1

1Toen Tamalone een knaap was van dertien jaren, bleek en bescheiden, was hij het meest geliefde kind van zijn vader, die hem altoos bij zich verlangde, hem ’s morgens medenam naar het hof van den baljuw en hem zijn boek liet dragen. En thuis na het avondeten las hij hem voor, dicht bij hem gezeten. De jongen luisterde dan met oogen neêrgeslagen naar de geschiedenissen van de heiligen, van de koningen en de oorlogen en zat nog langen tijd daarna zwijgend voor zich te staren. Maar zelden sprak hij een woord.Eens zag een priester hem en was getroffen door de zonderling teedere bekoring dier donkere oogen; en nadat hij vele malen in de woning van Anfroy, denvader, was komen spreken nam hij den knaap mede naar zijn kapel, achter het gasthuis bij de rivier. Daar, in de sacristij, waar hij door de hooge ruitjes de kalme zonnige wolken aan de lucht zag gaan, zat voortaan Tamal des morgens naast andere jongens op banken, luisterend naar den priester, die in ’t midden met schoone klanken stond te zingen; hun aller hooge stemmen herhaalden dan een korte wijs,—bij het ijl geluid zijner eigen stem voelde hij zijn hart verwonderlijk poperen, zijn wangen waren heet en hij wendde zijn oogen van den priester niet af. Den langen weg naar huis, en des morgens weder naar de kapel toegaande dacht hij gedurig hoe heerlijk het was in de ruimte van een kerk te zingen; hij keek niet meer naar het koopvolk en de huizen die hij voorbij liep, hij zag inwendig zooveel nieuwe dingen en hoorde steeds den klank van de stem der priesters—het waren zijn eerste droomen waar zijn gelaat van bloosde en dit was zijn eerste liefde, het koraalgezang dat vader Mahy hem leerde.In de kapel hielden de geestelijken veelvan hem; zijn vader was heimelijk verblijd wanneer hij des avonds den jongen met een boek op de knieën stillekens bij het licht zag lezen, en dacht glimlachend aan later tijd. De moeder echter vroeg als hij naar bed was wel eens ontevreden en met een duister verdriet, waarom hij toch van de zusjes verschilde, zoo zelden en zwakjes lachte en nimmer sprak van wat hij gezien had of gelezen. Doch Anfroy sloeg op haar woorden geen acht.En toen—het was in den donkeren wintertijd dat het begon—bemerkten zijn ouders, dat hij lusteloos werd, iederen dag laat thuis kwam en ’s morgens zich haastte om uit te gaan. En op een dag kwam vader Mahy hen vragen waarom Tamal in zoo langen tijd niet gekomen was om te zingen en te leeren. Anfroy sprak dien avond bedaard en ernstig met zijn zoon, die enkel antwoordde, dat hij ’t heerlijk vond den ganschen dag door de straten te loopen, denkende aan wat in de boeken stond,—maar hij zweeg van de zonderling ontspruitende genietingen waarmede hij in zijn verbeelding vreemder en schoonerongekendheden beleefde dan hij ooit had gelezen, gezichten van verre landen en oude tijden, van ridders en heiligen en van eigen daden, saâmgeweven tot een spel van kleurig verlichte tafereelen, die hem voort deden loopen met moede voeten door straat na straat uren lang, tot hij eindelijk stil stond en met heete oogen begeerde, dat er één lief beeld van zijn gedachten wezenlijk waar.Hij zweeg van zijn innerlijken lust en beloofde weêr braaf naar het koor te gaan. Maar hij hield zijn belofte niet, hoewel zijn vader hem sloeg en vaak bestrafte.Later bleef hij ook ’s avonds uit, een buurman zei dat hij in taveernen kwam met andere jongelieden. Anfroy bedwong zijn drift en sprak weder met hem; hij zou nu in de leer gaan bij een zilversmid. En Tamal, beschaamd over zijn luiheid, ging trouw naar den winkel waar hij aandachtig werkte. Weldra voelde hij het tintelen van de onrust weder, die hem verlangend deed uitzien naar den Zondag om ver te kunnen loopen en aan de vreemde oorden te denken; maar hij bleef bestendigen zat ijverig gebogen op de werkplaats, waar slechts den ganschen dag het fluiten van den ouden meester klonk. Aan het koor, waar hij in sprakelooze verwachting placht heen te gaan, dacht hij niet meer. Hij bleef nog even zwijgzaam, zijn stem klonk ontevreden. Menigmaal wanneer hij vermoeid was kwam ereenneêrslachtig voorgevoel in zijn ziel, dat al zijn verlangen vergeefsch zou zijn, zich nimmer zou uiten, maar verzwinden om niet, en hij peinsde ernstig somtijds wat het wel was, dat hij ’t liefst zou willen ter wereld, maar wist het niet. En dan gaf hij zich met wellust over aan ’t gemijmer, dat een vreemde, onwezenlijke innigheid had, zooals zij wel kennen, die soms, laat ontwaakt, zich om den ochtend en de wakkere wereld niet bekommeren, maar liggen blijven en zich in stilte verwonderen hoe zooveel liefheid daarstraks in hun hart kon dwalen—zij spreken niet als zij opstaan en voelen in weemoedigen eenvoud, dat er schooner dingen zijn dan hun oogen zien.Hij was toen zestien. Een meisje, dat hij ontmoette, lachte hem zoo liefjes toe,dat hij verwonderd in nieuwe vervoeringen raakte en haar gaarne behaagde; doch weinige dagen slechts, want het meisje ging met een ander spaceeren terwijl hij haar overal zocht, en haar later wel beziende vond hij haar niet zoo mooi als hij eerst had gezien.Hij vergat haar aldra, maar uit die eerste verrukking broeide een rustelooze drang na, die hem gemelijk maakte en van de werkplaats afkeerig. Vaak voelde hij zich nu vermoeid van de verbeeldingen, die de een na de ander verkleurden en een stemming nalieten van armzaligheid.Eens toen hij in donker door de stille buurten doolde,hield een oude vrouw hem staande, jammerend en hem smeekend haar te beschermen voor de schouts, die haar vervolgden. Tamalone,door haar armoedige gestalte en haar klachten ontsteld, vroeg niet wat zij gedaan had, maar nam haar op en liep hard met haar heen, in de verte zag hij de lantarens van de wacht al schommelen. Met plots gevoelde kracht rende hij door duisternis voort, de vrouw klemde zich vast aan zijn hals; hij liepharder en harder want achter zich hoorde hij den klank van wapenen en het hijgen van mannen in vlugge vaart. Eensklaps werd een haak om zijn beenen geslagen, hij viel tegen een muur, de vrouw, die hij in zijn armen hield, gilde hoog uit. Doch onstuimig sprong hij op en pakte een der schouten aan—toen voelde hij sterkere handen die hem losrukten, hij worstelde nog, maar verloor zijn kracht; de kreten der dievegge drongen schel door de duisternis. Dan namen de mannen hun lantarens op en droegen hem weg, langs de huizen stonden de menschen met kaarsjes ontsteld aan hun deuren.Des morgens, terwijl hij naar het gerecht werd gevoerd, was hij verbaasd hoe eigenlijk alles gebeurd was; een arme vrouw had hem gevraagd haar te helpen en hij had met de schouts gevochten, hij wist niet waarom. En toen hij voor de rechters stond en antwoorden moest,was hij bedeesd en sprakeloos; dan echter hoorde hij achter zich het zuchten en kermen van de vrouw, die naar de galg werd gevoerd en hij zeide dat hij haarhad willen helpen. De rechters zagen elkander aan; zij veroordeelden hem, hij werd gegeeseld en daarna in het blok geslagen voor de gevangenis, waar vele menschen stonden, lachende mannen en vrouwen, luidruchtig en met drukke gebaren. Daar lag hij met pijnen onder de blauwe lucht, de toeschouwers met hun hatelijk vroolijke blikken keken voortdurend. Hij beefde van woede, zijn pijnen verergerden en werden ondragelijk, maar hij bleef