Hoofdstuk VIII.Toen de familiepartijtjes ter eere van de verloving van Henri en Else, die zeer in den smaak viel, waren afgeloopen, besloten ze ook voor de Leidsche vrienden een fuifje aan te richten, en wel speciaal voor “Laborando vincimus”.Henri bedisselde, dat de volgende vergadering bij hem zou zijn, en wilde dan in plaats van ’n gewoon nabroodje ’n fijn soupertje met bloemen en ’n strijkje geven, waar de meisjes natuurlijk bij zouden blijven, en Else als jeugdig bruidje gehuldigd moest worden.Hij had eerst z’n plannen zooveel mogelijk voor Go en “Vrouwtje” verborgen willen houden, maar ze vroegen zóó dringend z’n kamer te mogen versieren en alles mooi te mogen maken, dat hij steeds meer de leiding uit handen gaf, en ’t zelfs zóó ver kwam, dat ’s middags vóór den plechtigen avond hij de deur werd uitgestuurd, omdat hij ’t pas zien mocht, als alles klaar was.Z’n juffrouw, genietend van al die feestelijkheid in haar huis, deed energiek mee, sloot triomfantelijk de deur af, en hij, wanhopig, ’t opgevend “als drie vrouwen tegen ’m wilden samenspannen”,was gegaan, en niet teruggekomen vóór ’t uur van de vergadering, toen de hospita ’m dadelijk vertrouwelijk meedeelde, dat alles “keurig en keurig” was,—als meneer nu nog maar den wijn uitgeven wilde; en Go en Else, even later, stralend, in lichte partij-jurken met bloemen, die Han ze gestuurd had, waren ’m ook komen verzekeren, dat hij tevreden zou zijn, en dat z’n juffrouw een parel was.De vergadering liep geregeld en geanimeerd af; er was feeststemming in de lucht, de meeste jongens droegen mooie jasjes, behalve Beerenstijn, die altijd een grofgrijs colbertje aan had; bij de thee werden taartjes en bruidsuikers gepresenteerd, en in de pauze was er ’n groot bouquet voor Else gekomen van het dispuut.Zoodra Henri’s hamer voor de laatste maal was neergevallen,—Else had ’m het symbool van z’n waardigheid meermalen afgenomen, had er mee zitten spelen, ’m laten vallen, er Han mee gestreeld, zoodat Beerenstijn had gepreveld: dat voor ’n praeses van een dispuut, evengoed als voor ’n priester, ’t coelibaat verplichtend moest worden gesteld,—was Go de kamer uitgeloopen, om ’n laatsten blik over de tafel te laten gaan, die in de kamer van Han’s buurman stond aangericht, en het strijkje bestaande uit piano, viool en violoncel ’n teeken te geven, dat ze beginnen konden.Toen riep ze, als gastvrouw, de anderen om binnen te komen. De “Hochzeitsmarsch” jubelde hun al op de gang tegemoet, en bij de deur bleven ze stilstaan van verrassing: alle lichten van de kroon waren aan, en op den schoorsteen stonden luchters met brandende kaarsen, die hunvlammetongen in den spiegel weerkaatsten. Daar hing veel fijn groen, met ’n enkele chrysant er tusschen sierlijk van af, uitloopend in een ijlen, slanken slinger, die om de klok was gelegd, en de wijzerplaat goelijk bedekte.Vazen met chrysanten en daliahs stonden op kleine tafeltjes, sierden het tot buffet gepromoveerde bureau. Aan de kroon hing de gladgroene hulst met vroolijke, roode bessen; maar de tafel zelf was sober gehouden, met slechts los hier en daar ’n viool of wat kleine asters;—bij de borden van Han en Else alleen ’n kring van groote rozen, rood en wit.Han had in verrukking Else’s arm genomen, leidde haar, trotsch en zalig, de lichte kamer in.Go zag de ontroering op hun jonge gezichten, voelde haar oogen warm worden, onder ’t angstige wenschen: dat ’t toch altijd zoo blijven mocht,—en toen Eduard zich naar haar overboog: “Mag ik jou aan tafel brengen,” trilde haar hand op z’n arm zóó, dat hij haar bezorgd in ’r ontstelde gezicht keek en teeder zei: “O, wat zie-je bleek! Wil-je ook liever nog wat naar de andere kamer?”Ze schudde stil haar hoofd, keek dankbaar de tafel langs: Elsi en Henri daar, Frieda tusschen Hans en Beerenstijn—dat was de eenige, die de vrouwenhater nog wel kon lijden—zij naast Eduard, Rolands aan den anderen kant. Dat was ’n stil ventje, zou haar niet storen;—Eduard had háár gevraagd,—beteekende dat, dat hij haar aardig vond? Nee, veel zeggen deed ’t niet: Else soupeerde natuurlijk met Han, en Frieda was niets voor hem, zoo strak en sterk,—die zou ’m zeker, net als Gerard, “geen kerel” vinden;—Frieda was echt ’n meisje om te studeeren, zoohelder en rustig, zoo eenvoudig-verstandig altijd.—“Had-je liever ergens anders willen zitten?” vroeg Eduard zacht.“Nee, waarom?”“Je kijkt zoo rond en je bent zoo stil.—Is er dan wat anders?”“Nee; ik dacht er over, dat Frieda en jij elkaar niet aardig zouden vinden.”Hij lachte zacht, haar fixeerend, terwijl z’n oogen steeds dieper glans kregen.“Zoo, en waarom niet?”“Ik weet niet. Ik ken je nog wel niet lang.... maar je vóelt zoo, hoe iemand moet zijn, vanzelf. Als je de klank van z’n stem hoort, z’n bewegingen ziet, z’n kamer, z’n boeken....”“En wat denk-je dan van mij?”“Dat je van een menschensoort bent, dat Frieda niet appreciëert.”Ze zweeg, en speelde nerveus met haar glas. ’t Was vreemd, dat ze met hem veel minder goed praten kon dan met Gerard; met dien kwam ’t intieme, ’t belangrijke vanzelf; met Eduard liep elk gesprek dadelijk dood, terwijl ze juist aan hem zoo graag haar vertrouwen zou willen geven.Ieder zinnetje, zelfs ’t gewoonste, van hem, klonk als een liefkoozing: dat verwarde haar;—’t was net, of z’n oogen, onder de banale woorden door, haar steeds zeer ontroerende dingen zeiden; maar ze wist niet zeker, of ze zich dat misschien maar verbeeldde. Zooals hij nu met z’n hoofd over z’n bord zat, gretig etend van de kip met compôte, leek ’t ’n gewone, knappe jongen, zonder geheime charmes.“Waarom kijk-je me zoo aan, Go? Je maaktme verlegen.” Z’n stem zong doordringend en ze voelde opeens ’n gezond ongeduld opkomen, tegen de verslappende bekoring, waarmee hij haar omspon.“Ik had niet gedacht, dat je zooveel zou eten,” zei ze met ’n lachje: “dat hoort niet bij je figuur.”“Je zult me nog wel eens meer iets zien doen, dat niet bij m’n figuur past, in jouw oogen;—consequent zijn in alles, wat je doet, is vrijwel synoniem met onwaar-zijn. Zoo iemand heeft ’n idee in z’n hoofd, ’n tooneelfiguur voor oogen, die hij nabootsen wil.... Wie tegenwoordig ’n harmonisch mensch lijkt, speelt alleen z’n rol bizonder goed.—We zijn allemaal bij elkaar gelijmd uit niet-bij-een-passende stukjes, goed en slecht en sterk en zwak—wij modern-onrustigen. Ieder mensch is ’n eenheid van tegendeelen.”“Toch niet allemaal,” zei Go zachtjes, die niet thuis was in de Hegliaansche terminologie, “kijk Elsi en Henri nu ’s, en Hans—en Frieda—”“Wat weet iemand eigenlijk van den ander af!—Ik ken alleen de tweespalt in mezelf, en daarnaar meet ik ’t geluk af bij andere menschen.”“Dat wordt later natuurlijk beter; dit zijn de moeilijkste jaren.—”“Later, als ik een geposeerd mensch ben geworden, meen-je; als ik ’n baantje heb, en nòg meer eet en drink dan nu, en nòg....”“Als je je nuttig maakt—”“Nuttig voor anderen—als rechter—redder van de menschheid, steun van weduwen en weezen—prachtig, hè? Maar,sancta simplicitas, laten we toch ’s ophouden met de dwaze inbeelding, of we wezenlijk voor ’t heil van onze medemenschen zoo’n baantje entameeren, en er onsmee bezig houden tot ’t einde.—Honderd anderen zouên ’t immers even goed kunnen als wij, kijken ons met nijdige, afgunstige gezichten aan.—Welk mensch is in deze tijden van overbevolking onmisbaar? Als hij méér kan dan ’n ander, laten dan drie of vier z’n plaats innemen; krachten genoeg; daar hoef-je niet zuinig op te zijn.”“Maar wáárom dan?” vroeg Go, “en wat moet je dan....”Hij haalde z’n schouders op, en keek stroef voor zich uit. Hij scheen z’n buurmeisje en de tafel vergeten; z’n stem was hard, als metaalklank, en ’n waas hing over z’n oogendiepten.“Het eenige, wat ’n mensch doen kan, is, maken, dat de tijd zoo onopgemerkt mogelijk voorbij gaat,—daarom fuiven we, daarom werken en lezen, en eten en slapen we. Ieder naar z’n aanleg. Ieder kiest, wat ’m ’t beste bezighoudt. Je vindt ’t ’n leelijke levensopvatting,—je gelooft ’t niet,—wacht maar; als je ouder bent.”Het strijkje, dat in de alkoof bij de piano zat, viel vroolijk in met de matchiche, en De Veer, z’n stoel achteruit gooiend, sprong vreugdevol op, wierp ’t lijf achterover, en danste, den vroolijken kop door ’t gulden licht overstroomd. Hij had zich asters achter de ooren gestoken, hield ’n roode daliah tusschen z’n lippen, en terwijl hij steeds joliger danste, klapte hij met de vingers, als om zichzelf aan te hitsen.“Zóó richt hij z’n leven in,” zei Eduard met ’n mat lachje, maar Go zag hier de heerlijke, echte uitgelatenheid, zooals ze altijd bij jongens had vermoed, klapte in de handen en riep: “mooi, mooi! O, laten we straks toch gaan dansen.”“Praeses, mag ik nu misschien ’s het woord,” riepGerard, den betrokkene, die zich heel weinig met de tafel bemoeide, en juist bezig was z’n meisje ’n roos in ’t haar te steken, met ’n notedop gooiend.“Och kerel, laat me met rust. Ik heb vanavond toch niet de leiding. Doe, wat je niet laten kunt, maar bel dan eerst om ’n paar nieuwe flesschen.”Gerard sprak met overtuiging, terwijl hij eerst, ’n beetje over de tafel geleund, Han en Else nog ’s hartelijk gelukwenschte, daarna zich richtte tot de meisjes in ’t algemeen, die voor ’t eerst ’n feestje met hen hadden willen meemaken.“Ik weet, jullie hebben eenvoudig-weg: ja, gezegd, omdat je ons als vrienden beschouwt, en met ons ’t verlovingsfeest, waar we allemaal blij om zijn, wilde vieren. Jullie hebt er geen ernstige theorieën bij verkondigd; maar ik zie, zooals jullie hier nu vroolijk en gezellig in ons midden bent, jullie toch als baanbreeksters van het nieuwe leven, waar de verhouding tusschen jongens en meisjes ’n wezenlijk vriendschappelijke, wezenlijk elkaar steunende zal zijn. Hoeveel goed dat ons, jongens, zal doen,—we weten ’t hier wel allemaal van onszelf, dat de meisjes veel aan ons te verbeteren zullen hebben—”“Wij nog meer aan de meisjes, àls er iets aan te verbeteren valt,” viel Beerenstijn uit, maar Hans bedreigde ’m met de spuitwatersiphon, en Gerard maakte er nu maar gauw ’n eind aan, met te drinken op de goeie verhouding en den bloei van de leden van “Laborando vincimus”.“Mag ik ’t woord, praeses,” drong Beerenstijn, “om te herinneren aan ’n uitspraak van Erasmus in “stultitiae laus”, dat de grootste aantrekkelijkheid van de vrouw—”“Meneer Beerenstijn, ik verzoek u de stemmingniet te storen....” beval Han plechtig, maar Frieda viel levendig in: “Ik weet, wat je meent. Oppervlakkig is er iets vóór te zeggen. Maar je ziet in meisjes-studenten te veel ’t liefhebberen in de wetenschap; je hebt er zeker nog nooit ontmoet, bij wie ’t wezenlijk ernst is, als bij ’n man.”“Dat heb ik wel; jou bijvoorbeeld. Daarom heb ik ook heelemaal niet ’t land aan je; maar je bent nu ’n kameraad geworden, geen meisje meer voor me,—maar zooals die ’t doen,”—hij keek naar Else en Go—“dat ’s vleesch noch visch.”“’t Zijn toch aardige kinderen.”“Als ze niet studeerden. Als ze niet hun grootste charme: hun onwetendheid, zoo gauw mogelijk trachtten kwijt te raken. Ik wil geen vrouw, die net zooveel weet als ik, of ’t zich tenminste verbeeldt. En ze worden leelijk.”“Dat hoeft niet,” riep Eduard; en Go vond vreemd, dat hij ook op zoo’n manier over meisjes praten kon. Ze kreeg ’t gevoel, of voor jongens ze toch voorloopig nog wel iets heel ver-afs moesten blijven, half vereerd, half getiranniseerd, als ’n weeldedingetje.Gerard zag ’t in haar oogen. “Hoe denk-je nú over de leden van ons dispuut? Nóg geavanceerd, of wel ’n beetje bekrompen en banaal?”Maar nu riep De Veer, of hij eindelijk ook ’s wat mocht zeggen, en ze keerden zich allen verwachtend naar het stralende, opgewonden jongensgezicht, waarin de donkere oogen als zonnetjes flonkerden.“Ik spreek naar aanleiding van den toost van Leeden, en ik heb er niet vooruit over nagedacht en niet klaargemaakt, wat ik wou zeggen—”“O, jerum!” zuchtte Hans, “als dat dan maar goed afloopt.”“Maar ’k wil uiten, wat ik voel, en dat is: blijdschap en verwachting. Ik heb, terwijl Gerard sprak daareven, ’n visioen gehad; dat was: de algeheele verbroedering en verzustering. Ik zag de meisjes op onze kroeg, tusschen ons, met potten bier....”Men begon zachtjes te proesten. Han alleen zat ’n beetje gespannen, met z’n mes in de hand, om af te tikken, wanneer ’t te erg werd.“Ik zag ze met ons meedoen op de rijjolen, mee inklimmen in de huizen.”Het werd rumoeriger aan tafel; het lachen steeg.“Ik weet ’t wel; we zijn nog ver af van dat alles. En ik weet niet, of ik dien ideaal-toestand nog meemaken zal, als student.”“Studeer maar door, op dezelfde manier, als je bezig bent; dan heb-je veel kans,” interrompeerde Gerard; maar de redenaar hernam onverstoorbaar:“Er moet nog veel veranderen, voor we zoover zijn. De meisjes moeten veel sterker worden, dat ze er beter tegen kunnen ’n nacht op te blijven.... ze moeten meer wijn leeren drinken,”—en hij keek verwijtend naar de glazen van Else en Go, die nog half vol waren; Frieda was geheel-onthoudster—“hun kleeding moet veranderd worden, dat ze gemakkelijker alles mee kunnen doen....”Nu tikte Henri: “Dank u, meneer De Veer; ’t is genoeg geweest.”De tafel lag flauw. “Kerel, kerel,” hikte Hans, “je bent onbetaalbaar. Laat-ie toch doorgaan, meneer de praeses, als hij ergens ter wereld iets nog dwazers verzinnen kan.”“Maar ik meen het,” verweerde De Veer zich, toch niet gepiqueerd, “op ’t oogenblik mag ’t vreemd lijken, maar over ’n jaar of tien....”“Gekken,” mompelde Beerenstijn, die juist zag, dat Henri en Else samen van een bordje aten, “als er hier nog een geëngageerd paar komt, ga ’k er uit.”En z’n oogen bliksemden naar Eduard, die ’n waterlelie uit z’n sinaasappelschil voor Go maakte.“Omdat die vent nu zekere capaciteiten heeft, die wij, jongens, niet in ’m kunnen waardeeren,” zei hij tegen Frieda, “moet ’t hier nou per se ’n backfischen-bewaarplaats worden; die vinden ’m natuurlijk allerliefst.”Go had zich hartelijk naar De Veer overgebogen; haar oogen waren diep donkerblauw in haar warm gezicht: “Laat je eens bij ons op de club introduceeren, Wim,” zei ze vertrouwelijk, “dan zul-je ’s zien, dat van gezamenlijk fuiven zoo gauw nog niets komen zal; we zijn daar zoo ernstig, zoo wijs....”“O, meneer, daar benne ze van de pelisie,” kwam de juffrouw ontzet, “der mag geen muziek meer gemaakt worden, ’et is half drie.... ze wille binne.”“Nou láát maar,” zei Han laconiek, “dan krijgen ze óók een glaasje,”—en dan tegen ’t strijkje: “Goeie broeders, pakken jullie de bullen nou maar in en bedankt voor je praestaties.”“Maar dan ga ik toch naar huis,” zei Frieda opstaande.“En ’t dansen dan?” vroeg Gerard, “we hebben nu de muziek juist noodig.”De strenge politiedienaar posteerde zich in de gang. “Hè, hoe zonde, het dansen,” klaagdeGootje, en Eduard sloeg even den arm om ’r heen, draaide rond, ’n wals tusschen de tanden neuriënd.“Mantels, hoeden,” schreeuwde Hans als ’n omroeper.“Neem jullie wat bloemen mee, meisjes!” vroeg Han, de rozen voor Else inpakkend.“In naam der wet er uit!” gilde de kleine Rolands; wat Eduard stil deed staan en zeggen: “God, ventje ben-jij er ook nog, en den heelen avond wakker geweest.... en Hoefman ook.... die was natuurlijk net bijna zoo ver, dat-ie ’n dichterlijke speech in elkaar had, en nu hebben we ’m den heelen avond niet gehoord.”“Pak je goed in,” zei Gerard bezorgd tegen Go, “je bent zoo warm.”“Ready?” schreeuwde Beerenstijn, die met den agent naar beneden was geloopen.“Een, twee, drie, zeven, negen, elf. We zijn compleet,” telde Gerard de leden. “Hoe gaan we nu verder?”“We blijven bij elkaar; eerst naar Frieda’s huis;allons, enfants.”’t Was doodstil op straat, en ’n koude nacht. Ze werden vanzelf er allemaal kalmer door. Go dacht, hoe moe ze den volgenden ochtend zou zijn; ze zou wel niet naar college kunnen. Ze hoorde Hans, die classicus was, met den schuchteren Hoefman boomen over de studie in de Nederlandsche letteren.“Toch wel lollige lui, die ouê snuiters,” vond Hans, maar Hoefman zei:“Misschien spreek ik met te weinig zaakkennis, maar behalve Hooft en Vondel lijkt ’t me toch niet veel. De Reinaert.... nou ja, heel aardig; maar toch niet zóó, dat ’t een literatuur redt.En later Potgieter en Beets en Staring; dat lijkt allemaal zoo ver af; zooveel verder dan Franschen of Duitschers van denzelfden tijd... ’t is zoo burgerlijk-degelijk, zoo gezond en soliede, dat je zelf ook stevig op je beenen moet staan, wil je ’t kunnen appreciëeren... en wie is zoo, tegenwoordig...”“Vooral omdat ’t mode is, dat mislukte, dweperige genieën en sentimenteele meisjes die studie kiezen,” bromde Beerenstijn, in de hoop, zoowel Hoefman als Margo te kwetsen.Maar Eduard zei juist: “Hoe grappig toch, dat jullie zelf den sleutel hebt; zoo niets voor ’n meisje.”En dat vond ze, voor ’t eerst, niet prettig, zich verwonderend, dat jongens er juist zooveel tegen hadden, als meisjes meer met hen mee gingen leven; hen beter gingen begrijpen.“Slaap lekker, wel te rusten; nàcht, nàcht!” riepen de heldere stemmen over ’t stille grachtje.En de meisjes klapten de deur dicht.Maar bleven in de schemerige gang, waar alleen ’n klein olielampje op ’t meterkastje brandde, nog even stil luisteren naar de voetstappen, hol-opklinkend bij ’t gaan over de oude brug.Hoofdstuk IX.Go stond ’n beetje te treuzelen in de gang bij ’t college-lokaal, knoopte haar regenmantel langzaam dicht, huiverende om z’n vochtigheid. De meeste jongens waren al weg gestommeld, na eerst bij de deur ’n cigaret te hebben opgestoken, en die scherpe geur was prikkelend in de vochtige atmosfeer blijven hangen, hinderde Go aan haar verkouden-ontstoken keel.“Breng je me misschien naar den trein?” vroeg Lou, die spoorstudent was.“Nee, ’t kind is veel te verkouden,” besliste Coba, het andere eerste-jaartje, dat en pension leefde bij ’n groote, gezellige familie. “Ga met mij mee; mevrouw heeft zeker thee, en dan kan ’k je ’n kleedje laten zien, dat ’k voor haar wil maken.”Go schudde ’t hoofd: “Nee; ’k ga maar dadelijk naar huis. Zoo ellendig zulk weer, als je net zoo verkouden bent. Nee, dank je; ’k heb geen zin om mee te gaan; ’n andere keer ’s.”Maar loopend door de druilige gang, waarvan ze de zware deur slechts met moeite open kon hijschen, dacht ze, hoe ongezellig ze haar kamervinden zou, verlaten, somber, zonder vuur;—de juffrouw zou wel uit zijn of visite hebben; de menschen in huis met elkaar vroolijk en gezellig,—niemand zich bekommerend om haar; nee, ’t was maar beter, als ze niet ging, vóór ’t eten; dan werd er tenminste op haar gerekend, zou de kachel branden, en Else er zijn;—zou ze die nu misschien van college gaan halen? maar natuurlijk had ze ’n afspraak met Henri; dat was elken dag zoo, en ’t sprak ook vanzelf;—de bibliotheek.... ja, dat zou het beste, ’t eenige zijn. Ze kon ’r responsie voor Hooft vast prepareeren. Mogelijk zou er ook iemand zijn, die ze kende. Gerard niet, dien had ze dienochtend noggesproken, ging den heelen dag naar Den Haag met Hans, om ’n kamerzitting bij te wonen; Eduard misschien, of Frieda; of Mary Bruining, waar ze altijd nog ’s naar toe zou gaan.Wat was de gang somber en bedompt met al die natte jassen en parapluies en overschoenen, en hoe druilig zag de boekenzaal er uit door het glimmerige glas. Zacht suisden de deuren dicht en weer open; de menschen liepen voorzichtig en bedaard, praatten met fluisterende stemmen en matte lachjes. En het jongetje, dat de boeken aansjouwde had ’n verschrompeld, wit gezichtje, als ’n heel oud mannetje, terwijl hij al die wijsheid toch alleen maar met z’n handen aanraakte en z’n hoofd er niet mee hoefde te martelen.Ze ging naar de groote boekenkast rechts, om de zware, in-zich-zelf gekeerde woordenboeken van de plank te kantelen, en voor zich op te stellen op ’n nabij tafeltje. Ze moest eigenlijk ’n beetje lachen om al die wichtigheid; zóó au sérieux kon ze haar studie niet nemen, dat zevond in deze omgeving van geleerdheid en ernst te passen; ze voelde zich veel meer ’n kind, dat, in vader’s studeerkamer binnengeslopen, blijven mag, zoolang ze niet lastig is. Onwillekeurig keek ze ’s door de zaal, of de anderen ’t ook niet grappig vonden, maar de stil-gebogen hoofden hadden niet bewogen, en een man, die met ’n paar dikke wetboeken de zaal door ging, keek langs haar heen, met niet-zienden blik.Ze ging nu stil zitten, en dacht, dat ’t toch wel ’n rustige zaal hier was: donker eiken met dof goud, de voetstappen gedempt door het dikke cocos. Maar ook triestig, kloosterachtig, om de dikke, ijzeren hekken voor de ramen, waarachter het nat-verwaaide tuintje lag met de kale heesters. Hoe desolaat was het stille Leiden op zóó’n dag; haast niemand op den weg, niets te zien dan droeve boomen en het doffe grachtewater, en de oude, suffe huizen, waarvan de oogen blind leken.Ze dacht nu ook weer aan den ouden tuin achter college, die toen ze pas aankwam schitterend van tinten en herfstverkleuringen was geweest, en haar dezen middag door ’t beregende venster zoo’n allerdroevigst beeld van verwaarloozing had geschenen. Dikke hoopen rottende blaren overal op den doorweekten grond, schraal-uitgeschoten, omvergewaaide heesters over de grasperken, afgeknakte wingerdranken over het priëeltje; en dan steeds maar door regen, stilletjes neersijpelend en druppend van alle boomen en huizen.... Nooit mocht er iemand komen in den tuin. En die eenzaamheid van jaren maakte ’m nog zieliger....Ze moest maar liever met ’r rug naar ’t raamgaan zitten; dat uitkijken in zoo’n regenstad maakte maar melancoliek. Zoo kon ze ook rustiger zien, wie er waren, en dan gaan werken, want daarvoor was ze toch gekomen.In den hoek aan den overkant zaten ’n paar meisjes, die samen uit een boek lazen en excerpeerden: ze waren er in, met opgewonden toewijding, niet met het rustige, overgegevene, waarmee ze jongens hier werken zag.Wat kende ze toch betrekkelijk nog weinig studenten: die van “Laborando vincimus,” en van college: en nog ’n paar, die ze zoo’s toevallig bij andere meisjes had ontmoet,—maar van die hier nu zaten, niemand. En twaalfhonderd waren er in deze stad. Hoe weinigen daarvan zou ze ooit kennen: hoeveel aardigen, die wat voor haar zouden kunnen zijn, nooit bereiken. Dat Indische jongetje nu b.v. tegen den glasmuur; wat ’n sympathiek, intelligent gezicht; en wat goedig, zooals hij het boeken-sjouwertje op den schouder tikte en toelachte. En die bleeke man bij de groote tafel, met die extatische oogen, en z’n lange, doorschijnende handen. Dat zou wel van de studie komen, de “romantische”. Maar als ze niet werkte, zou zij dat nooit vinden; en ze steunde haar koortsig hoofd in de hand; wat bonsde het hevig, en ze was zoo dof.