Hoofdstuk XIII.

Hoofdstuk XIII.Nu was het overal lente en iedere dag was ’n feest.Dat begon al ’s morgens vroeg, als ze wakker werden van het vroolijk geklok van de kippen op ’t zonnige plaatsje, en ’t rinkelen van ’t gordijn, heen en weer bewogen door geurige koeltjes. ’t Was nu ’n plezier dadelijk uit bed te springen, en te plassen en te stoeien met water, tot je heelemaal lekker frisch en lenig was.... En dan ’t binnenkomen in de huiskamer, waar de tafel, mooi-wit, voor hun tweeën stond gedekt, het glimmende trekpotje op ’t comfoor met doorschijnende glaasjes. Dan moesten ze lachen tegen elkaar van louter vreugde om hun heerlijk huishoudentje, in die aardige kamers; dan scharrelden ze zonder veel praten innig-vergenoegd ’n beetje rond, om eieren te koken en de bloemen te verfrisschen; en staken de jonge hoofden uit ’t raam in de koele morgenlucht om te kijken, of hun zwanen nog niet aan kwamen drijven. Die gleden statig op ’t lichtende water, zon over den blanken staart, en bleven stil voor ’t huis, de koppen in trotsche in-zich-zelf-gekeerdheid gebogen, ongevoeligin hun afwachting, als ’n beest van papier-maché.Else en Margo liepen de deur uit, de handen vol brokjes brood, en wierpen ze in ’t water, en zagen, hoe ze ze oppikten, terwijl de duiven van den overbuurman jaloersch begonnen te fladderen.Als ’t carillon negen speelde, moesten ze hollen naar college; ze stormden op tegen de hooge brug, dat ze zwiepend neerveerde in ’t midden, ze sprongen de stoepjes op en af, hijgden binnen met warm-roode wangen. Ieder scheen nu levendiger en helderder te zijn, en er was ’n eenheid van geanimeerde belangstelling. De professor sprak bezield; de jeugd was open om z’n woorden op te nemen. In den ouden tuin zag Go de knoestige pereboomen met ’n sluier van blanke bloesems getooid, en overal werkten kleine, groene puntjes zich open aan de struikjes. In ’t vrije kwartier ontplofte de wetenschap-spanning in ’n jubelend gejoel vol uitgelatenheid; de meisjes, enkel in hun japon, meestal zonder hoeden, speelden krijgertje om de groote, oude kerk, waarvan de kleine, groene glaasjes in de zon schitterden. Als er één goed gerespondeerd had, werd er op koekjes of caramels getracteerd bij de “snoepjuffrouw” ’n paar huizen van college; en het zakje ging van hand tot hand, opdat ’t leeg zou zijn, wanneer ze weer naar binnen moesten.Onderwijl liepen de jongens, bezadigder, op het Rapenburg aan den zonnekant kalm heen en weer en rookten sigaretjes, vaderlijk glimlachend als de uitgelaten meisjesschaar hun lachende voorbij trok.Eén ochtend, dat ’t buitengewoon mooi was,—je zag, je rook, je hóórde de lente,—waren ze in ’t vrije kwartier met z’n allen naar denhortus getrokken: niet alleen de meisjes van het tuinlokaal, maar ook de candidaten van boven en de twee classicae, die enkele colleges in de Kloksteeg hadden.Alle boomen stonden te trillen van verwachting, alsof het wonder dadelijk gebeuren zou; er was geen wind, en de lucht zóó overvol van geur en zoelte, dat ze scheen te zullen bréken bij de minste beweging.Ze liepen allemaal stil langs de perken, waar de lilas crocusjes stonden, en de blanke akermannetjes, groen gestipt; en ze gingen met hun handen tegen de bottende boomen, en over de kleine struiken; het water lag in de zon; neuriënd en diep-ademend liepen ze door ’t rots-partijtje, en gingen even op ’n bank zitten bij de groen-glazige serre.De oude tuinman, die toegewijd z’n kleine potjes in de zon droeg, knikte vriendelijk van: “heerlijk weertje,” opende daarna gedienstig het hek;.... maar toen ze op ’t Rapenburg liepen, nog stil-gelukkig om de mooie wereld, speelde het opeens kwart-over, en met gilletjes van schrik en kinderlijke pret hólden ze op de groene deur toe, de kille gang door, bleven dan huiverend staan voor ’t gesloten lokaal, waar de professorsstem al uit opklonk;—en eindelijk, binnendringend, verlegen en buiten adem, zagen ze de eerste rij stoelen open, hun cahiers op de verlaten tafeltjes, en ze begonnen te lachen, en de jongens proestten, en de professor lachte ook, en keek op z’n horloge, en naar ’t stoffige raam, waar de zon zoo tergend-mooi door schilferde,.... en, even z’n hoofd schuddend, recapituleerde hij nog maar ’s, wat hij zooeven gezegd had.—Dan—’s middags na college—werden groote wandelingen gemaakt. Eerst was ’t geweest om de eerste elzekatjes en ’n enkel, kortstelig madeliefje te zoeken, uitglijdend op den weeken grond aan de slootkanten, waar hier en daar nog ’n ijsvliesje zichtbaar was, overblijfsel van fel-koude nachtvorsten.Later gingen ze met ’n boek aan den kant van den weg zitten, en Go had er op aangedrongen, dat het een studieboek zou zijn; maar terwijl zij voorlas vansa-bâ ahas, en de ontwikkeling van beteekenis van het naamwoordnasati, lagen Lou en Coba over het vlakke weiland te kijken, waar de vredige koeien zich koesterden in ’t zonnelicht, en dan zweeg ze eindelijk ook, en staarde over het boek heen in den wolkeloos strakken hemel, en naar ’t zonnige slootje met rietpluimen aan hun voeten; en ze luisterden met hun drieën naar de stilte van het herlevend land.Na het eten, dat jolig verliep met gekibbel over het vleesch en de pudding en den sinaasappel, liepen Else en Go dadelijk de deur weer uit, om voor ’t laatst van het lieve stadje te genieten, dat nu als betooverd lag in den gouden avondgloed. Nu was het ’t drukst-stil op straat van den heelen dag: overal gingen ramen en deuren open, ieder wilde nog genieten van de heerlijke, zoele lucht. In groepjes kwamen de studenten uit de kroeg en ’t Vegetarisch, liepen de Breestraat af, ’t Plantsoen, de Singels langs. Fietsers gleden zachtjes de gladde paden over, rustig-rechtop, één hand even aan ’t stuur; er was ’n zacht geklink van fluiten en van éven-zingende vogeltjes in de stilte, ’n teere blijheid lag over alle huizen en boomen, en over alle jonge gezichten.Het was zeker, dat ze kennissen tegenkwamen: De Veer in ’n open bakje, met ’n bloem in z’n knoopsgat; Coba, die met mevrouw wandelde, Gerard of Beerenstijn of Hoefman. Han werd altijd gefloten, als ze langs z’n kamer kwamen, en dan liep hij mee op, tusschen hen in, en gewoonlijk kwam na ’n poosje ’n vierde en vijfde er bij.Eens waren ze met Eduard, die met Bruno wandelde, ’n eind buiten Leiden geloopen; het was toen al bijna heelemaal donker en de slooten leken looden strepen; achter hen was de hemel rossig van de lichtende stad. Ze hadden niet veel, en niet intiem gepraat, maar er was een groote vrede in de onbeweeglijke duisternis, en Go had soms stil haar hand op Bruno’s kop gelegd, in ’n behoefte zachte teederheid te geven, zooal niet aan hém, dan toch tenminste aan ’t dier, dat z’n eenzaamheid troostte, en bij ’m was in de uren van verslagenheid.Opééns was de figuur van ’n gebogen man voor hen opgedoken, en vlakbij hadden ze Hans herkend.“God, kerel, wat doe-jij hier op je eentje?” riep Eduard.“Ik mag eer vragen, wat jullie hier met je vieren doet?” had hij, even ontstemd, geantwoord. “Dit is het paadje om alleen te loopen, als je je zonden eens overdenken wilt.”“Wij overdenken sámen onze zonden, en dan is ’t zoo akelig niet,” antwoordde Eduard, met ’n lachje tegen Go; en ze waren met hun vijven naar de stad terug gegaan, die als ’n zwarte massa tegen den rossen hemel stond.Bij ’t licht viel ’t Go op, hoe slecht Hans er weer uitzag.“Zeg, je werkt toch niet te hard?” had ze hartelijk gevraagd. “Je ziet zoo bleek, jongen.”“Ik weet niet, hoe iemand ooit hard genoeg werken kan. Als je ’s rekent, dat die groote, groote wereld met al die menschen nu al duizenden eeuwen bestaat.... en dat wij, laten we zeggen zestig, zeventig jaar dat leven mogen meemaken, en in dien tijd alles doorwerken en doordenken moeten, wat er ooit op de wereld is gedacht en gedaan, om tot ’n waarheid te komen, die ons nú bevredigt—-”“Vooral als je van die zeventig jaar, vijftien jaar onbewustheid, èn alle lentes moet aftrekken, wanneer geen verstandig mensch iets uitvoert, ieder zich alleen láát leven.”En Eduard barstte juichend uit: “Es brechen in schallenden Reigen die Frühlingsstimmen los.”“Alleen heb ik ’t gevoel, dat je niet wezenlijk “leven” kunt, voor je weet, wat ’t leven eigenlijk is,” peinsde Hans. “Maar misschien is ’t zóó wel beter; als je de mechaniek van de tooverlantaarn kent, is er ’n hoop van de aardigheid van de plaatjes af.... Hou-jij óók zoo dol van de tooverlantaarn, Go?”En ze vertelden vroolijk hun herinneringen van kinderpartijtjes, tot ze bij het oude grachtje waren.Alle dagen waren licht, alle nachten zoel en geurig, terwijl de lente aanzwol tot zomer, en de boomen schaduw begonnen te werpen over den blikkerenden weg.Ze zouden ’n middag op ’t “Witte huis” gaan koffiedrinken: alle leden van “Laborando vincimus” met Lou en Coba en Francis als invitées. Na college stormden ze weg om de fietsen uit de bergplaats naast ’t gebouw te halen, en de professoren stondendoor de blauw-gehorde ramen toe te kijken, hoe jolig en vief het clubje opsteeg en wegreed, met vroolijk roepen van den een naar den ander en gelach van ’t haasten.Lize was alleen nog na blijven pennen, omdat hier en daar ’t dictaat haar te snel was gegaan, en Hoefman ziende, die nog draalde bij de deur, vroeg ze zijn cahier om even in te zien, verdiept in de namen en jaartallen van de schismatische pausen.“Wat ’n zalig weer, juffrouw Schermer,” begon Hoefman tegen haar tafeltje leunend.“Ja... staat daar 65?” vroeg ze zonder opzien.“’t Is echt weer om te wandelen... Doet u dat wel ’s?”“Nee; dank u voor ’t cahier... Dag meneer Hoefman.”“Ach, ga nu nog niet weg...” en hij liep haar na in ’t kamertje. “Ik wilde u wat vragen... toe, u moest ’t maar doen. Bijna alle meisjes van college zijn naar ’t “Witte Huis”. ’t Is zulk eenig weer, en ’t zal er zoo prettig zijn. Gaat u ook mee!”“Ik dénk er niet over; ik moet op de bibliotheek werken vanmiddag.”“Dat kunt u toch; ’t is maar om ’n uurtje te doen... we fietsen er in ’n oogenblik heen.”“Ik heb geen fiets.”“Dan loopen we; zooveel te gezelliger. ’t Is zoo’n mooie weg... en u zult beter kunnen werken na zoo’n wandeling.”“Maar ik ken er niemand,” zei ze met zwak verzet. Wat wou die jongen toch van haar! Maar hij wàs aardig.“U kent juffrouw Herderts en juffrouw Gerzon, en die twee andere dames van college, en mij, ’n beetje.”“Toe dan maar... U zult zien, dat ik storend werk op de pret; maar dan heeft ’t tenminste ’t voordeel, dat u me niet meer lastig valt.”En ze begon ’n gesprek over de moeilijkheid ’n leesbare uitgave van Ruysbroec te vinden, maar bij ’t station had hij haar al over bloemen aan ’t praten, haar oogen begonnen levendiger te worden, ze kreeg ’n beetje kleur, en toen in de laan bij ’t “Witte Huis” de fietsende en krijgertje spelende menigte hun joelend te gemoet kwam, stak ze niet te zeer af bij de uitgelaten pret.Er was buiten ’n groote tafel gedekt, waar ze zelf de stoelen voor aansleepten; Frieda, die er in ’n grijs japonnetje met haar fijn, sereen gezicht allerliefst uitzag, werd tot tafelpraeses benoemd, verzocht de heeren dringend niet te vechten om hun plaatsen. Hoefman zat naast Lize, maar de stoel aan haar anderen kant bleef geruimen tijd leeg, en er werd over “gesmoesd” onder de jongens, tot Hans, zonder opvallendheid, naast haar zitten kwam, en dadelijk begon te praten over ’n artikel in de Gids over het stamland der Indo-Germanen.“Komt Rolands niet?” vroeg Go, terwijl ze boterhammen “hakte” van den langen broodstok.“Nee, die had geen zin of geen tijd; allemaal suiker en melk?—” en Gerard rammelde met de groote koppen en de koffiekan.Coba gaf aan Hoefman de beste adressen voor boter en koffie op, “maar je moet natuurlijk niet te veel tegelijk laten halen; dan bederft het.”En nu kwam Go los met ’n grappig verhaal over ’n scène met de juffrouw, die geen ons boter en geen half ons vleesch tegelijk wilde halen. “We zijn nétte menschen, en voor ons zelf zouë we ’t ook niet doen. Ze kijke je er in de winkelop an, en noeme je “halve-onze-juffrouw.” ’n Half ons ham of rookvleesch; dat plááts ik nog... maar leverworst, of cornét-bief...”“We wisten eenvoudig eerst niet, wat ze meende, met ’r cornét-bief,” lachte Else.“En hoe liep ’t af? Némen jullie nu, om ’t fatsoen van de juffrouw, ’n héél ons?”“Nee, die onbetamelijke boodschappen doen we nu zelf....” en Go gaf reikend het vleeschschaaltje aan Lize, die stil was geworden, en met wijd-open oogen keek in de boomen en de blauw-lichte lucht.“Juffrouwen-die-kamers-verhuren zijn de heerlijkste, vermakelijkste, interessantste menschen, die je je denken kunt,” begon De Veer gezellig. “Als mijn juffrouw kwaad op me is, omdat we ’s nachts herrie hebben gemaakt, of vuile boel op mijn kamer, geeft ze me olie in m’n lamp, die niet branden wil, “vergeet” me m’n brieven te geven, en stuurt alle berenleiders naar m’n kamer;.... maar heb ik daarentegen haar goedgunstigheid opgewekt, dan heeft ze allerlei kleine verrassinkjes: ik krijg ’s avonds opeens ’n ommelet binnengebracht, of ze wascht m’n handschoenen.... en alle schuldeischers, zèlfs ’n deurwaarder, houdt ze met mooie praatjes aan de deur.”“Komen die dan zoo druk bij jou, deurwaarders?” vroeg Frieda, die brood voerde aan Bruno.“Nou, zoo in ’t begin van de maand, hè Eddy?” en Eduard vertelde lachend aan Go, dat hij en Wim en Rolands ’n driemanschap hadden gesloten tegen die lastige rustverstoorders: in ’t begin van de maand huisde ieder op de kamer van den ander, zoodat “meneer” nooit thuis was, en zetoch niet den heelen dag in bed hoefden te blijven, of op de kroeg te hangen.“Want je weet niet, hoe melancoliek dat maakt, als je uur na uur met je boek, met de krant, maar zoo’n beetje ligt te soezen in ’t grijze licht, en telkens schrik-je wakker van ’n stem, die naar “meneer Neerwinden” vraagt, en je hoort je juffrouw, nijdiger, naarmate de dag verder vordert,snauwen: dat meneer op bed leit, dat meneer niet bij de hand is. En de kerels nijdig terug, dat ze nou al zoo lang er om loopen, dat ’t nou ’s uit zijn mot,... zoodat je aan ’t eind ligt te rillen bij de gedachte, dat ze wel ’s zouën kunnen binnenkomen.”“Nou; wat dan nog?” lachte De Veer, “als je ’t nu toch eerlijk niet hebt?”Maar Francis leidde de aandacht af, door op ’n beeldig, klein vogeltje te wijzen, dat op den grasrand sprong; ze wierpen er stukjes brood heen, en slopen zachtjes nader om ’t van dichterbij te bekijken. De tafelorde was verbroken; Go snoepte klontjes suiker, en wierp er ook den hond van in den geopenden bek; Lou en Coba liepen arm in arm den kant naar Endegeest op, vanwaar ’n geheimzinnig, triestig gezang opklonk; de anderen stonden en hingen over de stoelen te overleggen, wat nu.“Ik ga dadelijk terug,” zei Lize. “Je hadt gezegd, dat ’t maar ’n uurtje duren zou en ’t is kwart voor twee.”Hoefman trok zich den verwijtenden toon niet aan: “Als je per se wilt, ga ik mee,” en hij keek met voldoening in haar levendig gezicht; ze had haar hoed afgezet, en haar haar sprong weerbarstig uit den stijven wrong.“Dag lui,” wuifde hij, en hij voelde zich trotsch, toen ze ’m verwonderd nakeken.“Wat wíl die kerel toch met dat meisje?” vroeg Eduard, terwijl ze den weg langs de tulpenvelden in gingen. De groote bloei was al voorbij; hier en daar wiegden nog enkele roode en witte ballonnetjes, maar er tusschen was veel kale aarde, en ze vonden ergens in ’n sloot ’n heele hoop verwelkende bloemen, die zoo maar als waardeloos waren weggegooid.“Hoe zonde,” zei Go, er bij neerknielend, maar Gerard trok haar weg: “Moet je nou in de sloot vallen, meisje, om zoo’n verrotte bloemen-hoop; kijk, daar bloeit meidoorn en wikke en convolvulus: pluk dáár liever van.”Hans en Wim waren aan ’t ver-springen over de sloot, zonder stok; en Eduard ging aan den kant zitten om ’n fluitje van het riet te maken, dat schallende klank gaf over den stillen weg. Hij moest er toen ook een voor Go maken en voor Else en voor alle meisjes, behalve voor Frieda, die ’t “afschuwelijk” vond, toen ze toeterend en krijschend naar ’t hôtel terugkuierden.Daar stonden de fietsen in ’n lange rij; er werd betaald; de meisjes ordenden haar haren, en met veel geplaag om Coba, die “er nooit óp komen kon,” vertrokken ze in groepjes, snel wegwielerend door de hooge laan.Go en Eduard kwamen achteraan; hij had haar fiets met de lange wikke-ranken en de geurige meidoorn opgesierd; de warme lente woei in hun lichte gezichten, en ze praatte opgetogen over den mooien weg en de aardige, wuivende boomen. Ze reden binnendoor, langs smalle kronkelende paadjes; telkens zagen ze fietsenglimmeren in de verte, en dan was ’t weer weg; soms riepen ze tegen elkaar, schallend, dat de vogels schrikten.Eduard dacht, dat Go nu heelemaal was, zooals hij haar ’t liefste zag: jong, open, gelukkig, genietend van ’t oogenblik, vertrouwend in het leven, in de menschen, vóór alles in hem. Hij keek haar zacht en innig aan, en voelde, dat zoo’n meisje bij de lente hoorde.Nu bogen ze den hoek om, en opeens, langs ’n zijpad, zagen ze Rolands’ klein figuurtje naast ’n rijzig “jufje” gaan, Rolands’ bruin kopje vragend naar haar opgeheven, terwijl z’n beenen onzeker gingen, en z’n heele houding pijnlijke verwachting uitdrukte.Eduard keerde zich dadelijk naar Go, zei iets van den weg, om haar af te leiden, maar hij zag in haar oogen, dat zij ’t begrepen had en zweeg, in z’n hart foeterend op “die stomme, kleine nikker.”Maar toen tranen kwamen, en Go al maar zwijgen bleef, met iets zoo hopeloos-bedroefds en gebrokens in haar gezichtje, dat hij begon te voelen, wat ’t voor zóó’n kind zijn moest, als ze iets dergelijks zag, boog hij zich over haar heen, zacht vragend: “Wat is er, Gootje?”Ze schudde haar hoofd, en haar haren bewogen rythmisch op den wind.“Ja, nu jok-je; er is wel wat. Je ziet er opeens zoo vreemd uit. Je was zoo even heelemaal anders.”“Maar ’t is ook zoo verschrikkelijk,” barstte ze smartelijk uit, “het was alles zoo mooi, de weilanden en de boomen, en de hééle wereld, en ik had zoo ’t gevoel, dat iedereen goed moestzijn, bij zulk weer. En nu hij daar opeens, zich weggooiend, vragend aan.... op zoo’n heerlijken lentedag iets zoo leelijks.”“Maar ’t is juist in de lente en met ’t mooie weer, dat zulke dingen gebeuren,” antwoordde Eduard zachtjes, en hij zag, hoe ze over de lichtende landen keek met ’n nieuwe gedachte in haar oogen, dat ze vaag iets nieuws voelde in de groeiende wereld om haar heen, waar ze vroeger nooit aan had gedacht, en dat ze ook niet mooi vond.“Ik ben zoo bang, ik word zoo bang voor al dat vreemde overal, waar ik wel ’s van gehoord heb, maar nooit over gedacht.... En vóór je ’t ziet, heb je ’t niet begrepen.—Ik voel me hoe langer hoe onrustiger, nu ik weet, dat zoo iets met een van onze vrienden gebeuren kan.”Ze streek nerveus haar haar weg; ’t stuur wankelde, en hij legde z’n smalle hand naast de hare.“Ja,” zei hij zacht; “zoo zijn wij studenten;—zoo zijn we bijna allemaal.”Ze gleden voort onder de hooge boomen, de handen vlak naast elkaar. Ze voelde z’n oogen over haar gezicht gebogen, en stil keek ze recht voor zich uit. De wereld was anders, dan ze ooit had gedacht in haar meisjesdroomen; en ’t geluk was anders. Het groeide in haar met toenemende pijn.Hoofdstuk XIV.Go zat op de kist, die in ’n hoek van de kamer stond, maakte zorgvuldig ’t boodschappenbriefje voor de juffrouw op: “Dus nog vier eieren, Elsi, en den man van de schuit waarschuwen voor de koffers... en pakpapier voor de gravures.”Else knikte, zuchtte even. “’t Laatste briefje,” zei ze zacht, en opeens scheen ’t haar, dat ze het toch verschrikkelijk vond haar leven hier te verlaten, dat ze toch altijd terugverlangen zou naar Go en de kamer in de kleine stad, al was ’t in ’n vreemd land nog zoo mooi en interessant. Toen haar moeder voor ’t eerst er over sprak, dat ze liever met studeeren ophouden moest,... over één, anderhalf jaar zou ze met Han kunnen trouwen, en wat hád ze er dan aan, of ze candidaat in de rechten was,—had ze zich eerst hevig verzet, en gehuild, dat ze hiéld van haar studie—“erg platonisch”, had haar vader geplaagd—, dat ze niet weg wilde uit haar lief Leiden—, maar toen later over het plan was gesproken haar eerst ’n poos naar Brussel en daarna naar Londen, misschien ook nog naar Duitschland te zenden, om goed de talen te leeren, wat breederen blik te krijgen en zich tebekwamen in ’t huishouden,—en toen de brieven met inlichtingen over families waren gekomen, en er gepraat was over uitstapjes en opera’s en concerten,—had ze er langzamerhand plezier in gekregen, en zich ’n beetje “grande dame” gevoeld tegenover de andere meisjes, die altijd stil hier zouden blijven; en prettig ook met Han erover gepraat, dat ze nu een echt huisvrouwtje ging worden, dat dat toch beter was dan geleerdheid. Maar nu.... nu haar kisten al voor ’n deel naar huis waren gestuurd, nu de kamers rommelig en ontredderd waren, en ze samen in den schemer ’t laatste briefje voor de juffrouw zaten samen te stellen en ze straks voor ’t laatst met Han langs de stille grachtjes loopen zou, voelde ze zoo’n wijden weemoed om het heerlijke jaar, dat voorbij was, dat ze álles had willen geven—Brussel en Londen en alle grootsche weelde,—om hier te kunnen blijven, met Han en Go, tusschen de jeugd, tusschen de vrienden, in de bescherming van de oude huizen.“Och,” zei Go, “je moet maar denken: ’t afscheid is voor ons eigenlijk ’t zelfde; of je nu voor altijd gaat, of voor drie maanden;.... ’t is iets, dat je niet kunt overzien. En in deze kamers zitten we allebei voor ’t laatst.”“Ja, ’t is jammer, dat jij niet alleen blijven kunt.”“Ja; maar ’n tweede meisje is zoo moeilijk te vinden, en zoo’n meneer altijd vlak naast me.... nee, ’k ben érg voor coëducatie, maar ’k zou ’t niet gemoedelijk vinden.”“Och.... als-tie aardig was.”“En dan wil ik liever ook maar dit jaar heelemaal apart houden. Nu begint er weer iets nieuws. Ik zouje veel te erg missen, als ik hier bleef op ónze kamers.”“We zullen nu wel nooit meer zoo samen zijn,” peinsde Else... “Je komt natuurlijkwel ’sbij ons logeeren, maar dat is toch anders... We hebben ’t altijd vreeselijk goed met elkaar kunnen vinden, hè; we hebben nóóit gekibbeld, we zijn nooit boos op elkaar geweest.”“Nee,” en Go dacht aan dien keer, toen Els met Eddy geflirt had, en zij zoo onredelijk was geweest. Goeie Elsi, ze vergat zulke onaardigheden altijd dadelijk. En ze had nooit gezinspeeld op de verhouding met hem, nooit geplaagd...“Ga nu maar naar Han toe, anders laat je ’m nog wachten voor ’t eerst en voor ’t laatst... Ik moet nog gaan spreken over het bewaren van m’n planten, en dan naar Lize.”“Gootje,” zei Else zacht, met ongewoon ontroerde stem, “hier is ’t allemaal voor me begonnen, dien avond voor den spiegel, toen hij opeens binnenkwam... En je hebt ’t allemaal meegemaakt, en nu gaan we gauw trouwen. Je bent altijd erg lief voor me geweest.” En na ’n woeste omhelzing draaide ze zich opeens om, en als beschaamd over haar weekheid, riep ze: “Dàg!” en vloog de deur uit, terwijl Go glimlachend zuchtte: “Schat, ik zal je zoo missen.”Toen zette ze de melk, ’n glas, ’n ei, den klutser op tafel klaar, voor ’t geval, dat Else vóór haar mocht thuiskomen, ging stil de kamer uit.Er lag dien avond ’n drukkende melancolie over de grijze stad. Voelde ze al, dat de jeugd haar weer ging verlaten, en drukte haar nu opeens het gewicht van haar hoogen ouderdom, omdat het nieuwe geslacht, dat haar altijd jong hield,weer wegtrok? Of was ’t het verdriet van de scheiding in alle jonge harten, dat de lucht zwoeler maakte en de kleuren doffer? Het hielp niet, of Go al diep zuchtte om zich te bevrijden van het benauwde gevoel; de weemoed in haar vermengde zich met den weemoed van de omringende dingen, en ze voelde, hoe bijna achter ieder licht raam nu één dacht aan ’t scheiden: “scheiden thut weh,” één gebogen zat over z’n koffers, zwaar van gedachten aan ’t jaar, dat voorbij was. Maar er zouden er toch ook zijn, die blij waren naar huis te gaan. Ze vond het ellendig, dat zij niet blij was. Daar waren vader en moeder en de kinderen allemaal, en ze verheugden zich, dat ze nu weer ’s ’n poos in hun midden zijn zou; moeder zou vanavond stralend aan de theetafel zeggen: “Morgen zijn we weer met ons tienen, kinderen”—en zij zag er tegenop weer onder die menschen te moeten leven, die toch allen zooveel van haar hielden; ze huiverde terug voor de degelijke gezelligheid, de stille regelmaat, en vond ’t punctueele irriteerend en banaal. Wat zou arm moesje bedroefd zijn, als ze wist, hoe ze in ’n jaar haar al was ontgroeid! Hoe zou ze zelf in zoo’n verandering hebben kunnen gelooven, zij, die negen maanden geleden snikkend uit het ouderlijk huis naar den vreemde trok? Alle leven was haar vlak en onbelangrijk geworden, vergeleken bij het hevig-genietende, diep-rampzalige, altijd-in-uitersten-zich-bewegende om haar heen. In dit jaar was ze gaan begrijpen het studentenleven, dat haar eerst alleen iets grappigs, iets van pret maken had geschenen; dat ze nu voelde in z’n jonge kracht en z’n verwording, met z’n idealen en désillusies, levensmoed en wanhoop, altijd heel groot en heftig, heerlijkof afschuwelijk. O, ze vóelde, dat ze het stadje liefhad, zooals ze nog nooit ’n stad had liefgehad. Ze liep nu afscheid te nemen van ieder huis, van de boomen, van het water, van de brugjes, van de lantaarns. Op elk plekje was immers ’n lieve herinnering aan iets, dat ze dáár had gedacht of gehoord of gezien. Van allerlei huizen wist ze immers: daar woont die, of heeft die gewoond; en het water, waar de vrouwen hun goed in uitspoelen kwamen, waar ’s ochtends de kleurige groenteschuitjes door voeren, en ’s avonds de motorbooten, de bruggen waarschuwend met schetterenden hoorn—had ze het niet bewonderd van den eersten dag af?Nu liep ze langs den Witten Singel, staarde peinzend naar de sterrenwacht, die haar altijd ’n geheimzinnig kasteel had geleken; het was zoo donker en plechtig onder de dik-bebladerde kastanjeboomen, dat het scheen, of ze in ’n kerk liep, en ze zei: Nu moet je naar Lize, je loopt al zoo lang maar rond;—voelde toch ook, dat ze zóó niet bij haar zou kunnen werken.Om haar gedachten af te leiden begon ze zich af te vragen, of ze dit jaar met haar studie nu wel genoeg was opgeschoten; en dàt bracht haar de grappige herinnering van de eerste maanden van samenwerken met Coba en Lou. Ze kenden elkaar toen nog heel weinig, maar hadden afgesproken eens in de week bij Coba of Go op de kamer bijeen te komen. ’s Middags gingen ze dan al vast koekjes en andere lekkernijen koopen, en ’t begin van den avond was: theedrinken met koekjes en vroolijkheid. Dan werden om ’n uur of acht alle mogelijke wichtige boeken bij elkaar gehaald: Franck’s etymologisch woordenboek enmittelniederländische grammatik; Stoett; Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal; Den Hertog; Braune.... en na eenig gekibbel begon er één ’n bladzijde van den middelnederlandschen tekst voor te lezen. Maar dan kwam de groote moeilijkheid. Soms vonden ze elk wóord “der aandacht waardig,” grepen ieder naar ’n boek om te kijken, of er iets over te vinden was, en hun wijsheid door elkaar mee te deelen. Dan weer scheen hun alles dood-eenvoudig,of verwezen ze elkaar voortdurend naar ’t middelnederlandsch woordenboek. Ze konden elkaar soms minuten-lang diepzinnig zitten aanstaren om den een of anderen duisteren regel te doorgronden en dan opeens alle drie te gelijk in lachen uitbarsten, omdat ze zoo bespottelijk geleerd deden. ’t Was hun onmogelijk geweest zichzelf au sérieux te nemen, wanneer ze in al die dikke boeken zaten te kijken; technische termen vonden ze allervermakelijkst, en zeiden ze nooit zonder de professorsstem na te doen, en om negen uur stormden ze ziels-vergenoegd de deur uit om zich ’n beetje te verfrisschen van de inspanning en melk of limonade te gaan halen, ondertusschen elkaar op de gelezen regels vergastend. Als ze terug waren, begon er weer een te lezen, terwijl de anderen chocolademelk brouwden, of kastanjes poften, wat door alle drie zooveel belangrijker werd gevonden, dat èn Stoett èn Franck, èn Braune èn Den Hertog als zitplaats werden gebruikt om in de melk te kunnen roeren, en op de mooie, roode kaft van de Geschiedenis der Nederl. taal brandplekjes schroeiden van de gepofte kastanjes. Als ze om tien uur samen Lou naar den trein brachten, zeiden ze telkens weer, dat ’t zoo toch niet ging, en Lize werd denvolgenden dag bestormd met de vreemdste vragen: Hoe je aan ’n woord zien kon, of er wat van te zeggen was? En hoe je dan kon weten, waar je het op moest zoeken?...Eindelijk had Lize bedacht, dat het ’t beste was, als ze hen eerst ’n beetje op weg hielp. Voor haar zelf was ’t een goeie oefening, en ’n proef, of ze er nu wezenlijk wat van wist, en zij zouden er dan misschien een beetje kijk op krijgen. En het was beter gegaan van den eersten avond af; wel kon er soms iemand niet respondeeren, omdat ze ’n vollen mond had, en moest de lezing onderbroken worden, omopte staan voor ’t laatste koekje; maar er werd ook flink gewerkt, Lize “rook”, bewonderde Coba, als er over ’t een of ander woord iets in Franck of Stoett stond, en ze zouden nu dezen avond hun tweede middelnederlandsche tekst ten einde brengen.Maar ook bij Lize in de kamer hing de doffe treurnis.... Er was nog geen licht aangestoken, en de meisjes zaten en lagen zwijgend bij het open raam, starend op den kalen muur en het stukje violetten hemel er boven.“Ik dacht, dat ik veel te laat was; ik heb nog overal rondgeloopen,” zei Go.“Ik weet niet, hoe laat ’t is; ga ergens zitten.”“In de vensterbank maar; God, wat is ’t zoel vanavond.”Lou speelde met Go’s boeken. Ze was de kinderlijkste en de jongste van allemaal, had ook, omdat ze thuis was gebleven, minder den invloed van ’t studentenleven gevoeld.“We zullen nu maar niet werken, hè?” zei ze droomerig. “We zijn vanavond voor ’t laatst bijelkaar, en kunnen ’t morgen zelf wel even uitlezen op de bibliotheek.”Lize knikte. “Ik ben ook zoo suf in m’n hoofd; ik had moeite te bedenken, wat ik in m’n koffer moest meenemen.”“Ga-jij morgen ook?”“Ja, Vader heeft me geschreven, dat ik moest komen.”“Ik ben toch blij, dat we hier nog ’s terugkomen voor die pic-nic van Laborando vincimus,” zuchtte Coba.“Ja, dolletjes,” fluisterde Lou, maar Lize zei, dat ze niet wist, of ze meegaan kon. “’t Hangt er van af, of ik weg kan, hè; er schijnt weer iets met de meid te zijn.”“O, maar je moet mee; ’t zal zoo prettig zijn....”“Och, ik ken de menschen zoo weinig.... ik hoor er niet bij.”“En òns dan, en Else en Hoefman....”“Ja die, maar die is zoo vreemd. Laatst ging ’k met m’n koffertje naar ’t station, ’t was niet eens zoo erg zwaar. Daar kwam hij me opeens achterop en wou ’t dragen. Nu, ik vind ’m niets geen reus, ben zelf misschien sterker. Ik zei, dat ik ’t liever niet had,.... maar hij, o, lieve hemel, of ik er van breken zou, of ’t iets ongehoords was... Nou, dat ’s aanstellerij. Ik heb ’m wel ’s wat van thuis verteld, en dan kan hij weten, dat ’k wel ’s moeilijker dingen te doen heb, dan ’n koffertje te dragen.”Ze haalde de schouders op, en streek met haar handen over haar moe gezicht. Toen leunde ze haar hoofd op de ellebogen, en bleef naar buiten zitten kijken, in de lucht, waar langzaam sterren doorkwamen.“Wat is ’t hier stil,” zei Lou, “is je juffrouw uit?”“Ik weet ’t niet. ’t Is niet gehoorig hier.”Ze zwegen weer, dachten allen aan de toekomst, die zoo dicht bij scheen op zoo’n avond; zochten de profetie van hun leven in den muur en de sterren. Go verlangde naar Eddy: hoe zouden ze elkaar nog nader komen? Was zij niet ’t eenige meisje, van wie hij notitie nam; was ’t niet iets van-zelf-sprekends geworden, dat ze altijd samen waren? En zou dit eindigen in ’n engagement, ’n huwelijk? Ach, die dingen waren zoo ver, en daar gaf ze nog niet om;.... als hij maar van haar hield, als ze maar voor ’m zorgen mocht... Ze had er nog over gedacht ’m te vragen eens te komen in de vacantie, maar ze dacht toch, dat moeder ’m niet aardig vinden zou;... zeggen zou, dat-ie meer moest werken;... ledigheid maakte melancoliek...