Hoofdstuk XI.

Hoofdstuk XI.’s Morgens was het tweede dochtertje hen komen roepen, had het hoofd om de deur gestoken, en met ’t Leidsche zangetje afgerateld: “En complement van Pa, dames, en dat we ’n kindje hebben gekregen.” En de dames—dadelijk wakker—waren vol belangstelling geweest om te hooren, of ’t ’n jongen of ’n meisje was, en wanneer het was geboren, welke bizonderheden het kind met ’n veel-wetend, wijs gezichtje ernstig ten beste had gegeven, de armen in de zij, zooals ze buurvrouwen altijd zag praten.En toen ze—aangekleed—in de voorkamer waren gekomen, hadden ze juist het rijtuig met den kleinen doopeling en ’n deftig in-zwart-lustre gekleede tante zien wegrijden naar de kerk, en na ’n half uurtje bij ’t terugkomen “Pa” kunnen bewonderen met ’n hoogen hoed op.“Wat ’n drukte voor die menschen!” zei Go peinzend, terwijl ze samen de ontbijttafel afruimden, want ze wilden niet schellen, omdat dat misschien de kraamvrouw hinderen zou. “Vin-je eigenlijk niet, dat we konden zeggen, dat ze vandaag niet voor ons hoeven te koken; wekunnen best in ’t Vegetarisch gaan, en ’t oudste meisje zal de handen zóó vol hebben.”Ja; wat ’n familie toch, hè; nou zijn ’t er negen! En wat zal ’t ’n moeite kosten zoo’n bende ’n beetje stil te houden.... ’t Is jammer, dat ze nu juist overhoop liggen met hiernaast, over dien omgevallen vuilnisemmer, anders konden die er ’n paar nemen.”En Else keek Go onzeker-vragend aan.Ja, waarom niet?” zei ze, dadelijk begrijpend. “We kunnen best ’s één keertje college verzuimen, en ’t zijn zulke leuke kinderen. Zullen we ’t samen even gaan vragen? Riek en Joostje maar, hè; die zullen ’t lastigst wezen.”’n Half uurtje later werden de kinderen in hun zondagsche kleertjes beneden gebracht. Ze stonden eerst ’n beetje verlegen in de mooie kamer, waar ze anders nooit in mochten van moeder, maar Go nam dadelijk de kleine Riek op haar arm, en begon haar de platen aan den muur te laten zien, er prettig onder pratend met haar hooge, vroolijke stem,—terwijl Else, éven onzeker, want ze was heelemaal niet gewoon met kinderen om te gaan, den stevigen, dikken Joost in de hoogte tilde, en—van den anderen kant beginnend,—hetzelfde spelletje deed, ofschoon ze in ’n oogenblik buiten adem was van de zwaarte, en, klagend zich naar Go omdraaiend, zei, dat de moderne schilderkunst er zoo’n afschuw van had ’n “geval”, iets dramatisch’ te geven, en ze daarom wezenlijk geen verhaaltjes voor Joostje bedenken kon.Toen maakten ze voor ieder ’n boterham met suiker, wat ze ’n heeleboel nader tot elkaar bracht, want Joostje deelde mee: dat hij er nog een wou, en Riek, dat ze “zoo kleefde”..., waaropze mee naar de slaapkamer werden genomen om gewasschen te worden, en netjes gemaakt, want ze zouden nu inkoopen voor de koffie gaan doen.Ze liepen ieder met ’n kindje over het zonnige grachtje, en de buren keken hun oogen uit; ze deden om de beurt de boodschappen in den winkel: ’n bus chocoladepoeder, kleine kaakjes, ’n bal en muisjes natuurlijk—en, vooral tegen Else, die heel statig deed, zei iedereen: “mevrouw”, met eerbiedigen stemklank.“Ik geloof, dat ze mij voor je kinderjuffrouw aanzien,” zei Go spijtig, die Riekje op den arm had genomen, omdat ze moe werd; en met haar klein hoedje en kort trotteurtje er wezenlijk niets “mevrouwig” uitzag.“Kom, nu moeten we nog vleesch hebben; waar houën jullie veel van? Rookvleesch?” vroeg Else.“’t Is voor op de boterham,” legde Go nader uit, “hou-je van leverworst?”Joost zweeg filosofisch, maar toen ze in den winkel waren, wees hij met ’n verheugd gezichtje naar ’n homp komijne-kaas: “Dàt,” zei hij verrukt, en schoon Else akelig werd van de lucht alleen, nam Go het vettige pakje bereidwillig in haar arm, vriendelijk-pratend tegen Riekje, die neiging had te gaan huilen, omdat ze niets begreep, van wat er met haar gebeurde.Na de koffie gingen ze ballen in de gang, tot Riek, die nog heelemaal niet vangen kon, zich vervelend, om moeder begon te huilen, maar Joostje verzekerde, dat hij blijven wou, en bromde op “die nare meid”, om wie ze nu naar binnen moesten, waar ze stil naar ’n verhaaltje moesten luisteren, tot de chocolademelk klaar zou zijn,die de niet-vertellende tante in groote koppen roerde. Toen was Riekje weer gaan huilen, omdat ze haar tong had gebrand, en nu kwamen er allerlei boeken met vreemde prenten voor den dag, waar de donkere tante weer bij vertelde; en eindelijk deed ze, of ze Sint-Nicolaas was, en strooide kaakjes over den grond, en Riek en hij moesten overal rondkruipen, en ’t was heel grappig, en de tantes kropen ook mee over den grond, maar alle kaakjes, die zij vonden, gaven ze aan Riek, omdat die weer boos werd, omdat hij er meer had.... en toen kwam zus, en moesten ze boven gaan eten.“Ik ben er moe van,” zei Else, toen ze samen van Ceres terug kwamen, “enverbeeld-je, dat je er negen hebt, en dan dag aan dag.”“Terwijl jij uit bent, haal ik toch nog even Joostje beneden,” zei Go innig. “Dat is zoo’n schat, en die maakt je ook niet moe.... Riek is nog wat klein.... zal wel naar bed zijn.”Ze stak alleen haar studeerlamp aan, en ging met Joost op haar schoot op de canapé zitten, waar het bijna donker was. Het hinderde haar niet, dat z’n handjes vuil en warm waren, en dat er ’n burgerluchtje van bleekpoeder en slechte zeep aan z’n goed en z’n gezichtje was. Ze leunde haar wang op z’n borstelige, warme haarbol, en verwonderde er zich over, dat ze, toen haar eigen broertjes en zusjes zoo klein waren, nooit dát gevoel van onzegbare teederheid voor ze had gehad, dat haar nu de tranen in de oogen bracht. Het zou wel komen, omdat ze toen zelf nog zooveel jonger was, zelf nog te veel kind, dat teederheid vroeg in plaats van te geven. Ze had wel veel van ze gehouden altijd, en metze gesold en gestoeid, maar ze kon zich niet herinneren ooit zoo stil te hebben gezeten in ’n schemerige kamer, met een kindje tegen zich aan, en dat heerlijk te hebben gevonden. Eerst hadden ze nog ’n beetje gepraat over ’t nieuwe broertje, en of hij den volgenden dag weer wou komen spelen?.... ja, hij wou wel,—maar tante moest dan naar háár moeder toe, en haar eigen broertjes en zusjes,... maar die waren al grooter dan Joostje;—toen was hij stil geworden, moe van den drukken dag, en hij sliep nu bijna, maar bewoog toch telkens, ging met z’n knuistjes over de kleine, vergulde knoopjes van haar halsboord, of draaide aan de ringen van haar hand.Daar werd gebeld. “Nu moeten we even samen open doen, Joostje. Dat kan toch tante Else nog niet zijn,” en met ’t kind om den hals ging ze weer naar de deur: dien heelen dag had ze al als bellemeisje dienst gedaan.Juffrouw, is juffrouw Gerzon.... god, Go, ben jij ’t?” En Eduard van Neerwinden keek haar vol verbazing in ’t blozende gezicht, en dan naar ’t kind, dat zich stevig aan haar vastklemde.Ja, Else is uit.... en de juffrouw heeft ’n kindje gekregen, en nu hebben wij de kleintjes bij ons gehad;... maar kom toch binnen; ze komt gauw terug.”“Maar die kleine baas?” Eduard gaf ’m ’n tikje op de roode wang, en Go was blij, dat hij zoo lief was tegen kinderen.“O, als je goed vindt, breng ’k ’m eventjes naar boven toe. Hij moet toch naar bed, hè vent? Wacht; dit moet je meenemen”—en ze gaf ’m ’n reep chocolaad,—“zeg nu meneer goeiennacht,...neem ’n stoel, zeg; ik kom zóó terug.”“Nacht oome,” zei ’t kind gedwee, en Go proestte, terwijl ze de kamer uitliep; het was zóó dwaas, zoo’n elegante jongen, zoo’n hyper-verfijnde “oome” te hooren noemen.Hij keek om zich heen, om ’n beetje idee te krijgen van haar smaak en haar ontwikkeling: die groengekapte studeerlamp gaf ’n aardige verlichting, maar wat er aan den muur hing, m’n hemel, wat was dat hopeloos banaal en onpersoonlijk, zoo echt, wat je op elke kamer vinden kon: de “Jeugd” van Pier Pander in ’t wit-met-goud-lijstje, ’n chromogravure van “Let the baby pass”, ’n bont-bloemige kalender, ’n sentimenteel-bolwangige “Mignon” uit de “Jugend”, en ’n paar neutrale landschapjes, vermoedelijk uit ’n album van “moderne kunst” of zoo iets.Op de schrijftafel ’n rijtje prachtbandjes van de beste moderne Hollanders: Kloos, Van Deyssel, Gorter, Roland Holst, Hélène Swarth, zelfs Boutens—maar van buitenlanders niets dan ’n dun deeltje Shelley, waarom hij ongeduldig de schouders ophaalde: cultuur nihil natuurlijk, niets gelezen dan wat je op ’n gymnasium van duitsche, fransche en engelsche klassieken leert; en verder ’r hoofd volgepropt met die heerlijke, prachtige, rijke, hollandsche literatuur, waar in de heele wereld toch maar zeker niets boven gaat.... alleen maar Shelley; en gemelijk nam hij de portretten op, die er naast stonden, bleef geboeid nu kijken naar die groote, gezellige familie, die gemoedelijke vader en moeder met al dat kroost er om heen, zeven telde hij, en Go zelf, dat ’s acht; wat ’n leuke troep.... en aardige snuitjes, ze lijken op elkaar.... Go heeft’t zelfde als dat kleintje.... En hij stond er nog mee in z’n hand, toen ze weer binnenkwam, keek haar nu ánders aan, scheen haar beter te begrijpen, nu hij wist, dat ze de oudste van zoo’n groote familie was.“Wat moet jíj ’n gezellig thuis hebben,” zei hij hartelijk, en ze vond het prettig, dat hij de portretjes aardig vond, en kwam naast ’m staan, om hem er over uit te leggen: “Die broer volgt op mij; hij is nu in de vijfde van de jongens-burger, en wil architect worden; dat zusje is op ’n particuliere school,—ze is ’n beetje zwak, en houdt veel van huishouden;—hij gaat op ’t gym,.... en vin-je dát geen schat: ’t is ’n bengel, zie je; maar ’k geloof, dat er wat in zit; hij schildert zoo aardig, en nu heeft Pa ’m op de teeken-academie gedaan,.... de kleintjes zijn nog op de lagere school; kijk, dit is de jongste.... ze is acht.”“Die lijkt op jou,” zei hij, ’t portret fixeerend, maar ze zei wat bruusk:“Wel nee, die is sprekend vader, en iedereen zegt, dat ik op moeder lijk,” maar bang, dat hij boos zou worden om haar tegenspreken, vroeg ze gauw, of hij geen heerlijk gevoel had, nu dat examen achter den rug was, en of hij niet blij was met z’n mooie iudicium.Hij dankte haar nu voor ’t briefje met gelukwenschen, dat ze ’m had gezonden, maar begreep niet, waarom ze ’t niet mondeling had gedaan. Hij herinnerde zich toch, dat hij ’r in de gang gezien had.—Och; ze was zenuwachtig geweest;.... ze was maar dadelijk weggeloopen....“Maar de fuif was toch zeker wel erg prettig, hè?” Ze ging zachtjes heen en weer in den hoekvan de kamer, stil bezig met thee te zetten, en zoo ongemerkt mogelijk den rommel van de chocolade-partij van dien middag op te bergen.“Ja, ’t was ’n dolle boel; we hebben er na nog gereden, naar Den Dijl.”“Ik kwam ’s avonds door de Breestraat.... en ik hoorde de vroolijkheid; ik was toch zoo dolgraag even naar binnen geloopen, om tenminste ’n uurtje mee te doen.”Hij nam in gedachten de thee van haar aan, tikte met z’n smallen voet op den rand van de kachel.“Je hebt er, geloof ik, geen idee van, hoe ’t op die fuiven eigenlijk toegaat, en hoe wij, jongens, doen, als we onder elkaar zijn.”“Nee, dat heb ik ook niet,” bekende Go ernstig, “wij meisjes zijn nooit zoo ’s echt kinderlijk-uitgelaten, zoo ’s jolig-dwaas.”“Dat zijn wij ook haast nooit. Ik geloof, dat ik in m’n heele leven pas één onschuldig-leuken fuif heb meegemaakt: op de kermis, toen er ’n rutschbaan was,.... of nee, nóg wel ’s ’n fakkeltocht, of als we hardliepen of worstelen gingen.... maar bijna altijd....”Hij legde ’n paar beuken blokken op den haard, die knetterend vlam vatten, en ’n lekkeren geur gaven in de kamer. De gloed speelde over Go’s luisterend gezicht, en hij voelde zich getroffen door de veilige stilte van de kamer met de dikke, gesloten gordijnen, en de ouderwetsche deur; de welbekende stad van jolijt en onvoldaanheid scheen hier iets verafs, ’n akelig fantoom, en, zonder zich rekenschap te geven, wáárom hij tegen dit kind open wilde spreken,—was ’t wezenlijk ’n behoefte zich te uiten, of slechts ’nnieuwe, om haar onverwachtheid te aantrekkelijker pose—, begon hij met z’n zachte, moeë stem:“Jullie meisjes kunnen je zoo heelemaal geen voorstelling maken, hoe wij eigenlijk zijn, als we ons niet in bedwang houden. Ik geloof, dat jullie altijd precies eender bent, of er jongens bij zijn, of dat je onder elkaar praat. En daarom denken jullie dat natuurlijk ook van ons;.... maar ’t is zoo anders, we hebben eenvoudig ’n ander vocabularium, als we onder elkaar zijn; op de kroeg wordt bijna geen gesprek gevoerd, waar ’n meisje naar zou kunnen luisteren;—ik begrijp niet, hoe lui als De Veer, die dat toch allemaal weten, over de mogelijkheid kunnen spreken, dat de clubs nog ’s zouden samensmelten.... Het is ’n eeuwen ingeroest kwaad; en wie dàt zou willen veranderen....”Go zat ’m aldoor aan te kijken, haar groote, grijs-blauwe oogen vol triestige ongeloovigheid, en nu viel ze kort en overtuigd in: “Maar ik begrijp het niet.... ik weet ook zeker, dat ’t niet waar is. Als jullie ook wel over verkeerde dingen praat, dan is dat ’n aanwensel, ’n slechte gewoonte, die de een van den ander overneemt; maar je zoudt het eigenlijk allemaal met plezier laten. Zooals jullie bent, waar wij bij zijn, zooals je dan praat, zooals je je dan voor allerlei dingen interesseert, zoo ben je eigenlijk.... Jij bent eigenlijk, zooals je nú bent.... dat weet ik zeker, en je stelt je aan, als je doet, of je ’n slechte jongen was.... En daarom zou ’t zoo goed zijn, als wij, meisjes, op de kroeg kwamen; het zou voor ons allemaal zoo vreeselijk goed zijn. We zouden elkaar zoo aanzetten om ons voor meer dingen te interesseeren, we zouden zooveel beter worden.”“Wat weet je er van, van de hopeloosheid, redding-onmogelijkheid, van de meesten in ons corps? Je bent ’n meisje, èn eerstejaars.... Je weet zoo weinig van ònze wereld, en van de misère en den ondergang van het mooiste onder ons.”“Ik vóel het,” zei Go, de oogen vol tranen. “Dáárom wil ’k juist helpen.”Hij schudde het hoofd; wat ’n kind was ze nog, met zoo’n spontaan vertrouwen in de kracht van haar wil en haar vrouw-zijn; met zoo’n fellen drang tot verzet tegen ’t onvermijdelijke.“Vonden ze thuis niet heel erg je hierheen te laten gaan?”En hij dacht, hoe hij z’n dochter nooit in ’n studentenstad zou willen sturen; hij zou ’r veilig thuis houden in volkomen onwetendheid, en dan laten trouwen, overgaande van de eene afhankelijkheid in de andere, zonder levens-bewust-worden. De vrouw wás lief als “bezit”, als ’n levend ding, dat zich heelemaal gaf; zoodra ze iets van den man ging overnemen, werd ze onverdraaglijk om haar niet-te-miskennen inferioriteit;... hij glimlachte even bij ’t idee, wat Go zou zeggen, als ze die “ouderwetsche” gedachten van ’m wist; hij kende de vrouw nu eenmaal niet anders...“Ach neen, er bleven er toch nog zooveel, en ik kom iedere week weer thuis! Waar wonen jouw ouders eigenlijk?”“Ze zijn al heel lang in Italië.... sinds m’n broertje gestorven is. Toen is moeder ziek geworden; en nu blijven ze daar in ’t zachte klimaat en m’n vader schildert er veel in de museums. Ik ben tot m’n zestiende jaar bij hen geweest; toen hebben ze me naar Holland gestuurd, om voor’t staatsexamen opgeleid te worden, en daarna heb ik ze nog maar eens gezien; dat is vijf jaar geleden. Toen heb ’k drie maanden in Milaan bij ze gelogeerd.”“O, hoe akelig, dat je geen thuis hier hebt.” En Go dacht, of hij niet ’s een vacantie bij hún zou kunnen komen; want moeder zou hij zeker aardig vinden, al was ’t verder te druk en te burgerlijk voor hem.“Och, ik heb veel vrienden, en kom ook nog al bij familie aan huis.... ’t Is al zoo lang zoo, dat ik ’t me niet anders meer voorstellen kan.... Eerst vond ik ’t wel heel akelig, want ik was juist altijd meer met m’n vader en moeder samen geweest, dan andere jongens.... Ik had ’n gouverneur aan huis, en ze gaven me ook zelf les, vooral in muziek en in kunst- en literatuurgeschiedenis.... Toen ik bij den rector in Arnhem was, vond ik eerst alles erg raar, en de jongens plomp en onbeschaafd,.... maar de menschen waren zoo vriendelijk voor me, en ik kreeg toch ook plezier in ruw jongensspel;.... het waren prettige, onbezorgde jaren.... Toen ik hier kwam, was ik achttien.... net als jij. En ik kon de lucht hier niet verdragen; ik kreeg dadelijk erge koorts, malaria, ergens op ’n vreemde kamer op den verlaten Morschweg, waar ik was gaan wonen, om nog wat van buiten te hebben. De menschen waren niet kwaad, maar ik lag toch altijd alleen; vrienden had ik toen nog niet,.... ik werd gék van het droomen; ik weet niet, of jij ooit erge droomen hebt gehad; maar ik was er dol van en liep ’s nachts alleen over m’n kamer in ’n razenden angst, om wat ik wist, dat toch niet waar was.... Toen ik zoowat beter was, wilde ikgeen oogenblik meer alleen zijn. Ik was eenvoudig báng van de kamer, waar ik zooveel had doorgemaakt. Ik was toen nog erg zwak, maar zat toch altijd op de kroeg, en ’s nachts nog laat bij allerlei lui op de kamer, of we gingen rijden of boemelen. In dien tijd heb ik Bruno gekocht, dat ik tenminste ’n levend wezen bij me zou hebben, àls de angst terugkwam. ’s Nachts lag hij voor m’n bed, en ik riep ’m soms bij me en hield ’m in m’n armen, om z’n adem te voelen, z’n menschelijke oogen te zien, die me rust gaven.... Al die eerste jaren heb ik met m’n gezondheid te vechten gehad, maar gaan liggen wilde ik niet meer, en ik foof en kreeg ’n heeleboel vrinden. Toen ben ik na m’n candidaats op raad van den dokter naar Italië gegaan. Dat was eerst erg akelig, de eerste maanden.... Ik had er nooit over gedacht, maar nu merkte ik, hoe ’k geestelijk achteruit was gegaan, dat ’k vreemd was aan de gedachten en idealen van vader en moeder; dat er iets aan m’n gevoel was afgestompt; dat er iets moois in me was onderdrukt,.... ik weet niet precies, hoe; maar ’n avond, toen ik, nadat ik lang met ze had zitten praten, naar buiten was gewandeld, heb ik er om gehuild. Het zijn allebei bizondere menschen, niet zoo erg ’n vader en moeder misschien.... ze hebben me nooit ’n raad gegeven; maar zoo’n mooi voorbeeld. Ze hebben nooit er op aangedrongen, dat ’k hun alles van m’n leven zeggen zou.... Ze leven meer om ideeën dan om feiten.... maar wat ’n invloed hadden ze indirect op m’n leven. Ik voelde iederen dag me meer inleven in hun gedachtensfeer; het leven, dat ik híer geleid had, leek me zoo banaal.... Je bent dáár anders,en ik dacht, dat ik ’t nu ook hier zou kunnen zijn....”Hij keek in den haard naar de blokken, die bijna waren verbrand en langzaam-glijdend ineenstortten. Hij zag, dat Go onbeweeglijk zat, als bang de herinnering te storen. En, teruggekeerd tot het leven van alledag, wetend, dat hij hier zat in Leiden, in ’n gewone kamer; dat alleen het wonderlijke was, dat er ’n zóó stille avond kon komen in dat drukke, roezige leven,—en eigenlijk niet begrijpend, welk dwaas toeval dit jonge, droomende kind tot zijn biechthoorster had gemaakt,—sprak hij door met luchtiger, gemoedelijker klank in z’n stem, telkens slechts even ontroerd, als hij de emotie zag op haar huiverend gezicht.“Dat is nu vijf jaar geleden; ik was toen net een-en-twintig geweest. Er is sprake van, dat m’n vader me hier ’s zal komen opzoeken. Maar ik hoop eigenlijk, dat het niet gebeuren zal. We zijn nu nog veel meer van elkaar vervreemd. Toen foof ik, omdat ik ’t leuk vond,—maar ik voelde vaak, dat ’t verkeerd was.... Nu, je weet het, ik heb ’t je al meer gezegd, is ’t me vrij onverschillig, wát ’n mensch doet. Alles is nutteloos, en ’t eenige doel is je tijd zoo aangenaam mogelijk door te brengen. ’n Aangenamer manier dan flink fuiven en flink werken heb ik niet kunnen vinden—en zoo heel prettig is ’t toch niet....”“O, ’t spijt me zoo vreeselijk, dat je zoo praat, en ’t komt heelemaal, omdat je altijd zoo alleen bent.... Jullie allemaal, die verkeerd doen, moest ’n tehuis hebben, gezelligheid. Konden wij jullie dat toch maar geven. Ik wilde, dat alle eenzamen naar ónze kamers kwamen, als ze behoefte haddenaan wat vrouwelijke hartelijkheid.... Ik zou zóó graag veel geven....”Haar stem brak van opwinding, en Eduard voelde zich wonderlijk ontroerd.’n Lief, hevig, eerlijk kind was ’t; en die was nu alleen onder die ongelukkige jongens gekomen! Ja, dikwijls met zoo’n meisje te praten moest toch wel goed doen aan hun ideaalloosheid, en háár liefde.... En, héél moe van dat ellendige leven, dacht hij er even over, haar te vragen z’n beschermengel te willen worden,—maar m’n hemel, wat was haar ontwikkeling, wat had ze gezien en gedacht en gelezen,—en natuurlijk zou ze toch met ’m mee willen leven, alles van ’m willen weten en ’m raad willen geven;—ze stonden immers op ’n heel verschillend ontwikkelingsplan: hij was heelemaal van de oude traditie, van de rechten van den man en de plichten van de vrouw..... en zij leefde in het jonge bewustzijn van gelijke naast gelijke—niet er over debatteerend, er om strijdend op politiek gebied,—maar diep in eigen wezen het als waarheid erkennend.... En dan—’t zou immers beider ongeluk zijn;—ze was veel te goed voor hem, en zoo’n decadent kon toch niet trouwen.... z’n dòchter zou nooit studeeren; z’n dòchter;.... alsof hij....“Je moet me niet zoo aankijken, Go,” zei hij zachtjes; “dit is allemaal niet zoo vreeselijk als je denkt.... Het is zoo gek, dat jullie meisjes altijd dingen zegt, die je erg meent, hevig voelt. Dat jullie zoo heelemaal niet kent onze blague, onze gevoels-ontveinzing.... En dóór je eerlijke openheid maak je ons vanzelf ook zoo, als we met jullie praten: ernstig, zwaar-op-de-hand, sentimenteelbijna. Praat ik ooit tegen iemand, als tegen jou? Vind ik m’n leven treurig, als jij niet bij me bent, die me met je groote meelijdende oogen suggereert: “arme jongen, eenzame lijder....” Onzin, onzin.... Ik ben immers zelden verdrietig.... jij máákt me melancoliek, of misschien heb ik vandaag ’n kater.”“O, Eddy, ik wou maar, dat ik je helpen kon.”Hun oogen gingen in elkaar; van beiden zacht in medelijden.Maar nu knarste het slot van de buitendeur, en ’n oogenblik later was Else in de gangopening.“Dag Go, hé Van Neerwinden, ben-jij hier?”“Ja, en eigenlijk om jou te spreken.”“Zoo; en wat is er dan?”Ze stond bij de lamp haar handschoenen uit te trekken, en het viel Go op, hoe mooi ze was: de groote, zwarte hoed gaf achtergrond aan haar anders wat vlak gezicht, en haar frissche kleur, van de buitenlucht, was bekoorlijker dan haar meestal verfijnde bleekheid. Eduard keek ook naar haar; en Go wist, wat hij dacht, terwijl hij praatte:“Hans en ik hebben bedacht, dat het zoo aardig zou zijn, als jij nu ook in ’t bestuur kwam;—-je zit toch al steeds achter de groene tafel.... figuurlijk gesproken, en Rolands wilde aftreden. We hebben ’t er nog niet met Herderts over gehad, want eerst moet jij zeggen, of je zou willen—en dan moeten we onderzoeken, of we genoeg stemmen kunnen krijgen; Beerenstijn is natuurlijk tegen, maar dat hindert niet, als hij de eenige is.”“Zou ik dan quaestor worden.... of hoe heet ’t vrouwelijk: quaestrix?.... Ik zou natuurlijk dolgraag willen, Neerwinden, en Han zal het zoo leuk vinden....”“Van mij is dit voorstel natuurlijk groote edelmoedigheid,” praatte Eduard, “op bestuursvergaderingen zal ik als “dritter im bunde” nog maar net gedúld worden.”Hij fixeerde haar lachend, en haar oogen antwoordden hem; ’t scheen Go even, of ze iets flikkeren zag tusschen hem en haar.“’t Zal gezellig zijn met ons drieën,” zei Else toen luchtig, en Eduard stond op om afscheid te nemen.Gobeantwoorddehet intieme handdrukje niet, liet Else hem uitlaten.“Wat leuk,” praatte die, weer binnen, “om in ’t bestuur te komen;.... denk jij, dat er iemand tegen zou zijn? Han zal ’t zoo prettig vinden.”Go zette de kopjes in elkaar: “Er is nog thee,” zei ze kort-af, “je kunt nemen.”“O, hebben jullie thee gedronken? Was hij er al lang? ’t Is toch eigenlijk ’n rare jongen, hè, anders dan de verdere leden van Laborando;—wel aardig,—maar ’n flirt. ’t Was maar goed, dat Han er niet bij was; die zou woedend zijn geweest, als hij gezien had, hoe-die me aankeek, daar straks.”“Als Han er geweest was, zou jij óók anders hebben gedaan,” beet Go af.“Ik? Gunst, ik heb niets gedaan; ik begrijp niet, wat je meent,” en met ’n eerlijk-verbaasd gezichtje haalde Else de schouders op, keek Go ’s aan: er was nog nooit iets tusschen hen geweest, zelfs geen klein kibbelarijtje; ze kon Go’s boos-kijken onmogelijk verklaren, maar kalm filozofisch zei ze, dat ze zeker nog moe was van ’t gesjouw van dien dag: “Kom, laten we vroeg naar bed gaan.”“Nee, ga jij maar; ik blijf nog.” En Go schoofwijd het raam open, leunde haar gloeiend hoofd in den kouden, strakken winternacht.Het was heel stil op het grachtje, waar de huisjes onder de witte maansneeuw sliepen, het oude brugje leek ’n blanke poort naar de dicht beboomde kerkgracht; op de schuit voor het huis blonk rijp aan de masten. Er waren bijna geen menschen op straat; soms stapte iemand hol over de harde brug, maar dan ging hij links af; geen kwam voorbij haar raam. De blauwe stoep beneden leek bijna wit in ’t bleeke licht.Ze leunde verder naar buiten, dat de wind haar haren òp-woelde. Wat was ze toch dwaas geweest zooeven, tegen Else. Wat had die nu eigenlijk voor vreeselijks gedaan! Ja, ’t was jammer, dat ze net binnen was gekomen, toen ze zóó volkomen vertrouwelijk waren, maar ’t meeste was toen toch al gezegd; en op een of andere manier moest er toch ’n einde aan komen,.... of was ’n ànder einde mogelijk geweest?Ze had ’m lief;... ja, nu zou ze ’t zich bekennen; ze had ’m lief... ze had lief; o, nu begon voor háár ook dat wondere, waar ze al zoo dikwijls over had gedacht, maar dat ze nog nooit zelf had ondervonden. Nu wist ze, dat het eigenlijk van ’t eerste oogenblik af liefde was geweest, van dien avond af, dat ze ’m had zien komen in de gang, en Else niet had kunnen antwoorden, omdat ze voelde: van hem hangt m’n leven af; en dat was zoo gebleven, onder de vergadering, en sterker geworden, toen ze op het soupertje over levensopvattingen hadden gesproken, en ze even de melancolie van z’n bestaan had gevoeld; omdat ze ’m liefhad, had ze zooveel angst uitgestaan op dat examen, terwijl ze meende, dat ’tmaar was, omdat ze zoo iets voor ’t eerst meemaakte, en vanavond, vanavond, in hun volkomen eerlijkheid, was het gebeurd, nu voor altijd:—ze was heelemaal naar hem opengegaan;—ze wist niet, hóe ’t was geweest, maar ’t had geleken, of ze naar ’m toegroeide onder z’n droevig praten, of haar medelijden en haar liefde en bewondering lange ranken werden, die zich om ’m heen wonden. Bewondering—ja, ook na z’n bekentenis, en grooter juist: want welke jongen zou zoo lief-berouwvol z’n heele leven hebben opengelegd? Zoo iemand kón immers niet slecht zijn—nee, goed en groot was hij, maar neergehaald door de omstandigheden; hij zelf leed er zoo onder; maar ze zou ’m wel opheffen, ze zou ’m mogen helpen, en o, ze wilde er niet blij om zijn om hem, omdat hij het treurig vond,... maar voor haarzelf was ’t zoo zalig, iets groots, iets moeilijks voor hem te kunnen doen.... Ze had ’m vanavond niet genoeg gezegd; ze had moeten zeggen, dat ieder goed zijn moet, omdat daar buiten geen bevrediging is, omdat slechtheid onvoldaan en onrustig maakt;—maar hij geloofde niet aan goed en slecht; hij praatte alleen van je leven zoo aangenaam en ongemerkt mogelijk doorbrengen,—en hij had zooveel gelezen, filosofen en zoo;—ze was maar ’n dom kind, zou ze ’m wel ooit kunnen helpen om te leven? Maar ze hield van ’m, en dat vermag meer, dan de wijsheid van de heele wereld. Zou haar liefde alleen hem niet al misschien met alles verzoenen?—Er kwamen ’n paar pratende menschen voorbij en ze hield even op met haar denken.Dat hij geflirt had met Else was juist ’n teeken, dat hij om die niet gaf. Dat zou hij nooit metháár doen. Tegen háár was hij eenvoudig en eerlijk en hartelijk; waarom had ze z’n handdruk niet beantwoord? Zou hij nu denken, dat ze boos en jaloersch was, haar ’n bekrompen meisje vinden?Zezou ’m schrijven; dat zou ook makkelijker dan praten gaan. Ze zou ’m alles, wat ze van levenswijsheid kon bedenken, vertellen; en hij zou haar liefde uit ieder woord voelen.—En Else, goeie Elsi, die heelemaal niet begreep, wat ze voor kwaad gedaan had, zou ze morgen vragen niet meer boos te zijn. Ieder mensch was immers anders: Elsi kon veel van Han houden, en toch flirten met ’n ander, terwijl zij—-Er kwam weer ’n man ’t grachtje af, die haastiger ging stappen, toen hij ’t huis naderde.“Ben jij ’t, Gé? Hoe kom jij verzeild op dit stille grachtje?”“Ik loop hier dikwijls ’s avonds; ik houd er van. Maar anders ben-je altijd al naar bed; hoe kom-je nog zoo laat op? En met ’n open raam; je zult kou vatten.”“Het is zoo heerlijk buiten, dat ’t zonde is om naar bed te gaan.”“Wacht je nog op Elsi? of lig-je zóó maar te kijken?”“Nee; Elsi is al naar bed.—Ik lig maar te kijken naar de huizen en het brugje en de schuit—en ik denk.”“Wat denk-je dan, iets diepzinnigs?”“Ik denk, dat ’t leven zoo heerlijk is.”“Zoo zoo; en hoe komt dat zoo ineens?” Hij ergerde zich aan z’n harden stemklank in den geluidloozen nacht, en temperde hem tot ’n onaangenaam, scherp fluisteren.“Ben-je den heelen avond alleen geweest, of is er nog bezoek gekomen?”“Van Neerwinden was er... om Else,” voegde ze er haastig bij, zelf niet begrijpend, waarom dit politieke uitvluchtje volgde; mocht hij ’t niet weten? Ze gaf zich geen rekenschap van de onrust, die haar snel verder praten deed: “We hebben den heelen dag de kleintjes van de juffrouw bij ons gehad; ze heeft ’n kindje gekregen.”Hij ging er even zonder belangstelling op door, keek naar haar ontroerd gezicht, in den glans der groote oogen. En zij, verlangend over Eduard te spreken, spijtig, dat ze zooeven het onderwerp was ontvlucht, zocht het gesprek naar ’m terug te leiden, zweeg, toen ze geen overgang vinden kon.Ze keken samen stil over de verlaten gracht.“’t Zal vriezen vannacht,” zei hij, zonder bij z’n woorden na te denken.Maar nu vroeg ze opeens dringend: “Vin-je niet, dat jongens toch dikwijls wanhopig eenzaam zijn? ondanks al hun schijn-vroolijkheid in werkelijkheid verlaten en op zichzelf aangewezen?”Hij fronsde de wenkbrauwen; begreep.“Dat zijn in hun diepste wezen alle menschen. Door ’n ander volkomen begrepen worden, bestaat niet. Ieder heeft alleen zich zelf. Daarom is het beste te zorgen, dat we ons zelf prettig en goed gezelschap zijn.”Hij zag, dat z’n antwoord haar ontstemde; ze voelde de verborgen vijandigheid. En z’n harde stem moest hinderen na ’t welluidend gevlei van dien ander; o, die kon zingen met z’n stem, dat grof materialisme in háár oogen iets hoogs enheerlijks werd. Hoe haatte hij dien veroverenden aansteller!“Nu moet je maar gaan slapen,” zuchtte hij na ’n stilte. “Hoor, ’t is al elf uur.”Ze bleef nog even luisteren naar ’t carillon, dat vaag kwam uit de verte door den stillen nacht.“De wind is den anderen kant uit,” zei ze droomerig; stond toen op om het raam te sluiten, zag hem groetende terug gaan naar ’t brugje.In de warme kamer, waar ze niet meer aan had gedacht, stond ze opeens alleen. Hier hadden ze gezeten, samen, Eddy en zij; hier hadden ze gepraat, en was het alles gebeurd.En opeens stond de gedachte klaar in haar hoofd,dat ze liefhad. Ze zag het, ze voelde het, als iets, dat haar nu eerst goed bewust werd.En overstelpt door de heerlijkheid van haar geluk reikte ze met haar armen hoog uit; liet toen zich neervallen op de donkere canapé, waar ze met het kind had gezeten, en snikte zalig, de handen voor haar gezicht.Hoofdstuk XII.De trein hield stil,—daar stond Eduard boven op de bergen;—“Go,” riep hij, “Go,”—maar ze kon niet naar ’m toe; Gerard duwde haar in de coupé terug;—nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, ’t klonk boven het wielengeratel uit; de bergen wankelden;—“Ja” zei ze opeens, stond slaapdronken voor haar bed in de donkere kamer, “ja; riep je, Else?”“O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo’n vreeselijke maagkramp.”Go tastte naar haar toe, door de duisternis, die ondoordringbaar was. Ze liep met ’r handen voor zich uit, kon die zelfs niet onderscheiden; haar bloote voeten kletterden op het koude zeil.“Hier ben ik; ik sta naast je bed; hoe komt dat nu? Is ’t net begonnen?”“Nee, ’k heb ’t al ’n heele poos; ik heb maar ’n uurtje geslapen, toen werd ik al zoo akelig wakker er van,—en ’t wordt hoe langer hoe erger.”“Arm kindje, maar had me dan toch eerder geroepen.”“Och, je sliep zoo vast—ik heb soms wel ’szachtjes: Go, gezegd, maar dat hoorde je niet.”“Nee, ik sliep ellendig diep,—stakker; wat zullen we nu doen! Ik zal eerst maar ’s licht maken.”En ze ging terug naar de tafel, tastte rammelend naar lucifers en kaars.“Eigenlijk ben ik zondagnacht ook al ’n beetje niet lekker geweest,” praatte Else, gedeeltelijk gerustgesteld, nu er iemand zich met haar bemoeide, “maar ik was bang, dat ’k niet weg zou mogen, als ik ’t zei tegen moeder; en dat zou zoo akelig zijn geweest om Han.”Go had de kaars nu op ’t nachttafeltje gezet, voelde Else’s voorhoofd en handen, zooals moeder bij haar altijd deed, en keek peinzend in haar verhitte gezicht.“Ik geloof, dat je koorts hebt; ’n beetje. Heb-je wel warme voeten?”“Ja, ik ben heelemaal gloeiend; maar dat komt van de pijn; daar krijg-je ’t zoo benauwd van.”“Zou ik ’s wrijven; of zou ’t kou zijn? Warme compressen?”“Ja maar hoe maak-je die? We hebben hier niets,” en Else zuchtte.“Wordt ’t erger?” vroeg Go nerveus, de klamme handen in de hare klemmend. “Ik kan natuurlijk water gaan koken, en heete zakdoeken op je maag leggen.”