“Vast alleens—de l is hier verdubbeld evenals in alleen voor al-een—gink het den graave van Hoorne, die, neemende zijnen weg door een’ anderen hoek der huizing, van Hieronimo de Salinas, burghvooght van Portheroole....”Het tochtte in haar hals, en de rillingen gleden griezelig van haar achterhoofd door haar rug;—ze moest eigenlijk ergens anders gaan zitten,maar die boeken waren zoo zwaar; ze voelde ’t ’s avonds altijd aan haar polsen, als ze ’s middags op de bibliotheek gewerkt had—“meer dan in haar hoofd,” had Hans geplaagd....”Burghvooght van Portheroole”—waar zou dat liggen? Zou het ’n stad zijn? De professor vroeg soms de onverwachtste dingen en ’t was zoo naar, als je zeggen moest, dat je ’t niet opgezocht hadt. Zacht haar stoel achteruit-schuivend stond ze op, gleed de mat over, langs de gloeiende kachel; daar links stonden de boeken voor geographie, geloofde ze. Ach, ’t was zoo moeilijk ’n beetje den weg te leeren kennen, ’n beetje te begrijpen, hoe je studeeren moet. Dat daar in de hoogte moest ze hebben: “Lexicon der Geographie”;—maar ze kon er niet bij;—zou ze vragen aan dien langen,—zou ze op ’n stoel klimmen?.... Ze lachte; ze voelde zelf, dat ’t grappig was, zooals ze daar stond, in de hoogte, met ’r armen vol; ze bloosde, en blozend zag ze naar de anderen;—niemand keek; ze zaten daar stil over hun boeken gebogen, verdiept in hun belangwekkende wetenschap, en wat ’n kinderachtig meisje voor toeren maakte achter hun rug, daar stoorde zich niemand aan.Ze voelde ’n boosheid in zich opkoken, terwijl ze nerveus de bladzijden omsloeg: jongens, studenten, waren dat jonge menschen? waren dat frissche, gezonde menschen, die in hun boek bleven kijken, als ’n aardig meisje iets grappigs deed; die niet merkten, of ze binnenkwam of wegging; voor wie ze niets dan ’n ook-studeerende was? Ze wist: ze was nooit coquet geweest; van klein kind af had ze een afkeer gehad van aanstellerij, en ze had altijd met de jongens vanschool open en eenvoudig omgegaan. Maar ze had ’n sterk ontwikkeld vrouwelijk gevoel, dat maakte, dat ze altijd als haar prettig recht had aangenomen, als de leeraren en leerlingen in hun levendige belangstelling en hartelijkheid dat ondefiniëerbare, aangenaam-eerbiedige en toch teedere hadden gelegd, dat haar deed voelen, dat ze ’n meisje was.Dit bewustzijn was in àl haar doen, en ze wist, dat ’t natuurlijk en dus ook goed was; ze had instinctmatig gevoeld, dat Frieda het niet kende, daarom misschien wel zoo buitengewoon geschikt voor studie was;—maar dan moest zij er maar minder geschikt voor zijn, ’t verloochenen deed ze toch niet, en uitdrogen, als die jongens hier, daarin had ze ook geen zin.Portheroolekon ze niet vinden, en voor haar part kon de geheele universiteit worden afgebroken, als je zóó van de studie worden moest, de “romantische” studie. Als ’t college-uur uit was, en de professor de deur achter zich had dicht gedaan, dan had ze verwacht, dat de vrijgelaten jeugd als losgebroken geiten door elkaar zou springen, en lachen en praten en op de tafels klimmen.... maar dan bleven al die jonge-menschen-onder-elkaar, zonder toezicht, stil zitten doorschrijven, tot ze ook de laatste woorden van wijsheid zorgvuldig hadden opgepend, en dan schoven ze langzaam de gang in, de jongens rookend en dof pratend in groepjes, de meisjes zeurig-hangend in het kamertje, waar hun kleeren lagen en ’n lucht was van bleekpoeder en gestoofd eten.Natuurlijk, ze waren geen kinderen meer; en de studie had hun wezenlijke belangstelling. Maar in den vrijen tijd moesten ze toch jongens enmeisjes blijven, die jong waren, geen dictaten-penners, zonder leeftijd.Die ellendige gematigdheid in alles! Nu had ’t vier uur geslagen; dan werd de bibliotheek gesloten. Er was de laatste vijf minuten niet telkens op de klok gekeken, of ’t nog geen tijd zou zijn; maar nu was er ook geen teleurstelling, dat ’t al zoo laat was; niemand wilde nog gejaagd wat afmaken; geen dacht er over zich tegen ’t reglement te verzetten.Het bleeke kind-mannetje zette de deuren open, en in de boekenzaal werd ’n beetje luider gesproken.“Dat’s wéér ’n dag,” dacht Go op de gezichten te lezen, die telkens beleefd de langzaam-wegstappende werkers groetten. Ze zag ze nog voor zich uitloopen op ’t Rapenburg, met tragen, vasten gang, en was blij, toen ze De Veer tegenkwam, te paard, met z’n pet achterover op z’n hoofd.“Ik ben naar “de Vink” geweest; wel wat nat! mag ’k ’n eindje met je mee rijden?”Go lachte: “Je zit daar zoo hoog, dat ’k m’n verkouden stem niet zoover uitzetten kan.”“Ik kan er toch niet afkomen; dat is zoo’n manoeuvre! Je moet warme punch drinken, als je keelpijn hebt.”“Jongen, we houën er geen wijnkelder op na!”“Zeg, is ’t waarachtig waar, dat jullie op júllie kroeg alleen limonade drinken?”“En thee!”“Limonade en thee!Good gracious!Het is ongeloofelijk! Moest je in ons corps komen! Maar dat is ook buitengewoon. Het Leidsche corps is ’t beste, dat er is; dat is bekend. En ik weet, dat jij ’t er leuk zou vinden. We hebben laatstop ’n nacht ’n fakkeltocht over de daken gehouden. Toen heb ik aan je gedacht. Het zou wel wat lastig voor je geweest zijn, maar ’k weet zeker, dat je graag zou zijn meegegaan. Nog een grappige geschiedenis met ’n agent, die ’t huis binnenkwam, en per se m’n naam wou weten, die ’k nou ’s niet zeggen wilde. Heel gemoedelijk alles. De kerel kreeg ’n sigaar en ’n pot bier. Maar later zijn we gaan vechten. Die snee, zie-je.”“Maar Wim; je doet toch erg dwaze dingen, geloof ik,” berispte Go, die ’t toch eigenlijk alleen maar grappig vond, terwijl ze moest denken, wat moeder daar wel van zeggen zou, vechten met ’n agent, in den nacht op straat. “Maar die fakkeltocht zou ik dol-graag hebben meegemaakt.”“Ja, hoe jullie dat uithouden, zonder feesten, begrijp ik niet. Het is zoo iets heerlijks, ’s nachts in ’n bakje of op de kroeg. Of ’n fijn dinertje na ’n examen.”“Je hebt dus nog al plezier in je leven?”Hij lachte, en tikte z’n paard even op den hals: “Ken-je “Rotte Blaren”, die bundel studenten-versjes? Daaronder is er een, waarin wijze menschen ernstig vragen, waarom we toch zoo fuiven en jolijt maken, en drinken? En dan is ’t onveranderlijke antwoord: “omdat ’t lollig is”. En dat zeg ik altijd bij alles, en zooláng ik ’t lollig vind, blijf ik zoo doen. Ik heb ’t land aan kerels, die fuiven zonder er plezier in te hebben. Ik geniet van elk feest; “omdat ’t lollig is.” En z’n stem sloeg om in ’n joligen schater.Ze waren nu bij de Breestraat gekomen, en Go wilde den hoek omgaan.“Laten we liever de Apothekersdijk nemen,” sloeg hij voor; maar Go dreigde ’m, begrijpend-lachend,met haar vinger: “O, groote meneer de reformator; die droomt van daktochten maken, en nachtelijke rijtoeren, met meisjes er bij,—maar ’t niet waagt op klaar-lichten dag met zoo’n wezentje langs de kroeg te komen;—gaat u maar alleen de Breestraat in, en denk onderweg ’s over theorie en practijk na.”“’t Is niet om mij,” verdedigde hij zich, “geloof me, Gootje. Mij zou zoo iets geen kwaad doen; maar ze zouên kletsen over jou, en dat ’s niet noodig.”“En is dat nu dat hoogstaande corps?”“Och, ze hangen wat erg aan traditie.... Je stuurt me weg; toch niet boos, hè? Eet emser-pastilles vanavond.”Hij groette met z’n rijzweep, keek knikkend nog ’s lachende om.En ze verwonderde zich, hoe die “vrij-gevochten schooier” er tegenop kon zien met haar langs de kroeg te gaan. Wat kon iemand er nu in godsnaam over te zeggen hebben, dat ze naast ’m liep. ’n Rare maatschappij hier! ’tWasháár nog niet duidelijk.En ze legde haar hand tegen ’r heet hoofd, dat branderig bonsde bij de slapen.Na het eten had Else haar ingestopt op de canapé, de kachel flink opgestookt, en was toen naar ’r kamer gegaan, omdat er een paar meisjes van college bij haar zouden komen; de twee anderen waren ook geëngageerd, maar nog in stilte, en nu wilden ze, als eerste huisvrouwelijke praestatie, voor zich zelf ’n blouse gaan maken. Het goed was gekocht, en er zwierven ook al rare, vlinderige papieren door Else’s kamer, maar dienavond zou de reusachtige lap in drieën worden gedeeld en verder verwerkt; en daarom had Go geen gebruik gemaakt van de vriendelijke aanbieding, of ze haar ook gezelschap zouden komen houden, want de tafel moest in ’n hoek, dat ze ruimte zouden hebben op den grond om te knippen, en ze voorzag ’n gelach zonder einde, waartegen haar pijnlijk hoofd nu niet bestand zou zijn.Ze was eigenlijk bang, dat ze ziek worden zou; aan tafel had ze niet kunnen eten, en ’r hoest was zoo pijnlijk en hol. Els had gezegd, dat ze beter deed naar bed te gaan, maar ze wist, dat ze zich zoo rampzalig zou voelen, als ze alleen in de donkere kamer lag, ook al kwam ’t nichtje telkens goedig naar haar kijken. Het was toch zoo iets anders, dan ziek zijn thuis. Nu voelde ze weer ’s, hoe slecht ze moeder en allemaal kon missen.Zooals ze daar lag, kon ze net de portretten op de schrijftafel zien: goeie moesje, wat zou ze nu doen? zeker ’r dutje,—o nee, ’t was Vrijdag, en dan werd de huiskamer altijd gedaan, en hielp moeder zelf nog ’s avonds met kleedjes neerleggen en étagère-beeldjes schikken. Het rook nu heelemaal naar was in de kamer,.... maar om dat te merken, zou ze nu toch te verkouden zijn. Ze zou in ’n makkelijken stoel bij de kachel zitten, met ’n glas citroen naast zich, en de kinderen zouden ’n beetje stil moeten zijn. “Go heeft hoofdpijn.” En moeder zou ’r hand op haar voorhoofd leggen, en zeggen: “Heb je wel warme voeten, meid; wil je me stoof eens hebben?” En dan weer: “Mietje, ga jij vast sluiten op de oudste juffrouw ’r kamer, en steek ’t licht op, want ze gaat vanavond wat vroeg naar bed.”Uit Else’s kamer klonk het vroolijke gelach door de suitedeuren heen, en er kwamen tranen in Go’s oogen van zelf-medelijden; o ja, vrienden en vriendinnen had ze hier genoeg; maar wie bekommerde zich om haar, als ’r wat scheelde. “Eet emser-pastilles,” had De Veer gezegd, en Else: “Je moest maar naar bed gaan.” Maar daarmee was ’t ook uit, en nu lag ze alleen, en de kachel was bijna leeggebrand, maar ze kòn er niet toe komen om op te staan, en ’m zelf bij te vullen.Maar je bent toch gewoon ’n beetje verkouden, kalmeerde ze zichzelf, daarvoor hoeft de heele wereld toch geen meelijdend, droevig gezicht te zetten.En ze hoestte blaffend met ’t hoofd in de handen, benauwd ophijgend, toen ’t weer was bedaard, terwijl uit de andere kamer voortdurendgegiechelen gejoel doorklinken bleef.Nu werd er gebeld. Ze dacht, dat ’t Henri of nog ’n blouse-meisje zijn zou, maar ’n flinke klop klepperde op haar deur, en Gerard’s vriendelijk gezicht kwam in de opening.“Jij?” riep ze verbaasd, en probeerde zich uit de shawls en avondmantels los te werken.“Nee, stil, blijf maar liggen; ik kwam maar ’s even vragen, hoe ’t is met de patiënt; ik had eigenlijk gedacht, dat je naar bed zou zijn gegaan;.... je zag er vanochtend niets goed uit, en Hoefman, die ik er naar vroeg, zei, dat je erg gehoest hadt op college.”“Verkouden; ’t is niets,” zei ze, dankbaar naar ’m opziende. “Els heeft me warm ingepakt; morgen zal ’t wel weer over zijn.”“Ik had je juffrouw ’n opdracht willen geven,”zei hij, z’n verregende city-bag op tafel zettend, “maar toen ik hoorde, dat jullie thuis waren, wilde ik ’t liever tegen Elsi zeggen, maar waar is die?”“O, die heeft meisjes bij zich, om ’n blouse te maken; ik zal ze even roepen; nee, ik kan wel; dank je.” En Go wond zich vlug uit de omhulsels los, schoof de suitedeuren open.“Nee, nee, dicht,” gilde ’t haar angstig tegemoet, en ze zag in den hoek der kamer, de drie meisjes in hun onderlijfjes angstig opeengedrukt staan, en de grond met kleedingstukken en lappen goed bestrooid. Snel sloot ze de deur achter zich, en “wat doen jullie?” vroeg ze verbaasd. “Gerard Leeden wou je wat vragen, Else.”“Ach, ’t was zoo lastig met passen telkens, dat aan- en uitkleeden,” verontschuldigde Else, “en we hadden ’t toch al zoo warm van den inspannenden arbeid. De gangdeur is afgesloten... en we dachten niet, dat jij...”“Maar trek nu even je blouse aan, en kom binnen... komen jullie dan ook.”Gerard had intusschen zijn city-bag opengemaakt, hield Go nu een beetje verlegen ’n flesch wijn en ’n met kruidnagelen bestoken citroentje voor.“Bij ons geldt dit als ’n onfeilbaar middel tegen verkoudheid: warme wijn met kruidnagelen,” zei hij onzeker. “Als je dit drinkt, vóór je naar bed gaat, word-je door en door warm, en je voelt je den volgenden dag altijd veel beter. Ik dacht, dat jullie hier geen wijn hebben zoudt, en daarom....”Alweer tranen. Go werd er ongeduldig van, en omdat hij z’n beide handen vol had, pakte ze’mbij z’n arm, spontaan, hartelijk: “Wat is dat vreeselijk lief van je, Gerard,” zei ze zacht. “Ik kan je niet zeggen, hoe buitengewoon lief ik dát van je vind.”“In ’n trekpot moet je ’m warm maken,” zei hij, en wilde al weer naar de deur gaan, maar nu hield ze ’m terug, zette hem resoluut op ’n stoel, en riep: “Nee, nu moet je natuurlijk hier blijven, en meedrinken. Dacht je, dat ik de heele flesch alleen op kon! De Veer zegt immers ook, dat meisjes niet drinken kunnen. Wil-je warme, of gewoon koud? O, we hebben zooveel wijnglazen van de vorige heeren, en ze zijn nog nooit gebruikt!”Ze liep nu opgewonden de kamer op en neer. “Komen jullie toch!” schreeuwde ze door desuitedeuren. “Ik geef ’n wijn-fuif. Willen jullie warme wijn met kruidnagelen, of koude? Maak toch voort. Nu hebben we onze groote wijnkast niet voor niets. Nu komt er ’n leege flesch in.”Verbaasd kwamen de anderen binnen, het was ’n gelach en gepraat en dooreengeloop, dat ’t Gerard toescheen, of de heele kamer vol meisjes was.“Ga toch zitten,” zei hij tegen Go, “en laat Elsi er voor zorgen. Je ziet er wezenlijk niet goed uit, en je bent zoo opgewonden.”“Verbeelding! Ik voel me best. Nee maar, dat zal ik aan moeder vertellen. Dat is ’n heerlijk middel tegen verkoudheid. Je voelt, dat je er beter van wordt. Nog beter dan de warme punch, die De Veer me aanried.”Ze vertelde nu, dat ze’m dien middag gesproken had; ook van hun afscheid op den hoek van deBreestraat. “Waarom nou, hè; wat zouën ze daar nu over hebben kunnen zeggen?”Gerard keek even voor zich uit. “Ben-je wel ’s ’s avonds door ’n student thuis gebracht en heb-je wel gemerkt, dat z’n vrienden ’m dan niet groetten? Dat is alles om dezelfde reden.”Go haalde de schouders op. “Ik begrijp niet...”Maar hij viel haar in de rede. “Dat is ook niet noodig.There’s something rotten in the state.—Maar nu ga ik weg, want je moet gauw onder de wol. Neem nog ’n glas mee naar je kamer, en ga morgen niet uit, als ’t zulk slecht weer is.”“Ja dokter,” lachte Gootje, maar in haar handdruk lag haar ernstige dankbaarheid.En toen ze dien nacht rondwoelde, hoestend en koortsig in haar donker bed, terwijl Else rustig ademend niets van haar merkte, vergat ze toch geen oogenblik het heerlijke, veilige, dat ze hier ook ’n goede, groote vriend had, die voor ’r zorgen wou.Hoofdstuk X.Go zat op haar bureau voor ’t raam, liet het Sint-Nicolaas-handwerk op haar schoot rusten.“Toe, Elsi, kom nu toch ’s kijken, het is zoo’n eenig gezicht.”“Wacht éven, ik ben zoo klaar....” en Else schreef ernstig voort in het huishoudboek, dat ze de laatste weken hield:“melk.... iedere dag twee pinten, dat is ƒ 1,10.... boter ƒ 0,45.... van de week heeft de juffrouw suiker gehaald, hè?.... brood 5 × 7 cent.... dat is 35.... is de gasrekening al betaald.... en kolen?”“Och, kom nu toch, je moet dien bangen jongen zien; die durft gewoon de helling van de brug niet op;.... kijk die glijen.... och heer, daar komt onze juffrouw ook; dat mensch moest niet uitgaan, nu ’t zoo glad is,.... als ze vàlt.... o, daar gaat onze buurman; ’t is, of hij op rolletjes loopt.”Else had haar kas nu in den steek gelaten, en kwam naast Go voor het met sneeuw omrande venster staan. De huizen aan den overkant waren wit toegedekt, wat de altijd doodsche achtermuren nóg triester maakte, en Go weesElse op het kleine plaatsje, waar het kippenhok stond, dat bijna onzichtbaar was geworden.“Wat lijkt ’t nu op een ets van Witsen, en de lucht ziet nog zoo grauw; er zal nog heel wat komen, denk ik.”“Ik hou van sneeuw; ’t maakt alles zoo licht—en hier is ’t wel buitengewoon grappig met dat bruggetje.”“Hoor, hoor, nu komen de kinderen uit school.”Stappen en stemmetjes werden luider door de zware lucht en ’n heele groep kleine meisjes in capes, de kappen over de losse haren getrokken, kwamen glijdend en stoeiend voorbij het raam, bleven dichtbij staan om elkaar te kochelen, en sneeuwballen te werpen naar ’n grooten hond, die ze blaffend nasprong. Tot ’n blozend dienstmeisje gillend door ze heen vloog, nagezeten door ’n smidsjongen, wien de blanke sneeuw smolt in de zwarte handen.“Leuk!” zeiden ze samen, lachend, zoo ver mogelijk ze naoogend. “Wat gezellig, dat we dadelijk er door moeten naar college.”En Else dacht, dat ze echt wel graag eens ingewreven wilde worden, maar niet door zoo’n smidsjongen, die zwarte vlekken maakte in je gezicht.“Kijk nóu ’s,” stootte Go haar opeens aan, toen ze vlak bij college waren: Louis Hoefman stond met ’n kleur op z’n triestig gezicht bij ’n boom en gooide armen vol naar Lize, die meer perplex dan geërgerd zich omgedraaid had, om te vragen, wat ’m bezielde, en nu de vochtige sneeuwmassa vlak in ’t gezicht kreeg, terwijl de aanvaller, als ontzet over z’n eigen stoutmoedigheid, z’n hoed voor haar afnam, maar toch weer ’n nieuwe bal pakte.“Niet kijken,” zei Else goedig, “ze denken, dat niemand ze ziet, maar wat is die Louis toch ’n rare jongen.”“Hij valt me toch mee,” dacht Go, terwijl ze naar binnen ging, en toen Lize even later, druipend en met ’n kleur, het kamertje inkwam, brommend over: “die lamme sneeuw en die idiote jongens”, keek ze haar met meer belangstelling aan dan gewoonlijk, en vond ’r niet zoo vreeselijk leelijk, nu ze ’n kleur had, en ’r haar wat losgeraakt was uit den strengen wrong.“Hoor de jongens vandaag ’s in de gang,” zei ze lachend, en ze vond prettig te merken, dat de aandacht onder historische grammatica merkbaar leed door het blanke gevlok achter den rug van den professor. Zij zelf keek stil in den witten tuin, die zoo mooi was met de blinkende boomen, en de ongereptheid van den gladden grond. Er was den heelen dag weer niemand in geweest; alles was in volkomen natuurlijkheid, zooals de sneeuw zelf zich ’n plaatsje had gezocht: op de teere takjes van de heg, tusschen de verroeste harktanden, en over den hoop dorre blaren tegen den muur.Alles was iets heel bizonders geworden, en vooral toen het lichter werd, nog soms maar ’n enkel vlokje daalde, leek het ’n sprookjestuin.Maar toen de professor z’n boeken had dichtgeslagen en weggegleden was met ’n korten groet, was opeens aan het droomen ’n einde geweest door het uitgelaten losbreken van de jongens, die de altijd-gesloten deur openrukten en den onberoerd-slapenden tuin opschrikten met het luide gelach van hun jonge stemmen en de klatering van hun roepen, terwijl hun voeten gaten maaktenin de blanke, vlakke sneeuw, en hun handen er breed in grepen om ze elkaar toe te gooien.“Kom dames!” vroeg Hoefman, en Go liep met Lou en Coba stralend naar buiten, als verblind blijvend staan van al den glans om haar heen, want jubelend was de zon doorgebroken, en deed de takken glinsteren als facetjes van diamanten.Maar ’n bal vloog rakelings langs haar oor, en snel bukkend pakte ze de witte poedersneeuw, en wierp terug in den wilde, naar den hoek, waar zwarte jongenslijven joelend dooreen krioelden. Het werd ’n sneeuwgevecht met ononderbroken ballenwisseling. De oudere-jaars-meisjes keken lachend door de beslagen ramen; ook Lize was niet te bewegen geweest mee te doen, waarom Louis trachtte, door ’t van boven-open venster sneeuw in de collegezaal te werpen.Nu werd het ’n drijfjacht in den tuin: de rokken bijeen genomen rende Go schaterlachend om de witte perken, over den witten grond; aan alle kanten bedreigd, wierp ze zich midden over ’t gras, struikelde, viel.... haar haarspelden lagen in de sneeuw verspreid, elk krulletje droop langs haar roode wangen.