Hoofdstuk V.Go liep met groote, krachtige stappen over het Rapenburg, hield ’t hoofd ’n beetje achterover, dat de zon in haar blij-open oogen scheen, en lachte telkens eventjes van prettig herdenken. Het was ’n heerlijk bezoek geweest. En ze had er juist zoo tegenop gezien. Naar de andere professoren waren ze met hun drieën gegaan, Lou, Coba en zij, alle drie eerste-jaars. En dan was ’t vooruit meer grappig dan angstig geweest: ze hadden onder elkaar afgesproken, wat ieder zeggen zou, en in welke volgorde, en wie ’t sein tot opstaan zou geven, en dan na de visite hadden ze nog meer plezier gehad, omdat bijna niets van de voorgenomen officiëele conversatie was gekomen, en ze zóó genoeglijk en vertrouwelijk met den professor hadden zitten praten, dat ze slechts met moeite hadden kunnen weg komen.Maar naar professor De Ruiter had Go dadelijk besloten alleen te gaan; ze vond ’t wel heel griezelig en gewaagd, en had vooruit geen zinnetje kunnen bedenken, dat ze tegen zoo’n geleerden man zou durven zeggen, maar op de colleges had hij haar zóó bizonder sympathiek geleken, dat ze toch deze gelegenheid ’m alleen te spreken nietongebruikt had willen laten, en met bevende hand aan het groote, ouderwetsche huis had aangescheld.Door plechtig-stille gangen, langs ’n gebeeldhouwde trap, was ze door de zwijgende dienstbode tot de deur van professor’s kamer geleid—ze had even met haar heele ziel gewenscht, dat ze dit ongelukkige bezoek nóóit had ondernomen—maar, nauwelijks binnen, was al haar angst geweken voor ’n heerlijk gevoel van harmonie: de kamer was groot en rustig; drie wanden bedekt met boeken-planken tot aan de zoldering; in de vierde groote hooge ramen, die uitzagen op den tuin.Bij een dier ramen stond de magere, gebogen mannefiguur; het licht viel op z’n zachte, witte haar en z’n door werken gekromden rug; op ’n standaard vóór hem lag ’n dik boek met vreemde letters; daar was z’n smal gezicht in weggedoken, ’n trek van verlangenden speurzin om z’n saamgetrokken mond; toen hij de deur hoorde gaan, had hij opgekeken, en, dadelijk zich losscheurend van z’n boeiende studie, was hij naar Go toegekomen, had haar hand genomen,’n makkelijk stoeltje aangeschoven bij de kachel, en was óver haar gaan zitten, de handen tusschen de knieën, de heldere, blauwe oogen achter de brilleglazen naar ’r toe.O, ze zou ’t nooit vergeten, zooals hij daar gezeten had, mager, bleek; wat ’t lichaam betrof uitgeleefd en eigenlijk geen man meer, omdat de wetenschap z’n jeugd, z’n gezondheid, z’n kracht, àlles had opgeëischt, maar met een glans in z’n oogen van eeuwig jong-zijn. Ze had ’t nog nooit gezien: de passie voor de wetenschap, het weg-zijn er in. Ze had altijd gedacht, dat het erg-vele weten hard moest maken en koud en dogmatisch. En dezeman—o, aan z’n woorden hoorde je, hoe jeugdig van geest hij was, en blijven zou door z’n groote liefde. “Het is zoo dwaas, dat de menschen taalstudie voor iets droogs houden; er is niets zoo romantisch; elk oogenblik kun-je wat ontdekken,” had hij gezegd. Romantisch! ja, dat voelde ze nu ook; en dat, op een hooger levensplan, kunst en wetenschap elkaar ontmoetten. Eigenlijk wás De Ruiter ’n kunstenaar. Wat zou ze niet gegeven hebben, als ze ’m op het oogenblik had kunnen teekenen, toen hij haar een Russisch gedicht voorlas om het mooie metrum, en ze hem juist en profil zag: het scherpe, fijne vossengezicht vooruitgedoken; de rond-gebogen, lange rug; en de lange, witte handen, die soms bewogen in langzaam gebaar.Hij had ’n prachtige stem; daarin trilde àl z’n bewondering, àl z’n liefde, voor wat hij las. Hij was heen en weer gegaan van de eene kast naar de andere, als ’n priester, die ’n vreemdeling inwijdt in de geheimen van z’n heiligdom; allerlei wonderlijke boeken had hij haar voorgelegd, met voor haar onbegrijpelijke letterteekens, en telkens weer had z’n mooie stem ’n paar regels gezegd, van klanken, die ze niet begreep, maar die haar heftig ontroerden, zacht haar wiegend in vreemden kadans.Klein had ze zich gevoeld, heelemaal niets, bij dien man, voor wien Sanskrit en Russisch en Arabisch en veel meer, vertrouwde dingen waren. En toch ook trotsch, omdat hij haar wel wat van z’n rijkdommen had willen toonen, blij om haar belangstelling.Wat zou ze nu gaan werken! Wat was er veel, ontzettend veel te doen.Verbeeld-je, dat ze niet eens Italiaansch kende. Dat was iets, aan welksmogelijkheid De Ruiter niet kon denken! En dat ze nog wel ’s moeite had met ’n Grieksch werkwoord! O, ’t was goéd, dat ze hier was gekomen, in deze stad van wetenschap. Hier leerde je inzien, hoe onontwikkeld, hoe arm aan kennis je was; en hier kreeg je ook den prikkel om dat te veranderen, om je in de boeken te storten, de wijsheid tot je te trekken. Daar was haar kamer, haar huis: hoe zou ze daar nu werken gaan, studeeren; zich wijden aan de “romantische” taalstudie, aan de wetenschapskunst!“Elsi!” kwam ze binnenstuiven. Maar Han zat op de canapé, leunde elegant met z’n arm op de kussens, en luisterde glimlachend naar Elsi, die, met ’n blozend gezichtje, op ’n laag stoeltje druk te beweren zat.“O,” zei Go langzaam, dadelijk voelend, dat ze stoorde: “ben jij er Han?”“Ja, ik kwam de convocaties voor “Laborando vincimus” maar zelf even brengen, om er nog ’s over te praten. ’t Is Vrijdag.”“O, best,” zei Go, en ’t kon haar opeens niet meer zooveel schelen, zóó was ze van haar bezoek vervuld.“Maar wat wou je eigenlijk zeggen: je stoof zoo in?” vroeg Else.“Ik wou zeggen....” Go vond ’t gek in dit milieu; die twee menschen dachten aan zoo heel andere dingen; “ik meende.... Ruiter was zoo aardig.”Het was ’n niets-zeggend zinnetje, viel ook niet op.“Zoo. Lize is straks even hier geweest”“Wat wou ze? Heeft ze geen boodschap gegeven?”“Nee, ’k ging naar ’r toe.... ze zei, dat ’t ’r erg speet, dat je er niet was.... Wat is ze vreeselijk leelijk.”“O; kan ik nog even gaan voor ’t eten.... ’t is nu vier; ja, dat gaat wel. Je excuseert me, Han.... ze heeft misschien wat bizonders.”“Stoor je niet aan mij.... ik ben geen officiëele visite,” verzekerde Han, opstaande, “’k ga zelf ook dadelijk....”“Eerst nog ’n kopje thee,” drong Else; en Go glimlachte, terwijl ze de deur achter zich sloot: Han en Else vonden elkaar erg aardig; Else zag er zoo opgewonden en stralend uit, als hij er was.... kleine Elsi.... En toen ze langs ’t raam kwam, zag ze Else’s krullig haar, heen en weer wuivend met druk beweeg van haar demonstreerend hoofdje.Lize woonde heelemaal bij de Rijn-en-Schiekade, en Go stapte stevig door om op tijd voor ’t eten weer thuis te zijn. Herinneringen aan het mooie professorsbezoek, de groeiende intimiteit tusschen Han en Else, en wat Lize haar te zeggen zou kunnen hebben, vormden den ondergrond van haar gedachten, terwijl ze intusschen toch rondkeek, en genoot van het schilderachtige stadje in de ondergaande zon.Ze vond ’t zoo wonderlijk, dat ze hier nu alleen liep, en niemand, die vroeg, waarheen ze ging, niemand, die zich bemoeide, met wat ze deed. Ze dacht aan het drukke Rotterdam, met z’n sleeperswagens en zware karren, met den rook van booten en fabrieken—en dan vond ze deze straten zoo dorps-stil, met niets dan wat rustige menschen, spelende kinderen; soms ’n enkel rijtuig of ’n postkar, wat ’n heele opschudding gaf.Hier hoorde je telkens ’t blije geluid van kinderstemmen of melancolieke pianoklank uit ’n huis: ginds werden alle lieve geluiden door handelslawaai, machinegedreun, overstemd.En toch was er niets kleins, niets bekrompens in de rust van de oude huizen, in de kalmte van de menschen. Het geestelijk leven, werkend in stilte, bloeiend in stilte, gaf iedere daad en beweging hier diepere beteekenis. Twaalfhonderd jonge menschen leerden hier van de grootste mannen van het land hun wijsheid en levenskennis. Op hun stille kamers in ’t bleeke daglicht, en meer nog ’s avonds bij de suizende lamp zaten ze als vrome monniken over hun boeken gebogen, werden ze ingewijd in het heilig geheim van de wetenschap. Ze had op dit oogenblik geen medelijden met hun eenzaamheid; ze vond er iets zoo moois in, alleen te zijn met je lieve boeken, waar zooveel wichtigs in staat; ze voelde ’t zoo’n voorrecht voor hen allen—en haar studeeren-om-later-voor-zichzelf-te-kunnen-zorgen leek haar nu niet ’n drukkende plicht, maar genade.“Lize,” zei ze levendig, toen ze de kamer binnenkwam, “ik kom dadelijk nog even naar je toe.... Else zei.... maar wat is ’t hier al donker.”“Ja, dat is ’t hier altijd zoo vroeg—dat komt door dien muur.” En Lize wees op ’n hoogen grijzen muur, die ’n klein, triestig binnenplaatsje omsloot.Go keek even vlug de kamer door; ze was karig maar niet smakeloos gemeubeld; de muren waren bijna kaal, boven de schrijftafel hing alleen ’n sombere Napoleonkop. De tafel was al gedekt, zag er akelig, lijkkleed-achtig uit in het schemerige licht; één bordje, één glas, één mes, één vorken ’n paar tinnen opscheplepels, donkerden in ’t midden.“Ik hou je toch niet op met eten—’t staat alles al zoo klaar.... eet je altijd alleen?”“Nee, ik heb nog den tijd.... De kok heeft ’t eten nog niet gebracht; ik eet altijd van den kok. ’t Is goed, en niet heel duur.”“O, kookt je juffrouw niet voor je?”“Nee, ’k heb ’n kamer zonder bediening, dat wil zeggen, ze doet geen boodschappen voor me, maakt m’n slaapkamer niet in orde—afwasschen wèl; ’t is ’n goeiig mensch.”“Maar ik zou toch liever in Ceres gaan eten, als ik jou was, of aan ’n studententafel... Dat altijd alleen-eten lijkt me nou zoo suf.” En Go dacht even: zou ’k haar vragen bij ons—de juffrouw zal ’t wel goed vinden—toch weer niet durvend om Else, die haar zoo leelijk, en zeker ook te burgerlijk, vond.“Nee, uitgaan om te eten kost me wezenlijk veel te veel tijd—het breekt je heelen avond.”“Maar vinden ze bij je thuis nou goed, dat je zoo onmenschelijk veel werkt, en zoo ongezond leeft?”Go dacht aan moeder, en al haar raadgevingen voor haar gezondheid van niet te lang werken, iederen dag flink loopen, en zorgen, dat ze niet te gebogen zat, als ze schreef.“Maar ’k moet ’t juist om thuis doen. Vader is er altijd vreeselijk tegen geweest, dat ik zou studeeren. De heele familie trouwens—me moeder is dood—en hij heeft ’t pas toegestaan, toen belangstellende menschen me ’n beurs wilden bezorgen. Dat wou die niet; daar was hij te trotsch voor. Nu zal hij vijf jaar lang me ’n klein jaargeld geven, waarmee ’k rondkomen moet. Endan moet ’k voor mezelf zorgen.... Nou wil ik, zie je, het móet: dat ik na vijf jaar promoveer. Maar soms kom ’k niet met m’n geld toe; moet vertaalwerk er bij doen en zoo; dat houdt erg op. En dan de colleges, waar alles op langeren tijd is ingericht....”Go was op de tafel gaan zitten, stilletjes en verslagen. Waar bleef nu haar opgewonden verhaal over de romantische studie, waarmee ze ook Lize had willen opwekken, en verheugen? Waar wàs nu de glans, die ze zich had gedroomd om ’n mensch, die alleen in ’n kamer zat, en werkte, werkte? Deze was altijd alleen; deze werkte aan één stuk door, tot haar oogen dof en pijnlijk waren, en haar hoofd versuft. Was hier iets liefs en warms?Hier dreef de harde noodzakelijkheid langs den nauwen weg van de nuttige, of ten minste noodige examenkennis naar het hevig-begeerde doel van: onafhankelijk-zijn. Hier was geen zijsprongetje, geen afdwalen van het smalle pad geoorloofd; nooit mocht er stilgestaan worden, om ’t land te overzien, om bewust te worden, waar men eigenlijk ging.... deze werkster zou ondanks al haar zwoegen nooit de hoogere wetenschap begrijpen, niet verder komen dan feitenkennis, jaartallen- en handschriften-kennis; nooit de philosophie, de kern van alles vatten.“Maar waarom wilde je per se studeeren?” vroeg Go eindelijk.“Omdat dat ’t eenige is, waarvoor ’k geschikt ben, en ik me thuis niet langer als huishoudster kòn laten gebruiken. Ik heb even weinig aanleg voor huishoudwerk als de meeste mannen.”—Go dacht even aan de argumenteering van het kleinewezentje in den grooten mantel; hier kreeg ze gelijk,—“maar voor vader is iedere vrouw aangewezen huisslaaf; nu nóg, als ’k in de vacantie thuis ben, hóe ik me ook verzet, ik moet goed-verstellen, huishoudboodschappen doen, en al zulke dingen meer. En ik vind ’t afschuwelijk.”De juffrouw klopte even, zette toen zwijgend ’n bus om den hoek van de deur.“Wat is dat?” vroeg Go.“Dat is m’n eten.... maar ’t blijft wel even warm; ga nog niet weg.”“Waarom kwam-je eigenlijk bij me.... zoo maar ’s? Je moest ’t nog eens doen, maar ’t dan vooruit zeggen op college.”“Nee, ’t was, omdat ik ’n convocatie van ’n dispuut: L. V. heb gekregen, met ’n brief er bij, of ik wilde komen hospiteeren, en dat jij en je nichtje ook waren gevraagd.... Ik denk, dat jij me aanbevolen hebt, en nu wou ’k je zeggen, dat je dat niet hadt moeten doen; je bedoeling zal wel goed geweest zijn—maar ik kan me natuurlijk niet met zulke dingen inlaten.... ik hoor er niet bij.”“Hè, neem je ’t niet aan? Nee, geen tijd zeker; maar da’s jammer.... Aan die uitnoodiging ben ’k anders heelemaal onschuldig, hoor; dat moet van de jongens zijn uitgegaan. Ik heb niet eens over je gesproken.”“Dat ’s vreemd; wie kan dan op ’t idee zijn gekomen? Ik ken geen jongens.” Ze zat even stil met gefronsde wenkbrauwen, ’t papier bestarend. Toen stond ze op: “In elk geval heb ik ’t al afgeschreven,” besliste ze kort; stak Go de hand toe: “Ik ben blij, dat je bij me bent geweest; ik hoop, dat je nog ’s zult komen.”Het was al donker, toen Go buiten kwam: de lantaarns brandden, en hier en daar viel ook uit de huizen een lichtschijn op straat. “Het is telkens heelemaal anders,” peinsde ze ernstig, terwijl ze vlug doorliep, in angst, dat Else ongeduldig worden zou, “m’n gedachten zijn telkens anders, het uitzien van de stad verandert steeds.... Wat beleef je hier toch veel.... wat ’n stemmingen op één middag: eerst de inwijding in ’t begrijpen van de zuivere wetenschap, en dan vlak er na twee categorieën van menschen ontmoeten, die door twee tegenover-elkaar-staande beletsels die waarheid nooit begrijpen kunnen: Han en Else niet om hun opgaan in de weelde, en hun prettige dingen van alle dag; Lize niet om den zwaren financiëelen druk, om den dwang, wat te worden in de maatschappij. En zou ’t zoo niet zijn bij bijna alle studenten; zijn ’t niet allemaal fuivers of blokkers, met slechts ’n o, zoo enkele, enkele, die wezenlijk de diepere waarde van studie begrijpt? Zou ik-zelf het begrijpen, als ik bezig ben? Nu weet ik nog niets, is alles geheim en aantrekkelijk, maar als ik eenmaal er in ben, zou ik dan niet ondergaan in ’t klein geleer van verbuiginkjes en jaartallen.... zou ik ’t romantische blijven voelen?”Ze dacht aan ’t kind, dat nu alleen aan de leege tafel in de schemerige kamer zat, ongezellig etend uit ’n bus, onhuiselijk, kok-bereid eten, en dat dag in dag uit, nog jaren.... Zoo onrechtvaardig bevoorrecht voelde ze zich met haar lief tehuis, haar hartelijke familie, met haar gezellige kamer hier, op ’t oude grachtje, waar ’t licht op zou zijn, en de tafel genoeglijk gedekt, en Else met haar opgewekt gezichtje.Het carillon speelde voor half zes, toen Go den sleutel in ’t slot stak: zoo laat al, ’n half uur over den tijd; wat zou Else boos zijn!Maar Elsi stond, met haar warme voorhoofd tegen ’t raam geleund, droomend naar de stille schepen te staren, zonder zich iets om ’t koud-wordend eten te bekommeren....Hoofdstuk VI.“Nu beginnen we er goed in te komen,” zei Else opgewekt, toen ze samen over de donkere Breestraat liepen. “Visites, vergaderingen, colleges—onze dagen zijn heelemaal gevuld.”“Maar dit is iets nieuws en heel bizonders,” antwoordde Go, en ze had weer dat vreemde angstgevoel, hoe het toch gaan zou vanavond. De vergadering van “Laborando vincimus” was bij ’n meneer Van Neerwinden op ’t eind van ’t Rapenburg, om kwart over achten werden ze verwacht; maar wat zou er dan in vredesnaam verder gebeuren, en hoe zouden zij, meisjes, die nooit gedebatteerd hadden, ’n woord mee durven zeggen?Else had veel werk van haar toilet gemaakt, droeg ’n licht-beige voile japonnetje met mat-groene strikken, maar toen ze op ’t punt waren te gáán, had ze Go, die maar één avondjapon had van fijn laken met ’n kanten kraag, opeens angstig gevraagd, of ze niet “gek-mooi” was, en of je je eigenlijk voor een dispuut wel zoo zou kleeden. Maar ze had er toch maar niets meer aan veranderd, ofschoon Go had gezegd, dat ’n zóó schitterendeverschijning niet bevorderlijk kon zijn voor de aandacht der jonge lieden in de ernstige vergadering-zaken.Er sprankelde verwachting in Else’s oogen, en ze dacht niet aan de wichtigheid, die Go zoo drukte. Ze voelde, dat ze niet gevraagd kon zijn, omdat men van haar zooveel wijsheid verwachtte; ze wist haar meisjes-bekoorlijkheid, en, minder wuft dan vroeger op bals, wanneer ze altijd iedereen had willen boeien, dacht ze nu aan Henri alleen, voelde, dat hij haar snoezig vinden moest, en lachte stilletjes bij die heerlijke gedachte.Go had aldoor loopen denken, wat ze tegen de juffrouw zeggen moesten, die open deed, maar die liet ze dadelijk met ’n gezicht van er-alles-van-weten binnen, nam hoeden en mantels af, en hing ze aan den al vollen kapstok.“’t Is net een partijtje,” zei Else, haar haar glad-strijkend, maar Go hoorde ’t niet; ze had de deur van een der kamers open zien gaan, en ’n lange, donkere figuur, die nader kwam, deed haar blozen in ’n vreemde verwarring.