II.

II.DE BEGRAAFPLAATS.Den Gottesacker will ich mirZum liebsten Ort erwählen.Toen ik onlangs in diepe mijmering verzonken, ronddwaalde in de omstreken der stad, bragt mij mijne wandeling onverwacht in de nabijheid der Begraafplaats.Ik trad de laan binnen, die tot dezelve leidt: met heiligen eerbied naderde ik, en als van zelve kwamen mij de woorden van een der Evangelische gezangen in de gedachten:Stille rustplaats van Gods dooden’k Denk aan u met zoete vreugd,Eindpaal van verdriet en noodenRustplaats na den strijd der deugd.Zouden wij voor ’t sterven beven,Sidd’ren voor den jongsten nood?Jezus liet voor ons het leven—Jezus overwon den dood.Ik dacht aan de dagen mijner jeugd, toen ik in het bevallig gelegen Oostfriesche stadjeAurichverblijf houdende,menigmaal, bij het vallen van den avond ter poorte uittrad, en mijne schreden naar den Gottesacker rigtte.Den Gottes-acker! hoe eigenaartig en gevoelvol uitgedrukt! ja de Duitschers verstaan dit volkomen.—Boven den hoofdingang leest men deze woorden:«Hier ruhen sie, und sind in friedenUnd leben ewig sorgenlos.»Men gevoelt zich alzoo reeds in eene eerbiedige stemming, vóór dat men door de arkaden den doodenhof is binnengetreden; deze stemming was dan ook steeds de mijne en werd verhoogd, wanneer ik mij op de begraafplaats zelve bevond.Eenvoudig, maar smaakvol is haar aanleg; hier en ginds een boschje, in hetwelk een gedenkteeken verscholen ligt, dan weder heuvelachtig aangebragte gronden, met graszoden overdekt en op dezelve in schuinsche rigting, en bevallige onevenredigheid, grafzerken, met opschriften, die tot het hart spreken en een onafgebrokenmemento moriopleveren, dan sarcophagen, obelisken, half gebroken kolommen, als overblijfselen van eenen bouwval, tusschen beide treurwilgen en cypressen, door zacht ruischende abeelen afgewisseld, in één woord, alles wat, onder symbolische teekenen, aan dood en graf, aan opstanding en eeuwigheid herinnert.Plegtig is steeds aan dezen heiligen oord de omwandeling der treurenden: hier ontmoet men eenen verlaten echtgenoot in diep gepeins verzonken en tranen stortende bij de grafstede eener innig geliefde gade, ginds bevallige knaapjes, de veldviooltjes en madeliefjes en het zoo eenvoudig schoone vergeet-mij-nietje, vroeger op der ouderen graf door hengeplant, met het water uit een naburig beekje drenkende, en in gedachteloos kinderspel den vlinder willende verschalken, die op een der lieve bloempjes neergestreken, van daar naar het verblijf der gezaligden deszelfs vlugt scheen te willen nemen; elders eene diep bedroefde weduwe in zacht wegsmeltende toonen eene hymne aanheffende, nabij den lijksteen eens ontslapenen echtvriends.En op eenen afstand van al dezen rouw, van al die tranen, als op den achtergrond, de doodgraver ijverig bezig met het delven van eenen grafkuil en ons doende denken aan het treffend lied van den gevoelvollenHölty:«Grabe, Spade, GrabeAlles was ich habeDank ich Spade dir.»