kan ze ons samen-zijn zich anders voorstellen dan ’n jongelui’s partijtje in háár jeugd? Bovendien zouden voor vijf-en-twintig jaar àlle menschen ’t met haar eens geweest zijn...”“Voor vijf-en-twintig jaar, jà. Maar ’t veranderen van de publieke opinie is geen toeval; die volgt de omstandigheden, en daarom...”“Toe, je verwacht van háár toch geen redelijkheid!... En ik ben hier pas zoo kort; en juist in ’t begin, door den dood van Hans, zijn er zulke vreemde dingen gebeurd: Otto en jij dien ochtend vroeg... en ’s middags de heele club... en later telkens weer iemand om iets te vragen... telkens ’n ànder, zooals zij zegt...”“Praat er maar niet meer over. Ik kán dit niet filozofisch opvatten... Ik vind ’t min, láág, afschuwelijk.—Enfin; wat doe-je nou? Weet je ’n kamer?”“Nee, ’k moet toch ook eerst naar huis schrijven.”“Ja, natuurlijk. Doe dat dan nu dadelijk. Dan breng ik den brief naar ’t postkantoor... Het was eigenlijk beter, als je naar huis ging, tot je iets anders hadt. ’t Zal je zoo irriteeren, als je hier moet blijven, en ’k heb de kamer altijd beroerd gevonden.”“Och, ’k zal ’t maar niet al te erg maken voormoeder. Die vindt ’t zoo vreeselijk, als iemand iets slechts van ons denkt.”“Maar de ploerterij...”“Nou, ja, die scherpe afscheiding bestaat bij ons niet. Moeder vertrouwt me natuurlijk, maar ze is wel ’s bang, dat ’k onvoorzichtig ben.”Gerard knikte: “Kwam Van Neerwinden veel bij je?”“Nee; hij is zoowat de eenige, die nooit op deze kamer geweest is.”“Zoo... Weet je wat, je moest ook even aan Friedaschrijven;—die wéét misschien wel ’n kamer. Ik ga dan zelf met ’t briefje naar haar toe.”“O, wat ben ik toch blij, dat jij gekomen bent. Ik was zoo wanhopig,—alleen tusschen al die vijandige menschen.”“En je wou me nog al dadelijk wegsturen... Nou, schrijf maar.”Bij den brief aan moeder kwamen de tranen toch weer. Wat zou-die wel zeggen? Ze hadden nooit aan die mogelijkheid gedacht;.... de kamer, die je huurde, was toch je eigen,—maar natuurlijk, ’t was ’t huis van de juffrouw.—Hád ze schuld? Moesje had gezegd: “Maak nooit misbruik van je vrijheid,” maar ze had de jongens toch niet in den winkel kunnen ontvangen, vooral niet in die omstandigheden...Gerard hoorde haar de snikken in haar zakdoek smoren: “Ben-je bijna klaar?” riep hij uit den hoek van de kamer, waar hij water kookte voor thee.“Ja, dadelijk.” En vlugger pende ze het briefje aan Frieda.“Nu heb ik alles in je kast kunnen vinden, zelfs het zeefje en ’n zakje biscuits, behalve dethee zelf,” klaagde hij hulpeloos; “ik zou je zoo graag met ’n kopje verrast hebben, en ’t water kookt “als ’n see”, zou mijn juffrouw zeggen.”“O, Gé, hoe lief van je. Wat zou ik toch beginnen zonder jou!”“Kon ik maar wat meer voor je doen. Nu moet ’k je weer alleen laten. Beloof me, dat je je best zult doen niet bedroefd te zijn.”“Nee, nee,” zei ze, maar haar lippen trilden.En hij keek haar aan, met ’n oneindig zacht medelijden in z’n eerlijke open oogen, en eenvoudig-weg, of ’t zóó in z’n hart opkwam, zei hij:“Ik wilde, ik kon u iets gevenTot troost diep in uw leven;Maar ik heb woorden alleen,Daden en dingen geen...”Toen nam hij de brieven, die op de tafel lagen en met ’n bemoedigend knikje, ernstig en opgewekt, ging hij de deur uit, wegstommelend langs de ongelijke trap.Den volgenden morgen, toen Go na ’n onrustigen nacht, want ze hóórde de vijandigheid uit alle geluiden om zich heen, de ontbijtkamer binnenkwam, vond ze naast haar bord ’n groote bos witte seringen en donkerroode anjers; de heele muffe kamer was vol lentegeur, en achter op z’n kaartje had Gerard geschreven: “Goeienmorgen Go. Vanmiddag komt Frieda bij je, en brengt ’n prettige boodschap mee.”Ze drukte haar hoofd dieper in de bloemen, dankbaar, zalig; opeens niet bang en niet eenzaam meer.
De eerstvolgende dagen was Go bijna nooit thuis; dadelijk na college en ’s avonds weer ging ze met Frieda Gerard, Han en Beerenstijn helpen, die Hans’ vader beloofd hadden, alles te zullen regelen en in orde brengen. Er was ’n huiselijk testamentje gevonden, dat ze met toewijding uitvoerden; kleeren en boeken moesten in groote kisten worden verpakt, rekeningen gesorteerd en aangezuiverd, brieven en dagboeken verbrand;—ze werkten te zamen uur na uur op de stille kamer, waar iets kils bleef hangen, ondanks de lustige zon; soms even onderbroken door iemand, die kamers zocht en boven kwam, aangetrokken door ’t houten bordje, dat tegen ’t raamkozijn kletterde. “Cubicula locanda;” het klonk zoo koud; of de vorige bewoner ruzie met de juffrouw heeft gehad, of gepromoveerd is of gesjeesd, of om geldverlies z’n studie heeft moeten staken, of zelf ’n einde aan alles maakte—“cubicula locanda”; het bleef ’t zelfde. En telkens, als Go weer aan kwam met, bijna onbewust, de hoop, dat hij er wel zou zijn, dan zag ze weer dat bordje, dat alle verwachting versloeg, en in de zon blikkerde als ’n emblemavan de snelle wisselvalligheid, èn de onaantastbare gelijkmatigheid van het leven.
Ze overlegden nu alles met elkaar, en de zorg voor de nalatenschap scheen ’t werk van “het dispuut” te zijn; telkens kwamen De Veer en Rolands, Beerenstijn of Hoefman met ’n rekening, ’n brief: wat Go er van dacht; en door de noodzakelijkheid van eenvoudig-practischen ernst groeide hun vriendschap in de kil-droeve dagen tot een wezenlijk, steungevend, bemoedigend gevoel.
Zoo kwam ook Gerard ’n avond met ’n pakje lidmaatschap-kaarten, om te bespreken, of ze afgeschreven moesten worden, of door den dood vanzelf vervielen, toen hij Go wild snikkend met haar hoofd op de schrijftafel vond, de handen in wanhoop door haar haren woelend.
“Maar Go, kindje; wat is er gebeurd?” begon hij verschrikt, maar toen ze z’n stem hoorde, ging er opeens ’n schok door haar heen, en ’t betraand gezicht opheffend fluisterde ze nerveus: “Ga weg, Gerard; hoe kom-je hierbinnen? Hield ze je niet tegen? Heb-je ’n scène gemaakt?”
“Wie? Ik heb niemand gesproken.” En z’n oogen staarden verbaasd haar aan.
“De juffrouw—ze zegt—o, Gé, ze zegt...” Nu begon ze weer opnieuw en erger te huilen, telkens tusschen twee snikken door hijgend: “Ga weg.... ga weg.... ze wil ’t niet hebben.”
Hij schonk haar een glas water in, en ging op den rand van de tafel zitten; hij dácht er niet over heen te gaan, vóór ze wat kalmer zijn zou, en z’n afgebroken stem dwingend tot rustig spreken, begon hij:
“Je hebt dus herrie met de juffrouw gehad. Maar is dát nu een reden om zóó te huilen? Is ’t heelemensch wel één traan van jou waard? Als je me nu maar ’s wou vertellen, kalm en verstandig, wat er eigenlijk is, dan zouden we kunnen overleggen, hoe ’t in orde te brengen.... Maar als je zóó blijft, word-je ziek en ellendig en kan ik onmogelijk iets voor je doen.”
“Maar je moet dadelijk weg.... Ze zegt juist, dat heeren.... dat ’t geen pas heeft, als ’n méisje hééren op ’r kamer ontvangt.... Eerst was jij alleen gekomen, en toen had ze niets willen zeggen.... het kon.... het had....”—en even trok ’n glimlach over haar trillende lippen—“het had ’n fatsoenlijk engagement kunnen zijn, ofschoon ik geen ring droeg,—maar nu telkens andere,.... ieder oogenblik ’n ander....”
“Vervl...,” viel hij uit; “heeft ze dat durven zeggen?”
“Ze zei, dat het ’r goeien naam kwaad dee. En ze had zélf groote dochters... En de heeren mochten vroeger ook nooit dames op hun kamer ontvangen; als je ’n heer had, ontving-je heeren, als je ’n dame had dames.”
“En wat antwoordde jij, Go?”
“Ik weet niet; het kwam zoo vreeselijk opeens. Ik probeerde ’r eerst uit te leggen, dat ’t m’n collega’s waren, en dat onze verhouding anders is dan van gewone jongens en meisjes.—Maar ze keek me zoo raar, zoo verdenkend aan, en zei weer iets over ’t fatsoen van haar dochter, en toen kón ik opeens niet meer; tegen zoo’n mensch, over zoo iets...”
“Nee, natuurlijk. Laat mij maar ’s...”
“Nee, Gé, nee, als je blieft niet... Dan wordt ’t immers nog veel erger...”
“En wat wou-je nou doen?”
“’k Heb gezegd, dat ’k zoo gauw mogelijk van ’n andere kamer werk zou maken.”
