Hoofdstuk XIX.

Hoofdstuk XIX.’n Paar dagen later kwam ze lusteloos en bleek Mary’s kamer in. Ze had lang, half-wakker, in haar bed liggen woelen, en zich nu eindelijk, zonder zorg, ’n beetje aangekleed, om in de rustige, blauwe kamer, die uitzag in den tuin en over de kale boomen, wat vrede te zoeken, dien ze nergens vinden kon. Die kamer had altijd ’n bizonderen invloed op haar; de meeste meisjes vonden ’m somber en kwamen liever in Frieda’s “zonnepaleis,” dat ook lichter en levendiger was gestoffeerd; maar Go hiéld van die doffe kleuren en sobere lijnen; Mary’s eigen rustig en harmonieus wezen weerspiegelde zich in de dingen om haar heen; en de stilte was er nooit beangstigend, maar ’t mooie zwijgen van twee, die elkaar volkomen begrijpen.“Mary, ik wilde zoo graag iets doen, en ik kan níet werken. Heb-jij ook iets voor me, te naaien of zoo, meen ik?”Mary had zich omgewend, zoodra de deur openging, en terwijl ze naar de kast liep om ’n rok te zoeken, waarvan het bezemband was afgetrapt, bewonderde Go weer haar dunne, rechtegestalte, die iets zwevends, iets symbolisch had, als de figuren van Toorop; en het kalm-ernstige gezicht, met de bijna-extatisch-groote, grijs-blauwe oogen, die zoo zuiver-koel en toch zoo innig konden kijken. En Go, die zelf lééd, omdat haar gedachten deze dagen telkens met ’t kwaad vervuld waren, zij ’t ook met ’n afschuw er voor; en die zich bezoedeld voelde door haar weten van zonde, sloeg schuw de hare neer, toen Mary bij haar kwam, en over haar gebogen zwijgend naar haar kijken bleef. Go voelde, hoe afgetobd en onrustig en onverzorgd ze er uitzag, en, nerveus de rok grijpend, vroeg ze om garen en ’n naald, verlangend de spanning te breken door gewone, alledaagsche dingen.Maar Mary stoorde er zich niet aan; ze zette zich naast haar in de vensterbank, en, opeens ’n besluit nemend, begon ze met haar diepe, donkere stem: “Gootje, je moet me ’s zeggen: ben-je vertrouwelijk met je moeder?”Er was geen ontkomen meer aan; Go vóelde, dat nu alles uitgezegd moest worden tusschen hen tweeën, en ze antwoordde zacht en weifelend: “Ik hou heel veel van moeder,... en vroeger heb ik ’r ook altijd alles verteld, en overal in raad gevraagd—en ze heeft me altijd begrepen. Maar nu ik hier ben, in dat àndere leven, bij menschen, die ze niet kent, en in toestanden, die ze zelf nooit heeft meegemaakt, nu voel ’k telkens, dat ze niet begrijpt, wat ik meen; nu verwart ze dingen en namen, en we merken ’t allebei, al zeggen we ’t niet: we zijn aan ’t vervreemden van elkaar, we ontgroeien elkaar.”Mary knikte. “Ik weet het wel, dat is het tragische in elke familie; de ouders leven voorde kinderen, maar de kinderen worden menschen voor zichzelf en leven in de toekomst. Dit komt te sterker uit, naarmate de verhouding vroeger inniger was. En al is ’t natuurlijk, en al is ’t “der lauf der welt”—iedere liefhebbende moeder, die haar kind van haar af voelt gaan, lijdt eronder, diep en hevig, alsof zij de eerste was, die met zoo’n vreeselijke ramp wordt getroffen. En voor ónze ouders is ’t wel ’t ergste; want die zién in hun kinderen de nieuwe levensrichting, de reactie tegen hún leven, en dat is nog moeilijker te begrijpen, dan dat de jeugd eenvoudig zelfstandig denken wil. Wij zijn nog min of meer voorloopers van ’n nieuwe beweging, en ’t geslacht, dat na ons komt, vindt z’n weg door ons gebaand....”“Ik weet niet,” viel Go uit, “misschien zijn wij wel op ’n dwaalweg. Ik geloof niet, dat ik licht ’n dochter van mij zal laten studeeren. Eerst als je ’t zelf hebt meegemaakt, weet je, hoeveel er tegen is.”“O, maar over vijf-en-twintig jaar,—en eerder zal jóuw dochter toch zoo ver niet zijn—” glimlachte Mary, “over vijf-en-twintig jaar is de toestand van ’n meisje hier al weer heel anders dan nu;... reken maar eens, hoe verschillend ze nu is van ’n tien jaar geleden. Toen was er geen club, geen vereenigingslokaal; er waren geen meisjeshuishoudingen, geen pensions, geen faculteitsvergaderingen—hier en daar in de stad zat ergens ’n eenzaam meisje op ’n triestige kamer; op college werden ze met verbazing geduld;—dat is nog geen tien jaar geleden; terwijl nu... Of meen-je dàt niet?”Go zweeg en keek voor zich uit: hoe kón zehet Mary van Eduard zeggen, en hoe kon ze éérlijk zijn, zónder het te zeggen? Toch snakte ze er naar, eindelijk haar hart, zwaar van zorgen en onzekerheid, eens voor iemand uit te storten, en haar oogen gingen hulpeloos naar Mary om steun.“Ik weet het niet, ik weet nu heelemaal niets meer. Toen ik Zondagavond bij moeder zat, heeft ze gehuild. Er was geen reden voor, maar ze zei opeens: “Wie weet, hoe kort ik nog maar leef, en dan heb ik je niet eens de laatste jaren bij me gehad.” En toen werd ik ook treurig en dacht, dat ik eigenlijk best zeggen kon, dat ik thuis komen zou, en iets anders beginnen. Zoo’n vreeselijk studiemensch ben ik toch niet; en ’t is niet van veel belang, of ik ’t één doe, of ’t ander. Heelemaal”—en ze haalde nerveus de schouders op—“kan het me niet meer schelen, de wereld, ’t leven, alles. Ik heb er genoeg van. Ik begrijp toch niet, waarvoor ’t allemaal dient.”“O, kindje,” zei Mary heel zacht, met haar hand over Go’s handen, en haar oogen vol medelij, “van ’t oogenblik, dat je bij ons kwam, heb ik al gevoeld, dat er wat aan haperde. Ik had je gezien, toen je hier aankwam, vol lust en overmoed en vertrouwen op je kracht; en jij was een van de weinige meisjes, die ik onthouden had. Je weet, ik kom bijna nooit op de club, ik houd van eenzaamheid en stilte. Het leven kan niet stil genoeg zijn voor mij, maar dat is heel iets anders dan het zwijgend broeden van jou, de laatste maanden, dat vol onrust is en disharmonie. Ik heb het aldoor gezien, maar ik dacht: ze zal er zich wel doorheen werken; ’tis ’n moedig kind; en je moet je vooral niet opdringen met hulp of steun;—maar ik heb al zoo lang gewacht, en het is, of het aldoor maar erger met je wordt; je ziet er zoo hopeloos uit, of je eigenlijk geen oplossing meer verwacht. En daarom moeten we nu doorpraten, Gootje; ik zou zoo graag willen, dat je open tegen me was.”Ze wachtte even en toen ze de verwarring zag op ’t vermoeide gezichtje, half wetend, half vermoedend, wat de aanleiding tot de verslagenheid zou zijn, al lag de oorzaak veel dieper, ging ze warmer voort:“Kijk, feiten en gebeurtenissen in het persoonlijk leven zijn natuurlijk bij meisjes-studenten, net als bij andere meisjes, geheel verschillend. Maar wat algemeene ondervindingen, inhaerent aan ’t student-zijn zelf aangaat, die moeten we allen gelijkelijk doormaken. En daarom zijn de oudere-jaars de aangewezen raadsvrouwen voor de pas aangekomenen, de jongeren. Dat is ook wel de bedoeling van het bestuur van onze club, maar in de praktijk staat nog al veel dit ideaal in den weg. Meisjes zijn nu eenmaal niet erg toeschietelijk, als ’t haar dieper leven betreft, en ik geloof niet, dat iemand in ziele-onrust licht naar de kamer van onze praeses of secretaris zal stappen, om haar hart open te leggen... Zoo iets moet toevallig, spontaan, vanzelf gebeuren, als je lang bij iemand hebt gezeten, die je heel goed kent... en de jaren, de faculteiten, blijven haast altijd gescheiden. De door ondervinding gegaarde wijsheid houdt ieder voor zich. Toch zou ’t menig droomstertje, dat opeens is wakker geschud, wel goed doen, als ze wist, dat we allemaal ’n heeleboel moeten doormaken, vóór we eigenlijk kunnen zeggen, dat we léven, en er zou minder gauw gewanhoopt worden, als de overwinning van anderen moed gaf.”“Toe, vertel me dan, hoe ’t anderen gaat,” vroeg Go, in spanning, zich heelemaal gevend aan ’t luisteren.“Wel, we komen allen van huis, onbezorgd en luchthartig, met duizend mooie plannen en droomen, maar zonder fond... en dan staan we opeens in het wezenlijke leven. Dat geldt natuurlijk zoowel voor jongens als meisjes, maar de meeste jongens hebben ’t corps, dat hun in fuiven en jool-maken de behoefte aan iets vasts vergeten doet, en ik geloof wel, dat dit een van de redenen is, waardoor jij meer verbijsterd en teleurgesteld bent, dan de meeste meisjes: dat je vol verwachting hier aangekomen bent, en van ’t begin af dié jongens ontmoet en met ze omgegaan hebt.”“Niet al m’n vrienden zijn zoo,” wierp Go tegen, aan Gerard en Hoefman denkend, maar Mary hield vast: “De meest beteekenenden, die invloed op je hadden, vulden dáármee de leegheid van hun leven aan, want ’t voelen van leegte, onvoldaanheid, teleurstelling, is dé ziekte van de bewustwordende jeugd. Het is ook zoo natuurlijk: thuis hoefde-je niet na te denken over je leven; alles ging er vanzelf, door de zorg van je ouders, en hun bescherming, die je voelt om je heen. Maar als je hier komt, dan slaat je eerst de vrijheid als ’n roes naar je hoofd; ik heb dat meegemaakt evenals jij. Maar op die bedwelming volgt óók de gewone “kater”; en de manier, waarop je dién ellendigen tijd te boven komt, beslist voor’n groot deel over je verder leven. Veel jongens, vooral corpsleden, hebben afleiding van allerlei aard, en als ze bang zijn om met zichzelf en hun eigen onvoldaanheid te vechten, dan pogen ze het te vergeten, op de kroeg, in hun clubs, of op ’n andere manier. Maar heel veel jongens en de meeste meisjes kunnen of willen den strijd niet bang ontloopen. Die bekennen zich, dat ze het land hebben, en streven dán naar verbetering.”Go zat stil, de kapotte rok in haar aandachtlooze handen; en diep in haar oogen leefde het begrijpen met ieder woord mee. Toen Mary zweeg, fronsde ze even de wenkbrauwen; zou ’t al uit zijn, en zou ze nu moeten gaan “verbeteren” in ’t wilde weg, zonder dat ze recht wist, hoé of waarheen?Maar weer ging de kalme stem voort: “Ik zou je een heel rijtje van menschen kunnen noemen, wier “zwarte” tijd ik heb meegemaakt. De besten, diepsten juist hebben zoo’n crisis in hun leven, waarbij ’t gaat als bij ’n ziekte, op leven en dood; en eerst als dié is overwonnen, heeft ’n mensch z’n eigenlijk karakter getoond; neem nu b.v. m’n broertje Ru. Wat is die jongen z’n tweede jaar ellendig geweest! Hij werkte nog niet, foof niet meer, ’n toonbeeld van levensmoeheid. Tot hij z’n sociaal-democratie heeft gevonden, mevrouw Roland Holst;—ja, die heb-je nu zelf gehoord.—Heeft ’t jou niets gegeven?”Ja, ík vond ’t heel mooi. Maar zoo iets is niet genoeg....”“Niet voor jou misschien. En voor mij ook niet. Ik vind het alleen prettig, dat ze je duidelijk maken, dat zoo vreeselijk veel kwaad van de menschen alleen aan de slechte inrichting van de maatschappij moet worden geweten;—onze moraal iets onhoudbaars, zie-je; dan oordeel-je zachter over gevallenen en gaat beter begrijpen;—maar de heele kwestie is, dat ieder mensch voor zichzelf hier uitzoeken moet, wat z’n leven waarde, volheid geven kan. Dat was bij Frieda heel gemakkelijk, die is op ende op ’n studiemensch; het is haar ideaal, met haar schrandere hersens zooveel mogelijk wetenschap tot zich te nemen. Maar dat is iets, dat heel weinig jonge menschen volkomen bevredigt. Iedereen heeft hier iets eigens, “’t boekje” van den “Kleinen Johannes”; en die behoefte is onder studenten veel sterker dan in de gewone maatschappij, omdat daar de mannen hun nuttige werkkring, de zorg voor hun huishouden, en de vrouwen kinderen en andere verantwoordelijkheid hebben; terwijl wij, die in onze gedachten al heele menschen zijn, inderdaad nog niets presteeren en nergens nut doen. Maar als we eenmaal iets hebben gevonden, ’n ideaal, ’n overtuiging, ’n gelóóf, dan heeft ons leven opeens waarde; dan voelen we dankbaarheid, dat we op de wereld zijn. Daardoor zijn hier zooveel vegetariërs en geheel-onthouders, en orthodox-geloovigen, en liefde-predikers, en artisticiteit wordt óók wel ’s tot ’n geloof verheven; en dan de sociaal-democraten, en de anarchisten, en Van Eedenianen en de wereld-vrede-menschen... en de Hegelaars; daar ken-je, geloof ik, nog niemand van; dat is ’n heel bizonder volkje; ’k denk, dat je ze wel interessant zult vinden... en dan heb-je nog ’n paar voorstanders van het vrouwenkiesrecht, maar die zijn toch niet talrijk bij ons, en ’t zou ook niets voor jou zijn, wel?”“Nee, zeker niet,” zuchtte Go, “alleen al daarom, dat de jongens erom lachen, en dat kan ik niethebben; ik weet wel, dat dat erg kinderachtig van me is.”“Och,” peinsde Mary, “’t hóórt wel bij je...”“Vin-jij ’t ook altijd zoo ellendig, als je merkt, dat sommige mannen de meisjes-studenten voor heel iets anders dan gewone meisjes houden? Voor waanwijs, ingebeeld, en vooral voor wezens waar ze geen égards, geen hoffelijkheid tegenover hoeven te toonen! Ik ben ’s in ’n club geweest, waar de jongens de meisjes alleen naar huis lieten gaan... “meisjes-studenten waren toch iets anders dan gewone meisjes...” Ik had kunnen huilen, toen ik alleen op de donkere straat liep, niet uit angst,—maar ik voelde ’t als ’n beleediging... En toch is ’t eigenlijk logisch. Ze zeggen: als je met ons gelijk wilt gesteld worden, moet je ook geen lievigheidjes meer verwachten. Maar ik vind ’t zoo akelig.”“Beschaafde mannen zul-je zelden zoo zien doen, tenminste niet tegenover meisjes, die ’t “ewig weibliche” bewaard hebben. Je kunt hier ook al weer niet generaliseeren. Er zijn enkele meisjes-studenten, die als mannen sterk zijn;... er zijn méér “echte” meisjes, die studeeren.”“Je gelooft dus niet, dat ieder meisje, dat studeert, iéts van haar vrouwelijkheid inboet, zij ’t ongemerkt? Ik ben er vaak bang voor, dat we, alléén door met de jongens samen op college te zitten, alléén door onze vrijere levenshouding, iets verliezen; ’t kostbaarste... Of we minder schuchter, kuisch,—ach, ik kan ’t zoo niet zeggen; ’t zijn heel ouderwetsche begrippen van me; maar ik schaam me soms zoo, als ik met m’n boeken loop, en ’n jongen kijkt me rustig-brutaal aan; denkt: ’n collega.”“Iéts verliezen we mogelijk, maar we krijgen iets beters terug. Als je ’s met niet-studeerende meisjes samenkomt, benijd-je die dan zoo erg, en vind-je ze vrouwelijker, sympathieker dan je vriendinnen hier? Ik voel zoo dikwijls alleen maar medelijden...”“Maar ik heb medelijden met de meisjes hier, die zóó zeer alle achting voor zichzelf en alle hoop op geluk hebben opgegeven, dat ze er zich niet meer om bekommeren, hoe ze er uit zien, slordig en smakeloos gekleed langs de straat loopen.... Dan moet ik er aan denken, hoe alles hoe langer hoe meer in de war loopt. De meisjes verdringen de mannen, ieder verdient maar net genoeg om voor zich zelf te zorgen, alles drijft naar volkomen vereenzaming van de individuën; ieder nijdig, ieder strijdlustig: voor mij; voor mezelf.”“In ’n staat-van-wanverhoudingen moet je de beste mogelijkheid, niet ’t ideaal zoeken.”Go zuchtte.“Maar welk “gelóóf” denk-je nu, dat bij mij hoort?”“Ja, kindje, dat weet ik niet. En ’k heb het idee, dat je ’t eigenlijk ’n beetje mal moet vinden, als je hoort, wat hier al niet allemaal “geloofd” en “gehoopt” wordt. En toch vind ik die verbrokkeling absoluut geen teeken, dat al die idealen maar larie zijn, niets dan dotjes om schreeuwende kinderen mee zoet te houden. Voor mijn gevoel wijst het er juist op, dat er nog ontzaglijk veel te doen, te verbeteren, te werken valt in de wereld; en dat er hier allerlei zelfstandig-denkende menschen zijn, die hieraan trachten mee te werken op de manier, die met hun capaciteiten overeenkomt. Als je iemand hoort praten over z’n overtuiging,—of ’t nu ’n Hegliaan is met ’n breede kop, of ’n extatische vegetariër, of ’n vredigewereld-vrede-vriend,—dan krijg-je altijd den indruk: “ja, wezenlijk, ik zou er wat voor kunnen gaan voelen; er is toch veel moois in;” ik heb dat ten minste; maar je begrijpt, ik ben óók nog niet erg ver met m’n ontwikkeling.”“Wat ben-jij eigenlijk?”Mary lachte. “Wel, niet veel meer dan ’n dankbaar, gelukkig, zoekend menschenkind. Op ’t oogenblik ben ik erg in theosofie verdiept; dat geeft me zoo’n kalmte, omdat ’t spreekt van weer terug komen hier op de wereld. Want al kijk ik m’n oogen uit, ik heb toch ’t gevoel, dat ik met dit eene leven onmogelijk alles bevatten kan. En ik bewonder alles zoo, dat ik ’t zonde zou vinden, als ik nooit tot de kern doordringen kon. Ook wat mezelf aangaat: ik zou graag den tijd hebben me te volmaken.”“O, maar vóór ik volmaakt ben, is de wereld zeker vergaan,” en Go trok ’n zóó tragisch gezicht, dat Mary vroolijk riep: “Maar lieve kind, neem toch niet dadelijk aan als ’n waarheid, wat je maar terloops hoort. Ru zegt, dat theosofie het toppunt van menschelijke verwaandheid is, nog veel erger dan het Christendom. Want het voortleven, de ontwikkeling van denenkeling, het individu, is voor theosofen alles, terwijl hij juist overtuigd is, dat wij het leven maar even mogen dragen, en moeten trachten het te verheffen, opdat wanneer we het aan anderen overgeven, het ’n kostbaarder schat geworden zal zijn. Maar Wies van Hoof zegt: als de vrouwen maar eerst eens zitting in ’t Parlement hebben, en Theo Vervoort: Het vleesch-eten veroorzaakt de slechte neigingen in den mensch. Je hebt nog nooit ’s zoo’n gesprek van ónze vrienden bijgewoond. Dat zijn’n levens-opvattingen, ’n idealen door elkaar...”“En duizelt het je dan niet wel ’s?”“Nee; ik krijg ’n diep, zalig gevoel: o, kind, wat heb-je nog veel te doen in je leven. Wat is er al niet gedacht en opgeofferd en gestreden. Hoe moet je zelf werken en zoeken naar ’n ideaal!.... en als ik dan dat verlangen en die kracht te leven zoo sterk in me voel, dan lijkt het me zoo’n dwaasheid, zoo’n waanwijze domheid, als jonge menschen, die nog onmogelijk de hoogten en diepten van ’t leven kunnen hebben doorvoeld, zich nu al verbeelden er genoeg van te hebben; zooals ’n domme boer, die, voordat hij ’n vreemde spijs geproefd heeft, al verzekert, dat hij ’t niet lust.”Go dacht aan Hans, en haar oogen vulden zich met tranen: was ’t een domheid van hem geweest?Maar Mary, intuïtief begrijpend, wat ze voelde, beantwoordde zacht haar nog onuitgesproken vraag: “Er zijn menschen, die zoeken, maar zonder vertrouwen en zonder rust. Die alles tegelijk willen lezen en bevatten, en gek worden van ongeduld, als de waarheid niet dadelijk in hun handen ligt. Je begrijpt, dat dat ’n heel verkeerde manier is, die geen resultaten geeft. Want al moeten we natuurlijk actief zóeken, en lezen en ons inspannen,—hoe dat, wat we in ons opgenomen hebben, weer uit ons opbloeit, moeten we aan den tijd en de natuur overlaten. Dat gaat zoo verrassend, zoo anders dan we dachten.... En als we maar steeds het gevoel houden, dat de waarheid wijkt en wijkt, als we niets kunnen vatten, dan moeten we weten, dat het zoeken-op-zich-zelf óók iets heel moois is, bijna even mooi als ’t vinden, wanneer we tenminste vertrouwend zoeken. Ik ben tenminste blij, dat ik nog geenbepaald stelsel gevonden heb; dat ik nog dilettant ben in ’t leven.”“O, Mary, zou dát de oplossing zijn: door ontwikkeling naar alle kanten tot harmonie te komen?”“Ja, want naar de onbewuste, natuurlijke harmonie met de omgeving kun-je niet meer terug. Je hebt desillusies geleden; je hebt het leven leelijk gezien;.... ik begrijp het wel, Go, zoo iets moeten we allemaal door. Eerst had-je geen begrip van ’t leven;.... nu heb-je ’t ’n beetje, maar eenzijdig en verkeerd. Denk maar eens logisch na: Het kan toch niet, dat de wereld maar voortdraait, dat de menschen zich organiseeren, en werken en ploeteren;—als er eigenlijk niets waarde had en alles leelijk was?”“Nee, natuurlijk. Nee, dat kan niet. O, Mary, ik geloof, dat je woorden me zoo goed hebben gedaan. Vroeger, als ik ’n mooi boek had gelezen, verbeeldde ik me altijd, dat van dàt oogenblik af m’n heele leven veranderen ging; en dit gevoel heb ik nu weer.”“Dat geloof ik toch niet, Gootje. Alleen is dit gesprek goed geweest, als begin van grootere vertrouwelijkheid tusschen ons. Je bent zoo gesloten,—en ik geef me ook niet gauw, ik heb er geen behoefte aan, en heb ook niet veel te zeggen.”“En je hebt nu den heelen ochtend aan één stuk door gepraat! Wat kan iemand toch dom-rampzalig zijn.”Go stond op, en rechtte zich, maar Mary praatte nog voort, met haar naar de deur gaande: “Ik heb eigenlijk nog zooveel te zeggen; zoo’n oogenblik, dat je elkaar wezenlijk begrijpt, komt zoo zelden weer.... Maak je geen zorgen, dat je je studie op ’t oogenblik duf en droog vindt.Dat komt, omdat ’t nieuwtje er af is, en je nog niet ver genoeg bent, om de philosophische waarde te begrijpen;—alles gaat in drie perioden, en de tweede is de neergang in ’n stijgende golflijn.... Wees niet ongeduldig, als ’t niet meevalt in ’t begin, en ga je nu aankleeden voor de koffie.”Drie minuten later was Go, ’t haar al los, in de kamer terug. “Wees niet boos op me, maar ik móet je even vragen, waarmee ’k beginnen moet? De toepassing in het leven?”“Ken-je den bijbel? Nee? Nu, dan moet je daarmee beginnen. Het grootste deel van de jeugd is tegenwoordig ongeloovig, zonder iets van den christelijken godsdienst af te weten.”“Ja, dank je.”—Ze zweeg even, nadenkend; maar dadelijk weer vervuld van ’n nieuwe kwestie, viel ze uit: “En wat willen de vegetariërs met de beesten doen, als we ze niet meer opeten? En hebben die menschen van de wereldvrede vertrouwen in de conferenties in Den Haag?”“Kind,” lachte Mary, “gá toch. Ik ben waarachtig niet het orakel van Delfi. Hoop maar met hart en ziel, dat je nog heel lang op deze wereld mag blijven....”“Of er dikwijls terugkomen.”“Want je ziet wel; we hebben enorm veel te doen.”“Ja; ik zal maar beginnen me gauw netjes te maken, want Frieda fluit al in ’t portaal.”En met ’n sprongetje was Go weer in haar kamer, en onder ’t kappen lachte ze nog om haar domheid, dat ze het leven nu al had geoordeeld en veroordeeld; zij, ’n kind, dat nog niets wist.En terwijl ze dacht aan Eduard en de desillusie over hem, was ’t toch, of zij ’t nu anderszag, als ’n klein droef gebeuren in ’n groot leven; en, de handen achter haar hoofd saamgevouwen, staarde ze strak in den spiegel naar haar gezicht, om de toekomst te lezen uit haar lippen en oogen. Zelfstandig zou ze nu moeten worden, goed en sterk. Het was onmogelijk, dat de toekomst haar beangstigde, wanneer ze niets verlangde dan ’n goed mensch te worden. Ze zou zich in zichzelf en in levensvertrouwen krachtig moeten maken.Maar zich afwendend om te gaan, zag ze even, dadelijk verschemerend, haar beeld, zooals ze het zich kortgeleden had gedroomd: tusschen hem en haar kinderen, gévend aan elk, gevend zichzelf, haar gedachten, haar kracht, haar leven....Mary had niets over trouwen gezegd. Ze waren ménschen; ze wàchtten niet. Dít leven was hooger en edeler en fijner;.... maar had moesje, die eenvoudig deed haar plicht van vrouw, van moeder, zonder diepzinnigheid, zonder redeneeren, het leven niet beter en inniger begrepen....En ze twijfelde even aan de waarde van alles, wat Mary dien ochtend had beweerd. Toch wás dat streven op ’t oogenblik het eenige, dat haar kon vullen, al moest ze daarbij iets van haar wezen negeeren, ’n groot verlangen bedwingen, dat niet gemakkelijk te overstemmen viel....Maar Mary, geurig van vredige vroolijkheid, stond lachend in haar deur, vroeg, of ze den bijbel bepaald vóór de koffie uit hebben wilde. En, zich overgevend aan den invloed van voldaanheid, volgde Go haar naar de huiskamer met lichtende oogen en ’n blij-wachtend trekje om de hoeken van haar mond.Hoofdstuk XX.“Ik verzeker jullie,” pleitte Gusta Vermeer, ’n waanwijs eerste-jaartje, “dat de formule van (n + 1) schepje thee niet doorgaan kan, alsnonbepaald toeneemt.”“Nee, natuurlijk; alle thee zou niet eens in den trekpot kunnen.”“En de thee zou te sterk worden ook. Maar Guus, maak jij nu ’s ’n gecompliceerde formule, die altijd opgaat, dan hangen we die boven de theetafel.” En Lou’s smal kindergezichtje boog met ’n lach zich weer over het hemdje heen, terwijl, nu de discussie aan deze zijde van de tafel zweeg,—Gusta had ’n papier genomen, en begon te cijferen,—het levendige debat tusschen twee bestuursleden opklonk over den invloed van de omgeving op den mensch.“Ik stel ieder mensch zoo volkomen verantwoordelijk voor z’n daden, en ik geloof zoozeer aan strenge rechtvaardigheid, dat ik bijna zou zeggen, dat hij z’n omgeving in ’n vorig leven zelf gemáákt heeft, zelf voorbereid.”“Maar welk récht heb-je om te vermoeden, dat wij wezenlijk door eigen verdienste ’t nu zoogoed hebben, en anderen door schuld zoo ellendig?”“O,” viel Go even met warmte in, “als je mee was geweest in die arme gezinnen, als je gezién hadt de armoe en de ontbering, ik geloof, dat je dan zélf ’n oogenblik je theorie van rechtvaardigheid hadt vergeten, dat je ook bescháámd zou hebben gestaan over onze zorgelooze weelde, terwijl er zoo ontzettend geleden wordt, vlakbij.”Mary glimlachte; ze had wel voorzien, dat Go’s gevoelige natuur, zoodra ze met armoede in aanraking kwam, naar ’n idealistisch, onwetenschappelijk socialisme zou neigen; ze had deze dagen over niets anders gepraat dan over het onrecht, en zelf de grootste soberheid in acht genomen. En vol sympathie naar ’t enthousiaste, kinderlijke gezicht kijkend, zei Mary rustig: “Ik vind best, als we, wanneer óns ellende treft, het beschouwen, als ’n straf van God of de consequentie van eigen vroegere daden. Maar wanneer die overtuiging ons medelijden zou wegnemen met de misdeelden, wordt ze ons beslist tot nadeel voor zedelijken vooruitgang.”“Ik geloof ook niet,” zei Coba, die op den grond ’n rok aan ’t inspelden was, “dat onze geschenken van dién aard zijn, dat ze bepaald de “rechtvaardige” straf van ontbering opeens nietig maken.”En ze lachten allemaal, om de vreemde wending, die hun diepzinnig vertoog langzaam-aan had genomen, terwijl Gusta de aandacht vroeg voor haar proeven met thee en warm water.Het was drie weken voor St. Nicolaas, en al geruimen tijd was er elken middag na college vergadering in ’t clublokaal en ’s avonds nog ’sbij iemand aan huis geweest van ’n vijftien meisjes, ieder met ’n pakje onder den arm “als echte naaimugjes”, die dat jaar de leiding van het feest-voor-arme-kinderen op zich hadden genomen. Buiten was het nevelig-koud, en vol verwachting de lucht, en zij-zelf waren zoo vroolijk, zoo verdiept in hun werk, dat Go zei, dat ze zich niet zou weten te bergen, als de menschen nog gingen prijzen en bedanken ook, alsof ’t maken niet de gróótste pret was geweest. Daar vielen de vermakelijkste dingen bij voor: geen van de meisjes had, na de lagere school, nog grondig naaionderricht genoten, en haar onwetendheid werd alleen door haar voortvarendheid opgewogen. Vooral de eerste weken, toen alles geknipt moest worden, waren emotievol en spannend geweest: het biljart in de zijzaal werd opzij geschoven—want om te spelen had nu toch niemand tijd, en de witte en de roode werden nog slechts als maasbal gebruikt,—de groote lap over den grond uitgebreid, en allen er om heen om hun meening ten beste te geven. Onder de relikwieën van de club was het model voor ’n kinderjurk, “de” jurk, die jaar aan jaar werd nagemaakt, maar die volgens Mary latere kroniekschrijvers zich ’n eeuw met den oprichtingsdatum van de V. V. S. L. zou doen vergissen, daar alleen haar overgrootmoeder zoo’n model in haar jeugd gedragen kon hebben.Francis en Riek,—nog steeds snoevend op het glorievolle feit, dat ze in hun eerste jaar met Else ieder ’n blouse hadden gemaakt, die ze alleen daarom niet hadden kunnen dragen, omdat ze bij het knippen de naden er niet bijgerekend hadden,—stonden er op nachtponnetjes, “met ’n glad stuk” te naaien, volgens ’n papieren patroon;en toen de kunstproducten bijna af waren, was het driejarig zoontje van de “juffrouw” naar boven getroond om eens te passen. Na ’n kleinen strijd over “achter” en “voor” was de mollige jongen er in geheschen, maar, ofschoon hij door het speculaasje in z’n hand in de tevredenste stemming van de wereld was, had hij toch groote neiging getoond om te gaan huilen, toen opeens alle meisjes in ’n luidruchtigen schater waren losgebarsten, al maar wijzend en kijkend naar hèm.Go zàg ’t dreigen, en nam den kleinen kerel steeds proestende in haar armen, zoende ’m op z’n verbaasde gezicht.