“Genade.... hou op.... ik moet toch nog naar binnen!” lachte ze, haar coiffure-attributen verzamelend, terwijl het bombardement om haar voortduurde: “Laat me er door; ik kan zóó toch niet op college zitten.” En hijgend zich door de jongens heen werkend, liep ze bijna den professor omver, die de les al kwam hervatten. “O, pardon,” prevelde ze beschaamd, het haar wegstrijkend uit haar verlegen oogen, maar hij lachte vaderlijk, schoon ’n beetje ironisch: “Wat hebben we ’n pretgehad!” en ze voelde, dat hij haar wèl ’n erg kind vond, maar aan z’n eigen dochtertje dacht, van wie hij dit ook aardig zou hebben gevonden.Ze was er dankbaar voor, trachtte daarom op te letten, toen de ernst weer begonnen was, maar schrijven kon ze niet; haar handen waren te verkleumd en gezwollen; en achter in de zaal bleef ’t te gezellig en roezig om haar aandacht op de stem van den professor te kunnen concentreeren. Ze zag, dat ’n paar jongens sneeuw mee naar binnen hadden genomen, en met de smeltende hoopjes elkaar stilletjes zaten te gooien onder de tafel. Een had ’n stukje ijs op Hoefman’s zwart haar gelegd, zonder dat hij het bemerkte en nu viel er telkens ’n druppel langs z’n voorhoofd; dan schrikte hij op, veegde ’m af, verbaasd, lachte even, tot-ie opeens iets voelde op z’n hoofd, ’t afschudde, en ’t ijs met ’n plets op z’n dictaat-cahier viel. “Echte kinderen,” dacht Go, “en ’t is eigenlijk enorm flauw”;—maar ze genoot van het “schooltje”, fluisterde giechelend met Coba over Hoefman’s onschuldig-verwonderd gezicht; tot ze weer bedacht, dat ze op moest letten, en, haar gloeiend gezicht in de tintelende handen, zich naar den professor wendde: hoe lief van ’m, dat hij om haar gelachen had, en niet boos was geworden, toen de jongens zoo lang bleven voetenvegen in de gang. Hoe echt-menschelijk, zich er wel in te kunnen denken, wat zalig sneeuw was voor jonge menschen,—al streefden ze er ook naar doctor in de Nederlandsche letteren te worden.Nu had een jongen ’n stukje sneeuw in den halsboord van z’n buurman laten glijden; lieve hemel, wat ’n kinderen toch; en waren dat dezelfden, die ze ’n paar weken geleden op de bibliotheekvoor oude, uitgedroogde mannetjes had uitgemaakt, die alle vermogen van jeugd in halsstarrig studeeren hadden verloren!.... Och ja; je kon de dingen soms zoo verschillend zien; en als ze maar niet koortsig was, bleken de menschen toch nog zoo kwaad niet. Ze generaliseerde altijd zoo gauw, en wie naar ’n bibliotheek ging, kwam er toch om te werken, en niet om naar meisjes te kijken.... en op college eigenlijk ook.... alleen met sneeuw........ Lize boog zich over haar tafeltje, legde stil ’n briefje naast haar neer; ze keek verbaasd: van Hoefman;.... die jongen had z’n “jour” vandaag.... onherkenbaar van levendigheid.... Stil las ze onder haar hand:“Weet je, dat Van Neerwinden vanmiddag om vier uur uitslag heeft? Ga-je er misschien heen?”Ze scheurde ’n blaadje uit haar cahier, pende dadelijk terug: “Zullen we samen gaan? Ik ben nog nooit in de universiteit geweest! zou hij er door komen?”Na college wachtte hij in de gang. “Ik dacht wel, dat je ’t niet weten zou. Het is nog al geheim gehouden, en je kijkt zeker nooit op het bord.” En hij legde haar uit, dat op ’t zwarte bord voor de universiteit altijd de examen-papiertjes werden opgehangen, maar dat Neerwinden het land had aan zoo’n stroom vrienden.... en er èrg veel had—en er daarom niemand over had gesproken.“Maar zou hij ’t dan niet vervelend vinden, als wij komen?”“De leden van Laborando vincimus hooren er toch bij—en het zal wel in orde wezen; ’t eerste gedeelte was perfect.”Toen zweeg hij, keek ’n beetje naar den grond, vroeg eindelijk ineens bruusk: “Is die juffrouw Schermer niet een heel aardig meisje? Weet je ook, waaróm ze geen lid wilde worden?”“Ze heeft het te druk,” antwoordde Go vriendelijk, zelf vol kinderlijke belangstelling in de sympathie van den dichterlijken droomer voor de uiterlijk-antipathieke, stugge Lize. “Ze móet vlug haar examens doen, zie-je, en daarom werkt ze aan één stuk door, en gaat nooit uit.”“Maar dat kàn toch niet goed zijn. Ze ziet zoo bleek.”“Ja,” knikte Go, de oogen naar ’t bord, waar ze het papiertje zág: Faculteit Rechtswetenschap—E. van Neerwinden—en ze bedacht, dat hij nu bezig was.“Ben je ’n vriendin van haar?” vroeg hij in de donkere vestibule.“Ik kom wel eens bij haar, maar ’t is niet makkelijk intiem met haar te worden.” Haar aandacht keerde zich van hem af, zoodra ze binnen waren, en vol verbazing bleef ze telkens op de breede trap staan, om de teekeningen op de muren te bewonderen.“Wat is dat allemaal?” vroeg ze, en toen ze op ’t portaal waren gekomen, vergat ze stil te zijn: “O, kijk toch, kijk ’s, wat verschrikkelijk aardig....” en ze liep van den eenen kant naar den anderen om al die grappige studenten-caricaturen te bekijken.Gerard was er al, kwam lachend, met uitgestoken hand, naar haar toe: “Wil-je wel ’s gauw je ’n beetje stil houden; je brengt met je drukte den examinandus heelemaal in de war... kijk.... daar-is-ie,” en hij wees naar de gele deur, waar “facultas iuridica” boven stond. “Kom nou hier,in ’t zweetkamertje; dan kunnen we praten.”Han stond met Else voor het raam te kijken: “Hoe wist jij ’t?” vroeg ze, “Han vertelde ’t me vanmiddag.”Er waren meer jongens, die Go niet kende; ze praatten allemaal zacht en gedempt, en het was er kil en triestig. ’n Droef, grijs licht viel door het gordijnlooze raam op den houten vloer, en de met namen bekerfde tafel. De groote kachel stond in ’n hoek als ’n zwart, dood ding; er waren ’n paar gele, gesloten kasten, ’n paar stoelen; ’n karaf water met glazen.... meer niets. Maar de wit-gekalkte muren leefden; niet grappig, niet vermakelijk, als in het portaal, maar met nerveus-makende krabbels en spreuken en handteekeningen, en, aangegrepen door ’n akelige onrust, begon Go die namen te lezen, met: “hic sudavit, sed non frustra....”, beginnend laag bij den grond en opklimmend tot hoog boven den schoorsteen en de kachel, zoodat ze niet begrijpen kon, hoe iemand ooit zoo hoog had kunnen reiken.Frieda was ook gekomen, op haar eigen stille, zachte manier, zat nu aan tafel te praten met ’n paar vakgenooten over de kansen van ’n nieuw-te-benoemen professor. Op de gang was het volkomen, akelig stil, en onwillekeurig keerde Go zich tot Gerard, zei huiverig: “’t Is net, of alle angst, die hier ooit gevoeld is, tusschen deze muren is blijven hangen; je wordt hier al akelig als je binnenkomt.”“Nu, dat zal dan ook langzamerhand ’n heel pak verschrikking moeten zijn, als je ’s rekent hoeveel generaties vóór ons, hier al eens in hoop en vreeze hebben neergezeten.”En om haar af te leiden ging hij over de sneeuw praten, liet zich lachend vertellen, wat ze dien middag op college hadden gedaan, en toen weer de stilte dreigde, begon hij over Sint Nicolaas, en of ze haar surprises al klaar had.Z’n harde, sterke stem werkte kalmeerend op haar, en ze vertelde ’n grapje van laatst onder Gotisch, toen de professor het had oversatem- encentum-talen, en samenvallen vanexplosivaeenpalatalen, en allerlei meer onbegrijpelijkheid.“’n Beetje ánders wel,” lachte Gerard, maar ze haalde nerveus de schouders op, zei: “Ik weet niet; ik voelde, dat ik er toch niet bij kon, en ging zitten denken over ’n inktlap voor Broer.... ik schijn daarbij den professor heel diepzinnig te hebben aangekeken, want ik wilde de zeempjes meteen voor versiering laten dienen, en dan donkergroen laken er onder;.... juist op ’t oogenblik, dat ik ’t duidelijk voor me zie, buigt hij zich voorover en zegt: “Ik geloof, u hebt ergens moeite mee, juffrouw Herderts; begrijpt u niet, dat degelabialiseerde velaren.... en enfin, weer ’n heeleboel van die rarigheid, die ik niet eens navertellen kan.... Ik zei, dat ik net met mezelf tot klaarheid was gekomen, maar was doodsbang, dat hij de ontwerpjes in m’n cahier zou zien.”Daar was Hans. “Is hij er nog niet eens uit? ’t Is kwart over.”Go schrikte, maar Rolands zei, dat hij er ook te laat was ingegaan.“Hoe was-tie? Nog al kalm?”“Ach, zoo. Hij had nog al beroerd geslapen vannacht.”Er begon nu onrust onder de menschen te komen; ze schoven naar de deur; de goeiigepedel keek op z’n horloge, grapte, dat ’t nu lang genoeg was geweest, dat-ie de heeren ’s zou gaan zeggen, dat het uit moest zijn.“Hij zal zoo moe zijn,” zei Go zacht tegen Gerard, maar die ging er niet op door, praatte luchtig tegen Hans over ’n voetbalmatch van den vorigen Zondag. Andere jongens kwamen er bij, dandy-achtige heertjes, die allemaal iets hadden, dat Go even aan Eduard denken deed. Ze stonden in ’n groote groep; alleen Henri en Else waren in het kamertje gebleven.“Maar wat zie-jij er vreeselijk slecht uit, Elders,” zei Frieda opeens tegen Hans. Ze noemde de jongens altijd bij hun achternamen, ook hierin toonend haar mannelijke vriendschap.Allen keken nu naar Hans, die lachend ’t eerst onzin heeten wilde, toen, geprest, bekende: “Dat komt, omdat ik heelemaal niet naar bed ben geweest .... Ik heb vannacht laat zitten werken, en ben toen tegen zes uur naar Katwijk gefietst. Je zou ’t niet denken, maar ’t is van ochtend ’n prachtige zonsopgang geweest; wel veel wolken, maar enorm, zie-je!”“Malle kerel, je hebt natuurlijk kou gevat,” plaagden ze, en een nieuw verhaal begon aan den anderen kant van ’t clubje; maar Go hoorde hem nog zeggen met z’n lieve, dankbare stem:“Het was buitengewoon, zie-je.... Zoolang de zon nog opgaat, kan toch niemand beweren, dat er niet ’n heeleboel moois is in ’t leven.”Daar ging de deur open, en allen draaiden zich in ’n ruk om. Eduard, in rok met ’n witte das, bleek met nerveuse vlam-kleurtjes onder z’n oogen, kwam met onzekeren lach naar hen toe, en, dadelijk ’m insluitend, vielen ze op ’m aan, met dof-gemompeld,voorzichtig vragen. Hij haalde de schouders op, streek over z’n hoofd; hij wist ’t niet; aan ’t eind was-t-ie gaan rijden, omdat-ie zoo moe werd; ze hadden ’m ook te lang gehouden, hè? hoe laat was ’t nou?Ze vergeleken hun horloges; de oude pedel klopte ’m goedig op z’n rug: ’t zal wel losloopen. Maar hij maakte zich ongeduldig uit de belangstelling los, liep ’t kamertje in om water te drinken, ging toen in de deurpost staan.De anderen bleven onder elkaar overleggen, vroegen de juristen, wat ze er van dachten; en hij werd ’n beetje spraakzamer, noemde ’n paar dingen, die hij niet had geweten.“God kerel, die weet ik nòg niet, en ik ben nu toch doctorandus,” kalmeerde ’n donkere man.Ze zwegen weer; ’n paar jongens tikten met hun wandelstokken.“Wat duurt ’t lang,” fluisterde Go.“Dat is ’n goed teeken.”“Dat weet je niet.”“Ik kan gerust nog ’n kwartier wachten,” zei Eduard met ’n nerveus lachje, “dat kan me niets schelen.” En hij slingerde z’n horloge tegen de deur heen en weer.“Komt er geen familie van je?”“Niemand weet ’t, goddank.”“Zou Bruno je afhalen?” vroeg Frieda, trachtend hem af te leiden. “Wat krijgt hij, als je er bént?”Een begon zachtjes te fluiten, ze stonden allemaal naar Eduard en naar elkaar te kijken, en niemand wist meer, wat hij zeggen moest.“’t Is half.”“Nee, ’t heeft nog niet geslagen.”“Je bent altijd voor.”“Ga ’s luisteren aan de deur.”Ze slopen de trappen op, leunden ’t oor aan het sleutelgat.“Ik hoor niets.”“Stil nou, vent.... ze lachen.”“Ze lachen.... je bent er, hoor!”“Zouën ze daar zoo’n pret om hebben?” vroeg hij bitter.“Ik heb beloofd dadelijk z’n ploerterij te gaan waarschuwen, als hij er is, om de vlag. M’n fiets staat beneden,” fluisterde Rolands.Er kwam iemand de trap op; in spanning hoorden ze de voetstappen.“O, van de krant.”“Beroerling,” bromde Gerard, “wat gaat ’t ’em an.”“Maar kerel, ’t is z’n baantje.”De stilte. Eduard kraakte een voor een z’n lange, witte vingers.“La dernière heure d’un condamné,” trachtte de pedel op te wekken, maar hij bleef norsch kijken, zuchtte.Opeens: de bel.Vlug schuifelend met z’n oud, dik lijf schoof de pedel naar binnen; terug weer: “Wilt u maar komen, meneer.”Even stonden ze in spanning, half vooruit-willend, half wijkend: maar triomfantelijk-wijd werd de deur achter ’m open gehouden; de pedel wenkte, ’n vriendelijke professor achter de groene tafel wenkte ook: ze stroomden binnen, schuifelden nóg, terwijl ’t speechje al begonnen was.“Met zeer veel genoegen,” mompelde Gerard, “ze hebben waarachtig alleen zoo lang gedelibereerd, of ze ook “cum” zouden geven.”Go stond naast ’m, met tranen in de oogen; ze was zoo bang geweest en nu zoo blij, en ’t was zoo plechtig met al die heeren achter de tafel.En zoodra ’t uit was, stormde ze de trappen af naar buiten, rende door de dikke sneeuw, met ’r mond open, om lucht te krijgen. Ze was zoo blij, zoo blij—maar ze had ’m niet kunnen feliciteeren, want dan had ze zich zeker niet goed kunnen houden.Toen ze ’s avonds naar Lize toeging—die goeie Hoefman, ze zou zien het gesprek op hém te brengen; ze wilde immers iedereen in alles helpen—hoorde ze bij Levedag het jolig lawaai van vroolijke stemmen, en in de lichte gang zag ze veel zwarte ruggen en gladde hoofden, die allemaal naar iets schenen te kijken, dat heel grappig was.“Eddy, Eddy,” hoorde ze roepen, en ze stelde zich voor z’n fijn, stralend gezicht, en de hartelijke vroolijkheid hem ter eere.Hoe dol graag zou ze toch ’s zoo’n jongens-fuif meemaken; zoo ’s echt meegenieten in onbezorgde joligheid. En bij deze zou ze wel ’t liefst van alle zijn geweest.Droomerig ging ze langs z’n huis, op ’t maan-witte Rapenburg; de ramen stonden open, de kamer was leeg. Maar uit ’t dakvenster hing stil en statig de lange vlag, onbeweeglijk in den blanken winternacht, zegeteeken van zijn overwinning.
Hoofdstuk VIII.Toen de familiepartijtjes ter eere van de verloving van Henri en Else, die zeer in den smaak viel, waren afgeloopen, besloten ze ook voor de Leidsche vrienden een fuifje aan te richten, en wel speciaal voor “Laborando vincimus”.Henri bedisselde, dat de volgende vergadering bij hem zou zijn, en wilde dan in plaats van ’n gewoon nabroodje ’n fijn soupertje met bloemen en ’n strijkje geven, waar de meisjes natuurlijk bij zouden blijven, en Else als jeugdig bruidje gehuldigd moest worden.Hij had eerst z’n plannen zooveel mogelijk voor Go en “Vrouwtje” verborgen willen houden, maar ze vroegen zóó dringend z’n kamer te mogen versieren en alles mooi te mogen maken, dat hij steeds meer de leiding uit handen gaf, en ’t zelfs zóó ver kwam, dat ’s middags vóór den plechtigen avond hij de deur werd uitgestuurd, omdat hij ’t pas zien mocht, als alles klaar was.Z’n juffrouw, genietend van al die feestelijkheid in haar huis, deed energiek mee, sloot triomfantelijk de deur af, en hij, wanhopig, ’t opgevend “als drie vrouwen tegen ’m wilden samenspannen”,was gegaan, en niet teruggekomen vóór ’t uur van de vergadering, toen de hospita ’m dadelijk vertrouwelijk meedeelde, dat alles “keurig en keurig” was,—als meneer nu nog maar den wijn uitgeven wilde; en Go en Else, even later, stralend, in lichte partij-jurken met bloemen, die Han ze gestuurd had, waren ’m ook komen verzekeren, dat hij tevreden zou zijn, en dat z’n juffrouw een parel was.De vergadering liep geregeld en geanimeerd af; er was feeststemming in de lucht, de meeste jongens droegen mooie jasjes, behalve Beerenstijn, die altijd een grofgrijs colbertje aan had; bij de thee werden taartjes en bruidsuikers gepresenteerd, en in de pauze was er ’n groot bouquet voor Else gekomen van het dispuut.Zoodra Henri’s hamer voor de laatste maal was neergevallen,—Else had ’m het symbool van z’n waardigheid meermalen afgenomen, had er mee zitten spelen, ’m laten vallen, er Han mee gestreeld, zoodat Beerenstijn had gepreveld: dat voor ’n praeses van een dispuut, evengoed als voor ’n priester, ’t coelibaat verplichtend moest worden gesteld,—was Go de kamer uitgeloopen, om ’n laatsten blik over de tafel te laten gaan, die in de kamer van Han’s buurman stond aangericht, en het strijkje bestaande uit piano, viool en violoncel ’n teeken te geven, dat ze beginnen konden.Toen riep ze, als gastvrouw, de anderen om binnen te komen. De “Hochzeitsmarsch” jubelde hun al op de gang tegemoet, en bij de deur bleven ze stilstaan van verrassing: alle lichten van de kroon waren aan, en op den schoorsteen stonden luchters met brandende kaarsen, die hunvlammetongen in den spiegel weerkaatsten. Daar hing veel fijn groen, met ’n enkele chrysant er tusschen sierlijk van af, uitloopend in een ijlen, slanken slinger, die om de klok was gelegd, en de wijzerplaat goelijk bedekte.Vazen met chrysanten en daliahs stonden op kleine tafeltjes, sierden het tot buffet gepromoveerde bureau. Aan de kroon hing de gladgroene hulst met vroolijke, roode bessen; maar de tafel zelf was sober gehouden, met slechts los hier en daar ’n viool of wat kleine asters;—bij de borden van Han en Else alleen ’n kring van groote rozen, rood en wit.Han had in verrukking Else’s arm genomen, leidde haar, trotsch en zalig, de lichte kamer in.Go zag de ontroering op hun jonge gezichten, voelde haar oogen warm worden, onder ’t angstige wenschen: dat ’t toch altijd zoo blijven mocht,—en toen Eduard zich naar haar overboog: “Mag ik jou aan tafel brengen,” trilde haar hand op z’n arm zóó, dat hij haar bezorgd in ’r ontstelde gezicht keek en teeder zei: “O, wat zie-je bleek! Wil-je ook liever nog wat naar de andere kamer?”Ze schudde stil haar hoofd, keek dankbaar de tafel langs: Elsi en Henri daar, Frieda tusschen Hans en Beerenstijn—dat was de eenige, die de vrouwenhater nog wel kon lijden—zij naast Eduard, Rolands aan den anderen kant. Dat was ’n stil ventje, zou haar niet storen;—Eduard had háár gevraagd,—beteekende dat, dat hij haar aardig vond? Nee, veel zeggen deed ’t niet: Else soupeerde natuurlijk met Han, en Frieda was niets voor hem, zoo strak en sterk,—die zou ’m zeker, net als Gerard, “geen kerel” vinden;—Frieda was echt ’n meisje om te studeeren, zoohelder en rustig, zoo eenvoudig-verstandig altijd.—“Had-je liever ergens anders willen zitten?” vroeg Eduard zacht.“Nee, waarom?”“Je kijkt zoo rond en je bent zoo stil.—Is er dan wat anders?”“Nee; ik dacht er over, dat Frieda en jij elkaar niet aardig zouden vinden.”Hij lachte zacht, haar fixeerend, terwijl z’n oogen steeds dieper glans kregen.“Zoo, en waarom niet?”“Ik weet niet. Ik ken je nog wel niet lang.... maar je vóelt zoo, hoe iemand moet zijn, vanzelf. Als je de klank van z’n stem hoort, z’n bewegingen ziet, z’n kamer, z’n boeken....”“En wat denk-je dan van mij?”“Dat je van een menschensoort bent, dat Frieda niet appreciëert.”Ze zweeg, en speelde nerveus met haar glas. ’t Was vreemd, dat ze met hem veel minder goed praten kon dan met Gerard; met dien kwam ’t intieme, ’t belangrijke vanzelf; met Eduard liep elk gesprek dadelijk dood, terwijl ze juist aan hem zoo graag haar vertrouwen zou willen geven.Ieder zinnetje, zelfs ’t gewoonste, van hem, klonk als een liefkoozing: dat verwarde haar;—’t was net, of z’n oogen, onder de banale woorden door, haar steeds zeer ontroerende dingen zeiden; maar ze wist niet zeker, of ze zich dat misschien maar verbeeldde. Zooals hij nu met z’n hoofd over z’n bord zat, gretig etend van de kip met compôte, leek ’t ’n gewone, knappe jongen, zonder geheime charmes.“Waarom kijk-je me zoo aan, Go? Je maaktme verlegen.” Z’n stem zong doordringend en ze voelde opeens ’n gezond ongeduld opkomen, tegen de verslappende bekoring, waarmee hij haar omspon.“Ik had niet gedacht, dat je zooveel zou eten,” zei ze met ’n lachje: “dat hoort niet bij je figuur.”“Je zult me nog wel eens meer iets zien doen, dat niet bij m’n figuur past, in jouw oogen;—consequent zijn in alles, wat je doet, is vrijwel synoniem met onwaar-zijn. Zoo iemand heeft ’n idee in z’n hoofd, ’n tooneelfiguur voor oogen, die hij nabootsen wil.... Wie tegenwoordig ’n harmonisch mensch lijkt, speelt alleen z’n rol bizonder goed.—We zijn allemaal bij elkaar gelijmd uit niet-bij-een-passende stukjes, goed en slecht en sterk en zwak—wij modern-onrustigen. Ieder mensch is ’n eenheid van tegendeelen.”“Toch niet allemaal,” zei Go zachtjes, die niet thuis was in de Hegliaansche terminologie, “kijk Elsi en Henri nu ’s, en Hans—en Frieda—”“Wat weet iemand eigenlijk van den ander af!—Ik ken alleen de tweespalt in mezelf, en daarnaar meet ik ’t geluk af bij andere menschen.”“Dat wordt later natuurlijk beter; dit zijn de moeilijkste jaren.—”“Later, als ik een geposeerd mensch ben geworden, meen-je; als ik ’n baantje heb, en nòg meer eet en drink dan nu, en nòg....”“Als je je nuttig maakt—”“Nuttig voor anderen—als rechter—redder van de menschheid, steun van weduwen en weezen—prachtig, hè? Maar,sancta simplicitas, laten we toch ’s ophouden met de dwaze inbeelding, of we wezenlijk voor ’t heil van onze medemenschen zoo’n baantje entameeren, en er onsmee bezig houden tot ’t einde.