I.

I.DE WANDELING.Wanneer een mijner vrienden uit mijne vorige woonplaats mij te kennen gaf, dat hij gaarne onder mijn geleide,Vianenwilde bezoeken, en hij, het zij met de stoomboot uitRotterdam, of de schuit vanUtrecht, teVreeswijkzoude aankomen, zoude ik hem van daar gaan afhalen, en de schipbrug met hem overwandelende, door de buitenstad regt op de Lek-poort aantreden; ik zoude hem eene wijle tijds vóór die poort doen vertoeven, ten einde dezelve met hem in oogenschouw te nemen, ik zoude hem deszelfs merkwaardigen en alouden bouwtrant, als meer dan twee eeuwen tellende, doen opmerken, en, na eenen vlugtigen blik in de stad geworpen, en dezelve, zoo als de latijnen zulks noemen, a limine gegroet te hebben, eenige schreden achteruit treden, als dan den zoogenaamden Ringdijk met hem opgaan, hem, al voortwandelende, de overschoone en schilderachtig gelegene landsdouwen, aan weerszijde van den Lekstroom doen gadeslaan, hem op het in de verte gelegene aloude stadjeIJsselsteinopmerkzaam maken, en hem voorts de torenspitsen van de menigvuldige in de verte gelegene dorpen aanwijzen.Ik zoude nu verder met hem voortwandelende het gesprekwenden op de Vaderlandsche Geschiedenis, ik zoude den roem vermelden dier uitstekende helden en staatsmannen, die in het midden der vijftiende en het begin der zestiende eeuwen, de eerste, op het veld van eer, als manhafteScipioos, de laatste in de raadsvergaderingen, als welberadeneCatoosvoor vrijheid en vaderland streden en den liebaart ontrolden voor haardsteden en altaren; ik zoude spreken vanFlorisI en II, vanPallant, Graven vanCulemborg, van die vanEgmondenHoorne, vanLalaingenVan den Berg, die voorMargarethaenGranvelleom vrijheid van godsdienst aanhielden en van dien eerstenWillem, die nog bij den laten naneef den naam van den zoo bedachtzamenZwijgervoerende, bij denzelven niet dan met diepen eerbied vermeld wordt; ik zoude met uitbundigen lof uitweiden over de tijdgenooten van die groote mannen en ik zoude met nadruk de namen der Graven vanBrederodenoemen; nu langzaam tot mijn doel naderende, zoude ik, als op het onverwachts met mijnen vriend stand houden voor de Slotpoort, die ter linkerzijde gelegen, voert tot de bouwvallen van het kasteel van Batenstein, weleer het verblijf dier onvertzaagde helden, die nog ten huidigen dage niet zelden door meer dan eenen inwoner vanVianen, die het te schatten weet, wat ook hij aan hen verpligt is, met heilig ontzag genoemd worden.Treden wij de Slotpoort binnen; wat al Edelen en Ridders, in trotschen wapendosch, door helm en maliënkolder voor het vijandelijk zwaard gedekt, met hunne schildknapenen voetknechten, zijn niet, nu bijna drie eeuwen geleden, op hunne strijdrossen gezeten, die Slotpoort binnen gereden, om dan eens aan gewigtige beraadslagingen deel te nemen, dan weder in de ridderzaal aan het hofbanket den vaderlandschen berkemeier te ledigen.Wat al Jonkvrouwen, in bevallige amazonendragt, van de valkenjagt terug gekomen, omstuuwd van hofjonkers en valkeniers, met den koninklijken roofvogel op de vuist, deden niet, de toegangen van het kasteel, hunne genetten berijdende, van derzelver hoefslagen weergalmen, om daarna, naar oud-vaderlandschen trant, aan den spinrok te arbeiden, terwijl in nog vroegere eeuwen, VrouwJacobamet harenBorsselebinnen de muren van het adellijk Batenstein, in teedere minnekozerijen verzonken, zich met zang en luitgespeel vermaakten.Aan weerszijde van den hoofdingang, welke tot hetcorps de logisleidt, ontwaart men nog de nissen, in welke voorzeker de wapentropheën der Edelen, uit schild en pantzer, helm en zwaard te zamen gesteld, waren opgehangen, en die ik minder gaarne wil gepleisterd, dan wel met mosch en klimop begroeid zoude zien.Verder doorgaande komt men op het terrein, op hetwelk het slot Batenstein is gesticht geweest; van dat slot zijn geene sporen overgebleven, dan alleen, aan weerszijde van het plantsoen, de ruïnen der dikke muren, die nu dat terrein van de lusthoven afscheiden, die aldaar door twee aanzienlijke inwoners vanVianenzijn aangelegd.Dit plantsoen, aan hetwelk de andersints zoo gevoel-en smaakvolle en voor edele herinneringen aan het dierbaar voorgeslagt, zoo vatbare Viaansche burger, den naam vanBrederodes Boschjehad behooren te geven, is doorgaans eenzaam en verlaten en strekt alleen, ten doorgang, door de Slotpoort, naar het buitenste gedeelte der stad, en het Viaansche bosch, hetwelk zich in eene verre uitgestrektheid verliest, en in onderscheidene fraaije lanen is afgedeeld, waarvan sommige nog namen voeren, die aan de vroegere overmagt der Spanjaarden herinneren.Onmiddelijk, nadat men door de meergemelde Slotpoort binnenwaarts langs de nissen, van welke vroeger gewaagd is, het plantsoen is genaderd, ontwaart men aan de regterzijde eene van geelen tufsteen gebouwde pomp, die, volgens het opschrift, in het voor de geschiedenis zoo merkwaardige jaar 1648, dat van het sluiten van den Munsterschen vrede, aldaar is opgerigt; twee kuissche stroomgodessen, voorzeker niet door bevalligheid merkwaardig, in half verheven beeldwerk strekken aan dezelve ten sieraad: aan het water, hetwelk deze pomp opgeeft, wordt volgens eene oude overlevering geneeskundige kracht toegeschreven, immers, zoo als de oorkonde luidt, werd dezelve in vroegere dagen door vele lijders bezocht, die in het drinken van deszelfs helder water herstelling voor allerlei kwalen zochten.Martinetnoemt in zijn Vereenigd Nederland, deze pomp als beroemd om haar zuiver water.Deze pomp stond wel eer door onderaardsche wellen in verband met de streek gronds, onmiddelijk ter regter zijde van het plantsoen gelegen, op welke grond eene volkomene badinrigting moet bestaan hebben, die opzettelijk ten gerieve der lijders door eenen geneesheer bediend werd;—met den besten uitslag konde voorzeker ook in deze dagen op dieplaats een badhuis worden opgerigt; eene onderneming, welke wanneer dezelve van Gouvernementswege ondersteund werd, aan den bloei en welvaart der stadVianenveel zoude kunnen toebrengen; men zoude als dan niet buiten zijn vaderland behoeven te zoeken, hetgeen in hetzelve voorhanden is.Maar wij gaan verder voort, het plantsoen verlatende komt men op den Korten Dijk, eene straat, die weinig merkwaardigs zoude opleveren, wanneer niet in dezelve de Vrijmetselaars Loge, van welke wij nader zullen gewagen, werd aangetroffen. Den Korten Dijk verlatende, en regts omslaande is men op deVoorstraatgekomen, eene straat, welke voorzeker met vele fraaije straten in de groote steden van ons vaderland kan wedijveren en boven de meesten, als regtlijnig mag geroemd worden. In deze straat bevinden zich vele aanzienlijke huizen, door voortreffelijken bouwtrant uitmuntende, met namen die van den NotarisVan den Berg, den HoogheemraadDupper, den HeerJoan Cambieren JonkvrouweCremer, bij welke met regt mag vermeld worden de fraaije woning van den Heer Mr.H. M. van Eck, in welke het Postkantoor wordt gehouden.Het eerste openbare gebouw, hetwelk men in de Voorstraat ter linkerzijde ontmoet is het Gemeenelandshuis. Eerbiedwaardig doet hetzelve zich voor, wegens deszelfs antieke bouworde, in gothischen stijl; de wapens van veleaanzienlijkegeslachten van vroegere eeuwen versieren den voorgevel en men treft in dit gebouw vele oudheden aan op de vroegere geschiedenis vanVianenbetrekkelijk, onder anderen eenige antieke schilderijen, welke aan het aloudeVianenen het geslacht derBrederode’sherinneren.De Burgemeester, benevens deszelfs Assessoren vergaderen hier op gezette tijden, in eene fraaije geregtszaal wordt het regt uitgesproken, steeds indachtig aan de gulden spreuk, welke ook in gouden letteren boven den ingang der buitenhoofddeur pronktaudi alteram partem, in welke spreuk ik ongaarne het woordjeetvergeten zie, en die ik mij veroorloofd heb, aldus te vertalen:«Wilt gij vonnissen naar recht,Hoor ook wat een ander zegt.»Schuins over het Stadhuis gaat men naar de Roomsch Katholijke kerk, boven den ingang leest men:in domum domini ibimus.Ik las hier lievereamus in domum domini. De kerk is van eenen zeer fraaijen bouwtrant, en binnen in dezelve is alles doelmatig ingerigt.Nu gaan wij langs de mede in gothischen stijl gebouwde en door derzelver ouderdom merkwaardige Stads-pomp, de Voorstraat regt door gaande op de Landpoort af, maar vóór dat wij ons buiten dezelve begeven, in de eerste plaats eenen uitstap doende naar de Kerkstraat, ten einde daar het huis van den HeerCambiergade te slaan.Deze aanzienlijke woning, welke verre zoude zijn, van eene buitenplaats te ontsieren, is te midden van eenen zeer uitgestrekten en wel aangelegden tuin gelegen, van uitstekend boomgewas voorzien; een fraai ijzer hek leidt tot dezelve.Uit de Kerkstraat terug komende, bevinden wij ons aldadelijk tegenover het Kerkgebouw, aan de viering van de Hervormde Godsdienst toegewijd.Aan hetzelve mag boven vele van soortgelijken aard in ons vaderland, den voorrang worden toegekend. Een schoone predikstoel, met een welluidend