“Je bent ’n schat, hoor vent, en we lachen ook niet om jou, maar om dat dwaze jasje!” en Coba streek over den bolderenden bovenkant, aldoor nog hikkend: “’n Glàd stuk, ’n glàd stuk; dat noemt ze ’n glád stuk,” en ’t werk had nìet hervat kunnen worden, vóór de kleine baas weer in z’n buisje was; maar een kleine storing blééf, omdat ieder op de beurt ’m koekjes en chocolade toestoppen ging.Frieda deed niet mee met de algemeene naaiwoede. “Ik ben er van overtuigd, dat juist aan dat eeuwige peuterige gehandwerk heel veel van de kleinzieligheid en bekrompenheid van de vrouw-in-’t-algemeen geweten moet worden, en ’k zal m’n hersens, die al genoeg geledenhebbendoor de zonden van m’n voormoeders, niet zelf ook nog ’s af gaan stompen,” had ze gezegd; maar Go vond juist, dat je onder ’t naaien zoo heerlijk dènken kon: “Voor vrouwen, die niets anders kunnen of weten, lijkt ’t me wel ’n suf werkje, maar wij, die zooveel door te denken en te verwerken hebben, worden rústig, alsintusschen onze handen wat doen,” en ze was blij, dat Mary er ook zoo over dacht, en ’n waar genie aan den dag legde in ’t haken van wollen sokjes en kapertjes van rose-en-wit, ofschoon de medicae daar niet vóór waren, meer losse, warme jurken en wantjes aanprezen. Die waakten met veel toewijding voor de hygiëne. Van de lange, gekregen mama’s-rokken moesten de sleepen worden afgenomen, géén hooge kragen, deugdelijke voering; en ook het speelgoed werd eerst zorgvuldig onderzocht, of ’t niet gevaarlijk gekleurd was, te scherp of te hard voor onbestuurde handjes.Go liet àlles om dit werk loopen; visioenen van zingende kinderen, ideeën voor ’t model van ’n rokje, ’n schort, verstoorden haar aandacht onder de college-uren; de bloc-notes van de bibliotheek teekende ze vol met ontwerpen voor ’n poppenkamer, uit houten doozen getimmerd; en bij iedere poes bleef ze lang en diepzinnig staan kijken, omdat ze er een van goed maken wilde. De vergadering van L. V. had ze zelfs willen verzuimen “omdat ze haar naaiwerk niet in den steek kon laten,” maar toen had ze permissie gekregen het mee te brengen, al was ’t ’n beddelaken; en al had ze, heel bescheiden, slechts ’n wiegekleedje meegenomen,—nog van thuis, maar dat opnieuw gezoomd moest worden,—den heelen avond was de aandacht voor haar handen geweest, en de jongens hadden aan ’t eind meer over den inhoud van haar naaidoosje en ’t motief van het borduursel kunnen vertellen, dan van wat er literair en wetenschappelijk behandeld was.Ru schudde z’n hoofd over die “manie”; naar geen enkele lezing was ze meer mee te krijgen.“Ik verzeker je, dat, zoodra je op gevoelsgronden van onrecht bent overtuigd, het allernoodzakelijkst is, dit met wetenschappelijke bewijzen te kunnen steunen,” oreerde hij, “je doet wezenlijk méér voor de proletariërs, wanneer je je in de maatschappelijke wanverhoudingen inwerkt, dan als je maar zit te prutsen, aan weet ik wat...All charity is a silent admission, that justice has not been done to the poor.En als je meent daar nu ’s heel nuttig bezig te zijn,—ik zeg je, dat juist de weldadigen veel meer dan de bruten meewerken om de ellende in stand te houden.”Maar Go hield lachend de handen voor de ooren, en hem ’n streng wol toewerpend riep ze vroolijk: “Kom, hou die maar ’s op, meneer de boetprediker, en praat niet zoo wichtig van maatschappij en menschenplicht... Ik doe tegenwoordig niets dan over ernstige dingen nadenken, vraag ’t maar aan Mary;.... ethische kwesties van ’t begin tot ’t eind,.... maar als je me nou met ’n ernstig gezicht vraagt, waarom ik die hemdjes en broekjes en jurkjes zit te fabriceeren,—och, dan beeld ik me heusch niet in, dat dat nou erg weldadig of edel van me is; en ik zeg mét Wim de Veer, verpletterend-logisch: omdat ’t lollig is.”“En kennen jullie ook van: Zie ginds komt de stoomboot?” vroeg Mies de Bruin, die zoo’n beetje de leiding had, omdat háár mama de families uitgekozen had uit de armenlijst. En dadelijk vielen de kinderstemmen, hard en dreunend-maatvast in, terwijl Mies ze zacht begeleidde, voortdurend opzij kijkend naar al de open monden.Go, Francis en Coba gingen met chocolademelken speculaas rond; met hartelijke lachjes en ’n vriendelijk woord verdeelden ze hun goede gaven van bank tot bank, en naarmate ze verder kwamen, verminderde de animo voor ’t gezang, mond na mond vulde zich gretig met de zeldzame lekkernij, zoodat aan het slot nog maar ’n enkel dun stemmetje in gespannen afwachting de melodie uitzong.Erna Böhme, ’n verfijnd-artistiek meisje, dat op haar kamer geen enkel ding duldde, dat niet op zich-zelf mooi en bizonder was, kwam, nadat ze verteederd naar ’n leuk, blond kindje was toegeloopen, en ’t opgetild had in haar armen, ’n beetje verschrikt achter het scherm, waar “gewerkt” werd, terug. “’t Is wezenlijk allerliefst,” zei ze zacht tegen Go, “als die menschen maar niet allemaal zoo vreeselijk stonken.”“Ja, ’n eau-de-cologne-badje zou niet overbodig zijn, hè? Enfin, ’t is voor ons ’n kleinigheid.... de stakkers, die zoo’n lucht altijd bij zich hebben,” en gauw zich tot Lou wendend: “Och, Loulou, als je eerst al die kopjes afwascht, en dat telkens weer, zullen ze bijna niets binnen krijgen. Denk-je, dat ’t hinderen zal, als ze ze van elkaar gebruiken?”“Ik weet niet; de medicæ...”“Kom, vooruit;” besliste Coba, “als ze nooit uit on-hygiënischer vaatwerk drinken, dan uit dit... De medicæ zijn boven bij de St. Nicolaas-kleeren. Schenk maar in.”Mary zat stil in ’n hoek met ’n kleintje op schoot, dat niet lekker was en toch niet naar huis wou; ze speelde door het haar met haar witte vingers, en keek droomerig naar het toenemend gejoel van de anderen. Toen het donkergemaakt werd voor de tooverlantaarn, steeg de nog-bedwongen luidruchtigheid tot ’t hoogtepunt, en Go, die midden in ’n groote groep jongens was gaan zitten, werd geduwd en gedrongen naar alle kanten, onder harde kreten van verrukking en intieme geheimpjes, warm-gefluisterd aan haar oor.De komst van St. Nicolaas met Coba, flikker-oogend, als knecht er achter, bracht eerst ’n strakke stilte in de zaal teweeg; maar de vriendelijk-hooge stem door den witten baard en vooral ’t gul-handig pepernoten strooien van ’t jolige zwartje deed den moed groeien tot “’n handje geven,” en ’n enkele waagde ’t zelfs hoog-stemmig en afgebeten ’n versje op te zeggen, zich vasthoudend aan den breeden, witten schoot van den vaderlijk-luisterenden, glimlachenden heilige.“Nu in ’n kring om ’m heen dansen!” werd vroolijk rondgeroepen, en zingend liepen ze in ’t rond, de kinderen opgewonden springend aan de armen der meisjes, die, heelemaal-er-in, elkaar stralend toeoogden, dat alles zoo goed ging.Go had onder de moeders, die bleek en zielig-dankbaar tegen den muur zaten, vele met ’n heel kleintje op den arm, ’n rosharige, slap-mooie vrouw herkend, die ze eens, op ’n avondwandeling, met ’n kinderwagen bedelend tegen waren gekomen, en wie Eduard toen wat geld gegeven had. Háár koos ze dadelijk tot haar bizondere beschermeling, haalde wat melk voor ’t kindje, grabbelde voor haar mee van de kaakjes en pepernoten, en zoo vaak ze haar iets bracht, voelde ze ’n vreemd geluk, scherpen doordringend, ’n wellust van herinnering, die haar oogen week maakte bij het bewonderen van het bleeke stumpertjeLater ging St. Nicolaas naar boven terug, en—de cadeautjes voor de kinderen verdeeld,—werd nu het goed voor den dag gehaald, waar de moeders, schichtig-verwachtend, omheen drongen. Go was Coba gaan helpen, die een en al opwinding was, en met haar gezicht nog half zwart, alle mogelijke luchtsprongen maakte in haar rood satijnen pakje, waar ze zich buitengewoon makkelijk in voelde.“Hoefde ik toch maar nooit die vervelende rokken meer aan!”“Wat zou De Veer je nù graag mee hebben op z’n tochten.... Toe, sta nu even stil!” en Go schonk voorzichtig warm water langs haar zwarte wang, zacht nawrijvend met den handdoek; want ’n spons was er niet te krijgen. Mies de Bruin liep, met haar haar los, in haar witte tabbaard rond. “’t Is ’n geslaagde avond. Als nu die goeduitdeeling nog maar geregeld gaat. Och Go, hier is ’n lijstje voor de familie Hendrix, die er later nog is bij gekomen. Wil-je er even mee naar beneden gaan?”De uitdeeling was al bijna afgeloopen, en huiverig-ineengeschurkt waren de meeste families bedankend de deur uitgeschuifeld. De meisjes, moe, maar blijvend opgewekt, gaven de kinderen hun jassen en petten, hielpen de vrouwen de kleeren en de erwten en boonen tot ’n pak maken.Go stond even te kijken, liep toen de al-verlaten zaal weer in, waar Lou alleen, pretentieloos-lief, de verspreide kopjes aan ’t inzamelen was, zuinig kaakjes en krentenbollen, die ze hier en daar vond, in groote zakken stoppend.“Dit was wel onze éigenlijke Sinterklaas, hè Lou,” praatte Go helpend, “het cadeautjes-krijgen thuiskan onmogelijk zoo geanimeerd zijn, als deze avond.”“Heb-je dat kleine jongetje gezien met die groote oogen, die alleen maar chocolademelk wilde drinken en al z’n koekjes en appels in z’n blouse bewaarde “voor moeder”? Vin-je ’t niet roerend?”“’t Zoontje van vrouw Ties kon de overjas toch niet aan,” kwam Mary vertellen. “Zoo zielig... Hij was in z’n enkele pakje, en zette eerst al zoo’n dol-blij gezicht. Hij paste ’m zeker, zei hij; maar toen hij er in wou, werd ie heelemaal rood; er was eenvoudig geen kijk op... Nou is-tie voor z’n broertje; die groeit er gauw genoeg in.”Coba, nog ’n beetje “grijs”, kwam met Mies naar beneden; de helpster begon het gebruikte vaatwerk weg te dragen, en langzaam, in voldane moeheid, trokken ze mantels en mutsen aan.“Ik begrijp niet, waar ’t in zit, maar de cadeautjes voor de familie Schuring klopten niet,” peinsde Francis, “’t staat toch op ’t lijstje genoteerd. En nu bleken de kinderen opeens allemaal veel grooter.”“Zeker gegroeid in dien tijd... Ach Guus, zeg jij even tegen de helpster, dat ze meenemen mag, wat er over is.”Ze gingen met ’n heel groepje naar huis, oudere meisjes, vriendinnen van Mary en Frieda, die allemaal ’t zelfde koel-heldere, verstandelijk-sympathieke hadden, en ’n twijfelloos-zekere harmonie in heel hun wezen. Eerst werd er nog ’n beetje over den avond gepraat, maar al spoedig verdiepte zich ’t gesprek tot ernstige bewering, en’n knap meisje, dat wijsbegeerte en psychiatrie studeerde, betoogde het voordeel van de filosofie-colleges; “wezenlijk, als je, wat dáár gedoceerd wordt, in je hebt opgenomen, behoor-je niet tot ’n partij, zooals ’n ander;... je bent niet Hegliaan òf theosoof òf sociaal-democraat... allemaal één pot nat;—maar je staat bóven de partijen, je omvat álles...”“Maar dat zeggen immers anderen van hún leer;.... dat zeggen de theosofen ook.”“Zonder grond. Want als bepaald, beperkt stelsel moeten zij noodzakelijk andere uitsluiten. De Hegelarij alleen, door iedere overtuiging als ’n eenzijdigheid te zien, en bij iedere stelbaarheid dadelijk ook het tegenovergestelde te erkennen, is vrij van de bekrompenheid van partij-haat, die de menschen elkaar in ’t haar doet vliegen....”“Ja maar; al kòmt ’t voor, bekrompenheid of onverdraagzaamheid is niet ’n inhaerente eigenschap van ieder, die voor ’n partij voelt. Integendeel geeft ’n overtuiging alleen krácht om te werken, om iets goeds tot stand te brengen, en al is zoo’n krachtsinspanning-naar-ééne-richting voor jullie opperste wijsheid ook ’n eenzijdige bekrompenheid, ik geloof, dat ’t maar heel goed is, dat er nog velen zijn, die één ding vreeselijk gelooven en ’t andere negeeren; want er is nog zooveel op de wereld te verbeteren, dat jullie voorkeurlooze gelijkmoedigheid voorloopig uit den booze is.”Het Hegliaantje haalde de schouders op en met ’n kort, beslist accent antwoordde ze: “Je bent in alle opzichten ’n ontwikkeld, verstandig meisje, Mary, maar toch valt er niet met je te debatteeren, voor je geleerd hebt dialectischte denken. Volg éérst ’s ’n collegium logicum.”Mary knikte, niet gepiqueerd. “Ik heb geen pretentie van ’t beter te weten,” zei ze met ’n glimlach, “en ik ben er van overtuigd, dat ik op die colleges veel leeren zou;.... maar ’k heb nu eenmaal geen lust, ’n sterke persoonlijkheid direct op me te laten inwerken, vóór ik in mezelf ’n beetje weerstandsvermogen en kritische helderheid voel. Zie-je,.... ik hou van m’n stillen vrede, m’n harmonie, en ik ben bang voor vuisten en fascineerende oogen. Toch zullen we ’t volgend jaar ’s gaan;—’t is laf ’t te ontloopen; hè Go, wij samen?”Maar in Go’s hoofd zongen nog de Sint-Nicolaas-liedjes; ze zag de vrouw met het bleeke gezicht en rossige haar en al de kleine, zwakke, witte kindertjes, tegen de moeders aangeleund, hulpeloos;.... dan weer de woestheid van de ouderen, die tegen haar knieën drongen;—en opschrikkend zei ze: “O,Mary, ik liep te denken, of we niet nog geld inzamelen kunnen om ’t jongetje van vrouw Ties tóch ’n overjas te geven. Ik vind ’t zoo zielig, hè?”“Ja, we kunnen ’n inteekenlijst op de club leggen.”“En ik ga zelf wel vragen bij ’n paar meisjes.”“Dat ’s best,” knikte Mary, trok Go’s arm door den haren, “en ben-je verder nogal voldaan?”“Ja, o ja; ’t was ’n prachtige avond.” Ze zweeg even, en toen bedenkend: “Wat doen de studenten ook weer?”“Die gaan in de ziekenhuizen, de heele stad door. Dat is natuurlijk veel grootscher.... Ze hebben meer geld..”“Ja natuurlijk. Maar zou dit nu niet mogelijk zijn: Dat we hierin samenwerkten? De jongens ’t meeste geld; wij de meeste ijver en toewijding....”“En naaitalent.”“Ik geloof niet, dat hier iets tegen kan zijn,” zei Mary vriendelijk, “je wilt nu eenmaal je ideaal van samenwerking, hoe dan ook, niet opgeven. En in dit opzicht zal ’t zeker mogelijk zijn.”En Go zuchtte zacht: “O, als we maar eenmaal zoo ver zijn, dat we het béste, dat we doen, sámen doen;—dan zal alles vanzelf goed worden.”HoofdstukXXI.“Nou; en toen?” vroeg Gerard, heen en weer loopend van blijdschap en opgewondenheid.“Toen vroeg hij, of ik er nú niet over dacht in vergelijkende taalstudie door te gaan. Hij geloofde, dat ’k er wel ’n hoofd voor had.”“Prachtig. En wat zei-jij, Go? Dat je nóg uitstekender was in al ’t andere?”“Nee; dat ik blij was, dat hij tevreden was, maar dat ’k er ook veel moeite mee gehad had. En toen wenschte hij me evenveel succes met de andere tentamina, en liet me uit, erg hartelijk. En toen heb ik ’t op ’n loopen gezet, hier naar toe, met ’n zalig, luchtig gevoel, net of ik al candidaat was, in plaats van een beginneling, die nog ’n berg werk door moet.... en nu weten jullie de heele geschiedenis.”Mary glimlachte zonnig. Ze kón niet uitbundig zijn. Maar Gerard, in ’n opwelling van jongensachtige uitgelatenheid, sprong ’n paar maal over de canapé, liet zich toen met ’n plof buiten adem er op neervallen: “Waarachtig, Gootje, je zou ’n bezadigd mensch weer wild maken. Je weet niet, hoe allemachtig veel plezier ’t me doet. ’t Móestook wel goed gaan; je wist ’t, je verdiende ’t.”“Of niet ’n groot deel van de verdienste bij jóu ligt,” antwoordde Go, ’m de hand toestekend. “Of jij me niet overal bij geholpen hebt, met je dictaten, met boeken, en met je eigen doceertalent. En dan.... hoe dikwijls heb-je me uit ’t werk gehaald, als je vondt, dat ik overdreef,—om te fietsen, of te tennissen—; zoodat ik weer heelemaal frisch thuis kwam.”Ja; en dát zal ik nu dadelijk weer doen. Vandaag mag-je geen boek meer aanraken. Kom, doe gauw dat statiekleed uit, en laten we naar Katwijk fietsen.”“Nee, geen dwaasheden, Gé. Ik wil nu wel eerst wat wandelen. Maar vanmiddag begin ’k Den Hertog te repeteeren.”“Laat ’r,” zei Mary rustig, “als ’t heilige vuur brandt....”“Ik vind ’t dom. Maar dan zal ’k m’n excerpt nog even gaan afmaken; breng ’t je vanmiddag.”“’t Is toch wezenlijk geen wonder, als ik ’n goed tentamen doe, met zóóveel hulp.”“Ga dan alléén wat loopen. Je hebt genoeg prettigs om over te denken. En ’t is zoo heerlijk buiten.”Het “zwarte pad” was één koele zonnigheid. De herfsthemel, hoog-blauw, met ijle nevelwolkjes, spiegelde zich in ’t gladglijdende water van de vaart, waar hier en daar ’n langzame schuit door ploegde, ’n bruine man aan ’t roer, die eerst achterdochtig gluurde naar de eenzame wandelaarster, dan met ’n goeiig: “goe-mèrge” de stilte brak.En Go riep, hoogstemmig, den groet terug, en knikte. Ze voelde haar hart wijd worden vangenot. “Leiden, lief, heerlijk Leiden,” zong ’t in haar; “wat ben-je mooi en stil in ’t licht; wat lig-je gedwee in den zonneschijn. Hoe láát je je leven.” En dan weer: “Wereld, mooie wereld, wat ben-je licht! wat is alles mooi: ieder grasje, de verkleurde blaren, ’t water, de hemel.... Heerlijke wereld, hoe blij ben ik, dat ik leef.”Het slagen voor haar tentamen lag veraf; ze was zelfs blij, dat Gerard niet mee was gegaan, Gerard, die met z’n gedachten haar altijd doorvorschen wilde, wiens belangstelling en genegenheid ze altijd nader voelde dringen. Ze wilde nu alleen zijn met de zon en de koele lucht; als ’n bloem in ’t licht wilde ze zich voelen. Niet denken, niet denken; ze had de laatste maanden zooveel gedacht; ze had zooveel gestreden met zich zelf; met dàt, wat na ’t eerste gesprek met Mary altijd weer boven was gekomen, het warme, onstuimige, onberedeneerde gevoel, dat haar ánders maakte, ánders deed blijven, dan Mary, de rustig-harmonische, en Frieda, die niets dan wetenschap zocht. Toen was ze gaan werken, hard, aanhoudend, en dát had haar wel geholpen. Ze had niet meer aan haar ziel, en niet aan haar levenshouding gedacht; ze had niet gevoeld de wisseling der seizoenen; afgesloten van alles, hadden haar hersens alleen gegolden.... en nu, ten deele bevrijd, was ze tot ’t leven teruggekeerd op dezen lichten herfstmorgen, en liep met haar vingers open en haar hoofd even achterover zich te geven aan de ten-winter-neigende zon.’n Geritsel door de struiken deed haar opschrikken, en tegelijk zag ze Eduard, die met den rug naar haar toe bij den waterkant stond, en Bruno, die, uitgelaten van vreugde, op haar afstormde.Eén blik op z’n verward-blozend gezicht was Go voldoende geweest om te weten, dat hij haar gezien had en ontwijken wilde, en, ’t hart hevig kloppend, hoezeer ze zich ook tot kalmte maande, trachtte ze stil verder te loopen, Bruno’s vroolijk herkennen negeerend.Maar de hond stoorde zich niet aan haar koelen blik. Met zacht vreugdegehuil legde hij z’n breede voorpooten op haar ontwijkende schouders, en besnuffelde gretig haar gezicht en haar haar. En toen ze, geroerd door z’n hartelijkheid, met ’t oude gebaar haar handen zacht om z’n kop legde, sprong hij op met ’n luid, juichend geblaf, rende naar Eduard en weer terug, blaffend en huilend, likte haar handen en laarzen; en eerst toen Eddy, licht geërgerd over ’t malle figuur, dat de hond ’m deed slaan, zich omgekeerd had, en nader kwam, omhelsde Bruno haar opnieuw, met ’n kalme beweging van in-bezit-nemen.Go hield hem, verlegen en trotsch, tegen zich aan. “Híj kent me nog; hij is me nog niet vergeten,” zei ze glimlachend tegen Eddy, met zacht verwijt.“Hij lijdt niet aan “stemmingen”,”verweerde hij zich, “ik was niet ín ’n stemming jou te zien; had je de volgende week willen komen opzoeken om afscheid te nemen.”“Ga-je dan weg?”“Ja, ’n jaartje rondtrekken, om wat in allerlei bibliotheken te snuffelen, voor m’n dissertatie.”“O, en dan promoveeren?”“I think so, ja. Zullen we wat oploopen?”“Nee, als je nu tégen je wil...”“Welnee, dat was maar ’t eerste oogenblik. M’n eerste opwelling, als ik ’n kennis zie, is altijd wegte loopen.... kun-je ’tbegrijpen? Ik heb er vaak zelf spijt van. Nu vind ik ’t al weer heel gezellig. Ik heb je zoo lang niet gezien.”“Een kennis; niets dan maar ’n kennis,” dacht ze teleurgesteld. Maar ze zei alleen zacht: “Wat ’n zalig weer,” en liep naast ’m voort, stil, de hand op Bruno’s kop, de oogen, in afwachting, naar Eduard toegewend.“En vertel me ’s: hoe heb-je ’t tegenwoordig? Je bent nooit meer ergens te zien, en Gerard brengt op de L. V. vergaderingen altijd dezelfde boodschap: dat je werkt, hard werkt, en geen tijd hebt er uit te gaan... Het lijkt wel, of je genoeg van ons hebt.”Z’n stem was gemoedelijk-vriendelijk, maar ’n met moeite bedwongen onrust trilde telkens om z’n neusvleugels. Hij had wel gemerkt aan allerlei onzegbare kleinigheden, dat er iets veranderd was tusschen Go en hem, en ook begrepen, gevoeld, waardoor ’t moest zijn. Nu vreesde hij niets zoo zeer als ’n “verklaring” tusschen hen beide, met tranen en verwijten, waarbij hij met z’n figuur geen raad zou weten; en hoewel twijfelend, of er iets tegen te doen zou zijn,—zoo’n spontaan kind als Go zou ’n grief toch wel niet kunnen verzwijgen—deed hij alles om ’t gesprek aan de oppervlakte te houden, opgewekt en rustig.Ze ging er dadelijk op in. “Ja, ik heb het nu eindelijk eens flink aangepakt. Vandaag heb ’k m’n eerste tentamen gedaan. Nu, ’t wordt tijd in je vierde jaar...”“In je vierde; ja, ’t is waar; ’k word ’n oude man. Ik zag gisteren ’n lange, witte haar tusschen m’n zwarte; en jij draagt ’n sleepjapon... Ja,ja... maar hoe bevalt je nu alles bij elkaar?”“O goed. Ik hou van m’n werk.” Maar ’t bezadigde glimlachje, waarmee ze ’t zei, intrigueerde ’m: God, was ze zóó veranderd; dat was toch de Go niet, die hij kende, de vertrouwende, alles eischende, maar ook bereid àlles te geven. Hij vergat z’n voorzichtigheid, zei, uit gewoonte blagueerend: “En de idealenwinkel? Nog niet failliet?”Nu verzette haar trots zich: wat hoefde hij er naar te vragen, hij, die alleen maar spotten kon; wat ging ’t hem aan? En met ’n lichte ironie, die hij niet van haar kende, antwoordde ze: “Ja, erg in trek zijn die tegenwoordig niet... Ik heb ze maar zelf grootendeels weg gedaan, dat ik plaats hield voor andere dingen, practische dingen.”“Beeld-je je dit alles in, of ben-je wezenlijk veranderd? Heeft Frieda je ziel volgeplakt met overdrukjes van haar eigen ideeën, zoodat je niet meer zien kunt, wat er eigenlijk in is, of is de verandering van binnen uit begonnen?”“Mary heeft veel met me gepraat;... maar ik ben toch zelf ouder geworden; ik geloof bijna: hárder. Als je érge pijn hebt gehad om... om allerlei, waar niets aan te doen is, dan versteent er iets... Ik weet niet, of ’k overdrijf; ’t is zoo moeilijk iets van je zelf te weten,... maar ik ben wel minder expansief, dan vroeger. Dat ’s zeker.”Hij knikte en keek naar haar vast gezicht: er waren lijnen, langs den neus, die hij er vroeger niet had gezien, en ze sprak gedempter, alsof ze zich steeds bedwong.“Ik heb vooral gemerkt, hoe ’k veranderd was,’n paar dagen geleden,” vertelde ze door. “Gerard stuurde ’n groen met ’n paar dictaatcahiers, en Mary en ik lieten ’m boven komen en gaven ’m thee en koekjes. ’t Was ’n aardig jongetje en we begonnen te praten met ’m. En toen hij vertelde, wat hij allemaal van z’n leven verwachtte, en wat hij voor iedereen wilde doen, toen merkte ik, dat ik glimlachte, onwilkeurig, omdat ik ’t niet geloofde. Er is heel veel, dat ’k niet meer geloof.” Zij liepen zwijgend den weg terug. In de verte blakerden de lage geveltjes van de Jan van Goyenkade, en het houten dak van ’n huis in aanbouw flikkerde als ’n spiegel.“Vroeger wilde ik iedereen helpen, dat weet je nog wel...” begon ze weer. “Nu heb ik ingezien, dat ’t “ieder voor zich” toch eigenlijk ’t eenige mogelijke is. Zelf je best doen... en dan soms ’n kleinigheidje, bij toeval, voor ’n ander... het is zoo weinig meestal.”“Go,” zei hij zacht, “weet je dien avond nog in je kamer, toen je m’n steun wilde zijn?”En met de onverwachte stemmingswisseling, die hem weer zoo aan vroeger herinnerde, riep ze uit: “O Eddy, ik weet nog alles precies, en ik vóel ’t nog, al is ’t dwaasheid... en soms denk ik, dat ik nóóit zal leeren wijs te zijn, omdat ik zoo anders ben dan de anderen....”Ze waren bij de brug blijven staan, Bruno tusschen hen in, en hij keek in haar oogen, tintelend van den ouden glans.“Ik wist wel, dat er nog iets van je over was,” zei hij, niet begrijpend, waarom hij er blij om was. Hij ging immers weg, zou haar misschien nooit meer zien... Maar dit oogenblik, dit laatste samenzijn, was van ’n vreemd-schoonen weemoed; en z’nstem trilde van treurigheid, toen hij, haar hand vasthoudend, zei:“Hoe zullen we nu ooit weer bij elkaar komen, in dit leven...”Toen ’n buiging, ’n hoedzwaai—en als in ’n droom liep Go langs ’t smalle trottoirtje naar haar huis.Mary zat voor haar schrijftafel. “De cahiers van Gerard zijn er al,” zei ze, zonder opzien.Maar Go kwam dadelijk naast ’r staan. “Ik heb ’m gesproken; hij gaat weg,” zei ze dof, en zóó somber, dat Mary geen oogenblik twijfelde, wien ze meende, en, met haar hand op die van Go, zacht troostte:“Het is hard, kindje, zoo’n afscheid, en toch... je wist al zoo lang, dat je niet aan ’m denken mocht,—misschien geeft dit je rust.”“Ik weet niet. ’t Was eigenlijk ’t zelfde, of hij er was of niet; ik sprak ’m toch nooit. En nu ook hebben we ’t over niets bizonders gehad. Maar ’t laatste oogenblik was ’t, of er iets openscheurde, of alle ellende nu weer opnieuw beginnen zou.” Ze liet zich in ’n laag stoeltje vallen, verslagen, gebroken.“Kom, dit was je laatste beproeving; nu komt de overwinning, wees nú sterk,” praatte Mary, toch éven teleurgesteld, dat Go nog altijd zoo down kon zijn, zoo gebroken door iets van buiten af.“Ik geloof niet eens, dat ik nog van ’m houd... ’t is alles onzin; maar ’t is zoo moeilijk iets heelemaal op te geven...”Mary reikte haar zwijgend de schriften: als woorden faalden, was er nog ’t werk, dat troostte, omdat ’t kracht eischte en aandacht, omdat ’t den heelen mensch in beslag nam.“Ja; “allons travailler,” zuchtte Go; “bij groot en klein verdriet is dat ’t eenige.”En toen ze ’n half uur later, na veel afdwalend naar-buiten-staren en zich weer tot lezen dwingen, er eindelijk in geraakt was, keek Mary glimlachend naar het bleeke, nu rustige gezicht, en peinsde: En àls meisjes nu ’s dooreengenomen minder praesteeren konden op ’t gebied van studie dan mannen; en àls ’t nu eens waar was, dat zelfstandig, zuiver wetenschappelijk werk van ’n vrouw zeldzaamheid was;—is dan nog de studie voor haar niet een zegen, die haar heen helpt over de eerste levensdésillusies, die er voor waakt, dat ze niet den eersten slag blijft betreuren, maar haar steeds verder lokt naar nieuwe verschieten; en, àls ’t volle vrouweleven komt, haar er aan overgeeft, moedig en sterk, en boven alles jong en frisch, omdat ze niet in hunkerend wachten is verflensd? En kòmt ’t schoonste niet.... voor hoevelen komt ’t niet tegenwoordig, dan is ’t géén verloren leven, dan kan ’t waardevol zijn,—al is ’t ook niet heerlijk.

