Hoofdstuk I.Else lag achterover op het “bakbeest van ’n canapé”, en speelde peinzend met haar dunne vingers in de gaatjes van een der gehaakte ster-antimakassers, die de juffrouw ter versiering aan de twee hoeken, en in ’t midden op het rood-satijnen kussen bevestigd had. Margo zat op den grond, leunde ’t hoofd tegen de houten lambriseering, beenen recht-uit gestrekt van over-moeheid. Zoo keken ze samen zwijgend de schemerende kamer in, terwijl ook van buiten geen geluid hun stemming breken kwam.Het oudste dochtertje van de juffrouw had, nerveus-onhandig om de nieuwigheid—ze hadden nog altijd heeren op kamers gehad, dames nooit—zooeven de tafel afgenomen, en na veel gerammel van glazen en vorken de servetten en ’t laken in de ouderwetsche bonheur du jour geborgen. Nu lag de groote tafel, zonder kleed, ongezellig te glanzen in ’t grijze licht, de vier stoelen, netjes recht er onder geschoven, gaven ’n onaangenamen indruk van onbewoondheid, nog vergroot door de vochtige lucht, die in de kamer hing van ’t lang gesloten zijn geweest. Want toen ze ’n middagin Augustus—Go en Else en Else’s Vader en Moeder—na den heelen warmen, zonnigen dag de stad in alle richtingen doorkruist te hebben, met stijve halzen van ’t opkijken naar de huurbordjes, en doove beenen van ’t trappen klimmen—eindelijk op het stille grachtje waren gekomen, bij het oude, hooge huis, toen waren alle groene blinden toe geweest, en de juffrouw had verzekerd, dat ze ze toe hield, tot ze kwamen, “om ’t verschieten ziet u, dames.” En ofschoon de groenig-trijpen stoelen den goeden zorgen geen eer aandeden, het weeïge vochtluchtje, dat vooral uit de hoeken en kasten opsteeg, gaf het bewijs, dat ze woord had gehouden.Al was de herfstavond frisch, Go had toch beide ramen ’n eindje opengezet en de wind deed de groene overgordijnen zachtjes bewegen. Uit zuinigheid, zonder nog eenig idee te hebben, wát alles kostte, hadden ze geen licht aangestoken, omdat je in ’t donker evengoed uitrusten kon, en, dicht bij elkaar, maar, ofschoon nichtjes, vreemd voor elkaars gedachten, doorleefden ze ieder-voor-zich den voorbijen dag, den eersten van hun nieuwe zelfstandige leven.Voor Else, die veel gereisd had en veel uit was geweest—eenig dochtertje van rijke, in-weelde-levende ouders—had de nieuwe omgeving meer iets grappigs om de burgerlijkheid van deze huurkamer, dan dat ze zich hevig door de verandering voelde geschokt. Besloten om te studeeren, omdat ’t haar wel ’n aardig leventje leek en ze ’n helder hoofd had, wetend, dat ze ophouden kon, zoodra ’t haar niet beviel, voelde ze zich in het oude huis, als in ’n vreemd pension, waar ze eerst even moest wennen, dachtverder gewoon door aan haar leventje in Den Haag, waar ze zich zoo dichtbij wist, waar ze bij bleef behooren, al was ze volgens ’t verhuisbiljet nu ook inwoonster van Leiden geworden.Voor Go was ’t alles zoo anders, zooveel ingrijpender in haar leven. Zij was de oudste van ’n groot gezin, waarvan ieder zich-zelf ’n weg zou moeten banen, en de jaren op ’t gymnasium had ze gewerkt en geleerd om toch eenmaal hiér te kunnen komen. Daarvan had ze alles en alles verwacht, en ’t had haar vaak zóó heerlijk geschenen, dat ze dacht, ’t wel nooit te zullen bereiken: heelemaal vrij zijn, jong onder jongen, studeerend onder studeerenden, die allemaal ’t zelfde wilden, ’t zelfde zochten; en dan: àlle bronnen van geleerdheid voor haar open; college-kunnen-loopen, bij wie ze maar wilde, àlles, wat haar interesseerde, kunnen volgen.Toen was ze geslaagd voor haar eindexamen, en ’n zonnigen ochtend naar Den Haag gespoord; daar waren Oom en Tante en Else in de coupé gekomen en met hun vieren waren ze naar Leiden getrokken om “kamers te zien”. Oom en Tante vonden goed, dat Else, die wel wat àl te verwend was, met Go zou samenwonen, omdat deze zooveel minder behoeften kende, terwijl ze er op aandrongen beiden hetzelfde zakgeld te mogen geven.Maar Go was zéker geweest, dat er in heel Leiden geen kamers voor hen te krijgen zouden zijn, en toen eindelijk ’n geschikt verblijf gevonden en alles afgesproken was, dacht ze nog: “Maar er komt natuurlijk wat tusschen, het kàn niet, het kàn niet, ’t zou te heerlijk zijn.”Tot ze dien ochtend wakker was geworden,en op eens rechtop in bed had gezeten en geweten had: dat ’t zoo wàs.Toen had ze zich nerveus-vlug aangekleed, in ’t koele, vreemde licht, plots niet blij meer, maar báng voor de vervulling van haar hevig wenschen. En beneden was alles ook ongewoon en plechtig geweest: de kinderen waren al binnen en stiller en liever dan gewoonlijk. Vader had er zoo ernstig uitgezien, of hij haar nog veel goeie raad wilde meegeven, maar hij had niets gezegd; en moeder liep al maar heen en weer om allerlei kleinigheden nog in haar handkoffertje te pakken: “Kijk, Go, je overschoenen—en hier ’n pak chocolaad, ook voor Elsi—en je staalpillen; vergeet vooral niet ze in te nemen, kind”,—Marietje had boterhammen gesneden; die werd nu de oudste; zij was de eerste, die de wereld in-ging.En al zei ze zich telkens, dat ’t onzin was, al die plechtigheid en droefheid; en al noemde ze zich zelf de dwaaste van allen, toen ze, wild-snikkend, haar zakdoek tusschen de tanden geklemd, in den lichten ochtend naar ’t station liep, telkens weer opnieuw uitbarstend, als ze zich ’t bleek-vertrokken moedergezicht voorstelde, dat toch flink kijken wilde, de bevende lippen, de oogen, die lachten en vol tranen liepen—m’n hemel, ze kwam toch Vrijdag weer thuis; wat was nou ’n afscheid van vijf dagen—tóch voelde ze: dit was het uitgaan uit ’t ouderlijk huis, ’n periode lag achter haar, afgesloten, waarin ze veel liefs en vertrouwelijks liet. Moeder en Vader en de kinderen bleven bij elkaar: het gezin; zij begon ’t nieuwe, onbekende leven, alleen.En dát gevoel—dat de komende jaren overhaar heele toekomst beslissen zouden, dat haar “leven” in de kleine, onbekende stad zou worden gemáákt,—had ze weer en sterker gehad, toen Else en zij samen uit ’t station waren gekomen, en even stil waren blijven staan, koffer-beladen, om te kijken, naar wat haar nog heelemaal vreemd was. Dat oogenblik stond in haar hoofd gebrand, als iets, dat nooit vergeten kán worden: “hier wacht me het groote geluk of ’t groote verdriet.”Toen waren ze, onzeker van den weg, hier en daar kamers herkennende, die ze hadden “gezien”, naar hun eigen tehuis gesjouwd, waar de groote koffers met kleeren en kamer-versieringen, de meeste van Else, hun al te wachten stonden; en den heelen dag hadden ze niets gedaan dan bukken, lichten, heen en weer loopen van kamer tot kamer, telkens zich weer vergissend met de deur, struikelend over de ongelijke traptreden. Nu konden ze niet meer, óp van inspanning en emotie, en in de steeds meer donkerende kamer, waarin ’n lantaarn wat lichtglans wierp, zaten ze zonder bewegen.“Zeg”, zei Else eindelijk droomerig, met ’n langen zucht, “ben je wakker, Go?”“Ja, en ook wel ’n beetje uitgerust.”“Weet je, waar ik zoo aan lig te denken? Wat die laatste student, die hier gewoond heeft, voor ’h man zou zijn geweest.”“De juffrouw zei: ’n volmaakte, keurige, knappe, aardige meneer.—Maar dat zijn alle meneeren in de oogen van hun juffrouwen. Pa zegt: “de “meneer” is ’t ideaal van z’n ploerterij.” Bovendien weet je, dat hij bretels droeg, en wit-beenen overhemdknoopjes.”Else lachte, en zette zich een beetje rechtop:“Hoe mal eigenlijk, dat de juffrouw al dien tijd nooit in de waschtafella gekeken heeft, wie weet, wat we nog meer van onzen voorganger vinden, behalve die toiletartikelen, vanmiddag.”Ze zwegen even: toen zei ze langzaam:“Ik vind ’t zoo’n vreemd idee, hè, al die jongens, die hier al hebben gewoond en geleefd.... ze verhuren wel al vijf-en-twintig jaar, zei de juffrouw, éérst ’r moeder, nu zij.”“Ja, en de eene “meneer” is nu dominee, en de ander gesjeesd, en nog ’n ander misschien minister.... en....”“En wij, over een jaar of acht?” peinsde Else; maar Go wilde ontvluchten ’t angstgevoel voor ’t onbekende; fantaseerde door: “ze hebben allemaal aan dezelfde tafel gezeten, dezelfde stoelen gebruikt; op die canapé gelegen....”“Veel smaak hadden ze dan niet, als ze zoo’n omgeving verdragen konden.... We zijn nu veel te moe van ’t uitpakken, maar morgen moeten we hier ’s grondige opruiming houden, hoor!” en om te beginnen trok Else de anti-makassers van de canapé, spreidde ze met komische voorzichtigheid over haar knieën: “In de eerste plaats deze kunstwerken.”“Maar zou de juffrouw daar niet boos over zijn?” Go’s respect voor de hospita was zóó onbegrensd, dat iedere opdracht in haar mond tot ’n smeekbede werd, en ze niets zoozeer vreesde, als háár te mishagen.“Maar Go, ’t zijn toch ónze kamers. Bovendien verslijten haar bullen dan niet, kan ze alles weer als nieuw ophangen voor onzen opvolger. We zullen morgen heel wat moeten koopen om de kamers wat dragelijk te maken.—Gelukkig heeft vader ons carte blanche gegeven.”Ja, maar je moet niet overdrijven, Elsi. Ik vind ’t niet prettig in zoo’n weelde te zitten, als ze thuis eigenlijk....”“Egoïst,” hield Else zich boos. “Of ik ’t prettig vind in ’n schunnig boeltje te zitten, komt er niet op aan, hè?”Go voelde haar oogen warm worden, toen ze opstond; ze ging aan ’t voeteneinde van de canapé zitten, legde haar hand over Else’s handen: “Wat kennen we elkaar eigenlijk nog weinig, hè! En nu zijn we opeens samen ’n huishouden. Ik hoop zoo, dat ’t goed gaan zal; ik zal m’n best doen.”Else hield niet van scènes, was ’t ook niet gewoon. Dat je uiterlijk nooit moet laten blijken, wat je innerlijk voelt, had ze van klein kind af, veel onder vreemden, geleerd. Ze maakte haar handen zachtjes los en stond op: “’t Zal wel wennen,” zei ze eenvoudig, “de eerste dagen is alles vreemd. Kom, laten we ’t licht opsteken en de gordijnen dicht doen.”“Ja, ik wou nog naar huis schrijven,” zei Go week en ze keek naar haar schrijftafel waar—’t eenige hoekje, dat al in orde was—de portretten van vader en moeder en al de broertjes en zusjes stonden.“Ik ook, en dan gaan we slapen,” besloot Else.Hoofdstuk II.Dien dag onder ’t eten hadden ze bijna geen oogenblik rust gehad: den heelen ochtend en middag hadden ze inkoopen gedaan, vooral voor Go’s kamer; want toen Else al haar rijkdommen had uitgestald, stak de andere kamer daar treurig bij af, en dat kon Else niet hebben. Overal hadden ze toen rondgezocht om heel veel moois bij elkaar te krijgen: kussens voor de canapé, ’n tafelkleed, ’n theetafel, sarongs, ’n kachelscherm, stijlvolle stoelen—en telkens bij ’t uitgaan van den winkel had Else gezegd: “Stuurt u er dan mee—om ’n uur of vijf; dan zijn we thuis; mèt de kwitantie.”Nu leek ’t ’n lawine, en de juffrouw had er even over gedacht om boos te worden over “dat eeuwige gebel.” Maar juist had Else toen háár raad bij ’t kiezen van ’n klokje ingeroepen, en—gevleid—was ze toen mee vroolijk gaan doen, zette telkens ’n gezicht, of ’t háár geschenk was, wanneer ze weer iets binnenbracht met grapjes van: “Gunst, ’t lijkt heusch wel Sinterklaas.” “Wanneer zouën ze nou’s wat voor mijn brenge?” “Mevróuw Gerzon; dat moet zeker ù verbeele...”Else had gebloosd, toen ze ’t geld neerlegde, en ’n beetje strak gezegd, strakker dan Go ooit zou kunnen of durven: “Wilt u na ’t eten deze stoelen maar meenemen, juffrouw? U kunt ze misschien ergens anders gebruiken. We hebben liever onze eigen meubelen.”“Zeg,” had Go angstig gefluisterd, toen de versmade stoelen harder, dan wel noodig was, in de gang werden neergezet, met stooten tegen de deurposten. “Zeg, Elsi; ik geloof, dat je ’r boos hebt gemaakt.”Dat had haar even de vreugde over haar nieuwe schatten bedorven; maar toen ’t stil was geworden in de gang—de juffrouw was zwaar-langzaam de trap opgestommeld—en ze al ’t mooie om haar heen had zien liggen, wachtend om opgehangen en geschikt te worden, had ze, in ’n overstelpende blijdschap, Else opeens om ’t middel gepakt, en als dol hadden ze samen de ontredderde kamer doorgedanst, onder zachte kreetjes van verrukking.Toen waren ze aan ’t werk getrokken, grondig en met toewijding: “al duurt ’t tot twee uur in den nacht, we zullen eerst alles in orde maken,” had Else gezegd; en die stond nu op de schrijftafel, die met veel moeite naar den schoorsteen gesjouwd was, sarongs om den ouden spiegel te drapeeren, terwijl Go op den grond zat, omringd door ’n muur van laden, die ze uit alle kamers bij elkaar hadden gehaald, om ze van kastepapier te voorzien.De canapé hadden ze voor de deur geschoven, opdat ze geen onverwachten inval van de juffrouw behoefden te vreezen en volkomen zich aan hun werk zouden kunnen wijden. Else deed alles metschwung en gratie, liep telkens ’n endje op de schrijftafel achteruit om ’t effect van ’n draperie te zien, zuchtte alleen, als ze weer ’n spijker in ’t hout moest werken met ’t heft van ’n mes, want ze hadden de juffrouw geen hamer durven vragen.Go ging langzamer enconsciëntieuzerte werk; van elke la nam ze zorgvuldig met ’n centimeter de binnenmaat, zette deze uit op ’t papier, trok dan langs een liniaal de streep, waarlangs ze moest omvouwen.“Wat is er in ’n huishouden toch veel te doen, hè?” zei ze peinzend. “Als je nu alleen maar ’s rekent alle laden en kasten in ’n huis van papier voorzien, wat toch maar ’n zoo klein onderdeeltje is, dat ik er moeder nooit over heb hooren spreken.”“Ja,” antwoordde Else verstrooid, “denk je, dat ie zoo goed zit, zeg? Jij kunt er beter over oordeelen, van beneden af.”“Ja, ik vind ’t prachtig. Dat zal den spiegel opknappen, zoo’n omlijsting.”“Geef me dan die zwarte met bruin ’es aan.”Go zwierde de sarong door de lucht, die juist neerkwam over Else’s dik, blond haar: “Hè, waarachtig, ’t zou aardig staan, zoo’n doek over je hoofd; wat ’n kleuren toch, hè?” bewonderde ze zich in den spiegel.Daar werd geklopt.Go, die juist ’n streep trok, liet met ’n zenuwschok ’t potlood uit haar hand vallen; Else stond als verstard, de sarong beschermend tegen haar borst gedrukt.“De juffrouw,” bewogen Go’s lippen, zonder geluid te geven: ze zag zich al op straat gezet; de krassen, die Else’s hakken op de schrijftafel hadden gemaakt, dansten voor haar oogen.“Binnen,” klonk ’t toen, wanhoops-moedig.De deur werd langzaam opengewerkt, de canapé verschoof ’n endje; om den hoek kwam een lachend jongensgezicht, dat naar den chaos op tafel, de vreemde figuur in de hoogte, de ladenpyramide keek en toen verlegen begon: “O, excuseer, ik kom, geloof ik, niet erg gelegen....”Maar de beschermende vestingwerken stortten met donderend geweld ineen, Go viel met beide handen uitgestrekt over de canapé naar den weifelaar toe en jubelde in verrukking: “O, Han, ben jij ’t? Wat ben ik vreeselijk blij! We dachten, dat ’t de juffrouw was; kom toch binnen—hoe heerlijk—dat is Elsi, je kent ’er toch.... moeder’s nichtje.... m’n neef Henri.”“Niet zóó,” bracht Han in ’t midden, en nu brák de spanning: Else wierp de sarong af, liet zich neervallen op den schoorsteen en barstte in ’n onbedaarlijk lachen uit; Go liep heen en weer, van den eenen kant naar den anderen, telkens weer wat afgooiend, wat ’n nieuwe proestbui veroorzaakte, en Han, wat vaderlijk, want hij was al vierde-jaars, keek naar de uitgelaten, knappe, gezonde kinderen, zachtjes meelachend, en dan weer zeggend: “Maar bedaar toch; wat is er nu eigenlijk gebeurd? Wat voer jullie uit? Zal ik weggaan?”“Nee, nee,” schudde Go, “we zijn juist blij, dat je er bent.... maar we schrikten zoo vreeselijk; we dachten, dat ’t de juffrouw was.... wat zou die wel gezegd hebben!”“Maar m’n hemel: de ploerterij! Wat komt dat er nou op aan!” vroeg Han, die nog altijd de “clou” niet begreep.“Elsi heeft krassen gemaakt in haar tafel, enwe willen haar boeltje er uit hebben, en alles veranderen.”“Mag ik dan misschien meehelpen?” bood Han aan, z’n handschoenen uittrekkend. “Als u van die hoogte afkomen wilde, juffrouw Gerzon, zou ik den spiegel kunnen drapeeren. Dat is geen werk voor meisjeshanden.”“O, dol, ja,” zei Go, “als jij helpt, zal ’t opschieten.... maar vin-je ’t niet vervelend? Dat je nu net zoo’n rommel treft....”“Ik vind ’t prettig, wezenlijk,” en hij hielp Else voorzichtig naar beneden, “dan dien ik toch nog ’s ergens voor.”“Maar hoe kom je hier? Hoe wist je ons adres?” Go had zich nooit zoo heel veel aan dien neef gelegen laten liggen, had ’m fattig gevonden en blasé. Nu, hier, in deze stad van louter vreemde menschen, voelde ze ’n innige vriendschap, ’n groote dankbaarheid voor z’n hartelijkheid. Hij bracht haar in herinnering de familieavondjes thuis, bij verjaardagen in het ouderwetsche salon, met de piano in den hoek; hij stond in verband met het lieve, vertrouwde leven, dat ze nu verlaten had.“Moeder schreef me, dat je vader bij hen was geweest, en je adres had opgegeven.—Ze vroeg of ’k eens wilde gaan kijken, hoe je ’t maakte....”“Schrijf niks van den rommel,” lachte Go, “want dan rijzen m’n keurige moesje de haren te berge.”“Ik zal hun vertellen, hoe je kamer er uitziet, als ze in orde is.”Go was nu klaargekomen met de laden, en zat ringetjes aan de tochtdekens te naaien. Else schikte beukeblaren en Judaspenningen in de vazen, legdekleedjes over de kleine tafeltjes, stil-gracieus in haar bewegingen, met ’n verhoogde kleur van opwinding. Ze hield anders niet van de familie van Go’s vader, ’t waren burgerlijke, stijve menschen, waar ze niet mee opschieten kon, maar déze neef was aardig, ’n gentleman, nette manieren, aangenaam uiterlijk; z’n stem zelfs iets geaffecteerd, maar prettig om naar te luisteren, en hij praatte zoo makkelijk....“Toen ’k de juffrouw naar m’n nichtje vroeg, zei ze dadelijk, dat ik maar door moest gaan.... daardoor kwam ’k zoo binnenvallen....”“We kennen nog heelemaal niemand hier, daarom is ’t zoo heerlijk ’n bekend gezicht,” zei Go.“Maar je hebt toch wel al college gehad.... letteren, hè?... ja, ik ken bijna alleen juristen—maar hoe bevallen je de menschen? En de proffen?”“Och, van de studie kan ik natuurlijk nog niets zeggen.”“’t Eerste jaar niet,” onderbrak hij.“Maar de omgeving, de menschen vallen me vreeselijk tegen.... Ik had me altijd voorgesteld ’n groote, hooge, witte zaal met oploopende banken, en de professor op ’n soort preekstoel....en dan heel veel beschaafde heeren, en ’n enkel meisje, die allemaal zaten te luisteren....”“En luisteren ze niet?”“Ik heb ’t eerste college níet kunnen luisteren van de teleurstelling.... daar zaten we in ’n gewone leelijke kamer, met gebloemd behangselpapier, allemaal aantafeltjesmet stoelen....onnoemlijk veel meisjes, en wat schunnige jongetjes....”