orgel daar boven maken inzonderheid het sieraad uit van dit bedehuis. Men vindt in deze Kerk de marmeren graftombe van HeerReinoud van Brederode, in 1556 teBrusseloverleden. Des Graven overschot is sedert herwaarts overgevoerd en met de eer aan zijnen hoogen rang en bijzondere verdiensten verschuldigd, alhier ter aarde besteld.Treden wij nu de Landpoort uit; bekoorlijk zijn de ommestreken welke men buiten dezelve aantreft. Al ras staat men eenige schreden voorbij het logement het Zwijnshoofd, ter linkerzijde onwillekeurig stil, voor het fraaije landverblijf, in eigendom bewoond door den HeerJ. J. Cambier, Burgemeester van het naburig dorpHagestein. Dit aanzienlijk gebouw, Buitenlust genaamd, is in den jare 1770 gesticht door den Heer en Mr.Jacob Cambier, in leven Canonik in ’t Capittel van St. Pieter teUtrecht.Hetzelve heeft eene geschiedkundige vermaardheid verkregen, door dien de Fransche GeneraalLa Fayette, de grondlegger der Amerikaansche vrijheid en onafhankelijkheid, de tijdgenoot van den beroemdenWashington, na zijnen afgelegden staat- en krijgskundigen loopbaan, en zijne bevrijding uit de vestingOlmutz, aldaar gedurende eenige jaren zijn verblijf heeft gehouden, als een andereCincinnatusde raadzaal met den ploegstaart verwisselende;verder voortwandelende bereikt men de in eenen modernen stijl aangelegde Villa, de Monnikenhof genaamd, eenige jaren geleden, bewoonddoor zijne Excellentie den tegenwoordigen Heer Minister van Staat, en Lid van de tweede Kamer der Staten Generaal, Mr.Floris Adriaan van Hall, en thans het eigendom van den HeerW. Roozeboom, Burgemeester der stadVianen.Deze monnikenhof van welke de naam aan geestelijke gestichten vroeger in den omtrek der stad gelegen herinnert, doet zich op eene bevallige wijze aan het oog voor, zoo door de afwisseling van allerlei soort van welig groeijend geboomte, als de schilderachtig gelegene woning te midden van hetzelve.Op eenen geringen afstand van den Monnikenhof ligt de Rietkamp, mede eene bezitting van voornoemden Heer Burgemeester. Hij die zich gaarne verpoost van het vroegere woelige stadsleven, en in stille landtooneelen vermaak schept, die het oog gaarne doet weiden over welige koornakkers, en de bevallige schakering van allerlei soort van graanvelden bemint, zal zich regt gelukkig gevoelen in de lieve woning op den Rietkamp, uit welke hij al die weelde eener vruchtbare natuur kan in oogenschouw nemen, en, paart hij teeder gevoel aan gekuischten smaak, en is hij dichter tevens, dan zal hij met welgevallen de lustwarandendoorkruisen, te midden van welke dezeCottageis gelegen, en denkende aan hetbeatus illevanHoratius, beurtelings den zanger van den veldeling1, de landelijke gedichten van den Duitschen Voss, of de meer verhevene poëzij van den dichter der Jaargetijden2, tot zijne lievelingslektuur maken.Verder de wandeling voortzettende, bereikt men Bentzberg, niet minder smaakvol aangelegd dan de Monnikenhofen den Rietkamp; veel dennen en sparrengeboomte strekt aan deze plaats van uitspanning ten sieraad, en biedt den wandelaar een verkwikkend lommer aan; een sierlijke koepel van fikschen bouwtrant, aan den straatweg gelegen, stelt den eigenaar (den Heer NotarisVan den Berg) en diens gezin in de gelegenheid, om menigen zomerschen dag genoeglijk in denzelven door te brengen.En zouden wij bij onze omwandeling Vijverlust vergeten, die lieve plek gronds, voor vele jaren het eigendom van nu wijlen den Inspecteur Generaal van den Waterstaat, den HeerJan Blanken Jansz. Daarna van deszelfs schoonzoon, den HeerSlooten nu door aankoop de bezitting van den Heer Mr.Boxman, Burgemeester der stadGorinchemen Lid van de eerste Kamer der Staten Generaal; al het bekoorlijke hetwelk eene doelmatig aangebragte afwisseling, van het geen natuur en kunst in zich vereenigen kunnen, oplevert, maakt Vijverlust inderdaad tot een lustoord. Het huis is zeer fraai en biedt aan een talrijk huisgezin al de comforts aan, welke men in zulk eene woning verlangen kan.Maar waar zouden wij eindigen, wanneer wij al die bekoorlijke dreven, te midden van welke wij ons bevinden, en die den omtrek vanVianeninderdaad tot eenThessalieschTempe maken, voorwerpen onzer beschouwingen wilden doen worden; wij zouden daar voor tijds te kort komen; wij bespoedigen alzoo onzen togt, na in het voorbijgaan nog eenen blik te hebben geworpen op het zoo bekoorlijk Vreugdenrijk, wel eer het Tusculum van den geleerdenDe Waal, langs schilderachtig gelegene landhoeven, door lieve laantjes, tusschen beide het oog vestigende, dan eens op in vollenbloei staande vruchtboomen, dan weder op grazige beemden, dan op moestuinen, hunne voortbrengselen in kwistenden overvloed aanbiedende, naar den Ringdijk, eene wijle tijds hebbende stand gehouden, bij de overblijfselen van Amalienstein, vroeger in de geschiedenis als een merkwaardig slot bekend, en waarvan wij de beschrijving hierna zullen doen volgen, ten einde langs dien Ringdijk, dat krachtig bolwerk, tegen de overstroomingen van denLek, weder te geraken tot het punt, van hetwelk wij zijn uitgegaan, steeds onder vernieuwde opwekking van ons gevoel, voor de dagen der verledenheid, hetwelk ons andermaal het aanschouwen van de bouwvallen van het kasteel Batenstein inboezemt en naauwlijks kunnende denken, dat er sints, zoo vele eeuwen verloopen waren, en wij ons niet in de 15deof 16demaar in de 19debevonden.Aan mijnen vriend worde alzoo uitgeleide gedaan, en keere hij terug naar de plaats zijner woning, vroeger ook de mijne, ten einde daar te verhalen, welke zijne gewaarwordingen zijn geweest op den klassieken grond van de Lekstad en diens omtrek. Vaarwel dan waarde T. keer tot uwe haardsteden terug, breng mijne groete over, daar waar dezelve welkom zal zijn, en denk met mij aan de gevoelvolle woorden van den Duitschen dichter:«Und sind wir auch fern von einander,Doch bleiben die Herzen sich nah.»DE OVERBLIJFSELEN VAN HET SLOT AMALIENSTEIN, BUITENVIANEN.Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af te schrijven uit het werk van ProfessorPaulus Voet,Oorspronck, voertganck en daeden der doerluchtige Heerenvan Brederode, uit hetwelk buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele merkwaardigheden omtrent het vroegereVianenbevat.Zie hier de woorden van voornoemden ProfessorPaulus Voet, pag. 110 en volgende.«Na het overlijden vanRaynoudtisHendricksijn sone, de een en twintichste Heerevan Brederodegeworden.......«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne,Aemiliagenaemt, dochter vanGumbert, Grave vanNieuwenaerenenLimborch, uit de Gravinne vanSchouwenburch HolsteinenSteinbergen. DezeAemiliawas uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert soodaenich bemint van haeren man, dat hij ’t haeren gevalle alles zoude gedaen hebben, soo ’t in sijne macht waere geweest. Om haer eenich vermaeck aan te doen,dede buijtenVianenin het Bosch een aengenaem Speelhuijs metselen,Ameliensteijngenaamt. ’t Welk nu ter tijt geset staet midden in een vierkant. Was daer nae bij HeerJohan Wolphaerttot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot bevrijdinge van ’t gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen, en den smaeck wesen kan.«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer aldaer, maer ook het gehoor, door ’t aengenaem gezang van allerleij kleijn gevogelte, ’t welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t’ samen vier in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt, of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen schijnen en de konst van ’t aengenaem leijden, en de natuer omtrent het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten, met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voorPanvluchtende in een biesbosch veranderde.«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden perspectiven van op in rijen gezette boomen die ’t gesichte ten boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden datHendrickleefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de gerustebesittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede te doen tot vermaeck van zijne vrouweAemilia, terwijle dat Godt en de gelegentheijt zulks hun beide gunde.De geleerdeVan ’t Sant, Kostschoolhouder teGorinchemmeldt in zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen, omtrent Amalienstein het navolgende.«Een kwartier uurs ten westen vanVianenin het Vianensche bosch, had de beroemde HeerHendrik van Brederode, welke in 1568 stierf, voor zijne gemalinAmalia van Nieuwenaareen adellijk huis doen bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal, ter vergaderplaats diende, om over het bekendesmeekschriftder Edelen te handelen, dat der Hertoginvan Parmamoest aangeboden worden; doch de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor de zoodanigen, die met waardigepersonen en nuttige inrigtingen inVianengaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding van zoude hebben mogen achter wege laten.1Delille.2Thomson.