«Reich und arme LeuteWerden meine BeuteKommen einst zu mir.»Dat ik vervuld met deze herinneringen ook droevig aangedaan, den Sparrendreef binnen trad, spreekt van zelve; ook daar betreuren nu en dan gevoelige harten, in diepen weemoed, hunne geliefde dooden, ook daar zijn gedenkteekenen opgerigt, die van achting en eerbied voor dierbare ontslapenen getuigen; daar onder dat altijd groenend sparrenlover slapen aanzienlijken en geringen den doodslaap, derwaards gaat menigmaal ter beêvaart een geacht geneesheer en betreurt daar met zijne kinderen eene dierbare echtgenoot en moeder, daar worden nog ten huidigen dage door naastbestaanden en vrienden tranen gestort op de graven van dierbare betrekkingen,daar bragt een eerbiedwaardig inwoner der stad, diep gebukt, doch christelijk gelaten tevens onder den ramp, die hem trof, op eenen en denzelfden dag, twee hartelijk beminde dochteren ten grave, die op dien akker der dooden den dag des oogstes verbeiden. En koud is naauwlijks de aarde, die, nog maar luttel tijds geleden, tot eenen grafterp gevormd werd, die het dierbaar overschot dekt eener teedere maagd, weleer de vreugde en hoop eener nu rouwdragende moeder. Gewis zullen eerbiedige berusting in Gods wil, en onderwerping aan den altijd wijzen raad des Heeren, de tranen droogen dier edele vrouwe, die ook door vroegere wegen van beproeving gelouterd, steeds Gode wist te zwijgen en ook nu den lijdenskelk, haar door Gods vaderhand toegereikt, zal weten te drinken.Gewis zal zij ook nu troost vinden, daar waar dezelve alleen te vinden is; het dierbaar evangelie zal haar die troost weten te schenken.Zalige troost voorzeker, inzonderheid dan, wanneer eene treurende moeder als deze, uit de volheid haars harten haar kind de woorden kan toezingen, die vroeger een onzer zoo smaak- als gevoelvolle dichters1gezongen heeft«Nu, daar van aardsche kluisters vrij,Uw ziel in blanke lichtkleedij,De hallels stemt met de Eng’lenscharen,Zal ’s Vaders ééngeboren Zoon,Uw kinderlijk geloof ten loon,U ’t hemelsch Kanaan openbaren,En als het laatst bazuingeschalDe dooden voor zijn zetel zalVergaad’ren tot het jongst gerichteZult gij, met neêrgebogen kniën,Hem, d’ eerstling uit de dooden zien,Van aangezicht tot aangezichte.»Maar waartoe hier als uitsluitend van dooden uit den aanzienlijken stand gewaagd? Rusten dan ook niet onder gindsche pijnboomen vele geringen, die op deze aarde onopgemerkt waren, maar onder welke voorzeker ook vele brave, vele deugdzame, vele godvreezende gevonden worden, of zullen ook deze niet te gelijk met hen, die in hun leven met het ridderkruis versierd waren, verschijnen voor den throon van den onzienlijken, voor dien throon, voor welken gene geslachtwapenen, noch brieven van adeldom, maar alleen braafheid en deugd gelden.Ik mag Sparrendreef niet verlaten, zonder eenen krans van cypressenloof te hebben nedergelegd op het graf vanChristiaan Swaving, die gedurende zoo vele jaren, als kundig arts, aan zoo vele lijders hulp heeft toegebragt, vanSwavingte vroeg aan de maatschappij en aan zijn talrijk huisgezin onttrokken; maar het voegt ons niet, de wegen der Voorzienigheid te berispen; God nam hem weg, zijn einde was vrede: zacht ruste zijne assche! Steeds herinneren zich zijner zijne nagelatene betrekkingen en noemen liefdevol den naam van hunnen echtgenoot en vader.1Lesturgeon.