“Ja, dat zou wel goed zijn, maar kom-je gauw terug?”Rillerig liep Go door de donkere gang, zich stootend tegen de trapdeur, die openstond en luid knarste. Ze was bang, dat ze de juffrouw zou wakker maken, zocht lang naar lucifers, om ’t licht aan te steken in de dompig-donkere kamer. Het vroolijke klokje stond optwee uur, en ze bedacht, dat ze nog nooit om dien tijd hier binnen was geweest, schrikte van haar bleek gezicht boven de lange, witte pon, eerst in den bonheur du jour, dan in den grooten spiegel.Er was geen water in de karaf of in den ketel, ze zou dus heelemaal achter in de gang het moeten gaan halen; ze ging nog even bij Else kijken, om te zeggen, dat ze dadelijk terugkwam; de kilte van de steenen kroop akelig tegen haar beenen op, zoodat haar knieën klapperden. ’t Was ook net, alsof er iets vreemds was in de voorkamer, dat er anders niet was; of de meubels dieper zwegen, en de spiegels feller oogen hadden. Ze schrikte telkens op, om de leege stilte achter haar, was blij, toen ze in de slaapkamer de zakdoeken kon gaan zoeken.“Je moet wat aandoen, Go. Zoo vat je kou,” zei Else.Ze schudde van ’t rillen in haar dunne nachtjapon, schoof de voeten in warme pantoffels.“Ja, ’n cape of zoo iets; want verbeeld je, dat “Pa” ons hoort, en naar beneden komt om naar de dieven te kijken... Hoe is ’t nu, Elsje-kindje? Ik ga warm water voor je halen, hoor.”Ze brandde haar handen bijna, toen ze het doekje uitwrong en pijnlijk prikten de wortels van haar nagels.“Is ’t lekker? Doet ’t goed?”“Huu, het brandt,” kreunde Else; maar: “Dat moet ook,” zei Go voldaan; ging gauw ’n nieuwe maken, bijna vallend van de haast door de te wijde pantoffels. Op de tafel stonden nog de glazen en kopjes, die ze den vorigen avond gebruikt hadden en de groote melkpan, waar ’t vel aan den randwas aangebakken. In het midden lag het briefje voor de juffrouw met de boodschappen voor den volgenden dag, en ze dacht er over de pint melk in ’n “kopje” te veranderen, en iets als Eau des Carmes, of pepermunt er bij te schrijven,... maar misschien zouden die compressen al genoeg helpen, zou Els morgen wel weer beter zijn.Iedere vijf minuten kwam Go nu de kamer in, de heete compres snel tusschen de handen heen en weer gooiend om zich niet te branden, en Else liet zwijgend met zich doen, telkens even zuchtend, als de heete de killerig-klamme doek weer verving.“Zakt het nu een beetje?”“’n Heel klein beetje,... maar ik heb ook zoo’n erge pijn in m’n beenen.”“Ik zal je nog een deken geven,... en de kussens van de canapé halen,... je hebt kou gevat.”“Maar dan heb-jij niet genoeg.” Zij gooide zich woelerig van den eenen kant naar den anderen, en plukte met haar vingers aan het dek.“O, dan neem ik het tafelkleed; dat is heelemaal niets... Wacht, ik zal nog gauw ’n compres gaan halen, èn de kussens.”Het was nu half vier, en in Go’s hoofd was ’n groote leegte; ze streek Else’s haar achterover, en vroeg, of ze ook nog iets anders voor haar doen kon.“Nee, hou nu maar op met de compressen... ’t Heeft wel wat geholpen.”“Maar als ’t helpt, kan ik er immers nog best ’n poos mee doorgaan.”“Och neen, dat maar niet; ben-je moe? Of wil-je nog ’n beetje bij me blijven zitten?”“Ik ben zoo wakker als midden op den dag.Zal ik je ’n verhaaltje vertellen? Dat doe ik thuis altijd, als één van de kleintjes in bed moet blijven.”“Hè ja, vertel wat,” zei Else, “maar neem dan eerst ’t tafelkleed over je beenen, dat je niet koud wordt.”Go vertelde de vermakelijke geschiedenis van Reinaert, telkens stukjes reciteerend, die zij of Lou of Coba voor responsie hadden gehad; en Else lag stil nu, speelde met de knoopen van de lange, blauwe cape, en keek, of ze zoo’n klein beetje ziek-zijn wel leuk vond.“Wat gezellig,” zei ze dankbaar, “weet je nog zoo iets aardigs?” en Go dacht over “Karel ende Elegast,” maar de klokken sloegen rinkelend door het huis vier uur, en daarom zei ze, dat ze liever moest gaan slapen. Else had niet veel zin, klaagde brommerig, “dat het écht nog niet heelemaal over was,” maar Go stopte haar beslist in, legde lakens en dekens glad, gaf haar toen ’n zoen op ’t warme voorhoofd en commandeerde: “Nu slapen,” terwijl ze zelf nog ’t licht in de voorkamer uitdraaien ging, dat daar zoo vreemd had staan branden in die leege kamer van het dood-stille huis; toen kroop zij zachtjes ook in bed, luisterend nog naar den anderen hoek der kamer. Ze wilde wakker blijven, dat Else niet weer zoo lang zou moeten roepen; eventjes sluimerde ze in, telkens weer rechtop schrikkend, of er toch niets was. Maar toen ’t vijf uur had geslagen, voelde ze zich zwaarder en zwaarder worden; ze zei nog:“Else,”maar er was geen verzetten meer tegen; zachtjes zonk ze weg, terwijl de haan eventjes, gedempt, al kraaide.“Maar wil-je nú dan niet opstaan?” vroeg Go,toen ze, om kwart over elven uit college komend, Else nog in bed vond. Ze had gedacht, dat ze er alleen nog maar wat in was gebleven, omdat ze dien nacht slecht geslapen had, en ’t stelde haar hevig teleur, toen Else huilerig zei: “O, nee; ik voel me zoo vervelend, en m’n hoofd is zoo raar; toen ’k daar net even uit bed was, dacht ik, dat ik om zou vallen; en ik heb ook heelemaal geen trek.”“Heb-je ’n boterham gegeten en je eitje?”“Nee, niets; Marietje heeft, toen ze je bed opmaakte, alles zoo weer mee genomen.”Go ging op den rand van het ledikant zitten, en keek Else ernstig aan. Ze had gisteren gedacht, dat ’t maar ’n aanvalletje van kou-vatten was, dat den volgenden dag weer vergeten zou zijn. Maar nu scheen Else wezenlijk ziek te gaan worden, en als ’n zware druk voelde ze de verantwoordelijkheid van ’n zieke aan háár zorgen alleen toevertrouwd.“Ik zou zeggen, dat je nu geen koorts hebt,” zei ze overleggend, “of ten minste minder; maar dat komt, omdat ’t ochtend is. De kramp in je maag is óók weg, hè? Laat je tong eens zien? Ik geloof, dat die beslagen is”—ze bekeek nu ernstig haar eigen tong in den spiegel;—“Ja, de mijne is rooder; en dat je niet eet, is natuurlijk ’n leelijk ding.”“En m’n beenen doen zoo’n pijn, en m’n hoofd klopt zoo akelig.——En ik heb zoo’n dorst.”“Ik zal binnen wat water en melk voor je klaar maken; maar ik vind, dat we even om ’n dokter moeten sturen.”“Och nee, wel nee; wat weet zoo’n vreemde man er nu van?” zei Else ongedurig, “schrijfliever even aan Han, anders wordt hij ongerust, dat ik niet op college ben.”“Maar als je geen dokter wilt, moet je ook je ei opeten.”“Nee, nee, dan word ik heelemaal ziek.”“’n Beschuit dan.... je moet toch iets in je maag hebben.”“M’n maag is vol, maar geef maar ’n beschuit, en schrijf dan aan Han.”Go zat met gefronsde wenkbrauwen aan de groote schrijftafel. De juffrouw was dadelijk om beschuit en Eau des Carmes en ossetong uitgegaan. Nu peinsde ze, hoe thuis toch altijd zieke-soep bereid werd; ze geloofde van schenkelvleesch en poulet.... maar hoeveel.... ze had er geen idee van. Misschien wist Han het; die zou wel gauw komen, als-ie het hoorde. Ze hoopte maar, dat hij vóór ’n dokter zou zijn; maar hij was wellicht uit, en zou dan pas ’s middags komen;.... ze kon ’m niet gaan zoeken, want dan bleef Else alleen;.... ’n angstig gevoel van in haar verlatenheid gebonden zijn bracht tranen in haar oogen, en met moeite bedwong ze ’n uitbarsting van verdriet; ’t was toch wezenlijk nog zoo verschrikkelijk niet, en ze moest de zieke zelf toch niet noodeloos ongerust maken; het was pas één dag, nog niet eens, en de verschijnselen waren niet verontrustend;.... ze had wat weinig geslapen vannacht, daarom was ze zoo nerveus; ze kon immers dadelijk naar Den Haag telegrafeeren, als ’t noodig was, maar voorloopig was er geen reden voor; Else kon beter zelf vertellen, dat ze niet lekker was geweest, als ze Vrijdag weer naar huis ging....“Zal ik wat bij je komen zitten werken?”vroeg ze na de koffie, waarbij Else twee reepjes ossetong had gegeten, en zij zelf, onrustig rondloopend in de verlaten kamer, ’n stuk koek, ’n appel, ’n stuk brood, zonder zich tijd te gunnen ’n wezenlijk maal er van te maken.“Ja... maar is dat briefje aan Han wel dadelijk bezorgd? Ik begrijp niet, waar hij blijft...”“Hij zal uit koffiedrinken zijn,” kalmeerde Go, “ik zal nog ’s vragen aan de juffrouw... Ja, ’t is in orde. De baas heeft ’t zelf meegenomen. Hij zal vanmiddag wel komen; wind je dáár nou niet over op.”En Go spreidde haar boeken uit, begon zorgvuldig met de vertaling van Ulfilas.“Zouën ze ’t op college gemerkt hebben, dat ’k er niet was?” vroeg Else, langs het behangsel ritsend met haar witte vingers.“Natuurlijk; maar nu moet je liever niet praten, zeg. Tracht te slapen; dan ben je gauw weer beter.”“En als Han komt?”“Dan roep ik je; dat spreekt vanzelf. En ’k zal alle boodschappen over en weer brengen. Ga nu naar den muur liggen. Ik zal de gordijnen neerlaten.”“Ik ken het behangsel al precies uit m’n hoofd,” zuchtte Else, “en daar is ’n gaatje, en daar één, en hier ’n scheur.”Go gaf geen antwoord; ze boog zich stil over de boeken, onderwijl angstig luisterend, of Else in slaap zou raken. Het was schemerdonker in de groote, holle kamer, en dat maakte alles zoo luguber, dat ’t moeilijk was niet bang te worden. De lancaster gordijnen zagen zoo akelig bruin-wit, neerhangend in den lichten dag, en ze zat hier achter in ’t huis; ze hoorde niets van de straat...en zelfs in de voorkamer had ze daar straks zich al zoo geïsoleerd gevoeld, omdat ’t zoo’n afgelegen grachtje was, waar niemand kwam, die er niet moest zijn.Nu werd er gebeld; het klonk gedempt door, en ze bleef even in spanning, of Else zou blijven liggen, maar die gooide zich met ’n ruk om:“Is ’t Han?”“Ik zal ’s kijken..” Nee, ’t waren de blouse-vriendinnen: Riek en Francis; wou ze misschien, dat ze binnenkwamen; zou ’t niet te druk zijn?Nee, prettig; ze moesten zeker komen; was de kamer netjes? Jawel, dat ging wel.De jolige kinderen waren eerst stil, geïmponeerd door Else’s liggen in ’t groote bed en Go’s dringend verzoeken, of ze zich kalm wilden houden; maar toen Else zelf lachte, en grappig vertelde van hun getob dien nacht, werden ze óók vroolijker, maakten grapjes over college, waar Else gretig naar luisterde, vertelden, wat ze dien ochtend gehad hadden, en boden aan, ’t dictaat bij te schrijven.Else vroeg nog ’n kussen, om ’n beetje rechtop te kunnen zitten, en Go leefde op onder het opgewekte praten, dacht: nu kun-je toch ’s zien, wat ’n hoop verbeelding er bij komt;—deed zelf steeds meer mee, drijvend op den stroom van haar blije gedachten.“Trek de gordijnen toch op,” vroeg Else, “het lijkt wel, of ik al dood ben.”“Nou, dat zal nog wel schikken met je;... willen we vanavond aan onze blouses komen naaien, hier bij je?”“Nee; ik sta zoo strakjes op, en dan komt Han natuurlijk.”“Sta-je vóór ’t eten op, en eet je dan weer gewoon mee? Ik heb geen soep voor je, maar de juffrouw zal vandaag wel geen os geven.”“Ja; strakjes.” Ze zat recht op, ver boven de dekens uit, met de armen om haar knieën, en Go, opgewonden van vreugde, omdat ze nu geen angst meer had, deed haar klagende stem na van ’s nachts, en hoe ze als ’n bedorven kindje verhaaltjes had willen hooren. Nu vertelde Francis ’n spookverhaal, dat ’n oude meid haar altijd deed, wanneer ze ziek was, en ze lachten allemaal dol om de dwaasheid, terwijl Go limonade maakte voor de visite, in de glazen van de waschtafel, en koekjes presenteerde uit ’t zakje.“’t Is hier alles een beetje primitief, maar daar moet jullie maar niet op letten;” en ze dronken op het spoedig herstel van de zieke, en stootten met elkaar aan, Else met haar glas water-en-melk.Om vier uur gingen ze weg, na ’n luidruchtig afscheid, waarbij de dekens van het bed op den grond terecht kwamen, en Else al maar: “Tot morgen, op college,” riep. Go zei, dat ze nu nog ’n uurtje moest gaan slapen, dan zou ze om vijf uur haar roepen, om op te staan, en als Han kwam, eerder. Maar die zou misschien ’s avonds pas komen.Go ruimde de voorkamer op, liet de juffrouw de kachel aanmaken, vol feestelijkheidsgevoel over de intrede dadelijk, en aan Lize, die om half vijf haar de college-aanteekeningen kwam brengen, vertelde ze, dat de zieke al weer veel beter was; dat ze morgen weer kwam, morgenmiddag tenminste zeker.Maar om vijf uur werd ze weer ontvangen met kreunend gezucht. Ze stak gauw de kaars aan,wilde ’t plagende toontje van dien middag nog houden: “Wat scheelt er aan, freule? Wie heeft uw misnoegen opgewekt?”“O, Go, ik ben weer zoo akelig, en ik heb zoo naar gedroomd. Ik gloei heelemaal, en m’n beenen, m’n beenen....”“Kom, die vervelen zich in bed, je moest ze maar ’s wat te doen geven, kom er uit, luie meid.”“Nee, ik kan niet; ik ben ellendig.”Go voelde, dat ze weer meer koorts had en haar oogen schitterden;... ze had zich natuurlijk te veel opgewonden; ze waren domme kinderen geweest;... nu was ’t weer mis en Han kwam maar niet...“Laten we den dokter laten komen, Els, vóór den nacht; dan weten we ten minste iets;... het zal natuurlijk niets zijn, maar ’t maakt geruster.”“Och nee, zoo’n vreemde man, die je nog nooit behandeld heeft... Ik begrijp niet, waar Han blijft.... Hoe laat is het nu al?”“Hij komt zeker vanavond; ’t is bij half zes;.... wat wil-je nu eten? De juffrouw heeft kalfsvleesch en spinazie, ter eere van jou.”“O, als je blieft niet. Praat niet van eten.” En Go liep weer hulpeloos in de lichte voorkamer heen en weer, soms gauw ’n paar happen achter elkaar nemend; dan weer lang rondstappend zonder aan eten te denken. Het was natuurlijk, dat de koorts ’s avonds hooger werd, en dat Els geen trek had, was geen vreemd verschijnsel. Ze zou straks Marietje even om ’n flesch pruimen of abrikozen sturen; dat was frisch, en zou haar misschien wel smaken;... eens ’n dag niet eten, als je in bed lag, was wezenlijk zoo erg niet, er wasgeen reden om haar moeder ongerust te maken. Als ’t morgen niet beter was, kon ze naar den dokter gaan; bovendien: Han kwam vanavond, en ’n nacht slapen kon zoo enorm veel goed doen.Ze ging nu ’n beetje stil in de donkere ziekenkamer zitten, achter het bed, zoodat ’t Else niet onrustig maken kon. Ze hoorde de kinderen joelen boven, en de moeder, die:“ssst,”riep; ze moest even glimlachen om Pa, die bij de deur voorzichtig op z’n teenen wipte, maar dadelijk er na z’n voeten weer zwaar neerplonsde op den steenen vloer.Het was heel triestig. Ze dacht, hoe niemand wist, dat ze hier zóó zat; thuis niet, en geen van de menschen hier, en ze peinsde, of op dit oogenblik iemand op de heele wereld aan haar denken zou: vader en moeder en de kleintjes, of Gerard, of Lize... zelfs Eddy niet? Ze voelde naar den brief, dien ze van ’m had, bij zich droeg, steeds in haar blouse; die haar eigenlijk ’n beetje teleurgesteld had, omdat hij niet de bizondere charme had, welke elk van z’n gesproken woorden zoo heerlijk maakte;—maar er stond toch in, dat hij hoopte haar gauw weer te zien, en t.t. Eduard van Neerwinden; was hij dat wezenlijk? Had hij ’t ditmaal gemeend?Else woelde, zuchtte eens. “Ben-jij daar, Go?”“Ja, wil-je wat?”“Kom een beetje bij me. Ik heb zoo’n vreeselijke hoofdpijn; ’t is, of het ontstoken is van binnen.”“Zal ik de juffrouw wat eau-de-cologne laten halen?” Ze hadden toch letterlijk niets hier, niet eens eau-de-cologne: wel allerlei fijne parfums van Else, maar daar kon-je niets mee beginnen.“Ach nee, laat maar. ’t Helpt toch niet. Hoe laat is ’t?”Go ging naar de voorkamer om op ’t klokje te kijken; ’t was er schemerdonker; de tafel was nog niet afgenomen; ze had vergeten de juffrouw te bellen en alles zag er ontredderd en in-de-war-geloopen uit. Ze bepeinsde, hoe akelig ’t was, als je maar oppervlakkig van elkaarhield, als er dan één ziek werd; hoe vervelend je dat moest vinden;.... en ze keek uit naar Han over den stillen weg. Als Eddy ziek werd, zou ze natuurlijk nog meer van ’m houden, maar voor anderen was zoo iets een drukkende last;.... nu was ’t al half acht; Han zou toch niet uit de stad zijn?En ze jokte tegen Else, dat het zeven was, en liet haar zich nog ’s ’n beetje wasschen op bed, omdat ze zoo gloeierig was en ’t zoo benauwd had.Om acht uur rukte Henri de bel bijna kapot: hij was net thuisgekomen, den heelen dag in Amsterdam met een paar vrienden geweest. Hoe ze nu was, en of hij bij haar mocht?Hij zag er bleek en erg ontdaan uit, en Go werd dadelijk kalm door zijn zenuwachtigheid, zei, dat hij moest gaan zitten, en of hij wel gegeten had....Toen deed ze verslag van de ziekte, alles nu weeroptimistischerinziend, waarop hij in vliegende haast ’n briefje aan z’n “arm vrouwtje” krabbelde, dat Else zalig deed lachen onder de dekens. Toen Go met de boodschap terug kwam, dat hij ’n snoes was, en dat ze morgen beter zou zijn, had hij al weer ’n nieuw epistel klaar, en Go liep geduldig van den een naar den ander met briefjes en boodschappen, blij, dat Else weer wat beter leek, en dat Han er nu was om haar te helpen. Ze vroeg hem nu ook over de soep, omdat zebang was, dat de juffrouw beleedigd zou zijn, als ze er over begon: net, of haar eten niet goed genoeg was; maar hij wist ’t ook niet, zou echter den volgenden morgen bij zijn ploerterij informeeren, en het vleesch dan door z’n oppasser laten brengen, met een flesch wijn; en natuurlijk kwam hij ook zelf.Hij bleef den heelen avond, en ze praatten over familie-kwesties; en hij vertelde van z’n vader en moeder, totdat Go er zóó in verdiept was geraakt, dat ze vergat, dat ze in Leiden was, zich thuís had gedroomd, met ’r neef, op ’r kamertje.Het afscheid was hartelijk.Go zat in ’n blauwe peignoir van Else op den grond, sneed met haar zakmesje het vet van de stukjes vleesch, die door den oppasser in ’n papier waren bezorgd; ze geloofde niet, dat het het goeie was, want het zag er zoo naar en bloederig uit, maar ze had niemand, aan wie ze het vragen kon, moest maar probeeren, wat er van werd in den melkkoker.Else was den heelen nacht erg onrustig geweest, maar nu was ze wat gaan slapen; ze zag er slecht uit. Als Han er op stond, wou ze wel ’n dokter laten komen, maar ze zei, dat ’t onzin was; ze konden immers tot morgen wachten, om te zien, of ze Vrijdag naar huis zou kunnen gaan.Go schudde haar haar achterover, dat ze maar haastig wat in elkaar had gedraaid, en plensde ’n waterstraal op het vleesch in het pannetje; er steeg een weeig-zoetige lucht uit op, en ze begreep niet, hoe Else dat zou kunnen verdragen. Daar kwam iemand voorbij het raam en erwerd gebeld; ze dacht, dat ze Han’s stem hoorde, zei:“O, zeg, wat is dat voor raar goedje? Die soep wordt nooit goed.”Maar ’t was Eduard, in rok, ’n verwelkte bloem nog in z’n knoopsgat.“O, jij! Hoe kom-jij hier?” En in aardige verwarring streek ze door haar krullig haar heen.“Ik kom van de promotie-fuif van Heerling... en regelrecht naar je toe, om te laten zien, hoe frisch ik na zoo’n feestnacht nog wel ben.”“Hoe lief van je, Eddy. Ik ben zoo blij, dat je dit zegt. Mag ik wat thee voor je zetten, of ’n boterham maken?”“Nee, nee, ik dank je wel... Maar kan ik ook adviseeren met die rare soep... koken jullie tegenwoordig zelf?”“Nee, Else is ziek. Gisteren al den heelen dag; ’t is begonnen met maagkramp en koorts... en pijn in de beenen; en ze wil niets eten; wat denk-jij er van?”“Ik zou den dokter halen.”“Jamaar, dat wil ze niet. Zou er gevaar bij kunnen zijn?”“Nee, dat zal wel níet. Maar hij zou ’t gauwer beter kunnen maken. Ik zou er maar ’s op aandringen bij haar.”“Soep is toch in elk geval goed, hè?”“Ja, als dát soep wórdt. Studentje, is huishouden moeilijk?” Hij keek haar zacht aan, en ze sloeg haar oogen neer in ’n heerlijke verwarring.“Nu,” zei hij, haar hand in de zijne; “ik kom morgen nog wel ’s vragen, hoe ’t gaat. Het beste.”Han kwam tegen de koffie, ijsbeerde somber de kamer op en neer.“Dus ze zal van middag niet opstaan?”“Ik denk ’t niet. Vin-je nu niet, dat we ’n dokter...”“Ik zal vanmiddag alles eens aan Beerenstijn zeggen, die weet er meer van dan de meeste dokters.”“Wat denk-je van de soep?”“Die bruine dingetjes moet je er uit visschen; maar ze ruikt al goed.”“Zou de juffrouw ’t ruiken?”“Láát ze. Wil ik die flesch eens open trekken? Geef haar dan wat wijn met ’n ei.”“Ja en warm houden, hè? Kom-je nog?”“Van avond. Kan ik geen boodschappen voor je doen? Vraag ’r eens, of er heelemaal niets is, dat ze hebben wil.”“Nee, niks. Ze is erg stil en down vandaag.”“Van de koorts. Nu, adieu; ’k ga vanmiddag naar Beerenstijn.”Den volgenden ochtend zaten ze met z’n vijven te overleggen: het bleef koorts, pijn en geen eetlust, overdag down en ’s nachts onrustig. Go had gehuild, was moe van ’t tobben, Han floot nerveus, terwijl Lou en Coba goedig Go’s cahiers uitzochten om bij te schrijven.Beerenstijn haalde de schouders op: “Ik weet ’t niet, ’t lijkt me niet onrustbarend; maar toch ’n dokter....”“Maar wat dénk-je, dat ’t is?”“Misschien is ’t eenvoudig gevatte kou; maar ’t kan ook iets anders zijn; om er over te oordeelen, zou ’k de patiënt moeten zien.”“Dat kun-je begrijpen,” viel Han uit. “Als ík er niet eens bij mag.”“Wij hebben een heel goeie dokter,” zei Coba zacht, “dokter Buys van de Hoogewoerd.”“Zou ik maar aan tante schrijven?” vroeg Go, òp.“Wel nee, dat hélpt niet.” Han trommelde ongeduldig op de ramen... “Ken-je hier nu geen oudere dame, Go, de moeder van ’t een of ander meisje, of ’t kan me niet schelen wie, die je ’s raad zou kunnen geven.”“Ik kon naar Mies de Bruin gaan; die woont hier.”“Ga gerust; dan blijven wij voor als Elsi wat noodig heeft,” bood Lou hartelijk aan; Han en Beerenstijn stapten mede op, zouden samen fruit gaan koopen, want daar had ze om gevraagd.—Go vond de straten zoo vijandig licht, en de grond was hard, waar ze stapte. De menschen liepen allemaal zoo vlug en zoo zeker van hun doel. Ze voelde zich arm en uitgestooten er tusschen; er kwamen jongens van college langs, die haar luchtig-vriendelijk groetten; ook meisjes met frissche gezichtjes, die in de zon liepen te lachen,—en niemand stoorde er zich aan, dat ze zoo angstig en afgetobd was, ’t kon de heele wereld niets schelen... Dat groote huis van De Bruin leek ook nijdig-koud, en ze bedacht, terwijl ze de trap opging, hoe slordig en moe ze er uit zien moest en hoe vreemd ’t zou zijn in die nette omgeving.“Wel, dat is aardig, Margo, dat je nu eindelijk weer ’s komt... Ik heb al lang naar je uitgezien;—maar wat is er? Scheelt er wat aan? Je ziet zoo bleek.”—Go’s oogen vlogen nerveus door de groote ouderwetsche kamer, met het stemmige eikenhout en de koele familieportretten, keken dan naar het rustige kind, dat zoo paste in die omgeving, koel-vriendelijk, verstandig-onderhoudend,en met toch iets droomerigs in de donkere oogen van veel denken in ’t verleden.En ze voelde zich onharmonisch, ’n wanklank in die rust, en starend in den ouden tuin met veel klimop en vochtig-donker, zei ze beverig: “Elsi is ziek, al van Maandagnacht af.”“Maar ’t is nu pas Donderdag;.... dat is nog niet lang,” en Go verbaasde zich: ’t was waar, en ’t leek zoo’n eeuwigheid...“Maar wat scheelt je nichtje, en wat zegt de dokter?”“We hebben geen dokter, dat wil ze niet;... ze heeft hoofdpijn en ze eet niet,—en koorts ’s nachts.”“Ze zal kou gevat hebben; er zijn op ’t oogenblik zooveel menschen ziek; de heele stad door; m’n broer is ook pas beter.... Hoe is ’t mogelijk met dit weer, hè? ’t Komt zeker van de dikke nevels ’s avonds, maar overdag is ’t zalig, vin-je niet?” Ze praatte door met haar aardige stem, vroeg, of Go naar de comedie was geweest, Maandag;—ze vertelde van ’n reisje in de kerstvacantie en ’n voorstel tot reglementsherziening op de club. Toen Go opstond, hield ze hartelijk even haar hand vast: “Je moet je niet ongerust maken over je nichtje; in ’n paar dagen is ze weer beter;.... haal anders even den dokter, als je dat kalmer maakt.”Go knikte, bedankte; die menschen begrepen niéts; die meisjes, die zelf in ’n veilig huis woonden met vader en moeder altijd beschermend om zich heen, konden zich eenvoudig geen voorstelling vormen, hoe je kon zitten tobben op ’n paar gehuurde kamers, waar je gebrek aan alles, ook aan ’t eenvoudigste, hadt; waar je geen lekkere kostjes voor je zieke kon krijgen, waar je geenwarme pap of ’n kruik voor ze maken kon; waar het huishouden met drukte en hinderlijk gebel vlak bij je doorging, al was ze nu juist eindelijk ’n oogenblikje in slaap gevallen.Haar kon niet iemand helpen, die ’t niet zelf ’n beetje mee had gemaakt, en ze had nog meer aan de jongens en hun hartelijkheid-zonder-ondervinding, dan aan zóó’n familie;—de juffrouw zou ook boos zijn, moest de soep hebben gevonden, waarvan Else niets had gegeten;... ze was nu wel heelemaal zonder steun. Ze dacht eraan naar ’n professor te gaan; Van Hoof was altijd zoo aardig, zoo’n menschelijke man, en hij had er zich zoo voor geïnteresseerd, toen ze vertelde van hun kleine ménage;... z’n vrouw zou misschien—maar alle menschen waren zoo rustig en kalm en wijs en deftig hier, en ze voelde zich zoo opgezweept, ze was alle gevoel van proportie kwijt; ze verbeeldde zich, dat Else levensgevaarlijk ziek kon zijn, ze stelde zich voor, dat ’t iets héél ergs was;... ’n bordje blikkerde in haar oogen: Arts; ze had al aangebeld, voordat ze er zich rekenschap van had gegeven, de meid trillend gevraagd, of de dokter vooral, vooral dádelijk na z’n spreekuur komen wilde;—en nu was ze weer op weg naar huis, ’n beetje moe, ’n beetje verbaasd, bang voor boosheid van Han of Else;... en verbeeld je nu ’s, dat ze al ’n heeleboel beter was...De juffrouw stond met Lou en Coba in de voorkamer te praten, en ze zwegen allemaal, toen ze binnenkwam.“Heeft ze nog iets noodig gehad?”“Nee, ze ligt stil; ze heeft erge pijn overal. Komt Mies ’er moeder nog?”“Nee, ik heb den dokter gehaald.”“Wie?” vroeg Coba, maar dat wist ze niet; had niet naar den naam gekeken.“Of u gelijk heb,” knikte de juffrouw voldaan, “mijn beviel de juffrouw niks;... dat is maar: ik lus niks, en ik wil niks; dan mankeert er wat van binnen.... En ’n dokter weet toch meer as ’n ander, daar is-tie dokter voor.”Lou en Coba gingen nu weg met hartelijke wenschen en handdrukjes, terwijl Go naar de kamer van Else ging, gevolgd door de juffrouw-in-actie, die ’n sprei op ’t bed wilde leggen, en de kamer wat netjes maken en de patiënt moest ’n schoone nachtpon aan: “ja, guns, voor de dokter,”—en Else weerstreefde niet, liet met zich doen als ’n kind, knikte, dat ’t goed was, ja, ’t moest wel; ze werd eer erger dan beter.Go had Han en Gerard weggestuurd; ’t stond zoo mal, als de dokter kwam, en er zat zoo’n heele gemeente. Ze bleven op de gracht heen en weer loopen, telkens inkijkend door ’t raam, of hij er nog niet was, vingen Eduard en Lize, en Coba en Francis en Beerenstijn op, die allemaal belangstellend wilden komen vragen, zoodat er ’n lange rij voortdurend heen en weer trok onder groote belangstelling van de buren, daar ze in hun jeugdige luchthartigheid allemaal, behalve Han, zoo nu en dan de ernst van ’t oogenblik vergaten.Go kwam soms voor ’t raam, met roode wangen, de schouders ophalend; dan liep ze weer heen en weer, bedacht, of ze zich voorstellen moest,—ze wist zijn naam ook niet,—of dat ze maar ineens beginnen zou met ’t verhaal, hoe alles zich had toegedragen;—ze moest vooral opletten,dat Else ’m alles zei van de beenen en de kramp en het benauwde gevoel in haar maag soms.—Om half vier werd er gebeld. De juffrouw, met ’n schoone schort voor, kwam opgewonden vragen, wat ze doen moest, “als ’t den dokter was....”“’m Hier binnen laten,” zei Go beverig, en ze schudde afwerend ’t hoofd tegen Gerard, die even tegen ’t raam tikte: “daar istie.”’t Was ’n vriendelijke, oude, gemoedelijke man, die rustig naar ’t nerveuze verhaal zat te luisteren, toen opgewekt vroeg, de patiënt eens te zien. Achter in de gang stond de juffrouw met de jongste op den arm, de anderen om haar heen, de gebeurlijkheden af te wachten, knikte Go bemoedigend toe, toen de dokter de slaapkamer inging.“Geen eetlust—nee, pijn in de beenen zeker; armen ook? ’n Beetje.”—“Hoe weet die man dat zoo precies,” dacht Go in bewondering,—“wat koortsig; ja; je hebt influenza, beste kind; maar flink onder de wol blijven. Reizen, morgen? Nee, geen kwestie van; deze week je bed niet uit;—Zondag misschien wat in de voorkamer; oppassen voor kou vatten, verder geen gevaar bij. Nee, juffertje, jij hoeft je niet zoo op te winden, hoor,”—en hij gaf Go gemoedelijk ’n tikje op de ijskoude hand;—“dat is de volgende week weer in orde. Ik zal ’n drankje geven, ’k kom Zaterdag nog ’s terug”....Go bedankte ’m in de gang, huilend bijna: “Ik ben zóó ongerust geweest,”—en zoodra hij de deur uit was, brak de heele wachtende schare van buiten en de juffrouw met vele kinderen de voorkamer in.“Wel, wat zeit-ie? Wat is ’t?”“Ze heeft influenza,” verklaarde Go triomfantelijk; “’t is ’n allerliefste man, en het kan niets geen kwaad, als ze erin blijft. Hier is ’t receptje.”Beerenstijn nám het, studeerde er zwijgend op.“Is dat om te éten?” vroeg de juffrouw, “zei die ook nog, dat ze iets bizonders moest hebben? Ik ken alles klaarmaken.”“Lichte kost—kalfsvleesch en iets frisch...” fantazeerde Go, “maar ze mag natuurlijk niet naar huis, Han.”“Ik ga vanavond zelf even naar Den Haag, het aan haar moeder vertellen; dan schrikt ze niet zoo.”“En wanneer komt-ie terug? Begrijp-u, wat er op staat?” informeerde de juffrouw bij Beerenstijn.“Ze zal er wel beter van worden... ik breng ’t dadelijk zelf weg,” antwoordde hij, met ’n sfynxig lachje.“Zaterdag zou-die weer komen; ze mag Zondag misschien wel ’n beetje op,” vertelde Go, “maar laten we ’r toch niet zoo lang alleen laten liggen.”“Ik ga mee naar de apotheek; adieu!” zei Eduard, en Go keek ’m voor ’t eerst weer’s gelukkig aan, nu de angst haar vrij liet, dankbaar, dat hij zoo lief was.“Ik kom nog vertellen, hoe ’k ze in Den Haag heb gevonden.” Han reikte Go ’t briefje, dat hij snel in ’n hoekje nog even had geopend.“Kan ik nu alleen niets doen?” vroeg Gerard, “weet je nu wezenlijk niets te bedenken? Ik ben tot alle boodschappen bereid.”Go dankte: “Jullie zijn allemaal zoo aardig, jullie nemen me alles uit de hand.”“Neem nu vannacht ’s goed rust,” raadde hijbij ’t afscheid nemen, “je ziet er zoo dood-moe uit, en nu ben je toch niet bang meer... Gaan jullie misschien mee, meisjes?”“Mogen we even bij Elsi?” vroeg Francis, “ik zal nu niet zoo uitgelaten zijn, als de vorige keer.”In de slaapkamer vergaderden ze nóg ’s “en petit comité”: de juffrouw met de twee oudsten, Coba, Francis, Lize en Go. Else lag ’n beetje te lachen, gerustgesteld, maar verveeld, dat ze vast niet voor Zondag er uit mocht.“Ik geloof wel, dat ik niet eens kan; maar ’t is toch ’n akelige boel.”De juffrouw knikte veelwetend, en troostte: hoe lang influenza soms duren kon....Go vertelde nu nog ’s precies, wat de dokter gezegd en gedaan had; ze voelde zich zóó opgelucht, dat ’t haar was, of Else eigenlijk al beter was; en ze stonden allemaal tevreden en rustig bij ’t licht van de kaars om het bed, en praatten over ziekten van henzelf en familie, en dat je toch ongerust was, als je niet wist, wat ’t was; altijd weer eindigend in de tevreden beschouwing: dat ze het nu wél wisten en daarom allemaal zoo kalm en voldaan waren.Om tien uur den volgenden ochtend kwam tante, in ’n keurige japon met ’n opgewekt gezicht, en nam, zonder eenigen pathetischen uitroep van zorg en ongerustheid, Go’s plaats aan het bed van haar dochtertje in.“Dat leek me toch gezelliger,” zei ze met ’n vriendelijk knikje, “en bovendien was zoo’n oppas voor jou alleen veel te zwaar.... Else is niet zoo’n heel makkelijk patiëntje, hè kindje;—en je ziet er wezenlijk miserabel uit. Vanmiddag gaan Han en jij maar ’s samen ’n flink eind loopen....”Mevrouw Gerzon sliep nu in Go’s bed, die zoolang ’n kamertje boven betrok. Het heele huishoudentje veranderdeoogenblikkelijkonder leiding van ’n “moeder”, en Go was er verrukt over, dat de kamers opeens zoo’n ander aanzien hadden gekregen, nu tante met ’n handwerkje naast de kachel zat, nu zij ’t vleesch sneed, of ’s avonds achter ’t theeblad troonde. ’t Werd volmaakt, toen Zondag Else wankelend en langzaam, ’r bleek hoofdje bijna verdwijnend in de kraag van de wijde cape, de kamer binnenkwam, die feestelijk was met bloemen en alle lichten aan, en waar Han wachtte, die z’n “kleine vrouwtje” zoo dankbaar in de armen sloot, en zóó vol verrukking haar telkens in ’t vermagerde, fletse gezichtje staarde, dat Go zich bekende, dat hij toch wel veel méér en wezenlijker van haar hield, dan ze had gedacht.Hij mocht dien middag blijven eten, en er was taart en wijn en dessert, en tante stuurde ’n heele bezending naar boven voor de juffrouw.... en de volgende dagen was er telkens bezoek, dat keurig ontvangen werd, en gezellig onderhouden; elken avond was de kamer vol jongens- en meisjes-vrienden, en tante was allerliefst, vond het aardig ze allemaal ook ’s te leeren kennen, liet zich vergoden door Coba en Riek, die bloemen aan haar brachten, en gaf den jongens huiselijken, hartelijken raad; toch ook blijvend femme du monde, die au courant is van opera’s en concerten en tooneel. Eduard vond ze “charmant”, z’n gentlemanmanieren voortrekkend boven Gerard’s rondheid; en Go droomde hem al ’n lid van de familie, als ze ’s avonds in ’n kring zaten onder het licht, Han en Else bij elkaar; zij met hundrieën om de tafel, en zijn stem afwisselend met die van tante door de stilte.“Gaat u wezenlijk morgen weg, mevrouw?”“Ja jongen, m’n plicht is hier volbracht—Else heeft me niet meer noodig.” En ze keek lachend naar ’t dochtertje, dat stoeide over de canapé.“U moest maar altijd blijven,” vleide Go, “het is zoo prettig.”“Of jullie je vrijheid niet liever hebt! Waarom loop-je anders weg van je ouders?”Er was ’n beetje bitterheid in haar lieve stem; ze had de laatste dagen weer zoo gevoeld, dat Else haar eenige was.“Maar tante, u weet toch...”“Welke ouders kunnen hun kinderen altijd bij zich houden,” peinsde Eduard. “Ze studeeren—of ze trouwen; dat komt op hetzelfde neer.”“En mijn dochtertje doet allebei: eerst studeeren en dan trouwen,” tante lachte alweer. Maar Else had Henri ’n papieren muts gemaakt: “Hoe vin-je ’m!” juichte ze jolig.“Zijn jullie altijd zulke kinderen? Elsi, denk toch aan je waardigheid als student.”Maar zachter zei ze toen tegen Go en Eduard: “Misschien doet ze ’t eerste ook niet.”