I.DE WANDELING.Wanneer een mijner vrienden uit mijne vorige woonplaats mij te kennen gaf, dat hij gaarne onder mijn geleide,Vianenwilde bezoeken, en hij, het zij met de stoomboot uitRotterdam, of de schuit vanUtrecht, teVreeswijkzoude aankomen, zoude ik hem van daar gaan afhalen, en de schipbrug met hem overwandelende, door de buitenstad regt op de Lek-poort aantreden; ik zoude hem eene wijle tijds vóór die poort doen vertoeven, ten einde dezelve met hem in oogenschouw te nemen, ik zoude hem deszelfs merkwaardigen en alouden bouwtrant, als meer dan twee eeuwen tellende, doen opmerken, en, na eenen vlugtigen blik in de stad geworpen, en dezelve, zoo als de latijnen zulks noemen, a limine gegroet te hebben, eenige schreden achteruit treden, als dan den zoogenaamden Ringdijk met hem opgaan, hem, al voortwandelende, de overschoone en schilderachtig gelegene landsdouwen, aan weerszijde van den Lekstroom doen gadeslaan, hem op het in de verte gelegene aloude stadjeIJsselsteinopmerkzaam maken, en hem voorts de torenspitsen van de menigvuldige in de verte gelegene dorpen aanwijzen.Ik zoude nu verder met hem voortwandelende het gesprekwenden op de Vaderlandsche Geschiedenis, ik zoude den roem vermelden dier uitstekende helden en staatsmannen, die in het midden der vijftiende en het begin der zestiende eeuwen, de eerste, op het veld van eer, als manhafteScipioos, de laatste in de raadsvergaderingen, als welberadeneCatoosvoor vrijheid en vaderland streden en den liebaart ontrolden voor haardsteden en altaren; ik zoude spreken vanFlorisI en II, vanPallant, Graven vanCulemborg, van die vanEgmondenHoorne, vanLalaingenVan den Berg, die voorMargarethaenGranvelleom vrijheid van godsdienst aanhielden en van dien eerstenWillem, die nog bij den laten naneef den naam van den zoo bedachtzamenZwijgervoerende, bij denzelven niet dan met diepen eerbied vermeld wordt; ik zoude met uitbundigen lof uitweiden over de tijdgenooten van die groote mannen en ik zoude met nadruk de namen der Graven vanBrederodenoemen; nu langzaam tot mijn doel naderende, zoude ik, als op het onverwachts met mijnen vriend stand houden voor de Slotpoort, die ter linkerzijde gelegen, voert tot de bouwvallen van het kasteel van Batenstein, weleer het verblijf dier onvertzaagde helden, die nog ten huidigen dage niet zelden door meer dan eenen inwoner vanVianen, die het te schatten weet, wat ook hij aan hen verpligt is, met heilig ontzag genoemd worden.Treden wij de Slotpoort binnen; wat al Edelen en Ridders, in trotschen wapendosch, door helm en maliënkolder voor het vijandelijk zwaard gedekt, met hunne schildknapenen voetknechten, zijn niet, nu bijna drie eeuwen geleden, op hunne strijdrossen gezeten, die Slotpoort binnen gereden, om dan eens aan gewigtige beraadslagingen deel te nemen, dan weder in de ridderzaal aan het hofbanket den vaderlandschen berkemeier te ledigen.Wat al Jonkvrouwen, in bevallige amazonendragt, van de valkenjagt terug gekomen, omstuuwd van hofjonkers en valkeniers, met den koninklijken roofvogel op de vuist, deden niet, de toegangen van het kasteel, hunne genetten berijdende, van derzelver hoefslagen weergalmen, om daarna, naar oud-vaderlandschen trant, aan den spinrok te arbeiden, terwijl in nog vroegere eeuwen, VrouwJacobamet harenBorsselebinnen de muren van het adellijk Batenstein, in teedere minnekozerijen verzonken, zich met zang en luitgespeel vermaakten.Aan weerszijde van den hoofdingang, welke tot hetcorps de logisleidt, ontwaart men nog de nissen, in welke voorzeker de wapentropheën der Edelen, uit schild en pantzer, helm en zwaard te zamen gesteld, waren opgehangen, en die ik minder gaarne wil gepleisterd, dan wel met mosch en klimop begroeid zoude zien.Verder doorgaande komt men op het terrein, op hetwelk het slot Batenstein is gesticht geweest; van dat slot zijn geene sporen overgebleven, dan alleen, aan weerszijde van het plantsoen, de ruïnen der dikke muren, die nu dat terrein van de lusthoven afscheiden, die aldaar door twee aanzienlijke inwoners vanVianenzijn aangelegd.Dit plantsoen, aan hetwelk de andersints zoo gevoel-en smaakvolle en voor edele herinneringen aan het dierbaar voorgeslagt, zoo vatbare Viaansche burger, den naam vanBrederodes Boschjehad behooren te geven, is doorgaans eenzaam en verlaten en strekt alleen, ten doorgang, door de Slotpoort, naar het buitenste gedeelte der stad, en het Viaansche bosch, hetwelk zich in eene verre uitgestrektheid verliest, en in onderscheidene fraaije lanen is afgedeeld, waarvan sommige nog namen voeren, die aan de vroegere overmagt der Spanjaarden herinneren.Onmiddelijk, nadat men door de meergemelde Slotpoort binnenwaarts langs de nissen, van welke vroeger gewaagd is, het plantsoen is genaderd, ontwaart men aan de regterzijde eene van geelen tufsteen gebouwde pomp, die, volgens het opschrift, in het voor de geschiedenis zoo merkwaardige jaar 1648, dat van het sluiten van den Munsterschen vrede, aldaar is opgerigt; twee kuissche stroomgodessen, voorzeker niet door bevalligheid merkwaardig, in half verheven beeldwerk strekken aan dezelve ten sieraad: aan het water, hetwelk deze pomp opgeeft, wordt volgens eene oude overlevering geneeskundige kracht toegeschreven, immers, zoo als de oorkonde luidt, werd dezelve in vroegere dagen door vele lijders bezocht, die in het drinken van deszelfs helder water herstelling voor allerlei kwalen zochten.Martinetnoemt in zijn Vereenigd Nederland, deze pomp als beroemd om haar zuiver water.Deze pomp stond wel eer door onderaardsche wellen in verband met de streek gronds, onmiddelijk ter regter zijde van het plantsoen gelegen, op welke grond eene volkomene badinrigting moet bestaan hebben, die opzettelijk ten gerieve der lijders door eenen geneesheer bediend werd;—met den besten uitslag konde voorzeker ook in deze dagen op dieplaats een badhuis worden opgerigt; eene onderneming, welke wanneer dezelve van Gouvernementswege ondersteund werd, aan den bloei en welvaart der stadVianenveel zoude kunnen toebrengen; men zoude als dan niet buiten zijn vaderland behoeven te zoeken, hetgeen in hetzelve voorhanden is.Maar wij gaan verder voort, het plantsoen verlatende komt men op den Korten Dijk, eene straat, die weinig merkwaardigs zoude opleveren, wanneer niet in dezelve de Vrijmetselaars Loge, van welke wij nader zullen gewagen, werd aangetroffen. Den Korten Dijk verlatende, en regts omslaande is men op deVoorstraatgekomen, eene straat, welke voorzeker met vele fraaije straten in de groote steden van ons vaderland kan wedijveren en boven de meesten, als regtlijnig mag geroemd worden. In deze straat bevinden zich vele aanzienlijke huizen, door voortreffelijken bouwtrant uitmuntende, met namen die van den NotarisVan den Berg, den HoogheemraadDupper, den HeerJoan Cambieren JonkvrouweCremer, bij welke met regt mag vermeld worden de fraaije woning van den Heer Mr.H. M. van Eck, in welke het Postkantoor wordt gehouden.Het eerste openbare gebouw, hetwelk men in de Voorstraat ter linkerzijde ontmoet is het Gemeenelandshuis. Eerbiedwaardig doet hetzelve zich voor, wegens deszelfs antieke bouworde, in gothischen stijl; de wapens van veleaanzienlijkegeslachten van vroegere eeuwen versieren den voorgevel en men treft in dit gebouw vele oudheden aan op de vroegere geschiedenis vanVianenbetrekkelijk, onder anderen eenige antieke schilderijen, welke aan het aloudeVianenen het geslacht derBrederode’sherinneren.De Burgemeester, benevens deszelfs Assessoren vergaderen hier op gezette tijden, in eene fraaije geregtszaal wordt het regt uitgesproken, steeds indachtig aan de gulden spreuk, welke ook in gouden letteren boven den ingang der buitenhoofddeur pronktaudi alteram partem, in welke spreuk ik ongaarne het woordjeetvergeten zie, en die ik mij veroorloofd heb, aldus te vertalen:«Wilt gij vonnissen naar recht,Hoor ook wat een ander zegt.»Schuins over het Stadhuis gaat men naar de Roomsch Katholijke kerk, boven den ingang leest men:in domum domini ibimus.Ik las hier lievereamus in domum domini. De kerk is van eenen zeer fraaijen bouwtrant, en binnen in dezelve is alles doelmatig ingerigt.Nu gaan wij langs de mede in gothischen stijl gebouwde en door derzelver ouderdom merkwaardige Stads-pomp, de Voorstraat regt door gaande op de Landpoort af, maar vóór dat wij ons buiten dezelve begeven, in de eerste plaats eenen uitstap doende naar de Kerkstraat, ten einde daar het huis van den HeerCambiergade te slaan.Deze aanzienlijke woning, welke verre zoude zijn, van eene buitenplaats te ontsieren, is te midden van eenen zeer uitgestrekten en wel aangelegden tuin gelegen, van uitstekend boomgewas voorzien; een fraai ijzer hek leidt tot dezelve.Uit de Kerkstraat terug komende, bevinden wij ons aldadelijk tegenover het Kerkgebouw, aan de viering van de Hervormde Godsdienst toegewijd.Aan hetzelve mag boven vele van soortgelijken aard in ons vaderland, den voorrang worden toegekend. Een schoone predikstoel, met een welluidend orgel