II.DE BEGRAAFPLAATS.Den Gottesacker will ich mirZum liebsten Ort erwählen.Toen ik onlangs in diepe mijmering verzonken, ronddwaalde in de omstreken der stad, bragt mij mijne wandeling onverwacht in de nabijheid der Begraafplaats.Ik trad de laan binnen, die tot dezelve leidt: met heiligen eerbied naderde ik, en als van zelve kwamen mij de woorden van een der Evangelische gezangen in de gedachten:Stille rustplaats van Gods dooden’k Denk aan u met zoete vreugd,Eindpaal van verdriet en noodenRustplaats na den strijd der deugd.Zouden wij voor ’t sterven beven,Sidd’ren voor den jongsten nood?Jezus liet voor ons het leven—Jezus overwon den dood.Ik dacht aan de dagen mijner jeugd, toen ik in het bevallig gelegen Oostfriesche stadjeAurichverblijf houdende,menigmaal, bij het vallen van den avond ter poorte uittrad, en mijne schreden naar den Gottesacker rigtte.Den Gottes-acker! hoe eigenaartig en gevoelvol uitgedrukt! ja de Duitschers verstaan dit volkomen.—Boven den hoofdingang leest men deze woorden:«Hier ruhen sie, und sind in friedenUnd leben ewig sorgenlos.»Men gevoelt zich alzoo reeds in eene eerbiedige stemming, vóór dat men door de arkaden den doodenhof is binnengetreden; deze stemming was dan ook steeds de mijne en werd verhoogd, wanneer ik mij op de begraafplaats zelve bevond.Eenvoudig, maar smaakvol is haar aanleg; hier en ginds een boschje, in hetwelk een gedenkteeken verscholen ligt, dan weder heuvelachtig aangebragte gronden, met graszoden overdekt en op dezelve in schuinsche rigting, en bevallige onevenredigheid, grafzerken, met opschriften, die tot het hart spreken en een onafgebrokenmemento moriopleveren, dan sarcophagen, obelisken, half gebroken kolommen, als overblijfselen van eenen bouwval, tusschen beide treurwilgen en cypressen, door zacht ruischende abeelen afgewisseld, in één woord, alles wat, onder symbolische teekenen, aan dood en graf, aan opstanding en eeuwigheid herinnert.Plegtig is steeds aan dezen heiligen oord de omwandeling der treurenden: hier ontmoet men eenen verlaten echtgenoot in diep gepeins verzonken en tranen stortende bij de grafstede eener innig geliefde gade, ginds bevallige knaapjes, de veldviooltjes en madeliefjes en het zoo eenvoudig schoone vergeet-mij-nietje, vroeger op der ouderen graf door hengeplant, met het water uit een naburig beekje drenkende, en in gedachteloos kinderspel den vlinder willende verschalken, die op een der lieve bloempjes neergestreken, van daar naar het verblijf der gezaligden deszelfs vlugt scheen te willen nemen; elders eene diep bedroefde weduwe in zacht wegsmeltende toonen eene hymne aanheffende, nabij den lijksteen eens ontslapenen echtvriends.En op eenen afstand van al dezen rouw, van al die tranen, als op den achtergrond, de doodgraver ijverig bezig met het delven van eenen grafkuil en ons doende denken aan het treffend lied van den gevoelvollenHölty:«Grabe, Spade, GrabeAlles was ich habeDank ich Spade dir.»«Reich und arme LeuteWerden meine BeuteKommen einst zu mir.»Dat ik vervuld met deze herinneringen ook droevig aangedaan, den Sparrendreef binnen trad, spreekt van zelve; ook daar betreuren nu en dan gevoelige harten, in diepen weemoed, hunne geliefde dooden, ook daar zijn gedenkteekenen opgerigt, die van achting en eerbied voor dierbare ontslapenen getuigen; daar onder dat altijd groenend sparrenlover slapen aanzienlijken en geringen den doodslaap, derwaards gaat menigmaal ter beêvaart een geacht geneesheer en betreurt daar met zijne kinderen eene dierbare echtgenoot en moeder, daar worden nog ten huidigen dage door naastbestaanden en vrienden tranen gestort op de graven van dierbare betrekkingen,daar bragt een eerbiedwaardig inwoner der stad, diep gebukt, doch christelijk gelaten tevens onder den ramp, die hem trof, op eenen en denzelfden dag, twee hartelijk beminde dochteren ten grave, die op dien akker der dooden den dag des oogstes verbeiden. En koud is naauwlijks de aarde, die, nog maar luttel tijds geleden, tot eenen grafterp gevormd werd, die het dierbaar overschot dekt eener teedere maagd, weleer de vreugde en hoop eener nu rouwdragende moeder. Gewis zullen eerbiedige berusting in Gods wil, en onderwerping aan den altijd wijzen raad des Heeren, de tranen droogen dier edele vrouwe, die ook door vroegere wegen van beproeving gelouterd, steeds Gode wist te zwijgen en ook nu den lijdenskelk, haar door Gods vaderhand toegereikt, zal weten te drinken.Gewis zal zij ook nu troost vinden, daar waar dezelve alleen te vinden is; het dierbaar evangelie zal haar die troost weten te schenken.Zalige troost voorzeker, inzonderheid dan, wanneer eene treurende moeder als deze, uit de volheid haars harten haar kind de woorden kan toezingen, die vroeger een onzer zoo smaak- als gevoelvolle dichters1gezongen heeft«Nu, daar van aardsche kluisters vrij,Uw ziel in blanke lichtkleedij,De hallels stemt met de Eng’lenscharen,Zal ’s Vaders ééngeboren Zoon,Uw kinderlijk geloof ten loon,U ’t hemelsch Kanaan openbaren,En als het laatst bazuingeschalDe dooden voor zijn zetel zalVergaad’ren tot het jongst gerichteZult gij, met neêrgebogen kniën,Hem, d’ eerstling uit de dooden zien,Van aangezicht tot aangezichte.»Maar waartoe hier als uitsluitend van dooden uit den aanzienlijken stand gewaagd? Rusten dan ook niet onder gindsche pijnboomen vele geringen, die op deze aarde onopgemerkt waren, maar onder welke voorzeker ook vele brave, vele deugdzame, vele godvreezende gevonden worden, of zullen ook deze niet te gelijk met hen, die in hun leven met het ridderkruis versierd waren, verschijnen voor den throon van den onzienlijken, voor dien throon, voor welken gene geslachtwapenen, noch brieven van adeldom, maar alleen braafheid en deugd gelden.Ik mag Sparrendreef niet verlaten, zonder eenen krans van cypressenloof te hebben nedergelegd op het graf vanChristiaan Swaving, die gedurende zoo vele jaren, als kundig arts, aan zoo vele lijders hulp heeft toegebragt, vanSwavingte vroeg aan de maatschappij en aan zijn talrijk huisgezin onttrokken; maar het voegt ons niet, de wegen der Voorzienigheid te berispen; God nam hem weg, zijn einde was vrede: zacht ruste zijne assche! Steeds herinneren zich zijner zijne nagelatene betrekkingen en noemen liefdevol den naam van hunnen echtgenoot en vader.1Lesturgeon.