“Mag ik me even voorstellen.... Van Neerwinden.... ik ben bizonder blij, dat u vanavond gekomen bent; de voorvergadering is nog aan den gang; zoudt u zoolang even in de achterkamer willen komen?”Go keek er dadelijk belangstellend en onderzoekend rond; ze was benieuwd, wat deze man voor kamers zou hebben, en hoe hij ze ingericht had. Maar haar eerste indruk was teleurstellend; het was er zoo rommelig en ongezellig, de muren hingen zoo vreeselijk vol; prenten gescheurd uit tijdschriften, rare karikaturen, waaiers, wapens, draperieën.Toen begon ze meer te onderscheiden, vond ’n paar mooie Steinlen’s, ’n portret van Zola, ’n Holbein, en in ’n hoek, waar ’t opeens héél stil leek, ’n teer melancolieke Madonna van Botticelli. Ze liep er heen, bleef er lang vóór staan; er was iets fascineerends in de starende oogen, die zoo zacht droef-en-gelukkig voor zich uitstaarden, die, weifelend tusschen opperste smart en hoogste zaligheid, onzeker glimlachend in tranen, droomden van het kindje en de toekomst. En het oneindig-teer gebaar van de lange, witte handen, die als stervende bloemen waren, ontroerde haar wonderlijk, zoodat ze zich afwendde, bleek van emotie, en recht in Neerwinden’s oogen keek, die achter haar was gaan staan: ze waren diep en zacht, ze was er eventjes heelemaal weg in; toen schoof hij haar ’n stoeltje aan, begon gewoon met Else te praten,.... de betoovering was voorbij.Else was teleurgesteld, dat ze niet dadelijk binnen was gelaten, praatte nonchalant en verveeld haar makkelijke conversatiezinnetjes door, zonder zich veel om haar toehoorder te bekommeren. Hij stond tegen de tafel geleund, half naar Else toe, en Go kon hem zoo prettig-rustig op zitten nemen, nu hij niet naar haar keek, hem weer beschouwend als ’n gewone, knappe jongen, die haar wel sympathiek toescheen. Haar verwarring van zooeven schreef ze op rekening van haar nerveuze angst, en ze plaagde zichzelf, dat er tot nu toe niets vreeselijks met haar was gebeurd.Hij was van meer dan middelmatige lengte, flink maar toch fijn gebouwd, en droeg z’n hoofd heel rechtop, zoodat ’t bijna aanmatigend was. Hij had zacht, dof-zwart haar, nog al lang, dat hij met ’n schuine scheiding langs z’n voorhoofdgeborsteld droeg. Z’n donker-blauwe oogen waren sterk en rustig, als hij gewoon praatte, maar ze wist, dat ze diepe afgronden konden worden; z’n neus was fijn en scherp, z’n lippen dun, en daar trokken moeë, melancolieke streepen langs, als hij even zweeg. Z’n tint was bleek, met ’n nerveus blosje onder z’n oogen, waar de jukbeenderen wat uitstaken, door het magere wangenvleesch, en de hand, waarmee hij telkens, als ’t gesprek hokte, even over z’n hoog voorhoofd streek, of hij z’n gedachten moest verzamelen, had die wassig-doorschijnende witheid, van nooit anders dan ’n pen te hebben aangeraakt.Z’n kleeren waren modieus en verzorgd, maar hij droeg ze met een zoo waardige gratie, dat niemand de details er van opmerkte, zonder er bepaald op te letten; de algemeene indruk was van ’n volkomen harmonie, waarbij niets hinderlijk op den voorgrond trad, en Go vergeleek hem onwillekeurig met Han, van wien je altijd dadelijk dacht: wat ’n mooie das heeft hij aan; wat ’n fijn vest.Nu werden de gordijnen van de suite opengetrokken, en de vergaderkamer lag als ’n tooneel voor hen open: Go zag dadelijk, dat die kamer kalmer en ordelijker was, dan die, waarin zij zaten, maar toch ontbrak er iets: ’n eenheid, ’n richting; ze wist niet precies wat; misschien was ’t ook alleen de vrouwelijke gezelligheid.In het midden van den kring, als praeses, zat Han, den hamer in de hand, ’n plechtige uitdrukking op z’n gezicht, die echter vervluchtigde, toen hij Else zag, versmolt in ’n blij-oplichtend lachen, terwijl hij opstond, om de meisjes te begroeten en voor te stellen.Naast hem zat de donkere, kleine Rolands, met z’n glanzend gezichtje, stil en ernstig, als ’n oostersch afgodsbeeldje, en aan z’n anderen kant was ’n stoel open voor Van Neerwinden, die ab-actis was, in ’t bezit van alle reliquieën en kostbaarheden van het dispuut.Gerard Leeden, die, zonder functie, dichter bij de deur zat, begroette Go met groote hartelijkheid, en de dichterlijke Louis Hoefman, wiens sombere, magere kop vreemd naast Gerard’s welgedaanheid afstak, bracht groote verwarring door al met stoelen te gaan sleepen, terwijl het voorstellen nog aan den gang was.Er waren drie jongens, die ze nog niet kenden: Frits Rolands, Wim de Veer en Otto Beerenstijn; en ook het meisje, Frieda Vervoort, was Else alleen wel ’s tegengekomen in de gang van de universiteit. Ze was candidaat in de rechten en studeerde ook oude talen, ze had ’n smal, mannelijk-belijnd, verstandig gezicht, tusschen laag opgemaakt glad-bruin haar. Go vond, dat ze leek op romeinsche jongenskoppen, zooals ze in de gang van hun gymnasium hingen, en beantwoordde stevig haar flinke, openhartige handdruk. Op de vacht voor de glimmend gepoetste vulkachel lag ’n slanke bruin-zwarte setter, de oogen goedig half-dicht, de lange ooren naar beneden. Go knielde er dadelijk naast, streelde hem en vroeg, hoe hij heette, blij, dat hij haar liefkoozingen toeliet, slechts dralend opstaand, toen Rolands haar ’n stoel bracht.Het duurde lang, vóór allen weer rustig gezeten waren, en de eigenlijke vergadering beginnen kon. Han had gezegd, dat ze nu ’n beetje ’n bonte rij konden maken, en Else naast zich wetente krijgen, tusschen hem en Rolands, die quaestor was, in, ofschoon de gewoonte was, dat ’t bestuur bij elkaar aan ’t hoofdeinde van de kamer zat. Go zat naast Eduard van Neerwinden, en voortdurend ging die naam in z’n heerlijke kadans door haar hoofd: wat ’n vreemde naam, wat ’n prachtig-mooie naam; echt ’n boeken-naam, en toch niet vervelend romantisch. Wat paste hij goed bij hem; ze had eigenlijk wel kunnen weten, dat hij zoo heeten moest: Eduard van Neerwinden; natuurlijk.De juffrouw was in de achterkamer binnengekomen, had thee geschonken in de lange rij witte kopjes, die klaar stonden. In een oogenblik was Go op, vroeg, of ze even mocht helpen met ronddienen; Else kwam achter haar aan met melk en suiker, en de jongens lachten onder elkander, voelend, hoe met deze meisjes het echt-vrouwelijk element in hun vergadering was gekomen, met deze kinderen, zóó van huis, waar ze ook niets dan “meisjes” waren geweest; en ze vonden ’t allemaal grappig en prettig, behalve Otto Beerenstijn, die vóór alles ’n werker was, donker naar de klok keek, die al bij negen wees, en bromde, dat hij wel had voorspeld, dat ’t kinderspel zou worden, zoodra je er zoo’n paar weeldeartikelen inhaalde.“Stil nou, kerel,” kalmeerde Han, “’t is immers de eerste keer, er is nog niets geregeld, en op ’n hospitanten-vergadering wordt nooit hard gewerkt. Willen de dames nu gaan zitten?” gebood hij, president-deftig, en Else liep dadelijk gedwee naar haar stoel, maar Go zei: “’k moet nog even opschenken, Han,” tot uitbundige vreugde der vergadering, “omdat zoo’n meisjegeen idee had van subordinatie aan den praeses.”En toen ze terugkwam, vertelde ze nog aan Eduard, “dat ze zelf wel verder schenken zou, hè, dan hoefde de juffrouw niet meer te komen, en deed ze toch ook wat,” totdat Han, ten einde met z’n geduld, den hamer kletterend vallen liet, en Gootje opschrok, als ’n op ondeugendheid betrapt kind, haar angstige oogen naar hem toekeerde, en zonder bewegen luisterde naar het deftige speechje, waarmee de meisjes werden welkom geheeten in hun midden.Eduard keek haar telkens van ter zijde aan, en vond ’t een aardig, gezellig kind. Else was mooier en eleganter, maar veel meer neutraal: een knap, gevierd meisje, van goeie familie. Go was eenvoudiger, kinderlijker eigenlijk, en toch niet onbenullig, of onnoozel. Dat ze zoo dadelijk naar die madonna was toegeloopen, en er toen niets over had gezegd, zoo maar stil was blijven kijken, was ’m enorm meegevallen. Je kon ’t ook eigenlijk wel zien aan haar gezicht, dat er kracht en diepte in haar was, al lag ook in de open, eerlijke oogen, dat ze nog nooit in haar leven iets had “doorgemaakt”.Han had z’n speech uit, en Go had even angstig naar Else gekeken: zouën ze nu eigenlijk wat moeten antwoorden?—maar dadelijk na ’t applaus was hij weer doorgegaan: “his feliciter peractis, transeamus ad....”“Dol,” zei Go tegen Eduard, “zoo’n wezenlijke vergadering.”—en toen er: “ad theam” was geroepen, ging ze met stralende oogen om de kopjes rond, vragend aan Gerard: “Wat zal er nu gebeuren?” dan weer tegen Han: “Ik vind ’t heerlijk, en we hoeven niets te zeggen, hè?”Er was ’n studie over George Moore van Otto Beerenstijn, maar Go had nooit iets van hem gelezen, zat met stil ontzag te luisteren, bang, dat ze haar domheid dadelijk zou moeten bekennen. Eduard had de kritiek, prees warm Beerenstijn’s grondig oordeel, en de meisjes keken eerbiedig naar den plompen jongen met den harden, breeden kop en de diep-liggende oogen, die ze allebei antipathiek hadden gevonden, instinctmatig voelend, dat hij niet hun vriend was.Toen las de kleine indischman verzen voor, met z’n dof, droef stemmetje, vreemd opklinkend uit zijn altijd-lachend gezicht, en de regels rolden van z’n lippen, als ’n lang aangehouden klacht, of hij las over lente en geluk, of over droefenis.Er kwam ’n levendig debat over, hoe verzen gelezen moeten worden, en iedereen maakte zich warm met veel gesticuleeren, ze bogen voorover op hunne stoelen, vielen opgewonden elkaar in de rede, zoodat de praeses aftikken moest, terwijl het stille ventje weer onbeweeglijk op zijn stoel zat, de beentjes recht naast elkaar, de fijne bruine handjes gevouwen, en de stage glimlach op z’n glanzend, bruin gezichtje, als ’n Bouddha-beeldje.In de pauze verzorgde Go de menschen met bier en limonade. Eduard, als gastheer, hielp haar en wees haar den weg in z’n kast; ze genoot van dat huisvrouwelijk doen, lette voortdurend op, of ieder wel had, wat hij wilde, ging telkens rond met de koekjes, deelde kleine gunsten uit.“Maar u vergeet uzelf,” zei Gerard, die zich bij Han en Else overcompleet had gevoeld, en zich verveelde bij ’t literatuur-gesprek van de anderen. “Mag ik u wat limonade inschenken?”“En dan houden we de verdere vergaderingde kattetongetjes bij ons. U houdt toch van koekjes?” vroeg Eduard.“O, verschrikkelijk,” en hij had er plezier in, te zien, hoe ze onder de vertaling—’n stuk uit Balsac—en later onder de memorisatie over “den invloed van Hegel op onze literatuur” telkens weer ’r hand naar de schaal uitstak, en dan, aandachtig luisterend, langzaam het dunne koekje opknabbelde met haar kleine, witte tanden, of Bruno bij zich lokte, de lekkernij in de hoogte, ’n glans van moederlijke zachtheid in haar oogen, en ze hem dan langzaam opeten liet, telkens stukjes afbrekend, en ze hem voorhoudend in de holte van haar rechterhand, de andere licht op z’n kop geleund. En als ’t op was, legde ze, voordat ze ’m gáán liet, telkens even haar armen om z’n opgeheven nek, en drukte haar wang tegen z’n haarvacht.Om half twaalf werd de vergadering gesloten en met druk geloop en gezoek naar mantels en jassen begon men afscheid te nemen. Eduard bleef thuis, omdat bij hem het “nabroodje” was voor de jongens, en Hoefman bood aan hem te helpen.“Nee, beste kerel, je meent ’t goed, maar ga jij mee, en droom wat in de maneschijn, want jij loopt me wezenlijk maar in den weg met je onhandigheid. Als Beerenstijn wil blijven—die geeft toch niet om de wandeling.” Maar toen hij in Louis’ oogen zag, dat hij gegriefd was, legde hij even de hand op z’n schouder: “Zeg, we hebben ’er gevraagd, hoor, je vriendin... eh... juffrouw Schermer.... maar ze heeft bedankt.”Go hoorde ’t, begreep opeens; maar Beerenstijn viel in: “Maar goed ook, anders werd ’t hier ’n meisjesschool—en die is bovendien affreus leelijk!”“Heeft ze bedankt zonder reden?”“Geen tijd, schreef ze. Nu, dat is geen reden, hè?” En Eduard stak z’n hand uit naar Go, die al even wachtte.“Ik hoop u nog dikwijls te zien,” zeide hij hartelijk.“Ik heb ’t heerlijk gevonden, maar ik voel me zoo klein, bij al die geleerdheid.”“Dat komt, omdat we vandaag allemaal ons beste beentje hebben voorgezet; u zult gauw door het vernisje heen zien.”Hij groette nog na bij de deur, waar ze zich dadelijk in groepjes verdeelden. De Veer en Hoefman brachten Frieda naar huis, die op de Jan v. Goyenkade woonde; Han en Else trachtten samen vooruit te loopen, maar Rolands bleef bij ze, kinderlijk-onbewust van de minder-wenschelijkheid van z’n gezelschap.Go liep zalig tusschen Gerard en Hans Elders in; ze was dankbaar, volkomen voldaan; ze leefde in ’t oogenblik, genoot van de stille straten, van haar sterke beschermers, de vroolijke gesprekken, haar warm, veilig gevoel. Ze sprak niet veel mee, dacht over de twee jongens aan haar zij, van wier leven ze nog zoo weinig wist, aan de anderen, die ze vanavond had leeren kennen, en die misschien eens haar vrienden zouden zijn.“Het is zoo heerlijk,” zei ze opeens, “hier zooveel menschen te leeren kennen, en allemaal jong te zijn, en veel voor elkaar te kunnen doen.”Als ’n antwoord klonk het carillon sterk en jubelend door den stillen nacht; de klanken vielen over hen heen als ’n regen van geluid, en Go was blijven staan, met geheven hoofd. Ze zag den hemel, de wolken door maanglans verzilverd,ze voelde den nacht om zich heen, en sloot even de oogen: het was, of ’n golf van het groote, heerlijke leven voor ’t eerst over haar heen geslagen was.Na de twaalf plechtige bonzen liepen ze weer door, en harder, om de voorloopers in te halen; Go dacht aan thuis, en hoe moeder zou kijken, als ze vertelde, dat ze na middernacht van een vergadering was gekomen. Haar vroolijkheid zocht ’n uitweg in steeds sneller beweging, tot ze eindelijk in een huppelenden draf oversloeg. “Stap nu allemaal op ’t midden van de brug,” hijgde ze, toen ze bij ’t oude ophaalbrugje gekomen waren, “dan veert ’t zoo heerlijk.”Ze véérden; lachten luid; en toen ze er af danste en in ’n vaart de hol af naar het oude huis toeliep, waarvan Han de deur al met Else’s sleutel had geopend, zei Gerard tegen Hans: “Dat kind lijkt net ’n vogel, in dien wijden, grijzen mantel—’n wilde vogel.”En Hans zei, dat dat ’n beeld was om Louis in verrukking te brengen.Hoofdstuk VII.Tegelijk met het officiëele bericht, dat ze als lid van “Laborando vincimus” waren aangenomen, werd drie dagen na de vergadering ’n briefje van Gerard bezorgd, met ’t verzoek, of de dames den volgenden middag bij hem wilden komen koffiedrinken—neef Henri en Hans Elders waren ook gevraagd.“Natuurlijk gáán we,” zei Else dadelijk, dankbaar bedenkend, dat ze juist deze week haar beste japon van huis mee had genomen.“Ja; wat aardig van Gerard,” antwoordde Go, en ze kreeg een heerlijk gevoel, of ze tóch wel de jongens eens zou bereiken; of de teleurstelling over het gescheiden-zijn maar iets tijdelijks blijken zou.“Ik kan ’m dan meteen nog wat over m’n responsie vragen,” overlegde ze verder, “hij zal er nog wel alles van weten.” Ze was nu al ’n week dag aan dag met haar naderende responsie bezig, kende de bladzij van Reinaert, die zij te lezen zou krijgen, al heelemaal uit ’t hoofd.“Lieve kind, hou toch op over die responsie. Je weet er zeker nu al meer van dan de profzelf... verbeeld je ’s, dat je iederen keer er zoo voor zwoegen moest; je hadt geen leven meer.”“Nee, maar den éérsten keer,” zuchtte Go, en verheugde zich op Gerard’s candidaat-vertrouwbare inlichtingen. “Van zoo’n eersten indruk hangt ’n massa af.”Ze hadden dien ochtend allebei tot elf uur college gehad, en gingen dadelijk naarGerard’skamer, want ze zouden vroeg koffiedrinken, omdat Go ’s middags weer weg moest. Het was ’n regenachtige, druilige dag; de bruine blaren rotten nat en vuil op den glibberigen grond, en de schuiten, die door het water gleden, hadden geen kleur en geen bekoring onder den doffen hemel. Hij woonde over de Korenbrug, en ’t was een ouderwetsch, stil-diep huis; op een portaal, groot en vierkant als ’n kamer, kwamen Gerard en Henri hen tegemoet, namen mantels en hoeden in ontvangst met geanimeerde toewijding.“Wat ’n vreeselijk leuk huis hebt u,” bewonderde Go, “wat ’n zalig portaal.... en zoo glad.... hè Els, wat zouën we hier goed kunnen glijën.”“Of dansen,” zei Gerard, “ik denk er over, hier nog ’s ’n bal te organiseeren van “Laborando vincimus”—maar komt u nu toch binnen.”Het was ’n aardige suite met matgeel behangsel; daar kwamen de reproducties van Dürer, De Hoogh, Rembrandt en Van Dijck zoo rustig op uit, dat Go in verrukking staan bleef, de handen in elkaar.“O, wat mooi,” zei ze eindelijk, “dat is nou de eerste mooie kamer, die ik zie.... hoe heerlijk ingericht, hoe gezellig.”“Dat komt, omdat m’n moeder me heeft geïnstalleerd,” antwoordde Gerard trotsch, “dat werktnog altijd na; bijna alles is gebleven, zooals zij ’t gezet heeft.”“En wat hebt u mooie bloemen,” bewonderde Else, met de handen in de chrysanten woelend.“Dat is ter eere van ’t hooge gezelschap; behalve moeder heb ik hier nooit vrouwelijk bezoek gehad. Het spijt me alleen, dat u geen zonnetje in de kamer ziet. Dan is alles zoo veel mooier.”Intusschen was Hans binnengekomen, had dadelijk in de achterkamer ’n paar druiven van de tafel gesnoept. Onder Gerard’s laatste woorden kwam hij naar voren loopen en knikte.“Toen ik klein was,” zei hij, “bad ik altijd, als ik uit zou gaan, of als er ’n feestje zou zijn den volgenden dag: “ons lieven Heertje, laat het morgen mooi weer zijn,” en als ’t dan stortregende, zei ik: “er waren zeker meer menschen, die om leelijk weer vroegen; of ze hebben beter gebeden dan ik,” en dan was ik tevreden.... En als ’t nu beroerd weer is, troost ik me nog altijd: “Het zal wel voor een heeleboel andere dingen goed zijn.”Daarna kwam hij ieder een hand geven, opgewekt en hartelijk, en ging toen in de vensterbank zitten.Het was ’n teer-gebouwde, magere jongen, met ’n intelligent gezicht: boven z’n hoog voorhoofd, waarin bij de slapen kuilen vielen, stond in ’n recht kuifje het stugge bruine haar, z’n oogen waren hartelijk en eerlijk, maar zwierven nerveus rond, wat niet paste bij z’n kalme, vriendelijke stem, waarmee hij alles zoo eenvoudig en pretensieloos zei, dat ’t tegelijk aantrekkelijk en roerend was. Gerard was dol op ’m, noemde ’m schertsendLeberecht Hühnchen, en kwam, in ’n somberebui, altijd ’t eerste bij hem, om zich te laten troosten. Nu ook werd zijn gezicht lichter, en met dringende hartelijkheid in z’n stem vroeg hij: “Waar ben je vanochtend heen geweest Hans? Heeft Beerenstijn je de boeken gebracht?”“In orde, ja; maar gaan we nog niet beginnen? Die tafel daar ziet er aanlokkelijk uit.... juffrouw Herderts zal bepaald na dezen maaltijd nog hooger idee van den smaak van ons dispuut krijgen.”“Goed.... komen jullie?” riep Gerard tegen Herderts en Else, die, dicht naast elkaar de geïllustreerde “Rêve” stonden te bekijken, en opschrikten bij de luide stem.“Mag ik ’t doen?” vroeg Go, toen ze Gerard het broodmes zag nemen.“Nu, graag als u wilt,” en Hans en hij keken elkaar éven prettig aan, omdat het zoo’n allerliefst, eenvoudig meisje was, en zoo heerlijk, die zoo’s gewoon op je kamer te hebben. Hans ging er zachtjes van fluiten, haalde intusschen de bus met chocoladepoeder en het koffie-extract uit de kast, waar hij evengoed den weg wist als de bezitter zelf, en hielp toen Han en Else, die samen op den grond zaten, om ’t keteltje in evenwicht te houden, dat niet op ’t komfoortje paste.“Hier, zet die ijzeren staafjes aan dezen kant, kerel, dan balanceert ’t wel—en draai de kraan heelemaal open, anders ben jullie nog niet klaar met je water, als juffrouw Herderts al boterhammen genoeg heeft voor ’n heel weeshuis.”“O, haast je maar niet,” zei Go, op ’t chocoladebusje studeerend, “want ik begrijp voorloopig heelemaal niet, hoe ik chocolademelk maken moet... en jullie willen toch geen waterchocolaad niet? Voor chocolademelk moet ik warme melk hebben...”“Nu, dat kàn,” en Gerard zette vlug-bereidwillig de flesch op de kachel.“Kerel, ben je....” Hans slikte en gaf ’m ’n vriendschappelijke klap, “op die manier krijgen we ’n melkweg in de kamer, maar geen chocolademelk in onze koppen. Die springt natuurlijk.”“Ons water kookt,” juichte Else triomfantelijk.“Over zelfs,” en Henri draaide de kraan dicht.“Nu, kom maar hier met den ketel; ik zal chocolade-water-melk maken, nieuw mengsel; voorzichtig schenken! Och, meneer Leeden, roert u even in dat kopje.”Ze stonden aandachtig met z’n vijven bij elkaar: Else schonk, terwijl Han met z’n zakdoek het deksel op de ketel drukte: Go keek toe en keurde, wanneer ’t genoeg was; Gerard roerde met toewijding in de klonterig-bruine pap, terwijl Hans de koppen met melk vulde.“Weet je, wàt dit nu wordt?” zei hij, trotsch-zeker. “We bereiden hier de nieuwste en smakelijkste drank: fosco.”“’t Smaakt heerlijk,” keurde Go, “dat gaan wij ook doen, hè Els?”“Ik vind ’t zoo leuk, zoo wat te knoeien,” zei Else tegen Han, “kunnen we niet nóg wat doen.... brood roosteren?”“Nee, nou gaan we heusch beginnen.... kom Hans, maak jij dit blik eens open.”“Wat is er toch enorm veel te doen, vóór je kunt gaan eten,” filosofeerde Gerard.“Voor ’n vrouw moet ’t prettig zijn, als ’r man op kamers gewoond heeft. Dan appreciëert-ie haar meer; weet, wat aan huishouden vast is.”Gerard keek onwillekeurig Go aan, die lachte, en zei: “En voor ’n meisje is op kamers-wonenleerzamer dan de beste huishoudschool. We doen nu misschien alles wel ’n beetje vreemd, nietcomme il faut, maar je krijgt toch overal idee van en leert ingrijpen.”“Op de gunstige uitwerking van op-kamers-wonen voor beide geslachten!” stootte Henri met Else aan, en de foscobekers rinkelden.“Welkom op m’n kamer,” zei Gerard aan Go, maar Hans verstoorde dadelijk de plechtigheid door: “Leve het getruffeerde gehakt!” te roepen, dat hij, plechtstatiglijk aan z’n vork opgepikt, in de hoogte hield. Nu begon werkelijk de maaltijd met frisschen honger en vroolijk, levendig gepraat, terwijl, halverwege, de juffrouw nog ’s uitgestuurd moest worden om “profeetjes”, daar de broodvoorraad dreigend te dunnen begon.“Nu mogen jullie ’s raden, hoe laat ’t is,” zei Hans met een glunder lachje, toen ze aan de druiven en noten waren toegekomen.Gerard, die twee noten tusschen z’n vingers gekneld hield, om ze voor Else te kraken, haalde onverschillig de schouders op: “Den Glücklichen schlägt keine Stunde”, maar Go, die aan college dacht, raadde angstig: “kwart voor éénen.”“Bijna ’n uur mis,” plaagde Hans, “over half twee.”“Maar we hebben Gotisch.” En Go was al op, met ’n donkere kleur van schrik; ze had nog nooit ’n college-uur verzuimd en vond ’t vreeselijk erg.“Daar is nu niets meer aan te doen,” kalmeerde Gerard, “en erg is ’t ook niet. Ga toch weer zitten, en laten we kalm doorgaan. Geeft u er nu vanmiddag uw colleges maar ’s aan, we zijn niet elken dag zoo prettig bij elkaar.”“Maar ’t volgende uur moet ik toch zeker gaan.”“Kind, wat ben-jij nog ’n echt eerste jaartje,” plaagde Han, hopend haar trots in opstand te brengen, maar Else wist een betere manier van overreden: “Je wilde toch ook nog vragen over je responsie, Go.”“O, ja, meneer Leeden; over Reinaert; mag dat dan, als we straks klaar zijn?”