Hoofdstuk XIX.’n Paar dagen later kwam ze lusteloos en bleek Mary’s kamer in. Ze had lang, half-wakker, in haar bed liggen woelen, en zich nu eindelijk, zonder zorg, ’n beetje aangekleed, om in de rustige, blauwe kamer, die uitzag in den tuin en over de kale boomen, wat vrede te zoeken, dien ze nergens vinden kon. Die kamer had altijd ’n bizonderen invloed op haar; de meeste meisjes vonden ’m somber en kwamen liever in Frieda’s “zonnepaleis,” dat ook lichter en levendiger was gestoffeerd; maar Go hiéld van die doffe kleuren en sobere lijnen; Mary’s eigen rustig en harmonieus wezen weerspiegelde zich in de dingen om haar heen; en de stilte was er nooit beangstigend, maar ’t mooie zwijgen van twee, die elkaar volkomen begrijpen.“Mary, ik wilde zoo graag iets doen, en ik kan níet werken. Heb-jij ook iets voor me, te naaien of zoo, meen ik?”Mary had zich omgewend, zoodra de deur openging, en terwijl ze naar de kast liep om ’n rok te zoeken, waarvan het bezemband was afgetrapt, bewonderde Go weer haar dunne, rechtegestalte, die iets zwevends, iets symbolisch had, als de figuren van Toorop; en het kalm-ernstige gezicht, met de bijna-extatisch-groote, grijs-blauwe oogen, die zoo zuiver-koel en toch zoo innig konden kijken. En Go, die zelf lééd, omdat haar gedachten deze dagen telkens met ’t kwaad vervuld waren, zij ’t ook met ’n afschuw er voor; en die zich bezoedeld voelde door haar weten van zonde, sloeg schuw de hare neer, toen Mary bij haar kwam, en over haar gebogen zwijgend naar haar kijken bleef. Go voelde, hoe afgetobd en onrustig en onverzorgd ze er uitzag, en, nerveus de rok grijpend, vroeg ze om garen en ’n naald, verlangend de spanning te breken door gewone, alledaagsche dingen.Maar Mary stoorde er zich niet aan; ze zette zich naast haar in de vensterbank, en, opeens ’n besluit nemend, begon ze met haar diepe, donkere stem: “Gootje, je moet me ’s zeggen: ben-je vertrouwelijk met je moeder?”Er was geen ontkomen meer aan; Go vóelde, dat nu alles uitgezegd moest worden tusschen hen tweeën, en ze antwoordde zacht en weifelend: “Ik hou heel veel van moeder,... en vroeger heb ik ’r ook altijd alles verteld, en overal in raad gevraagd—en ze heeft me altijd begrepen. Maar nu ik hier ben, in dat àndere leven, bij menschen, die ze niet kent, en in toestanden, die ze zelf nooit heeft meegemaakt, nu voel ’k telkens, dat ze niet begrijpt, wat ik meen; nu verwart ze dingen en namen, en we merken ’t allebei, al zeggen we ’t niet: we zijn aan ’t vervreemden van elkaar, we ontgroeien elkaar.”Mary knikte. “Ik weet het wel, dat is het tragische in elke familie; de ouders leven voorde kinderen, maar de kinderen worden menschen voor zichzelf en leven in de toekomst. Dit komt te sterker uit, naarmate de verhouding vroeger inniger was. En al is ’t natuurlijk, en al is ’t “der lauf der welt”—iedere liefhebbende moeder, die haar kind van haar af voelt gaan, lijdt eronder, diep en hevig, alsof zij de eerste was, die met zoo’n vreeselijke ramp wordt getroffen. En voor ónze ouders is ’t wel ’t ergste; want die zién in hun kinderen de nieuwe levensrichting, de reactie tegen hún leven, en dat is nog moeilijker te begrijpen, dan dat de jeugd eenvoudig zelfstandig denken wil. Wij zijn nog min of meer voorloopers van ’n nieuwe beweging, en ’t geslacht, dat na ons komt, vindt z’n weg door ons gebaand....”“Ik weet niet,” viel Go uit, “misschien zijn wij wel op ’n dwaalweg. Ik geloof niet, dat ik licht ’n dochter van mij zal laten studeeren. Eerst als je ’t zelf hebt meegemaakt, weet je, hoeveel er tegen is.”“O, maar over vijf-en-twintig jaar,—en eerder zal jóuw dochter toch zoo ver niet zijn—” glimlachte Mary, “over vijf-en-twintig jaar is de toestand van ’n meisje hier al weer heel anders dan nu;... reken maar eens, hoe verschillend ze nu is van ’n tien jaar geleden. Toen was er geen club, geen vereenigingslokaal; er waren geen meisjeshuishoudingen, geen pensions, geen faculteitsvergaderingen—hier en daar in de stad zat ergens ’n eenzaam meisje op ’n triestige kamer; op college werden ze met verbazing geduld;—dat is nog geen tien jaar geleden; terwijl nu... Of meen-je dàt niet?”Go zweeg en keek voor zich uit: hoe kón zehet Mary van Eduard zeggen, en hoe kon ze éérlijk zijn, zónder het te zeggen? Toch snakte ze er naar, eindelijk haar hart, zwaar van zorgen en onzekerheid, eens voor iemand uit te storten, en haar oogen gingen hulpeloos naar Mary om steun.“Ik weet het niet, ik weet nu heelemaal niets meer. Toen ik Zondagavond bij moeder zat, heeft ze gehuild. Er was geen reden voor, maar ze zei opeens: “Wie weet, hoe kort ik nog maar leef, en dan heb ik je niet eens de laatste jaren bij me gehad.” En toen werd ik ook treurig en dacht, dat ik eigenlijk best zeggen kon, dat ik thuis komen zou, en iets anders beginnen. Zoo’n vreeselijk studiemensch ben ik toch niet; en ’t is niet van veel belang, of ik ’t één doe, of ’t ander. Heelemaal”—en ze haalde nerveus de schouders op—“kan het me niet meer schelen, de wereld, ’t leven, alles. Ik heb er genoeg van. Ik begrijp toch niet, waarvoor ’t allemaal dient.”“O, kindje,” zei Mary heel zacht, met haar hand over Go’s handen, en haar oogen vol medelij, “van ’t oogenblik, dat je bij ons kwam, heb ik al gevoeld, dat er wat aan haperde. Ik had je gezien, toen je hier aankwam, vol lust en overmoed en vertrouwen op je kracht; en jij was een van de weinige meisjes, die ik onthouden had. Je weet, ik kom bijna nooit op de club, ik houd van eenzaamheid en stilte. Het leven kan niet stil genoeg zijn voor mij, maar dat is heel iets anders dan het zwijgend broeden van jou, de laatste maanden, dat vol onrust is en disharmonie. Ik heb het aldoor gezien, maar ik dacht: ze zal er zich wel doorheen werken; ’tis ’n moedig kind; en je moet je vooral niet opdringen met hulp of steun;—maar ik heb al zoo lang gewacht, en het is, of het aldoor maar erger met je wordt; je ziet er zoo hopeloos uit, of je eigenlijk geen oplossing meer verwacht. En daarom moeten we nu doorpraten, Gootje; ik zou zoo graag willen, dat je open tegen me was.”Ze wachtte even en toen ze de verwarring zag op ’t vermoeide gezichtje, half wetend, half vermoedend, wat de aanleiding tot de verslagenheid zou zijn, al lag de oorzaak veel dieper, ging ze warmer voort:“Kijk, feiten en gebeurtenissen in het persoonlijk leven zijn natuurlijk bij meisjes-studenten, net als bij andere meisjes, geheel verschillend. Maar wat algemeene ondervindingen, inhaerent aan ’t student-zijn zelf aangaat, die moeten we allen gelijkelijk doormaken. En daarom zijn de oudere-jaars de aangewezen raadsvrouwen voor de pas aangekomenen, de jongeren. Dat is ook wel de bedoeling van het bestuur van onze club, maar in de praktijk staat nog al veel dit ideaal in den weg. Meisjes zijn nu eenmaal niet erg toeschietelijk, als ’t haar dieper leven betreft, en ik geloof niet, dat iemand in ziele-onrust licht naar de kamer van onze praeses of secretaris zal stappen, om haar hart open te leggen... Zoo iets moet toevallig, spontaan, vanzelf gebeuren, als je lang bij iemand hebt gezeten, die je heel goed kent... en de jaren, de faculteiten, blijven haast altijd gescheiden. De door ondervinding gegaarde wijsheid houdt ieder voor zich. Toch zou ’t menig droomstertje, dat opeens is wakker geschud, wel goed doen, als ze wist, dat we allemaal ’n heeleboel moeten doormaken, vóór we eigenlijk kunnen zeggen, dat we léven, en er zou minder gauw gewanhoopt worden, als de overwinning van anderen moed gaf.”“Toe, vertel me dan, hoe ’t anderen gaat,” vroeg Go, in spanning, zich heelemaal gevend aan ’t luisteren.“Wel, we komen allen van huis, onbezorgd en luchthartig, met duizend mooie plannen en droomen, maar zonder fond... en dan staan we opeens in het wezenlijke leven. Dat geldt natuurlijk zoowel voor jongens als meisjes, maar de meeste jongens hebben ’t corps, dat hun in fuiven en jool-maken de behoefte aan iets vasts vergeten doet, en ik geloof wel, dat dit een van de redenen is, waardoor jij meer verbijsterd en teleurgesteld bent, dan de meeste meisjes: dat je vol verwachting hier aangekomen bent, en van ’t begin af dié jongens ontmoet en met ze omgegaan hebt.”“Niet al m’n vrienden zijn zoo,” wierp Go tegen, aan Gerard en Hoefman denkend, maar Mary hield vast: “De meest beteekenenden, die invloed op je hadden, vulden dáármee de leegheid van hun leven aan, want ’t voelen van leegte, onvoldaanheid, teleurstelling, is dé ziekte van de bewustwordende jeugd. Het is ook zoo natuurlijk: thuis hoefde-je niet na te denken over je leven; alles ging er vanzelf, door de zorg van je ouders, en hun bescherming, die je voelt om je heen. Maar als je hier komt, dan slaat je eerst de vrijheid als ’n roes naar je hoofd; ik heb dat meegemaakt evenals jij. Maar op die bedwelming volgt óók de gewone “kater”; en de manier, waarop je dién ellendigen tijd te boven komt, beslist voor’n groot deel over je verder leven. Veel jongens, vooral corpsleden, hebben afleiding van allerlei aard, en als ze bang zijn om met zichzelf en hun eigen onvoldaanheid te vechten, dan pogen ze het te vergeten, op de kroeg, in hun clubs, of op ’n andere manier. Maar heel veel jongens en de meeste meisjes kunnen of willen den strijd niet bang ontloopen. Die bekennen zich, dat ze het land hebben, en streven dán naar verbetering.”Go zat stil, de kapotte rok in haar aandachtlooze handen; en diep in haar oogen leefde het begrijpen met ieder woord mee. Toen Mary zweeg, fronsde ze even de wenkbrauwen; zou ’t al uit zijn, en zou ze nu moeten gaan “verbeteren” in ’t wilde weg, zonder dat ze recht wist, hoé of waarheen?Maar weer ging de kalme stem voort: “Ik zou je een heel rijtje van menschen kunnen noemen, wier “zwarte” tijd ik heb meegemaakt. De besten, diepsten juist hebben zoo’n crisis in hun leven, waarbij ’t gaat als bij ’n ziekte, op leven en dood; en eerst als dié is overwonnen, heeft ’n mensch z’n eigenlijk karakter getoond; neem nu b.v. m’n broertje Ru. Wat is die jongen z’n tweede jaar ellendig geweest! Hij werkte nog niet, foof niet meer, ’n toonbeeld van levensmoeheid. Tot hij z’n sociaal-democratie heeft gevonden, mevrouw Roland Holst;—ja, die heb-je nu zelf gehoord.—Heeft ’t jou niets gegeven?”Ja, ík vond ’t heel mooi. Maar zoo iets is niet genoeg....”“Niet voor jou misschien. En voor mij ook niet. Ik vind het alleen prettig, dat ze je duidelijk maken, dat zoo vreeselijk veel kwaad van de menschen alleen aan de slechte inrichting van de maatschappij moet worden geweten;—onze moraal iets onhoudbaars, zie-je; dan oordeel-je zachter over gevallenen en gaat beter begrijpen;—maar de heele kwestie is, dat ieder mensch voor zichzelf hier uitzoeken moet, wat z’n leven waarde, volheid geven kan. Dat was bij Frieda heel gemakkelijk, die is op ende op ’n studiemensch; het is haar ideaal, met haar schrandere hersens zooveel mogelijk wetenschap tot zich te nemen. Maar dat is iets, dat heel weinig jonge menschen volkomen bevredigt. Iedereen heeft hier iets eigens, “’t boekje” van den “Kleinen Johannes”; en die behoefte is onder studenten veel sterker dan in de gewone maatschappij, omdat daar de mannen hun nuttige werkkring, de zorg voor hun huishouden, en de vrouwen kinderen en andere verantwoordelijkheid hebben; terwijl wij, die in onze gedachten al heele menschen zijn, inderdaad nog niets presteeren en nergens nut doen. Maar als we eenmaal iets hebben gevonden, ’n ideaal, ’n overtuiging, ’n gelóóf, dan heeft ons leven opeens waarde; dan voelen we dankbaarheid, dat we op de wereld zijn. Daardoor zijn hier zooveel vegetariërs en geheel-onthouders, en orthodox-geloovigen, en liefde-predikers, en artisticiteit wordt óók wel ’s tot ’n geloof verheven; en dan de sociaal-democraten, en de anarchisten, en Van Eedenianen en de wereld-vrede-menschen... en de Hegelaars; daar ken-je, geloof ik, nog niemand van; dat is ’n heel bizonder volkje; ’k denk, dat je ze wel interessant zult vinden... en dan heb-je nog ’n paar voorstanders van het vrouwenkiesrecht, maar die zijn toch niet talrijk bij ons, en ’t zou ook niets voor jou zijn, wel?”“Nee, zeker niet,” zuchtte Go, “alleen al daarom, dat de jongens erom lachen, en dat kan ik niethebben; ik weet wel, dat dat erg kinderachtig van me is.”“Och,” peinsde Mary, “’t hóórt wel bij je...”“Vin-jij ’t ook altijd zoo ellendig, als je merkt, dat sommige mannen de meisjes-studenten voor heel iets anders dan gewone meisjes houden? Voor waanwijs, ingebeeld, en vooral voor wezens waar ze geen égards, geen hoffelijkheid tegenover hoeven te toonen! Ik ben ’s in ’n club geweest, waar de jongens de meisjes alleen naar huis lieten gaan... “meisjes-studenten waren toch iets anders dan gewone meisjes...” Ik had kunnen huilen, toen ik alleen op de donkere straat liep, niet uit angst,—maar ik voelde ’t als ’n beleediging... En toch is ’t eigenlijk logisch. Ze zeggen: als je met ons gelijk wilt gesteld worden, moet je ook geen lievigheidjes meer verwachten. Maar ik vind ’t zoo akelig.”“Beschaafde mannen zul-je zelden zoo zien doen, tenminste niet tegenover meisjes, die ’t “ewig weibliche” bewaard hebben. Je kunt hier ook al weer niet generaliseeren. Er zijn enkele meisjes-studenten, die als mannen sterk zijn;... er zijn méér “echte” meisjes, die studeeren.”“Je gelooft dus niet, dat ieder meisje, dat studeert, iéts van haar vrouwelijkheid inboet, zij ’t ongemerkt? Ik ben er vaak bang voor, dat we, alléén door met de jongens samen op college te zitten, alléén door onze vrijere levenshouding, iets verliezen; ’t kostbaarste... Of we minder schuchter, kuisch,—ach, ik kan ’t zoo niet zeggen; ’t zijn heel ouderwetsche begrippen van me; maar ik schaam me soms zoo, als ik met m’n boeken loop, en ’n jongen kijkt me rustig-brutaal aan; denkt: ’n collega.”“Iéts verliezen we mogelijk, maar we krijgen iets beters terug. Als je ’s met niet-studeerende meisjes samenkomt, benijd-je die dan zoo erg, en vind-je ze vrouwelijker, sympathieker dan je vriendinnen hier? Ik voel zoo dikwijls alleen maar medelijden...”“Maar ik heb medelijden met de meisjes hier, die zóó zeer alle achting voor zichzelf en alle hoop op geluk hebben opgegeven, dat ze er zich niet meer om bekommeren, hoe ze er uit zien, slordig en smakeloos gekleed langs de straat loopen.... Dan moet ik er aan denken, hoe alles hoe langer hoe meer in de war loopt. De meisjes verdringen de mannen, ieder verdient maar net genoeg om voor zich zelf te zorgen, alles drijft naar volkomen vereenzaming van de individuën; ieder nijdig, ieder strijdlustig: voor mij; voor mezelf.”“In ’n staat-van-wanverhoudingen moet je de beste mogelijkheid, niet ’t ideaal zoeken.”Go zuchtte.“Maar welk “gelóóf” denk-je nu, dat bij mij hoort?”“Ja, kindje, dat weet ik niet. En ’k heb het idee, dat je ’t eigenlijk ’n beetje mal moet vinden, als je hoort, wat hier al niet allemaal “geloofd” en “gehoopt” wordt. En toch vind ik die verbrokkeling absoluut geen teeken, dat al die idealen maar larie zijn, niets dan dotjes om schreeuwende kinderen mee zoet te houden. Voor mijn gevoel wijst het er juist op, dat er nog ontzaglijk veel te doen, te verbeteren, te werken valt in de wereld; en dat er hier allerlei zelfstandig-denkende menschen zijn, die hieraan trachten mee te werken op de manier, die met hun capaciteiten overeenkomt. Als je iemand hoort praten over z’n overtuiging,—of ’t nu ’n Hegliaan is met ’n breede kop, of ’n extatische vegetariër, of ’n vredigewereld-vrede-vriend,—dan krijg-je altijd den indruk: “ja, wezenlijk, ik zou er wat voor kunnen gaan voelen; er is toch veel moois in;” ik heb dat ten minste; maar je begrijpt, ik ben óók nog niet erg ver met m’n ontwikkeling.”“Wat ben-jij eigenlijk?”Mary lachte. “Wel, niet veel meer dan ’n dankbaar, gelukkig, zoekend menschenkind. Op ’t oogenblik ben ik erg in theosofie verdiept; dat geeft me zoo’n kalmte, omdat ’t spreekt van weer terug komen hier op de wereld. Want al kijk ik m’n oogen uit, ik heb toch ’t gevoel, dat ik met dit eene leven onmogelijk alles bevatten kan. En ik bewonder alles zoo, dat ik ’t zonde zou vinden, als ik nooit tot de kern doordringen kon. Ook wat mezelf aangaat: ik zou graag den tijd hebben me te volmaken.”“O, maar vóór ik volmaakt ben, is de wereld zeker vergaan,” en Go trok ’n zóó tragisch gezicht, dat Mary vroolijk riep: “Maar lieve kind, neem toch niet dadelijk aan als ’n waarheid, wat je maar terloops hoort. Ru zegt, dat theosofie het toppunt van menschelijke verwaandheid is, nog veel erger dan het Christendom. Want het voortleven, de ontwikkeling van denenkeling, het individu, is voor theosofen alles, terwijl hij juist overtuigd is, dat wij het leven maar even mogen dragen, en moeten trachten het te verheffen, opdat wanneer we het aan anderen overgeven, het ’n kostbaarder schat geworden zal zijn. Maar Wies van Hoof zegt: als de vrouwen maar eerst eens zitting in ’t Parlement hebben, en Theo Vervoort: Het vleesch-eten veroorzaakt de slechte neigingen in den mensch. Je hebt nog nooit ’s zoo’n gesprek van ónze vrienden bijgewoond. Dat zijn’n levens-opvattingen, ’n idealen door elkaar...”“En duizelt het je dan niet wel ’s?”“Nee; ik krijg ’n diep, zalig gevoel: o, kind, wat heb-je nog veel te doen in je leven. Wat is er al niet gedacht en opgeofferd en gestreden. Hoe moet je zelf werken en zoeken naar ’n ideaal!.... en als ik dan dat verlangen en die kracht te leven zoo sterk in me voel, dan lijkt het me zoo’n dwaasheid, zoo’n waanwijze domheid, als jonge menschen, die nog onmogelijk de hoogten en diepten van ’t leven kunnen hebben doorvoeld, zich nu al verbeelden er genoeg van te hebben; zooals ’n domme boer, die, voordat hij ’n vreemde spijs geproefd heeft, al verzekert, dat hij ’t niet lust.”Go dacht aan Hans, en haar oogen vulden zich met tranen: was ’t een domheid van hem geweest?Maar Mary, intuïtief begrijpend, wat ze voelde, beantwoordde zacht haar nog onuitgesproken vraag: “Er zijn menschen, die zoeken, maar zonder vertrouwen en zonder rust. Die alles tegelijk willen lezen en bevatten, en gek worden van ongeduld, als de waarheid niet dadelijk in hun handen ligt. Je begrijpt, dat dat ’n heel verkeerde manier is, die geen resultaten geeft. Want al moeten we natuurlijk actief zóeken, en lezen en ons inspannen,—hoe dat, wat we in ons opgenomen hebben, weer uit ons opbloeit, moeten we aan den tijd en de natuur overlaten. Dat gaat zoo verrassend, zoo anders dan we dachten.... En als we maar steeds het gevoel houden, dat de waarheid wijkt en wijkt, als we niets kunnen vatten, dan moeten we weten, dat het zoeken-op-zich-zelf óók iets heel moois is, bijna even mooi als ’t vinden, wanneer we tenminste vertrouwend zoeken. Ik ben tenminste blij, dat ik nog geenbepaald stelsel gevonden heb; dat ik nog dilettant ben in ’t leven.”“O, Mary, zou dát de oplossing zijn: door ontwikkeling naar alle kanten tot harmonie te komen?”“Ja, want naar de onbewuste, natuurlijke harmonie met de omgeving kun-je niet meer terug. Je hebt desillusies geleden; je hebt het leven leelijk gezien;.... ik begrijp het wel, Go, zoo iets moeten we allemaal door. Eerst had-je geen begrip van ’t leven;.... nu heb-je ’t ’n beetje, maar eenzijdig en verkeerd. Denk maar eens logisch na: Het kan toch niet, dat de wereld maar voortdraait, dat de menschen zich organiseeren, en werken en ploeteren;—als er eigenlijk niets waarde had en alles leelijk was?”“Nee, natuurlijk. Nee, dat kan niet. O, Mary, ik geloof, dat je woorden me zoo goed hebben gedaan. Vroeger, als ik ’n mooi boek had gelezen, verbeeldde ik me altijd, dat van dàt oogenblik af m’n heele leven veranderen ging; en dit gevoel heb ik nu weer.”“Dat geloof ik toch niet, Gootje. Alleen is dit gesprek goed geweest, als begin van grootere vertrouwelijkheid tusschen ons. Je bent zoo gesloten,—en ik geef me ook niet gauw, ik heb er geen behoefte aan, en heb ook niet veel te zeggen.”“En je hebt nu den heelen ochtend aan één stuk door gepraat! Wat kan iemand toch dom-rampzalig zijn.”Go stond op, en rechtte zich, maar Mary praatte nog voort, met haar naar de deur gaande: “Ik heb eigenlijk nog zooveel te zeggen; zoo’n oogenblik, dat je elkaar wezenlijk begrijpt, komt zoo zelden weer.... Maak je geen zorgen, dat je je studie op ’t oogenblik duf en droog vindt.Dat komt, omdat ’t nieuwtje er af is, en je nog niet ver genoeg bent, om de philosophische waarde te begrijpen;—alles gaat in drie perioden, en de tweede is de neergang in ’n stijgende golflijn.... Wees niet ongeduldig, als ’t niet meevalt in ’t begin, en ga je nu aankleeden voor de koffie.”Drie minuten later was Go, ’t haar al los, in de kamer terug. “Wees niet boos op me, maar ik móet je even vragen, waarmee ’k beginnen moet? De toepassing in het leven?”“Ken-je den bijbel? Nee? Nu, dan moet je daarmee beginnen. Het grootste deel van de jeugd is tegenwoordig ongeloovig, zonder iets van den christelijken godsdienst af te weten.”“Ja, dank je.”—Ze zweeg even, nadenkend; maar dadelijk weer vervuld van ’n nieuwe kwestie, viel ze uit: “En wat willen de vegetariërs met de beesten doen, als we ze niet meer opeten? En hebben die menschen van de wereldvrede vertrouwen in de conferenties in Den Haag?”“Kind,” lachte Mary, “gá toch. Ik ben waarachtig niet het orakel van Delfi. Hoop maar met hart en ziel, dat je nog heel lang op deze wereld mag blijven....”“Of er dikwijls terugkomen.”“Want je ziet wel; we hebben enorm veel te doen.”“Ja; ik zal maar beginnen me gauw netjes te maken, want Frieda fluit al in ’t portaal.”En met ’n sprongetje was Go weer in haar kamer, en onder ’t kappen lachte ze nog om haar domheid, dat ze het leven nu al had geoordeeld en veroordeeld; zij, ’n kind, dat nog niets wist.En terwijl ze dacht aan Eduard en de desillusie over hem, was ’t toch, of zij ’t nu anderszag, als ’n klein droef gebeuren in ’n groot leven; en, de handen achter haar hoofd saamgevouwen, staarde ze strak in den spiegel naar haar gezicht, om de toekomst te lezen uit haar lippen en oogen. Zelfstandig zou ze nu moeten worden, goed en sterk. Het was onmogelijk, dat de toekomst haar beangstigde, wanneer ze niets verlangde dan ’n goed mensch te worden. Ze zou zich in zichzelf en in levensvertrouwen krachtig moeten maken.Maar zich afwendend om te gaan, zag ze even, dadelijk verschemerend, haar beeld, zooals ze het zich kortgeleden had gedroomd: tusschen hem en haar kinderen, gévend aan elk, gevend zichzelf, haar gedachten, haar kracht, haar leven....Mary had niets over trouwen gezegd. Ze waren ménschen; ze wàchtten niet. Dít leven was hooger en edeler en fijner;.... maar had moesje, die eenvoudig deed haar plicht van vrouw, van moeder, zonder diepzinnigheid, zonder redeneeren, het leven niet beter en inniger begrepen....En ze twijfelde even aan de waarde van alles, wat Mary dien ochtend had beweerd. Toch wás dat streven op ’t oogenblik het eenige, dat haar kon vullen, al moest ze daarbij iets van haar wezen negeeren, ’n groot verlangen bedwingen, dat niet gemakkelijk te overstemmen viel....Maar Mary, geurig van vredige vroolijkheid, stond lachend in haar deur, vroeg, of ze den bijbel bepaald vóór de koffie uit hebben wilde. En, zich overgevend aan den invloed van voldaanheid, volgde Go haar naar de huiskamer met lichtende oogen en ’n blij-wachtend trekje om de hoeken van haar mond.