“Ja, letteren hebben in de Kloksteeg....maar u studeert rechten, is ’t niet juffrouw Gerzon; u bent dus in de universiteit.”“Ja, en die is wel mooi.... ik vind ’t binnenkomen er altijd prettig: zoo koel en zoo rustig.”“Ik denk, dat u wel gauw ’t buiten-komen nóg prettiger zult vinden.... Ach ja, ’t blijft ’n school, alleen met gróóte kinderen.”“Maar ieder studeert nu toch z’n lievelingsvak,” wierp Go tegen. “Dat is op school heel anders; daar moeten talen-menschen wiskunde leeren, en wiskunde-hoofden worden met talen volgepropt. Hier kies je zelf. Nee, ik verheug er me wel op....”“Jeugdig enthousiasme hoor,” zei Han, de schrijftafel op z’n plaats sjouwend. Je blijft hier net zoo goed gedwongen allerlei dingen te leeren, die je niet schelen kunnen, als vroeger.... Kijk: ik verlang advocaat te worden, met hart en ziel.... ik vind ’t iets prachtigs. En toch zijn er colleges, die ’k graag met tien spiegel-draperieën af zou koopen.”“Hij is beeldig,” bewonderde Else. “Nu is ’t heusch in orde.”“Heb je ooit zoo’n pracht van ’n kamer gezien!” riep Go, terwijl Else voorzichtig ’n paar beeldjes en vaasjes van de juffrouw in de gang zette, meteen ’t oudste meisje opdragend “’n ons lekkere koekjes” te halen.“Nu krijg je voor belooning, wat thee en gezelligheid,” praatte Go door, “je bent onze eerste gast.”En toen Else, even later, rondging met de koekjes op ’n mooi kristallen schaaltje uitgespreid, voelde ze voor ’t eerst de aangename emotie van het zelf-ontvangen in eigen huishouden.Hoofdstuk III.“Os en ui,” constateerde Go, die de schaaltjes geïnspecteerd had, zoodra de juffrouw de deur achter zich had gesloten.“Maar dat kan ik niet eten, die ellendige uien, en dat vleesch is zoo zwart en onsmakelijk, dat je al náár wordt van ’t zien: ’t is nu al de derde keer van de week, dat we dit menu krijgen!”“Nijdas,” plaagde Go, die, thuis gewend aan eenvoudig eten en met ’n nooit falenden, gezonden honger, onverschilliger op dit punt was. “U moet weten: denis hier anorganisch; Duitscheidachs.... heel interessant woord. Zie Franck of m’n dictaatcahier van dezen middag.”“Hou hier je goeje humeur maar ’s bij,” bromde Else nog, “als de kachel er niet was, waarachtig—ik zou wanhopig worden.”De troostende kachel was ’n gezellig open haardje, dat den vorigen Zaterdag, toen ze naar huis waren, was gezet. Else had er dadelijk groote beuken blokken voor besteld, en nu stond ’t te knetteren en te vlammen, dat ’t ’n lust was, alle muffe vochtigheid uit de kamer verdrijvend.“Zou je er niet bij gaan zitten?” vroeg Go na ’n poosje, toen Else met ’n somber gezicht ijsbeerenbleef van den eenen hoek van de kamer naar den anderen, telkens met afkeer ’n klein stukje vleesch of ’n schepje aardappel-met-ui van haar bord oppikkend.“Nee, voor zóó’n maaltijd niet,”—en toen schuivend met ’r pantoffeltjes over ’t zeil om de kachel—“voor ’t spatten van de vonken,” had de juffrouw gezegd—“da’s glad, zeg, zeker gewreven.” En ze gleed er langzaam overheen.“Hé...., leuk—laat ’s voelen,” en Go sprong op, al etende. “Lekker—laten we glijbaantje spelen, Elsi, dan smaakt ’t eten meteen beter.”“Jij niet met je laarzen; dat maakt krassen.”“Nee, ’k zal ze uitdoen.—Zoo, jij eerst.... neem ’n aanloop.”In ’n oogenblik waren ze er “in”: hun wangen begonnen te gloeien; lachend en jolig gleden ze dicht achter elkaar, vielen soms bijna, balanceerden langs den kachelgloed.“Dat zeil hoeft in weken niet gewreven te worden; wij politoeren het.”“Neem nog ’n stukje vleesch; dat vorige is al lang verteerd bij zooveel beweging.”“Verbeeld je toch, dat iemand ons zóó eens zag,” proestte Else ’t opeens uit, die in Den Haag altijd ’t keurigste dametje van de wereld was, en nu de neerzakkende haren vergeefs in de hoogte trachtte te houden.“En wat zouden ze thuis zeggen,” zei Go, ’n beetje peinzend, zich op ’t lage stoeltje neerlatend.Het verwonderde haar zelf, dat ze in ’n paar weken zich hier al zoo heelemaal ingeleefd voelde, zoo gewoon vertrouwelijk met Else en gewend aan hun levenswijze. Den eersten Vrijdag, dat ze naar huis was geweest, had ’t weerzien haar ’nhevige emotie gegeven; ze had ’t gevoel gehad, weken lang weg te zijn geweest, had druk van alles door elkaar verteld, zich vergissend met de dagen, alles dooreen haspelend, en al maar willen weten, wat thuis gebeurd was, niet kunnende begrijpen, dat alles z’n gewone gang bleef gaan—en ’s nachts was ze wakker geworden van moeder, die over haar heen gebogen stond en met zachte, innige zoenen haar kuste over haar heele gezicht...Maar dien tweeden Maandag was ’t afscheid heel rustig en veel minder pijnlijk geweest; de nieuwe dingen, de nieuwe menschen namen haar aandacht in beslag; alleen soms, in schemer, of ’s nachts, als ze in de groote, donkere kamer lag...“Zeg,” zei Else, de kammen in haar haar vaststekend, “ik heb nog honger. Wat hebben we nog in de kast?”“Kaakjes, maar die zijn oudbakken en vochtig.... en flikjes.”“We kunnen de kaakjes wel roosteren in de kachel.... op ’n vork—en de flikjes ook.”“Maar je schroeit van de hitte.” Go hield haar servet voor haar gezicht, de arm zoover mogelijk uitgestrekt. “Pas op, de jouwe valt.”“’t Smaakt lekker,” keurde Else, voorzichtig kleine hapjes nemend van de heete kaak; “een eigenaardig smaakje.... vanille of zoo, komt er aan.”“Maar we kunnen er toch ons maal niet mee doen,” zuchtte Go, ’n slap flikje in haar mond latend glijden. Ze zag purper van den gloed, en de zware, zwarte krullen, die uit haar kapsel springend over haar slapen hingen, wuifden heen en weer door de trilling van de heete lucht. “We lijken wezenlijk wel stokers—en de juffrouw zalniet begrijpen, wat ons bezielt. ’t Is al half zeven.”“Zeg, laten we naar Ceres gaan. ’t Is dichtbij.”“Ceres.... nou.... maar heb-je dan nog trek in boonen of zoo?”“Nee, ’n toespijs, ommelet of zoo iets.... Bij ons op college zijn er meisjes, die er altijd eten; ’t moet er goed zijn.”“Maar zou de juffrouw ’t niet gek vinden.... niets begrijpen....”“Maar m’n hemel, de ploerterij!” praatte Else Han na. “Kom, trek gauw je laarzen aan; ’t is niet ver.”Even later liepen ze samen op ’t donkere grachtje; ze waren nog nooit ’s avonds uit geweest, doorlevend als thuis, waar meisjes dat ook niet deden. Maar dien middag, geanimeerd door ’t uitgelaten spel, tintelend van levenslust en jeugd, proefden ze de zoetheid van hun heelemaal-vrij-zijn; en, Go’s arm grijpend in ’n warme verrukking, zei Else opeens: “Dol toch, hè, zoo saampjes; en te kunnen doen, wat je wilt.”Het was stil op straat, nog stiller dan gewoonlijk: de meeste menschen waren thuis, aan den maaltijd. Onder den lichten, ster-witten hemel stonden de kale boomen, waar nog slechts hier en daar ’n welkend blad aan hing, onbeweeglijk met uitgestrekte takken. De huizen waren dichte, doode dingen. Maar op ’t water, daar leefden rillend de lantaarnschijnsels en de roode lichten der booten; daar kwam ’n donkere, puffende motorboot langzaam doorheen hijgen, wegduikend onder ’t oude ophaalbrugje, dat tooverachtig lichtte tegen den donkeren huizenachtergrond.“Wat mooi,” zei Go zacht, “wat ’n beeldig oud grachtje!”Er kwam ’n jongen aan, rinkelend met z’n stok;’n paar huizen van haar af bleef hij staan, begon te fluiten; ’n verlicht raam werd opgeschoven, ’n jongensstem riep: “Hallo!”“Laat je de sleutel neer?”“Nee, kom maar boven, de deur staat aan.”“Daar woont ’n student,” zei Else, nog ’s even omkijkend, “’t is dicht bij ons.... dat was zeker hun clubfluitje, hè?”“Ja; wat klonk ’t leuk!”Ze waren nu bij ’t lichte huis op de Breestraat gekomen, gingen naar binnen, onzeker en ’n beetje verlegen. ’n Onaangename etenslucht kwam hun in de gang al in den neus: “Hier ook ui, hoor,” lachte Else. Maar ’t zaaltje binnen, vriendelijk met wit tafelgoed, bloemen en eenvoudige muurversieringen deed haar prettig aan, en ’t gedempte stemmengerucht gaf ’n warm gevoel van intimiteit.Terwijl ze ’n tafeltje zochten, fluisterde Else opeens blozend: “Kijk ’s; Han.”“Waar?” en Go wilde dadelijk op ’m afstappen, maar hij zat met ’n clubje vrienden, groette vormelijk-beleefd, waarna de anderen de hoofden tot ’m overbogen, zacht praatten, en daarna zijdelings naar hen bleven gluren.Ze bestelden een ommelet, maar hadden eigenlijk alleen belangstelling voor hun omgeving; overal zaten clubjes studenten te eten, niet met gezichten, zooals ze zich op college hielden, maar levendig en jolig, met klaterende lachbuien en doorklinkende uitroepen.“Wat zijn jongens toch leuk en gezellig met elkaar,” zuchtte Else, terwijl ze langzaam ’t hoofd van Han’s clubje afwendde. “Je kunt zoo zien: ze hebben allemaal aan zich-zelf genoeg.”“Nu, dat hebben wij toch óók wel; denk maar ’s aan die glijpartij.”“Ja,” peinsde Else, “zou Han hier altijd eten?”“’k Weet niet; misschien alleen in tijden van geldgebrek.”“’t Smaakt heel goed; we konden wel ’s meer hier gaan, hè?” vroeg Else, ’t hoofd dieper buigend, want eenige jongens waren opgestaan, fixeerden haar in ’t langs-gaan met bewonderende blikken. Go zag ’t, zei eenvoudig: “Die vinden je mooi, zeg, gaan bepaald informeeren, wie je bent,” en merkte niet, dat uit ’t andere zaaltje algemeen de aandacht werd gewijd aan háár sprekend, frisch gezicht, waarin de groote grijs-blauwe oogen levenslustig straalden.“Ze gaan weg,” zei Else zachtjes, de vork neerleggend. Maar nu kwam Han naar haar toe.“Eet u vandaag hier, dames?” vroeg hij verwonderd. “Heeft de juffrouw u dan tòch weggejaagd?”“Nee, alleen maar op rantsoen gesteld,” lachte Else, “we hadden nog honger, en zijn daarom nog even ’n ommelet komen eten.”“O, dus u bent al klaar; ’n paar vrienden van me wilden graag aan u voorgesteld worden, ook om ’n verzoek.... zoudt u dat goed vinden?”“Uitstekend,” zei Else verward, terwijl Go ging betalen.Even later stonden ze, allemaal ’n beetje verlegen, voor de stoep van Ceres, in ’n clubje.“Vinden jullie goed, als we ’n endje oploopen, dan praten we makkelijker,” zei Han, “nee, niet allemaal op ’n rijtje.” En hij ging met Else vooruit.“Heerlijk, de Breestraat bij avond,” zuchtte Go bewonderend. “Ik heb nooit ’n straat als de Breestraat gezien.... Dat is nu zoo iets, waar je altijdheelemaal in ’t midden moet loopen, met al die groote huizen aan twee kanten ver van je af.... dat geeft zoo’n koninklijk gevoel.”De blonde jongen naast haar—Leeden geloofde ze, dat Han zei—lachte met ’n kort, nerveus lachje. Hij had ’n forsche, hooge gestalte, en ’n stoere, rustige Germanekop, zooals ze zich altijd Ferdinand Huyck had voorgesteld; z’n oogen waren vriendelijk en open, al meende ze nu ook: “wat ’n echt kind” er in te lezen.“Het stadhuis is heel mooi, ’s avonds,” zei hij met z’n scherpe stem.“Het stadhuis, o, dat is heerlijk, en het carillon! Maar één ding heeft me vreeselijk teleurgesteld. U moet weten, Han had heel vroeger, toen hij pas hier was, me eens verteld, dat hier ’n torenwachter was, die ’s nachts om twaalf uur naar alle windhoeken op z’n hoorn blies; daar had ik me wonderen van voorgesteld.... Ik was toen pas op ’t gymnasium, maar altijd als ik aan Leiden dacht, kwam die torenwachter er bij.... ik vond ’t zoo sprookjesachtig.... en ik was vast van plan één van de eerste nachten hier om twaalf uur op de Breestraat te gaan staan, om ’t te hooren.... En nu, toen ik hier kwam, hoorde ik, dat hij er niet meer was....”Aan haar anderen kant liepen ’n slanke, veerkrachtige jongen, dien de blonde: Elders noemde, en ’n smalle, zwak-uitziende droomer-figuur, die met z’n melancolieke oogen door z’n lorgnet haar, terwijl ze sprak, dwepend fixeerde.“Dat idealisme zal hier wel gauw vertrapt worden,” mompelde hij voor zich heen; waarna Elders, zonder zich aan zijn woorden te storen, levendig inviel:“Maar laten we nu tot ons eigenlijk doel komen en juffrouw Herderts vragen, wat ze van ons plan denkt. We zijn namelijk allen lid, Han is zelfs praeses van ’n letterkundige club: “Laborando vincimus.”“Het is geen faculteitsvereeniging,” vulde Leeden aan, “maar we trachten de superieure elementen uit alle faculteiten bij elkaar te brengen...”“Anders dan genieën worden er niet geduld,” verzekerde Elders.“Vooral ook, omdat de verschillende studierichtingen de zekerste waarborg zijn tegen eenzijdigheid,” ging de scherpe stem onverstoorbaar voort. “Er ontbreekt in onze vereeniging maar één ding.”“Een gróót ding,” zei de droomer.Go keek met haar groote oogen ze een voor een angstig aan; ze voelde ’t komen en was bang en gevleid.“We hebben geen meisjes.”“Ons ontbreekt de vrouw.”“Na elke vergadering moet de ploerterij ’n nieuw tafelkleed geven, zóó is er met bier en thee gemorst,” spotte Elders, maar Leeden schudde afkeurend ’t hoofd. “Daarom is ’t niet,” zei hij eenvoudig. “’t Is, omdat ’t dwaas en verkeerd is, zoo’n vereeniging alleen onder jongens te houden; omdat voor ons zeker, en we hopen ook voor de meisjes, ’t veel beter en prettiger zijn zou, wanneer we samen leerden werken.”“Col-laboratie,” vulde de in-zich-tevreden Elders aan.“Eén meisje, dat Hoefman kende,”—de dichterlijke droomer keek trotsch maar bescheiden—“heeft ’t lidmaatschap van ons dispuut willen aannemen;maar ik geloof zeker; ze vindt ’t niet prettig alleen te zijn, met acht jongens.... Nu heeft Herderts ons van u beiden verteld en wagen we u te vragen, of ’t u aangenaam zou zijn, als we u eens te hospiteeren vroegen, opdat we wederzijds beter kennis kunnen maken.”“Sprekend ’n huwelijksadvertentie,” bromde ’t weer aan den anderen kant.“En...” hij zweeg, keek Go even afwachtend aan: haar wangen waren blozend van opwinding en verlegenheid, en hakkelend begon ze:“Ik begrijp niet, hoe u op ’t idee van ons komt.... van Else wil ’k niets zeggen, maar ik heb heelemaal niets, geen talenten of zoo, en geen meeningen, en ik weet nergens iets van; u zou wezenlijk niets met me kunnen beginnen.”“U hebt vizie,” zei de droomer met ’n plechtige stem; waarop ze niets terugzeggen durfde.Maar Leeden lachte en trachtte te kalmeeren: “U stelt ’t u allemaal veel te erg voor. Natuurlijk streven we er ernstig naar, om iets te praesteeren, maar gewoonlijk komt er toch nog maar zoo weinig van terecht. En u denkt nu, dat u niets te zeggen zult hebben, maar u weet niet, hoe gauw dat oefent. En trouwens wij allemaal....”“Komen toch ook nog maar pas kijken.”“Jij tenminste, Hans,” viel Leeden licht-geërgerd uit. “U moet ook denken: hospiteeren is niet iets bindends; we kunnen kijken, hoe ’t gaat. Maar zeg dan, of u dat tenminste wilt probeeren.”“Ja graag, als Elsi ook wil,” zei Go dapper.“Daar zal Herderts wel voor zorgen. U krijgt dan nog ’n convocatie, wanneer de eerstvolgende vergadering is.”’n Half uurtje later kwamen ze stralend en opgewonden thuis. Else bleef in de gang haar handen wasschen, terwijl Go de deur van haar kamer openstootte. Het was er pik-donker. Ze waren met den sleutel binnengekomen, de juffrouw had ze niet gehoord, er was niemand, die verwelkomde, of helpen wilde. Ze was ’s avonds nog nooit uitgeweest, had heelemaal nog niet aan zoo’n thuiskomst gedacht. Tastend zocht ze op den schoorsteen naar lucifers, toen over de tafel—ze stootte tegen de pan met melk, die de juffrouw op ’n bord al voor haar neer had gezet: ’n plomp, gevoelloos ding.En opeens, in de hooge zenuwspanning van haar opwinding, zag ze, hoe ’t thuis altijd ’s avonds was, wanneer ze uit was geweest: de lichte gang, de lichte kamer, en moeder met ’t naaiwerk, die ’r zoende, en vroeg, of ’t prettig was geweest.En neerbonzend met haar hoofd op de tafel, barstte ze in een wild snikken uit.Zoo vond Else haar, die glunder kwam vertellen, dat Han en zij elkaar al bij den naam noemden.Hoofdstuk IV.Het was op de eerste groote vergadering van de vrouwelijke-studenten-vereeniging, in de pauze. Ze hadden allemaal in ’n grooten kring zitten luisteren naar de lezing over “De kinderwetten,” de meesten in schommelstoeltjes, anderen op den grond, gestut door hun knieën; maar nadat ’t groote, blonde meisje met ’t rustig-verstandige gezicht ook de debatteerenden nog even kort maar overtuigend had geantwoord, had de opgewekte praeses de vergadering geschorst: “om limonade te schenken, en nader kennis te maken,” en met vroolijk geraas van opgelucht-zijn, omdat de ernst van ’n “vergadering” toch altijd iets drukkends had, waren alle lichte figuren opgestaan, op elkaar toegeloopen, dooreen gedwarreld, het statige bestuur had z’n plaats achter de groene tafel verlaten en zich onder ’t “vulgus profanum” gemengd, er werd gelachen, geplaagd, ijverige huismoedertjes gingen rond met de limonade en de taartjes die op het biljart klaar stonden “ter eere van de hospitanten,” terwijl nu en dan één achter ’t scherm, dat de lekkernij-voorraad verborg, omwipte, om er ééntje te snoepen, waarbij ze meestal in flagranti werd betrapt en luidruchtig gehoond.De zaal had een kleurig, levendig aanzien, met al die vroolijke, licht-gekleede jeugd. Zelf sober en rustig met donker-effen behangsel, waarop foto’s van klassieke beelden, een eenvoudig, smaakvol meubilair en warm-tintige rustbanken in de hoeken—werd door niets het harmonisch lijn- en kleurenbeweeg van de onbezorgd-vroolijke, in ’t oogenblik levende jonge vrouwen gestoord. En Go, die, ’n beetje achteraf, tegen den muur leunde, en stil toekeek, hoe geanimeerd de gesprekken waren, hoe levendig en uitdrukkingsvol de meeste frissche gezichten, moest onwillekeurig glimlachen, als ze dacht, hoe de menschen vaak “meisjesstudenten” nog beschouwden—als leelijke, onvrouwelijke, bleeke stumperts—terwijl ze hen hier zag, elegant en bloeiend als weelde-artikel-meisjes, maar met een bezieling en overtuiging in haar stemmen en oogen, die ze maakte tot bewuste vol-menschen.Aan den overkant van de zaal stond Else met ’n clubje rechten-collega’s,meest Haagsche meisjes, met de gemakkelijke manieren en van-zelf-glijdende conversatie, van die veel uitgaan.Go voelde zich daaronder wel een beetje beklemd; zij had altijd te veel in haar groote familie geleefd, te zeer waren haar bezoeken tot ooms en tantes beperkt gebleven, om zich tegenover vreemden, die niet van thuis, en niet van familie-omstandigheden wisten, vrij en open te voelen.Eerst toen ze ’n meisje van college ook alleen zag staan, ging ze er schuchter naar toe, stak haar hand uit. “Je heet Lize hè.... Lize Schermer?”“Ja,” zei de ander, verbaasd en niet te vriendelijk. Ze had een bizonder leelijk, melancoliek gezicht: met haar breed-vooruitspringenden mond, wijkenden neus en diepliggende, donkere oogen,deed ze denken aan een aap, en het berustende heimweh, dat uit haar heele verschijning sprak, was hetzelfde, dat de uit ’t zonnige zuiden naar dit koude land overgeplaatste dieren zoo roerend maakt.