daar boven maken inzonderheid het sieraad uit van dit bedehuis. Men vindt in deze Kerk de marmeren graftombe van HeerReinoud van Brederode, in 1556 teBrusseloverleden. Des Graven overschot is sedert herwaarts overgevoerd en met de eer aan zijnen hoogen rang en bijzondere verdiensten verschuldigd, alhier ter aarde besteld.Treden wij nu de Landpoort uit; bekoorlijk zijn de ommestreken welke men buiten dezelve aantreft. Al ras staat men eenige schreden voorbij het logement het Zwijnshoofd, ter linkerzijde onwillekeurig stil, voor het fraaije landverblijf, in eigendom bewoond door den HeerJ. J. Cambier, Burgemeester van het naburig dorpHagestein. Dit aanzienlijk gebouw, Buitenlust genaamd, is in den jare 1770 gesticht door den Heer en Mr.Jacob Cambier, in leven Canonik in ’t Capittel van St. Pieter teUtrecht.Hetzelve heeft eene geschiedkundige vermaardheid verkregen, door dien de Fransche GeneraalLa Fayette, de grondlegger der Amerikaansche vrijheid en onafhankelijkheid, de tijdgenoot van den beroemdenWashington, na zijnen afgelegden staat- en krijgskundigen loopbaan, en zijne bevrijding uit de vestingOlmutz, aldaar gedurende eenige jaren zijn verblijf heeft gehouden, als een andereCincinnatusde raadzaal met den ploegstaart verwisselende;verder voortwandelende bereikt men de in eenen modernen stijl aangelegde Villa, de Monnikenhof genaamd, eenige jaren geleden, bewoonddoor zijne Excellentie den tegenwoordigen Heer Minister van Staat, en Lid van de tweede Kamer der Staten Generaal, Mr.Floris Adriaan van Hall, en thans het eigendom van den HeerW. Roozeboom, Burgemeester der stadVianen.Deze monnikenhof van welke de naam aan geestelijke gestichten vroeger in den omtrek der stad gelegen herinnert, doet zich op eene bevallige wijze aan het oog voor, zoo door de afwisseling van allerlei soort van welig groeijend geboomte, als de schilderachtig gelegene woning te midden van hetzelve.Op eenen geringen afstand van den Monnikenhof ligt de Rietkamp, mede eene bezitting van voornoemden Heer Burgemeester. Hij die zich gaarne verpoost van het vroegere woelige stadsleven, en in stille landtooneelen vermaak schept, die het oog gaarne doet weiden over welige koornakkers, en de bevallige schakering van allerlei soort van graanvelden bemint, zal zich regt gelukkig gevoelen in de lieve woning op den Rietkamp, uit welke hij al die weelde eener vruchtbare natuur kan in oogenschouw nemen, en, paart hij teeder gevoel aan gekuischten smaak, en is hij dichter tevens, dan zal hij met welgevallen de lustwarandendoorkruisen, te midden van welke dezeCottageis gelegen, en denkende aan hetbeatus illevanHoratius, beurtelings den zanger van den veldeling1, de landelijke gedichten van den Duitschen Voss, of de meer verhevene poëzij van den dichter der Jaargetijden2, tot zijne lievelingslektuur maken.Verder de wandeling voortzettende, bereikt men Bentzberg, niet minder smaakvol aangelegd dan de Monnikenhofen den Rietkamp; veel dennen en sparrengeboomte strekt aan deze plaats van uitspanning ten sieraad, en biedt den wandelaar een verkwikkend lommer aan; een sierlijke koepel van fikschen bouwtrant, aan den straatweg gelegen, stelt den eigenaar (den Heer NotarisVan den Berg) en diens gezin in de gelegenheid, om menigen zomerschen dag genoeglijk in denzelven door te brengen.En zouden wij bij onze omwandeling Vijverlust vergeten, die lieve plek gronds, voor vele jaren het eigendom van nu wijlen den Inspecteur Generaal van den Waterstaat, den HeerJan Blanken Jansz. Daarna van deszelfs schoonzoon, den HeerSlooten nu door aankoop de bezitting van den Heer Mr.Boxman, Burgemeester der stadGorinchemen Lid van de eerste Kamer der Staten Generaal; al het bekoorlijke hetwelk eene doelmatig aangebragte afwisseling, van het geen natuur en kunst in zich vereenigen kunnen, oplevert, maakt Vijverlust inderdaad tot een lustoord. Het huis is zeer fraai en biedt aan een talrijk huisgezin al de comforts aan, welke men in zulk eene woning verlangen kan.Maar waar zouden wij eindigen, wanneer wij al die bekoorlijke dreven, te midden van welke wij ons bevinden, en die den omtrek vanVianeninderdaad tot eenThessalieschTempe maken, voorwerpen onzer beschouwingen wilden doen worden; wij zouden daar voor tijds te kort komen; wij bespoedigen alzoo onzen togt, na in het voorbijgaan nog eenen blik te hebben geworpen op het zoo bekoorlijk Vreugdenrijk, wel eer het Tusculum van den geleerdenDe Waal, langs schilderachtig gelegene landhoeven, door lieve laantjes, tusschen beide het oog vestigende, dan eens op in vollenbloei staande vruchtboomen, dan weder op grazige beemden, dan op moestuinen, hunne voortbrengselen in kwistenden overvloed aanbiedende, naar den Ringdijk, eene wijle tijds hebbende stand gehouden, bij de overblijfselen van Amalienstein, vroeger in de geschiedenis als een merkwaardig slot bekend, en waarvan wij de beschrijving hierna zullen doen volgen, ten einde langs dien Ringdijk, dat krachtig bolwerk, tegen de overstroomingen van denLek, weder te geraken tot het punt, van hetwelk wij zijn uitgegaan, steeds onder vernieuwde opwekking van ons gevoel, voor de dagen der verledenheid, hetwelk ons andermaal het aanschouwen van de bouwvallen van het kasteel Batenstein inboezemt en naauwlijks kunnende denken, dat er sints, zoo vele eeuwen verloopen waren, en wij ons niet in de 15deof 16demaar in de 19debevonden.Aan mijnen vriend worde alzoo uitgeleide gedaan, en keere hij terug naar de plaats zijner woning, vroeger ook de mijne, ten einde daar te verhalen, welke zijne gewaarwordingen zijn geweest op den klassieken grond van de Lekstad en diens omtrek. Vaarwel dan waarde T. keer tot uwe haardsteden terug, breng mijne groete over, daar waar dezelve welkom zal zijn, en denk met mij aan de gevoelvolle woorden van den Duitschen dichter:«Und sind wir auch fern von einander,Doch bleiben die Herzen sich nah.»DE OVERBLIJFSELEN VAN HET SLOT AMALIENSTEIN, BUITENVIANEN.Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af te schrijven uit het werk van ProfessorPaulus Voet,Oorspronck, voertganck en daeden der doerluchtige Heerenvan Brederode, uit hetwelk buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele merkwaardigheden omtrent het vroegereVianenbevat.Zie hier de woorden van voornoemden ProfessorPaulus Voet, pag. 110 en volgende.«Na het overlijden vanRaynoudtisHendricksijn sone, de een en twintichste Heerevan Brederodegeworden.......«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne,Aemiliagenaemt, dochter vanGumbert, Grave vanNieuwenaerenenLimborch, uit de Gravinne vanSchouwenburch HolsteinenSteinbergen. DezeAemiliawas uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert soodaenich bemint van haeren man, dat hij ’t haeren gevalle alles zoude gedaen hebben, soo ’t in sijne macht waere geweest. Om haer eenich vermaeck aan te doen,dede buijtenVianenin het Bosch een aengenaem Speelhuijs metselen,Ameliensteijngenaamt. ’t Welk nu ter tijt geset staet midden in een vierkant. Was daer nae bij HeerJohan Wolphaerttot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot bevrijdinge van ’t gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen, en den smaeck wesen kan.«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer aldaer, maer ook het gehoor, door ’t aengenaem gezang van allerleij kleijn gevogelte, ’t welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t’ samen vier in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt, of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen schijnen en de konst van ’t aengenaem leijden, en de natuer omtrent het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten, met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voorPanvluchtende in een biesbosch veranderde.«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden perspectiven van op in rijen gezette boomen die ’t gesichte ten boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden datHendrickleefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de gerustebesittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede te doen tot vermaeck van zijne vrouweAemilia, terwijle dat Godt en de gelegentheijt zulks hun beide gunde.De geleerdeVan ’t Sant, Kostschoolhouder teGorinchemmeldt in zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen, omtrent Amalienstein het navolgende.«Een kwartier uurs ten westen vanVianenin het Vianensche bosch, had de beroemde HeerHendrik van Brederode, welke in 1568 stierf, voor zijne gemalinAmalia van Nieuwenaareen adellijk huis doen bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal, ter vergaderplaats diende, om over het bekendesmeekschriftder Edelen te handelen, dat der Hertoginvan Parmamoest aangeboden worden; doch de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor de zoodanigen, die met waardigepersonen en nuttige inrigtingen inVianengaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding van zoude hebben mogen achter wege laten.1Delille.2Thomson.