Hoofdstuk XI.’s Morgens was het tweede dochtertje hen komen roepen, had het hoofd om de deur gestoken, en met ’t Leidsche zangetje afgerateld: “En complement van Pa, dames, en dat we ’n kindje hebben gekregen.” En de dames—dadelijk wakker—waren vol belangstelling geweest om te hooren, of ’t ’n jongen of ’n meisje was, en wanneer het was geboren, welke bizonderheden het kind met ’n veel-wetend, wijs gezichtje ernstig ten beste had gegeven, de armen in de zij, zooals ze buurvrouwen altijd zag praten.En toen ze—aangekleed—in de voorkamer waren gekomen, hadden ze juist het rijtuig met den kleinen doopeling en ’n deftig in-zwart-lustre gekleede tante zien wegrijden naar de kerk, en na ’n half uurtje bij ’t terugkomen “Pa” kunnen bewonderen met ’n hoogen hoed op.“Wat ’n drukte voor die menschen!” zei Go peinzend, terwijl ze samen de ontbijttafel afruimden, want ze wilden niet schellen, omdat dat misschien de kraamvrouw hinderen zou. “Vin-je eigenlijk niet, dat we konden zeggen, dat ze vandaag niet voor ons hoeven te koken; wekunnen best in ’t Vegetarisch gaan, en ’t oudste meisje zal de handen zóó vol hebben.”Ja; wat ’n familie toch, hè; nou zijn ’t er negen! En wat zal ’t ’n moeite kosten zoo’n bende ’n beetje stil te houden.... ’t Is jammer, dat ze nu juist overhoop liggen met hiernaast, over dien omgevallen vuilnisemmer, anders konden die er ’n paar nemen.”En Else keek Go onzeker-vragend aan.Ja, waarom niet?” zei ze, dadelijk begrijpend. “We kunnen best ’s één keertje college verzuimen, en ’t zijn zulke leuke kinderen. Zullen we ’t samen even gaan vragen? Riek en Joostje maar, hè; die zullen ’t lastigst wezen.”’n Half uurtje later werden de kinderen in hun zondagsche kleertjes beneden gebracht. Ze stonden eerst ’n beetje verlegen in de mooie kamer, waar ze anders nooit in mochten van moeder, maar Go nam dadelijk de kleine Riek op haar arm, en begon haar de platen aan den muur te laten zien, er prettig onder pratend met haar hooge, vroolijke stem,—terwijl Else, éven onzeker, want ze was heelemaal niet gewoon met kinderen om te gaan, den stevigen, dikken Joost in de hoogte tilde, en—van den anderen kant beginnend,—hetzelfde spelletje deed, ofschoon ze in ’n oogenblik buiten adem was van de zwaarte, en, klagend zich naar Go omdraaiend, zei, dat de moderne schilderkunst er zoo’n afschuw van had ’n “geval”, iets dramatisch’ te geven, en ze daarom wezenlijk geen verhaaltjes voor Joostje bedenken kon.Toen maakten ze voor ieder ’n boterham met suiker, wat ze ’n heeleboel nader tot elkaar bracht, want Joostje deelde mee: dat hij er nog een wou, en Riek, dat ze “zoo kleefde”..., waaropze mee naar de slaapkamer werden genomen om gewasschen te worden, en netjes gemaakt, want ze zouden nu inkoopen voor de koffie gaan doen.Ze liepen ieder met ’n kindje over het zonnige grachtje, en de buren keken hun oogen uit; ze deden om de beurt de boodschappen in den winkel: ’n bus chocoladepoeder, kleine kaakjes, ’n bal en muisjes natuurlijk—en, vooral tegen Else, die heel statig deed, zei iedereen: “mevrouw”, met eerbiedigen stemklank.“Ik geloof, dat ze mij voor je kinderjuffrouw aanzien,” zei Go spijtig, die Riekje op den arm had genomen, omdat ze moe werd; en met haar klein hoedje en kort trotteurtje er wezenlijk niets “mevrouwig” uitzag.“Kom, nu moeten we nog vleesch hebben; waar houën jullie veel van? Rookvleesch?” vroeg Else.“’t Is voor op de boterham,” legde Go nader uit, “hou-je van leverworst?”Joost zweeg filosofisch, maar toen ze in den winkel waren, wees hij met ’n verheugd gezichtje naar ’n homp komijne-kaas: “Dàt,” zei hij verrukt, en schoon Else akelig werd van de lucht alleen, nam Go het vettige pakje bereidwillig in haar arm, vriendelijk-pratend tegen Riekje, die neiging had te gaan huilen, omdat ze niets begreep, van wat er met haar gebeurde.Na de koffie gingen ze ballen in de gang, tot Riek, die nog heelemaal niet vangen kon, zich vervelend, om moeder begon te huilen, maar Joostje verzekerde, dat hij blijven wou, en bromde op “die nare meid”, om wie ze nu naar binnen moesten, waar ze stil naar ’n verhaaltje moesten luisteren, tot de chocolademelk klaar zou zijn,die de niet-vertellende tante in groote koppen roerde. Toen was Riekje weer gaan huilen, omdat ze haar tong had gebrand, en nu kwamen er allerlei boeken met vreemde prenten voor den dag, waar de donkere tante weer bij vertelde; en eindelijk deed ze, of ze Sint-Nicolaas was, en strooide kaakjes over den grond, en Riek en hij moesten overal rondkruipen, en ’t was heel grappig, en de tantes kropen ook mee over den grond, maar alle kaakjes, die zij vonden, gaven ze aan Riek, omdat die weer boos werd, omdat hij er meer had.... en toen kwam zus, en moesten ze boven gaan eten.“Ik ben er moe van,” zei Else, toen ze samen van Ceres terug kwamen, “enverbeeld-je, dat je er negen hebt, en dan dag aan dag.”“Terwijl jij uit bent, haal ik toch nog even Joostje beneden,” zei Go innig. “Dat is zoo’n schat, en die maakt je ook niet moe.... Riek is nog wat klein.... zal wel naar bed zijn.”Ze stak alleen haar studeerlamp aan, en ging met Joost op haar schoot op de canapé zitten, waar het bijna donker was. Het hinderde haar niet, dat z’n handjes vuil en warm waren, en dat er ’n burgerluchtje van bleekpoeder en slechte zeep aan z’n goed en z’n gezichtje was. Ze leunde haar wang op z’n borstelige, warme haarbol, en verwonderde er zich over, dat ze, toen haar eigen broertjes en zusjes zoo klein waren, nooit dát gevoel van onzegbare teederheid voor ze had gehad, dat haar nu de tranen in de oogen bracht. Het zou wel komen, omdat ze toen zelf nog zooveel jonger was, zelf nog te veel kind, dat teederheid vroeg in plaats van te geven. Ze had wel veel van ze gehouden altijd, en metze gesold en gestoeid, maar ze kon zich niet herinneren ooit zoo stil te hebben gezeten in ’n schemerige kamer, met een kindje tegen zich aan, en dat heerlijk te hebben gevonden. Eerst hadden ze nog ’n beetje gepraat over ’t nieuwe broertje, en of hij den volgenden dag weer wou komen spelen?.... ja, hij wou wel,—maar tante moest dan naar háár moeder toe, en haar eigen broertjes en zusjes,... maar die waren al grooter dan Joostje;—toen was hij stil geworden, moe van den drukken dag, en hij sliep nu bijna, maar bewoog toch telkens, ging met z’n knuistjes over de kleine, vergulde knoopjes van haar halsboord, of draaide aan de ringen van haar hand.Daar werd gebeld. “Nu moeten we even samen open doen, Joostje. Dat kan toch tante Else nog niet zijn,” en met ’t kind om den hals ging ze weer naar de deur: dien heelen dag had ze al als bellemeisje dienst gedaan.Juffrouw, is juffrouw Gerzon.... god, Go, ben jij ’t?” En Eduard van Neerwinden keek haar vol verbazing in ’t blozende gezicht, en dan naar ’t kind, dat zich stevig aan haar vastklemde.Ja, Else is uit.... en de juffrouw heeft ’n kindje gekregen, en nu hebben wij de kleintjes bij ons gehad;... maar kom toch binnen; ze komt gauw terug.”“Maar die kleine baas?” Eduard gaf ’m ’n tikje op de roode wang, en Go was blij, dat hij zoo lief was tegen kinderen.“O, als je goed vindt, breng ’k ’m eventjes naar boven toe. Hij moet toch naar bed, hè vent? Wacht; dit moet je meenemen”—en ze gaf ’m ’n reep chocolaad,—“zeg nu meneer goeiennacht,...neem ’n stoel, zeg; ik kom zóó terug.”“Nacht oome,” zei ’t kind gedwee, en Go proestte, terwijl ze de kamer uitliep; het was zóó dwaas, zoo’n elegante jongen, zoo’n hyper-verfijnde “oome” te hooren noemen.Hij keek om zich heen, om ’n beetje idee te krijgen van haar smaak en haar ontwikkeling: die groengekapte studeerlamp gaf ’n aardige verlichting, maar wat er aan den muur hing, m’n hemel, wat was dat hopeloos banaal en onpersoonlijk, zoo echt, wat je op elke kamer vinden kon: de “Jeugd” van Pier Pander in ’t wit-met-goud-lijstje, ’n chromogravure van “Let the baby pass”, ’n bont-bloemige kalender, ’n sentimenteel-bolwangige “Mignon” uit de “Jugend”, en ’n paar neutrale landschapjes, vermoedelijk uit ’n album van “moderne kunst” of zoo iets.Op de schrijftafel ’n rijtje prachtbandjes van de beste moderne Hollanders: Kloos, Van Deyssel, Gorter, Roland Holst, Hélène Swarth, zelfs Boutens—maar van buitenlanders niets dan ’n dun deeltje Shelley, waarom hij ongeduldig de schouders ophaalde: cultuur nihil natuurlijk, niets gelezen dan wat je op ’n gymnasium van duitsche, fransche en engelsche klassieken leert; en verder ’r hoofd volgepropt met die heerlijke, prachtige, rijke, hollandsche literatuur, waar in de heele wereld toch maar zeker niets boven gaat.... alleen maar Shelley; en gemelijk nam hij de portretten op, die er naast stonden, bleef geboeid nu kijken naar die groote, gezellige familie, die gemoedelijke vader en moeder met al dat kroost er om heen, zeven telde hij, en Go zelf, dat ’s acht; wat ’n leuke troep.... en aardige snuitjes, ze lijken op elkaar.... Go heeft’t zelfde als dat kleintje.... En hij stond er nog mee in z’n hand, toen ze weer binnenkwam, keek haar nu ánders aan, scheen haar beter te begrijpen, nu hij wist, dat ze de oudste van zoo’n groote familie was.“Wat moet jíj ’n gezellig thuis hebben,” zei hij hartelijk, en ze vond het prettig, dat hij de portretjes aardig vond, en kwam naast ’m staan, om hem er over uit te leggen: “Die broer volgt op mij; hij is nu in de vijfde van de jongens-burger, en wil architect worden; dat zusje is op ’n particuliere school,—ze is ’n beetje zwak, en houdt veel van huishouden;—hij gaat op ’t gym,.... en vin-je dát geen schat: ’t is ’n bengel, zie je; maar ’k geloof, dat er wat in zit; hij schildert zoo aardig, en nu heeft Pa ’m op de teeken-academie gedaan,.... de kleintjes zijn nog op de lagere school; kijk, dit is de jongste.... ze is acht.”“Die lijkt op jou,” zei hij, ’t portret fixeerend, maar ze zei wat bruusk:“Wel nee, die is sprekend vader, en iedereen zegt, dat ik op moeder lijk,” maar bang, dat hij boos zou worden om haar tegenspreken, vroeg ze gauw, of hij geen heerlijk gevoel had, nu dat examen achter den rug was, en of hij niet blij was met z’n mooie iudicium.Hij dankte haar nu voor ’t briefje met gelukwenschen, dat ze ’m had gezonden, maar begreep niet, waarom ze ’t niet mondeling had gedaan. Hij herinnerde zich toch, dat hij ’r in de gang gezien had.—Och; ze was zenuwachtig geweest;.... ze was maar dadelijk weggeloopen....“Maar de fuif was toch zeker wel erg prettig, hè?” Ze ging zachtjes heen en weer in den hoekvan de kamer, stil bezig met thee te zetten, en zoo ongemerkt mogelijk den rommel van de chocolade-partij van dien middag op te bergen.“Ja, ’t was ’n dolle boel; we hebben er na nog gereden, naar Den Dijl.”“Ik kwam ’s avonds door de Breestraat.... en ik hoorde de vroolijkheid; ik was toch zoo dolgraag even naar binnen geloopen, om tenminste ’n uurtje mee te doen.”Hij nam in gedachten de thee van haar aan, tikte met z’n smallen voet op den rand van de kachel.“Je hebt er, geloof ik, geen idee van, hoe ’t op die fuiven eigenlijk toegaat, en hoe wij, jongens, doen, als we onder elkaar zijn.”“Nee, dat heb ik ook niet,” bekende Go ernstig, “wij meisjes zijn nooit zoo ’s echt kinderlijk-uitgelaten, zoo ’s jolig-dwaas.”“Dat zijn wij ook haast nooit. Ik geloof, dat ik in m’n heele leven pas één onschuldig-leuken fuif heb meegemaakt: op de kermis, toen er ’n rutschbaan was,.... of nee, nóg wel ’s ’n fakkeltocht, of als we hardliepen of worstelen gingen.... maar bijna altijd....”Hij legde ’n paar beuken blokken op den haard, die knetterend vlam vatten, en ’n lekkeren geur gaven in de kamer. De gloed speelde over Go’s luisterend gezicht, en hij voelde zich getroffen door de veilige stilte van de kamer met de dikke, gesloten gordijnen, en de ouderwetsche deur; de welbekende stad van jolijt en onvoldaanheid scheen hier iets verafs, ’n akelig fantoom, en, zonder zich rekenschap te geven, wáárom hij tegen dit kind open wilde spreken,—was ’t wezenlijk ’n behoefte zich te uiten, of slechts ’nnieuwe, om haar onverwachtheid te aantrekkelijker pose—, begon hij met z’n zachte, moeë stem:“Jullie meisjes kunnen je zoo heelemaal geen voorstelling maken, hoe wij eigenlijk zijn, als we ons niet in bedwang houden. Ik geloof, dat jullie altijd precies eender bent, of er jongens bij zijn, of dat je onder elkaar praat. En daarom denken jullie dat natuurlijk ook van ons;.... maar ’t is zoo anders, we hebben eenvoudig ’n ander vocabularium, als we onder elkaar zijn; op de kroeg wordt bijna geen gesprek gevoerd, waar ’n meisje naar zou kunnen luisteren;—ik begrijp niet, hoe lui als De Veer, die dat toch allemaal weten, over de mogelijkheid kunnen spreken, dat de clubs nog ’s zouden samensmelten.... Het is ’n eeuwen ingeroest kwaad; en wie dàt zou willen veranderen....”Go zat ’m aldoor aan te kijken, haar groote, grijs-blauwe oogen vol triestige ongeloovigheid, en nu viel ze kort en overtuigd in: “Maar ik begrijp het niet.... ik weet ook zeker, dat ’t niet waar is. Als jullie ook wel over verkeerde dingen praat, dan is dat ’n aanwensel, ’n slechte gewoonte, die de een van den ander overneemt; maar je zoudt het eigenlijk allemaal met plezier laten. Zooals jullie bent, waar wij bij zijn, zooals je dan praat, zooals je je dan voor allerlei dingen interesseert, zoo ben je eigenlijk.... Jij bent eigenlijk, zooals je nú bent.... dat weet ik zeker, en je stelt je aan, als je doet, of je ’n slechte jongen was.... En daarom zou ’t zoo goed zijn, als wij, meisjes, op de kroeg kwamen; het zou voor ons allemaal zoo vreeselijk goed zijn. We zouden elkaar zoo aanzetten om ons voor meer dingen te interesseeren, we zouden zooveel beter worden.”“Wat weet je er van, van de hopeloosheid, redding-onmogelijkheid, van de meesten in ons corps? Je bent ’n meisje, èn eerstejaars.... Je weet zoo weinig van ònze wereld, en van de misère en den ondergang van het mooiste onder ons.”“Ik vóel het,” zei Go, de oogen vol tranen. “Dáárom wil ’k juist helpen.”Hij schudde het hoofd; wat ’n kind was ze nog, met zoo’n spontaan vertrouwen in de kracht van haar wil en haar vrouw-zijn; met zoo’n fellen drang tot verzet tegen ’t onvermijdelijke.“Vonden ze thuis niet heel erg je hierheen te laten gaan?”En hij dacht, hoe hij z’n dochter nooit in ’n studentenstad zou willen sturen; hij zou ’r veilig thuis houden in volkomen onwetendheid, en dan laten trouwen, overgaande van de eene afhankelijkheid in de andere, zonder levens-bewust-worden. De vrouw wás lief als “bezit”, als ’n levend ding, dat zich heelemaal gaf; zoodra ze iets van den man ging overnemen, werd ze onverdraaglijk om haar niet-te-miskennen inferioriteit;... hij glimlachte even bij ’t idee, wat Go zou zeggen, als ze die “ouderwetsche” gedachten van ’m wist; hij kende de vrouw nu eenmaal niet anders...“Ach neen, er bleven er toch nog zooveel, en ik kom iedere week weer thuis! Waar wonen jouw ouders eigenlijk?”“Ze zijn al heel lang in Italië.... sinds m’n broertje gestorven is. Toen is moeder ziek geworden; en nu blijven ze daar in ’t zachte klimaat en m’n vader schildert er veel in de museums. Ik ben tot m’n zestiende jaar bij hen geweest; toen hebben ze me naar Holland gestuurd, om voor’t staatsexamen opgeleid te worden, en daarna heb ik ze nog maar eens gezien; dat is vijf jaar geleden. Toen heb ’k drie maanden in Milaan bij ze gelogeerd.”“O, hoe akelig, dat je geen thuis hier hebt.” En Go dacht, of hij niet ’s een vacantie bij hún zou kunnen komen; want moeder zou hij zeker aardig vinden, al was ’t verder te druk en te burgerlijk voor hem.“Och, ik heb veel vrienden, en kom ook nog al bij familie aan huis.... ’t Is al zoo lang zoo, dat ik ’t me niet anders meer voorstellen kan.... Eerst vond ik ’t wel heel akelig, want ik was juist altijd meer met m’n vader en moeder samen geweest, dan andere jongens.... Ik had ’n gouverneur aan huis, en ze gaven me ook zelf les, vooral in muziek en in kunst- en literatuurgeschiedenis.... Toen ik bij den rector in Arnhem was, vond ik eerst alles erg raar, en de jongens plomp en onbeschaafd,.... maar de menschen waren zoo vriendelijk voor me, en ik kreeg toch ook plezier in ruw jongensspel;.... het waren prettige, onbezorgde jaren.... Toen ik hier kwam, was ik achttien.... net als jij. En ik kon de lucht hier niet verdragen; ik kreeg dadelijk erge koorts, malaria, ergens op ’n vreemde kamer op den verlaten Morschweg, waar ik was gaan wonen, om nog wat van buiten te hebben. De menschen waren niet kwaad, maar ik lag toch altijd alleen; vrienden had ik toen nog niet,.... ik werd gék van het droomen; ik weet niet, of jij ooit erge droomen hebt gehad; maar ik was er dol van en liep ’s nachts alleen over m’n kamer in ’n razenden angst, om wat ik wist, dat toch niet waar was.... Toen ik zoowat beter was, wilde ikgeen oogenblik meer alleen zijn. Ik was eenvoudig báng van de kamer, waar ik zooveel had doorgemaakt. Ik was toen nog erg zwak, maar zat toch altijd op de kroeg, en ’s nachts nog laat bij allerlei lui op de kamer, of we gingen rijden of boemelen. In dien tijd heb ik Bruno gekocht, dat ik tenminste ’n levend wezen bij me zou hebben, àls de angst terugkwam. ’s Nachts lag hij voor m’n bed, en ik riep ’m soms bij me en hield ’m in m’n armen, om z’n adem te voelen, z’n menschelijke oogen te zien, die me rust gaven.... Al die eerste jaren heb ik met m’n gezondheid te vechten gehad, maar gaan liggen wilde ik niet meer, en ik foof en kreeg ’n heeleboel vrinden. Toen ben ik na m’n candidaats op raad van den dokter naar Italië gegaan. Dat was eerst erg akelig, de eerste maanden.... Ik had er nooit over gedacht, maar nu merkte ik, hoe ’k geestelijk achteruit was gegaan, dat ’k vreemd was aan de gedachten en idealen van vader en moeder; dat er iets aan m’n gevoel was afgestompt; dat er iets moois in me was onderdrukt,.... ik weet niet precies, hoe; maar ’n avond, toen ik, nadat ik lang met ze had zitten praten, naar buiten was gewandeld, heb ik er om gehuild. Het zijn allebei bizondere menschen, niet zoo erg ’n vader en moeder misschien.... ze hebben me nooit ’n raad gegeven; maar zoo’n mooi voorbeeld. Ze hebben nooit er op aangedrongen, dat ’k hun alles van m’n leven zeggen zou.... Ze leven meer om ideeën dan om feiten.... maar wat ’n invloed hadden ze indirect op m’n leven. Ik voelde iederen dag me meer inleven in hun gedachtensfeer; het leven, dat ik híer geleid had, leek me zoo banaal.... Je bent dáár anders,en ik dacht, dat ik ’t nu ook hier zou kunnen zijn....”Hij keek in den haard naar de blokken, die bijna waren verbrand en langzaam-glijdend ineenstortten. Hij zag, dat Go onbeweeglijk zat, als bang de herinnering te storen. En, teruggekeerd tot het leven van alledag, wetend, dat hij hier zat in Leiden, in ’n gewone kamer; dat alleen het wonderlijke was, dat er ’n zóó stille avond kon komen in dat drukke, roezige leven,—en eigenlijk niet begrijpend, welk dwaas toeval dit jonge, droomende kind tot zijn biechthoorster had gemaakt,—sprak hij door met luchtiger, gemoedelijker klank in z’n stem, telkens slechts even ontroerd, als hij de emotie zag op haar huiverend gezicht.“Dat is nu vijf jaar geleden; ik was toen net een-en-twintig geweest. Er is sprake van, dat m’n vader me hier ’s zal komen opzoeken. Maar ik hoop eigenlijk, dat het niet gebeuren zal. We zijn nu nog veel meer van elkaar vervreemd. Toen foof ik, omdat ik ’t leuk vond,—maar ik voelde vaak, dat ’t verkeerd was.... Nu, je weet het, ik heb ’t je al meer gezegd, is ’t me vrij onverschillig, wát ’n mensch doet. Alles is nutteloos, en ’t eenige doel is je tijd zoo aangenaam mogelijk door te brengen. ’n Aangenamer manier dan flink fuiven en flink werken heb ik niet kunnen vinden—en zoo heel prettig is ’t toch niet....”“O, ’t spijt me zoo vreeselijk, dat je zoo praat, en ’t komt heelemaal, omdat je altijd zoo alleen bent.... Jullie allemaal, die verkeerd doen, moest ’n tehuis hebben, gezelligheid. Konden wij jullie dat toch maar geven. Ik wilde, dat alle eenzamen naar ónze kamers kwamen, als ze behoefte haddenaan wat vrouwelijke hartelijkheid.... Ik zou zóó graag veel geven....”Haar stem brak van opwinding, en Eduard voelde zich wonderlijk ontroerd.’n Lief, hevig, eerlijk kind was ’t; en die was nu alleen onder die ongelukkige jongens gekomen! Ja, dikwijls met zoo’n meisje te praten moest toch wel goed doen aan hun ideaalloosheid, en háár liefde.... En, héél moe van dat ellendige leven, dacht hij er even over, haar te vragen z’n beschermengel te willen worden,—maar m’n hemel, wat was haar ontwikkeling, wat had ze gezien en gedacht en gelezen,—en natuurlijk zou ze toch met ’m mee willen leven, alles van ’m willen weten en ’m raad willen geven;—ze stonden immers op ’n heel verschillend ontwikkelingsplan: hij was heelemaal van de oude traditie, van de rechten van den man en de plichten van de vrouw..... en zij leefde in het jonge bewustzijn van gelijke naast gelijke—niet er over debatteerend, er om strijdend op politiek gebied,—maar diep in eigen wezen het als waarheid erkennend.... En dan—’t zou immers beider ongeluk zijn;—ze was veel te goed voor hem, en zoo’n decadent kon toch niet trouwen.... z’n dòchter zou nooit studeeren; z’n dòchter;.... alsof hij....“Je moet me niet zoo aankijken, Go,” zei hij zachtjes; “dit is allemaal niet zoo vreeselijk als je denkt.... Het is zoo gek, dat jullie meisjes altijd dingen zegt, die je erg meent, hevig voelt. Dat jullie zoo heelemaal niet kent onze blague, onze gevoels-ontveinzing.... En dóór je eerlijke openheid maak je ons vanzelf ook zoo, als we met jullie praten: ernstig, zwaar-op-de-hand, sentimenteelbijna. Praat ik ooit tegen iemand, als tegen jou? Vind ik m’n leven treurig, als jij niet bij me bent, die me met je groote meelijdende oogen suggereert: “arme jongen, eenzame lijder....” Onzin, onzin.... Ik ben immers zelden verdrietig.... jij máákt me melancoliek, of misschien heb ik vandaag ’n kater.”“O, Eddy, ik wou maar, dat ik je helpen kon.”Hun oogen gingen in elkaar; van beiden zacht in medelijden.Maar nu knarste het slot van de buitendeur, en ’n oogenblik later was Else in de gangopening.“Dag Go, hé Van Neerwinden, ben-jij hier?”“Ja, en eigenlijk om jou te spreken.”“Zoo; en wat is er dan?”Ze stond bij de lamp haar handschoenen uit te trekken, en het viel Go op, hoe mooi ze was: de groote, zwarte hoed gaf achtergrond aan haar anders wat vlak gezicht, en haar frissche kleur, van de buitenlucht, was bekoorlijker dan haar meestal verfijnde bleekheid. Eduard keek ook naar haar; en Go wist, wat hij dacht, terwijl hij praatte:“Hans en ik hebben bedacht, dat het zoo aardig zou zijn, als jij nu ook in ’t bestuur kwam;—-je zit toch al steeds achter de groene tafel.... figuurlijk gesproken, en Rolands wilde aftreden. We hebben ’t er nog niet met Herderts over gehad, want eerst moet jij zeggen, of je zou willen—en dan moeten we onderzoeken, of we genoeg stemmen kunnen krijgen; Beerenstijn is natuurlijk tegen, maar dat hindert niet, als hij de eenige is.”“Zou ik dan quaestor worden.... of hoe heet ’t vrouwelijk: quaestrix?.... Ik zou natuurlijk dolgraag willen, Neerwinden, en Han zal het zoo leuk vinden....”“Van mij is dit voorstel natuurlijk groote edelmoedigheid,” praatte Eduard, “op bestuursvergaderingen zal ik als “dritter im bunde” nog maar net gedúld worden.”Hij fixeerde haar lachend, en haar oogen antwoordden hem; ’t scheen Go even, of ze iets flikkeren zag tusschen hem en haar.“’t Zal gezellig zijn met ons drieën,” zei Else toen luchtig, en Eduard stond op om afscheid te nemen.Gobeantwoorddehet intieme handdrukje niet, liet Else hem uitlaten.“Wat leuk,” praatte die, weer binnen, “om in ’t bestuur te komen;.... denk jij, dat er iemand tegen zou zijn? Han zal ’t zoo prettig vinden.”Go zette de kopjes in elkaar: “Er is nog thee,” zei ze kort-af, “je kunt nemen.”“O, hebben jullie thee gedronken? Was hij er al lang? ’t Is toch eigenlijk ’n rare jongen, hè, anders dan de verdere leden van Laborando;—wel aardig,—maar ’n flirt. ’t Was maar goed, dat Han er niet bij was; die zou woedend zijn geweest, als hij gezien had, hoe-die me aankeek, daar straks.”“Als Han er geweest was, zou jij óók anders hebben gedaan,” beet Go af.“Ik? Gunst, ik heb niets gedaan; ik begrijp niet, wat je meent,” en met ’n eerlijk-verbaasd gezichtje haalde Else de schouders op, keek Go ’s aan: er was nog nooit iets tusschen hen geweest, zelfs geen klein kibbelarijtje; ze kon Go’s boos-kijken onmogelijk verklaren, maar kalm filozofisch zei ze, dat ze zeker nog moe was van ’t gesjouw van dien dag: “Kom, laten we vroeg naar bed gaan.”“Nee, ga jij maar; ik blijf nog.” En Go schoofwijd het raam open, leunde haar gloeiend hoofd in den kouden, strakken winternacht.Het was heel stil op het grachtje, waar de huisjes onder de witte maansneeuw sliepen, het oude brugje leek ’n blanke poort naar de dicht beboomde kerkgracht; op de schuit voor het huis blonk rijp aan de masten. Er waren bijna geen menschen op straat; soms stapte iemand hol over de harde brug, maar dan ging hij links af; geen kwam voorbij haar raam. De blauwe stoep beneden leek bijna wit in ’t bleeke licht.Ze leunde verder naar buiten, dat de wind haar haren òp-woelde. Wat was ze toch dwaas geweest zooeven, tegen Else. Wat had die nu eigenlijk voor vreeselijks gedaan! Ja, ’t was jammer, dat ze net binnen was gekomen, toen ze zóó volkomen vertrouwelijk waren, maar ’t meeste was toen toch al gezegd; en op een of andere manier moest er toch ’n einde aan komen,.... of was ’n ànder einde mogelijk geweest?Ze had ’m lief;... ja, nu zou ze ’t zich bekennen; ze had ’m lief... ze had lief; o, nu begon voor háár ook dat wondere, waar ze al zoo dikwijls over had gedacht, maar dat ze nog nooit zelf had ondervonden. Nu wist ze, dat het eigenlijk van ’t eerste oogenblik af liefde was geweest, van dien avond af, dat ze ’m had zien komen in de gang, en Else niet had kunnen antwoorden, omdat ze voelde: van hem hangt m’n leven af; en dat was zoo gebleven, onder de vergadering, en sterker geworden, toen ze op het soupertje over levensopvattingen hadden gesproken, en ze even de melancolie van z’n bestaan had gevoeld; omdat ze ’m liefhad, had ze zooveel angst uitgestaan op dat examen, terwijl ze meende, dat ’tmaar was, omdat ze zoo iets voor ’t eerst meemaakte, en vanavond, vanavond, in hun volkomen eerlijkheid, was het gebeurd, nu voor altijd:—ze was heelemaal naar hem opengegaan;—ze wist niet, hóe ’t was geweest, maar ’t had geleken, of ze naar ’m toegroeide onder z’n droevig praten, of haar medelijden en haar liefde en bewondering lange ranken werden, die zich om ’m heen wonden. Bewondering—ja, ook na z’n bekentenis, en grooter juist: want welke jongen zou zoo lief-berouwvol z’n heele leven hebben opengelegd? Zoo iemand kón immers niet slecht zijn—nee, goed en groot was hij, maar neergehaald door de omstandigheden; hij zelf leed er zoo onder; maar ze zou ’m wel opheffen, ze zou ’m mogen helpen, en o, ze wilde er niet blij om zijn om hem, omdat hij het treurig vond,... maar voor haarzelf was ’t zoo zalig, iets groots, iets moeilijks voor hem te kunnen doen.... Ze had ’m vanavond niet genoeg gezegd; ze had moeten zeggen, dat ieder goed zijn moet, omdat daar buiten geen bevrediging is, omdat slechtheid onvoldaan en onrustig maakt;—maar hij geloofde niet aan goed en slecht; hij praatte alleen van je leven zoo aangenaam en ongemerkt mogelijk doorbrengen,—en hij had zooveel gelezen, filosofen en zoo;—ze was maar ’n dom kind, zou ze ’m wel ooit kunnen helpen om te leven? Maar ze hield van ’m, en dat vermag meer, dan de wijsheid van de heele wereld. Zou haar liefde alleen hem niet al misschien met alles verzoenen?—Er kwamen ’n paar pratende menschen voorbij en ze hield even op met haar denken.Dat hij geflirt had met Else was juist ’n teeken, dat hij om die niet gaf. Dat zou hij nooit metháár doen. Tegen háár was hij eenvoudig en eerlijk en hartelijk; waarom had ze z’n handdruk niet beantwoord? Zou hij nu denken, dat ze boos en jaloersch was, haar ’n bekrompen meisje vinden?Zezou ’m schrijven; dat zou ook makkelijker dan praten gaan. Ze zou ’m alles, wat ze van levenswijsheid kon bedenken, vertellen; en hij zou haar liefde uit ieder woord voelen.—En Else, goeie Elsi, die heelemaal niet begreep, wat ze voor kwaad gedaan had, zou ze morgen vragen niet meer boos te zijn. Ieder mensch was immers anders: Elsi kon veel van Han houden, en toch flirten met ’n ander, terwijl zij—-Er kwam weer ’n man ’t grachtje af, die haastiger ging stappen, toen hij ’t huis naderde.“Ben jij ’t, Gé? Hoe kom jij verzeild op dit stille grachtje?”“Ik loop hier dikwijls ’s avonds; ik houd er van. Maar anders ben-je altijd al naar bed; hoe kom-je nog zoo laat op? En met ’n open raam; je zult kou vatten.”“Het is zoo heerlijk buiten, dat ’t zonde is om naar bed te gaan.”“Wacht je nog op Elsi? of lig-je zóó maar te kijken?”“Nee; Elsi is al naar bed.—Ik lig maar te kijken naar de huizen en het brugje en de schuit—en ik denk.”“Wat denk-je dan, iets diepzinnigs?”“Ik denk, dat ’t leven zoo heerlijk is.”“Zoo zoo; en hoe komt dat zoo ineens?” Hij ergerde zich aan z’n harden stemklank in den geluidloozen nacht, en temperde hem tot ’n onaangenaam, scherp fluisteren.“Ben-je den heelen avond alleen geweest, of is er nog bezoek gekomen?”“Van Neerwinden was er... om Else,” voegde ze er haastig bij, zelf niet begrijpend, waarom dit politieke uitvluchtje volgde; mocht hij ’t niet weten? Ze gaf zich geen rekenschap van de onrust, die haar snel verder praten deed: “We hebben den heelen dag de kleintjes van de juffrouw bij ons gehad; ze heeft ’n kindje gekregen.”Hij ging er even zonder belangstelling op door, keek naar haar ontroerd gezicht, in den glans der groote oogen. En zij, verlangend over Eduard te spreken, spijtig, dat ze zooeven het onderwerp was ontvlucht, zocht het gesprek naar ’m terug te leiden, zweeg, toen ze geen overgang vinden kon.Ze keken samen stil over de verlaten gracht.“’t Zal vriezen vannacht,” zei hij, zonder bij z’n woorden na te denken.Maar nu vroeg ze opeens dringend: “Vin-je niet, dat jongens toch dikwijls wanhopig eenzaam zijn? ondanks al hun schijn-vroolijkheid in werkelijkheid verlaten en op zichzelf aangewezen?”Hij fronsde de wenkbrauwen; begreep.“Dat zijn in hun diepste wezen alle menschen. Door ’n ander volkomen begrepen worden, bestaat niet. Ieder heeft alleen zich zelf. Daarom is het beste te zorgen, dat we ons zelf prettig en goed gezelschap zijn.”Hij zag, dat z’n antwoord haar ontstemde; ze voelde de verborgen vijandigheid. En z’n harde stem moest hinderen na ’t welluidend gevlei van dien ander; o, die kon zingen met z’n stem, dat grof materialisme in háár oogen iets hoogs enheerlijks werd. Hoe haatte hij dien veroverenden aansteller!“Nu moet je maar gaan slapen,” zuchtte hij na ’n stilte. “Hoor, ’t is al elf uur.”Ze bleef nog even luisteren naar ’t carillon, dat vaag kwam uit de verte door den stillen nacht.“De wind is den anderen kant uit,” zei ze droomerig; stond toen op om het raam te sluiten, zag hem groetende terug gaan naar ’t brugje.In de warme kamer, waar ze niet meer aan had gedacht, stond ze opeens alleen. Hier hadden ze gezeten, samen, Eddy en zij; hier hadden ze gepraat, en was het alles gebeurd.En opeens stond de gedachte klaar in haar hoofd,dat ze liefhad. Ze zag het, ze voelde het, als iets, dat haar nu eerst goed bewust werd.En overstelpt door de heerlijkheid van haar geluk reikte ze met haar armen hoog uit; liet toen zich neervallen op de donkere canapé, waar ze met het kind had gezeten, en snikte zalig, de handen voor haar gezicht.