“Natuurlijk,” zei Gerard opgelucht, “moet u voor ’t eerst respondeeren?—ik weet niet, of ik er nog veel van ken, hoor; maar ’k heb nog al wat boeken hier—”“Maar als ’t gesprek zoo taalkundig wordt, gaan wij liever wat loopen samen, hè Els, en bespreken zóó samen de grondwet?” Han sprak luchtig en als terloops, maar Else bloosde, en om zich te verontschuldigen, zei ze verlegen: “Ja graag; ik heb ’t hier zoo warm gekregen; we konden Poelgeest omloopen.... Gaat u mee, meneer Elders, of houdt u óók meer van Reinaert?”Hans glimlachte, en streek met z’n hand door z’n donker haarbosje: “Natuurlijk gaat de studie me boven alles, juffrouw Gerzon, en bovendien zijn hier nog zooveel noten over, dat ik er me ’n heele middag mee bezig houden kan.”“Nou, adieu dan, lui,” zei Han opgelucht.“Dag meneer Leeden, ik heb ’t erg prettig gevonden.”Else lachte tegen Go—een heel bizonder lachje, vond ze.Hans was achter in de kamer op den grond gaan zitten met een deeltje van Poe en de rest der noten; hij zat met z’n rug tegen den muur, floot soms droomerig voor zich uit, maar namgeen deel aan ’t gesprek, dat de twee anderen bij het raam voerden. Go zat in de vensterbank, liet haar beenen jongensachtig heen en weer schommelen en Gerard reed schrijlings heen en weer op z’n stoel. De middag was stil en loom onder den kleurloozen hemel, en als Go uit ’t raam keek, trof haar ’t desolate van de oude, ongelijke steenstraat, waar de dorre blaren, vervuild en vermodderd, te rotten lagen.Ze hadden eerst samen de responsie-bladzij ernstig en breedvoerig besproken, Gerard vooral met veel toewijding, omdat hij ’n verlegenheid, die hij zelf niet begreep, z’n gedachten voelde stremmen, nu hij eindelijk eens rustig met dit kind zou kunnen praten.“Lekker weer om Poelgeest om te loopen,” had hij spottend gezegd, want ’t begon juist ’n beetje te motregenen; en Go: “Ik ben er nog nooit geweest.”Hij herinnerde zich, hoe hij in z’n eerste jaar, in den roes van nieuwe vriendschappen, die voor heel het leven schenen, met jongens als hijzelf, die hij nu nauwelijks meer kende, daar rondgedwaald had, nachten lang; met hun geëmotioneerde stemmen in de stilte elkaar vertellend, wat ze ’t hoogste en heiligste in hun leven hielden, dronken van grootsche toekomstplannen, hunkerend naar de volheid van hún leven, dat anders, rijker dan van eenig ander mensch zou zijn, bij elkander steun vindend voor de teleurstellingen van hun omgeving. En, droef glimlachend, omdat al die verwachtingen en al die heete vriendschappen zoo langzaam aan weggegaan waren, iederen dag ’n beetje, haast ongemerkt, en omdat hij achter was gebleven, soms wat leeg, wat moe, maar wetendzich ’n gewoon mensch, ’n mensch met plichten als ’n ander, die zich ’n positie zou maken... als ’n ander—dacht hij, of dit vroolijke, lieve meisje ook zoo langzaam haar stralenden blik verliezen zou—of juist door ’t licht van haar oogen anderer leven schooner glans zou kunnen geven;—en zacht vroeg hij haar: “Maar hoe bevalt ’t u hier nu eigenlijk?”Ze antwoordde dadelijk, zonder terughouding: “Dat weet ik zelf nog niet. Soms denk ik: ’t is hier toch veel beter dan thuis, en dan weer: was ik dit maar nooit begonnen! ’t Is alles zoo anders, zoo heelemaal nieuw... ik heb soms het gevoel, of ik pas over ’n langen tijd zal kunnen weten, hoe ik ’t studentenleven wezenlijk vind. De vrijheid bijvoorbeeld. Ik heb er altijd zoo naar verlangd: ik heb altijd gedacht, dat ’t iets zoo heerlijks zou zijn; en nu weet ik eigenlijk bijna nooit, wat ik er mee zal doen. ’t Lijkt soms, of ik door hier te komen alleen ’n mooi, hevig verlangen heb verloren; of de vervulling ervan slechts ’n leegte geeft.”“Als jongens hier vol verwachting aangekomen zijn, en ze vinden niets dan ’n ongezellige kamer, ’n kletsende hospita en saaie college-uren, dan slaan ze aan ’t drinken en fuiven en dwaasheden doen., En de kroeg, die eigenlijk niets is dan ’n ongezellig koffiehuis, al wordt hij ons elk jaar als ons thuis aangeprezen, wordt bij gebrek aan beter wezenlijk hun toevlucht, hun huiskamer. Maar wat meisjes, die natuurlijk dezelfde teleurstelling eerst ondergaan, moeten doen.... Dadelijk studeeren gáát niet; dat leer je naderhand; fuiven kunnen, en willen jullie, goddank, ook niet.”“Ik wou, dat we ’t konden: zoo ’s echt gewoon, uitgelaten pret hebben—zooals ik wel ’s gehoordheb, als ik over de Breestraat kwam ’s avonds, in de Turk of bij Levedag.... dat opgewonden zingen van kinderliedjes, al die vroolijke koppen bij elkaar.... Bij ons op de meisjesvereeniging is alles zoo ernstig; wel opgewekt, maar wijs. Nooit ’s dwaas en jolig. Daar zouden we ons, geloof ik, ’n beetje voor schamen, als we zoo allemaal bij elkaar zijn.”“Je.... pardon, u idealiseert onze manier van feestvieren.”Maar Go viel levendig in: “Nee, toe, noem me “Go” en zeg “je”; ik heb ’t al lang willen vragen, maar ’k wist niet, hoe hier de gewoonte was.”“Graag. Ik heet Gerard. Ik vind’tprettig, als je mij bij m’n voornaam noemen wilt.”En ze zwegen even, om de nieuwe faze, die hun vriendschap was ingegaan, terwijl Go in gedachten naar buiten keek en zei: “Wat zullen ze nat worden op hun wandeling—en ze hebben niet eens ’n parapluie.”“Wezenlijke uitgelaten vroolijkheid is iets zoo zeldzaams in de wereld,” praatte Gerard door, “gewoonlijk kunnen de menschen hun plezier vrijwel verwerken zonder behoefte er luidruchtig uiting aan te geven—als ’n fuif bij ons slagen wil, moet er een groot quantum wijn de pit, de stuwkracht aan geven. Zonder dien prikkel zijn wij ook niet vroolijk, zouden niet weten, wat te beginnen, behalve als je heel jong en heel kinderlijk bent, en gelukkig door allerlei waanbeelden.. maar dat is voor mij voorbij en sinds ik bewust ben gaan leven, ga ik niet of zelden naar fuiven meer—ik heb er geen plezier in, me buiten m’n zelf te brengen.”Hans had naar de laatste woorden geluisterd,en wierp ’n notedop door de kamer: “Subjectief, volkomen subjectief, beste kerel.... Natuurlijk, ’n objectieve meening is ’ncontradictio in terminis, zei Hegel;.... maar laat Wim de Veer z’n opinie eens over onze fuiven zeggen. Die danst al van louter pret, als hij nog geen druppel op heeft. Die fuift al, als er maar vijf lui in ’n kamer bij elkaar zijn. “Waar twee of drie in naam der vreugde te zamen zijn, zal ze in hun midden zijn” is z’n devies. Laat die juffrouw Herderts inlichten.”“Hè ja, vertel ’s wat van de andere leden van Laborando vincimus.—Van De Veer heb ik eigenlijk nog niets gemerkt—is die zoo vroolijk?” Go keerde zich in warme belangstelling naar Hans, maar Gerard mompelde: “’t Is ’n kind.”“Nee, dat is niet waar; ’t is ’n alleraardigste jongen,” verdedigde Hans. “Een vagebond, ’n losbandige, als je wilt, maar pittig, met ’n fond.... Je moet ’m op straat zien loopen: pet op, handen in de zakken, en toch altijd dat aristocratische, omdat-ie nu eenmaal van goeie familie is.... Hij fluit, blijft telkens staan, draait zich heelemaal om, als hij ’n aardig meisje ziet, leert ’n paar kwajongens, hoe ze hun vlieger op moeten laten, groet ’n prof met ’n familiariteit of ’t z’n collega is—”“Als-t-ie ’m groet,” viel Gerard hoonend in; “we kwamen laatst samen Hering tegen. Ik ken ’m toevallig, maar hij behoorde vier uur college bij ’m te loopen.... Nu; ik nam m’n hoed af, maar De Veer zegt: “Bejour” en toen tegen mij: “Wie is die varkensslachter?”Go schaterde: “O, zeg, wat vermakelijk is dat! Zou de prof boos zijn? Zag-ie er dan zoo schunnig uit?”“Ja, schunnig ziet-ie er altijd uit. Maar nooit college loopen, is toch geen manier.”“Nee; maar vertel verder; ik vind ’t zoo leuk.... vertel ook over de andere menschen van ’t dispuut. Wie is de aardigste?”“Hij,” zei Gerard en wees op Hans; Go had gehoopt het gesprek zoo op Van Neerwinden te brengen; maar de geprezene had zich al weer in Poe verdiept, en stoorde zich niet aan den lof.“Hoe is Beerenstijn?”“Knap, intelligent, eigenaardig. ’n Werker, ’n vrouwenhater, of eigenlijk verachter.... Ik geloof niet, dat je ’m sympathiek zult vinden.”“Nee,” zei Go. “En Van Neerwinden?”“’n Rare vent. Talentvol, geniaal misschien, maar decadent.—Ik mag ’m niet. ’t Is ’n vooroordeel van me, maar die verfijning, die zwakke onrust, dat elegant-lieve is me antipathiek. Het is geen kérel.”“Neen,” en Go glimlachte bij de gedachte aan z’n fijne handen, z’n loome bewegingen. “Hij ziet er ook niet sterk uit.... Och je kunt zoo weinig zeggen van de menschen na zoo één avond.”“Ja; ’k ben blij, dat je er nu inkomt. Als je elkaar geregeld ziet, wordt ’t zoo anders. ’k Zou willen, dat we ons als een groote familie gingen voelen, bepaald als bij elkaar hoorend.”Go knikte, zat stil voor zich uit te kijken. Achter haar stierf de dag. Het grijze licht viel door haar zwarte krullen heen, haar gezicht was in schaduw.En opeens hief ze de armen op, of ze iets groots omvatten wilde: “Zie-je, toen ’k hier kwam,” zei ze zacht en gejaagd, “verlangde ik de eerste dagen alleen maar naar huis terug, en ik kon aan niets anders denken dan aan moeder en debroertjes en zusjes, en m’n kamertje naast de trap.... maar toen ik ’n beetje gewend raakte op m’n kamer, begon ik iets te verlangen—ik weet niet wat. Ik voelde opeens, dat er iets bizonders met me zou kunnen gebeuren, dadelijk, ieder oogenblik van den dag.... Op straat kon ik het tegenkomen; als ik thuis kwam, vroeg ik de juffrouw, of er niets voor me gekomen was.... ik wist niet, wat ik verwachtte; ’t was eenvoudig:deverrassing.... En het werd hoe langer hoe erger—het werd ’n onrust—ik liep ’s avonds uit om het te zoeken, en dan ging ik langs de dichte huizen, alleen, en ik begon langzamerhand te begrijpen, wat ik wilde: ik had ’n heeleboel liefde en zorg, en behoefte om zacht voor iemand te zijn, en die wilde ik aan de jongens geven, aan àlle jongens.”Ze zweeg even, streek ’r haar van het voorhoofd. Gerard had het gezicht naar haar voorovergebogen, keek haar in zwijgende spanning aan.“Toen kwam de teleurstelling, dat ik ze niet kon bereiken; dat ze daar allemaal in hun eenzame kamers zaten, of onvoldaan treuzelden op de kroeg, en ik op de donkere straat liep, en ze niet wisten van m’n verlangen;....en ik wist toch, dat zij ’t ook prettig zouên vinden, hè, en dat ’t hun ook goed zou doen!”“Het zou hun ’n zegen zijn,” zei Gerard ernstig.“Maar op college sprak ik niemand, en ik mocht niet in de kroeg, en ik dacht: wat helpt me al m’n goed-willen, als ik ze niet eens naderen kan? Waar moet ik met m’n hartelijkheid heen? En daarom ben ik zoo blij over Laborando vincimus;—ik weet het, dat ik er vreeselijk veel leeren kan, dat jullie veel meer weten en veelknapper zijn dan ik; maar ik heb iets anders, dat jullie missen;—ik zou zoo heerlijk vinden, als we veel voor elkaar konden zijn.”Er viel weer een stilte in de kamer; Gerard zat stil; keek nu recht voor zich uit. Klompgeklepper van kinderen, die uit school kwamen, klinkerde tegen de ramen op, en schelle kreten joelden er jolig over heen.“Ik weet ’t zoo goed, ik voel ’t, hoe ontzettend veel goed ’n meisje in ons leven moet kunnen doen,” zei hij eindelijk, en z’n harde, scherpe stem klonk schor van ingehoudenheid. “Ik heb nu al zooveel jaar in eenzaamheid geleefd, en er alle mogelijke houdingen tegenover aangenomen, en nog altijd zijn er dagen, vooral de Zondagen, dat ik ’t gevoel heb gek te worden van de stilte om me heen, dat ik bel om ’n niets, alleen om weer ’s te kunnen praten, dat ’k iederen man, dien ’k maar van aanzien ken, aanfluit, om toch gezelschap te krijgen,—en zelfs—maar dat is de uiterste wanhoop,—voor den spiegel ga staan, en lach en praat tegen mezelf, dwaze buigingen maak, ’n gesprek op touw zet, om zoo eindelijk aan ’t zwijgen te ontkomen.”“Ja, ik voelde ’t wel, dat ’t zoo moest zijn, ’t vroolijke studentenleven.”“Niet bij iedereen natuurlijk. Je hóórde daar net van De Veer. En zoo zijn er meer. Als je pas aankomt, beken-je je ook gewoonlijk niet, dat je eenzaam bent. Je zoekt mooie vriendschappen. En als dat teleurstelt, ga-je fuiven. Maar er ligt onder de uitgelatenheid, de dwaasheid, het cynisme, heel wat melancolie en levensangst en onvoldaanheid verborgen. Dit zijn moeilijke jaren.”“Als ik hun nu ten minste maar wat gezelligheid op hun kamer geven kon.”“Begin met mij; ik zal zoo’n dankbare discipel zijn.”“Goed,” zei Go. En toen stak ze spontaan haar hand uit: “We zullen goeie vrienden zijn, wij samen, hè; we zullen elkaar helpen.”“Zeg,” riep Hans uit z’n donkeren hoek, “ik kan hier niets meer zien; zouên we niet ’s thee kunnen gaan brouwen?”Go ging naar de kast, terwijl Gerard z’n studeerlamp aanstak. En ze dacht, of ze ook Hans wat zou kunnen geven, of die zich ook wel ’s eenzaam voelde. Hij leek zoo tevreden in zich, zoo zelfgenoegzaam,—wel hartelijk en lief, maar toch teruggetrokken. Ze zou ook voor hem graag iets liefs willen doen; hij zag er zwak uit. En toch zoo opgewekt!“Gezellig, nu met ’t licht op en toch half in schemer thee te drinken.”“Ja, jij vindt de druilige dagen zelfs prettig, natuurlijk.”“Binnen, ja. Maar juffrouw Herderts en ik moeten weer naar ’t vijandige buiten.”“Ja, ’t is al laat. Ze zullen al lang van hun Poelgeest-wandeling terug zijn—”“Wie weet?” lachte Gerard. “Soms duurt zoo’n uitstapje lang.”Go vond Else alleen in de donkere kamer; ze kon haar gezicht niet zien, maar haar stem klonk opgewonden, toen ze: “Go, o, Gootje!” riep. Stijf sloeg ze de armen om haar hals, fluisterend: “Zeg, ik moet je wat vertellen—begrijp-je ’t al—o, Go, nu worden we dubbel nichtjes!”
Hoofdstuk V.Go liep met groote, krachtige stappen over het Rapenburg, hield ’t hoofd ’n beetje achterover, dat de zon in haar blij-open oogen scheen, en lachte telkens eventjes van prettig herdenken. Het was ’n heerlijk bezoek geweest. En ze had er juist zoo tegenop gezien. Naar de andere professoren waren ze met hun drieën gegaan, Lou, Coba en zij, alle drie eerste-jaars. En dan was ’t vooruit meer grappig dan angstig geweest: ze hadden onder elkaar afgesproken, wat ieder zeggen zou, en in welke volgorde, en wie ’t sein tot opstaan zou geven, en dan na de visite hadden ze nog meer plezier gehad, omdat bijna niets van de voorgenomen officiëele conversatie was gekomen, en ze zóó genoeglijk en vertrouwelijk met den professor hadden zitten praten, dat ze slechts met moeite hadden kunnen weg komen.Maar naar professor De Ruiter had Go dadelijk besloten alleen te gaan; ze vond ’t wel heel griezelig en gewaagd, en had vooruit geen zinnetje kunnen bedenken, dat ze tegen zoo’n geleerden man zou durven zeggen, maar op de colleges had hij haar zóó bizonder sympathiek geleken, dat ze toch deze gelegenheid ’m alleen te spreken nietongebruikt had willen laten, en met bevende hand aan het groote, ouderwetsche huis had aangescheld.Door plechtig-stille gangen, langs ’n gebeeldhouwde trap, was ze door de zwijgende dienstbode tot de deur van professor’s kamer geleid—ze had even met haar heele ziel gewenscht, dat ze dit ongelukkige bezoek nóóit had ondernomen—maar, nauwelijks binnen, was al haar angst geweken voor ’n heerlijk gevoel van harmonie: de kamer was groot en rustig; drie wanden bedekt met boeken-planken tot aan de zoldering; in de vierde groote hooge ramen, die uitzagen op den tuin.Bij een dier ramen stond de magere, gebogen mannefiguur; het licht viel op z’n zachte, witte haar en z’n door werken gekromden rug; op ’n standaard vóór hem lag ’n dik boek met vreemde letters; daar was z’n smal gezicht in weggedoken, ’n trek van verlangenden speurzin om z’n saamgetrokken mond; toen hij de deur hoorde gaan, had hij opgekeken, en, dadelijk zich losscheurend van z’n boeiende studie, was hij naar Go toegekomen, had haar hand genomen,’n makkelijk stoeltje aangeschoven bij de kachel, en was óver haar gaan zitten, de handen tusschen de knieën, de heldere, blauwe oogen achter de brilleglazen naar ’r toe.O, ze zou ’t nooit vergeten, zooals hij daar gezeten had, mager, bleek; wat ’t lichaam betrof uitgeleefd en eigenlijk geen man meer, omdat de wetenschap z’n jeugd, z’n gezondheid, z’n kracht, àlles had opgeëischt, maar met een glans in z’n oogen van eeuwig jong-zijn. Ze had ’t nog nooit gezien: de passie voor de wetenschap, het weg-zijn er in. Ze had altijd gedacht, dat het erg-vele weten hard moest maken en koud en dogmatisch. En dezeman—o, aan z’n woorden hoorde je, hoe jeugdig van geest hij was, en blijven zou door z’n groote liefde. “Het is zoo dwaas, dat de menschen taalstudie voor iets droogs houden; er is niets zoo romantisch; elk oogenblik kun-je wat ontdekken,” had hij gezegd. Romantisch! ja, dat voelde ze nu ook; en dat, op een hooger levensplan, kunst en wetenschap elkaar ontmoetten. Eigenlijk wás De Ruiter ’n kunstenaar. Wat zou ze niet gegeven hebben, als ze ’m op het oogenblik had kunnen teekenen, toen hij haar een Russisch gedicht voorlas om het mooie metrum, en ze hem juist en profil zag: het scherpe, fijne vossengezicht vooruitgedoken; de rond-gebogen, lange rug; en de lange, witte handen, die soms bewogen in langzaam gebaar.Hij had ’n prachtige stem; daarin trilde àl z’n bewondering, àl z’n liefde, voor wat hij las. Hij was heen en weer gegaan van de eene kast naar de andere, als ’n priester, die ’n vreemdeling inwijdt in de geheimen van z’n heiligdom; allerlei wonderlijke boeken had hij haar voorgelegd, met voor haar onbegrijpelijke letterteekens, en telkens weer had z’n mooie stem ’n paar regels gezegd, van klanken, die ze niet begreep, maar die haar heftig ontroerden, zacht haar wiegend in vreemden kadans.Klein had ze zich gevoeld, heelemaal niets, bij dien man, voor wien Sanskrit en Russisch en Arabisch en veel meer, vertrouwde dingen waren. En toch ook trotsch, omdat hij haar wel wat van z’n rijkdommen had willen toonen, blij om haar belangstelling.Wat zou ze nu gaan werken! Wat was er veel, ontzettend veel te doen.Verbeeld-je, dat ze niet eens Italiaansch kende. Dat was iets, aan welksmogelijkheid De Ruiter niet kon denken! En dat ze nog wel ’s moeite had met ’n Grieksch werkwoord! O, ’t was goéd, dat ze hier was gekomen, in deze stad van wetenschap. Hier leerde je inzien, hoe onontwikkeld, hoe arm aan kennis je was; en hier kreeg je ook den prikkel om dat te veranderen, om je in de boeken te storten, de wijsheid tot je te trekken. Daar was haar kamer, haar huis: hoe zou ze daar nu werken gaan, studeeren; zich wijden aan de “romantische” taalstudie, aan de wetenschapskunst!“Elsi!” kwam ze binnenstuiven. Maar Han zat op de canapé, leunde elegant met z’n arm op de kussens, en luisterde glimlachend naar Elsi, die, met ’n blozend gezichtje, op ’n laag stoeltje druk te beweren zat.“O,” zei Go langzaam, dadelijk voelend, dat ze stoorde: “ben jij er Han?”“Ja, ik kwam de convocaties voor “Laborando vincimus” maar zelf even brengen, om er nog ’s over te praten. ’t Is Vrijdag.”“O, best,” zei Go, en ’t kon haar opeens niet meer zooveel schelen, zóó was ze van haar bezoek vervuld.“Maar wat wou je eigenlijk zeggen: je stoof zoo in?” vroeg Else.“Ik wou zeggen....” Go vond ’t gek in dit milieu; die twee menschen dachten aan zoo heel andere dingen; “ik meende.... Ruiter was zoo aardig.”Het was ’n niets-zeggend zinnetje, viel ook niet op.“Zoo. Lize is straks even hier geweest”“Wat wou ze? Heeft ze geen boodschap gegeven?”“Nee, ’k ging naar ’r toe.... ze zei, dat ’t ’r erg speet, dat je er niet was.... Wat is ze vreeselijk leelijk.”“O; kan ik nog even gaan voor ’t eten.... ’t is nu vier; ja, dat gaat wel. Je excuseert me, Han.... ze heeft misschien wat bizonders.”“Stoor je niet aan mij.... ik ben geen officiëele visite,” verzekerde Han, opstaande, “’k ga zelf ook dadelijk....”