“Goddank; dus je hebt toch niet toegegeven, ’t Is... ’t is... zoo’n mensch tegen joù, tegen joù... zóó iets...”
“Ja maar,” zei Go, kalmer door zijn opwinding, “we moeten ook niet onredelijk zijn. Ik kan er eigenlijk best in komen, dat ze zoo praat. Wat weet ze van de verhouding onder ons, studenten, af? Hoe kan ze ons samen-zijn zich anders voorstellen dan ’n jongelui’s partijtje in háár jeugd? Bovendien zouden voor vijf-en-twintig jaar àlle menschen ’t met haar eens geweest zijn...”
“Voor vijf-en-twintig jaar, jà. Maar ’t veranderen van de publieke opinie is geen toeval; die volgt de omstandigheden, en daarom...”
“Toe, je verwacht van háár toch geen redelijkheid!... En ik ben hier pas zoo kort; en juist in ’t begin, door den dood van Hans, zijn er zulke vreemde dingen gebeurd: Otto en jij dien ochtend vroeg... en ’s middags de heele club... en later telkens weer iemand om iets te vragen... telkens ’n ànder, zooals zij zegt...”
“Praat er maar niet meer over. Ik kán dit niet filozofisch opvatten... Ik vind ’t min, láág, afschuwelijk.—Enfin; wat doe-je nou? Weet je ’n kamer?”
“Nee, ’k moet toch ook eerst naar huis schrijven.”
“Ja, natuurlijk. Doe dat dan nu dadelijk. Dan breng ik den brief naar ’t postkantoor... Het was eigenlijk beter, als je naar huis ging, tot je iets anders hadt. ’t Zal je zoo irriteeren, als je hier moet blijven, en ’k heb de kamer altijd beroerd gevonden.”
“Och, ’k zal ’t maar niet al te erg maken voormoeder. Die vindt ’t zoo vreeselijk, als iemand iets slechts van ons denkt.”
“Maar de ploerterij...”
“Nou, ja, die scherpe afscheiding bestaat bij ons niet. Moeder vertrouwt me natuurlijk, maar ze is wel ’s bang, dat ’k onvoorzichtig ben.”
Gerard knikte: “Kwam Van Neerwinden veel bij je?”
“Nee; hij is zoowat de eenige, die nooit op deze kamer geweest is.”
“Zoo... Weet je wat, je moest ook even aan Friedaschrijven;—die wéét misschien wel ’n kamer. Ik ga dan zelf met ’t briefje naar haar toe.”
“O, wat ben ik toch blij, dat jij gekomen bent. Ik was zoo wanhopig,—alleen tusschen al die vijandige menschen.”
“En je wou me nog al dadelijk wegsturen... Nou, schrijf maar.”
Bij den brief aan moeder kwamen de tranen toch weer. Wat zou-die wel zeggen? Ze hadden nooit aan die mogelijkheid gedacht;.... de kamer, die je huurde, was toch je eigen,—maar natuurlijk, ’t was ’t huis van de juffrouw.—Hád ze schuld? Moesje had gezegd: “Maak nooit misbruik van je vrijheid,” maar ze had de jongens toch niet in den winkel kunnen ontvangen, vooral niet in die omstandigheden...
Gerard hoorde haar de snikken in haar zakdoek smoren: “Ben-je bijna klaar?” riep hij uit den hoek van de kamer, waar hij water kookte voor thee.
“Ja, dadelijk.” En vlugger pende ze het briefje aan Frieda.
“Nu heb ik alles in je kast kunnen vinden, zelfs het zeefje en ’n zakje biscuits, behalve dethee zelf,” klaagde hij hulpeloos; “ik zou je zoo graag met ’n kopje verrast hebben, en ’t water kookt “als ’n see”, zou mijn juffrouw zeggen.”
“O, Gé, hoe lief van je. Wat zou ik toch beginnen zonder jou!”
“Kon ik maar wat meer voor je doen. Nu moet ’k je weer alleen laten. Beloof me, dat je je best zult doen niet bedroefd te zijn.”
“Nee, nee,” zei ze, maar haar lippen trilden.
En hij keek haar aan, met ’n oneindig zacht medelijden in z’n eerlijke open oogen, en eenvoudig-weg, of ’t zóó in z’n hart opkwam, zei hij:
“Ik wilde, ik kon u iets gevenTot troost diep in uw leven;Maar ik heb woorden alleen,Daden en dingen geen...”
“Ik wilde, ik kon u iets geven
Tot troost diep in uw leven;
Maar ik heb woorden alleen,
Daden en dingen geen...”
Toen nam hij de brieven, die op de tafel lagen en met ’n bemoedigend knikje, ernstig en opgewekt, ging hij de deur uit, wegstommelend langs de ongelijke trap.
Den volgenden morgen, toen Go na ’n onrustigen nacht, want ze hóórde de vijandigheid uit alle geluiden om zich heen, de ontbijtkamer binnenkwam, vond ze naast haar bord ’n groote bos witte seringen en donkerroode anjers; de heele muffe kamer was vol lentegeur, en achter op z’n kaartje had Gerard geschreven: “Goeienmorgen Go. Vanmiddag komt Frieda bij je, en brengt ’n prettige boodschap mee.”
Ze drukte haar hoofd dieper in de bloemen, dankbaar, zalig; opeens niet bang en niet eenzaam meer.
Hoofdstuk XVIII.Drie dagen later was Go bij Frieda en Mary Bruining ingekwartierd. Voorloopig kreeg ze alleen maar ’n zit-slaapkamer, omdat er nog iets verbouwd moest worden, vóór de meisjes met hun drieën de heele verdieping konden betrekken, maar Gerard had er zoo op aangedrongen, dat Go dadelijk verhuizen zou, dat Mary en Frieda beide hadden gezegd, dat ze zoo vaak in haar kamer kon komen zitten, als ze wilde, en als ’n droom zoo vlug was alles gegaan: Frieda had haar dien middag dadelijk meegenomen om bij haar te eten; den volgenden dag hadden zij tweeën en Lou en Coba alles gepakt en de breekbare waar zelf overgedragen, en nog geen vier maanden, nadat ’t binnengedragen was, was haar heele huishouden weer uit de donkere straat weggereden naar de lichte Jan-van-Goyenkade, met ’t wijde uitzicht over water en land, en de vroolijkheid van meisjes-huishoudentjes in de zonnige huizen.Gerard was in de wolken, dat ze nu zoo prachtig onder dak was gebracht, niet langer alleen—“het wàs geen kind om alleen te laten,” maar mettwee aardige, verstandige meisjes, die voor haar zorgen zouden en lief voor haar zijn. Ook haar moeder had enthousiast over de gunstige verandering geschreven en gesproken. “Ik begrijp wel, kindje, dat je, zoo heel alleen, behóefte hadt aan gezelligheid, zoowel van vrienden als van vriendinnen. Maar ik ben toch wel bang, dat de bezoeken wat erg druk zijn geloopen den laatsten tijd. Dat zal nu heelemaal anders worden; jullie maaltijden met je drieën geven veel meer de gezelligheid van een huishouden. Je kunt met je drieën bezoeken ontvangen...”Iedereen was tevreden en voldaan over de schikking, maar Go, nadat de eerste roes van nieuwigheid voorbij was, nu ze als gewoon huisgenoot was opgenomen, ze voelde ’t wel: voldaan was zíj niet. Ze zat voor Frieda’s schrijftafel en staarde over het kale, wijde land, en, de ellebogen op haar boeken, redeneerde ze met zichzelf: “Het kwam dus niet door de kamer, en niet door de eenzaamheid, dat onrustige, onbevredigde gevoel. Het komt uit m’n eigen hart, en daarom kan niemand er iets aan verhelpen... Want deze kamers zijn licht, en aan elken maaltijd en ’s avonds ook, zijn Mary en Frieda er, met hun hartelijke gezichten en opgewekte gesprekken, en ik zit er zwijgend bij, en voel, dat ’t me niet schelen kan. En als Gerard vraagt, hoe deze levenswijze me nu bevalt, dan kan ik lange verhalen van lof houden; maar ik wéét ’t alleen met m’n verstand. In mijn hart voel ik ’t anders. Dit samenwonen is uitstekend, en ’t moest veel meer door jongens worden gedaan; ik zou wel willen, dat Gerard en Han en Eduard ergens met hun drieën gingen wonen. Dat zou voor Eddy zooveel beter zijn,dan zou hij misschien wel weer anders worden... en dan zou ik ook weer kunnen voelen, dat ’t leven prettig is.”Ze legde haar handen nu voor haar oogen om aan z’n laatste bezoek te denken; hij was op de vergadering zoo koel tegen haar geweest, zoo anders dan de anderen, die nog onder den indruk van Hans waren. Hij had alleen even met ’n naren lach gezegd: “Voor menschen, die pessimist praten, hoef-je niet bang te zijn; juist de opgewekten maken er opeens ’n einde aan,” en uit ’n paar losse woorden van Rolands had ze gemerkt, dat er weer druk gefuifd werd in hun clubje. Bij ’t weggaan had ze toen gevraagd, of hij ’s op haar nieuwe kamer kwam, en toen hij ontwijken wilde, er beslist op aangedrongen, omdat ze ’m noodig spreken moest.Zoo was hij ’n avond in Frieda’s kamer ontvangen, maar er was geen stemming, geen harmonie geweest. Go had gemerkt, dat Mary en Frieda geen van beide vóór z’n bezoek waren, ze had zich onzeker en gegêneerd gevoeld, en hij had niets gedaan om ’r tot kalmte te brengen: hij was heen en weer blijven loopen, had de fotografieën en beeldjes bekeken, en steeds over allerlei onverschillige dingen gepraat.Na ’n kwartier had hij al weer weg gewild. Ze kon ’m niet laten gaan; ze moest toch zeggen, dat ze ’t zoo akelig vond...