—Honderd anderen zouên ’t immers even goed kunnen als wij, kijken ons met nijdige, afgunstige gezichten aan.—Welk mensch is in deze tijden van overbevolking onmisbaar? Als hij méér kan dan ’n ander, laten dan drie of vier z’n plaats innemen; krachten genoeg; daar hoef-je niet zuinig op te zijn.”“Maar wáárom dan?” vroeg Go, “en wat moet je dan....”Hij haalde z’n schouders op, en keek stroef voor zich uit. Hij scheen z’n buurmeisje en de tafel vergeten; z’n stem was hard, als metaalklank, en ’n waas hing over z’n oogendiepten.“Het eenige, wat ’n mensch doen kan, is, maken, dat de tijd zoo onopgemerkt mogelijk voorbij gaat,—daarom fuiven we, daarom werken en lezen, en eten en slapen we. Ieder naar z’n aanleg. Ieder kiest, wat ’m ’t beste bezighoudt. Je vindt ’t ’n leelijke levensopvatting,—je gelooft ’t niet,—wacht maar; als je ouder bent.”Het strijkje, dat in de alkoof bij de piano zat, viel vroolijk in met de matchiche, en De Veer, z’n stoel achteruit gooiend, sprong vreugdevol op, wierp ’t lijf achterover, en danste, den vroolijken kop door ’t gulden licht overstroomd. Hij had zich asters achter de ooren gestoken, hield ’n roode daliah tusschen z’n lippen, en terwijl hij steeds joliger danste, klapte hij met de vingers, als om zichzelf aan te hitsen.“Zóó richt hij z’n leven in,” zei Eduard met ’n mat lachje, maar Go zag hier de heerlijke, echte uitgelatenheid, zooals ze altijd bij jongens had vermoed, klapte in de handen en riep: “mooi, mooi! O, laten we straks toch gaan dansen.”“Praeses, mag ik nu misschien ’s het woord,” riepGerard, den betrokkene, die zich heel weinig met de tafel bemoeide, en juist bezig was z’n meisje ’n roos in ’t haar te steken, met ’n notedop gooiend.“Och kerel, laat me met rust. Ik heb vanavond toch niet de leiding. Doe, wat je niet laten kunt, maar bel dan eerst om ’n paar nieuwe flesschen.”Gerard sprak met overtuiging, terwijl hij eerst, ’n beetje over de tafel geleund, Han en Else nog ’s hartelijk gelukwenschte, daarna zich richtte tot de meisjes in ’t algemeen, die voor ’t eerst ’n feestje met hen hadden willen meemaken.“Ik weet, jullie hebben eenvoudig-weg: ja, gezegd, omdat je ons als vrienden beschouwt, en met ons ’t verlovingsfeest, waar we allemaal blij om zijn, wilde vieren. Jullie hebt er geen ernstige theorieën bij verkondigd; maar ik zie, zooals jullie hier nu vroolijk en gezellig in ons midden bent, jullie toch als baanbreeksters van het nieuwe leven, waar de verhouding tusschen jongens en meisjes ’n wezenlijk vriendschappelijke, wezenlijk elkaar steunende zal zijn. Hoeveel goed dat ons, jongens, zal doen,—we weten ’t hier wel allemaal van onszelf, dat de meisjes veel aan ons te verbeteren zullen hebben—”“Wij nog meer aan de meisjes, àls er iets aan te verbeteren valt,” viel Beerenstijn uit, maar Hans bedreigde ’m met de spuitwatersiphon, en Gerard maakte er nu maar gauw ’n eind aan, met te drinken op de goeie verhouding en den bloei van de leden van “Laborando vincimus”.“Mag ik ’t woord, praeses,” drong Beerenstijn, “om te herinneren aan ’n uitspraak van Erasmus in “stultitiae laus”, dat de grootste aantrekkelijkheid van de vrouw—”“Meneer Beerenstijn, ik verzoek u de stemmingniet te storen....” beval Han plechtig, maar Frieda viel levendig in: “Ik weet, wat je meent. Oppervlakkig is er iets vóór te zeggen. Maar je ziet in meisjes-studenten te veel ’t liefhebberen in de wetenschap; je hebt er zeker nog nooit ontmoet, bij wie ’t wezenlijk ernst is, als bij ’n man.”“Dat heb ik wel; jou bijvoorbeeld. Daarom heb ik ook heelemaal niet ’t land aan je; maar je bent nu ’n kameraad geworden, geen meisje meer voor me,—maar zooals die ’t doen,”—hij keek naar Else en Go—“dat ’s vleesch noch visch.”“’t Zijn toch aardige kinderen.”“Als ze niet studeerden. Als ze niet hun grootste charme: hun onwetendheid, zoo gauw mogelijk trachtten kwijt te raken. Ik wil geen vrouw, die net zooveel weet als ik, of ’t zich tenminste verbeeldt. En ze worden leelijk.”“Dat hoeft niet,” riep Eduard; en Go vond vreemd, dat hij ook op zoo’n manier over meisjes praten kon. Ze kreeg ’t gevoel, of voor jongens ze toch voorloopig nog wel iets heel ver-afs moesten blijven, half vereerd, half getiranniseerd, als ’n weeldedingetje.Gerard zag ’t in haar oogen. “Hoe denk-je nú over de leden van ons dispuut? Nóg geavanceerd, of wel ’n beetje bekrompen en banaal?”Maar nu riep De Veer, of hij eindelijk ook ’s wat mocht zeggen, en ze keerden zich allen verwachtend naar het stralende, opgewonden jongensgezicht, waarin de donkere oogen als zonnetjes flonkerden.“Ik spreek naar aanleiding van den toost van Leeden, en ik heb er niet vooruit over nagedacht en niet klaargemaakt, wat ik wou zeggen—”“O, jerum!” zuchtte Hans, “als dat dan maar goed afloopt.”“Maar ’k wil uiten, wat ik voel, en dat is: blijdschap en verwachting. Ik heb, terwijl Gerard sprak daareven, ’n visioen gehad; dat was: de algeheele verbroedering en verzustering. Ik zag de meisjes op onze kroeg, tusschen ons, met potten bier....”Men begon zachtjes te proesten. Han alleen zat ’n beetje gespannen, met z’n mes in de hand, om af te tikken, wanneer ’t te erg werd.“Ik zag ze met ons meedoen op de rijjolen, mee inklimmen in de huizen.”Het werd rumoeriger aan tafel; het lachen steeg.“Ik weet ’t wel; we zijn nog ver af van dat alles. En ik weet niet, of ik dien ideaal-toestand nog meemaken zal, als student.”“Studeer maar door, op dezelfde manier, als je bezig bent; dan heb-je veel kans,” interrompeerde Gerard; maar de redenaar hernam onverstoorbaar:“Er moet nog veel veranderen, voor we zoover zijn. De meisjes moeten veel sterker worden, dat ze er beter tegen kunnen ’n nacht op te blijven.... ze moeten meer wijn leeren drinken,”—en hij keek verwijtend naar de glazen van Else en Go, die nog half vol waren; Frieda was geheel-onthoudster—“hun kleeding moet veranderd worden, dat ze gemakkelijker alles mee kunnen doen....”Nu tikte Henri: “Dank u, meneer De Veer; ’t is genoeg geweest.”De tafel lag flauw. “Kerel, kerel,” hikte Hans, “je bent onbetaalbaar. Laat-ie toch doorgaan, meneer de praeses, als hij ergens ter wereld iets nog dwazers verzinnen kan.”“Maar ik meen het,” verweerde De Veer zich, toch niet gepiqueerd, “op ’t oogenblik mag ’t vreemd lijken, maar over ’n jaar of tien....”“Gekken,” mompelde Beerenstijn, die juist zag, dat Henri en Else samen van een bordje aten, “als er hier nog een geëngageerd paar komt, ga ’k er uit.”En z’n oogen bliksemden naar Eduard, die ’n waterlelie uit z’n sinaasappelschil voor Go maakte.“Omdat die vent nu zekere capaciteiten heeft, die wij, jongens, niet in ’m kunnen waardeeren,” zei hij tegen Frieda, “moet ’t hier nou per se ’n backfischen-bewaarplaats worden; die vinden ’m natuurlijk allerliefst.”Go had zich hartelijk naar De Veer overgebogen; haar oogen waren diep donkerblauw in haar warm gezicht: “Laat je eens bij ons op de club introduceeren, Wim,” zei ze vertrouwelijk, “dan zul-je ’s zien, dat van gezamenlijk fuiven zoo gauw nog niets komen zal; we zijn daar zoo ernstig, zoo wijs....”“O, meneer, daar benne ze van de pelisie,” kwam de juffrouw ontzet, “der mag geen muziek meer gemaakt worden, ’et is half drie.... ze wille binne.”“Nou láát maar,” zei Han laconiek, “dan krijgen ze óók een glaasje,”—en dan tegen ’t strijkje: “Goeie broeders, pakken jullie de bullen nou maar in en bedankt voor je praestaties.”“Maar dan ga ik toch naar huis,” zei Frieda opstaande.“En ’t dansen dan?” vroeg Gerard, “we hebben nu de muziek juist noodig.”De strenge politiedienaar posteerde zich in de gang. “Hè, hoe zonde, het dansen,” klaagdeGootje, en Eduard sloeg even den arm om ’r heen, draaide rond, ’n wals tusschen de tanden neuriënd.“Mantels, hoeden,” schreeuwde Hans als ’n omroeper.“Neem jullie wat bloemen mee, meisjes!” vroeg Han, de rozen voor Else inpakkend.“In naam der wet er uit!” gilde de kleine Rolands; wat Eduard stil deed staan en zeggen: “God, ventje ben-jij er ook nog, en den heelen avond wakker geweest.... en Hoefman ook.... die was natuurlijk net bijna zoo ver, dat-ie ’n dichterlijke speech in elkaar had, en nu hebben we ’m den heelen avond niet gehoord.”“Pak je goed in,” zei Gerard bezorgd tegen Go, “je bent zoo warm.”“Ready?” schreeuwde Beerenstijn, die met den agent naar beneden was geloopen.“Een, twee, drie, zeven, negen, elf. We zijn compleet,” telde Gerard de leden. “Hoe gaan we nu verder?”“We blijven bij elkaar; eerst naar Frieda’s huis;allons, enfants.”’t Was doodstil op straat, en ’n koude nacht. Ze werden vanzelf er allemaal kalmer door. Go dacht, hoe moe ze den volgenden ochtend zou zijn; ze zou wel niet naar college kunnen. Ze hoorde Hans, die classicus was, met den schuchteren Hoefman boomen over de studie in de Nederlandsche letteren.“Toch wel lollige lui, die ouê snuiters,” vond Hans, maar Hoefman zei:“Misschien spreek ik met te weinig zaakkennis, maar behalve Hooft en Vondel lijkt ’t me toch niet veel. De Reinaert.... nou ja, heel aardig; maar toch niet zóó, dat ’t een literatuur redt.En later Potgieter en Beets en Staring; dat lijkt allemaal zoo ver af; zooveel verder dan Franschen of Duitschers van denzelfden tijd... ’t is zoo burgerlijk-degelijk, zoo gezond en soliede, dat je zelf ook stevig op je beenen moet staan, wil je ’t kunnen appreciëeren... en wie is zoo, tegenwoordig...”“Vooral omdat ’t mode is, dat mislukte, dweperige genieën en sentimenteele meisjes die studie kiezen,” bromde Beerenstijn, in de hoop, zoowel Hoefman als Margo te kwetsen.Maar Eduard zei juist: “Hoe grappig toch, dat jullie zelf den sleutel hebt; zoo niets voor ’n meisje.”En dat vond ze, voor ’t eerst, niet prettig, zich verwonderend, dat jongens er juist zooveel tegen hadden, als meisjes meer met hen mee gingen leven; hen beter gingen begrijpen.“Slaap lekker, wel te rusten; nàcht, nàcht!” riepen de heldere stemmen over ’t stille grachtje.En de meisjes klapten de deur dicht.Maar bleven in de schemerige gang, waar alleen ’n klein olielampje op ’t meterkastje brandde, nog even stil luisteren naar de voetstappen, hol-opklinkend bij ’t gaan over de oude brug.
Toen de familiepartijtjes ter eere van de verloving van Henri en Else, die zeer in den smaak viel, waren afgeloopen, besloten ze ook voor de Leidsche vrienden een fuifje aan te richten, en wel speciaal voor “Laborando vincimus”.
Henri bedisselde, dat de volgende vergadering bij hem zou zijn, en wilde dan in plaats van ’n gewoon nabroodje ’n fijn soupertje met bloemen en ’n strijkje geven, waar de meisjes natuurlijk bij zouden blijven, en Else als jeugdig bruidje gehuldigd moest worden.
Hij had eerst z’n plannen zooveel mogelijk voor Go en “Vrouwtje” verborgen willen houden, maar ze vroegen zóó dringend z’n kamer te mogen versieren en alles mooi te mogen maken, dat hij steeds meer de leiding uit handen gaf, en ’t zelfs zóó ver kwam, dat ’s middags vóór den plechtigen avond hij de deur werd uitgestuurd, omdat hij ’t pas zien mocht, als alles klaar was.
Z’n juffrouw, genietend van al die feestelijkheid in haar huis, deed energiek mee, sloot triomfantelijk de deur af, en hij, wanhopig, ’t opgevend “als drie vrouwen tegen ’m wilden samenspannen”,was gegaan, en niet teruggekomen vóór ’t uur van de vergadering, toen de hospita ’m dadelijk vertrouwelijk meedeelde, dat alles “keurig en keurig” was,—als meneer nu nog maar den wijn uitgeven wilde; en Go en Else, even later, stralend, in lichte partij-jurken met bloemen, die Han ze gestuurd had, waren ’m ook komen verzekeren, dat hij tevreden zou zijn, en dat z’n juffrouw een parel was.
De vergadering liep geregeld en geanimeerd af; er was feeststemming in de lucht, de meeste jongens droegen mooie jasjes, behalve Beerenstijn, die altijd een grofgrijs colbertje aan had; bij de thee werden taartjes en bruidsuikers gepresenteerd, en in de pauze was er ’n groot bouquet voor Else gekomen van het dispuut.
Zoodra Henri’s hamer voor de laatste maal was neergevallen,—Else had ’m het symbool van z’n waardigheid meermalen afgenomen, had er mee zitten spelen, ’m laten vallen, er Han mee gestreeld, zoodat Beerenstijn had gepreveld: dat voor ’n praeses van een dispuut, evengoed als voor ’n priester, ’t coelibaat verplichtend moest worden gesteld,—was Go de kamer uitgeloopen, om ’n laatsten blik over de tafel te laten gaan, die in de kamer van Han’s buurman stond aangericht, en het strijkje bestaande uit piano, viool en violoncel ’n teeken te geven, dat ze beginnen konden.
Toen riep ze, als gastvrouw, de anderen om binnen te komen. De “Hochzeitsmarsch” jubelde hun al op de gang tegemoet, en bij de deur bleven ze stilstaan van verrassing: alle lichten van de kroon waren aan, en op den schoorsteen stonden luchters met brandende kaarsen, die hunvlammetongen in den spiegel weerkaatsten. Daar hing veel fijn groen, met ’n enkele chrysant er tusschen sierlijk van af, uitloopend in een ijlen, slanken slinger, die om de klok was gelegd, en de wijzerplaat goelijk bedekte.
Vazen met chrysanten en daliahs stonden op kleine tafeltjes, sierden het tot buffet gepromoveerde bureau. Aan de kroon hing de gladgroene hulst met vroolijke, roode bessen; maar de tafel zelf was sober gehouden, met slechts los hier en daar ’n viool of wat kleine asters;—bij de borden van Han en Else alleen ’n kring van groote rozen, rood en wit.
Han had in verrukking Else’s arm genomen, leidde haar, trotsch en zalig, de lichte kamer in.
Go zag de ontroering op hun jonge gezichten, voelde haar oogen warm worden, onder ’t angstige wenschen: dat ’t toch altijd zoo blijven mocht,—en toen Eduard zich naar haar overboog: “Mag ik jou aan tafel brengen,” trilde haar hand op z’n arm zóó, dat hij haar bezorgd in ’r ontstelde gezicht keek en teeder zei: “O, wat zie-je bleek! Wil-je ook liever nog wat naar de andere kamer?”
Ze schudde stil haar hoofd, keek dankbaar de tafel langs: Elsi en Henri daar, Frieda tusschen Hans en Beerenstijn—dat was de eenige, die de vrouwenhater nog wel kon lijden—zij naast Eduard, Rolands aan den anderen kant. Dat was ’n stil ventje, zou haar niet storen;—Eduard had háár gevraagd,—beteekende dat, dat hij haar aardig vond? Nee, veel zeggen deed ’t niet: Else soupeerde natuurlijk met Han, en Frieda was niets voor hem, zoo strak en sterk,—die zou ’m zeker, net als Gerard, “geen kerel” vinden;—Frieda was echt ’n meisje om te studeeren, zoohelder en rustig, zoo eenvoudig-verstandig altijd.—
“Had-je liever ergens anders willen zitten?” vroeg Eduard zacht.
“Nee, waarom?”
“Je kijkt zoo rond en je bent zoo stil.—Is er dan wat anders?”
“Nee; ik dacht er over, dat Frieda en jij elkaar niet aardig zouden vinden.”
Hij lachte zacht, haar fixeerend, terwijl z’n oogen steeds dieper glans kregen.
“Zoo, en waarom niet?”
“Ik weet niet. Ik ken je nog wel niet lang.... maar je vóelt zoo, hoe iemand moet zijn, vanzelf. Als je de klank van z’n stem hoort, z’n bewegingen ziet, z’n kamer, z’n boeken....”
“En wat denk-je dan van mij?”
“Dat je van een menschensoort bent, dat Frieda niet appreciëert.”
Ze zweeg, en speelde nerveus met haar glas. ’t Was vreemd, dat ze met hem veel minder goed praten kon dan met Gerard; met dien kwam ’t intieme, ’t belangrijke vanzelf; met Eduard liep elk gesprek dadelijk dood, terwijl ze juist aan hem zoo graag haar vertrouwen zou willen geven.
Ieder zinnetje, zelfs ’t gewoonste, van hem, klonk als een liefkoozing: dat verwarde haar;—’t was net, of z’n oogen, onder de banale woorden door, haar steeds zeer ontroerende dingen zeiden; maar ze wist niet zeker, of ze zich dat misschien maar verbeeldde. Zooals hij nu met z’n hoofd over z’n bord zat, gretig etend van de kip met compôte, leek ’t ’n gewone, knappe jongen, zonder geheime charmes.
“Waarom kijk-je me zoo aan, Go? Je maaktme verlegen.” Z’n stem zong doordringend en ze voelde opeens ’n gezond ongeduld opkomen, tegen de verslappende bekoring, waarmee hij haar omspon.
“Ik had niet gedacht, dat je zooveel zou eten,” zei ze met ’n lachje: “dat hoort niet bij je figuur.”
“Je zult me nog wel eens meer iets zien doen, dat niet bij m’n figuur past, in jouw oogen;—consequent zijn in alles, wat je doet, is vrijwel synoniem met onwaar-zijn. Zoo iemand heeft ’n idee in z’n hoofd, ’n tooneelfiguur voor oogen, die hij nabootsen wil.... Wie tegenwoordig ’n harmonisch mensch lijkt, speelt alleen z’n rol bizonder goed.—We zijn allemaal bij elkaar gelijmd uit niet-bij-een-passende stukjes, goed en slecht en sterk en zwak—wij modern-onrustigen. Ieder mensch is ’n eenheid van tegendeelen.”
“Toch niet allemaal,” zei Go zachtjes, die niet thuis was in de Hegliaansche terminologie, “kijk Elsi en Henri nu ’s, en Hans—en Frieda—”
“Wat weet iemand eigenlijk van den ander af!—Ik ken alleen de tweespalt in mezelf, en daarnaar meet ik ’t geluk af bij andere menschen.”
“Dat wordt later natuurlijk beter; dit zijn de moeilijkste jaren.—”
“Later, als ik een geposeerd mensch ben geworden, meen-je; als ik ’n baantje heb, en nòg meer eet en drink dan nu, en nòg....”
“Als je je nuttig maakt—”
“Nuttig voor anderen—als rechter—redder van de menschheid, steun van weduwen en weezen—prachtig, hè? Maar,sancta simplicitas, laten we toch ’s ophouden met de dwaze inbeelding, of we wezenlijk voor ’t heil van onze medemenschen zoo’n baantje entameeren, en er onsmee bezig houden tot ’t einde.—Honderd anderen zouên ’t immers even goed kunnen als wij, kijken ons met nijdige, afgunstige gezichten aan.—Welk mensch is in deze tijden van overbevolking onmisbaar? Als hij méér kan dan ’n ander, laten dan drie of vier z’n plaats innemen; krachten genoeg; daar hoef-je niet zuinig op te zijn.”
“Maar wáárom dan?” vroeg Go, “en wat moet je dan....”
Hij haalde z’n schouders op, en keek stroef voor zich uit. Hij scheen z’n buurmeisje en de tafel vergeten; z’n stem was hard, als metaalklank, en ’n waas hing over z’n oogendiepten.
“Het eenige, wat ’n mensch doen kan, is, maken, dat de tijd zoo onopgemerkt mogelijk voorbij gaat,—daarom fuiven we, daarom werken en lezen, en eten en slapen we. Ieder naar z’n aanleg. Ieder kiest, wat ’m ’t beste bezighoudt. Je vindt ’t ’n leelijke levensopvatting,—je gelooft ’t niet,—wacht maar; als je ouder bent.”
Het strijkje, dat in de alkoof bij de piano zat, viel vroolijk in met de matchiche, en De Veer, z’n stoel achteruit gooiend, sprong vreugdevol op, wierp ’t lijf achterover, en danste, den vroolijken kop door ’t gulden licht overstroomd. Hij had zich asters achter de ooren gestoken, hield ’n roode daliah tusschen z’n lippen, en terwijl hij steeds joliger danste, klapte hij met de vingers, als om zichzelf aan te hitsen.
“Zóó richt hij z’n leven in,” zei Eduard met ’n mat lachje, maar Go zag hier de heerlijke, echte uitgelatenheid, zooals ze altijd bij jongens had vermoed, klapte in de handen en riep: “mooi, mooi! O, laten we straks toch gaan dansen.”
“Praeses, mag ik nu misschien ’s het woord,” riepGerard, den betrokkene, die zich heel weinig met de tafel bemoeide, en juist bezig was z’n meisje ’n roos in ’t haar te steken, met ’n notedop gooiend.
“Och kerel, laat me met rust. Ik heb vanavond toch niet de leiding. Doe, wat je niet laten kunt, maar bel dan eerst om ’n paar nieuwe flesschen.”
Gerard sprak met overtuiging, terwijl hij eerst, ’n beetje over de tafel geleund, Han en Else nog ’s hartelijk gelukwenschte, daarna zich richtte tot de meisjes in ’t algemeen, die voor ’t eerst ’n feestje met hen hadden willen meemaken.
“Ik weet, jullie hebben eenvoudig-weg: ja, gezegd, omdat je ons als vrienden beschouwt, en met ons ’t verlovingsfeest, waar we allemaal blij om zijn, wilde vieren. Jullie hebt er geen ernstige theorieën bij verkondigd; maar ik zie, zooals jullie hier nu vroolijk en gezellig in ons midden bent, jullie toch als baanbreeksters van het nieuwe leven, waar de verhouding tusschen jongens en meisjes ’n wezenlijk vriendschappelijke, wezenlijk elkaar steunende zal zijn. Hoeveel goed dat ons, jongens, zal doen,—we weten ’t hier wel allemaal van onszelf, dat de meisjes veel aan ons te verbeteren zullen hebben—”
“Wij nog meer aan de meisjes, àls er iets aan te verbeteren valt,” viel Beerenstijn uit, maar Hans bedreigde ’m met de spuitwatersiphon, en Gerard maakte er nu maar gauw ’n eind aan, met te drinken op de goeie verhouding en den bloei van de leden van “Laborando vincimus”.
“Mag ik ’t woord, praeses,” drong Beerenstijn, “om te herinneren aan ’n uitspraak van Erasmus in “stultitiae laus”, dat de grootste aantrekkelijkheid van de vrouw—”
“Meneer Beerenstijn, ik verzoek u de stemmingniet te storen....” beval Han plechtig, maar Frieda viel levendig in: “Ik weet, wat je meent. Oppervlakkig is er iets vóór te zeggen. Maar je ziet in meisjes-studenten te veel ’t liefhebberen in de wetenschap; je hebt er zeker nog nooit ontmoet, bij wie ’t wezenlijk ernst is, als bij ’n man.”
“Dat heb ik wel; jou bijvoorbeeld. Daarom heb ik ook heelemaal niet ’t land aan je; maar je bent nu ’n kameraad geworden, geen meisje meer voor me,—maar zooals die ’t doen,”—hij keek naar Else en Go—“dat ’s vleesch noch visch.”