“Leise flehen meine Lieder... durch die Nacht zu dir...,” zette ze onwillekeurig even zacht in; zweeg toen, benauwd door den weeën weemoed.“Hè, wat is dit toch eigenlijk ’n lam weer.” En Coba rekte zich uit in ongeduldig zuchten. “Je kunt niets, je weet niets, je hebt alleen maar ’t land. Vanmiddag heb ik met mevrouw in de populierenlaan bij Poelgeest gewandeld;... en daar verlangde het toch zoo;... ieder blaadje hing te trillen van verlangen;... je werd er akelig van... Ik heb tegen mevrouw gezegd: Als we hier niet dadelijk uitgaan, word ik gewoon gek.”“Maar je bent immers morgen weer thuis,” troostte Lou, die hierin het geneesmiddel voor alle verdrietelijkheden zag.Maar de anderen antwoordden niet. De kamer was vol angst en verlangen.Den volgenden middag kwam de wagen voor, die Go’s boeltje naar de nieuwe woning zou brengen. Else was ’s ochtends al vertrokken, nu weer kalm en correct, in het koele morgenlicht; en Go zat alleen op de tafel zonder kleed te noteeren, hoeveel stuks uit werden gedragen. De deuren stonden open, en ’t gejoel uit de gang klonk jolig door de kamer. De kinderen vonden ’t een pretje, liepen glunder lachend de dragers in den weg, en Go was teleurgesteld, dat het zelfs Joostje niet schelen kon, dat “tante” nu weg zou gaan. Ze ergerde zich, dat zij zich zoo gehecht had aan menschen, wie haar vertrek absoluut niet raakte; ze moest lachen, omdat ze zich had verbeeld, dat de juffrouw wezenlijk “moederlijk” voor haar was gaan voelen. Voor háár immers ’n ander, en heeren waren makkelijker; en terwijl ze noteerde: kastje in twee stukken; bureaustoel; studeerlamp, stelde ze zich voor, hoe over ’n paar maanden hier weer ’n huishouden zou worden binnengedragen, onder dezelfde blije belangstelling van de kinderen;—’t was ’n komen en gaan, een onrustig rond-getrek in de stad, waar de jeugd geen “thuis”, geen vaste woonplaats had: ze gingen allemaal van kamer tot kamer, kwámen vol verwachting, scheidden in leed...“Is dat alles, juffrouw?” kwam de man vragen, en Go keek na door ’t raam, hoe de wagen wegschokkerde, ’n kantelig tafeltje bovenop; en dan opeens, met tranen, wendde ze zich af, sloot de deur, en ging lang-uit op de oude canapé liggen. Dit was het laatste uurtje met haar kamer alleen; de city-bag stond al klaar, met kleinigheden, die ze nog mee naar huis moest nemen;... de wandenwaren leeg, met nijdige prikken in ’t behangsel,... prikken van versieringen van vroegere heeren, prikken, die ze zelf had gemaakt;—en ze peinsde, hoe de kamer nu weer worden zou, en wie er nu zou komen leven, en knikte ieder meubel nog ’s vriendelijk toe:“dag goeie, groote kast, dag tafel, wat ben-je bekrast, ouë; en jij, m’n líeve canapé, wat zou ik je graag hebben meegenomen.”De kinderen speelden in de gang met de houtwol en de papieren, die waren blijven liggen. Ze gaf er niet om, ze nog goeiendag te zeggen; ze was hun toch een vreemde gebleven.Maar de kamer, daar zou ze voor ’t laatst nog ’s heel vertrouwelijk mee zijn; daar zou ze zich dit uurtje nog ’s heelemaal aan geven.En ze lag en keek. Alle dingen spraken van herinneringen.Hoofdstuk XV.“Hallo!” schreeuwde De Veer, en zwaaide met z’n kussensloop, toen hij de coupé, waarin Go en Else en Lou zaten, in ’t oog kreeg.“Prachtig weer; kom er uit, dames,” ontving Gerard, “kijk, daar zijn de anderen.”“Maar Wim, wat zit er in dat sloop van jou? En o, kijk Hans, dat is nog gekker, die zak met roode ruitjes.... Je bent precies ’n boer.”“Verrassingen, verrassingen! waar hebben jullie je fourage? mag ik ’s ruiken aan je koffertje, Elsi? En ’n blikje...’t is verleidelijk.”“Daar is Han met de taart;.... kerels, wie heeft de boter en de brooden?”“Ik; daar liggen ze.... ik wilde me niet vooruit al zoo opladen..”“Hè, wat ’n flauwe vent; gauw, ’t is juist zoo aardig.” En Hans hing de grijze boterpot over Gerard ’s rug, bond de broodstokken om z’n schouders.“Ha... daar zijn Lize en Frieda met Hoefman. Wat heeft die man?”“Kom ’s hier, Louistje, laat je pak ’s bevoelen.”“Nee, kerel, blijf af; ’t is ’n geheim.”“Kon-je toch komen? Wat gezellig,” praatte Go tegen Lize; “’t is ’n heele club, hè?”“Nou wordt ’t toch tijd, lui; daar is Beerenstijn... o, met de flesschen om z’n hals... Coba... Kom, we gaan naar den trein, hoor.”“Rolands nog... en Eduard... zeg, die zouden toch allebei komen?”Go leunde zenuwachtig uit ’t portier; ’t was nog maar één minuut en ze zag niets op ’t perron.“Er zijn menschen, die nou altijd te laat moeten komen,” bromde Gerard, en de Veer gilde: “Chef, de trein kan nog niet vertrekken; er moeten nog twee heeren mee.... vervloekte kerel, nou gaat-ie tóch fluiten.”“Daar zijn ze; hiér, hier; geef óp je taschje! Wat zijn jullie op ’t laatste nippertje; dat scheelde ’n haartje; daar gaan we al.”“Der herr professor giebt heut’ kein collegium,” zong Hans ’n troepje veeboeren toe, die hen verbaasd nastaarden, maar Wim raadde ’m aan niet zoo ver uit ’t portier te hangen, want dan zou hij wel ’s niet in de coupé terug kunnen: met veertien lui was ’t wel wat erg vol.“Neerwinden, vent,” bewonderde De Veer, Eduard aan alle kanten omdraaiend. “Je ziet er uit, of je naar ’n diner toe moet.... ’n keurig pak, ’n mooie das, ’n hoed;... maar waar is de proviand bij jou? Want wij, proleetjes—en hij accentueerde z’n titel door z’n pet scheef te zetten—zijn natuurlijk wel gevleid, als er zoo’n meneer mee gaat.... Maar we kunnen er niet van eten.”“Alles zit in m’n city-bag”, antwoordde Eduard, wat luid gelach veroorzaakte, waarbij allen zich geroepen voelden, hún bagage te laten bewonderen.Lou ging rond met flikjes: “Toe, nemen jullie vast; het hindert me zoo in m’n zak.”“Mooie methode;... zullen we nu ook maar meteen de brooden en den wijn en alles opmaken, omdat dat makkelijker meedragen is?”Else fluisterde met Han, dat ze de rijste-pudding heelemaal zelf gemaakt had. “Met ’n kookboek; dan is er niets aan; we konden echt dádelijk trouwen.”“Uitstappen, dames en heeren! Wie iets laat liggen in de coupé, wordt zonder pardon teruggestuurd, om het te gaan halen... Zeg Gootje, is jouw pakje zwaar? Wil ik ’t dragen?”“Wel nee, Gé; op ’n pic-nic hoort zoo’n beleefdheid niet thuis. We moeten ieder ons eigen boeltje sleepen.”“Regelingscommissie, wijs den weg. We zullen overal volgen.”“Allons enfants de la patrie!” juichte Hans, aan het hoofd van den stoet stappend, de roode zak triomfantelijk slingerende.“Ik heb idee, dat de heerlijkheden, die hij mee-heeft, straks ’t meeste op hutspot zullen lijken,” peinsde Rolands, en Go, die eerst aldoor ’n beetje op ’n afstand van ’m was gebleven, kwam nu naast ’m, en hielp ’m moederlijk de taartendoos wat ophijschen. Eduard had haar weifeling gezien en begrepen, wat ze gedacht had; hij kwam nu bij haar loopen, om te vertellen, hoe z’n juffrouw alle boodschappen vergeten of verkeerd gedaan had.“Ik was van ochtend eenvoudig radeloos; ik dacht niet, dat er kans was, dat ik mee komen zou.”“’t Zou zoo jammer geweest zijn... Het is hier mooi, hè?”“’t Lisser bosch is heerlijk; daar kampeeren we natuurlijk.”“Proviand is er genoeg.”“Ja maar, zoo’n dag kun-je eten.”Er werd halt gecommandeerd, omdat Lou met krijgertje spelen haar haar in de verzakking had gebracht. Frieda kwam dadelijk helpen, terwijl Beerenstijn, als hors d’oeuvre, al vast met radijsjes en rauwe peentjes rondging.“Je hebt je haarspelden verloren.”“Haarspelden-zoeken! Haarspelden-zoeken!”“Ach, nee, laat je vlecht maar hangen! ’t Staat wezenlijk heel gewoon bij jebackfisch-gezicht.”“Zooals jij ’t draagt, is ’t toch ook niet eigenlijk opgestoken,” peinsde Gerard, die zich steeds had verbaasd over haar kinderlijke strik-coiffure.“Zoo, je ziet er heusch niets van.” Maar Lou liep toch dadelijk naar Han, voor wien ze, als geëngageerde, ’t meeste respect had, om te vragen, of ze niet straks aan ’n dorp kwamen, waar ze haarspelden en ’n kammetje koopen kon...Lize en Hoefman waren doorgeloopen, “alsof zíj den tocht regelen moesten,” terwijl Coba juist weer niet voort te krijgen was, omdat ze aldoor bloemen wilde plukken.“In ’t bosch is ’t vol bloeiende kamperfoelie... Kom nou,” drong Gerard.“Chèvre feuille... caprifolio... dem... dem...”“Och, beste kind, hou je wijsheid voor je, en loop toch door... Ik kan hier toch niet ’n weerloos meisje alleen achterlaten.”“Het bosch, het bosch... nu kunnen we wel uit elkaar gaan, hè menschen?”“Als we tenminste een verzamelplaats afspreken tegen vier uur.”“Der herr professor giebt heut’ kein collegium,” juichte Hans weer.“Ben-je moe, Hans?”Hij liep nu al ’n heele poos zwijgend voor de anderen uit, gebogen onder z’n zak.“Wil-je m’n vracht verminderen? Wil-je ’n chinaasappel?”“Ja, graag; maar daarom vraag ik ’t niet. Je ziet er zoo afgetobd uit, als ’n werker van Meunier.”“Nou ja, ’n beetje moe.”“Geef mij dan je zak.”“Welnee; ’t is niet zoo erg, dat ik ’t vervelend vind nog verder te moeten, maar net zooveel, dat ik straks zal genieten, als we zitten. ’t Is wel gezond je lichaam ’s moe te maken; dat gebeurt ons niet dikwijls.”“Nee; wat leven we altijd vreeselijk ver van de natuur.”“Hé, kijk ’s; daar duiken Hoefman en Lize weer op; maar wat heeft-ie toch op z’n rug? Is-tie nat geworden? ’t Pak is nou heelemaal zwart.”“Dichterlijke tranen kunnen daarheen toch niet loopen.”“O, menschen, nee; kom nou toch ’s allemaal hier. Kijk toch ’s naar Louis! Zit er spek in, kerel? Nee, kijk toch ’s, ’t loopt langs z’n pak! Beste jongen, wat heb je toch meegenomen?”“’n Groote ham, wat is er nou?” Hij voelde zich wat gepiqueerd, vooral, omdat hij Lize ook zag lachen.“En die is gesmolten in de zon.... nee, idioot; die wordt uitgebraden;..... al ’t vet wordt vloeibaar.”“Wat moet er nou mee?”“Maar stilletjes er mee doorloopen, we zullen zien, wat er van wordt. Je pak is tóch bedorven.”“Hij heeft natuurlijk meer op Lize dan op de ham gelet,” bromde Beerenstijn tegen Hans.“Maar Otto; met er naar te kijken, had hij toch ’t smelten niet kunnen voorkomen.”“Ik weet ’t niet. Als er meisjes zijn, gaat alles altijd dwaas en verkeerd. Kijk nou ’s, dat heeten nou collega’s, studiegenooten. ’t Is immers hier als overal die alte geschichte.”Han en Else liepen gearmd onder ’n grooten varentak; Lize en Hoefman stonden nog over de ham te delibereeren en Eduard plukte kamperfoelie en wilde roosjes voor Go, brak voorzichtig de dorentjes af, voordat hij, met ’n blik van teederheid, ze haar in de geopende handen legde.“Ja maar, tegen dit alles kun-je toch niets inbrengen, behalve als je bent voor uitsterving van het ras. ’t Is toch de natuurlijkste en beste zaak van de wereld, als jonge menschen van elkaar houden gaan en met elkaar trouwen...”“Best; maar geen vrijerij onder den dekmantel van studie.”“Ik gelóóf niet, dat iemand hier de studie als dekmantel gebruikt.... ’t Is alles vrij openlijk.”“Ach, zwijg er maar over. Niemand geeft me hierin toch gelijk. Ik ben tegen den tijdgeest.”“Dat is altijd ’n dwaasheid.”“Ja, zeg,” lachte Gerard, “wat zouën onze grootvaders en grootmoeders wel zeggen, als ze ons zoo ’s konden zien.”“Ik denk, dat ze ’t tóch aardig zouden vinden,” meende Coba, “heeft er ook iemand zwart garen? De Veer heeft de mouw van z’n jas gescheurd.”“Wat doe-je ook voor houthakker te spelen, Wim? O, wil-jij ’t even doen, Go?”“Ik wilde een vuurtje stoken.... ’n boschvuurtje.”“Zoo, en dan ’n boschbrandje zeker?”“Zeg, weten jullie, dat wij laatst brand gehad hebben?” zei Frieda, “we brandden de bladluisjes van de planten af, en opeens vatte ’t gordijn vlam. Ik schrikte zóó, dat ’k naar de deur vloog, en toen laaide ’t natuurlijk vreeselijk, van de tocht, maar Mary Bruining—je weet wel: ’t meisje, met wie ik samenwoon,—trok ’t af, en gooide de karaf er over uit...”“En toen?”“We waren geassureerd, en hebben ’t opgegeven. Er hangen nu keurige nieuwe.”“Ben-je voorzichtig, dat je me niet prikt?” vroeg De Veer.“Och, jongen; ’t is geen heksentoer.”“Kun-je toch ook naaien?” bewonderde Eduard.“Ja, natuurlijk. Dat kunnen wij, vrouwen, allemaal, om de inferioriteit van ons verstand wat goed te maken; is ’t niet, Beerenstijn?”“Ik stel ’n vrouw, die goed naaien kan, hooger, dan ’n zoogenaamde geleerde.”“Maar als ze nu allebei goed kan, zooals Go,” drong Gerard.“Dan zou ik zeggen: terwijl je m’n goed heel houdt, mag je zooveel middelnederlandsche teksten opzeggen, als je wilt, máár: zachtjes.”“Zeg, gaan we nog wel eens verder?Ofwilden jullie hier kampeeren?”“Nee, nee; waarachtig niet! Wie neemt de leiding?”Lou was moe; ze hing met ’n bleek, stilgezichtje aan Frieda’s arm, die haar gedachten resoluut trachtte af te leiden.“Willen we ’n baar van takken maken, Lou, en je zoo mee dragen?”“’n Volgenden keer nemen we ’n sportkar mee voor de invaliden.”Maar Han, die zich als praeses min of meer verantwoordelijk voelde, ging naar haar toe om te vragen, of ze liever niet verder wilde. Eduard werd gecommandeerd z’n city-bag te openen, en haar ’n slokje wijn te geven uit den gemeenschappelijken beker.Toen, zonder getreuzel, stapten ze recht door naar de plaats, waar het maal gehouden zou worden.Terwijl de meisjes het oude tafellaken, dat Coba van “mevrouw” gekregen had, uitspreidden, en gehakt, rookvleesch, sandwiches, pudding en flensjes—haar bijdragen—uitpakten, ontkurkten de jongens luidruchtig de flesschen, en hielden ’n inspectie over de ham, waarvan ze allemaal om de beurt met geveinsden griezel de handen aftrokken.“Kom, wees nou niet zoo flauw,” kwam Frieda tusschenbeide, die zag, dat Hoefman ’t geplaag wat vervelend ging vinden. “Hij zal even goed smaken; wie ’m akelig vindt, hoeft ’m niet te eten. Geef maar ’n mes; dan zal ik ’m snijden.”“Ja, wie heeft voor de messen gezorgd?”“En voor de vorken?”“En voor de vingerkommetjes? Heb jij die misschien in je city-bag, Eddy?”En toen het bleek, dat er niets was, behalve zakmessen; dat het heele tafelgerei bestond uitdrie kroezen en ’n paar papieren bekers, danste Wim in het rond, in woeste extase, omdat ze gingen eten “als de wilden”; omdat ’t een pic-nic was, als ten tijde van Homerus.Gerard en Go hadden samen voor Lou ’n bedje van jassen en mantels gemaakt, waar ze ’n beetje stil moest blijven liggen, om straks, als ’t eten klaar was, weer heelemaal frisch te zijn, en Hans bracht ’r wat peentjes en ananas, om den eetlust op te wekken en ’r bezig te houden.Intusschen zwoegde Coba op de brooden met ’n bot mes, Rolands naast haar, om, als de boterham er bijna af was, ’m maar verder af te trekken, en op den stapel in ’t midden van de tafel te gooien. Frieda hakte edelmoedig ’n tijd lang aan de ham, tot ze eindelijk, haar glimmende vingers aan ’t gras afwrijvend, decreteerde, dat wie verder ’n stuk hebben wilde ’t maar zelf moest snijden. Er kwamen nog steeds verrassingen uit de sloopen en de tasch: gember, caramels, ’n blikje tong, geconfijte vruchten, bananen, ’n krentebrood; ’n pot jam, koek met sukade.“Ik zie wel, dat we straks nog weer beladen terug moeten ook,” zuchtte Hans, “ik geloof, dat ieder buitengewoon weinig vertrouwen had op de goedgeefschheid van z’n buurman.” En hij rolde zwaarmoedig z’n dertig chinaasappels de tafel over, gevolgd door ’n blikje kreeft en ’n doos met pralines en fondant.“’t Is goed, dat we ’n dokter, nee, laten we De Veer eens hoog aanslaan: twee dokters bij ons hebben; ik geloof niet, dat de spijzen erg harmonieeren,” oordeelde Gerard.“Ik practiseer vandaag niet,” hijgde Wim, die met z’n tasch, ’n boomstam en ’n jas ’nmakkelijke zitplaats voor Go trachtte te maken.“Zoo; daar is Lou met ’n rood puntje aan haar neus.... Alles in orde? Ik commandeer: val aan.”“Boterhammen genoeg, maar hoe krijg-je met je veertienen de boter uit ééne boterpot?”“Ik begin met de sandwiches; die zijn kant en klaar.”“Hé, dat smaakt; hebben jullie allemaal ook zoo’n honger?”Gerard sneed voor Go ’t gehakt, reikte haar op de punt van z’n mes ’n homp over.“Ik denk niet, dat ons gesprek levendig of interessant zal worden, vóór we de tiende boterham achter de kiezen hebben.”“Dit zwijgen is zeer veelzeggend,” verzekerde Hoefman, “boter!”“Smeer je boterham met ’t vet van je jasje.”“Wie wil kreeft hebben?”“Hoe krijg-je die binnen?”“Je gebruikt ’n boterham als bordje, en hapt ’m zóó er af.”“Hè; ik kom ’n beetje bij.”“Gaan we de taarten snijden?”“Nou, die van Rolands is leelijk verzakt.”“Snij ’m met bodem en al; dan hebben we tenminste wat vastigheid.”“En nou?” vroeg Go onzeker aan Eduard.Hij haalde de schouders op. “Nu moeten we zien ’m naar onzen mond te krijgen, maar hoe?”“Nu kun-je toch ’s zien, hoe verworden we zijn. We zijn zoo aan vork en lepel gewend, dat we niet eens meer zonder kunnen eten. Hoe deden de ouden ’t nou?”“Ik denk niet, dat die verzakte taarten met room en confituren aten.”“De algemeene invoering van de vork is nog niet eens zoo heel lang geleden,” leeraarde Gerard; maar Coba juichte: “Ik weet ’t. Je schuift je taart ’n beetje, ’n heel klein beetje, want anders breekt-ie, over den rand van het karton en... bijt dan af.”“Keurig... alleen wil m’n neus er zich niet buiten houden.”“’t Is ’n fijne manier; kom kinder, fruit... dessert... Of wil er eerst iemand nog ’n hompje ham hebben?”“Kijk ’s; ik heb ’n chinaasappel zonder pitten,” verbaasde Lou zich, “heelemaal geen een.”“Weet je niet, dat tegenwoordig ’t streven is van de landbouwers alle vruchten zonder pitten te maken?”“En hoe moet ’t dan met ’t nageslacht? Krijgen die geen appels en peren meer?”“Och; de algemeene pessimistische geest heeft zich ook van “den nijveren landman” meester gemaakt. Ze gelooven niet, dat over ’n vijftig jaar iemand den treurigen moed zal hebben ’t leven, dat hij zelf zoo beroerd vindt, aan anderen te geven.”“Zou er dan niemand meer trouwen?” vroeg Lou kinderlijk; maar Coba begon te vertellen van de stelling op de club laatst, over “opzegbaar huwelijk.”“Waar zulke kinderen ’t al niet over hebben!” plaagde Gerard. “Wat zeiden jullie er over?”“Nu, de inleidster was er vóór, maar een heeleboel waren er tegen; en ’t is afgestemd.”“’t Helpt ook niets er over te praten,” zei Beerenstijn kort. “Het huwelijk is ’n beroerde instelling;... maar zoolang de maatschappij blijft, zooals ze is, zie ik geen kans op verbetering.”“Maar ik vind ’t huwelijk geen “beroerde instelling,” pleitte Go. “Ik vind, dat ’t veel bindender moest zijn, opdat niemand ’t aanging, als hij niet wezenlijk van den ander hield.”“Wat is nu “wezenlijk houden van”; definieer me nu ’s, wat je daaronder verstaat.”“Dat is niet te definieeren; maar als je ’t doet, dan twijfel-je niet meer; dan is ’t ontzaglijk.”’t Gesprek stokte even; Go had ’t héftig gezegd.Maar Lou praatte zachtjes: “Ach, we kunnen er natuurlijk eigenlijk zoo slecht over oordeelen, omdat we geen van allen ooit getrouwd zijn geweest.”“Nee, over tien jaar zullen we ’t er nog wel’s over hebben, hè Lou?” lachte De Veer, en de spanning was gebroken.Eddy pelde de hazelnoten voor Go; ze dronken met Hans samen uit het tinnen kroesje. Die zat nu al geruimen tijd zwijgend, de armen om de knieën, het bleeke hoofd gebogen.“Zeg Hans, wat ga-jij eigenlijk doen, als je afgestudeerd bent?” vroeg Go, om ’m wakker te roepen uit z’n treurend gedroom.“Dat weet ik niet,” antwoordde hij, met z’n handen langs z’n voorhoofd strijkend, als om zich te bezinnen. “Ik weet niet, wat ik doen ga, als ik afgestudeerd ben,... maar dat komt natuurlijk, omdat ik nog niet klaar ben;... als ’t eenmaal zoo ver is, dan weet ik ’t wel vanzelf—’t is ook eigenlijkl’embarras du choix;—wat kun je al niet allemaal doen, als je eenmaal doctor in de klassieke letteren bent?... Je kunt de honderd-en-elfde vertaling van Homerus in de wereld brengen; je kunt je den eeuwigen dank van ’t nageslacht verwerven, door ’n klein, dun, slap,Hollandsch uitgaafje van Demosthenes of Cicero te bezorgen, zoodat de jeugd geen gevaar meer heeft door ’n Germanisme in den val te loopen;... in dien tusschentijd kun-je met vijftig medestanders solliciteeren naar ’n baantje... of je kunt natuurlijk ook naar Lapland of naar Amerika gaan;... al heb-je nou toevallig Grieksch en Latijn gestudeerd, je kunt ook pakjes-drager of kellner, of bankdirecteur, of mijnwerker worden. God, ik weet niet, wat kun-je nou vooruit zeggen van je leven? De wereld is zoo reusachtig, en zoo gecompliceerd;... ik zal maar afwachten;—er zal natuurlijk wel ergens iets voor me te doen vallen.”Er flitste weer even dat vreemde, onrustige licht door z’n oogen, dat Go al meer keeren opgevallen was.“Wat doe-je raar met je oogen Hans!”“Staat “raar” eufemistisch voor “scheel”? Ik ben ’s ’n poos scheel geweest, vóór m’n candidaats-examen.”“Ja, als-tie dan iemand aan wilde kijken, moest-ie met z’n rug naar ’m toe gaan staan.”“Nee, zeg, weten jullie die grap van dien schelen rechter met de drie getuigen? Die vroeg aan den eersten: “Uw naam?”Antwoordtde tweede: “Meyer.” Zegt-ie tegen den tweeden: “Ik vraag u niets.” Antwoordt de derde: “Ik zeg niets.”“En weet je dien mop van den vent, die z’n alibi niet kon bewijzen?”“En van ’t jongetje, dat niet spreken mocht aan tafel?”Met bliksemsnelheid volgden grappen en anecdotische raadsels elkaar op; eerst bleven ze in ’t algemeene, daarna werden ’t speciaal proffen-en studenten-aardigheden, streken uit den groentijd; tradities van professoren, die al lang gestorven waren.“Zeg, zouën we ook ’s opbreken? Er is geen ziel, die meer eet.”Han keek op z’n horloge, berekende, dat ’t tijd werd, om naar ’t hôtel te gaan, waar ze thee zouden drinken op het groote balkon.“Nu eerst veilen, wat nog over is.... in de eerste plaats: de ham!”“We zijn niet ondankbaar,” zeide Frieda, “maar ’t is zoo’n vreeselijke vracht;... er is ’n eind links ’n huisje, wie gaat mee ’m daar heen brengen?”Rolands, Frieda, De Veer en Lou namen ieder ’n punt van ’t zware papier, waarop hij lag, droegen plechtig ’m uit, in den guldenden avond.“’t Overgeschoten lekkers in Eddy’s tasch; dat is goed voor onder weg.”“Wie maakt aanspraak op het blik, waar Else’s rijstepudding in heeft gezeten?”“Ik,” riep Gerard, “als souvenir. En voorloopig als botaniseertrommel.” En hij schikte er voorzichtig Go’s bloemen in.“Zullen we de rest nu maar niet allemaal in het tafelkleed knoopen?”“En dan begraven! Hoe maak-je ’n kuil?”“Met je voeten en je handen, en boomstronken.”“Nu; allons.... zoo’n inspanning is goed voor de spijsvertering.”“En we planten ’n gedenk-eik op het graf....”“En hangen de overgebleven chinaasappelen aan de takken,” juichte De Veer, die Hans’ geruit sloop als ’n schippersdas om z’n hals had geknoopt.“Treuzel nu niet te lang,” dreef Han, “’t wordthier te vochtig voor de meisjes; kom Lize, doe jij ook je mantel aan, en gaan jullie wat krijgertje spelen, tot het graf klaar is.”“De begrafenis begint; wie willen dragen?” schreeuwde Gerard.Go en Frieda liepen voor, de punten van het tafellaken over den schouder, stil, met gebogen hoofd; achteraan Eddy en Wim, blootshoofds met ernstige oogen; en Hans dreunde tusschen de tanden de treurmarsch van Chopin. Voorzichtig werd ’t laken in den kuil neergelaten; de punten over elkaar gelegd; één voor één wierpen ze ’n hand aarde naar beneden, tot De Veer opeens woest te schoppen begon, wat dadelijk onder groote luidruchtigheid door de anderen werd nagedaan.“Zie zoo; deze ceremonie is afgeloopen; nu op marsch naar ’t hôtel! En wie ’n haarspeldenwinkel ziet, moet Lou waarschuwen; kom Else!”“’t Lijkt ’n brautzug,” lachte Eddy, terwijl hij met Go achter den praeses met z’n meisje aanstapte.“Waarom houën we niet elke week ’n picnic.” juichte De Veer. “Er is op de heele wereld niets heerlijkers te bedenken.”“Ach, ventje, dat is alleen, omdat ’t zoo iets nieuws voor je is! Dat is de heele charme. ’n Mensch is niets dan ’n gewoonte-dier. Of ’m nu ’t grootste ongeluk, of ’t hevigst-begeerde geluk overkomt, hij zal wel ’n poosje uit z’n sleur worden gerukt, en intenser leven; maar al gauw wordt hij, zooals hij vóór de groote gebeurtenis was; dat wil zeggen: hij zal zich nog wel ’s geroepen voelen ’n verheugd of ’n lijdend gezicht te trekken, maar in z’n binnenste gaat ’t weer z’n gewone gang.”“Dus je gelooft niet aan den dood door geluk of verdriet?” informeerde Beerenstijn, medisch.“’t Eerste oogenblik door den schrik is mogelijk. Maar als iemand het ’n week heeft uitgehouden, komt-ie er ook over heen.... over z’n geluk zeker.”Het laatste klonk heel bitter en Hans peinsde voor zich uit:“Volgens deze theorie is hij het meest benijdenswaard, die onder de ongunstigste omstandigheden leeft. Die kan zich dan verbeelden, dat, als alles maar zus en zoo was, hij de gelukzaligste man van de wereld zou zijn—en hij komt nooit tot de ontdekking, dat het z’n eigen, onvolkomen structuur is, die ’m ongeschikt maakt op de hooglanden van het geluk te leven.”“Is er dan niets wezenlijk mooi voor jou, Eddy, iets, dat altijd mooi blijft?” vroeg Go zacht.“Nee; dat is er niet.... Ik moet altijd afwisseling hebben!”“Maar wat zul-je dan bang zijn voor oud worden!”Hij haalde de schouders op. “Wie is daar nu niet bang voor?”“Ik niet. Ik vind ’t natuurlijk. En ik geloof ook, dat er dingen zijn, die meer waarde voor je krijgen, naarmate je zelf beter wordt. En daarvoor moet je lang leven.”“’t Komt wel allemaal hiér op neer,” zuchtte Eduard, “dat ik zelf niets dan aantrekkelijkheden voor-’n-oogenblik heb; geen fond, dat altijd waarde houdt.”“O, wijze man; meen je jezelf te kennen?” plaagde Go. En met ’n heerlijk-vertrouwend lachje staarde ze over ’t lichte land, of ze in de toekomst zag.“Laat mij nu voor ’t laatst theeschenken,” had Else gevraagd, en terwijl ze bezig was met de trekpot en ’t water, zaten ze allemaal stil naar haar te kijken, en te denken, dat ze haar waarschijnlijk nooit meer in hun midden zouden zien.De dichte kruinen van de boomen om hen heen maakten het balkon al schemerig, maar de hemel er boven was nog zilverig-wit, met ijle wolkveegjes aan de kanten. Ze hadden voor Lou ’n makkelijk stoeltje gevraagd, en die zat daar nu stilletjes te genieten, de vlecht om haar hoofd gelegd op Gretchenmanier.Lize leunde, de oogen verre, over den balkonrand, terwijl Hoefman zachtjes tegen haar sprak.“Ik wist het eigenlijk van ’t eerste oogenblik, dat ik je zag. Ik voelde ’t dadelijk.”“Maar ik begrijp ’t niet. Ik ben toch leelijk.”“Voor mij niet. Ik zie door de vormen van je gezicht heen.”“Het is zoo vreemd, zoo nieuw. Ik had nog nooit aan zoo iets gedacht....”Else ging rond. “Ik hoop, dat ik goed aan al jullie speciale smaken heb gedacht.... Rolands slap en Gerard veel melk, en Frieda geen suiker.... Zoo. Waar blijft Neerwinden toch met z’n city-bag? Wil hij zelf ’t lekkers opeten?”“Hè, menschen,” zuchtte Coba diep. “Hier moesten we nu tot morgenochtend kunnen blijven.”“Ik denk, dat Lou in dien tusschentijd ’n lekker dutje doen zou,” plaagde Gerard. “Kom, laten we wat zingen, om de kleine kinderen wakker te houden.”“Ja, wat? wat?”“Uit de Liederschatz natuurlijk.” En Eduard zette in met z’n klankrijke baryton: “Morgen musz ich fort von hier, musz ich Abschied nehmen.”Dadelijk vielen de anderen in; de zuivere, jonge stemmen, zingend de simpele, oude melodieën vol sentimentaliteit en naïven weemoed, klonken roerend door de onbewogen-stille dorpslucht, en Go, die opeens niet meer doorzingen kon, keek met vochtige oogen naar de levendige gezichten, die, verdiept in het lied, éven-aangedaan, in het licht stonden. En ze voelde: hoe één ze op dat oogenblik allemaal waren; hoe harmonieus hun stemmen klonken uit de harmonie van hun jeugdig-bewogen zielen. Hielden ze op dat oogenblik niet allen van elkaar als broers en zusters van ’n groote familie? Waren hun gedachten niet mooi en zacht en open, als de avond, als het kinderlijke lied, waarin ze hun ziel uitzongen?Ze dacht niet in ’t bizonder aan Eduard; ze voelde haar hart wijd worden in liefde voor àl die jongens en meisjes om zich heen, en toen ’t uit was, zei ze zacht uit den grond van haar hart: “Hè, we moesten ons heele leven bij elkaar kunnen blijven.”“Nou, maar zou dat niet kunnen?” riep Gerard levendig. “Zouden we ons niet voor ’t een of ander kunnen associeeren, wij allemaal gestudeerde, knappe lui.... ’n kostschool b.v.”“We zouden, om met mezelf te beginnen ’n classicus hebben,” peinsde Hans, “’n natuurkundige, één, twee, drie, vijf, zes doctors in de Nederlandsche letteren;.... dat is wel wat overdadig.”“Nee, ik zorg voor ’t huishouden,” regelde Go.“Misschien ben-jij dan de eenige, die wat tedoen heeft;... twee medici... twee meesters in de rechten.”“Die kunnen ook van veel nut zijn, om de kibbelpartijen van de leegloopers te beslechten.... Een leerling zouden jullie natuurlijk nooit krijgen.”“O, maar dan zijn jullie getrouwd,” bedacht Gerard opeens, Else teleurgesteld aanziende.“Nu, maar dát geeft toch niets. Han en ik zullen altijd met alles meedoen.”“’n Tijdschrift,” bedacht Hoefman, “voor wetenschap en kunst.”“En daarin al jouw verzen als kunst,” plaagde Wim, “we hebben je in de gatenhoor,mannetje.”“Nou maar ’t is waar,” vond Frieda, “dat ’n tijdschrift verstandiger dan ’n kostschool zou zijn. We zouden ieder artikelen over ons vak kunnen schrijven; medische, etymologische, rechts-kwesties; Hoefman voor ’t kunstgedeelte,—”“En jij voor de rubriek: kinderkamer,” zei Han zacht tegen Else, en streek even ongemerkt over haar haar.“Nee, ’t beste, verreweg ’t beste zou zijn, als we ’n variété vormden,” pleitte Wim met toewijding. “We hebben lui met aardige stemmen; ik kan ’n wandelstok op m’n neus laten balanceeren en met eieren ballen... Gerard loopt op z’n handen; de meisjes kunnen wel ’s iets als ’n ballet geven, Hoefman kan declameeren—Rolands—”“’n Slangenmensch,” sloeg het lenige zwartje voor.“En in ’n kermiswagen, Wim?” vroeg Coba.“Ja, of met den trein en in hôtels, al naar ’t ons lukt. En op de affiches. “Dispuut Laborando vincimus” uit Leiden.”“Kinderen, maar zoover zijn we nu nog niet.We moeten voorloopig allemaal nog terug naar onze ouderlijke woning,... nu is het tijd voor den trein.”“Hè Han, is er geen latere?”“Ja zeker; we zitten hier in ’t middelpunt van spoorwegen. Er gaan hier, geloof ik, drie treinen op ’n heelen dag.”“Rosenstock, holder blüth’,” stemde Hans nog ’s in, maar niemand volgde. Ze liepen stil langs den schemerigen weg, en treurden al om ’t afscheid, terwijl ze nog samen waren.“’t Is zoo vreemd,” zei Go zacht tegen Eduard, “dat ik nu vanavond weer thuis zal zijn, en dan maar één dag weg geweest. Dat morgen weer alles als gewoon gaan zal, één dag van de lange, lange vacantie!”“Och, waarom vreemd?”“Het was zoo heerlijk. En ’t lijkt zoo lang geweest. ’t Is zoo wonderlijk nu zóó uit elkaar te gaan.”“Och kind, als je al vaak dat zacht-verteederde gevoel aan ’t eind van ’n partijtje hebt meegemaakt, dan is ’t eigenlijk niet zoo wonderlijk meer.”Hij zag, dat z’n woorden haar hinderden, plukte droomerig ’n paar bloemen af. “Vin-je ook verwonderlijk, dat die morgen verwelkt zijn?”“Nee, alleen maar treurig,” antwoordde ze.Aan ’t station in Leiden was druk gejacht om Go en Else en Han en Lou in den klaar-staanden trein naar Den Haag-Rotterdam te stoppen; Gerard wierp in der haast de wilde roosjes uit z’n blikje door ’t raam in den coupé, nog pratend:“Als ’k in Rotterdam kom, kom ’k je mama ’n bezoek brengen.” Eddy riep tegen Han, zagGo’s oogen niet. Maar toen de trein zich in beweging zette, begon Hans met volle stem:Si l’on est si bien ensemble,On ne devrait jamais se quitter.Het heele koor viel in; de vertrekkenden wuifden. De witte doekjes flapperden in de donkere lucht, totdat Go opeens ’t hare terugtrok, ongeduldig haar tranen afveegde, die stroomden over haar gezicht.“Zóó’n dag komt nooit terug,” zei ze zacht tegen Lou, “zóó zullen we nooit meer allemaal samen zijn.”De trein donderde rommelend door het donkere land, weg van de stad van vreugde.