’s Morgens was het tweede dochtertje hen komen roepen, had het hoofd om de deur gestoken, en met ’t Leidsche zangetje afgerateld: “En complement van Pa, dames, en dat we ’n kindje hebben gekregen.” En de dames—dadelijk wakker—waren vol belangstelling geweest om te hooren, of ’t ’n jongen of ’n meisje was, en wanneer het was geboren, welke bizonderheden het kind met ’n veel-wetend, wijs gezichtje ernstig ten beste had gegeven, de armen in de zij, zooals ze buurvrouwen altijd zag praten.

En toen ze—aangekleed—in de voorkamer waren gekomen, hadden ze juist het rijtuig met den kleinen doopeling en ’n deftig in-zwart-lustre gekleede tante zien wegrijden naar de kerk, en na ’n half uurtje bij ’t terugkomen “Pa” kunnen bewonderen met ’n hoogen hoed op.

“Wat ’n drukte voor die menschen!” zei Go peinzend, terwijl ze samen de ontbijttafel afruimden, want ze wilden niet schellen, omdat dat misschien de kraamvrouw hinderen zou. “Vin-je eigenlijk niet, dat we konden zeggen, dat ze vandaag niet voor ons hoeven te koken; wekunnen best in ’t Vegetarisch gaan, en ’t oudste meisje zal de handen zóó vol hebben.”

Ja; wat ’n familie toch, hè; nou zijn ’t er negen! En wat zal ’t ’n moeite kosten zoo’n bende ’n beetje stil te houden.... ’t Is jammer, dat ze nu juist overhoop liggen met hiernaast, over dien omgevallen vuilnisemmer, anders konden die er ’n paar nemen.”

En Else keek Go onzeker-vragend aan.

Ja, waarom niet?” zei ze, dadelijk begrijpend. “We kunnen best ’s één keertje college verzuimen, en ’t zijn zulke leuke kinderen. Zullen we ’t samen even gaan vragen? Riek en Joostje maar, hè; die zullen ’t lastigst wezen.”

’n Half uurtje later werden de kinderen in hun zondagsche kleertjes beneden gebracht. Ze stonden eerst ’n beetje verlegen in de mooie kamer, waar ze anders nooit in mochten van moeder, maar Go nam dadelijk de kleine Riek op haar arm, en begon haar de platen aan den muur te laten zien, er prettig onder pratend met haar hooge, vroolijke stem,—terwijl Else, éven onzeker, want ze was heelemaal niet gewoon met kinderen om te gaan, den stevigen, dikken Joost in de hoogte tilde, en—van den anderen kant beginnend,—hetzelfde spelletje deed, ofschoon ze in ’n oogenblik buiten adem was van de zwaarte, en, klagend zich naar Go omdraaiend, zei, dat de moderne schilderkunst er zoo’n afschuw van had ’n “geval”, iets dramatisch’ te geven, en ze daarom wezenlijk geen verhaaltjes voor Joostje bedenken kon.

Toen maakten ze voor ieder ’n boterham met suiker, wat ze ’n heeleboel nader tot elkaar bracht, want Joostje deelde mee: dat hij er nog een wou, en Riek, dat ze “zoo kleefde”..., waaropze mee naar de slaapkamer werden genomen om gewasschen te worden, en netjes gemaakt, want ze zouden nu inkoopen voor de koffie gaan doen.