“Eerst nog ’n kopje thee,” drong Else; en Go glimlachte, terwijl ze de deur achter zich sloot: Han en Else vonden elkaar erg aardig; Else zag er zoo opgewonden en stralend uit, als hij er was.... kleine Elsi.... En toen ze langs ’t raam kwam, zag ze Else’s krullig haar, heen en weer wuivend met druk beweeg van haar demonstreerend hoofdje.Lize woonde heelemaal bij de Rijn-en-Schiekade, en Go stapte stevig door om op tijd voor ’t eten weer thuis te zijn. Herinneringen aan het mooie professorsbezoek, de groeiende intimiteit tusschen Han en Else, en wat Lize haar te zeggen zou kunnen hebben, vormden den ondergrond van haar gedachten, terwijl ze intusschen toch rondkeek, en genoot van het schilderachtige stadje in de ondergaande zon.Ze vond ’t zoo wonderlijk, dat ze hier nu alleen liep, en niemand, die vroeg, waarheen ze ging, niemand, die zich bemoeide, met wat ze deed. Ze dacht aan het drukke Rotterdam, met z’n sleeperswagens en zware karren, met den rook van booten en fabrieken—en dan vond ze deze straten zoo dorps-stil, met niets dan wat rustige menschen, spelende kinderen; soms ’n enkel rijtuig of ’n postkar, wat ’n heele opschudding gaf.Hier hoorde je telkens ’t blije geluid van kinderstemmen of melancolieke pianoklank uit ’n huis: ginds werden alle lieve geluiden door handelslawaai, machinegedreun, overstemd.En toch was er niets kleins, niets bekrompens in de rust van de oude huizen, in de kalmte van de menschen. Het geestelijk leven, werkend in stilte, bloeiend in stilte, gaf iedere daad en beweging hier diepere beteekenis. Twaalfhonderd jonge menschen leerden hier van de grootste mannen van het land hun wijsheid en levenskennis. Op hun stille kamers in ’t bleeke daglicht, en meer nog ’s avonds bij de suizende lamp zaten ze als vrome monniken over hun boeken gebogen, werden ze ingewijd in het heilig geheim van de wetenschap. Ze had op dit oogenblik geen medelijden met hun eenzaamheid; ze vond er iets zoo moois in, alleen te zijn met je lieve boeken, waar zooveel wichtigs in staat; ze voelde ’t zoo’n voorrecht voor hen allen—en haar studeeren-om-later-voor-zichzelf-te-kunnen-zorgen leek haar nu niet ’n drukkende plicht, maar genade.“Lize,” zei ze levendig, toen ze de kamer binnenkwam, “ik kom dadelijk nog even naar je toe.... Else zei.... maar wat is ’t hier al donker.”“Ja, dat is ’t hier altijd zoo vroeg—dat komt door dien muur.” En Lize wees op ’n hoogen grijzen muur, die ’n klein, triestig binnenplaatsje omsloot.Go keek even vlug de kamer door; ze was karig maar niet smakeloos gemeubeld; de muren waren bijna kaal, boven de schrijftafel hing alleen ’n sombere Napoleonkop. De tafel was al gedekt, zag er akelig, lijkkleed-achtig uit in het schemerige licht; één bordje, één glas, één mes, één vorken ’n paar tinnen opscheplepels, donkerden in ’t midden.“Ik hou je toch niet op met eten—’t staat alles al zoo klaar.... eet je altijd alleen?”“Nee, ik heb nog den tijd.... De kok heeft ’t eten nog niet gebracht; ik eet altijd van den kok. ’t Is goed, en niet heel duur.”“O, kookt je juffrouw niet voor je?”“Nee, ’k heb ’n kamer zonder bediening, dat wil zeggen, ze doet geen boodschappen voor me, maakt m’n slaapkamer niet in orde—afwasschen wèl; ’t is ’n goeiig mensch.”“Maar ik zou toch liever in Ceres gaan eten, als ik jou was, of aan ’n studententafel... Dat altijd alleen-eten lijkt me nou zoo suf.” En Go dacht even: zou ’k haar vragen bij ons—de juffrouw zal ’t wel goed vinden—toch weer niet durvend om Else, die haar zoo leelijk, en zeker ook te burgerlijk, vond.“Nee, uitgaan om te eten kost me wezenlijk veel te veel tijd—het breekt je heelen avond.”“Maar vinden ze bij je thuis nou goed, dat je zoo onmenschelijk veel werkt, en zoo ongezond leeft?”Go dacht aan moeder, en al haar raadgevingen voor haar gezondheid van niet te lang werken, iederen dag flink loopen, en zorgen, dat ze niet te gebogen zat, als ze schreef.“Maar ’k moet ’t juist om thuis doen. Vader is er altijd vreeselijk tegen geweest, dat ik zou studeeren. De heele familie trouwens—me moeder is dood—en hij heeft ’t pas toegestaan, toen belangstellende menschen me ’n beurs wilden bezorgen. Dat wou die niet; daar was hij te trotsch voor. Nu zal hij vijf jaar lang me ’n klein jaargeld geven, waarmee ’k rondkomen moet. Endan moet ’k voor mezelf zorgen.... Nou wil ik, zie je, het móet: dat ik na vijf jaar promoveer. Maar soms kom ’k niet met m’n geld toe; moet vertaalwerk er bij doen en zoo; dat houdt erg op. En dan de colleges, waar alles op langeren tijd is ingericht....”Go was op de tafel gaan zitten, stilletjes en verslagen. Waar bleef nu haar opgewonden verhaal over de romantische studie, waarmee ze ook Lize had willen opwekken, en verheugen? Waar wàs nu de glans, die ze zich had gedroomd om ’n mensch, die alleen in ’n kamer zat, en werkte, werkte? Deze was altijd alleen; deze werkte aan één stuk door, tot haar oogen dof en pijnlijk waren, en haar hoofd versuft. Was hier iets liefs en warms?Hier dreef de harde noodzakelijkheid langs den nauwen weg van de nuttige, of ten minste noodige examenkennis naar het hevig-begeerde doel van: onafhankelijk-zijn. Hier was geen zijsprongetje, geen afdwalen van het smalle pad geoorloofd; nooit mocht er stilgestaan worden, om ’t land te overzien, om bewust te worden, waar men eigenlijk ging.... deze werkster zou ondanks al haar zwoegen nooit de hoogere wetenschap begrijpen, niet verder komen dan feitenkennis, jaartallen- en handschriften-kennis; nooit de philosophie, de kern van alles vatten.“Maar waarom wilde je per se studeeren?” vroeg Go eindelijk.“Omdat dat ’t eenige is, waarvoor ’k geschikt ben, en ik me thuis niet langer als huishoudster kòn laten gebruiken. Ik heb even weinig aanleg voor huishoudwerk als de meeste mannen.”—Go dacht even aan de argumenteering van het kleinewezentje in den grooten mantel; hier kreeg ze gelijk,—“maar voor vader is iedere vrouw aangewezen huisslaaf; nu nóg, als ’k in de vacantie thuis ben, hóe ik me ook verzet, ik moet goed-verstellen, huishoudboodschappen doen, en al zulke dingen meer. En ik vind ’t afschuwelijk.”De juffrouw klopte even, zette toen zwijgend ’n bus om den hoek van de deur.“Wat is dat?” vroeg Go.“Dat is m’n eten.... maar ’t blijft wel even warm; ga nog niet weg.”“Waarom kwam-je eigenlijk bij me.... zoo maar ’s? Je moest ’t nog eens doen, maar ’t dan vooruit zeggen op college.”“Nee, ’t was, omdat ik ’n convocatie van ’n dispuut: L. V. heb gekregen, met ’n brief er bij, of ik wilde komen hospiteeren, en dat jij en je nichtje ook waren gevraagd.... Ik denk, dat jij me aanbevolen hebt, en nu wou ’k je zeggen, dat je dat niet hadt moeten doen; je bedoeling zal wel goed geweest zijn—maar ik kan me natuurlijk niet met zulke dingen inlaten.... ik hoor er niet bij.”“Hè, neem je ’t niet aan? Nee, geen tijd zeker; maar da’s jammer.... Aan die uitnoodiging ben ’k anders heelemaal onschuldig, hoor; dat moet van de jongens zijn uitgegaan. Ik heb niet eens over je gesproken.”“Dat ’s vreemd; wie kan dan op ’t idee zijn gekomen? Ik ken geen jongens.” Ze zat even stil met gefronsde wenkbrauwen, ’t papier bestarend. Toen stond ze op: “In elk geval heb ik ’t al afgeschreven,” besliste ze kort; stak Go de hand toe: “Ik ben blij, dat je bij me bent geweest; ik hoop, dat je nog ’s zult komen.”Het was al donker, toen Go buiten kwam: de lantaarns brandden, en hier en daar viel ook uit de huizen een lichtschijn op straat. “Het is telkens heelemaal anders,” peinsde ze ernstig, terwijl ze vlug doorliep, in angst, dat Else ongeduldig worden zou, “m’n gedachten zijn telkens anders, het uitzien van de stad verandert steeds.... Wat beleef je hier toch veel.... wat ’n stemmingen op één middag: eerst de inwijding in ’t begrijpen van de zuivere wetenschap, en dan vlak er na twee categorieën van menschen ontmoeten, die door twee tegenover-elkaar-staande beletsels die waarheid nooit begrijpen kunnen: Han en Else niet om hun opgaan in de weelde, en hun prettige dingen van alle dag; Lize niet om den zwaren financiëelen druk, om den dwang, wat te worden in de maatschappij. En zou ’t zoo niet zijn bij bijna alle studenten; zijn ’t niet allemaal fuivers of blokkers, met slechts ’n o, zoo enkele, enkele, die wezenlijk de diepere waarde van studie begrijpt? Zou ik-zelf het begrijpen, als ik bezig ben? Nu weet ik nog niets, is alles geheim en aantrekkelijk, maar als ik eenmaal er in ben, zou ik dan niet ondergaan in ’t klein geleer van verbuiginkjes en jaartallen.... zou ik ’t romantische blijven voelen?”Ze dacht aan ’t kind, dat nu alleen aan de leege tafel in de schemerige kamer zat, ongezellig etend uit ’n bus, onhuiselijk, kok-bereid eten, en dat dag in dag uit, nog jaren.... Zoo onrechtvaardig bevoorrecht voelde ze zich met haar lief tehuis, haar hartelijke familie, met haar gezellige kamer hier, op ’t oude grachtje, waar ’t licht op zou zijn, en de tafel genoeglijk gedekt, en Else met haar opgewekt gezichtje.Het carillon speelde voor half zes, toen Go den sleutel in ’t slot stak: zoo laat al, ’n half uur over den tijd; wat zou Else boos zijn!Maar Elsi stond, met haar warme voorhoofd tegen ’t raam geleund, droomend naar de stille schepen te staren, zonder zich iets om ’t koud-wordend eten te bekommeren....
Go liep met groote, krachtige stappen over het Rapenburg, hield ’t hoofd ’n beetje achterover, dat de zon in haar blij-open oogen scheen, en lachte telkens eventjes van prettig herdenken. Het was ’n heerlijk bezoek geweest. En ze had er juist zoo tegenop gezien. Naar de andere professoren waren ze met hun drieën gegaan, Lou, Coba en zij, alle drie eerste-jaars. En dan was ’t vooruit meer grappig dan angstig geweest: ze hadden onder elkaar afgesproken, wat ieder zeggen zou, en in welke volgorde, en wie ’t sein tot opstaan zou geven, en dan na de visite hadden ze nog meer plezier gehad, omdat bijna niets van de voorgenomen officiëele conversatie was gekomen, en ze zóó genoeglijk en vertrouwelijk met den professor hadden zitten praten, dat ze slechts met moeite hadden kunnen weg komen.
Maar naar professor De Ruiter had Go dadelijk besloten alleen te gaan; ze vond ’t wel heel griezelig en gewaagd, en had vooruit geen zinnetje kunnen bedenken, dat ze tegen zoo’n geleerden man zou durven zeggen, maar op de colleges had hij haar zóó bizonder sympathiek geleken, dat ze toch deze gelegenheid ’m alleen te spreken nietongebruikt had willen laten, en met bevende hand aan het groote, ouderwetsche huis had aangescheld.
Door plechtig-stille gangen, langs ’n gebeeldhouwde trap, was ze door de zwijgende dienstbode tot de deur van professor’s kamer geleid—ze had even met haar heele ziel gewenscht, dat ze dit ongelukkige bezoek nóóit had ondernomen—maar, nauwelijks binnen, was al haar angst geweken voor ’n heerlijk gevoel van harmonie: de kamer was groot en rustig; drie wanden bedekt met boeken-planken tot aan de zoldering; in de vierde groote hooge ramen, die uitzagen op den tuin.
Bij een dier ramen stond de magere, gebogen mannefiguur; het licht viel op z’n zachte, witte haar en z’n door werken gekromden rug; op ’n standaard vóór hem lag ’n dik boek met vreemde letters; daar was z’n smal gezicht in weggedoken, ’n trek van verlangenden speurzin om z’n saamgetrokken mond; toen hij de deur hoorde gaan, had hij opgekeken, en, dadelijk zich losscheurend van z’n boeiende studie, was hij naar Go toegekomen, had haar hand genomen,’n makkelijk stoeltje aangeschoven bij de kachel, en was óver haar gaan zitten, de handen tusschen de knieën, de heldere, blauwe oogen achter de brilleglazen naar ’r toe.
O, ze zou ’t nooit vergeten, zooals hij daar gezeten had, mager, bleek; wat ’t lichaam betrof uitgeleefd en eigenlijk geen man meer, omdat de wetenschap z’n jeugd, z’n gezondheid, z’n kracht, àlles had opgeëischt, maar met een glans in z’n oogen van eeuwig jong-zijn. Ze had ’t nog nooit gezien: de passie voor de wetenschap, het weg-zijn er in. Ze had altijd gedacht, dat het erg-vele weten hard moest maken en koud en dogmatisch. En dezeman—o, aan z’n woorden hoorde je, hoe jeugdig van geest hij was, en blijven zou door z’n groote liefde. “Het is zoo dwaas, dat de menschen taalstudie voor iets droogs houden; er is niets zoo romantisch; elk oogenblik kun-je wat ontdekken,” had hij gezegd. Romantisch! ja, dat voelde ze nu ook; en dat, op een hooger levensplan, kunst en wetenschap elkaar ontmoetten. Eigenlijk wás De Ruiter ’n kunstenaar. Wat zou ze niet gegeven hebben, als ze ’m op het oogenblik had kunnen teekenen, toen hij haar een Russisch gedicht voorlas om het mooie metrum, en ze hem juist en profil zag: het scherpe, fijne vossengezicht vooruitgedoken; de rond-gebogen, lange rug; en de lange, witte handen, die soms bewogen in langzaam gebaar.
Hij had ’n prachtige stem; daarin trilde àl z’n bewondering, àl z’n liefde, voor wat hij las. Hij was heen en weer gegaan van de eene kast naar de andere, als ’n priester, die ’n vreemdeling inwijdt in de geheimen van z’n heiligdom; allerlei wonderlijke boeken had hij haar voorgelegd, met voor haar onbegrijpelijke letterteekens, en telkens weer had z’n mooie stem ’n paar regels gezegd, van klanken, die ze niet begreep, maar die haar heftig ontroerden, zacht haar wiegend in vreemden kadans.
Klein had ze zich gevoeld, heelemaal niets, bij dien man, voor wien Sanskrit en Russisch en Arabisch en veel meer, vertrouwde dingen waren. En toch ook trotsch, omdat hij haar wel wat van z’n rijkdommen had willen toonen, blij om haar belangstelling.
Wat zou ze nu gaan werken! Wat was er veel, ontzettend veel te doen.Verbeeld-je, dat ze niet eens Italiaansch kende. Dat was iets, aan welksmogelijkheid De Ruiter niet kon denken! En dat ze nog wel ’s moeite had met ’n Grieksch werkwoord! O, ’t was goéd, dat ze hier was gekomen, in deze stad van wetenschap. Hier leerde je inzien, hoe onontwikkeld, hoe arm aan kennis je was; en hier kreeg je ook den prikkel om dat te veranderen, om je in de boeken te storten, de wijsheid tot je te trekken. Daar was haar kamer, haar huis: hoe zou ze daar nu werken gaan, studeeren; zich wijden aan de “romantische” taalstudie, aan de wetenschapskunst!
“Elsi!” kwam ze binnenstuiven. Maar Han zat op de canapé, leunde elegant met z’n arm op de kussens, en luisterde glimlachend naar Elsi, die, met ’n blozend gezichtje, op ’n laag stoeltje druk te beweren zat.
“O,” zei Go langzaam, dadelijk voelend, dat ze stoorde: “ben jij er Han?”
“Ja, ik kwam de convocaties voor “Laborando vincimus” maar zelf even brengen, om er nog ’s over te praten. ’t Is Vrijdag.”
“O, best,” zei Go, en ’t kon haar opeens niet meer zooveel schelen, zóó was ze van haar bezoek vervuld.
“Maar wat wou je eigenlijk zeggen: je stoof zoo in?” vroeg Else.
“Ik wou zeggen....” Go vond ’t gek in dit milieu; die twee menschen dachten aan zoo heel andere dingen; “ik meende.... Ruiter was zoo aardig.”
Het was ’n niets-zeggend zinnetje, viel ook niet op.
“Zoo. Lize is straks even hier geweest”
“Wat wou ze? Heeft ze geen boodschap gegeven?”
“Nee, ’k ging naar ’r toe.... ze zei, dat ’t ’r erg speet, dat je er niet was.... Wat is ze vreeselijk leelijk.”
“O; kan ik nog even gaan voor ’t eten.... ’t is nu vier; ja, dat gaat wel. Je excuseert me, Han.... ze heeft misschien wat bizonders.”
“Stoor je niet aan mij.... ik ben geen officiëele visite,” verzekerde Han, opstaande, “’k ga zelf ook dadelijk....”
“Eerst nog ’n kopje thee,” drong Else; en Go glimlachte, terwijl ze de deur achter zich sloot: Han en Else vonden elkaar erg aardig; Else zag er zoo opgewonden en stralend uit, als hij er was.... kleine Elsi.... En toen ze langs ’t raam kwam, zag ze Else’s krullig haar, heen en weer wuivend met druk beweeg van haar demonstreerend hoofdje.
Lize woonde heelemaal bij de Rijn-en-Schiekade, en Go stapte stevig door om op tijd voor ’t eten weer thuis te zijn. Herinneringen aan het mooie professorsbezoek, de groeiende intimiteit tusschen Han en Else, en wat Lize haar te zeggen zou kunnen hebben, vormden den ondergrond van haar gedachten, terwijl ze intusschen toch rondkeek, en genoot van het schilderachtige stadje in de ondergaande zon.
Ze vond ’t zoo wonderlijk, dat ze hier nu alleen liep, en niemand, die vroeg, waarheen ze ging, niemand, die zich bemoeide, met wat ze deed. Ze dacht aan het drukke Rotterdam, met z’n sleeperswagens en zware karren, met den rook van booten en fabrieken—en dan vond ze deze straten zoo dorps-stil, met niets dan wat rustige menschen, spelende kinderen; soms ’n enkel rijtuig of ’n postkar, wat ’n heele opschudding gaf.
Hier hoorde je telkens ’t blije geluid van kinderstemmen of melancolieke pianoklank uit ’n huis: ginds werden alle lieve geluiden door handelslawaai, machinegedreun, overstemd.
En toch was er niets kleins, niets bekrompens in de rust van de oude huizen, in de kalmte van de menschen. Het geestelijk leven, werkend in stilte, bloeiend in stilte, gaf iedere daad en beweging hier diepere beteekenis. Twaalfhonderd jonge menschen leerden hier van de grootste mannen van het land hun wijsheid en levenskennis. Op hun stille kamers in ’t bleeke daglicht, en meer nog ’s avonds bij de suizende lamp zaten ze als vrome monniken over hun boeken gebogen, werden ze ingewijd in het heilig geheim van de wetenschap. Ze had op dit oogenblik geen medelijden met hun eenzaamheid; ze vond er iets zoo moois in, alleen te zijn met je lieve boeken, waar zooveel wichtigs in staat; ze voelde ’t zoo’n voorrecht voor hen allen—en haar studeeren-om-later-voor-zichzelf-te-kunnen-zorgen leek haar nu niet ’n drukkende plicht, maar genade.
“Lize,” zei ze levendig, toen ze de kamer binnenkwam, “ik kom dadelijk nog even naar je toe.... Else zei.... maar wat is ’t hier al donker.”
“Ja, dat is ’t hier altijd zoo vroeg—dat komt door dien muur.” En Lize wees op ’n hoogen grijzen muur, die ’n klein, triestig binnenplaatsje omsloot.
Go keek even vlug de kamer door; ze was karig maar niet smakeloos gemeubeld; de muren waren bijna kaal, boven de schrijftafel hing alleen ’n sombere Napoleonkop. De tafel was al gedekt, zag er akelig, lijkkleed-achtig uit in het schemerige licht; één bordje, één glas, één mes, één vorken ’n paar tinnen opscheplepels, donkerden in ’t midden.
“Ik hou je toch niet op met eten—’t staat alles al zoo klaar.... eet je altijd alleen?”
“Nee, ik heb nog den tijd.... De kok heeft ’t eten nog niet gebracht; ik eet altijd van den kok. ’t Is goed, en niet heel duur.”
“O, kookt je juffrouw niet voor je?”
“Nee, ’k heb ’n kamer zonder bediening, dat wil zeggen, ze doet geen boodschappen voor me, maakt m’n slaapkamer niet in orde—afwasschen wèl; ’t is ’n goeiig mensch.”
“Maar ik zou toch liever in Ceres gaan eten, als ik jou was, of aan ’n studententafel... Dat altijd alleen-eten lijkt me nou zoo suf.” En Go dacht even: zou ’k haar vragen bij ons—de juffrouw zal ’t wel goed vinden—toch weer niet durvend om Else, die haar zoo leelijk, en zeker ook te burgerlijk, vond.
“Nee, uitgaan om te eten kost me wezenlijk veel te veel tijd—het breekt je heelen avond.”
“Maar vinden ze bij je thuis nou goed, dat je zoo onmenschelijk veel werkt, en zoo ongezond leeft?”
Go dacht aan moeder, en al haar raadgevingen voor haar gezondheid van niet te lang werken, iederen dag flink loopen, en zorgen, dat ze niet te gebogen zat, als ze schreef.
“Maar ’k moet ’t juist om thuis doen. Vader is er altijd vreeselijk tegen geweest, dat ik zou studeeren. De heele familie trouwens—me moeder is dood—en hij heeft ’t pas toegestaan, toen belangstellende menschen me ’n beurs wilden bezorgen. Dat wou die niet; daar was hij te trotsch voor. Nu zal hij vijf jaar lang me ’n klein jaargeld geven, waarmee ’k rondkomen moet. Endan moet ’k voor mezelf zorgen.... Nou wil ik, zie je, het móet: dat ik na vijf jaar promoveer. Maar soms kom ’k niet met m’n geld toe; moet vertaalwerk er bij doen en zoo; dat houdt erg op. En dan de colleges, waar alles op langeren tijd is ingericht....”
Go was op de tafel gaan zitten, stilletjes en verslagen. Waar bleef nu haar opgewonden verhaal over de romantische studie, waarmee ze ook Lize had willen opwekken, en verheugen? Waar wàs nu de glans, die ze zich had gedroomd om ’n mensch, die alleen in ’n kamer zat, en werkte, werkte? Deze was altijd alleen; deze werkte aan één stuk door, tot haar oogen dof en pijnlijk waren, en haar hoofd versuft. Was hier iets liefs en warms?
Hier dreef de harde noodzakelijkheid langs den nauwen weg van de nuttige, of ten minste noodige examenkennis naar het hevig-begeerde doel van: onafhankelijk-zijn. Hier was geen zijsprongetje, geen afdwalen van het smalle pad geoorloofd; nooit mocht er stilgestaan worden, om ’t land te overzien, om bewust te worden, waar men eigenlijk ging.... deze werkster zou ondanks al haar zwoegen nooit de hoogere wetenschap begrijpen, niet verder komen dan feitenkennis, jaartallen- en handschriften-kennis; nooit de philosophie, de kern van alles vatten.
“Maar waarom wilde je per se studeeren?” vroeg Go eindelijk.