“’t Zijn toch aardige kinderen.”
“Als ze niet studeerden. Als ze niet hun grootste charme: hun onwetendheid, zoo gauw mogelijk trachtten kwijt te raken. Ik wil geen vrouw, die net zooveel weet als ik, of ’t zich tenminste verbeeldt. En ze worden leelijk.”
“Dat hoeft niet,” riep Eduard; en Go vond vreemd, dat hij ook op zoo’n manier over meisjes praten kon. Ze kreeg ’t gevoel, of voor jongens ze toch voorloopig nog wel iets heel ver-afs moesten blijven, half vereerd, half getiranniseerd, als ’n weeldedingetje.
Gerard zag ’t in haar oogen. “Hoe denk-je nú over de leden van ons dispuut? Nóg geavanceerd, of wel ’n beetje bekrompen en banaal?”
Maar nu riep De Veer, of hij eindelijk ook ’s wat mocht zeggen, en ze keerden zich allen verwachtend naar het stralende, opgewonden jongensgezicht, waarin de donkere oogen als zonnetjes flonkerden.
“Ik spreek naar aanleiding van den toost van Leeden, en ik heb er niet vooruit over nagedacht en niet klaargemaakt, wat ik wou zeggen—”
“O, jerum!” zuchtte Hans, “als dat dan maar goed afloopt.”
“Maar ’k wil uiten, wat ik voel, en dat is: blijdschap en verwachting. Ik heb, terwijl Gerard sprak daareven, ’n visioen gehad; dat was: de algeheele verbroedering en verzustering. Ik zag de meisjes op onze kroeg, tusschen ons, met potten bier....”
Men begon zachtjes te proesten. Han alleen zat ’n beetje gespannen, met z’n mes in de hand, om af te tikken, wanneer ’t te erg werd.
“Ik zag ze met ons meedoen op de rijjolen, mee inklimmen in de huizen.”
Het werd rumoeriger aan tafel; het lachen steeg.
“Ik weet ’t wel; we zijn nog ver af van dat alles. En ik weet niet, of ik dien ideaal-toestand nog meemaken zal, als student.”
“Studeer maar door, op dezelfde manier, als je bezig bent; dan heb-je veel kans,” interrompeerde Gerard; maar de redenaar hernam onverstoorbaar:
“Er moet nog veel veranderen, voor we zoover zijn. De meisjes moeten veel sterker worden, dat ze er beter tegen kunnen ’n nacht op te blijven.... ze moeten meer wijn leeren drinken,”—en hij keek verwijtend naar de glazen van Else en Go, die nog half vol waren; Frieda was geheel-onthoudster—“hun kleeding moet veranderd worden, dat ze gemakkelijker alles mee kunnen doen....”
Nu tikte Henri: “Dank u, meneer De Veer; ’t is genoeg geweest.”
De tafel lag flauw. “Kerel, kerel,” hikte Hans, “je bent onbetaalbaar. Laat-ie toch doorgaan, meneer de praeses, als hij ergens ter wereld iets nog dwazers verzinnen kan.”
“Maar ik meen het,” verweerde De Veer zich, toch niet gepiqueerd, “op ’t oogenblik mag ’t vreemd lijken, maar over ’n jaar of tien....”
“Gekken,” mompelde Beerenstijn, die juist zag, dat Henri en Else samen van een bordje aten, “als er hier nog een geëngageerd paar komt, ga ’k er uit.”
En z’n oogen bliksemden naar Eduard, die ’n waterlelie uit z’n sinaasappelschil voor Go maakte.
“Omdat die vent nu zekere capaciteiten heeft, die wij, jongens, niet in ’m kunnen waardeeren,” zei hij tegen Frieda, “moet ’t hier nou per se ’n backfischen-bewaarplaats worden; die vinden ’m natuurlijk allerliefst.”
Go had zich hartelijk naar De Veer overgebogen; haar oogen waren diep donkerblauw in haar warm gezicht: “Laat je eens bij ons op de club introduceeren, Wim,” zei ze vertrouwelijk, “dan zul-je ’s zien, dat van gezamenlijk fuiven zoo gauw nog niets komen zal; we zijn daar zoo ernstig, zoo wijs....”
“O, meneer, daar benne ze van de pelisie,” kwam de juffrouw ontzet, “der mag geen muziek meer gemaakt worden, ’et is half drie.... ze wille binne.”
“Nou láát maar,” zei Han laconiek, “dan krijgen ze óók een glaasje,”—en dan tegen ’t strijkje: “Goeie broeders, pakken jullie de bullen nou maar in en bedankt voor je praestaties.”
“Maar dan ga ik toch naar huis,” zei Frieda opstaande.
“En ’t dansen dan?” vroeg Gerard, “we hebben nu de muziek juist noodig.”
De strenge politiedienaar posteerde zich in de gang. “Hè, hoe zonde, het dansen,” klaagdeGootje, en Eduard sloeg even den arm om ’r heen, draaide rond, ’n wals tusschen de tanden neuriënd.
“Mantels, hoeden,” schreeuwde Hans als ’n omroeper.
“Neem jullie wat bloemen mee, meisjes!” vroeg Han, de rozen voor Else inpakkend.
“In naam der wet er uit!” gilde de kleine Rolands; wat Eduard stil deed staan en zeggen: “God, ventje ben-jij er ook nog, en den heelen avond wakker geweest.... en Hoefman ook.... die was natuurlijk net bijna zoo ver, dat-ie ’n dichterlijke speech in elkaar had, en nu hebben we ’m den heelen avond niet gehoord.”
“Pak je goed in,” zei Gerard bezorgd tegen Go, “je bent zoo warm.”
“Ready?” schreeuwde Beerenstijn, die met den agent naar beneden was geloopen.
“Een, twee, drie, zeven, negen, elf. We zijn compleet,” telde Gerard de leden. “Hoe gaan we nu verder?”
“We blijven bij elkaar; eerst naar Frieda’s huis;allons, enfants.”
’t Was doodstil op straat, en ’n koude nacht. Ze werden vanzelf er allemaal kalmer door. Go dacht, hoe moe ze den volgenden ochtend zou zijn; ze zou wel niet naar college kunnen. Ze hoorde Hans, die classicus was, met den schuchteren Hoefman boomen over de studie in de Nederlandsche letteren.
“Toch wel lollige lui, die ouê snuiters,” vond Hans, maar Hoefman zei:
“Misschien spreek ik met te weinig zaakkennis, maar behalve Hooft en Vondel lijkt ’t me toch niet veel. De Reinaert.... nou ja, heel aardig; maar toch niet zóó, dat ’t een literatuur redt.En later Potgieter en Beets en Staring; dat lijkt allemaal zoo ver af; zooveel verder dan Franschen of Duitschers van denzelfden tijd... ’t is zoo burgerlijk-degelijk, zoo gezond en soliede, dat je zelf ook stevig op je beenen moet staan, wil je ’t kunnen appreciëeren... en wie is zoo, tegenwoordig...”
“Vooral omdat ’t mode is, dat mislukte, dweperige genieën en sentimenteele meisjes die studie kiezen,” bromde Beerenstijn, in de hoop, zoowel Hoefman als Margo te kwetsen.
Maar Eduard zei juist: “Hoe grappig toch, dat jullie zelf den sleutel hebt; zoo niets voor ’n meisje.”
En dat vond ze, voor ’t eerst, niet prettig, zich verwonderend, dat jongens er juist zooveel tegen hadden, als meisjes meer met hen mee gingen leven; hen beter gingen begrijpen.
“Slaap lekker, wel te rusten; nàcht, nàcht!” riepen de heldere stemmen over ’t stille grachtje.
En de meisjes klapten de deur dicht.
Maar bleven in de schemerige gang, waar alleen ’n klein olielampje op ’t meterkastje brandde, nog even stil luisteren naar de voetstappen, hol-opklinkend bij ’t gaan over de oude brug.
Hoofdstuk IX.Go stond ’n beetje te treuzelen in de gang bij ’t college-lokaal, knoopte haar regenmantel langzaam dicht, huiverende om z’n vochtigheid. De meeste jongens waren al weg gestommeld, na eerst bij de deur ’n cigaret te hebben opgestoken, en die scherpe geur was prikkelend in de vochtige atmosfeer blijven hangen, hinderde Go aan haar verkouden-ontstoken keel.“Breng je me misschien naar den trein?” vroeg Lou, die spoorstudent was.“Nee, ’t kind is veel te verkouden,” besliste Coba, het andere eerste-jaartje, dat en pension leefde bij ’n groote, gezellige familie. “Ga met mij mee; mevrouw heeft zeker thee, en dan kan ’k je ’n kleedje laten zien, dat ’k voor haar wil maken.”Go schudde ’t hoofd: “Nee; ’k ga maar dadelijk naar huis. Zoo ellendig zulk weer, als je net zoo verkouden bent. Nee, dank je; ’k heb geen zin om mee te gaan; ’n andere keer ’s.”Maar loopend door de druilige gang, waarvan ze de zware deur slechts met moeite open kon hijschen, dacht ze, hoe ongezellig ze haar kamervinden zou, verlaten, somber, zonder vuur;—de juffrouw zou wel uit zijn of visite hebben; de menschen in huis met elkaar vroolijk en gezellig,—niemand zich bekommerend om haar; nee, ’t was maar beter, als ze niet ging, vóór ’t eten; dan werd er tenminste op haar gerekend, zou de kachel branden, en Else er zijn;—zou ze die nu misschien van college gaan halen? maar natuurlijk had ze ’n afspraak met Henri; dat was elken dag zoo, en ’t sprak ook vanzelf;—de bibliotheek.... ja, dat zou het beste, ’t eenige zijn. Ze kon ’r responsie voor Hooft vast prepareeren. Mogelijk zou er ook iemand zijn, die ze kende. Gerard niet, dien had ze dienochtend noggesproken, ging den heelen dag naar Den Haag met Hans, om ’n kamerzitting bij te wonen; Eduard misschien, of Frieda; of Mary Bruining, waar ze altijd nog ’s naar toe zou gaan.Wat was de gang somber en bedompt met al die natte jassen en parapluies en overschoenen, en hoe druilig zag de boekenzaal er uit door het glimmerige glas. Zacht suisden de deuren dicht en weer open; de menschen liepen voorzichtig en bedaard, praatten met fluisterende stemmen en matte lachjes. En het jongetje, dat de boeken aansjouwde had ’n verschrompeld, wit gezichtje, als ’n heel oud mannetje, terwijl hij al die wijsheid toch alleen maar met z’n handen aanraakte en z’n hoofd er niet mee hoefde te martelen.Ze ging naar de groote boekenkast rechts, om de zware, in-zich-zelf gekeerde woordenboeken van de plank te kantelen, en voor zich op te stellen op ’n nabij tafeltje. Ze moest eigenlijk ’n beetje lachen om al die wichtigheid; zóó au sérieux kon ze haar studie niet nemen, dat zevond in deze omgeving van geleerdheid en ernst te passen; ze voelde zich veel meer ’n kind, dat, in vader’s studeerkamer binnengeslopen, blijven mag, zoolang ze niet lastig is. Onwillekeurig keek ze ’s door de zaal, of de anderen ’t ook niet grappig vonden, maar de stil-gebogen hoofden hadden niet bewogen, en een man, die met ’n paar dikke wetboeken de zaal door ging, keek langs haar heen, met niet-zienden blik.Ze ging nu stil zitten, en dacht, dat ’t toch wel ’n rustige zaal hier was: donker eiken met dof goud, de voetstappen gedempt door het dikke cocos. Maar ook triestig, kloosterachtig, om de dikke, ijzeren hekken voor de ramen, waarachter het nat-verwaaide tuintje lag met de kale heesters. Hoe desolaat was het stille Leiden op zóó’n dag; haast niemand op den weg, niets te zien dan droeve boomen en het doffe grachtewater, en de oude, suffe huizen, waarvan de oogen blind leken.Ze dacht nu ook weer aan den ouden tuin achter college, die toen ze pas aankwam schitterend van tinten en herfstverkleuringen was geweest, en haar dezen middag door ’t beregende venster zoo’n allerdroevigst beeld van verwaarloozing had geschenen. Dikke hoopen rottende blaren overal op den doorweekten grond, schraal-uitgeschoten, omvergewaaide heesters over de grasperken, afgeknakte wingerdranken over het priëeltje; en dan steeds maar door regen, stilletjes neersijpelend en druppend van alle boomen en huizen.... Nooit mocht er iemand komen in den tuin. En die eenzaamheid van jaren maakte ’m nog zieliger....Ze moest maar liever met ’r rug naar ’t raamgaan zitten; dat uitkijken in zoo’n regenstad maakte maar melancoliek. Zoo kon ze ook rustiger zien, wie er waren, en dan gaan werken, want daarvoor was ze toch gekomen.In den hoek aan den overkant zaten ’n paar meisjes, die samen uit een boek lazen en excerpeerden: ze waren er in, met opgewonden toewijding, niet met het rustige, overgegevene, waarmee ze jongens hier werken zag.Wat kende ze toch betrekkelijk nog weinig studenten: die van “Laborando vincimus,” en van college: en nog ’n paar, die ze zoo’s toevallig bij andere meisjes had ontmoet,—maar van die hier nu zaten, niemand. En twaalfhonderd waren er in deze stad. Hoe weinigen daarvan zou ze ooit kennen: hoeveel aardigen, die wat voor haar zouden kunnen zijn, nooit bereiken. Dat Indische jongetje nu b.v. tegen den glasmuur; wat ’n sympathiek, intelligent gezicht; en wat goedig, zooals hij het boeken-sjouwertje op den schouder tikte en toelachte. En die bleeke man bij de groote tafel, met die extatische oogen, en z’n lange, doorschijnende handen. Dat zou wel van de studie komen, de “romantische”. Maar als ze niet werkte, zou zij dat nooit vinden; en ze steunde haar koortsig hoofd in de hand; wat bonsde het hevig, en ze was zoo dof.“Vast alleens—de l is hier verdubbeld evenals in alleen voor al-een—gink het den graave van Hoorne, die, neemende zijnen weg door een’ anderen hoek der huizing, van Hieronimo de Salinas, burghvooght van Portheroole....”Het tochtte in haar hals, en de rillingen gleden griezelig van haar achterhoofd door haar rug;—ze moest eigenlijk ergens anders gaan zitten,maar die boeken waren zoo zwaar; ze voelde ’t ’s avonds altijd aan haar polsen, als ze ’s middags op de bibliotheek gewerkt had—“meer dan in haar hoofd,” had Hans geplaagd....”Burghvooght van Portheroole”—waar zou dat liggen? Zou het ’n stad zijn? De professor vroeg soms de onverwachtste dingen en ’t was zoo naar, als je zeggen moest, dat je ’t niet opgezocht hadt. Zacht haar stoel achteruit-schuivend stond ze op, gleed de mat over, langs de gloeiende kachel; daar links stonden de boeken voor geographie, geloofde ze. Ach, ’t was zoo moeilijk ’n beetje den weg te leeren kennen, ’n beetje te begrijpen, hoe je studeeren moet. Dat daar in de hoogte moest ze hebben: “Lexicon der Geographie”;—maar ze kon er niet bij;—zou ze vragen aan dien langen,—zou ze op ’n stoel klimmen?.... Ze lachte; ze voelde zelf, dat ’t grappig was, zooals ze daar stond, in de hoogte, met ’r armen vol; ze bloosde, en blozend zag ze naar de anderen;—niemand keek; ze zaten daar stil over hun boeken gebogen, verdiept in hun belangwekkende wetenschap, en wat ’n kinderachtig meisje voor toeren maakte achter hun rug, daar stoorde zich niemand aan.Ze voelde ’n boosheid in zich opkoken, terwijl ze nerveus de bladzijden omsloeg: jongens, studenten, waren dat jonge menschen? waren dat frissche, gezonde menschen, die in hun boek bleven kijken, als ’n aardig meisje iets grappigs deed; die niet merkten, of ze binnenkwam of wegging; voor wie ze niets dan ’n ook-studeerende was? Ze wist: ze was nooit coquet geweest; van klein kind af had ze een afkeer gehad van aanstellerij, en ze had altijd met de jongens vanschool open en eenvoudig omgegaan. Maar ze had ’n sterk ontwikkeld vrouwelijk gevoel, dat maakte, dat ze altijd als haar prettig recht had aangenomen, als de leeraren en leerlingen in hun levendige belangstelling en hartelijkheid dat ondefiniëerbare, aangenaam-eerbiedige en toch teedere hadden gelegd, dat haar deed voelen, dat ze ’n meisje was.Dit bewustzijn was in àl haar doen, en ze wist, dat ’t natuurlijk en dus ook goed was; ze had instinctmatig gevoeld, dat Frieda het niet kende, daarom misschien wel zoo buitengewoon geschikt voor studie was;—maar dan moest zij er maar minder geschikt voor zijn, ’t verloochenen deed ze toch niet, en uitdrogen, als die jongens hier, daarin had ze ook geen zin.Portheroolekon ze niet vinden, en voor haar part kon de geheele universiteit worden afgebroken, als je zóó van de studie worden moest, de “romantische” studie. Als ’t college-uur uit was, en de professor de deur achter zich had dicht gedaan, dan had ze verwacht, dat de vrijgelaten jeugd als losgebroken geiten door elkaar zou springen, en lachen en praten en op de tafels klimmen.... maar dan bleven al die jonge-menschen-onder-elkaar, zonder toezicht, stil zitten doorschrijven, tot ze ook de laatste woorden van wijsheid zorgvuldig hadden opgepend, en dan schoven ze langzaam de gang in, de jongens rookend en dof pratend in groepjes, de meisjes zeurig-hangend in het kamertje, waar hun kleeren lagen en ’n lucht was van bleekpoeder en gestoofd eten.Natuurlijk, ze waren geen kinderen meer; en de studie had hun wezenlijke belangstelling. Maar in den vrijen tijd moesten ze toch jongens enmeisjes blijven, die jong waren, geen dictaten-penners, zonder leeftijd.Die ellendige gematigdheid in alles! Nu had ’t vier uur geslagen; dan werd de bibliotheek gesloten. Er was de laatste vijf minuten niet telkens op de klok gekeken, of ’t nog geen tijd zou zijn; maar nu was er ook geen teleurstelling, dat ’t al zoo laat was; niemand wilde nog gejaagd wat afmaken; geen dacht er over zich tegen ’t reglement te verzetten.Het bleeke kind-mannetje zette de deuren open, en in de boekenzaal werd ’n beetje luider gesproken.“Dat’s wéér ’n dag,” dacht Go op de gezichten te lezen, die telkens beleefd de langzaam-wegstappende werkers groetten. Ze zag ze nog voor zich uitloopen op ’t Rapenburg, met tragen, vasten gang, en was blij, toen ze De Veer tegenkwam, te paard, met z’n pet achterover op z’n hoofd.“Ik ben naar “de Vink” geweest; wel wat nat! mag ’k ’n eindje met je mee rijden?”Go lachte: “Je zit daar zoo hoog, dat ’k m’n verkouden stem niet zoover uitzetten kan.”“Ik kan er toch niet afkomen; dat is zoo’n manoeuvre! Je moet warme punch drinken, als je keelpijn hebt.”“Jongen, we houën er geen wijnkelder op na!”“Zeg, is ’t waarachtig waar, dat jullie op júllie kroeg alleen limonade drinken?”“En thee!”“Limonade en thee!Good gracious!Het is ongeloofelijk! Moest je in ons corps komen! Maar dat is ook buitengewoon. Het Leidsche corps is ’t beste, dat er is; dat is bekend. En ik weet, dat jij ’t er leuk zou vinden. We hebben laatstop ’n nacht ’n fakkeltocht over de daken gehouden. Toen heb ik aan je gedacht. Het zou wel wat lastig voor je geweest zijn, maar ’k weet zeker, dat je graag zou zijn meegegaan. Nog een grappige geschiedenis met ’n agent, die ’t huis binnenkwam, en per se m’n naam wou weten, die ’k nou ’s niet zeggen wilde. Heel gemoedelijk alles. De kerel kreeg ’n sigaar en ’n pot bier. Maar later zijn we gaan vechten. Die snee, zie-je.”“Maar Wim; je doet toch erg dwaze dingen, geloof ik,” berispte Go, die ’t toch eigenlijk alleen maar grappig vond, terwijl ze moest denken, wat moeder daar wel van zeggen zou, vechten met ’n agent, in den nacht op straat. “Maar die fakkeltocht zou ik dol-graag hebben meegemaakt.”“Ja, hoe jullie dat uithouden, zonder feesten, begrijp ik niet. Het is zoo iets heerlijks, ’s nachts in ’n bakje of op de kroeg. Of ’n fijn dinertje na ’n examen.”“Je hebt dus nog al plezier in je leven?”Hij lachte, en tikte z’n paard even op den hals: “Ken-je “Rotte Blaren”, die bundel studenten-versjes? Daaronder is er een, waarin wijze menschen ernstig vragen, waarom we toch zoo fuiven en jolijt maken, en drinken? En dan is ’t onveranderlijke antwoord: “omdat ’t lollig is”. En dat zeg ik altijd bij alles, en zooláng ik ’t lollig vind, blijf ik zoo doen. Ik heb ’t land aan kerels, die fuiven zonder er plezier in te hebben. Ik geniet van elk feest; “omdat ’t lollig is.” En z’n stem sloeg om in ’n joligen schater.Ze waren nu bij de Breestraat gekomen, en Go wilde den hoek omgaan.“Laten we liever de Apothekersdijk nemen,” sloeg hij voor; maar Go dreigde ’m, begrijpend-lachend,met haar vinger: “O, groote meneer de reformator; die droomt van daktochten maken, en nachtelijke rijtoeren, met meisjes er bij,—maar ’t niet waagt op klaar-lichten dag met zoo’n wezentje langs de kroeg te komen;—gaat u maar alleen de Breestraat in, en denk onderweg ’s over theorie en practijk na.”“’t Is niet om mij,” verdedigde hij zich, “geloof me, Gootje. Mij zou zoo iets geen kwaad doen; maar ze zouên kletsen over jou, en dat ’s niet noodig.”“En is dat nu dat hoogstaande corps?”“Och, ze hangen wat erg aan traditie.... Je stuurt me weg; toch niet boos, hè? Eet emser-pastilles vanavond.”Hij groette met z’n rijzweep, keek knikkend nog ’s lachende om.En ze verwonderde zich, hoe die “vrij-gevochten schooier” er tegenop kon zien met haar langs de kroeg te gaan. Wat kon iemand er nu in godsnaam over te zeggen hebben, dat ze naast ’m liep. ’n Rare maatschappij hier! ’tWasháár nog niet duidelijk.En ze legde haar hand tegen ’r heet hoofd, dat branderig bonsde bij de slapen.Na het eten had Else haar ingestopt op de canapé, de kachel flink opgestookt, en was toen naar ’r kamer gegaan, omdat er een paar meisjes van college bij haar zouden komen; de twee anderen waren ook geëngageerd, maar nog in stilte, en nu wilden ze, als eerste huisvrouwelijke praestatie, voor zich zelf ’n blouse gaan maken. Het goed was gekocht, en er zwierven ook al rare, vlinderige papieren door Else’s kamer, maar dienavond zou de reusachtige lap in drieën worden gedeeld en verder verwerkt; en daarom had Go geen gebruik gemaakt van de vriendelijke aanbieding, of ze haar ook gezelschap zouden komen houden, want de tafel moest in ’n hoek, dat ze ruimte zouden hebben op den grond om te knippen, en ze voorzag ’n gelach zonder einde, waartegen haar pijnlijk hoofd nu niet bestand zou zijn.Ze was eigenlijk bang, dat ze ziek worden zou; aan tafel had ze niet kunnen eten, en ’r hoest was zoo pijnlijk en hol. Els had gezegd, dat ze beter deed naar bed te gaan, maar ze wist, dat ze zich zoo rampzalig zou voelen, als ze alleen in de donkere kamer lag, ook al kwam ’t nichtje telkens goedig naar haar kijken. Het was toch zoo iets anders, dan ziek zijn thuis. Nu voelde ze weer ’s, hoe slecht ze moeder en allemaal kon missen.Zooals ze daar lag, kon ze net de portretten op de schrijftafel zien: goeie moesje, wat zou ze nu doen? zeker ’r dutje,—o nee, ’t was Vrijdag, en dan werd de huiskamer altijd gedaan, en hielp moeder zelf nog ’s avonds met kleedjes neerleggen en étagère-beeldjes schikken. Het rook nu heelemaal naar was in de kamer,.... maar om dat te merken, zou ze nu toch te verkouden zijn. Ze zou in ’n makkelijken stoel bij de kachel zitten, met ’n glas citroen naast zich, en de kinderen zouden ’n beetje stil moeten zijn. “Go heeft hoofdpijn.” En moeder zou ’r hand op haar voorhoofd leggen, en zeggen: “Heb je wel warme voeten, meid; wil je me stoof eens hebben?” En dan weer: “Mietje, ga jij vast sluiten op de oudste juffrouw ’r kamer, en steek ’t licht op, want ze gaat vanavond wat vroeg naar bed.”Uit Else’s kamer klonk het vroolijke gelach door de suitedeuren heen, en er kwamen tranen in Go’s oogen van zelf-medelijden; o ja, vrienden en vriendinnen had ze hier genoeg; maar wie bekommerde zich om haar, als ’r wat scheelde. “Eet emser-pastilles,” had De Veer gezegd, en Else: “Je moest maar naar bed gaan.” Maar daarmee was ’t ook uit, en nu lag ze alleen, en de kachel was bijna leeggebrand, maar ze kòn er niet toe komen om op te staan, en ’m zelf bij te vullen.Maar je bent toch gewoon ’n beetje verkouden, kalmeerde ze zichzelf, daarvoor hoeft de heele wereld toch geen meelijdend, droevig gezicht te zetten.En ze hoestte blaffend met ’t hoofd in de handen, benauwd ophijgend, toen ’t weer was bedaard, terwijl uit de andere kamer voortdurendgegiechelen gejoel doorklinken bleef.Nu werd er gebeld. Ze dacht, dat ’t Henri of nog ’n blouse-meisje zijn zou, maar ’n flinke klop klepperde op haar deur, en Gerard’s vriendelijk gezicht kwam in de opening.“Jij?” riep ze verbaasd, en probeerde zich uit de shawls en avondmantels los te werken.“Nee, stil, blijf maar liggen; ik kwam maar ’s even vragen, hoe ’t is met de patiënt; ik had eigenlijk gedacht, dat je naar bed zou zijn gegaan;.... je zag er vanochtend niets goed uit, en Hoefman, die ik er naar vroeg, zei, dat je erg gehoest hadt op college.”“Verkouden; ’t is niets,” zei ze, dankbaar naar ’m opziende. “Els heeft me warm ingepakt; morgen zal ’t wel weer over zijn.”“Ik had je juffrouw ’n opdracht willen geven,”zei hij, z’n verregende city-bag op tafel zettend, “maar toen ik hoorde, dat jullie thuis waren, wilde ik ’t liever tegen Elsi zeggen, maar waar is die?”“O, die heeft meisjes bij zich, om ’n blouse te maken; ik zal ze even roepen; nee, ik kan wel; dank je.” En Go wond zich vlug uit de omhulsels los, schoof de suitedeuren open.“Nee, nee, dicht,” gilde ’t haar angstig tegemoet, en ze zag in den hoek der kamer, de drie meisjes in hun onderlijfjes angstig opeengedrukt staan, en de grond met kleedingstukken en lappen goed bestrooid. Snel sloot ze de deur achter zich, en “wat doen jullie?” vroeg ze verbaasd. “Gerard Leeden wou je wat vragen, Else.”“Ach, ’t was zoo lastig met passen telkens, dat aan- en uitkleeden,” verontschuldigde Else, “en we hadden ’t toch al zoo warm van den inspannenden arbeid. De gangdeur is afgesloten... en we dachten niet, dat jij...”“Maar trek nu even je blouse aan, en kom binnen... komen jullie dan ook.”Gerard had intusschen zijn city-bag opengemaakt, hield Go nu een beetje verlegen ’n flesch wijn en ’n met kruidnagelen bestoken citroentje voor.“Bij ons geldt dit als ’n onfeilbaar middel tegen verkoudheid: warme wijn met kruidnagelen,” zei hij onzeker. “Als je dit drinkt, vóór je naar bed gaat, word-je door en door warm, en je voelt je den volgenden dag altijd veel beter. Ik dacht, dat jullie hier geen wijn hebben zoudt, en daarom....”Alweer tranen. Go werd er ongeduldig van, en omdat hij z’n beide handen vol had, pakte ze’mbij z’n arm, spontaan, hartelijk: “Wat is dat vreeselijk lief van je, Gerard,” zei ze zacht. “Ik kan je niet zeggen, hoe buitengewoon lief ik dát van je vind.”“In ’n trekpot moet je ’m warm maken,” zei hij, en wilde al weer naar de deur gaan, maar nu hield ze ’m terug, zette hem resoluut op ’n stoel, en riep: “Nee, nu moet je natuurlijk hier blijven, en meedrinken. Dacht je, dat ik de heele flesch alleen op kon! De Veer zegt immers ook, dat meisjes niet drinken kunnen. Wil-je warme, of gewoon koud? O, we hebben zooveel wijnglazen van de vorige heeren, en ze zijn nog nooit gebruikt!”Ze liep nu opgewonden de kamer op en neer. “Komen jullie toch!” schreeuwde ze door desuitedeuren. “Ik geef ’n wijn-fuif. Willen jullie warme wijn met kruidnagelen, of koude? Maak toch voort. Nu hebben we onze groote wijnkast niet voor niets. Nu komt er ’n leege flesch in.”Verbaasd kwamen de anderen binnen, het was ’n gelach en gepraat en dooreengeloop, dat ’t Gerard toescheen, of de heele kamer vol meisjes was.“Ga toch zitten,” zei hij tegen Go, “en laat Elsi er voor zorgen. Je ziet er wezenlijk niet goed uit, en je bent zoo opgewonden.”“Verbeelding! Ik voel me best. Nee maar, dat zal ik aan moeder vertellen. Dat is ’n heerlijk middel tegen verkoudheid. Je voelt, dat je er beter van wordt. Nog beter dan de warme punch, die De Veer me aanried.”Ze vertelde nu, dat ze’m dien middag gesproken had; ook van hun afscheid op den hoek van deBreestraat. “Waarom nou, hè; wat zouën ze daar nu over hebben kunnen zeggen?”Gerard keek even voor zich uit. “Ben-je wel ’s ’s avonds door ’n student thuis gebracht en heb-je wel gemerkt, dat z’n vrienden ’m dan niet groetten? Dat is alles om dezelfde reden.”Go haalde de schouders op. “Ik begrijp niet...”Maar hij viel haar in de rede. “Dat is ook niet noodig.There’s something rotten in the state.—Maar nu ga ik weg, want je moet gauw onder de wol. Neem nog ’n glas mee naar je kamer, en ga morgen niet uit, als ’t zulk slecht weer is.”“Ja dokter,” lachte Gootje, maar in haar handdruk lag haar ernstige dankbaarheid.En toen ze dien nacht rondwoelde, hoestend en koortsig in haar donker bed, terwijl Else rustig ademend niets van haar merkte, vergat ze toch geen oogenblik het heerlijke, veilige, dat ze hier ook ’n goede, groote vriend had, die voor ’r zorgen wou.