’n Paar dagen later kwam ze lusteloos en bleek Mary’s kamer in. Ze had lang, half-wakker, in haar bed liggen woelen, en zich nu eindelijk, zonder zorg, ’n beetje aangekleed, om in de rustige, blauwe kamer, die uitzag in den tuin en over de kale boomen, wat vrede te zoeken, dien ze nergens vinden kon. Die kamer had altijd ’n bizonderen invloed op haar; de meeste meisjes vonden ’m somber en kwamen liever in Frieda’s “zonnepaleis,” dat ook lichter en levendiger was gestoffeerd; maar Go hiéld van die doffe kleuren en sobere lijnen; Mary’s eigen rustig en harmonieus wezen weerspiegelde zich in de dingen om haar heen; en de stilte was er nooit beangstigend, maar ’t mooie zwijgen van twee, die elkaar volkomen begrijpen.

“Mary, ik wilde zoo graag iets doen, en ik kan níet werken. Heb-jij ook iets voor me, te naaien of zoo, meen ik?”

Mary had zich omgewend, zoodra de deur openging, en terwijl ze naar de kast liep om ’n rok te zoeken, waarvan het bezemband was afgetrapt, bewonderde Go weer haar dunne, rechtegestalte, die iets zwevends, iets symbolisch had, als de figuren van Toorop; en het kalm-ernstige gezicht, met de bijna-extatisch-groote, grijs-blauwe oogen, die zoo zuiver-koel en toch zoo innig konden kijken. En Go, die zelf lééd, omdat haar gedachten deze dagen telkens met ’t kwaad vervuld waren, zij ’t ook met ’n afschuw er voor; en die zich bezoedeld voelde door haar weten van zonde, sloeg schuw de hare neer, toen Mary bij haar kwam, en over haar gebogen zwijgend naar haar kijken bleef. Go voelde, hoe afgetobd en onrustig en onverzorgd ze er uitzag, en, nerveus de rok grijpend, vroeg ze om garen en ’n naald, verlangend de spanning te breken door gewone, alledaagsche dingen.

Maar Mary stoorde er zich niet aan; ze zette zich naast haar in de vensterbank, en, opeens ’n besluit nemend, begon ze met haar diepe, donkere stem: “Gootje, je moet me ’s zeggen: ben-je vertrouwelijk met je moeder?”

Er was geen ontkomen meer aan; Go vóelde, dat nu alles uitgezegd moest worden tusschen hen tweeën, en ze antwoordde zacht en weifelend: “Ik hou heel veel van moeder,... en vroeger heb ik ’r ook altijd alles verteld, en overal in raad gevraagd—en ze heeft me altijd begrepen. Maar nu ik hier ben, in dat àndere leven, bij menschen, die ze niet kent, en in toestanden, die ze zelf nooit heeft meegemaakt, nu voel ’k telkens, dat ze niet begrijpt, wat ik meen; nu verwart ze dingen en namen, en we merken ’t allebei, al zeggen we ’t niet: we zijn aan ’t vervreemden van elkaar, we ontgroeien elkaar.”

Mary knikte. “Ik weet het wel, dat is het tragische in elke familie; de ouders leven voorde kinderen, maar de kinderen worden menschen voor zichzelf en leven in de toekomst. Dit komt te sterker uit, naarmate de verhouding vroeger inniger was. En al is ’t natuurlijk, en al is ’t “der lauf der welt”—iedere liefhebbende moeder, die haar kind van haar af voelt gaan, lijdt eronder, diep en hevig, alsof zij de eerste was, die met zoo’n vreeselijke ramp wordt getroffen. En voor ónze ouders is ’t wel ’t ergste; want die zién in hun kinderen de nieuwe levensrichting, de reactie tegen hún leven, en dat is nog moeilijker te begrijpen, dan dat de jeugd eenvoudig zelfstandig denken wil. Wij zijn nog min of meer voorloopers van ’n nieuwe beweging, en ’t geslacht, dat na ons komt, vindt z’n weg door ons gebaand....”

“Ik weet niet,” viel Go uit, “misschien zijn wij wel op ’n dwaalweg. Ik geloof niet, dat ik licht ’n dochter van mij zal laten studeeren. Eerst als je ’t zelf hebt meegemaakt, weet je, hoeveel er tegen is.”

“O, maar over vijf-en-twintig jaar,—en eerder zal jóuw dochter toch zoo ver niet zijn—” glimlachte Mary, “over vijf-en-twintig jaar is de toestand van ’n meisje hier al weer heel anders dan nu;... reken maar eens, hoe verschillend ze nu is van ’n tien jaar geleden. Toen was er geen club, geen vereenigingslokaal; er waren geen meisjeshuishoudingen, geen pensions, geen faculteitsvergaderingen—hier en daar in de stad zat ergens ’n eenzaam meisje op ’n triestige kamer; op college werden ze met verbazing geduld;—dat is nog geen tien jaar geleden; terwijl nu... Of meen-je dàt niet?”