met de tanden vastgeklemd en de vuisten verhard de lieden lang en strak aanstaren, die nieuwsgierig drentelden langs de rijen van boosdoeners. Eensklaps rilde hij van koude, een onnoemelijke onverschilligheid kalmeerde zijn hart en gelijk hoog aan den hemel, langzaam en onbereikbaar, een vogel gestadig verder vliegt tot hij in ’t licht verdwijnt, zoo voelde hij duidelijk, dat hij een lief vertrouwen verloor, hij sloot zijn oogen en zijn spieren ontspanden zich.Des avonds werd hij vrij gelaten. Hij liep langzaam naar huis, maar op weg voelde hij zich ziek van vermoeidheid;hij ging een herberg binnen en zat ellendig op een bankje, met een beker voor zich, terwijl in het half-duister vertrek mannen kwamen en gingen, die met grove stemmen praatten en lachten en geen acht op hem sloegen. In zijn hoofd klopte het koortsig, hij voelde iets in zich schrijnen, maar hij bleef roerloos zitten, langen tijd, strak voor zich kijkend, onverschillig en zonder gedachten. Eindelijk riep de waard hem toe, dat hij heen moest gaan; zonder antwoord dronk hij zijn beker leeg en liep naar buiten, er was iets onnatuurlijks in hem. Het was een loome nacht, waarin de geluiden van late menschen—een eenzaam vriendenpaar gearmd, dat vertrouwelijk liep te praten, of in de verte het schelle lachen van een lustige deerne—klankvol luidden als in een donker treurspel van ouden tijd. Tamal bemerkte dat de krankheid van zijn lichaam verminderd was en terwijl hij langzaam schreed door de straten van gesloten huizen,ontwaakte de een na de ander zijn gedachten, hem mild verblijdend, de lauwe zomerlucht streelde zijne wangen. Eerstdacht hij aan zijn vader, die vroeger zoo goed was geweest en van wien hij zooveel had gehouden; hij begreep niet waarom zij nu niet meer van elkander hielden en waarom zijn vader naar niets anders ooit vroeg dan of hij geregeld naar den winkel ging, naar het werk dat hij haatte en slechts deed omdat hij niet lui wilde zijn. Dan herinnerde hij zich wat hem den vorigen avond en dien dag overkomen was, hij glimlachte in lichte verbittering en voelde zich ouder; maar in zijn innig gemoed, onaangedaan door de herinnering, waarde al weder een ijl gedroom van wat hij doen zou als hij ridder was en in verre landen reisde—de beelden ontloken in zijn gemijmer als lampjes achter de ruiten wanneer de dag vervliedt, en bewogen, schimmen van een liefelijke wereld; hij had zijn geeseling vergeten en zijn woede toen hij naar den blauwen hemel boven hem zag. En bij den dageraad, bij het zwatelend gerucht van menschen, die vroeg ontwaakt naar hun arbeid gingen en blijde rondzagen naar de kalmte van den zomermorgen,liep hij nog voort met gebogen hoofd.Zijn moeder schrok toen zij hem binnen zag komen, zij nam hem schreiend in haar armen. Haar vragen echter beantwoordde hij niet; uitgeput van vermoeienis leide hij zich op zijn bed en sloot zijn oogen. Een diepe ademhaling klonk weldra in de kamer, waar de zon scheen en de zusjes, in hun spel gestoord, op een afstand naar hem keken; de moeder, met betraande oogen, ging rustig met haar werk weêr voort. Toen Anfroy thuis kwam van het hof,stond hij een pooze zwijgend bij zijn slapenden zoon, zette zich dan aan de tafel, zeide zijn gebed en at, maar hij sprak geen enkel woord, zoodat het zeer stil was en slechts de zware ademhaling werd gehoord van den slaper in de bedstede.Terwijl zij arm in arm naar de werkplaats gingen des anderen daags, vroeg Anfroy zijn zoon waarom hij voor de gevangenis te schande had gelegen. Tamal was aangedaan door de zachte stem en vertelde alles op verdrietigen toon. Maar zijn vader keek hem wantrouwend aan en schudde zijn hoofd; toen werd hij plotselingrood en rukte zijn arm los, in benauwde boosheid schreed hij voort, hij sprak niet meer. Zij waren bij de werkplaats gekomen; Anfroy stond stil en beval zijn zoon vroeg thuis te komen toen deze op eens zich omkeerde en met een kreet hard wegliep—een bedreiging werd hem nageschreeuwd, de grijze zilversmid kwam naar buiten, vroeg wat er was en schudde zijn hoofd.Sedert zagen zij hem thuis op ongeregelde uren; eerst klopte hij laat elken avond aan de deur, klom zwijgend in zijn bed terwijl zijn vader hem schold en hij nog lang daarna het zuchten van zijn moeder hoorde; maar later bleef hij vaak gansche nachten weg en kwam dan onverwacht wanneer zijn moeder alleen was om eten vragen. Het werd zeer droevig in het huis van Anfroy; de kleine meisjes spraken met fluisterende stem als hun ouders tegenover elkaêr aan de tafel zaten en aan den jongen dachten, die in duister en ongetij dwaalde, zij wisten niet waar.Tamalone kende de gansche stad en de landen buiten de wallen. Bij voorkeur liephij waar weinig menschen waren, daar voelde hij zich tevreden en teeder van hart. Des avonds zat hij in een taveerne met andere jongelieden, die zongen, stoeiden en van de meisjes spraken welke zij kenden, en daar kreeg hij een vriend, een vroolijk jonkman, die met liederen en vioolspel het brood verdiende en hem dikwijls lachen deed. Zij waren allen arm en zorgeloos; om voor zijn vrienden en zich zelf een maal te betalen nam Tamalone soms heimelijk uit het koffertje waar zijn vader al jaren lang de zilverstukken spaarde.Eens was hij thuis gekomen om voor de barre koude te schuilen. Zijn moeder zat bij het lampje en Anfroy in de schouw met starre oogen waar de hooge vlammen hun licht in spiegelden. De wind die zoo straks door den schoorsteen gierde,was van lieverleê bedaard. Het hout knetterde in het vuur, niemand sprak in de kamer; het was een zonderlinge stilte en Tamal, van den een naar de ander kijkende, kreeg plots een ingeving, dat zijn ouders, onverschillig en ongenegen, vreemdelingen waren voor hem en eeuwig zouden blijven.Zijn oogen werden vochtig en hij wenschte, dat toch zijn vader iets zeggen zou om de stilte te breken; hij stond op, liep lusteloos heen en weder en keerde bij ’t vuur terug, zijn borst was van verlangen vol, hij wilde spreken, maar wist niet hoe. Buiten hoorde hij de stemmen van geburen, die elkander iets toeriepen over het koude weder, een deur sloeg toe en alle gerucht van de straat verstierf, terwijl in de kamer zwaar de tijd verging en de stilte ontzaglijk werd, suizend en ruim, als vervuld van een machtige aanwezigheid, onbegrijpelijk en niet te weêrstaan. Met oogen wijd open van onnoozelen angst zag hij rondom zich naar de oude meubelen, de bedsteê waar zijn zusjes sliepen, en de schouw—zijn vader zat in de warmte te dutten, de vlammen verlichtten zijn gelaat, dat terzijde was genegen. En Tamal ervoer die zelfde onverschilligheid weder, die hij gevoeld had toen hij in ’t blok had gelegen verleden zomer, het was nu een aangenaam licht gevoel. Een oogenblik later dacht hij aan zijn vrienden en den jool in de herberg;hij stond op, nam zachtjes zijn kap van een stoel en liep naar de deur. Hij keerde zich om—zijn moeder keek hem boos aan met het voorhoofd geplooid, zijn vader zat roerloos in den vlammenschijn. En geheel onbedacht, duidelijk en zeker, nam hij het besluit nimmer meer terug te keeren, doch naar andere landen te gaan... het was een plotse klaarheid in zijn gemoed als de glans van de zon in een rivier. Hij lichtte de klink, de tocht voer ijzig door de reet der deur naar binnen, zoodat op de tafel het lampje walmde.Haastig