“Omdat dat ’t eenige is, waarvoor ’k geschikt ben, en ik me thuis niet langer als huishoudster kòn laten gebruiken. Ik heb even weinig aanleg voor huishoudwerk als de meeste mannen.”—Go dacht even aan de argumenteering van het kleinewezentje in den grooten mantel; hier kreeg ze gelijk,—“maar voor vader is iedere vrouw aangewezen huisslaaf; nu nóg, als ’k in de vacantie thuis ben, hóe ik me ook verzet, ik moet goed-verstellen, huishoudboodschappen doen, en al zulke dingen meer. En ik vind ’t afschuwelijk.”
De juffrouw klopte even, zette toen zwijgend ’n bus om den hoek van de deur.
“Wat is dat?” vroeg Go.
“Dat is m’n eten.... maar ’t blijft wel even warm; ga nog niet weg.”
“Waarom kwam-je eigenlijk bij me.... zoo maar ’s? Je moest ’t nog eens doen, maar ’t dan vooruit zeggen op college.”
“Nee, ’t was, omdat ik ’n convocatie van ’n dispuut: L. V. heb gekregen, met ’n brief er bij, of ik wilde komen hospiteeren, en dat jij en je nichtje ook waren gevraagd.... Ik denk, dat jij me aanbevolen hebt, en nu wou ’k je zeggen, dat je dat niet hadt moeten doen; je bedoeling zal wel goed geweest zijn—maar ik kan me natuurlijk niet met zulke dingen inlaten.... ik hoor er niet bij.”
“Hè, neem je ’t niet aan? Nee, geen tijd zeker; maar da’s jammer.... Aan die uitnoodiging ben ’k anders heelemaal onschuldig, hoor; dat moet van de jongens zijn uitgegaan. Ik heb niet eens over je gesproken.”
“Dat ’s vreemd; wie kan dan op ’t idee zijn gekomen? Ik ken geen jongens.” Ze zat even stil met gefronsde wenkbrauwen, ’t papier bestarend. Toen stond ze op: “In elk geval heb ik ’t al afgeschreven,” besliste ze kort; stak Go de hand toe: “Ik ben blij, dat je bij me bent geweest; ik hoop, dat je nog ’s zult komen.”
Het was al donker, toen Go buiten kwam: de lantaarns brandden, en hier en daar viel ook uit de huizen een lichtschijn op straat. “Het is telkens heelemaal anders,” peinsde ze ernstig, terwijl ze vlug doorliep, in angst, dat Else ongeduldig worden zou, “m’n gedachten zijn telkens anders, het uitzien van de stad verandert steeds.... Wat beleef je hier toch veel.... wat ’n stemmingen op één middag: eerst de inwijding in ’t begrijpen van de zuivere wetenschap, en dan vlak er na twee categorieën van menschen ontmoeten, die door twee tegenover-elkaar-staande beletsels die waarheid nooit begrijpen kunnen: Han en Else niet om hun opgaan in de weelde, en hun prettige dingen van alle dag; Lize niet om den zwaren financiëelen druk, om den dwang, wat te worden in de maatschappij. En zou ’t zoo niet zijn bij bijna alle studenten; zijn ’t niet allemaal fuivers of blokkers, met slechts ’n o, zoo enkele, enkele, die wezenlijk de diepere waarde van studie begrijpt? Zou ik-zelf het begrijpen, als ik bezig ben? Nu weet ik nog niets, is alles geheim en aantrekkelijk, maar als ik eenmaal er in ben, zou ik dan niet ondergaan in ’t klein geleer van verbuiginkjes en jaartallen.... zou ik ’t romantische blijven voelen?”
Ze dacht aan ’t kind, dat nu alleen aan de leege tafel in de schemerige kamer zat, ongezellig etend uit ’n bus, onhuiselijk, kok-bereid eten, en dat dag in dag uit, nog jaren.... Zoo onrechtvaardig bevoorrecht voelde ze zich met haar lief tehuis, haar hartelijke familie, met haar gezellige kamer hier, op ’t oude grachtje, waar ’t licht op zou zijn, en de tafel genoeglijk gedekt, en Else met haar opgewekt gezichtje.
Het carillon speelde voor half zes, toen Go den sleutel in ’t slot stak: zoo laat al, ’n half uur over den tijd; wat zou Else boos zijn!
Maar Elsi stond, met haar warme voorhoofd tegen ’t raam geleund, droomend naar de stille schepen te staren, zonder zich iets om ’t koud-wordend eten te bekommeren....
Hoofdstuk VI.“Nu beginnen we er goed in te komen,” zei Else opgewekt, toen ze samen over de donkere Breestraat liepen. “Visites, vergaderingen, colleges—onze dagen zijn heelemaal gevuld.”“Maar dit is iets nieuws en heel bizonders,” antwoordde Go, en ze had weer dat vreemde angstgevoel, hoe het toch gaan zou vanavond. De vergadering van “Laborando vincimus” was bij ’n meneer Van Neerwinden op ’t eind van ’t Rapenburg, om kwart over achten werden ze verwacht; maar wat zou er dan in vredesnaam verder gebeuren, en hoe zouden zij, meisjes, die nooit gedebatteerd hadden, ’n woord mee durven zeggen?Else had veel werk van haar toilet gemaakt, droeg ’n licht-beige voile japonnetje met mat-groene strikken, maar toen ze op ’t punt waren te gáán, had ze Go, die maar één avondjapon had van fijn laken met ’n kanten kraag, opeens angstig gevraagd, of ze niet “gek-mooi” was, en of je je eigenlijk voor een dispuut wel zoo zou kleeden. Maar ze had er toch maar niets meer aan veranderd, ofschoon Go had gezegd, dat ’n zóó schitterendeverschijning niet bevorderlijk kon zijn voor de aandacht der jonge lieden in de ernstige vergadering-zaken.Er sprankelde verwachting in Else’s oogen, en ze dacht niet aan de wichtigheid, die Go zoo drukte. Ze voelde, dat ze niet gevraagd kon zijn, omdat men van haar zooveel wijsheid verwachtte; ze wist haar meisjes-bekoorlijkheid, en, minder wuft dan vroeger op bals, wanneer ze altijd iedereen had willen boeien, dacht ze nu aan Henri alleen, voelde, dat hij haar snoezig vinden moest, en lachte stilletjes bij die heerlijke gedachte.Go had aldoor loopen denken, wat ze tegen de juffrouw zeggen moesten, die open deed, maar die liet ze dadelijk met ’n gezicht van er-alles-van-weten binnen, nam hoeden en mantels af, en hing ze aan den al vollen kapstok.“’t Is net een partijtje,” zei Else, haar haar glad-strijkend, maar Go hoorde ’t niet; ze had de deur van een der kamers open zien gaan, en ’n lange, donkere figuur, die nader kwam, deed haar blozen in ’n vreemde verwarring.“Mag ik me even voorstellen.... Van Neerwinden.... ik ben bizonder blij, dat u vanavond gekomen bent; de voorvergadering is nog aan den gang; zoudt u zoolang even in de achterkamer willen komen?”Go keek er dadelijk belangstellend en onderzoekend rond; ze was benieuwd, wat deze man voor kamers zou hebben, en hoe hij ze ingericht had. Maar haar eerste indruk was teleurstellend; het was er zoo rommelig en ongezellig, de muren hingen zoo vreeselijk vol; prenten gescheurd uit tijdschriften, rare karikaturen, waaiers, wapens, draperieën.Toen begon ze meer te onderscheiden, vond ’n paar mooie Steinlen’s, ’n portret van Zola, ’n Holbein, en in ’n hoek, waar ’t opeens héél stil leek, ’n teer melancolieke Madonna van Botticelli. Ze liep er heen, bleef er lang vóór staan; er was iets fascineerends in de starende oogen, die zoo zacht droef-en-gelukkig voor zich uitstaarden, die, weifelend tusschen opperste smart en hoogste zaligheid, onzeker glimlachend in tranen, droomden van het kindje en de toekomst. En het oneindig-teer gebaar van de lange, witte handen, die als stervende bloemen waren, ontroerde haar wonderlijk, zoodat ze zich afwendde, bleek van emotie, en recht in Neerwinden’s oogen keek, die achter haar was gaan staan: ze waren diep en zacht, ze was er eventjes heelemaal weg in; toen schoof hij haar ’n stoeltje aan, begon gewoon met Else te praten,.... de betoovering was voorbij.Else was teleurgesteld, dat ze niet dadelijk binnen was gelaten, praatte nonchalant en verveeld haar makkelijke conversatiezinnetjes door, zonder zich veel om haar toehoorder te bekommeren. Hij stond tegen de tafel geleund, half naar Else toe, en Go kon hem zoo prettig-rustig op zitten nemen, nu hij niet naar haar keek, hem weer beschouwend als ’n gewone, knappe jongen, die haar wel sympathiek toescheen. Haar verwarring van zooeven schreef ze op rekening van haar nerveuze angst, en ze plaagde zichzelf, dat er tot nu toe niets vreeselijks met haar was gebeurd.Hij was van meer dan middelmatige lengte, flink maar toch fijn gebouwd, en droeg z’n hoofd heel rechtop, zoodat ’t bijna aanmatigend was. Hij had zacht, dof-zwart haar, nog al lang, dat hij met ’n schuine scheiding langs z’n voorhoofdgeborsteld droeg. Z’n donker-blauwe oogen waren sterk en rustig, als hij gewoon praatte, maar ze wist, dat ze diepe afgronden konden worden; z’n neus was fijn en scherp, z’n lippen dun, en daar trokken moeë, melancolieke streepen langs, als hij even zweeg. Z’n tint was bleek, met ’n nerveus blosje onder z’n oogen, waar de jukbeenderen wat uitstaken, door het magere wangenvleesch, en de hand, waarmee hij telkens, als ’t gesprek hokte, even over z’n hoog voorhoofd streek, of hij z’n gedachten moest verzamelen, had die wassig-doorschijnende witheid, van nooit anders dan ’n pen te hebben aangeraakt.Z’n kleeren waren modieus en verzorgd, maar hij droeg ze met een zoo waardige gratie, dat niemand de details er van opmerkte, zonder er bepaald op te letten; de algemeene indruk was van ’n volkomen harmonie, waarbij niets hinderlijk op den voorgrond trad, en Go vergeleek hem onwillekeurig met Han, van wien je altijd dadelijk dacht: wat ’n mooie das heeft hij aan; wat ’n fijn vest.Nu werden de gordijnen van de suite opengetrokken, en de vergaderkamer lag als ’n tooneel voor hen open: Go zag dadelijk, dat die kamer kalmer en ordelijker was, dan die, waarin zij zaten, maar toch ontbrak er iets: ’n eenheid, ’n richting; ze wist niet precies wat; misschien was ’t ook alleen de vrouwelijke gezelligheid.In het midden van den kring, als praeses, zat Han, den hamer in de hand, ’n plechtige uitdrukking op z’n gezicht, die echter vervluchtigde, toen hij Else zag, versmolt in ’n blij-oplichtend lachen, terwijl hij opstond, om de meisjes te begroeten en voor te stellen.Naast hem zat de donkere, kleine Rolands, met z’n glanzend gezichtje, stil en ernstig, als ’n oostersch afgodsbeeldje, en aan z’n anderen kant was ’n stoel open voor Van Neerwinden, die ab-actis was, in ’t bezit van alle reliquieën en kostbaarheden van het dispuut.Gerard Leeden, die, zonder functie, dichter bij de deur zat, begroette Go met groote hartelijkheid, en de dichterlijke Louis Hoefman, wiens sombere, magere kop vreemd naast Gerard’s welgedaanheid afstak, bracht groote verwarring door al met stoelen te gaan sleepen, terwijl het voorstellen nog aan den gang was.Er waren drie jongens, die ze nog niet kenden: Frits Rolands, Wim de Veer en Otto Beerenstijn; en ook het meisje, Frieda Vervoort, was Else alleen wel ’s tegengekomen in de gang van de universiteit. Ze was candidaat in de rechten en studeerde ook oude talen, ze had ’n smal, mannelijk-belijnd, verstandig gezicht, tusschen laag opgemaakt glad-bruin haar. Go vond, dat ze leek op romeinsche jongenskoppen, zooals ze in de gang van hun gymnasium hingen, en beantwoordde stevig haar flinke, openhartige handdruk. Op de vacht voor de glimmend gepoetste vulkachel lag ’n slanke bruin-zwarte setter, de oogen goedig half-dicht, de lange ooren naar beneden. Go knielde er dadelijk naast, streelde hem en vroeg, hoe hij heette, blij, dat hij haar liefkoozingen toeliet, slechts dralend opstaand, toen Rolands haar ’n stoel bracht.Het duurde lang, vóór allen weer rustig gezeten waren, en de eigenlijke vergadering beginnen kon. Han had gezegd, dat ze nu ’n beetje ’n bonte rij konden maken, en Else naast zich wetente krijgen, tusschen hem en Rolands, die quaestor was, in, ofschoon de gewoonte was, dat ’t bestuur bij elkaar aan ’t hoofdeinde van de kamer zat. Go zat naast Eduard van Neerwinden, en voortdurend ging die naam in z’n heerlijke kadans door haar hoofd: wat ’n vreemde naam, wat ’n prachtig-mooie naam; echt ’n boeken-naam, en toch niet vervelend romantisch. Wat paste hij goed bij hem; ze had eigenlijk wel kunnen weten, dat hij zoo heeten moest: Eduard van Neerwinden; natuurlijk.De juffrouw was in de achterkamer binnengekomen, had thee geschonken in de lange rij witte kopjes, die klaar stonden. In een oogenblik was Go op, vroeg, of ze even mocht helpen met ronddienen; Else kwam achter haar aan met melk en suiker, en de jongens lachten onder elkander, voelend, hoe met deze meisjes het echt-vrouwelijk element in hun vergadering was gekomen, met deze kinderen, zóó van huis, waar ze ook niets dan “meisjes” waren geweest; en ze vonden ’t allemaal grappig en prettig, behalve Otto Beerenstijn, die vóór alles ’n werker was, donker naar de klok keek, die al bij negen wees, en bromde, dat hij wel had voorspeld, dat ’t kinderspel zou worden, zoodra je er zoo’n paar weeldeartikelen inhaalde.“Stil nou, kerel,” kalmeerde Han, “’t is immers de eerste keer, er is nog niets geregeld, en op ’n hospitanten-vergadering wordt nooit hard gewerkt. Willen de dames nu gaan zitten?” gebood hij, president-deftig, en Else liep dadelijk gedwee naar haar stoel, maar Go zei: “’k moet nog even opschenken, Han,” tot uitbundige vreugde der vergadering, “omdat zoo’n meisjegeen idee had van subordinatie aan den praeses.”En toen ze terugkwam, vertelde ze nog aan Eduard, “dat ze zelf wel verder schenken zou, hè, dan hoefde de juffrouw niet meer te komen, en deed ze toch ook wat,” totdat Han, ten einde met z’n geduld, den hamer kletterend vallen liet, en Gootje opschrok, als ’n op ondeugendheid betrapt kind, haar angstige oogen naar hem toekeerde, en zonder bewegen luisterde naar het deftige speechje, waarmee de meisjes werden welkom geheeten in hun midden.Eduard keek haar telkens van ter zijde aan, en vond ’t een aardig, gezellig kind. Else was mooier en eleganter, maar veel meer neutraal: een knap, gevierd meisje, van goeie familie. Go was eenvoudiger, kinderlijker eigenlijk, en toch niet onbenullig, of onnoozel. Dat ze zoo dadelijk naar die madonna was toegeloopen, en er toen niets over had gezegd, zoo maar stil was blijven kijken, was ’m enorm meegevallen. Je kon ’t ook eigenlijk wel zien aan haar gezicht, dat er kracht en diepte in haar was, al lag ook in de open, eerlijke oogen, dat ze nog nooit in haar leven iets had “doorgemaakt”.Han had z’n speech uit, en Go had even angstig naar Else gekeken: zouën ze nu eigenlijk wat moeten antwoorden?—maar dadelijk na ’t applaus was hij weer doorgegaan: “his feliciter peractis, transeamus ad....”“Dol,” zei Go tegen Eduard, “zoo’n wezenlijke vergadering.”—en toen er: “ad theam” was geroepen, ging ze met stralende oogen om de kopjes rond, vragend aan Gerard: “Wat zal er nu gebeuren?” dan weer tegen Han: “Ik vind ’t heerlijk, en we hoeven niets te zeggen, hè?”Er was ’n studie over George Moore van Otto Beerenstijn, maar Go had nooit iets van hem gelezen, zat met stil ontzag te luisteren, bang, dat ze haar domheid dadelijk zou moeten bekennen. Eduard had de kritiek, prees warm Beerenstijn’s grondig oordeel, en de meisjes keken eerbiedig naar den plompen jongen met den harden, breeden kop en de diep-liggende oogen, die ze allebei antipathiek hadden gevonden, instinctmatig voelend, dat hij niet hun vriend was.Toen las de kleine indischman verzen voor, met z’n dof, droef stemmetje, vreemd opklinkend uit zijn altijd-lachend gezicht, en de regels rolden van z’n lippen, als ’n lang aangehouden klacht, of hij las over lente en geluk, of over droefenis.Er kwam ’n levendig debat over, hoe verzen gelezen moeten worden, en iedereen maakte zich warm met veel gesticuleeren, ze bogen voorover op hunne stoelen, vielen opgewonden elkaar in de rede, zoodat de praeses aftikken moest, terwijl het stille ventje weer onbeweeglijk op zijn stoel zat, de beentjes recht naast elkaar, de fijne bruine handjes gevouwen, en de stage glimlach op z’n glanzend, bruin gezichtje, als ’n Bouddha-beeldje.In de pauze verzorgde Go de menschen met bier en limonade. Eduard, als gastheer, hielp haar en wees haar den weg in z’n kast; ze genoot van dat huisvrouwelijk doen, lette voortdurend op, of ieder wel had, wat hij wilde, ging telkens rond met de koekjes, deelde kleine gunsten uit.“Maar u vergeet uzelf,” zei Gerard, die zich bij Han en Else overcompleet had gevoeld, en zich verveelde bij ’t literatuur-gesprek van de anderen. “Mag ik u wat limonade inschenken?”“En dan houden we de verdere vergaderingde kattetongetjes bij ons. U houdt toch van koekjes?” vroeg Eduard.“O, verschrikkelijk,” en hij had er plezier in, te zien, hoe ze onder de vertaling—’n stuk uit Balsac—en later onder de memorisatie over “den invloed van Hegel op onze literatuur” telkens weer ’r hand naar de schaal uitstak, en dan, aandachtig luisterend, langzaam het dunne koekje opknabbelde met haar kleine, witte tanden, of Bruno bij zich lokte, de lekkernij in de hoogte, ’n glans van moederlijke zachtheid in haar oogen, en ze hem dan langzaam opeten liet, telkens stukjes afbrekend, en ze hem voorhoudend in de holte van haar rechterhand, de andere licht op z’n kop geleund. En als ’t op was, legde ze, voordat ze ’m gáán liet, telkens even haar armen om z’n opgeheven nek, en drukte haar wang tegen z’n haarvacht.Om half twaalf werd de vergadering gesloten en met druk geloop en gezoek naar mantels en jassen begon men afscheid te nemen. Eduard bleef thuis, omdat bij hem het “nabroodje” was voor de jongens, en Hoefman bood aan hem te helpen.“Nee, beste kerel, je meent ’t goed, maar ga jij mee, en droom wat in de maneschijn, want jij loopt me wezenlijk maar in den weg met je onhandigheid. Als Beerenstijn wil blijven—die geeft toch niet om de wandeling.” Maar toen hij in Louis’ oogen zag, dat hij gegriefd was, legde hij even de hand op z’n schouder: “Zeg, we hebben ’er gevraagd, hoor, je vriendin... eh... juffrouw Schermer.... maar ze heeft bedankt.”Go hoorde ’t, begreep opeens; maar Beerenstijn viel in: “Maar goed ook, anders werd ’t hier ’n meisjesschool—en die is bovendien affreus leelijk!”“Heeft ze bedankt zonder reden?”“Geen tijd, schreef ze. Nu, dat is geen reden, hè?” En Eduard stak z’n hand uit naar Go, die al even wachtte.“Ik hoop u nog dikwijls te zien,” zeide hij hartelijk.“Ik heb ’t heerlijk gevonden, maar ik voel me zoo klein, bij al die geleerdheid.”“Dat komt, omdat we vandaag allemaal ons beste beentje hebben voorgezet; u zult gauw door het vernisje heen zien.”Hij groette nog na bij de deur, waar ze zich dadelijk in groepjes verdeelden. De Veer en Hoefman brachten Frieda naar huis, die op de Jan v. Goyenkade woonde; Han en Else trachtten samen vooruit te loopen, maar Rolands bleef bij ze, kinderlijk-onbewust van de minder-wenschelijkheid van z’n gezelschap.Go liep zalig tusschen Gerard en Hans Elders in; ze was dankbaar, volkomen voldaan; ze leefde in ’t oogenblik, genoot van de stille straten, van haar sterke beschermers, de vroolijke gesprekken, haar warm, veilig gevoel. Ze sprak niet veel mee, dacht over de twee jongens aan haar zij, van wier leven ze nog zoo weinig wist, aan de anderen, die ze vanavond had leeren kennen, en die misschien eens haar vrienden zouden zijn.“Het is zoo heerlijk,” zei ze opeens, “hier zooveel menschen te leeren kennen, en allemaal jong te zijn, en veel voor elkaar te kunnen doen.”Als ’n antwoord klonk het carillon sterk en jubelend door den stillen nacht; de klanken vielen over hen heen als ’n regen van geluid, en Go was blijven staan, met geheven hoofd. Ze zag den hemel, de wolken door maanglans verzilverd,ze voelde den nacht om zich heen, en sloot even de oogen: het was, of ’n golf van het groote, heerlijke leven voor ’t eerst over haar heen geslagen was.Na de twaalf plechtige bonzen liepen ze weer door, en harder, om de voorloopers in te halen; Go dacht aan thuis, en hoe moeder zou kijken, als ze vertelde, dat ze na middernacht van een vergadering was gekomen. Haar vroolijkheid zocht ’n uitweg in steeds sneller beweging, tot ze eindelijk in een huppelenden draf oversloeg. “Stap nu allemaal op ’t midden van de brug,” hijgde ze, toen ze bij ’t oude ophaalbrugje gekomen waren, “dan veert ’t zoo heerlijk.”Ze véérden; lachten luid; en toen ze er af danste en in ’n vaart de hol af naar het oude huis toeliep, waarvan Han de deur al met Else’s sleutel had geopend, zei Gerard tegen Hans: “Dat kind lijkt net ’n vogel, in dien wijden, grijzen mantel—’n wilde vogel.”En Hans zei, dat dat ’n beeld was om Louis in verrukking te brengen.
“Nu beginnen we er goed in te komen,” zei Else opgewekt, toen ze samen over de donkere Breestraat liepen. “Visites, vergaderingen, colleges—onze dagen zijn heelemaal gevuld.”
“Maar dit is iets nieuws en heel bizonders,” antwoordde Go, en ze had weer dat vreemde angstgevoel, hoe het toch gaan zou vanavond. De vergadering van “Laborando vincimus” was bij ’n meneer Van Neerwinden op ’t eind van ’t Rapenburg, om kwart over achten werden ze verwacht; maar wat zou er dan in vredesnaam verder gebeuren, en hoe zouden zij, meisjes, die nooit gedebatteerd hadden, ’n woord mee durven zeggen?
Else had veel werk van haar toilet gemaakt, droeg ’n licht-beige voile japonnetje met mat-groene strikken, maar toen ze op ’t punt waren te gáán, had ze Go, die maar één avondjapon had van fijn laken met ’n kanten kraag, opeens angstig gevraagd, of ze niet “gek-mooi” was, en of je je eigenlijk voor een dispuut wel zoo zou kleeden. Maar ze had er toch maar niets meer aan veranderd, ofschoon Go had gezegd, dat ’n zóó schitterendeverschijning niet bevorderlijk kon zijn voor de aandacht der jonge lieden in de ernstige vergadering-zaken.