Go zweeg en keek voor zich uit: hoe kón zehet Mary van Eduard zeggen, en hoe kon ze éérlijk zijn, zónder het te zeggen? Toch snakte ze er naar, eindelijk haar hart, zwaar van zorgen en onzekerheid, eens voor iemand uit te storten, en haar oogen gingen hulpeloos naar Mary om steun.

“Ik weet het niet, ik weet nu heelemaal niets meer. Toen ik Zondagavond bij moeder zat, heeft ze gehuild. Er was geen reden voor, maar ze zei opeens: “Wie weet, hoe kort ik nog maar leef, en dan heb ik je niet eens de laatste jaren bij me gehad.” En toen werd ik ook treurig en dacht, dat ik eigenlijk best zeggen kon, dat ik thuis komen zou, en iets anders beginnen. Zoo’n vreeselijk studiemensch ben ik toch niet; en ’t is niet van veel belang, of ik ’t één doe, of ’t ander. Heelemaal”—en ze haalde nerveus de schouders op—“kan het me niet meer schelen, de wereld, ’t leven, alles. Ik heb er genoeg van. Ik begrijp toch niet, waarvoor ’t allemaal dient.”

“O, kindje,” zei Mary heel zacht, met haar hand over Go’s handen, en haar oogen vol medelij, “van ’t oogenblik, dat je bij ons kwam, heb ik al gevoeld, dat er wat aan haperde. Ik had je gezien, toen je hier aankwam, vol lust en overmoed en vertrouwen op je kracht; en jij was een van de weinige meisjes, die ik onthouden had. Je weet, ik kom bijna nooit op de club, ik houd van eenzaamheid en stilte. Het leven kan niet stil genoeg zijn voor mij, maar dat is heel iets anders dan het zwijgend broeden van jou, de laatste maanden, dat vol onrust is en disharmonie. Ik heb het aldoor gezien, maar ik dacht: ze zal er zich wel doorheen werken; ’tis ’n moedig kind; en je moet je vooral niet opdringen met hulp of steun;—maar ik heb al zoo lang gewacht, en het is, of het aldoor maar erger met je wordt; je ziet er zoo hopeloos uit, of je eigenlijk geen oplossing meer verwacht. En daarom moeten we nu doorpraten, Gootje; ik zou zoo graag willen, dat je open tegen me was.”

Ze wachtte even en toen ze de verwarring zag op ’t vermoeide gezichtje, half wetend, half vermoedend, wat de aanleiding tot de verslagenheid zou zijn, al lag de oorzaak veel dieper, ging ze warmer voort:

“Kijk, feiten en gebeurtenissen in het persoonlijk leven zijn natuurlijk bij meisjes-studenten, net als bij andere meisjes, geheel verschillend. Maar wat algemeene ondervindingen, inhaerent aan ’t student-zijn zelf aangaat, die moeten we allen gelijkelijk doormaken. En daarom zijn de oudere-jaars de aangewezen raadsvrouwen voor de pas aangekomenen, de jongeren. Dat is ook wel de bedoeling van het bestuur van onze club, maar in de praktijk staat nog al veel dit ideaal in den weg. Meisjes zijn nu eenmaal niet erg toeschietelijk, als ’t haar dieper leven betreft, en ik geloof niet, dat iemand in ziele-onrust licht naar de kamer van onze praeses of secretaris zal stappen, om haar hart open te leggen... Zoo iets moet toevallig, spontaan, vanzelf gebeuren, als je lang bij iemand hebt gezeten, die je heel goed kent... en de jaren, de faculteiten, blijven haast altijd gescheiden. De door ondervinding gegaarde wijsheid houdt ieder voor zich. Toch zou ’t menig droomstertje, dat opeens is wakker geschud, wel goed doen, als ze wist, dat we allemaal ’n heeleboel moeten doormaken, vóór we eigenlijk kunnen zeggen, dat we léven, en er zou minder gauw gewanhoopt worden, als de overwinning van anderen moed gaf.”

“Toe, vertel me dan, hoe ’t anderen gaat,” vroeg Go, in spanning, zich heelemaal gevend aan ’t luisteren.

“Wel, we komen allen van huis, onbezorgd en luchthartig, met duizend mooie plannen en droomen, maar zonder fond... en dan staan we opeens in het wezenlijke leven. Dat geldt natuurlijk zoowel voor jongens als meisjes, maar de meeste jongens hebben ’t corps, dat hun in fuiven en jool-maken de behoefte aan iets vasts vergeten doet, en ik geloof wel, dat dit een van de redenen is, waardoor jij meer verbijsterd en teleurgesteld bent, dan de meeste meisjes: dat je vol verwachting hier aangekomen bent, en van ’t begin af dié jongens ontmoet en met ze omgegaan hebt.”

“Niet al m’n vrienden zijn zoo,” wierp Go tegen, aan Gerard en Hoefman denkend, maar Mary hield vast: “De meest beteekenenden, die invloed op je hadden, vulden dáármee de leegheid van hun leven aan, want ’t voelen van leegte, onvoldaanheid, teleurstelling, is dé ziekte van de bewustwordende jeugd. Het is ook zoo natuurlijk: thuis hoefde-je niet na te denken over je leven; alles ging er vanzelf, door de zorg van je ouders, en hun bescherming, die je voelt om je heen. Maar als je hier komt, dan slaat je eerst de vrijheid als ’n roes naar je hoofd; ik heb dat meegemaakt evenals jij. Maar op die bedwelming volgt óók de gewone “kater”; en de manier, waarop je dién ellendigen tijd te boven komt, beslist voor’n groot deel over je verder leven. Veel jongens, vooral corpsleden, hebben afleiding van allerlei aard, en als ze bang zijn om met zichzelf en hun eigen onvoldaanheid te vechten, dan pogen ze het te vergeten, op de kroeg, in hun clubs, of op ’n andere manier. Maar heel veel jongens en de meeste meisjes kunnen of willen den strijd niet bang ontloopen. Die bekennen zich, dat ze het land hebben, en streven dán naar verbetering.”

Go zat stil, de kapotte rok in haar aandachtlooze handen; en diep in haar oogen leefde het begrijpen met ieder woord mee. Toen Mary zweeg, fronsde ze even de wenkbrauwen; zou ’t al uit zijn, en zou ze nu moeten gaan “verbeteren” in ’t wilde weg, zonder dat ze recht wist, hoé of waarheen?

Maar weer ging de kalme stem voort: “Ik zou je een heel rijtje van menschen kunnen noemen, wier “zwarte” tijd ik heb meegemaakt. De besten, diepsten juist hebben zoo’n crisis in hun leven, waarbij ’t gaat als bij ’n ziekte, op leven en dood; en eerst als dié is overwonnen, heeft ’n mensch z’n eigenlijk karakter getoond; neem nu b.v. m’n broertje Ru. Wat is die jongen z’n tweede jaar ellendig geweest! Hij werkte nog niet, foof niet meer, ’n toonbeeld van levensmoeheid. Tot hij z’n sociaal-democratie heeft gevonden, mevrouw Roland Holst;—ja, die heb-je nu zelf gehoord.—Heeft ’t jou niets gegeven?”

Ja, ík vond ’t heel mooi. Maar zoo iets is niet genoeg....”

“Niet voor jou misschien. En voor mij ook niet. Ik vind het alleen prettig, dat ze je duidelijk maken, dat zoo vreeselijk veel kwaad van de menschen alleen aan de slechte inrichting van de maatschappij moet worden geweten;—onze moraal iets onhoudbaars, zie-je; dan oordeel-je zachter over gevallenen en gaat beter begrijpen;—maar de heele kwestie is, dat ieder mensch voor zichzelf hier uitzoeken moet, wat z’n leven waarde, volheid geven kan. Dat was bij Frieda heel gemakkelijk, die is op ende op ’n studiemensch; het is haar ideaal, met haar schrandere hersens zooveel mogelijk wetenschap tot zich te nemen. Maar dat is iets, dat heel weinig jonge menschen volkomen bevredigt. Iedereen heeft hier iets eigens, “’t boekje” van den “Kleinen Johannes”; en die behoefte is onder studenten veel sterker dan in de gewone maatschappij, omdat daar de mannen hun nuttige werkkring, de zorg voor hun huishouden, en de vrouwen kinderen en andere verantwoordelijkheid hebben; terwijl wij, die in onze gedachten al heele menschen zijn, inderdaad nog niets presteeren en nergens nut doen. Maar als we eenmaal iets hebben gevonden, ’n ideaal, ’n overtuiging, ’n gelóóf, dan heeft ons leven opeens waarde; dan voelen we dankbaarheid, dat we op de wereld zijn. Daardoor zijn hier zooveel vegetariërs en geheel-onthouders, en orthodox-geloovigen, en liefde-predikers, en artisticiteit wordt óók wel ’s tot ’n geloof verheven; en dan de sociaal-democraten, en de anarchisten, en Van Eedenianen en de wereld-vrede-menschen... en de Hegelaars; daar ken-je, geloof ik, nog niemand van; dat is ’n heel bizonder volkje; ’k denk, dat je ze wel interessant zult vinden... en dan heb-je nog ’n paar voorstanders van het vrouwenkiesrecht, maar die zijn toch niet talrijk bij ons, en ’t zou ook niets voor jou zijn, wel?”

“Nee, zeker niet,” zuchtte Go, “alleen al daarom, dat de jongens erom lachen, en dat kan ik niethebben; ik weet wel, dat dat erg kinderachtig van me is.”

“Och,” peinsde Mary, “’t hóórt wel bij je...”

“Vin-jij ’t ook altijd zoo ellendig, als je merkt, dat sommige mannen de meisjes-studenten voor heel iets anders dan gewone meisjes houden? Voor waanwijs, ingebeeld, en vooral voor wezens waar ze geen égards, geen hoffelijkheid tegenover hoeven te toonen! Ik ben ’s in ’n club geweest, waar de jongens de meisjes alleen naar huis lieten gaan... “meisjes-studenten waren toch iets anders dan gewone meisjes...” Ik had kunnen huilen, toen ik alleen op de donkere straat liep, niet uit angst,—maar ik voelde ’t als ’n beleediging... En toch is ’t eigenlijk logisch. Ze zeggen: als je met ons gelijk wilt gesteld worden, moet je ook geen lievigheidjes meer verwachten. Maar ik vind ’t zoo akelig.”

“Beschaafde mannen zul-je zelden zoo zien doen, tenminste niet tegenover meisjes, die ’t “ewig weibliche” bewaard hebben. Je kunt hier ook al weer niet generaliseeren. Er zijn enkele meisjes-studenten, die als mannen sterk zijn;... er zijn méér “echte” meisjes, die studeeren.”

“Je gelooft dus niet, dat ieder meisje, dat studeert, iéts van haar vrouwelijkheid inboet, zij ’t ongemerkt? Ik ben er vaak bang voor, dat we, alléén door met de jongens samen op college te zitten, alléén door onze vrijere levenshouding, iets verliezen; ’t kostbaarste... Of we minder schuchter, kuisch,—ach, ik kan ’t zoo niet zeggen; ’t zijn heel ouderwetsche begrippen van me; maar ik schaam me soms zoo, als ik met m’n boeken loop, en ’n jongen kijkt me rustig-brutaal aan; denkt: ’n collega.”

“Iéts verliezen we mogelijk, maar we krijgen iets beters terug. Als je ’s met niet-studeerende meisjes samenkomt, benijd-je die dan zoo erg, en vind-je ze vrouwelijker, sympathieker dan je vriendinnen hier? Ik voel zoo dikwijls alleen maar medelijden...”

“Maar ik heb medelijden met de meisjes hier, die zóó zeer alle achting voor zichzelf en alle hoop op geluk hebben opgegeven, dat ze er zich niet meer om bekommeren, hoe ze er uit zien, slordig en smakeloos gekleed langs de straat loopen.... Dan moet ik er aan denken, hoe alles hoe langer hoe meer in de war loopt. De meisjes verdringen de mannen, ieder verdient maar net genoeg om voor zich zelf te zorgen, alles drijft naar volkomen vereenzaming van de individuën; ieder nijdig, ieder strijdlustig: voor mij; voor mezelf.”

“In ’n staat-van-wanverhoudingen moet je de beste mogelijkheid, niet ’t ideaal zoeken.”

Go zuchtte.

“Maar welk “gelóóf” denk-je nu, dat bij mij hoort?”

“Ja, kindje, dat weet ik niet. En ’k heb het idee, dat je ’t eigenlijk ’n beetje mal moet vinden, als je hoort, wat hier al niet allemaal “geloofd” en “gehoopt” wordt. En toch vind ik die verbrokkeling absoluut geen teeken, dat al die idealen maar larie zijn, niets dan dotjes om schreeuwende kinderen mee zoet te houden. Voor mijn gevoel wijst het er juist op, dat er nog ontzaglijk veel te doen, te verbeteren, te werken valt in de wereld; en dat er hier allerlei zelfstandig-denkende menschen zijn, die hieraan trachten mee te werken op de manier, die met hun capaciteiten overeenkomt. Als je iemand hoort praten over z’n overtuiging,—of ’t nu ’n Hegliaan is met ’n breede kop, of ’n extatische vegetariër, of ’n vredigewereld-vrede-vriend,—dan krijg-je altijd den indruk: “ja, wezenlijk, ik zou er wat voor kunnen gaan voelen; er is toch veel moois in;” ik heb dat ten minste; maar je begrijpt, ik ben óók nog niet erg ver met m’n ontwikkeling.”

“Wat ben-jij eigenlijk?”

Mary lachte. “Wel, niet veel meer dan ’n dankbaar, gelukkig, zoekend menschenkind. Op ’t oogenblik ben ik erg in theosofie verdiept; dat geeft me zoo’n kalmte, omdat ’t spreekt van weer terug komen hier op de wereld. Want al kijk ik m’n oogen uit, ik heb toch ’t gevoel, dat ik met dit eene leven onmogelijk alles bevatten kan. En ik bewonder alles zoo, dat ik ’t zonde zou vinden, als ik nooit tot de kern doordringen kon. Ook wat mezelf aangaat: ik zou graag den tijd hebben me te volmaken.”

“O, maar vóór ik volmaakt ben, is de wereld zeker vergaan,” en Go trok ’n zóó tragisch gezicht, dat Mary vroolijk riep: “Maar lieve kind, neem toch niet dadelijk aan als ’n waarheid, wat je maar terloops hoort. Ru zegt, dat theosofie het toppunt van menschelijke verwaandheid is, nog veel erger dan het Christendom. Want het voortleven, de ontwikkeling van denenkeling, het individu, is voor theosofen alles, terwijl hij juist overtuigd is, dat wij het leven maar even mogen dragen, en moeten trachten het te verheffen, opdat wanneer we het aan anderen overgeven, het ’n kostbaarder schat geworden zal zijn. Maar Wies van Hoof zegt: als de vrouwen maar eerst eens zitting in ’t Parlement hebben, en Theo Vervoort: Het vleesch-eten veroorzaakt de slechte neigingen in den mensch. Je hebt nog nooit ’s zoo’n gesprek van ónze vrienden bijgewoond. Dat zijn’n levens-opvattingen, ’n idealen door elkaar...”

“En duizelt het je dan niet wel ’s?”

“Nee; ik krijg ’n diep, zalig gevoel: o, kind, wat heb-je nog veel te doen in je leven. Wat is er al niet gedacht en opgeofferd en gestreden. Hoe moet je zelf werken en zoeken naar ’n ideaal!.... en als ik dan dat verlangen en die kracht te leven zoo sterk in me voel, dan lijkt het me zoo’n dwaasheid, zoo’n waanwijze domheid, als jonge menschen, die nog onmogelijk de hoogten en diepten van ’t leven kunnen hebben doorvoeld, zich nu al verbeelden er genoeg van te hebben; zooals ’n domme boer, die, voordat hij ’n vreemde spijs geproefd heeft, al verzekert, dat hij ’t niet lust.”

Go dacht aan Hans, en haar oogen vulden zich met tranen: was ’t een domheid van hem geweest?

Maar Mary, intuïtief begrijpend, wat ze voelde, beantwoordde zacht haar nog onuitgesproken vraag: “Er zijn menschen, die zoeken, maar zonder vertrouwen en zonder rust. Die alles tegelijk willen lezen en bevatten, en gek worden van ongeduld, als de waarheid niet dadelijk in hun handen ligt. Je begrijpt, dat dat ’n heel verkeerde manier is, die geen resultaten geeft. Want al moeten we natuurlijk actief zóeken, en lezen en ons inspannen,—hoe dat, wat we in ons opgenomen hebben, weer uit ons opbloeit, moeten we aan den tijd en de natuur overlaten. Dat gaat zoo verrassend, zoo anders dan we dachten.... En als we maar steeds het gevoel houden, dat de waarheid wijkt en wijkt, als we niets kunnen vatten, dan moeten we weten, dat het zoeken-op-zich-zelf óók iets heel moois is, bijna even mooi als ’t vinden, wanneer we tenminste vertrouwend zoeken. Ik ben tenminste blij, dat ik nog geenbepaald stelsel gevonden heb; dat ik nog dilettant ben in ’t leven.”

“O, Mary, zou dát de oplossing zijn: door ontwikkeling naar alle kanten tot harmonie te komen?”

“Ja, want naar de onbewuste, natuurlijke harmonie met de omgeving kun-je niet meer terug. Je hebt desillusies geleden; je hebt het leven leelijk gezien;.... ik begrijp het wel, Go, zoo iets moeten we allemaal door. Eerst had-je geen begrip van ’t leven;.... nu heb-je ’t ’n beetje, maar eenzijdig en verkeerd. Denk maar eens logisch na: Het kan toch niet, dat de wereld maar voortdraait, dat de menschen zich organiseeren, en werken en ploeteren;—als er eigenlijk niets waarde had en alles leelijk was?”

“Nee, natuurlijk. Nee, dat kan niet. O, Mary, ik geloof, dat je woorden me zoo goed hebben gedaan. Vroeger, als ik ’n mooi boek had gelezen, verbeeldde ik me altijd, dat van dàt oogenblik af m’n heele leven veranderen ging; en dit gevoel heb ik nu weer.”

“Dat geloof ik toch niet, Gootje. Alleen is dit gesprek goed geweest, als begin van grootere vertrouwelijkheid tusschen ons. Je bent zoo gesloten,—en ik geef me ook niet gauw, ik heb er geen behoefte aan, en heb ook niet veel te zeggen.”

“En je hebt nu den heelen ochtend aan één stuk door gepraat! Wat kan iemand toch dom-rampzalig zijn.”

Go stond op, en rechtte zich, maar Mary praatte nog voort, met haar naar de deur gaande: “Ik heb eigenlijk nog zooveel te zeggen; zoo’n oogenblik, dat je elkaar wezenlijk begrijpt, komt zoo zelden weer.... Maak je geen zorgen, dat je je studie op ’t oogenblik duf en droog vindt.Dat komt, omdat ’t nieuwtje er af is, en je nog niet ver genoeg bent, om de philosophische waarde te begrijpen;—alles gaat in drie perioden, en de tweede is de neergang in ’n stijgende golflijn.... Wees niet ongeduldig, als ’t niet meevalt in ’t begin, en ga je nu aankleeden voor de koffie.”

Drie minuten later was Go, ’t haar al los, in de kamer terug. “Wees niet boos op me, maar ik móet je even vragen, waarmee ’k beginnen moet? De toepassing in het leven?”

“Ken-je den bijbel? Nee? Nu, dan moet je daarmee beginnen. Het grootste deel van de jeugd is tegenwoordig ongeloovig, zonder iets van den christelijken godsdienst af te weten.”

“Ja, dank je.”—Ze zweeg even, nadenkend; maar dadelijk weer vervuld van ’n nieuwe kwestie, viel ze uit: “En wat willen de vegetariërs met de beesten doen, als we ze niet meer opeten? En hebben die menschen van de wereldvrede vertrouwen in de conferenties in Den Haag?”

“Kind,” lachte Mary, “gá toch. Ik ben waarachtig niet het orakel van Delfi. Hoop maar met hart en ziel, dat je nog heel lang op deze wereld mag blijven....”

“Of er dikwijls terugkomen.”

“Want je ziet wel; we hebben enorm veel te doen.”

“Ja; ik zal maar beginnen me gauw netjes te maken, want Frieda fluit al in ’t portaal.”

En met ’n sprongetje was Go weer in haar kamer, en onder ’t kappen lachte ze nog om haar domheid, dat ze het leven nu al had geoordeeld en veroordeeld; zij, ’n kind, dat nog niets wist.

En terwijl ze dacht aan Eduard en de desillusie over hem, was ’t toch, of zij ’t nu anderszag, als ’n klein droef gebeuren in ’n groot leven; en, de handen achter haar hoofd saamgevouwen, staarde ze strak in den spiegel naar haar gezicht, om de toekomst te lezen uit haar lippen en oogen. Zelfstandig zou ze nu moeten worden, goed en sterk. Het was onmogelijk, dat de toekomst haar beangstigde, wanneer ze niets verlangde dan ’n goed mensch te worden. Ze zou zich in zichzelf en in levensvertrouwen krachtig moeten maken.

Maar zich afwendend om te gaan, zag ze even, dadelijk verschemerend, haar beeld, zooals ze het zich kortgeleden had gedroomd: tusschen hem en haar kinderen, gévend aan elk, gevend zichzelf, haar gedachten, haar kracht, haar leven....

Mary had niets over trouwen gezegd. Ze waren ménschen; ze wàchtten niet. Dít leven was hooger en edeler en fijner;.... maar had moesje, die eenvoudig deed haar plicht van vrouw, van moeder, zonder diepzinnigheid, zonder redeneeren, het leven niet beter en inniger begrepen....

En ze twijfelde even aan de waarde van alles, wat Mary dien ochtend had beweerd. Toch wás dat streven op ’t oogenblik het eenige, dat haar kon vullen, al moest ze daarbij iets van haar wezen negeeren, ’n groot verlangen bedwingen, dat niet gemakkelijk te overstemmen viel....

Maar Mary, geurig van vredige vroolijkheid, stond lachend in haar deur, vroeg, of ze den bijbel bepaald vóór de koffie uit hebben wilde. En, zich overgevend aan den invloed van voldaanheid, volgde Go haar naar de huiskamer met lichtende oogen en ’n blij-wachtend trekje om de hoeken van haar mond.