“Waar ga-je heen?”Hij moest naar de kroeg, afgesproken met vrienden...“Waaróm nou? Ik heb je al zoo lang niet gezien.”Ja, maar ze zouën spelen, kaarten...“Hè nee, Eddy, doe ’t niet.”Er had in z’n oogen dat ongeduld gebrand, dat haar altijd even bang maakte: “Natuurlijk zal ik gaan.”“Ja maar, ’t is zoo verkeerd; jullie spelen om geld.”“Ik hoop zelfs veel te winnen; daarom ga ’k eigenlijk. ’n Lastige beer.”“Je kunt toch onmogelijk zoo heel veel winnen op ’n avond.”“Twintig, vijf-en-twintig gulden is ook al genoeg. ’k Moet ’t hebben.”“Dus dáárom alleen?” En ze was naar de kast gegaan, en, smeekend, dat hij niét boos zou worden... ’t was wezenlijk beter.... had ze ’m het bankbiljet van vijf-en-twintig gegeven, terwijl hij weifelde, ontroerd keek.“Ik schaam me, Go,” had hij alleen gezegd, en toen was hij gauw weggegaan, en ze had ’m niet weerhouden, omdat ze voelde, hoe pijnlijk ’t voor beide zijn zou, nog samen te blijven.Den volgenden middag had ze geen vleesch gewild aan de koffie. Of ze vegetariër werd?—Nee, ’t was zuinigheid; haar maandgeld was op....Mary had haar even doordringend aangekeken, toen luchtig gezegd: “Mooi zoo! Enfin, Frieda en ik hébben nog ’t onze. Eet dus gewoon mee; zoo sterk ben-je niet.”En daarna had ze niets meer van ’m gehoord of gezien. Zelfs niet op de laatste vergadering van L. V.; Rolands had zoo iets gepreveld, van dat hij uit moest, maar Gerard had er dadelijk over heen gepraat, en hij was beboet “wegens niet verschijnen ter vergadering, zonder hiervanvooruit schriftelijk kennis te geven,” en “wegens niet inleveren van z’n verplichte werkzaamheid.”’n Vergadering zonder hém had geen doel, en ’t had Go toegeschenen, of ze allemaal maar hadden zitten praten, om met hun woorden de leegte te bedekken, en eigenlijk leek haar heele leven haar tegenwoordig zoo, vooral als ze ’n middag alleen zat in de kamer, met haar boeken. Wat moest dat allemaal nu eigenlijk? Wat had het met haar geluk of ’t heil van de menschheid te maken, of ze al wist, hoeveel uitgaven er van Maerlants strofische gedichten bestonden, of wat voor invloed de eerste en tweede klankverschuiving hadden gehad? En nu kon-je zeggen: dat had-je nu eenmaal in iedere studie, of je rechten nam, of medicijnen, of scheikunde: altijd moest je eerst ’n massa concrete kennis vergaderen, waar je ’t nut niet zoo dadelijk van inzag. Maar dat was ’t hier niet alleen; als ze dóór dacht over later, wat er zou gebeuren, als ze dit nu allemaal wist, als ze haar candidaats en haar doctoraal had gedaan, en dan ook nog ’n boek, ’n dissertatie, had geschreven,—dan sloeg haar eerst recht de schrik om ’t hart. Dan zou ze de hier vergaderde wijsheid gaan onderwijzen op ’n burgerschool of ’n gymnasium, of op ’n bibliotheek als archivaris studeeren in perkamenten, dag in dag uit, òf aan “het woordenboek” ’n baantje krijgen, bij gratie, en de rijkste jaren van haar leven besteden b.v. aan de letterp. En nóóit, nóóit zou ze, als de studenten van andere vakken, in ’t werkelijke leven kunnen ingrijpen en nuttig worden; nooit zou ze direct met “menschen,” menschenléven, te maken hebben, zooals ’n dokter, ’n advocaat. Zelfs nooit haar hánden kunnen gebruiken, zooalsMary, die kookte en knoeide op ’t laboratorium, die zoo heerlijk moe kon zijn, nadat ze ’n middag gestaan had. Voor haar waren er niets dan boeken, die naar andere boeken verwezen, en altijd weer boeken, waar niets achter was, en niet kòn wezen. ’t Was immers zuivere wetenschap, alleen òm de wetenschap, zooals: l’art pour l’art. Dat had ze eerst juist zoo mooi, zoo groot gevonden, voor gedachten te leven, in ideeën; maar nu, nu ze lange uren er zich aan begon te geven, m’n God, nú voelde ze, dat ze jong was en krachtig, dat haar lichaam niet wilde vegeteeren, dat haar spieren trokken van ongeduld bij al dat stil zitten studeeren; en dat ze benijdde, o, benijdde met hart en ziel, de bedrijvige wereld, beneden op straat, de meisjes, die kleeden klopten in de zon, met flink beweeg van de stevige armen; de jongens, die zware schuiten voortboomden, met groente, met turf; iedereen, die z’n lijf inspannen kon, z’n kracht uiten.“Het Comburgsche HS; het Zutfensch-Groningsche HS, het HS der Pelgrimage van der mensceliker creaturen, de Heidelbergsche fragmenten....” Ze zette zich opeens op, en ’t bloed vloog naar haar hoofd: ’t was om dól van te worden, zoo’n heele middag zitten, terwijl vlak voor de deur ’n schuit met steenen werd afgeladen, en al die menschen zich bukten, en sjouwden en zwoegden in den frisschen winterdag, met de kou tegen hun warme lijven. Ze móest ook iets doen. En met ’n ruk sjorde ze de ramen open, begon de kussens van Frieda’s canapé uit te slaan op de vensterbank, ofschoon ze wist, dat dat eigenlijk overbodig werk was, want ze had tegenwoordig zoo dikwijls ’n bui, dat ze opeens iets móest doen, en dan gingen de kussensen de kleedjes er altijd ’t eerst aan. Al haar handschoenen waren ook heelemaal schoon, en ze schommelde in de laden van Frieda en Mary; daar was wel wat te doen: warm water maken, zeep raspen, goddank, nu leefde ze weer, in de koele lucht, met de beweging; lekker, zoo met haar handen in ’t warme sop voor ’t raam te staan; de waschkom kantelde wel wat op de vensterbank, maar ’t zou wel houden, en de wind was zoo frisch tegen haar gezicht. Was de slang met ’t aansteken zooeven ’n eindje van ’t comfoor afgegleden? O, nee, Frieda had al meer over gaslucht geklaagd; ze rook het nu ook, nu ze er dicht bij was;—ze zouden—hé, daar was Ru Bruining, met z’n fiets.“Mary is niet thuis, Ru.”“Zóó. Zou ’t nog lang duren?”“Nee. Binnen ’n kwartier zal ze er wel zijn.”“O, dan kom ’k toch maar even boven; ik heb ’n pakje van huis gekregen, met ook iets voor haar; ’n das of ’n strik; ik weet niet precies.”Ze hoorde ’m de fiets in de gang zetten, toen z’n vlugge stappen op de trap. Het was zoo’n kordaat kereltje, niet groot, maar breed gebouwd, rechtop en energiek, met kleine, sterke handen, en ’n kop met ’n wil.“Goeienmiddag. Wat voer-jij uit?”“O, ik wasch handschoenen. Geef jij me misschien ook de clandisie?”“Nee, die draag ik nooit. Je mag er wel wat opleggen, dat ze niet wegwaaien, als ze gedroogd zijn.”“Ja. Zeg, Ru, ruik-jij geen gaslucht, daar in dien hoek?”“Nee, ’k ben verkouden. Ja, hier toch; ’t zit bij ’t kastje.”“Niet aan de slang? Frieda klaagt er al langer over. We zullen ’s ’n man van de gasfabriek....”“Laat mij ’s kijken; mag ’t tafeltje even weg?”“Pas op; geen lucifers, Ru,... je vliegt in de lucht....”“Nee, wacht maar; zoo erg is ’t niet. O, kijk; deze schroef zit los. Je hebt hier zeker geen gereedschap.”“De juffrouw zal wel....”“Och, ik kan het wel met m’n fietssleutel.”Hij was al weg, om dien van beneden te halen, heelemaal in z’n werk verdiept; en Go keek met welgevallen, hoe hij zich boog, schroefde, z’n kracht spande, dat ’t bloed roodend naar z’n voorhoofd liep, tot onder z’n stug, blond haar.“Kom nu ’s ruiken. Wat denk-je er van?”“Ik ruik niets,” snoof Go behagelijk. “Wat leuk, dat je ook van zulke dingen verstand hebt, zeg. Zoo ’s practisch iets doen, dat kan bijna geen een student.”“Dat komt door de stomme verdeeling van den arbeid. Er is ’n klasse menschen, die hun lichaam óver-aftobben, en geen tijd voor eenige ontwikkeling overhouden, ook geen kracht en geen lust; en aan den anderen kant staan wij, de z.g. bevoorrechten, maar die even goed zelf ook lijden door de misstanden, die we in onze kortzichtigheid toch niet opgeven willen; wij, die ons suf en stomp werken met ons hoofd, en onze spieren als niets-nut moeten laten verslappen.”“Hè ja,” zei Go gretig, “ik had vanmiddag zoo graag ’s met dien steenensjouwer geruild;—hij hier ’s wat uitrusten en ik me ’s weldadig moe maken. Je hebt gelijk; ’t is ’n domme indeeling.”