“Maar jij bent hier toch niet voor ’t eerst,” praatte Go door, “je bent toch al tweede jaars.”“Ik ben er voor ’t laatst; ’k ga er uit.”“Hé, vin-je ’t hier dan niet prettig? Ik krijg zoo’n mooien indruk vanavond, en ’t is toch goed....”“Ik heb geen tijd om er altijd naar toe te gaan, en dan kan ik m’n geld wel beter gebruiken.... Ik studeer niet voor de aardigheid. Ik moet later voor mezelf zorgen.”“Ik ook,” zei Go eenvoudig. “Maar je kunt toch niet altijd werken, zonder ophouden, en dan lijkt dit me juist zoo’n uitstekende ontspanning: ontwikkelend, gezellig....”“Nou, zet gezellig maar voorop. Ontwikkeling zul-je hier niet veel halen. De meeste meisjes studeeren zoo weinig ernstig. ’t Is maar ’n pretje, ’n afleiding. Vroeger maakten ze handwerkjes om den tijd te dooden, en nu komen ze studeeren, omdat dat toch wel zoo vermakelijk is.”“Maar de meesten doen ’t toch wezenlijk uit overtuiging, roeping!” Go had een kleur gekregen, en voelde zich pijnlijk-opgewonden worden onder de afbrekende woorden van het sombere vrouwtje.“Roeping! Maar m’n hemel, wie doet dáár tegenwoordig nog aan! Denk je wezenlijk, dat één van de meisjes, die je hier ziet, alleen uit roeping haar vak gekozen heeft, en iedere levensverandering zou afwijzen, omdat haar studie haar boven alles gaat.... Maar dat is trouwens bijmannen meestal ’t zelfde; alleen die drijft tenminste de noodzakelijkheid, ’t heilige moeten, dat de menschen tot heel wat hoogs en groots brengen kan. Maar nu ook díe prikkel ontbreekt bij bijna alle vrouwen....”Op het hamergeklop van de praeses was Go naar haar plaats geloopen; er zou nog ’n stelling verdedigd worden, met gelegenheid tot debatteeren.Maar telkens moest ze het verdere gedeelte van den avond even ’t hoofd wenden naar den hoek, waar Lize Schermer zat, den bitteren trek om de hard-gesloten lippen, het heimweh in haar oogen naar ’n zonniger land.Om half elf, nadat ze de glazen en kopjes ’n beetje opgeruimd hadden, gingen ze in clubjes naar huis. Go was nog even naar Lize toegegaan, om, in ’n warm meelijden, te vragen, of ze denzelfden kant uit moest, maar ze had kort geantwoord, dat ze heelemaal buiten woonde, was toen in ’n donkere regenmantel met verkleurende strepen, weggegleden als ’n schim.Toen waren Else en zij met vier ouderejaars de stille stad doorgetrokken. Ze zouden eerst een meisje wegbrengen, dat op ’t Noordeinde woonde, en liepen nu het plechtig-zwijgende Rapenburg langs. De hooge huizen stonden onbeweeglijk en ook het water kabbelde niet. Het was, of alles in ’n oogenblik van volmaaktheid was verstard, en vanzelf temperden ze hun overmoedig-luide voetstappen.“Jullie worden toch allebei lid van de club zeker?” vroeg één der oudere meisjes.“Ja, ik geloof, dat het er prettig is, ’n hartelijke geest heerscht er, en alles is aardig ingericht....”“Ik vind,” zei ’n andere oudere weer, “dat je dán eerst er over oordeelen kunt, wat ons studentenleven is, als je ons clubleven hebt meegemaakt. Als je je terugtrekt, alleen college loopt, is je leven niet zoo heel verschillend van dat van onderwijzeressen of zoo. ’t Is juist ons samenleven, ons vereenigings-leven, dat van ’t gewone vrouwenbestaan afwijkt. We staan in verbinding met de zustervereenigingen aan andere universiteiten, we zenden afgevaardigden, als er feest is.... en alles onder meisjes.”“Dat vind ik nu juist jammer,” kwam Go opeens, met haar heldere, besliste stem. Ze had den heelen avond bijna niets gezegd, ook nu onder weg niet, en alle hoofden bogen verwonderd en belangstellend naar haar kant, nu ze, zonder eerst in lichtere gesprekken zich ’n beetje te hebben doen kennen, opeens met ’n overtuiging kwam. “Ik meen, dat we zoo heelemaal niets met ’t corps te maken hebben, dat we twee gescheiden vereenigingen zijn.... Ik had gedacht....”“Op de kroeg wordt geen enkele vrouw toegelaten,” viel Mary Bruining, ’n ernstig, donker meisje, in, “en ik geloof, dat ze gelijk hebben en dat de maatregel meer is genomen uit angst voor de ongebondenheid der heeren—, dan uit afkeer voor de dames-studenten. Omdat voor ons dergelijke bezwaren niet bestonden, hebben we introductie voor jongens mogelijk, ofschoon niet makkelijk gemaakt. De studenten zijn voorloopig niet zóó, dat we van houding veranderen kunnen.”“Maar komt ’t een niet door ’t ander?” riep Go levendig, en haar kinderlijk-geëmotioneerde stem stak sterk af bij de rustige zekerheid vanhaar bestrijdster. “Was ’t niet onze plicht méér voor de jongens te zijn, en zou dan niet vanzelf alles anders worden? Nu ik zelf op kamers woon—en ik heb toch nog altijd Else—begrijp ik ’t pas, hoe vreeselijk ’t voor jongens, die altijd thuis zijn geweest, moet wezen, hier opeens in eenzaamheid op een ongezellige kamer te land te komen, hoe ze ’t er niet uit kunnen houden, en naar de kroeg of naar vrienden moeten loopen,—en dan weer niet naar huis willen, omdat ze weten, dat ’t er koud en donker zal zijn....” En rillend dacht ze even aan haar eigen thuiskomst laatst, toen ze de lucifers niet had kunnen vinden, en er niemand was om haar te helpen.“Ik geloof, dat je overdrijft,” zei Mary rustig. “Zooals je daar ’t kamer-leven van jongens voorstelt, zoo voel jij ’t, en zoo zullen meer meisjes ’t voelen, omdat ’n meisje veel meer aan haar huis, haar familie en de gezelligheid is gehecht. De jongens, die hier hun corps, hun clubs, hun vrienden hebben, genieten meer van hun vrijheid, dan dat ze over eenzaamheid klagen. Vind-je, dat ’n student gewoonlijk ’t meelijden opwekt? Zie je hem niet veel meer als één op ’t hoogtepunt van z’n kracht, z’n verwachtingen, z’n levensvreugde? Maar àls er nu inderdaad eens jongens waren, die er onder leden, wat zouden we dan nóg kunnen?”“Onze vrouwelijkheid, onze zachtheid in hun leven brengen. Dat ontbreekt hun ’t meest, en dat kunnen wij, die bovendien hun collega’s zijn, hun ’t beste geven. Dat is toch geen co-educatie, die zich beperkt tot ’t in dezelfde zaal college loopen, dezelfde studie volgen. Ik had me alles zoo anders, zooveel hartelijker voorgesteld, en’t zou voor ons allemaal zoo goed zijn. Alle meisjes vinden toch niets heerlijker dan gezelligheid te kunnen geven, en zooveel meisjes zijn eenzaam, en voor de jongens.... we zouden elkaar aanvullen.”“Ik geloof dat hier weer één van de moderne dwaalbegrippen bestreden moet worden,” oreerde nu ’n klein, in haar mantel gedoken wezentje, met de scherp-geaccentueerde stem van iemand, die gewend is te betoogen: “nl. dat veel menschen de co-educatie zóó op de spits willen drijven, dat ’n meisje alleen nog maar vrienden, ’n jongen alleen vriendinnen hebben wil, dit ultra-modern principe grondend op ’n lang-overwonnen meening: dat de eigenschappen van man en vrouw elkaar aanvullen. Er is al meermalen met klem betoogd, dat specifiek vrouwelijke of mannelijke eigenschappen, eigenschappen uit kracht van hun geslacht, maar fictie zijn, tenminste in ’t gewone leven. Dat die volkomen ’t gevolg zijn van individueele aanleg, herediteit, omgeving, enz. Daar meisjes, die komen studeeren, gewoonlijk boven de middelmaat staan, zullen er zeer uiteenloopende, sterksprekende karakters onder zijn. Die brengt de club bij elkaar. Ieder kan zoeken, bij wie ze zich aansluiten wil; welke eigenschappen elkaar aanvullen.... Wat de jongens betreft, die hebben eveneens hun corps.”“Waar ze níet vinden, wat ze noodig hebben,” verweet Go. “Ik weet ’t zeker. Misschien hebben wij ze niet noodig; zij ons wel.”“Dat zijn idealen, droomen, waarmee menig eerste-jaartje hier al aangekomen is. Dat slijt wel mettertijd, omdat je gauw staat voor de onmogelijkheid. De jongens moeten hun eigen weg vinden,net als wij. We zijn niet in de jaren elkaar tot rustigen steun te kunnen zijn.”Ze waren nu juist bij de kroeg, waar ’t licht door de neergelaten gordijnen siepelde. ’n Paar jongens liepen pratend de hardsteenen stoep op, en onwillekeurig volgde Go ze met verlangende oogen en dacht: “Als ik nu ’s ze na ging, naar binnen, en aan allemaal m’n evangelie van verbroedering verkondigde?”Mary had den blik uit de groote, open oogen gezien. Ze was niet gerust over dat vertrouwende, gevoelige kind.“Kom ’s bij me praten,” zei ze hartelijk bij ’t afscheid, “ik zou ’t prettig vinden, als we elkaar beter leerden kennen.”En Go beloofde ’t: “Ja graag, want ik ben hier nog zoo alleen.”
Hoofdstuk I.Else lag achterover op het “bakbeest van ’n canapé”, en speelde peinzend met haar dunne vingers in de gaatjes van een der gehaakte ster-antimakassers, die de juffrouw ter versiering aan de twee hoeken, en in ’t midden op het rood-satijnen kussen bevestigd had. Margo zat op den grond, leunde ’t hoofd tegen de houten lambriseering, beenen recht-uit gestrekt van over-moeheid. Zoo keken ze samen zwijgend de schemerende kamer in, terwijl ook van buiten geen geluid hun stemming breken kwam.Het oudste dochtertje van de juffrouw had, nerveus-onhandig om de nieuwigheid—ze hadden nog altijd heeren op kamers gehad, dames nooit—zooeven de tafel afgenomen, en na veel gerammel van glazen en vorken de servetten en ’t laken in de ouderwetsche bonheur du jour geborgen. Nu lag de groote tafel, zonder kleed, ongezellig te glanzen in ’t grijze licht, de vier stoelen, netjes recht er onder geschoven, gaven ’n onaangenamen indruk van onbewoondheid, nog vergroot door de vochtige lucht, die in de kamer hing van ’t lang gesloten zijn geweest. Want toen ze ’n middagin Augustus—Go en Else en Else’s Vader en Moeder—na den heelen warmen, zonnigen dag de stad in alle richtingen doorkruist te hebben, met stijve halzen van ’t opkijken naar de huurbordjes, en doove beenen van ’t trappen klimmen—eindelijk op het stille grachtje waren gekomen, bij het oude, hooge huis, toen waren alle groene blinden toe geweest, en de juffrouw had verzekerd, dat ze ze toe hield, tot ze kwamen, “om ’t verschieten ziet u, dames.” En ofschoon de groenig-trijpen stoelen den goeden zorgen geen eer aandeden, het weeïge vochtluchtje, dat vooral uit de hoeken en kasten opsteeg, gaf het bewijs, dat ze woord had gehouden.Al was de herfstavond frisch, Go had toch beide ramen ’n eindje opengezet en de wind deed de groene overgordijnen zachtjes bewegen. Uit zuinigheid, zonder nog eenig idee te hebben, wát alles kostte, hadden ze geen licht aangestoken, omdat je in ’t donker evengoed uitrusten kon, en, dicht bij elkaar, maar, ofschoon nichtjes, vreemd voor elkaars gedachten, doorleefden ze ieder-voor-zich den voorbijen dag, den eersten van hun nieuwe zelfstandige leven.Voor Else, die veel gereisd had en veel uit was geweest—eenig dochtertje van rijke, in-weelde-levende ouders—had de nieuwe omgeving meer iets grappigs om de burgerlijkheid van deze huurkamer, dan dat ze zich hevig door de verandering voelde geschokt. Besloten om te studeeren, omdat ’t haar wel ’n aardig leventje leek en ze ’n helder hoofd had, wetend, dat ze ophouden kon, zoodra ’t haar niet beviel, voelde ze zich in het oude huis, als in ’n vreemd pension, waar ze eerst even moest wennen, dachtverder gewoon door aan haar leventje in Den Haag, waar ze zich zoo dichtbij wist, waar ze bij bleef behooren, al was ze volgens ’t verhuisbiljet nu ook inwoonster van Leiden geworden.Voor Go was ’t alles zoo anders, zooveel ingrijpender in haar leven. Zij was de oudste van ’n groot gezin, waarvan ieder zich-zelf ’n weg zou moeten banen, en de jaren op ’t gymnasium had ze gewerkt en geleerd om toch eenmaal hiér te kunnen komen. Daarvan had ze alles en alles verwacht, en ’t had haar vaak zóó heerlijk geschenen, dat ze dacht, ’t wel nooit te zullen bereiken: heelemaal vrij zijn, jong onder jongen, studeerend onder studeerenden, die allemaal ’t zelfde wilden, ’t zelfde zochten; en dan: àlle bronnen van geleerdheid voor haar open; college-kunnen-loopen, bij wie ze maar wilde, àlles, wat haar interesseerde, kunnen volgen.Toen was ze geslaagd voor haar eindexamen, en ’n zonnigen ochtend naar Den Haag gespoord; daar waren Oom en Tante en Else in de coupé gekomen en met hun vieren waren ze naar Leiden getrokken om “kamers te zien”. Oom en Tante vonden goed, dat Else, die wel wat àl te verwend was, met Go zou samenwonen, omdat deze zooveel minder behoeften kende, terwijl ze er op aandrongen beiden hetzelfde zakgeld te mogen geven.Maar Go was zéker geweest, dat er in heel Leiden geen kamers voor hen te krijgen zouden zijn, en toen eindelijk ’n geschikt verblijf gevonden en alles afgesproken was, dacht ze nog: “Maar er komt natuurlijk wat tusschen, het kàn niet, het kàn niet, ’t zou te heerlijk zijn.”Tot ze dien ochtend wakker was geworden,en op eens rechtop in bed had gezeten en geweten had: dat ’t zoo wàs.Toen had ze zich nerveus-vlug aangekleed, in ’t koele, vreemde licht, plots niet blij meer, maar báng voor de vervulling van haar hevig wenschen. En beneden was alles ook ongewoon en plechtig geweest: de kinderen waren al binnen en stiller en liever dan gewoonlijk. Vader had er zoo ernstig uitgezien, of hij haar nog veel goeie raad wilde meegeven, maar hij had niets gezegd; en moeder liep al maar heen en weer om allerlei kleinigheden nog in haar handkoffertje te pakken: “Kijk, Go, je overschoenen—en hier ’n pak chocolaad, ook voor Elsi—en je staalpillen; vergeet vooral niet ze in te nemen, kind”,—Marietje had boterhammen gesneden; die werd nu de oudste; zij was de eerste, die de wereld in-ging.En al zei ze zich telkens, dat ’t onzin was, al die plechtigheid en droefheid; en al noemde ze zich zelf de dwaaste van allen, toen ze, wild-snikkend, haar zakdoek tusschen de tanden geklemd, in den lichten ochtend naar ’t station liep, telkens weer opnieuw uitbarstend, als ze zich ’t bleek-vertrokken moedergezicht voorstelde, dat toch flink kijken wilde, de bevende lippen, de oogen, die lachten en vol tranen liepen—m’n hemel, ze kwam toch Vrijdag weer thuis; wat was nou ’n afscheid van vijf dagen—tóch voelde ze: dit was het uitgaan uit ’t ouderlijk huis, ’n periode lag achter haar, afgesloten, waarin ze veel liefs en vertrouwelijks liet. Moeder en Vader en de kinderen bleven bij elkaar: het gezin; zij begon ’t nieuwe, onbekende leven, alleen.En dát gevoel—dat de komende jaren overhaar heele toekomst beslissen zouden, dat haar “leven” in de kleine, onbekende stad zou worden gemáákt,—had ze weer en sterker gehad, toen Else en zij samen uit ’t station waren gekomen, en even stil waren blijven staan, koffer-beladen, om te kijken, naar wat haar nog heelemaal vreemd was. Dat oogenblik stond in haar hoofd gebrand, als iets, dat nooit vergeten kán worden: “hier wacht me het groote geluk of ’t groote verdriet.”Toen waren ze, onzeker van den weg, hier en daar kamers herkennende, die ze hadden “gezien”, naar hun eigen tehuis gesjouwd, waar de groote koffers met kleeren en kamer-versieringen, de meeste van Else, hun al te wachten stonden; en den heelen dag hadden ze niets gedaan dan bukken, lichten, heen en weer loopen van kamer tot kamer, telkens zich weer vergissend met de deur, struikelend over de ongelijke traptreden. Nu konden ze niet meer, óp van inspanning en emotie, en in de steeds meer donkerende kamer, waarin ’n lantaarn wat lichtglans wierp, zaten ze zonder bewegen.“Zeg”, zei Else eindelijk droomerig, met ’n langen zucht, “ben je wakker, Go?”“Ja, en ook wel ’n beetje uitgerust.”“Weet je, waar ik zoo aan lig te denken? Wat die laatste student, die hier gewoond heeft, voor ’h man zou zijn geweest.”“De juffrouw zei: ’n volmaakte, keurige, knappe, aardige meneer.—Maar dat zijn alle meneeren in de oogen van hun juffrouwen. Pa zegt: “de “meneer” is ’t ideaal van z’n ploerterij.” Bovendien weet je, dat hij bretels droeg, en wit-beenen overhemdknoopjes.”Else lachte, en zette zich een beetje rechtop:“Hoe mal eigenlijk, dat de juffrouw al dien tijd nooit in de waschtafella gekeken heeft, wie weet, wat we nog meer van onzen voorganger vinden, behalve die toiletartikelen, vanmiddag.”Ze zwegen even: toen zei ze langzaam:“Ik vind ’t zoo’n vreemd idee, hè, al die jongens, die hier al hebben gewoond en geleefd.... ze verhuren wel al vijf-en-twintig jaar, zei de juffrouw, éérst ’r moeder, nu zij.”“Ja, en de eene “meneer” is nu dominee, en de ander gesjeesd, en nog ’n ander misschien minister.... en....”“En wij, over een jaar of acht?” peinsde Else; maar Go wilde ontvluchten ’t angstgevoel voor ’t onbekende; fantaseerde door: “ze hebben allemaal aan dezelfde tafel gezeten, dezelfde stoelen gebruikt; op die canapé gelegen....”“Veel smaak hadden ze dan niet, als ze zoo’n omgeving verdragen konden.... We zijn nu veel te moe van ’t uitpakken, maar morgen moeten we hier ’s grondige opruiming houden, hoor!” en om te beginnen trok Else de anti-makassers van de canapé, spreidde ze met komische voorzichtigheid over haar knieën: “In de eerste plaats deze kunstwerken.”“Maar zou de juffrouw daar niet boos over zijn?” Go’s respect voor de hospita was zóó onbegrensd, dat iedere opdracht in haar mond tot ’n smeekbede werd, en ze niets zoozeer vreesde, als háár te mishagen.“Maar Go, ’t zijn toch ónze kamers. Bovendien verslijten haar bullen dan niet, kan ze alles weer als nieuw ophangen voor onzen opvolger. We zullen morgen heel wat moeten koopen om de kamers wat dragelijk te maken.—Gelukkig heeft vader ons carte blanche gegeven.”Ja, maar je moet niet overdrijven, Elsi. Ik vind ’t niet prettig in zoo’n weelde te zitten, als ze thuis eigenlijk....”“Egoïst,” hield Else zich boos. “Of ik ’t prettig vind in ’n schunnig boeltje te zitten, komt er niet op aan, hè?”Go voelde haar oogen warm worden, toen ze opstond; ze ging aan ’t voeteneinde van de canapé zitten, legde haar hand over Else’s handen: “Wat kennen we elkaar eigenlijk nog weinig, hè! En nu zijn we opeens samen ’n huishouden. Ik hoop zoo, dat ’t goed gaan zal; ik zal m’n best doen.”Else hield niet van scènes, was ’t ook niet gewoon. Dat je uiterlijk nooit moet laten blijken, wat je innerlijk voelt, had ze van klein kind af, veel onder vreemden, geleerd. Ze maakte haar handen zachtjes los en stond op: “’t Zal wel wennen,” zei ze eenvoudig, “de eerste dagen is alles vreemd. Kom, laten we ’t licht opsteken en de gordijnen dicht doen.”“Ja, ik wou nog naar huis schrijven,” zei Go week en ze keek naar haar schrijftafel waar—’t eenige hoekje, dat al in orde was—de portretten van vader en moeder en al de broertjes en zusjes stonden.“Ik ook, en dan gaan we slapen,” besloot Else.