Hoofdstuk XIII.Nu was het overal lente en iedere dag was ’n feest.Dat begon al ’s morgens vroeg, als ze wakker werden van het vroolijk geklok van de kippen op ’t zonnige plaatsje, en ’t rinkelen van ’t gordijn, heen en weer bewogen door geurige koeltjes. ’t Was nu ’n plezier dadelijk uit bed te springen, en te plassen en te stoeien met water, tot je heelemaal lekker frisch en lenig was.... En dan ’t binnenkomen in de huiskamer, waar de tafel, mooi-wit, voor hun tweeën stond gedekt, het glimmende trekpotje op ’t comfoor met doorschijnende glaasjes. Dan moesten ze lachen tegen elkaar van louter vreugde om hun heerlijk huishoudentje, in die aardige kamers; dan scharrelden ze zonder veel praten innig-vergenoegd ’n beetje rond, om eieren te koken en de bloemen te verfrisschen; en staken de jonge hoofden uit ’t raam in de koele morgenlucht om te kijken, of hun zwanen nog niet aan kwamen drijven. Die gleden statig op ’t lichtende water, zon over den blanken staart, en bleven stil voor ’t huis, de koppen in trotsche in-zich-zelf-gekeerdheid gebogen, ongevoeligin hun afwachting, als ’n beest van papier-maché.Else en Margo liepen de deur uit, de handen vol brokjes brood, en wierpen ze in ’t water, en zagen, hoe ze ze oppikten, terwijl de duiven van den overbuurman jaloersch begonnen te fladderen.Als ’t carillon negen speelde, moesten ze hollen naar college; ze stormden op tegen de hooge brug, dat ze zwiepend neerveerde in ’t midden, ze sprongen de stoepjes op en af, hijgden binnen met warm-roode wangen. Ieder scheen nu levendiger en helderder te zijn, en er was ’n eenheid van geanimeerde belangstelling. De professor sprak bezield; de jeugd was open om z’n woorden op te nemen. In den ouden tuin zag Go de knoestige pereboomen met ’n sluier van blanke bloesems getooid, en overal werkten kleine, groene puntjes zich open aan de struikjes. In ’t vrije kwartier ontplofte de wetenschap-spanning in ’n jubelend gejoel vol uitgelatenheid; de meisjes, enkel in hun japon, meestal zonder hoeden, speelden krijgertje om de groote, oude kerk, waarvan de kleine, groene glaasjes in de zon schitterden. Als er één goed gerespondeerd had, werd er op koekjes of caramels getracteerd bij de “snoepjuffrouw” ’n paar huizen van college; en het zakje ging van hand tot hand, opdat ’t leeg zou zijn, wanneer ze weer naar binnen moesten.Onderwijl liepen de jongens, bezadigder, op het Rapenburg aan den zonnekant kalm heen en weer en rookten sigaretjes, vaderlijk glimlachend als de uitgelaten meisjesschaar hun lachende voorbij trok.Eén ochtend, dat ’t buitengewoon mooi was,—je zag, je rook, je hóórde de lente,—waren ze in ’t vrije kwartier met z’n allen naar denhortus getrokken: niet alleen de meisjes van het tuinlokaal, maar ook de candidaten van boven en de twee classicae, die enkele colleges in de Kloksteeg hadden.Alle boomen stonden te trillen van verwachting, alsof het wonder dadelijk gebeuren zou; er was geen wind, en de lucht zóó overvol van geur en zoelte, dat ze scheen te zullen bréken bij de minste beweging.Ze liepen allemaal stil langs de perken, waar de lilas crocusjes stonden, en de blanke akermannetjes, groen gestipt; en ze gingen met hun handen tegen de bottende boomen, en over de kleine struiken; het water lag in de zon; neuriënd en diep-ademend liepen ze door ’t rots-partijtje, en gingen even op ’n bank zitten bij de groen-glazige serre.De oude tuinman, die toegewijd z’n kleine potjes in de zon droeg, knikte vriendelijk van: “heerlijk weertje,” opende daarna gedienstig het hek;.... maar toen ze op ’t Rapenburg liepen, nog stil-gelukkig om de mooie wereld, speelde het opeens kwart-over, en met gilletjes van schrik en kinderlijke pret hólden ze op de groene deur toe, de kille gang door, bleven dan huiverend staan voor ’t gesloten lokaal, waar de professorsstem al uit opklonk;—en eindelijk, binnendringend, verlegen en buiten adem, zagen ze de eerste rij stoelen open, hun cahiers op de verlaten tafeltjes, en ze begonnen te lachen, en de jongens proestten, en de professor lachte ook, en keek op z’n horloge, en naar ’t stoffige raam, waar de zon zoo tergend-mooi door schilferde,.... en, even z’n hoofd schuddend, recapituleerde hij nog maar ’s, wat hij zooeven gezegd had.—Dan—’s middags na college—werden groote wandelingen gemaakt. Eerst was ’t geweest om de eerste elzekatjes en ’n enkel, kortstelig madeliefje te zoeken, uitglijdend op den weeken grond aan de slootkanten, waar hier en daar nog ’n ijsvliesje zichtbaar was, overblijfsel van fel-koude nachtvorsten.Later gingen ze met ’n boek aan den kant van den weg zitten, en Go had er op aangedrongen, dat het een studieboek zou zijn; maar terwijl zij voorlas vansa-bâ ahas, en de ontwikkeling van beteekenis van het naamwoordnasati, lagen Lou en Coba over het vlakke weiland te kijken, waar de vredige koeien zich koesterden in ’t zonnelicht, en dan zweeg ze eindelijk ook, en staarde over het boek heen in den wolkeloos strakken hemel, en naar ’t zonnige slootje met rietpluimen aan hun voeten; en ze luisterden met hun drieën naar de stilte van het herlevend land.Na het eten, dat jolig verliep met gekibbel over het vleesch en de pudding en den sinaasappel, liepen Else en Go dadelijk de deur weer uit, om voor ’t laatst van het lieve stadje te genieten, dat nu als betooverd lag in den gouden avondgloed. Nu was het ’t drukst-stil op straat van den heelen dag: overal gingen ramen en deuren open, ieder wilde nog genieten van de heerlijke, zoele lucht. In groepjes kwamen de studenten uit de kroeg en ’t Vegetarisch, liepen de Breestraat af, ’t Plantsoen, de Singels langs. Fietsers gleden zachtjes de gladde paden over, rustig-rechtop, één hand even aan ’t stuur; er was ’n zacht geklink van fluiten en van éven-zingende vogeltjes in de stilte, ’n teere blijheid lag over alle huizen en boomen, en over alle jonge gezichten.Het was zeker, dat ze kennissen tegenkwamen: De Veer in ’n open bakje, met ’n bloem in z’n knoopsgat; Coba, die met mevrouw wandelde, Gerard of Beerenstijn of Hoefman. Han werd altijd gefloten, als ze langs z’n kamer kwamen, en dan liep hij mee op, tusschen hen in, en gewoonlijk kwam na ’n poosje ’n vierde en vijfde er bij.Eens waren ze met Eduard, die met Bruno wandelde, ’n eind buiten Leiden geloopen; het was toen al bijna heelemaal donker en de slooten leken looden strepen; achter hen was de hemel rossig van de lichtende stad. Ze hadden niet veel, en niet intiem gepraat, maar er was een groote vrede in de onbeweeglijke duisternis, en Go had soms stil haar hand op Bruno’s kop gelegd, in ’n behoefte zachte teederheid te geven, zooal niet aan hém, dan toch tenminste aan ’t dier, dat z’n eenzaamheid troostte, en bij ’m was in de uren van verslagenheid.Opééns was de figuur van ’n gebogen man voor hen opgedoken, en vlakbij hadden ze Hans herkend.“God, kerel, wat doe-jij hier op je eentje?” riep Eduard.“Ik mag eer vragen, wat jullie hier met je vieren doet?” had hij, even ontstemd, geantwoord. “Dit is het paadje om alleen te loopen, als je je zonden eens overdenken wilt.”“Wij overdenken sámen onze zonden, en dan is ’t zoo akelig niet,” antwoordde Eduard, met ’n lachje tegen Go; en ze waren met hun vijven naar de stad terug gegaan, die als ’n zwarte massa tegen den rossen hemel stond.Bij ’t licht viel ’t Go op, hoe slecht Hans er weer uitzag.“Zeg, je werkt toch niet te hard?” had ze hartelijk gevraagd. “Je ziet zoo bleek, jongen.”“Ik weet niet, hoe iemand ooit hard genoeg werken kan. Als je ’s rekent, dat die groote, groote wereld met al die menschen nu al duizenden eeuwen bestaat.... en dat wij, laten we zeggen zestig, zeventig jaar dat leven mogen meemaken, en in dien tijd alles doorwerken en doordenken moeten, wat er ooit op de wereld is gedacht en gedaan, om tot ’n waarheid te komen, die ons nú bevredigt—-”“Vooral als je van die zeventig jaar, vijftien jaar onbewustheid, èn alle lentes moet aftrekken, wanneer geen verstandig mensch iets uitvoert, ieder zich alleen láát leven.”En Eduard barstte juichend uit: “Es brechen in schallenden Reigen die Frühlingsstimmen los.”“Alleen heb ik ’t gevoel, dat je niet wezenlijk “leven” kunt, voor je weet, wat ’t leven eigenlijk is,” peinsde Hans. “Maar misschien is ’t zóó wel beter; als je de mechaniek van de tooverlantaarn kent, is er ’n hoop van de aardigheid van de plaatjes af.... Hou-jij óók zoo dol van de tooverlantaarn, Go?”En ze vertelden vroolijk hun herinneringen van kinderpartijtjes, tot ze bij het oude grachtje waren.Alle dagen waren licht, alle nachten zoel en geurig, terwijl de lente aanzwol tot zomer, en de boomen schaduw begonnen te werpen over den blikkerenden weg.Ze zouden ’n middag op ’t “Witte huis” gaan koffiedrinken: alle leden van “Laborando vincimus” met Lou en Coba en Francis als invitées. Na college stormden ze weg om de fietsen uit de bergplaats naast ’t gebouw te halen, en de professoren stondendoor de blauw-gehorde ramen toe te kijken, hoe jolig en vief het clubje opsteeg en wegreed, met vroolijk roepen van den een naar den ander en gelach van ’t haasten.Lize was alleen nog na blijven pennen, omdat hier en daar ’t dictaat haar te snel was gegaan, en Hoefman ziende, die nog draalde bij de deur, vroeg ze zijn cahier om even in te zien, verdiept in de namen en jaartallen van de schismatische pausen.“Wat ’n zalig weer, juffrouw Schermer,” begon Hoefman tegen haar tafeltje leunend.“Ja... staat daar 65?” vroeg ze zonder opzien.“’t Is echt weer om te wandelen... Doet u dat wel ’s?”“Nee; dank u voor ’t cahier... Dag meneer Hoefman.”“Ach, ga nu nog niet weg...” en hij liep haar na in ’t kamertje. “Ik wilde u wat vragen... toe, u moest ’t maar doen. Bijna alle meisjes van college zijn naar ’t “Witte Huis”. ’t Is zulk eenig weer, en ’t zal er zoo prettig zijn. Gaat u ook mee!”“Ik dénk er niet over; ik moet op de bibliotheek werken vanmiddag.”“Dat kunt u toch; ’t is maar om ’n uurtje te doen... we fietsen er in ’n oogenblik heen.”“Ik heb geen fiets.”“Dan loopen we; zooveel te gezelliger. ’t Is zoo’n mooie weg... en u zult beter kunnen werken na zoo’n wandeling.”“Maar ik ken er niemand,” zei ze met zwak verzet. Wat wou die jongen toch van haar! Maar hij wàs aardig.“U kent juffrouw Herderts en juffrouw Gerzon, en die twee andere dames van college, en mij, ’n beetje.”“Toe dan maar... U zult zien, dat ik storend werk op de pret; maar dan heeft ’t tenminste ’t voordeel, dat u me niet meer lastig valt.”En ze begon ’n gesprek over de moeilijkheid ’n leesbare uitgave van Ruysbroec te vinden, maar bij ’t station had hij haar al over bloemen aan ’t praten, haar oogen begonnen levendiger te worden, ze kreeg ’n beetje kleur, en toen in de laan bij ’t “Witte Huis” de fietsende en krijgertje spelende menigte hun joelend te gemoet kwam, stak ze niet te zeer af bij de uitgelaten pret.Er was buiten ’n groote tafel gedekt, waar ze zelf de stoelen voor aansleepten; Frieda, die er in ’n grijs japonnetje met haar fijn, sereen gezicht allerliefst uitzag, werd tot tafelpraeses benoemd, verzocht de heeren dringend niet te vechten om hun plaatsen. Hoefman zat naast Lize, maar de stoel aan haar anderen kant bleef geruimen tijd leeg, en er werd over “gesmoesd” onder de jongens, tot Hans, zonder opvallendheid, naast haar zitten kwam, en dadelijk begon te praten over ’n artikel in de Gids over het stamland der Indo-Germanen.“Komt Rolands niet?” vroeg Go, terwijl ze boterhammen “hakte” van den langen broodstok.“Nee, die had geen zin of geen tijd; allemaal suiker en melk?—” en Gerard rammelde met de groote koppen en de koffiekan.Coba gaf aan Hoefman de beste adressen voor boter en koffie op, “maar je moet natuurlijk niet te veel tegelijk laten halen; dan bederft het.”En nu kwam Go los met ’n grappig verhaal over ’n scène met de juffrouw, die geen ons boter en geen half ons vleesch tegelijk wilde halen. “We zijn nétte menschen, en voor ons zelf zouë we ’t ook niet doen. Ze kijke je er in de winkelop an, en noeme je “halve-onze-juffrouw.” ’n Half ons ham of rookvleesch; dat plááts ik nog... maar leverworst, of cornét-bief...”“We wisten eenvoudig eerst niet, wat ze meende, met ’r cornét-bief,” lachte Else.“En hoe liep ’t af? Némen jullie nu, om ’t fatsoen van de juffrouw, ’n héél ons?”“Nee, die onbetamelijke boodschappen doen we nu zelf....” en Go gaf reikend het vleeschschaaltje aan Lize, die stil was geworden, en met wijd-open oogen keek in de boomen en de blauw-lichte lucht.“Juffrouwen-die-kamers-verhuren zijn de heerlijkste, vermakelijkste, interessantste menschen, die je je denken kunt,” begon De Veer gezellig. “Als mijn juffrouw kwaad op me is, omdat we ’s nachts herrie hebben gemaakt, of vuile boel op mijn kamer, geeft ze me olie in m’n lamp, die niet branden wil, “vergeet” me m’n brieven te geven, en stuurt alle berenleiders naar m’n kamer;.... maar heb ik daarentegen haar goedgunstigheid opgewekt, dan heeft ze allerlei kleine verrassinkjes: ik krijg ’s avonds opeens ’n ommelet binnengebracht, of ze wascht m’n handschoenen.... en alle schuldeischers, zèlfs ’n deurwaarder, houdt ze met mooie praatjes aan de deur.”“Komen die dan zoo druk bij jou, deurwaarders?” vroeg Frieda, die brood voerde aan Bruno.“Nou, zoo in ’t begin van de maand, hè Eddy?” en Eduard vertelde lachend aan Go, dat hij en Wim en Rolands ’n driemanschap hadden gesloten tegen die lastige rustverstoorders: in ’t begin van de maand huisde ieder op de kamer van den ander, zoodat “meneer” nooit thuis was, en zetoch niet den heelen dag in bed hoefden te blijven, of op de kroeg te hangen.“Want je weet niet, hoe melancoliek dat maakt, als je uur na uur met je boek, met de krant, maar zoo’n beetje ligt te soezen in ’t grijze licht, en telkens schrik-je wakker van ’n stem, die naar “meneer Neerwinden” vraagt, en je hoort je juffrouw, nijdiger, naarmate de dag verder vordert,snauwen: dat meneer op bed leit, dat meneer niet bij de hand is. En de kerels nijdig terug, dat ze nou al zoo lang er om loopen, dat ’t nou ’s uit zijn mot,... zoodat je aan ’t eind ligt te rillen bij de gedachte, dat ze wel ’s zouën kunnen binnenkomen.”“Nou; wat dan nog?” lachte De Veer, “als je ’t nu toch eerlijk niet hebt?”Maar Francis leidde de aandacht af, door op ’n beeldig, klein vogeltje te wijzen, dat op den grasrand sprong; ze wierpen er stukjes brood heen, en slopen zachtjes nader om ’t van dichterbij te bekijken. De tafelorde was verbroken; Go snoepte klontjes suiker, en wierp er ook den hond van in den geopenden bek; Lou en Coba liepen arm in arm den kant naar Endegeest op, vanwaar ’n geheimzinnig, triestig gezang opklonk; de anderen stonden en hingen over de stoelen te overleggen, wat nu.“Ik ga dadelijk terug,” zei Lize. “Je hadt gezegd, dat ’t maar ’n uurtje duren zou en ’t is kwart voor twee.”Hoefman trok zich den verwijtenden toon niet aan: “Als je per se wilt, ga ik mee,” en hij keek met voldoening in haar levendig gezicht; ze had haar hoed afgezet, en haar haar sprong weerbarstig uit den stijven wrong.“Dag lui,” wuifde hij, en hij voelde zich trotsch, toen ze ’m verwonderd nakeken.“Wat wíl die kerel toch met dat meisje?” vroeg Eduard, terwijl ze den weg langs de tulpenvelden in gingen. De groote bloei was al voorbij; hier en daar wiegden nog enkele roode en witte ballonnetjes, maar er tusschen was veel kale aarde, en ze vonden ergens in ’n sloot ’n heele hoop verwelkende bloemen, die zoo maar als waardeloos waren weggegooid.“Hoe zonde,” zei Go, er bij neerknielend, maar Gerard trok haar weg: “Moet je nou in de sloot vallen, meisje, om zoo’n verrotte bloemen-hoop; kijk, daar bloeit meidoorn en wikke en convolvulus: pluk dáár liever van.”Hans en Wim waren aan ’t ver-springen over de sloot, zonder stok; en Eduard ging aan den kant zitten om ’n fluitje van het riet te maken, dat schallende klank gaf over den stillen weg. Hij moest er toen ook een voor Go maken en voor Else en voor alle meisjes, behalve voor Frieda, die ’t “afschuwelijk” vond, toen ze toeterend en krijschend naar ’t hôtel terugkuierden.Daar stonden de fietsen in ’n lange rij; er werd betaald; de meisjes ordenden haar haren, en met veel geplaag om Coba, die “er nooit óp komen kon,” vertrokken ze in groepjes, snel wegwielerend door de hooge laan.Go en Eduard kwamen achteraan; hij had haar fiets met de lange wikke-ranken en de geurige meidoorn opgesierd; de warme lente woei in hun lichte gezichten, en ze praatte opgetogen over den mooien weg en de aardige, wuivende boomen. Ze reden binnendoor, langs smalle kronkelende paadjes; telkens zagen ze fietsenglimmeren in de verte, en dan was ’t weer weg; soms riepen ze tegen elkaar, schallend, dat de vogels schrikten.Eduard dacht, dat Go nu heelemaal was, zooals hij haar ’t liefste zag: jong, open, gelukkig, genietend van ’t oogenblik, vertrouwend in het leven, in de menschen, vóór alles in hem. Hij keek haar zacht en innig aan, en voelde, dat zoo’n meisje bij de lente hoorde.Nu bogen ze den hoek om, en opeens, langs ’n zijpad, zagen ze Rolands’ klein figuurtje naast ’n rijzig “jufje” gaan, Rolands’ bruin kopje vragend naar haar opgeheven, terwijl z’n beenen onzeker gingen, en z’n heele houding pijnlijke verwachting uitdrukte.Eduard keerde zich dadelijk naar Go, zei iets van den weg, om haar af te leiden, maar hij zag in haar oogen, dat zij ’t begrepen had en zweeg, in z’n hart foeterend op “die stomme, kleine nikker.”Maar toen tranen kwamen, en Go al maar zwijgen bleef, met iets zoo hopeloos-bedroefds en gebrokens in haar gezichtje, dat hij begon te voelen, wat ’t voor zóó’n kind zijn moest, als ze iets dergelijks zag, boog hij zich over haar heen, zacht vragend: “Wat is er, Gootje?”Ze schudde haar hoofd, en haar haren bewogen rythmisch op den wind.“Ja, nu jok-je; er is wel wat. Je ziet er opeens zoo vreemd uit. Je was zoo even heelemaal anders.”“Maar ’t is ook zoo verschrikkelijk,” barstte ze smartelijk uit, “het was alles zoo mooi, de weilanden en de boomen, en de hééle wereld, en ik had zoo ’t gevoel, dat iedereen goed moestzijn, bij zulk weer. En nu hij daar opeens, zich weggooiend, vragend aan.... op zoo’n heerlijken lentedag iets zoo leelijks.”“Maar ’t is juist in de lente en met ’t mooie weer, dat zulke dingen gebeuren,” antwoordde Eduard zachtjes, en hij zag, hoe ze over de lichtende landen keek met ’n nieuwe gedachte in haar oogen, dat ze vaag iets nieuws voelde in de groeiende wereld om haar heen, waar ze vroeger nooit aan had gedacht, en dat ze ook niet mooi vond.“Ik ben zoo bang, ik word zoo bang voor al dat vreemde overal, waar ik wel ’s van gehoord heb, maar nooit over gedacht.... En vóór je ’t ziet, heb je ’t niet begrepen.—Ik voel me hoe langer hoe onrustiger, nu ik weet, dat zoo iets met een van onze vrienden gebeuren kan.”Ze streek nerveus haar haar weg; ’t stuur wankelde, en hij legde z’n smalle hand naast de hare.“Ja,” zei hij zacht; “zoo zijn wij studenten;—zoo zijn we bijna allemaal.”Ze gleden voort onder de hooge boomen, de handen vlak naast elkaar. Ze voelde z’n oogen over haar gezicht gebogen, en stil keek ze recht voor zich uit. De wereld was anders, dan ze ooit had gedacht in haar meisjesdroomen; en ’t geluk was anders. Het groeide in haar met toenemende pijn.