Ze liepen ieder met ’n kindje over het zonnige grachtje, en de buren keken hun oogen uit; ze deden om de beurt de boodschappen in den winkel: ’n bus chocoladepoeder, kleine kaakjes, ’n bal en muisjes natuurlijk—en, vooral tegen Else, die heel statig deed, zei iedereen: “mevrouw”, met eerbiedigen stemklank.

“Ik geloof, dat ze mij voor je kinderjuffrouw aanzien,” zei Go spijtig, die Riekje op den arm had genomen, omdat ze moe werd; en met haar klein hoedje en kort trotteurtje er wezenlijk niets “mevrouwig” uitzag.

“Kom, nu moeten we nog vleesch hebben; waar houën jullie veel van? Rookvleesch?” vroeg Else.

“’t Is voor op de boterham,” legde Go nader uit, “hou-je van leverworst?”

Joost zweeg filosofisch, maar toen ze in den winkel waren, wees hij met ’n verheugd gezichtje naar ’n homp komijne-kaas: “Dàt,” zei hij verrukt, en schoon Else akelig werd van de lucht alleen, nam Go het vettige pakje bereidwillig in haar arm, vriendelijk-pratend tegen Riekje, die neiging had te gaan huilen, omdat ze niets begreep, van wat er met haar gebeurde.

Na de koffie gingen ze ballen in de gang, tot Riek, die nog heelemaal niet vangen kon, zich vervelend, om moeder begon te huilen, maar Joostje verzekerde, dat hij blijven wou, en bromde op “die nare meid”, om wie ze nu naar binnen moesten, waar ze stil naar ’n verhaaltje moesten luisteren, tot de chocolademelk klaar zou zijn,die de niet-vertellende tante in groote koppen roerde. Toen was Riekje weer gaan huilen, omdat ze haar tong had gebrand, en nu kwamen er allerlei boeken met vreemde prenten voor den dag, waar de donkere tante weer bij vertelde; en eindelijk deed ze, of ze Sint-Nicolaas was, en strooide kaakjes over den grond, en Riek en hij moesten overal rondkruipen, en ’t was heel grappig, en de tantes kropen ook mee over den grond, maar alle kaakjes, die zij vonden, gaven ze aan Riek, omdat die weer boos werd, omdat hij er meer had.... en toen kwam zus, en moesten ze boven gaan eten.

“Ik ben er moe van,” zei Else, toen ze samen van Ceres terug kwamen, “enverbeeld-je, dat je er negen hebt, en dan dag aan dag.”

“Terwijl jij uit bent, haal ik toch nog even Joostje beneden,” zei Go innig. “Dat is zoo’n schat, en die maakt je ook niet moe.... Riek is nog wat klein.... zal wel naar bed zijn.”

Ze stak alleen haar studeerlamp aan, en ging met Joost op haar schoot op de canapé zitten, waar het bijna donker was. Het hinderde haar niet, dat z’n handjes vuil en warm waren, en dat er ’n burgerluchtje van bleekpoeder en slechte zeep aan z’n goed en z’n gezichtje was. Ze leunde haar wang op z’n borstelige, warme haarbol, en verwonderde er zich over, dat ze, toen haar eigen broertjes en zusjes zoo klein waren, nooit dát gevoel van onzegbare teederheid voor ze had gehad, dat haar nu de tranen in de oogen bracht. Het zou wel komen, omdat ze toen zelf nog zooveel jonger was, zelf nog te veel kind, dat teederheid vroeg in plaats van te geven. Ze had wel veel van ze gehouden altijd, en metze gesold en gestoeid, maar ze kon zich niet herinneren ooit zoo stil te hebben gezeten in ’n schemerige kamer, met een kindje tegen zich aan, en dat heerlijk te hebben gevonden. Eerst hadden ze nog ’n beetje gepraat over ’t nieuwe broertje, en of hij den volgenden dag weer wou komen spelen?.... ja, hij wou wel,—maar tante moest dan naar háár moeder toe, en haar eigen broertjes en zusjes,... maar die waren al grooter dan Joostje;—toen was hij stil geworden, moe van den drukken dag, en hij sliep nu bijna, maar bewoog toch telkens, ging met z’n knuistjes over de kleine, vergulde knoopjes van haar halsboord, of draaide aan de ringen van haar hand.

Daar werd gebeld. “Nu moeten we even samen open doen, Joostje. Dat kan toch tante Else nog niet zijn,” en met ’t kind om den hals ging ze weer naar de deur: dien heelen dag had ze al als bellemeisje dienst gedaan.

Juffrouw, is juffrouw Gerzon.... god, Go, ben jij ’t?” En Eduard van Neerwinden keek haar vol verbazing in ’t blozende gezicht, en dan naar ’t kind, dat zich stevig aan haar vastklemde.

Ja, Else is uit.... en de juffrouw heeft ’n kindje gekregen, en nu hebben wij de kleintjes bij ons gehad;... maar kom toch binnen; ze komt gauw terug.”

“Maar die kleine baas?” Eduard gaf ’m ’n tikje op de roode wang, en Go was blij, dat hij zoo lief was tegen kinderen.

“O, als je goed vindt, breng ’k ’m eventjes naar boven toe. Hij moet toch naar bed, hè vent? Wacht; dit moet je meenemen”—en ze gaf ’m ’n reep chocolaad,—“zeg nu meneer goeiennacht,...neem ’n stoel, zeg; ik kom zóó terug.”

“Nacht oome,” zei ’t kind gedwee, en Go proestte, terwijl ze de kamer uitliep; het was zóó dwaas, zoo’n elegante jongen, zoo’n hyper-verfijnde “oome” te hooren noemen.

Hij keek om zich heen, om ’n beetje idee te krijgen van haar smaak en haar ontwikkeling: die groengekapte studeerlamp gaf ’n aardige verlichting, maar wat er aan den muur hing, m’n hemel, wat was dat hopeloos banaal en onpersoonlijk, zoo echt, wat je op elke kamer vinden kon: de “Jeugd” van Pier Pander in ’t wit-met-goud-lijstje, ’n chromogravure van “Let the baby pass”, ’n bont-bloemige kalender, ’n sentimenteel-bolwangige “Mignon” uit de “Jugend”, en ’n paar neutrale landschapjes, vermoedelijk uit ’n album van “moderne kunst” of zoo iets.

Op de schrijftafel ’n rijtje prachtbandjes van de beste moderne Hollanders: Kloos, Van Deyssel, Gorter, Roland Holst, Hélène Swarth, zelfs Boutens—maar van buitenlanders niets dan ’n dun deeltje Shelley, waarom hij ongeduldig de schouders ophaalde: cultuur nihil natuurlijk, niets gelezen dan wat je op ’n gymnasium van duitsche, fransche en engelsche klassieken leert; en verder ’r hoofd volgepropt met die heerlijke, prachtige, rijke, hollandsche literatuur, waar in de heele wereld toch maar zeker niets boven gaat.... alleen maar Shelley; en gemelijk nam hij de portretten op, die er naast stonden, bleef geboeid nu kijken naar die groote, gezellige familie, die gemoedelijke vader en moeder met al dat kroost er om heen, zeven telde hij, en Go zelf, dat ’s acht; wat ’n leuke troep.... en aardige snuitjes, ze lijken op elkaar.... Go heeft’t zelfde als dat kleintje.... En hij stond er nog mee in z’n hand, toen ze weer binnenkwam, keek haar nu ánders aan, scheen haar beter te begrijpen, nu hij wist, dat ze de oudste van zoo’n groote familie was.

“Wat moet jíj ’n gezellig thuis hebben,” zei hij hartelijk, en ze vond het prettig, dat hij de portretjes aardig vond, en kwam naast ’m staan, om hem er over uit te leggen: “Die broer volgt op mij; hij is nu in de vijfde van de jongens-burger, en wil architect worden; dat zusje is op ’n particuliere school,—ze is ’n beetje zwak, en houdt veel van huishouden;—hij gaat op ’t gym,.... en vin-je dát geen schat: ’t is ’n bengel, zie je; maar ’k geloof, dat er wat in zit; hij schildert zoo aardig, en nu heeft Pa ’m op de teeken-academie gedaan,.... de kleintjes zijn nog op de lagere school; kijk, dit is de jongste.... ze is acht.”

“Die lijkt op jou,” zei hij, ’t portret fixeerend, maar ze zei wat bruusk:

“Wel nee, die is sprekend vader, en iedereen zegt, dat ik op moeder lijk,” maar bang, dat hij boos zou worden om haar tegenspreken, vroeg ze gauw, of hij geen heerlijk gevoel had, nu dat examen achter den rug was, en of hij niet blij was met z’n mooie iudicium.

Hij dankte haar nu voor ’t briefje met gelukwenschen, dat ze ’m had gezonden, maar begreep niet, waarom ze ’t niet mondeling had gedaan. Hij herinnerde zich toch, dat hij ’r in de gang gezien had.—Och; ze was zenuwachtig geweest;.... ze was maar dadelijk weggeloopen....

“Maar de fuif was toch zeker wel erg prettig, hè?” Ze ging zachtjes heen en weer in den hoekvan de kamer, stil bezig met thee te zetten, en zoo ongemerkt mogelijk den rommel van de chocolade-partij van dien middag op te bergen.

“Ja, ’t was ’n dolle boel; we hebben er na nog gereden, naar Den Dijl.”

“Ik kwam ’s avonds door de Breestraat.... en ik hoorde de vroolijkheid; ik was toch zoo dolgraag even naar binnen geloopen, om tenminste ’n uurtje mee te doen.”

Hij nam in gedachten de thee van haar aan, tikte met z’n smallen voet op den rand van de kachel.

“Je hebt er, geloof ik, geen idee van, hoe ’t op die fuiven eigenlijk toegaat, en hoe wij, jongens, doen, als we onder elkaar zijn.”

“Nee, dat heb ik ook niet,” bekende Go ernstig, “wij meisjes zijn nooit zoo ’s echt kinderlijk-uitgelaten, zoo ’s jolig-dwaas.”

“Dat zijn wij ook haast nooit. Ik geloof, dat ik in m’n heele leven pas één onschuldig-leuken fuif heb meegemaakt: op de kermis, toen er ’n rutschbaan was,.... of nee, nóg wel ’s ’n fakkeltocht, of als we hardliepen of worstelen gingen.... maar bijna altijd....”

Hij legde ’n paar beuken blokken op den haard, die knetterend vlam vatten, en ’n lekkeren geur gaven in de kamer. De gloed speelde over Go’s luisterend gezicht, en hij voelde zich getroffen door de veilige stilte van de kamer met de dikke, gesloten gordijnen, en de ouderwetsche deur; de welbekende stad van jolijt en onvoldaanheid scheen hier iets verafs, ’n akelig fantoom, en, zonder zich rekenschap te geven, wáárom hij tegen dit kind open wilde spreken,—was ’t wezenlijk ’n behoefte zich te uiten, of slechts ’nnieuwe, om haar onverwachtheid te aantrekkelijker pose—, begon hij met z’n zachte, moeë stem:

“Jullie meisjes kunnen je zoo heelemaal geen voorstelling maken, hoe wij eigenlijk zijn, als we ons niet in bedwang houden. Ik geloof, dat jullie altijd precies eender bent, of er jongens bij zijn, of dat je onder elkaar praat. En daarom denken jullie dat natuurlijk ook van ons;.... maar ’t is zoo anders, we hebben eenvoudig ’n ander vocabularium, als we onder elkaar zijn; op de kroeg wordt bijna geen gesprek gevoerd, waar ’n meisje naar zou kunnen luisteren;—ik begrijp niet, hoe lui als De Veer, die dat toch allemaal weten, over de mogelijkheid kunnen spreken, dat de clubs nog ’s zouden samensmelten.... Het is ’n eeuwen ingeroest kwaad; en wie dàt zou willen veranderen....”

Go zat ’m aldoor aan te kijken, haar groote, grijs-blauwe oogen vol triestige ongeloovigheid, en nu viel ze kort en overtuigd in: “Maar ik begrijp het niet.... ik weet ook zeker, dat ’t niet waar is. Als jullie ook wel over verkeerde dingen praat, dan is dat ’n aanwensel, ’n slechte gewoonte, die de een van den ander overneemt; maar je zoudt het eigenlijk allemaal met plezier laten. Zooals jullie bent, waar wij bij zijn, zooals je dan praat, zooals je je dan voor allerlei dingen interesseert, zoo ben je eigenlijk.... Jij bent eigenlijk, zooals je nú bent.... dat weet ik zeker, en je stelt je aan, als je doet, of je ’n slechte jongen was.... En daarom zou ’t zoo goed zijn, als wij, meisjes, op de kroeg kwamen; het zou voor ons allemaal zoo vreeselijk goed zijn. We zouden elkaar zoo aanzetten om ons voor meer dingen te interesseeren, we zouden zooveel beter worden.”

“Wat weet je er van, van de hopeloosheid, redding-onmogelijkheid, van de meesten in ons corps? Je bent ’n meisje, èn eerstejaars.... Je weet zoo weinig van ònze wereld, en van de misère en den ondergang van het mooiste onder ons.”

“Ik vóel het,” zei Go, de oogen vol tranen. “Dáárom wil ’k juist helpen.”

Hij schudde het hoofd; wat ’n kind was ze nog, met zoo’n spontaan vertrouwen in de kracht van haar wil en haar vrouw-zijn; met zoo’n fellen drang tot verzet tegen ’t onvermijdelijke.

“Vonden ze thuis niet heel erg je hierheen te laten gaan?”

En hij dacht, hoe hij z’n dochter nooit in ’n studentenstad zou willen sturen; hij zou ’r veilig thuis houden in volkomen onwetendheid, en dan laten trouwen, overgaande van de eene afhankelijkheid in de andere, zonder levens-bewust-worden. De vrouw wás lief als “bezit”, als ’n levend ding, dat zich heelemaal gaf; zoodra ze iets van den man ging overnemen, werd ze onverdraaglijk om haar niet-te-miskennen inferioriteit;... hij glimlachte even bij ’t idee, wat Go zou zeggen, als ze die “ouderwetsche” gedachten van ’m wist; hij kende de vrouw nu eenmaal niet anders...

“Ach neen, er bleven er toch nog zooveel, en ik kom iedere week weer thuis! Waar wonen jouw ouders eigenlijk?”

“Ze zijn al heel lang in Italië.... sinds m’n broertje gestorven is. Toen is moeder ziek geworden; en nu blijven ze daar in ’t zachte klimaat en m’n vader schildert er veel in de museums. Ik ben tot m’n zestiende jaar bij hen geweest; toen hebben ze me naar Holland gestuurd, om voor’t staatsexamen opgeleid te worden, en daarna heb ik ze nog maar eens gezien; dat is vijf jaar geleden. Toen heb ’k drie maanden in Milaan bij ze gelogeerd.”

“O, hoe akelig, dat je geen thuis hier hebt.” En Go dacht, of hij niet ’s een vacantie bij hún zou kunnen komen; want moeder zou hij zeker aardig vinden, al was ’t verder te druk en te burgerlijk voor hem.

“Och, ik heb veel vrienden, en kom ook nog al bij familie aan huis.... ’t Is al zoo lang zoo, dat ik ’t me niet anders meer voorstellen kan.... Eerst vond ik ’t wel heel akelig, want ik was juist altijd meer met m’n vader en moeder samen geweest, dan andere jongens.... Ik had ’n gouverneur aan huis, en ze gaven me ook zelf les, vooral in muziek en in kunst- en literatuurgeschiedenis.... Toen ik bij den rector in Arnhem was, vond ik eerst alles erg raar, en de jongens plomp en onbeschaafd,.... maar de menschen waren zoo vriendelijk voor me, en ik kreeg toch ook plezier in ruw jongensspel;.... het waren prettige, onbezorgde jaren.... Toen ik hier kwam, was ik achttien.... net als jij. En ik kon de lucht hier niet verdragen; ik kreeg dadelijk erge koorts, malaria, ergens op ’n vreemde kamer op den verlaten Morschweg, waar ik was gaan wonen, om nog wat van buiten te hebben. De menschen waren niet kwaad, maar ik lag toch altijd alleen; vrienden had ik toen nog niet,.... ik werd gék van het droomen; ik weet niet, of jij ooit erge droomen hebt gehad; maar ik was er dol van en liep ’s nachts alleen over m’n kamer in ’n razenden angst, om wat ik wist, dat toch niet waar was.... Toen ik zoowat beter was, wilde ikgeen oogenblik meer alleen zijn. Ik was eenvoudig báng van de kamer, waar ik zooveel had doorgemaakt. Ik was toen nog erg zwak, maar zat toch altijd op de kroeg, en ’s nachts nog laat bij allerlei lui op de kamer, of we gingen rijden of boemelen. In dien tijd heb ik Bruno gekocht, dat ik tenminste ’n levend wezen bij me zou hebben, àls de angst terugkwam. ’s Nachts lag hij voor m’n bed, en ik riep ’m soms bij me en hield ’m in m’n armen, om z’n adem te voelen, z’n menschelijke oogen te zien, die me rust gaven.... Al die eerste jaren heb ik met m’n gezondheid te vechten gehad, maar gaan liggen wilde ik niet meer, en ik foof en kreeg ’n heeleboel vrinden. Toen ben ik na m’n candidaats op raad van den dokter naar Italië gegaan. Dat was eerst erg akelig, de eerste maanden.... Ik had er nooit over gedacht, maar nu merkte ik, hoe ’k geestelijk achteruit was gegaan, dat ’k vreemd was aan de gedachten en idealen van vader en moeder; dat er iets aan m’n gevoel was afgestompt; dat er iets moois in me was onderdrukt,.... ik weet niet precies, hoe; maar ’n avond, toen ik, nadat ik lang met ze had zitten praten, naar buiten was gewandeld, heb ik er om gehuild. Het zijn allebei bizondere menschen, niet zoo erg ’n vader en moeder misschien.... ze hebben me nooit ’n raad gegeven; maar zoo’n mooi voorbeeld. Ze hebben nooit er op aangedrongen, dat ’k hun alles van m’n leven zeggen zou.... Ze leven meer om ideeën dan om feiten.... maar wat ’n invloed hadden ze indirect op m’n leven. Ik voelde iederen dag me meer inleven in hun gedachtensfeer; het leven, dat ik híer geleid had, leek me zoo banaal.... Je bent dáár anders,en ik dacht, dat ik ’t nu ook hier zou kunnen zijn....”

Hij keek in den haard naar de blokken, die bijna waren verbrand en langzaam-glijdend ineenstortten. Hij zag, dat Go onbeweeglijk zat, als bang de herinnering te storen. En, teruggekeerd tot het leven van alledag, wetend, dat hij hier zat in Leiden, in ’n gewone kamer; dat alleen het wonderlijke was, dat er ’n zóó stille avond kon komen in dat drukke, roezige leven,—en eigenlijk niet begrijpend, welk dwaas toeval dit jonge, droomende kind tot zijn biechthoorster had gemaakt,—sprak hij door met luchtiger, gemoedelijker klank in z’n stem, telkens slechts even ontroerd, als hij de emotie zag op haar huiverend gezicht.

“Dat is nu vijf jaar geleden; ik was toen net een-en-twintig geweest. Er is sprake van, dat m’n vader me hier ’s zal komen opzoeken. Maar ik hoop eigenlijk, dat het niet gebeuren zal. We zijn nu nog veel meer van elkaar vervreemd. Toen foof ik, omdat ik ’t leuk vond,—maar ik voelde vaak, dat ’t verkeerd was.... Nu, je weet het, ik heb ’t je al meer gezegd, is ’t me vrij onverschillig, wát ’n mensch doet. Alles is nutteloos, en ’t eenige doel is je tijd zoo aangenaam mogelijk door te brengen. ’n Aangenamer manier dan flink fuiven en flink werken heb ik niet kunnen vinden—en zoo heel prettig is ’t toch niet....”

“O, ’t spijt me zoo vreeselijk, dat je zoo praat, en ’t komt heelemaal, omdat je altijd zoo alleen bent.... Jullie allemaal, die verkeerd doen, moest ’n tehuis hebben, gezelligheid. Konden wij jullie dat toch maar geven. Ik wilde, dat alle eenzamen naar ónze kamers kwamen, als ze behoefte haddenaan wat vrouwelijke hartelijkheid.... Ik zou zóó graag veel geven....”

Haar stem brak van opwinding, en Eduard voelde zich wonderlijk ontroerd.

’n Lief, hevig, eerlijk kind was ’t; en die was nu alleen onder die ongelukkige jongens gekomen! Ja, dikwijls met zoo’n meisje te praten moest toch wel goed doen aan hun ideaalloosheid, en háár liefde.... En, héél moe van dat ellendige leven, dacht hij er even over, haar te vragen z’n beschermengel te willen worden,—maar m’n hemel, wat was haar ontwikkeling, wat had ze gezien en gedacht en gelezen,—en natuurlijk zou ze toch met ’m mee willen leven, alles van ’m willen weten en ’m raad willen geven;—ze stonden immers op ’n heel verschillend ontwikkelingsplan: hij was heelemaal van de oude traditie, van de rechten van den man en de plichten van de vrouw..... en zij leefde in het jonge bewustzijn van gelijke naast gelijke—niet er over debatteerend, er om strijdend op politiek gebied,—maar diep in eigen wezen het als waarheid erkennend.... En dan—’t zou immers beider ongeluk zijn;—ze was veel te goed voor hem, en zoo’n decadent kon toch niet trouwen.... z’n dòchter zou nooit studeeren; z’n dòchter;.... alsof hij....

“Je moet me niet zoo aankijken, Go,” zei hij zachtjes; “dit is allemaal niet zoo vreeselijk als je denkt.... Het is zoo gek, dat jullie meisjes altijd dingen zegt, die je erg meent, hevig voelt. Dat jullie zoo heelemaal niet kent onze blague, onze gevoels-ontveinzing.... En dóór je eerlijke openheid maak je ons vanzelf ook zoo, als we met jullie praten: ernstig, zwaar-op-de-hand, sentimenteelbijna. Praat ik ooit tegen iemand, als tegen jou? Vind ik m’n leven treurig, als jij niet bij me bent, die me met je groote meelijdende oogen suggereert: “arme jongen, eenzame lijder....” Onzin, onzin.... Ik ben immers zelden verdrietig.... jij máákt me melancoliek, of misschien heb ik vandaag ’n kater.”

“O, Eddy, ik wou maar, dat ik je helpen kon.”

Hun oogen gingen in elkaar; van beiden zacht in medelijden.

Maar nu knarste het slot van de buitendeur, en ’n oogenblik later was Else in de gangopening.

“Dag Go, hé Van Neerwinden, ben-jij hier?”

“Ja, en eigenlijk om jou te spreken.”

“Zoo; en wat is er dan?”

Ze stond bij de lamp haar handschoenen uit te trekken, en het viel Go op, hoe mooi ze was: de groote, zwarte hoed gaf achtergrond aan haar anders wat vlak gezicht, en haar frissche kleur, van de buitenlucht, was bekoorlijker dan haar meestal verfijnde bleekheid. Eduard keek ook naar haar; en Go wist, wat hij dacht, terwijl hij praatte:

“Hans en ik hebben bedacht, dat het zoo aardig zou zijn, als jij nu ook in ’t bestuur kwam;—-je zit toch al steeds achter de groene tafel.... figuurlijk gesproken, en Rolands wilde aftreden. We hebben ’t er nog niet met Herderts over gehad, want eerst moet jij zeggen, of je zou willen—en dan moeten we onderzoeken, of we genoeg stemmen kunnen krijgen; Beerenstijn is natuurlijk tegen, maar dat hindert niet, als hij de eenige is.”

“Zou ik dan quaestor worden.... of hoe heet ’t vrouwelijk: quaestrix?.... Ik zou natuurlijk dolgraag willen, Neerwinden, en Han zal het zoo leuk vinden....”

“Van mij is dit voorstel natuurlijk groote edelmoedigheid,” praatte Eduard, “op bestuursvergaderingen zal ik als “dritter im bunde” nog maar net gedúld worden.”

Hij fixeerde haar lachend, en haar oogen antwoordden hem; ’t scheen Go even, of ze iets flikkeren zag tusschen hem en haar.

“’t Zal gezellig zijn met ons drieën,” zei Else toen luchtig, en Eduard stond op om afscheid te nemen.

Gobeantwoorddehet intieme handdrukje niet, liet Else hem uitlaten.

“Wat leuk,” praatte die, weer binnen, “om in ’t bestuur te komen;.... denk jij, dat er iemand tegen zou zijn? Han zal ’t zoo prettig vinden.”

Go zette de kopjes in elkaar: “Er is nog thee,” zei ze kort-af, “je kunt nemen.”

“O, hebben jullie thee gedronken? Was hij er al lang? ’t Is toch eigenlijk ’n rare jongen, hè, anders dan de verdere leden van Laborando;—wel aardig,—maar ’n flirt. ’t Was maar goed, dat Han er niet bij was; die zou woedend zijn geweest, als hij gezien had, hoe-die me aankeek, daar straks.”

“Als Han er geweest was, zou jij óók anders hebben gedaan,” beet Go af.

“Ik? Gunst, ik heb niets gedaan; ik begrijp niet, wat je meent,” en met ’n eerlijk-verbaasd gezichtje haalde Else de schouders op, keek Go ’s aan: er was nog nooit iets tusschen hen geweest, zelfs geen klein kibbelarijtje; ze kon Go’s boos-kijken onmogelijk verklaren, maar kalm filozofisch zei ze, dat ze zeker nog moe was van ’t gesjouw van dien dag: “Kom, laten we vroeg naar bed gaan.”

“Nee, ga jij maar; ik blijf nog.” En Go schoofwijd het raam open, leunde haar gloeiend hoofd in den kouden, strakken winternacht.

Het was heel stil op het grachtje, waar de huisjes onder de witte maansneeuw sliepen, het oude brugje leek ’n blanke poort naar de dicht beboomde kerkgracht; op de schuit voor het huis blonk rijp aan de masten. Er waren bijna geen menschen op straat; soms stapte iemand hol over de harde brug, maar dan ging hij links af; geen kwam voorbij haar raam. De blauwe stoep beneden leek bijna wit in ’t bleeke licht.

Ze leunde verder naar buiten, dat de wind haar haren òp-woelde. Wat was ze toch dwaas geweest zooeven, tegen Else. Wat had die nu eigenlijk voor vreeselijks gedaan! Ja, ’t was jammer, dat ze net binnen was gekomen, toen ze zóó volkomen vertrouwelijk waren, maar ’t meeste was toen toch al gezegd; en op een of andere manier moest er toch ’n einde aan komen,.... of was ’n ànder einde mogelijk geweest?

Ze had ’m lief;... ja, nu zou ze ’t zich bekennen; ze had ’m lief... ze had lief; o, nu begon voor háár ook dat wondere, waar ze al zoo dikwijls over had gedacht, maar dat ze nog nooit zelf had ondervonden. Nu wist ze, dat het eigenlijk van ’t eerste oogenblik af liefde was geweest, van dien avond af, dat ze ’m had zien komen in de gang, en Else niet had kunnen antwoorden, omdat ze voelde: van hem hangt m’n leven af; en dat was zoo gebleven, onder de vergadering, en sterker geworden, toen ze op het soupertje over levensopvattingen hadden gesproken, en ze even de melancolie van z’n bestaan had gevoeld; omdat ze ’m liefhad, had ze zooveel angst uitgestaan op dat examen, terwijl ze meende, dat ’tmaar was, omdat ze zoo iets voor ’t eerst meemaakte, en vanavond, vanavond, in hun volkomen eerlijkheid, was het gebeurd, nu voor altijd:—ze was heelemaal naar hem opengegaan;—ze wist niet, hóe ’t was geweest, maar ’t had geleken, of ze naar ’m toegroeide onder z’n droevig praten, of haar medelijden en haar liefde en bewondering lange ranken werden, die zich om ’m heen wonden. Bewondering—ja, ook na z’n bekentenis, en grooter juist: want welke jongen zou zoo lief-berouwvol z’n heele leven hebben opengelegd? Zoo iemand kón immers niet slecht zijn—nee, goed en groot was hij, maar neergehaald door de omstandigheden; hij zelf leed er zoo onder; maar ze zou ’m wel opheffen, ze zou ’m mogen helpen, en o, ze wilde er niet blij om zijn om hem, omdat hij het treurig vond,... maar voor haarzelf was ’t zoo zalig, iets groots, iets moeilijks voor hem te kunnen doen.... Ze had ’m vanavond niet genoeg gezegd; ze had moeten zeggen, dat ieder goed zijn moet, omdat daar buiten geen bevrediging is, omdat slechtheid onvoldaan en onrustig maakt;—maar hij geloofde niet aan goed en slecht; hij praatte alleen van je leven zoo aangenaam en ongemerkt mogelijk doorbrengen,—en hij had zooveel gelezen, filosofen en zoo;—ze was maar ’n dom kind, zou ze ’m wel ooit kunnen helpen om te leven? Maar ze hield van ’m, en dat vermag meer, dan de wijsheid van de heele wereld. Zou haar liefde alleen hem niet al misschien met alles verzoenen?—Er kwamen ’n paar pratende menschen voorbij en ze hield even op met haar denken.

Dat hij geflirt had met Else was juist ’n teeken, dat hij om die niet gaf. Dat zou hij nooit metháár doen. Tegen háár was hij eenvoudig en eerlijk en hartelijk; waarom had ze z’n handdruk niet beantwoord? Zou hij nu denken, dat ze boos en jaloersch was, haar ’n bekrompen meisje vinden?Zezou ’m schrijven; dat zou ook makkelijker dan praten gaan. Ze zou ’m alles, wat ze van levenswijsheid kon bedenken, vertellen; en hij zou haar liefde uit ieder woord voelen.

—En Else, goeie Elsi, die heelemaal niet begreep, wat ze voor kwaad gedaan had, zou ze morgen vragen niet meer boos te zijn. Ieder mensch was immers anders: Elsi kon veel van Han houden, en toch flirten met ’n ander, terwijl zij—-

Er kwam weer ’n man ’t grachtje af, die haastiger ging stappen, toen hij ’t huis naderde.