Er sprankelde verwachting in Else’s oogen, en ze dacht niet aan de wichtigheid, die Go zoo drukte. Ze voelde, dat ze niet gevraagd kon zijn, omdat men van haar zooveel wijsheid verwachtte; ze wist haar meisjes-bekoorlijkheid, en, minder wuft dan vroeger op bals, wanneer ze altijd iedereen had willen boeien, dacht ze nu aan Henri alleen, voelde, dat hij haar snoezig vinden moest, en lachte stilletjes bij die heerlijke gedachte.
Go had aldoor loopen denken, wat ze tegen de juffrouw zeggen moesten, die open deed, maar die liet ze dadelijk met ’n gezicht van er-alles-van-weten binnen, nam hoeden en mantels af, en hing ze aan den al vollen kapstok.
“’t Is net een partijtje,” zei Else, haar haar glad-strijkend, maar Go hoorde ’t niet; ze had de deur van een der kamers open zien gaan, en ’n lange, donkere figuur, die nader kwam, deed haar blozen in ’n vreemde verwarring.
“Mag ik me even voorstellen.... Van Neerwinden.... ik ben bizonder blij, dat u vanavond gekomen bent; de voorvergadering is nog aan den gang; zoudt u zoolang even in de achterkamer willen komen?”
Go keek er dadelijk belangstellend en onderzoekend rond; ze was benieuwd, wat deze man voor kamers zou hebben, en hoe hij ze ingericht had. Maar haar eerste indruk was teleurstellend; het was er zoo rommelig en ongezellig, de muren hingen zoo vreeselijk vol; prenten gescheurd uit tijdschriften, rare karikaturen, waaiers, wapens, draperieën.
Toen begon ze meer te onderscheiden, vond ’n paar mooie Steinlen’s, ’n portret van Zola, ’n Holbein, en in ’n hoek, waar ’t opeens héél stil leek, ’n teer melancolieke Madonna van Botticelli. Ze liep er heen, bleef er lang vóór staan; er was iets fascineerends in de starende oogen, die zoo zacht droef-en-gelukkig voor zich uitstaarden, die, weifelend tusschen opperste smart en hoogste zaligheid, onzeker glimlachend in tranen, droomden van het kindje en de toekomst. En het oneindig-teer gebaar van de lange, witte handen, die als stervende bloemen waren, ontroerde haar wonderlijk, zoodat ze zich afwendde, bleek van emotie, en recht in Neerwinden’s oogen keek, die achter haar was gaan staan: ze waren diep en zacht, ze was er eventjes heelemaal weg in; toen schoof hij haar ’n stoeltje aan, begon gewoon met Else te praten,.... de betoovering was voorbij.
Else was teleurgesteld, dat ze niet dadelijk binnen was gelaten, praatte nonchalant en verveeld haar makkelijke conversatiezinnetjes door, zonder zich veel om haar toehoorder te bekommeren. Hij stond tegen de tafel geleund, half naar Else toe, en Go kon hem zoo prettig-rustig op zitten nemen, nu hij niet naar haar keek, hem weer beschouwend als ’n gewone, knappe jongen, die haar wel sympathiek toescheen. Haar verwarring van zooeven schreef ze op rekening van haar nerveuze angst, en ze plaagde zichzelf, dat er tot nu toe niets vreeselijks met haar was gebeurd.
Hij was van meer dan middelmatige lengte, flink maar toch fijn gebouwd, en droeg z’n hoofd heel rechtop, zoodat ’t bijna aanmatigend was. Hij had zacht, dof-zwart haar, nog al lang, dat hij met ’n schuine scheiding langs z’n voorhoofdgeborsteld droeg. Z’n donker-blauwe oogen waren sterk en rustig, als hij gewoon praatte, maar ze wist, dat ze diepe afgronden konden worden; z’n neus was fijn en scherp, z’n lippen dun, en daar trokken moeë, melancolieke streepen langs, als hij even zweeg. Z’n tint was bleek, met ’n nerveus blosje onder z’n oogen, waar de jukbeenderen wat uitstaken, door het magere wangenvleesch, en de hand, waarmee hij telkens, als ’t gesprek hokte, even over z’n hoog voorhoofd streek, of hij z’n gedachten moest verzamelen, had die wassig-doorschijnende witheid, van nooit anders dan ’n pen te hebben aangeraakt.
Z’n kleeren waren modieus en verzorgd, maar hij droeg ze met een zoo waardige gratie, dat niemand de details er van opmerkte, zonder er bepaald op te letten; de algemeene indruk was van ’n volkomen harmonie, waarbij niets hinderlijk op den voorgrond trad, en Go vergeleek hem onwillekeurig met Han, van wien je altijd dadelijk dacht: wat ’n mooie das heeft hij aan; wat ’n fijn vest.
Nu werden de gordijnen van de suite opengetrokken, en de vergaderkamer lag als ’n tooneel voor hen open: Go zag dadelijk, dat die kamer kalmer en ordelijker was, dan die, waarin zij zaten, maar toch ontbrak er iets: ’n eenheid, ’n richting; ze wist niet precies wat; misschien was ’t ook alleen de vrouwelijke gezelligheid.
In het midden van den kring, als praeses, zat Han, den hamer in de hand, ’n plechtige uitdrukking op z’n gezicht, die echter vervluchtigde, toen hij Else zag, versmolt in ’n blij-oplichtend lachen, terwijl hij opstond, om de meisjes te begroeten en voor te stellen.
Naast hem zat de donkere, kleine Rolands, met z’n glanzend gezichtje, stil en ernstig, als ’n oostersch afgodsbeeldje, en aan z’n anderen kant was ’n stoel open voor Van Neerwinden, die ab-actis was, in ’t bezit van alle reliquieën en kostbaarheden van het dispuut.
Gerard Leeden, die, zonder functie, dichter bij de deur zat, begroette Go met groote hartelijkheid, en de dichterlijke Louis Hoefman, wiens sombere, magere kop vreemd naast Gerard’s welgedaanheid afstak, bracht groote verwarring door al met stoelen te gaan sleepen, terwijl het voorstellen nog aan den gang was.
Er waren drie jongens, die ze nog niet kenden: Frits Rolands, Wim de Veer en Otto Beerenstijn; en ook het meisje, Frieda Vervoort, was Else alleen wel ’s tegengekomen in de gang van de universiteit. Ze was candidaat in de rechten en studeerde ook oude talen, ze had ’n smal, mannelijk-belijnd, verstandig gezicht, tusschen laag opgemaakt glad-bruin haar. Go vond, dat ze leek op romeinsche jongenskoppen, zooals ze in de gang van hun gymnasium hingen, en beantwoordde stevig haar flinke, openhartige handdruk. Op de vacht voor de glimmend gepoetste vulkachel lag ’n slanke bruin-zwarte setter, de oogen goedig half-dicht, de lange ooren naar beneden. Go knielde er dadelijk naast, streelde hem en vroeg, hoe hij heette, blij, dat hij haar liefkoozingen toeliet, slechts dralend opstaand, toen Rolands haar ’n stoel bracht.
Het duurde lang, vóór allen weer rustig gezeten waren, en de eigenlijke vergadering beginnen kon. Han had gezegd, dat ze nu ’n beetje ’n bonte rij konden maken, en Else naast zich wetente krijgen, tusschen hem en Rolands, die quaestor was, in, ofschoon de gewoonte was, dat ’t bestuur bij elkaar aan ’t hoofdeinde van de kamer zat. Go zat naast Eduard van Neerwinden, en voortdurend ging die naam in z’n heerlijke kadans door haar hoofd: wat ’n vreemde naam, wat ’n prachtig-mooie naam; echt ’n boeken-naam, en toch niet vervelend romantisch. Wat paste hij goed bij hem; ze had eigenlijk wel kunnen weten, dat hij zoo heeten moest: Eduard van Neerwinden; natuurlijk.
De juffrouw was in de achterkamer binnengekomen, had thee geschonken in de lange rij witte kopjes, die klaar stonden. In een oogenblik was Go op, vroeg, of ze even mocht helpen met ronddienen; Else kwam achter haar aan met melk en suiker, en de jongens lachten onder elkander, voelend, hoe met deze meisjes het echt-vrouwelijk element in hun vergadering was gekomen, met deze kinderen, zóó van huis, waar ze ook niets dan “meisjes” waren geweest; en ze vonden ’t allemaal grappig en prettig, behalve Otto Beerenstijn, die vóór alles ’n werker was, donker naar de klok keek, die al bij negen wees, en bromde, dat hij wel had voorspeld, dat ’t kinderspel zou worden, zoodra je er zoo’n paar weeldeartikelen inhaalde.
“Stil nou, kerel,” kalmeerde Han, “’t is immers de eerste keer, er is nog niets geregeld, en op ’n hospitanten-vergadering wordt nooit hard gewerkt. Willen de dames nu gaan zitten?” gebood hij, president-deftig, en Else liep dadelijk gedwee naar haar stoel, maar Go zei: “’k moet nog even opschenken, Han,” tot uitbundige vreugde der vergadering, “omdat zoo’n meisjegeen idee had van subordinatie aan den praeses.”
En toen ze terugkwam, vertelde ze nog aan Eduard, “dat ze zelf wel verder schenken zou, hè, dan hoefde de juffrouw niet meer te komen, en deed ze toch ook wat,” totdat Han, ten einde met z’n geduld, den hamer kletterend vallen liet, en Gootje opschrok, als ’n op ondeugendheid betrapt kind, haar angstige oogen naar hem toekeerde, en zonder bewegen luisterde naar het deftige speechje, waarmee de meisjes werden welkom geheeten in hun midden.
Eduard keek haar telkens van ter zijde aan, en vond ’t een aardig, gezellig kind. Else was mooier en eleganter, maar veel meer neutraal: een knap, gevierd meisje, van goeie familie. Go was eenvoudiger, kinderlijker eigenlijk, en toch niet onbenullig, of onnoozel. Dat ze zoo dadelijk naar die madonna was toegeloopen, en er toen niets over had gezegd, zoo maar stil was blijven kijken, was ’m enorm meegevallen. Je kon ’t ook eigenlijk wel zien aan haar gezicht, dat er kracht en diepte in haar was, al lag ook in de open, eerlijke oogen, dat ze nog nooit in haar leven iets had “doorgemaakt”.
Han had z’n speech uit, en Go had even angstig naar Else gekeken: zouën ze nu eigenlijk wat moeten antwoorden?—maar dadelijk na ’t applaus was hij weer doorgegaan: “his feliciter peractis, transeamus ad....”
“Dol,” zei Go tegen Eduard, “zoo’n wezenlijke vergadering.”—en toen er: “ad theam” was geroepen, ging ze met stralende oogen om de kopjes rond, vragend aan Gerard: “Wat zal er nu gebeuren?” dan weer tegen Han: “Ik vind ’t heerlijk, en we hoeven niets te zeggen, hè?”
Er was ’n studie over George Moore van Otto Beerenstijn, maar Go had nooit iets van hem gelezen, zat met stil ontzag te luisteren, bang, dat ze haar domheid dadelijk zou moeten bekennen. Eduard had de kritiek, prees warm Beerenstijn’s grondig oordeel, en de meisjes keken eerbiedig naar den plompen jongen met den harden, breeden kop en de diep-liggende oogen, die ze allebei antipathiek hadden gevonden, instinctmatig voelend, dat hij niet hun vriend was.
Toen las de kleine indischman verzen voor, met z’n dof, droef stemmetje, vreemd opklinkend uit zijn altijd-lachend gezicht, en de regels rolden van z’n lippen, als ’n lang aangehouden klacht, of hij las over lente en geluk, of over droefenis.
Er kwam ’n levendig debat over, hoe verzen gelezen moeten worden, en iedereen maakte zich warm met veel gesticuleeren, ze bogen voorover op hunne stoelen, vielen opgewonden elkaar in de rede, zoodat de praeses aftikken moest, terwijl het stille ventje weer onbeweeglijk op zijn stoel zat, de beentjes recht naast elkaar, de fijne bruine handjes gevouwen, en de stage glimlach op z’n glanzend, bruin gezichtje, als ’n Bouddha-beeldje.
In de pauze verzorgde Go de menschen met bier en limonade. Eduard, als gastheer, hielp haar en wees haar den weg in z’n kast; ze genoot van dat huisvrouwelijk doen, lette voortdurend op, of ieder wel had, wat hij wilde, ging telkens rond met de koekjes, deelde kleine gunsten uit.
“Maar u vergeet uzelf,” zei Gerard, die zich bij Han en Else overcompleet had gevoeld, en zich verveelde bij ’t literatuur-gesprek van de anderen. “Mag ik u wat limonade inschenken?”
“En dan houden we de verdere vergaderingde kattetongetjes bij ons. U houdt toch van koekjes?” vroeg Eduard.
“O, verschrikkelijk,” en hij had er plezier in, te zien, hoe ze onder de vertaling—’n stuk uit Balsac—en later onder de memorisatie over “den invloed van Hegel op onze literatuur” telkens weer ’r hand naar de schaal uitstak, en dan, aandachtig luisterend, langzaam het dunne koekje opknabbelde met haar kleine, witte tanden, of Bruno bij zich lokte, de lekkernij in de hoogte, ’n glans van moederlijke zachtheid in haar oogen, en ze hem dan langzaam opeten liet, telkens stukjes afbrekend, en ze hem voorhoudend in de holte van haar rechterhand, de andere licht op z’n kop geleund. En als ’t op was, legde ze, voordat ze ’m gáán liet, telkens even haar armen om z’n opgeheven nek, en drukte haar wang tegen z’n haarvacht.
Om half twaalf werd de vergadering gesloten en met druk geloop en gezoek naar mantels en jassen begon men afscheid te nemen. Eduard bleef thuis, omdat bij hem het “nabroodje” was voor de jongens, en Hoefman bood aan hem te helpen.
“Nee, beste kerel, je meent ’t goed, maar ga jij mee, en droom wat in de maneschijn, want jij loopt me wezenlijk maar in den weg met je onhandigheid. Als Beerenstijn wil blijven—die geeft toch niet om de wandeling.” Maar toen hij in Louis’ oogen zag, dat hij gegriefd was, legde hij even de hand op z’n schouder: “Zeg, we hebben ’er gevraagd, hoor, je vriendin... eh... juffrouw Schermer.... maar ze heeft bedankt.”
Go hoorde ’t, begreep opeens; maar Beerenstijn viel in: “Maar goed ook, anders werd ’t hier ’n meisjesschool—en die is bovendien affreus leelijk!”
“Heeft ze bedankt zonder reden?”
“Geen tijd, schreef ze. Nu, dat is geen reden, hè?” En Eduard stak z’n hand uit naar Go, die al even wachtte.
“Ik hoop u nog dikwijls te zien,” zeide hij hartelijk.
“Ik heb ’t heerlijk gevonden, maar ik voel me zoo klein, bij al die geleerdheid.”
“Dat komt, omdat we vandaag allemaal ons beste beentje hebben voorgezet; u zult gauw door het vernisje heen zien.”
Hij groette nog na bij de deur, waar ze zich dadelijk in groepjes verdeelden. De Veer en Hoefman brachten Frieda naar huis, die op de Jan v. Goyenkade woonde; Han en Else trachtten samen vooruit te loopen, maar Rolands bleef bij ze, kinderlijk-onbewust van de minder-wenschelijkheid van z’n gezelschap.
Go liep zalig tusschen Gerard en Hans Elders in; ze was dankbaar, volkomen voldaan; ze leefde in ’t oogenblik, genoot van de stille straten, van haar sterke beschermers, de vroolijke gesprekken, haar warm, veilig gevoel. Ze sprak niet veel mee, dacht over de twee jongens aan haar zij, van wier leven ze nog zoo weinig wist, aan de anderen, die ze vanavond had leeren kennen, en die misschien eens haar vrienden zouden zijn.
“Het is zoo heerlijk,” zei ze opeens, “hier zooveel menschen te leeren kennen, en allemaal jong te zijn, en veel voor elkaar te kunnen doen.”
Als ’n antwoord klonk het carillon sterk en jubelend door den stillen nacht; de klanken vielen over hen heen als ’n regen van geluid, en Go was blijven staan, met geheven hoofd. Ze zag den hemel, de wolken door maanglans verzilverd,ze voelde den nacht om zich heen, en sloot even de oogen: het was, of ’n golf van het groote, heerlijke leven voor ’t eerst over haar heen geslagen was.
Na de twaalf plechtige bonzen liepen ze weer door, en harder, om de voorloopers in te halen; Go dacht aan thuis, en hoe moeder zou kijken, als ze vertelde, dat ze na middernacht van een vergadering was gekomen. Haar vroolijkheid zocht ’n uitweg in steeds sneller beweging, tot ze eindelijk in een huppelenden draf oversloeg. “Stap nu allemaal op ’t midden van de brug,” hijgde ze, toen ze bij ’t oude ophaalbrugje gekomen waren, “dan veert ’t zoo heerlijk.”
Ze véérden; lachten luid; en toen ze er af danste en in ’n vaart de hol af naar het oude huis toeliep, waarvan Han de deur al met Else’s sleutel had geopend, zei Gerard tegen Hans: “Dat kind lijkt net ’n vogel, in dien wijden, grijzen mantel—’n wilde vogel.”
En Hans zei, dat dat ’n beeld was om Louis in verrukking te brengen.