Hoofdstuk XX.“Ik verzeker jullie,” pleitte Gusta Vermeer, ’n waanwijs eerste-jaartje, “dat de formule van (n + 1) schepje thee niet doorgaan kan, alsnonbepaald toeneemt.”“Nee, natuurlijk; alle thee zou niet eens in den trekpot kunnen.”“En de thee zou te sterk worden ook. Maar Guus, maak jij nu ’s ’n gecompliceerde formule, die altijd opgaat, dan hangen we die boven de theetafel.” En Lou’s smal kindergezichtje boog met ’n lach zich weer over het hemdje heen, terwijl, nu de discussie aan deze zijde van de tafel zweeg,—Gusta had ’n papier genomen, en begon te cijferen,—het levendige debat tusschen twee bestuursleden opklonk over den invloed van de omgeving op den mensch.“Ik stel ieder mensch zoo volkomen verantwoordelijk voor z’n daden, en ik geloof zoozeer aan strenge rechtvaardigheid, dat ik bijna zou zeggen, dat hij z’n omgeving in ’n vorig leven zelf gemáákt heeft, zelf voorbereid.”“Maar welk récht heb-je om te vermoeden, dat wij wezenlijk door eigen verdienste ’t nu zoogoed hebben, en anderen door schuld zoo ellendig?”“O,” viel Go even met warmte in, “als je mee was geweest in die arme gezinnen, als je gezién hadt de armoe en de ontbering, ik geloof, dat je dan zélf ’n oogenblik je theorie van rechtvaardigheid hadt vergeten, dat je ook bescháámd zou hebben gestaan over onze zorgelooze weelde, terwijl er zoo ontzettend geleden wordt, vlakbij.”Mary glimlachte; ze had wel voorzien, dat Go’s gevoelige natuur, zoodra ze met armoede in aanraking kwam, naar ’n idealistisch, onwetenschappelijk socialisme zou neigen; ze had deze dagen over niets anders gepraat dan over het onrecht, en zelf de grootste soberheid in acht genomen. En vol sympathie naar ’t enthousiaste, kinderlijke gezicht kijkend, zei Mary rustig: “Ik vind best, als we, wanneer óns ellende treft, het beschouwen, als ’n straf van God of de consequentie van eigen vroegere daden. Maar wanneer die overtuiging ons medelijden zou wegnemen met de misdeelden, wordt ze ons beslist tot nadeel voor zedelijken vooruitgang.”“Ik geloof ook niet,” zei Coba, die op den grond ’n rok aan ’t inspelden was, “dat onze geschenken van dién aard zijn, dat ze bepaald de “rechtvaardige” straf van ontbering opeens nietig maken.”En ze lachten allemaal, om de vreemde wending, die hun diepzinnig vertoog langzaam-aan had genomen, terwijl Gusta de aandacht vroeg voor haar proeven met thee en warm water.Het was drie weken voor St. Nicolaas, en al geruimen tijd was er elken middag na college vergadering in ’t clublokaal en ’s avonds nog ’sbij iemand aan huis geweest van ’n vijftien meisjes, ieder met ’n pakje onder den arm “als echte naaimugjes”, die dat jaar de leiding van het feest-voor-arme-kinderen op zich hadden genomen. Buiten was het nevelig-koud, en vol verwachting de lucht, en zij-zelf waren zoo vroolijk, zoo verdiept in hun werk, dat Go zei, dat ze zich niet zou weten te bergen, als de menschen nog gingen prijzen en bedanken ook, alsof ’t maken niet de gróótste pret was geweest. Daar vielen de vermakelijkste dingen bij voor: geen van de meisjes had, na de lagere school, nog grondig naaionderricht genoten, en haar onwetendheid werd alleen door haar voortvarendheid opgewogen. Vooral de eerste weken, toen alles geknipt moest worden, waren emotievol en spannend geweest: het biljart in de zijzaal werd opzij geschoven—want om te spelen had nu toch niemand tijd, en de witte en de roode werden nog slechts als maasbal gebruikt,—de groote lap over den grond uitgebreid, en allen er om heen om hun meening ten beste te geven. Onder de relikwieën van de club was het model voor ’n kinderjurk, “de” jurk, die jaar aan jaar werd nagemaakt, maar die volgens Mary latere kroniekschrijvers zich ’n eeuw met den oprichtingsdatum van de V. V. S. L. zou doen vergissen, daar alleen haar overgrootmoeder zoo’n model in haar jeugd gedragen kon hebben.Francis en Riek,—nog steeds snoevend op het glorievolle feit, dat ze in hun eerste jaar met Else ieder ’n blouse hadden gemaakt, die ze alleen daarom niet hadden kunnen dragen, omdat ze bij het knippen de naden er niet bijgerekend hadden,—stonden er op nachtponnetjes, “met ’n glad stuk” te naaien, volgens ’n papieren patroon;en toen de kunstproducten bijna af waren, was het driejarig zoontje van de “juffrouw” naar boven getroond om eens te passen. Na ’n kleinen strijd over “achter” en “voor” was de mollige jongen er in geheschen, maar, ofschoon hij door het speculaasje in z’n hand in de tevredenste stemming van de wereld was, had hij toch groote neiging getoond om te gaan huilen, toen opeens alle meisjes in ’n luidruchtigen schater waren losgebarsten, al maar wijzend en kijkend naar hèm.Go zàg ’t dreigen, en nam den kleinen kerel steeds proestende in haar armen, zoende ’m op z’n verbaasde gezicht.“Je bent ’n schat, hoor vent, en we lachen ook niet om jou, maar om dat dwaze jasje!” en Coba streek over den bolderenden bovenkant, aldoor nog hikkend: “’n Glàd stuk, ’n glàd stuk; dat noemt ze ’n glád stuk,” en ’t werk had nìet hervat kunnen worden, vóór de kleine baas weer in z’n buisje was; maar een kleine storing blééf, omdat ieder op de beurt ’m koekjes en chocolade toestoppen ging.Frieda deed niet mee met de algemeene naaiwoede. “Ik ben er van overtuigd, dat juist aan dat eeuwige peuterige gehandwerk heel veel van de kleinzieligheid en bekrompenheid van de vrouw-in-’t-algemeen geweten moet worden, en ’k zal m’n hersens, die al genoeg geledenhebbendoor de zonden van m’n voormoeders, niet zelf ook nog ’s af gaan stompen,” had ze gezegd; maar Go vond juist, dat je onder ’t naaien zoo heerlijk dènken kon: “Voor vrouwen, die niets anders kunnen of weten, lijkt ’t me wel ’n suf werkje, maar wij, die zooveel door te denken en te verwerken hebben, worden rústig, alsintusschen onze handen wat doen,” en ze was blij, dat Mary er ook zoo over dacht, en ’n waar genie aan den dag legde in ’t haken van wollen sokjes en kapertjes van rose-en-wit, ofschoon de medicae daar niet vóór waren, meer losse, warme jurken en wantjes aanprezen. Die waakten met veel toewijding voor de hygiëne. Van de lange, gekregen mama’s-rokken moesten de sleepen worden afgenomen, géén hooge kragen, deugdelijke voering; en ook het speelgoed werd eerst zorgvuldig onderzocht, of ’t niet gevaarlijk gekleurd was, te scherp of te hard voor onbestuurde handjes.Go liet àlles om dit werk loopen; visioenen van zingende kinderen, ideeën voor ’t model van ’n rokje, ’n schort, verstoorden haar aandacht onder de college-uren; de bloc-notes van de bibliotheek teekende ze vol met ontwerpen voor ’n poppenkamer, uit houten doozen getimmerd; en bij iedere poes bleef ze lang en diepzinnig staan kijken, omdat ze er een van goed maken wilde. De vergadering van L. V. had ze zelfs willen verzuimen “omdat ze haar naaiwerk niet in den steek kon laten,” maar toen had ze permissie gekregen het mee te brengen, al was ’t ’n beddelaken; en al had ze, heel bescheiden, slechts ’n wiegekleedje meegenomen,—nog van thuis, maar dat opnieuw gezoomd moest worden,—den heelen avond was de aandacht voor haar handen geweest, en de jongens hadden aan ’t eind meer over den inhoud van haar naaidoosje en ’t motief van het borduursel kunnen vertellen, dan van wat er literair en wetenschappelijk behandeld was.Ru schudde z’n hoofd over die “manie”; naar geen enkele lezing was ze meer mee te krijgen.“Ik verzeker je, dat, zoodra je op gevoelsgronden van onrecht bent overtuigd, het allernoodzakelijkst is, dit met wetenschappelijke bewijzen te kunnen steunen,” oreerde hij, “je doet wezenlijk méér voor de proletariërs, wanneer je je in de maatschappelijke wanverhoudingen inwerkt, dan als je maar zit te prutsen, aan weet ik wat...All charity is a silent admission, that justice has not been done to the poor.En als je meent daar nu ’s heel nuttig bezig te zijn,—ik zeg je, dat juist de weldadigen veel meer dan de bruten meewerken om de ellende in stand te houden.”Maar Go hield lachend de handen voor de ooren, en hem ’n streng wol toewerpend riep ze vroolijk: “Kom, hou die maar ’s op, meneer de boetprediker, en praat niet zoo wichtig van maatschappij en menschenplicht... Ik doe tegenwoordig niets dan over ernstige dingen nadenken, vraag ’t maar aan Mary;.... ethische kwesties van ’t begin tot ’t eind,.... maar als je me nou met ’n ernstig gezicht vraagt, waarom ik die hemdjes en broekjes en jurkjes zit te fabriceeren,—och, dan beeld ik me heusch niet in, dat dat nou erg weldadig of edel van me is; en ik zeg mét Wim de Veer, verpletterend-logisch: omdat ’t lollig is.”“En kennen jullie ook van: Zie ginds komt de stoomboot?” vroeg Mies de Bruin, die zoo’n beetje de leiding had, omdat háár mama de families uitgekozen had uit de armenlijst. En dadelijk vielen de kinderstemmen, hard en dreunend-maatvast in, terwijl Mies ze zacht begeleidde, voortdurend opzij kijkend naar al de open monden.Go, Francis en Coba gingen met chocolademelken speculaas rond; met hartelijke lachjes en ’n vriendelijk woord verdeelden ze hun goede gaven van bank tot bank, en naarmate ze verder kwamen, verminderde de animo voor ’t gezang, mond na mond vulde zich gretig met de zeldzame lekkernij, zoodat aan het slot nog maar ’n enkel dun stemmetje in gespannen afwachting de melodie uitzong.Erna Böhme, ’n verfijnd-artistiek meisje, dat op haar kamer geen enkel ding duldde, dat niet op zich-zelf mooi en bizonder was, kwam, nadat ze verteederd naar ’n leuk, blond kindje was toegeloopen, en ’t opgetild had in haar armen, ’n beetje verschrikt achter het scherm, waar “gewerkt” werd, terug. “’t Is wezenlijk allerliefst,” zei ze zacht tegen Go, “als die menschen maar niet allemaal zoo vreeselijk stonken.”“Ja, ’n eau-de-cologne-badje zou niet overbodig zijn, hè? Enfin, ’t is voor ons ’n kleinigheid.... de stakkers, die zoo’n lucht altijd bij zich hebben,” en gauw zich tot Lou wendend: “Och, Loulou, als je eerst al die kopjes afwascht, en dat telkens weer, zullen ze bijna niets binnen krijgen. Denk-je, dat ’t hinderen zal, als ze ze van elkaar gebruiken?”“Ik weet niet; de medicæ...”“Kom, vooruit;” besliste Coba, “als ze nooit uit on-hygiënischer vaatwerk drinken, dan uit dit... De medicæ zijn boven bij de St. Nicolaas-kleeren. Schenk maar in.”Mary zat stil in ’n hoek met ’n kleintje op schoot, dat niet lekker was en toch niet naar huis wou; ze speelde door het haar met haar witte vingers, en keek droomerig naar het toenemend gejoel van de anderen. Toen het donkergemaakt werd voor de tooverlantaarn, steeg de nog-bedwongen luidruchtigheid tot ’t hoogtepunt, en Go, die midden in ’n groote groep jongens was gaan zitten, werd geduwd en gedrongen naar alle kanten, onder harde kreten van verrukking en intieme geheimpjes, warm-gefluisterd aan haar oor.De komst van St. Nicolaas met Coba, flikker-oogend, als knecht er achter, bracht eerst ’n strakke stilte in de zaal teweeg; maar de vriendelijk-hooge stem door den witten baard en vooral ’t gul-handig pepernoten strooien van ’t jolige zwartje deed den moed groeien tot “’n handje geven,” en ’n enkele waagde ’t zelfs hoog-stemmig en afgebeten ’n versje op te zeggen, zich vasthoudend aan den breeden, witten schoot van den vaderlijk-luisterenden, glimlachenden heilige.“Nu in ’n kring om ’m heen dansen!” werd vroolijk rondgeroepen, en zingend liepen ze in ’t rond, de kinderen opgewonden springend aan de armen der meisjes, die, heelemaal-er-in, elkaar stralend toeoogden, dat alles zoo goed ging.Go had onder de moeders, die bleek en zielig-dankbaar tegen den muur zaten, vele met ’n heel kleintje op den arm, ’n rosharige, slap-mooie vrouw herkend, die ze eens, op ’n avondwandeling, met ’n kinderwagen bedelend tegen waren gekomen, en wie Eduard toen wat geld gegeven had. Háár koos ze dadelijk tot haar bizondere beschermeling, haalde wat melk voor ’t kindje, grabbelde voor haar mee van de kaakjes en pepernoten, en zoo vaak ze haar iets bracht, voelde ze ’n vreemd geluk, scherpen doordringend, ’n wellust van herinnering, die haar oogen week maakte bij het bewonderen van het bleeke stumpertjeLater ging St. Nicolaas naar boven terug, en—de cadeautjes voor de kinderen verdeeld,—werd nu het goed voor den dag gehaald, waar de moeders, schichtig-verwachtend, omheen drongen. Go was Coba gaan helpen, die een en al opwinding was, en met haar gezicht nog half zwart, alle mogelijke luchtsprongen maakte in haar rood satijnen pakje, waar ze zich buitengewoon makkelijk in voelde.“Hoefde ik toch maar nooit die vervelende rokken meer aan!”“Wat zou De Veer je nù graag mee hebben op z’n tochten.... Toe, sta nu even stil!” en Go schonk voorzichtig warm water langs haar zwarte wang, zacht nawrijvend met den handdoek; want ’n spons was er niet te krijgen. Mies de Bruin liep, met haar haar los, in haar witte tabbaard rond. “’t Is ’n geslaagde avond. Als nu die goeduitdeeling nog maar geregeld gaat. Och Go, hier is ’n lijstje voor de familie Hendrix, die er later nog is bij gekomen. Wil-je er even mee naar beneden gaan?”De uitdeeling was al bijna afgeloopen, en huiverig-ineengeschurkt waren de meeste families bedankend de deur uitgeschuifeld. De meisjes, moe, maar blijvend opgewekt, gaven de kinderen hun jassen en petten, hielpen de vrouwen de kleeren en de erwten en boonen tot ’n pak maken.Go stond even te kijken, liep toen de al-verlaten zaal weer in, waar Lou alleen, pretentieloos-lief, de verspreide kopjes aan ’t inzamelen was, zuinig kaakjes en krentenbollen, die ze hier en daar vond, in groote zakken stoppend.“Dit was wel onze éigenlijke Sinterklaas, hè Lou,” praatte Go helpend, “het cadeautjes-krijgen thuiskan onmogelijk zoo geanimeerd zijn, als deze avond.”“Heb-je dat kleine jongetje gezien met die groote oogen, die alleen maar chocolademelk wilde drinken en al z’n koekjes en appels in z’n blouse bewaarde “voor moeder”? Vin-je ’t niet roerend?”“’t Zoontje van vrouw Ties kon de overjas toch niet aan,” kwam Mary vertellen. “Zoo zielig... Hij was in z’n enkele pakje, en zette eerst al zoo’n dol-blij gezicht. Hij paste ’m zeker, zei hij; maar toen hij er in wou, werd ie heelemaal rood; er was eenvoudig geen kijk op... Nou is-tie voor z’n broertje; die groeit er gauw genoeg in.”Coba, nog ’n beetje “grijs”, kwam met Mies naar beneden; de helpster begon het gebruikte vaatwerk weg te dragen, en langzaam, in voldane moeheid, trokken ze mantels en mutsen aan.“Ik begrijp niet, waar ’t in zit, maar de cadeautjes voor de familie Schuring klopten niet,” peinsde Francis, “’t staat toch op ’t lijstje genoteerd. En nu bleken de kinderen opeens allemaal veel grooter.”“Zeker gegroeid in dien tijd... Ach Guus, zeg jij even tegen de helpster, dat ze meenemen mag, wat er over is.”Ze gingen met ’n heel groepje naar huis, oudere meisjes, vriendinnen van Mary en Frieda, die allemaal ’t zelfde koel-heldere, verstandelijk-sympathieke hadden, en ’n twijfelloos-zekere harmonie in heel hun wezen. Eerst werd er nog ’n beetje over den avond gepraat, maar al spoedig verdiepte zich ’t gesprek tot ernstige bewering, en’n knap meisje, dat wijsbegeerte en psychiatrie studeerde, betoogde het voordeel van de filosofie-colleges; “wezenlijk, als je, wat dáár gedoceerd wordt, in je hebt opgenomen, behoor-je niet tot ’n partij, zooals ’n ander;... je bent niet Hegliaan òf theosoof òf sociaal-democraat... allemaal één pot nat;—maar je staat bóven de partijen, je omvat álles...”“Maar dat zeggen immers anderen van hún leer;.... dat zeggen de theosofen ook.”“Zonder grond. Want als bepaald, beperkt stelsel moeten zij noodzakelijk andere uitsluiten. De Hegelarij alleen, door iedere overtuiging als ’n eenzijdigheid te zien, en bij iedere stelbaarheid dadelijk ook het tegenovergestelde te erkennen, is vrij van de bekrompenheid van partij-haat, die de menschen elkaar in ’t haar doet vliegen....”“Ja maar; al kòmt ’t voor, bekrompenheid of onverdraagzaamheid is niet ’n inhaerente eigenschap van ieder, die voor ’n partij voelt. Integendeel geeft ’n overtuiging alleen krácht om te werken, om iets goeds tot stand te brengen, en al is zoo’n krachtsinspanning-naar-ééne-richting voor jullie opperste wijsheid ook ’n eenzijdige bekrompenheid, ik geloof, dat ’t maar heel goed is, dat er nog velen zijn, die één ding vreeselijk gelooven en ’t andere negeeren; want er is nog zooveel op de wereld te verbeteren, dat jullie voorkeurlooze gelijkmoedigheid voorloopig uit den booze is.”Het Hegliaantje haalde de schouders op en met ’n kort, beslist accent antwoordde ze: “Je bent in alle opzichten ’n ontwikkeld, verstandig meisje, Mary, maar toch valt er niet met je te debatteeren, voor je geleerd hebt dialectischte denken. Volg éérst ’s ’n collegium logicum.”Mary knikte, niet gepiqueerd. “Ik heb geen pretentie van ’t beter te weten,” zei ze met ’n glimlach, “en ik ben er van overtuigd, dat ik op die colleges veel leeren zou;.... maar ’k heb nu eenmaal geen lust, ’n sterke persoonlijkheid direct op me te laten inwerken, vóór ik in mezelf ’n beetje weerstandsvermogen en kritische helderheid voel. Zie-je,.... ik hou van m’n stillen vrede, m’n harmonie, en ik ben bang voor vuisten en fascineerende oogen. Toch zullen we ’t volgend jaar ’s gaan;—’t is laf ’t te ontloopen; hè Go, wij samen?”Maar in Go’s hoofd zongen nog de Sint-Nicolaas-liedjes; ze zag de vrouw met het bleeke gezicht en rossige haar en al de kleine, zwakke, witte kindertjes, tegen de moeders aangeleund, hulpeloos;.... dan weer de woestheid van de ouderen, die tegen haar knieën drongen;—en opschrikkend zei ze: “O,Mary, ik liep te denken, of we niet nog geld inzamelen kunnen om ’t jongetje van vrouw Ties tóch ’n overjas te geven. Ik vind ’t zoo zielig, hè?”“Ja, we kunnen ’n inteekenlijst op de club leggen.”“En ik ga zelf wel vragen bij ’n paar meisjes.”“Dat ’s best,” knikte Mary, trok Go’s arm door den haren, “en ben-je verder nogal voldaan?”“Ja, o ja; ’t was ’n prachtige avond.” Ze zweeg even, en toen bedenkend: “Wat doen de studenten ook weer?”“Die gaan in de ziekenhuizen, de heele stad door. Dat is natuurlijk veel grootscher.... Ze hebben meer geld..”“Ja natuurlijk. Maar zou dit nu niet mogelijk zijn: Dat we hierin samenwerkten? De jongens ’t meeste geld; wij de meeste ijver en toewijding....”“En naaitalent.”“Ik geloof niet, dat hier iets tegen kan zijn,” zei Mary vriendelijk, “je wilt nu eenmaal je ideaal van samenwerking, hoe dan ook, niet opgeven. En in dit opzicht zal ’t zeker mogelijk zijn.”En Go zuchtte zacht: “O, als we maar eenmaal zoo ver zijn, dat we het béste, dat we doen, sámen doen;—dan zal alles vanzelf goed worden.”

“Ik verzeker jullie,” pleitte Gusta Vermeer, ’n waanwijs eerste-jaartje, “dat de formule van (n + 1) schepje thee niet doorgaan kan, alsnonbepaald toeneemt.”

“Nee, natuurlijk; alle thee zou niet eens in den trekpot kunnen.”

“En de thee zou te sterk worden ook. Maar Guus, maak jij nu ’s ’n gecompliceerde formule, die altijd opgaat, dan hangen we die boven de theetafel.” En Lou’s smal kindergezichtje boog met ’n lach zich weer over het hemdje heen, terwijl, nu de discussie aan deze zijde van de tafel zweeg,—Gusta had ’n papier genomen, en begon te cijferen,—het levendige debat tusschen twee bestuursleden opklonk over den invloed van de omgeving op den mensch.

“Ik stel ieder mensch zoo volkomen verantwoordelijk voor z’n daden, en ik geloof zoozeer aan strenge rechtvaardigheid, dat ik bijna zou zeggen, dat hij z’n omgeving in ’n vorig leven zelf gemáákt heeft, zelf voorbereid.”

“Maar welk récht heb-je om te vermoeden, dat wij wezenlijk door eigen verdienste ’t nu zoogoed hebben, en anderen door schuld zoo ellendig?”

“O,” viel Go even met warmte in, “als je mee was geweest in die arme gezinnen, als je gezién hadt de armoe en de ontbering, ik geloof, dat je dan zélf ’n oogenblik je theorie van rechtvaardigheid hadt vergeten, dat je ook bescháámd zou hebben gestaan over onze zorgelooze weelde, terwijl er zoo ontzettend geleden wordt, vlakbij.”

Mary glimlachte; ze had wel voorzien, dat Go’s gevoelige natuur, zoodra ze met armoede in aanraking kwam, naar ’n idealistisch, onwetenschappelijk socialisme zou neigen; ze had deze dagen over niets anders gepraat dan over het onrecht, en zelf de grootste soberheid in acht genomen. En vol sympathie naar ’t enthousiaste, kinderlijke gezicht kijkend, zei Mary rustig: “Ik vind best, als we, wanneer óns ellende treft, het beschouwen, als ’n straf van God of de consequentie van eigen vroegere daden. Maar wanneer die overtuiging ons medelijden zou wegnemen met de misdeelden, wordt ze ons beslist tot nadeel voor zedelijken vooruitgang.”

“Ik geloof ook niet,” zei Coba, die op den grond ’n rok aan ’t inspelden was, “dat onze geschenken van dién aard zijn, dat ze bepaald de “rechtvaardige” straf van ontbering opeens nietig maken.”

En ze lachten allemaal, om de vreemde wending, die hun diepzinnig vertoog langzaam-aan had genomen, terwijl Gusta de aandacht vroeg voor haar proeven met thee en warm water.

Het was drie weken voor St. Nicolaas, en al geruimen tijd was er elken middag na college vergadering in ’t clublokaal en ’s avonds nog ’sbij iemand aan huis geweest van ’n vijftien meisjes, ieder met ’n pakje onder den arm “als echte naaimugjes”, die dat jaar de leiding van het feest-voor-arme-kinderen op zich hadden genomen. Buiten was het nevelig-koud, en vol verwachting de lucht, en zij-zelf waren zoo vroolijk, zoo verdiept in hun werk, dat Go zei, dat ze zich niet zou weten te bergen, als de menschen nog gingen prijzen en bedanken ook, alsof ’t maken niet de gróótste pret was geweest. Daar vielen de vermakelijkste dingen bij voor: geen van de meisjes had, na de lagere school, nog grondig naaionderricht genoten, en haar onwetendheid werd alleen door haar voortvarendheid opgewogen. Vooral de eerste weken, toen alles geknipt moest worden, waren emotievol en spannend geweest: het biljart in de zijzaal werd opzij geschoven—want om te spelen had nu toch niemand tijd, en de witte en de roode werden nog slechts als maasbal gebruikt,—de groote lap over den grond uitgebreid, en allen er om heen om hun meening ten beste te geven. Onder de relikwieën van de club was het model voor ’n kinderjurk, “de” jurk, die jaar aan jaar werd nagemaakt, maar die volgens Mary latere kroniekschrijvers zich ’n eeuw met den oprichtingsdatum van de V. V. S. L. zou doen vergissen, daar alleen haar overgrootmoeder zoo’n model in haar jeugd gedragen kon hebben.