Nu was het overal lente en iedere dag was ’n feest.

Dat begon al ’s morgens vroeg, als ze wakker werden van het vroolijk geklok van de kippen op ’t zonnige plaatsje, en ’t rinkelen van ’t gordijn, heen en weer bewogen door geurige koeltjes. ’t Was nu ’n plezier dadelijk uit bed te springen, en te plassen en te stoeien met water, tot je heelemaal lekker frisch en lenig was.... En dan ’t binnenkomen in de huiskamer, waar de tafel, mooi-wit, voor hun tweeën stond gedekt, het glimmende trekpotje op ’t comfoor met doorschijnende glaasjes. Dan moesten ze lachen tegen elkaar van louter vreugde om hun heerlijk huishoudentje, in die aardige kamers; dan scharrelden ze zonder veel praten innig-vergenoegd ’n beetje rond, om eieren te koken en de bloemen te verfrisschen; en staken de jonge hoofden uit ’t raam in de koele morgenlucht om te kijken, of hun zwanen nog niet aan kwamen drijven. Die gleden statig op ’t lichtende water, zon over den blanken staart, en bleven stil voor ’t huis, de koppen in trotsche in-zich-zelf-gekeerdheid gebogen, ongevoeligin hun afwachting, als ’n beest van papier-maché.

Else en Margo liepen de deur uit, de handen vol brokjes brood, en wierpen ze in ’t water, en zagen, hoe ze ze oppikten, terwijl de duiven van den overbuurman jaloersch begonnen te fladderen.

Als ’t carillon negen speelde, moesten ze hollen naar college; ze stormden op tegen de hooge brug, dat ze zwiepend neerveerde in ’t midden, ze sprongen de stoepjes op en af, hijgden binnen met warm-roode wangen. Ieder scheen nu levendiger en helderder te zijn, en er was ’n eenheid van geanimeerde belangstelling. De professor sprak bezield; de jeugd was open om z’n woorden op te nemen. In den ouden tuin zag Go de knoestige pereboomen met ’n sluier van blanke bloesems getooid, en overal werkten kleine, groene puntjes zich open aan de struikjes. In ’t vrije kwartier ontplofte de wetenschap-spanning in ’n jubelend gejoel vol uitgelatenheid; de meisjes, enkel in hun japon, meestal zonder hoeden, speelden krijgertje om de groote, oude kerk, waarvan de kleine, groene glaasjes in de zon schitterden. Als er één goed gerespondeerd had, werd er op koekjes of caramels getracteerd bij de “snoepjuffrouw” ’n paar huizen van college; en het zakje ging van hand tot hand, opdat ’t leeg zou zijn, wanneer ze weer naar binnen moesten.

Onderwijl liepen de jongens, bezadigder, op het Rapenburg aan den zonnekant kalm heen en weer en rookten sigaretjes, vaderlijk glimlachend als de uitgelaten meisjesschaar hun lachende voorbij trok.

Eén ochtend, dat ’t buitengewoon mooi was,—je zag, je rook, je hóórde de lente,—waren ze in ’t vrije kwartier met z’n allen naar denhortus getrokken: niet alleen de meisjes van het tuinlokaal, maar ook de candidaten van boven en de twee classicae, die enkele colleges in de Kloksteeg hadden.

Alle boomen stonden te trillen van verwachting, alsof het wonder dadelijk gebeuren zou; er was geen wind, en de lucht zóó overvol van geur en zoelte, dat ze scheen te zullen bréken bij de minste beweging.

Ze liepen allemaal stil langs de perken, waar de lilas crocusjes stonden, en de blanke akermannetjes, groen gestipt; en ze gingen met hun handen tegen de bottende boomen, en over de kleine struiken; het water lag in de zon; neuriënd en diep-ademend liepen ze door ’t rots-partijtje, en gingen even op ’n bank zitten bij de groen-glazige serre.

De oude tuinman, die toegewijd z’n kleine potjes in de zon droeg, knikte vriendelijk van: “heerlijk weertje,” opende daarna gedienstig het hek;.... maar toen ze op ’t Rapenburg liepen, nog stil-gelukkig om de mooie wereld, speelde het opeens kwart-over, en met gilletjes van schrik en kinderlijke pret hólden ze op de groene deur toe, de kille gang door, bleven dan huiverend staan voor ’t gesloten lokaal, waar de professorsstem al uit opklonk;—en eindelijk, binnendringend, verlegen en buiten adem, zagen ze de eerste rij stoelen open, hun cahiers op de verlaten tafeltjes, en ze begonnen te lachen, en de jongens proestten, en de professor lachte ook, en keek op z’n horloge, en naar ’t stoffige raam, waar de zon zoo tergend-mooi door schilferde,.... en, even z’n hoofd schuddend, recapituleerde hij nog maar ’s, wat hij zooeven gezegd had.—

Dan—’s middags na college—werden groote wandelingen gemaakt. Eerst was ’t geweest om de eerste elzekatjes en ’n enkel, kortstelig madeliefje te zoeken, uitglijdend op den weeken grond aan de slootkanten, waar hier en daar nog ’n ijsvliesje zichtbaar was, overblijfsel van fel-koude nachtvorsten.

Later gingen ze met ’n boek aan den kant van den weg zitten, en Go had er op aangedrongen, dat het een studieboek zou zijn; maar terwijl zij voorlas vansa-bâ ahas, en de ontwikkeling van beteekenis van het naamwoordnasati, lagen Lou en Coba over het vlakke weiland te kijken, waar de vredige koeien zich koesterden in ’t zonnelicht, en dan zweeg ze eindelijk ook, en staarde over het boek heen in den wolkeloos strakken hemel, en naar ’t zonnige slootje met rietpluimen aan hun voeten; en ze luisterden met hun drieën naar de stilte van het herlevend land.

Na het eten, dat jolig verliep met gekibbel over het vleesch en de pudding en den sinaasappel, liepen Else en Go dadelijk de deur weer uit, om voor ’t laatst van het lieve stadje te genieten, dat nu als betooverd lag in den gouden avondgloed. Nu was het ’t drukst-stil op straat van den heelen dag: overal gingen ramen en deuren open, ieder wilde nog genieten van de heerlijke, zoele lucht. In groepjes kwamen de studenten uit de kroeg en ’t Vegetarisch, liepen de Breestraat af, ’t Plantsoen, de Singels langs. Fietsers gleden zachtjes de gladde paden over, rustig-rechtop, één hand even aan ’t stuur; er was ’n zacht geklink van fluiten en van éven-zingende vogeltjes in de stilte, ’n teere blijheid lag over alle huizen en boomen, en over alle jonge gezichten.

Het was zeker, dat ze kennissen tegenkwamen: De Veer in ’n open bakje, met ’n bloem in z’n knoopsgat; Coba, die met mevrouw wandelde, Gerard of Beerenstijn of Hoefman. Han werd altijd gefloten, als ze langs z’n kamer kwamen, en dan liep hij mee op, tusschen hen in, en gewoonlijk kwam na ’n poosje ’n vierde en vijfde er bij.

Eens waren ze met Eduard, die met Bruno wandelde, ’n eind buiten Leiden geloopen; het was toen al bijna heelemaal donker en de slooten leken looden strepen; achter hen was de hemel rossig van de lichtende stad. Ze hadden niet veel, en niet intiem gepraat, maar er was een groote vrede in de onbeweeglijke duisternis, en Go had soms stil haar hand op Bruno’s kop gelegd, in ’n behoefte zachte teederheid te geven, zooal niet aan hém, dan toch tenminste aan ’t dier, dat z’n eenzaamheid troostte, en bij ’m was in de uren van verslagenheid.

Opééns was de figuur van ’n gebogen man voor hen opgedoken, en vlakbij hadden ze Hans herkend.

“God, kerel, wat doe-jij hier op je eentje?” riep Eduard.

“Ik mag eer vragen, wat jullie hier met je vieren doet?” had hij, even ontstemd, geantwoord. “Dit is het paadje om alleen te loopen, als je je zonden eens overdenken wilt.”

“Wij overdenken sámen onze zonden, en dan is ’t zoo akelig niet,” antwoordde Eduard, met ’n lachje tegen Go; en ze waren met hun vijven naar de stad terug gegaan, die als ’n zwarte massa tegen den rossen hemel stond.

Bij ’t licht viel ’t Go op, hoe slecht Hans er weer uitzag.

“Zeg, je werkt toch niet te hard?” had ze hartelijk gevraagd. “Je ziet zoo bleek, jongen.”

“Ik weet niet, hoe iemand ooit hard genoeg werken kan. Als je ’s rekent, dat die groote, groote wereld met al die menschen nu al duizenden eeuwen bestaat.... en dat wij, laten we zeggen zestig, zeventig jaar dat leven mogen meemaken, en in dien tijd alles doorwerken en doordenken moeten, wat er ooit op de wereld is gedacht en gedaan, om tot ’n waarheid te komen, die ons nú bevredigt—-”

“Vooral als je van die zeventig jaar, vijftien jaar onbewustheid, èn alle lentes moet aftrekken, wanneer geen verstandig mensch iets uitvoert, ieder zich alleen láát leven.”

En Eduard barstte juichend uit: “Es brechen in schallenden Reigen die Frühlingsstimmen los.”

“Alleen heb ik ’t gevoel, dat je niet wezenlijk “leven” kunt, voor je weet, wat ’t leven eigenlijk is,” peinsde Hans. “Maar misschien is ’t zóó wel beter; als je de mechaniek van de tooverlantaarn kent, is er ’n hoop van de aardigheid van de plaatjes af.... Hou-jij óók zoo dol van de tooverlantaarn, Go?”

En ze vertelden vroolijk hun herinneringen van kinderpartijtjes, tot ze bij het oude grachtje waren.

Alle dagen waren licht, alle nachten zoel en geurig, terwijl de lente aanzwol tot zomer, en de boomen schaduw begonnen te werpen over den blikkerenden weg.

Ze zouden ’n middag op ’t “Witte huis” gaan koffiedrinken: alle leden van “Laborando vincimus” met Lou en Coba en Francis als invitées. Na college stormden ze weg om de fietsen uit de bergplaats naast ’t gebouw te halen, en de professoren stondendoor de blauw-gehorde ramen toe te kijken, hoe jolig en vief het clubje opsteeg en wegreed, met vroolijk roepen van den een naar den ander en gelach van ’t haasten.

Lize was alleen nog na blijven pennen, omdat hier en daar ’t dictaat haar te snel was gegaan, en Hoefman ziende, die nog draalde bij de deur, vroeg ze zijn cahier om even in te zien, verdiept in de namen en jaartallen van de schismatische pausen.

“Wat ’n zalig weer, juffrouw Schermer,” begon Hoefman tegen haar tafeltje leunend.

“Ja... staat daar 65?” vroeg ze zonder opzien.

“’t Is echt weer om te wandelen... Doet u dat wel ’s?”

“Nee; dank u voor ’t cahier... Dag meneer Hoefman.”

“Ach, ga nu nog niet weg...” en hij liep haar na in ’t kamertje. “Ik wilde u wat vragen... toe, u moest ’t maar doen. Bijna alle meisjes van college zijn naar ’t “Witte Huis”. ’t Is zulk eenig weer, en ’t zal er zoo prettig zijn. Gaat u ook mee!”

“Ik dénk er niet over; ik moet op de bibliotheek werken vanmiddag.”

“Dat kunt u toch; ’t is maar om ’n uurtje te doen... we fietsen er in ’n oogenblik heen.”

“Ik heb geen fiets.”

“Dan loopen we; zooveel te gezelliger. ’t Is zoo’n mooie weg... en u zult beter kunnen werken na zoo’n wandeling.”

“Maar ik ken er niemand,” zei ze met zwak verzet. Wat wou die jongen toch van haar! Maar hij wàs aardig.

“U kent juffrouw Herderts en juffrouw Gerzon, en die twee andere dames van college, en mij, ’n beetje.”

“Toe dan maar... U zult zien, dat ik storend werk op de pret; maar dan heeft ’t tenminste ’t voordeel, dat u me niet meer lastig valt.”

En ze begon ’n gesprek over de moeilijkheid ’n leesbare uitgave van Ruysbroec te vinden, maar bij ’t station had hij haar al over bloemen aan ’t praten, haar oogen begonnen levendiger te worden, ze kreeg ’n beetje kleur, en toen in de laan bij ’t “Witte Huis” de fietsende en krijgertje spelende menigte hun joelend te gemoet kwam, stak ze niet te zeer af bij de uitgelaten pret.

Er was buiten ’n groote tafel gedekt, waar ze zelf de stoelen voor aansleepten; Frieda, die er in ’n grijs japonnetje met haar fijn, sereen gezicht allerliefst uitzag, werd tot tafelpraeses benoemd, verzocht de heeren dringend niet te vechten om hun plaatsen. Hoefman zat naast Lize, maar de stoel aan haar anderen kant bleef geruimen tijd leeg, en er werd over “gesmoesd” onder de jongens, tot Hans, zonder opvallendheid, naast haar zitten kwam, en dadelijk begon te praten over ’n artikel in de Gids over het stamland der Indo-Germanen.

“Komt Rolands niet?” vroeg Go, terwijl ze boterhammen “hakte” van den langen broodstok.

“Nee, die had geen zin of geen tijd; allemaal suiker en melk?—” en Gerard rammelde met de groote koppen en de koffiekan.

Coba gaf aan Hoefman de beste adressen voor boter en koffie op, “maar je moet natuurlijk niet te veel tegelijk laten halen; dan bederft het.”

En nu kwam Go los met ’n grappig verhaal over ’n scène met de juffrouw, die geen ons boter en geen half ons vleesch tegelijk wilde halen. “We zijn nétte menschen, en voor ons zelf zouë we ’t ook niet doen. Ze kijke je er in de winkelop an, en noeme je “halve-onze-juffrouw.” ’n Half ons ham of rookvleesch; dat plááts ik nog... maar leverworst, of cornét-bief...”

“We wisten eenvoudig eerst niet, wat ze meende, met ’r cornét-bief,” lachte Else.

“En hoe liep ’t af? Némen jullie nu, om ’t fatsoen van de juffrouw, ’n héél ons?”

“Nee, die onbetamelijke boodschappen doen we nu zelf....” en Go gaf reikend het vleeschschaaltje aan Lize, die stil was geworden, en met wijd-open oogen keek in de boomen en de blauw-lichte lucht.

“Juffrouwen-die-kamers-verhuren zijn de heerlijkste, vermakelijkste, interessantste menschen, die je je denken kunt,” begon De Veer gezellig. “Als mijn juffrouw kwaad op me is, omdat we ’s nachts herrie hebben gemaakt, of vuile boel op mijn kamer, geeft ze me olie in m’n lamp, die niet branden wil, “vergeet” me m’n brieven te geven, en stuurt alle berenleiders naar m’n kamer;.... maar heb ik daarentegen haar goedgunstigheid opgewekt, dan heeft ze allerlei kleine verrassinkjes: ik krijg ’s avonds opeens ’n ommelet binnengebracht, of ze wascht m’n handschoenen.... en alle schuldeischers, zèlfs ’n deurwaarder, houdt ze met mooie praatjes aan de deur.”

“Komen die dan zoo druk bij jou, deurwaarders?” vroeg Frieda, die brood voerde aan Bruno.

“Nou, zoo in ’t begin van de maand, hè Eddy?” en Eduard vertelde lachend aan Go, dat hij en Wim en Rolands ’n driemanschap hadden gesloten tegen die lastige rustverstoorders: in ’t begin van de maand huisde ieder op de kamer van den ander, zoodat “meneer” nooit thuis was, en zetoch niet den heelen dag in bed hoefden te blijven, of op de kroeg te hangen.