II.DE BEGRAAFPLAATS.Den Gottesacker will ich mirZum liebsten Ort erwählen.

Den Gottesacker will ich mirZum liebsten Ort erwählen.

Den Gottesacker will ich mir

Zum liebsten Ort erwählen.

Toen ik onlangs in diepe mijmering verzonken, ronddwaalde in de omstreken der stad, bragt mij mijne wandeling onverwacht in de nabijheid der Begraafplaats.Ik trad de laan binnen, die tot dezelve leidt: met heiligen eerbied naderde ik, en als van zelve kwamen mij de woorden van een der Evangelische gezangen in de gedachten:Stille rustplaats van Gods dooden’k Denk aan u met zoete vreugd,Eindpaal van verdriet en noodenRustplaats na den strijd der deugd.Zouden wij voor ’t sterven beven,Sidd’ren voor den jongsten nood?Jezus liet voor ons het leven—Jezus overwon den dood.Ik dacht aan de dagen mijner jeugd, toen ik in het bevallig gelegen Oostfriesche stadjeAurichverblijf houdende,menigmaal, bij het vallen van den avond ter poorte uittrad, en mijne schreden naar den Gottesacker rigtte.Den Gottes-acker! hoe eigenaartig en gevoelvol uitgedrukt! ja de Duitschers verstaan dit volkomen.—Boven den hoofdingang leest men deze woorden:«Hier ruhen sie, und sind in friedenUnd leben ewig sorgenlos.»Men gevoelt zich alzoo reeds in eene eerbiedige stemming, vóór dat men door de arkaden den doodenhof is binnengetreden; deze stemming was dan ook steeds de mijne en werd verhoogd, wanneer ik mij op de begraafplaats zelve bevond.Eenvoudig, maar smaakvol is haar aanleg; hier en ginds een boschje, in hetwelk een gedenkteeken verscholen ligt, dan weder heuvelachtig aangebragte gronden, met graszoden overdekt en op dezelve in schuinsche rigting, en bevallige onevenredigheid, grafzerken, met opschriften, die tot het hart spreken en een onafgebrokenmemento moriopleveren, dan sarcophagen, obelisken, half gebroken kolommen, als overblijfselen van eenen bouwval, tusschen beide treurwilgen en cypressen, door zacht ruischende abeelen afgewisseld, in één woord, alles wat, onder symbolische teekenen, aan dood en graf, aan opstanding en eeuwigheid herinnert.Plegtig is steeds aan dezen heiligen oord de omwandeling der treurenden: hier ontmoet men eenen verlaten echtgenoot in diep gepeins verzonken en tranen stortende bij de grafstede eener innig geliefde gade, ginds bevallige knaapjes, de veldviooltjes en madeliefjes en het zoo eenvoudig schoone vergeet-mij-nietje, vroeger op der ouderen graf door hengeplant, met het water uit een naburig beekje drenkende, en in gedachteloos kinderspel den vlinder willende verschalken, die op een der lieve bloempjes neergestreken, van daar naar het verblijf der gezaligden deszelfs vlugt scheen te willen nemen; elders eene diep bedroefde weduwe in zacht wegsmeltende toonen eene hymne aanheffende, nabij den lijksteen eens ontslapenen echtvriends.En op eenen afstand van al dezen rouw, van al die tranen, als op den achtergrond, de doodgraver ijverig bezig met het delven van eenen grafkuil en ons doende denken aan het treffend lied van den gevoelvollenHölty:«Grabe, Spade, GrabeAlles was ich habeDank ich Spade dir.»