Francis en Riek,—nog steeds snoevend op het glorievolle feit, dat ze in hun eerste jaar met Else ieder ’n blouse hadden gemaakt, die ze alleen daarom niet hadden kunnen dragen, omdat ze bij het knippen de naden er niet bijgerekend hadden,—stonden er op nachtponnetjes, “met ’n glad stuk” te naaien, volgens ’n papieren patroon;en toen de kunstproducten bijna af waren, was het driejarig zoontje van de “juffrouw” naar boven getroond om eens te passen. Na ’n kleinen strijd over “achter” en “voor” was de mollige jongen er in geheschen, maar, ofschoon hij door het speculaasje in z’n hand in de tevredenste stemming van de wereld was, had hij toch groote neiging getoond om te gaan huilen, toen opeens alle meisjes in ’n luidruchtigen schater waren losgebarsten, al maar wijzend en kijkend naar hèm.

Go zàg ’t dreigen, en nam den kleinen kerel steeds proestende in haar armen, zoende ’m op z’n verbaasde gezicht.

“Je bent ’n schat, hoor vent, en we lachen ook niet om jou, maar om dat dwaze jasje!” en Coba streek over den bolderenden bovenkant, aldoor nog hikkend: “’n Glàd stuk, ’n glàd stuk; dat noemt ze ’n glád stuk,” en ’t werk had nìet hervat kunnen worden, vóór de kleine baas weer in z’n buisje was; maar een kleine storing blééf, omdat ieder op de beurt ’m koekjes en chocolade toestoppen ging.

Frieda deed niet mee met de algemeene naaiwoede. “Ik ben er van overtuigd, dat juist aan dat eeuwige peuterige gehandwerk heel veel van de kleinzieligheid en bekrompenheid van de vrouw-in-’t-algemeen geweten moet worden, en ’k zal m’n hersens, die al genoeg geledenhebbendoor de zonden van m’n voormoeders, niet zelf ook nog ’s af gaan stompen,” had ze gezegd; maar Go vond juist, dat je onder ’t naaien zoo heerlijk dènken kon: “Voor vrouwen, die niets anders kunnen of weten, lijkt ’t me wel ’n suf werkje, maar wij, die zooveel door te denken en te verwerken hebben, worden rústig, alsintusschen onze handen wat doen,” en ze was blij, dat Mary er ook zoo over dacht, en ’n waar genie aan den dag legde in ’t haken van wollen sokjes en kapertjes van rose-en-wit, ofschoon de medicae daar niet vóór waren, meer losse, warme jurken en wantjes aanprezen. Die waakten met veel toewijding voor de hygiëne. Van de lange, gekregen mama’s-rokken moesten de sleepen worden afgenomen, géén hooge kragen, deugdelijke voering; en ook het speelgoed werd eerst zorgvuldig onderzocht, of ’t niet gevaarlijk gekleurd was, te scherp of te hard voor onbestuurde handjes.

Go liet àlles om dit werk loopen; visioenen van zingende kinderen, ideeën voor ’t model van ’n rokje, ’n schort, verstoorden haar aandacht onder de college-uren; de bloc-notes van de bibliotheek teekende ze vol met ontwerpen voor ’n poppenkamer, uit houten doozen getimmerd; en bij iedere poes bleef ze lang en diepzinnig staan kijken, omdat ze er een van goed maken wilde. De vergadering van L. V. had ze zelfs willen verzuimen “omdat ze haar naaiwerk niet in den steek kon laten,” maar toen had ze permissie gekregen het mee te brengen, al was ’t ’n beddelaken; en al had ze, heel bescheiden, slechts ’n wiegekleedje meegenomen,—nog van thuis, maar dat opnieuw gezoomd moest worden,—den heelen avond was de aandacht voor haar handen geweest, en de jongens hadden aan ’t eind meer over den inhoud van haar naaidoosje en ’t motief van het borduursel kunnen vertellen, dan van wat er literair en wetenschappelijk behandeld was.

Ru schudde z’n hoofd over die “manie”; naar geen enkele lezing was ze meer mee te krijgen.“Ik verzeker je, dat, zoodra je op gevoelsgronden van onrecht bent overtuigd, het allernoodzakelijkst is, dit met wetenschappelijke bewijzen te kunnen steunen,” oreerde hij, “je doet wezenlijk méér voor de proletariërs, wanneer je je in de maatschappelijke wanverhoudingen inwerkt, dan als je maar zit te prutsen, aan weet ik wat...All charity is a silent admission, that justice has not been done to the poor.En als je meent daar nu ’s heel nuttig bezig te zijn,—ik zeg je, dat juist de weldadigen veel meer dan de bruten meewerken om de ellende in stand te houden.”

Maar Go hield lachend de handen voor de ooren, en hem ’n streng wol toewerpend riep ze vroolijk: “Kom, hou die maar ’s op, meneer de boetprediker, en praat niet zoo wichtig van maatschappij en menschenplicht... Ik doe tegenwoordig niets dan over ernstige dingen nadenken, vraag ’t maar aan Mary;.... ethische kwesties van ’t begin tot ’t eind,.... maar als je me nou met ’n ernstig gezicht vraagt, waarom ik die hemdjes en broekjes en jurkjes zit te fabriceeren,—och, dan beeld ik me heusch niet in, dat dat nou erg weldadig of edel van me is; en ik zeg mét Wim de Veer, verpletterend-logisch: omdat ’t lollig is.”

“En kennen jullie ook van: Zie ginds komt de stoomboot?” vroeg Mies de Bruin, die zoo’n beetje de leiding had, omdat háár mama de families uitgekozen had uit de armenlijst. En dadelijk vielen de kinderstemmen, hard en dreunend-maatvast in, terwijl Mies ze zacht begeleidde, voortdurend opzij kijkend naar al de open monden.

Go, Francis en Coba gingen met chocolademelken speculaas rond; met hartelijke lachjes en ’n vriendelijk woord verdeelden ze hun goede gaven van bank tot bank, en naarmate ze verder kwamen, verminderde de animo voor ’t gezang, mond na mond vulde zich gretig met de zeldzame lekkernij, zoodat aan het slot nog maar ’n enkel dun stemmetje in gespannen afwachting de melodie uitzong.

Erna Böhme, ’n verfijnd-artistiek meisje, dat op haar kamer geen enkel ding duldde, dat niet op zich-zelf mooi en bizonder was, kwam, nadat ze verteederd naar ’n leuk, blond kindje was toegeloopen, en ’t opgetild had in haar armen, ’n beetje verschrikt achter het scherm, waar “gewerkt” werd, terug. “’t Is wezenlijk allerliefst,” zei ze zacht tegen Go, “als die menschen maar niet allemaal zoo vreeselijk stonken.”

“Ja, ’n eau-de-cologne-badje zou niet overbodig zijn, hè? Enfin, ’t is voor ons ’n kleinigheid.... de stakkers, die zoo’n lucht altijd bij zich hebben,” en gauw zich tot Lou wendend: “Och, Loulou, als je eerst al die kopjes afwascht, en dat telkens weer, zullen ze bijna niets binnen krijgen. Denk-je, dat ’t hinderen zal, als ze ze van elkaar gebruiken?”

“Ik weet niet; de medicæ...”

“Kom, vooruit;” besliste Coba, “als ze nooit uit on-hygiënischer vaatwerk drinken, dan uit dit... De medicæ zijn boven bij de St. Nicolaas-kleeren. Schenk maar in.”

Mary zat stil in ’n hoek met ’n kleintje op schoot, dat niet lekker was en toch niet naar huis wou; ze speelde door het haar met haar witte vingers, en keek droomerig naar het toenemend gejoel van de anderen. Toen het donkergemaakt werd voor de tooverlantaarn, steeg de nog-bedwongen luidruchtigheid tot ’t hoogtepunt, en Go, die midden in ’n groote groep jongens was gaan zitten, werd geduwd en gedrongen naar alle kanten, onder harde kreten van verrukking en intieme geheimpjes, warm-gefluisterd aan haar oor.

De komst van St. Nicolaas met Coba, flikker-oogend, als knecht er achter, bracht eerst ’n strakke stilte in de zaal teweeg; maar de vriendelijk-hooge stem door den witten baard en vooral ’t gul-handig pepernoten strooien van ’t jolige zwartje deed den moed groeien tot “’n handje geven,” en ’n enkele waagde ’t zelfs hoog-stemmig en afgebeten ’n versje op te zeggen, zich vasthoudend aan den breeden, witten schoot van den vaderlijk-luisterenden, glimlachenden heilige.

“Nu in ’n kring om ’m heen dansen!” werd vroolijk rondgeroepen, en zingend liepen ze in ’t rond, de kinderen opgewonden springend aan de armen der meisjes, die, heelemaal-er-in, elkaar stralend toeoogden, dat alles zoo goed ging.

Go had onder de moeders, die bleek en zielig-dankbaar tegen den muur zaten, vele met ’n heel kleintje op den arm, ’n rosharige, slap-mooie vrouw herkend, die ze eens, op ’n avondwandeling, met ’n kinderwagen bedelend tegen waren gekomen, en wie Eduard toen wat geld gegeven had. Háár koos ze dadelijk tot haar bizondere beschermeling, haalde wat melk voor ’t kindje, grabbelde voor haar mee van de kaakjes en pepernoten, en zoo vaak ze haar iets bracht, voelde ze ’n vreemd geluk, scherpen doordringend, ’n wellust van herinnering, die haar oogen week maakte bij het bewonderen van het bleeke stumpertje

Later ging St. Nicolaas naar boven terug, en—de cadeautjes voor de kinderen verdeeld,—werd nu het goed voor den dag gehaald, waar de moeders, schichtig-verwachtend, omheen drongen. Go was Coba gaan helpen, die een en al opwinding was, en met haar gezicht nog half zwart, alle mogelijke luchtsprongen maakte in haar rood satijnen pakje, waar ze zich buitengewoon makkelijk in voelde.

“Hoefde ik toch maar nooit die vervelende rokken meer aan!”

“Wat zou De Veer je nù graag mee hebben op z’n tochten.... Toe, sta nu even stil!” en Go schonk voorzichtig warm water langs haar zwarte wang, zacht nawrijvend met den handdoek; want ’n spons was er niet te krijgen. Mies de Bruin liep, met haar haar los, in haar witte tabbaard rond. “’t Is ’n geslaagde avond. Als nu die goeduitdeeling nog maar geregeld gaat. Och Go, hier is ’n lijstje voor de familie Hendrix, die er later nog is bij gekomen. Wil-je er even mee naar beneden gaan?”

De uitdeeling was al bijna afgeloopen, en huiverig-ineengeschurkt waren de meeste families bedankend de deur uitgeschuifeld. De meisjes, moe, maar blijvend opgewekt, gaven de kinderen hun jassen en petten, hielpen de vrouwen de kleeren en de erwten en boonen tot ’n pak maken.

Go stond even te kijken, liep toen de al-verlaten zaal weer in, waar Lou alleen, pretentieloos-lief, de verspreide kopjes aan ’t inzamelen was, zuinig kaakjes en krentenbollen, die ze hier en daar vond, in groote zakken stoppend.

“Dit was wel onze éigenlijke Sinterklaas, hè Lou,” praatte Go helpend, “het cadeautjes-krijgen thuiskan onmogelijk zoo geanimeerd zijn, als deze avond.”

“Heb-je dat kleine jongetje gezien met die groote oogen, die alleen maar chocolademelk wilde drinken en al z’n koekjes en appels in z’n blouse bewaarde “voor moeder”? Vin-je ’t niet roerend?”

“’t Zoontje van vrouw Ties kon de overjas toch niet aan,” kwam Mary vertellen. “Zoo zielig... Hij was in z’n enkele pakje, en zette eerst al zoo’n dol-blij gezicht. Hij paste ’m zeker, zei hij; maar toen hij er in wou, werd ie heelemaal rood; er was eenvoudig geen kijk op... Nou is-tie voor z’n broertje; die groeit er gauw genoeg in.”

Coba, nog ’n beetje “grijs”, kwam met Mies naar beneden; de helpster begon het gebruikte vaatwerk weg te dragen, en langzaam, in voldane moeheid, trokken ze mantels en mutsen aan.

“Ik begrijp niet, waar ’t in zit, maar de cadeautjes voor de familie Schuring klopten niet,” peinsde Francis, “’t staat toch op ’t lijstje genoteerd. En nu bleken de kinderen opeens allemaal veel grooter.”

“Zeker gegroeid in dien tijd... Ach Guus, zeg jij even tegen de helpster, dat ze meenemen mag, wat er over is.”

Ze gingen met ’n heel groepje naar huis, oudere meisjes, vriendinnen van Mary en Frieda, die allemaal ’t zelfde koel-heldere, verstandelijk-sympathieke hadden, en ’n twijfelloos-zekere harmonie in heel hun wezen. Eerst werd er nog ’n beetje over den avond gepraat, maar al spoedig verdiepte zich ’t gesprek tot ernstige bewering, en’n knap meisje, dat wijsbegeerte en psychiatrie studeerde, betoogde het voordeel van de filosofie-colleges; “wezenlijk, als je, wat dáár gedoceerd wordt, in je hebt opgenomen, behoor-je niet tot ’n partij, zooals ’n ander;... je bent niet Hegliaan òf theosoof òf sociaal-democraat... allemaal één pot nat;—maar je staat bóven de partijen, je omvat álles...”

“Maar dat zeggen immers anderen van hún leer;.... dat zeggen de theosofen ook.”

“Zonder grond. Want als bepaald, beperkt stelsel moeten zij noodzakelijk andere uitsluiten. De Hegelarij alleen, door iedere overtuiging als ’n eenzijdigheid te zien, en bij iedere stelbaarheid dadelijk ook het tegenovergestelde te erkennen, is vrij van de bekrompenheid van partij-haat, die de menschen elkaar in ’t haar doet vliegen....”

“Ja maar; al kòmt ’t voor, bekrompenheid of onverdraagzaamheid is niet ’n inhaerente eigenschap van ieder, die voor ’n partij voelt. Integendeel geeft ’n overtuiging alleen krácht om te werken, om iets goeds tot stand te brengen, en al is zoo’n krachtsinspanning-naar-ééne-richting voor jullie opperste wijsheid ook ’n eenzijdige bekrompenheid, ik geloof, dat ’t maar heel goed is, dat er nog velen zijn, die één ding vreeselijk gelooven en ’t andere negeeren; want er is nog zooveel op de wereld te verbeteren, dat jullie voorkeurlooze gelijkmoedigheid voorloopig uit den booze is.”

Het Hegliaantje haalde de schouders op en met ’n kort, beslist accent antwoordde ze: “Je bent in alle opzichten ’n ontwikkeld, verstandig meisje, Mary, maar toch valt er niet met je te debatteeren, voor je geleerd hebt dialectischte denken. Volg éérst ’s ’n collegium logicum.”

Mary knikte, niet gepiqueerd. “Ik heb geen pretentie van ’t beter te weten,” zei ze met ’n glimlach, “en ik ben er van overtuigd, dat ik op die colleges veel leeren zou;.... maar ’k heb nu eenmaal geen lust, ’n sterke persoonlijkheid direct op me te laten inwerken, vóór ik in mezelf ’n beetje weerstandsvermogen en kritische helderheid voel. Zie-je,.... ik hou van m’n stillen vrede, m’n harmonie, en ik ben bang voor vuisten en fascineerende oogen. Toch zullen we ’t volgend jaar ’s gaan;—’t is laf ’t te ontloopen; hè Go, wij samen?”

Maar in Go’s hoofd zongen nog de Sint-Nicolaas-liedjes; ze zag de vrouw met het bleeke gezicht en rossige haar en al de kleine, zwakke, witte kindertjes, tegen de moeders aangeleund, hulpeloos;.... dan weer de woestheid van de ouderen, die tegen haar knieën drongen;—en opschrikkend zei ze: “O,Mary, ik liep te denken, of we niet nog geld inzamelen kunnen om ’t jongetje van vrouw Ties tóch ’n overjas te geven. Ik vind ’t zoo zielig, hè?”

“Ja, we kunnen ’n inteekenlijst op de club leggen.”

“En ik ga zelf wel vragen bij ’n paar meisjes.”

“Dat ’s best,” knikte Mary, trok Go’s arm door den haren, “en ben-je verder nogal voldaan?”

“Ja, o ja; ’t was ’n prachtige avond.” Ze zweeg even, en toen bedenkend: “Wat doen de studenten ook weer?”

“Die gaan in de ziekenhuizen, de heele stad door. Dat is natuurlijk veel grootscher.... Ze hebben meer geld..”

“Ja natuurlijk. Maar zou dit nu niet mogelijk zijn: Dat we hierin samenwerkten? De jongens ’t meeste geld; wij de meeste ijver en toewijding....”

“En naaitalent.”

“Ik geloof niet, dat hier iets tegen kan zijn,” zei Mary vriendelijk, “je wilt nu eenmaal je ideaal van samenwerking, hoe dan ook, niet opgeven. En in dit opzicht zal ’t zeker mogelijk zijn.”

En Go zuchtte zacht: “O, als we maar eenmaal zoo ver zijn, dat we het béste, dat we doen, sámen doen;—dan zal alles vanzelf goed worden.”