“Want je weet niet, hoe melancoliek dat maakt, als je uur na uur met je boek, met de krant, maar zoo’n beetje ligt te soezen in ’t grijze licht, en telkens schrik-je wakker van ’n stem, die naar “meneer Neerwinden” vraagt, en je hoort je juffrouw, nijdiger, naarmate de dag verder vordert,snauwen: dat meneer op bed leit, dat meneer niet bij de hand is. En de kerels nijdig terug, dat ze nou al zoo lang er om loopen, dat ’t nou ’s uit zijn mot,... zoodat je aan ’t eind ligt te rillen bij de gedachte, dat ze wel ’s zouën kunnen binnenkomen.”

“Nou; wat dan nog?” lachte De Veer, “als je ’t nu toch eerlijk niet hebt?”

Maar Francis leidde de aandacht af, door op ’n beeldig, klein vogeltje te wijzen, dat op den grasrand sprong; ze wierpen er stukjes brood heen, en slopen zachtjes nader om ’t van dichterbij te bekijken. De tafelorde was verbroken; Go snoepte klontjes suiker, en wierp er ook den hond van in den geopenden bek; Lou en Coba liepen arm in arm den kant naar Endegeest op, vanwaar ’n geheimzinnig, triestig gezang opklonk; de anderen stonden en hingen over de stoelen te overleggen, wat nu.

“Ik ga dadelijk terug,” zei Lize. “Je hadt gezegd, dat ’t maar ’n uurtje duren zou en ’t is kwart voor twee.”

Hoefman trok zich den verwijtenden toon niet aan: “Als je per se wilt, ga ik mee,” en hij keek met voldoening in haar levendig gezicht; ze had haar hoed afgezet, en haar haar sprong weerbarstig uit den stijven wrong.

“Dag lui,” wuifde hij, en hij voelde zich trotsch, toen ze ’m verwonderd nakeken.

“Wat wíl die kerel toch met dat meisje?” vroeg Eduard, terwijl ze den weg langs de tulpenvelden in gingen. De groote bloei was al voorbij; hier en daar wiegden nog enkele roode en witte ballonnetjes, maar er tusschen was veel kale aarde, en ze vonden ergens in ’n sloot ’n heele hoop verwelkende bloemen, die zoo maar als waardeloos waren weggegooid.

“Hoe zonde,” zei Go, er bij neerknielend, maar Gerard trok haar weg: “Moet je nou in de sloot vallen, meisje, om zoo’n verrotte bloemen-hoop; kijk, daar bloeit meidoorn en wikke en convolvulus: pluk dáár liever van.”

Hans en Wim waren aan ’t ver-springen over de sloot, zonder stok; en Eduard ging aan den kant zitten om ’n fluitje van het riet te maken, dat schallende klank gaf over den stillen weg. Hij moest er toen ook een voor Go maken en voor Else en voor alle meisjes, behalve voor Frieda, die ’t “afschuwelijk” vond, toen ze toeterend en krijschend naar ’t hôtel terugkuierden.

Daar stonden de fietsen in ’n lange rij; er werd betaald; de meisjes ordenden haar haren, en met veel geplaag om Coba, die “er nooit óp komen kon,” vertrokken ze in groepjes, snel wegwielerend door de hooge laan.

Go en Eduard kwamen achteraan; hij had haar fiets met de lange wikke-ranken en de geurige meidoorn opgesierd; de warme lente woei in hun lichte gezichten, en ze praatte opgetogen over den mooien weg en de aardige, wuivende boomen. Ze reden binnendoor, langs smalle kronkelende paadjes; telkens zagen ze fietsenglimmeren in de verte, en dan was ’t weer weg; soms riepen ze tegen elkaar, schallend, dat de vogels schrikten.

Eduard dacht, dat Go nu heelemaal was, zooals hij haar ’t liefste zag: jong, open, gelukkig, genietend van ’t oogenblik, vertrouwend in het leven, in de menschen, vóór alles in hem. Hij keek haar zacht en innig aan, en voelde, dat zoo’n meisje bij de lente hoorde.

Nu bogen ze den hoek om, en opeens, langs ’n zijpad, zagen ze Rolands’ klein figuurtje naast ’n rijzig “jufje” gaan, Rolands’ bruin kopje vragend naar haar opgeheven, terwijl z’n beenen onzeker gingen, en z’n heele houding pijnlijke verwachting uitdrukte.

Eduard keerde zich dadelijk naar Go, zei iets van den weg, om haar af te leiden, maar hij zag in haar oogen, dat zij ’t begrepen had en zweeg, in z’n hart foeterend op “die stomme, kleine nikker.”

Maar toen tranen kwamen, en Go al maar zwijgen bleef, met iets zoo hopeloos-bedroefds en gebrokens in haar gezichtje, dat hij begon te voelen, wat ’t voor zóó’n kind zijn moest, als ze iets dergelijks zag, boog hij zich over haar heen, zacht vragend: “Wat is er, Gootje?”

Ze schudde haar hoofd, en haar haren bewogen rythmisch op den wind.

“Ja, nu jok-je; er is wel wat. Je ziet er opeens zoo vreemd uit. Je was zoo even heelemaal anders.”

“Maar ’t is ook zoo verschrikkelijk,” barstte ze smartelijk uit, “het was alles zoo mooi, de weilanden en de boomen, en de hééle wereld, en ik had zoo ’t gevoel, dat iedereen goed moestzijn, bij zulk weer. En nu hij daar opeens, zich weggooiend, vragend aan.... op zoo’n heerlijken lentedag iets zoo leelijks.”

“Maar ’t is juist in de lente en met ’t mooie weer, dat zulke dingen gebeuren,” antwoordde Eduard zachtjes, en hij zag, hoe ze over de lichtende landen keek met ’n nieuwe gedachte in haar oogen, dat ze vaag iets nieuws voelde in de groeiende wereld om haar heen, waar ze vroeger nooit aan had gedacht, en dat ze ook niet mooi vond.

“Ik ben zoo bang, ik word zoo bang voor al dat vreemde overal, waar ik wel ’s van gehoord heb, maar nooit over gedacht.... En vóór je ’t ziet, heb je ’t niet begrepen.—Ik voel me hoe langer hoe onrustiger, nu ik weet, dat zoo iets met een van onze vrienden gebeuren kan.”

Ze streek nerveus haar haar weg; ’t stuur wankelde, en hij legde z’n smalle hand naast de hare.

“Ja,” zei hij zacht; “zoo zijn wij studenten;—zoo zijn we bijna allemaal.”

Ze gleden voort onder de hooge boomen, de handen vlak naast elkaar. Ze voelde z’n oogen over haar gezicht gebogen, en stil keek ze recht voor zich uit. De wereld was anders, dan ze ooit had gedacht in haar meisjesdroomen; en ’t geluk was anders. Het groeide in haar met toenemende pijn.

Hoofdstuk XIV.Go zat op de kist, die in ’n hoek van de kamer stond, maakte zorgvuldig ’t boodschappenbriefje voor de juffrouw op: “Dus nog vier eieren, Elsi, en den man van de schuit waarschuwen voor de koffers... en pakpapier voor de gravures.”Else knikte, zuchtte even. “’t Laatste briefje,” zei ze zacht, en opeens scheen ’t haar, dat ze het toch verschrikkelijk vond haar leven hier te verlaten, dat ze toch altijd terugverlangen zou naar Go en de kamer in de kleine stad, al was ’t in ’n vreemd land nog zoo mooi en interessant. Toen haar moeder voor ’t eerst er over sprak, dat ze liever met studeeren ophouden moest,... over één, anderhalf jaar zou ze met Han kunnen trouwen, en wat hád ze er dan aan, of ze candidaat in de rechten was,—had ze zich eerst hevig verzet, en gehuild, dat ze hiéld van haar studie—“erg platonisch”, had haar vader geplaagd—, dat ze niet weg wilde uit haar lief Leiden—, maar toen later over het plan was gesproken haar eerst ’n poos naar Brussel en daarna naar Londen, misschien ook nog naar Duitschland te zenden, om goed de talen te leeren, wat breederen blik te krijgen en zich tebekwamen in ’t huishouden,—en toen de brieven met inlichtingen over families waren gekomen, en er gepraat was over uitstapjes en opera’s en concerten,—had ze er langzamerhand plezier in gekregen, en zich ’n beetje “grande dame” gevoeld tegenover de andere meisjes, die altijd stil hier zouden blijven; en prettig ook met Han erover gepraat, dat ze nu een echt huisvrouwtje ging worden, dat dat toch beter was dan geleerdheid. Maar nu.... nu haar kisten al voor ’n deel naar huis waren gestuurd, nu de kamers rommelig en ontredderd waren, en ze samen in den schemer ’t laatste briefje voor de juffrouw zaten samen te stellen en ze straks voor ’t laatst met Han langs de stille grachtjes loopen zou, voelde ze zoo’n wijden weemoed om het heerlijke jaar, dat voorbij was, dat ze álles had willen geven—Brussel en Londen en alle grootsche weelde,—om hier te kunnen blijven, met Han en Go, tusschen de jeugd, tusschen de vrienden, in de bescherming van de oude huizen.“Och,” zei Go, “je moet maar denken: ’t afscheid is voor ons eigenlijk ’t zelfde; of je nu voor altijd gaat, of voor drie maanden;.... ’t is iets, dat je niet kunt overzien. En in deze kamers zitten we allebei voor ’t laatst.”“Ja, ’t is jammer, dat jij niet alleen blijven kunt.”“Ja; maar ’n tweede meisje is zoo moeilijk te vinden, en zoo’n meneer altijd vlak naast me.... nee, ’k ben érg voor coëducatie, maar ’k zou ’t niet gemoedelijk vinden.”“Och.... als-tie aardig was.”“En dan wil ik liever ook maar dit jaar heelemaal apart houden. Nu begint er weer iets nieuws. Ik zouje veel te erg missen, als ik hier bleef op ónze kamers.”“We zullen nu wel nooit meer zoo samen zijn,” peinsde Else... “Je komt natuurlijkwel ’sbij ons logeeren, maar dat is toch anders... We hebben ’t altijd vreeselijk goed met elkaar kunnen vinden, hè; we hebben nóóit gekibbeld, we zijn nooit boos op elkaar geweest.”“Nee,” en Go dacht aan dien keer, toen Els met Eddy geflirt had, en zij zoo onredelijk was geweest. Goeie Elsi, ze vergat zulke onaardigheden altijd dadelijk. En ze had nooit gezinspeeld op de verhouding met hem, nooit geplaagd...“Ga nu maar naar Han toe, anders laat je ’m nog wachten voor ’t eerst en voor ’t laatst... Ik moet nog gaan spreken over het bewaren van m’n planten, en dan naar Lize.”“Gootje,” zei Else zacht, met ongewoon ontroerde stem, “hier is ’t allemaal voor me begonnen, dien avond voor den spiegel, toen hij opeens binnenkwam... En je hebt ’t allemaal meegemaakt, en nu gaan we gauw trouwen. Je bent altijd erg lief voor me geweest.” En na ’n woeste omhelzing draaide ze zich opeens om, en als beschaamd over haar weekheid, riep ze: “Dàg!” en vloog de deur uit, terwijl Go glimlachend zuchtte: “Schat, ik zal je zoo missen.”Toen zette ze de melk, ’n glas, ’n ei, den klutser op tafel klaar, voor ’t geval, dat Else vóór haar mocht thuiskomen, ging stil de kamer uit.Er lag dien avond ’n drukkende melancolie over de grijze stad. Voelde ze al, dat de jeugd haar weer ging verlaten, en drukte haar nu opeens het gewicht van haar hoogen ouderdom, omdat het nieuwe geslacht, dat haar altijd jong hield,weer wegtrok? Of was ’t het verdriet van de scheiding in alle jonge harten, dat de lucht zwoeler maakte en de kleuren doffer? Het hielp niet, of Go al diep zuchtte om zich te bevrijden van het benauwde gevoel; de weemoed in haar vermengde zich met den weemoed van de omringende dingen, en ze voelde, hoe bijna achter ieder licht raam nu één dacht aan ’t scheiden: “scheiden thut weh,” één gebogen zat over z’n koffers, zwaar van gedachten aan ’t jaar, dat voorbij was. Maar er zouden er toch ook zijn, die blij waren naar huis te gaan. Ze vond het ellendig, dat zij niet blij was. Daar waren vader en moeder en de kinderen allemaal, en ze verheugden zich, dat ze nu weer ’s ’n poos in hun midden zijn zou; moeder zou vanavond stralend aan de theetafel zeggen: “Morgen zijn we weer met ons tienen, kinderen”—en zij zag er tegenop weer onder die menschen te moeten leven, die toch allen zooveel van haar hielden; ze huiverde terug voor de degelijke gezelligheid, de stille regelmaat, en vond ’t punctueele irriteerend en banaal. Wat zou arm moesje bedroefd zijn, als ze wist, hoe ze in ’n jaar haar al was ontgroeid! Hoe zou ze zelf in zoo’n verandering hebben kunnen gelooven, zij, die negen maanden geleden snikkend uit het ouderlijk huis naar den vreemde trok? Alle leven was haar vlak en onbelangrijk geworden, vergeleken bij het hevig-genietende, diep-rampzalige, altijd-in-uitersten-zich-bewegende om haar heen. In dit jaar was ze gaan begrijpen het studentenleven, dat haar eerst alleen iets grappigs, iets van pret maken had geschenen; dat ze nu voelde in z’n jonge kracht en z’n verwording, met z’n idealen en désillusies, levensmoed en wanhoop, altijd heel groot en heftig, heerlijkof afschuwelijk. O, ze vóelde, dat ze het stadje liefhad, zooals ze nog nooit ’n stad had liefgehad. Ze liep nu afscheid te nemen van ieder huis, van de boomen, van het water, van de brugjes, van de lantaarns. Op elk plekje was immers ’n lieve herinnering aan iets, dat ze dáár had gedacht of gehoord of gezien. Van allerlei huizen wist ze immers: daar woont die, of heeft die gewoond; en het water, waar de vrouwen hun goed in uitspoelen kwamen, waar ’s ochtends de kleurige groenteschuitjes door voeren, en ’s avonds de motorbooten, de bruggen waarschuwend met schetterenden hoorn—had ze het niet bewonderd van den eersten dag af?Nu liep ze langs den Witten Singel, staarde peinzend naar de sterrenwacht, die haar altijd ’n geheimzinnig kasteel had geleken; het was zoo donker en plechtig onder de dik-bebladerde kastanjeboomen, dat het scheen, of ze in ’n kerk liep, en ze zei: Nu moet je naar Lize, je loopt al zoo lang maar rond;—voelde toch ook, dat ze zóó niet bij haar zou kunnen werken.Om haar gedachten af te leiden begon ze zich af te vragen, of ze dit jaar met haar studie nu wel genoeg was opgeschoten; en dàt bracht haar de grappige herinnering van de eerste maanden van samenwerken met Coba en Lou. Ze kenden elkaar toen nog heel weinig, maar hadden afgesproken eens in de week bij Coba of Go op de kamer bijeen te komen. ’s Middags gingen ze dan al vast koekjes en andere lekkernijen koopen, en ’t begin van den avond was: theedrinken met koekjes en vroolijkheid. Dan werden om ’n uur of acht alle mogelijke wichtige boeken bij elkaar gehaald: Franck’s etymologisch woordenboek enmittelniederländische grammatik; Stoett; Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal; Den Hertog; Braune.... en na eenig gekibbel begon er één ’n bladzijde van den middelnederlandschen tekst voor te lezen. Maar dan kwam de groote moeilijkheid. Soms vonden ze elk wóord “der aandacht waardig,” grepen ieder naar ’n boek om te kijken, of er iets over te vinden was, en hun wijsheid door elkaar mee te deelen. Dan weer scheen hun alles dood-eenvoudig,of verwezen ze elkaar voortdurend naar ’t middelnederlandsch woordenboek. Ze konden elkaar soms minuten-lang diepzinnig zitten aanstaren om den een of anderen duisteren regel te doorgronden en dan opeens alle drie te gelijk in lachen uitbarsten, omdat ze zoo bespottelijk geleerd deden. ’t Was hun onmogelijk geweest zichzelf au sérieux te nemen, wanneer ze in al die dikke boeken zaten te kijken; technische termen vonden ze allervermakelijkst, en zeiden ze nooit zonder de professorsstem na te doen, en om negen uur stormden ze ziels-vergenoegd de deur uit om zich ’n beetje te verfrisschen van de inspanning en melk of limonade te gaan halen, ondertusschen elkaar op de gelezen regels vergastend. Als ze terug waren, begon er weer een te lezen, terwijl de anderen chocolademelk brouwden, of kastanjes poften, wat door alle drie zooveel belangrijker werd gevonden, dat èn Stoett èn Franck, èn Braune èn Den Hertog als zitplaats werden gebruikt om in de melk te kunnen roeren, en op de mooie, roode kaft van de Geschiedenis der Nederl. taal brandplekjes schroeiden van de gepofte kastanjes. Als ze om tien uur samen Lou naar den trein brachten, zeiden ze telkens weer, dat ’t zoo toch niet ging, en Lize werd denvolgenden dag bestormd met de vreemdste vragen: Hoe je aan ’n woord zien kon, of er wat van te zeggen was? En hoe je dan kon weten, waar je het op moest zoeken?...Eindelijk had Lize bedacht, dat het ’t beste was, als ze hen eerst ’n beetje op weg hielp. Voor haar zelf was ’t een goeie oefening, en ’n proef, of ze er nu wezenlijk wat van wist, en zij zouden er dan misschien een beetje kijk op krijgen. En het was beter gegaan van den eersten avond af; wel kon er soms iemand niet respondeeren, omdat ze ’n vollen mond had, en moest de lezing onderbroken worden, omopte staan voor ’t laatste koekje; maar er werd ook flink gewerkt, Lize “rook”, bewonderde Coba, als er over ’t een of ander woord iets in Franck of Stoett stond, en ze zouden nu dezen avond hun tweede middelnederlandsche tekst ten einde brengen.Maar ook bij Lize in de kamer hing de doffe treurnis.... Er was nog geen licht aangestoken, en de meisjes zaten en lagen zwijgend bij het open raam, starend op den kalen muur en het stukje violetten hemel er boven.“Ik dacht, dat ik veel te laat was; ik heb nog overal rondgeloopen,” zei Go.“Ik weet niet, hoe laat ’t is; ga ergens zitten.”“In de vensterbank maar; God, wat is ’t zoel vanavond.”Lou speelde met Go’s boeken. Ze was de kinderlijkste en de jongste van allemaal, had ook, omdat ze thuis was gebleven, minder den invloed van ’t studentenleven gevoeld.“We zullen nu maar niet werken, hè?” zei ze droomerig. “We zijn vanavond voor ’t laatst bijelkaar, en kunnen ’t morgen zelf wel even uitlezen op de bibliotheek.”Lize knikte. “Ik ben ook zoo suf in m’n hoofd; ik had moeite te bedenken, wat ik in m’n koffer moest meenemen.”“Ga-jij morgen ook?”“Ja, Vader heeft me geschreven, dat ik moest komen.”“Ik ben toch blij, dat we hier nog ’s terugkomen voor die pic-nic van Laborando vincimus,” zuchtte Coba.“Ja, dolletjes,” fluisterde Lou, maar Lize zei, dat ze niet wist, of ze meegaan kon. “’t Hangt er van af, of ik weg kan, hè; er schijnt weer iets met de meid te zijn.”“O, maar je moet mee; ’t zal zoo prettig zijn....”“Och, ik ken de menschen zoo weinig.... ik hoor er niet bij.”“En òns dan, en Else en Hoefman....”“Ja die, maar die is zoo vreemd. Laatst ging ’k met m’n koffertje naar ’t station, ’t was niet eens zoo erg zwaar. Daar kwam hij me opeens achterop en wou ’t dragen. Nu, ik vind ’m niets geen reus, ben zelf misschien sterker. Ik zei, dat ik ’t liever niet had,.... maar hij, o, lieve hemel, of ik er van breken zou, of ’t iets ongehoords was... Nou, dat ’s aanstellerij. Ik heb ’m wel ’s wat van thuis verteld, en dan kan hij weten, dat ’k wel ’s moeilijker dingen te doen heb, dan ’n koffertje te dragen.”Ze haalde de schouders op, en streek met haar handen over haar moe gezicht. Toen leunde ze haar hoofd op de ellebogen, en bleef naar buiten zitten kijken, in de lucht, waar langzaam sterren doorkwamen.“Wat is ’t hier stil,” zei Lou, “is je juffrouw uit?”“Ik weet ’t niet. ’t Is niet gehoorig hier.”Ze zwegen weer, dachten allen aan de toekomst, die zoo dicht bij scheen op zoo’n avond; zochten de profetie van hun leven in den muur en de sterren. Go verlangde naar Eddy: hoe zouden ze elkaar nog nader komen? Was zij niet ’t eenige meisje, van wie hij notitie nam; was ’t niet iets van-zelf-sprekends geworden, dat ze altijd samen waren? En zou dit eindigen in ’n engagement, ’n huwelijk? Ach, die dingen waren zoo ver, en daar gaf ze nog niet om;.... als hij maar van haar hield, als ze maar voor ’m zorgen mocht... Ze had er nog over gedacht ’m te vragen eens te komen in de vacantie, maar ze dacht toch, dat moeder ’m niet aardig vinden zou;... zeggen zou, dat-ie meer moest werken;... ledigheid maakte melancoliek...“Leise flehen meine Lieder... durch die Nacht zu dir...,” zette ze onwillekeurig even zacht in; zweeg toen, benauwd door den weeën weemoed.“Hè, wat is dit toch eigenlijk ’n lam weer.” En Coba rekte zich uit in ongeduldig zuchten. “Je kunt niets, je weet niets, je hebt alleen maar ’t land. Vanmiddag heb ik met mevrouw in de populierenlaan bij Poelgeest gewandeld;... en daar verlangde het toch zoo;... ieder blaadje hing te trillen van verlangen;... je werd er akelig van... Ik heb tegen mevrouw gezegd: Als we hier niet dadelijk uitgaan, word ik gewoon gek.”“Maar je bent immers morgen weer thuis,” troostte Lou, die hierin het geneesmiddel voor alle verdrietelijkheden zag.Maar de anderen antwoordden niet. De kamer was vol angst en verlangen.Den volgenden middag kwam de wagen voor, die Go’s boeltje naar de nieuwe woning zou brengen. Else was ’s ochtends al vertrokken, nu weer kalm en correct, in het koele morgenlicht; en Go zat alleen op de tafel zonder kleed te noteeren, hoeveel stuks uit werden gedragen. De deuren stonden open, en ’t gejoel uit de gang klonk jolig door de kamer. De kinderen vonden ’t een pretje, liepen glunder lachend de dragers in den weg, en Go was teleurgesteld, dat het zelfs Joostje niet schelen kon, dat “tante” nu weg zou gaan. Ze ergerde zich, dat zij zich zoo gehecht had aan menschen, wie haar vertrek absoluut niet raakte; ze moest lachen, omdat ze zich had verbeeld, dat de juffrouw wezenlijk “moederlijk” voor haar was gaan voelen. Voor háár immers ’n ander, en heeren waren makkelijker; en terwijl ze noteerde: kastje in twee stukken; bureaustoel; studeerlamp, stelde ze zich voor, hoe over ’n paar maanden hier weer ’n huishouden zou worden binnengedragen, onder dezelfde blije belangstelling van de kinderen;—’t was ’n komen en gaan, een onrustig rond-getrek in de stad, waar de jeugd geen “thuis”, geen vaste woonplaats had: ze gingen allemaal van kamer tot kamer, kwámen vol verwachting, scheidden in leed...“Is dat alles, juffrouw?” kwam de man vragen, en Go keek na door ’t raam, hoe de wagen wegschokkerde, ’n kantelig tafeltje bovenop; en dan opeens, met tranen, wendde ze zich af, sloot de deur, en ging lang-uit op de oude canapé liggen. Dit was het laatste uurtje met haar kamer alleen; de city-bag stond al klaar, met kleinigheden, die ze nog mee naar huis moest nemen;... de wandenwaren leeg, met nijdige prikken in ’t behangsel,... prikken van versieringen van vroegere heeren, prikken, die ze zelf had gemaakt;—en ze peinsde, hoe de kamer nu weer worden zou, en wie er nu zou komen leven, en knikte ieder meubel nog ’s vriendelijk toe:“dag goeie, groote kast, dag tafel, wat ben-je bekrast, ouë; en jij, m’n líeve canapé, wat zou ik je graag hebben meegenomen.”De kinderen speelden in de gang met de houtwol en de papieren, die waren blijven liggen. Ze gaf er niet om, ze nog goeiendag te zeggen; ze was hun toch een vreemde gebleven.Maar de kamer, daar zou ze voor ’t laatst nog ’s heel vertrouwelijk mee zijn; daar zou ze zich dit uurtje nog ’s heelemaal aan geven.En ze lag en keek. Alle dingen spraken van herinneringen.

Go zat op de kist, die in ’n hoek van de kamer stond, maakte zorgvuldig ’t boodschappenbriefje voor de juffrouw op: “Dus nog vier eieren, Elsi, en den man van de schuit waarschuwen voor de koffers... en pakpapier voor de gravures.”

Else knikte, zuchtte even. “’t Laatste briefje,” zei ze zacht, en opeens scheen ’t haar, dat ze het toch verschrikkelijk vond haar leven hier te verlaten, dat ze toch altijd terugverlangen zou naar Go en de kamer in de kleine stad, al was ’t in ’n vreemd land nog zoo mooi en interessant. Toen haar moeder voor ’t eerst er over sprak, dat ze liever met studeeren ophouden moest,... over één, anderhalf jaar zou ze met Han kunnen trouwen, en wat hád ze er dan aan, of ze candidaat in de rechten was,—had ze zich eerst hevig verzet, en gehuild, dat ze hiéld van haar studie—“erg platonisch”, had haar vader geplaagd—, dat ze niet weg wilde uit haar lief Leiden—, maar toen later over het plan was gesproken haar eerst ’n poos naar Brussel en daarna naar Londen, misschien ook nog naar Duitschland te zenden, om goed de talen te leeren, wat breederen blik te krijgen en zich tebekwamen in ’t huishouden,—en toen de brieven met inlichtingen over families waren gekomen, en er gepraat was over uitstapjes en opera’s en concerten,—had ze er langzamerhand plezier in gekregen, en zich ’n beetje “grande dame” gevoeld tegenover de andere meisjes, die altijd stil hier zouden blijven; en prettig ook met Han erover gepraat, dat ze nu een echt huisvrouwtje ging worden, dat dat toch beter was dan geleerdheid. Maar nu.... nu haar kisten al voor ’n deel naar huis waren gestuurd, nu de kamers rommelig en ontredderd waren, en ze samen in den schemer ’t laatste briefje voor de juffrouw zaten samen te stellen en ze straks voor ’t laatst met Han langs de stille grachtjes loopen zou, voelde ze zoo’n wijden weemoed om het heerlijke jaar, dat voorbij was, dat ze álles had willen geven—Brussel en Londen en alle grootsche weelde,—om hier te kunnen blijven, met Han en Go, tusschen de jeugd, tusschen de vrienden, in de bescherming van de oude huizen.

“Och,” zei Go, “je moet maar denken: ’t afscheid is voor ons eigenlijk ’t zelfde; of je nu voor altijd gaat, of voor drie maanden;.... ’t is iets, dat je niet kunt overzien. En in deze kamers zitten we allebei voor ’t laatst.”

“Ja, ’t is jammer, dat jij niet alleen blijven kunt.”

“Ja; maar ’n tweede meisje is zoo moeilijk te vinden, en zoo’n meneer altijd vlak naast me.... nee, ’k ben érg voor coëducatie, maar ’k zou ’t niet gemoedelijk vinden.”

“Och.... als-tie aardig was.”

“En dan wil ik liever ook maar dit jaar heelemaal apart houden. Nu begint er weer iets nieuws. Ik zouje veel te erg missen, als ik hier bleef op ónze kamers.”

“We zullen nu wel nooit meer zoo samen zijn,” peinsde Else... “Je komt natuurlijkwel ’sbij ons logeeren, maar dat is toch anders... We hebben ’t altijd vreeselijk goed met elkaar kunnen vinden, hè; we hebben nóóit gekibbeld, we zijn nooit boos op elkaar geweest.”

“Nee,” en Go dacht aan dien keer, toen Els met Eddy geflirt had, en zij zoo onredelijk was geweest. Goeie Elsi, ze vergat zulke onaardigheden altijd dadelijk. En ze had nooit gezinspeeld op de verhouding met hem, nooit geplaagd...