Else lag achterover op het “bakbeest van ’n canapé”, en speelde peinzend met haar dunne vingers in de gaatjes van een der gehaakte ster-antimakassers, die de juffrouw ter versiering aan de twee hoeken, en in ’t midden op het rood-satijnen kussen bevestigd had. Margo zat op den grond, leunde ’t hoofd tegen de houten lambriseering, beenen recht-uit gestrekt van over-moeheid. Zoo keken ze samen zwijgend de schemerende kamer in, terwijl ook van buiten geen geluid hun stemming breken kwam.
Het oudste dochtertje van de juffrouw had, nerveus-onhandig om de nieuwigheid—ze hadden nog altijd heeren op kamers gehad, dames nooit—zooeven de tafel afgenomen, en na veel gerammel van glazen en vorken de servetten en ’t laken in de ouderwetsche bonheur du jour geborgen. Nu lag de groote tafel, zonder kleed, ongezellig te glanzen in ’t grijze licht, de vier stoelen, netjes recht er onder geschoven, gaven ’n onaangenamen indruk van onbewoondheid, nog vergroot door de vochtige lucht, die in de kamer hing van ’t lang gesloten zijn geweest. Want toen ze ’n middagin Augustus—Go en Else en Else’s Vader en Moeder—na den heelen warmen, zonnigen dag de stad in alle richtingen doorkruist te hebben, met stijve halzen van ’t opkijken naar de huurbordjes, en doove beenen van ’t trappen klimmen—eindelijk op het stille grachtje waren gekomen, bij het oude, hooge huis, toen waren alle groene blinden toe geweest, en de juffrouw had verzekerd, dat ze ze toe hield, tot ze kwamen, “om ’t verschieten ziet u, dames.” En ofschoon de groenig-trijpen stoelen den goeden zorgen geen eer aandeden, het weeïge vochtluchtje, dat vooral uit de hoeken en kasten opsteeg, gaf het bewijs, dat ze woord had gehouden.
Al was de herfstavond frisch, Go had toch beide ramen ’n eindje opengezet en de wind deed de groene overgordijnen zachtjes bewegen. Uit zuinigheid, zonder nog eenig idee te hebben, wát alles kostte, hadden ze geen licht aangestoken, omdat je in ’t donker evengoed uitrusten kon, en, dicht bij elkaar, maar, ofschoon nichtjes, vreemd voor elkaars gedachten, doorleefden ze ieder-voor-zich den voorbijen dag, den eersten van hun nieuwe zelfstandige leven.
Voor Else, die veel gereisd had en veel uit was geweest—eenig dochtertje van rijke, in-weelde-levende ouders—had de nieuwe omgeving meer iets grappigs om de burgerlijkheid van deze huurkamer, dan dat ze zich hevig door de verandering voelde geschokt. Besloten om te studeeren, omdat ’t haar wel ’n aardig leventje leek en ze ’n helder hoofd had, wetend, dat ze ophouden kon, zoodra ’t haar niet beviel, voelde ze zich in het oude huis, als in ’n vreemd pension, waar ze eerst even moest wennen, dachtverder gewoon door aan haar leventje in Den Haag, waar ze zich zoo dichtbij wist, waar ze bij bleef behooren, al was ze volgens ’t verhuisbiljet nu ook inwoonster van Leiden geworden.
Voor Go was ’t alles zoo anders, zooveel ingrijpender in haar leven. Zij was de oudste van ’n groot gezin, waarvan ieder zich-zelf ’n weg zou moeten banen, en de jaren op ’t gymnasium had ze gewerkt en geleerd om toch eenmaal hiér te kunnen komen. Daarvan had ze alles en alles verwacht, en ’t had haar vaak zóó heerlijk geschenen, dat ze dacht, ’t wel nooit te zullen bereiken: heelemaal vrij zijn, jong onder jongen, studeerend onder studeerenden, die allemaal ’t zelfde wilden, ’t zelfde zochten; en dan: àlle bronnen van geleerdheid voor haar open; college-kunnen-loopen, bij wie ze maar wilde, àlles, wat haar interesseerde, kunnen volgen.
Toen was ze geslaagd voor haar eindexamen, en ’n zonnigen ochtend naar Den Haag gespoord; daar waren Oom en Tante en Else in de coupé gekomen en met hun vieren waren ze naar Leiden getrokken om “kamers te zien”. Oom en Tante vonden goed, dat Else, die wel wat àl te verwend was, met Go zou samenwonen, omdat deze zooveel minder behoeften kende, terwijl ze er op aandrongen beiden hetzelfde zakgeld te mogen geven.
Maar Go was zéker geweest, dat er in heel Leiden geen kamers voor hen te krijgen zouden zijn, en toen eindelijk ’n geschikt verblijf gevonden en alles afgesproken was, dacht ze nog: “Maar er komt natuurlijk wat tusschen, het kàn niet, het kàn niet, ’t zou te heerlijk zijn.”
Tot ze dien ochtend wakker was geworden,en op eens rechtop in bed had gezeten en geweten had: dat ’t zoo wàs.
Toen had ze zich nerveus-vlug aangekleed, in ’t koele, vreemde licht, plots niet blij meer, maar báng voor de vervulling van haar hevig wenschen. En beneden was alles ook ongewoon en plechtig geweest: de kinderen waren al binnen en stiller en liever dan gewoonlijk. Vader had er zoo ernstig uitgezien, of hij haar nog veel goeie raad wilde meegeven, maar hij had niets gezegd; en moeder liep al maar heen en weer om allerlei kleinigheden nog in haar handkoffertje te pakken: “Kijk, Go, je overschoenen—en hier ’n pak chocolaad, ook voor Elsi—en je staalpillen; vergeet vooral niet ze in te nemen, kind”,—Marietje had boterhammen gesneden; die werd nu de oudste; zij was de eerste, die de wereld in-ging.
En al zei ze zich telkens, dat ’t onzin was, al die plechtigheid en droefheid; en al noemde ze zich zelf de dwaaste van allen, toen ze, wild-snikkend, haar zakdoek tusschen de tanden geklemd, in den lichten ochtend naar ’t station liep, telkens weer opnieuw uitbarstend, als ze zich ’t bleek-vertrokken moedergezicht voorstelde, dat toch flink kijken wilde, de bevende lippen, de oogen, die lachten en vol tranen liepen—m’n hemel, ze kwam toch Vrijdag weer thuis; wat was nou ’n afscheid van vijf dagen—tóch voelde ze: dit was het uitgaan uit ’t ouderlijk huis, ’n periode lag achter haar, afgesloten, waarin ze veel liefs en vertrouwelijks liet. Moeder en Vader en de kinderen bleven bij elkaar: het gezin; zij begon ’t nieuwe, onbekende leven, alleen.
En dát gevoel—dat de komende jaren overhaar heele toekomst beslissen zouden, dat haar “leven” in de kleine, onbekende stad zou worden gemáákt,—had ze weer en sterker gehad, toen Else en zij samen uit ’t station waren gekomen, en even stil waren blijven staan, koffer-beladen, om te kijken, naar wat haar nog heelemaal vreemd was. Dat oogenblik stond in haar hoofd gebrand, als iets, dat nooit vergeten kán worden: “hier wacht me het groote geluk of ’t groote verdriet.”
Toen waren ze, onzeker van den weg, hier en daar kamers herkennende, die ze hadden “gezien”, naar hun eigen tehuis gesjouwd, waar de groote koffers met kleeren en kamer-versieringen, de meeste van Else, hun al te wachten stonden; en den heelen dag hadden ze niets gedaan dan bukken, lichten, heen en weer loopen van kamer tot kamer, telkens zich weer vergissend met de deur, struikelend over de ongelijke traptreden. Nu konden ze niet meer, óp van inspanning en emotie, en in de steeds meer donkerende kamer, waarin ’n lantaarn wat lichtglans wierp, zaten ze zonder bewegen.
“Zeg”, zei Else eindelijk droomerig, met ’n langen zucht, “ben je wakker, Go?”
“Ja, en ook wel ’n beetje uitgerust.”
“Weet je, waar ik zoo aan lig te denken? Wat die laatste student, die hier gewoond heeft, voor ’h man zou zijn geweest.”
“De juffrouw zei: ’n volmaakte, keurige, knappe, aardige meneer.—Maar dat zijn alle meneeren in de oogen van hun juffrouwen. Pa zegt: “de “meneer” is ’t ideaal van z’n ploerterij.” Bovendien weet je, dat hij bretels droeg, en wit-beenen overhemdknoopjes.”
Else lachte, en zette zich een beetje rechtop:“Hoe mal eigenlijk, dat de juffrouw al dien tijd nooit in de waschtafella gekeken heeft, wie weet, wat we nog meer van onzen voorganger vinden, behalve die toiletartikelen, vanmiddag.”
Ze zwegen even: toen zei ze langzaam:
“Ik vind ’t zoo’n vreemd idee, hè, al die jongens, die hier al hebben gewoond en geleefd.... ze verhuren wel al vijf-en-twintig jaar, zei de juffrouw, éérst ’r moeder, nu zij.”
“Ja, en de eene “meneer” is nu dominee, en de ander gesjeesd, en nog ’n ander misschien minister.... en....”
“En wij, over een jaar of acht?” peinsde Else; maar Go wilde ontvluchten ’t angstgevoel voor ’t onbekende; fantaseerde door: “ze hebben allemaal aan dezelfde tafel gezeten, dezelfde stoelen gebruikt; op die canapé gelegen....”
“Veel smaak hadden ze dan niet, als ze zoo’n omgeving verdragen konden.... We zijn nu veel te moe van ’t uitpakken, maar morgen moeten we hier ’s grondige opruiming houden, hoor!” en om te beginnen trok Else de anti-makassers van de canapé, spreidde ze met komische voorzichtigheid over haar knieën: “In de eerste plaats deze kunstwerken.”
“Maar zou de juffrouw daar niet boos over zijn?” Go’s respect voor de hospita was zóó onbegrensd, dat iedere opdracht in haar mond tot ’n smeekbede werd, en ze niets zoozeer vreesde, als háár te mishagen.
“Maar Go, ’t zijn toch ónze kamers. Bovendien verslijten haar bullen dan niet, kan ze alles weer als nieuw ophangen voor onzen opvolger. We zullen morgen heel wat moeten koopen om de kamers wat dragelijk te maken.—Gelukkig heeft vader ons carte blanche gegeven.”
Ja, maar je moet niet overdrijven, Elsi. Ik vind ’t niet prettig in zoo’n weelde te zitten, als ze thuis eigenlijk....”
“Egoïst,” hield Else zich boos. “Of ik ’t prettig vind in ’n schunnig boeltje te zitten, komt er niet op aan, hè?”
Go voelde haar oogen warm worden, toen ze opstond; ze ging aan ’t voeteneinde van de canapé zitten, legde haar hand over Else’s handen: “Wat kennen we elkaar eigenlijk nog weinig, hè! En nu zijn we opeens samen ’n huishouden. Ik hoop zoo, dat ’t goed gaan zal; ik zal m’n best doen.”
Else hield niet van scènes, was ’t ook niet gewoon. Dat je uiterlijk nooit moet laten blijken, wat je innerlijk voelt, had ze van klein kind af, veel onder vreemden, geleerd. Ze maakte haar handen zachtjes los en stond op: “’t Zal wel wennen,” zei ze eenvoudig, “de eerste dagen is alles vreemd. Kom, laten we ’t licht opsteken en de gordijnen dicht doen.”
“Ja, ik wou nog naar huis schrijven,” zei Go week en ze keek naar haar schrijftafel waar—’t eenige hoekje, dat al in orde was—de portretten van vader en moeder en al de broertjes en zusjes stonden.
“Ik ook, en dan gaan we slapen,” besloot Else.