liep hij door de straten waar in duister de sneeuw zacht ritselend in dichte drift neêrdaalde, zijne schreden maakten een krakend geruisch. Hij dacht hoe hij morgen eten zou vinden, maar vergat dat weêr spoedig in zijn blijheid, dat zijn leven veranderen zou. En hij liep zoo lang, denkend aan de verre landen, tot hij niet wist waar hij was.In den ochtend, die feestelijk scheen van rijkelijk warrelende sneeuw over de lage huisjes, vertrouwelijk onder hun wit-bevrachte daken, vonden de stadswachtshem in het portiek van een kerkje; hun stemmen en een vroegmisklokje klonken broederlijk en welgestemd in de zachte, zedige straat. Zij namen hem op en droegen hem weg naar het gasthuis.Daarna zwierf Tamalone met zijn vriend in achterbuurten en herbergen waar dieven en liedjeszangers en lichtekooien te zamen kwamen. Menigmaal liepen zij beiden, arm in arm, te zoeken, waar zij te eten konden krijgen en menigmaal ook vluchtten zij buiten de poort om zich te verschuilen dagen lang voor de schouts. Maar Tamalone was frank en tevreden in zijn bandeloos leven en groeide spoedig tot man.Eens ontmoette vader Mahy hem, die zijn bleek gelaat aandachtig beschouwde, dan vriendelijk tot hem sprak en hem medenam naar zijn woning. Het was een welig behagen voor den jonkman aan den klaren disch te zitten en naar de vrome woorden van den priester te hooren, zijn leven van de laatste maanden scheen hem onwezenlijk toe. In de sacristij, waar de zelfde gele bladen muziek van vroeger lagen, zongen zij een lofzang samen, deeen was door de stem van den ander tot serene wijding geroerd. Hij bleef verscheidene dagen in de woning van den vader, ernstig en in vroom gemijmer; op een ochtend ging hij mede naar het nieuwe klooster van St. Franciscus, waar de overste hem in beproeving ontving.Alleen in zijn cel, eenvoudig en bedaard, schreef hij daar van den stillen morgen tot den stillen nacht bij het licht van een kaars de woorden van heiligen in sierlijke letters na; wanneer het klokje der uren klepelde en het zijn beurt was, ging hij naar het altaar om te bidden, de arbeid en de koele stemmigheid van het huis hadden zijn verbeelding bedaard, hij bad in liefderijken ernst. Een grijze broeder bleef somwijlen staan om hem na te zien wanneer hij door den ommegang terugkeerde naar zijn cel, en dacht dat hij een vroom man moest worden, die zoo bezadigd was in zijn jeugd.Doch, vermoeid en geheel alleen met de boeken, zat Tamalone menigkeer lange poozen te staren naar zijn hoog tralievenster en dacht aan de verlatenheid waarinhij door een toeval was verdwaald, hij die weleer in kleurige verzinsels leefde van veel avontuur; en dacht aan zijn traagheid ook waardoor alleen hij nimmer getracht had te weten wat zijn toekomst zou wezen en waarheen toch zijn verlangen stond.En aldus, na veel laten, aandachtigen arbeid mijmerend in ’t grauwe vertrekje, kreeg hij eens in verbazing het inzicht, dat zijn leven vruchteloos was voor God dien hij bad, wijl heel zijn lieve jeugd en de warmte van zijn hart in droomerijen waren verspeeld en hem niet meer konden drijven tot vrome daden; dat zijn leven machteloos zou zijn, daar hij niet zooals de broeders begeerde, die met devotie of met hartstochtelijke woorden spraken van wat zij doen wilden ter liefde van den Heer en de zondige menschen. Hij zuchtte gelaten, doch hij treurde niet en den anderen morgen zette hij zich weêr bedaard aan den lessenaar.Maanden lang zat hij alleen, schrijvende in zijn cel, hij voelde zich een oud man worden en had geen andere zorg dan voor het pergament en de sierlijkheid der letters.In de diepte van den nacht, als de taak was volbracht, had hij soms een onbestemd berouw, dat de tijd voorbij ging en geen verandering bracht. Daarbuiten in de wereld leefden de menschen in vroolijke drukte.Ten leste echter kwijnde zijn ijver en op zonnige morgens talmde hij langer in den hof, op een bank in het bloesemend lommer, met andere broeders, die praatten en hun werk vergaten in glimlachende genoegelijkheid; of drentelde geheel alleen door den boomgaard, zooals hij ’t liefste deed, terwijl met vreemde onverwachtheid hem de lieve verbeeldingen uit zijn jongensjaren weêr verschenen. Wanneer de overste of de poortier hem vond, hem berispte of bestrafte, ondervond hij die zelfde schaamte en vrees als in de dagen toen zijn vader hem gestreng behandelde. En onder het werk, wanneer de wrok tegen het onrechtvaardig gezag was geweken, werd het hem al klaarder bewust, dat hij in heel zijn leven niet gelukkig was geweest, behalve vroeger als hij alleen door de straten liep en in zijn denken verwonderlijkedingen zag gebeuren. Hij zuchtte bij de gedachte wat er gekomen was van zijn innig voornemen om vroom te leven, zijn schoonste gevoelen was maar een vergankelijk iets geweest, en hij glimlachte over zich zelven.Omtrent den tijd, dat de aartsbisschop een bezoek zou brengen, gingen er heimelijke geruchten in het klooster: de broeders, die des morgens altijd luierden en praatten, werden achterdochtig en keken gedurig rondom zich. Eén van hen, Simon was zijn naam, vertelde Tamalone eindelijk wat er op handen was: zij werden van ketterijen verdacht, er was een geschrift gevonden met leerstellingen van de catharisten en zij hadden besloten liever te vluchten dan het oordeel van den aartsbisschop te wachten en de penitentiën, die volgen zouden om het huis te zuiveren—bijna in alle kloosters waren oproerige denkbeelden ontdekt, men strafte gestreng. Tamalone zelf hadgevaarlijkewoorden gesproken, zeide Simon, en zij rieden hem met hen mede te gaan. Hij herinnerde zich niet wat hij gezegd kon hebben enwaarin hij gezondigd had, maar het enkele geheimzinnige woord van een vlucht in donker bekoorde hem zoodanig, dat zijn wangen gloeiden en hij in ontroering telkens dacht aan de uitgestrektheid der velden ginder buiten den muur, aan de tallooze menschen die hij weêrzien zou in de stad.Den zelfden avond nog klauterden zij stillekens één voor één een venstertje uit en liepen achter elkaar zwijgend door een weiland in de richting der stad, waar de lucht rossig was gelijk de weerschijn van een brand. Tamalone kwam achteraan in de donkere rij van pijen en floot een deuntje dat schriel welluidend klonk in den teederen avond, hij was zoo zorgeloos wat een toeval hem weêr brengen zou. Toen zij binnen de stadspoort waren gekomen,gaven zij elkander de hand, een iegelijk ging zijns weegs en Tamalone voerde Simon naar een herberg meê, die hij wist in een achterstraat.Sedert dien tijd had hij nooit meer een woning. Hij verliet de stad waar hij geboren was en zijn vaderland, vroolijk en onbezorgd waar ’t henen ging. Het toeval voerde hem naar het zuiden. Slechts debochtige nauwe straatjes waar hij als knaap had gedoold,keerden somtijds in zijn herinnering weêr, en ook een enkel maal het gelaat van zijn vader met starre oogen. Wel vermeed hij de eerste maanden de menschen nog, want in de droomen uit zachtzinnig verlangen gerezen zweefde een vage hoop, dat hij wonderen zou beleven van hartstocht en geluk. Doch de tevredenheid, welke hij genoot op zijn reizen over verlaten wegen, wanneer hij enkele dagen in een dorp of konvent had vertoefd, deed hem begrijpen dat zijn vrijheid zijn eenig geluk zou wezen. En de oude verbeeldingen van schoone vrouwen en ’t geluk dat zij schenken, van prinselijke grootheid en daden die de wereld zouden verbazen, werden allengs een simpel welbehagen gelijk in een schouwspel dat men gadeslaat, het wekt geen verwachtingen en ’t genot is maar tijdelijk. En hij werd spraakzaam en gemoedelijk.Hij zwierf in vele streken, het liefst op het land; onder den ruimen hemel voort te gaan was zijn grootste vreugd. De burgers in de steden kenden hem als eenvriendelijken eerzamen broeder, die tallooze verhalen wist en hen aan ’t lachen kon maken, zoodat zij hem gaarne zagen; maar sommigen ook zeiden kwade dingen van hem, dat hij een bedriegelijke sluwerd was en een dief. Zelden echter bleef hij lang in de steden, hij trok zich van de menschen en hun zorgen luttel aan, en het leek hem of ook de lieden hem eerst met bevreemding aanzagen, wanneer hij weêr eenige dagen in hun buurt was teruggekeerd, er was er geen die ooit aan hem dacht.