I.DE WANDELING.

Wanneer een mijner vrienden uit mijne vorige woonplaats mij te kennen gaf, dat hij gaarne onder mijn geleide,Vianenwilde bezoeken, en hij, het zij met de stoomboot uitRotterdam, of de schuit vanUtrecht, teVreeswijkzoude aankomen, zoude ik hem van daar gaan afhalen, en de schipbrug met hem overwandelende, door de buitenstad regt op de Lek-poort aantreden; ik zoude hem eene wijle tijds vóór die poort doen vertoeven, ten einde dezelve met hem in oogenschouw te nemen, ik zoude hem deszelfs merkwaardigen en alouden bouwtrant, als meer dan twee eeuwen tellende, doen opmerken, en, na eenen vlugtigen blik in de stad geworpen, en dezelve, zoo als de latijnen zulks noemen, a limine gegroet te hebben, eenige schreden achteruit treden, als dan den zoogenaamden Ringdijk met hem opgaan, hem, al voortwandelende, de overschoone en schilderachtig gelegene landsdouwen, aan weerszijde van den Lekstroom doen gadeslaan, hem op het in de verte gelegene aloude stadjeIJsselsteinopmerkzaam maken, en hem voorts de torenspitsen van de menigvuldige in de verte gelegene dorpen aanwijzen.Ik zoude nu verder met hem voortwandelende het gesprekwenden op de Vaderlandsche Geschiedenis, ik zoude den roem vermelden dier uitstekende helden en staatsmannen, die in het midden der vijftiende en het begin der zestiende eeuwen, de eerste, op het veld van eer, als manhafteScipioos, de laatste in de raadsvergaderingen, als welberadeneCatoosvoor vrijheid en vaderland streden en den liebaart ontrolden voor haardsteden en altaren; ik zoude spreken vanFlorisI en II, vanPallant, Graven vanCulemborg, van die vanEgmondenHoorne, vanLalaingenVan den Berg, die voorMargarethaenGranvelleom vrijheid van godsdienst aanhielden en van dien eerstenWillem, die nog bij den laten naneef den naam van den zoo bedachtzamenZwijgervoerende, bij denzelven niet dan met diepen eerbied vermeld wordt; ik zoude met uitbundigen lof uitweiden over de tijdgenooten van die groote mannen en ik zoude met nadruk de namen der Graven vanBrederodenoemen; nu langzaam tot mijn doel naderende, zoude ik, als op het onverwachts met mijnen vriend stand houden voor de Slotpoort, die ter linkerzijde gelegen, voert tot de bouwvallen van het kasteel van Batenstein, weleer het verblijf dier onvertzaagde helden, die nog ten huidigen dage niet zelden door meer dan eenen inwoner vanVianen, die het te schatten weet, wat ook hij aan hen verpligt is, met heilig ontzag genoemd worden.Treden wij de Slotpoort binnen; wat al Edelen en Ridders, in trotschen wapendosch, door helm en maliënkolder voor het vijandelijk zwaard gedekt, met hunne schildknapenen voetknechten, zijn niet, nu bijna drie eeuwen geleden, op hunne strijdrossen gezeten, die Slotpoort binnen gereden, om dan eens aan gewigtige beraadslagingen deel te nemen, dan weder in de ridderzaal aan het hofbanket den vaderlandschen berkemeier te ledigen.Wat al Jonkvrouwen, in bevallige amazonendragt, van de valkenjagt terug gekomen, omstuuwd van hofjonkers en valkeniers, met den koninklijken roofvogel op de vuist, deden niet, de toegangen van het kasteel, hunne genetten berijdende, van derzelver hoefslagen weergalmen, om daarna, naar oud-vaderlandschen trant, aan den spinrok te arbeiden, terwijl in nog vroegere eeuwen, VrouwJacobamet harenBorsselebinnen de muren van het adellijk Batenstein, in teedere minnekozerijen verzonken, zich met zang en luitgespeel vermaakten.Aan weerszijde van den hoofdingang, welke tot hetcorps de logisleidt, ontwaart men nog de nissen, in welke voorzeker de wapentropheën der Edelen, uit schild en pantzer, helm en zwaard te zamen gesteld, waren opgehangen, en die ik minder gaarne wil gepleisterd, dan wel met mosch en klimop begroeid zoude zien.Verder doorgaande komt men op het terrein, op hetwelk het slot Batenstein is gesticht geweest; van dat slot zijn geene sporen overgebleven, dan alleen, aan weerszijde van het plantsoen, de ruïnen der dikke muren, die nu dat terrein van de lusthoven afscheiden, die aldaar door twee aanzienlijke inwoners vanVianenzijn aangelegd.Dit plantsoen, aan hetwelk de andersints zoo gevoel-en smaakvolle en voor edele herinneringen aan het dierbaar voorgeslagt, zoo vatbare Viaansche burger, den naam vanBrederodes Boschjehad behooren te geven, is doorgaans eenzaam en verlaten en strekt alleen, ten doorgang, door de Slotpoort, naar het buitenste gedeelte der stad, en het Viaansche bosch, hetwelk zich in eene verre uitgestrektheid verliest, en in onderscheidene fraaije lanen is afgedeeld, waarvan sommige nog namen voeren, die aan de vroegere overmagt der Spanjaarden herinneren.Onmiddelijk, nadat men door de meergemelde Slotpoort binnenwaarts langs de nissen, van welke vroeger gewaagd is, het plantsoen is genaderd, ontwaart men aan de regterzijde eene van geelen tufsteen gebouwde pomp, die, volgens het opschrift, in het voor de geschiedenis zoo merkwaardige jaar 1648, dat van het sluiten van den Munsterschen vrede, aldaar is opgerigt; twee kuissche stroomgodessen, voorzeker niet door bevalligheid merkwaardig, in half verheven beeldwerk strekken aan dezelve ten sieraad: aan het water, hetwelk deze pomp opgeeft, wordt volgens eene oude overlevering geneeskundige kracht toegeschreven, immers, zoo als de oorkonde luidt, werd dezelve in vroegere dagen door vele lijders bezocht, die in het drinken van deszelfs helder water herstelling voor allerlei kwalen zochten.Martinetnoemt in zijn Vereenigd Nederland, deze pomp als beroemd om haar zuiver water.Deze pomp stond wel eer door onderaardsche wellen in verband met de streek gronds, onmiddelijk ter regter zijde van het plantsoen gelegen, op welke grond eene volkomene badinrigting moet bestaan hebben, die opzettelijk ten gerieve der lijders door eenen geneesheer bediend werd;—met den besten uitslag konde voorzeker ook in deze dagen op dieplaats een badhuis worden opgerigt; eene onderneming, welke wanneer dezelve van Gouvernementswege ondersteund werd, aan den bloei en welvaart der stadVianenveel zoude kunnen toebrengen; men zoude als dan niet buiten zijn vaderland behoeven te zoeken, hetgeen in hetzelve voorhanden is.Maar wij gaan verder voort, het plantsoen verlatende komt men op den Korten Dijk, eene straat, die weinig merkwaardigs zoude opleveren, wanneer niet in dezelve de Vrijmetselaars Loge, van welke wij nader zullen gewagen, werd aangetroffen. Den Korten Dijk verlatende, en regts omslaande is men op deVoorstraatgekomen, eene straat, welke voorzeker met vele fraaije straten in de groote steden van ons vaderland kan wedijveren en boven de meesten, als regtlijnig mag geroemd worden. In deze straat bevinden zich vele aanzienlijke huizen, door voortreffelijken bouwtrant uitmuntende, met namen die van den NotarisVan den Berg, den HoogheemraadDupper, den HeerJoan Cambieren JonkvrouweCremer, bij welke met regt mag vermeld worden de fraaije woning van den Heer Mr.H. M. van Eck, in welke het Postkantoor wordt gehouden.Het eerste openbare gebouw, hetwelk men in de Voorstraat ter linkerzijde ontmoet is het Gemeenelandshuis. Eerbiedwaardig doet hetzelve zich voor, wegens deszelfs antieke bouworde, in gothischen stijl; de wapens van veleaanzienlijkegeslachten van vroegere eeuwen versieren den voorgevel en men treft in dit gebouw vele oudheden aan op de vroegere geschiedenis vanVianenbetrekkelijk, onder anderen eenige antieke schilderijen, welke aan het aloudeVianenen het geslacht derBrederode’sherinneren.De Burgemeester, benevens deszelfs Assessoren vergaderen hier op gezette tijden, in eene fraaije geregtszaal wordt het regt uitgesproken, steeds indachtig aan de gulden spreuk, welke ook in gouden letteren boven den ingang der buitenhoofddeur pronktaudi alteram partem, in welke spreuk ik ongaarne het woordjeetvergeten zie, en die ik mij veroorloofd heb, aldus te vertalen:«Wilt gij vonnissen naar recht,Hoor ook wat een ander zegt.»Schuins over het Stadhuis gaat men naar de Roomsch Katholijke kerk, boven den ingang leest men:in domum domini ibimus.Ik las hier lievereamus in domum domini. De kerk is van eenen zeer fraaijen bouwtrant, en binnen in dezelve is alles doelmatig ingerigt.Nu gaan wij langs de mede in gothischen stijl gebouwde en door derzelver ouderdom merkwaardige Stads-pomp, de Voorstraat regt door gaande op de Landpoort af, maar vóór dat wij ons buiten dezelve begeven, in de eerste plaats eenen uitstap doende naar de Kerkstraat, ten einde daar het huis van den HeerCambiergade te slaan.Deze aanzienlijke woning, welke verre zoude zijn, van eene buitenplaats te ontsieren, is te midden van eenen zeer uitgestrekten en wel aangelegden tuin gelegen, van uitstekend boomgewas voorzien; een fraai ijzer hek leidt tot dezelve.Uit de Kerkstraat terug komende, bevinden wij ons aldadelijk tegenover het Kerkgebouw, aan de viering van de Hervormde Godsdienst toegewijd.Aan hetzelve mag boven vele van soortgelijken aard in ons vaderland, den voorrang worden toegekend. Een schoone predikstoel, met een welluidend orgel daar boven maken inzonderheid het sieraad uit van dit bedehuis. Men vindt in deze Kerk de marmeren graftombe van HeerReinoud van Brederode, in 1556 teBrusseloverleden. Des Graven overschot is sedert herwaarts overgevoerd en met de eer aan zijnen hoogen rang en bijzondere verdiensten verschuldigd, alhier ter aarde besteld.Treden wij nu de Landpoort uit; bekoorlijk zijn de ommestreken welke men buiten dezelve aantreft. Al ras staat men eenige schreden voorbij het logement het Zwijnshoofd, ter linkerzijde onwillekeurig stil, voor het fraaije landverblijf, in eigendom bewoond door den HeerJ. J. Cambier, Burgemeester van het naburig dorpHagestein. Dit aanzienlijk gebouw, Buitenlust genaamd, is in den jare 1770 gesticht door den Heer en Mr.Jacob Cambier, in leven Canonik in ’t Capittel van St. Pieter teUtrecht.Hetzelve heeft eene geschiedkundige vermaardheid verkregen, door dien de Fransche GeneraalLa Fayette, de grondlegger der Amerikaansche vrijheid en onafhankelijkheid, de tijdgenoot van den beroemdenWashington, na zijnen afgelegden staat- en krijgskundigen loopbaan, en zijne bevrijding uit de vestingOlmutz, aldaar gedurende eenige jaren zijn verblijf heeft gehouden, als een andereCincinnatusde raadzaal met den ploegstaart verwisselende;verder voortwandelende bereikt men de in eenen modernen stijl aangelegde Villa, de Monnikenhof genaamd, eenige jaren geleden, bewoonddoor zijne Excellentie den tegenwoordigen Heer Minister van Staat, en Lid van de tweede Kamer der Staten Generaal, Mr.Floris Adriaan van Hall, en thans het eigendom van den HeerW. Roozeboom, Burgemeester der stadVianen.Deze monnikenhof van welke de naam aan geestelijke gestichten vroeger in den omtrek der stad gelegen herinnert, doet zich op eene bevallige wijze aan het oog voor, zoo door de afwisseling van allerlei soort van welig groeijend geboomte, als de schilderachtig gelegene woning te midden van hetzelve.Op eenen geringen afstand van den Monnikenhof ligt de Rietkamp, mede eene bezitting van voornoemden Heer Burgemeester. Hij die zich gaarne verpoost van het vroegere woelige stadsleven, en in stille landtooneelen vermaak schept, die het oog gaarne doet weiden over welige koornakkers, en de bevallige schakering van allerlei soort van graanvelden bemint, zal zich regt gelukkig gevoelen in de lieve woning op den Rietkamp, uit welke hij al die weelde eener vruchtbare natuur kan in oogenschouw nemen, en, paart hij teeder gevoel aan gekuischten smaak, en is hij dichter tevens, dan zal hij met welgevallen de lustwarandendoorkruisen, te midden van welke dezeCottageis gelegen, en denkende aan hetbeatus illevanHoratius, beurtelings den zanger van den veldeling1, de landelijke gedichten van den Duitschen Voss, of de meer verhevene poëzij van den dichter der Jaargetijden2, tot zijne lievelingslektuur maken.Verder de wandeling voortzettende, bereikt men Bentzberg, niet minder smaakvol aangelegd dan de Monnikenhofen den Rietkamp; veel dennen en sparrengeboomte strekt aan deze plaats van uitspanning ten sieraad, en biedt den wandelaar een verkwikkend lommer aan; een sierlijke koepel van fikschen bouwtrant, aan den straatweg gelegen, stelt den eigenaar (den Heer NotarisVan den Berg) en diens gezin in de gelegenheid, om menigen zomerschen dag genoeglijk in denzelven door te brengen.En zouden wij bij onze omwandeling Vijverlust vergeten, die lieve plek gronds, voor vele jaren het eigendom van nu wijlen den Inspecteur Generaal van den Waterstaat, den HeerJan Blanken Jansz. Daarna van deszelfs schoonzoon, den HeerSlooten nu door aankoop de bezitting van den Heer Mr.Boxman, Burgemeester der stadGorinchemen Lid van de eerste Kamer der Staten Generaal; al het bekoorlijke hetwelk eene doelmatig aangebragte afwisseling, van het geen natuur en kunst in zich vereenigen kunnen, oplevert, maakt Vijverlust inderdaad tot een lustoord. Het huis is zeer fraai en biedt aan een talrijk huisgezin al de comforts aan, welke men in zulk eene woning verlangen kan.Maar waar zouden wij eindigen, wanneer wij al die bekoorlijke dreven, te midden van welke wij ons bevinden, en die den omtrek vanVianeninderdaad tot eenThessalieschTempe maken, voorwerpen onzer beschouwingen wilden doen worden; wij zouden daar voor tijds te kort komen; wij bespoedigen alzoo onzen togt, na in het voorbijgaan nog eenen blik te hebben geworpen op het zoo bekoorlijk Vreugdenrijk, wel eer het Tusculum van den geleerdenDe Waal, langs schilderachtig gelegene landhoeven, door lieve laantjes, tusschen beide het oog vestigende, dan eens op in vollenbloei staande vruchtboomen, dan weder op grazige beemden, dan op moestuinen, hunne voortbrengselen in kwistenden overvloed aanbiedende, naar den Ringdijk, eene wijle tijds hebbende stand gehouden, bij de overblijfselen van Amalienstein, vroeger in de geschiedenis als een merkwaardig slot bekend, en waarvan wij de beschrijving hierna zullen doen volgen, ten einde langs dien Ringdijk, dat krachtig bolwerk, tegen de overstroomingen van denLek, weder te geraken tot het punt, van hetwelk wij zijn uitgegaan, steeds onder vernieuwde opwekking van ons gevoel, voor de dagen der verledenheid, hetwelk ons andermaal het aanschouwen van de bouwvallen van het kasteel Batenstein inboezemt en naauwlijks kunnende denken, dat er sints, zoo vele eeuwen verloopen waren, en wij ons niet in de 15deof 16demaar in de 19debevonden.Aan mijnen vriend worde alzoo uitgeleide gedaan, en keere hij terug naar de plaats zijner woning, vroeger ook de mijne, ten einde daar te verhalen, welke zijne gewaarwordingen zijn geweest op den klassieken grond van de Lekstad en diens omtrek. Vaarwel dan waarde T. keer tot uwe haardsteden terug, breng mijne groete over, daar waar dezelve welkom zal zijn, en denk met mij aan de gevoelvolle woorden van den Duitschen dichter:«Und sind wir auch fern von einander,Doch bleiben die Herzen sich nah.»DE OVERBLIJFSELEN VAN HET SLOT AMALIENSTEIN, BUITENVIANEN.Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af te schrijven uit het werk van ProfessorPaulus Voet,Oorspronck, voertganck en daeden der doerluchtige Heerenvan Brederode, uit hetwelk buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele merkwaardigheden omtrent het vroegereVianenbevat.Zie hier de woorden van voornoemden ProfessorPaulus Voet, pag. 110 en volgende.«Na het overlijden vanRaynoudtisHendricksijn sone, de een en twintichste Heerevan Brederodegeworden.......«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne,Aemiliagenaemt, dochter vanGumbert, Grave vanNieuwenaerenenLimborch, uit de Gravinne vanSchouwenburch HolsteinenSteinbergen. DezeAemiliawas uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert soodaenich bemint van haeren man, dat hij ’t haeren gevalle alles zoude gedaen hebben, soo ’t in sijne macht waere geweest. Om haer eenich vermaeck aan te doen,dede buijtenVianenin het Bosch een aengenaem Speelhuijs metselen,Ameliensteijngenaamt. ’t Welk nu ter tijt geset staet midden in een vierkant. Was daer nae bij HeerJohan Wolphaerttot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot bevrijdinge van ’t gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen, en den smaeck wesen kan.«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer aldaer, maer ook het gehoor, door ’t aengenaem gezang van allerleij kleijn gevogelte, ’t welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t’ samen vier in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt, of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen schijnen en de konst van ’t aengenaem leijden, en de natuer omtrent het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten, met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voorPanvluchtende in een biesbosch veranderde.«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden perspectiven van op in rijen gezette boomen die ’t gesichte ten boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden datHendrickleefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de gerustebesittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede te doen tot vermaeck van zijne vrouweAemilia, terwijle dat Godt en de gelegentheijt zulks hun beide gunde.De geleerdeVan ’t Sant, Kostschoolhouder teGorinchemmeldt in zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen, omtrent Amalienstein het navolgende.«Een kwartier uurs ten westen vanVianenin het Vianensche bosch, had de beroemde HeerHendrik van Brederode, welke in 1568 stierf, voor zijne gemalinAmalia van Nieuwenaareen adellijk huis doen bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal, ter vergaderplaats diende, om over het bekendesmeekschriftder Edelen te handelen, dat der Hertoginvan Parmamoest aangeboden worden; doch de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor de zoodanigen, die met waardigepersonen en nuttige inrigtingen inVianengaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding van zoude hebben mogen achter wege laten.