Hoofdstuk II.Dien dag onder ’t eten hadden ze bijna geen oogenblik rust gehad: den heelen ochtend en middag hadden ze inkoopen gedaan, vooral voor Go’s kamer; want toen Else al haar rijkdommen had uitgestald, stak de andere kamer daar treurig bij af, en dat kon Else niet hebben. Overal hadden ze toen rondgezocht om heel veel moois bij elkaar te krijgen: kussens voor de canapé, ’n tafelkleed, ’n theetafel, sarongs, ’n kachelscherm, stijlvolle stoelen—en telkens bij ’t uitgaan van den winkel had Else gezegd: “Stuurt u er dan mee—om ’n uur of vijf; dan zijn we thuis; mèt de kwitantie.”Nu leek ’t ’n lawine, en de juffrouw had er even over gedacht om boos te worden over “dat eeuwige gebel.” Maar juist had Else toen háár raad bij ’t kiezen van ’n klokje ingeroepen, en—gevleid—was ze toen mee vroolijk gaan doen, zette telkens ’n gezicht, of ’t háár geschenk was, wanneer ze weer iets binnenbracht met grapjes van: “Gunst, ’t lijkt heusch wel Sinterklaas.” “Wanneer zouën ze nou’s wat voor mijn brenge?” “Mevróuw Gerzon; dat moet zeker ù verbeele...”Else had gebloosd, toen ze ’t geld neerlegde, en ’n beetje strak gezegd, strakker dan Go ooit zou kunnen of durven: “Wilt u na ’t eten deze stoelen maar meenemen, juffrouw? U kunt ze misschien ergens anders gebruiken. We hebben liever onze eigen meubelen.”“Zeg,” had Go angstig gefluisterd, toen de versmade stoelen harder, dan wel noodig was, in de gang werden neergezet, met stooten tegen de deurposten. “Zeg, Elsi; ik geloof, dat je ’r boos hebt gemaakt.”Dat had haar even de vreugde over haar nieuwe schatten bedorven; maar toen ’t stil was geworden in de gang—de juffrouw was zwaar-langzaam de trap opgestommeld—en ze al ’t mooie om haar heen had zien liggen, wachtend om opgehangen en geschikt te worden, had ze, in ’n overstelpende blijdschap, Else opeens om ’t middel gepakt, en als dol hadden ze samen de ontredderde kamer doorgedanst, onder zachte kreetjes van verrukking.Toen waren ze aan ’t werk getrokken, grondig en met toewijding: “al duurt ’t tot twee uur in den nacht, we zullen eerst alles in orde maken,” had Else gezegd; en die stond nu op de schrijftafel, die met veel moeite naar den schoorsteen gesjouwd was, sarongs om den ouden spiegel te drapeeren, terwijl Go op den grond zat, omringd door ’n muur van laden, die ze uit alle kamers bij elkaar hadden gehaald, om ze van kastepapier te voorzien.De canapé hadden ze voor de deur geschoven, opdat ze geen onverwachten inval van de juffrouw behoefden te vreezen en volkomen zich aan hun werk zouden kunnen wijden. Else deed alles metschwung en gratie, liep telkens ’n endje op de schrijftafel achteruit om ’t effect van ’n draperie te zien, zuchtte alleen, als ze weer ’n spijker in ’t hout moest werken met ’t heft van ’n mes, want ze hadden de juffrouw geen hamer durven vragen.Go ging langzamer enconsciëntieuzerte werk; van elke la nam ze zorgvuldig met ’n centimeter de binnenmaat, zette deze uit op ’t papier, trok dan langs een liniaal de streep, waarlangs ze moest omvouwen.“Wat is er in ’n huishouden toch veel te doen, hè?” zei ze peinzend. “Als je nu alleen maar ’s rekent alle laden en kasten in ’n huis van papier voorzien, wat toch maar ’n zoo klein onderdeeltje is, dat ik er moeder nooit over heb hooren spreken.”“Ja,” antwoordde Else verstrooid, “denk je, dat ie zoo goed zit, zeg? Jij kunt er beter over oordeelen, van beneden af.”“Ja, ik vind ’t prachtig. Dat zal den spiegel opknappen, zoo’n omlijsting.”“Geef me dan die zwarte met bruin ’es aan.”Go zwierde de sarong door de lucht, die juist neerkwam over Else’s dik, blond haar: “Hè, waarachtig, ’t zou aardig staan, zoo’n doek over je hoofd; wat ’n kleuren toch, hè?” bewonderde ze zich in den spiegel.Daar werd geklopt.Go, die juist ’n streep trok, liet met ’n zenuwschok ’t potlood uit haar hand vallen; Else stond als verstard, de sarong beschermend tegen haar borst gedrukt.“De juffrouw,” bewogen Go’s lippen, zonder geluid te geven: ze zag zich al op straat gezet; de krassen, die Else’s hakken op de schrijftafel hadden gemaakt, dansten voor haar oogen.“Binnen,” klonk ’t toen, wanhoops-moedig.De deur werd langzaam opengewerkt, de canapé verschoof ’n endje; om den hoek kwam een lachend jongensgezicht, dat naar den chaos op tafel, de vreemde figuur in de hoogte, de ladenpyramide keek en toen verlegen begon: “O, excuseer, ik kom, geloof ik, niet erg gelegen....”Maar de beschermende vestingwerken stortten met donderend geweld ineen, Go viel met beide handen uitgestrekt over de canapé naar den weifelaar toe en jubelde in verrukking: “O, Han, ben jij ’t? Wat ben ik vreeselijk blij! We dachten, dat ’t de juffrouw was; kom toch binnen—hoe heerlijk—dat is Elsi, je kent ’er toch.... moeder’s nichtje.... m’n neef Henri.”“Niet zóó,” bracht Han in ’t midden, en nu brák de spanning: Else wierp de sarong af, liet zich neervallen op den schoorsteen en barstte in ’n onbedaarlijk lachen uit; Go liep heen en weer, van den eenen kant naar den anderen, telkens weer wat afgooiend, wat ’n nieuwe proestbui veroorzaakte, en Han, wat vaderlijk, want hij was al vierde-jaars, keek naar de uitgelaten, knappe, gezonde kinderen, zachtjes meelachend, en dan weer zeggend: “Maar bedaar toch; wat is er nu eigenlijk gebeurd? Wat voer jullie uit? Zal ik weggaan?”“Nee, nee,” schudde Go, “we zijn juist blij, dat je er bent.... maar we schrikten zoo vreeselijk; we dachten, dat ’t de juffrouw was.... wat zou die wel gezegd hebben!”“Maar m’n hemel: de ploerterij! Wat komt dat er nou op aan!” vroeg Han, die nog altijd de “clou” niet begreep.“Elsi heeft krassen gemaakt in haar tafel, enwe willen haar boeltje er uit hebben, en alles veranderen.”“Mag ik dan misschien meehelpen?” bood Han aan, z’n handschoenen uittrekkend. “Als u van die hoogte afkomen wilde, juffrouw Gerzon, zou ik den spiegel kunnen drapeeren. Dat is geen werk voor meisjeshanden.”“O, dol, ja,” zei Go, “als jij helpt, zal ’t opschieten.... maar vin-je ’t niet vervelend? Dat je nu net zoo’n rommel treft....”“Ik vind ’t prettig, wezenlijk,” en hij hielp Else voorzichtig naar beneden, “dan dien ik toch nog ’s ergens voor.”“Maar hoe kom je hier? Hoe wist je ons adres?” Go had zich nooit zoo heel veel aan dien neef gelegen laten liggen, had ’m fattig gevonden en blasé. Nu, hier, in deze stad van louter vreemde menschen, voelde ze ’n innige vriendschap, ’n groote dankbaarheid voor z’n hartelijkheid. Hij bracht haar in herinnering de familieavondjes thuis, bij verjaardagen in het ouderwetsche salon, met de piano in den hoek; hij stond in verband met het lieve, vertrouwde leven, dat ze nu verlaten had.“Moeder schreef me, dat je vader bij hen was geweest, en je adres had opgegeven.—Ze vroeg of ’k eens wilde gaan kijken, hoe je ’t maakte....”“Schrijf niks van den rommel,” lachte Go, “want dan rijzen m’n keurige moesje de haren te berge.”“Ik zal hun vertellen, hoe je kamer er uitziet, als ze in orde is.”Go was nu klaargekomen met de laden, en zat ringetjes aan de tochtdekens te naaien. Else schikte beukeblaren en Judaspenningen in de vazen, legdekleedjes over de kleine tafeltjes, stil-gracieus in haar bewegingen, met ’n verhoogde kleur van opwinding. Ze hield anders niet van de familie van Go’s vader, ’t waren burgerlijke, stijve menschen, waar ze niet mee opschieten kon, maar déze neef was aardig, ’n gentleman, nette manieren, aangenaam uiterlijk; z’n stem zelfs iets geaffecteerd, maar prettig om naar te luisteren, en hij praatte zoo makkelijk....“Toen ’k de juffrouw naar m’n nichtje vroeg, zei ze dadelijk, dat ik maar door moest gaan.... daardoor kwam ’k zoo binnenvallen....”“We kennen nog heelemaal niemand hier, daarom is ’t zoo heerlijk ’n bekend gezicht,” zei Go.“Maar je hebt toch wel al college gehad.... letteren, hè?... ja, ik ken bijna alleen juristen—maar hoe bevallen je de menschen? En de proffen?”“Och, van de studie kan ik natuurlijk nog niets zeggen.”“’t Eerste jaar niet,” onderbrak hij.“Maar de omgeving, de menschen vallen me vreeselijk tegen.... Ik had me altijd voorgesteld ’n groote, hooge, witte zaal met oploopende banken, en de professor op ’n soort preekstoel....en dan heel veel beschaafde heeren, en ’n enkel meisje, die allemaal zaten te luisteren....”“En luisteren ze niet?”“Ik heb ’t eerste college níet kunnen luisteren van de teleurstelling.... daar zaten we in ’n gewone leelijke kamer, met gebloemd behangselpapier, allemaal aantafeltjesmet stoelen....onnoemlijk veel meisjes, en wat schunnige jongetjes....”“Ja, letteren hebben in de Kloksteeg....maar u studeert rechten, is ’t niet juffrouw Gerzon; u bent dus in de universiteit.”“Ja, en die is wel mooi.... ik vind ’t binnenkomen er altijd prettig: zoo koel en zoo rustig.”“Ik denk, dat u wel gauw ’t buiten-komen nóg prettiger zult vinden.... Ach ja, ’t blijft ’n school, alleen met gróóte kinderen.”“Maar ieder studeert nu toch z’n lievelingsvak,” wierp Go tegen. “Dat is op school heel anders; daar moeten talen-menschen wiskunde leeren, en wiskunde-hoofden worden met talen volgepropt. Hier kies je zelf. Nee, ik verheug er me wel op....”“Jeugdig enthousiasme hoor,” zei Han, de schrijftafel op z’n plaats sjouwend. Je blijft hier net zoo goed gedwongen allerlei dingen te leeren, die je niet schelen kunnen, als vroeger.... Kijk: ik verlang advocaat te worden, met hart en ziel.... ik vind ’t iets prachtigs. En toch zijn er colleges, die ’k graag met tien spiegel-draperieën af zou koopen.”“Hij is beeldig,” bewonderde Else. “Nu is ’t heusch in orde.”“Heb je ooit zoo’n pracht van ’n kamer gezien!” riep Go, terwijl Else voorzichtig ’n paar beeldjes en vaasjes van de juffrouw in de gang zette, meteen ’t oudste meisje opdragend “’n ons lekkere koekjes” te halen.“Nu krijg je voor belooning, wat thee en gezelligheid,” praatte Go door, “je bent onze eerste gast.”En toen Else, even later, rondging met de koekjes op ’n mooi kristallen schaaltje uitgespreid, voelde ze voor ’t eerst de aangename emotie van het zelf-ontvangen in eigen huishouden.
Dien dag onder ’t eten hadden ze bijna geen oogenblik rust gehad: den heelen ochtend en middag hadden ze inkoopen gedaan, vooral voor Go’s kamer; want toen Else al haar rijkdommen had uitgestald, stak de andere kamer daar treurig bij af, en dat kon Else niet hebben. Overal hadden ze toen rondgezocht om heel veel moois bij elkaar te krijgen: kussens voor de canapé, ’n tafelkleed, ’n theetafel, sarongs, ’n kachelscherm, stijlvolle stoelen—en telkens bij ’t uitgaan van den winkel had Else gezegd: “Stuurt u er dan mee—om ’n uur of vijf; dan zijn we thuis; mèt de kwitantie.”
Nu leek ’t ’n lawine, en de juffrouw had er even over gedacht om boos te worden over “dat eeuwige gebel.” Maar juist had Else toen háár raad bij ’t kiezen van ’n klokje ingeroepen, en—gevleid—was ze toen mee vroolijk gaan doen, zette telkens ’n gezicht, of ’t háár geschenk was, wanneer ze weer iets binnenbracht met grapjes van: “Gunst, ’t lijkt heusch wel Sinterklaas.” “Wanneer zouën ze nou’s wat voor mijn brenge?” “Mevróuw Gerzon; dat moet zeker ù verbeele...”
Else had gebloosd, toen ze ’t geld neerlegde, en ’n beetje strak gezegd, strakker dan Go ooit zou kunnen of durven: “Wilt u na ’t eten deze stoelen maar meenemen, juffrouw? U kunt ze misschien ergens anders gebruiken. We hebben liever onze eigen meubelen.”
“Zeg,” had Go angstig gefluisterd, toen de versmade stoelen harder, dan wel noodig was, in de gang werden neergezet, met stooten tegen de deurposten. “Zeg, Elsi; ik geloof, dat je ’r boos hebt gemaakt.”
Dat had haar even de vreugde over haar nieuwe schatten bedorven; maar toen ’t stil was geworden in de gang—de juffrouw was zwaar-langzaam de trap opgestommeld—en ze al ’t mooie om haar heen had zien liggen, wachtend om opgehangen en geschikt te worden, had ze, in ’n overstelpende blijdschap, Else opeens om ’t middel gepakt, en als dol hadden ze samen de ontredderde kamer doorgedanst, onder zachte kreetjes van verrukking.
Toen waren ze aan ’t werk getrokken, grondig en met toewijding: “al duurt ’t tot twee uur in den nacht, we zullen eerst alles in orde maken,” had Else gezegd; en die stond nu op de schrijftafel, die met veel moeite naar den schoorsteen gesjouwd was, sarongs om den ouden spiegel te drapeeren, terwijl Go op den grond zat, omringd door ’n muur van laden, die ze uit alle kamers bij elkaar hadden gehaald, om ze van kastepapier te voorzien.
De canapé hadden ze voor de deur geschoven, opdat ze geen onverwachten inval van de juffrouw behoefden te vreezen en volkomen zich aan hun werk zouden kunnen wijden. Else deed alles metschwung en gratie, liep telkens ’n endje op de schrijftafel achteruit om ’t effect van ’n draperie te zien, zuchtte alleen, als ze weer ’n spijker in ’t hout moest werken met ’t heft van ’n mes, want ze hadden de juffrouw geen hamer durven vragen.
Go ging langzamer enconsciëntieuzerte werk; van elke la nam ze zorgvuldig met ’n centimeter de binnenmaat, zette deze uit op ’t papier, trok dan langs een liniaal de streep, waarlangs ze moest omvouwen.
“Wat is er in ’n huishouden toch veel te doen, hè?” zei ze peinzend. “Als je nu alleen maar ’s rekent alle laden en kasten in ’n huis van papier voorzien, wat toch maar ’n zoo klein onderdeeltje is, dat ik er moeder nooit over heb hooren spreken.”
“Ja,” antwoordde Else verstrooid, “denk je, dat ie zoo goed zit, zeg? Jij kunt er beter over oordeelen, van beneden af.”
“Ja, ik vind ’t prachtig. Dat zal den spiegel opknappen, zoo’n omlijsting.”
“Geef me dan die zwarte met bruin ’es aan.”
Go zwierde de sarong door de lucht, die juist neerkwam over Else’s dik, blond haar: “Hè, waarachtig, ’t zou aardig staan, zoo’n doek over je hoofd; wat ’n kleuren toch, hè?” bewonderde ze zich in den spiegel.
Daar werd geklopt.
Go, die juist ’n streep trok, liet met ’n zenuwschok ’t potlood uit haar hand vallen; Else stond als verstard, de sarong beschermend tegen haar borst gedrukt.
“De juffrouw,” bewogen Go’s lippen, zonder geluid te geven: ze zag zich al op straat gezet; de krassen, die Else’s hakken op de schrijftafel hadden gemaakt, dansten voor haar oogen.
“Binnen,” klonk ’t toen, wanhoops-moedig.
De deur werd langzaam opengewerkt, de canapé verschoof ’n endje; om den hoek kwam een lachend jongensgezicht, dat naar den chaos op tafel, de vreemde figuur in de hoogte, de ladenpyramide keek en toen verlegen begon: “O, excuseer, ik kom, geloof ik, niet erg gelegen....”
Maar de beschermende vestingwerken stortten met donderend geweld ineen, Go viel met beide handen uitgestrekt over de canapé naar den weifelaar toe en jubelde in verrukking: “O, Han, ben jij ’t? Wat ben ik vreeselijk blij! We dachten, dat ’t de juffrouw was; kom toch binnen—hoe heerlijk—dat is Elsi, je kent ’er toch.... moeder’s nichtje.... m’n neef Henri.”
“Niet zóó,” bracht Han in ’t midden, en nu brák de spanning: Else wierp de sarong af, liet zich neervallen op den schoorsteen en barstte in ’n onbedaarlijk lachen uit; Go liep heen en weer, van den eenen kant naar den anderen, telkens weer wat afgooiend, wat ’n nieuwe proestbui veroorzaakte, en Han, wat vaderlijk, want hij was al vierde-jaars, keek naar de uitgelaten, knappe, gezonde kinderen, zachtjes meelachend, en dan weer zeggend: “Maar bedaar toch; wat is er nu eigenlijk gebeurd? Wat voer jullie uit? Zal ik weggaan?”
“Nee, nee,” schudde Go, “we zijn juist blij, dat je er bent.... maar we schrikten zoo vreeselijk; we dachten, dat ’t de juffrouw was.... wat zou die wel gezegd hebben!”
“Maar m’n hemel: de ploerterij! Wat komt dat er nou op aan!” vroeg Han, die nog altijd de “clou” niet begreep.
“Elsi heeft krassen gemaakt in haar tafel, enwe willen haar boeltje er uit hebben, en alles veranderen.”
“Mag ik dan misschien meehelpen?” bood Han aan, z’n handschoenen uittrekkend. “Als u van die hoogte afkomen wilde, juffrouw Gerzon, zou ik den spiegel kunnen drapeeren. Dat is geen werk voor meisjeshanden.”
“O, dol, ja,” zei Go, “als jij helpt, zal ’t opschieten.... maar vin-je ’t niet vervelend? Dat je nu net zoo’n rommel treft....”
“Ik vind ’t prettig, wezenlijk,” en hij hielp Else voorzichtig naar beneden, “dan dien ik toch nog ’s ergens voor.”
“Maar hoe kom je hier? Hoe wist je ons adres?” Go had zich nooit zoo heel veel aan dien neef gelegen laten liggen, had ’m fattig gevonden en blasé. Nu, hier, in deze stad van louter vreemde menschen, voelde ze ’n innige vriendschap, ’n groote dankbaarheid voor z’n hartelijkheid. Hij bracht haar in herinnering de familieavondjes thuis, bij verjaardagen in het ouderwetsche salon, met de piano in den hoek; hij stond in verband met het lieve, vertrouwde leven, dat ze nu verlaten had.
“Moeder schreef me, dat je vader bij hen was geweest, en je adres had opgegeven.—Ze vroeg of ’k eens wilde gaan kijken, hoe je ’t maakte....”
“Schrijf niks van den rommel,” lachte Go, “want dan rijzen m’n keurige moesje de haren te berge.”
“Ik zal hun vertellen, hoe je kamer er uitziet, als ze in orde is.”
Go was nu klaargekomen met de laden, en zat ringetjes aan de tochtdekens te naaien. Else schikte beukeblaren en Judaspenningen in de vazen, legdekleedjes over de kleine tafeltjes, stil-gracieus in haar bewegingen, met ’n verhoogde kleur van opwinding. Ze hield anders niet van de familie van Go’s vader, ’t waren burgerlijke, stijve menschen, waar ze niet mee opschieten kon, maar déze neef was aardig, ’n gentleman, nette manieren, aangenaam uiterlijk; z’n stem zelfs iets geaffecteerd, maar prettig om naar te luisteren, en hij praatte zoo makkelijk....
“Toen ’k de juffrouw naar m’n nichtje vroeg, zei ze dadelijk, dat ik maar door moest gaan.... daardoor kwam ’k zoo binnenvallen....”
“We kennen nog heelemaal niemand hier, daarom is ’t zoo heerlijk ’n bekend gezicht,” zei Go.
“Maar je hebt toch wel al college gehad.... letteren, hè?... ja, ik ken bijna alleen juristen—maar hoe bevallen je de menschen? En de proffen?”
“Och, van de studie kan ik natuurlijk nog niets zeggen.”
“’t Eerste jaar niet,” onderbrak hij.
“Maar de omgeving, de menschen vallen me vreeselijk tegen.... Ik had me altijd voorgesteld ’n groote, hooge, witte zaal met oploopende banken, en de professor op ’n soort preekstoel....en dan heel veel beschaafde heeren, en ’n enkel meisje, die allemaal zaten te luisteren....”
“En luisteren ze niet?”
“Ik heb ’t eerste college níet kunnen luisteren van de teleurstelling.... daar zaten we in ’n gewone leelijke kamer, met gebloemd behangselpapier, allemaal aantafeltjesmet stoelen....onnoemlijk veel meisjes, en wat schunnige jongetjes....”
“Ja, letteren hebben in de Kloksteeg....maar u studeert rechten, is ’t niet juffrouw Gerzon; u bent dus in de universiteit.”
“Ja, en die is wel mooi.... ik vind ’t binnenkomen er altijd prettig: zoo koel en zoo rustig.”
“Ik denk, dat u wel gauw ’t buiten-komen nóg prettiger zult vinden.... Ach ja, ’t blijft ’n school, alleen met gróóte kinderen.”
“Maar ieder studeert nu toch z’n lievelingsvak,” wierp Go tegen. “Dat is op school heel anders; daar moeten talen-menschen wiskunde leeren, en wiskunde-hoofden worden met talen volgepropt. Hier kies je zelf. Nee, ik verheug er me wel op....”
“Jeugdig enthousiasme hoor,” zei Han, de schrijftafel op z’n plaats sjouwend. Je blijft hier net zoo goed gedwongen allerlei dingen te leeren, die je niet schelen kunnen, als vroeger.... Kijk: ik verlang advocaat te worden, met hart en ziel.... ik vind ’t iets prachtigs. En toch zijn er colleges, die ’k graag met tien spiegel-draperieën af zou koopen.”
“Hij is beeldig,” bewonderde Else. “Nu is ’t heusch in orde.”
“Heb je ooit zoo’n pracht van ’n kamer gezien!” riep Go, terwijl Else voorzichtig ’n paar beeldjes en vaasjes van de juffrouw in de gang zette, meteen ’t oudste meisje opdragend “’n ons lekkere koekjes” te halen.
“Nu krijg je voor belooning, wat thee en gezelligheid,” praatte Go door, “je bent onze eerste gast.”