«Reich und arme LeuteWerden meine BeuteKommen einst zu mir.»Dat ik vervuld met deze herinneringen ook droevig aangedaan, den Sparrendreef binnen trad, spreekt van zelve; ook daar betreuren nu en dan gevoelige harten, in diepen weemoed, hunne geliefde dooden, ook daar zijn gedenkteekenen opgerigt, die van achting en eerbied voor dierbare ontslapenen getuigen; daar onder dat altijd groenend sparrenlover slapen aanzienlijken en geringen den doodslaap, derwaards gaat menigmaal ter beêvaart een geacht geneesheer en betreurt daar met zijne kinderen eene dierbare echtgenoot en moeder, daar worden nog ten huidigen dage door naastbestaanden en vrienden tranen gestort op de graven van dierbare betrekkingen,daar bragt een eerbiedwaardig inwoner der stad, diep gebukt, doch christelijk gelaten tevens onder den ramp, die hem trof, op eenen en denzelfden dag, twee hartelijk beminde dochteren ten grave, die op dien akker der dooden den dag des oogstes verbeiden. En koud is naauwlijks de aarde, die, nog maar luttel tijds geleden, tot eenen grafterp gevormd werd, die het dierbaar overschot dekt eener teedere maagd, weleer de vreugde en hoop eener nu rouwdragende moeder. Gewis zullen eerbiedige berusting in Gods wil, en onderwerping aan den altijd wijzen raad des Heeren, de tranen droogen dier edele vrouwe, die ook door vroegere wegen van beproeving gelouterd, steeds Gode wist te zwijgen en ook nu den lijdenskelk, haar door Gods vaderhand toegereikt, zal weten te drinken.Gewis zal zij ook nu troost vinden, daar waar dezelve alleen te vinden is; het dierbaar evangelie zal haar die troost weten te schenken.Zalige troost voorzeker, inzonderheid dan, wanneer eene treurende moeder als deze, uit de volheid haars harten haar kind de woorden kan toezingen, die vroeger een onzer zoo smaak- als gevoelvolle dichters1gezongen heeft«Nu, daar van aardsche kluisters vrij,Uw ziel in blanke lichtkleedij,De hallels stemt met de Eng’lenscharen,Zal ’s Vaders ééngeboren Zoon,Uw kinderlijk geloof ten loon,U ’t hemelsch Kanaan openbaren,En als het laatst bazuingeschalDe dooden voor zijn zetel zalVergaad’ren tot het jongst gerichteZult gij, met neêrgebogen kniën,Hem, d’ eerstling uit de dooden zien,Van aangezicht tot aangezichte.»Maar waartoe hier als uitsluitend van dooden uit den aanzienlijken stand gewaagd? Rusten dan ook niet onder gindsche pijnboomen vele geringen, die op deze aarde onopgemerkt waren, maar onder welke voorzeker ook vele brave, vele deugdzame, vele godvreezende gevonden worden, of zullen ook deze niet te gelijk met hen, die in hun leven met het ridderkruis versierd waren, verschijnen voor den throon van den onzienlijken, voor dien throon, voor welken gene geslachtwapenen, noch brieven van adeldom, maar alleen braafheid en deugd gelden.Ik mag Sparrendreef niet verlaten, zonder eenen krans van cypressenloof te hebben nedergelegd op het graf vanChristiaan Swaving, die gedurende zoo vele jaren, als kundig arts, aan zoo vele lijders hulp heeft toegebragt, vanSwavingte vroeg aan de maatschappij en aan zijn talrijk huisgezin onttrokken; maar het voegt ons niet, de wegen der Voorzienigheid te berispen; God nam hem weg, zijn einde was vrede: zacht ruste zijne assche! Steeds herinneren zich zijner zijne nagelatene betrekkingen en noemen liefdevol den naam van hunnen echtgenoot en vader.