Go stond ’n beetje te treuzelen in de gang bij ’t college-lokaal, knoopte haar regenmantel langzaam dicht, huiverende om z’n vochtigheid. De meeste jongens waren al weg gestommeld, na eerst bij de deur ’n cigaret te hebben opgestoken, en die scherpe geur was prikkelend in de vochtige atmosfeer blijven hangen, hinderde Go aan haar verkouden-ontstoken keel.
“Breng je me misschien naar den trein?” vroeg Lou, die spoorstudent was.
“Nee, ’t kind is veel te verkouden,” besliste Coba, het andere eerste-jaartje, dat en pension leefde bij ’n groote, gezellige familie. “Ga met mij mee; mevrouw heeft zeker thee, en dan kan ’k je ’n kleedje laten zien, dat ’k voor haar wil maken.”
Go schudde ’t hoofd: “Nee; ’k ga maar dadelijk naar huis. Zoo ellendig zulk weer, als je net zoo verkouden bent. Nee, dank je; ’k heb geen zin om mee te gaan; ’n andere keer ’s.”
Maar loopend door de druilige gang, waarvan ze de zware deur slechts met moeite open kon hijschen, dacht ze, hoe ongezellig ze haar kamervinden zou, verlaten, somber, zonder vuur;—de juffrouw zou wel uit zijn of visite hebben; de menschen in huis met elkaar vroolijk en gezellig,—niemand zich bekommerend om haar; nee, ’t was maar beter, als ze niet ging, vóór ’t eten; dan werd er tenminste op haar gerekend, zou de kachel branden, en Else er zijn;—zou ze die nu misschien van college gaan halen? maar natuurlijk had ze ’n afspraak met Henri; dat was elken dag zoo, en ’t sprak ook vanzelf;—de bibliotheek.... ja, dat zou het beste, ’t eenige zijn. Ze kon ’r responsie voor Hooft vast prepareeren. Mogelijk zou er ook iemand zijn, die ze kende. Gerard niet, dien had ze dienochtend noggesproken, ging den heelen dag naar Den Haag met Hans, om ’n kamerzitting bij te wonen; Eduard misschien, of Frieda; of Mary Bruining, waar ze altijd nog ’s naar toe zou gaan.
Wat was de gang somber en bedompt met al die natte jassen en parapluies en overschoenen, en hoe druilig zag de boekenzaal er uit door het glimmerige glas. Zacht suisden de deuren dicht en weer open; de menschen liepen voorzichtig en bedaard, praatten met fluisterende stemmen en matte lachjes. En het jongetje, dat de boeken aansjouwde had ’n verschrompeld, wit gezichtje, als ’n heel oud mannetje, terwijl hij al die wijsheid toch alleen maar met z’n handen aanraakte en z’n hoofd er niet mee hoefde te martelen.
Ze ging naar de groote boekenkast rechts, om de zware, in-zich-zelf gekeerde woordenboeken van de plank te kantelen, en voor zich op te stellen op ’n nabij tafeltje. Ze moest eigenlijk ’n beetje lachen om al die wichtigheid; zóó au sérieux kon ze haar studie niet nemen, dat zevond in deze omgeving van geleerdheid en ernst te passen; ze voelde zich veel meer ’n kind, dat, in vader’s studeerkamer binnengeslopen, blijven mag, zoolang ze niet lastig is. Onwillekeurig keek ze ’s door de zaal, of de anderen ’t ook niet grappig vonden, maar de stil-gebogen hoofden hadden niet bewogen, en een man, die met ’n paar dikke wetboeken de zaal door ging, keek langs haar heen, met niet-zienden blik.
Ze ging nu stil zitten, en dacht, dat ’t toch wel ’n rustige zaal hier was: donker eiken met dof goud, de voetstappen gedempt door het dikke cocos. Maar ook triestig, kloosterachtig, om de dikke, ijzeren hekken voor de ramen, waarachter het nat-verwaaide tuintje lag met de kale heesters. Hoe desolaat was het stille Leiden op zóó’n dag; haast niemand op den weg, niets te zien dan droeve boomen en het doffe grachtewater, en de oude, suffe huizen, waarvan de oogen blind leken.
Ze dacht nu ook weer aan den ouden tuin achter college, die toen ze pas aankwam schitterend van tinten en herfstverkleuringen was geweest, en haar dezen middag door ’t beregende venster zoo’n allerdroevigst beeld van verwaarloozing had geschenen. Dikke hoopen rottende blaren overal op den doorweekten grond, schraal-uitgeschoten, omvergewaaide heesters over de grasperken, afgeknakte wingerdranken over het priëeltje; en dan steeds maar door regen, stilletjes neersijpelend en druppend van alle boomen en huizen.... Nooit mocht er iemand komen in den tuin. En die eenzaamheid van jaren maakte ’m nog zieliger....
Ze moest maar liever met ’r rug naar ’t raamgaan zitten; dat uitkijken in zoo’n regenstad maakte maar melancoliek. Zoo kon ze ook rustiger zien, wie er waren, en dan gaan werken, want daarvoor was ze toch gekomen.
In den hoek aan den overkant zaten ’n paar meisjes, die samen uit een boek lazen en excerpeerden: ze waren er in, met opgewonden toewijding, niet met het rustige, overgegevene, waarmee ze jongens hier werken zag.
Wat kende ze toch betrekkelijk nog weinig studenten: die van “Laborando vincimus,” en van college: en nog ’n paar, die ze zoo’s toevallig bij andere meisjes had ontmoet,—maar van die hier nu zaten, niemand. En twaalfhonderd waren er in deze stad. Hoe weinigen daarvan zou ze ooit kennen: hoeveel aardigen, die wat voor haar zouden kunnen zijn, nooit bereiken. Dat Indische jongetje nu b.v. tegen den glasmuur; wat ’n sympathiek, intelligent gezicht; en wat goedig, zooals hij het boeken-sjouwertje op den schouder tikte en toelachte. En die bleeke man bij de groote tafel, met die extatische oogen, en z’n lange, doorschijnende handen. Dat zou wel van de studie komen, de “romantische”. Maar als ze niet werkte, zou zij dat nooit vinden; en ze steunde haar koortsig hoofd in de hand; wat bonsde het hevig, en ze was zoo dof.
“Vast alleens—de l is hier verdubbeld evenals in alleen voor al-een—gink het den graave van Hoorne, die, neemende zijnen weg door een’ anderen hoek der huizing, van Hieronimo de Salinas, burghvooght van Portheroole....”
Het tochtte in haar hals, en de rillingen gleden griezelig van haar achterhoofd door haar rug;—ze moest eigenlijk ergens anders gaan zitten,maar die boeken waren zoo zwaar; ze voelde ’t ’s avonds altijd aan haar polsen, als ze ’s middags op de bibliotheek gewerkt had—“meer dan in haar hoofd,” had Hans geplaagd....
”Burghvooght van Portheroole”—waar zou dat liggen? Zou het ’n stad zijn? De professor vroeg soms de onverwachtste dingen en ’t was zoo naar, als je zeggen moest, dat je ’t niet opgezocht hadt. Zacht haar stoel achteruit-schuivend stond ze op, gleed de mat over, langs de gloeiende kachel; daar links stonden de boeken voor geographie, geloofde ze. Ach, ’t was zoo moeilijk ’n beetje den weg te leeren kennen, ’n beetje te begrijpen, hoe je studeeren moet. Dat daar in de hoogte moest ze hebben: “Lexicon der Geographie”;—maar ze kon er niet bij;—zou ze vragen aan dien langen,—zou ze op ’n stoel klimmen?.... Ze lachte; ze voelde zelf, dat ’t grappig was, zooals ze daar stond, in de hoogte, met ’r armen vol; ze bloosde, en blozend zag ze naar de anderen;—niemand keek; ze zaten daar stil over hun boeken gebogen, verdiept in hun belangwekkende wetenschap, en wat ’n kinderachtig meisje voor toeren maakte achter hun rug, daar stoorde zich niemand aan.
Ze voelde ’n boosheid in zich opkoken, terwijl ze nerveus de bladzijden omsloeg: jongens, studenten, waren dat jonge menschen? waren dat frissche, gezonde menschen, die in hun boek bleven kijken, als ’n aardig meisje iets grappigs deed; die niet merkten, of ze binnenkwam of wegging; voor wie ze niets dan ’n ook-studeerende was? Ze wist: ze was nooit coquet geweest; van klein kind af had ze een afkeer gehad van aanstellerij, en ze had altijd met de jongens vanschool open en eenvoudig omgegaan. Maar ze had ’n sterk ontwikkeld vrouwelijk gevoel, dat maakte, dat ze altijd als haar prettig recht had aangenomen, als de leeraren en leerlingen in hun levendige belangstelling en hartelijkheid dat ondefiniëerbare, aangenaam-eerbiedige en toch teedere hadden gelegd, dat haar deed voelen, dat ze ’n meisje was.
Dit bewustzijn was in àl haar doen, en ze wist, dat ’t natuurlijk en dus ook goed was; ze had instinctmatig gevoeld, dat Frieda het niet kende, daarom misschien wel zoo buitengewoon geschikt voor studie was;—maar dan moest zij er maar minder geschikt voor zijn, ’t verloochenen deed ze toch niet, en uitdrogen, als die jongens hier, daarin had ze ook geen zin.Portheroolekon ze niet vinden, en voor haar part kon de geheele universiteit worden afgebroken, als je zóó van de studie worden moest, de “romantische” studie. Als ’t college-uur uit was, en de professor de deur achter zich had dicht gedaan, dan had ze verwacht, dat de vrijgelaten jeugd als losgebroken geiten door elkaar zou springen, en lachen en praten en op de tafels klimmen.... maar dan bleven al die jonge-menschen-onder-elkaar, zonder toezicht, stil zitten doorschrijven, tot ze ook de laatste woorden van wijsheid zorgvuldig hadden opgepend, en dan schoven ze langzaam de gang in, de jongens rookend en dof pratend in groepjes, de meisjes zeurig-hangend in het kamertje, waar hun kleeren lagen en ’n lucht was van bleekpoeder en gestoofd eten.
Natuurlijk, ze waren geen kinderen meer; en de studie had hun wezenlijke belangstelling. Maar in den vrijen tijd moesten ze toch jongens enmeisjes blijven, die jong waren, geen dictaten-penners, zonder leeftijd.
Die ellendige gematigdheid in alles! Nu had ’t vier uur geslagen; dan werd de bibliotheek gesloten. Er was de laatste vijf minuten niet telkens op de klok gekeken, of ’t nog geen tijd zou zijn; maar nu was er ook geen teleurstelling, dat ’t al zoo laat was; niemand wilde nog gejaagd wat afmaken; geen dacht er over zich tegen ’t reglement te verzetten.
Het bleeke kind-mannetje zette de deuren open, en in de boekenzaal werd ’n beetje luider gesproken.
“Dat’s wéér ’n dag,” dacht Go op de gezichten te lezen, die telkens beleefd de langzaam-wegstappende werkers groetten. Ze zag ze nog voor zich uitloopen op ’t Rapenburg, met tragen, vasten gang, en was blij, toen ze De Veer tegenkwam, te paard, met z’n pet achterover op z’n hoofd.
“Ik ben naar “de Vink” geweest; wel wat nat! mag ’k ’n eindje met je mee rijden?”
Go lachte: “Je zit daar zoo hoog, dat ’k m’n verkouden stem niet zoover uitzetten kan.”
“Ik kan er toch niet afkomen; dat is zoo’n manoeuvre! Je moet warme punch drinken, als je keelpijn hebt.”
“Jongen, we houën er geen wijnkelder op na!”
“Zeg, is ’t waarachtig waar, dat jullie op júllie kroeg alleen limonade drinken?”
“En thee!”
“Limonade en thee!Good gracious!Het is ongeloofelijk! Moest je in ons corps komen! Maar dat is ook buitengewoon. Het Leidsche corps is ’t beste, dat er is; dat is bekend. En ik weet, dat jij ’t er leuk zou vinden. We hebben laatstop ’n nacht ’n fakkeltocht over de daken gehouden. Toen heb ik aan je gedacht. Het zou wel wat lastig voor je geweest zijn, maar ’k weet zeker, dat je graag zou zijn meegegaan. Nog een grappige geschiedenis met ’n agent, die ’t huis binnenkwam, en per se m’n naam wou weten, die ’k nou ’s niet zeggen wilde. Heel gemoedelijk alles. De kerel kreeg ’n sigaar en ’n pot bier. Maar later zijn we gaan vechten. Die snee, zie-je.”
“Maar Wim; je doet toch erg dwaze dingen, geloof ik,” berispte Go, die ’t toch eigenlijk alleen maar grappig vond, terwijl ze moest denken, wat moeder daar wel van zeggen zou, vechten met ’n agent, in den nacht op straat. “Maar die fakkeltocht zou ik dol-graag hebben meegemaakt.”
“Ja, hoe jullie dat uithouden, zonder feesten, begrijp ik niet. Het is zoo iets heerlijks, ’s nachts in ’n bakje of op de kroeg. Of ’n fijn dinertje na ’n examen.”
“Je hebt dus nog al plezier in je leven?”
Hij lachte, en tikte z’n paard even op den hals: “Ken-je “Rotte Blaren”, die bundel studenten-versjes? Daaronder is er een, waarin wijze menschen ernstig vragen, waarom we toch zoo fuiven en jolijt maken, en drinken? En dan is ’t onveranderlijke antwoord: “omdat ’t lollig is”. En dat zeg ik altijd bij alles, en zooláng ik ’t lollig vind, blijf ik zoo doen. Ik heb ’t land aan kerels, die fuiven zonder er plezier in te hebben. Ik geniet van elk feest; “omdat ’t lollig is.” En z’n stem sloeg om in ’n joligen schater.
Ze waren nu bij de Breestraat gekomen, en Go wilde den hoek omgaan.
“Laten we liever de Apothekersdijk nemen,” sloeg hij voor; maar Go dreigde ’m, begrijpend-lachend,met haar vinger: “O, groote meneer de reformator; die droomt van daktochten maken, en nachtelijke rijtoeren, met meisjes er bij,—maar ’t niet waagt op klaar-lichten dag met zoo’n wezentje langs de kroeg te komen;—gaat u maar alleen de Breestraat in, en denk onderweg ’s over theorie en practijk na.”
“’t Is niet om mij,” verdedigde hij zich, “geloof me, Gootje. Mij zou zoo iets geen kwaad doen; maar ze zouên kletsen over jou, en dat ’s niet noodig.”
“En is dat nu dat hoogstaande corps?”
“Och, ze hangen wat erg aan traditie.... Je stuurt me weg; toch niet boos, hè? Eet emser-pastilles vanavond.”
Hij groette met z’n rijzweep, keek knikkend nog ’s lachende om.
En ze verwonderde zich, hoe die “vrij-gevochten schooier” er tegenop kon zien met haar langs de kroeg te gaan. Wat kon iemand er nu in godsnaam over te zeggen hebben, dat ze naast ’m liep. ’n Rare maatschappij hier! ’tWasháár nog niet duidelijk.
En ze legde haar hand tegen ’r heet hoofd, dat branderig bonsde bij de slapen.
Na het eten had Else haar ingestopt op de canapé, de kachel flink opgestookt, en was toen naar ’r kamer gegaan, omdat er een paar meisjes van college bij haar zouden komen; de twee anderen waren ook geëngageerd, maar nog in stilte, en nu wilden ze, als eerste huisvrouwelijke praestatie, voor zich zelf ’n blouse gaan maken. Het goed was gekocht, en er zwierven ook al rare, vlinderige papieren door Else’s kamer, maar dienavond zou de reusachtige lap in drieën worden gedeeld en verder verwerkt; en daarom had Go geen gebruik gemaakt van de vriendelijke aanbieding, of ze haar ook gezelschap zouden komen houden, want de tafel moest in ’n hoek, dat ze ruimte zouden hebben op den grond om te knippen, en ze voorzag ’n gelach zonder einde, waartegen haar pijnlijk hoofd nu niet bestand zou zijn.
Ze was eigenlijk bang, dat ze ziek worden zou; aan tafel had ze niet kunnen eten, en ’r hoest was zoo pijnlijk en hol. Els had gezegd, dat ze beter deed naar bed te gaan, maar ze wist, dat ze zich zoo rampzalig zou voelen, als ze alleen in de donkere kamer lag, ook al kwam ’t nichtje telkens goedig naar haar kijken. Het was toch zoo iets anders, dan ziek zijn thuis. Nu voelde ze weer ’s, hoe slecht ze moeder en allemaal kon missen.
Zooals ze daar lag, kon ze net de portretten op de schrijftafel zien: goeie moesje, wat zou ze nu doen? zeker ’r dutje,—o nee, ’t was Vrijdag, en dan werd de huiskamer altijd gedaan, en hielp moeder zelf nog ’s avonds met kleedjes neerleggen en étagère-beeldjes schikken. Het rook nu heelemaal naar was in de kamer,.... maar om dat te merken, zou ze nu toch te verkouden zijn. Ze zou in ’n makkelijken stoel bij de kachel zitten, met ’n glas citroen naast zich, en de kinderen zouden ’n beetje stil moeten zijn. “Go heeft hoofdpijn.” En moeder zou ’r hand op haar voorhoofd leggen, en zeggen: “Heb je wel warme voeten, meid; wil je me stoof eens hebben?” En dan weer: “Mietje, ga jij vast sluiten op de oudste juffrouw ’r kamer, en steek ’t licht op, want ze gaat vanavond wat vroeg naar bed.”
Uit Else’s kamer klonk het vroolijke gelach door de suitedeuren heen, en er kwamen tranen in Go’s oogen van zelf-medelijden; o ja, vrienden en vriendinnen had ze hier genoeg; maar wie bekommerde zich om haar, als ’r wat scheelde. “Eet emser-pastilles,” had De Veer gezegd, en Else: “Je moest maar naar bed gaan.” Maar daarmee was ’t ook uit, en nu lag ze alleen, en de kachel was bijna leeggebrand, maar ze kòn er niet toe komen om op te staan, en ’m zelf bij te vullen.