“We kunnen er natuurlijk zelf wel wat aan verhelpen. Ik woon daar nu buiten, en als ik ’s twee uur gewerkt heb in Hesiodus of Isocrates, dan ga ’k eens naar m’n kooltjes kijken, of neem de geit mee wandelen; maar dat is maar spielerei, en aardig voor mij persoonlijk. De gemeenschap heeft er geen nut van, zooals ’t zou zijn, wanneer de verhoudingen beter georganiseerd waren.”Ja, Mary heeft wel ’s verteld, je hebt daar ’n eigen huisje, hè, en je doet alles zelf.”“Zoowat, ja; kom ’s kijken, als je lust hebt, met Mary. Er is nu niet veel om jullie mee te geven: vroeger heb ik ’t huishouden hier wel ’s van boontjes of aardbeien voorzien.”“Aardbeien! O, heerlijk! Mogen we dan van den zomer nog ’s komen? En je hebt ’n roeiboot, niet?”“Ja, en ’n kraai en ’n paar kippen, en konijntjes. Je zult ’t wel grappig vinden, denk ik.”“Hè, zalig zoo buiten wonen....”Mary vond hen in druk gesprek bij het open raam. “Zoo broertje!”“Dag Mary, ik breng iets van moeder voor je mee.”“O, de das, dank je.”“Zeg Mary, Ru vraagt, of ’k vanavond mee ga naar de lezing van Mevrouw Roland Holst. Doe-jij ’t ook?”“Nee, Go, ik kan niet. Maar doe ’t. ’t Is zeker mooi, en ’t zal je opfrisschen.”“Natuurlijk,” pleitte Ru. “Dát is ’n vrouw! Ik voel me niet gauw klein bij iemand, maar bij háár....”“Wat is hij toch altijd opgewekt,” zuchtte Go, toen Ru weer naar “de boerderij” was. “Je voeltje al anders, als hij de kamer maar binnenkomt.”“Dat komt, omdat hij sociaal-democraat is,” antwoordde Mary, de handschoenen naar binnen hengelend.“Dan is dat toch ’n mooie overtuiging, als ’t je zoo levens-tevreden maakt.”“Ach, dat doet natuurlijk ieder wezenlijk geloof.” Maar Go luisterde niet. ’t Was net, of er iets prettigs gebeuren ging, iets met Eddy, zoo opgeleefd was ze opeens, door dat gesprekje, door ’t vooruitzicht van de lezing: misschien zou hij er ook zijn,—ofschoon sociaal-democratie—’t was niets voor hem; misschien zou er gauw ’n brief komen, of hij dàcht nu aan haar; ze wist niet, wat ze verwachtte, maar haar bloed stuwde krachtig door haar verwachtende hoofd, ze vóelde, dat ’t toch zoo maar niet opeens uit kon zijn, tusschen hem en haar, en terwijl ze zich waschte en ’n héél klein beetje toilet maakte,—ze mocht niet te mooi wezen, ’t zou iets van gelijkheid zijn, dacht ze,—zong ze aldoor die bemoedigende spreuk voor zich heen, die uit ’n droge kolom van het middelnederlandsch woordenboek haar plots toegegeurd had en die haar nu zóó sterkte:»Dat nemmer man en was so wilde,Een vrouw diene met smeekene hilde.”Ze zoù ’m houden, al trachtte alles hem van haar af te trekken; door haar liefde alleen.Ze liepen samen terug door de stille straten, beide warm van opwinding, gedragen op hun bewondering, hun extase over dien avond.“Nog nooit heb ik zoo iets gehoord,” zuchtte Go, “en ’k had ’t heelemaal niet gedacht, toen zepas opkwam. Niet eens sympathiek, vond ik, en geen mooie stem....”“Er is niets heerlijker, dan mee te gaan, op te gaan in haar geestdrift en bezieling. Ze electriseert de menschen eenvoudig, en níet door stijl-effecten, niet door woorden-klinkklank, maar alleen door haar overtuiging, en haar passie om anderen te overtuigen.”“O, Ru, ik ben zoo blij, dat je me meegenomen hebt. Ik weet er heelemaal niets van, van socialisme of anarchisme of al die dingen; maar ’t is net, of ik nu weer harder m’n best zal doen om goed te zijn.”“Ja, die opwekking geeft ze zeker ieder: ’n behoefte eerlijk en zuiver te zijn, in alles, ook in je intiemste gedachten; ’n behoefte te werken, nooit bij de pakken neer te zitten.”“Laten we nog ’n endje omloopen, de avond is zoo heerlijk, en ik voel zoo’n kracht; ik zou toch niet kunnen slapen.”“Als we nu maar ’s dadelijk met wat moeilijks beginnen konden, hè, ’n groote opoffering, ’n heldendaad. Maar ’t lastige is ’t vuur brandend te houden in ’t gewone doen van alle dag, ook als we onder kleine en groote zonden leven.”“Maar ’t helpt toch zeker, zoo’n avond, en de beloften, die je jezelf dan doet.”“’n Mooi gevoel is niet verloren,” zei Ru, maar Go keek strak voor zich uit. Ze waren nu op de Stille Rijn en van de brug zag ze twee menschen komen, ’n jonge man en ’n meisje, die dicht bij een lantaarn, tegen elkaar geleund, bleven staan. Zij, die in ’t donker liepen, zagen hen hel belicht; Go onderscheidde ’t grijze hoedje op ’n bos ros-blond haar, het beige manteltje,waarom ’n zwarte arm lag. De man was lang en slank, hij droeg ’n slappen hoed; zwart haar.... o, God, en z’n gezicht was bleek, maar z’n oogen straalden.... Hij keek in ’t gezicht daar beneden hem, en boog zich, en z’n hand was op haar schouder; maar toen ze de voetstappen hoorden, liepen ze door langs den donkeren waterkant, en z’n stap, even sleepend, klonk door haar hakgekletter heen....“Scheelt er wat aan, Go?”“Nee. Wat koud.” Haar lippen weigerden bijna, maar Ru scheen ’t niet te merken.“Laten we dan gauw naar huis toe gaan. Je ziet zoo vreeselijk bleek.”“Ja. ’t Is ook mistig, kijk.” En ze staarde over het water, waar de booten met hun roode lichtjes lagen, en terug naar de donkere, stille gracht, waar ze nu samen zouden zijn.“Ik begrijp niet,” begon Ru weer over de lezing, “dat er niet veel studenten waren vanavond. Natuurlijk wel de partij-leden, maar dit was toch iets, dat iedereen goed zou hebben gedaan.”“Och, ze hebben zooveel andere dingen.” Ze liep steeds sneller om maar thuis te zijn.“Maar nergens leeren ze ’n historischen kijk op de wereld krijgen.... Als je die kerels soms hoort beweren—” Nu was hij op z’n stokpaardje, praatte door tot bij de deur, waar hij weer verschrikt zei: “God, Go, je hébt toch niets? je ziet er zoo ellendig uit; kan ’k niets voor je doen; iets halen?”“’t Is alleen de kou....” En ze klappertandde. “Nacht Ru! Ik dank je wel.”Ze knikte nog even op de stoep; sloot toen langzaamde deur en deed er den grendel en de knippen op. Iedereen was al naar bed, en met de kleine olielamp ging ze langzaam, tastend, de trap op, naar Frieda’s kamer, waar nog wat kachelwarmte en theegeur hing. Ze zette de lamp neer, en wist opeens niet meer. Onderweg had ze hevig naar ’t oogenblik van alleen-zijn verlangd. Nu stond ze als te wachten. Er was iets ergs gebeurd; er was iets gescheurd van binnen; maar wat moest ze nu hier alleen in die kamer? Ze had nog geen pijn; ’t was te scherp geweest. Ze wou even zich herinneren, hoe ’t maar weer precies was gebeurd: ze liep naast Ru, en was moedig, en had honderd groote en dappere plannen in haar hoofd; toen kwamen er twee de brug af, en ze vermoedde zonder woorden; ze voorvoelde; ’t was als het bewustzijn van één, die vallen gaat, diep, dood;... ze had gekeken, strak, naar één punt, en het was duidelijker geworden;—háár Eddy was even tusschen het dreigende beeld komen schuiven, hij, met z’n belovende oogen, z’n streelende lach; toen was hij er mee samen gevallen: z’n lach naar ’n ander, de belofte aan ’n ander....Nu waren de tranen er, opeens in ’n stroom over haar strakke gezicht; ze stond met haar hoofd tegen den muur als om zich op te houden, en trillend over haar heele lichaam, fluisterde ze: “Hoe kòn-je, hoe kòn-je! O, Eddy, wat bén-je slecht. Ik had het nooit gedacht....” En als ze even stil was geweest, barstte dadelijk haar snikken weer heviger uit, tot ze uitgeput op de canapé viel en daar onbeweeglijk bleef zitten, in de donkere kamer starend, waar alleen ’t olielichtje ’n spokig schijnsel door wierp.Zoo was dus het leven; en dít de liefde, waar ze zoo naar had verlangd. Zoo waren de menschen, die ze had vertrouwd; hij, hij, de aller-liefste, deed zulke dingen. En dat hoorde zoo. De ouderen wisten het; er veranderde niets om op de wereld; zooals Rolands gewoon in hun clubje was teruggekomen, zoo zou hij de volgende keer weer één der hunnen zijn, met z’n zingende stem, met z’n lieve manieren. Niemand zou iets van ’t gebeurde aan hem kunnen zien;....deden ze dan misschien allemaal zoo: Hoefman en Otto en Han—en Gerard ook? Wien kon ze nú vertrouwen, nadat ze hem zoo gezien had!O, ze had er wel eens over hooren praten en er van gelezen, van het leven van jongelui, en dat ’t zoo anders was meestal, dan ’t scheen aan den buitenkant, en ze had niet gedacht, dat de menschen, die zoo oordeelden, logen of zich vergisten, maar wèl: dat ze over ’n ander soort jongens praatten, dan zíj kende. Háár vrienden