En toen Else, even later, rondging met de koekjes op ’n mooi kristallen schaaltje uitgespreid, voelde ze voor ’t eerst de aangename emotie van het zelf-ontvangen in eigen huishouden.
Hoofdstuk III.“Os en ui,” constateerde Go, die de schaaltjes geïnspecteerd had, zoodra de juffrouw de deur achter zich had gesloten.“Maar dat kan ik niet eten, die ellendige uien, en dat vleesch is zoo zwart en onsmakelijk, dat je al náár wordt van ’t zien: ’t is nu al de derde keer van de week, dat we dit menu krijgen!”“Nijdas,” plaagde Go, die, thuis gewend aan eenvoudig eten en met ’n nooit falenden, gezonden honger, onverschilliger op dit punt was. “U moet weten: denis hier anorganisch; Duitscheidachs.... heel interessant woord. Zie Franck of m’n dictaatcahier van dezen middag.”“Hou hier je goeje humeur maar ’s bij,” bromde Else nog, “als de kachel er niet was, waarachtig—ik zou wanhopig worden.”De troostende kachel was ’n gezellig open haardje, dat den vorigen Zaterdag, toen ze naar huis waren, was gezet. Else had er dadelijk groote beuken blokken voor besteld, en nu stond ’t te knetteren en te vlammen, dat ’t ’n lust was, alle muffe vochtigheid uit de kamer verdrijvend.“Zou je er niet bij gaan zitten?” vroeg Go na ’n poosje, toen Else met ’n somber gezicht ijsbeerenbleef van den eenen hoek van de kamer naar den anderen, telkens met afkeer ’n klein stukje vleesch of ’n schepje aardappel-met-ui van haar bord oppikkend.“Nee, voor zóó’n maaltijd niet,”—en toen schuivend met ’r pantoffeltjes over ’t zeil om de kachel—“voor ’t spatten van de vonken,” had de juffrouw gezegd—“da’s glad, zeg, zeker gewreven.” En ze gleed er langzaam overheen.“Hé...., leuk—laat ’s voelen,” en Go sprong op, al etende. “Lekker—laten we glijbaantje spelen, Elsi, dan smaakt ’t eten meteen beter.”“Jij niet met je laarzen; dat maakt krassen.”“Nee, ’k zal ze uitdoen.—Zoo, jij eerst.... neem ’n aanloop.”In ’n oogenblik waren ze er “in”: hun wangen begonnen te gloeien; lachend en jolig gleden ze dicht achter elkaar, vielen soms bijna, balanceerden langs den kachelgloed.“Dat zeil hoeft in weken niet gewreven te worden; wij politoeren het.”“Neem nog ’n stukje vleesch; dat vorige is al lang verteerd bij zooveel beweging.”“Verbeeld je toch, dat iemand ons zóó eens zag,” proestte Else ’t opeens uit, die in Den Haag altijd ’t keurigste dametje van de wereld was, en nu de neerzakkende haren vergeefs in de hoogte trachtte te houden.“En wat zouden ze thuis zeggen,” zei Go, ’n beetje peinzend, zich op ’t lage stoeltje neerlatend.Het verwonderde haar zelf, dat ze in ’n paar weken zich hier al zoo heelemaal ingeleefd voelde, zoo gewoon vertrouwelijk met Else en gewend aan hun levenswijze. Den eersten Vrijdag, dat ze naar huis was geweest, had ’t weerzien haar ’nhevige emotie gegeven; ze had ’t gevoel gehad, weken lang weg te zijn geweest, had druk van alles door elkaar verteld, zich vergissend met de dagen, alles dooreen haspelend, en al maar willen weten, wat thuis gebeurd was, niet kunnende begrijpen, dat alles z’n gewone gang bleef gaan—en ’s nachts was ze wakker geworden van moeder, die over haar heen gebogen stond en met zachte, innige zoenen haar kuste over haar heele gezicht...Maar dien tweeden Maandag was ’t afscheid heel rustig en veel minder pijnlijk geweest; de nieuwe dingen, de nieuwe menschen namen haar aandacht in beslag; alleen soms, in schemer, of ’s nachts, als ze in de groote, donkere kamer lag...“Zeg,” zei Else, de kammen in haar haar vaststekend, “ik heb nog honger. Wat hebben we nog in de kast?”“Kaakjes, maar die zijn oudbakken en vochtig.... en flikjes.”“We kunnen de kaakjes wel roosteren in de kachel.... op ’n vork—en de flikjes ook.”“Maar je schroeit van de hitte.” Go hield haar servet voor haar gezicht, de arm zoover mogelijk uitgestrekt. “Pas op, de jouwe valt.”“’t Smaakt lekker,” keurde Else, voorzichtig kleine hapjes nemend van de heete kaak; “een eigenaardig smaakje.... vanille of zoo, komt er aan.”“Maar we kunnen er toch ons maal niet mee doen,” zuchtte Go, ’n slap flikje in haar mond latend glijden. Ze zag purper van den gloed, en de zware, zwarte krullen, die uit haar kapsel springend over haar slapen hingen, wuifden heen en weer door de trilling van de heete lucht. “We lijken wezenlijk wel stokers—en de juffrouw zalniet begrijpen, wat ons bezielt. ’t Is al half zeven.”“Zeg, laten we naar Ceres gaan. ’t Is dichtbij.”“Ceres.... nou.... maar heb-je dan nog trek in boonen of zoo?”“Nee, ’n toespijs, ommelet of zoo iets.... Bij ons op college zijn er meisjes, die er altijd eten; ’t moet er goed zijn.”“Maar zou de juffrouw ’t niet gek vinden.... niets begrijpen....”“Maar m’n hemel, de ploerterij!” praatte Else Han na. “Kom, trek gauw je laarzen aan; ’t is niet ver.”Even later liepen ze samen op ’t donkere grachtje; ze waren nog nooit ’s avonds uit geweest, doorlevend als thuis, waar meisjes dat ook niet deden. Maar dien middag, geanimeerd door ’t uitgelaten spel, tintelend van levenslust en jeugd, proefden ze de zoetheid van hun heelemaal-vrij-zijn; en, Go’s arm grijpend in ’n warme verrukking, zei Else opeens: “Dol toch, hè, zoo saampjes; en te kunnen doen, wat je wilt.”Het was stil op straat, nog stiller dan gewoonlijk: de meeste menschen waren thuis, aan den maaltijd. Onder den lichten, ster-witten hemel stonden de kale boomen, waar nog slechts hier en daar ’n welkend blad aan hing, onbeweeglijk met uitgestrekte takken. De huizen waren dichte, doode dingen. Maar op ’t water, daar leefden rillend de lantaarnschijnsels en de roode lichten der booten; daar kwam ’n donkere, puffende motorboot langzaam doorheen hijgen, wegduikend onder ’t oude ophaalbrugje, dat tooverachtig lichtte tegen den donkeren huizenachtergrond.“Wat mooi,” zei Go zacht, “wat ’n beeldig oud grachtje!”Er kwam ’n jongen aan, rinkelend met z’n stok;’n paar huizen van haar af bleef hij staan, begon te fluiten; ’n verlicht raam werd opgeschoven, ’n jongensstem riep: “Hallo!”“Laat je de sleutel neer?”“Nee, kom maar boven, de deur staat aan.”“Daar woont ’n student,” zei Else, nog ’s even omkijkend, “’t is dicht bij ons.... dat was zeker hun clubfluitje, hè?”“Ja; wat klonk ’t leuk!”Ze waren nu bij ’t lichte huis op de Breestraat gekomen, gingen naar binnen, onzeker en ’n beetje verlegen. ’n Onaangename etenslucht kwam hun in de gang al in den neus: “Hier ook ui, hoor,” lachte Else. Maar ’t zaaltje binnen, vriendelijk met wit tafelgoed, bloemen en eenvoudige muurversieringen deed haar prettig aan, en ’t gedempte stemmengerucht gaf ’n warm gevoel van intimiteit.Terwijl ze ’n tafeltje zochten, fluisterde Else opeens blozend: “Kijk ’s; Han.”“Waar?” en Go wilde dadelijk op ’m afstappen, maar hij zat met ’n clubje vrienden, groette vormelijk-beleefd, waarna de anderen de hoofden tot ’m overbogen, zacht praatten, en daarna zijdelings naar hen bleven gluren.Ze bestelden een ommelet, maar hadden eigenlijk alleen belangstelling voor hun omgeving; overal zaten clubjes studenten te eten, niet met gezichten, zooals ze zich op college hielden, maar levendig en jolig, met klaterende lachbuien en doorklinkende uitroepen.“Wat zijn jongens toch leuk en gezellig met elkaar,” zuchtte Else, terwijl ze langzaam ’t hoofd van Han’s clubje afwendde. “Je kunt zoo zien: ze hebben allemaal aan zich-zelf genoeg.”“Nu, dat hebben wij toch óók wel; denk maar ’s aan die glijpartij.”“Ja,” peinsde Else, “zou Han hier altijd eten?”“’k Weet niet; misschien alleen in tijden van geldgebrek.”“’t Smaakt heel goed; we konden wel ’s meer hier gaan, hè?” vroeg Else, ’t hoofd dieper buigend, want eenige jongens waren opgestaan, fixeerden haar in ’t langs-gaan met bewonderende blikken. Go zag ’t, zei eenvoudig: “Die vinden je mooi, zeg, gaan bepaald informeeren, wie je bent,” en merkte niet, dat uit ’t andere zaaltje algemeen de aandacht werd gewijd aan háár sprekend, frisch gezicht, waarin de groote grijs-blauwe oogen levenslustig straalden.“Ze gaan weg,” zei Else zachtjes, de vork neerleggend. Maar nu kwam Han naar haar toe.“Eet u vandaag hier, dames?” vroeg hij verwonderd. “Heeft de juffrouw u dan tòch weggejaagd?”“Nee, alleen maar op rantsoen gesteld,” lachte Else, “we hadden nog honger, en zijn daarom nog even ’n ommelet komen eten.”“O, dus u bent al klaar; ’n paar vrienden van me wilden graag aan u voorgesteld worden, ook om ’n verzoek.... zoudt u dat goed vinden?”“Uitstekend,” zei Else verward, terwijl Go ging betalen.Even later stonden ze, allemaal ’n beetje verlegen, voor de stoep van Ceres, in ’n clubje.“Vinden jullie goed, als we ’n endje oploopen, dan praten we makkelijker,” zei Han, “nee, niet allemaal op ’n rijtje.” En hij ging met Else vooruit.“Heerlijk, de Breestraat bij avond,” zuchtte Go bewonderend. “Ik heb nooit ’n straat als de Breestraat gezien.... Dat is nu zoo iets, waar je altijdheelemaal in ’t midden moet loopen, met al die groote huizen aan twee kanten ver van je af.... dat geeft zoo’n koninklijk gevoel.”De blonde jongen naast haar—Leeden geloofde ze, dat Han zei—lachte met ’n kort, nerveus lachje. Hij had ’n forsche, hooge gestalte, en ’n stoere, rustige Germanekop, zooals ze zich altijd Ferdinand Huyck had voorgesteld; z’n oogen waren vriendelijk en open, al meende ze nu ook: “wat ’n echt kind” er in te lezen.“Het stadhuis is heel mooi, ’s avonds,” zei hij met z’n scherpe stem.“Het stadhuis, o, dat is heerlijk, en het carillon! Maar één ding heeft me vreeselijk teleurgesteld. U moet weten, Han had heel vroeger, toen hij pas hier was, me eens verteld, dat hier ’n torenwachter was, die ’s nachts om twaalf uur naar alle windhoeken op z’n hoorn blies; daar had ik me wonderen van voorgesteld.... Ik was toen pas op ’t gymnasium, maar altijd als ik aan Leiden dacht, kwam die torenwachter er bij.... ik vond ’t zoo sprookjesachtig.... en ik was vast van plan één van de eerste nachten hier om twaalf uur op de Breestraat te gaan staan, om ’t te hooren.... En nu, toen ik hier kwam, hoorde ik, dat hij er niet meer was....”Aan haar anderen kant liepen ’n slanke, veerkrachtige jongen, dien de blonde: Elders noemde, en ’n smalle, zwak-uitziende droomer-figuur, die met z’n melancolieke oogen door z’n lorgnet haar, terwijl ze sprak, dwepend fixeerde.“Dat idealisme zal hier wel gauw vertrapt worden,” mompelde hij voor zich heen; waarna Elders, zonder zich aan zijn woorden te storen, levendig inviel:“Maar laten we nu tot ons eigenlijk doel komen en juffrouw Herderts vragen, wat ze van ons plan denkt. We zijn namelijk allen lid, Han is zelfs praeses van ’n letterkundige club: “Laborando vincimus.”“Het is geen faculteitsvereeniging,” vulde Leeden aan, “maar we trachten de superieure elementen uit alle faculteiten bij elkaar te brengen...”“Anders dan genieën worden er niet geduld,” verzekerde Elders.“Vooral ook, omdat de verschillende studierichtingen de zekerste waarborg zijn tegen eenzijdigheid,” ging de scherpe stem onverstoorbaar voort. “Er ontbreekt in onze vereeniging maar één ding.”“Een gróót ding,” zei de droomer.Go keek met haar groote oogen ze een voor een angstig aan; ze voelde ’t komen en was bang en gevleid.“We hebben geen meisjes.”“Ons ontbreekt de vrouw.”“Na elke vergadering moet de ploerterij ’n nieuw tafelkleed geven, zóó is er met bier en thee gemorst,” spotte Elders, maar Leeden schudde afkeurend ’t hoofd. “Daarom is ’t niet,” zei hij eenvoudig. “’t Is, omdat ’t dwaas en verkeerd is, zoo’n vereeniging alleen onder jongens te houden; omdat voor ons zeker, en we hopen ook voor de meisjes, ’t veel beter en prettiger zijn zou, wanneer we samen leerden werken.”“Col-laboratie,” vulde de in-zich-tevreden Elders aan.“Eén meisje, dat Hoefman kende,”—de dichterlijke droomer keek trotsch maar bescheiden—“heeft ’t lidmaatschap van ons dispuut willen aannemen;maar ik geloof zeker; ze vindt ’t niet prettig alleen te zijn, met acht jongens.... Nu heeft Herderts ons van u beiden verteld en wagen we u te vragen, of ’t u aangenaam zou zijn, als we u eens te hospiteeren vroegen, opdat we wederzijds beter kennis kunnen maken.”“Sprekend ’n huwelijksadvertentie,” bromde ’t weer aan den anderen kant.“En...” hij zweeg, keek Go even afwachtend aan: haar wangen waren blozend van opwinding en verlegenheid, en hakkelend begon ze:“Ik begrijp niet, hoe u op ’t idee van ons komt.... van Else wil ’k niets zeggen, maar ik heb heelemaal niets, geen talenten of zoo, en geen meeningen, en ik weet nergens iets van; u zou wezenlijk niets met me kunnen beginnen.”“U hebt vizie,” zei de droomer met ’n plechtige stem; waarop ze niets terugzeggen durfde.Maar Leeden lachte en trachtte te kalmeeren: “U stelt ’t u allemaal veel te erg voor. Natuurlijk streven we er ernstig naar, om iets te praesteeren, maar gewoonlijk komt er toch nog maar zoo weinig van terecht. En u denkt nu, dat u niets te zeggen zult hebben, maar u weet niet, hoe gauw dat oefent. En trouwens wij allemaal....”“Komen toch ook nog maar pas kijken.”“Jij tenminste, Hans,” viel Leeden licht-geërgerd uit. “U moet ook denken: hospiteeren is niet iets bindends; we kunnen kijken, hoe ’t gaat. Maar zeg dan, of u dat tenminste wilt probeeren.”“Ja graag, als Elsi ook wil,” zei Go dapper.“Daar zal Herderts wel voor zorgen. U krijgt dan nog ’n convocatie, wanneer de eerstvolgende vergadering is.”’n Half uurtje later kwamen ze stralend en opgewonden thuis. Else bleef in de gang haar handen wasschen, terwijl Go de deur van haar kamer openstootte. Het was er pik-donker. Ze waren met den sleutel binnengekomen, de juffrouw had ze niet gehoord, er was niemand, die verwelkomde, of helpen wilde. Ze was ’s avonds nog nooit uitgeweest, had heelemaal nog niet aan zoo’n thuiskomst gedacht. Tastend zocht ze op den schoorsteen naar lucifers, toen over de tafel—ze stootte tegen de pan met melk, die de juffrouw op ’n bord al voor haar neer had gezet: ’n plomp, gevoelloos ding.En opeens, in de hooge zenuwspanning van haar opwinding, zag ze, hoe ’t thuis altijd ’s avonds was, wanneer ze uit was geweest: de lichte gang, de lichte kamer, en moeder met ’t naaiwerk, die ’r zoende, en vroeg, of ’t prettig was geweest.En neerbonzend met haar hoofd op de tafel, barstte ze in een wild snikken uit.Zoo vond Else haar, die glunder kwam vertellen, dat Han en zij elkaar al bij den naam noemden.
“Os en ui,” constateerde Go, die de schaaltjes geïnspecteerd had, zoodra de juffrouw de deur achter zich had gesloten.
“Maar dat kan ik niet eten, die ellendige uien, en dat vleesch is zoo zwart en onsmakelijk, dat je al náár wordt van ’t zien: ’t is nu al de derde keer van de week, dat we dit menu krijgen!”
“Nijdas,” plaagde Go, die, thuis gewend aan eenvoudig eten en met ’n nooit falenden, gezonden honger, onverschilliger op dit punt was. “U moet weten: denis hier anorganisch; Duitscheidachs.... heel interessant woord. Zie Franck of m’n dictaatcahier van dezen middag.”
“Hou hier je goeje humeur maar ’s bij,” bromde Else nog, “als de kachel er niet was, waarachtig—ik zou wanhopig worden.”
De troostende kachel was ’n gezellig open haardje, dat den vorigen Zaterdag, toen ze naar huis waren, was gezet. Else had er dadelijk groote beuken blokken voor besteld, en nu stond ’t te knetteren en te vlammen, dat ’t ’n lust was, alle muffe vochtigheid uit de kamer verdrijvend.
“Zou je er niet bij gaan zitten?” vroeg Go na ’n poosje, toen Else met ’n somber gezicht ijsbeerenbleef van den eenen hoek van de kamer naar den anderen, telkens met afkeer ’n klein stukje vleesch of ’n schepje aardappel-met-ui van haar bord oppikkend.
“Nee, voor zóó’n maaltijd niet,”—en toen schuivend met ’r pantoffeltjes over ’t zeil om de kachel—“voor ’t spatten van de vonken,” had de juffrouw gezegd—“da’s glad, zeg, zeker gewreven.” En ze gleed er langzaam overheen.
“Hé...., leuk—laat ’s voelen,” en Go sprong op, al etende. “Lekker—laten we glijbaantje spelen, Elsi, dan smaakt ’t eten meteen beter.”
“Jij niet met je laarzen; dat maakt krassen.”
“Nee, ’k zal ze uitdoen.—Zoo, jij eerst.... neem ’n aanloop.”
In ’n oogenblik waren ze er “in”: hun wangen begonnen te gloeien; lachend en jolig gleden ze dicht achter elkaar, vielen soms bijna, balanceerden langs den kachelgloed.
“Dat zeil hoeft in weken niet gewreven te worden; wij politoeren het.”
“Neem nog ’n stukje vleesch; dat vorige is al lang verteerd bij zooveel beweging.”
“Verbeeld je toch, dat iemand ons zóó eens zag,” proestte Else ’t opeens uit, die in Den Haag altijd ’t keurigste dametje van de wereld was, en nu de neerzakkende haren vergeefs in de hoogte trachtte te houden.
“En wat zouden ze thuis zeggen,” zei Go, ’n beetje peinzend, zich op ’t lage stoeltje neerlatend.