Wanneer een mijner vrienden uit mijne vorige woonplaats mij te kennen gaf, dat hij gaarne onder mijn geleide,Vianenwilde bezoeken, en hij, het zij met de stoomboot uitRotterdam, of de schuit vanUtrecht, teVreeswijkzoude aankomen, zoude ik hem van daar gaan afhalen, en de schipbrug met hem overwandelende, door de buitenstad regt op de Lek-poort aantreden; ik zoude hem eene wijle tijds vóór die poort doen vertoeven, ten einde dezelve met hem in oogenschouw te nemen, ik zoude hem deszelfs merkwaardigen en alouden bouwtrant, als meer dan twee eeuwen tellende, doen opmerken, en, na eenen vlugtigen blik in de stad geworpen, en dezelve, zoo als de latijnen zulks noemen, a limine gegroet te hebben, eenige schreden achteruit treden, als dan den zoogenaamden Ringdijk met hem opgaan, hem, al voortwandelende, de overschoone en schilderachtig gelegene landsdouwen, aan weerszijde van den Lekstroom doen gadeslaan, hem op het in de verte gelegene aloude stadjeIJsselsteinopmerkzaam maken, en hem voorts de torenspitsen van de menigvuldige in de verte gelegene dorpen aanwijzen.

Ik zoude nu verder met hem voortwandelende het gesprekwenden op de Vaderlandsche Geschiedenis, ik zoude den roem vermelden dier uitstekende helden en staatsmannen, die in het midden der vijftiende en het begin der zestiende eeuwen, de eerste, op het veld van eer, als manhafteScipioos, de laatste in de raadsvergaderingen, als welberadeneCatoosvoor vrijheid en vaderland streden en den liebaart ontrolden voor haardsteden en altaren; ik zoude spreken vanFlorisI en II, vanPallant, Graven vanCulemborg, van die vanEgmondenHoorne, vanLalaingenVan den Berg, die voorMargarethaenGranvelleom vrijheid van godsdienst aanhielden en van dien eerstenWillem, die nog bij den laten naneef den naam van den zoo bedachtzamenZwijgervoerende, bij denzelven niet dan met diepen eerbied vermeld wordt; ik zoude met uitbundigen lof uitweiden over de tijdgenooten van die groote mannen en ik zoude met nadruk de namen der Graven vanBrederodenoemen; nu langzaam tot mijn doel naderende, zoude ik, als op het onverwachts met mijnen vriend stand houden voor de Slotpoort, die ter linkerzijde gelegen, voert tot de bouwvallen van het kasteel van Batenstein, weleer het verblijf dier onvertzaagde helden, die nog ten huidigen dage niet zelden door meer dan eenen inwoner vanVianen, die het te schatten weet, wat ook hij aan hen verpligt is, met heilig ontzag genoemd worden.

Treden wij de Slotpoort binnen; wat al Edelen en Ridders, in trotschen wapendosch, door helm en maliënkolder voor het vijandelijk zwaard gedekt, met hunne schildknapenen voetknechten, zijn niet, nu bijna drie eeuwen geleden, op hunne strijdrossen gezeten, die Slotpoort binnen gereden, om dan eens aan gewigtige beraadslagingen deel te nemen, dan weder in de ridderzaal aan het hofbanket den vaderlandschen berkemeier te ledigen.

Wat al Jonkvrouwen, in bevallige amazonendragt, van de valkenjagt terug gekomen, omstuuwd van hofjonkers en valkeniers, met den koninklijken roofvogel op de vuist, deden niet, de toegangen van het kasteel, hunne genetten berijdende, van derzelver hoefslagen weergalmen, om daarna, naar oud-vaderlandschen trant, aan den spinrok te arbeiden, terwijl in nog vroegere eeuwen, VrouwJacobamet harenBorsselebinnen de muren van het adellijk Batenstein, in teedere minnekozerijen verzonken, zich met zang en luitgespeel vermaakten.

Aan weerszijde van den hoofdingang, welke tot hetcorps de logisleidt, ontwaart men nog de nissen, in welke voorzeker de wapentropheën der Edelen, uit schild en pantzer, helm en zwaard te zamen gesteld, waren opgehangen, en die ik minder gaarne wil gepleisterd, dan wel met mosch en klimop begroeid zoude zien.

Verder doorgaande komt men op het terrein, op hetwelk het slot Batenstein is gesticht geweest; van dat slot zijn geene sporen overgebleven, dan alleen, aan weerszijde van het plantsoen, de ruïnen der dikke muren, die nu dat terrein van de lusthoven afscheiden, die aldaar door twee aanzienlijke inwoners vanVianenzijn aangelegd.

Dit plantsoen, aan hetwelk de andersints zoo gevoel-en smaakvolle en voor edele herinneringen aan het dierbaar voorgeslagt, zoo vatbare Viaansche burger, den naam vanBrederodes Boschjehad behooren te geven, is doorgaans eenzaam en verlaten en strekt alleen, ten doorgang, door de Slotpoort, naar het buitenste gedeelte der stad, en het Viaansche bosch, hetwelk zich in eene verre uitgestrektheid verliest, en in onderscheidene fraaije lanen is afgedeeld, waarvan sommige nog namen voeren, die aan de vroegere overmagt der Spanjaarden herinneren.

Onmiddelijk, nadat men door de meergemelde Slotpoort binnenwaarts langs de nissen, van welke vroeger gewaagd is, het plantsoen is genaderd, ontwaart men aan de regterzijde eene van geelen tufsteen gebouwde pomp, die, volgens het opschrift, in het voor de geschiedenis zoo merkwaardige jaar 1648, dat van het sluiten van den Munsterschen vrede, aldaar is opgerigt; twee kuissche stroomgodessen, voorzeker niet door bevalligheid merkwaardig, in half verheven beeldwerk strekken aan dezelve ten sieraad: aan het water, hetwelk deze pomp opgeeft, wordt volgens eene oude overlevering geneeskundige kracht toegeschreven, immers, zoo als de oorkonde luidt, werd dezelve in vroegere dagen door vele lijders bezocht, die in het drinken van deszelfs helder water herstelling voor allerlei kwalen zochten.Martinetnoemt in zijn Vereenigd Nederland, deze pomp als beroemd om haar zuiver water.