Maar je bent toch gewoon ’n beetje verkouden, kalmeerde ze zichzelf, daarvoor hoeft de heele wereld toch geen meelijdend, droevig gezicht te zetten.
En ze hoestte blaffend met ’t hoofd in de handen, benauwd ophijgend, toen ’t weer was bedaard, terwijl uit de andere kamer voortdurendgegiechelen gejoel doorklinken bleef.
Nu werd er gebeld. Ze dacht, dat ’t Henri of nog ’n blouse-meisje zijn zou, maar ’n flinke klop klepperde op haar deur, en Gerard’s vriendelijk gezicht kwam in de opening.
“Jij?” riep ze verbaasd, en probeerde zich uit de shawls en avondmantels los te werken.
“Nee, stil, blijf maar liggen; ik kwam maar ’s even vragen, hoe ’t is met de patiënt; ik had eigenlijk gedacht, dat je naar bed zou zijn gegaan;.... je zag er vanochtend niets goed uit, en Hoefman, die ik er naar vroeg, zei, dat je erg gehoest hadt op college.”
“Verkouden; ’t is niets,” zei ze, dankbaar naar ’m opziende. “Els heeft me warm ingepakt; morgen zal ’t wel weer over zijn.”
“Ik had je juffrouw ’n opdracht willen geven,”zei hij, z’n verregende city-bag op tafel zettend, “maar toen ik hoorde, dat jullie thuis waren, wilde ik ’t liever tegen Elsi zeggen, maar waar is die?”
“O, die heeft meisjes bij zich, om ’n blouse te maken; ik zal ze even roepen; nee, ik kan wel; dank je.” En Go wond zich vlug uit de omhulsels los, schoof de suitedeuren open.
“Nee, nee, dicht,” gilde ’t haar angstig tegemoet, en ze zag in den hoek der kamer, de drie meisjes in hun onderlijfjes angstig opeengedrukt staan, en de grond met kleedingstukken en lappen goed bestrooid. Snel sloot ze de deur achter zich, en “wat doen jullie?” vroeg ze verbaasd. “Gerard Leeden wou je wat vragen, Else.”
“Ach, ’t was zoo lastig met passen telkens, dat aan- en uitkleeden,” verontschuldigde Else, “en we hadden ’t toch al zoo warm van den inspannenden arbeid. De gangdeur is afgesloten... en we dachten niet, dat jij...”
“Maar trek nu even je blouse aan, en kom binnen... komen jullie dan ook.”
Gerard had intusschen zijn city-bag opengemaakt, hield Go nu een beetje verlegen ’n flesch wijn en ’n met kruidnagelen bestoken citroentje voor.
“Bij ons geldt dit als ’n onfeilbaar middel tegen verkoudheid: warme wijn met kruidnagelen,” zei hij onzeker. “Als je dit drinkt, vóór je naar bed gaat, word-je door en door warm, en je voelt je den volgenden dag altijd veel beter. Ik dacht, dat jullie hier geen wijn hebben zoudt, en daarom....”
Alweer tranen. Go werd er ongeduldig van, en omdat hij z’n beide handen vol had, pakte ze’mbij z’n arm, spontaan, hartelijk: “Wat is dat vreeselijk lief van je, Gerard,” zei ze zacht. “Ik kan je niet zeggen, hoe buitengewoon lief ik dát van je vind.”
“In ’n trekpot moet je ’m warm maken,” zei hij, en wilde al weer naar de deur gaan, maar nu hield ze ’m terug, zette hem resoluut op ’n stoel, en riep: “Nee, nu moet je natuurlijk hier blijven, en meedrinken. Dacht je, dat ik de heele flesch alleen op kon! De Veer zegt immers ook, dat meisjes niet drinken kunnen. Wil-je warme, of gewoon koud? O, we hebben zooveel wijnglazen van de vorige heeren, en ze zijn nog nooit gebruikt!”
Ze liep nu opgewonden de kamer op en neer. “Komen jullie toch!” schreeuwde ze door desuitedeuren. “Ik geef ’n wijn-fuif. Willen jullie warme wijn met kruidnagelen, of koude? Maak toch voort. Nu hebben we onze groote wijnkast niet voor niets. Nu komt er ’n leege flesch in.”
Verbaasd kwamen de anderen binnen, het was ’n gelach en gepraat en dooreengeloop, dat ’t Gerard toescheen, of de heele kamer vol meisjes was.
“Ga toch zitten,” zei hij tegen Go, “en laat Elsi er voor zorgen. Je ziet er wezenlijk niet goed uit, en je bent zoo opgewonden.”
“Verbeelding! Ik voel me best. Nee maar, dat zal ik aan moeder vertellen. Dat is ’n heerlijk middel tegen verkoudheid. Je voelt, dat je er beter van wordt. Nog beter dan de warme punch, die De Veer me aanried.”
Ze vertelde nu, dat ze’m dien middag gesproken had; ook van hun afscheid op den hoek van deBreestraat. “Waarom nou, hè; wat zouën ze daar nu over hebben kunnen zeggen?”
Gerard keek even voor zich uit. “Ben-je wel ’s ’s avonds door ’n student thuis gebracht en heb-je wel gemerkt, dat z’n vrienden ’m dan niet groetten? Dat is alles om dezelfde reden.”
Go haalde de schouders op. “Ik begrijp niet...”
Maar hij viel haar in de rede. “Dat is ook niet noodig.There’s something rotten in the state.—Maar nu ga ik weg, want je moet gauw onder de wol. Neem nog ’n glas mee naar je kamer, en ga morgen niet uit, als ’t zulk slecht weer is.”
“Ja dokter,” lachte Gootje, maar in haar handdruk lag haar ernstige dankbaarheid.
En toen ze dien nacht rondwoelde, hoestend en koortsig in haar donker bed, terwijl Else rustig ademend niets van haar merkte, vergat ze toch geen oogenblik het heerlijke, veilige, dat ze hier ook ’n goede, groote vriend had, die voor ’r zorgen wou.
Hoofdstuk X.Go zat op haar bureau voor ’t raam, liet het Sint-Nicolaas-handwerk op haar schoot rusten.“Toe, Elsi, kom nu toch ’s kijken, het is zoo’n eenig gezicht.”“Wacht éven, ik ben zoo klaar....” en Else schreef ernstig voort in het huishoudboek, dat ze de laatste weken hield:“melk.... iedere dag twee pinten, dat is ƒ 1,10.... boter ƒ 0,45.... van de week heeft de juffrouw suiker gehaald, hè?.... brood 5 × 7 cent.... dat is 35.... is de gasrekening al betaald.... en kolen?”“Och, kom nu toch, je moet dien bangen jongen zien; die durft gewoon de helling van de brug niet op;.... kijk die glijen.... och heer, daar komt onze juffrouw ook; dat mensch moest niet uitgaan, nu ’t zoo glad is,.... als ze vàlt.... o, daar gaat onze buurman; ’t is, of hij op rolletjes loopt.”Else had haar kas nu in den steek gelaten, en kwam naast Go voor het met sneeuw omrande venster staan. De huizen aan den overkant waren wit toegedekt, wat de altijd doodsche achtermuren nóg triester maakte, en Go weesElse op het kleine plaatsje, waar het kippenhok stond, dat bijna onzichtbaar was geworden.“Wat lijkt ’t nu op een ets van Witsen, en de lucht ziet nog zoo grauw; er zal nog heel wat komen, denk ik.”“Ik hou van sneeuw; ’t maakt alles zoo licht—en hier is ’t wel buitengewoon grappig met dat bruggetje.”“Hoor, hoor, nu komen de kinderen uit school.”Stappen en stemmetjes werden luider door de zware lucht en ’n heele groep kleine meisjes in capes, de kappen over de losse haren getrokken, kwamen glijdend en stoeiend voorbij het raam, bleven dichtbij staan om elkaar te kochelen, en sneeuwballen te werpen naar ’n grooten hond, die ze blaffend nasprong. Tot ’n blozend dienstmeisje gillend door ze heen vloog, nagezeten door ’n smidsjongen, wien de blanke sneeuw smolt in de zwarte handen.“Leuk!” zeiden ze samen, lachend, zoo ver mogelijk ze naoogend. “Wat gezellig, dat we dadelijk er door moeten naar college.”En Else dacht, dat ze echt wel graag eens ingewreven wilde worden, maar niet door zoo’n smidsjongen, die zwarte vlekken maakte in je gezicht.“Kijk nóu ’s,” stootte Go haar opeens aan, toen ze vlak bij college waren: Louis Hoefman stond met ’n kleur op z’n triestig gezicht bij ’n boom en gooide armen vol naar Lize, die meer perplex dan geërgerd zich omgedraaid had, om te vragen, wat ’m bezielde, en nu de vochtige sneeuwmassa vlak in ’t gezicht kreeg, terwijl de aanvaller, als ontzet over z’n eigen stoutmoedigheid, z’n hoed voor haar afnam, maar toch weer ’n nieuwe bal pakte.“Niet kijken,” zei Else goedig, “ze denken, dat niemand ze ziet, maar wat is die Louis toch ’n rare jongen.”“Hij valt me toch mee,” dacht Go, terwijl ze naar binnen ging, en toen Lize even later, druipend en met ’n kleur, het kamertje inkwam, brommend over: “die lamme sneeuw en die idiote jongens”, keek ze haar met meer belangstelling aan dan gewoonlijk, en vond ’r niet zoo vreeselijk leelijk, nu ze ’n kleur had, en ’r haar wat losgeraakt was uit den strengen wrong.“Hoor de jongens vandaag ’s in de gang,” zei ze lachend, en ze vond prettig te merken, dat de aandacht onder historische grammatica merkbaar leed door het blanke gevlok achter den rug van den professor. Zij zelf keek stil in den witten tuin, die zoo mooi was met de blinkende boomen, en de ongereptheid van den gladden grond. Er was den heelen dag weer niemand in geweest; alles was in volkomen natuurlijkheid, zooals de sneeuw zelf zich ’n plaatsje had gezocht: op de teere takjes van de heg, tusschen de verroeste harktanden, en over den hoop dorre blaren tegen den muur.Alles was iets heel bizonders geworden, en vooral toen het lichter werd, nog soms maar ’n enkel vlokje daalde, leek het ’n sprookjestuin.Maar toen de professor z’n boeken had dichtgeslagen en weggegleden was met ’n korten groet, was opeens aan het droomen ’n einde geweest door het uitgelaten losbreken van de jongens, die de altijd-gesloten deur openrukten en den onberoerd-slapenden tuin opschrikten met het luide gelach van hun jonge stemmen en de klatering van hun roepen, terwijl hun voeten gaten maaktenin de blanke, vlakke sneeuw, en hun handen er breed in grepen om ze elkaar toe te gooien.“Kom dames!” vroeg Hoefman, en Go liep met Lou en Coba stralend naar buiten, als verblind blijvend staan van al den glans om haar heen, want jubelend was de zon doorgebroken, en deed de takken glinsteren als facetjes van diamanten.Maar ’n bal vloog rakelings langs haar oor, en snel bukkend pakte ze de witte poedersneeuw, en wierp terug in den wilde, naar den hoek, waar zwarte jongenslijven joelend dooreen krioelden. Het werd ’n sneeuwgevecht met ononderbroken ballenwisseling. De oudere-jaars-meisjes keken lachend door de beslagen ramen; ook Lize was niet te bewegen geweest mee te doen, waarom Louis trachtte, door ’t van boven-open venster sneeuw in de collegezaal te werpen.Nu werd het ’n drijfjacht in den tuin: de rokken bijeen genomen rende Go schaterlachend om de witte perken, over den witten grond; aan alle kanten bedreigd, wierp ze zich midden over ’t gras, struikelde, viel.... haar haarspelden lagen in de sneeuw verspreid, elk krulletje droop langs haar roode wangen.“Genade.... hou op.... ik moet toch nog naar binnen!” lachte ze, haar coiffure-attributen verzamelend, terwijl het bombardement om haar voortduurde: “Laat me er door; ik kan zóó toch niet op college zitten.” En hijgend zich door de jongens heen werkend, liep ze bijna den professor omver, die de les al kwam hervatten. “O, pardon,” prevelde ze beschaamd, het haar wegstrijkend uit haar verlegen oogen, maar hij lachte vaderlijk, schoon ’n beetje ironisch: “Wat hebben we ’n pretgehad!” en ze voelde, dat hij haar wèl ’n erg kind vond, maar aan z’n eigen dochtertje dacht, van wie hij dit ook aardig zou hebben gevonden.Ze was er dankbaar voor, trachtte daarom op te letten, toen de ernst weer begonnen was, maar schrijven kon ze niet; haar handen waren te verkleumd en gezwollen; en achter in de zaal bleef ’t te gezellig en roezig om haar aandacht op de stem van den professor te kunnen concentreeren. Ze zag, dat ’n paar jongens sneeuw mee naar binnen hadden genomen, en met de smeltende hoopjes elkaar stilletjes zaten te gooien onder de tafel. Een had ’n stukje ijs op Hoefman’s zwart haar gelegd, zonder dat hij het bemerkte en nu viel er telkens ’n druppel langs z’n voorhoofd; dan schrikte hij op, veegde ’m af, verbaasd, lachte even, tot-ie opeens iets voelde op z’n hoofd, ’t afschudde, en ’t ijs met ’n plets op z’n dictaat-cahier viel. “Echte kinderen,” dacht Go, “en ’t is eigenlijk enorm flauw”;—maar ze genoot van het “schooltje”, fluisterde giechelend met Coba over Hoefman’s onschuldig-verwonderd gezicht; tot ze weer bedacht, dat ze op moest letten, en, haar gloeiend gezicht in de tintelende handen, zich naar den professor wendde: hoe lief van ’m, dat hij om haar gelachen had, en niet boos was geworden, toen de jongens zoo lang bleven voetenvegen in de gang. Hoe echt-menschelijk, zich er wel in te kunnen denken, wat zalig sneeuw was voor jonge menschen,—al streefden ze er ook naar doctor in de Nederlandsche letteren te worden.Nu had een jongen ’n stukje sneeuw in den halsboord van z’n buurman laten glijden; lieve hemel, wat ’n kinderen toch; en waren dat dezelfden, die ze ’n paar weken geleden op de bibliotheekvoor oude, uitgedroogde mannetjes had uitgemaakt, die alle vermogen van jeugd in halsstarrig studeeren hadden verloren!.... Och ja; je kon de dingen soms zoo verschillend zien; en als ze maar niet koortsig was, bleken de menschen toch nog zoo kwaad niet. Ze generaliseerde altijd zoo gauw, en wie naar ’n bibliotheek ging, kwam er toch om te werken, en niet om naar meisjes te kijken.... en op college eigenlijk ook.... alleen met sneeuw........ Lize boog zich over haar tafeltje, legde stil ’n briefje naast haar neer; ze keek verbaasd: van Hoefman;.... die jongen had z’n “jour” vandaag.... onherkenbaar van levendigheid.... Stil las ze onder haar hand:“Weet je, dat Van Neerwinden vanmiddag om vier uur uitslag heeft? Ga-je er misschien heen?”Ze scheurde ’n blaadje uit haar cahier, pende dadelijk terug: “Zullen we samen gaan? Ik ben nog nooit in de universiteit geweest! zou hij er door komen?”Na college wachtte hij in de gang. “Ik dacht wel, dat je ’t niet weten zou. Het is nog al geheim gehouden, en je kijkt zeker nooit op het bord.” En hij legde haar uit, dat op ’t zwarte bord voor de universiteit altijd de examen-papiertjes werden opgehangen, maar dat Neerwinden het land had aan zoo’n stroom vrienden.... en er èrg veel had—en er daarom niemand over had gesproken.“Maar zou hij ’t dan niet vervelend vinden, als wij komen?”“De leden van Laborando vincimus hooren er toch bij—en het zal wel in orde wezen; ’t eerste gedeelte was perfect.”Toen zweeg hij, keek ’n beetje naar den grond, vroeg eindelijk ineens bruusk: “Is die juffrouw Schermer niet een heel aardig meisje? Weet je ook, waaróm ze geen lid wilde worden?”“Ze heeft het te druk,” antwoordde Go vriendelijk, zelf vol kinderlijke belangstelling in de sympathie van den dichterlijken droomer voor de uiterlijk-antipathieke, stugge Lize. “Ze móet vlug haar examens doen, zie-je, en daarom werkt ze aan één stuk door, en gaat nooit uit.”“Maar dat kàn toch niet goed zijn. Ze ziet zoo bleek.”“Ja,” knikte Go, de oogen naar ’t bord, waar ze het papiertje zág: Faculteit Rechtswetenschap—E. van Neerwinden—en ze bedacht, dat hij nu bezig was.“Ben je ’n vriendin van haar?” vroeg hij in de donkere vestibule.“Ik kom wel eens bij haar, maar ’t is niet makkelijk intiem met haar te worden.” Haar aandacht keerde zich van hem af, zoodra ze binnen waren, en vol verbazing bleef ze telkens op de breede trap staan, om de teekeningen op de muren te bewonderen.“Wat is dat allemaal?” vroeg ze, en toen ze op ’t portaal waren gekomen, vergat ze stil te zijn: “O, kijk toch, kijk ’s, wat verschrikkelijk aardig....” en ze liep van den eenen kant naar den anderen om al die grappige studenten-caricaturen te bekijken.Gerard was er al, kwam lachend, met uitgestoken hand, naar haar toe: “Wil-je wel ’s gauw je ’n beetje stil houden; je brengt met je drukte den examinandus heelemaal in de war... kijk.... daar-is-ie,” en hij wees naar de gele deur, waar “facultas iuridica” boven stond. “Kom nou hier,in ’t zweetkamertje; dan kunnen we praten.”Han stond met Else voor het raam te kijken: “Hoe wist jij ’t?” vroeg ze, “Han vertelde ’t me vanmiddag.”Er waren meer jongens, die Go niet kende; ze praatten allemaal zacht en gedempt, en het was er kil en triestig. ’n Droef, grijs licht viel door het gordijnlooze raam op den houten vloer, en de met namen bekerfde tafel. De groote kachel stond in ’n hoek als ’n zwart, dood ding; er waren ’n paar gele, gesloten kasten, ’n paar stoelen; ’n karaf water met glazen.... meer niets. Maar de wit-gekalkte muren leefden; niet grappig, niet vermakelijk, als in het portaal, maar met nerveus-makende krabbels en spreuken en handteekeningen, en, aangegrepen door ’n akelige onrust, begon Go die namen te lezen, met: “hic sudavit, sed non frustra....”, beginnend laag bij den grond en opklimmend tot hoog boven den schoorsteen en de kachel, zoodat ze niet begrijpen kon, hoe iemand ooit zoo hoog had kunnen reiken.Frieda was ook gekomen, op haar eigen stille, zachte manier, zat nu aan tafel te praten met ’n paar vakgenooten over de kansen van ’n nieuw-te-benoemen professor. Op de gang was het volkomen, akelig stil, en onwillekeurig keerde Go zich tot Gerard, zei huiverig: “’t Is net, of alle angst, die hier ooit gevoeld is, tusschen deze muren is blijven hangen; je wordt hier al akelig als je binnenkomt.”“Nu, dat zal dan ook langzamerhand ’n heel pak verschrikking moeten zijn, als je ’s rekent hoeveel generaties vóór ons, hier al eens in hoop en vreeze hebben neergezeten.”En om haar af te leiden ging hij over de sneeuw praten, liet zich lachend vertellen, wat ze dien middag op college hadden gedaan, en toen weer de stilte dreigde, begon hij over Sint Nicolaas, en of ze haar surprises al klaar had.Z’n harde, sterke stem werkte kalmeerend op haar, en ze vertelde ’n grapje van laatst onder Gotisch, toen de professor het had oversatem- encentum-talen, en samenvallen vanexplosivaeenpalatalen, en allerlei meer onbegrijpelijkheid.“’n Beetje ánders wel,” lachte Gerard, maar ze haalde nerveus de schouders op, zei: “Ik weet niet; ik voelde, dat ik er toch niet bij kon, en ging zitten denken over ’n inktlap voor Broer.... ik schijn daarbij den professor heel diepzinnig te hebben aangekeken, want ik wilde de zeempjes meteen voor versiering laten dienen, en dan donkergroen laken er onder;.... juist op ’t oogenblik, dat ik ’t duidelijk voor me zie, buigt hij zich voorover en zegt: “Ik geloof, u hebt ergens moeite mee, juffrouw Herderts; begrijpt u niet, dat degelabialiseerde velaren.... en enfin, weer ’n heeleboel van die rarigheid, die ik niet eens navertellen kan.... Ik zei, dat ik net met mezelf tot klaarheid was gekomen, maar was doodsbang, dat hij de ontwerpjes in m’n cahier zou zien.”Daar was Hans. “Is hij er nog niet eens uit? ’t Is kwart over.”Go schrikte, maar Rolands zei, dat hij er ook te laat was ingegaan.“Hoe was-tie? Nog al kalm?”“Ach, zoo. Hij had nog al beroerd geslapen vannacht.”Er begon nu onrust onder de menschen te komen; ze schoven naar de deur; de goeiigepedel keek op z’n horloge, grapte, dat ’t nu lang genoeg was geweest, dat-ie de heeren ’s zou gaan zeggen, dat het uit moest zijn.“Hij zal zoo moe zijn,” zei Go zacht tegen Gerard, maar die ging er niet op door, praatte luchtig tegen Hans over ’n voetbalmatch van den vorigen Zondag. Andere jongens kwamen er bij, dandy-achtige heertjes, die allemaal iets hadden, dat Go even aan Eduard denken deed. Ze stonden in ’n groote groep; alleen Henri en Else waren in het kamertje gebleven.“Maar wat zie-jij er vreeselijk slecht uit, Elders,” zei Frieda opeens tegen Hans. Ze noemde de jongens altijd bij hun achternamen, ook hierin toonend haar mannelijke vriendschap.Allen keken nu naar Hans, die lachend ’t eerst onzin heeten wilde, toen, geprest, bekende: “Dat komt, omdat ik heelemaal niet naar bed ben geweest .... Ik heb vannacht laat zitten werken, en ben toen tegen zes uur naar Katwijk gefietst. Je zou ’t niet denken, maar ’t is van ochtend ’n prachtige zonsopgang geweest; wel veel wolken, maar enorm, zie-je!”“Malle kerel, je hebt natuurlijk kou gevat,” plaagden ze, en een nieuw verhaal begon aan den anderen kant van ’t clubje; maar Go hoorde hem nog zeggen met z’n lieve, dankbare stem:“Het was buitengewoon, zie-je.... Zoolang de zon nog opgaat, kan toch niemand beweren, dat er niet ’n heeleboel moois is in ’t leven.”Daar ging de deur open, en allen draaiden zich in ’n ruk om. Eduard, in rok met ’n witte das, bleek met nerveuse vlam-kleurtjes onder z’n oogen, kwam met onzekeren lach naar hen toe, en, dadelijk ’m insluitend, vielen ze op ’m aan, met dof-gemompeld,voorzichtig vragen. Hij haalde de schouders op, streek over z’n hoofd; hij wist ’t niet; aan ’t eind was-t-ie gaan rijden, omdat-ie zoo moe werd; ze hadden ’m ook te lang gehouden, hè? hoe laat was ’t nou?Ze vergeleken hun horloges; de oude pedel klopte ’m goedig op z’n rug: ’t zal wel losloopen. Maar hij maakte zich ongeduldig uit de belangstelling los, liep ’t kamertje in om water te drinken, ging toen in de deurpost staan.De anderen bleven onder elkaar overleggen, vroegen de juristen, wat ze er van dachten; en hij werd ’n beetje spraakzamer, noemde ’n paar dingen, die hij niet had geweten.“God kerel, die weet ik nòg niet, en ik ben nu toch doctorandus,” kalmeerde ’n donkere man.Ze zwegen weer; ’n paar jongens tikten met hun wandelstokken.“Wat duurt ’t lang,” fluisterde Go.“Dat is ’n goed teeken.”“Dat weet je niet.”“Ik kan gerust nog ’n kwartier wachten,” zei Eduard met ’n nerveus lachje, “dat kan me niets schelen.” En hij slingerde z’n horloge tegen de deur heen en weer.“Komt er geen familie van je?”“Niemand weet ’t, goddank.”“Zou Bruno je afhalen?” vroeg Frieda, trachtend hem af te leiden. “Wat krijgt hij, als je er bént?”Een begon zachtjes te fluiten, ze stonden allemaal naar Eduard en naar elkaar te kijken, en niemand wist meer, wat hij zeggen moest.“’t Is half.”“Nee, ’t heeft nog niet geslagen.”“Je bent altijd voor.”“Ga ’s luisteren aan de deur.”Ze slopen de trappen op, leunden ’t oor aan het sleutelgat.“Ik hoor niets.”“Stil nou, vent.... ze lachen.”“Ze lachen.... je bent er, hoor!”“Zouën ze daar zoo’n pret om hebben?” vroeg hij bitter.“Ik heb beloofd dadelijk z’n ploerterij te gaan waarschuwen, als hij er is, om de vlag. M’n fiets staat beneden,” fluisterde Rolands.Er kwam iemand de trap op; in spanning hoorden ze de voetstappen.“O, van de krant.”“Beroerling,” bromde Gerard, “wat gaat ’t ’em an.”“Maar kerel, ’t is z’n baantje.”De stilte. Eduard kraakte een voor een z’n lange, witte vingers.“La dernière heure d’un condamné,” trachtte de pedel op te wekken, maar hij bleef norsch kijken, zuchtte.Opeens: de bel.Vlug schuifelend met z’n oud, dik lijf schoof de pedel naar binnen; terug weer: “Wilt u maar komen, meneer.”Even stonden ze in spanning, half vooruit-willend, half wijkend: maar triomfantelijk-wijd werd de deur achter ’m open gehouden; de pedel wenkte, ’n vriendelijke professor achter de groene tafel wenkte ook: ze stroomden binnen, schuifelden nóg, terwijl ’t speechje al begonnen was.“Met zeer veel genoegen,” mompelde Gerard, “ze hebben waarachtig alleen zoo lang gedelibereerd, of ze ook “cum” zouden geven.”Go stond naast ’m, met tranen in de oogen; ze was zoo bang geweest en nu zoo blij, en ’t was zoo plechtig met al die heeren achter de tafel.En zoodra ’t uit was, stormde ze de trappen af naar buiten, rende door de dikke sneeuw, met ’r mond open, om lucht te krijgen. Ze was zoo blij, zoo blij—maar ze had ’m niet kunnen feliciteeren, want dan had ze zich zeker niet goed kunnen houden.Toen ze ’s avonds naar Lize toeging—die goeie Hoefman, ze zou zien het gesprek op hém te brengen; ze wilde immers iedereen in alles helpen—hoorde ze bij Levedag het jolig lawaai van vroolijke stemmen, en in de lichte gang zag ze veel zwarte ruggen en gladde hoofden, die allemaal naar iets schenen te kijken, dat heel grappig was.“Eddy, Eddy,” hoorde ze roepen, en ze stelde zich voor z’n fijn, stralend gezicht, en de hartelijke vroolijkheid hem ter eere.Hoe dol graag zou ze toch ’s zoo’n jongens-fuif meemaken; zoo ’s echt meegenieten in onbezorgde joligheid. En bij deze zou ze wel ’t liefst van alle zijn geweest.Droomerig ging ze langs z’n huis, op ’t maan-witte Rapenburg; de ramen stonden open, de kamer was leeg. Maar uit ’t dakvenster hing stil en statig de lange vlag, onbeweeglijk in den blanken winternacht, zegeteeken van zijn overwinning.