had ze altijd geheel als zichzelf vertrouwd, en toen Eddy dien middag in het laantje had gezegd: “Ja, zoo zijn we, wij, studenten; zoo zijn we haast allemaal”, had ze wél de pijn gevoeld, dat hij ook wel ’s iets kwaads gedaan zou hebben, ’s lief gedaan tegen ’n meisje; maar nú toch zeker nooit meer, nu hij háár kende. En ze had zich ook niet voor kunnen stellen, dat hij ooit erg intiem met zoo iemand kon zijn geweest;—misschien ’s tegen ’r gelachen,—dat was al erg genoeg, z’n mooie lach;—misschien ’s een endje met haar opgeloopen, maar hoe kon hij, de ontwikkelde, beschaafde, over-verfijnde, voor wien zij zich vaak te grof en te onwetend had gevoeld, wezenlijk behagen vinden in ’n burgerlijk, onbeschaafdschepsel, zoo een, die Leidsch dialect sprak, met ’t leelijke zangetje, en niets had gelezen; die bovendien niet wezenlijk van ’m houden kon.En tòch, ze had het gezien, het wàs zoo: hij gáf haar zijn liefkoozingen, hij verdiepte zich in haar wezen. O, nu begon ze te begrijpen de tragedie van vrouwenliefde in zooveel boeken, die altijd zooveel roerender dan mannen-désillusies was. Nu begon ze iets te voelen van de wanverhoudingen tusschen het meisje, dat wacht en hoopt, om zich geheel aan den man, dien ze liefheeft, te kunnen wijden, en den man, die minnarijen zoekt, die hem direct voordeel en bevrediging geven, zonder al de zorgen en ’t bindende van ’n huwelijk met ’n vrouw van dezelfde ontwikkeling, die hooger eischen stelt. En als hij dan eindelijk toch naar ’n eigen huis, ’n familie verlangen gaat, met hoe verschillende idealen, met hoe ongelijke verwachting, gaan de twee dan het nieuwe leven in: het meisje, dat al, wat ze bezat, heeft bewaard en vermooid, ’t hem nu bevend wil geven; hij, al moe, en gedésillusioneerd, met herinneringen, die schrijnen en bezoedelen, vaak met ’n ontveinsd dédain.Dát stond de vriendschappelijke verhouding tusschen jongens en meisjes in den weg; niet, dat ze vaak dronken waren in de eerste plaats, maar ’t feit, dat andere vrouwen op ’n andere manier in hun leven gedrongen waren, en ze daarom geen achting, geen zuiver, hartelijk gevoel meer konden voelen voor eenig meisje, want hun gedachten waren vol van wat laag en afschuwelijk was.O, wat wás de wereld leelijk, en wat deed ’t weten ’n pijn. ’t Was net, of ze haar heele leven geslapen had, en nu opeens, wakker geschrikt,de onwaarheid van haar mooie droomen besefte; ’t was, of ze al lang in ’n modderpoel was rondgegaan, en nu pas zàg, waar ze was verdwaald.Het zien van Rolands had haar niet diep getroffen. Het was even pijn geweest, maar wat wist ze van z’n leven, en hoe kon ze er zich indenken, hoe z’n liefde zou zijn? Maar Eddy’s liefkoozingen had ze gevoeld in haar droomen; ze wist, hoe z’n oogen keken, wanneer hij teeder was; ze zag de zachte gebaren van z’n streelende handen, en nu dit alles, haar lang-gedroomde schat, aan ’n ander werd gegeven, als ’n nietswaardigheid; nu haar hoogste geluks-verlangen was neergestort bij den vreeselijken aanblik van het tot bespottelijk-karikatuur misvormde beeld van haar ideaal,—nu doorvoelde ze plots de diepte van ellende van ongelijke moraal van twee naar gelijkheid strevende geslachten, en duizelend van haar eigen misstanden-peilende helderheid, hield ze het hoofd in de handen, en kreunde om haar gewond, beleedigd vertrouwen.“Als je maar altijd ’t allerleelijkste van de menschen denkt, als je je maar nooit door idealisme laat verleiden, dan krijg-je ’t meeste gelijk in de wereld. De oude, wantrouwende menschen hebben gelijk, de misanthropen hebben gelijk,” prevelde ze bitter, “en wie vertrouwt en liefde geeft, zal net zoo lang gemarteld worden, tot hij wijzer geworden is. “Zoo ís de wereld eenmaal,” zeggen de ouderen altijd. Hoe heb ik ze gehaat, om hun hard en liefdeloos oordeel. Ik voelde, dat ’t niet waar kon zijn; en nu....”Ze begon in Frieda’s kamer op en neer te loopen, en bleef lang voor de bul van L. V. staan; het was ’n groot papier met ’n gewichtig-uitziend zegel opden hoek, en er stond met dikke letters gedrukt: Virginem ornatissimam Friedam Vervoort, enz.; onderaan de drie handteekeningen van het bestuur, den datum en ’t jaar in Romeinsche cijfers. Onwillekeurig trachtte ze het in gewone over te brengen, en onderwijl herinnerde ze zich, hoe het alles was begonnen, dien avond op z’n kamer, hoe ze in ’m was opgeleefd zonder eenige terughoudendheid, terwijl intusschen z’n gedachten vol leelijke dingen, o ze wist ’t nu, moesten geweest zijn. Wie weet, wat hij van haar en haar dringende openheid had gedacht; of hij niet met anderen over haar verlangen, voor állen iets te zijn, had gelachen. Hoe schaamde ze zich, dat ze zich had laten gaan, en haar mooiste gevoel misschien tot spot gemaakt. En al zei ze weer: “nee; zóó slecht kan hij niet zijn; hij was toch eerlijk tegen me, al wilde ik het niet begrijpen”,—hoe wist ze, in hoeverre ze nu nog iemand vertrouwen kon; hoe wist ze, of niet de heele wereld één afschuwelijke leugen was, waar de menschen toch maar mee doorleefden, omdat het nu eenmaal zoo gewoonte was...Toen het drie uur sloeg door de stilte, stond ze nóg voor ’t raam in de duisternis te staren. Het olielampje achter haar rug was bijna leeggebrand, en ze zei ’t zich, dat ze nu maar naar bed moest gaan. Maar de roerloosheid van de kamer, de gevoellooze rust van het heele huis, deed haar de schouders ophalen: waarom eigenlijk; wie kon ’t iets schelen, of ze hier heen en weer liep, in angst en verbijstering, of naar haar bed toe ging? Wie mérkte ’t zelfs? Iedereen sliep. En wat kwam ’t er voor haarzelf op aan, of ze hoofdpijnzou hebben morgen; wat kwamen alle dingen van alle verdere dagen er op aan?Ja, natuurlijk; ze moest examen doen; ze moest promoveeren en ’n betrekking krijgen, om voor zichzelf te kunnen zorgen; ’n ander zou ’t niet doen. Ze moest verdienen, om te kunnen leven, of eigenlijk: bestaan. Ze wist niet, waarvóór. Wist die vrouw, die toch ouder was dan zij, en die.... dienzelfden avond, maar hoe lang scheen ’t al geleden,—had gesproken van ’n toekomst, ’n omwenteling, dan niet, dat de ménschen slecht waren, en dat daar geen veranderde staat voor hielp? En ze had wel gepraat van verandering van de leugen-moraal, maar wat hielp ’t, als de mannen van aanleg ontrouw waren, de meisjes trouw? Of die misschien alleen uit noodzakelijkheid?Ze wist ’t niet meer, ze wist niets meer. Van wat, dat ze vroeger hoog en heilig had gehouden, kon ze nú nog zeker zijn, nu het hoogste van haar leven schijn was gebleken?
Drie dagen later was Go bij Frieda en Mary Bruining ingekwartierd. Voorloopig kreeg ze alleen maar ’n zit-slaapkamer, omdat er nog iets verbouwd moest worden, vóór de meisjes met hun drieën de heele verdieping konden betrekken, maar Gerard had er zoo op aangedrongen, dat Go dadelijk verhuizen zou, dat Mary en Frieda beide hadden gezegd, dat ze zoo vaak in haar kamer kon komen zitten, als ze wilde, en als ’n droom zoo vlug was alles gegaan: Frieda had haar dien middag dadelijk meegenomen om bij haar te eten; den volgenden dag hadden zij tweeën en Lou en Coba alles gepakt en de breekbare waar zelf overgedragen, en nog geen vier maanden, nadat ’t binnengedragen was, was haar heele huishouden weer uit de donkere straat weggereden naar de lichte Jan-van-Goyenkade, met ’t wijde uitzicht over water en land, en de vroolijkheid van meisjes-huishoudentjes in de zonnige huizen.
Gerard was in de wolken, dat ze nu zoo prachtig onder dak was gebracht, niet langer alleen—“het wàs geen kind om alleen te laten,” maar mettwee aardige, verstandige meisjes, die voor haar zorgen zouden en lief voor haar zijn. Ook haar moeder had enthousiast over de gunstige verandering geschreven en gesproken. “Ik begrijp wel, kindje, dat je, zoo heel alleen, behóefte hadt aan gezelligheid, zoowel van vrienden als van vriendinnen. Maar ik ben toch wel bang, dat de bezoeken wat erg druk zijn geloopen den laatsten tijd. Dat zal nu heelemaal anders worden; jullie maaltijden met je drieën geven veel meer de gezelligheid van een huishouden. Je kunt met je drieën bezoeken ontvangen...”