Het verwonderde haar zelf, dat ze in ’n paar weken zich hier al zoo heelemaal ingeleefd voelde, zoo gewoon vertrouwelijk met Else en gewend aan hun levenswijze. Den eersten Vrijdag, dat ze naar huis was geweest, had ’t weerzien haar ’nhevige emotie gegeven; ze had ’t gevoel gehad, weken lang weg te zijn geweest, had druk van alles door elkaar verteld, zich vergissend met de dagen, alles dooreen haspelend, en al maar willen weten, wat thuis gebeurd was, niet kunnende begrijpen, dat alles z’n gewone gang bleef gaan—en ’s nachts was ze wakker geworden van moeder, die over haar heen gebogen stond en met zachte, innige zoenen haar kuste over haar heele gezicht...
Maar dien tweeden Maandag was ’t afscheid heel rustig en veel minder pijnlijk geweest; de nieuwe dingen, de nieuwe menschen namen haar aandacht in beslag; alleen soms, in schemer, of ’s nachts, als ze in de groote, donkere kamer lag...
“Zeg,” zei Else, de kammen in haar haar vaststekend, “ik heb nog honger. Wat hebben we nog in de kast?”
“Kaakjes, maar die zijn oudbakken en vochtig.... en flikjes.”
“We kunnen de kaakjes wel roosteren in de kachel.... op ’n vork—en de flikjes ook.”
“Maar je schroeit van de hitte.” Go hield haar servet voor haar gezicht, de arm zoover mogelijk uitgestrekt. “Pas op, de jouwe valt.”
“’t Smaakt lekker,” keurde Else, voorzichtig kleine hapjes nemend van de heete kaak; “een eigenaardig smaakje.... vanille of zoo, komt er aan.”
“Maar we kunnen er toch ons maal niet mee doen,” zuchtte Go, ’n slap flikje in haar mond latend glijden. Ze zag purper van den gloed, en de zware, zwarte krullen, die uit haar kapsel springend over haar slapen hingen, wuifden heen en weer door de trilling van de heete lucht. “We lijken wezenlijk wel stokers—en de juffrouw zalniet begrijpen, wat ons bezielt. ’t Is al half zeven.”
“Zeg, laten we naar Ceres gaan. ’t Is dichtbij.”
“Ceres.... nou.... maar heb-je dan nog trek in boonen of zoo?”
“Nee, ’n toespijs, ommelet of zoo iets.... Bij ons op college zijn er meisjes, die er altijd eten; ’t moet er goed zijn.”
“Maar zou de juffrouw ’t niet gek vinden.... niets begrijpen....”
“Maar m’n hemel, de ploerterij!” praatte Else Han na. “Kom, trek gauw je laarzen aan; ’t is niet ver.”
Even later liepen ze samen op ’t donkere grachtje; ze waren nog nooit ’s avonds uit geweest, doorlevend als thuis, waar meisjes dat ook niet deden. Maar dien middag, geanimeerd door ’t uitgelaten spel, tintelend van levenslust en jeugd, proefden ze de zoetheid van hun heelemaal-vrij-zijn; en, Go’s arm grijpend in ’n warme verrukking, zei Else opeens: “Dol toch, hè, zoo saampjes; en te kunnen doen, wat je wilt.”
Het was stil op straat, nog stiller dan gewoonlijk: de meeste menschen waren thuis, aan den maaltijd. Onder den lichten, ster-witten hemel stonden de kale boomen, waar nog slechts hier en daar ’n welkend blad aan hing, onbeweeglijk met uitgestrekte takken. De huizen waren dichte, doode dingen. Maar op ’t water, daar leefden rillend de lantaarnschijnsels en de roode lichten der booten; daar kwam ’n donkere, puffende motorboot langzaam doorheen hijgen, wegduikend onder ’t oude ophaalbrugje, dat tooverachtig lichtte tegen den donkeren huizenachtergrond.
“Wat mooi,” zei Go zacht, “wat ’n beeldig oud grachtje!”
Er kwam ’n jongen aan, rinkelend met z’n stok;’n paar huizen van haar af bleef hij staan, begon te fluiten; ’n verlicht raam werd opgeschoven, ’n jongensstem riep: “Hallo!”
“Laat je de sleutel neer?”
“Nee, kom maar boven, de deur staat aan.”
“Daar woont ’n student,” zei Else, nog ’s even omkijkend, “’t is dicht bij ons.... dat was zeker hun clubfluitje, hè?”
“Ja; wat klonk ’t leuk!”
Ze waren nu bij ’t lichte huis op de Breestraat gekomen, gingen naar binnen, onzeker en ’n beetje verlegen. ’n Onaangename etenslucht kwam hun in de gang al in den neus: “Hier ook ui, hoor,” lachte Else. Maar ’t zaaltje binnen, vriendelijk met wit tafelgoed, bloemen en eenvoudige muurversieringen deed haar prettig aan, en ’t gedempte stemmengerucht gaf ’n warm gevoel van intimiteit.
Terwijl ze ’n tafeltje zochten, fluisterde Else opeens blozend: “Kijk ’s; Han.”
“Waar?” en Go wilde dadelijk op ’m afstappen, maar hij zat met ’n clubje vrienden, groette vormelijk-beleefd, waarna de anderen de hoofden tot ’m overbogen, zacht praatten, en daarna zijdelings naar hen bleven gluren.
Ze bestelden een ommelet, maar hadden eigenlijk alleen belangstelling voor hun omgeving; overal zaten clubjes studenten te eten, niet met gezichten, zooals ze zich op college hielden, maar levendig en jolig, met klaterende lachbuien en doorklinkende uitroepen.
“Wat zijn jongens toch leuk en gezellig met elkaar,” zuchtte Else, terwijl ze langzaam ’t hoofd van Han’s clubje afwendde. “Je kunt zoo zien: ze hebben allemaal aan zich-zelf genoeg.”
“Nu, dat hebben wij toch óók wel; denk maar ’s aan die glijpartij.”
“Ja,” peinsde Else, “zou Han hier altijd eten?”
“’k Weet niet; misschien alleen in tijden van geldgebrek.”
“’t Smaakt heel goed; we konden wel ’s meer hier gaan, hè?” vroeg Else, ’t hoofd dieper buigend, want eenige jongens waren opgestaan, fixeerden haar in ’t langs-gaan met bewonderende blikken. Go zag ’t, zei eenvoudig: “Die vinden je mooi, zeg, gaan bepaald informeeren, wie je bent,” en merkte niet, dat uit ’t andere zaaltje algemeen de aandacht werd gewijd aan háár sprekend, frisch gezicht, waarin de groote grijs-blauwe oogen levenslustig straalden.
“Ze gaan weg,” zei Else zachtjes, de vork neerleggend. Maar nu kwam Han naar haar toe.
“Eet u vandaag hier, dames?” vroeg hij verwonderd. “Heeft de juffrouw u dan tòch weggejaagd?”
“Nee, alleen maar op rantsoen gesteld,” lachte Else, “we hadden nog honger, en zijn daarom nog even ’n ommelet komen eten.”
“O, dus u bent al klaar; ’n paar vrienden van me wilden graag aan u voorgesteld worden, ook om ’n verzoek.... zoudt u dat goed vinden?”
“Uitstekend,” zei Else verward, terwijl Go ging betalen.
Even later stonden ze, allemaal ’n beetje verlegen, voor de stoep van Ceres, in ’n clubje.
“Vinden jullie goed, als we ’n endje oploopen, dan praten we makkelijker,” zei Han, “nee, niet allemaal op ’n rijtje.” En hij ging met Else vooruit.
“Heerlijk, de Breestraat bij avond,” zuchtte Go bewonderend. “Ik heb nooit ’n straat als de Breestraat gezien.... Dat is nu zoo iets, waar je altijdheelemaal in ’t midden moet loopen, met al die groote huizen aan twee kanten ver van je af.... dat geeft zoo’n koninklijk gevoel.”
De blonde jongen naast haar—Leeden geloofde ze, dat Han zei—lachte met ’n kort, nerveus lachje. Hij had ’n forsche, hooge gestalte, en ’n stoere, rustige Germanekop, zooals ze zich altijd Ferdinand Huyck had voorgesteld; z’n oogen waren vriendelijk en open, al meende ze nu ook: “wat ’n echt kind” er in te lezen.
“Het stadhuis is heel mooi, ’s avonds,” zei hij met z’n scherpe stem.
“Het stadhuis, o, dat is heerlijk, en het carillon! Maar één ding heeft me vreeselijk teleurgesteld. U moet weten, Han had heel vroeger, toen hij pas hier was, me eens verteld, dat hier ’n torenwachter was, die ’s nachts om twaalf uur naar alle windhoeken op z’n hoorn blies; daar had ik me wonderen van voorgesteld.... Ik was toen pas op ’t gymnasium, maar altijd als ik aan Leiden dacht, kwam die torenwachter er bij.... ik vond ’t zoo sprookjesachtig.... en ik was vast van plan één van de eerste nachten hier om twaalf uur op de Breestraat te gaan staan, om ’t te hooren.... En nu, toen ik hier kwam, hoorde ik, dat hij er niet meer was....”
Aan haar anderen kant liepen ’n slanke, veerkrachtige jongen, dien de blonde: Elders noemde, en ’n smalle, zwak-uitziende droomer-figuur, die met z’n melancolieke oogen door z’n lorgnet haar, terwijl ze sprak, dwepend fixeerde.
“Dat idealisme zal hier wel gauw vertrapt worden,” mompelde hij voor zich heen; waarna Elders, zonder zich aan zijn woorden te storen, levendig inviel:
“Maar laten we nu tot ons eigenlijk doel komen en juffrouw Herderts vragen, wat ze van ons plan denkt. We zijn namelijk allen lid, Han is zelfs praeses van ’n letterkundige club: “Laborando vincimus.”
“Het is geen faculteitsvereeniging,” vulde Leeden aan, “maar we trachten de superieure elementen uit alle faculteiten bij elkaar te brengen...”
“Anders dan genieën worden er niet geduld,” verzekerde Elders.
“Vooral ook, omdat de verschillende studierichtingen de zekerste waarborg zijn tegen eenzijdigheid,” ging de scherpe stem onverstoorbaar voort. “Er ontbreekt in onze vereeniging maar één ding.”
“Een gróót ding,” zei de droomer.
Go keek met haar groote oogen ze een voor een angstig aan; ze voelde ’t komen en was bang en gevleid.
“We hebben geen meisjes.”
“Ons ontbreekt de vrouw.”
“Na elke vergadering moet de ploerterij ’n nieuw tafelkleed geven, zóó is er met bier en thee gemorst,” spotte Elders, maar Leeden schudde afkeurend ’t hoofd. “Daarom is ’t niet,” zei hij eenvoudig. “’t Is, omdat ’t dwaas en verkeerd is, zoo’n vereeniging alleen onder jongens te houden; omdat voor ons zeker, en we hopen ook voor de meisjes, ’t veel beter en prettiger zijn zou, wanneer we samen leerden werken.”
“Col-laboratie,” vulde de in-zich-tevreden Elders aan.
“Eén meisje, dat Hoefman kende,”—de dichterlijke droomer keek trotsch maar bescheiden—“heeft ’t lidmaatschap van ons dispuut willen aannemen;maar ik geloof zeker; ze vindt ’t niet prettig alleen te zijn, met acht jongens.... Nu heeft Herderts ons van u beiden verteld en wagen we u te vragen, of ’t u aangenaam zou zijn, als we u eens te hospiteeren vroegen, opdat we wederzijds beter kennis kunnen maken.”
“Sprekend ’n huwelijksadvertentie,” bromde ’t weer aan den anderen kant.
“En...” hij zweeg, keek Go even afwachtend aan: haar wangen waren blozend van opwinding en verlegenheid, en hakkelend begon ze:
“Ik begrijp niet, hoe u op ’t idee van ons komt.... van Else wil ’k niets zeggen, maar ik heb heelemaal niets, geen talenten of zoo, en geen meeningen, en ik weet nergens iets van; u zou wezenlijk niets met me kunnen beginnen.”
“U hebt vizie,” zei de droomer met ’n plechtige stem; waarop ze niets terugzeggen durfde.
Maar Leeden lachte en trachtte te kalmeeren: “U stelt ’t u allemaal veel te erg voor. Natuurlijk streven we er ernstig naar, om iets te praesteeren, maar gewoonlijk komt er toch nog maar zoo weinig van terecht. En u denkt nu, dat u niets te zeggen zult hebben, maar u weet niet, hoe gauw dat oefent. En trouwens wij allemaal....”
“Komen toch ook nog maar pas kijken.”
“Jij tenminste, Hans,” viel Leeden licht-geërgerd uit. “U moet ook denken: hospiteeren is niet iets bindends; we kunnen kijken, hoe ’t gaat. Maar zeg dan, of u dat tenminste wilt probeeren.”
“Ja graag, als Elsi ook wil,” zei Go dapper.
“Daar zal Herderts wel voor zorgen. U krijgt dan nog ’n convocatie, wanneer de eerstvolgende vergadering is.”
’n Half uurtje later kwamen ze stralend en opgewonden thuis. Else bleef in de gang haar handen wasschen, terwijl Go de deur van haar kamer openstootte. Het was er pik-donker. Ze waren met den sleutel binnengekomen, de juffrouw had ze niet gehoord, er was niemand, die verwelkomde, of helpen wilde. Ze was ’s avonds nog nooit uitgeweest, had heelemaal nog niet aan zoo’n thuiskomst gedacht. Tastend zocht ze op den schoorsteen naar lucifers, toen over de tafel—ze stootte tegen de pan met melk, die de juffrouw op ’n bord al voor haar neer had gezet: ’n plomp, gevoelloos ding.
En opeens, in de hooge zenuwspanning van haar opwinding, zag ze, hoe ’t thuis altijd ’s avonds was, wanneer ze uit was geweest: de lichte gang, de lichte kamer, en moeder met ’t naaiwerk, die ’r zoende, en vroeg, of ’t prettig was geweest.
En neerbonzend met haar hoofd op de tafel, barstte ze in een wild snikken uit.
Zoo vond Else haar, die glunder kwam vertellen, dat Han en zij elkaar al bij den naam noemden.
Hoofdstuk IV.Het was op de eerste groote vergadering van de vrouwelijke-studenten-vereeniging, in de pauze. Ze hadden allemaal in ’n grooten kring zitten luisteren naar de lezing over “De kinderwetten,” de meesten in schommelstoeltjes, anderen op den grond, gestut door hun knieën; maar nadat ’t groote, blonde meisje met ’t rustig-verstandige gezicht ook de debatteerenden nog even kort maar overtuigend had geantwoord, had de opgewekte praeses de vergadering geschorst: “om limonade te schenken, en nader kennis te maken,” en met vroolijk geraas van opgelucht-zijn, omdat de ernst van ’n “vergadering” toch altijd iets drukkends had, waren alle lichte figuren opgestaan, op elkaar toegeloopen, dooreen gedwarreld, het statige bestuur had z’n plaats achter de groene tafel verlaten en zich onder ’t “vulgus profanum” gemengd, er werd gelachen, geplaagd, ijverige huismoedertjes gingen rond met de limonade en de taartjes die op het biljart klaar stonden “ter eere van de hospitanten,” terwijl nu en dan één achter ’t scherm, dat de lekkernij-voorraad verborg, omwipte, om er ééntje te snoepen, waarbij ze meestal in flagranti werd betrapt en luidruchtig gehoond.De zaal had een kleurig, levendig aanzien, met al die vroolijke, licht-gekleede jeugd. Zelf sober en rustig met donker-effen behangsel, waarop foto’s van klassieke beelden, een eenvoudig, smaakvol meubilair en warm-tintige rustbanken in de hoeken—werd door niets het harmonisch lijn- en kleurenbeweeg van de onbezorgd-vroolijke, in ’t oogenblik levende jonge vrouwen gestoord. En Go, die, ’n beetje achteraf, tegen den muur leunde, en stil toekeek, hoe geanimeerd de gesprekken waren, hoe levendig en uitdrukkingsvol de meeste frissche gezichten, moest onwillekeurig glimlachen, als ze dacht, hoe de menschen vaak “meisjesstudenten” nog beschouwden—als leelijke, onvrouwelijke, bleeke stumperts—terwijl ze hen hier zag, elegant en bloeiend als weelde-artikel-meisjes, maar met een bezieling en overtuiging in haar stemmen en oogen, die ze maakte tot bewuste vol-menschen.Aan den overkant van de zaal stond Else met ’n clubje rechten-collega’s,meest Haagsche meisjes, met de gemakkelijke manieren en van-zelf-glijdende conversatie, van die veel uitgaan.Go voelde zich daaronder wel een beetje beklemd; zij had altijd te veel in haar groote familie geleefd, te zeer waren haar bezoeken tot ooms en tantes beperkt gebleven, om zich tegenover vreemden, die niet van thuis, en niet van familie-omstandigheden wisten, vrij en open te voelen.Eerst toen ze ’n meisje van college ook alleen zag staan, ging ze er schuchter naar toe, stak haar hand uit. “Je heet Lize hè.... Lize Schermer?”“Ja,” zei de ander, verbaasd en niet te vriendelijk. Ze had een bizonder leelijk, melancoliek gezicht: met haar breed-vooruitspringenden mond, wijkenden neus en diepliggende, donkere oogen,deed ze denken aan een aap, en het berustende heimweh, dat uit haar heele verschijning sprak, was hetzelfde, dat de uit ’t zonnige zuiden naar dit koude land overgeplaatste dieren zoo roerend maakt.“Maar jij bent hier toch niet voor ’t eerst,” praatte Go door, “je bent toch al tweede jaars.”“Ik ben er voor ’t laatst; ’k ga er uit.”“Hé, vin-je ’t hier dan niet prettig? Ik krijg zoo’n mooien indruk vanavond, en ’t is toch goed....”“Ik heb geen tijd om er altijd naar toe te gaan, en dan kan ik m’n geld wel beter gebruiken.... Ik studeer niet voor de aardigheid. Ik moet later voor mezelf zorgen.”“Ik ook,” zei Go eenvoudig. “Maar je kunt toch niet altijd werken, zonder ophouden, en dan lijkt dit me juist zoo’n uitstekende ontspanning: ontwikkelend, gezellig....”“Nou, zet gezellig maar voorop. Ontwikkeling zul-je hier niet veel halen. De meeste meisjes studeeren zoo weinig ernstig. ’t Is maar ’n pretje, ’n afleiding. Vroeger maakten ze handwerkjes om den tijd te dooden, en nu komen ze studeeren, omdat dat toch wel zoo vermakelijk is.”“Maar de meesten doen ’t toch wezenlijk uit overtuiging, roeping!” Go had een kleur gekregen, en voelde zich pijnlijk-opgewonden worden onder de afbrekende woorden van het sombere vrouwtje.“Roeping! Maar m’n hemel, wie doet dáár tegenwoordig nog aan! Denk je wezenlijk, dat één van de meisjes, die je hier ziet, alleen uit roeping haar vak gekozen heeft, en iedere levensverandering zou afwijzen, omdat haar studie haar boven alles gaat.... Maar dat is trouwens bijmannen meestal ’t zelfde; alleen die drijft tenminste de noodzakelijkheid, ’t heilige moeten, dat de menschen tot heel wat hoogs en groots brengen kan. Maar nu ook díe prikkel ontbreekt bij bijna alle vrouwen....”Op het hamergeklop van de praeses was Go naar haar plaats geloopen; er zou nog ’n stelling verdedigd worden, met gelegenheid tot debatteeren.Maar telkens moest ze het verdere gedeelte van den avond even ’t hoofd wenden naar den hoek, waar Lize Schermer zat, den bitteren trek om de hard-gesloten lippen, het heimweh in haar oogen naar ’n zonniger land.Om half elf, nadat ze de glazen en kopjes ’n beetje opgeruimd hadden, gingen ze in clubjes naar huis. Go was nog even naar Lize toegegaan, om, in ’n warm meelijden, te vragen, of ze denzelfden kant uit moest, maar ze had kort geantwoord, dat ze heelemaal buiten woonde, was toen in ’n donkere regenmantel met verkleurende strepen, weggegleden als ’n schim.Toen waren Else en zij met vier ouderejaars de stille stad doorgetrokken. Ze zouden eerst een meisje wegbrengen, dat op ’t Noordeinde woonde, en liepen nu het plechtig-zwijgende Rapenburg langs. De hooge huizen stonden onbeweeglijk en ook het water kabbelde niet. Het was, of alles in ’n oogenblik van volmaaktheid was verstard, en vanzelf temperden ze hun overmoedig-luide voetstappen.