—Tamalone wist, dat zelfs broeder Simon, zijn vriend die in Pisa woonde, waar hij soms kwam, hem vergat wanneer hij vertrok. Maar hij bleef argeloos en blijgezind en voelde in zijn avontuurlijke vrijheid zich immer een gelukkig man. Het duister verlangen van weleer naar hartstochtelijke daden en ontroeringen kwam maar zeldzaam in zijn gemoed, de vreugde van het zonlicht en de wolken aan den hemel en van de beelden, die enkel beelden bleven, was zijn eenig bezit, hij wist dat er geen toekomst was.2Nu was er wanorde van haastige toebereidselen in het kamp, tenten, gereedschappen en oorlogstuig werden op wagens geladen met armen waar de aderen dik op stonden. Het onverwacht vooruitzicht van losbandigheid ginds in de stad maakte de mannen lustig rumoerig. En weldra stonden zij in velerlei sierige kleedij en bewapening in rangen aangetreden, een troepje ruiters naast hun paarden in voor- en achterhoede; en toen eerst, in het onbewegelijk wachten, kwelde hen weder de stralende zomerlucht en verlangden zij om voort te kunnen. Rogier gaf een wenk—met schel gejoel, als van jachthonden, ging de tocht vooruit.Aan het hoofd, statig in staal gehuldwaar slechts zijn roode baard uitstak, reed Carolus de brigadier op een hoog, gepantserd paard, geflankeerd door twee oosterlingen met spitse mutsen van wit bont over hun helmen, en trommen voor zich op ’t zadel: dan kwamen de Duitschers met bandelieren van verschillende kleuren, sommigen met goud en zilver gesierd. Een kleine afdeeling voetvolk volgde, temidden waarvan Rogier reed met blinkenden helm en borstplaat van voortreffelijk maaksel; ten laatste de oostersche ruiters, allen in roode en groene buizen en met korte zwaarden omhoog.En achteraan, heel alleen, liep Tamalone de minderbroeder met zijn handen op zijn rug en een deuntje zingend.Zij bestegen den rotsigen weg naar den muur der stad en toen zij de opene poort zagen zwegen zij. Een zwierige menigte wachtte in den zonneschijn aan de binnenzijde der opening, reikhalzend en stil.De brigadier in de schaduw der poort gekomen deed zijn hengst steigeren en tegelijk roerden de tamboers hevig hun trommen, zoodat de verschrikte mannen,vrouwen en kinderen schreeuwend en dringend ruimte maakten; zij hadden ontzag voor den geweldigen krijgsman voorop en voor de trommen, zij hadden nooit andere troepen dan gewapende poorters gezien. Er rees een geruisch van bewondering voor den regelmatigen tred der voetsoldaten en toen Rogier voorbij reed,werden in de menigte, schitterend in een glans van stof, de gebaren bezield, de uitroepen zwollen tot juichend gedruisch in de nauwe klare straatjes. De rustingen die glinsterden, de orde en het stilzwijgen vooral van de vreemden, werden druk besproken en er was blijdschap, dat het vechten nu gedaan was, temeer daar de verstandigen onder de toeschouwers, die luid spraken en met gezag, verklaarden dat de schade alleen de rijkere ambachts trof, immers daar de kleinere slechts weinig in de schatting bij konden dragen; maar ook vrij van eigenbelang werd er welgezindheid jegens den keizer geuit, die belasterd werd door priesters van geringe geboorte.Op het marktplein, waar de aanzienlijken wachtten, hielden de troepen stil; eensklapsrees het stemmengerucht aangroeiend tot verrassend gejubel, de tallooze gezichten bewogen opgewonden in den zonneschijn. Een bandelooze woeling van jonge mannen en vrouwen, door Tamalone geleid, trok zingend en met doeken wuivend rondom de lichtende figuur van Carolussaâm, de monnik reide die het dichtst bij waren in den franschen danskring rond; buigend en de beenen hoog heffend warrelden zij om den brigadier heen, wijl half spottend half gemoedelijk hem de grilligste namen werden toegeroepen, die het plein, blakerend tusschen de witte huizen, daveren deden van gelach. Onverschillig voor het geraas keek Carolus van zijn paard op het gepeupel neêr.Doch de gemoederen der soldaten namen de warmte dier plotseling bruisende feeststemming aan. Zwijgend waren zij de stad binnengekomen, maar door de schaterende drukte klaarden hun gezichten thans op, zij werden vroolijk in de uitbundigheid ten koste van den brigadier en bewegelijk van lust om meê te dringen in het gedrang. Nadat zij hun bevelen haddengekregen, verspreidden zij zich onder het volk, dat hun wijn te drinken gaf; in de steile straatjes sprongen de Duitschers in rijen arm in arm met de ambachtslui en de joelende vrouwen. Tamalone,—hij was toen omtrent dertig jaren, een luimig man bij feesten en volle kannen—, de monnik, die de eerste vroolijkheid had doen opgaan, liep lachend en knikkend door de drukte, er werd gejuicht waar hij ging, en bekers werden geheven. En dien ganschen dag was de klare zomerlucht van zangerige stemmen vervuld.Toen het later werd en in het gewemel tusschen de lage schemerige huisjes slechts de witte en gele kleederen en de mutsen der vrouwen nog het lichtste waren, trad Rogier met zijn brigadier en een burger, door de twee tamboers gevolgd, uit het stadspaleis om naar de soldaten te zien. Waar hij kwam,hield het dansen en springen op, de juichkreten klonken zonderling fel in de duisternis.Doch rustiger was het in de straten waar de breede rijkere huizen stonden met hun deuren, donker en klein, hecht gesloten: hier gingen geen menschen endruischte het rumoer verzacht slechts uit de verte. Er stond daar een kathedraal, onvoltooid en zonder torens; de vijf mannen door een open deurtje kijkende zagen in den schijn der kaarsen enkele bidsters geknield. Twee zeer jonge vrouwen traden naar buiten en toen Rogier een van haar aanzag wijl zij passeerde, zweefde een luwe aandoening hem voorbij, of ’t herinnering was die al te gauw vervluchtte. En de geluidloos wijkende figuren nakijkende,vroeg hij den burger wie zij waren.