“Ga nu maar naar Han toe, anders laat je ’m nog wachten voor ’t eerst en voor ’t laatst... Ik moet nog gaan spreken over het bewaren van m’n planten, en dan naar Lize.”

“Gootje,” zei Else zacht, met ongewoon ontroerde stem, “hier is ’t allemaal voor me begonnen, dien avond voor den spiegel, toen hij opeens binnenkwam... En je hebt ’t allemaal meegemaakt, en nu gaan we gauw trouwen. Je bent altijd erg lief voor me geweest.” En na ’n woeste omhelzing draaide ze zich opeens om, en als beschaamd over haar weekheid, riep ze: “Dàg!” en vloog de deur uit, terwijl Go glimlachend zuchtte: “Schat, ik zal je zoo missen.”

Toen zette ze de melk, ’n glas, ’n ei, den klutser op tafel klaar, voor ’t geval, dat Else vóór haar mocht thuiskomen, ging stil de kamer uit.

Er lag dien avond ’n drukkende melancolie over de grijze stad. Voelde ze al, dat de jeugd haar weer ging verlaten, en drukte haar nu opeens het gewicht van haar hoogen ouderdom, omdat het nieuwe geslacht, dat haar altijd jong hield,weer wegtrok? Of was ’t het verdriet van de scheiding in alle jonge harten, dat de lucht zwoeler maakte en de kleuren doffer? Het hielp niet, of Go al diep zuchtte om zich te bevrijden van het benauwde gevoel; de weemoed in haar vermengde zich met den weemoed van de omringende dingen, en ze voelde, hoe bijna achter ieder licht raam nu één dacht aan ’t scheiden: “scheiden thut weh,” één gebogen zat over z’n koffers, zwaar van gedachten aan ’t jaar, dat voorbij was. Maar er zouden er toch ook zijn, die blij waren naar huis te gaan. Ze vond het ellendig, dat zij niet blij was. Daar waren vader en moeder en de kinderen allemaal, en ze verheugden zich, dat ze nu weer ’s ’n poos in hun midden zijn zou; moeder zou vanavond stralend aan de theetafel zeggen: “Morgen zijn we weer met ons tienen, kinderen”—en zij zag er tegenop weer onder die menschen te moeten leven, die toch allen zooveel van haar hielden; ze huiverde terug voor de degelijke gezelligheid, de stille regelmaat, en vond ’t punctueele irriteerend en banaal. Wat zou arm moesje bedroefd zijn, als ze wist, hoe ze in ’n jaar haar al was ontgroeid! Hoe zou ze zelf in zoo’n verandering hebben kunnen gelooven, zij, die negen maanden geleden snikkend uit het ouderlijk huis naar den vreemde trok? Alle leven was haar vlak en onbelangrijk geworden, vergeleken bij het hevig-genietende, diep-rampzalige, altijd-in-uitersten-zich-bewegende om haar heen. In dit jaar was ze gaan begrijpen het studentenleven, dat haar eerst alleen iets grappigs, iets van pret maken had geschenen; dat ze nu voelde in z’n jonge kracht en z’n verwording, met z’n idealen en désillusies, levensmoed en wanhoop, altijd heel groot en heftig, heerlijkof afschuwelijk. O, ze vóelde, dat ze het stadje liefhad, zooals ze nog nooit ’n stad had liefgehad. Ze liep nu afscheid te nemen van ieder huis, van de boomen, van het water, van de brugjes, van de lantaarns. Op elk plekje was immers ’n lieve herinnering aan iets, dat ze dáár had gedacht of gehoord of gezien. Van allerlei huizen wist ze immers: daar woont die, of heeft die gewoond; en het water, waar de vrouwen hun goed in uitspoelen kwamen, waar ’s ochtends de kleurige groenteschuitjes door voeren, en ’s avonds de motorbooten, de bruggen waarschuwend met schetterenden hoorn—had ze het niet bewonderd van den eersten dag af?

Nu liep ze langs den Witten Singel, staarde peinzend naar de sterrenwacht, die haar altijd ’n geheimzinnig kasteel had geleken; het was zoo donker en plechtig onder de dik-bebladerde kastanjeboomen, dat het scheen, of ze in ’n kerk liep, en ze zei: Nu moet je naar Lize, je loopt al zoo lang maar rond;—voelde toch ook, dat ze zóó niet bij haar zou kunnen werken.

Om haar gedachten af te leiden begon ze zich af te vragen, of ze dit jaar met haar studie nu wel genoeg was opgeschoten; en dàt bracht haar de grappige herinnering van de eerste maanden van samenwerken met Coba en Lou. Ze kenden elkaar toen nog heel weinig, maar hadden afgesproken eens in de week bij Coba of Go op de kamer bijeen te komen. ’s Middags gingen ze dan al vast koekjes en andere lekkernijen koopen, en ’t begin van den avond was: theedrinken met koekjes en vroolijkheid. Dan werden om ’n uur of acht alle mogelijke wichtige boeken bij elkaar gehaald: Franck’s etymologisch woordenboek enmittelniederländische grammatik; Stoett; Uit de geschiedenis der Nederlandsche taal; Den Hertog; Braune.... en na eenig gekibbel begon er één ’n bladzijde van den middelnederlandschen tekst voor te lezen. Maar dan kwam de groote moeilijkheid. Soms vonden ze elk wóord “der aandacht waardig,” grepen ieder naar ’n boek om te kijken, of er iets over te vinden was, en hun wijsheid door elkaar mee te deelen. Dan weer scheen hun alles dood-eenvoudig,of verwezen ze elkaar voortdurend naar ’t middelnederlandsch woordenboek. Ze konden elkaar soms minuten-lang diepzinnig zitten aanstaren om den een of anderen duisteren regel te doorgronden en dan opeens alle drie te gelijk in lachen uitbarsten, omdat ze zoo bespottelijk geleerd deden. ’t Was hun onmogelijk geweest zichzelf au sérieux te nemen, wanneer ze in al die dikke boeken zaten te kijken; technische termen vonden ze allervermakelijkst, en zeiden ze nooit zonder de professorsstem na te doen, en om negen uur stormden ze ziels-vergenoegd de deur uit om zich ’n beetje te verfrisschen van de inspanning en melk of limonade te gaan halen, ondertusschen elkaar op de gelezen regels vergastend. Als ze terug waren, begon er weer een te lezen, terwijl de anderen chocolademelk brouwden, of kastanjes poften, wat door alle drie zooveel belangrijker werd gevonden, dat èn Stoett èn Franck, èn Braune èn Den Hertog als zitplaats werden gebruikt om in de melk te kunnen roeren, en op de mooie, roode kaft van de Geschiedenis der Nederl. taal brandplekjes schroeiden van de gepofte kastanjes. Als ze om tien uur samen Lou naar den trein brachten, zeiden ze telkens weer, dat ’t zoo toch niet ging, en Lize werd denvolgenden dag bestormd met de vreemdste vragen: Hoe je aan ’n woord zien kon, of er wat van te zeggen was? En hoe je dan kon weten, waar je het op moest zoeken?...

Eindelijk had Lize bedacht, dat het ’t beste was, als ze hen eerst ’n beetje op weg hielp. Voor haar zelf was ’t een goeie oefening, en ’n proef, of ze er nu wezenlijk wat van wist, en zij zouden er dan misschien een beetje kijk op krijgen. En het was beter gegaan van den eersten avond af; wel kon er soms iemand niet respondeeren, omdat ze ’n vollen mond had, en moest de lezing onderbroken worden, omopte staan voor ’t laatste koekje; maar er werd ook flink gewerkt, Lize “rook”, bewonderde Coba, als er over ’t een of ander woord iets in Franck of Stoett stond, en ze zouden nu dezen avond hun tweede middelnederlandsche tekst ten einde brengen.

Maar ook bij Lize in de kamer hing de doffe treurnis.... Er was nog geen licht aangestoken, en de meisjes zaten en lagen zwijgend bij het open raam, starend op den kalen muur en het stukje violetten hemel er boven.

“Ik dacht, dat ik veel te laat was; ik heb nog overal rondgeloopen,” zei Go.

“Ik weet niet, hoe laat ’t is; ga ergens zitten.”

“In de vensterbank maar; God, wat is ’t zoel vanavond.”

Lou speelde met Go’s boeken. Ze was de kinderlijkste en de jongste van allemaal, had ook, omdat ze thuis was gebleven, minder den invloed van ’t studentenleven gevoeld.

“We zullen nu maar niet werken, hè?” zei ze droomerig. “We zijn vanavond voor ’t laatst bijelkaar, en kunnen ’t morgen zelf wel even uitlezen op de bibliotheek.”

Lize knikte. “Ik ben ook zoo suf in m’n hoofd; ik had moeite te bedenken, wat ik in m’n koffer moest meenemen.”

“Ga-jij morgen ook?”

“Ja, Vader heeft me geschreven, dat ik moest komen.”

“Ik ben toch blij, dat we hier nog ’s terugkomen voor die pic-nic van Laborando vincimus,” zuchtte Coba.

“Ja, dolletjes,” fluisterde Lou, maar Lize zei, dat ze niet wist, of ze meegaan kon. “’t Hangt er van af, of ik weg kan, hè; er schijnt weer iets met de meid te zijn.”

“O, maar je moet mee; ’t zal zoo prettig zijn....”

“Och, ik ken de menschen zoo weinig.... ik hoor er niet bij.”

“En òns dan, en Else en Hoefman....”

“Ja die, maar die is zoo vreemd. Laatst ging ’k met m’n koffertje naar ’t station, ’t was niet eens zoo erg zwaar. Daar kwam hij me opeens achterop en wou ’t dragen. Nu, ik vind ’m niets geen reus, ben zelf misschien sterker. Ik zei, dat ik ’t liever niet had,.... maar hij, o, lieve hemel, of ik er van breken zou, of ’t iets ongehoords was... Nou, dat ’s aanstellerij. Ik heb ’m wel ’s wat van thuis verteld, en dan kan hij weten, dat ’k wel ’s moeilijker dingen te doen heb, dan ’n koffertje te dragen.”

Ze haalde de schouders op, en streek met haar handen over haar moe gezicht. Toen leunde ze haar hoofd op de ellebogen, en bleef naar buiten zitten kijken, in de lucht, waar langzaam sterren doorkwamen.

“Wat is ’t hier stil,” zei Lou, “is je juffrouw uit?”

“Ik weet ’t niet. ’t Is niet gehoorig hier.”

Ze zwegen weer, dachten allen aan de toekomst, die zoo dicht bij scheen op zoo’n avond; zochten de profetie van hun leven in den muur en de sterren. Go verlangde naar Eddy: hoe zouden ze elkaar nog nader komen? Was zij niet ’t eenige meisje, van wie hij notitie nam; was ’t niet iets van-zelf-sprekends geworden, dat ze altijd samen waren? En zou dit eindigen in ’n engagement, ’n huwelijk? Ach, die dingen waren zoo ver, en daar gaf ze nog niet om;.... als hij maar van haar hield, als ze maar voor ’m zorgen mocht... Ze had er nog over gedacht ’m te vragen eens te komen in de vacantie, maar ze dacht toch, dat moeder ’m niet aardig vinden zou;... zeggen zou, dat-ie meer moest werken;... ledigheid maakte melancoliek...

“Leise flehen meine Lieder... durch die Nacht zu dir...,” zette ze onwillekeurig even zacht in; zweeg toen, benauwd door den weeën weemoed.

“Hè, wat is dit toch eigenlijk ’n lam weer.” En Coba rekte zich uit in ongeduldig zuchten. “Je kunt niets, je weet niets, je hebt alleen maar ’t land. Vanmiddag heb ik met mevrouw in de populierenlaan bij Poelgeest gewandeld;... en daar verlangde het toch zoo;... ieder blaadje hing te trillen van verlangen;... je werd er akelig van... Ik heb tegen mevrouw gezegd: Als we hier niet dadelijk uitgaan, word ik gewoon gek.”

“Maar je bent immers morgen weer thuis,” troostte Lou, die hierin het geneesmiddel voor alle verdrietelijkheden zag.

Maar de anderen antwoordden niet. De kamer was vol angst en verlangen.

Den volgenden middag kwam de wagen voor, die Go’s boeltje naar de nieuwe woning zou brengen. Else was ’s ochtends al vertrokken, nu weer kalm en correct, in het koele morgenlicht; en Go zat alleen op de tafel zonder kleed te noteeren, hoeveel stuks uit werden gedragen. De deuren stonden open, en ’t gejoel uit de gang klonk jolig door de kamer. De kinderen vonden ’t een pretje, liepen glunder lachend de dragers in den weg, en Go was teleurgesteld, dat het zelfs Joostje niet schelen kon, dat “tante” nu weg zou gaan. Ze ergerde zich, dat zij zich zoo gehecht had aan menschen, wie haar vertrek absoluut niet raakte; ze moest lachen, omdat ze zich had verbeeld, dat de juffrouw wezenlijk “moederlijk” voor haar was gaan voelen. Voor háár immers ’n ander, en heeren waren makkelijker; en terwijl ze noteerde: kastje in twee stukken; bureaustoel; studeerlamp, stelde ze zich voor, hoe over ’n paar maanden hier weer ’n huishouden zou worden binnengedragen, onder dezelfde blije belangstelling van de kinderen;—’t was ’n komen en gaan, een onrustig rond-getrek in de stad, waar de jeugd geen “thuis”, geen vaste woonplaats had: ze gingen allemaal van kamer tot kamer, kwámen vol verwachting, scheidden in leed...

“Is dat alles, juffrouw?” kwam de man vragen, en Go keek na door ’t raam, hoe de wagen wegschokkerde, ’n kantelig tafeltje bovenop; en dan opeens, met tranen, wendde ze zich af, sloot de deur, en ging lang-uit op de oude canapé liggen. Dit was het laatste uurtje met haar kamer alleen; de city-bag stond al klaar, met kleinigheden, die ze nog mee naar huis moest nemen;... de wandenwaren leeg, met nijdige prikken in ’t behangsel,... prikken van versieringen van vroegere heeren, prikken, die ze zelf had gemaakt;—en ze peinsde, hoe de kamer nu weer worden zou, en wie er nu zou komen leven, en knikte ieder meubel nog ’s vriendelijk toe:“dag goeie, groote kast, dag tafel, wat ben-je bekrast, ouë; en jij, m’n líeve canapé, wat zou ik je graag hebben meegenomen.”

De kinderen speelden in de gang met de houtwol en de papieren, die waren blijven liggen. Ze gaf er niet om, ze nog goeiendag te zeggen; ze was hun toch een vreemde gebleven.

Maar de kamer, daar zou ze voor ’t laatst nog ’s heel vertrouwelijk mee zijn; daar zou ze zich dit uurtje nog ’s heelemaal aan geven.

En ze lag en keek. Alle dingen spraken van herinneringen.