Iedereen was tevreden en voldaan over de schikking, maar Go, nadat de eerste roes van nieuwigheid voorbij was, nu ze als gewoon huisgenoot was opgenomen, ze voelde ’t wel: voldaan was zíj niet. Ze zat voor Frieda’s schrijftafel en staarde over het kale, wijde land, en, de ellebogen op haar boeken, redeneerde ze met zichzelf: “Het kwam dus niet door de kamer, en niet door de eenzaamheid, dat onrustige, onbevredigde gevoel. Het komt uit m’n eigen hart, en daarom kan niemand er iets aan verhelpen... Want deze kamers zijn licht, en aan elken maaltijd en ’s avonds ook, zijn Mary en Frieda er, met hun hartelijke gezichten en opgewekte gesprekken, en ik zit er zwijgend bij, en voel, dat ’t me niet schelen kan. En als Gerard vraagt, hoe deze levenswijze me nu bevalt, dan kan ik lange verhalen van lof houden; maar ik wéét ’t alleen met m’n verstand. In mijn hart voel ik ’t anders. Dit samenwonen is uitstekend, en ’t moest veel meer door jongens worden gedaan; ik zou wel willen, dat Gerard en Han en Eduard ergens met hun drieën gingen wonen. Dat zou voor Eddy zooveel beter zijn,dan zou hij misschien wel weer anders worden... en dan zou ik ook weer kunnen voelen, dat ’t leven prettig is.”
Ze legde haar handen nu voor haar oogen om aan z’n laatste bezoek te denken; hij was op de vergadering zoo koel tegen haar geweest, zoo anders dan de anderen, die nog onder den indruk van Hans waren. Hij had alleen even met ’n naren lach gezegd: “Voor menschen, die pessimist praten, hoef-je niet bang te zijn; juist de opgewekten maken er opeens ’n einde aan,” en uit ’n paar losse woorden van Rolands had ze gemerkt, dat er weer druk gefuifd werd in hun clubje. Bij ’t weggaan had ze toen gevraagd, of hij ’s op haar nieuwe kamer kwam, en toen hij ontwijken wilde, er beslist op aangedrongen, omdat ze ’m noodig spreken moest.
Zoo was hij ’n avond in Frieda’s kamer ontvangen, maar er was geen stemming, geen harmonie geweest. Go had gemerkt, dat Mary en Frieda geen van beide vóór z’n bezoek waren, ze had zich onzeker en gegêneerd gevoeld, en hij had niets gedaan om ’r tot kalmte te brengen: hij was heen en weer blijven loopen, had de fotografieën en beeldjes bekeken, en steeds over allerlei onverschillige dingen gepraat.
Na ’n kwartier had hij al weer weg gewild. Ze kon ’m niet laten gaan; ze moest toch zeggen, dat ze ’t zoo akelig vond...
“Waar ga-je heen?”
Hij moest naar de kroeg, afgesproken met vrienden...
“Waaróm nou? Ik heb je al zoo lang niet gezien.”
Ja, maar ze zouën spelen, kaarten...
“Hè nee, Eddy, doe ’t niet.”
Er had in z’n oogen dat ongeduld gebrand, dat haar altijd even bang maakte: “Natuurlijk zal ik gaan.”
“Ja maar, ’t is zoo verkeerd; jullie spelen om geld.”
“Ik hoop zelfs veel te winnen; daarom ga ’k eigenlijk. ’n Lastige beer.”
“Je kunt toch onmogelijk zoo heel veel winnen op ’n avond.”
“Twintig, vijf-en-twintig gulden is ook al genoeg. ’k Moet ’t hebben.”
“Dus dáárom alleen?” En ze was naar de kast gegaan, en, smeekend, dat hij niét boos zou worden... ’t was wezenlijk beter.... had ze ’m het bankbiljet van vijf-en-twintig gegeven, terwijl hij weifelde, ontroerd keek.
“Ik schaam me, Go,” had hij alleen gezegd, en toen was hij gauw weggegaan, en ze had ’m niet weerhouden, omdat ze voelde, hoe pijnlijk ’t voor beide zijn zou, nog samen te blijven.
Den volgenden middag had ze geen vleesch gewild aan de koffie. Of ze vegetariër werd?—Nee, ’t was zuinigheid; haar maandgeld was op....
Mary had haar even doordringend aangekeken, toen luchtig gezegd: “Mooi zoo! Enfin, Frieda en ik hébben nog ’t onze. Eet dus gewoon mee; zoo sterk ben-je niet.”
En daarna had ze niets meer van ’m gehoord of gezien. Zelfs niet op de laatste vergadering van L. V.; Rolands had zoo iets gepreveld, van dat hij uit moest, maar Gerard had er dadelijk over heen gepraat, en hij was beboet “wegens niet verschijnen ter vergadering, zonder hiervanvooruit schriftelijk kennis te geven,” en “wegens niet inleveren van z’n verplichte werkzaamheid.”
’n Vergadering zonder hém had geen doel, en ’t had Go toegeschenen, of ze allemaal maar hadden zitten praten, om met hun woorden de leegte te bedekken, en eigenlijk leek haar heele leven haar tegenwoordig zoo, vooral als ze ’n middag alleen zat in de kamer, met haar boeken. Wat moest dat allemaal nu eigenlijk? Wat had het met haar geluk of ’t heil van de menschheid te maken, of ze al wist, hoeveel uitgaven er van Maerlants strofische gedichten bestonden, of wat voor invloed de eerste en tweede klankverschuiving hadden gehad? En nu kon-je zeggen: dat had-je nu eenmaal in iedere studie, of je rechten nam, of medicijnen, of scheikunde: altijd moest je eerst ’n massa concrete kennis vergaderen, waar je ’t nut niet zoo dadelijk van inzag. Maar dat was ’t hier niet alleen; als ze dóór dacht over later, wat er zou gebeuren, als ze dit nu allemaal wist, als ze haar candidaats en haar doctoraal had gedaan, en dan ook nog ’n boek, ’n dissertatie, had geschreven,—dan sloeg haar eerst recht de schrik om ’t hart. Dan zou ze de hier vergaderde wijsheid gaan onderwijzen op ’n burgerschool of ’n gymnasium, of op ’n bibliotheek als archivaris studeeren in perkamenten, dag in dag uit, òf aan “het woordenboek” ’n baantje krijgen, bij gratie, en de rijkste jaren van haar leven besteden b.v. aan de letterp. En nóóit, nóóit zou ze, als de studenten van andere vakken, in ’t werkelijke leven kunnen ingrijpen en nuttig worden; nooit zou ze direct met “menschen,” menschenléven, te maken hebben, zooals ’n dokter, ’n advocaat. Zelfs nooit haar hánden kunnen gebruiken, zooalsMary, die kookte en knoeide op ’t laboratorium, die zoo heerlijk moe kon zijn, nadat ze ’n middag gestaan had. Voor haar waren er niets dan boeken, die naar andere boeken verwezen, en altijd weer boeken, waar niets achter was, en niet kòn wezen. ’t Was immers zuivere wetenschap, alleen òm de wetenschap, zooals: l’art pour l’art. Dat had ze eerst juist zoo mooi, zoo groot gevonden, voor gedachten te leven, in ideeën; maar nu, nu ze lange uren er zich aan begon te geven, m’n God, nú voelde ze, dat ze jong was en krachtig, dat haar lichaam niet wilde vegeteeren, dat haar spieren trokken van ongeduld bij al dat stil zitten studeeren; en dat ze benijdde, o, benijdde met hart en ziel, de bedrijvige wereld, beneden op straat, de meisjes, die kleeden klopten in de zon, met flink beweeg van de stevige armen; de jongens, die zware schuiten voortboomden, met groente, met turf; iedereen, die z’n lijf inspannen kon, z’n kracht uiten.
“Het Comburgsche HS; het Zutfensch-Groningsche HS, het HS der Pelgrimage van der mensceliker creaturen, de Heidelbergsche fragmenten....” Ze zette zich opeens op, en ’t bloed vloog naar haar hoofd: ’t was om dól van te worden, zoo’n heele middag zitten, terwijl vlak voor de deur ’n schuit met steenen werd afgeladen, en al die menschen zich bukten, en sjouwden en zwoegden in den frisschen winterdag, met de kou tegen hun warme lijven. Ze móest ook iets doen. En met ’n ruk sjorde ze de ramen open, begon de kussens van Frieda’s canapé uit te slaan op de vensterbank, ofschoon ze wist, dat dat eigenlijk overbodig werk was, want ze had tegenwoordig zoo dikwijls ’n bui, dat ze opeens iets móest doen, en dan gingen de kussensen de kleedjes er altijd ’t eerst aan. Al haar handschoenen waren ook heelemaal schoon, en ze schommelde in de laden van Frieda en Mary; daar was wel wat te doen: warm water maken, zeep raspen, goddank, nu leefde ze weer, in de koele lucht, met de beweging; lekker, zoo met haar handen in ’t warme sop voor ’t raam te staan; de waschkom kantelde wel wat op de vensterbank, maar ’t zou wel houden, en de wind was zoo frisch tegen haar gezicht. Was de slang met ’t aansteken zooeven ’n eindje van ’t comfoor afgegleden? O, nee, Frieda had al meer over gaslucht geklaagd; ze rook het nu ook, nu ze er dicht bij was;—ze zouden—hé, daar was Ru Bruining, met z’n fiets.
“Mary is niet thuis, Ru.”
“Zóó. Zou ’t nog lang duren?”
“Nee. Binnen ’n kwartier zal ze er wel zijn.”
“O, dan kom ’k toch maar even boven; ik heb ’n pakje van huis gekregen, met ook iets voor haar; ’n das of ’n strik; ik weet niet precies.”
Ze hoorde ’m de fiets in de gang zetten, toen z’n vlugge stappen op de trap. Het was zoo’n kordaat kereltje, niet groot, maar breed gebouwd, rechtop en energiek, met kleine, sterke handen, en ’n kop met ’n wil.
“Goeienmiddag. Wat voer-jij uit?”
“O, ik wasch handschoenen. Geef jij me misschien ook de clandisie?”
“Nee, die draag ik nooit. Je mag er wel wat opleggen, dat ze niet wegwaaien, als ze gedroogd zijn.”
“Ja. Zeg, Ru, ruik-jij geen gaslucht, daar in dien hoek?”
“Nee, ’k ben verkouden. Ja, hier toch; ’t zit bij ’t kastje.”