„Dat zijn de dochters van heer Lugina,” antwoordde die met een lachje. „Door uw onverwachte komst kon hij niet meer naar Bologna gaan en daarom vluchtte hij hierheen.”Zij keerden in duister zwijgend en voorzichtig terug. Nog zag Rogier dat jonge nieuwe gezicht en hield hij zijn oogen toe of hij zich iets herinneren kon.Voor het paleis bleef hij staan en zag over het plein, waar in den zwoelen nacht gestalten gingen en hier en daar een toorts bewoog. Nu klaarde het voor zijn bewustzijn, dat hij reeds in den ochtend, inhet rijke zonlicht, bijwijlen vaag en vervlietend een nieuwe teederheid had gevoeld, en zijn vragende verwondering over het meisje van daareven was hem welkom en behagelijk.Aan den overkant, bij den glans van twee stil brandende toortsen, zag hij Tamalone met een edelman langzaam gaan en een huis binnentreden. Toen was het plein verlaten. Het gedruisch werd al schaarscher in de duistere straatjes, slechts nu en dan klonk in de verte een vermoeid referein of luid het kloppen op deuren.3In de koelte van de kathedraal, waar hij haar den eersten avond van zijn binnenkomst ontmoet had, zag hij de dochters van Lugina weder, en weder roerde de onvolwassen gestalte van het jongste meisje hem tot innerlijke aandacht en onderging hij de vreemd kille ontroering van eindelooze zoetheid, van louter genot dat komende was.En Carolus, den getrouwe, trof het weldra, dat er sedert de inneming der stad over zijn meester een frissche bloei was gekomen, een vreugde die zich uitte in sierlijke wijde gebaren en die hem hoofsch deed bewegen als een prins. Hij had hem in de kathedraal met vrouwen gezien, hij had hem het huis zien binnengaanwaar Lugina vertoefde, de oude vijand van Rogiers geslacht—en hij besloot hem heimelijk te bewaken.Buiten de noorderpoort stonden aan den wijden weg den heuvel af kastanjeboomen uit zeer ouden tijd, wier takken zwaar van loof nederbogen tot den grond. In den avond liep Rogier daar geruchtloos en langzaam met een ruiker van rozen, en toen hij aanstonds dicht langs de duistere stammen een kleine vrouw haastig zag naderen,liep hij haar met gestrekte armen tegemoet, boog en gaf haar zwijgend de bloemen.Met haar kleine koele hand in de zijne daalden zij den weg af, zij in vluggen gang om zijn schreden bij te houden en nu en dan omkijkende in de donkerte van het gebladert. Aan den voet van den heuvel kwamen zij aan opene velden, waar ’t bleeke koren stond, en steeds zwijgend keerden zij rechts een voetpad in met jonge populiertjes ter weerszijden.De grond was hier vlak en zij liepen langzaam. Haar hand vaster drukkend, in een neiging om dichter die donzige nabijheid aan teraken, fluisterde hij in korte woordjes, dat het zoo lief van haar was dat zij gekomen was, en dat hij voortdurend aan haar gedacht had. Onbewegelijk en koel voelde hij haar hand in de zijne, maar over zijn lichaam poperde gestadige ontroering. Het voetpad werd bochtig en rees weder en daalde over heuveltjes van dicht wingerdloof, naar een boschje waar zij schimmig de stammen der boomen bespeurden in de tinteling van duisternis.Mevena wendde haar hoofd weêr om, zij stonden stil en zagen aan de schemerwolkige lucht den top des heuvels waar de stad was. Plotseling, tot een zoete verbazing der wandelaars, vloot een glad geluidje door het loover, het streelend kwinkeleeren van een vogel vulde den nacht.Dan werd het plots weêr stil en het meisje, angstig in het duister, kwam dichter bij den jonkman staan. Hij zag haar groote oogen, boog zich en kuste haar; diep ademend omvatte hij heel haar slank lijfje en kuste haar die nog niet kussen kon tot haar lippen bewogen, en drukte haar aan zich, en fluisterde kleine lievewoordjes. En zij, met een borst van gloeiende stilte, haar gelaat naar zijn mond, wachtte de kussen, luisterend naar den zwellenden nacht die zwoel van teederheid was.Toen zij langs het paadje het donkerder bosch in gingen ritselden er wat bladeren, maar Mevena hoorde, dat ersindszij stonden ook ander gerucht nog dwaalde en haar oogen zochten naar alle zijden of zij de witte danseressen zagen. Hij bemerkte haar onrust, vroeg wat er was, en beiden luisterden, hand aan hand. Heel in de verte hoorden zij een gedempt rollen van onweêr, een fijne koelte voer door de boomen. Hij kuste haar lippen weder en in weelderig zuchten vergaten zij den komenden nachtstorm, die bij tusschenpoozen rommelde met zwaarder geluid. De bladeren boven hen ruischten steeds koeler en wuivender, somwijlen zagen zij elkanders gelaat in snellen schijn, over de bergen kwam de donder geweldig nader bolderen—en steeds kusten zij elkander inniger en ongeduldiger, zij kusten slechts want zij konden niet spreken. Onverwachts brak een helleklaterslag door den nacht, de takken waaierden in den lauwen wind en groote waterdroppels ruischten door de bladeren.Nauw had hij haar hand gevat om haastig voort te loopen,toen zij een gerucht hoorden en dan duidelijk een val—Rogier zeide, dat het een getroffen boomtak moest wezen en voerde haar dicht aan zich mede, tastend in het natte loof tot zij buiten het geboomte waren. Hij wist, dat niet ver af een landmanshut stond, verlaten gedurende de belegering der stad, en daar het water nu dichter en sneller viel en de schichten des bliksemlichts met vreeselijk geraas de duisternis in oproer brachten, nam hij haar op en snelde er heen. Een nachtvogel fladderde langs hen naar buiten toen hij het deurtje openduwde. Zij deed haar doornatten kap en sluier af, drong zich zachtkens tegen hem, en hij in een rijke genieting van den rozengeur, die in het warme duister waarde, streelde haar, streelde de schouders en de haren en het vochtig kleed.En terwijl zij gansch sprakeloos en zonder gedachten de weelde genoten hunner jonge vervoering, ruischte in den nachtgestadig de koele regen en schoten de lichtschijnsels, fel onverwacht, gevolgd door het verwijderend schoon geluid van den hemel.Enkele dikke droppels tipten op de bladeren nog, maar de regen was gedaan en de lucht verbleekte, toen Mevena aan de deuropening vermoeid in de armen van haar minnaar steunende, weder ergens iets hoorde. Hij stelde haar gerust, zeggend dat er geen mensch op dit uur zou gaan, dat zij de feeën niet vreezen hoefde, en om haar angst te verdrijven riep hij met ver klinkende stem wie daar was. De eerste morgenwind verspreidde vaag het geluid, een vogeltje tjuikte in de takken.Zij bedachten, dat het laat was en dat zij naar de stad moesten keeren. Op de terugwandeling door het natte gras sprak Rogier luchtig en zwierig over toekomstige vreugde en zij, in dartelen tred naast hem gaande, antwoordde en beäamde met een hooge stem.„Hier begon het onweêr zoo straks,” zeide ze toen zij in het boschje kwamen, waar de boomstammen nu duidelijk uit de heesters stegen.„Zullen wij den tak zoeken, die vlak bij ons neêrviel?”Zij keek met groote oogen rond, maar antwoordde niet. En hij kuste haar en zeide:„Lief... Maar het is laat, de lucht wordt zoo licht.”„Als ik maar binnen kan komen...”Vlug gingen zij verder. Toen zij den lommerrijken weg naar de stad bestegen,zagen zij verbaasd bij hun nadering de poort opengaan. Walid, de hoofdman der Oostersche soldaten, die buiten stond, groette eerbiedig.Boven hen trilde teeder de bleeke dageraad; in de kilgrauwe straatjes liepen al gretige kippen en ganzen. De minnaars haastten zich voort, zij vreesden door vroeg ontwaakte lieden gezien te worden. Op het plein tegenover het paleis klopte Mevena aan het zijdeurtje van een aanzienlijk huis met twee torentjes; er werd onmiddellijk geopend door haar zuster, die haar angstig aanzag, en even knikkend ging zij voorzichtig binnen.Alleen voor het gesloten deurtje staandemaakte Rogier een groot omvangend gebaar, zette zijn vuisten in de heupen en stapte langzaam dwars het wazige plein over. Carolus stond in zijn stalen harnas al in de galerij aan den ingang.„Goeden morgen, Carlo. Ziet gij dat groote huis met die torens en vier ramen?”