Deze pomp stond wel eer door onderaardsche wellen in verband met de streek gronds, onmiddelijk ter regter zijde van het plantsoen gelegen, op welke grond eene volkomene badinrigting moet bestaan hebben, die opzettelijk ten gerieve der lijders door eenen geneesheer bediend werd;—met den besten uitslag konde voorzeker ook in deze dagen op dieplaats een badhuis worden opgerigt; eene onderneming, welke wanneer dezelve van Gouvernementswege ondersteund werd, aan den bloei en welvaart der stadVianenveel zoude kunnen toebrengen; men zoude als dan niet buiten zijn vaderland behoeven te zoeken, hetgeen in hetzelve voorhanden is.

Maar wij gaan verder voort, het plantsoen verlatende komt men op den Korten Dijk, eene straat, die weinig merkwaardigs zoude opleveren, wanneer niet in dezelve de Vrijmetselaars Loge, van welke wij nader zullen gewagen, werd aangetroffen. Den Korten Dijk verlatende, en regts omslaande is men op deVoorstraatgekomen, eene straat, welke voorzeker met vele fraaije straten in de groote steden van ons vaderland kan wedijveren en boven de meesten, als regtlijnig mag geroemd worden. In deze straat bevinden zich vele aanzienlijke huizen, door voortreffelijken bouwtrant uitmuntende, met namen die van den NotarisVan den Berg, den HoogheemraadDupper, den HeerJoan Cambieren JonkvrouweCremer, bij welke met regt mag vermeld worden de fraaije woning van den Heer Mr.H. M. van Eck, in welke het Postkantoor wordt gehouden.

Het eerste openbare gebouw, hetwelk men in de Voorstraat ter linkerzijde ontmoet is het Gemeenelandshuis. Eerbiedwaardig doet hetzelve zich voor, wegens deszelfs antieke bouworde, in gothischen stijl; de wapens van veleaanzienlijkegeslachten van vroegere eeuwen versieren den voorgevel en men treft in dit gebouw vele oudheden aan op de vroegere geschiedenis vanVianenbetrekkelijk, onder anderen eenige antieke schilderijen, welke aan het aloudeVianenen het geslacht derBrederode’sherinneren.

De Burgemeester, benevens deszelfs Assessoren vergaderen hier op gezette tijden, in eene fraaije geregtszaal wordt het regt uitgesproken, steeds indachtig aan de gulden spreuk, welke ook in gouden letteren boven den ingang der buitenhoofddeur pronktaudi alteram partem, in welke spreuk ik ongaarne het woordjeetvergeten zie, en die ik mij veroorloofd heb, aldus te vertalen:

«Wilt gij vonnissen naar recht,Hoor ook wat een ander zegt.»

«Wilt gij vonnissen naar recht,

Hoor ook wat een ander zegt.»

Schuins over het Stadhuis gaat men naar de Roomsch Katholijke kerk, boven den ingang leest men:

in domum domini ibimus.

in domum domini ibimus.

Ik las hier lievereamus in domum domini. De kerk is van eenen zeer fraaijen bouwtrant, en binnen in dezelve is alles doelmatig ingerigt.

Nu gaan wij langs de mede in gothischen stijl gebouwde en door derzelver ouderdom merkwaardige Stads-pomp, de Voorstraat regt door gaande op de Landpoort af, maar vóór dat wij ons buiten dezelve begeven, in de eerste plaats eenen uitstap doende naar de Kerkstraat, ten einde daar het huis van den HeerCambiergade te slaan.

Deze aanzienlijke woning, welke verre zoude zijn, van eene buitenplaats te ontsieren, is te midden van eenen zeer uitgestrekten en wel aangelegden tuin gelegen, van uitstekend boomgewas voorzien; een fraai ijzer hek leidt tot dezelve.

Uit de Kerkstraat terug komende, bevinden wij ons aldadelijk tegenover het Kerkgebouw, aan de viering van de Hervormde Godsdienst toegewijd.

Aan hetzelve mag boven vele van soortgelijken aard in ons vaderland, den voorrang worden toegekend. Een schoone predikstoel, met een welluidend orgel daar boven maken inzonderheid het sieraad uit van dit bedehuis. Men vindt in deze Kerk de marmeren graftombe van HeerReinoud van Brederode, in 1556 teBrusseloverleden. Des Graven overschot is sedert herwaarts overgevoerd en met de eer aan zijnen hoogen rang en bijzondere verdiensten verschuldigd, alhier ter aarde besteld.

Treden wij nu de Landpoort uit; bekoorlijk zijn de ommestreken welke men buiten dezelve aantreft. Al ras staat men eenige schreden voorbij het logement het Zwijnshoofd, ter linkerzijde onwillekeurig stil, voor het fraaije landverblijf, in eigendom bewoond door den HeerJ. J. Cambier, Burgemeester van het naburig dorpHagestein. Dit aanzienlijk gebouw, Buitenlust genaamd, is in den jare 1770 gesticht door den Heer en Mr.Jacob Cambier, in leven Canonik in ’t Capittel van St. Pieter teUtrecht.

Hetzelve heeft eene geschiedkundige vermaardheid verkregen, door dien de Fransche GeneraalLa Fayette, de grondlegger der Amerikaansche vrijheid en onafhankelijkheid, de tijdgenoot van den beroemdenWashington, na zijnen afgelegden staat- en krijgskundigen loopbaan, en zijne bevrijding uit de vestingOlmutz, aldaar gedurende eenige jaren zijn verblijf heeft gehouden, als een andereCincinnatusde raadzaal met den ploegstaart verwisselende;verder voortwandelende bereikt men de in eenen modernen stijl aangelegde Villa, de Monnikenhof genaamd, eenige jaren geleden, bewoonddoor zijne Excellentie den tegenwoordigen Heer Minister van Staat, en Lid van de tweede Kamer der Staten Generaal, Mr.Floris Adriaan van Hall, en thans het eigendom van den HeerW. Roozeboom, Burgemeester der stadVianen.

Deze monnikenhof van welke de naam aan geestelijke gestichten vroeger in den omtrek der stad gelegen herinnert, doet zich op eene bevallige wijze aan het oog voor, zoo door de afwisseling van allerlei soort van welig groeijend geboomte, als de schilderachtig gelegene woning te midden van hetzelve.

Op eenen geringen afstand van den Monnikenhof ligt de Rietkamp, mede eene bezitting van voornoemden Heer Burgemeester. Hij die zich gaarne verpoost van het vroegere woelige stadsleven, en in stille landtooneelen vermaak schept, die het oog gaarne doet weiden over welige koornakkers, en de bevallige schakering van allerlei soort van graanvelden bemint, zal zich regt gelukkig gevoelen in de lieve woning op den Rietkamp, uit welke hij al die weelde eener vruchtbare natuur kan in oogenschouw nemen, en, paart hij teeder gevoel aan gekuischten smaak, en is hij dichter tevens, dan zal hij met welgevallen de lustwarandendoorkruisen, te midden van welke dezeCottageis gelegen, en denkende aan hetbeatus illevanHoratius, beurtelings den zanger van den veldeling1, de landelijke gedichten van den Duitschen Voss, of de meer verhevene poëzij van den dichter der Jaargetijden2, tot zijne lievelingslektuur maken.

Verder de wandeling voortzettende, bereikt men Bentzberg, niet minder smaakvol aangelegd dan de Monnikenhofen den Rietkamp; veel dennen en sparrengeboomte strekt aan deze plaats van uitspanning ten sieraad, en biedt den wandelaar een verkwikkend lommer aan; een sierlijke koepel van fikschen bouwtrant, aan den straatweg gelegen, stelt den eigenaar (den Heer NotarisVan den Berg) en diens gezin in de gelegenheid, om menigen zomerschen dag genoeglijk in denzelven door te brengen.

En zouden wij bij onze omwandeling Vijverlust vergeten, die lieve plek gronds, voor vele jaren het eigendom van nu wijlen den Inspecteur Generaal van den Waterstaat, den HeerJan Blanken Jansz. Daarna van deszelfs schoonzoon, den HeerSlooten nu door aankoop de bezitting van den Heer Mr.Boxman, Burgemeester der stadGorinchemen Lid van de eerste Kamer der Staten Generaal; al het bekoorlijke hetwelk eene doelmatig aangebragte afwisseling, van het geen natuur en kunst in zich vereenigen kunnen, oplevert, maakt Vijverlust inderdaad tot een lustoord. Het huis is zeer fraai en biedt aan een talrijk huisgezin al de comforts aan, welke men in zulk eene woning verlangen kan.

Maar waar zouden wij eindigen, wanneer wij al die bekoorlijke dreven, te midden van welke wij ons bevinden, en die den omtrek vanVianeninderdaad tot eenThessalieschTempe maken, voorwerpen onzer beschouwingen wilden doen worden; wij zouden daar voor tijds te kort komen; wij bespoedigen alzoo onzen togt, na in het voorbijgaan nog eenen blik te hebben geworpen op het zoo bekoorlijk Vreugdenrijk, wel eer het Tusculum van den geleerdenDe Waal, langs schilderachtig gelegene landhoeven, door lieve laantjes, tusschen beide het oog vestigende, dan eens op in vollenbloei staande vruchtboomen, dan weder op grazige beemden, dan op moestuinen, hunne voortbrengselen in kwistenden overvloed aanbiedende, naar den Ringdijk, eene wijle tijds hebbende stand gehouden, bij de overblijfselen van Amalienstein, vroeger in de geschiedenis als een merkwaardig slot bekend, en waarvan wij de beschrijving hierna zullen doen volgen, ten einde langs dien Ringdijk, dat krachtig bolwerk, tegen de overstroomingen van denLek, weder te geraken tot het punt, van hetwelk wij zijn uitgegaan, steeds onder vernieuwde opwekking van ons gevoel, voor de dagen der verledenheid, hetwelk ons andermaal het aanschouwen van de bouwvallen van het kasteel Batenstein inboezemt en naauwlijks kunnende denken, dat er sints, zoo vele eeuwen verloopen waren, en wij ons niet in de 15deof 16demaar in de 19debevonden.

Aan mijnen vriend worde alzoo uitgeleide gedaan, en keere hij terug naar de plaats zijner woning, vroeger ook de mijne, ten einde daar te verhalen, welke zijne gewaarwordingen zijn geweest op den klassieken grond van de Lekstad en diens omtrek. Vaarwel dan waarde T. keer tot uwe haardsteden terug, breng mijne groete over, daar waar dezelve welkom zal zijn, en denk met mij aan de gevoelvolle woorden van den Duitschen dichter:

«Und sind wir auch fern von einander,Doch bleiben die Herzen sich nah.»