Hoofdstuk XV.“Hallo!” schreeuwde De Veer, en zwaaide met z’n kussensloop, toen hij de coupé, waarin Go en Else en Lou zaten, in ’t oog kreeg.“Prachtig weer; kom er uit, dames,” ontving Gerard, “kijk, daar zijn de anderen.”“Maar Wim, wat zit er in dat sloop van jou? En o, kijk Hans, dat is nog gekker, die zak met roode ruitjes.... Je bent precies ’n boer.”“Verrassingen, verrassingen! waar hebben jullie je fourage? mag ik ’s ruiken aan je koffertje, Elsi? En ’n blikje...’t is verleidelijk.”“Daar is Han met de taart;.... kerels, wie heeft de boter en de brooden?”“Ik; daar liggen ze.... ik wilde me niet vooruit al zoo opladen..”“Hè, wat ’n flauwe vent; gauw, ’t is juist zoo aardig.” En Hans hing de grijze boterpot over Gerard ’s rug, bond de broodstokken om z’n schouders.“Ha... daar zijn Lize en Frieda met Hoefman. Wat heeft die man?”“Kom ’s hier, Louistje, laat je pak ’s bevoelen.”“Nee, kerel, blijf af; ’t is ’n geheim.”“Kon-je toch komen? Wat gezellig,” praatte Go tegen Lize; “’t is ’n heele club, hè?”“Nou wordt ’t toch tijd, lui; daar is Beerenstijn... o, met de flesschen om z’n hals... Coba... Kom, we gaan naar den trein, hoor.”“Rolands nog... en Eduard... zeg, die zouden toch allebei komen?”Go leunde zenuwachtig uit ’t portier; ’t was nog maar één minuut en ze zag niets op ’t perron.“Er zijn menschen, die nou altijd te laat moeten komen,” bromde Gerard, en de Veer gilde: “Chef, de trein kan nog niet vertrekken; er moeten nog twee heeren mee.... vervloekte kerel, nou gaat-ie tóch fluiten.”“Daar zijn ze; hiér, hier; geef óp je taschje! Wat zijn jullie op ’t laatste nippertje; dat scheelde ’n haartje; daar gaan we al.”“Der herr professor giebt heut’ kein collegium,” zong Hans ’n troepje veeboeren toe, die hen verbaasd nastaarden, maar Wim raadde ’m aan niet zoo ver uit ’t portier te hangen, want dan zou hij wel ’s niet in de coupé terug kunnen: met veertien lui was ’t wel wat erg vol.“Neerwinden, vent,” bewonderde De Veer, Eduard aan alle kanten omdraaiend. “Je ziet er uit, of je naar ’n diner toe moet.... ’n keurig pak, ’n mooie das, ’n hoed;... maar waar is de proviand bij jou? Want wij, proleetjes—en hij accentueerde z’n titel door z’n pet scheef te zetten—zijn natuurlijk wel gevleid, als er zoo’n meneer mee gaat.... Maar we kunnen er niet van eten.”“Alles zit in m’n city-bag”, antwoordde Eduard, wat luid gelach veroorzaakte, waarbij allen zich geroepen voelden, hún bagage te laten bewonderen.Lou ging rond met flikjes: “Toe, nemen jullie vast; het hindert me zoo in m’n zak.”“Mooie methode;... zullen we nu ook maar meteen de brooden en den wijn en alles opmaken, omdat dat makkelijker meedragen is?”Else fluisterde met Han, dat ze de rijste-pudding heelemaal zelf gemaakt had. “Met ’n kookboek; dan is er niets aan; we konden echt dádelijk trouwen.”“Uitstappen, dames en heeren! Wie iets laat liggen in de coupé, wordt zonder pardon teruggestuurd, om het te gaan halen... Zeg Gootje, is jouw pakje zwaar? Wil ik ’t dragen?”“Wel nee, Gé; op ’n pic-nic hoort zoo’n beleefdheid niet thuis. We moeten ieder ons eigen boeltje sleepen.”“Regelingscommissie, wijs den weg. We zullen overal volgen.”“Allons enfants de la patrie!” juichte Hans, aan het hoofd van den stoet stappend, de roode zak triomfantelijk slingerende.“Ik heb idee, dat de heerlijkheden, die hij mee-heeft, straks ’t meeste op hutspot zullen lijken,” peinsde Rolands, en Go, die eerst aldoor ’n beetje op ’n afstand van ’m was gebleven, kwam nu naast ’m, en hielp ’m moederlijk de taartendoos wat ophijschen. Eduard had haar weifeling gezien en begrepen, wat ze gedacht had; hij kwam nu bij haar loopen, om te vertellen, hoe z’n juffrouw alle boodschappen vergeten of verkeerd gedaan had.“Ik was van ochtend eenvoudig radeloos; ik dacht niet, dat er kans was, dat ik mee komen zou.”“’t Zou zoo jammer geweest zijn... Het is hier mooi, hè?”“’t Lisser bosch is heerlijk; daar kampeeren we natuurlijk.”“Proviand is er genoeg.”“Ja maar, zoo’n dag kun-je eten.”Er werd halt gecommandeerd, omdat Lou met krijgertje spelen haar haar in de verzakking had gebracht. Frieda kwam dadelijk helpen, terwijl Beerenstijn, als hors d’oeuvre, al vast met radijsjes en rauwe peentjes rondging.“Je hebt je haarspelden verloren.”“Haarspelden-zoeken! Haarspelden-zoeken!”“Ach, nee, laat je vlecht maar hangen! ’t Staat wezenlijk heel gewoon bij jebackfisch-gezicht.”“Zooals jij ’t draagt, is ’t toch ook niet eigenlijk opgestoken,” peinsde Gerard, die zich steeds had verbaasd over haar kinderlijke strik-coiffure.“Zoo, je ziet er heusch niets van.” Maar Lou liep toch dadelijk naar Han, voor wien ze, als geëngageerde, ’t meeste respect had, om te vragen, of ze niet straks aan ’n dorp kwamen, waar ze haarspelden en ’n kammetje koopen kon...Lize en Hoefman waren doorgeloopen, “alsof zíj den tocht regelen moesten,” terwijl Coba juist weer niet voort te krijgen was, omdat ze aldoor bloemen wilde plukken.“In ’t bosch is ’t vol bloeiende kamperfoelie... Kom nou,” drong Gerard.“Chèvre feuille... caprifolio... dem... dem...”“Och, beste kind, hou je wijsheid voor je, en loop toch door... Ik kan hier toch niet ’n weerloos meisje alleen achterlaten.”“Het bosch, het bosch... nu kunnen we wel uit elkaar gaan, hè menschen?”“Als we tenminste een verzamelplaats afspreken tegen vier uur.”“Der herr professor giebt heut’ kein collegium,” juichte Hans weer.“Ben-je moe, Hans?”Hij liep nu al ’n heele poos zwijgend voor de anderen uit, gebogen onder z’n zak.“Wil-je m’n vracht verminderen? Wil-je ’n chinaasappel?”“Ja, graag; maar daarom vraag ik ’t niet. Je ziet er zoo afgetobd uit, als ’n werker van Meunier.”“Nou ja, ’n beetje moe.”“Geef mij dan je zak.”“Welnee; ’t is niet zoo erg, dat ik ’t vervelend vind nog verder te moeten, maar net zooveel, dat ik straks zal genieten, als we zitten. ’t Is wel gezond je lichaam ’s moe te maken; dat gebeurt ons niet dikwijls.”“Nee; wat leven we altijd vreeselijk ver van de natuur.”“Hé, kijk ’s; daar duiken Hoefman en Lize weer op; maar wat heeft-ie toch op z’n rug? Is-tie nat geworden? ’t Pak is nou heelemaal zwart.”“Dichterlijke tranen kunnen daarheen toch niet loopen.”“O, menschen, nee; kom nou toch ’s allemaal hier. Kijk toch ’s naar Louis! Zit er spek in, kerel? Nee, kijk toch ’s, ’t loopt langs z’n pak! Beste jongen, wat heb je toch meegenomen?”“’n Groote ham, wat is er nou?” Hij voelde zich wat gepiqueerd, vooral, omdat hij Lize ook zag lachen.“En die is gesmolten in de zon.... nee, idioot; die wordt uitgebraden;..... al ’t vet wordt vloeibaar.”“Wat moet er nou mee?”“Maar stilletjes er mee doorloopen, we zullen zien, wat er van wordt. Je pak is tóch bedorven.”“Hij heeft natuurlijk meer op Lize dan op de ham gelet,” bromde Beerenstijn tegen Hans.“Maar Otto; met er naar te kijken, had hij toch ’t smelten niet kunnen voorkomen.”“Ik weet ’t niet. Als er meisjes zijn, gaat alles altijd dwaas en verkeerd. Kijk nou ’s, dat heeten nou collega’s, studiegenooten. ’t Is immers hier als overal die alte geschichte.”Han en Else liepen gearmd onder ’n grooten varentak; Lize en Hoefman stonden nog over de ham te delibereeren en Eduard plukte kamperfoelie en wilde roosjes voor Go, brak voorzichtig de dorentjes af, voordat hij, met ’n blik van teederheid, ze haar in de geopende handen legde.“Ja maar, tegen dit alles kun-je toch niets inbrengen, behalve als je bent voor uitsterving van het ras. ’t Is toch de natuurlijkste en beste zaak van de wereld, als jonge menschen van elkaar houden gaan en met elkaar trouwen...”“Best; maar geen vrijerij onder den dekmantel van studie.”“Ik gelóóf niet, dat iemand hier de studie als dekmantel gebruikt.... ’t Is alles vrij openlijk.”“Ach, zwijg er maar over. Niemand geeft me hierin toch gelijk. Ik ben tegen den tijdgeest.”“Dat is altijd ’n dwaasheid.”“Ja, zeg,” lachte Gerard, “wat zouën onze grootvaders en grootmoeders wel zeggen, als ze ons zoo ’s konden zien.”“Ik denk, dat ze ’t tóch aardig zouden vinden,” meende Coba, “heeft er ook iemand zwart garen? De Veer heeft de mouw van z’n jas gescheurd.”“Wat doe-je ook voor houthakker te spelen, Wim? O, wil-jij ’t even doen, Go?”“Ik wilde een vuurtje stoken.... ’n boschvuurtje.”“Zoo, en dan ’n boschbrandje zeker?”“Zeg, weten jullie, dat wij laatst brand gehad hebben?” zei Frieda, “we brandden de bladluisjes van de planten af, en opeens vatte ’t gordijn vlam. Ik schrikte zóó, dat ’k naar de deur vloog, en toen laaide ’t natuurlijk vreeselijk, van de tocht, maar Mary Bruining—je weet wel: ’t meisje, met wie ik samenwoon,—trok ’t af, en gooide de karaf er over uit...”“En toen?”“We waren geassureerd, en hebben ’t opgegeven. Er hangen nu keurige nieuwe.”“Ben-je voorzichtig, dat je me niet prikt?” vroeg De Veer.“Och, jongen; ’t is geen heksentoer.”“Kun-je toch ook naaien?” bewonderde Eduard.“Ja, natuurlijk. Dat kunnen wij, vrouwen, allemaal, om de inferioriteit van ons verstand wat goed te maken; is ’t niet, Beerenstijn?”“Ik stel ’n vrouw, die goed naaien kan, hooger, dan ’n zoogenaamde geleerde.”“Maar als ze nu allebei goed kan, zooals Go,” drong Gerard.“Dan zou ik zeggen: terwijl je m’n goed heel houdt, mag je zooveel middelnederlandsche teksten opzeggen, als je wilt, máár: zachtjes.”“Zeg, gaan we nog wel eens verder?Ofwilden jullie hier kampeeren?”“Nee, nee; waarachtig niet! Wie neemt de leiding?”Lou was moe; ze hing met ’n bleek, stilgezichtje aan Frieda’s arm, die haar gedachten resoluut trachtte af te leiden.“Willen we ’n baar van takken maken, Lou, en je zoo mee dragen?”“’n Volgenden keer nemen we ’n sportkar mee voor de invaliden.”Maar Han, die zich als praeses min of meer verantwoordelijk voelde, ging naar haar toe om te vragen, of ze liever niet verder wilde. Eduard werd gecommandeerd z’n city-bag te openen, en haar ’n slokje wijn te geven uit den gemeenschappelijken beker.Toen, zonder getreuzel, stapten ze recht door naar de plaats, waar het maal gehouden zou worden.Terwijl de meisjes het oude tafellaken, dat Coba van “mevrouw” gekregen had, uitspreidden, en gehakt, rookvleesch, sandwiches, pudding en flensjes—haar bijdragen—uitpakten, ontkurkten de jongens luidruchtig de flesschen, en hielden ’n inspectie over de ham, waarvan ze allemaal om de beurt met geveinsden griezel de handen aftrokken.“Kom, wees nou niet zoo flauw,” kwam Frieda tusschenbeide, die zag, dat Hoefman ’t geplaag wat vervelend ging vinden. “Hij zal even goed smaken; wie ’m akelig vindt, hoeft ’m niet te eten. Geef maar ’n mes; dan zal ik ’m snijden.”“Ja, wie heeft voor de messen gezorgd?”“En voor de vorken?”“En voor de vingerkommetjes? Heb jij die misschien in je city-bag, Eddy?”En toen het bleek, dat er niets was, behalve zakmessen; dat het heele tafelgerei bestond uitdrie kroezen en ’n paar papieren bekers, danste Wim in het rond, in woeste extase, omdat ze gingen eten “als de wilden”; omdat ’t een pic-nic was, als ten tijde van Homerus.Gerard en Go hadden samen voor Lou ’n bedje van jassen en mantels gemaakt, waar ze ’n beetje stil moest blijven liggen, om straks, als ’t eten klaar was, weer heelemaal frisch te zijn, en Hans bracht ’r wat peentjes en ananas, om den eetlust op te wekken en ’r bezig te houden.Intusschen zwoegde Coba op de brooden met ’n bot mes, Rolands naast haar, om, als de boterham er bijna af was, ’m maar verder af te trekken, en op den stapel in ’t midden van de tafel te gooien. Frieda hakte edelmoedig ’n tijd lang aan de ham, tot ze eindelijk, haar glimmende vingers aan ’t gras afwrijvend, decreteerde, dat wie verder ’n stuk hebben wilde ’t maar zelf moest snijden. Er kwamen nog steeds verrassingen uit de sloopen en de tasch: gember, caramels, ’n blikje tong, geconfijte vruchten, bananen, ’n krentebrood; ’n pot jam, koek met sukade.“Ik zie wel, dat we straks nog weer beladen terug moeten ook,” zuchtte Hans, “ik geloof, dat ieder buitengewoon weinig vertrouwen had op de goedgeefschheid van z’n buurman.” En hij rolde zwaarmoedig z’n dertig chinaasappels de tafel over, gevolgd door ’n blikje kreeft en ’n doos met pralines en fondant.“’t Is goed, dat we ’n dokter, nee, laten we De Veer eens hoog aanslaan: twee dokters bij ons hebben; ik geloof niet, dat de spijzen erg harmonieeren,” oordeelde Gerard.“Ik practiseer vandaag niet,” hijgde Wim, die met z’n tasch, ’n boomstam en ’n jas ’nmakkelijke zitplaats voor Go trachtte te maken.“Zoo; daar is Lou met ’n rood puntje aan haar neus.... Alles in orde? Ik commandeer: val aan.”“Boterhammen genoeg, maar hoe krijg-je met je veertienen de boter uit ééne boterpot?”“Ik begin met de sandwiches; die zijn kant en klaar.”“Hé, dat smaakt; hebben jullie allemaal ook zoo’n honger?”Gerard sneed voor Go ’t gehakt, reikte haar op de punt van z’n mes ’n homp over.“Ik denk niet, dat ons gesprek levendig of interessant zal worden, vóór we de tiende boterham achter de kiezen hebben.”“Dit zwijgen is zeer veelzeggend,” verzekerde Hoefman, “boter!”“Smeer je boterham met ’t vet van je jasje.”“Wie wil kreeft hebben?”“Hoe krijg-je die binnen?”“Je gebruikt ’n boterham als bordje, en hapt ’m zóó er af.”“Hè; ik kom ’n beetje bij.”“Gaan we de taarten snijden?”“Nou, die van Rolands is leelijk verzakt.”“Snij ’m met bodem en al; dan hebben we tenminste wat vastigheid.”“En nou?” vroeg Go onzeker aan Eduard.Hij haalde de schouders op. “Nu moeten we zien ’m naar onzen mond te krijgen, maar hoe?”“Nu kun-je toch ’s zien, hoe verworden we zijn. We zijn zoo aan vork en lepel gewend, dat we niet eens meer zonder kunnen eten. Hoe deden de ouden ’t nou?”“Ik denk niet, dat die verzakte taarten met room en confituren aten.”“De algemeene invoering van de vork is nog niet eens zoo heel lang geleden,” leeraarde Gerard; maar Coba juichte: “Ik weet ’t. Je schuift je taart ’n beetje, ’n heel klein beetje, want anders breekt-ie, over den rand van het karton en... bijt dan af.”“Keurig... alleen wil m’n neus er zich niet buiten houden.”“’t Is ’n fijne manier; kom kinder, fruit... dessert... Of wil er eerst iemand nog ’n hompje ham hebben?”“Kijk ’s; ik heb ’n chinaasappel zonder pitten,” verbaasde Lou zich, “heelemaal geen een.”“Weet je niet, dat tegenwoordig ’t streven is van de landbouwers alle vruchten zonder pitten te maken?”“En hoe moet ’t dan met ’t nageslacht? Krijgen die geen appels en peren meer?”“Och; de algemeene pessimistische geest heeft zich ook van “den nijveren landman” meester gemaakt. Ze gelooven niet, dat over ’n vijftig jaar iemand den treurigen moed zal hebben ’t leven, dat hij zelf zoo beroerd vindt, aan anderen te geven.”“Zou er dan niemand meer trouwen?” vroeg Lou kinderlijk; maar Coba begon te vertellen van de stelling op de club laatst, over “opzegbaar huwelijk.”“Waar zulke kinderen ’t al niet over hebben!” plaagde Gerard. “Wat zeiden jullie er over?”“Nu, de inleidster was er vóór, maar een heeleboel waren er tegen; en ’t is afgestemd.”“’t Helpt ook niets er over te praten,” zei Beerenstijn kort. “Het huwelijk is ’n beroerde instelling;... maar zoolang de maatschappij blijft, zooals ze is, zie ik geen kans op verbetering.”“Maar ik vind ’t huwelijk geen “beroerde instelling,” pleitte Go. “Ik vind, dat ’t veel bindender moest zijn, opdat niemand ’t aanging, als hij niet wezenlijk van den ander hield.”“Wat is nu “wezenlijk houden van”; definieer me nu ’s, wat je daaronder verstaat.”“Dat is niet te definieeren; maar als je ’t doet, dan twijfel-je niet meer; dan is ’t ontzaglijk.”’t Gesprek stokte even; Go had ’t héftig gezegd.Maar Lou praatte zachtjes: “Ach, we kunnen er natuurlijk eigenlijk zoo slecht over oordeelen, omdat we geen van allen ooit getrouwd zijn geweest.”“Nee, over tien jaar zullen we ’t er nog wel’s over hebben, hè Lou?” lachte De Veer, en de spanning was gebroken.Eddy pelde de hazelnoten voor Go; ze dronken met Hans samen uit het tinnen kroesje. Die zat nu al geruimen tijd zwijgend, de armen om de knieën, het bleeke hoofd gebogen.“Zeg Hans, wat ga-jij eigenlijk doen, als je afgestudeerd bent?” vroeg Go, om ’m wakker te roepen uit z’n treurend gedroom.“Dat weet ik niet,” antwoordde hij, met z’n handen langs z’n voorhoofd strijkend, als om zich te bezinnen. “Ik weet niet, wat ik doen ga, als ik afgestudeerd ben,... maar dat komt natuurlijk, omdat ik nog niet klaar ben;... als ’t eenmaal zoo ver is, dan weet ik ’t wel vanzelf—’t is ook eigenlijkl’embarras du choix;—wat kun je al niet allemaal doen, als je eenmaal doctor in de klassieke letteren bent?... Je kunt de honderd-en-elfde vertaling van Homerus in de wereld brengen; je kunt je den eeuwigen dank van ’t nageslacht verwerven, door ’n klein, dun, slap,Hollandsch uitgaafje van Demosthenes of Cicero te bezorgen, zoodat de jeugd geen gevaar meer heeft door ’n Germanisme in den val te loopen;... in dien tusschentijd kun-je met vijftig medestanders solliciteeren naar ’n baantje... of je kunt natuurlijk ook naar Lapland of naar Amerika gaan;... al heb-je nou toevallig Grieksch en Latijn gestudeerd, je kunt ook pakjes-drager of kellner, of bankdirecteur, of mijnwerker worden. God, ik weet niet, wat kun-je nou vooruit zeggen van je leven? De wereld is zoo reusachtig, en zoo gecompliceerd;... ik zal maar afwachten;—er zal natuurlijk wel ergens iets voor me te doen vallen.”Er flitste weer even dat vreemde, onrustige licht door z’n oogen, dat Go al meer keeren opgevallen was.“Wat doe-je raar met je oogen Hans!”“Staat “raar” eufemistisch voor “scheel”? Ik ben ’s ’n poos scheel geweest, vóór m’n candidaats-examen.”“Ja, als-tie dan iemand aan wilde kijken, moest-ie met z’n rug naar ’m toe gaan staan.”“Nee, zeg, weten jullie die grap van dien schelen rechter met de drie getuigen? Die vroeg aan den eersten: “Uw naam?”Antwoordtde tweede: “Meyer.” Zegt-ie tegen den tweeden: “Ik vraag u niets.” Antwoordt de derde: “Ik zeg niets.”“En weet je dien mop van den vent, die z’n alibi niet kon bewijzen?”“En van ’t jongetje, dat niet spreken mocht aan tafel?”Met bliksemsnelheid volgden grappen en anecdotische raadsels elkaar op; eerst bleven ze in ’t algemeene, daarna werden ’t speciaal proffen-en studenten-aardigheden, streken uit den groentijd; tradities van professoren, die al lang gestorven waren.“Zeg, zouën we ook ’s opbreken? Er is geen ziel, die meer eet.”Han keek op z’n horloge, berekende, dat ’t tijd werd, om naar ’t hôtel te gaan, waar ze thee zouden drinken op het groote balkon.“Nu eerst veilen, wat nog over is.... in de eerste plaats: de ham!”“We zijn niet ondankbaar,” zeide Frieda, “maar ’t is zoo’n vreeselijke vracht;... er is ’n eind links ’n huisje, wie gaat mee ’m daar heen brengen?”Rolands, Frieda, De Veer en Lou namen ieder ’n punt van ’t zware papier, waarop hij lag, droegen plechtig ’m uit, in den guldenden avond.“’t Overgeschoten lekkers in Eddy’s tasch; dat is goed voor onder weg.”“Wie maakt aanspraak op het blik, waar Else’s rijstepudding in heeft gezeten?”“Ik,” riep Gerard, “als souvenir. En voorloopig als botaniseertrommel.” En hij schikte er voorzichtig Go’s bloemen in.“Zullen we de rest nu maar niet allemaal in het tafelkleed knoopen?”“En dan begraven! Hoe maak-je ’n kuil?”“Met je voeten en je handen, en boomstronken.”“Nu; allons.... zoo’n inspanning is goed voor de spijsvertering.”“En we planten ’n gedenk-eik op het graf....”“En hangen de overgebleven chinaasappelen aan de takken,” juichte De Veer, die Hans’ geruit sloop als ’n schippersdas om z’n hals had geknoopt.“Treuzel nu niet te lang,” dreef Han, “’t wordthier te vochtig voor de meisjes; kom Lize, doe jij ook je mantel aan, en gaan jullie wat krijgertje spelen, tot het graf klaar is.”“De begrafenis begint; wie willen dragen?” schreeuwde Gerard.Go en Frieda liepen voor, de punten van het tafellaken over den schouder, stil, met gebogen hoofd; achteraan Eddy en Wim, blootshoofds met ernstige oogen; en Hans dreunde tusschen de tanden de treurmarsch van Chopin. Voorzichtig werd ’t laken in den kuil neergelaten; de punten over elkaar gelegd; één voor één wierpen ze ’n hand aarde naar beneden, tot De Veer opeens woest te schoppen begon, wat dadelijk onder groote luidruchtigheid door de anderen werd nagedaan.“Zie zoo; deze ceremonie is afgeloopen; nu op marsch naar ’t hôtel! En wie ’n haarspeldenwinkel ziet, moet Lou waarschuwen; kom Else!”“’t Lijkt ’n brautzug,” lachte Eddy, terwijl hij met Go achter den praeses met z’n meisje aanstapte.“Waarom houën we niet elke week ’n picnic.” juichte De Veer. “Er is op de heele wereld niets heerlijkers te bedenken.”“Ach, ventje, dat is alleen, omdat ’t zoo iets nieuws voor je is! Dat is de heele charme. ’n Mensch is niets dan ’n gewoonte-dier. Of ’m nu ’t grootste ongeluk, of ’t hevigst-begeerde geluk overkomt, hij zal wel ’n poosje uit z’n sleur worden gerukt, en intenser leven; maar al gauw wordt hij, zooals hij vóór de groote gebeurtenis was; dat wil zeggen: hij zal zich nog wel ’s geroepen voelen ’n verheugd of ’n lijdend gezicht te trekken, maar in z’n binnenste gaat ’t weer z’n gewone gang.”“Dus je gelooft niet aan den dood door geluk of verdriet?” informeerde Beerenstijn, medisch.“’t Eerste oogenblik door den schrik is mogelijk. Maar als iemand het ’n week heeft uitgehouden, komt-ie er ook over heen.... over z’n geluk zeker.”Het laatste klonk heel bitter en Hans peinsde voor zich uit:“Volgens deze theorie is hij het meest benijdenswaard, die onder de ongunstigste omstandigheden leeft. Die kan zich dan verbeelden, dat, als alles maar zus en zoo was, hij de gelukzaligste man van de wereld zou zijn—en hij komt nooit tot de ontdekking, dat het z’n eigen, onvolkomen structuur is, die ’m ongeschikt maakt op de hooglanden van het geluk te leven.”“Is er dan niets wezenlijk mooi voor jou, Eddy, iets, dat altijd mooi blijft?” vroeg Go zacht.“Nee; dat is er niet.... Ik moet altijd afwisseling hebben!”“Maar wat zul-je dan bang zijn voor oud worden!”Hij haalde de schouders op. “Wie is daar nu niet bang voor?”“Ik niet. Ik vind ’t natuurlijk. En ik geloof ook, dat er dingen zijn, die meer waarde voor je krijgen, naarmate je zelf beter wordt. En daarvoor moet je lang leven.”“’t Komt wel allemaal hiér op neer,” zuchtte Eduard, “dat ik zelf niets dan aantrekkelijkheden voor-’n-oogenblik heb; geen fond, dat altijd waarde houdt.”“O, wijze man; meen je jezelf te kennen?” plaagde Go. En met ’n heerlijk-vertrouwend lachje staarde ze over ’t lichte land, of ze in de toekomst zag.“Laat mij nu voor ’t laatst theeschenken,” had Else gevraagd, en terwijl ze bezig was met de trekpot en ’t water, zaten ze allemaal stil naar haar te kijken, en te denken, dat ze haar waarschijnlijk nooit meer in hun midden zouden zien.De dichte kruinen van de boomen om hen heen maakten het balkon al schemerig, maar de hemel er boven was nog zilverig-wit, met ijle wolkveegjes aan de kanten. Ze hadden voor Lou ’n makkelijk stoeltje gevraagd, en die zat daar nu stilletjes te genieten, de vlecht om haar hoofd gelegd op Gretchenmanier.Lize leunde, de oogen verre, over den balkonrand, terwijl Hoefman zachtjes tegen haar sprak.“Ik wist het eigenlijk van ’t eerste oogenblik, dat ik je zag. Ik voelde ’t dadelijk.”“Maar ik begrijp ’t niet. Ik ben toch leelijk.”“Voor mij niet. Ik zie door de vormen van je gezicht heen.”“Het is zoo vreemd, zoo nieuw. Ik had nog nooit aan zoo iets gedacht....”Else ging rond. “Ik hoop, dat ik goed aan al jullie speciale smaken heb gedacht.... Rolands slap en Gerard veel melk, en Frieda geen suiker.... Zoo. Waar blijft Neerwinden toch met z’n city-bag? Wil hij zelf ’t lekkers opeten?”“Hè, menschen,” zuchtte Coba diep. “Hier moesten we nu tot morgenochtend kunnen blijven.”“Ik denk, dat Lou in dien tusschentijd ’n lekker dutje doen zou,” plaagde Gerard. “Kom, laten we wat zingen, om de kleine kinderen wakker te houden.”“Ja, wat? wat?”“Uit de Liederschatz natuurlijk.” En Eduard zette in met z’n klankrijke baryton: “Morgen musz ich fort von hier, musz ich Abschied nehmen.”Dadelijk vielen de anderen in; de zuivere, jonge stemmen, zingend de simpele, oude melodieën vol sentimentaliteit en naïven weemoed, klonken roerend door de onbewogen-stille dorpslucht, en Go, die opeens niet meer doorzingen kon, keek met vochtige oogen naar de levendige gezichten, die, verdiept in het lied, éven-aangedaan, in het licht stonden. En ze voelde: hoe één ze op dat oogenblik allemaal waren; hoe harmonieus hun stemmen klonken uit de harmonie van hun jeugdig-bewogen zielen. Hielden ze op dat oogenblik niet allen van elkaar als broers en zusters van ’n groote familie? Waren hun gedachten niet mooi en zacht en open, als de avond, als het kinderlijke lied, waarin ze hun ziel uitzongen?Ze dacht niet in ’t bizonder aan Eduard; ze voelde haar hart wijd worden in liefde voor àl die jongens en meisjes om zich heen, en toen ’t uit was, zei ze zacht uit den grond van haar hart: “Hè, we moesten ons heele leven bij elkaar kunnen blijven.”“Nou, maar zou dat niet kunnen?” riep Gerard levendig. “Zouden we ons niet voor ’t een of ander kunnen associeeren, wij allemaal gestudeerde, knappe lui.... ’n kostschool b.v.”“We zouden, om met mezelf te beginnen ’n classicus hebben,” peinsde Hans, “’n natuurkundige, één, twee, drie, vijf, zes doctors in de Nederlandsche letteren;.... dat is wel wat overdadig.”“Nee, ik zorg voor ’t huishouden,” regelde Go.“Misschien ben-jij dan de eenige, die wat tedoen heeft;... twee medici... twee meesters in de rechten.”“Die kunnen ook van veel nut zijn, om de kibbelpartijen van de leegloopers te beslechten.... Een leerling zouden jullie natuurlijk nooit krijgen.”“O, maar dan zijn jullie getrouwd,” bedacht Gerard opeens, Else teleurgesteld aanziende.“Nu, maar dát geeft toch niets. Han en ik zullen altijd met alles meedoen.”“’n Tijdschrift,” bedacht Hoefman, “voor wetenschap en kunst.”“En daarin al jouw verzen als kunst,” plaagde Wim, “we hebben je in de gatenhoor,mannetje.”“Nou maar ’t is waar,” vond Frieda, “dat ’n tijdschrift verstandiger dan ’n kostschool zou zijn. We zouden ieder artikelen over ons vak kunnen schrijven; medische, etymologische, rechts-kwesties; Hoefman voor ’t kunstgedeelte,—”“En jij voor de rubriek: kinderkamer,” zei Han zacht tegen Else, en streek even ongemerkt over haar haar.“Nee, ’t beste, verreweg ’t beste zou zijn, als we ’n variété vormden,” pleitte Wim met toewijding. “We hebben lui met aardige stemmen; ik kan ’n wandelstok op m’n neus laten balanceeren en met eieren ballen... Gerard loopt op z’n handen; de meisjes kunnen wel ’s iets als ’n ballet geven, Hoefman kan declameeren—Rolands—”“’n Slangenmensch,” sloeg het lenige zwartje voor.“En in ’n kermiswagen, Wim?” vroeg Coba.“Ja, of met den trein en in hôtels, al naar ’t ons lukt. En op de affiches. “Dispuut Laborando vincimus” uit Leiden.”“Kinderen, maar zoover zijn we nu nog niet.We moeten voorloopig allemaal nog terug naar onze ouderlijke woning,... nu is het tijd voor den trein.”“Hè Han, is er geen latere?”“Ja zeker; we zitten hier in ’t middelpunt van spoorwegen. Er gaan hier, geloof ik, drie treinen op ’n heelen dag.”“Rosenstock, holder blüth’,” stemde Hans nog ’s in, maar niemand volgde. Ze liepen stil langs den schemerigen weg, en treurden al om ’t afscheid, terwijl ze nog samen waren.“’t Is zoo vreemd,” zei Go zacht tegen Eduard, “dat ik nu vanavond weer thuis zal zijn, en dan maar één dag weg geweest. Dat morgen weer alles als gewoon gaan zal, één dag van de lange, lange vacantie!”“Och, waarom vreemd?”“Het was zoo heerlijk. En ’t lijkt zoo lang geweest. ’t Is zoo wonderlijk nu zóó uit elkaar te gaan.”“Och kind, als je al vaak dat zacht-verteederde gevoel aan ’t eind van ’n partijtje hebt meegemaakt, dan is ’t eigenlijk niet zoo wonderlijk meer.”Hij zag, dat z’n woorden haar hinderden, plukte droomerig ’n paar bloemen af. “Vin-je ook verwonderlijk, dat die morgen verwelkt zijn?”“Nee, alleen maar treurig,” antwoordde ze.Aan ’t station in Leiden was druk gejacht om Go en Else en Han en Lou in den klaar-staanden trein naar Den Haag-Rotterdam te stoppen; Gerard wierp in der haast de wilde roosjes uit z’n blikje door ’t raam in den coupé, nog pratend:“Als ’k in Rotterdam kom, kom ’k je mama ’n bezoek brengen.” Eddy riep tegen Han, zagGo’s oogen niet. Maar toen de trein zich in beweging zette, begon Hans met volle stem:Si l’on est si bien ensemble,On ne devrait jamais se quitter.Het heele koor viel in; de vertrekkenden wuifden. De witte doekjes flapperden in de donkere lucht, totdat Go opeens ’t hare terugtrok, ongeduldig haar tranen afveegde, die stroomden over haar gezicht.“Zóó’n dag komt nooit terug,” zei ze zacht tegen Lou, “zóó zullen we nooit meer allemaal samen zijn.”De trein donderde rommelend door het donkere land, weg van de stad van vreugde.

“Hallo!” schreeuwde De Veer, en zwaaide met z’n kussensloop, toen hij de coupé, waarin Go en Else en Lou zaten, in ’t oog kreeg.

“Prachtig weer; kom er uit, dames,” ontving Gerard, “kijk, daar zijn de anderen.”

“Maar Wim, wat zit er in dat sloop van jou? En o, kijk Hans, dat is nog gekker, die zak met roode ruitjes.... Je bent precies ’n boer.”

“Verrassingen, verrassingen! waar hebben jullie je fourage? mag ik ’s ruiken aan je koffertje, Elsi? En ’n blikje...’t is verleidelijk.”

“Daar is Han met de taart;.... kerels, wie heeft de boter en de brooden?”

“Ik; daar liggen ze.... ik wilde me niet vooruit al zoo opladen..”

“Hè, wat ’n flauwe vent; gauw, ’t is juist zoo aardig.” En Hans hing de grijze boterpot over Gerard ’s rug, bond de broodstokken om z’n schouders.

“Ha... daar zijn Lize en Frieda met Hoefman. Wat heeft die man?”

“Kom ’s hier, Louistje, laat je pak ’s bevoelen.”

“Nee, kerel, blijf af; ’t is ’n geheim.”

“Kon-je toch komen? Wat gezellig,” praatte Go tegen Lize; “’t is ’n heele club, hè?”

“Nou wordt ’t toch tijd, lui; daar is Beerenstijn... o, met de flesschen om z’n hals... Coba... Kom, we gaan naar den trein, hoor.”

“Rolands nog... en Eduard... zeg, die zouden toch allebei komen?”

Go leunde zenuwachtig uit ’t portier; ’t was nog maar één minuut en ze zag niets op ’t perron.

“Er zijn menschen, die nou altijd te laat moeten komen,” bromde Gerard, en de Veer gilde: “Chef, de trein kan nog niet vertrekken; er moeten nog twee heeren mee.... vervloekte kerel, nou gaat-ie tóch fluiten.”

“Daar zijn ze; hiér, hier; geef óp je taschje! Wat zijn jullie op ’t laatste nippertje; dat scheelde ’n haartje; daar gaan we al.”

“Der herr professor giebt heut’ kein collegium,” zong Hans ’n troepje veeboeren toe, die hen verbaasd nastaarden, maar Wim raadde ’m aan niet zoo ver uit ’t portier te hangen, want dan zou hij wel ’s niet in de coupé terug kunnen: met veertien lui was ’t wel wat erg vol.

“Neerwinden, vent,” bewonderde De Veer, Eduard aan alle kanten omdraaiend. “Je ziet er uit, of je naar ’n diner toe moet.... ’n keurig pak, ’n mooie das, ’n hoed;... maar waar is de proviand bij jou? Want wij, proleetjes—en hij accentueerde z’n titel door z’n pet scheef te zetten—zijn natuurlijk wel gevleid, als er zoo’n meneer mee gaat.... Maar we kunnen er niet van eten.”

“Alles zit in m’n city-bag”, antwoordde Eduard, wat luid gelach veroorzaakte, waarbij allen zich geroepen voelden, hún bagage te laten bewonderen.

Lou ging rond met flikjes: “Toe, nemen jullie vast; het hindert me zoo in m’n zak.”

“Mooie methode;... zullen we nu ook maar meteen de brooden en den wijn en alles opmaken, omdat dat makkelijker meedragen is?”

Else fluisterde met Han, dat ze de rijste-pudding heelemaal zelf gemaakt had. “Met ’n kookboek; dan is er niets aan; we konden echt dádelijk trouwen.”

“Uitstappen, dames en heeren! Wie iets laat liggen in de coupé, wordt zonder pardon teruggestuurd, om het te gaan halen... Zeg Gootje, is jouw pakje zwaar? Wil ik ’t dragen?”

“Wel nee, Gé; op ’n pic-nic hoort zoo’n beleefdheid niet thuis. We moeten ieder ons eigen boeltje sleepen.”

“Regelingscommissie, wijs den weg. We zullen overal volgen.”

“Allons enfants de la patrie!” juichte Hans, aan het hoofd van den stoet stappend, de roode zak triomfantelijk slingerende.

“Ik heb idee, dat de heerlijkheden, die hij mee-heeft, straks ’t meeste op hutspot zullen lijken,” peinsde Rolands, en Go, die eerst aldoor ’n beetje op ’n afstand van ’m was gebleven, kwam nu naast ’m, en hielp ’m moederlijk de taartendoos wat ophijschen. Eduard had haar weifeling gezien en begrepen, wat ze gedacht had; hij kwam nu bij haar loopen, om te vertellen, hoe z’n juffrouw alle boodschappen vergeten of verkeerd gedaan had.

“Ik was van ochtend eenvoudig radeloos; ik dacht niet, dat er kans was, dat ik mee komen zou.”

“’t Zou zoo jammer geweest zijn... Het is hier mooi, hè?”

“’t Lisser bosch is heerlijk; daar kampeeren we natuurlijk.”

“Proviand is er genoeg.”

“Ja maar, zoo’n dag kun-je eten.”

Er werd halt gecommandeerd, omdat Lou met krijgertje spelen haar haar in de verzakking had gebracht. Frieda kwam dadelijk helpen, terwijl Beerenstijn, als hors d’oeuvre, al vast met radijsjes en rauwe peentjes rondging.

“Je hebt je haarspelden verloren.”

“Haarspelden-zoeken! Haarspelden-zoeken!”

“Ach, nee, laat je vlecht maar hangen! ’t Staat wezenlijk heel gewoon bij jebackfisch-gezicht.”

“Zooals jij ’t draagt, is ’t toch ook niet eigenlijk opgestoken,” peinsde Gerard, die zich steeds had verbaasd over haar kinderlijke strik-coiffure.

“Zoo, je ziet er heusch niets van.” Maar Lou liep toch dadelijk naar Han, voor wien ze, als geëngageerde, ’t meeste respect had, om te vragen, of ze niet straks aan ’n dorp kwamen, waar ze haarspelden en ’n kammetje koopen kon...

Lize en Hoefman waren doorgeloopen, “alsof zíj den tocht regelen moesten,” terwijl Coba juist weer niet voort te krijgen was, omdat ze aldoor bloemen wilde plukken.

“In ’t bosch is ’t vol bloeiende kamperfoelie... Kom nou,” drong Gerard.

“Chèvre feuille... caprifolio... dem... dem...”

“Och, beste kind, hou je wijsheid voor je, en loop toch door... Ik kan hier toch niet ’n weerloos meisje alleen achterlaten.”

“Het bosch, het bosch... nu kunnen we wel uit elkaar gaan, hè menschen?”

“Als we tenminste een verzamelplaats afspreken tegen vier uur.”

“Der herr professor giebt heut’ kein collegium,” juichte Hans weer.

“Ben-je moe, Hans?”

Hij liep nu al ’n heele poos zwijgend voor de anderen uit, gebogen onder z’n zak.

“Wil-je m’n vracht verminderen? Wil-je ’n chinaasappel?”

“Ja, graag; maar daarom vraag ik ’t niet. Je ziet er zoo afgetobd uit, als ’n werker van Meunier.”