“Jullie worden toch allebei lid van de club zeker?” vroeg één der oudere meisjes.“Ja, ik geloof, dat het er prettig is, ’n hartelijke geest heerscht er, en alles is aardig ingericht....”“Ik vind,” zei ’n andere oudere weer, “dat je dán eerst er over oordeelen kunt, wat ons studentenleven is, als je ons clubleven hebt meegemaakt. Als je je terugtrekt, alleen college loopt, is je leven niet zoo heel verschillend van dat van onderwijzeressen of zoo. ’t Is juist ons samenleven, ons vereenigings-leven, dat van ’t gewone vrouwenbestaan afwijkt. We staan in verbinding met de zustervereenigingen aan andere universiteiten, we zenden afgevaardigden, als er feest is.... en alles onder meisjes.”“Dat vind ik nu juist jammer,” kwam Go opeens, met haar heldere, besliste stem. Ze had den heelen avond bijna niets gezegd, ook nu onder weg niet, en alle hoofden bogen verwonderd en belangstellend naar haar kant, nu ze, zonder eerst in lichtere gesprekken zich ’n beetje te hebben doen kennen, opeens met ’n overtuiging kwam. “Ik meen, dat we zoo heelemaal niets met ’t corps te maken hebben, dat we twee gescheiden vereenigingen zijn.... Ik had gedacht....”“Op de kroeg wordt geen enkele vrouw toegelaten,” viel Mary Bruining, ’n ernstig, donker meisje, in, “en ik geloof, dat ze gelijk hebben en dat de maatregel meer is genomen uit angst voor de ongebondenheid der heeren—, dan uit afkeer voor de dames-studenten. Omdat voor ons dergelijke bezwaren niet bestonden, hebben we introductie voor jongens mogelijk, ofschoon niet makkelijk gemaakt. De studenten zijn voorloopig niet zóó, dat we van houding veranderen kunnen.”“Maar komt ’t een niet door ’t ander?” riep Go levendig, en haar kinderlijk-geëmotioneerde stem stak sterk af bij de rustige zekerheid vanhaar bestrijdster. “Was ’t niet onze plicht méér voor de jongens te zijn, en zou dan niet vanzelf alles anders worden? Nu ik zelf op kamers woon—en ik heb toch nog altijd Else—begrijp ik ’t pas, hoe vreeselijk ’t voor jongens, die altijd thuis zijn geweest, moet wezen, hier opeens in eenzaamheid op een ongezellige kamer te land te komen, hoe ze ’t er niet uit kunnen houden, en naar de kroeg of naar vrienden moeten loopen,—en dan weer niet naar huis willen, omdat ze weten, dat ’t er koud en donker zal zijn....” En rillend dacht ze even aan haar eigen thuiskomst laatst, toen ze de lucifers niet had kunnen vinden, en er niemand was om haar te helpen.“Ik geloof, dat je overdrijft,” zei Mary rustig. “Zooals je daar ’t kamer-leven van jongens voorstelt, zoo voel jij ’t, en zoo zullen meer meisjes ’t voelen, omdat ’n meisje veel meer aan haar huis, haar familie en de gezelligheid is gehecht. De jongens, die hier hun corps, hun clubs, hun vrienden hebben, genieten meer van hun vrijheid, dan dat ze over eenzaamheid klagen. Vind-je, dat ’n student gewoonlijk ’t meelijden opwekt? Zie je hem niet veel meer als één op ’t hoogtepunt van z’n kracht, z’n verwachtingen, z’n levensvreugde? Maar àls er nu inderdaad eens jongens waren, die er onder leden, wat zouden we dan nóg kunnen?”“Onze vrouwelijkheid, onze zachtheid in hun leven brengen. Dat ontbreekt hun ’t meest, en dat kunnen wij, die bovendien hun collega’s zijn, hun ’t beste geven. Dat is toch geen co-educatie, die zich beperkt tot ’t in dezelfde zaal college loopen, dezelfde studie volgen. Ik had me alles zoo anders, zooveel hartelijker voorgesteld, en’t zou voor ons allemaal zoo goed zijn. Alle meisjes vinden toch niets heerlijker dan gezelligheid te kunnen geven, en zooveel meisjes zijn eenzaam, en voor de jongens.... we zouden elkaar aanvullen.”“Ik geloof dat hier weer één van de moderne dwaalbegrippen bestreden moet worden,” oreerde nu ’n klein, in haar mantel gedoken wezentje, met de scherp-geaccentueerde stem van iemand, die gewend is te betoogen: “nl. dat veel menschen de co-educatie zóó op de spits willen drijven, dat ’n meisje alleen nog maar vrienden, ’n jongen alleen vriendinnen hebben wil, dit ultra-modern principe grondend op ’n lang-overwonnen meening: dat de eigenschappen van man en vrouw elkaar aanvullen. Er is al meermalen met klem betoogd, dat specifiek vrouwelijke of mannelijke eigenschappen, eigenschappen uit kracht van hun geslacht, maar fictie zijn, tenminste in ’t gewone leven. Dat die volkomen ’t gevolg zijn van individueele aanleg, herediteit, omgeving, enz. Daar meisjes, die komen studeeren, gewoonlijk boven de middelmaat staan, zullen er zeer uiteenloopende, sterksprekende karakters onder zijn. Die brengt de club bij elkaar. Ieder kan zoeken, bij wie ze zich aansluiten wil; welke eigenschappen elkaar aanvullen.... Wat de jongens betreft, die hebben eveneens hun corps.”“Waar ze níet vinden, wat ze noodig hebben,” verweet Go. “Ik weet ’t zeker. Misschien hebben wij ze niet noodig; zij ons wel.”“Dat zijn idealen, droomen, waarmee menig eerste-jaartje hier al aangekomen is. Dat slijt wel mettertijd, omdat je gauw staat voor de onmogelijkheid. De jongens moeten hun eigen weg vinden,net als wij. We zijn niet in de jaren elkaar tot rustigen steun te kunnen zijn.”Ze waren nu juist bij de kroeg, waar ’t licht door de neergelaten gordijnen siepelde. ’n Paar jongens liepen pratend de hardsteenen stoep op, en onwillekeurig volgde Go ze met verlangende oogen en dacht: “Als ik nu ’s ze na ging, naar binnen, en aan allemaal m’n evangelie van verbroedering verkondigde?”Mary had den blik uit de groote, open oogen gezien. Ze was niet gerust over dat vertrouwende, gevoelige kind.“Kom ’s bij me praten,” zei ze hartelijk bij ’t afscheid, “ik zou ’t prettig vinden, als we elkaar beter leerden kennen.”En Go beloofde ’t: “Ja graag, want ik ben hier nog zoo alleen.”
Het was op de eerste groote vergadering van de vrouwelijke-studenten-vereeniging, in de pauze. Ze hadden allemaal in ’n grooten kring zitten luisteren naar de lezing over “De kinderwetten,” de meesten in schommelstoeltjes, anderen op den grond, gestut door hun knieën; maar nadat ’t groote, blonde meisje met ’t rustig-verstandige gezicht ook de debatteerenden nog even kort maar overtuigend had geantwoord, had de opgewekte praeses de vergadering geschorst: “om limonade te schenken, en nader kennis te maken,” en met vroolijk geraas van opgelucht-zijn, omdat de ernst van ’n “vergadering” toch altijd iets drukkends had, waren alle lichte figuren opgestaan, op elkaar toegeloopen, dooreen gedwarreld, het statige bestuur had z’n plaats achter de groene tafel verlaten en zich onder ’t “vulgus profanum” gemengd, er werd gelachen, geplaagd, ijverige huismoedertjes gingen rond met de limonade en de taartjes die op het biljart klaar stonden “ter eere van de hospitanten,” terwijl nu en dan één achter ’t scherm, dat de lekkernij-voorraad verborg, omwipte, om er ééntje te snoepen, waarbij ze meestal in flagranti werd betrapt en luidruchtig gehoond.
De zaal had een kleurig, levendig aanzien, met al die vroolijke, licht-gekleede jeugd. Zelf sober en rustig met donker-effen behangsel, waarop foto’s van klassieke beelden, een eenvoudig, smaakvol meubilair en warm-tintige rustbanken in de hoeken—werd door niets het harmonisch lijn- en kleurenbeweeg van de onbezorgd-vroolijke, in ’t oogenblik levende jonge vrouwen gestoord. En Go, die, ’n beetje achteraf, tegen den muur leunde, en stil toekeek, hoe geanimeerd de gesprekken waren, hoe levendig en uitdrukkingsvol de meeste frissche gezichten, moest onwillekeurig glimlachen, als ze dacht, hoe de menschen vaak “meisjesstudenten” nog beschouwden—als leelijke, onvrouwelijke, bleeke stumperts—terwijl ze hen hier zag, elegant en bloeiend als weelde-artikel-meisjes, maar met een bezieling en overtuiging in haar stemmen en oogen, die ze maakte tot bewuste vol-menschen.
Aan den overkant van de zaal stond Else met ’n clubje rechten-collega’s,meest Haagsche meisjes, met de gemakkelijke manieren en van-zelf-glijdende conversatie, van die veel uitgaan.
Go voelde zich daaronder wel een beetje beklemd; zij had altijd te veel in haar groote familie geleefd, te zeer waren haar bezoeken tot ooms en tantes beperkt gebleven, om zich tegenover vreemden, die niet van thuis, en niet van familie-omstandigheden wisten, vrij en open te voelen.
Eerst toen ze ’n meisje van college ook alleen zag staan, ging ze er schuchter naar toe, stak haar hand uit. “Je heet Lize hè.... Lize Schermer?”
“Ja,” zei de ander, verbaasd en niet te vriendelijk. Ze had een bizonder leelijk, melancoliek gezicht: met haar breed-vooruitspringenden mond, wijkenden neus en diepliggende, donkere oogen,deed ze denken aan een aap, en het berustende heimweh, dat uit haar heele verschijning sprak, was hetzelfde, dat de uit ’t zonnige zuiden naar dit koude land overgeplaatste dieren zoo roerend maakt.
“Maar jij bent hier toch niet voor ’t eerst,” praatte Go door, “je bent toch al tweede jaars.”
“Ik ben er voor ’t laatst; ’k ga er uit.”
“Hé, vin-je ’t hier dan niet prettig? Ik krijg zoo’n mooien indruk vanavond, en ’t is toch goed....”
“Ik heb geen tijd om er altijd naar toe te gaan, en dan kan ik m’n geld wel beter gebruiken.... Ik studeer niet voor de aardigheid. Ik moet later voor mezelf zorgen.”
“Ik ook,” zei Go eenvoudig. “Maar je kunt toch niet altijd werken, zonder ophouden, en dan lijkt dit me juist zoo’n uitstekende ontspanning: ontwikkelend, gezellig....”
“Nou, zet gezellig maar voorop. Ontwikkeling zul-je hier niet veel halen. De meeste meisjes studeeren zoo weinig ernstig. ’t Is maar ’n pretje, ’n afleiding. Vroeger maakten ze handwerkjes om den tijd te dooden, en nu komen ze studeeren, omdat dat toch wel zoo vermakelijk is.”
“Maar de meesten doen ’t toch wezenlijk uit overtuiging, roeping!” Go had een kleur gekregen, en voelde zich pijnlijk-opgewonden worden onder de afbrekende woorden van het sombere vrouwtje.
“Roeping! Maar m’n hemel, wie doet dáár tegenwoordig nog aan! Denk je wezenlijk, dat één van de meisjes, die je hier ziet, alleen uit roeping haar vak gekozen heeft, en iedere levensverandering zou afwijzen, omdat haar studie haar boven alles gaat.... Maar dat is trouwens bijmannen meestal ’t zelfde; alleen die drijft tenminste de noodzakelijkheid, ’t heilige moeten, dat de menschen tot heel wat hoogs en groots brengen kan. Maar nu ook díe prikkel ontbreekt bij bijna alle vrouwen....”
Op het hamergeklop van de praeses was Go naar haar plaats geloopen; er zou nog ’n stelling verdedigd worden, met gelegenheid tot debatteeren.
Maar telkens moest ze het verdere gedeelte van den avond even ’t hoofd wenden naar den hoek, waar Lize Schermer zat, den bitteren trek om de hard-gesloten lippen, het heimweh in haar oogen naar ’n zonniger land.
Om half elf, nadat ze de glazen en kopjes ’n beetje opgeruimd hadden, gingen ze in clubjes naar huis. Go was nog even naar Lize toegegaan, om, in ’n warm meelijden, te vragen, of ze denzelfden kant uit moest, maar ze had kort geantwoord, dat ze heelemaal buiten woonde, was toen in ’n donkere regenmantel met verkleurende strepen, weggegleden als ’n schim.
Toen waren Else en zij met vier ouderejaars de stille stad doorgetrokken. Ze zouden eerst een meisje wegbrengen, dat op ’t Noordeinde woonde, en liepen nu het plechtig-zwijgende Rapenburg langs. De hooge huizen stonden onbeweeglijk en ook het water kabbelde niet. Het was, of alles in ’n oogenblik van volmaaktheid was verstard, en vanzelf temperden ze hun overmoedig-luide voetstappen.
“Jullie worden toch allebei lid van de club zeker?” vroeg één der oudere meisjes.
“Ja, ik geloof, dat het er prettig is, ’n hartelijke geest heerscht er, en alles is aardig ingericht....”
“Ik vind,” zei ’n andere oudere weer, “dat je dán eerst er over oordeelen kunt, wat ons studentenleven is, als je ons clubleven hebt meegemaakt. Als je je terugtrekt, alleen college loopt, is je leven niet zoo heel verschillend van dat van onderwijzeressen of zoo. ’t Is juist ons samenleven, ons vereenigings-leven, dat van ’t gewone vrouwenbestaan afwijkt. We staan in verbinding met de zustervereenigingen aan andere universiteiten, we zenden afgevaardigden, als er feest is.... en alles onder meisjes.”
“Dat vind ik nu juist jammer,” kwam Go opeens, met haar heldere, besliste stem. Ze had den heelen avond bijna niets gezegd, ook nu onder weg niet, en alle hoofden bogen verwonderd en belangstellend naar haar kant, nu ze, zonder eerst in lichtere gesprekken zich ’n beetje te hebben doen kennen, opeens met ’n overtuiging kwam. “Ik meen, dat we zoo heelemaal niets met ’t corps te maken hebben, dat we twee gescheiden vereenigingen zijn.... Ik had gedacht....”
“Op de kroeg wordt geen enkele vrouw toegelaten,” viel Mary Bruining, ’n ernstig, donker meisje, in, “en ik geloof, dat ze gelijk hebben en dat de maatregel meer is genomen uit angst voor de ongebondenheid der heeren—, dan uit afkeer voor de dames-studenten. Omdat voor ons dergelijke bezwaren niet bestonden, hebben we introductie voor jongens mogelijk, ofschoon niet makkelijk gemaakt. De studenten zijn voorloopig niet zóó, dat we van houding veranderen kunnen.”
“Maar komt ’t een niet door ’t ander?” riep Go levendig, en haar kinderlijk-geëmotioneerde stem stak sterk af bij de rustige zekerheid vanhaar bestrijdster. “Was ’t niet onze plicht méér voor de jongens te zijn, en zou dan niet vanzelf alles anders worden? Nu ik zelf op kamers woon—en ik heb toch nog altijd Else—begrijp ik ’t pas, hoe vreeselijk ’t voor jongens, die altijd thuis zijn geweest, moet wezen, hier opeens in eenzaamheid op een ongezellige kamer te land te komen, hoe ze ’t er niet uit kunnen houden, en naar de kroeg of naar vrienden moeten loopen,—en dan weer niet naar huis willen, omdat ze weten, dat ’t er koud en donker zal zijn....” En rillend dacht ze even aan haar eigen thuiskomst laatst, toen ze de lucifers niet had kunnen vinden, en er niemand was om haar te helpen.
“Ik geloof, dat je overdrijft,” zei Mary rustig. “Zooals je daar ’t kamer-leven van jongens voorstelt, zoo voel jij ’t, en zoo zullen meer meisjes ’t voelen, omdat ’n meisje veel meer aan haar huis, haar familie en de gezelligheid is gehecht. De jongens, die hier hun corps, hun clubs, hun vrienden hebben, genieten meer van hun vrijheid, dan dat ze over eenzaamheid klagen. Vind-je, dat ’n student gewoonlijk ’t meelijden opwekt? Zie je hem niet veel meer als één op ’t hoogtepunt van z’n kracht, z’n verwachtingen, z’n levensvreugde? Maar àls er nu inderdaad eens jongens waren, die er onder leden, wat zouden we dan nóg kunnen?”
“Onze vrouwelijkheid, onze zachtheid in hun leven brengen. Dat ontbreekt hun ’t meest, en dat kunnen wij, die bovendien hun collega’s zijn, hun ’t beste geven. Dat is toch geen co-educatie, die zich beperkt tot ’t in dezelfde zaal college loopen, dezelfde studie volgen. Ik had me alles zoo anders, zooveel hartelijker voorgesteld, en’t zou voor ons allemaal zoo goed zijn. Alle meisjes vinden toch niets heerlijker dan gezelligheid te kunnen geven, en zooveel meisjes zijn eenzaam, en voor de jongens.... we zouden elkaar aanvullen.”
“Ik geloof dat hier weer één van de moderne dwaalbegrippen bestreden moet worden,” oreerde nu ’n klein, in haar mantel gedoken wezentje, met de scherp-geaccentueerde stem van iemand, die gewend is te betoogen: “nl. dat veel menschen de co-educatie zóó op de spits willen drijven, dat ’n meisje alleen nog maar vrienden, ’n jongen alleen vriendinnen hebben wil, dit ultra-modern principe grondend op ’n lang-overwonnen meening: dat de eigenschappen van man en vrouw elkaar aanvullen. Er is al meermalen met klem betoogd, dat specifiek vrouwelijke of mannelijke eigenschappen, eigenschappen uit kracht van hun geslacht, maar fictie zijn, tenminste in ’t gewone leven. Dat die volkomen ’t gevolg zijn van individueele aanleg, herediteit, omgeving, enz. Daar meisjes, die komen studeeren, gewoonlijk boven de middelmaat staan, zullen er zeer uiteenloopende, sterksprekende karakters onder zijn. Die brengt de club bij elkaar. Ieder kan zoeken, bij wie ze zich aansluiten wil; welke eigenschappen elkaar aanvullen.... Wat de jongens betreft, die hebben eveneens hun corps.”
“Waar ze níet vinden, wat ze noodig hebben,” verweet Go. “Ik weet ’t zeker. Misschien hebben wij ze niet noodig; zij ons wel.”
“Dat zijn idealen, droomen, waarmee menig eerste-jaartje hier al aangekomen is. Dat slijt wel mettertijd, omdat je gauw staat voor de onmogelijkheid. De jongens moeten hun eigen weg vinden,net als wij. We zijn niet in de jaren elkaar tot rustigen steun te kunnen zijn.”
Ze waren nu juist bij de kroeg, waar ’t licht door de neergelaten gordijnen siepelde. ’n Paar jongens liepen pratend de hardsteenen stoep op, en onwillekeurig volgde Go ze met verlangende oogen en dacht: “Als ik nu ’s ze na ging, naar binnen, en aan allemaal m’n evangelie van verbroedering verkondigde?”
Mary had den blik uit de groote, open oogen gezien. Ze was niet gerust over dat vertrouwende, gevoelige kind.
“Kom ’s bij me praten,” zei ze hartelijk bij ’t afscheid, “ik zou ’t prettig vinden, als we elkaar beter leerden kennen.”
En Go beloofde ’t: “Ja graag, want ik ben hier nog zoo alleen.”