Toen ik onlangs in diepe mijmering verzonken, ronddwaalde in de omstreken der stad, bragt mij mijne wandeling onverwacht in de nabijheid der Begraafplaats.

Ik trad de laan binnen, die tot dezelve leidt: met heiligen eerbied naderde ik, en als van zelve kwamen mij de woorden van een der Evangelische gezangen in de gedachten:

Stille rustplaats van Gods dooden’k Denk aan u met zoete vreugd,Eindpaal van verdriet en noodenRustplaats na den strijd der deugd.Zouden wij voor ’t sterven beven,Sidd’ren voor den jongsten nood?Jezus liet voor ons het leven—Jezus overwon den dood.

Stille rustplaats van Gods dooden

’k Denk aan u met zoete vreugd,

Eindpaal van verdriet en nooden

Rustplaats na den strijd der deugd.

Zouden wij voor ’t sterven beven,

Sidd’ren voor den jongsten nood?

Jezus liet voor ons het leven—

Jezus overwon den dood.

Ik dacht aan de dagen mijner jeugd, toen ik in het bevallig gelegen Oostfriesche stadjeAurichverblijf houdende,menigmaal, bij het vallen van den avond ter poorte uittrad, en mijne schreden naar den Gottesacker rigtte.

Den Gottes-acker! hoe eigenaartig en gevoelvol uitgedrukt! ja de Duitschers verstaan dit volkomen.—Boven den hoofdingang leest men deze woorden:

«Hier ruhen sie, und sind in friedenUnd leben ewig sorgenlos.»

«Hier ruhen sie, und sind in frieden

Und leben ewig sorgenlos.»

Men gevoelt zich alzoo reeds in eene eerbiedige stemming, vóór dat men door de arkaden den doodenhof is binnengetreden; deze stemming was dan ook steeds de mijne en werd verhoogd, wanneer ik mij op de begraafplaats zelve bevond.

Eenvoudig, maar smaakvol is haar aanleg; hier en ginds een boschje, in hetwelk een gedenkteeken verscholen ligt, dan weder heuvelachtig aangebragte gronden, met graszoden overdekt en op dezelve in schuinsche rigting, en bevallige onevenredigheid, grafzerken, met opschriften, die tot het hart spreken en een onafgebrokenmemento moriopleveren, dan sarcophagen, obelisken, half gebroken kolommen, als overblijfselen van eenen bouwval, tusschen beide treurwilgen en cypressen, door zacht ruischende abeelen afgewisseld, in één woord, alles wat, onder symbolische teekenen, aan dood en graf, aan opstanding en eeuwigheid herinnert.

Plegtig is steeds aan dezen heiligen oord de omwandeling der treurenden: hier ontmoet men eenen verlaten echtgenoot in diep gepeins verzonken en tranen stortende bij de grafstede eener innig geliefde gade, ginds bevallige knaapjes, de veldviooltjes en madeliefjes en het zoo eenvoudig schoone vergeet-mij-nietje, vroeger op der ouderen graf door hengeplant, met het water uit een naburig beekje drenkende, en in gedachteloos kinderspel den vlinder willende verschalken, die op een der lieve bloempjes neergestreken, van daar naar het verblijf der gezaligden deszelfs vlugt scheen te willen nemen; elders eene diep bedroefde weduwe in zacht wegsmeltende toonen eene hymne aanheffende, nabij den lijksteen eens ontslapenen echtvriends.

En op eenen afstand van al dezen rouw, van al die tranen, als op den achtergrond, de doodgraver ijverig bezig met het delven van eenen grafkuil en ons doende denken aan het treffend lied van den gevoelvollenHölty:

«Grabe, Spade, GrabeAlles was ich habeDank ich Spade dir.»«Reich und arme LeuteWerden meine BeuteKommen einst zu mir.»

«Grabe, Spade, GrabeAlles was ich habeDank ich Spade dir.»

«Grabe, Spade, Grabe

Alles was ich habe

Dank ich Spade dir.»

«Reich und arme LeuteWerden meine BeuteKommen einst zu mir.»

«Reich und arme Leute

Werden meine Beute

Kommen einst zu mir.»