Hoofdstuk VII.Tegelijk met het officiëele bericht, dat ze als lid van “Laborando vincimus” waren aangenomen, werd drie dagen na de vergadering ’n briefje van Gerard bezorgd, met ’t verzoek, of de dames den volgenden middag bij hem wilden komen koffiedrinken—neef Henri en Hans Elders waren ook gevraagd.“Natuurlijk gáán we,” zei Else dadelijk, dankbaar bedenkend, dat ze juist deze week haar beste japon van huis mee had genomen.“Ja; wat aardig van Gerard,” antwoordde Go, en ze kreeg een heerlijk gevoel, of ze tóch wel de jongens eens zou bereiken; of de teleurstelling over het gescheiden-zijn maar iets tijdelijks blijken zou.“Ik kan ’m dan meteen nog wat over m’n responsie vragen,” overlegde ze verder, “hij zal er nog wel alles van weten.” Ze was nu al ’n week dag aan dag met haar naderende responsie bezig, kende de bladzij van Reinaert, die zij te lezen zou krijgen, al heelemaal uit ’t hoofd.“Lieve kind, hou toch op over die responsie. Je weet er zeker nu al meer van dan de profzelf... verbeeld je ’s, dat je iederen keer er zoo voor zwoegen moest; je hadt geen leven meer.”“Nee, maar den éérsten keer,” zuchtte Go, en verheugde zich op Gerard’s candidaat-vertrouwbare inlichtingen. “Van zoo’n eersten indruk hangt ’n massa af.”Ze hadden dien ochtend allebei tot elf uur college gehad, en gingen dadelijk naarGerard’skamer, want ze zouden vroeg koffiedrinken, omdat Go ’s middags weer weg moest. Het was ’n regenachtige, druilige dag; de bruine blaren rotten nat en vuil op den glibberigen grond, en de schuiten, die door het water gleden, hadden geen kleur en geen bekoring onder den doffen hemel. Hij woonde over de Korenbrug, en ’t was een ouderwetsch, stil-diep huis; op een portaal, groot en vierkant als ’n kamer, kwamen Gerard en Henri hen tegemoet, namen mantels en hoeden in ontvangst met geanimeerde toewijding.“Wat ’n vreeselijk leuk huis hebt u,” bewonderde Go, “wat ’n zalig portaal.... en zoo glad.... hè Els, wat zouën we hier goed kunnen glijën.”“Of dansen,” zei Gerard, “ik denk er over, hier nog ’s ’n bal te organiseeren van “Laborando vincimus”—maar komt u nu toch binnen.”Het was ’n aardige suite met matgeel behangsel; daar kwamen de reproducties van Dürer, De Hoogh, Rembrandt en Van Dijck zoo rustig op uit, dat Go in verrukking staan bleef, de handen in elkaar.“O, wat mooi,” zei ze eindelijk, “dat is nou de eerste mooie kamer, die ik zie.... hoe heerlijk ingericht, hoe gezellig.”“Dat komt, omdat m’n moeder me heeft geïnstalleerd,” antwoordde Gerard trotsch, “dat werktnog altijd na; bijna alles is gebleven, zooals zij ’t gezet heeft.”“En wat hebt u mooie bloemen,” bewonderde Else, met de handen in de chrysanten woelend.“Dat is ter eere van ’t hooge gezelschap; behalve moeder heb ik hier nooit vrouwelijk bezoek gehad. Het spijt me alleen, dat u geen zonnetje in de kamer ziet. Dan is alles zoo veel mooier.”Intusschen was Hans binnengekomen, had dadelijk in de achterkamer ’n paar druiven van de tafel gesnoept. Onder Gerard’s laatste woorden kwam hij naar voren loopen en knikte.“Toen ik klein was,” zei hij, “bad ik altijd, als ik uit zou gaan, of als er ’n feestje zou zijn den volgenden dag: “ons lieven Heertje, laat het morgen mooi weer zijn,” en als ’t dan stortregende, zei ik: “er waren zeker meer menschen, die om leelijk weer vroegen; of ze hebben beter gebeden dan ik,” en dan was ik tevreden.... En als ’t nu beroerd weer is, troost ik me nog altijd: “Het zal wel voor een heeleboel andere dingen goed zijn.”Daarna kwam hij ieder een hand geven, opgewekt en hartelijk, en ging toen in de vensterbank zitten.Het was ’n teer-gebouwde, magere jongen, met ’n intelligent gezicht: boven z’n hoog voorhoofd, waarin bij de slapen kuilen vielen, stond in ’n recht kuifje het stugge bruine haar, z’n oogen waren hartelijk en eerlijk, maar zwierven nerveus rond, wat niet paste bij z’n kalme, vriendelijke stem, waarmee hij alles zoo eenvoudig en pretensieloos zei, dat ’t tegelijk aantrekkelijk en roerend was. Gerard was dol op ’m, noemde ’m schertsendLeberecht Hühnchen, en kwam, in ’n somberebui, altijd ’t eerste bij hem, om zich te laten troosten. Nu ook werd zijn gezicht lichter, en met dringende hartelijkheid in z’n stem vroeg hij: “Waar ben je vanochtend heen geweest Hans? Heeft Beerenstijn je de boeken gebracht?”“In orde, ja; maar gaan we nog niet beginnen? Die tafel daar ziet er aanlokkelijk uit.... juffrouw Herderts zal bepaald na dezen maaltijd nog hooger idee van den smaak van ons dispuut krijgen.”“Goed.... komen jullie?” riep Gerard tegen Herderts en Else, die, dicht naast elkaar de geïllustreerde “Rêve” stonden te bekijken, en opschrikten bij de luide stem.“Mag ik ’t doen?” vroeg Go, toen ze Gerard het broodmes zag nemen.“Nu, graag als u wilt,” en Hans en hij keken elkaar éven prettig aan, omdat het zoo’n allerliefst, eenvoudig meisje was, en zoo heerlijk, die zoo’s gewoon op je kamer te hebben. Hans ging er zachtjes van fluiten, haalde intusschen de bus met chocoladepoeder en het koffie-extract uit de kast, waar hij evengoed den weg wist als de bezitter zelf, en hielp toen Han en Else, die samen op den grond zaten, om ’t keteltje in evenwicht te houden, dat niet op ’t komfoortje paste.“Hier, zet die ijzeren staafjes aan dezen kant, kerel, dan balanceert ’t wel—en draai de kraan heelemaal open, anders ben jullie nog niet klaar met je water, als juffrouw Herderts al boterhammen genoeg heeft voor ’n heel weeshuis.”“O, haast je maar niet,” zei Go, op ’t chocoladebusje studeerend, “want ik begrijp voorloopig heelemaal niet, hoe ik chocolademelk maken moet... en jullie willen toch geen waterchocolaad niet? Voor chocolademelk moet ik warme melk hebben...”“Nu, dat kàn,” en Gerard zette vlug-bereidwillig de flesch op de kachel.“Kerel, ben je....” Hans slikte en gaf ’m ’n vriendschappelijke klap, “op die manier krijgen we ’n melkweg in de kamer, maar geen chocolademelk in onze koppen. Die springt natuurlijk.”“Ons water kookt,” juichte Else triomfantelijk.“Over zelfs,” en Henri draaide de kraan dicht.“Nu, kom maar hier met den ketel; ik zal chocolade-water-melk maken, nieuw mengsel; voorzichtig schenken! Och, meneer Leeden, roert u even in dat kopje.”Ze stonden aandachtig met z’n vijven bij elkaar: Else schonk, terwijl Han met z’n zakdoek het deksel op de ketel drukte: Go keek toe en keurde, wanneer ’t genoeg was; Gerard roerde met toewijding in de klonterig-bruine pap, terwijl Hans de koppen met melk vulde.“Weet je, wàt dit nu wordt?” zei hij, trotsch-zeker. “We bereiden hier de nieuwste en smakelijkste drank: fosco.”“’t Smaakt heerlijk,” keurde Go, “dat gaan wij ook doen, hè Els?”“Ik vind ’t zoo leuk, zoo wat te knoeien,” zei Else tegen Han, “kunnen we niet nóg wat doen.... brood roosteren?”“Nee, nou gaan we heusch beginnen.... kom Hans, maak jij dit blik eens open.”“Wat is er toch enorm veel te doen, vóór je kunt gaan eten,” filosofeerde Gerard.“Voor ’n vrouw moet ’t prettig zijn, als ’r man op kamers gewoond heeft. Dan appreciëert-ie haar meer; weet, wat aan huishouden vast is.”Gerard keek onwillekeurig Go aan, die lachte, en zei: “En voor ’n meisje is op kamers-wonenleerzamer dan de beste huishoudschool. We doen nu misschien alles wel ’n beetje vreemd, nietcomme il faut, maar je krijgt toch overal idee van en leert ingrijpen.”“Op de gunstige uitwerking van op-kamers-wonen voor beide geslachten!” stootte Henri met Else aan, en de foscobekers rinkelden.“Welkom op m’n kamer,” zei Gerard aan Go, maar Hans verstoorde dadelijk de plechtigheid door: “Leve het getruffeerde gehakt!” te roepen, dat hij, plechtstatiglijk aan z’n vork opgepikt, in de hoogte hield. Nu begon werkelijk de maaltijd met frisschen honger en vroolijk, levendig gepraat, terwijl, halverwege, de juffrouw nog ’s uitgestuurd moest worden om “profeetjes”, daar de broodvoorraad dreigend te dunnen begon.“Nu mogen jullie ’s raden, hoe laat ’t is,” zei Hans met een glunder lachje, toen ze aan de druiven en noten waren toegekomen.Gerard, die twee noten tusschen z’n vingers gekneld hield, om ze voor Else te kraken, haalde onverschillig de schouders op: “Den Glücklichen schlägt keine Stunde”, maar Go, die aan college dacht, raadde angstig: “kwart voor éénen.”“Bijna ’n uur mis,” plaagde Hans, “over half twee.”“Maar we hebben Gotisch.” En Go was al op, met ’n donkere kleur van schrik; ze had nog nooit ’n college-uur verzuimd en vond ’t vreeselijk erg.“Daar is nu niets meer aan te doen,” kalmeerde Gerard, “en erg is ’t ook niet. Ga toch weer zitten, en laten we kalm doorgaan. Geeft u er nu vanmiddag uw colleges maar ’s aan, we zijn niet elken dag zoo prettig bij elkaar.”“Maar ’t volgende uur moet ik toch zeker gaan.”“Kind, wat ben-jij nog ’n echt eerste jaartje,” plaagde Han, hopend haar trots in opstand te brengen, maar Else wist een betere manier van overreden: “Je wilde toch ook nog vragen over je responsie, Go.”“O, ja, meneer Leeden; over Reinaert; mag dat dan, als we straks klaar zijn?”“Natuurlijk,” zei Gerard opgelucht, “moet u voor ’t eerst respondeeren?—ik weet niet, of ik er nog veel van ken, hoor; maar ’k heb nog al wat boeken hier—”“Maar als ’t gesprek zoo taalkundig wordt, gaan wij liever wat loopen samen, hè Els, en bespreken zóó samen de grondwet?” Han sprak luchtig en als terloops, maar Else bloosde, en om zich te verontschuldigen, zei ze verlegen: “Ja graag; ik heb ’t hier zoo warm gekregen; we konden Poelgeest omloopen.... Gaat u mee, meneer Elders, of houdt u óók meer van Reinaert?”Hans glimlachte, en streek met z’n hand door z’n donker haarbosje: “Natuurlijk gaat de studie me boven alles, juffrouw Gerzon, en bovendien zijn hier nog zooveel noten over, dat ik er me ’n heele middag mee bezig houden kan.”“Nou, adieu dan, lui,” zei Han opgelucht.“Dag meneer Leeden, ik heb ’t erg prettig gevonden.”Else lachte tegen Go—een heel bizonder lachje, vond ze.Hans was achter in de kamer op den grond gaan zitten met een deeltje van Poe en de rest der noten; hij zat met z’n rug tegen den muur, floot soms droomerig voor zich uit, maar namgeen deel aan ’t gesprek, dat de twee anderen bij het raam voerden. Go zat in de vensterbank, liet haar beenen jongensachtig heen en weer schommelen en Gerard reed schrijlings heen en weer op z’n stoel. De middag was stil en loom onder den kleurloozen hemel, en als Go uit ’t raam keek, trof haar ’t desolate van de oude, ongelijke steenstraat, waar de dorre blaren, vervuild en vermodderd, te rotten lagen.Ze hadden eerst samen de responsie-bladzij ernstig en breedvoerig besproken, Gerard vooral met veel toewijding, omdat hij ’n verlegenheid, die hij zelf niet begreep, z’n gedachten voelde stremmen, nu hij eindelijk eens rustig met dit kind zou kunnen praten.“Lekker weer om Poelgeest om te loopen,” had hij spottend gezegd, want ’t begon juist ’n beetje te motregenen; en Go: “Ik ben er nog nooit geweest.”Hij herinnerde zich, hoe hij in z’n eerste jaar, in den roes van nieuwe vriendschappen, die voor heel het leven schenen, met jongens als hijzelf, die hij nu nauwelijks meer kende, daar rondgedwaald had, nachten lang; met hun geëmotioneerde stemmen in de stilte elkaar vertellend, wat ze ’t hoogste en heiligste in hun leven hielden, dronken van grootsche toekomstplannen, hunkerend naar de volheid van hún leven, dat anders, rijker dan van eenig ander mensch zou zijn, bij elkander steun vindend voor de teleurstellingen van hun omgeving. En, droef glimlachend, omdat al die verwachtingen en al die heete vriendschappen zoo langzaam aan weggegaan waren, iederen dag ’n beetje, haast ongemerkt, en omdat hij achter was gebleven, soms wat leeg, wat moe, maar wetendzich ’n gewoon mensch, ’n mensch met plichten als ’n ander, die zich ’n positie zou maken... als ’n ander—dacht hij, of dit vroolijke, lieve meisje ook zoo langzaam haar stralenden blik verliezen zou—of juist door ’t licht van haar oogen anderer leven schooner glans zou kunnen geven;—en zacht vroeg hij haar: “Maar hoe bevalt ’t u hier nu eigenlijk?”Ze antwoordde dadelijk, zonder terughouding: “Dat weet ik zelf nog niet. Soms denk ik: ’t is hier toch veel beter dan thuis, en dan weer: was ik dit maar nooit begonnen! ’t Is alles zoo anders, zoo heelemaal nieuw... ik heb soms het gevoel, of ik pas over ’n langen tijd zal kunnen weten, hoe ik ’t studentenleven wezenlijk vind. De vrijheid bijvoorbeeld. Ik heb er altijd zoo naar verlangd: ik heb altijd gedacht, dat ’t iets zoo heerlijks zou zijn; en nu weet ik eigenlijk bijna nooit, wat ik er mee zal doen. ’t Lijkt soms, of ik door hier te komen alleen ’n mooi, hevig verlangen heb verloren; of de vervulling ervan slechts ’n leegte geeft.”“Als jongens hier vol verwachting aangekomen zijn, en ze vinden niets dan ’n ongezellige kamer, ’n kletsende hospita en saaie college-uren, dan slaan ze aan ’t drinken en fuiven en dwaasheden doen., En de kroeg, die eigenlijk niets is dan ’n ongezellig koffiehuis, al wordt hij ons elk jaar als ons thuis aangeprezen, wordt bij gebrek aan beter wezenlijk hun toevlucht, hun huiskamer. Maar wat meisjes, die natuurlijk dezelfde teleurstelling eerst ondergaan, moeten doen.... Dadelijk studeeren gáát niet; dat leer je naderhand; fuiven kunnen, en willen jullie, goddank, ook niet.”“Ik wou, dat we ’t konden: zoo ’s echt gewoon, uitgelaten pret hebben—zooals ik wel ’s gehoordheb, als ik over de Breestraat kwam ’s avonds, in de Turk of bij Levedag.... dat opgewonden zingen van kinderliedjes, al die vroolijke koppen bij elkaar.... Bij ons op de meisjesvereeniging is alles zoo ernstig; wel opgewekt, maar wijs. Nooit ’s dwaas en jolig. Daar zouden we ons, geloof ik, ’n beetje voor schamen, als we zoo allemaal bij elkaar zijn.”“Je.... pardon, u idealiseert onze manier van feestvieren.”Maar Go viel levendig in: “Nee, toe, noem me “Go” en zeg “je”; ik heb ’t al lang willen vragen, maar ’k wist niet, hoe hier de gewoonte was.”“Graag. Ik heet Gerard. Ik vind’tprettig, als je mij bij m’n voornaam noemen wilt.”En ze zwegen even, om de nieuwe faze, die hun vriendschap was ingegaan, terwijl Go in gedachten naar buiten keek en zei: “Wat zullen ze nat worden op hun wandeling—en ze hebben niet eens ’n parapluie.”“Wezenlijke uitgelaten vroolijkheid is iets zoo zeldzaams in de wereld,” praatte Gerard door, “gewoonlijk kunnen de menschen hun plezier vrijwel verwerken zonder behoefte er luidruchtig uiting aan te geven—als ’n fuif bij ons slagen wil, moet er een groot quantum wijn de pit, de stuwkracht aan geven. Zonder dien prikkel zijn wij ook niet vroolijk, zouden niet weten, wat te beginnen, behalve als je heel jong en heel kinderlijk bent, en gelukkig door allerlei waanbeelden.. maar dat is voor mij voorbij en sinds ik bewust ben gaan leven, ga ik niet of zelden naar fuiven meer—ik heb er geen plezier in, me buiten m’n zelf te brengen.”Hans had naar de laatste woorden geluisterd,en wierp ’n notedop door de kamer: “Subjectief, volkomen subjectief, beste kerel.... Natuurlijk, ’n objectieve meening is ’ncontradictio in terminis, zei Hegel;.... maar laat Wim de Veer z’n opinie eens over onze fuiven zeggen. Die danst al van louter pret, als hij nog geen druppel op heeft. Die fuift al, als er maar vijf lui in ’n kamer bij elkaar zijn. “Waar twee of drie in naam der vreugde te zamen zijn, zal ze in hun midden zijn” is z’n devies. Laat die juffrouw Herderts inlichten.”“Hè ja, vertel ’s wat van de andere leden van Laborando vincimus.—Van De Veer heb ik eigenlijk nog niets gemerkt—is die zoo vroolijk?” Go keerde zich in warme belangstelling naar Hans, maar Gerard mompelde: “’t Is ’n kind.”“Nee, dat is niet waar; ’t is ’n alleraardigste jongen,” verdedigde Hans. “Een vagebond, ’n losbandige, als je wilt, maar pittig, met ’n fond.... Je moet ’m op straat zien loopen: pet op, handen in de zakken, en toch altijd dat aristocratische, omdat-ie nu eenmaal van goeie familie is.... Hij fluit, blijft telkens staan, draait zich heelemaal om, als hij ’n aardig meisje ziet, leert ’n paar kwajongens, hoe ze hun vlieger op moeten laten, groet ’n prof met ’n familiariteit of ’t z’n collega is—”“Als-t-ie ’m groet,” viel Gerard hoonend in; “we kwamen laatst samen Hering tegen. Ik ken ’m toevallig, maar hij behoorde vier uur college bij ’m te loopen.... Nu; ik nam m’n hoed af, maar De Veer zegt: “Bejour” en toen tegen mij: “Wie is die varkensslachter?”Go schaterde: “O, zeg, wat vermakelijk is dat! Zou de prof boos zijn? Zag-ie er dan zoo schunnig uit?”“Ja, schunnig ziet-ie er altijd uit. Maar nooit college loopen, is toch geen manier.”“Nee; maar vertel verder; ik vind ’t zoo leuk.... vertel ook over de andere menschen van ’t dispuut. Wie is de aardigste?”“Hij,” zei Gerard en wees op Hans; Go had gehoopt het gesprek zoo op Van Neerwinden te brengen; maar de geprezene had zich al weer in Poe verdiept, en stoorde zich niet aan den lof.“Hoe is Beerenstijn?”“Knap, intelligent, eigenaardig. ’n Werker, ’n vrouwenhater, of eigenlijk verachter.... Ik geloof niet, dat je ’m sympathiek zult vinden.”“Nee,” zei Go. “En Van Neerwinden?”“’n Rare vent. Talentvol, geniaal misschien, maar decadent.—Ik mag ’m niet. ’t Is ’n vooroordeel van me, maar die verfijning, die zwakke onrust, dat elegant-lieve is me antipathiek. Het is geen kérel.”“Neen,” en Go glimlachte bij de gedachte aan z’n fijne handen, z’n loome bewegingen. “Hij ziet er ook niet sterk uit.... Och je kunt zoo weinig zeggen van de menschen na zoo één avond.”“Ja; ’k ben blij, dat je er nu inkomt. Als je elkaar geregeld ziet, wordt ’t zoo anders. ’k Zou willen, dat we ons als een groote familie gingen voelen, bepaald als bij elkaar hoorend.”Go knikte, zat stil voor zich uit te kijken. Achter haar stierf de dag. Het grijze licht viel door haar zwarte krullen heen, haar gezicht was in schaduw.En opeens hief ze de armen op, of ze iets groots omvatten wilde: “Zie-je, toen ’k hier kwam,” zei ze zacht en gejaagd, “verlangde ik de eerste dagen alleen maar naar huis terug, en ik kon aan niets anders denken dan aan moeder en debroertjes en zusjes, en m’n kamertje naast de trap.... maar toen ik ’n beetje gewend raakte op m’n kamer, begon ik iets te verlangen—ik weet niet wat. Ik voelde opeens, dat er iets bizonders met me zou kunnen gebeuren, dadelijk, ieder oogenblik van den dag.... Op straat kon ik het tegenkomen; als ik thuis kwam, vroeg ik de juffrouw, of er niets voor me gekomen was.... ik wist niet, wat ik verwachtte; ’t was eenvoudig:deverrassing.... En het werd hoe langer hoe erger—het werd ’n onrust—ik liep ’s avonds uit om het te zoeken, en dan ging ik langs de dichte huizen, alleen, en ik begon langzamerhand te begrijpen, wat ik wilde: ik had ’n heeleboel liefde en zorg, en behoefte om zacht voor iemand te zijn, en die wilde ik aan de jongens geven, aan àlle jongens.”Ze zweeg even, streek ’r haar van het voorhoofd. Gerard had het gezicht naar haar voorovergebogen, keek haar in zwijgende spanning aan.“Toen kwam de teleurstelling, dat ik ze niet kon bereiken; dat ze daar allemaal in hun eenzame kamers zaten, of onvoldaan treuzelden op de kroeg, en ik op de donkere straat liep, en ze niet wisten van m’n verlangen;....en ik wist toch, dat zij ’t ook prettig zouên vinden, hè, en dat ’t hun ook goed zou doen!”“Het zou hun ’n zegen zijn,” zei Gerard ernstig.“Maar op college sprak ik niemand, en ik mocht niet in de kroeg, en ik dacht: wat helpt me al m’n goed-willen, als ik ze niet eens naderen kan? Waar moet ik met m’n hartelijkheid heen? En daarom ben ik zoo blij over Laborando vincimus;—ik weet het, dat ik er vreeselijk veel leeren kan, dat jullie veel meer weten en veelknapper zijn dan ik; maar ik heb iets anders, dat jullie missen;—ik zou zoo heerlijk vinden, als we veel voor elkaar konden zijn.”Er viel weer een stilte in de kamer; Gerard zat stil; keek nu recht voor zich uit. Klompgeklepper van kinderen, die uit school kwamen, klinkerde tegen de ramen op, en schelle kreten joelden er jolig over heen.“Ik weet ’t zoo goed, ik voel ’t, hoe ontzettend veel goed ’n meisje in ons leven moet kunnen doen,” zei hij eindelijk, en z’n harde, scherpe stem klonk schor van ingehoudenheid. “Ik heb nu al zooveel jaar in eenzaamheid geleefd, en er alle mogelijke houdingen tegenover aangenomen, en nog altijd zijn er dagen, vooral de Zondagen, dat ik ’t gevoel heb gek te worden van de stilte om me heen, dat ik bel om ’n niets, alleen om weer ’s te kunnen praten, dat ’k iederen man, dien ’k maar van aanzien ken, aanfluit, om toch gezelschap te krijgen,—en zelfs—maar dat is de uiterste wanhoop,—voor den spiegel ga staan, en lach en praat tegen mezelf, dwaze buigingen maak, ’n gesprek op touw zet, om zoo eindelijk aan ’t zwijgen te ontkomen.”“Ja, ik voelde ’t wel, dat ’t zoo moest zijn, ’t vroolijke studentenleven.”“Niet bij iedereen natuurlijk. Je hóórde daar net van De Veer. En zoo zijn er meer. Als je pas aankomt, beken-je je ook gewoonlijk niet, dat je eenzaam bent. Je zoekt mooie vriendschappen. En als dat teleurstelt, ga-je fuiven. Maar er ligt onder de uitgelatenheid, de dwaasheid, het cynisme, heel wat melancolie en levensangst en onvoldaanheid verborgen. Dit zijn moeilijke jaren.”“Als ik hun nu ten minste maar wat gezelligheid op hun kamer geven kon.”“Begin met mij; ik zal zoo’n dankbare discipel zijn.”“Goed,” zei Go. En toen stak ze spontaan haar hand uit: “We zullen goeie vrienden zijn, wij samen, hè; we zullen elkaar helpen.”“Zeg,” riep Hans uit z’n donkeren hoek, “ik kan hier niets meer zien; zouên we niet ’s thee kunnen gaan brouwen?”Go ging naar de kast, terwijl Gerard z’n studeerlamp aanstak. En ze dacht, of ze ook Hans wat zou kunnen geven, of die zich ook wel ’s eenzaam voelde. Hij leek zoo tevreden in zich, zoo zelfgenoegzaam,—wel hartelijk en lief, maar toch teruggetrokken. Ze zou ook voor hem graag iets liefs willen doen; hij zag er zwak uit. En toch zoo opgewekt!“Gezellig, nu met ’t licht op en toch half in schemer thee te drinken.”“Ja, jij vindt de druilige dagen zelfs prettig, natuurlijk.”“Binnen, ja. Maar juffrouw Herderts en ik moeten weer naar ’t vijandige buiten.”“Ja, ’t is al laat. Ze zullen al lang van hun Poelgeest-wandeling terug zijn—”“Wie weet?” lachte Gerard. “Soms duurt zoo’n uitstapje lang.”Go vond Else alleen in de donkere kamer; ze kon haar gezicht niet zien, maar haar stem klonk opgewonden, toen ze: “Go, o, Gootje!” riep. Stijf sloeg ze de armen om haar hals, fluisterend: “Zeg, ik moet je wat vertellen—begrijp-je ’t al—o, Go, nu worden we dubbel nichtjes!”
Tegelijk met het officiëele bericht, dat ze als lid van “Laborando vincimus” waren aangenomen, werd drie dagen na de vergadering ’n briefje van Gerard bezorgd, met ’t verzoek, of de dames den volgenden middag bij hem wilden komen koffiedrinken—neef Henri en Hans Elders waren ook gevraagd.
“Natuurlijk gáán we,” zei Else dadelijk, dankbaar bedenkend, dat ze juist deze week haar beste japon van huis mee had genomen.
“Ja; wat aardig van Gerard,” antwoordde Go, en ze kreeg een heerlijk gevoel, of ze tóch wel de jongens eens zou bereiken; of de teleurstelling over het gescheiden-zijn maar iets tijdelijks blijken zou.
“Ik kan ’m dan meteen nog wat over m’n responsie vragen,” overlegde ze verder, “hij zal er nog wel alles van weten.” Ze was nu al ’n week dag aan dag met haar naderende responsie bezig, kende de bladzij van Reinaert, die zij te lezen zou krijgen, al heelemaal uit ’t hoofd.
“Lieve kind, hou toch op over die responsie. Je weet er zeker nu al meer van dan de profzelf... verbeeld je ’s, dat je iederen keer er zoo voor zwoegen moest; je hadt geen leven meer.”
“Nee, maar den éérsten keer,” zuchtte Go, en verheugde zich op Gerard’s candidaat-vertrouwbare inlichtingen. “Van zoo’n eersten indruk hangt ’n massa af.”
Ze hadden dien ochtend allebei tot elf uur college gehad, en gingen dadelijk naarGerard’skamer, want ze zouden vroeg koffiedrinken, omdat Go ’s middags weer weg moest. Het was ’n regenachtige, druilige dag; de bruine blaren rotten nat en vuil op den glibberigen grond, en de schuiten, die door het water gleden, hadden geen kleur en geen bekoring onder den doffen hemel. Hij woonde over de Korenbrug, en ’t was een ouderwetsch, stil-diep huis; op een portaal, groot en vierkant als ’n kamer, kwamen Gerard en Henri hen tegemoet, namen mantels en hoeden in ontvangst met geanimeerde toewijding.
“Wat ’n vreeselijk leuk huis hebt u,” bewonderde Go, “wat ’n zalig portaal.... en zoo glad.... hè Els, wat zouën we hier goed kunnen glijën.”
“Of dansen,” zei Gerard, “ik denk er over, hier nog ’s ’n bal te organiseeren van “Laborando vincimus”—maar komt u nu toch binnen.”
Het was ’n aardige suite met matgeel behangsel; daar kwamen de reproducties van Dürer, De Hoogh, Rembrandt en Van Dijck zoo rustig op uit, dat Go in verrukking staan bleef, de handen in elkaar.
“O, wat mooi,” zei ze eindelijk, “dat is nou de eerste mooie kamer, die ik zie.... hoe heerlijk ingericht, hoe gezellig.”
“Dat komt, omdat m’n moeder me heeft geïnstalleerd,” antwoordde Gerard trotsch, “dat werktnog altijd na; bijna alles is gebleven, zooals zij ’t gezet heeft.”
“En wat hebt u mooie bloemen,” bewonderde Else, met de handen in de chrysanten woelend.