“Niet aan de slang? Frieda klaagt er al langer over. We zullen ’s ’n man van de gasfabriek....”
“Laat mij ’s kijken; mag ’t tafeltje even weg?”
“Pas op; geen lucifers, Ru,... je vliegt in de lucht....”
“Nee, wacht maar; zoo erg is ’t niet. O, kijk; deze schroef zit los. Je hebt hier zeker geen gereedschap.”
“De juffrouw zal wel....”
“Och, ik kan het wel met m’n fietssleutel.”
Hij was al weg, om dien van beneden te halen, heelemaal in z’n werk verdiept; en Go keek met welgevallen, hoe hij zich boog, schroefde, z’n kracht spande, dat ’t bloed roodend naar z’n voorhoofd liep, tot onder z’n stug, blond haar.
“Kom nu ’s ruiken. Wat denk-je er van?”
“Ik ruik niets,” snoof Go behagelijk. “Wat leuk, dat je ook van zulke dingen verstand hebt, zeg. Zoo ’s practisch iets doen, dat kan bijna geen een student.”
“Dat komt door de stomme verdeeling van den arbeid. Er is ’n klasse menschen, die hun lichaam óver-aftobben, en geen tijd voor eenige ontwikkeling overhouden, ook geen kracht en geen lust; en aan den anderen kant staan wij, de z.g. bevoorrechten, maar die even goed zelf ook lijden door de misstanden, die we in onze kortzichtigheid toch niet opgeven willen; wij, die ons suf en stomp werken met ons hoofd, en onze spieren als niets-nut moeten laten verslappen.”
“Hè ja,” zei Go gretig, “ik had vanmiddag zoo graag ’s met dien steenensjouwer geruild;—hij hier ’s wat uitrusten en ik me ’s weldadig moe maken. Je hebt gelijk; ’t is ’n domme indeeling.”
“We kunnen er natuurlijk zelf wel wat aan verhelpen. Ik woon daar nu buiten, en als ik ’s twee uur gewerkt heb in Hesiodus of Isocrates, dan ga ’k eens naar m’n kooltjes kijken, of neem de geit mee wandelen; maar dat is maar spielerei, en aardig voor mij persoonlijk. De gemeenschap heeft er geen nut van, zooals ’t zou zijn, wanneer de verhoudingen beter georganiseerd waren.”
Ja, Mary heeft wel ’s verteld, je hebt daar ’n eigen huisje, hè, en je doet alles zelf.”
“Zoowat, ja; kom ’s kijken, als je lust hebt, met Mary. Er is nu niet veel om jullie mee te geven: vroeger heb ik ’t huishouden hier wel ’s van boontjes of aardbeien voorzien.”
“Aardbeien! O, heerlijk! Mogen we dan van den zomer nog ’s komen? En je hebt ’n roeiboot, niet?”
“Ja, en ’n kraai en ’n paar kippen, en konijntjes. Je zult ’t wel grappig vinden, denk ik.”
“Hè, zalig zoo buiten wonen....”
Mary vond hen in druk gesprek bij het open raam. “Zoo broertje!”
“Dag Mary, ik breng iets van moeder voor je mee.”
“O, de das, dank je.”
“Zeg Mary, Ru vraagt, of ’k vanavond mee ga naar de lezing van Mevrouw Roland Holst. Doe-jij ’t ook?”
“Nee, Go, ik kan niet. Maar doe ’t. ’t Is zeker mooi, en ’t zal je opfrisschen.”
“Natuurlijk,” pleitte Ru. “Dát is ’n vrouw! Ik voel me niet gauw klein bij iemand, maar bij háár....”
“Wat is hij toch altijd opgewekt,” zuchtte Go, toen Ru weer naar “de boerderij” was. “Je voeltje al anders, als hij de kamer maar binnenkomt.”
“Dat komt, omdat hij sociaal-democraat is,” antwoordde Mary, de handschoenen naar binnen hengelend.
“Dan is dat toch ’n mooie overtuiging, als ’t je zoo levens-tevreden maakt.”
“Ach, dat doet natuurlijk ieder wezenlijk geloof.” Maar Go luisterde niet. ’t Was net, of er iets prettigs gebeuren ging, iets met Eddy, zoo opgeleefd was ze opeens, door dat gesprekje, door ’t vooruitzicht van de lezing: misschien zou hij er ook zijn,—ofschoon sociaal-democratie—’t was niets voor hem; misschien zou er gauw ’n brief komen, of hij dàcht nu aan haar; ze wist niet, wat ze verwachtte, maar haar bloed stuwde krachtig door haar verwachtende hoofd, ze vóelde, dat ’t toch zoo maar niet opeens uit kon zijn, tusschen hem en haar, en terwijl ze zich waschte en ’n héél klein beetje toilet maakte,—ze mocht niet te mooi wezen, ’t zou iets van gelijkheid zijn, dacht ze,—zong ze aldoor die bemoedigende spreuk voor zich heen, die uit ’n droge kolom van het middelnederlandsch woordenboek haar plots toegegeurd had en die haar nu zóó sterkte:
»Dat nemmer man en was so wilde,Een vrouw diene met smeekene hilde.”
»Dat nemmer man en was so wilde,
Een vrouw diene met smeekene hilde.”
Ze zoù ’m houden, al trachtte alles hem van haar af te trekken; door haar liefde alleen.
Ze liepen samen terug door de stille straten, beide warm van opwinding, gedragen op hun bewondering, hun extase over dien avond.
“Nog nooit heb ik zoo iets gehoord,” zuchtte Go, “en ’k had ’t heelemaal niet gedacht, toen zepas opkwam. Niet eens sympathiek, vond ik, en geen mooie stem....”
“Er is niets heerlijker, dan mee te gaan, op te gaan in haar geestdrift en bezieling. Ze electriseert de menschen eenvoudig, en níet door stijl-effecten, niet door woorden-klinkklank, maar alleen door haar overtuiging, en haar passie om anderen te overtuigen.”
“O, Ru, ik ben zoo blij, dat je me meegenomen hebt. Ik weet er heelemaal niets van, van socialisme of anarchisme of al die dingen; maar ’t is net, of ik nu weer harder m’n best zal doen om goed te zijn.”
“Ja, die opwekking geeft ze zeker ieder: ’n behoefte eerlijk en zuiver te zijn, in alles, ook in je intiemste gedachten; ’n behoefte te werken, nooit bij de pakken neer te zitten.”
“Laten we nog ’n endje omloopen, de avond is zoo heerlijk, en ik voel zoo’n kracht; ik zou toch niet kunnen slapen.”
“Als we nu maar ’s dadelijk met wat moeilijks beginnen konden, hè, ’n groote opoffering, ’n heldendaad. Maar ’t lastige is ’t vuur brandend te houden in ’t gewone doen van alle dag, ook als we onder kleine en groote zonden leven.”
“Maar ’t helpt toch zeker, zoo’n avond, en de beloften, die je jezelf dan doet.”
“’n Mooi gevoel is niet verloren,” zei Ru, maar Go keek strak voor zich uit. Ze waren nu op de Stille Rijn en van de brug zag ze twee menschen komen, ’n jonge man en ’n meisje, die dicht bij een lantaarn, tegen elkaar geleund, bleven staan. Zij, die in ’t donker liepen, zagen hen hel belicht; Go onderscheidde ’t grijze hoedje op ’n bos ros-blond haar, het beige manteltje,waarom ’n zwarte arm lag. De man was lang en slank, hij droeg ’n slappen hoed; zwart haar.... o, God, en z’n gezicht was bleek, maar z’n oogen straalden.... Hij keek in ’t gezicht daar beneden hem, en boog zich, en z’n hand was op haar schouder; maar toen ze de voetstappen hoorden, liepen ze door langs den donkeren waterkant, en z’n stap, even sleepend, klonk door haar hakgekletter heen....
“Scheelt er wat aan, Go?”
“Nee. Wat koud.” Haar lippen weigerden bijna, maar Ru scheen ’t niet te merken.
“Laten we dan gauw naar huis toe gaan. Je ziet zoo vreeselijk bleek.”
“Ja. ’t Is ook mistig, kijk.” En ze staarde over het water, waar de booten met hun roode lichtjes lagen, en terug naar de donkere, stille gracht, waar ze nu samen zouden zijn.
“Ik begrijp niet,” begon Ru weer over de lezing, “dat er niet veel studenten waren vanavond. Natuurlijk wel de partij-leden, maar dit was toch iets, dat iedereen goed zou hebben gedaan.”
“Och, ze hebben zooveel andere dingen.” Ze liep steeds sneller om maar thuis te zijn.
“Maar nergens leeren ze ’n historischen kijk op de wereld krijgen.... Als je die kerels soms hoort beweren—” Nu was hij op z’n stokpaardje, praatte door tot bij de deur, waar hij weer verschrikt zei: “God, Go, je hébt toch niets? je ziet er zoo ellendig uit; kan ’k niets voor je doen; iets halen?”
“’t Is alleen de kou....” En ze klappertandde. “Nacht Ru! Ik dank je wel.”
Ze knikte nog even op de stoep; sloot toen langzaamde deur en deed er den grendel en de knippen op. Iedereen was al naar bed, en met de kleine olielamp ging ze langzaam, tastend, de trap op, naar Frieda’s kamer, waar nog wat kachelwarmte en theegeur hing. Ze zette de lamp neer, en wist opeens niet meer. Onderweg had ze hevig naar ’t oogenblik van alleen-zijn verlangd. Nu stond ze als te wachten. Er was iets ergs gebeurd; er was iets gescheurd van binnen; maar wat moest ze nu hier alleen in die kamer? Ze had nog geen pijn; ’t was te scherp geweest. Ze wou even zich herinneren, hoe ’t maar weer precies was gebeurd: ze liep naast Ru, en was moedig, en had honderd groote en dappere plannen in haar hoofd; toen kwamen er twee de brug af, en ze vermoedde zonder woorden; ze voorvoelde; ’t was als het bewustzijn van één, die vallen gaat, diep, dood;... ze had gekeken, strak, naar één punt, en het was duidelijker geworden;—háár Eddy was even tusschen het dreigende beeld komen schuiven, hij, met z’n belovende oogen, z’n streelende lach; toen was hij er mee samen gevallen: z’n lach naar ’n ander, de belofte aan ’n ander....