“Ben jij ’t, Gé? Hoe kom jij verzeild op dit stille grachtje?”

“Ik loop hier dikwijls ’s avonds; ik houd er van. Maar anders ben-je altijd al naar bed; hoe kom-je nog zoo laat op? En met ’n open raam; je zult kou vatten.”

“Het is zoo heerlijk buiten, dat ’t zonde is om naar bed te gaan.”

“Wacht je nog op Elsi? of lig-je zóó maar te kijken?”

“Nee; Elsi is al naar bed.—Ik lig maar te kijken naar de huizen en het brugje en de schuit—en ik denk.”

“Wat denk-je dan, iets diepzinnigs?”

“Ik denk, dat ’t leven zoo heerlijk is.”

“Zoo zoo; en hoe komt dat zoo ineens?” Hij ergerde zich aan z’n harden stemklank in den geluidloozen nacht, en temperde hem tot ’n onaangenaam, scherp fluisteren.

“Ben-je den heelen avond alleen geweest, of is er nog bezoek gekomen?”

“Van Neerwinden was er... om Else,” voegde ze er haastig bij, zelf niet begrijpend, waarom dit politieke uitvluchtje volgde; mocht hij ’t niet weten? Ze gaf zich geen rekenschap van de onrust, die haar snel verder praten deed: “We hebben den heelen dag de kleintjes van de juffrouw bij ons gehad; ze heeft ’n kindje gekregen.”

Hij ging er even zonder belangstelling op door, keek naar haar ontroerd gezicht, in den glans der groote oogen. En zij, verlangend over Eduard te spreken, spijtig, dat ze zooeven het onderwerp was ontvlucht, zocht het gesprek naar ’m terug te leiden, zweeg, toen ze geen overgang vinden kon.

Ze keken samen stil over de verlaten gracht.

“’t Zal vriezen vannacht,” zei hij, zonder bij z’n woorden na te denken.

Maar nu vroeg ze opeens dringend: “Vin-je niet, dat jongens toch dikwijls wanhopig eenzaam zijn? ondanks al hun schijn-vroolijkheid in werkelijkheid verlaten en op zichzelf aangewezen?”

Hij fronsde de wenkbrauwen; begreep.

“Dat zijn in hun diepste wezen alle menschen. Door ’n ander volkomen begrepen worden, bestaat niet. Ieder heeft alleen zich zelf. Daarom is het beste te zorgen, dat we ons zelf prettig en goed gezelschap zijn.”

Hij zag, dat z’n antwoord haar ontstemde; ze voelde de verborgen vijandigheid. En z’n harde stem moest hinderen na ’t welluidend gevlei van dien ander; o, die kon zingen met z’n stem, dat grof materialisme in háár oogen iets hoogs enheerlijks werd. Hoe haatte hij dien veroverenden aansteller!

“Nu moet je maar gaan slapen,” zuchtte hij na ’n stilte. “Hoor, ’t is al elf uur.”

Ze bleef nog even luisteren naar ’t carillon, dat vaag kwam uit de verte door den stillen nacht.

“De wind is den anderen kant uit,” zei ze droomerig; stond toen op om het raam te sluiten, zag hem groetende terug gaan naar ’t brugje.

In de warme kamer, waar ze niet meer aan had gedacht, stond ze opeens alleen. Hier hadden ze gezeten, samen, Eddy en zij; hier hadden ze gepraat, en was het alles gebeurd.

En opeens stond de gedachte klaar in haar hoofd,dat ze liefhad. Ze zag het, ze voelde het, als iets, dat haar nu eerst goed bewust werd.

En overstelpt door de heerlijkheid van haar geluk reikte ze met haar armen hoog uit; liet toen zich neervallen op de donkere canapé, waar ze met het kind had gezeten, en snikte zalig, de handen voor haar gezicht.

Hoofdstuk XII.De trein hield stil,—daar stond Eduard boven op de bergen;—“Go,” riep hij, “Go,”—maar ze kon niet naar ’m toe; Gerard duwde haar in de coupé terug;—nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, ’t klonk boven het wielengeratel uit; de bergen wankelden;—“Ja” zei ze opeens, stond slaapdronken voor haar bed in de donkere kamer, “ja; riep je, Else?”“O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo’n vreeselijke maagkramp.”Go tastte naar haar toe, door de duisternis, die ondoordringbaar was. Ze liep met ’r handen voor zich uit, kon die zelfs niet onderscheiden; haar bloote voeten kletterden op het koude zeil.“Hier ben ik; ik sta naast je bed; hoe komt dat nu? Is ’t net begonnen?”“Nee, ’k heb ’t al ’n heele poos; ik heb maar ’n uurtje geslapen, toen werd ik al zoo akelig wakker er van,—en ’t wordt hoe langer hoe erger.”“Arm kindje, maar had me dan toch eerder geroepen.”“Och, je sliep zoo vast—ik heb soms wel ’szachtjes: Go, gezegd, maar dat hoorde je niet.”“Nee, ik sliep ellendig diep,—stakker; wat zullen we nu doen! Ik zal eerst maar ’s licht maken.”En ze ging terug naar de tafel, tastte rammelend naar lucifers en kaars.“Eigenlijk ben ik zondagnacht ook al ’n beetje niet lekker geweest,” praatte Else, gedeeltelijk gerustgesteld, nu er iemand zich met haar bemoeide, “maar ik was bang, dat ’k niet weg zou mogen, als ik ’t zei tegen moeder; en dat zou zoo akelig zijn geweest om Han.”Go had de kaars nu op ’t nachttafeltje gezet, voelde Else’s voorhoofd en handen, zooals moeder bij haar altijd deed, en keek peinzend in haar verhitte gezicht.“Ik geloof, dat je koorts hebt; ’n beetje. Heb-je wel warme voeten?”“Ja, ik ben heelemaal gloeiend; maar dat komt van de pijn; daar krijg-je ’t zoo benauwd van.”“Zou ik ’s wrijven; of zou ’t kou zijn? Warme compressen?”“Ja maar hoe maak-je die? We hebben hier niets,” en Else zuchtte.“Wordt ’t erger?” vroeg Go nerveus, de klamme handen in de hare klemmend. “Ik kan natuurlijk water gaan koken, en heete zakdoeken op je maag leggen.”“Ja, dat zou wel goed zijn, maar kom-je gauw terug?”Rillerig liep Go door de donkere gang, zich stootend tegen de trapdeur, die openstond en luid knarste. Ze was bang, dat ze de juffrouw zou wakker maken, zocht lang naar lucifers, om ’t licht aan te steken in de dompig-donkere kamer. Het vroolijke klokje stond optwee uur, en ze bedacht, dat ze nog nooit om dien tijd hier binnen was geweest, schrikte van haar bleek gezicht boven de lange, witte pon, eerst in den bonheur du jour, dan in den grooten spiegel.Er was geen water in de karaf of in den ketel, ze zou dus heelemaal achter in de gang het moeten gaan halen; ze ging nog even bij Else kijken, om te zeggen, dat ze dadelijk terugkwam; de kilte van de steenen kroop akelig tegen haar beenen op, zoodat haar knieën klapperden. ’t Was ook net, alsof er iets vreemds was in de voorkamer, dat er anders niet was; of de meubels dieper zwegen, en de spiegels feller oogen hadden. Ze schrikte telkens op, om de leege stilte achter haar, was blij, toen ze in de slaapkamer de zakdoeken kon gaan zoeken.“Je moet wat aandoen, Go. Zoo vat je kou,” zei Else.Ze schudde van ’t rillen in haar dunne nachtjapon, schoof de voeten in warme pantoffels.“Ja, ’n cape of zoo iets; want verbeeld je, dat “Pa” ons hoort, en naar beneden komt om naar de dieven te kijken... Hoe is ’t nu, Elsje-kindje? Ik ga warm water voor je halen, hoor.”Ze brandde haar handen bijna, toen ze het doekje uitwrong en pijnlijk prikten de wortels van haar nagels.“Is ’t lekker? Doet ’t goed?”“Huu, het brandt,” kreunde Else; maar: “Dat moet ook,” zei Go voldaan; ging gauw ’n nieuwe maken, bijna vallend van de haast door de te wijde pantoffels. Op de tafel stonden nog de glazen en kopjes, die ze den vorigen avond gebruikt hadden en de groote melkpan, waar ’t vel aan den randwas aangebakken. In het midden lag het briefje voor de juffrouw met de boodschappen voor den volgenden dag, en ze dacht er over de pint melk in ’n “kopje” te veranderen, en iets als Eau des Carmes, of pepermunt er bij te schrijven,... maar misschien zouden die compressen al genoeg helpen, zou Els morgen wel weer beter zijn.Iedere vijf minuten kwam Go nu de kamer in, de heete compres snel tusschen de handen heen en weer gooiend om zich niet te branden, en Else liet zwijgend met zich doen, telkens even zuchtend, als de heete de killerig-klamme doek weer verving.“Zakt het nu een beetje?”“’n Heel klein beetje,... maar ik heb ook zoo’n erge pijn in m’n beenen.”“Ik zal je nog een deken geven,... en de kussens van de canapé halen,... je hebt kou gevat.”“Maar dan heb-jij niet genoeg.” Zij gooide zich woelerig van den eenen kant naar den anderen, en plukte met haar vingers aan het dek.“O, dan neem ik het tafelkleed; dat is heelemaal niets... Wacht, ik zal nog gauw ’n compres gaan halen, èn de kussens.”Het was nu half vier, en in Go’s hoofd was ’n groote leegte; ze streek Else’s haar achterover, en vroeg, of ze ook nog iets anders voor haar doen kon.“Nee, hou nu maar op met de compressen... ’t Heeft wel wat geholpen.”“Maar als ’t helpt, kan ik er immers nog best ’n poos mee doorgaan.”“Och neen, dat maar niet; ben-je moe? Of wil-je nog ’n beetje bij me blijven zitten?”“Ik ben zoo wakker als midden op den dag.Zal ik je ’n verhaaltje vertellen? Dat doe ik thuis altijd, als één van de kleintjes in bed moet blijven.”“Hè ja, vertel wat,” zei Else, “maar neem dan eerst ’t tafelkleed over je beenen, dat je niet koud wordt.”Go vertelde de vermakelijke geschiedenis van Reinaert, telkens stukjes reciteerend, die zij of Lou of Coba voor responsie hadden gehad; en Else lag stil nu, speelde met de knoopen van de lange, blauwe cape, en keek, of ze zoo’n klein beetje ziek-zijn wel leuk vond.“Wat gezellig,” zei ze dankbaar, “weet je nog zoo iets aardigs?” en Go dacht over “Karel ende Elegast,” maar de klokken sloegen rinkelend door het huis vier uur, en daarom zei ze, dat ze liever moest gaan slapen. Else had niet veel zin, klaagde brommerig, “dat het écht nog niet heelemaal over was,” maar Go stopte haar beslist in, legde lakens en dekens glad, gaf haar toen ’n zoen op ’t warme voorhoofd en commandeerde: “Nu slapen,” terwijl ze zelf nog ’t licht in de voorkamer uitdraaien ging, dat daar zoo vreemd had staan branden in die leege kamer van het dood-stille huis; toen kroop zij zachtjes ook in bed, luisterend nog naar den anderen hoek der kamer. Ze wilde wakker blijven, dat Else niet weer zoo lang zou moeten roepen; eventjes sluimerde ze in, telkens weer rechtop schrikkend, of er toch niets was. Maar toen ’t vijf uur had geslagen, voelde ze zich zwaarder en zwaarder worden; ze zei nog:“Else,”maar er was geen verzetten meer tegen; zachtjes zonk ze weg, terwijl de haan eventjes, gedempt, al kraaide.“Maar wil-je nú dan niet opstaan?” vroeg Go,toen ze, om kwart over elven uit college komend, Else nog in bed vond. Ze had gedacht, dat ze er alleen nog maar wat in was gebleven, omdat ze dien nacht slecht geslapen had, en ’t stelde haar hevig teleur, toen Else huilerig zei: “O, nee; ik voel me zoo vervelend, en m’n hoofd is zoo raar; toen ’k daar net even uit bed was, dacht ik, dat ik om zou vallen; en ik heb ook heelemaal geen trek.”“Heb-je ’n boterham gegeten en je eitje?”“Nee, niets; Marietje heeft, toen ze je bed opmaakte, alles zoo weer mee genomen.”Go ging op den rand van het ledikant zitten, en keek Else ernstig aan. Ze had gisteren gedacht, dat ’t maar ’n aanvalletje van kou-vatten was, dat den volgenden dag weer vergeten zou zijn. Maar nu scheen Else wezenlijk ziek te gaan worden, en als ’n zware druk voelde ze de verantwoordelijkheid van ’n zieke aan háár zorgen alleen toevertrouwd.“Ik zou zeggen, dat je nu geen koorts hebt,” zei ze overleggend, “of ten minste minder; maar dat komt, omdat ’t ochtend is. De kramp in je maag is óók weg, hè? Laat je tong eens zien? Ik geloof, dat die beslagen is”—ze bekeek nu ernstig haar eigen tong in den spiegel;—“Ja, de mijne is rooder; en dat je niet eet, is natuurlijk ’n leelijk ding.”“En m’n beenen doen zoo’n pijn, en m’n hoofd klopt zoo akelig.——En ik heb zoo’n dorst.”“Ik zal binnen wat water en melk voor je klaar maken; maar ik vind, dat we even om ’n dokter moeten sturen.”“Och nee, wel nee; wat weet zoo’n vreemde man er nu van?” zei Else ongedurig, “schrijfliever even aan Han, anders wordt hij ongerust, dat ik niet op college ben.”“Maar als je geen dokter wilt, moet je ook je ei opeten.”“Nee, nee, dan word ik heelemaal ziek.”“’n Beschuit dan.... je moet toch iets in je maag hebben.”“M’n maag is vol, maar geef maar ’n beschuit, en schrijf dan aan Han.”Go zat met gefronsde wenkbrauwen aan de groote schrijftafel. De juffrouw was dadelijk om beschuit en Eau des Carmes en ossetong uitgegaan. Nu peinsde ze, hoe thuis toch altijd zieke-soep bereid werd; ze geloofde van schenkelvleesch en poulet.... maar hoeveel.... ze had er geen idee van. Misschien wist Han het; die zou wel gauw komen, als-ie het hoorde. Ze hoopte maar, dat hij vóór ’n dokter zou zijn; maar hij was wellicht uit, en zou dan pas ’s middags komen;.... ze kon ’m niet gaan zoeken, want dan bleef Else alleen;.... ’n angstig gevoel van in haar verlatenheid gebonden zijn bracht tranen in haar oogen, en met moeite bedwong ze ’n uitbarsting van verdriet; ’t was toch wezenlijk nog zoo verschrikkelijk niet, en ze moest de zieke zelf toch niet noodeloos ongerust maken; het was pas één dag, nog niet eens, en de verschijnselen waren niet verontrustend;.... ze had wat weinig geslapen vannacht, daarom was ze zoo nerveus; ze kon immers dadelijk naar Den Haag telegrafeeren, als ’t noodig was, maar voorloopig was er geen reden voor; Else kon beter zelf vertellen, dat ze niet lekker was geweest, als ze Vrijdag weer naar huis ging....“Zal ik wat bij je komen zitten werken?”vroeg ze na de koffie, waarbij Else twee reepjes ossetong had gegeten, en zij zelf, onrustig rondloopend in de verlaten kamer, ’n stuk koek, ’n appel, ’n stuk brood, zonder zich tijd te gunnen ’n wezenlijk maal er van te maken.“Ja... maar is dat briefje aan Han wel dadelijk bezorgd? Ik begrijp niet, waar hij blijft...”“Hij zal uit koffiedrinken zijn,” kalmeerde Go, “ik zal nog ’s vragen aan de juffrouw... Ja, ’t is in orde. De baas heeft ’t zelf meegenomen. Hij zal vanmiddag wel komen; wind je dáár nou niet over op.”En Go spreidde haar boeken uit, begon zorgvuldig met de vertaling van Ulfilas.“Zouën ze ’t op college gemerkt hebben, dat ’k er niet was?” vroeg Else, langs het behangsel ritsend met haar witte vingers.“Natuurlijk; maar nu moet je liever niet praten, zeg. Tracht te slapen; dan ben je gauw weer beter.”“En als Han komt?”“Dan roep ik je; dat spreekt vanzelf. En ’k zal alle boodschappen over en weer brengen. Ga nu naar den muur liggen. Ik zal de gordijnen neerlaten.”“Ik ken het behangsel al precies uit m’n hoofd,” zuchtte Else, “en daar is ’n gaatje, en daar één, en hier ’n scheur.”Go gaf geen antwoord; ze boog zich stil over de boeken, onderwijl angstig luisterend, of Else in slaap zou raken. Het was schemerdonker in de groote, holle kamer, en dat maakte alles zoo luguber, dat ’t moeilijk was niet bang te worden. De lancaster gordijnen zagen zoo akelig bruin-wit, neerhangend in den lichten dag, en ze zat hier achter in ’t huis; ze hoorde niets van de straat...en zelfs in de voorkamer had ze daar straks zich al zoo geïsoleerd gevoeld, omdat ’t zoo’n afgelegen grachtje was, waar niemand kwam, die er niet moest zijn.Nu werd er gebeld; het klonk gedempt door, en ze bleef even in spanning, of Else zou blijven liggen, maar die gooide zich met ’n ruk om:“Is ’t Han?”“Ik zal ’s kijken..” Nee, ’t waren de blouse-vriendinnen: Riek en Francis; wou ze misschien, dat ze binnenkwamen; zou ’t niet te druk zijn?Nee, prettig; ze moesten zeker komen; was de kamer netjes? Jawel, dat ging wel.De jolige kinderen waren eerst stil, geïmponeerd door Else’s liggen in ’t groote bed en Go’s dringend verzoeken, of ze zich kalm wilden houden; maar toen Else zelf lachte, en grappig vertelde van hun getob dien nacht, werden ze óók vroolijker, maakten grapjes over college, waar Else gretig naar luisterde, vertelden, wat ze dien ochtend gehad hadden, en boden aan, ’t dictaat bij te schrijven.Else vroeg nog ’n kussen, om ’n beetje rechtop te kunnen zitten, en Go leefde op onder het opgewekte praten, dacht: nu kun-je toch ’s zien, wat ’n hoop verbeelding er bij komt;—deed zelf steeds meer mee, drijvend op den stroom van haar blije gedachten.“Trek de gordijnen toch op,” vroeg Else, “het lijkt wel, of ik al dood ben.”“Nou, dat zal nog wel schikken met je;... willen we vanavond aan onze blouses komen naaien, hier bij je?”“Nee; ik sta zoo strakjes op, en dan komt Han natuurlijk.”“Sta-je vóór ’t eten op, en eet je dan weer gewoon mee? Ik heb geen soep voor je, maar de juffrouw zal vandaag wel geen os geven.”“Ja; strakjes.” Ze zat recht op, ver boven de dekens uit, met de armen om haar knieën, en Go, opgewonden van vreugde, omdat ze nu geen angst meer had, deed haar klagende stem na van ’s nachts, en hoe ze als ’n bedorven kindje verhaaltjes had willen hooren. Nu vertelde Francis ’n spookverhaal, dat ’n oude meid haar altijd deed, wanneer ze ziek was, en ze lachten allemaal dol om de dwaasheid, terwijl Go limonade maakte voor de visite, in de glazen van de waschtafel, en koekjes presenteerde uit ’t zakje.“’t Is hier alles een beetje primitief, maar daar moet jullie maar niet op letten;” en ze dronken op het spoedig herstel van de zieke, en stootten met elkaar aan, Else met haar glas water-en-melk.Om vier uur gingen ze weg, na ’n luidruchtig afscheid, waarbij de dekens van het bed op den grond terecht kwamen, en Else al maar: “Tot morgen, op college,” riep. Go zei, dat ze nu nog ’n uurtje moest gaan slapen, dan zou ze om vijf uur haar roepen, om op te staan, en als Han kwam, eerder. Maar die zou misschien ’s avonds pas komen.Go ruimde de voorkamer op, liet de juffrouw de kachel aanmaken, vol feestelijkheidsgevoel over de intrede dadelijk, en aan Lize, die om half vijf haar de college-aanteekeningen kwam brengen, vertelde ze, dat de zieke al weer veel beter was; dat ze morgen weer kwam, morgenmiddag tenminste zeker.Maar om vijf uur werd ze weer ontvangen met kreunend gezucht. Ze stak gauw de kaars aan,wilde ’t plagende toontje van dien middag nog houden: “Wat scheelt er aan, freule? Wie heeft uw misnoegen opgewekt?”“O, Go, ik ben weer zoo akelig, en ik heb zoo naar gedroomd. Ik gloei heelemaal, en m’n beenen, m’n beenen....”“Kom, die vervelen zich in bed, je moest ze maar ’s wat te doen geven, kom er uit, luie meid.”“Nee, ik kan niet; ik ben ellendig.”Go voelde, dat ze weer meer koorts had en haar oogen schitterden;... ze had zich natuurlijk te veel opgewonden; ze waren domme kinderen geweest;... nu was ’t weer mis en Han kwam maar niet...“Laten we den dokter laten komen, Els, vóór den nacht; dan weten we ten minste iets;... het zal natuurlijk niets zijn, maar ’t maakt geruster.”“Och nee, zoo’n vreemde man, die je nog nooit behandeld heeft... Ik begrijp niet, waar Han blijft.... Hoe laat is het nu al?”“Hij komt zeker vanavond; ’t is bij half zes;.... wat wil-je nu eten? De juffrouw heeft kalfsvleesch en spinazie, ter eere van jou.”“O, als je blieft niet. Praat niet van eten.” En Go liep weer hulpeloos in de lichte voorkamer heen en weer, soms gauw ’n paar happen achter elkaar nemend; dan weer lang rondstappend zonder aan eten te denken. Het was natuurlijk, dat de koorts ’s avonds hooger werd, en dat Els geen trek had, was geen vreemd verschijnsel. Ze zou straks Marietje even om ’n flesch pruimen of abrikozen sturen; dat was frisch, en zou haar misschien wel smaken;... eens ’n dag niet eten, als je in bed lag, was wezenlijk zoo erg niet, er wasgeen reden om haar moeder ongerust te maken. Als ’t morgen niet beter was, kon ze naar den dokter gaan; bovendien: Han kwam vanavond, en ’n nacht slapen kon zoo enorm veel goed doen.Ze ging nu ’n beetje stil in de donkere ziekenkamer zitten, achter het bed, zoodat ’t Else niet onrustig maken kon. Ze hoorde de kinderen joelen boven, en de moeder, die:“ssst,”riep; ze moest even glimlachen om Pa, die bij de deur voorzichtig op z’n teenen wipte, maar dadelijk er na z’n voeten weer zwaar neerplonsde op den steenen vloer.Het was heel triestig. Ze dacht, hoe niemand wist, dat ze hier zóó zat; thuis niet, en geen van de menschen hier, en ze peinsde, of op dit oogenblik iemand op de heele wereld aan haar denken zou: vader en moeder en de kleintjes, of Gerard, of Lize... zelfs Eddy niet? Ze voelde naar den brief, dien ze van ’m had, bij zich droeg, steeds in haar blouse; die haar eigenlijk ’n beetje teleurgesteld had, omdat hij niet de bizondere charme had, welke elk van z’n gesproken woorden zoo heerlijk maakte;—maar er stond toch in, dat hij hoopte haar gauw weer te zien, en t.t. Eduard van Neerwinden; was hij dat wezenlijk? Had hij ’t ditmaal gemeend?Else woelde, zuchtte eens. “Ben-jij daar, Go?”“Ja, wil-je wat?”“Kom een beetje bij me. Ik heb zoo’n vreeselijke hoofdpijn; ’t is, of het ontstoken is van binnen.”“Zal ik de juffrouw wat eau-de-cologne laten halen?” Ze hadden toch letterlijk niets hier, niet eens eau-de-cologne: wel allerlei fijne parfums van Else, maar daar kon-je niets mee beginnen.“Ach nee, laat maar. ’t Helpt toch niet. Hoe laat is ’t?”Go ging naar de voorkamer om op ’t klokje te kijken; ’t was er schemerdonker; de tafel was nog niet afgenomen; ze had vergeten de juffrouw te bellen en alles zag er ontredderd en in-de-war-geloopen uit. Ze bepeinsde, hoe akelig ’t was, als je maar oppervlakkig van elkaarhield, als er dan één ziek werd; hoe vervelend je dat moest vinden;.... en ze keek uit naar Han over den stillen weg. Als Eddy ziek werd, zou ze natuurlijk nog meer van ’m houden, maar voor anderen was zoo iets een drukkende last;.... nu was ’t al half acht; Han zou toch niet uit de stad zijn?En ze jokte tegen Else, dat het zeven was, en liet haar zich nog ’s ’n beetje wasschen op bed, omdat ze zoo gloeierig was en ’t zoo benauwd had.Om acht uur rukte Henri de bel bijna kapot: hij was net thuisgekomen, den heelen dag in Amsterdam met een paar vrienden geweest. Hoe ze nu was, en of hij bij haar mocht?Hij zag er bleek en erg ontdaan uit, en Go werd dadelijk kalm door zijn zenuwachtigheid, zei, dat hij moest gaan zitten, en of hij wel gegeten had....Toen deed ze verslag van de ziekte, alles nu weeroptimistischerinziend, waarop hij in vliegende haast ’n briefje aan z’n “arm vrouwtje” krabbelde, dat Else zalig deed lachen onder de dekens. Toen Go met de boodschap terug kwam, dat hij ’n snoes was, en dat ze morgen beter zou zijn, had hij al weer ’n nieuw epistel klaar, en Go liep geduldig van den een naar den ander met briefjes en boodschappen, blij, dat Else weer wat beter leek, en dat Han er nu was om haar te helpen. Ze vroeg hem nu ook over de soep, omdat zebang was, dat de juffrouw beleedigd zou zijn, als ze er over begon: net, of haar eten niet goed genoeg was; maar hij wist ’t ook niet, zou echter den volgenden morgen bij zijn ploerterij informeeren, en het vleesch dan door z’n oppasser laten brengen, met een flesch wijn; en natuurlijk kwam hij ook zelf.Hij bleef den heelen avond, en ze praatten over familie-kwesties; en hij vertelde van z’n vader en moeder, totdat Go er zóó in verdiept was geraakt, dat ze vergat, dat ze in Leiden was, zich thuís had gedroomd, met ’r neef, op ’r kamertje.Het afscheid was hartelijk.Go zat in ’n blauwe peignoir van Else op den grond, sneed met haar zakmesje het vet van de stukjes vleesch, die door den oppasser in ’n papier waren bezorgd; ze geloofde niet, dat het het goeie was, want het zag er zoo naar en bloederig uit, maar ze had niemand, aan wie ze het vragen kon, moest maar probeeren, wat er van werd in den melkkoker.Else was den heelen nacht erg onrustig geweest, maar nu was ze wat gaan slapen; ze zag er slecht uit. Als Han er op stond, wou ze wel ’n dokter laten komen, maar ze zei, dat ’t onzin was; ze konden immers tot morgen wachten, om te zien, of ze Vrijdag naar huis zou kunnen gaan.Go schudde haar haar achterover, dat ze maar haastig wat in elkaar had gedraaid, en plensde ’n waterstraal op het vleesch in het pannetje; er steeg een weeig-zoetige lucht uit op, en ze begreep niet, hoe Else dat zou kunnen verdragen. Daar kwam iemand voorbij het raam en erwerd gebeld; ze dacht, dat ze Han’s stem hoorde, zei:“O, zeg, wat is dat voor raar goedje? Die soep wordt nooit goed.”Maar ’t was Eduard, in rok, ’n verwelkte bloem nog in z’n knoopsgat.“O, jij! Hoe kom-jij hier?” En in aardige verwarring streek ze door haar krullig haar heen.“Ik kom van de promotie-fuif van Heerling... en regelrecht naar je toe, om te laten zien, hoe frisch ik na zoo’n feestnacht nog wel ben.”“Hoe lief van je, Eddy. Ik ben zoo blij, dat je dit zegt. Mag ik wat thee voor je zetten, of ’n boterham maken?”“Nee, nee, ik dank je wel... Maar kan ik ook adviseeren met die rare soep... koken jullie tegenwoordig zelf?”“Nee, Else is ziek. Gisteren al den heelen dag; ’t is begonnen met maagkramp en koorts... en pijn in de beenen; en ze wil niets eten; wat denk-jij er van?”“Ik zou den dokter halen.”“Jamaar, dat wil ze niet. Zou er gevaar bij kunnen zijn?”“Nee, dat zal wel níet. Maar hij zou ’t gauwer beter kunnen maken. Ik zou er maar ’s op aandringen bij haar.”“Soep is toch in elk geval goed, hè?”“Ja, als dát soep wórdt. Studentje, is huishouden moeilijk?” Hij keek haar zacht aan, en ze sloeg haar oogen neer in ’n heerlijke verwarring.“Nu,” zei hij, haar hand in de zijne; “ik kom morgen nog wel ’s vragen, hoe ’t gaat. Het beste.”Han kwam tegen de koffie, ijsbeerde somber de kamer op en neer.“Dus ze zal van middag niet opstaan?”“Ik denk ’t niet. Vin-je nu niet, dat we ’n dokter...”“Ik zal vanmiddag alles eens aan Beerenstijn zeggen, die weet er meer van dan de meeste dokters.”“Wat denk-je van de soep?”“Die bruine dingetjes moet je er uit visschen; maar ze ruikt al goed.”“Zou de juffrouw ’t ruiken?”“Láát ze. Wil ik die flesch eens open trekken? Geef haar dan wat wijn met ’n ei.”“Ja en warm houden, hè? Kom-je nog?”“Van avond. Kan ik geen boodschappen voor je doen? Vraag ’r eens, of er heelemaal niets is, dat ze hebben wil.”“Nee, niks. Ze is erg stil en down vandaag.”“Van de koorts. Nu, adieu; ’k ga vanmiddag naar Beerenstijn.”Den volgenden ochtend zaten ze met z’n vijven te overleggen: het bleef koorts, pijn en geen eetlust, overdag down en ’s nachts onrustig. Go had gehuild, was moe van ’t tobben, Han floot nerveus, terwijl Lou en Coba goedig Go’s cahiers uitzochten om bij te schrijven.Beerenstijn haalde de schouders op: “Ik weet ’t niet, ’t lijkt me niet onrustbarend; maar toch ’n dokter....”“Maar wat dénk-je, dat ’t is?”“Misschien is ’t eenvoudig gevatte kou; maar ’t kan ook iets anders zijn; om er over te oordeelen, zou ’k de patiënt moeten zien.”“Dat kun-je begrijpen,” viel Han uit. “Als ík er niet eens bij mag.”“Wij hebben een heel goeie dokter,” zei Coba zacht, “dokter Buys van de Hoogewoerd.”“Zou ik maar aan tante schrijven?” vroeg Go, òp.“Wel nee, dat hélpt niet.” Han trommelde ongeduldig op de ramen... “Ken-je hier nu geen oudere dame, Go, de moeder van ’t een of ander meisje, of ’t kan me niet schelen wie, die je ’s raad zou kunnen geven.”“Ik kon naar Mies de Bruin gaan; die woont hier.”“Ga gerust; dan blijven wij voor als Elsi wat noodig heeft,” bood Lou hartelijk aan; Han en Beerenstijn stapten mede op, zouden samen fruit gaan koopen, want daar had ze om gevraagd.—Go vond de straten zoo vijandig licht, en de grond was hard, waar ze stapte. De menschen liepen allemaal zoo vlug en zoo zeker van hun doel. Ze voelde zich arm en uitgestooten er tusschen; er kwamen jongens van college langs, die haar luchtig-vriendelijk groetten; ook meisjes met frissche gezichtjes, die in de zon liepen te lachen,—en niemand stoorde er zich aan, dat ze zoo angstig en afgetobd was, ’t kon de heele wereld niets schelen... Dat groote huis van De Bruin leek ook nijdig-koud, en ze bedacht, terwijl ze de trap opging, hoe slordig en moe ze er uit zien moest en hoe vreemd ’t zou zijn in die nette omgeving.“Wel, dat is aardig, Margo, dat je nu eindelijk weer ’s komt... Ik heb al lang naar je uitgezien;—maar wat is er? Scheelt er wat aan? Je ziet zoo bleek.”—Go’s oogen vlogen nerveus door de groote ouderwetsche kamer, met het stemmige eikenhout en de koele familieportretten, keken dan naar het rustige kind, dat zoo paste in die omgeving, koel-vriendelijk, verstandig-onderhoudend,en met toch iets droomerigs in de donkere oogen van veel denken in ’t verleden.En ze voelde zich onharmonisch, ’n wanklank in die rust, en starend in den ouden tuin met veel klimop en vochtig-donker, zei ze beverig: “Elsi is ziek, al van Maandagnacht af.”“Maar ’t is nu pas Donderdag;.... dat is nog niet lang,” en Go verbaasde zich: ’t was waar, en ’t leek zoo’n eeuwigheid...“Maar wat scheelt je nichtje, en wat zegt de dokter?”“We hebben geen dokter, dat wil ze niet;... ze heeft hoofdpijn en ze eet niet,—en koorts ’s nachts.”“Ze zal kou gevat hebben; er zijn op ’t oogenblik zooveel menschen ziek; de heele stad door; m’n broer is ook pas beter.... Hoe is ’t mogelijk met dit weer, hè? ’t Komt zeker van de dikke nevels ’s avonds, maar overdag is ’t zalig, vin-je niet?” Ze praatte door met haar aardige stem, vroeg, of Go naar de comedie was geweest, Maandag;—ze vertelde van ’n reisje in de kerstvacantie en ’n voorstel tot reglementsherziening op de club. Toen Go opstond, hield ze hartelijk even haar hand vast: “Je moet je niet ongerust maken over je nichtje; in ’n paar dagen is ze weer beter;.... haal anders even den dokter, als je dat kalmer maakt.”Go knikte, bedankte; die menschen begrepen niéts; die meisjes, die zelf in ’n veilig huis woonden met vader en moeder altijd beschermend om zich heen, konden zich eenvoudig geen voorstelling vormen, hoe je kon zitten tobben op ’n paar gehuurde kamers, waar je gebrek aan alles, ook aan ’t eenvoudigste, hadt; waar je geen lekkere kostjes voor je zieke kon krijgen, waar je geenwarme pap of ’n kruik voor ze maken kon; waar het huishouden met drukte en hinderlijk gebel vlak bij je doorging, al was ze nu juist eindelijk ’n oogenblikje in slaap gevallen.Haar kon niet iemand helpen, die ’t niet zelf ’n beetje mee had gemaakt, en ze had nog meer aan de jongens en hun hartelijkheid-zonder-ondervinding, dan aan zóó’n familie;—de juffrouw zou ook boos zijn, moest de soep hebben gevonden, waarvan Else niets had gegeten;... ze was nu wel heelemaal zonder steun. Ze dacht eraan naar ’n professor te gaan; Van Hoof was altijd zoo aardig, zoo’n menschelijke man, en hij had er zich zoo voor geïnteresseerd, toen ze vertelde van hun kleine ménage;... z’n vrouw zou misschien—maar alle menschen waren zoo rustig en kalm en wijs en deftig hier, en ze voelde zich zoo opgezweept, ze was alle gevoel van proportie kwijt; ze verbeeldde zich, dat Else levensgevaarlijk ziek kon zijn, ze stelde zich voor, dat ’t iets héél ergs was;... ’n bordje blikkerde in haar oogen: Arts; ze had al aangebeld, voordat ze er zich rekenschap van had gegeven, de meid trillend gevraagd, of de dokter vooral, vooral dádelijk na z’n spreekuur komen wilde;—en nu was ze weer op weg naar huis, ’n beetje moe, ’n beetje verbaasd, bang voor boosheid van Han of Else;... en verbeeld je nu ’s, dat ze al ’n heeleboel beter was...De juffrouw stond met Lou en Coba in de voorkamer te praten, en ze zwegen allemaal, toen ze binnenkwam.“Heeft ze nog iets noodig gehad?”“Nee, ze ligt stil; ze heeft erge pijn overal. Komt Mies ’er moeder nog?”“Nee, ik heb den dokter gehaald.”“Wie?” vroeg Coba, maar dat wist ze niet; had niet naar den naam gekeken.“Of u gelijk heb,” knikte de juffrouw voldaan, “mijn beviel de juffrouw niks;... dat is maar: ik lus niks, en ik wil niks; dan mankeert er wat van binnen.... En ’n dokter weet toch meer as ’n ander, daar is-tie dokter voor.”Lou en Coba gingen nu weg met hartelijke wenschen en handdrukjes, terwijl Go naar de kamer van Else ging, gevolgd door de juffrouw-in-actie, die ’n sprei op ’t bed wilde leggen, en de kamer wat netjes maken en de patiënt moest ’n schoone nachtpon aan: “ja, guns, voor de dokter,”—en Else weerstreefde niet, liet met zich doen als ’n kind, knikte, dat ’t goed was, ja, ’t moest wel; ze werd eer erger dan beter.Go had Han en Gerard weggestuurd; ’t stond zoo mal, als de dokter kwam, en er zat zoo’n heele gemeente. Ze bleven op de gracht heen en weer loopen, telkens inkijkend door ’t raam, of hij er nog niet was, vingen Eduard en Lize, en Coba en Francis en Beerenstijn op, die allemaal belangstellend wilden komen vragen, zoodat er ’n lange rij voortdurend heen en weer trok onder groote belangstelling van de buren, daar ze in hun jeugdige luchthartigheid allemaal, behalve Han, zoo nu en dan de ernst van ’t oogenblik vergaten.Go kwam soms voor ’t raam, met roode wangen, de schouders ophalend; dan liep ze weer heen en weer, bedacht, of ze zich voorstellen moest,—ze wist zijn naam ook niet,—of dat ze maar ineens beginnen zou met ’t verhaal, hoe alles zich had toegedragen;—ze moest vooral opletten,dat Else ’m alles zei van de beenen en de kramp en het benauwde gevoel in haar maag soms.—Om half vier werd er gebeld. De juffrouw, met ’n schoone schort voor, kwam opgewonden vragen, wat ze doen moest, “als ’t den dokter was....”“’m Hier binnen laten,” zei Go beverig, en ze schudde afwerend ’t hoofd tegen Gerard, die even tegen ’t raam tikte: “daar istie.”’t Was ’n vriendelijke, oude, gemoedelijke man, die rustig naar ’t nerveuze verhaal zat te luisteren, toen opgewekt vroeg, de patiënt eens te zien. Achter in de gang stond de juffrouw met de jongste op den arm, de anderen om haar heen, de gebeurlijkheden af te wachten, knikte Go bemoedigend toe, toen de dokter de slaapkamer inging.“Geen eetlust—nee, pijn in de beenen zeker; armen ook? ’n Beetje.”—“Hoe weet die man dat zoo precies,” dacht Go in bewondering,—“wat koortsig; ja; je hebt influenza, beste kind; maar flink onder de wol blijven. Reizen, morgen? Nee, geen kwestie van; deze week je bed niet uit;—Zondag misschien wat in de voorkamer; oppassen voor kou vatten, verder geen gevaar bij. Nee, juffertje, jij hoeft je niet zoo op te winden, hoor,”—en hij gaf Go gemoedelijk ’n tikje op de ijskoude hand;—“dat is de volgende week weer in orde. Ik zal ’n drankje geven, ’k kom Zaterdag nog ’s terug”....Go bedankte ’m in de gang, huilend bijna: “Ik ben zóó ongerust geweest,”—en zoodra hij de deur uit was, brak de heele wachtende schare van buiten en de juffrouw met vele kinderen de voorkamer in.“Wel, wat zeit-ie? Wat is ’t?”“Ze heeft influenza,” verklaarde Go triomfantelijk; “’t is ’n allerliefste man, en het kan niets geen kwaad, als ze erin blijft. Hier is ’t receptje.”Beerenstijn nám het, studeerde er zwijgend op.“Is dat om te éten?” vroeg de juffrouw, “zei die ook nog, dat ze iets bizonders moest hebben? Ik ken alles klaarmaken.”“Lichte kost—kalfsvleesch en iets frisch...” fantazeerde Go, “maar ze mag natuurlijk niet naar huis, Han.”“Ik ga vanavond zelf even naar Den Haag, het aan haar moeder vertellen; dan schrikt ze niet zoo.”“En wanneer komt-ie terug? Begrijp-u, wat er op staat?” informeerde de juffrouw bij Beerenstijn.“Ze zal er wel beter van worden... ik breng ’t dadelijk zelf weg,” antwoordde hij, met ’n sfynxig lachje.“Zaterdag zou-die weer komen; ze mag Zondag misschien wel ’n beetje op,” vertelde Go, “maar laten we ’r toch niet zoo lang alleen laten liggen.”“Ik ga mee naar de apotheek; adieu!” zei Eduard, en Go keek ’m voor ’t eerst weer’s gelukkig aan, nu de angst haar vrij liet, dankbaar, dat hij zoo lief was.“Ik kom nog vertellen, hoe ’k ze in Den Haag heb gevonden.” Han reikte Go ’t briefje, dat hij snel in ’n hoekje nog even had geopend.“Kan ik nu alleen niets doen?” vroeg Gerard, “weet je nu wezenlijk niets te bedenken? Ik ben tot alle boodschappen bereid.”Go dankte: “Jullie zijn allemaal zoo aardig, jullie nemen me alles uit de hand.”“Neem nu vannacht ’s goed rust,” raadde hijbij ’t afscheid nemen, “je ziet er zoo dood-moe uit, en nu ben je toch niet bang meer... Gaan jullie misschien mee, meisjes?”“Mogen we even bij Elsi?” vroeg Francis, “ik zal nu niet zoo uitgelaten zijn, als de vorige keer.”In de slaapkamer vergaderden ze nóg ’s “en petit comité”: de juffrouw met de twee oudsten, Coba, Francis, Lize en Go. Else lag ’n beetje te lachen, gerustgesteld, maar verveeld, dat ze vast niet voor Zondag er uit mocht.“Ik geloof wel, dat ik niet eens kan; maar ’t is toch ’n akelige boel.”De juffrouw knikte veelwetend, en troostte: hoe lang influenza soms duren kon....Go vertelde nu nog ’s precies, wat de dokter gezegd en gedaan had; ze voelde zich zóó opgelucht, dat ’t haar was, of Else eigenlijk al beter was; en ze stonden allemaal tevreden en rustig bij ’t licht van de kaars om het bed, en praatten over ziekten van henzelf en familie, en dat je toch ongerust was, als je niet wist, wat ’t was; altijd weer eindigend in de tevreden beschouwing: dat ze het nu wél wisten en daarom allemaal zoo kalm en voldaan waren.Om tien uur den volgenden ochtend kwam tante, in ’n keurige japon met ’n opgewekt gezicht, en nam, zonder eenigen pathetischen uitroep van zorg en ongerustheid, Go’s plaats aan het bed van haar dochtertje in.“Dat leek me toch gezelliger,” zei ze met ’n vriendelijk knikje, “en bovendien was zoo’n oppas voor jou alleen veel te zwaar.... Else is niet zoo’n heel makkelijk patiëntje, hè kindje;—en je ziet er wezenlijk miserabel uit. Vanmiddag gaan Han en jij maar ’s samen ’n flink eind loopen....”Mevrouw Gerzon sliep nu in Go’s bed, die zoolang ’n kamertje boven betrok. Het heele huishoudentje veranderdeoogenblikkelijkonder leiding van ’n “moeder”, en Go was er verrukt over, dat de kamers opeens zoo’n ander aanzien hadden gekregen, nu tante met ’n handwerkje naast de kachel zat, nu zij ’t vleesch sneed, of ’s avonds achter ’t theeblad troonde. ’t Werd volmaakt, toen Zondag Else wankelend en langzaam, ’r bleek hoofdje bijna verdwijnend in de kraag van de wijde cape, de kamer binnenkwam, die feestelijk was met bloemen en alle lichten aan, en waar Han wachtte, die z’n “kleine vrouwtje” zoo dankbaar in de armen sloot, en zóó vol verrukking haar telkens in ’t vermagerde, fletse gezichtje staarde, dat Go zich bekende, dat hij toch wel veel méér en wezenlijker van haar hield, dan ze had gedacht.Hij mocht dien middag blijven eten, en er was taart en wijn en dessert, en tante stuurde ’n heele bezending naar boven voor de juffrouw.... en de volgende dagen was er telkens bezoek, dat keurig ontvangen werd, en gezellig onderhouden; elken avond was de kamer vol jongens- en meisjes-vrienden, en tante was allerliefst, vond het aardig ze allemaal ook ’s te leeren kennen, liet zich vergoden door Coba en Riek, die bloemen aan haar brachten, en gaf den jongens huiselijken, hartelijken raad; toch ook blijvend femme du monde, die au courant is van opera’s en concerten en tooneel. Eduard vond ze “charmant”, z’n gentlemanmanieren voortrekkend boven Gerard’s rondheid; en Go droomde hem al ’n lid van de familie, als ze ’s avonds in ’n kring zaten onder het licht, Han en Else bij elkaar; zij met hundrieën om de tafel, en zijn stem afwisselend met die van tante door de stilte.“Gaat u wezenlijk morgen weg, mevrouw?”“Ja jongen, m’n plicht is hier volbracht—Else heeft me niet meer noodig.” En ze keek lachend naar ’t dochtertje, dat stoeide over de canapé.“U moest maar altijd blijven,” vleide Go, “het is zoo prettig.”“Of jullie je vrijheid niet liever hebt! Waarom loop-je anders weg van je ouders?”Er was ’n beetje bitterheid in haar lieve stem; ze had de laatste dagen weer zoo gevoeld, dat Else haar eenige was.“Maar tante, u weet toch...”“Welke ouders kunnen hun kinderen altijd bij zich houden,” peinsde Eduard. “Ze studeeren—of ze trouwen; dat komt op hetzelfde neer.”“En mijn dochtertje doet allebei: eerst studeeren en dan trouwen,” tante lachte alweer. Maar Else had Henri ’n papieren muts gemaakt: “Hoe vin-je ’m!” juichte ze jolig.“Zijn jullie altijd zulke kinderen? Elsi, denk toch aan je waardigheid als student.”Maar zachter zei ze toen tegen Go en Eduard: “Misschien doet ze ’t eerste ook niet.”