HoofdstukXXI.“Nou; en toen?” vroeg Gerard, heen en weer loopend van blijdschap en opgewondenheid.“Toen vroeg hij, of ik er nú niet over dacht in vergelijkende taalstudie door te gaan. Hij geloofde, dat ’k er wel ’n hoofd voor had.”“Prachtig. En wat zei-jij, Go? Dat je nóg uitstekender was in al ’t andere?”“Nee; dat ik blij was, dat hij tevreden was, maar dat ’k er ook veel moeite mee gehad had. En toen wenschte hij me evenveel succes met de andere tentamina, en liet me uit, erg hartelijk. En toen heb ik ’t op ’n loopen gezet, hier naar toe, met ’n zalig, luchtig gevoel, net of ik al candidaat was, in plaats van een beginneling, die nog ’n berg werk door moet.... en nu weten jullie de heele geschiedenis.”Mary glimlachte zonnig. Ze kón niet uitbundig zijn. Maar Gerard, in ’n opwelling van jongensachtige uitgelatenheid, sprong ’n paar maal over de canapé, liet zich toen met ’n plof buiten adem er op neervallen: “Waarachtig, Gootje, je zou ’n bezadigd mensch weer wild maken. Je weet niet, hoe allemachtig veel plezier ’t me doet. ’t Móestook wel goed gaan; je wist ’t, je verdiende ’t.”“Of niet ’n groot deel van de verdienste bij jóu ligt,” antwoordde Go, ’m de hand toestekend. “Of jij me niet overal bij geholpen hebt, met je dictaten, met boeken, en met je eigen doceertalent. En dan.... hoe dikwijls heb-je me uit ’t werk gehaald, als je vondt, dat ik overdreef,—om te fietsen, of te tennissen—; zoodat ik weer heelemaal frisch thuis kwam.”Ja; en dát zal ik nu dadelijk weer doen. Vandaag mag-je geen boek meer aanraken. Kom, doe gauw dat statiekleed uit, en laten we naar Katwijk fietsen.”“Nee, geen dwaasheden, Gé. Ik wil nu wel eerst wat wandelen. Maar vanmiddag begin ’k Den Hertog te repeteeren.”“Laat ’r,” zei Mary rustig, “als ’t heilige vuur brandt....”“Ik vind ’t dom. Maar dan zal ’k m’n excerpt nog even gaan afmaken; breng ’t je vanmiddag.”“’t Is toch wezenlijk geen wonder, als ik ’n goed tentamen doe, met zóóveel hulp.”“Ga dan alléén wat loopen. Je hebt genoeg prettigs om over te denken. En ’t is zoo heerlijk buiten.”Het “zwarte pad” was één koele zonnigheid. De herfsthemel, hoog-blauw, met ijle nevelwolkjes, spiegelde zich in ’t gladglijdende water van de vaart, waar hier en daar ’n langzame schuit door ploegde, ’n bruine man aan ’t roer, die eerst achterdochtig gluurde naar de eenzame wandelaarster, dan met ’n goeiig: “goe-mèrge” de stilte brak.En Go riep, hoogstemmig, den groet terug, en knikte. Ze voelde haar hart wijd worden vangenot. “Leiden, lief, heerlijk Leiden,” zong ’t in haar; “wat ben-je mooi en stil in ’t licht; wat lig-je gedwee in den zonneschijn. Hoe láát je je leven.” En dan weer: “Wereld, mooie wereld, wat ben-je licht! wat is alles mooi: ieder grasje, de verkleurde blaren, ’t water, de hemel.... Heerlijke wereld, hoe blij ben ik, dat ik leef.”Het slagen voor haar tentamen lag veraf; ze was zelfs blij, dat Gerard niet mee was gegaan, Gerard, die met z’n gedachten haar altijd doorvorschen wilde, wiens belangstelling en genegenheid ze altijd nader voelde dringen. Ze wilde nu alleen zijn met de zon en de koele lucht; als ’n bloem in ’t licht wilde ze zich voelen. Niet denken, niet denken; ze had de laatste maanden zooveel gedacht; ze had zooveel gestreden met zich zelf; met dàt, wat na ’t eerste gesprek met Mary altijd weer boven was gekomen, het warme, onstuimige, onberedeneerde gevoel, dat haar ánders maakte, ánders deed blijven, dan Mary, de rustig-harmonische, en Frieda, die niets dan wetenschap zocht. Toen was ze gaan werken, hard, aanhoudend, en dát had haar wel geholpen. Ze had niet meer aan haar ziel, en niet aan haar levenshouding gedacht; ze had niet gevoeld de wisseling der seizoenen; afgesloten van alles, hadden haar hersens alleen gegolden.... en nu, ten deele bevrijd, was ze tot ’t leven teruggekeerd op dezen lichten herfstmorgen, en liep met haar vingers open en haar hoofd even achterover zich te geven aan de ten-winter-neigende zon.’n Geritsel door de struiken deed haar opschrikken, en tegelijk zag ze Eduard, die met den rug naar haar toe bij den waterkant stond, en Bruno, die, uitgelaten van vreugde, op haar afstormde.Eén blik op z’n verward-blozend gezicht was Go voldoende geweest om te weten, dat hij haar gezien had en ontwijken wilde, en, ’t hart hevig kloppend, hoezeer ze zich ook tot kalmte maande, trachtte ze stil verder te loopen, Bruno’s vroolijk herkennen negeerend.Maar de hond stoorde zich niet aan haar koelen blik. Met zacht vreugdegehuil legde hij z’n breede voorpooten op haar ontwijkende schouders, en besnuffelde gretig haar gezicht en haar haar. En toen ze, geroerd door z’n hartelijkheid, met ’t oude gebaar haar handen zacht om z’n kop legde, sprong hij op met ’n luid, juichend geblaf, rende naar Eduard en weer terug, blaffend en huilend, likte haar handen en laarzen; en eerst toen Eddy, licht geërgerd over ’t malle figuur, dat de hond ’m deed slaan, zich omgekeerd had, en nader kwam, omhelsde Bruno haar opnieuw, met ’n kalme beweging van in-bezit-nemen.Go hield hem, verlegen en trotsch, tegen zich aan. “Híj kent me nog; hij is me nog niet vergeten,” zei ze glimlachend tegen Eddy, met zacht verwijt.“Hij lijdt niet aan “stemmingen”,”verweerde hij zich, “ik was niet ín ’n stemming jou te zien; had je de volgende week willen komen opzoeken om afscheid te nemen.”“Ga-je dan weg?”“Ja, ’n jaartje rondtrekken, om wat in allerlei bibliotheken te snuffelen, voor m’n dissertatie.”“O, en dan promoveeren?”“I think so, ja. Zullen we wat oploopen?”“Nee, als je nu tégen je wil...”“Welnee, dat was maar ’t eerste oogenblik. M’n eerste opwelling, als ik ’n kennis zie, is altijd wegte loopen.... kun-je ’tbegrijpen? Ik heb er vaak zelf spijt van. Nu vind ik ’t al weer heel gezellig. Ik heb je zoo lang niet gezien.”“Een kennis; niets dan maar ’n kennis,” dacht ze teleurgesteld. Maar ze zei alleen zacht: “Wat ’n zalig weer,” en liep naast ’m voort, stil, de hand op Bruno’s kop, de oogen, in afwachting, naar Eduard toegewend.“En vertel me ’s: hoe heb-je ’t tegenwoordig? Je bent nooit meer ergens te zien, en Gerard brengt op de L. V. vergaderingen altijd dezelfde boodschap: dat je werkt, hard werkt, en geen tijd hebt er uit te gaan... Het lijkt wel, of je genoeg van ons hebt.”Z’n stem was gemoedelijk-vriendelijk, maar ’n met moeite bedwongen onrust trilde telkens om z’n neusvleugels. Hij had wel gemerkt aan allerlei onzegbare kleinigheden, dat er iets veranderd was tusschen Go en hem, en ook begrepen, gevoeld, waardoor ’t moest zijn. Nu vreesde hij niets zoo zeer als ’n “verklaring” tusschen hen beide, met tranen en verwijten, waarbij hij met z’n figuur geen raad zou weten; en hoewel twijfelend, of er iets tegen te doen zou zijn,—zoo’n spontaan kind als Go zou ’n grief toch wel niet kunnen verzwijgen—deed hij alles om ’t gesprek aan de oppervlakte te houden, opgewekt en rustig.Ze ging er dadelijk op in. “Ja, ik heb het nu eindelijk eens flink aangepakt. Vandaag heb ’k m’n eerste tentamen gedaan. Nu, ’t wordt tijd in je vierde jaar...”“In je vierde; ja, ’t is waar; ’k word ’n oude man. Ik zag gisteren ’n lange, witte haar tusschen m’n zwarte; en jij draagt ’n sleepjapon... Ja,ja... maar hoe bevalt je nu alles bij elkaar?”“O goed. Ik hou van m’n werk.” Maar ’t bezadigde glimlachje, waarmee ze ’t zei, intrigueerde ’m: God, was ze zóó veranderd; dat was toch de Go niet, die hij kende, de vertrouwende, alles eischende, maar ook bereid àlles te geven. Hij vergat z’n voorzichtigheid, zei, uit gewoonte blagueerend: “En de idealenwinkel? Nog niet failliet?”Nu verzette haar trots zich: wat hoefde hij er naar te vragen, hij, die alleen maar spotten kon; wat ging ’t hem aan? En met ’n lichte ironie, die hij niet van haar kende, antwoordde ze: “Ja, erg in trek zijn die tegenwoordig niet... Ik heb ze maar zelf grootendeels weg gedaan, dat ik plaats hield voor andere dingen, practische dingen.”“Beeld-je je dit alles in, of ben-je wezenlijk veranderd? Heeft Frieda je ziel volgeplakt met overdrukjes van haar eigen ideeën, zoodat je niet meer zien kunt, wat er eigenlijk in is, of is de verandering van binnen uit begonnen?”“Mary heeft veel met me gepraat;... maar ik ben toch zelf ouder geworden; ik geloof bijna: hárder. Als je érge pijn hebt gehad om... om allerlei, waar niets aan te doen is, dan versteent er iets... Ik weet niet, of ’k overdrijf; ’t is zoo moeilijk iets van je zelf te weten,... maar ik ben wel minder expansief, dan vroeger. Dat ’s zeker.”Hij knikte en keek naar haar vast gezicht: er waren lijnen, langs den neus, die hij er vroeger niet had gezien, en ze sprak gedempter, alsof ze zich steeds bedwong.“Ik heb vooral gemerkt, hoe ’k veranderd was,’n paar dagen geleden,” vertelde ze door. “Gerard stuurde ’n groen met ’n paar dictaatcahiers, en Mary en ik lieten ’m boven komen en gaven ’m thee en koekjes. ’t Was ’n aardig jongetje en we begonnen te praten met ’m. En toen hij vertelde, wat hij allemaal van z’n leven verwachtte, en wat hij voor iedereen wilde doen, toen merkte ik, dat ik glimlachte, onwilkeurig, omdat ik ’t niet geloofde. Er is heel veel, dat ’k niet meer geloof.” Zij liepen zwijgend den weg terug. In de verte blakerden de lage geveltjes van de Jan van Goyenkade, en het houten dak van ’n huis in aanbouw flikkerde als ’n spiegel.“Vroeger wilde ik iedereen helpen, dat weet je nog wel...” begon ze weer. “Nu heb ik ingezien, dat ’t “ieder voor zich” toch eigenlijk ’t eenige mogelijke is. Zelf je best doen... en dan soms ’n kleinigheidje, bij toeval, voor ’n ander... het is zoo weinig meestal.”“Go,” zei hij zacht, “weet je dien avond nog in je kamer, toen je m’n steun wilde zijn?”En met de onverwachte stemmingswisseling, die hem weer zoo aan vroeger herinnerde, riep ze uit: “O Eddy, ik weet nog alles precies, en ik vóel ’t nog, al is ’t dwaasheid... en soms denk ik, dat ik nóóit zal leeren wijs te zijn, omdat ik zoo anders ben dan de anderen....”Ze waren bij de brug blijven staan, Bruno tusschen hen in, en hij keek in haar oogen, tintelend van den ouden glans.“Ik wist wel, dat er nog iets van je over was,” zei hij, niet begrijpend, waarom hij er blij om was. Hij ging immers weg, zou haar misschien nooit meer zien... Maar dit oogenblik, dit laatste samenzijn, was van ’n vreemd-schoonen weemoed; en z’nstem trilde van treurigheid, toen hij, haar hand vasthoudend, zei:“Hoe zullen we nu ooit weer bij elkaar komen, in dit leven...”Toen ’n buiging, ’n hoedzwaai—en als in ’n droom liep Go langs ’t smalle trottoirtje naar haar huis.Mary zat voor haar schrijftafel. “De cahiers van Gerard zijn er al,” zei ze, zonder opzien.Maar Go kwam dadelijk naast ’r staan. “Ik heb ’m gesproken; hij gaat weg,” zei ze dof, en zóó somber, dat Mary geen oogenblik twijfelde, wien ze meende, en, met haar hand op die van Go, zacht troostte:“Het is hard, kindje, zoo’n afscheid, en toch... je wist al zoo lang, dat je niet aan ’m denken mocht,—misschien geeft dit je rust.”“Ik weet niet. ’t Was eigenlijk ’t zelfde, of hij er was of niet; ik sprak ’m toch nooit. En nu ook hebben we ’t over niets bizonders gehad. Maar ’t laatste oogenblik was ’t, of er iets openscheurde, of alle ellende nu weer opnieuw beginnen zou.” Ze liet zich in ’n laag stoeltje vallen, verslagen, gebroken.“Kom, dit was je laatste beproeving; nu komt de overwinning, wees nú sterk,” praatte Mary, toch éven teleurgesteld, dat Go nog altijd zoo down kon zijn, zoo gebroken door iets van buiten af.“Ik geloof niet eens, dat ik nog van ’m houd... ’t is alles onzin; maar ’t is zoo moeilijk iets heelemaal op te geven...”Mary reikte haar zwijgend de schriften: als woorden faalden, was er nog ’t werk, dat troostte, omdat ’t kracht eischte en aandacht, omdat ’t den heelen mensch in beslag nam.“Ja; “allons travailler,” zuchtte Go; “bij groot en klein verdriet is dat ’t eenige.”En toen ze ’n half uur later, na veel afdwalend naar-buiten-staren en zich weer tot lezen dwingen, er eindelijk in geraakt was, keek Mary glimlachend naar het bleeke, nu rustige gezicht, en peinsde: En àls meisjes nu ’s dooreengenomen minder praesteeren konden op ’t gebied van studie dan mannen; en àls ’t nu eens waar was, dat zelfstandig, zuiver wetenschappelijk werk van ’n vrouw zeldzaamheid was;—is dan nog de studie voor haar niet een zegen, die haar heen helpt over de eerste levensdésillusies, die er voor waakt, dat ze niet den eersten slag blijft betreuren, maar haar steeds verder lokt naar nieuwe verschieten; en, àls ’t volle vrouweleven komt, haar er aan overgeeft, moedig en sterk, en boven alles jong en frisch, omdat ze niet in hunkerend wachten is verflensd? En kòmt ’t schoonste niet.... voor hoevelen komt ’t niet tegenwoordig, dan is ’t géén verloren leven, dan kan ’t waardevol zijn,—al is ’t ook niet heerlijk.

“Nou; en toen?” vroeg Gerard, heen en weer loopend van blijdschap en opgewondenheid.

“Toen vroeg hij, of ik er nú niet over dacht in vergelijkende taalstudie door te gaan. Hij geloofde, dat ’k er wel ’n hoofd voor had.”

“Prachtig. En wat zei-jij, Go? Dat je nóg uitstekender was in al ’t andere?”

“Nee; dat ik blij was, dat hij tevreden was, maar dat ’k er ook veel moeite mee gehad had. En toen wenschte hij me evenveel succes met de andere tentamina, en liet me uit, erg hartelijk. En toen heb ik ’t op ’n loopen gezet, hier naar toe, met ’n zalig, luchtig gevoel, net of ik al candidaat was, in plaats van een beginneling, die nog ’n berg werk door moet.... en nu weten jullie de heele geschiedenis.”

Mary glimlachte zonnig. Ze kón niet uitbundig zijn. Maar Gerard, in ’n opwelling van jongensachtige uitgelatenheid, sprong ’n paar maal over de canapé, liet zich toen met ’n plof buiten adem er op neervallen: “Waarachtig, Gootje, je zou ’n bezadigd mensch weer wild maken. Je weet niet, hoe allemachtig veel plezier ’t me doet. ’t Móestook wel goed gaan; je wist ’t, je verdiende ’t.”

“Of niet ’n groot deel van de verdienste bij jóu ligt,” antwoordde Go, ’m de hand toestekend. “Of jij me niet overal bij geholpen hebt, met je dictaten, met boeken, en met je eigen doceertalent. En dan.... hoe dikwijls heb-je me uit ’t werk gehaald, als je vondt, dat ik overdreef,—om te fietsen, of te tennissen—; zoodat ik weer heelemaal frisch thuis kwam.”

Ja; en dát zal ik nu dadelijk weer doen. Vandaag mag-je geen boek meer aanraken. Kom, doe gauw dat statiekleed uit, en laten we naar Katwijk fietsen.”

“Nee, geen dwaasheden, Gé. Ik wil nu wel eerst wat wandelen. Maar vanmiddag begin ’k Den Hertog te repeteeren.”

“Laat ’r,” zei Mary rustig, “als ’t heilige vuur brandt....”

“Ik vind ’t dom. Maar dan zal ’k m’n excerpt nog even gaan afmaken; breng ’t je vanmiddag.”

“’t Is toch wezenlijk geen wonder, als ik ’n goed tentamen doe, met zóóveel hulp.”

“Ga dan alléén wat loopen. Je hebt genoeg prettigs om over te denken. En ’t is zoo heerlijk buiten.”

Het “zwarte pad” was één koele zonnigheid. De herfsthemel, hoog-blauw, met ijle nevelwolkjes, spiegelde zich in ’t gladglijdende water van de vaart, waar hier en daar ’n langzame schuit door ploegde, ’n bruine man aan ’t roer, die eerst achterdochtig gluurde naar de eenzame wandelaarster, dan met ’n goeiig: “goe-mèrge” de stilte brak.

En Go riep, hoogstemmig, den groet terug, en knikte. Ze voelde haar hart wijd worden vangenot. “Leiden, lief, heerlijk Leiden,” zong ’t in haar; “wat ben-je mooi en stil in ’t licht; wat lig-je gedwee in den zonneschijn. Hoe láát je je leven.” En dan weer: “Wereld, mooie wereld, wat ben-je licht! wat is alles mooi: ieder grasje, de verkleurde blaren, ’t water, de hemel.... Heerlijke wereld, hoe blij ben ik, dat ik leef.”

Het slagen voor haar tentamen lag veraf; ze was zelfs blij, dat Gerard niet mee was gegaan, Gerard, die met z’n gedachten haar altijd doorvorschen wilde, wiens belangstelling en genegenheid ze altijd nader voelde dringen. Ze wilde nu alleen zijn met de zon en de koele lucht; als ’n bloem in ’t licht wilde ze zich voelen. Niet denken, niet denken; ze had de laatste maanden zooveel gedacht; ze had zooveel gestreden met zich zelf; met dàt, wat na ’t eerste gesprek met Mary altijd weer boven was gekomen, het warme, onstuimige, onberedeneerde gevoel, dat haar ánders maakte, ánders deed blijven, dan Mary, de rustig-harmonische, en Frieda, die niets dan wetenschap zocht. Toen was ze gaan werken, hard, aanhoudend, en dát had haar wel geholpen. Ze had niet meer aan haar ziel, en niet aan haar levenshouding gedacht; ze had niet gevoeld de wisseling der seizoenen; afgesloten van alles, hadden haar hersens alleen gegolden.... en nu, ten deele bevrijd, was ze tot ’t leven teruggekeerd op dezen lichten herfstmorgen, en liep met haar vingers open en haar hoofd even achterover zich te geven aan de ten-winter-neigende zon.

’n Geritsel door de struiken deed haar opschrikken, en tegelijk zag ze Eduard, die met den rug naar haar toe bij den waterkant stond, en Bruno, die, uitgelaten van vreugde, op haar afstormde.Eén blik op z’n verward-blozend gezicht was Go voldoende geweest om te weten, dat hij haar gezien had en ontwijken wilde, en, ’t hart hevig kloppend, hoezeer ze zich ook tot kalmte maande, trachtte ze stil verder te loopen, Bruno’s vroolijk herkennen negeerend.

Maar de hond stoorde zich niet aan haar koelen blik. Met zacht vreugdegehuil legde hij z’n breede voorpooten op haar ontwijkende schouders, en besnuffelde gretig haar gezicht en haar haar. En toen ze, geroerd door z’n hartelijkheid, met ’t oude gebaar haar handen zacht om z’n kop legde, sprong hij op met ’n luid, juichend geblaf, rende naar Eduard en weer terug, blaffend en huilend, likte haar handen en laarzen; en eerst toen Eddy, licht geërgerd over ’t malle figuur, dat de hond ’m deed slaan, zich omgekeerd had, en nader kwam, omhelsde Bruno haar opnieuw, met ’n kalme beweging van in-bezit-nemen.

Go hield hem, verlegen en trotsch, tegen zich aan. “Híj kent me nog; hij is me nog niet vergeten,” zei ze glimlachend tegen Eddy, met zacht verwijt.

“Hij lijdt niet aan “stemmingen”,”verweerde hij zich, “ik was niet ín ’n stemming jou te zien; had je de volgende week willen komen opzoeken om afscheid te nemen.”

“Ga-je dan weg?”

“Ja, ’n jaartje rondtrekken, om wat in allerlei bibliotheken te snuffelen, voor m’n dissertatie.”

“O, en dan promoveeren?”

“I think so, ja. Zullen we wat oploopen?”

“Nee, als je nu tégen je wil...”

“Welnee, dat was maar ’t eerste oogenblik. M’n eerste opwelling, als ik ’n kennis zie, is altijd wegte loopen.... kun-je ’tbegrijpen? Ik heb er vaak zelf spijt van. Nu vind ik ’t al weer heel gezellig. Ik heb je zoo lang niet gezien.”

“Een kennis; niets dan maar ’n kennis,” dacht ze teleurgesteld. Maar ze zei alleen zacht: “Wat ’n zalig weer,” en liep naast ’m voort, stil, de hand op Bruno’s kop, de oogen, in afwachting, naar Eduard toegewend.

“En vertel me ’s: hoe heb-je ’t tegenwoordig? Je bent nooit meer ergens te zien, en Gerard brengt op de L. V. vergaderingen altijd dezelfde boodschap: dat je werkt, hard werkt, en geen tijd hebt er uit te gaan... Het lijkt wel, of je genoeg van ons hebt.”

Z’n stem was gemoedelijk-vriendelijk, maar ’n met moeite bedwongen onrust trilde telkens om z’n neusvleugels. Hij had wel gemerkt aan allerlei onzegbare kleinigheden, dat er iets veranderd was tusschen Go en hem, en ook begrepen, gevoeld, waardoor ’t moest zijn. Nu vreesde hij niets zoo zeer als ’n “verklaring” tusschen hen beide, met tranen en verwijten, waarbij hij met z’n figuur geen raad zou weten; en hoewel twijfelend, of er iets tegen te doen zou zijn,—zoo’n spontaan kind als Go zou ’n grief toch wel niet kunnen verzwijgen—deed hij alles om ’t gesprek aan de oppervlakte te houden, opgewekt en rustig.

Ze ging er dadelijk op in. “Ja, ik heb het nu eindelijk eens flink aangepakt. Vandaag heb ’k m’n eerste tentamen gedaan. Nu, ’t wordt tijd in je vierde jaar...”

“In je vierde; ja, ’t is waar; ’k word ’n oude man. Ik zag gisteren ’n lange, witte haar tusschen m’n zwarte; en jij draagt ’n sleepjapon... Ja,ja... maar hoe bevalt je nu alles bij elkaar?”

“O goed. Ik hou van m’n werk.” Maar ’t bezadigde glimlachje, waarmee ze ’t zei, intrigueerde ’m: God, was ze zóó veranderd; dat was toch de Go niet, die hij kende, de vertrouwende, alles eischende, maar ook bereid àlles te geven. Hij vergat z’n voorzichtigheid, zei, uit gewoonte blagueerend: “En de idealenwinkel? Nog niet failliet?”

Nu verzette haar trots zich: wat hoefde hij er naar te vragen, hij, die alleen maar spotten kon; wat ging ’t hem aan? En met ’n lichte ironie, die hij niet van haar kende, antwoordde ze: “Ja, erg in trek zijn die tegenwoordig niet... Ik heb ze maar zelf grootendeels weg gedaan, dat ik plaats hield voor andere dingen, practische dingen.”

“Beeld-je je dit alles in, of ben-je wezenlijk veranderd? Heeft Frieda je ziel volgeplakt met overdrukjes van haar eigen ideeën, zoodat je niet meer zien kunt, wat er eigenlijk in is, of is de verandering van binnen uit begonnen?”

“Mary heeft veel met me gepraat;... maar ik ben toch zelf ouder geworden; ik geloof bijna: hárder. Als je érge pijn hebt gehad om... om allerlei, waar niets aan te doen is, dan versteent er iets... Ik weet niet, of ’k overdrijf; ’t is zoo moeilijk iets van je zelf te weten,... maar ik ben wel minder expansief, dan vroeger. Dat ’s zeker.”

Hij knikte en keek naar haar vast gezicht: er waren lijnen, langs den neus, die hij er vroeger niet had gezien, en ze sprak gedempter, alsof ze zich steeds bedwong.

“Ik heb vooral gemerkt, hoe ’k veranderd was,’n paar dagen geleden,” vertelde ze door. “Gerard stuurde ’n groen met ’n paar dictaatcahiers, en Mary en ik lieten ’m boven komen en gaven ’m thee en koekjes. ’t Was ’n aardig jongetje en we begonnen te praten met ’m. En toen hij vertelde, wat hij allemaal van z’n leven verwachtte, en wat hij voor iedereen wilde doen, toen merkte ik, dat ik glimlachte, onwilkeurig, omdat ik ’t niet geloofde. Er is heel veel, dat ’k niet meer geloof.” Zij liepen zwijgend den weg terug. In de verte blakerden de lage geveltjes van de Jan van Goyenkade, en het houten dak van ’n huis in aanbouw flikkerde als ’n spiegel.

“Vroeger wilde ik iedereen helpen, dat weet je nog wel...” begon ze weer. “Nu heb ik ingezien, dat ’t “ieder voor zich” toch eigenlijk ’t eenige mogelijke is. Zelf je best doen... en dan soms ’n kleinigheidje, bij toeval, voor ’n ander... het is zoo weinig meestal.”

“Go,” zei hij zacht, “weet je dien avond nog in je kamer, toen je m’n steun wilde zijn?”

En met de onverwachte stemmingswisseling, die hem weer zoo aan vroeger herinnerde, riep ze uit: “O Eddy, ik weet nog alles precies, en ik vóel ’t nog, al is ’t dwaasheid... en soms denk ik, dat ik nóóit zal leeren wijs te zijn, omdat ik zoo anders ben dan de anderen....”

Ze waren bij de brug blijven staan, Bruno tusschen hen in, en hij keek in haar oogen, tintelend van den ouden glans.

“Ik wist wel, dat er nog iets van je over was,” zei hij, niet begrijpend, waarom hij er blij om was. Hij ging immers weg, zou haar misschien nooit meer zien... Maar dit oogenblik, dit laatste samenzijn, was van ’n vreemd-schoonen weemoed; en z’nstem trilde van treurigheid, toen hij, haar hand vasthoudend, zei:

“Hoe zullen we nu ooit weer bij elkaar komen, in dit leven...”

Toen ’n buiging, ’n hoedzwaai—en als in ’n droom liep Go langs ’t smalle trottoirtje naar haar huis.

Mary zat voor haar schrijftafel. “De cahiers van Gerard zijn er al,” zei ze, zonder opzien.

Maar Go kwam dadelijk naast ’r staan. “Ik heb ’m gesproken; hij gaat weg,” zei ze dof, en zóó somber, dat Mary geen oogenblik twijfelde, wien ze meende, en, met haar hand op die van Go, zacht troostte:

“Het is hard, kindje, zoo’n afscheid, en toch... je wist al zoo lang, dat je niet aan ’m denken mocht,—misschien geeft dit je rust.”

“Ik weet niet. ’t Was eigenlijk ’t zelfde, of hij er was of niet; ik sprak ’m toch nooit. En nu ook hebben we ’t over niets bizonders gehad. Maar ’t laatste oogenblik was ’t, of er iets openscheurde, of alle ellende nu weer opnieuw beginnen zou.” Ze liet zich in ’n laag stoeltje vallen, verslagen, gebroken.

“Kom, dit was je laatste beproeving; nu komt de overwinning, wees nú sterk,” praatte Mary, toch éven teleurgesteld, dat Go nog altijd zoo down kon zijn, zoo gebroken door iets van buiten af.

“Ik geloof niet eens, dat ik nog van ’m houd... ’t is alles onzin; maar ’t is zoo moeilijk iets heelemaal op te geven...”

Mary reikte haar zwijgend de schriften: als woorden faalden, was er nog ’t werk, dat troostte, omdat ’t kracht eischte en aandacht, omdat ’t den heelen mensch in beslag nam.

“Ja; “allons travailler,” zuchtte Go; “bij groot en klein verdriet is dat ’t eenige.”

En toen ze ’n half uur later, na veel afdwalend naar-buiten-staren en zich weer tot lezen dwingen, er eindelijk in geraakt was, keek Mary glimlachend naar het bleeke, nu rustige gezicht, en peinsde: En àls meisjes nu ’s dooreengenomen minder praesteeren konden op ’t gebied van studie dan mannen; en àls ’t nu eens waar was, dat zelfstandig, zuiver wetenschappelijk werk van ’n vrouw zeldzaamheid was;—is dan nog de studie voor haar niet een zegen, die haar heen helpt over de eerste levensdésillusies, die er voor waakt, dat ze niet den eersten slag blijft betreuren, maar haar steeds verder lokt naar nieuwe verschieten; en, àls ’t volle vrouweleven komt, haar er aan overgeeft, moedig en sterk, en boven alles jong en frisch, omdat ze niet in hunkerend wachten is verflensd? En kòmt ’t schoonste niet.... voor hoevelen komt ’t niet tegenwoordig, dan is ’t géén verloren leven, dan kan ’t waardevol zijn,—al is ’t ook niet heerlijk.


Back to IndexNext