Nu waren de tranen er, opeens in ’n stroom over haar strakke gezicht; ze stond met haar hoofd tegen den muur als om zich op te houden, en trillend over haar heele lichaam, fluisterde ze: “Hoe kòn-je, hoe kòn-je! O, Eddy, wat bén-je slecht. Ik had het nooit gedacht....” En als ze even stil was geweest, barstte dadelijk haar snikken weer heviger uit, tot ze uitgeput op de canapé viel en daar onbeweeglijk bleef zitten, in de donkere kamer starend, waar alleen ’t olielichtje ’n spokig schijnsel door wierp.
Zoo was dus het leven; en dít de liefde, waar ze zoo naar had verlangd. Zoo waren de menschen, die ze had vertrouwd; hij, hij, de aller-liefste, deed zulke dingen. En dat hoorde zoo. De ouderen wisten het; er veranderde niets om op de wereld; zooals Rolands gewoon in hun clubje was teruggekomen, zoo zou hij de volgende keer weer één der hunnen zijn, met z’n zingende stem, met z’n lieve manieren. Niemand zou iets van ’t gebeurde aan hem kunnen zien;....deden ze dan misschien allemaal zoo: Hoefman en Otto en Han—en Gerard ook? Wien kon ze nú vertrouwen, nadat ze hem zoo gezien had!
O, ze had er wel eens over hooren praten en er van gelezen, van het leven van jongelui, en dat ’t zoo anders was meestal, dan ’t scheen aan den buitenkant, en ze had niet gedacht, dat de menschen, die zoo oordeelden, logen of zich vergisten, maar wèl: dat ze over ’n ander soort jongens praatten, dan zíj kende. Háár vrienden had ze altijd geheel als zichzelf vertrouwd, en toen Eddy dien middag in het laantje had gezegd: “Ja, zoo zijn we, wij, studenten; zoo zijn we haast allemaal”, had ze wél de pijn gevoeld, dat hij ook wel ’s iets kwaads gedaan zou hebben, ’s lief gedaan tegen ’n meisje; maar nú toch zeker nooit meer, nu hij háár kende. En ze had zich ook niet voor kunnen stellen, dat hij ooit erg intiem met zoo iemand kon zijn geweest;—misschien ’s tegen ’r gelachen,—dat was al erg genoeg, z’n mooie lach;—misschien ’s een endje met haar opgeloopen, maar hoe kon hij, de ontwikkelde, beschaafde, over-verfijnde, voor wien zij zich vaak te grof en te onwetend had gevoeld, wezenlijk behagen vinden in ’n burgerlijk, onbeschaafdschepsel, zoo een, die Leidsch dialect sprak, met ’t leelijke zangetje, en niets had gelezen; die bovendien niet wezenlijk van ’m houden kon.
En tòch, ze had het gezien, het wàs zoo: hij gáf haar zijn liefkoozingen, hij verdiepte zich in haar wezen. O, nu begon ze te begrijpen de tragedie van vrouwenliefde in zooveel boeken, die altijd zooveel roerender dan mannen-désillusies was. Nu begon ze iets te voelen van de wanverhoudingen tusschen het meisje, dat wacht en hoopt, om zich geheel aan den man, dien ze liefheeft, te kunnen wijden, en den man, die minnarijen zoekt, die hem direct voordeel en bevrediging geven, zonder al de zorgen en ’t bindende van ’n huwelijk met ’n vrouw van dezelfde ontwikkeling, die hooger eischen stelt. En als hij dan eindelijk toch naar ’n eigen huis, ’n familie verlangen gaat, met hoe verschillende idealen, met hoe ongelijke verwachting, gaan de twee dan het nieuwe leven in: het meisje, dat al, wat ze bezat, heeft bewaard en vermooid, ’t hem nu bevend wil geven; hij, al moe, en gedésillusioneerd, met herinneringen, die schrijnen en bezoedelen, vaak met ’n ontveinsd dédain.
Dát stond de vriendschappelijke verhouding tusschen jongens en meisjes in den weg; niet, dat ze vaak dronken waren in de eerste plaats, maar ’t feit, dat andere vrouwen op ’n andere manier in hun leven gedrongen waren, en ze daarom geen achting, geen zuiver, hartelijk gevoel meer konden voelen voor eenig meisje, want hun gedachten waren vol van wat laag en afschuwelijk was.
O, wat wás de wereld leelijk, en wat deed ’t weten ’n pijn. ’t Was net, of ze haar heele leven geslapen had, en nu opeens, wakker geschrikt,de onwaarheid van haar mooie droomen besefte; ’t was, of ze al lang in ’n modderpoel was rondgegaan, en nu pas zàg, waar ze was verdwaald.
Het zien van Rolands had haar niet diep getroffen. Het was even pijn geweest, maar wat wist ze van z’n leven, en hoe kon ze er zich indenken, hoe z’n liefde zou zijn? Maar Eddy’s liefkoozingen had ze gevoeld in haar droomen; ze wist, hoe z’n oogen keken, wanneer hij teeder was; ze zag de zachte gebaren van z’n streelende handen, en nu dit alles, haar lang-gedroomde schat, aan ’n ander werd gegeven, als ’n nietswaardigheid; nu haar hoogste geluks-verlangen was neergestort bij den vreeselijken aanblik van het tot bespottelijk-karikatuur misvormde beeld van haar ideaal,—nu doorvoelde ze plots de diepte van ellende van ongelijke moraal van twee naar gelijkheid strevende geslachten, en duizelend van haar eigen misstanden-peilende helderheid, hield ze het hoofd in de handen, en kreunde om haar gewond, beleedigd vertrouwen.
“Als je maar altijd ’t allerleelijkste van de menschen denkt, als je je maar nooit door idealisme laat verleiden, dan krijg-je ’t meeste gelijk in de wereld. De oude, wantrouwende menschen hebben gelijk, de misanthropen hebben gelijk,” prevelde ze bitter, “en wie vertrouwt en liefde geeft, zal net zoo lang gemarteld worden, tot hij wijzer geworden is. “Zoo ís de wereld eenmaal,” zeggen de ouderen altijd. Hoe heb ik ze gehaat, om hun hard en liefdeloos oordeel. Ik voelde, dat ’t niet waar kon zijn; en nu....”
Ze begon in Frieda’s kamer op en neer te loopen, en bleef lang voor de bul van L. V. staan; het was ’n groot papier met ’n gewichtig-uitziend zegel opden hoek, en er stond met dikke letters gedrukt: Virginem ornatissimam Friedam Vervoort, enz.; onderaan de drie handteekeningen van het bestuur, den datum en ’t jaar in Romeinsche cijfers. Onwillekeurig trachtte ze het in gewone over te brengen, en onderwijl herinnerde ze zich, hoe het alles was begonnen, dien avond op z’n kamer, hoe ze in ’m was opgeleefd zonder eenige terughoudendheid, terwijl intusschen z’n gedachten vol leelijke dingen, o ze wist ’t nu, moesten geweest zijn. Wie weet, wat hij van haar en haar dringende openheid had gedacht; of hij niet met anderen over haar verlangen, voor állen iets te zijn, had gelachen. Hoe schaamde ze zich, dat ze zich had laten gaan, en haar mooiste gevoel misschien tot spot gemaakt. En al zei ze weer: “nee; zóó slecht kan hij niet zijn; hij was toch eerlijk tegen me, al wilde ik het niet begrijpen”,—hoe wist ze, in hoeverre ze nu nog iemand vertrouwen kon; hoe wist ze, of niet de heele wereld één afschuwelijke leugen was, waar de menschen toch maar mee doorleefden, omdat het nu eenmaal zoo gewoonte was...
Toen het drie uur sloeg door de stilte, stond ze nóg voor ’t raam in de duisternis te staren. Het olielampje achter haar rug was bijna leeggebrand, en ze zei ’t zich, dat ze nu maar naar bed moest gaan. Maar de roerloosheid van de kamer, de gevoellooze rust van het heele huis, deed haar de schouders ophalen: waarom eigenlijk; wie kon ’t iets schelen, of ze hier heen en weer liep, in angst en verbijstering, of naar haar bed toe ging? Wie mérkte ’t zelfs? Iedereen sliep. En wat kwam ’t er voor haarzelf op aan, of ze hoofdpijnzou hebben morgen; wat kwamen alle dingen van alle verdere dagen er op aan?
Ja, natuurlijk; ze moest examen doen; ze moest promoveeren en ’n betrekking krijgen, om voor zichzelf te kunnen zorgen; ’n ander zou ’t niet doen. Ze moest verdienen, om te kunnen leven, of eigenlijk: bestaan. Ze wist niet, waarvóór. Wist die vrouw, die toch ouder was dan zij, en die.... dienzelfden avond, maar hoe lang scheen ’t al geleden,—had gesproken van ’n toekomst, ’n omwenteling, dan niet, dat de ménschen slecht waren, en dat daar geen veranderde staat voor hielp? En ze had wel gepraat van verandering van de leugen-moraal, maar wat hielp ’t, als de mannen van aanleg ontrouw waren, de meisjes trouw? Of die misschien alleen uit noodzakelijkheid?
Ze wist ’t niet meer, ze wist niets meer. Van wat, dat ze vroeger hoog en heilig had gehouden, kon ze nú nog zeker zijn, nu het hoogste van haar leven schijn was gebleken?