De trein hield stil,—daar stond Eduard boven op de bergen;—“Go,” riep hij, “Go,”—maar ze kon niet naar ’m toe; Gerard duwde haar in de coupé terug;—nu schreeuwde hij hoe langer hoe harder, ’t klonk boven het wielengeratel uit; de bergen wankelden;—“Ja” zei ze opeens, stond slaapdronken voor haar bed in de donkere kamer, “ja; riep je, Else?”

“O, Go, ik voel me zoo akelig; ik heb zoo’n vreeselijke maagkramp.”

Go tastte naar haar toe, door de duisternis, die ondoordringbaar was. Ze liep met ’r handen voor zich uit, kon die zelfs niet onderscheiden; haar bloote voeten kletterden op het koude zeil.

“Hier ben ik; ik sta naast je bed; hoe komt dat nu? Is ’t net begonnen?”

“Nee, ’k heb ’t al ’n heele poos; ik heb maar ’n uurtje geslapen, toen werd ik al zoo akelig wakker er van,—en ’t wordt hoe langer hoe erger.”

“Arm kindje, maar had me dan toch eerder geroepen.”

“Och, je sliep zoo vast—ik heb soms wel ’szachtjes: Go, gezegd, maar dat hoorde je niet.”

“Nee, ik sliep ellendig diep,—stakker; wat zullen we nu doen! Ik zal eerst maar ’s licht maken.”

En ze ging terug naar de tafel, tastte rammelend naar lucifers en kaars.

“Eigenlijk ben ik zondagnacht ook al ’n beetje niet lekker geweest,” praatte Else, gedeeltelijk gerustgesteld, nu er iemand zich met haar bemoeide, “maar ik was bang, dat ’k niet weg zou mogen, als ik ’t zei tegen moeder; en dat zou zoo akelig zijn geweest om Han.”

Go had de kaars nu op ’t nachttafeltje gezet, voelde Else’s voorhoofd en handen, zooals moeder bij haar altijd deed, en keek peinzend in haar verhitte gezicht.

“Ik geloof, dat je koorts hebt; ’n beetje. Heb-je wel warme voeten?”

“Ja, ik ben heelemaal gloeiend; maar dat komt van de pijn; daar krijg-je ’t zoo benauwd van.”

“Zou ik ’s wrijven; of zou ’t kou zijn? Warme compressen?”

“Ja maar hoe maak-je die? We hebben hier niets,” en Else zuchtte.

“Wordt ’t erger?” vroeg Go nerveus, de klamme handen in de hare klemmend. “Ik kan natuurlijk water gaan koken, en heete zakdoeken op je maag leggen.”

“Ja, dat zou wel goed zijn, maar kom-je gauw terug?”

Rillerig liep Go door de donkere gang, zich stootend tegen de trapdeur, die openstond en luid knarste. Ze was bang, dat ze de juffrouw zou wakker maken, zocht lang naar lucifers, om ’t licht aan te steken in de dompig-donkere kamer. Het vroolijke klokje stond optwee uur, en ze bedacht, dat ze nog nooit om dien tijd hier binnen was geweest, schrikte van haar bleek gezicht boven de lange, witte pon, eerst in den bonheur du jour, dan in den grooten spiegel.

Er was geen water in de karaf of in den ketel, ze zou dus heelemaal achter in de gang het moeten gaan halen; ze ging nog even bij Else kijken, om te zeggen, dat ze dadelijk terugkwam; de kilte van de steenen kroop akelig tegen haar beenen op, zoodat haar knieën klapperden. ’t Was ook net, alsof er iets vreemds was in de voorkamer, dat er anders niet was; of de meubels dieper zwegen, en de spiegels feller oogen hadden. Ze schrikte telkens op, om de leege stilte achter haar, was blij, toen ze in de slaapkamer de zakdoeken kon gaan zoeken.

“Je moet wat aandoen, Go. Zoo vat je kou,” zei Else.

Ze schudde van ’t rillen in haar dunne nachtjapon, schoof de voeten in warme pantoffels.

“Ja, ’n cape of zoo iets; want verbeeld je, dat “Pa” ons hoort, en naar beneden komt om naar de dieven te kijken... Hoe is ’t nu, Elsje-kindje? Ik ga warm water voor je halen, hoor.”

Ze brandde haar handen bijna, toen ze het doekje uitwrong en pijnlijk prikten de wortels van haar nagels.

“Is ’t lekker? Doet ’t goed?”

“Huu, het brandt,” kreunde Else; maar: “Dat moet ook,” zei Go voldaan; ging gauw ’n nieuwe maken, bijna vallend van de haast door de te wijde pantoffels. Op de tafel stonden nog de glazen en kopjes, die ze den vorigen avond gebruikt hadden en de groote melkpan, waar ’t vel aan den randwas aangebakken. In het midden lag het briefje voor de juffrouw met de boodschappen voor den volgenden dag, en ze dacht er over de pint melk in ’n “kopje” te veranderen, en iets als Eau des Carmes, of pepermunt er bij te schrijven,... maar misschien zouden die compressen al genoeg helpen, zou Els morgen wel weer beter zijn.

Iedere vijf minuten kwam Go nu de kamer in, de heete compres snel tusschen de handen heen en weer gooiend om zich niet te branden, en Else liet zwijgend met zich doen, telkens even zuchtend, als de heete de killerig-klamme doek weer verving.

“Zakt het nu een beetje?”

“’n Heel klein beetje,... maar ik heb ook zoo’n erge pijn in m’n beenen.”

“Ik zal je nog een deken geven,... en de kussens van de canapé halen,... je hebt kou gevat.”

“Maar dan heb-jij niet genoeg.” Zij gooide zich woelerig van den eenen kant naar den anderen, en plukte met haar vingers aan het dek.

“O, dan neem ik het tafelkleed; dat is heelemaal niets... Wacht, ik zal nog gauw ’n compres gaan halen, èn de kussens.”

Het was nu half vier, en in Go’s hoofd was ’n groote leegte; ze streek Else’s haar achterover, en vroeg, of ze ook nog iets anders voor haar doen kon.

“Nee, hou nu maar op met de compressen... ’t Heeft wel wat geholpen.”

“Maar als ’t helpt, kan ik er immers nog best ’n poos mee doorgaan.”

“Och neen, dat maar niet; ben-je moe? Of wil-je nog ’n beetje bij me blijven zitten?”

“Ik ben zoo wakker als midden op den dag.Zal ik je ’n verhaaltje vertellen? Dat doe ik thuis altijd, als één van de kleintjes in bed moet blijven.”

“Hè ja, vertel wat,” zei Else, “maar neem dan eerst ’t tafelkleed over je beenen, dat je niet koud wordt.”

Go vertelde de vermakelijke geschiedenis van Reinaert, telkens stukjes reciteerend, die zij of Lou of Coba voor responsie hadden gehad; en Else lag stil nu, speelde met de knoopen van de lange, blauwe cape, en keek, of ze zoo’n klein beetje ziek-zijn wel leuk vond.

“Wat gezellig,” zei ze dankbaar, “weet je nog zoo iets aardigs?” en Go dacht over “Karel ende Elegast,” maar de klokken sloegen rinkelend door het huis vier uur, en daarom zei ze, dat ze liever moest gaan slapen. Else had niet veel zin, klaagde brommerig, “dat het écht nog niet heelemaal over was,” maar Go stopte haar beslist in, legde lakens en dekens glad, gaf haar toen ’n zoen op ’t warme voorhoofd en commandeerde: “Nu slapen,” terwijl ze zelf nog ’t licht in de voorkamer uitdraaien ging, dat daar zoo vreemd had staan branden in die leege kamer van het dood-stille huis; toen kroop zij zachtjes ook in bed, luisterend nog naar den anderen hoek der kamer. Ze wilde wakker blijven, dat Else niet weer zoo lang zou moeten roepen; eventjes sluimerde ze in, telkens weer rechtop schrikkend, of er toch niets was. Maar toen ’t vijf uur had geslagen, voelde ze zich zwaarder en zwaarder worden; ze zei nog:“Else,”maar er was geen verzetten meer tegen; zachtjes zonk ze weg, terwijl de haan eventjes, gedempt, al kraaide.

“Maar wil-je nú dan niet opstaan?” vroeg Go,toen ze, om kwart over elven uit college komend, Else nog in bed vond. Ze had gedacht, dat ze er alleen nog maar wat in was gebleven, omdat ze dien nacht slecht geslapen had, en ’t stelde haar hevig teleur, toen Else huilerig zei: “O, nee; ik voel me zoo vervelend, en m’n hoofd is zoo raar; toen ’k daar net even uit bed was, dacht ik, dat ik om zou vallen; en ik heb ook heelemaal geen trek.”

“Heb-je ’n boterham gegeten en je eitje?”

“Nee, niets; Marietje heeft, toen ze je bed opmaakte, alles zoo weer mee genomen.”

Go ging op den rand van het ledikant zitten, en keek Else ernstig aan. Ze had gisteren gedacht, dat ’t maar ’n aanvalletje van kou-vatten was, dat den volgenden dag weer vergeten zou zijn. Maar nu scheen Else wezenlijk ziek te gaan worden, en als ’n zware druk voelde ze de verantwoordelijkheid van ’n zieke aan háár zorgen alleen toevertrouwd.

“Ik zou zeggen, dat je nu geen koorts hebt,” zei ze overleggend, “of ten minste minder; maar dat komt, omdat ’t ochtend is. De kramp in je maag is óók weg, hè? Laat je tong eens zien? Ik geloof, dat die beslagen is”—ze bekeek nu ernstig haar eigen tong in den spiegel;—“Ja, de mijne is rooder; en dat je niet eet, is natuurlijk ’n leelijk ding.”

“En m’n beenen doen zoo’n pijn, en m’n hoofd klopt zoo akelig.——En ik heb zoo’n dorst.”

“Ik zal binnen wat water en melk voor je klaar maken; maar ik vind, dat we even om ’n dokter moeten sturen.”

“Och nee, wel nee; wat weet zoo’n vreemde man er nu van?” zei Else ongedurig, “schrijfliever even aan Han, anders wordt hij ongerust, dat ik niet op college ben.”

“Maar als je geen dokter wilt, moet je ook je ei opeten.”

“Nee, nee, dan word ik heelemaal ziek.”

“’n Beschuit dan.... je moet toch iets in je maag hebben.”

“M’n maag is vol, maar geef maar ’n beschuit, en schrijf dan aan Han.”

Go zat met gefronsde wenkbrauwen aan de groote schrijftafel. De juffrouw was dadelijk om beschuit en Eau des Carmes en ossetong uitgegaan. Nu peinsde ze, hoe thuis toch altijd zieke-soep bereid werd; ze geloofde van schenkelvleesch en poulet.... maar hoeveel.... ze had er geen idee van. Misschien wist Han het; die zou wel gauw komen, als-ie het hoorde. Ze hoopte maar, dat hij vóór ’n dokter zou zijn; maar hij was wellicht uit, en zou dan pas ’s middags komen;.... ze kon ’m niet gaan zoeken, want dan bleef Else alleen;.... ’n angstig gevoel van in haar verlatenheid gebonden zijn bracht tranen in haar oogen, en met moeite bedwong ze ’n uitbarsting van verdriet; ’t was toch wezenlijk nog zoo verschrikkelijk niet, en ze moest de zieke zelf toch niet noodeloos ongerust maken; het was pas één dag, nog niet eens, en de verschijnselen waren niet verontrustend;.... ze had wat weinig geslapen vannacht, daarom was ze zoo nerveus; ze kon immers dadelijk naar Den Haag telegrafeeren, als ’t noodig was, maar voorloopig was er geen reden voor; Else kon beter zelf vertellen, dat ze niet lekker was geweest, als ze Vrijdag weer naar huis ging....

“Zal ik wat bij je komen zitten werken?”vroeg ze na de koffie, waarbij Else twee reepjes ossetong had gegeten, en zij zelf, onrustig rondloopend in de verlaten kamer, ’n stuk koek, ’n appel, ’n stuk brood, zonder zich tijd te gunnen ’n wezenlijk maal er van te maken.

“Ja... maar is dat briefje aan Han wel dadelijk bezorgd? Ik begrijp niet, waar hij blijft...”

“Hij zal uit koffiedrinken zijn,” kalmeerde Go, “ik zal nog ’s vragen aan de juffrouw... Ja, ’t is in orde. De baas heeft ’t zelf meegenomen. Hij zal vanmiddag wel komen; wind je dáár nou niet over op.”

En Go spreidde haar boeken uit, begon zorgvuldig met de vertaling van Ulfilas.

“Zouën ze ’t op college gemerkt hebben, dat ’k er niet was?” vroeg Else, langs het behangsel ritsend met haar witte vingers.

“Natuurlijk; maar nu moet je liever niet praten, zeg. Tracht te slapen; dan ben je gauw weer beter.”

“En als Han komt?”

“Dan roep ik je; dat spreekt vanzelf. En ’k zal alle boodschappen over en weer brengen. Ga nu naar den muur liggen. Ik zal de gordijnen neerlaten.”

“Ik ken het behangsel al precies uit m’n hoofd,” zuchtte Else, “en daar is ’n gaatje, en daar één, en hier ’n scheur.”

Go gaf geen antwoord; ze boog zich stil over de boeken, onderwijl angstig luisterend, of Else in slaap zou raken. Het was schemerdonker in de groote, holle kamer, en dat maakte alles zoo luguber, dat ’t moeilijk was niet bang te worden. De lancaster gordijnen zagen zoo akelig bruin-wit, neerhangend in den lichten dag, en ze zat hier achter in ’t huis; ze hoorde niets van de straat...en zelfs in de voorkamer had ze daar straks zich al zoo geïsoleerd gevoeld, omdat ’t zoo’n afgelegen grachtje was, waar niemand kwam, die er niet moest zijn.