„Dat dáár?” vroeg Carolus, en terwijl hij wees ving de groote robijn in den bisschopsring aan zijn voorvinger een gloeiende flonkering.„Ja, daar woont messer Lugina; zorg dat daar vooral de mannen geen kwaad doen.”En hij ging naar binnen.Twee uren nadat de minnaars in de stad waren teruggekeerd, in den klaren morgen, droegen eenige landlieden ter noorderpoort het lijk van een jonkman in, dat zij met doorgesneden hals hadden gevonden in een boschje tusschen het natte struikgewas.„Ach!” zeide Tamalone, die bij het groepje bukte om te zien wat er was; „het is de jongste zoon van heer Gian Lugina, die uit Bologna komt.”Omringd door vele meewarig pratendelieden werd de doode naar het marktplein gedragen, naar het huis met vier ramen.Vroeg reeds vertelden zij elkander het gebeurde en velerlei onverwachte geruchten deden wonderlijk door de stad een gevoel gaan, dat de dag vreemd was en gespannen van naderend nieuws.4Rogier, nauw ontwaakt, zat door de ruitjes in den zonnigen bloemenhof te staren toen de brigadier kwam zeggen dat Lugina wachtte en verlangde toegelaten te worden.„Maar,” zeide hij, „wij kennen den man al zoo lang. Ik zal de wacht binnenhalen.”Drie soldaten plaatste hij aan de deur en geleidde later Lugina de zaal in, een groot man in het paarsch gekleed, met spitsen baard en gefronste wenkbrauwen.Rogier groette vriendelijk. En de ander kwam voor hem staan, knikte even ten wedergroet; met booze, rappe woorden vertelde hij, dat zijn zoon met doorgesneden hals was thuisgedragen, en zwoer dat ook dit gewroken zou worden met al het vroeger onrecht hem aangedaan. Hij konzijn toornige stem niet bedwingen en zeide wat hij gehoord had, dat ook Rogier dien nacht buiten was geweest.Rogier haalde de schouders op en zweeg. Eindelijk antwoordde hij, dat hij weldra zou bewijzen, hoe hij er onschuldig aan was, en immers had hij den jongeling slechts één keer gezien. Hij beloofde oprecht, dat hij den moordenaar zou doen vinden en vreeselijk straffen. Toen vroeg hij Lugina zich te bezinnen of hij zich de laatste dagen niet een vriend had betoond, en zeide dat hij in den lijkstoet zou gaan. De oude man zag hem verbaasd aan, boog en antwoordde, dat hij die eer niet verlangde. En hij keerde zich om heen te gaan, maar de ander hield hem staande en sprak:„Dan zal ik morgen vroeg bij u komen, want ik wil in vertrouwen met u spreken.”„Morgenochtend zal ik u wachten, messer; ik hoop dat de moordenaar dan gestraft is.”Hij verliet de zaal met de oostersche soldaten.„Wees voorzichtig,” zeide Carolus, „wees voorzichtig. Die vervloekte kerels! Ze zouden u vermoorden. Gij kent ze niet, het verdoemde volk. Gij wilt toch dat meisje niet trouwen?”„Ja, morgen ga ik hem zijn dochter vragen. Ga nu heen.”De brigadier, zeer verbaasd, keerde zich met zwaar schouderophalen om.En Rogier zat weêr alleen in de vensterbank met gebogen hoofd. In de gaarde stonden rustig de rozelaars en vergaderden de zomerzon om hun rood gebloemte; verder op glansden in blanke menigte de jasmijnen, hun stillere weligheid was als van smachtende minnaars, die hun liefde niet uitspreken kunnen; en achteraan stond eenzaam in de blauwe lucht een beukeboom met zijn uitgestrekte takken vol glimmend loof in roerloozen praal, de monnik Tamalone lag er onder op het gras te slapen. Rogier staarde in de verre schaduw, terwijl hij in herinnering het frissche ruischen van den regen hoorde en bij vleugjes de genietingen van den nacht weêr over zich glijden voelde. Onbegrijpelijk waarde rondomhem de weeke innigheid van het meisjeshart, dat zich had open gedaan, de wonderlijke geur harer kussen. Hij dacht aan Lugina met een glimlach en tevreden hoofdknik... hij zou zeker weêr vriendschap sluiten met den ouden man en haar weldra trouwen.De doodsklokken begonnen te slaan, het misklokje klepelde met zedig eentonigen klank, Rogier liep naar buiten in de schaduw der galerij, waar de soldaten stonden te kijken.Aan den overkant wachtten slechts weinige vrienden en geburen voor het huis van Lugina, maar in wijderen kring veel nieuwsgierig volk met de ruggen naar het paleis gekeerd. Er ontstond een dringen en reikhalzen, toen traden eerst knapen met een banier en wierookvaten, een priester en acht monniken met flambouwen het huis uit; dan droegen Lugina en zijn zoons het lijk naar de baar.De optocht werd gevormd en aan beide zijden bewoog de menigte mede langs de huizen, naar het paleis en voorbij. Rogier staarde met halfgeloken oogen in het licht;hij hoorde de klokken wel klinken hoog in de lucht, en de zangerige stemmen der klerken; en hij zag Lugina in zijn paarschen mantel te midden der flambouwen, waarvan de walm met den wierookgeur in de warmte boven de menschen dreef; en hij zag de zonderling donkere blikken op hem gericht; maar turend over de beweging naar het witte huis met de torens aan den overkant, dacht hij aldoor aan den diepen ernstigen glans van vrouwenoogen.Doffer werden in de verte de eentonige gebeden, één klok slechts luidde met dreunend gebeier, en nog stond hij tusschen de pratende krijgslieden in mijmering, toen uit de schaduw eener straat het gonzen van veel volk te zwellen begon.En weldra deinde het marktplein in een kleurige warreling van menschen, de tallooze gelaten, ernstig en nieuwsgierig, waren naar het paleis geheven.Er waren boden gekomen, hun paarden stonden aan de deur. De menschenwachttenmet wijde oogen het nieuws, zij vertelden elkander reeds, dat een groot legerin aantocht was. De brigadier verscheen weêr in de galerij met den man dien zij de poort hadden zien binnenrijden, er werd gedrongen en gevraagd wat er was. Vooraan pakten twee mannen woedend elkaâr om den nek, er werd geschreeuwd, lansen en helmen schoten licht boven de roode, groene, blauwe kaproenen, die rezen en daalden in het gedrang.Aan de overzijde van het plein reed eensklaps een monnik te paard onder de menigte, in de eene hand hield hij een kruis, de andere wees naar het paleis met boos gebaar. Er voer door het gewoel een beweging van onzekerheid waar men luisteren zou en kijken.De doodsklok luidde in den klaren hemel, rustig en ongeroerd, terwijl het nieuws van den monnik in de stoffige drukte zich spreidde: een vreeselijke slag gewonnen en die van Bologna met een machtig leger onder hun overheer en den kardinaal geen twintig mijlen van de stad...Uit de straten kwamen de krijgslieden, de trommen roffelden en voor het paleis groeiden de rustige rijen van mannen te paard,terwijl uit de drommen der stedelingen het stemmengeraas aanzwol tot hartstochtelijk geluid. Reeds riepen zij van ketters, heidenen, moordenaars, en klonk er gejuich voor Lugina en den Paus. De hoofden wendden zich van den monnik naar het paleis weder, waar vlak voor de lachende ruiters twee mannen worstelden op den grond.Dan, uit de straat ter linker, blonk een gouden baander boven de wemeling; er stegen kreten, gezwollen fel rumoer, dat de paarden opschrikken deed. Een ruiter tuimelde op den grond. Nu was het onstuimigheid van armen dreigend boven de hoofden geheven, van klievende zwaarden en heet geschreeuw.En toen Rogier inderijl naar buiten kwam zag hij in den stoffigen dag tusschen de huizen een ontzettende menigte in bruisende beroering, te midden waarvan de ruiters op steigerende paarden snel