Go zat op haar bureau voor ’t raam, liet het Sint-Nicolaas-handwerk op haar schoot rusten.
“Toe, Elsi, kom nu toch ’s kijken, het is zoo’n eenig gezicht.”
“Wacht éven, ik ben zoo klaar....” en Else schreef ernstig voort in het huishoudboek, dat ze de laatste weken hield:“melk.... iedere dag twee pinten, dat is ƒ 1,10.... boter ƒ 0,45.... van de week heeft de juffrouw suiker gehaald, hè?.... brood 5 × 7 cent.... dat is 35.... is de gasrekening al betaald.... en kolen?”
“Och, kom nu toch, je moet dien bangen jongen zien; die durft gewoon de helling van de brug niet op;.... kijk die glijen.... och heer, daar komt onze juffrouw ook; dat mensch moest niet uitgaan, nu ’t zoo glad is,.... als ze vàlt.... o, daar gaat onze buurman; ’t is, of hij op rolletjes loopt.”
Else had haar kas nu in den steek gelaten, en kwam naast Go voor het met sneeuw omrande venster staan. De huizen aan den overkant waren wit toegedekt, wat de altijd doodsche achtermuren nóg triester maakte, en Go weesElse op het kleine plaatsje, waar het kippenhok stond, dat bijna onzichtbaar was geworden.
“Wat lijkt ’t nu op een ets van Witsen, en de lucht ziet nog zoo grauw; er zal nog heel wat komen, denk ik.”
“Ik hou van sneeuw; ’t maakt alles zoo licht—en hier is ’t wel buitengewoon grappig met dat bruggetje.”
“Hoor, hoor, nu komen de kinderen uit school.”
Stappen en stemmetjes werden luider door de zware lucht en ’n heele groep kleine meisjes in capes, de kappen over de losse haren getrokken, kwamen glijdend en stoeiend voorbij het raam, bleven dichtbij staan om elkaar te kochelen, en sneeuwballen te werpen naar ’n grooten hond, die ze blaffend nasprong. Tot ’n blozend dienstmeisje gillend door ze heen vloog, nagezeten door ’n smidsjongen, wien de blanke sneeuw smolt in de zwarte handen.
“Leuk!” zeiden ze samen, lachend, zoo ver mogelijk ze naoogend. “Wat gezellig, dat we dadelijk er door moeten naar college.”
En Else dacht, dat ze echt wel graag eens ingewreven wilde worden, maar niet door zoo’n smidsjongen, die zwarte vlekken maakte in je gezicht.
“Kijk nóu ’s,” stootte Go haar opeens aan, toen ze vlak bij college waren: Louis Hoefman stond met ’n kleur op z’n triestig gezicht bij ’n boom en gooide armen vol naar Lize, die meer perplex dan geërgerd zich omgedraaid had, om te vragen, wat ’m bezielde, en nu de vochtige sneeuwmassa vlak in ’t gezicht kreeg, terwijl de aanvaller, als ontzet over z’n eigen stoutmoedigheid, z’n hoed voor haar afnam, maar toch weer ’n nieuwe bal pakte.
“Niet kijken,” zei Else goedig, “ze denken, dat niemand ze ziet, maar wat is die Louis toch ’n rare jongen.”
“Hij valt me toch mee,” dacht Go, terwijl ze naar binnen ging, en toen Lize even later, druipend en met ’n kleur, het kamertje inkwam, brommend over: “die lamme sneeuw en die idiote jongens”, keek ze haar met meer belangstelling aan dan gewoonlijk, en vond ’r niet zoo vreeselijk leelijk, nu ze ’n kleur had, en ’r haar wat losgeraakt was uit den strengen wrong.
“Hoor de jongens vandaag ’s in de gang,” zei ze lachend, en ze vond prettig te merken, dat de aandacht onder historische grammatica merkbaar leed door het blanke gevlok achter den rug van den professor. Zij zelf keek stil in den witten tuin, die zoo mooi was met de blinkende boomen, en de ongereptheid van den gladden grond. Er was den heelen dag weer niemand in geweest; alles was in volkomen natuurlijkheid, zooals de sneeuw zelf zich ’n plaatsje had gezocht: op de teere takjes van de heg, tusschen de verroeste harktanden, en over den hoop dorre blaren tegen den muur.
Alles was iets heel bizonders geworden, en vooral toen het lichter werd, nog soms maar ’n enkel vlokje daalde, leek het ’n sprookjestuin.
Maar toen de professor z’n boeken had dichtgeslagen en weggegleden was met ’n korten groet, was opeens aan het droomen ’n einde geweest door het uitgelaten losbreken van de jongens, die de altijd-gesloten deur openrukten en den onberoerd-slapenden tuin opschrikten met het luide gelach van hun jonge stemmen en de klatering van hun roepen, terwijl hun voeten gaten maaktenin de blanke, vlakke sneeuw, en hun handen er breed in grepen om ze elkaar toe te gooien.
“Kom dames!” vroeg Hoefman, en Go liep met Lou en Coba stralend naar buiten, als verblind blijvend staan van al den glans om haar heen, want jubelend was de zon doorgebroken, en deed de takken glinsteren als facetjes van diamanten.
Maar ’n bal vloog rakelings langs haar oor, en snel bukkend pakte ze de witte poedersneeuw, en wierp terug in den wilde, naar den hoek, waar zwarte jongenslijven joelend dooreen krioelden. Het werd ’n sneeuwgevecht met ononderbroken ballenwisseling. De oudere-jaars-meisjes keken lachend door de beslagen ramen; ook Lize was niet te bewegen geweest mee te doen, waarom Louis trachtte, door ’t van boven-open venster sneeuw in de collegezaal te werpen.
Nu werd het ’n drijfjacht in den tuin: de rokken bijeen genomen rende Go schaterlachend om de witte perken, over den witten grond; aan alle kanten bedreigd, wierp ze zich midden over ’t gras, struikelde, viel.... haar haarspelden lagen in de sneeuw verspreid, elk krulletje droop langs haar roode wangen.
“Genade.... hou op.... ik moet toch nog naar binnen!” lachte ze, haar coiffure-attributen verzamelend, terwijl het bombardement om haar voortduurde: “Laat me er door; ik kan zóó toch niet op college zitten.” En hijgend zich door de jongens heen werkend, liep ze bijna den professor omver, die de les al kwam hervatten. “O, pardon,” prevelde ze beschaamd, het haar wegstrijkend uit haar verlegen oogen, maar hij lachte vaderlijk, schoon ’n beetje ironisch: “Wat hebben we ’n pretgehad!” en ze voelde, dat hij haar wèl ’n erg kind vond, maar aan z’n eigen dochtertje dacht, van wie hij dit ook aardig zou hebben gevonden.
Ze was er dankbaar voor, trachtte daarom op te letten, toen de ernst weer begonnen was, maar schrijven kon ze niet; haar handen waren te verkleumd en gezwollen; en achter in de zaal bleef ’t te gezellig en roezig om haar aandacht op de stem van den professor te kunnen concentreeren. Ze zag, dat ’n paar jongens sneeuw mee naar binnen hadden genomen, en met de smeltende hoopjes elkaar stilletjes zaten te gooien onder de tafel. Een had ’n stukje ijs op Hoefman’s zwart haar gelegd, zonder dat hij het bemerkte en nu viel er telkens ’n druppel langs z’n voorhoofd; dan schrikte hij op, veegde ’m af, verbaasd, lachte even, tot-ie opeens iets voelde op z’n hoofd, ’t afschudde, en ’t ijs met ’n plets op z’n dictaat-cahier viel. “Echte kinderen,” dacht Go, “en ’t is eigenlijk enorm flauw”;—maar ze genoot van het “schooltje”, fluisterde giechelend met Coba over Hoefman’s onschuldig-verwonderd gezicht; tot ze weer bedacht, dat ze op moest letten, en, haar gloeiend gezicht in de tintelende handen, zich naar den professor wendde: hoe lief van ’m, dat hij om haar gelachen had, en niet boos was geworden, toen de jongens zoo lang bleven voetenvegen in de gang. Hoe echt-menschelijk, zich er wel in te kunnen denken, wat zalig sneeuw was voor jonge menschen,—al streefden ze er ook naar doctor in de Nederlandsche letteren te worden.
Nu had een jongen ’n stukje sneeuw in den halsboord van z’n buurman laten glijden; lieve hemel, wat ’n kinderen toch; en waren dat dezelfden, die ze ’n paar weken geleden op de bibliotheekvoor oude, uitgedroogde mannetjes had uitgemaakt, die alle vermogen van jeugd in halsstarrig studeeren hadden verloren!.... Och ja; je kon de dingen soms zoo verschillend zien; en als ze maar niet koortsig was, bleken de menschen toch nog zoo kwaad niet. Ze generaliseerde altijd zoo gauw, en wie naar ’n bibliotheek ging, kwam er toch om te werken, en niet om naar meisjes te kijken.... en op college eigenlijk ook.... alleen met sneeuw....
.... Lize boog zich over haar tafeltje, legde stil ’n briefje naast haar neer; ze keek verbaasd: van Hoefman;.... die jongen had z’n “jour” vandaag.... onherkenbaar van levendigheid.... Stil las ze onder haar hand:
“Weet je, dat Van Neerwinden vanmiddag om vier uur uitslag heeft? Ga-je er misschien heen?”
Ze scheurde ’n blaadje uit haar cahier, pende dadelijk terug: “Zullen we samen gaan? Ik ben nog nooit in de universiteit geweest! zou hij er door komen?”
Na college wachtte hij in de gang. “Ik dacht wel, dat je ’t niet weten zou. Het is nog al geheim gehouden, en je kijkt zeker nooit op het bord.” En hij legde haar uit, dat op ’t zwarte bord voor de universiteit altijd de examen-papiertjes werden opgehangen, maar dat Neerwinden het land had aan zoo’n stroom vrienden.... en er èrg veel had—en er daarom niemand over had gesproken.
“Maar zou hij ’t dan niet vervelend vinden, als wij komen?”
“De leden van Laborando vincimus hooren er toch bij—en het zal wel in orde wezen; ’t eerste gedeelte was perfect.”
Toen zweeg hij, keek ’n beetje naar den grond, vroeg eindelijk ineens bruusk: “Is die juffrouw Schermer niet een heel aardig meisje? Weet je ook, waaróm ze geen lid wilde worden?”
“Ze heeft het te druk,” antwoordde Go vriendelijk, zelf vol kinderlijke belangstelling in de sympathie van den dichterlijken droomer voor de uiterlijk-antipathieke, stugge Lize. “Ze móet vlug haar examens doen, zie-je, en daarom werkt ze aan één stuk door, en gaat nooit uit.”
“Maar dat kàn toch niet goed zijn. Ze ziet zoo bleek.”
“Ja,” knikte Go, de oogen naar ’t bord, waar ze het papiertje zág: Faculteit Rechtswetenschap—E. van Neerwinden—en ze bedacht, dat hij nu bezig was.
“Ben je ’n vriendin van haar?” vroeg hij in de donkere vestibule.
“Ik kom wel eens bij haar, maar ’t is niet makkelijk intiem met haar te worden.” Haar aandacht keerde zich van hem af, zoodra ze binnen waren, en vol verbazing bleef ze telkens op de breede trap staan, om de teekeningen op de muren te bewonderen.
“Wat is dat allemaal?” vroeg ze, en toen ze op ’t portaal waren gekomen, vergat ze stil te zijn: “O, kijk toch, kijk ’s, wat verschrikkelijk aardig....” en ze liep van den eenen kant naar den anderen om al die grappige studenten-caricaturen te bekijken.
Gerard was er al, kwam lachend, met uitgestoken hand, naar haar toe: “Wil-je wel ’s gauw je ’n beetje stil houden; je brengt met je drukte den examinandus heelemaal in de war... kijk.... daar-is-ie,” en hij wees naar de gele deur, waar “facultas iuridica” boven stond. “Kom nou hier,in ’t zweetkamertje; dan kunnen we praten.”
Han stond met Else voor het raam te kijken: “Hoe wist jij ’t?” vroeg ze, “Han vertelde ’t me vanmiddag.”
Er waren meer jongens, die Go niet kende; ze praatten allemaal zacht en gedempt, en het was er kil en triestig. ’n Droef, grijs licht viel door het gordijnlooze raam op den houten vloer, en de met namen bekerfde tafel. De groote kachel stond in ’n hoek als ’n zwart, dood ding; er waren ’n paar gele, gesloten kasten, ’n paar stoelen; ’n karaf water met glazen.... meer niets. Maar de wit-gekalkte muren leefden; niet grappig, niet vermakelijk, als in het portaal, maar met nerveus-makende krabbels en spreuken en handteekeningen, en, aangegrepen door ’n akelige onrust, begon Go die namen te lezen, met: “hic sudavit, sed non frustra....”, beginnend laag bij den grond en opklimmend tot hoog boven den schoorsteen en de kachel, zoodat ze niet begrijpen kon, hoe iemand ooit zoo hoog had kunnen reiken.
Frieda was ook gekomen, op haar eigen stille, zachte manier, zat nu aan tafel te praten met ’n paar vakgenooten over de kansen van ’n nieuw-te-benoemen professor. Op de gang was het volkomen, akelig stil, en onwillekeurig keerde Go zich tot Gerard, zei huiverig: “’t Is net, of alle angst, die hier ooit gevoeld is, tusschen deze muren is blijven hangen; je wordt hier al akelig als je binnenkomt.”
“Nu, dat zal dan ook langzamerhand ’n heel pak verschrikking moeten zijn, als je ’s rekent hoeveel generaties vóór ons, hier al eens in hoop en vreeze hebben neergezeten.”
En om haar af te leiden ging hij over de sneeuw praten, liet zich lachend vertellen, wat ze dien middag op college hadden gedaan, en toen weer de stilte dreigde, begon hij over Sint Nicolaas, en of ze haar surprises al klaar had.
Z’n harde, sterke stem werkte kalmeerend op haar, en ze vertelde ’n grapje van laatst onder Gotisch, toen de professor het had oversatem- encentum-talen, en samenvallen vanexplosivaeenpalatalen, en allerlei meer onbegrijpelijkheid.
“’n Beetje ánders wel,” lachte Gerard, maar ze haalde nerveus de schouders op, zei: “Ik weet niet; ik voelde, dat ik er toch niet bij kon, en ging zitten denken over ’n inktlap voor Broer.... ik schijn daarbij den professor heel diepzinnig te hebben aangekeken, want ik wilde de zeempjes meteen voor versiering laten dienen, en dan donkergroen laken er onder;.... juist op ’t oogenblik, dat ik ’t duidelijk voor me zie, buigt hij zich voorover en zegt: “Ik geloof, u hebt ergens moeite mee, juffrouw Herderts; begrijpt u niet, dat degelabialiseerde velaren.... en enfin, weer ’n heeleboel van die rarigheid, die ik niet eens navertellen kan.... Ik zei, dat ik net met mezelf tot klaarheid was gekomen, maar was doodsbang, dat hij de ontwerpjes in m’n cahier zou zien.”
Daar was Hans. “Is hij er nog niet eens uit? ’t Is kwart over.”
Go schrikte, maar Rolands zei, dat hij er ook te laat was ingegaan.
“Hoe was-tie? Nog al kalm?”
“Ach, zoo. Hij had nog al beroerd geslapen vannacht.”
Er begon nu onrust onder de menschen te komen; ze schoven naar de deur; de goeiigepedel keek op z’n horloge, grapte, dat ’t nu lang genoeg was geweest, dat-ie de heeren ’s zou gaan zeggen, dat het uit moest zijn.
“Hij zal zoo moe zijn,” zei Go zacht tegen Gerard, maar die ging er niet op door, praatte luchtig tegen Hans over ’n voetbalmatch van den vorigen Zondag. Andere jongens kwamen er bij, dandy-achtige heertjes, die allemaal iets hadden, dat Go even aan Eduard denken deed. Ze stonden in ’n groote groep; alleen Henri en Else waren in het kamertje gebleven.
“Maar wat zie-jij er vreeselijk slecht uit, Elders,” zei Frieda opeens tegen Hans. Ze noemde de jongens altijd bij hun achternamen, ook hierin toonend haar mannelijke vriendschap.
Allen keken nu naar Hans, die lachend ’t eerst onzin heeten wilde, toen, geprest, bekende: “Dat komt, omdat ik heelemaal niet naar bed ben geweest .... Ik heb vannacht laat zitten werken, en ben toen tegen zes uur naar Katwijk gefietst. Je zou ’t niet denken, maar ’t is van ochtend ’n prachtige zonsopgang geweest; wel veel wolken, maar enorm, zie-je!”
“Malle kerel, je hebt natuurlijk kou gevat,” plaagden ze, en een nieuw verhaal begon aan den anderen kant van ’t clubje; maar Go hoorde hem nog zeggen met z’n lieve, dankbare stem:
“Het was buitengewoon, zie-je.... Zoolang de zon nog opgaat, kan toch niemand beweren, dat er niet ’n heeleboel moois is in ’t leven.”
Daar ging de deur open, en allen draaiden zich in ’n ruk om. Eduard, in rok met ’n witte das, bleek met nerveuse vlam-kleurtjes onder z’n oogen, kwam met onzekeren lach naar hen toe, en, dadelijk ’m insluitend, vielen ze op ’m aan, met dof-gemompeld,voorzichtig vragen. Hij haalde de schouders op, streek over z’n hoofd; hij wist ’t niet; aan ’t eind was-t-ie gaan rijden, omdat-ie zoo moe werd; ze hadden ’m ook te lang gehouden, hè? hoe laat was ’t nou?
Ze vergeleken hun horloges; de oude pedel klopte ’m goedig op z’n rug: ’t zal wel losloopen. Maar hij maakte zich ongeduldig uit de belangstelling los, liep ’t kamertje in om water te drinken, ging toen in de deurpost staan.
De anderen bleven onder elkaar overleggen, vroegen de juristen, wat ze er van dachten; en hij werd ’n beetje spraakzamer, noemde ’n paar dingen, die hij niet had geweten.
“God kerel, die weet ik nòg niet, en ik ben nu toch doctorandus,” kalmeerde ’n donkere man.
Ze zwegen weer; ’n paar jongens tikten met hun wandelstokken.
“Wat duurt ’t lang,” fluisterde Go.
“Dat is ’n goed teeken.”
“Dat weet je niet.”
“Ik kan gerust nog ’n kwartier wachten,” zei Eduard met ’n nerveus lachje, “dat kan me niets schelen.” En hij slingerde z’n horloge tegen de deur heen en weer.
“Komt er geen familie van je?”
“Niemand weet ’t, goddank.”
“Zou Bruno je afhalen?” vroeg Frieda, trachtend hem af te leiden. “Wat krijgt hij, als je er bént?”
Een begon zachtjes te fluiten, ze stonden allemaal naar Eduard en naar elkaar te kijken, en niemand wist meer, wat hij zeggen moest.
“’t Is half.”
“Nee, ’t heeft nog niet geslagen.”
“Je bent altijd voor.”
“Ga ’s luisteren aan de deur.”
Ze slopen de trappen op, leunden ’t oor aan het sleutelgat.
“Ik hoor niets.”
“Stil nou, vent.... ze lachen.”
“Ze lachen.... je bent er, hoor!”
“Zouën ze daar zoo’n pret om hebben?” vroeg hij bitter.
“Ik heb beloofd dadelijk z’n ploerterij te gaan waarschuwen, als hij er is, om de vlag. M’n fiets staat beneden,” fluisterde Rolands.
Er kwam iemand de trap op; in spanning hoorden ze de voetstappen.
“O, van de krant.”
“Beroerling,” bromde Gerard, “wat gaat ’t ’em an.”
“Maar kerel, ’t is z’n baantje.”
De stilte. Eduard kraakte een voor een z’n lange, witte vingers.
“La dernière heure d’un condamné,” trachtte de pedel op te wekken, maar hij bleef norsch kijken, zuchtte.
Opeens: de bel.
Vlug schuifelend met z’n oud, dik lijf schoof de pedel naar binnen; terug weer: “Wilt u maar komen, meneer.”
Even stonden ze in spanning, half vooruit-willend, half wijkend: maar triomfantelijk-wijd werd de deur achter ’m open gehouden; de pedel wenkte, ’n vriendelijke professor achter de groene tafel wenkte ook: ze stroomden binnen, schuifelden nóg, terwijl ’t speechje al begonnen was.
“Met zeer veel genoegen,” mompelde Gerard, “ze hebben waarachtig alleen zoo lang gedelibereerd, of ze ook “cum” zouden geven.”
Go stond naast ’m, met tranen in de oogen; ze was zoo bang geweest en nu zoo blij, en ’t was zoo plechtig met al die heeren achter de tafel.
En zoodra ’t uit was, stormde ze de trappen af naar buiten, rende door de dikke sneeuw, met ’r mond open, om lucht te krijgen. Ze was zoo blij, zoo blij—maar ze had ’m niet kunnen feliciteeren, want dan had ze zich zeker niet goed kunnen houden.
Toen ze ’s avonds naar Lize toeging—die goeie Hoefman, ze zou zien het gesprek op hém te brengen; ze wilde immers iedereen in alles helpen—hoorde ze bij Levedag het jolig lawaai van vroolijke stemmen, en in de lichte gang zag ze veel zwarte ruggen en gladde hoofden, die allemaal naar iets schenen te kijken, dat heel grappig was.
“Eddy, Eddy,” hoorde ze roepen, en ze stelde zich voor z’n fijn, stralend gezicht, en de hartelijke vroolijkheid hem ter eere.
Hoe dol graag zou ze toch ’s zoo’n jongens-fuif meemaken; zoo ’s echt meegenieten in onbezorgde joligheid. En bij deze zou ze wel ’t liefst van alle zijn geweest.
Droomerig ging ze langs z’n huis, op ’t maan-witte Rapenburg; de ramen stonden open, de kamer was leeg. Maar uit ’t dakvenster hing stil en statig de lange vlag, onbeweeglijk in den blanken winternacht, zegeteeken van zijn overwinning.