«Und sind wir auch fern von einander,

Doch bleiben die Herzen sich nah.»

DE OVERBLIJFSELEN VAN HET SLOT AMALIENSTEIN, BUITENVIANEN.Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af te schrijven uit het werk van ProfessorPaulus Voet,Oorspronck, voertganck en daeden der doerluchtige Heerenvan Brederode, uit hetwelk buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele merkwaardigheden omtrent het vroegereVianenbevat.Zie hier de woorden van voornoemden ProfessorPaulus Voet, pag. 110 en volgende.«Na het overlijden vanRaynoudtisHendricksijn sone, de een en twintichste Heerevan Brederodegeworden.......«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne,Aemiliagenaemt, dochter vanGumbert, Grave vanNieuwenaerenenLimborch, uit de Gravinne vanSchouwenburch HolsteinenSteinbergen. DezeAemiliawas uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert soodaenich bemint van haeren man, dat hij ’t haeren gevalle alles zoude gedaen hebben, soo ’t in sijne macht waere geweest. Om haer eenich vermaeck aan te doen,dede buijtenVianenin het Bosch een aengenaem Speelhuijs metselen,Ameliensteijngenaamt. ’t Welk nu ter tijt geset staet midden in een vierkant. Was daer nae bij HeerJohan Wolphaerttot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot bevrijdinge van ’t gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen, en den smaeck wesen kan.«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer aldaer, maer ook het gehoor, door ’t aengenaem gezang van allerleij kleijn gevogelte, ’t welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t’ samen vier in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt, of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen schijnen en de konst van ’t aengenaem leijden, en de natuer omtrent het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten, met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voorPanvluchtende in een biesbosch veranderde.«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden perspectiven van op in rijen gezette boomen die ’t gesichte ten boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden datHendrickleefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de gerustebesittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede te doen tot vermaeck van zijne vrouweAemilia, terwijle dat Godt en de gelegentheijt zulks hun beide gunde.De geleerdeVan ’t Sant, Kostschoolhouder teGorinchemmeldt in zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen, omtrent Amalienstein het navolgende.«Een kwartier uurs ten westen vanVianenin het Vianensche bosch, had de beroemde HeerHendrik van Brederode, welke in 1568 stierf, voor zijne gemalinAmalia van Nieuwenaareen adellijk huis doen bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal, ter vergaderplaats diende, om over het bekendesmeekschriftder Edelen te handelen, dat der Hertoginvan Parmamoest aangeboden worden; doch de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor de zoodanigen, die met waardigepersonen en nuttige inrigtingen inVianengaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding van zoude hebben mogen achter wege laten.

DE OVERBLIJFSELEN VAN HET SLOT AMALIENSTEIN, BUITENVIANEN.

Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af te schrijven uit het werk van ProfessorPaulus Voet,Oorspronck, voertganck en daeden der doerluchtige Heerenvan Brederode, uit hetwelk buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele merkwaardigheden omtrent het vroegereVianenbevat.Zie hier de woorden van voornoemden ProfessorPaulus Voet, pag. 110 en volgende.«Na het overlijden vanRaynoudtisHendricksijn sone, de een en twintichste Heerevan Brederodegeworden.......«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne,Aemiliagenaemt, dochter vanGumbert, Grave vanNieuwenaerenenLimborch, uit de Gravinne vanSchouwenburch HolsteinenSteinbergen. DezeAemiliawas uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert soodaenich bemint van haeren man, dat hij ’t haeren gevalle alles zoude gedaen hebben, soo ’t in sijne macht waere geweest. Om haer eenich vermaeck aan te doen,dede buijtenVianenin het Bosch een aengenaem Speelhuijs metselen,Ameliensteijngenaamt. ’t Welk nu ter tijt geset staet midden in een vierkant. Was daer nae bij HeerJohan Wolphaerttot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot bevrijdinge van ’t gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen, en den smaeck wesen kan.«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer aldaer, maer ook het gehoor, door ’t aengenaem gezang van allerleij kleijn gevogelte, ’t welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t’ samen vier in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt, of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen schijnen en de konst van ’t aengenaem leijden, en de natuer omtrent het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten, met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voorPanvluchtende in een biesbosch veranderde.«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden perspectiven van op in rijen gezette boomen die ’t gesichte ten boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden datHendrickleefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de gerustebesittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede te doen tot vermaeck van zijne vrouweAemilia, terwijle dat Godt en de gelegentheijt zulks hun beide gunde.De geleerdeVan ’t Sant, Kostschoolhouder teGorinchemmeldt in zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen, omtrent Amalienstein het navolgende.«Een kwartier uurs ten westen vanVianenin het Vianensche bosch, had de beroemde HeerHendrik van Brederode, welke in 1568 stierf, voor zijne gemalinAmalia van Nieuwenaareen adellijk huis doen bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal, ter vergaderplaats diende, om over het bekendesmeekschriftder Edelen te handelen, dat der Hertoginvan Parmamoest aangeboden worden; doch de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor de zoodanigen, die met waardigepersonen en nuttige inrigtingen inVianengaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding van zoude hebben mogen achter wege laten.

Alzoo het slot Amalienstein een hoogst belangrijk punt in de Vaderlandsche Geschiedenis oplevert, en men toch, ten einde van hetzelve eene naauwkeurige beschrijving te geven, tot vroegere oïrkonden zijne toevlugt moet nemen, komt het mij het meest doelmatig voor, al het geen tot dat slot betrekking heeft, woordelijk af te schrijven uit het werk van ProfessorPaulus Voet,Oorspronck, voertganck en daeden der doerluchtige Heerenvan Brederode, uit hetwelk buitendien, aan het einde van dit mijn vlugschrift een uittreksel aan den goedgunstigen lezer zal worden aangeboden, hetwelk vele merkwaardigheden omtrent het vroegereVianenbevat.

Zie hier de woorden van voornoemden ProfessorPaulus Voet, pag. 110 en volgende.

«Na het overlijden vanRaynoudtisHendricksijn sone, de een en twintichste Heerevan Brederodegeworden.......

«Nam sich ten wijve eene uitmuntende Gravinne,Aemiliagenaemt, dochter vanGumbert, Grave vanNieuwenaerenenLimborch, uit de Gravinne vanSchouwenburch HolsteinenSteinbergen. DezeAemiliawas uit-ter-maeten Godvruchtich, die oock in alle voorvallende gelegentheden van tegenspoet haer stantvastich heeft gedraegen. Wiert soodaenich bemint van haeren man, dat hij ’t haeren gevalle alles zoude gedaen hebben, soo ’t in sijne macht waere geweest. Om haer eenich vermaeck aan te doen,dede buijtenVianenin het Bosch een aengenaem Speelhuijs metselen,Ameliensteijngenaamt. ’t Welk nu ter tijt geset staet midden in een vierkant. Was daer nae bij HeerJohan Wolphaerttot eenen Lust-hof bequaem gemaeckt, en met een graft omcingelt tot bevrijdinge van ’t gewas, brengt voort wat aengenaem voor de oogen, en den smaeck wesen kan.

«Niet alleene deze twee voornoemde uijtterlijcke sinnen verlusten haer aldaer, maer ook het gehoor, door ’t aengenaem gezang van allerleij kleijn gevogelte, ’t welk sich daer omtrent in het Bosch onthout.

«Desen Hof heeft in elck sijner hoecken een prieel, t’ samen vier in getaele, als soo vele Bolwerken daer gestelt tot bevrijding der ongelegentheden, die en de onstuijmige wind, of de vochticheijt, of de sonnenstralen, den menschen aenbrengen. In deze prieelen schijnen en de konst van ’t aengenaem leijden, en de natuer omtrent het wasschen van verscheijdene groenten, door den anderen gevlochten, met den anderen te willen strijden. In den inganck des hofs speelt het gesicht op de geschilderde fabel van de nimphe, die voorPanvluchtende in een biesbosch veranderde.

«Werwaerts men sich keert, daar vertoonen haer verscheijden perspectiven van op in rijen gezette boomen die ’t gesichte ten boswaert ingeleijt door de duijstere schaduwe stuijten. En was dit Speelhuijs, daer van ick gewach hebbe gemaeckt, ten tijden datHendrickleefde seer aerdich gemetselt, en soude apparent den hof mede deze vorverhaalde aerdicheden gehad hebben, indien de gerustebesittinghe aen Hendrik sulx toegelaeten hadde. Als die alles trachtede te doen tot vermaeck van zijne vrouweAemilia, terwijle dat Godt en de gelegentheijt zulks hun beide gunde.

De geleerdeVan ’t Sant, Kostschoolhouder teGorinchemmeldt in zijne Beschrijving van den Alblasserwaard en de Vijf-Heeren Landen, omtrent Amalienstein het navolgende.

«Een kwartier uurs ten westen vanVianenin het Vianensche bosch, had de beroemde HeerHendrik van Brederode, welke in 1568 stierf, voor zijne gemalinAmalia van Nieuwenaareen adellijk huis doen bouwen, hetwelk hij naar haren naam Amalienstein deed noemen. Het was een fraai gebouw, rondom in Vijvers gelegen; welks ridderzaal, ter vergaderplaats diende, om over het bekendesmeekschriftder Edelen te handelen, dat der Hertoginvan Parmamoest aangeboden worden; doch de verwoestende hand des tijds niet kunnende ontgaan, werd het mede in de vorige eeuw gesloopt, zoodat van hetzelve niet meer aanwezig is.

Tot dus verre Amalienstein. Ik had intusschen ook nog aan mijnen vriend, al terug wandelende beloofd, hem al dat geen te zullen mededeelen, hetwelk belangrijk zoude kunnen worden geacht voor de zoodanigen, die met waardigepersonen en nuttige inrigtingen inVianengaarne bekend werden en gaf hem, alzoo ten dien einde de navolgende beschouwingen in afdeeling III vervat, mede, bij welke ik voorts als eene toegift voegde eene beschrijving van de begraafplaats Sparrendreef, in vroegere dagen door mij opgemaakt, de tijd toch had ons bij onzen uitstap ontbroken, die begraafplaats in oogenschouw te nemen, en dezelve was te belangrijk, dan dat men er de vermelding van zoude hebben mogen achter wege laten.

1Delille.2Thomson.

1Delille.

2Thomson.


Back to IndexNext