Nu werd er gebeld; het klonk gedempt door, en ze bleef even in spanning, of Else zou blijven liggen, maar die gooide zich met ’n ruk om:

“Is ’t Han?”

“Ik zal ’s kijken..” Nee, ’t waren de blouse-vriendinnen: Riek en Francis; wou ze misschien, dat ze binnenkwamen; zou ’t niet te druk zijn?

Nee, prettig; ze moesten zeker komen; was de kamer netjes? Jawel, dat ging wel.

De jolige kinderen waren eerst stil, geïmponeerd door Else’s liggen in ’t groote bed en Go’s dringend verzoeken, of ze zich kalm wilden houden; maar toen Else zelf lachte, en grappig vertelde van hun getob dien nacht, werden ze óók vroolijker, maakten grapjes over college, waar Else gretig naar luisterde, vertelden, wat ze dien ochtend gehad hadden, en boden aan, ’t dictaat bij te schrijven.

Else vroeg nog ’n kussen, om ’n beetje rechtop te kunnen zitten, en Go leefde op onder het opgewekte praten, dacht: nu kun-je toch ’s zien, wat ’n hoop verbeelding er bij komt;—deed zelf steeds meer mee, drijvend op den stroom van haar blije gedachten.

“Trek de gordijnen toch op,” vroeg Else, “het lijkt wel, of ik al dood ben.”

“Nou, dat zal nog wel schikken met je;... willen we vanavond aan onze blouses komen naaien, hier bij je?”

“Nee; ik sta zoo strakjes op, en dan komt Han natuurlijk.”

“Sta-je vóór ’t eten op, en eet je dan weer gewoon mee? Ik heb geen soep voor je, maar de juffrouw zal vandaag wel geen os geven.”

“Ja; strakjes.” Ze zat recht op, ver boven de dekens uit, met de armen om haar knieën, en Go, opgewonden van vreugde, omdat ze nu geen angst meer had, deed haar klagende stem na van ’s nachts, en hoe ze als ’n bedorven kindje verhaaltjes had willen hooren. Nu vertelde Francis ’n spookverhaal, dat ’n oude meid haar altijd deed, wanneer ze ziek was, en ze lachten allemaal dol om de dwaasheid, terwijl Go limonade maakte voor de visite, in de glazen van de waschtafel, en koekjes presenteerde uit ’t zakje.

“’t Is hier alles een beetje primitief, maar daar moet jullie maar niet op letten;” en ze dronken op het spoedig herstel van de zieke, en stootten met elkaar aan, Else met haar glas water-en-melk.

Om vier uur gingen ze weg, na ’n luidruchtig afscheid, waarbij de dekens van het bed op den grond terecht kwamen, en Else al maar: “Tot morgen, op college,” riep. Go zei, dat ze nu nog ’n uurtje moest gaan slapen, dan zou ze om vijf uur haar roepen, om op te staan, en als Han kwam, eerder. Maar die zou misschien ’s avonds pas komen.

Go ruimde de voorkamer op, liet de juffrouw de kachel aanmaken, vol feestelijkheidsgevoel over de intrede dadelijk, en aan Lize, die om half vijf haar de college-aanteekeningen kwam brengen, vertelde ze, dat de zieke al weer veel beter was; dat ze morgen weer kwam, morgenmiddag tenminste zeker.

Maar om vijf uur werd ze weer ontvangen met kreunend gezucht. Ze stak gauw de kaars aan,wilde ’t plagende toontje van dien middag nog houden: “Wat scheelt er aan, freule? Wie heeft uw misnoegen opgewekt?”

“O, Go, ik ben weer zoo akelig, en ik heb zoo naar gedroomd. Ik gloei heelemaal, en m’n beenen, m’n beenen....”

“Kom, die vervelen zich in bed, je moest ze maar ’s wat te doen geven, kom er uit, luie meid.”

“Nee, ik kan niet; ik ben ellendig.”

Go voelde, dat ze weer meer koorts had en haar oogen schitterden;... ze had zich natuurlijk te veel opgewonden; ze waren domme kinderen geweest;... nu was ’t weer mis en Han kwam maar niet...

“Laten we den dokter laten komen, Els, vóór den nacht; dan weten we ten minste iets;... het zal natuurlijk niets zijn, maar ’t maakt geruster.”

“Och nee, zoo’n vreemde man, die je nog nooit behandeld heeft... Ik begrijp niet, waar Han blijft.... Hoe laat is het nu al?”

“Hij komt zeker vanavond; ’t is bij half zes;.... wat wil-je nu eten? De juffrouw heeft kalfsvleesch en spinazie, ter eere van jou.”

“O, als je blieft niet. Praat niet van eten.” En Go liep weer hulpeloos in de lichte voorkamer heen en weer, soms gauw ’n paar happen achter elkaar nemend; dan weer lang rondstappend zonder aan eten te denken. Het was natuurlijk, dat de koorts ’s avonds hooger werd, en dat Els geen trek had, was geen vreemd verschijnsel. Ze zou straks Marietje even om ’n flesch pruimen of abrikozen sturen; dat was frisch, en zou haar misschien wel smaken;... eens ’n dag niet eten, als je in bed lag, was wezenlijk zoo erg niet, er wasgeen reden om haar moeder ongerust te maken. Als ’t morgen niet beter was, kon ze naar den dokter gaan; bovendien: Han kwam vanavond, en ’n nacht slapen kon zoo enorm veel goed doen.

Ze ging nu ’n beetje stil in de donkere ziekenkamer zitten, achter het bed, zoodat ’t Else niet onrustig maken kon. Ze hoorde de kinderen joelen boven, en de moeder, die:“ssst,”riep; ze moest even glimlachen om Pa, die bij de deur voorzichtig op z’n teenen wipte, maar dadelijk er na z’n voeten weer zwaar neerplonsde op den steenen vloer.

Het was heel triestig. Ze dacht, hoe niemand wist, dat ze hier zóó zat; thuis niet, en geen van de menschen hier, en ze peinsde, of op dit oogenblik iemand op de heele wereld aan haar denken zou: vader en moeder en de kleintjes, of Gerard, of Lize... zelfs Eddy niet? Ze voelde naar den brief, dien ze van ’m had, bij zich droeg, steeds in haar blouse; die haar eigenlijk ’n beetje teleurgesteld had, omdat hij niet de bizondere charme had, welke elk van z’n gesproken woorden zoo heerlijk maakte;—maar er stond toch in, dat hij hoopte haar gauw weer te zien, en t.t. Eduard van Neerwinden; was hij dat wezenlijk? Had hij ’t ditmaal gemeend?

Else woelde, zuchtte eens. “Ben-jij daar, Go?”

“Ja, wil-je wat?”

“Kom een beetje bij me. Ik heb zoo’n vreeselijke hoofdpijn; ’t is, of het ontstoken is van binnen.”

“Zal ik de juffrouw wat eau-de-cologne laten halen?” Ze hadden toch letterlijk niets hier, niet eens eau-de-cologne: wel allerlei fijne parfums van Else, maar daar kon-je niets mee beginnen.

“Ach nee, laat maar. ’t Helpt toch niet. Hoe laat is ’t?”

Go ging naar de voorkamer om op ’t klokje te kijken; ’t was er schemerdonker; de tafel was nog niet afgenomen; ze had vergeten de juffrouw te bellen en alles zag er ontredderd en in-de-war-geloopen uit. Ze bepeinsde, hoe akelig ’t was, als je maar oppervlakkig van elkaarhield, als er dan één ziek werd; hoe vervelend je dat moest vinden;.... en ze keek uit naar Han over den stillen weg. Als Eddy ziek werd, zou ze natuurlijk nog meer van ’m houden, maar voor anderen was zoo iets een drukkende last;.... nu was ’t al half acht; Han zou toch niet uit de stad zijn?

En ze jokte tegen Else, dat het zeven was, en liet haar zich nog ’s ’n beetje wasschen op bed, omdat ze zoo gloeierig was en ’t zoo benauwd had.

Om acht uur rukte Henri de bel bijna kapot: hij was net thuisgekomen, den heelen dag in Amsterdam met een paar vrienden geweest. Hoe ze nu was, en of hij bij haar mocht?

Hij zag er bleek en erg ontdaan uit, en Go werd dadelijk kalm door zijn zenuwachtigheid, zei, dat hij moest gaan zitten, en of hij wel gegeten had....

Toen deed ze verslag van de ziekte, alles nu weeroptimistischerinziend, waarop hij in vliegende haast ’n briefje aan z’n “arm vrouwtje” krabbelde, dat Else zalig deed lachen onder de dekens. Toen Go met de boodschap terug kwam, dat hij ’n snoes was, en dat ze morgen beter zou zijn, had hij al weer ’n nieuw epistel klaar, en Go liep geduldig van den een naar den ander met briefjes en boodschappen, blij, dat Else weer wat beter leek, en dat Han er nu was om haar te helpen. Ze vroeg hem nu ook over de soep, omdat zebang was, dat de juffrouw beleedigd zou zijn, als ze er over begon: net, of haar eten niet goed genoeg was; maar hij wist ’t ook niet, zou echter den volgenden morgen bij zijn ploerterij informeeren, en het vleesch dan door z’n oppasser laten brengen, met een flesch wijn; en natuurlijk kwam hij ook zelf.

Hij bleef den heelen avond, en ze praatten over familie-kwesties; en hij vertelde van z’n vader en moeder, totdat Go er zóó in verdiept was geraakt, dat ze vergat, dat ze in Leiden was, zich thuís had gedroomd, met ’r neef, op ’r kamertje.

Het afscheid was hartelijk.

Go zat in ’n blauwe peignoir van Else op den grond, sneed met haar zakmesje het vet van de stukjes vleesch, die door den oppasser in ’n papier waren bezorgd; ze geloofde niet, dat het het goeie was, want het zag er zoo naar en bloederig uit, maar ze had niemand, aan wie ze het vragen kon, moest maar probeeren, wat er van werd in den melkkoker.

Else was den heelen nacht erg onrustig geweest, maar nu was ze wat gaan slapen; ze zag er slecht uit. Als Han er op stond, wou ze wel ’n dokter laten komen, maar ze zei, dat ’t onzin was; ze konden immers tot morgen wachten, om te zien, of ze Vrijdag naar huis zou kunnen gaan.

Go schudde haar haar achterover, dat ze maar haastig wat in elkaar had gedraaid, en plensde ’n waterstraal op het vleesch in het pannetje; er steeg een weeig-zoetige lucht uit op, en ze begreep niet, hoe Else dat zou kunnen verdragen. Daar kwam iemand voorbij het raam en erwerd gebeld; ze dacht, dat ze Han’s stem hoorde, zei:

“O, zeg, wat is dat voor raar goedje? Die soep wordt nooit goed.”

Maar ’t was Eduard, in rok, ’n verwelkte bloem nog in z’n knoopsgat.

“O, jij! Hoe kom-jij hier?” En in aardige verwarring streek ze door haar krullig haar heen.

“Ik kom van de promotie-fuif van Heerling... en regelrecht naar je toe, om te laten zien, hoe frisch ik na zoo’n feestnacht nog wel ben.”

“Hoe lief van je, Eddy. Ik ben zoo blij, dat je dit zegt. Mag ik wat thee voor je zetten, of ’n boterham maken?”

“Nee, nee, ik dank je wel... Maar kan ik ook adviseeren met die rare soep... koken jullie tegenwoordig zelf?”

“Nee, Else is ziek. Gisteren al den heelen dag; ’t is begonnen met maagkramp en koorts... en pijn in de beenen; en ze wil niets eten; wat denk-jij er van?”

“Ik zou den dokter halen.”

“Jamaar, dat wil ze niet. Zou er gevaar bij kunnen zijn?”

“Nee, dat zal wel níet. Maar hij zou ’t gauwer beter kunnen maken. Ik zou er maar ’s op aandringen bij haar.”

“Soep is toch in elk geval goed, hè?”

“Ja, als dát soep wórdt. Studentje, is huishouden moeilijk?” Hij keek haar zacht aan, en ze sloeg haar oogen neer in ’n heerlijke verwarring.

“Nu,” zei hij, haar hand in de zijne; “ik kom morgen nog wel ’s vragen, hoe ’t gaat. Het beste.”

Han kwam tegen de koffie, ijsbeerde somber de kamer op en neer.

“Dus ze zal van middag niet opstaan?”

“Ik denk ’t niet. Vin-je nu niet, dat we ’n dokter...”

“Ik zal vanmiddag alles eens aan Beerenstijn zeggen, die weet er meer van dan de meeste dokters.”

“Wat denk-je van de soep?”

“Die bruine dingetjes moet je er uit visschen; maar ze ruikt al goed.”

“Zou de juffrouw ’t ruiken?”

“Láát ze. Wil ik die flesch eens open trekken? Geef haar dan wat wijn met ’n ei.”

“Ja en warm houden, hè? Kom-je nog?”

“Van avond. Kan ik geen boodschappen voor je doen? Vraag ’r eens, of er heelemaal niets is, dat ze hebben wil.”

“Nee, niks. Ze is erg stil en down vandaag.”

“Van de koorts. Nu, adieu; ’k ga vanmiddag naar Beerenstijn.”

Den volgenden ochtend zaten ze met z’n vijven te overleggen: het bleef koorts, pijn en geen eetlust, overdag down en ’s nachts onrustig. Go had gehuild, was moe van ’t tobben, Han floot nerveus, terwijl Lou en Coba goedig Go’s cahiers uitzochten om bij te schrijven.

Beerenstijn haalde de schouders op: “Ik weet ’t niet, ’t lijkt me niet onrustbarend; maar toch ’n dokter....”

“Maar wat dénk-je, dat ’t is?”

“Misschien is ’t eenvoudig gevatte kou; maar ’t kan ook iets anders zijn; om er over te oordeelen, zou ’k de patiënt moeten zien.”

“Dat kun-je begrijpen,” viel Han uit. “Als ík er niet eens bij mag.”

“Wij hebben een heel goeie dokter,” zei Coba zacht, “dokter Buys van de Hoogewoerd.”

“Zou ik maar aan tante schrijven?” vroeg Go, òp.

“Wel nee, dat hélpt niet.” Han trommelde ongeduldig op de ramen... “Ken-je hier nu geen oudere dame, Go, de moeder van ’t een of ander meisje, of ’t kan me niet schelen wie, die je ’s raad zou kunnen geven.”

“Ik kon naar Mies de Bruin gaan; die woont hier.”

“Ga gerust; dan blijven wij voor als Elsi wat noodig heeft,” bood Lou hartelijk aan; Han en Beerenstijn stapten mede op, zouden samen fruit gaan koopen, want daar had ze om gevraagd.—

Go vond de straten zoo vijandig licht, en de grond was hard, waar ze stapte. De menschen liepen allemaal zoo vlug en zoo zeker van hun doel. Ze voelde zich arm en uitgestooten er tusschen; er kwamen jongens van college langs, die haar luchtig-vriendelijk groetten; ook meisjes met frissche gezichtjes, die in de zon liepen te lachen,—en niemand stoorde er zich aan, dat ze zoo angstig en afgetobd was, ’t kon de heele wereld niets schelen... Dat groote huis van De Bruin leek ook nijdig-koud, en ze bedacht, terwijl ze de trap opging, hoe slordig en moe ze er uit zien moest en hoe vreemd ’t zou zijn in die nette omgeving.

“Wel, dat is aardig, Margo, dat je nu eindelijk weer ’s komt... Ik heb al lang naar je uitgezien;—maar wat is er? Scheelt er wat aan? Je ziet zoo bleek.”—

Go’s oogen vlogen nerveus door de groote ouderwetsche kamer, met het stemmige eikenhout en de koele familieportretten, keken dan naar het rustige kind, dat zoo paste in die omgeving, koel-vriendelijk, verstandig-onderhoudend,en met toch iets droomerigs in de donkere oogen van veel denken in ’t verleden.

En ze voelde zich onharmonisch, ’n wanklank in die rust, en starend in den ouden tuin met veel klimop en vochtig-donker, zei ze beverig: “Elsi is ziek, al van Maandagnacht af.”

“Maar ’t is nu pas Donderdag;.... dat is nog niet lang,” en Go verbaasde zich: ’t was waar, en ’t leek zoo’n eeuwigheid...

“Maar wat scheelt je nichtje, en wat zegt de dokter?”

“We hebben geen dokter, dat wil ze niet;... ze heeft hoofdpijn en ze eet niet,—en koorts ’s nachts.”

“Ze zal kou gevat hebben; er zijn op ’t oogenblik zooveel menschen ziek; de heele stad door; m’n broer is ook pas beter.... Hoe is ’t mogelijk met dit weer, hè? ’t Komt zeker van de dikke nevels ’s avonds, maar overdag is ’t zalig, vin-je niet?” Ze praatte door met haar aardige stem, vroeg, of Go naar de comedie was geweest, Maandag;—ze vertelde van ’n reisje in de kerstvacantie en ’n voorstel tot reglementsherziening op de club. Toen Go opstond, hield ze hartelijk even haar hand vast: “Je moet je niet ongerust maken over je nichtje; in ’n paar dagen is ze weer beter;.... haal anders even den dokter, als je dat kalmer maakt.”

Go knikte, bedankte; die menschen begrepen niéts; die meisjes, die zelf in ’n veilig huis woonden met vader en moeder altijd beschermend om zich heen, konden zich eenvoudig geen voorstelling vormen, hoe je kon zitten tobben op ’n paar gehuurde kamers, waar je gebrek aan alles, ook aan ’t eenvoudigste, hadt; waar je geen lekkere kostjes voor je zieke kon krijgen, waar je geenwarme pap of ’n kruik voor ze maken kon; waar het huishouden met drukte en hinderlijk gebel vlak bij je doorging, al was ze nu juist eindelijk ’n oogenblikje in slaap gevallen.

Haar kon niet iemand helpen, die ’t niet zelf ’n beetje mee had gemaakt, en ze had nog meer aan de jongens en hun hartelijkheid-zonder-ondervinding, dan aan zóó’n familie;—de juffrouw zou ook boos zijn, moest de soep hebben gevonden, waarvan Else niets had gegeten;... ze was nu wel heelemaal zonder steun. Ze dacht eraan naar ’n professor te gaan; Van Hoof was altijd zoo aardig, zoo’n menschelijke man, en hij had er zich zoo voor geïnteresseerd, toen ze vertelde van hun kleine ménage;... z’n vrouw zou misschien—maar alle menschen waren zoo rustig en kalm en wijs en deftig hier, en ze voelde zich zoo opgezweept, ze was alle gevoel van proportie kwijt; ze verbeeldde zich, dat Else levensgevaarlijk ziek kon zijn, ze stelde zich voor, dat ’t iets héél ergs was;... ’n bordje blikkerde in haar oogen: Arts; ze had al aangebeld, voordat ze er zich rekenschap van had gegeven, de meid trillend gevraagd, of de dokter vooral, vooral dádelijk na z’n spreekuur komen wilde;—en nu was ze weer op weg naar huis, ’n beetje moe, ’n beetje verbaasd, bang voor boosheid van Han of Else;... en verbeeld je nu ’s, dat ze al ’n heeleboel beter was...

De juffrouw stond met Lou en Coba in de voorkamer te praten, en ze zwegen allemaal, toen ze binnenkwam.

“Heeft ze nog iets noodig gehad?”

“Nee, ze ligt stil; ze heeft erge pijn overal. Komt Mies ’er moeder nog?”

“Nee, ik heb den dokter gehaald.”

“Wie?” vroeg Coba, maar dat wist ze niet; had niet naar den naam gekeken.

“Of u gelijk heb,” knikte de juffrouw voldaan, “mijn beviel de juffrouw niks;... dat is maar: ik lus niks, en ik wil niks; dan mankeert er wat van binnen.... En ’n dokter weet toch meer as ’n ander, daar is-tie dokter voor.”

Lou en Coba gingen nu weg met hartelijke wenschen en handdrukjes, terwijl Go naar de kamer van Else ging, gevolgd door de juffrouw-in-actie, die ’n sprei op ’t bed wilde leggen, en de kamer wat netjes maken en de patiënt moest ’n schoone nachtpon aan: “ja, guns, voor de dokter,”—en Else weerstreefde niet, liet met zich doen als ’n kind, knikte, dat ’t goed was, ja, ’t moest wel; ze werd eer erger dan beter.

Go had Han en Gerard weggestuurd; ’t stond zoo mal, als de dokter kwam, en er zat zoo’n heele gemeente. Ze bleven op de gracht heen en weer loopen, telkens inkijkend door ’t raam, of hij er nog niet was, vingen Eduard en Lize, en Coba en Francis en Beerenstijn op, die allemaal belangstellend wilden komen vragen, zoodat er ’n lange rij voortdurend heen en weer trok onder groote belangstelling van de buren, daar ze in hun jeugdige luchthartigheid allemaal, behalve Han, zoo nu en dan de ernst van ’t oogenblik vergaten.

Go kwam soms voor ’t raam, met roode wangen, de schouders ophalend; dan liep ze weer heen en weer, bedacht, of ze zich voorstellen moest,—ze wist zijn naam ook niet,—of dat ze maar ineens beginnen zou met ’t verhaal, hoe alles zich had toegedragen;—ze moest vooral opletten,dat Else ’m alles zei van de beenen en de kramp en het benauwde gevoel in haar maag soms.—

Om half vier werd er gebeld. De juffrouw, met ’n schoone schort voor, kwam opgewonden vragen, wat ze doen moest, “als ’t den dokter was....”

“’m Hier binnen laten,” zei Go beverig, en ze schudde afwerend ’t hoofd tegen Gerard, die even tegen ’t raam tikte: “daar istie.”

’t Was ’n vriendelijke, oude, gemoedelijke man, die rustig naar ’t nerveuze verhaal zat te luisteren, toen opgewekt vroeg, de patiënt eens te zien. Achter in de gang stond de juffrouw met de jongste op den arm, de anderen om haar heen, de gebeurlijkheden af te wachten, knikte Go bemoedigend toe, toen de dokter de slaapkamer inging.

“Geen eetlust—nee, pijn in de beenen zeker; armen ook? ’n Beetje.”—“Hoe weet die man dat zoo precies,” dacht Go in bewondering,—“wat koortsig; ja; je hebt influenza, beste kind; maar flink onder de wol blijven. Reizen, morgen? Nee, geen kwestie van; deze week je bed niet uit;—Zondag misschien wat in de voorkamer; oppassen voor kou vatten, verder geen gevaar bij. Nee, juffertje, jij hoeft je niet zoo op te winden, hoor,”—en hij gaf Go gemoedelijk ’n tikje op de ijskoude hand;—“dat is de volgende week weer in orde. Ik zal ’n drankje geven, ’k kom Zaterdag nog ’s terug”....

Go bedankte ’m in de gang, huilend bijna: “Ik ben zóó ongerust geweest,”—en zoodra hij de deur uit was, brak de heele wachtende schare van buiten en de juffrouw met vele kinderen de voorkamer in.

“Wel, wat zeit-ie? Wat is ’t?”

“Ze heeft influenza,” verklaarde Go triomfantelijk; “’t is ’n allerliefste man, en het kan niets geen kwaad, als ze erin blijft. Hier is ’t receptje.”

Beerenstijn nám het, studeerde er zwijgend op.

“Is dat om te éten?” vroeg de juffrouw, “zei die ook nog, dat ze iets bizonders moest hebben? Ik ken alles klaarmaken.”

“Lichte kost—kalfsvleesch en iets frisch...” fantazeerde Go, “maar ze mag natuurlijk niet naar huis, Han.”

“Ik ga vanavond zelf even naar Den Haag, het aan haar moeder vertellen; dan schrikt ze niet zoo.”

“En wanneer komt-ie terug? Begrijp-u, wat er op staat?” informeerde de juffrouw bij Beerenstijn.

“Ze zal er wel beter van worden... ik breng ’t dadelijk zelf weg,” antwoordde hij, met ’n sfynxig lachje.

“Zaterdag zou-die weer komen; ze mag Zondag misschien wel ’n beetje op,” vertelde Go, “maar laten we ’r toch niet zoo lang alleen laten liggen.”

“Ik ga mee naar de apotheek; adieu!” zei Eduard, en Go keek ’m voor ’t eerst weer’s gelukkig aan, nu de angst haar vrij liet, dankbaar, dat hij zoo lief was.

“Ik kom nog vertellen, hoe ’k ze in Den Haag heb gevonden.” Han reikte Go ’t briefje, dat hij snel in ’n hoekje nog even had geopend.

“Kan ik nu alleen niets doen?” vroeg Gerard, “weet je nu wezenlijk niets te bedenken? Ik ben tot alle boodschappen bereid.”

Go dankte: “Jullie zijn allemaal zoo aardig, jullie nemen me alles uit de hand.”

“Neem nu vannacht ’s goed rust,” raadde hijbij ’t afscheid nemen, “je ziet er zoo dood-moe uit, en nu ben je toch niet bang meer... Gaan jullie misschien mee, meisjes?”

“Mogen we even bij Elsi?” vroeg Francis, “ik zal nu niet zoo uitgelaten zijn, als de vorige keer.”

In de slaapkamer vergaderden ze nóg ’s “en petit comité”: de juffrouw met de twee oudsten, Coba, Francis, Lize en Go. Else lag ’n beetje te lachen, gerustgesteld, maar verveeld, dat ze vast niet voor Zondag er uit mocht.

“Ik geloof wel, dat ik niet eens kan; maar ’t is toch ’n akelige boel.”

De juffrouw knikte veelwetend, en troostte: hoe lang influenza soms duren kon....

Go vertelde nu nog ’s precies, wat de dokter gezegd en gedaan had; ze voelde zich zóó opgelucht, dat ’t haar was, of Else eigenlijk al beter was; en ze stonden allemaal tevreden en rustig bij ’t licht van de kaars om het bed, en praatten over ziekten van henzelf en familie, en dat je toch ongerust was, als je niet wist, wat ’t was; altijd weer eindigend in de tevreden beschouwing: dat ze het nu wél wisten en daarom allemaal zoo kalm en voldaan waren.

Om tien uur den volgenden ochtend kwam tante, in ’n keurige japon met ’n opgewekt gezicht, en nam, zonder eenigen pathetischen uitroep van zorg en ongerustheid, Go’s plaats aan het bed van haar dochtertje in.

“Dat leek me toch gezelliger,” zei ze met ’n vriendelijk knikje, “en bovendien was zoo’n oppas voor jou alleen veel te zwaar.... Else is niet zoo’n heel makkelijk patiëntje, hè kindje;—en je ziet er wezenlijk miserabel uit. Vanmiddag gaan Han en jij maar ’s samen ’n flink eind loopen....”

Mevrouw Gerzon sliep nu in Go’s bed, die zoolang ’n kamertje boven betrok. Het heele huishoudentje veranderdeoogenblikkelijkonder leiding van ’n “moeder”, en Go was er verrukt over, dat de kamers opeens zoo’n ander aanzien hadden gekregen, nu tante met ’n handwerkje naast de kachel zat, nu zij ’t vleesch sneed, of ’s avonds achter ’t theeblad troonde. ’t Werd volmaakt, toen Zondag Else wankelend en langzaam, ’r bleek hoofdje bijna verdwijnend in de kraag van de wijde cape, de kamer binnenkwam, die feestelijk was met bloemen en alle lichten aan, en waar Han wachtte, die z’n “kleine vrouwtje” zoo dankbaar in de armen sloot, en zóó vol verrukking haar telkens in ’t vermagerde, fletse gezichtje staarde, dat Go zich bekende, dat hij toch wel veel méér en wezenlijker van haar hield, dan ze had gedacht.

Hij mocht dien middag blijven eten, en er was taart en wijn en dessert, en tante stuurde ’n heele bezending naar boven voor de juffrouw.... en de volgende dagen was er telkens bezoek, dat keurig ontvangen werd, en gezellig onderhouden; elken avond was de kamer vol jongens- en meisjes-vrienden, en tante was allerliefst, vond het aardig ze allemaal ook ’s te leeren kennen, liet zich vergoden door Coba en Riek, die bloemen aan haar brachten, en gaf den jongens huiselijken, hartelijken raad; toch ook blijvend femme du monde, die au courant is van opera’s en concerten en tooneel. Eduard vond ze “charmant”, z’n gentlemanmanieren voortrekkend boven Gerard’s rondheid; en Go droomde hem al ’n lid van de familie, als ze ’s avonds in ’n kring zaten onder het licht, Han en Else bij elkaar; zij met hundrieën om de tafel, en zijn stem afwisselend met die van tante door de stilte.

“Gaat u wezenlijk morgen weg, mevrouw?”

“Ja jongen, m’n plicht is hier volbracht—Else heeft me niet meer noodig.” En ze keek lachend naar ’t dochtertje, dat stoeide over de canapé.

“U moest maar altijd blijven,” vleide Go, “het is zoo prettig.”

“Of jullie je vrijheid niet liever hebt! Waarom loop-je anders weg van je ouders?”

Er was ’n beetje bitterheid in haar lieve stem; ze had de laatste dagen weer zoo gevoeld, dat Else haar eenige was.

“Maar tante, u weet toch...”

“Welke ouders kunnen hun kinderen altijd bij zich houden,” peinsde Eduard. “Ze studeeren—of ze trouwen; dat komt op hetzelfde neer.”

“En mijn dochtertje doet allebei: eerst studeeren en dan trouwen,” tante lachte alweer. Maar Else had Henri ’n papieren muts gemaakt: “Hoe vin-je ’m!” juichte ze jolig.

“Zijn jullie altijd zulke kinderen? Elsi, denk toch aan je waardigheid als student.”

Maar zachter zei ze toen tegen Go en Eduard: “Misschien doet ze ’t eerste ook niet.”


Back to IndexNext