de wapenen hieven en nedersloegen. Hij beefde van genot bij het gedaver van woede en strijd; hij gelastte een soldaat af te stijgen, sprong in het zadel en rende vooruit,over de lijven die vielen, met prachtige hartstochtelijke zwaaien van arm en zwaard. Nu schreeuwden de Duitschers en joelden de oosterlingen, een golving voer over het volk, dat wendde en vluchtte.Maar uit de straten kwamen ruiters, Lugina en velen meer, met kreten van„slaat dood! slaat de heidenen dood!” En het volk keerde weêr en hield weifelend stand.Voort drongen de soldaten en sloegen de weerloozen bloedend neêr. Midden in de drommen, in het dikke stof, reed Carolus, zijn geweldige arm in kalme beweging; doch eensklaps rukte hij zijn hengst overeind en deed hem wild haar voren springen, naar de edelen der stad. Een machtige houw kwam op Lugina’s paard neêr, dat viel; een andere velde een monnik—naast hem beukte Rogier een jong ruiter uit het zadel, een tweeden zoon van Lugina, en de gillende Saraceenen hakten en sloegen in het gewemel onder hun paarden.Toen zwenkten de edelen en stortten de straat in, het volk in wilden angst hen achterna. Zwaar gloeide de lucht van geschreeuw.Het plein was leeg aanstonds, slechts aan de schaduwige openingen der straten rustten krijgslieden. Op den grond lagen vele burgers in de stovende zon, en wanneer te wijlen er één trachtte op te staan,hieuw een Saraceen hem neder.De soldaten brachten hun wagens en laadden er pakken op, anderen droegen aldoor groote bossen stroo aan waarmede zij de open gebroken deuren der huizen binnen gingen. Voor de woning van Lugina stond de gepantserde brigadier geleund, zich met zijn blauwe doekje bewuivend, en wen daar kerels met stroo aankwamen,wees hij hun verder te gaan.In het midden des pleins werd om een paal een stapel gebouwd en de monnik die het eerst het volk had aangezet, werd er in gebonden, slechts zijn afschuwelijk hoofd waar de oogen uitgestoken waren, en zijn kruis staken uit boven hout en stroo.Rogier had met eenige mannen het lijk gevonden van Lugina’s zoon, die gesneuveld was, en volgde het naar het huis in rouwig bewustzijn, dat er haat van menschen zijn liefste in duister verbergen zoude en voorhem wijken deed. Bij de geopende deur rees er verlangen in hem op om binnen te gaan, maar hij zag het doode lichaam en zwaarder woog het verdriet, dat zij, de nieuw beminde, voor hem verloren zou zijn.... Hij begreep, dat alles tegen zou wezen, dat zelfs Mevena’s jonge gedachten zich van hem keeren zouden nu hij den haat had gezien van haar vader.Aan alle zijden uit de huizen kronkelde rook naar buiten, de vlammen sloegen uit het paleis. Rondom hun wagens stonden de ruiters en voetsoldaten in gelederen gereed. De dag werd groezelig door den rook die snel naar boven warrelde. De brigadier knielde bij den brandstapel neêr en ook daarom vlogen eensklaps de vlammen op en omringden het hoofd van den monnik, die luid zijn gebeden uitgalmde.Nog stond Rogier aarzelend voor de deur; hij had in het onvermijdelijke heengaan berust, meenende dat hij te eeniger tijd nog de vriendschap van Lugina zou winnen en keerde zich reeds, om zich naar zijn soldaten te begeven.Doch eensklaps schoot hem het bloeddoor het lijf en hij snelde naar binnen om Mevena te zoeken en meê te voeren; Carolus en enkele Saraceenen liepen hem na. Zij gingen in hijgende haast van kamer tot kamer, zij stegen tot boven in ’t huis en vonden slechts meubelen en koele verlatenheid. Rogier riep Mevena’s naam, Carolus riep op zijn luidst, de oosterlingen wachtten met opmerkzame blikken en luisterden. Maar het huis was eenzaam en stom. Heengaande zagen zij op den vloer eener kamer het lijk van den jongen Lugina, het bloed lag er omheen.En Rogier, in het daglicht gekomen, in den reuk van brandend hout, beval den brigadier met een afdeeling vooruit te rukken en de stedelingen neêr te houwen zooveel hij er zag. Hij vloekte tegen de hooge vlammen waar de stem van den monnik uit klaagde, steeg te paard, en de kreten der soldaten krioelden door het rookende plein, ontzaglijk als een zwarte roofvogelzwerm.De straten waren leêg, maar Carolus voorop was op zijn hoede. Zij vonden de poort met kettingen en balken versperd.En terwijl er plaats werd gemaakt voor den ram en velen der soldaten uit de rijen traden, kwamen er alzijds, om de hoeken der straatjes, uit de huizen achter hen, stedelingen met schilden, bijlen en messen gewapend. De ruiters sloten zich dicht in gelid, de boogschutters achter hen spanden de pezen, en terwijl de poort met langzaam geweld gerammeid werd, wachtten zij het naderend misbaar. Maar de voorsten der burgers weifelden, zij zagen de paarden en de mannen met glinsterende wapens zoo kalm en gevaarlijk, en kwamen niet nader.Met krakend geraas braken de deuren der poort, de wagens rolden naar buiten en Rogier, omringd door zijn mannen, reed uit het rumoer en de hitte der stad en daalde den weg af, in het koele lommer der kastanjeboomen.Naast hem reden de boden; de een was uitToscane, van den keizer, de ander kwam van het noorden—beiden hadden gelijke bevelen gebracht dat de bende onmiddellijk de stad moest verlaten.

1Toen Tamalone een knaap was van dertien jaren, bleek en bescheiden, was hij het meest geliefde kind van zijn vader, die hem altoos bij zich verlangde, hem ’s morgens medenam naar het hof van den baljuw en hem zijn boek liet dragen. En thuis na het avondeten las hij hem voor, dicht bij hem gezeten. De jongen luisterde dan met oogen neêrgeslagen naar de geschiedenissen van de heiligen, van de koningen en de oorlogen en zat nog langen tijd daarna zwijgend voor zich te staren. Maar zelden sprak hij een woord.Eens zag een priester hem en was getroffen door de zonderling teedere bekoring dier donkere oogen; en nadat hij vele malen in de woning van Anfroy, denvader, was komen spreken nam hij den knaap mede naar zijn kapel, achter het gasthuis bij de rivier. Daar, in de sacristij, waar hij door de hooge ruitjes de kalme zonnige wolken aan de lucht zag gaan, zat voortaan Tamal des morgens naast andere jongens op banken, luisterend naar den priester, die in ’t midden met schoone klanken stond te zingen; hun aller hooge stemmen herhaalden dan een korte wijs,—bij het ijl geluid zijner eigen stem voelde hij zijn hart verwonderlijk poperen, zijn wangen waren heet en hij wendde zijn oogen van den priester niet af. Den langen weg naar huis, en des morgens weder naar de kapel toegaande dacht hij gedurig hoe heerlijk het was in de ruimte van een kerk te zingen; hij keek niet meer naar het koopvolk en de huizen die hij voorbij liep, hij zag inwendig zooveel nieuwe dingen en hoorde steeds den klank van de stem der priesters—het waren zijn eerste droomen waar zijn gelaat van bloosde en dit was zijn eerste liefde, het koraalgezang dat vader Mahy hem leerde.In de kapel hielden de geestelijken veelvan hem; zijn vader was heimelijk verblijd wanneer hij des avonds den jongen met een boek op de knieën stillekens bij het licht zag lezen, en dacht glimlachend aan later tijd. De moeder echter vroeg als hij naar bed was wel eens ontevreden en met een duister verdriet, waarom hij toch van de zusjes verschilde, zoo zelden en zwakjes lachte en nimmer sprak van wat hij gezien had of gelezen. Doch Anfroy sloeg op haar woorden geen acht.En