Dat ik vervuld met deze herinneringen ook droevig aangedaan, den Sparrendreef binnen trad, spreekt van zelve; ook daar betreuren nu en dan gevoelige harten, in diepen weemoed, hunne geliefde dooden, ook daar zijn gedenkteekenen opgerigt, die van achting en eerbied voor dierbare ontslapenen getuigen; daar onder dat altijd groenend sparrenlover slapen aanzienlijken en geringen den doodslaap, derwaards gaat menigmaal ter beêvaart een geacht geneesheer en betreurt daar met zijne kinderen eene dierbare echtgenoot en moeder, daar worden nog ten huidigen dage door naastbestaanden en vrienden tranen gestort op de graven van dierbare betrekkingen,daar bragt een eerbiedwaardig inwoner der stad, diep gebukt, doch christelijk gelaten tevens onder den ramp, die hem trof, op eenen en denzelfden dag, twee hartelijk beminde dochteren ten grave, die op dien akker der dooden den dag des oogstes verbeiden. En koud is naauwlijks de aarde, die, nog maar luttel tijds geleden, tot eenen grafterp gevormd werd, die het dierbaar overschot dekt eener teedere maagd, weleer de vreugde en hoop eener nu rouwdragende moeder. Gewis zullen eerbiedige berusting in Gods wil, en onderwerping aan den altijd wijzen raad des Heeren, de tranen droogen dier edele vrouwe, die ook door vroegere wegen van beproeving gelouterd, steeds Gode wist te zwijgen en ook nu den lijdenskelk, haar door Gods vaderhand toegereikt, zal weten te drinken.

Gewis zal zij ook nu troost vinden, daar waar dezelve alleen te vinden is; het dierbaar evangelie zal haar die troost weten te schenken.

Zalige troost voorzeker, inzonderheid dan, wanneer eene treurende moeder als deze, uit de volheid haars harten haar kind de woorden kan toezingen, die vroeger een onzer zoo smaak- als gevoelvolle dichters1gezongen heeft

«Nu, daar van aardsche kluisters vrij,Uw ziel in blanke lichtkleedij,De hallels stemt met de Eng’lenscharen,Zal ’s Vaders ééngeboren Zoon,Uw kinderlijk geloof ten loon,U ’t hemelsch Kanaan openbaren,En als het laatst bazuingeschalDe dooden voor zijn zetel zalVergaad’ren tot het jongst gerichteZult gij, met neêrgebogen kniën,Hem, d’ eerstling uit de dooden zien,Van aangezicht tot aangezichte.»

«Nu, daar van aardsche kluisters vrij,

Uw ziel in blanke lichtkleedij,

De hallels stemt met de Eng’lenscharen,

Zal ’s Vaders ééngeboren Zoon,

Uw kinderlijk geloof ten loon,

U ’t hemelsch Kanaan openbaren,

En als het laatst bazuingeschal

De dooden voor zijn zetel zal

Vergaad’ren tot het jongst gerichte

Zult gij, met neêrgebogen kniën,

Hem, d’ eerstling uit de dooden zien,

Van aangezicht tot aangezichte.»

Maar waartoe hier als uitsluitend van dooden uit den aanzienlijken stand gewaagd? Rusten dan ook niet onder gindsche pijnboomen vele geringen, die op deze aarde onopgemerkt waren, maar onder welke voorzeker ook vele brave, vele deugdzame, vele godvreezende gevonden worden, of zullen ook deze niet te gelijk met hen, die in hun leven met het ridderkruis versierd waren, verschijnen voor den throon van den onzienlijken, voor dien throon, voor welken gene geslachtwapenen, noch brieven van adeldom, maar alleen braafheid en deugd gelden.

Ik mag Sparrendreef niet verlaten, zonder eenen krans van cypressenloof te hebben nedergelegd op het graf vanChristiaan Swaving, die gedurende zoo vele jaren, als kundig arts, aan zoo vele lijders hulp heeft toegebragt, vanSwavingte vroeg aan de maatschappij en aan zijn talrijk huisgezin onttrokken; maar het voegt ons niet, de wegen der Voorzienigheid te berispen; God nam hem weg, zijn einde was vrede: zacht ruste zijne assche! Steeds herinneren zich zijner zijne nagelatene betrekkingen en noemen liefdevol den naam van hunnen echtgenoot en vader.

1Lesturgeon.

1Lesturgeon.


Back to IndexNext