“Nou ja, ’n beetje moe.”

“Geef mij dan je zak.”

“Welnee; ’t is niet zoo erg, dat ik ’t vervelend vind nog verder te moeten, maar net zooveel, dat ik straks zal genieten, als we zitten. ’t Is wel gezond je lichaam ’s moe te maken; dat gebeurt ons niet dikwijls.”

“Nee; wat leven we altijd vreeselijk ver van de natuur.”

“Hé, kijk ’s; daar duiken Hoefman en Lize weer op; maar wat heeft-ie toch op z’n rug? Is-tie nat geworden? ’t Pak is nou heelemaal zwart.”

“Dichterlijke tranen kunnen daarheen toch niet loopen.”

“O, menschen, nee; kom nou toch ’s allemaal hier. Kijk toch ’s naar Louis! Zit er spek in, kerel? Nee, kijk toch ’s, ’t loopt langs z’n pak! Beste jongen, wat heb je toch meegenomen?”

“’n Groote ham, wat is er nou?” Hij voelde zich wat gepiqueerd, vooral, omdat hij Lize ook zag lachen.

“En die is gesmolten in de zon.... nee, idioot; die wordt uitgebraden;..... al ’t vet wordt vloeibaar.”

“Wat moet er nou mee?”

“Maar stilletjes er mee doorloopen, we zullen zien, wat er van wordt. Je pak is tóch bedorven.”

“Hij heeft natuurlijk meer op Lize dan op de ham gelet,” bromde Beerenstijn tegen Hans.

“Maar Otto; met er naar te kijken, had hij toch ’t smelten niet kunnen voorkomen.”

“Ik weet ’t niet. Als er meisjes zijn, gaat alles altijd dwaas en verkeerd. Kijk nou ’s, dat heeten nou collega’s, studiegenooten. ’t Is immers hier als overal die alte geschichte.”

Han en Else liepen gearmd onder ’n grooten varentak; Lize en Hoefman stonden nog over de ham te delibereeren en Eduard plukte kamperfoelie en wilde roosjes voor Go, brak voorzichtig de dorentjes af, voordat hij, met ’n blik van teederheid, ze haar in de geopende handen legde.

“Ja maar, tegen dit alles kun-je toch niets inbrengen, behalve als je bent voor uitsterving van het ras. ’t Is toch de natuurlijkste en beste zaak van de wereld, als jonge menschen van elkaar houden gaan en met elkaar trouwen...”

“Best; maar geen vrijerij onder den dekmantel van studie.”

“Ik gelóóf niet, dat iemand hier de studie als dekmantel gebruikt.... ’t Is alles vrij openlijk.”

“Ach, zwijg er maar over. Niemand geeft me hierin toch gelijk. Ik ben tegen den tijdgeest.”

“Dat is altijd ’n dwaasheid.”

“Ja, zeg,” lachte Gerard, “wat zouën onze grootvaders en grootmoeders wel zeggen, als ze ons zoo ’s konden zien.”

“Ik denk, dat ze ’t tóch aardig zouden vinden,” meende Coba, “heeft er ook iemand zwart garen? De Veer heeft de mouw van z’n jas gescheurd.”

“Wat doe-je ook voor houthakker te spelen, Wim? O, wil-jij ’t even doen, Go?”

“Ik wilde een vuurtje stoken.... ’n boschvuurtje.”

“Zoo, en dan ’n boschbrandje zeker?”

“Zeg, weten jullie, dat wij laatst brand gehad hebben?” zei Frieda, “we brandden de bladluisjes van de planten af, en opeens vatte ’t gordijn vlam. Ik schrikte zóó, dat ’k naar de deur vloog, en toen laaide ’t natuurlijk vreeselijk, van de tocht, maar Mary Bruining—je weet wel: ’t meisje, met wie ik samenwoon,—trok ’t af, en gooide de karaf er over uit...”

“En toen?”

“We waren geassureerd, en hebben ’t opgegeven. Er hangen nu keurige nieuwe.”

“Ben-je voorzichtig, dat je me niet prikt?” vroeg De Veer.

“Och, jongen; ’t is geen heksentoer.”

“Kun-je toch ook naaien?” bewonderde Eduard.

“Ja, natuurlijk. Dat kunnen wij, vrouwen, allemaal, om de inferioriteit van ons verstand wat goed te maken; is ’t niet, Beerenstijn?”

“Ik stel ’n vrouw, die goed naaien kan, hooger, dan ’n zoogenaamde geleerde.”

“Maar als ze nu allebei goed kan, zooals Go,” drong Gerard.

“Dan zou ik zeggen: terwijl je m’n goed heel houdt, mag je zooveel middelnederlandsche teksten opzeggen, als je wilt, máár: zachtjes.”

“Zeg, gaan we nog wel eens verder?Ofwilden jullie hier kampeeren?”

“Nee, nee; waarachtig niet! Wie neemt de leiding?”

Lou was moe; ze hing met ’n bleek, stilgezichtje aan Frieda’s arm, die haar gedachten resoluut trachtte af te leiden.

“Willen we ’n baar van takken maken, Lou, en je zoo mee dragen?”

“’n Volgenden keer nemen we ’n sportkar mee voor de invaliden.”

Maar Han, die zich als praeses min of meer verantwoordelijk voelde, ging naar haar toe om te vragen, of ze liever niet verder wilde. Eduard werd gecommandeerd z’n city-bag te openen, en haar ’n slokje wijn te geven uit den gemeenschappelijken beker.

Toen, zonder getreuzel, stapten ze recht door naar de plaats, waar het maal gehouden zou worden.

Terwijl de meisjes het oude tafellaken, dat Coba van “mevrouw” gekregen had, uitspreidden, en gehakt, rookvleesch, sandwiches, pudding en flensjes—haar bijdragen—uitpakten, ontkurkten de jongens luidruchtig de flesschen, en hielden ’n inspectie over de ham, waarvan ze allemaal om de beurt met geveinsden griezel de handen aftrokken.

“Kom, wees nou niet zoo flauw,” kwam Frieda tusschenbeide, die zag, dat Hoefman ’t geplaag wat vervelend ging vinden. “Hij zal even goed smaken; wie ’m akelig vindt, hoeft ’m niet te eten. Geef maar ’n mes; dan zal ik ’m snijden.”

“Ja, wie heeft voor de messen gezorgd?”

“En voor de vorken?”

“En voor de vingerkommetjes? Heb jij die misschien in je city-bag, Eddy?”

En toen het bleek, dat er niets was, behalve zakmessen; dat het heele tafelgerei bestond uitdrie kroezen en ’n paar papieren bekers, danste Wim in het rond, in woeste extase, omdat ze gingen eten “als de wilden”; omdat ’t een pic-nic was, als ten tijde van Homerus.

Gerard en Go hadden samen voor Lou ’n bedje van jassen en mantels gemaakt, waar ze ’n beetje stil moest blijven liggen, om straks, als ’t eten klaar was, weer heelemaal frisch te zijn, en Hans bracht ’r wat peentjes en ananas, om den eetlust op te wekken en ’r bezig te houden.

Intusschen zwoegde Coba op de brooden met ’n bot mes, Rolands naast haar, om, als de boterham er bijna af was, ’m maar verder af te trekken, en op den stapel in ’t midden van de tafel te gooien. Frieda hakte edelmoedig ’n tijd lang aan de ham, tot ze eindelijk, haar glimmende vingers aan ’t gras afwrijvend, decreteerde, dat wie verder ’n stuk hebben wilde ’t maar zelf moest snijden. Er kwamen nog steeds verrassingen uit de sloopen en de tasch: gember, caramels, ’n blikje tong, geconfijte vruchten, bananen, ’n krentebrood; ’n pot jam, koek met sukade.

“Ik zie wel, dat we straks nog weer beladen terug moeten ook,” zuchtte Hans, “ik geloof, dat ieder buitengewoon weinig vertrouwen had op de goedgeefschheid van z’n buurman.” En hij rolde zwaarmoedig z’n dertig chinaasappels de tafel over, gevolgd door ’n blikje kreeft en ’n doos met pralines en fondant.

“’t Is goed, dat we ’n dokter, nee, laten we De Veer eens hoog aanslaan: twee dokters bij ons hebben; ik geloof niet, dat de spijzen erg harmonieeren,” oordeelde Gerard.

“Ik practiseer vandaag niet,” hijgde Wim, die met z’n tasch, ’n boomstam en ’n jas ’nmakkelijke zitplaats voor Go trachtte te maken.

“Zoo; daar is Lou met ’n rood puntje aan haar neus.... Alles in orde? Ik commandeer: val aan.”

“Boterhammen genoeg, maar hoe krijg-je met je veertienen de boter uit ééne boterpot?”

“Ik begin met de sandwiches; die zijn kant en klaar.”

“Hé, dat smaakt; hebben jullie allemaal ook zoo’n honger?”

Gerard sneed voor Go ’t gehakt, reikte haar op de punt van z’n mes ’n homp over.

“Ik denk niet, dat ons gesprek levendig of interessant zal worden, vóór we de tiende boterham achter de kiezen hebben.”

“Dit zwijgen is zeer veelzeggend,” verzekerde Hoefman, “boter!”

“Smeer je boterham met ’t vet van je jasje.”

“Wie wil kreeft hebben?”

“Hoe krijg-je die binnen?”

“Je gebruikt ’n boterham als bordje, en hapt ’m zóó er af.”

“Hè; ik kom ’n beetje bij.”

“Gaan we de taarten snijden?”

“Nou, die van Rolands is leelijk verzakt.”

“Snij ’m met bodem en al; dan hebben we tenminste wat vastigheid.”

“En nou?” vroeg Go onzeker aan Eduard.

Hij haalde de schouders op. “Nu moeten we zien ’m naar onzen mond te krijgen, maar hoe?”

“Nu kun-je toch ’s zien, hoe verworden we zijn. We zijn zoo aan vork en lepel gewend, dat we niet eens meer zonder kunnen eten. Hoe deden de ouden ’t nou?”

“Ik denk niet, dat die verzakte taarten met room en confituren aten.”

“De algemeene invoering van de vork is nog niet eens zoo heel lang geleden,” leeraarde Gerard; maar Coba juichte: “Ik weet ’t. Je schuift je taart ’n beetje, ’n heel klein beetje, want anders breekt-ie, over den rand van het karton en... bijt dan af.”

“Keurig... alleen wil m’n neus er zich niet buiten houden.”

“’t Is ’n fijne manier; kom kinder, fruit... dessert... Of wil er eerst iemand nog ’n hompje ham hebben?”

“Kijk ’s; ik heb ’n chinaasappel zonder pitten,” verbaasde Lou zich, “heelemaal geen een.”

“Weet je niet, dat tegenwoordig ’t streven is van de landbouwers alle vruchten zonder pitten te maken?”

“En hoe moet ’t dan met ’t nageslacht? Krijgen die geen appels en peren meer?”

“Och; de algemeene pessimistische geest heeft zich ook van “den nijveren landman” meester gemaakt. Ze gelooven niet, dat over ’n vijftig jaar iemand den treurigen moed zal hebben ’t leven, dat hij zelf zoo beroerd vindt, aan anderen te geven.”

“Zou er dan niemand meer trouwen?” vroeg Lou kinderlijk; maar Coba begon te vertellen van de stelling op de club laatst, over “opzegbaar huwelijk.”

“Waar zulke kinderen ’t al niet over hebben!” plaagde Gerard. “Wat zeiden jullie er over?”

“Nu, de inleidster was er vóór, maar een heeleboel waren er tegen; en ’t is afgestemd.”

“’t Helpt ook niets er over te praten,” zei Beerenstijn kort. “Het huwelijk is ’n beroerde instelling;... maar zoolang de maatschappij blijft, zooals ze is, zie ik geen kans op verbetering.”

“Maar ik vind ’t huwelijk geen “beroerde instelling,” pleitte Go. “Ik vind, dat ’t veel bindender moest zijn, opdat niemand ’t aanging, als hij niet wezenlijk van den ander hield.”

“Wat is nu “wezenlijk houden van”; definieer me nu ’s, wat je daaronder verstaat.”

“Dat is niet te definieeren; maar als je ’t doet, dan twijfel-je niet meer; dan is ’t ontzaglijk.”

’t Gesprek stokte even; Go had ’t héftig gezegd.

Maar Lou praatte zachtjes: “Ach, we kunnen er natuurlijk eigenlijk zoo slecht over oordeelen, omdat we geen van allen ooit getrouwd zijn geweest.”

“Nee, over tien jaar zullen we ’t er nog wel’s over hebben, hè Lou?” lachte De Veer, en de spanning was gebroken.

Eddy pelde de hazelnoten voor Go; ze dronken met Hans samen uit het tinnen kroesje. Die zat nu al geruimen tijd zwijgend, de armen om de knieën, het bleeke hoofd gebogen.

“Zeg Hans, wat ga-jij eigenlijk doen, als je afgestudeerd bent?” vroeg Go, om ’m wakker te roepen uit z’n treurend gedroom.

“Dat weet ik niet,” antwoordde hij, met z’n handen langs z’n voorhoofd strijkend, als om zich te bezinnen. “Ik weet niet, wat ik doen ga, als ik afgestudeerd ben,... maar dat komt natuurlijk, omdat ik nog niet klaar ben;... als ’t eenmaal zoo ver is, dan weet ik ’t wel vanzelf—’t is ook eigenlijkl’embarras du choix;—wat kun je al niet allemaal doen, als je eenmaal doctor in de klassieke letteren bent?... Je kunt de honderd-en-elfde vertaling van Homerus in de wereld brengen; je kunt je den eeuwigen dank van ’t nageslacht verwerven, door ’n klein, dun, slap,Hollandsch uitgaafje van Demosthenes of Cicero te bezorgen, zoodat de jeugd geen gevaar meer heeft door ’n Germanisme in den val te loopen;... in dien tusschentijd kun-je met vijftig medestanders solliciteeren naar ’n baantje... of je kunt natuurlijk ook naar Lapland of naar Amerika gaan;... al heb-je nou toevallig Grieksch en Latijn gestudeerd, je kunt ook pakjes-drager of kellner, of bankdirecteur, of mijnwerker worden. God, ik weet niet, wat kun-je nou vooruit zeggen van je leven? De wereld is zoo reusachtig, en zoo gecompliceerd;... ik zal maar afwachten;—er zal natuurlijk wel ergens iets voor me te doen vallen.”

Er flitste weer even dat vreemde, onrustige licht door z’n oogen, dat Go al meer keeren opgevallen was.

“Wat doe-je raar met je oogen Hans!”

“Staat “raar” eufemistisch voor “scheel”? Ik ben ’s ’n poos scheel geweest, vóór m’n candidaats-examen.”

“Ja, als-tie dan iemand aan wilde kijken, moest-ie met z’n rug naar ’m toe gaan staan.”

“Nee, zeg, weten jullie die grap van dien schelen rechter met de drie getuigen? Die vroeg aan den eersten: “Uw naam?”Antwoordtde tweede: “Meyer.” Zegt-ie tegen den tweeden: “Ik vraag u niets.” Antwoordt de derde: “Ik zeg niets.”

“En weet je dien mop van den vent, die z’n alibi niet kon bewijzen?”

“En van ’t jongetje, dat niet spreken mocht aan tafel?”

Met bliksemsnelheid volgden grappen en anecdotische raadsels elkaar op; eerst bleven ze in ’t algemeene, daarna werden ’t speciaal proffen-en studenten-aardigheden, streken uit den groentijd; tradities van professoren, die al lang gestorven waren.

“Zeg, zouën we ook ’s opbreken? Er is geen ziel, die meer eet.”

Han keek op z’n horloge, berekende, dat ’t tijd werd, om naar ’t hôtel te gaan, waar ze thee zouden drinken op het groote balkon.

“Nu eerst veilen, wat nog over is.... in de eerste plaats: de ham!”

“We zijn niet ondankbaar,” zeide Frieda, “maar ’t is zoo’n vreeselijke vracht;... er is ’n eind links ’n huisje, wie gaat mee ’m daar heen brengen?”

Rolands, Frieda, De Veer en Lou namen ieder ’n punt van ’t zware papier, waarop hij lag, droegen plechtig ’m uit, in den guldenden avond.

“’t Overgeschoten lekkers in Eddy’s tasch; dat is goed voor onder weg.”

“Wie maakt aanspraak op het blik, waar Else’s rijstepudding in heeft gezeten?”

“Ik,” riep Gerard, “als souvenir. En voorloopig als botaniseertrommel.” En hij schikte er voorzichtig Go’s bloemen in.

“Zullen we de rest nu maar niet allemaal in het tafelkleed knoopen?”

“En dan begraven! Hoe maak-je ’n kuil?”

“Met je voeten en je handen, en boomstronken.”

“Nu; allons.... zoo’n inspanning is goed voor de spijsvertering.”

“En we planten ’n gedenk-eik op het graf....”

“En hangen de overgebleven chinaasappelen aan de takken,” juichte De Veer, die Hans’ geruit sloop als ’n schippersdas om z’n hals had geknoopt.

“Treuzel nu niet te lang,” dreef Han, “’t wordthier te vochtig voor de meisjes; kom Lize, doe jij ook je mantel aan, en gaan jullie wat krijgertje spelen, tot het graf klaar is.”

“De begrafenis begint; wie willen dragen?” schreeuwde Gerard.

Go en Frieda liepen voor, de punten van het tafellaken over den schouder, stil, met gebogen hoofd; achteraan Eddy en Wim, blootshoofds met ernstige oogen; en Hans dreunde tusschen de tanden de treurmarsch van Chopin. Voorzichtig werd ’t laken in den kuil neergelaten; de punten over elkaar gelegd; één voor één wierpen ze ’n hand aarde naar beneden, tot De Veer opeens woest te schoppen begon, wat dadelijk onder groote luidruchtigheid door de anderen werd nagedaan.

“Zie zoo; deze ceremonie is afgeloopen; nu op marsch naar ’t hôtel! En wie ’n haarspeldenwinkel ziet, moet Lou waarschuwen; kom Else!”

“’t Lijkt ’n brautzug,” lachte Eddy, terwijl hij met Go achter den praeses met z’n meisje aanstapte.

“Waarom houën we niet elke week ’n picnic.” juichte De Veer. “Er is op de heele wereld niets heerlijkers te bedenken.”

“Ach, ventje, dat is alleen, omdat ’t zoo iets nieuws voor je is! Dat is de heele charme. ’n Mensch is niets dan ’n gewoonte-dier. Of ’m nu ’t grootste ongeluk, of ’t hevigst-begeerde geluk overkomt, hij zal wel ’n poosje uit z’n sleur worden gerukt, en intenser leven; maar al gauw wordt hij, zooals hij vóór de groote gebeurtenis was; dat wil zeggen: hij zal zich nog wel ’s geroepen voelen ’n verheugd of ’n lijdend gezicht te trekken, maar in z’n binnenste gaat ’t weer z’n gewone gang.”

“Dus je gelooft niet aan den dood door geluk of verdriet?” informeerde Beerenstijn, medisch.

“’t Eerste oogenblik door den schrik is mogelijk. Maar als iemand het ’n week heeft uitgehouden, komt-ie er ook over heen.... over z’n geluk zeker.”

Het laatste klonk heel bitter en Hans peinsde voor zich uit:

“Volgens deze theorie is hij het meest benijdenswaard, die onder de ongunstigste omstandigheden leeft. Die kan zich dan verbeelden, dat, als alles maar zus en zoo was, hij de gelukzaligste man van de wereld zou zijn—en hij komt nooit tot de ontdekking, dat het z’n eigen, onvolkomen structuur is, die ’m ongeschikt maakt op de hooglanden van het geluk te leven.”

“Is er dan niets wezenlijk mooi voor jou, Eddy, iets, dat altijd mooi blijft?” vroeg Go zacht.

“Nee; dat is er niet.... Ik moet altijd afwisseling hebben!”

“Maar wat zul-je dan bang zijn voor oud worden!”

Hij haalde de schouders op. “Wie is daar nu niet bang voor?”

“Ik niet. Ik vind ’t natuurlijk. En ik geloof ook, dat er dingen zijn, die meer waarde voor je krijgen, naarmate je zelf beter wordt. En daarvoor moet je lang leven.”

“’t Komt wel allemaal hiér op neer,” zuchtte Eduard, “dat ik zelf niets dan aantrekkelijkheden voor-’n-oogenblik heb; geen fond, dat altijd waarde houdt.”

“O, wijze man; meen je jezelf te kennen?” plaagde Go. En met ’n heerlijk-vertrouwend lachje staarde ze over ’t lichte land, of ze in de toekomst zag.

“Laat mij nu voor ’t laatst theeschenken,” had Else gevraagd, en terwijl ze bezig was met de trekpot en ’t water, zaten ze allemaal stil naar haar te kijken, en te denken, dat ze haar waarschijnlijk nooit meer in hun midden zouden zien.

De dichte kruinen van de boomen om hen heen maakten het balkon al schemerig, maar de hemel er boven was nog zilverig-wit, met ijle wolkveegjes aan de kanten. Ze hadden voor Lou ’n makkelijk stoeltje gevraagd, en die zat daar nu stilletjes te genieten, de vlecht om haar hoofd gelegd op Gretchenmanier.

Lize leunde, de oogen verre, over den balkonrand, terwijl Hoefman zachtjes tegen haar sprak.

“Ik wist het eigenlijk van ’t eerste oogenblik, dat ik je zag. Ik voelde ’t dadelijk.”

“Maar ik begrijp ’t niet. Ik ben toch leelijk.”

“Voor mij niet. Ik zie door de vormen van je gezicht heen.”

“Het is zoo vreemd, zoo nieuw. Ik had nog nooit aan zoo iets gedacht....”

Else ging rond. “Ik hoop, dat ik goed aan al jullie speciale smaken heb gedacht.... Rolands slap en Gerard veel melk, en Frieda geen suiker.... Zoo. Waar blijft Neerwinden toch met z’n city-bag? Wil hij zelf ’t lekkers opeten?”

“Hè, menschen,” zuchtte Coba diep. “Hier moesten we nu tot morgenochtend kunnen blijven.”

“Ik denk, dat Lou in dien tusschentijd ’n lekker dutje doen zou,” plaagde Gerard. “Kom, laten we wat zingen, om de kleine kinderen wakker te houden.”

“Ja, wat? wat?”

“Uit de Liederschatz natuurlijk.” En Eduard zette in met z’n klankrijke baryton: “Morgen musz ich fort von hier, musz ich Abschied nehmen.”

Dadelijk vielen de anderen in; de zuivere, jonge stemmen, zingend de simpele, oude melodieën vol sentimentaliteit en naïven weemoed, klonken roerend door de onbewogen-stille dorpslucht, en Go, die opeens niet meer doorzingen kon, keek met vochtige oogen naar de levendige gezichten, die, verdiept in het lied, éven-aangedaan, in het licht stonden. En ze voelde: hoe één ze op dat oogenblik allemaal waren; hoe harmonieus hun stemmen klonken uit de harmonie van hun jeugdig-bewogen zielen. Hielden ze op dat oogenblik niet allen van elkaar als broers en zusters van ’n groote familie? Waren hun gedachten niet mooi en zacht en open, als de avond, als het kinderlijke lied, waarin ze hun ziel uitzongen?

Ze dacht niet in ’t bizonder aan Eduard; ze voelde haar hart wijd worden in liefde voor àl die jongens en meisjes om zich heen, en toen ’t uit was, zei ze zacht uit den grond van haar hart: “Hè, we moesten ons heele leven bij elkaar kunnen blijven.”

“Nou, maar zou dat niet kunnen?” riep Gerard levendig. “Zouden we ons niet voor ’t een of ander kunnen associeeren, wij allemaal gestudeerde, knappe lui.... ’n kostschool b.v.”

“We zouden, om met mezelf te beginnen ’n classicus hebben,” peinsde Hans, “’n natuurkundige, één, twee, drie, vijf, zes doctors in de Nederlandsche letteren;.... dat is wel wat overdadig.”

“Nee, ik zorg voor ’t huishouden,” regelde Go.

“Misschien ben-jij dan de eenige, die wat tedoen heeft;... twee medici... twee meesters in de rechten.”

“Die kunnen ook van veel nut zijn, om de kibbelpartijen van de leegloopers te beslechten.... Een leerling zouden jullie natuurlijk nooit krijgen.”

“O, maar dan zijn jullie getrouwd,” bedacht Gerard opeens, Else teleurgesteld aanziende.

“Nu, maar dát geeft toch niets. Han en ik zullen altijd met alles meedoen.”

“’n Tijdschrift,” bedacht Hoefman, “voor wetenschap en kunst.”

“En daarin al jouw verzen als kunst,” plaagde Wim, “we hebben je in de gatenhoor,mannetje.”

“Nou maar ’t is waar,” vond Frieda, “dat ’n tijdschrift verstandiger dan ’n kostschool zou zijn. We zouden ieder artikelen over ons vak kunnen schrijven; medische, etymologische, rechts-kwesties; Hoefman voor ’t kunstgedeelte,—”

“En jij voor de rubriek: kinderkamer,” zei Han zacht tegen Else, en streek even ongemerkt over haar haar.

“Nee, ’t beste, verreweg ’t beste zou zijn, als we ’n variété vormden,” pleitte Wim met toewijding. “We hebben lui met aardige stemmen; ik kan ’n wandelstok op m’n neus laten balanceeren en met eieren ballen... Gerard loopt op z’n handen; de meisjes kunnen wel ’s iets als ’n ballet geven, Hoefman kan declameeren—Rolands—”

“’n Slangenmensch,” sloeg het lenige zwartje voor.

“En in ’n kermiswagen, Wim?” vroeg Coba.

“Ja, of met den trein en in hôtels, al naar ’t ons lukt. En op de affiches. “Dispuut Laborando vincimus” uit Leiden.”

“Kinderen, maar zoover zijn we nu nog niet.We moeten voorloopig allemaal nog terug naar onze ouderlijke woning,... nu is het tijd voor den trein.”

“Hè Han, is er geen latere?”

“Ja zeker; we zitten hier in ’t middelpunt van spoorwegen. Er gaan hier, geloof ik, drie treinen op ’n heelen dag.”

“Rosenstock, holder blüth’,” stemde Hans nog ’s in, maar niemand volgde. Ze liepen stil langs den schemerigen weg, en treurden al om ’t afscheid, terwijl ze nog samen waren.

“’t Is zoo vreemd,” zei Go zacht tegen Eduard, “dat ik nu vanavond weer thuis zal zijn, en dan maar één dag weg geweest. Dat morgen weer alles als gewoon gaan zal, één dag van de lange, lange vacantie!”

“Och, waarom vreemd?”

“Het was zoo heerlijk. En ’t lijkt zoo lang geweest. ’t Is zoo wonderlijk nu zóó uit elkaar te gaan.”

“Och kind, als je al vaak dat zacht-verteederde gevoel aan ’t eind van ’n partijtje hebt meegemaakt, dan is ’t eigenlijk niet zoo wonderlijk meer.”

Hij zag, dat z’n woorden haar hinderden, plukte droomerig ’n paar bloemen af. “Vin-je ook verwonderlijk, dat die morgen verwelkt zijn?”

“Nee, alleen maar treurig,” antwoordde ze.

Aan ’t station in Leiden was druk gejacht om Go en Else en Han en Lou in den klaar-staanden trein naar Den Haag-Rotterdam te stoppen; Gerard wierp in der haast de wilde roosjes uit z’n blikje door ’t raam in den coupé, nog pratend:

“Als ’k in Rotterdam kom, kom ’k je mama ’n bezoek brengen.” Eddy riep tegen Han, zagGo’s oogen niet. Maar toen de trein zich in beweging zette, begon Hans met volle stem:

Si l’on est si bien ensemble,On ne devrait jamais se quitter.

Si l’on est si bien ensemble,

On ne devrait jamais se quitter.

Het heele koor viel in; de vertrekkenden wuifden. De witte doekjes flapperden in de donkere lucht, totdat Go opeens ’t hare terugtrok, ongeduldig haar tranen afveegde, die stroomden over haar gezicht.

“Zóó’n dag komt nooit terug,” zei ze zacht tegen Lou, “zóó zullen we nooit meer allemaal samen zijn.”

De trein donderde rommelend door het donkere land, weg van de stad van vreugde.


Back to IndexNext