“Dat is ter eere van ’t hooge gezelschap; behalve moeder heb ik hier nooit vrouwelijk bezoek gehad. Het spijt me alleen, dat u geen zonnetje in de kamer ziet. Dan is alles zoo veel mooier.”
Intusschen was Hans binnengekomen, had dadelijk in de achterkamer ’n paar druiven van de tafel gesnoept. Onder Gerard’s laatste woorden kwam hij naar voren loopen en knikte.
“Toen ik klein was,” zei hij, “bad ik altijd, als ik uit zou gaan, of als er ’n feestje zou zijn den volgenden dag: “ons lieven Heertje, laat het morgen mooi weer zijn,” en als ’t dan stortregende, zei ik: “er waren zeker meer menschen, die om leelijk weer vroegen; of ze hebben beter gebeden dan ik,” en dan was ik tevreden.... En als ’t nu beroerd weer is, troost ik me nog altijd: “Het zal wel voor een heeleboel andere dingen goed zijn.”
Daarna kwam hij ieder een hand geven, opgewekt en hartelijk, en ging toen in de vensterbank zitten.
Het was ’n teer-gebouwde, magere jongen, met ’n intelligent gezicht: boven z’n hoog voorhoofd, waarin bij de slapen kuilen vielen, stond in ’n recht kuifje het stugge bruine haar, z’n oogen waren hartelijk en eerlijk, maar zwierven nerveus rond, wat niet paste bij z’n kalme, vriendelijke stem, waarmee hij alles zoo eenvoudig en pretensieloos zei, dat ’t tegelijk aantrekkelijk en roerend was. Gerard was dol op ’m, noemde ’m schertsendLeberecht Hühnchen, en kwam, in ’n somberebui, altijd ’t eerste bij hem, om zich te laten troosten. Nu ook werd zijn gezicht lichter, en met dringende hartelijkheid in z’n stem vroeg hij: “Waar ben je vanochtend heen geweest Hans? Heeft Beerenstijn je de boeken gebracht?”
“In orde, ja; maar gaan we nog niet beginnen? Die tafel daar ziet er aanlokkelijk uit.... juffrouw Herderts zal bepaald na dezen maaltijd nog hooger idee van den smaak van ons dispuut krijgen.”
“Goed.... komen jullie?” riep Gerard tegen Herderts en Else, die, dicht naast elkaar de geïllustreerde “Rêve” stonden te bekijken, en opschrikten bij de luide stem.
“Mag ik ’t doen?” vroeg Go, toen ze Gerard het broodmes zag nemen.
“Nu, graag als u wilt,” en Hans en hij keken elkaar éven prettig aan, omdat het zoo’n allerliefst, eenvoudig meisje was, en zoo heerlijk, die zoo’s gewoon op je kamer te hebben. Hans ging er zachtjes van fluiten, haalde intusschen de bus met chocoladepoeder en het koffie-extract uit de kast, waar hij evengoed den weg wist als de bezitter zelf, en hielp toen Han en Else, die samen op den grond zaten, om ’t keteltje in evenwicht te houden, dat niet op ’t komfoortje paste.
“Hier, zet die ijzeren staafjes aan dezen kant, kerel, dan balanceert ’t wel—en draai de kraan heelemaal open, anders ben jullie nog niet klaar met je water, als juffrouw Herderts al boterhammen genoeg heeft voor ’n heel weeshuis.”
“O, haast je maar niet,” zei Go, op ’t chocoladebusje studeerend, “want ik begrijp voorloopig heelemaal niet, hoe ik chocolademelk maken moet... en jullie willen toch geen waterchocolaad niet? Voor chocolademelk moet ik warme melk hebben...”
“Nu, dat kàn,” en Gerard zette vlug-bereidwillig de flesch op de kachel.
“Kerel, ben je....” Hans slikte en gaf ’m ’n vriendschappelijke klap, “op die manier krijgen we ’n melkweg in de kamer, maar geen chocolademelk in onze koppen. Die springt natuurlijk.”
“Ons water kookt,” juichte Else triomfantelijk.
“Over zelfs,” en Henri draaide de kraan dicht.
“Nu, kom maar hier met den ketel; ik zal chocolade-water-melk maken, nieuw mengsel; voorzichtig schenken! Och, meneer Leeden, roert u even in dat kopje.”
Ze stonden aandachtig met z’n vijven bij elkaar: Else schonk, terwijl Han met z’n zakdoek het deksel op de ketel drukte: Go keek toe en keurde, wanneer ’t genoeg was; Gerard roerde met toewijding in de klonterig-bruine pap, terwijl Hans de koppen met melk vulde.
“Weet je, wàt dit nu wordt?” zei hij, trotsch-zeker. “We bereiden hier de nieuwste en smakelijkste drank: fosco.”
“’t Smaakt heerlijk,” keurde Go, “dat gaan wij ook doen, hè Els?”
“Ik vind ’t zoo leuk, zoo wat te knoeien,” zei Else tegen Han, “kunnen we niet nóg wat doen.... brood roosteren?”
“Nee, nou gaan we heusch beginnen.... kom Hans, maak jij dit blik eens open.”
“Wat is er toch enorm veel te doen, vóór je kunt gaan eten,” filosofeerde Gerard.
“Voor ’n vrouw moet ’t prettig zijn, als ’r man op kamers gewoond heeft. Dan appreciëert-ie haar meer; weet, wat aan huishouden vast is.”
Gerard keek onwillekeurig Go aan, die lachte, en zei: “En voor ’n meisje is op kamers-wonenleerzamer dan de beste huishoudschool. We doen nu misschien alles wel ’n beetje vreemd, nietcomme il faut, maar je krijgt toch overal idee van en leert ingrijpen.”
“Op de gunstige uitwerking van op-kamers-wonen voor beide geslachten!” stootte Henri met Else aan, en de foscobekers rinkelden.
“Welkom op m’n kamer,” zei Gerard aan Go, maar Hans verstoorde dadelijk de plechtigheid door: “Leve het getruffeerde gehakt!” te roepen, dat hij, plechtstatiglijk aan z’n vork opgepikt, in de hoogte hield. Nu begon werkelijk de maaltijd met frisschen honger en vroolijk, levendig gepraat, terwijl, halverwege, de juffrouw nog ’s uitgestuurd moest worden om “profeetjes”, daar de broodvoorraad dreigend te dunnen begon.
“Nu mogen jullie ’s raden, hoe laat ’t is,” zei Hans met een glunder lachje, toen ze aan de druiven en noten waren toegekomen.
Gerard, die twee noten tusschen z’n vingers gekneld hield, om ze voor Else te kraken, haalde onverschillig de schouders op: “Den Glücklichen schlägt keine Stunde”, maar Go, die aan college dacht, raadde angstig: “kwart voor éénen.”
“Bijna ’n uur mis,” plaagde Hans, “over half twee.”
“Maar we hebben Gotisch.” En Go was al op, met ’n donkere kleur van schrik; ze had nog nooit ’n college-uur verzuimd en vond ’t vreeselijk erg.
“Daar is nu niets meer aan te doen,” kalmeerde Gerard, “en erg is ’t ook niet. Ga toch weer zitten, en laten we kalm doorgaan. Geeft u er nu vanmiddag uw colleges maar ’s aan, we zijn niet elken dag zoo prettig bij elkaar.”
“Maar ’t volgende uur moet ik toch zeker gaan.”
“Kind, wat ben-jij nog ’n echt eerste jaartje,” plaagde Han, hopend haar trots in opstand te brengen, maar Else wist een betere manier van overreden: “Je wilde toch ook nog vragen over je responsie, Go.”
“O, ja, meneer Leeden; over Reinaert; mag dat dan, als we straks klaar zijn?”
“Natuurlijk,” zei Gerard opgelucht, “moet u voor ’t eerst respondeeren?—ik weet niet, of ik er nog veel van ken, hoor; maar ’k heb nog al wat boeken hier—”
“Maar als ’t gesprek zoo taalkundig wordt, gaan wij liever wat loopen samen, hè Els, en bespreken zóó samen de grondwet?” Han sprak luchtig en als terloops, maar Else bloosde, en om zich te verontschuldigen, zei ze verlegen: “Ja graag; ik heb ’t hier zoo warm gekregen; we konden Poelgeest omloopen.... Gaat u mee, meneer Elders, of houdt u óók meer van Reinaert?”
Hans glimlachte, en streek met z’n hand door z’n donker haarbosje: “Natuurlijk gaat de studie me boven alles, juffrouw Gerzon, en bovendien zijn hier nog zooveel noten over, dat ik er me ’n heele middag mee bezig houden kan.”
“Nou, adieu dan, lui,” zei Han opgelucht.
“Dag meneer Leeden, ik heb ’t erg prettig gevonden.”
Else lachte tegen Go—een heel bizonder lachje, vond ze.
Hans was achter in de kamer op den grond gaan zitten met een deeltje van Poe en de rest der noten; hij zat met z’n rug tegen den muur, floot soms droomerig voor zich uit, maar namgeen deel aan ’t gesprek, dat de twee anderen bij het raam voerden. Go zat in de vensterbank, liet haar beenen jongensachtig heen en weer schommelen en Gerard reed schrijlings heen en weer op z’n stoel. De middag was stil en loom onder den kleurloozen hemel, en als Go uit ’t raam keek, trof haar ’t desolate van de oude, ongelijke steenstraat, waar de dorre blaren, vervuild en vermodderd, te rotten lagen.
Ze hadden eerst samen de responsie-bladzij ernstig en breedvoerig besproken, Gerard vooral met veel toewijding, omdat hij ’n verlegenheid, die hij zelf niet begreep, z’n gedachten voelde stremmen, nu hij eindelijk eens rustig met dit kind zou kunnen praten.
“Lekker weer om Poelgeest om te loopen,” had hij spottend gezegd, want ’t begon juist ’n beetje te motregenen; en Go: “Ik ben er nog nooit geweest.”
Hij herinnerde zich, hoe hij in z’n eerste jaar, in den roes van nieuwe vriendschappen, die voor heel het leven schenen, met jongens als hijzelf, die hij nu nauwelijks meer kende, daar rondgedwaald had, nachten lang; met hun geëmotioneerde stemmen in de stilte elkaar vertellend, wat ze ’t hoogste en heiligste in hun leven hielden, dronken van grootsche toekomstplannen, hunkerend naar de volheid van hún leven, dat anders, rijker dan van eenig ander mensch zou zijn, bij elkander steun vindend voor de teleurstellingen van hun omgeving. En, droef glimlachend, omdat al die verwachtingen en al die heete vriendschappen zoo langzaam aan weggegaan waren, iederen dag ’n beetje, haast ongemerkt, en omdat hij achter was gebleven, soms wat leeg, wat moe, maar wetendzich ’n gewoon mensch, ’n mensch met plichten als ’n ander, die zich ’n positie zou maken... als ’n ander—dacht hij, of dit vroolijke, lieve meisje ook zoo langzaam haar stralenden blik verliezen zou—of juist door ’t licht van haar oogen anderer leven schooner glans zou kunnen geven;—en zacht vroeg hij haar: “Maar hoe bevalt ’t u hier nu eigenlijk?”
Ze antwoordde dadelijk, zonder terughouding: “Dat weet ik zelf nog niet. Soms denk ik: ’t is hier toch veel beter dan thuis, en dan weer: was ik dit maar nooit begonnen! ’t Is alles zoo anders, zoo heelemaal nieuw... ik heb soms het gevoel, of ik pas over ’n langen tijd zal kunnen weten, hoe ik ’t studentenleven wezenlijk vind. De vrijheid bijvoorbeeld. Ik heb er altijd zoo naar verlangd: ik heb altijd gedacht, dat ’t iets zoo heerlijks zou zijn; en nu weet ik eigenlijk bijna nooit, wat ik er mee zal doen. ’t Lijkt soms, of ik door hier te komen alleen ’n mooi, hevig verlangen heb verloren; of de vervulling ervan slechts ’n leegte geeft.”
“Als jongens hier vol verwachting aangekomen zijn, en ze vinden niets dan ’n ongezellige kamer, ’n kletsende hospita en saaie college-uren, dan slaan ze aan ’t drinken en fuiven en dwaasheden doen., En de kroeg, die eigenlijk niets is dan ’n ongezellig koffiehuis, al wordt hij ons elk jaar als ons thuis aangeprezen, wordt bij gebrek aan beter wezenlijk hun toevlucht, hun huiskamer. Maar wat meisjes, die natuurlijk dezelfde teleurstelling eerst ondergaan, moeten doen.... Dadelijk studeeren gáát niet; dat leer je naderhand; fuiven kunnen, en willen jullie, goddank, ook niet.”
“Ik wou, dat we ’t konden: zoo ’s echt gewoon, uitgelaten pret hebben—zooals ik wel ’s gehoordheb, als ik over de Breestraat kwam ’s avonds, in de Turk of bij Levedag.... dat opgewonden zingen van kinderliedjes, al die vroolijke koppen bij elkaar.... Bij ons op de meisjesvereeniging is alles zoo ernstig; wel opgewekt, maar wijs. Nooit ’s dwaas en jolig. Daar zouden we ons, geloof ik, ’n beetje voor schamen, als we zoo allemaal bij elkaar zijn.”
“Je.... pardon, u idealiseert onze manier van feestvieren.”
Maar Go viel levendig in: “Nee, toe, noem me “Go” en zeg “je”; ik heb ’t al lang willen vragen, maar ’k wist niet, hoe hier de gewoonte was.”
“Graag. Ik heet Gerard. Ik vind’tprettig, als je mij bij m’n voornaam noemen wilt.”
En ze zwegen even, om de nieuwe faze, die hun vriendschap was ingegaan, terwijl Go in gedachten naar buiten keek en zei: “Wat zullen ze nat worden op hun wandeling—en ze hebben niet eens ’n parapluie.”
“Wezenlijke uitgelaten vroolijkheid is iets zoo zeldzaams in de wereld,” praatte Gerard door, “gewoonlijk kunnen de menschen hun plezier vrijwel verwerken zonder behoefte er luidruchtig uiting aan te geven—als ’n fuif bij ons slagen wil, moet er een groot quantum wijn de pit, de stuwkracht aan geven. Zonder dien prikkel zijn wij ook niet vroolijk, zouden niet weten, wat te beginnen, behalve als je heel jong en heel kinderlijk bent, en gelukkig door allerlei waanbeelden.. maar dat is voor mij voorbij en sinds ik bewust ben gaan leven, ga ik niet of zelden naar fuiven meer—ik heb er geen plezier in, me buiten m’n zelf te brengen.”
Hans had naar de laatste woorden geluisterd,en wierp ’n notedop door de kamer: “Subjectief, volkomen subjectief, beste kerel.... Natuurlijk, ’n objectieve meening is ’ncontradictio in terminis, zei Hegel;.... maar laat Wim de Veer z’n opinie eens over onze fuiven zeggen. Die danst al van louter pret, als hij nog geen druppel op heeft. Die fuift al, als er maar vijf lui in ’n kamer bij elkaar zijn. “Waar twee of drie in naam der vreugde te zamen zijn, zal ze in hun midden zijn” is z’n devies. Laat die juffrouw Herderts inlichten.”
“Hè ja, vertel ’s wat van de andere leden van Laborando vincimus.—Van De Veer heb ik eigenlijk nog niets gemerkt—is die zoo vroolijk?” Go keerde zich in warme belangstelling naar Hans, maar Gerard mompelde: “’t Is ’n kind.”
“Nee, dat is niet waar; ’t is ’n alleraardigste jongen,” verdedigde Hans. “Een vagebond, ’n losbandige, als je wilt, maar pittig, met ’n fond.... Je moet ’m op straat zien loopen: pet op, handen in de zakken, en toch altijd dat aristocratische, omdat-ie nu eenmaal van goeie familie is.... Hij fluit, blijft telkens staan, draait zich heelemaal om, als hij ’n aardig meisje ziet, leert ’n paar kwajongens, hoe ze hun vlieger op moeten laten, groet ’n prof met ’n familiariteit of ’t z’n collega is—”
“Als-t-ie ’m groet,” viel Gerard hoonend in; “we kwamen laatst samen Hering tegen. Ik ken ’m toevallig, maar hij behoorde vier uur college bij ’m te loopen.... Nu; ik nam m’n hoed af, maar De Veer zegt: “Bejour” en toen tegen mij: “Wie is die varkensslachter?”
Go schaterde: “O, zeg, wat vermakelijk is dat! Zou de prof boos zijn? Zag-ie er dan zoo schunnig uit?”
“Ja, schunnig ziet-ie er altijd uit. Maar nooit college loopen, is toch geen manier.”
“Nee; maar vertel verder; ik vind ’t zoo leuk.... vertel ook over de andere menschen van ’t dispuut. Wie is de aardigste?”
“Hij,” zei Gerard en wees op Hans; Go had gehoopt het gesprek zoo op Van Neerwinden te brengen; maar de geprezene had zich al weer in Poe verdiept, en stoorde zich niet aan den lof.
“Hoe is Beerenstijn?”
“Knap, intelligent, eigenaardig. ’n Werker, ’n vrouwenhater, of eigenlijk verachter.... Ik geloof niet, dat je ’m sympathiek zult vinden.”
“Nee,” zei Go. “En Van Neerwinden?”
“’n Rare vent. Talentvol, geniaal misschien, maar decadent.—Ik mag ’m niet. ’t Is ’n vooroordeel van me, maar die verfijning, die zwakke onrust, dat elegant-lieve is me antipathiek. Het is geen kérel.”
“Neen,” en Go glimlachte bij de gedachte aan z’n fijne handen, z’n loome bewegingen. “Hij ziet er ook niet sterk uit.... Och je kunt zoo weinig zeggen van de menschen na zoo één avond.”
“Ja; ’k ben blij, dat je er nu inkomt. Als je elkaar geregeld ziet, wordt ’t zoo anders. ’k Zou willen, dat we ons als een groote familie gingen voelen, bepaald als bij elkaar hoorend.”
Go knikte, zat stil voor zich uit te kijken. Achter haar stierf de dag. Het grijze licht viel door haar zwarte krullen heen, haar gezicht was in schaduw.
En opeens hief ze de armen op, of ze iets groots omvatten wilde: “Zie-je, toen ’k hier kwam,” zei ze zacht en gejaagd, “verlangde ik de eerste dagen alleen maar naar huis terug, en ik kon aan niets anders denken dan aan moeder en debroertjes en zusjes, en m’n kamertje naast de trap.... maar toen ik ’n beetje gewend raakte op m’n kamer, begon ik iets te verlangen—ik weet niet wat. Ik voelde opeens, dat er iets bizonders met me zou kunnen gebeuren, dadelijk, ieder oogenblik van den dag.... Op straat kon ik het tegenkomen; als ik thuis kwam, vroeg ik de juffrouw, of er niets voor me gekomen was.... ik wist niet, wat ik verwachtte; ’t was eenvoudig:deverrassing.... En het werd hoe langer hoe erger—het werd ’n onrust—ik liep ’s avonds uit om het te zoeken, en dan ging ik langs de dichte huizen, alleen, en ik begon langzamerhand te begrijpen, wat ik wilde: ik had ’n heeleboel liefde en zorg, en behoefte om zacht voor iemand te zijn, en die wilde ik aan de jongens geven, aan àlle jongens.”
Ze zweeg even, streek ’r haar van het voorhoofd. Gerard had het gezicht naar haar voorovergebogen, keek haar in zwijgende spanning aan.
“Toen kwam de teleurstelling, dat ik ze niet kon bereiken; dat ze daar allemaal in hun eenzame kamers zaten, of onvoldaan treuzelden op de kroeg, en ik op de donkere straat liep, en ze niet wisten van m’n verlangen;....en ik wist toch, dat zij ’t ook prettig zouên vinden, hè, en dat ’t hun ook goed zou doen!”
“Het zou hun ’n zegen zijn,” zei Gerard ernstig.
“Maar op college sprak ik niemand, en ik mocht niet in de kroeg, en ik dacht: wat helpt me al m’n goed-willen, als ik ze niet eens naderen kan? Waar moet ik met m’n hartelijkheid heen? En daarom ben ik zoo blij over Laborando vincimus;—ik weet het, dat ik er vreeselijk veel leeren kan, dat jullie veel meer weten en veelknapper zijn dan ik; maar ik heb iets anders, dat jullie missen;—ik zou zoo heerlijk vinden, als we veel voor elkaar konden zijn.”
Er viel weer een stilte in de kamer; Gerard zat stil; keek nu recht voor zich uit. Klompgeklepper van kinderen, die uit school kwamen, klinkerde tegen de ramen op, en schelle kreten joelden er jolig over heen.
“Ik weet ’t zoo goed, ik voel ’t, hoe ontzettend veel goed ’n meisje in ons leven moet kunnen doen,” zei hij eindelijk, en z’n harde, scherpe stem klonk schor van ingehoudenheid. “Ik heb nu al zooveel jaar in eenzaamheid geleefd, en er alle mogelijke houdingen tegenover aangenomen, en nog altijd zijn er dagen, vooral de Zondagen, dat ik ’t gevoel heb gek te worden van de stilte om me heen, dat ik bel om ’n niets, alleen om weer ’s te kunnen praten, dat ’k iederen man, dien ’k maar van aanzien ken, aanfluit, om toch gezelschap te krijgen,—en zelfs—maar dat is de uiterste wanhoop,—voor den spiegel ga staan, en lach en praat tegen mezelf, dwaze buigingen maak, ’n gesprek op touw zet, om zoo eindelijk aan ’t zwijgen te ontkomen.”
“Ja, ik voelde ’t wel, dat ’t zoo moest zijn, ’t vroolijke studentenleven.”
“Niet bij iedereen natuurlijk. Je hóórde daar net van De Veer. En zoo zijn er meer. Als je pas aankomt, beken-je je ook gewoonlijk niet, dat je eenzaam bent. Je zoekt mooie vriendschappen. En als dat teleurstelt, ga-je fuiven. Maar er ligt onder de uitgelatenheid, de dwaasheid, het cynisme, heel wat melancolie en levensangst en onvoldaanheid verborgen. Dit zijn moeilijke jaren.”
“Als ik hun nu ten minste maar wat gezelligheid op hun kamer geven kon.”
“Begin met mij; ik zal zoo’n dankbare discipel zijn.”
“Goed,” zei Go. En toen stak ze spontaan haar hand uit: “We zullen goeie vrienden zijn, wij samen, hè; we zullen elkaar helpen.”
“Zeg,” riep Hans uit z’n donkeren hoek, “ik kan hier niets meer zien; zouên we niet ’s thee kunnen gaan brouwen?”
Go ging naar de kast, terwijl Gerard z’n studeerlamp aanstak. En ze dacht, of ze ook Hans wat zou kunnen geven, of die zich ook wel ’s eenzaam voelde. Hij leek zoo tevreden in zich, zoo zelfgenoegzaam,—wel hartelijk en lief, maar toch teruggetrokken. Ze zou ook voor hem graag iets liefs willen doen; hij zag er zwak uit. En toch zoo opgewekt!
“Gezellig, nu met ’t licht op en toch half in schemer thee te drinken.”
“Ja, jij vindt de druilige dagen zelfs prettig, natuurlijk.”
“Binnen, ja. Maar juffrouw Herderts en ik moeten weer naar ’t vijandige buiten.”
“Ja, ’t is al laat. Ze zullen al lang van hun Poelgeest-wandeling terug zijn—”
“Wie weet?” lachte Gerard. “Soms duurt zoo’n uitstapje lang.”
Go vond Else alleen in de donkere kamer; ze kon haar gezicht niet zien, maar haar stem klonk opgewonden, toen ze: “Go, o, Gootje!” riep. Stijf sloeg ze de armen om haar hals, fluisterend: “Zeg, ik moet je wat vertellen—begrijp-je ’t al—o, Go, nu worden we dubbel nichtjes!”