toen—het was in den donkeren wintertijd dat het begon—bemerkten zijn ouders, dat hij lusteloos werd, iederen dag laat thuis kwam en ’s morgens zich haastte om uit te gaan. En op een dag kwam vader Mahy hen vragen waarom Tamal in zoo langen tijd niet gekomen was om te zingen en te leeren. Anfroy sprak dien avond bedaard en ernstig met zijn zoon, die enkel antwoordde, dat hij ’t heerlijk vond den ganschen dag door de straten te loopen, denkende aan wat in de boeken stond,—maar hij zweeg van de zonderling ontspruitende genietingen waarmede hij in zijn verbeelding vreemder en schoonerongekendheden beleefde dan hij ooit had gelezen, gezichten van verre landen en oude tijden, van ridders en heiligen en van eigen daden, saâmgeweven tot een spel van kleurig verlichte tafereelen, die hem voort deden loopen met moede voeten door straat na straat uren lang, tot hij eindelijk stil stond en met heete oogen begeerde, dat er één lief beeld van zijn gedachten wezenlijk waar.Hij zweeg van zijn innerlijken lust en beloofde weêr braaf naar het koor te gaan. Maar hij hield zijn belofte niet, hoewel zijn vader hem sloeg en vaak bestrafte.Later bleef hij ook ’s avonds uit, een buurman zei dat hij in taveernen kwam met andere jongelieden. Anfroy bedwong zijn drift en sprak weder met hem; hij zou nu in de leer gaan bij een zilversmid. En Tamal, beschaamd over zijn luiheid, ging trouw naar den winkel waar hij aandachtig werkte. Weldra voelde hij het tintelen van de onrust weder, die hem verlangend deed uitzien naar den Zondag om ver te kunnen loopen en aan de vreemde oorden te denken; maar hij bleef bestendigen zat ijverig gebogen op de werkplaats, waar slechts den ganschen dag het fluiten van den ouden meester klonk. Aan het koor, waar hij in sprakelooze verwachting placht heen te gaan, dacht hij niet meer. Hij bleef nog even zwijgzaam, zijn stem klonk ontevreden. Menigmaal wanneer hij vermoeid was kwam ereenneêrslachtig voorgevoel in zijn ziel, dat al zijn verlangen vergeefsch zou zijn, zich nimmer zou uiten, maar verzwinden om niet, en hij peinsde ernstig somtijds wat het wel was, dat hij ’t liefst zou willen ter wereld, maar wist het niet. En dan gaf hij zich met wellust over aan ’t gemijmer, dat een vreemde, onwezenlijke innigheid had, zooals zij wel kennen, die soms, laat ontwaakt, zich om den ochtend en de wakkere wereld niet bekommeren, maar liggen blijven en zich in stilte verwonderen hoe zooveel liefheid daarstraks in hun hart kon dwalen—zij spreken niet als zij opstaan en voelen in weemoedigen eenvoud, dat er schooner dingen zijn dan hun oogen zien.Hij was toen zestien. Een meisje, dat hij ontmoette, lachte hem zoo liefjes toe,dat hij verwonderd in nieuwe vervoeringen raakte en haar gaarne behaagde; doch weinige dagen slechts, want het meisje ging met een ander spaceeren terwijl hij haar overal zocht, en haar later wel beziende vond hij haar niet zoo mooi als hij eerst had gezien.Hij vergat haar aldra, maar uit die eerste verrukking broeide een rustelooze drang na, die hem gemelijk maakte en van de werkplaats afkeerig. Vaak voelde hij zich nu vermoeid van de verbeeldingen, die de een na de ander verkleurden en een stemming nalieten van armzaligheid.Eens toen hij in donker door de stille buurten doolde,hield een oude vrouw hem staande, jammerend en hem smeekend haar te beschermen voor de schouts, die haar vervolgden. Tamalone,door haar armoedige gestalte en haar klachten ontsteld, vroeg niet wat zij gedaan had, maar nam haar op en liep hard met haar heen, in de verte zag hij de lantarens van de wacht al schommelen. Met plots gevoelde kracht rende hij door duisternis voort, de vrouw klemde zich vast aan zijn hals; hij liepharder en harder want achter zich hoorde hij den klank van wapenen en het hijgen van mannen in vlugge vaart. Eensklaps werd een haak om zijn beenen geslagen, hij viel tegen een muur, de vrouw, die hij in zijn armen hield, gilde hoog uit. Doch onstuimig sprong hij op en pakte een der schouten aan—toen voelde hij sterkere handen die hem losrukten, hij worstelde nog, maar verloor zijn kracht; de kreten der dievegge drongen schel door de duisternis. Dan namen de mannen hun lantarens op en droegen hem weg, langs de huizen stonden de menschen met kaarsjes ontsteld aan hun deuren.Des morgens, terwijl hij naar het gerecht werd gevoerd, was hij verbaasd hoe eigenlijk alles gebeurd was; een arme vrouw had hem gevraagd haar te helpen en hij had met de schouts gevochten, hij wist niet waarom. En toen hij voor de rechters stond en antwoorden moest,was hij bedeesd en sprakeloos; dan echter hoorde hij achter zich het zuchten en kermen van de vrouw, die naar de galg werd gevoerd en hij zeide dat hij haarhad willen helpen. De rechters zagen elkander aan; zij veroordeelden hem, hij werd gegeeseld en daarna in het blok geslagen voor de gevangenis, waar vele menschen stonden, lachende mannen en vrouwen, luidruchtig en met drukke gebaren. Daar lag hij met pijnen onder de blauwe lucht, de toeschouwers met hun hatelijk vroolijke blikken keken voortdurend. Hij beefde van woede, zijn pijnen verergerden en werden ondragelijk, maar hij bleef met de tanden vastgeklemd en de vuisten verhard de lieden lang en strak aanstaren, die nieuwsgierig drentelden langs de rijen van boosdoeners. Eensklaps rilde hij van koude, een onnoemelijke onverschilligheid kalmeerde zijn hart en gelijk hoog aan den hemel, langzaam en onbereikbaar, een vogel gestadig verder vliegt tot hij in ’t licht verdwijnt, zoo voelde hij duidelijk, dat hij een lief vertrouwen verloor, hij sloot zijn oogen en zijn spieren ontspanden zich.Des avonds werd hij vrij gelaten. Hij liep langzaam naar huis, maar op weg voelde hij zich ziek van vermoeidheid;hij ging een herberg binnen en zat ellendig op een bankje, met een beker voor zich, terwijl in het half-duister vertrek mannen kwamen en gingen, die met grove stemmen praatten en lachten en geen acht op hem sloegen. In zijn hoofd klopte het koortsig, hij voelde iets in zich schrijnen, maar hij bleef roerloos zitten, langen tijd, strak voor zich kijkend, onverschillig en zonder gedachten. Eindelijk riep de waard hem toe, dat hij heen moest gaan; zonder antwoord dronk hij zijn beker leeg en liep naar buiten, er was iets onnatuurlijks in hem. Het was een loome nacht, waarin de geluiden van late menschen—een eenzaam vriendenpaar gearmd, dat vertrouwelijk liep te praten, of in de verte het schelle lachen van een lustige deerne—klankvol luidden als in een donker treurspel van ouden tijd. Tamal bemerkte dat de krankheid van zijn lichaam verminderd was en terwijl hij langzaam schreed door de straten van gesloten huizen,ontwaakte de een na de ander zijn gedachten, hem mild verblijdend, de lauwe zomerlucht streelde zijne wangen. Eerstdacht hij aan zijn vader, die vroeger zoo goed was geweest en van wien hij zooveel had gehouden; hij begreep niet waarom zij nu niet meer van elkander hielden en waarom zijn vader naar niets anders ooit vroeg dan of hij geregeld naar den winkel ging, naar het werk dat hij haatte en slechts deed omdat hij niet lui wilde zijn. Dan herinnerde hij zich wat hem den vorigen avond en dien dag overkomen was, hij glimlachte in lichte verbittering en voelde zich ouder; maar in zijn innig gemoed, onaangedaan door de herinnering, waarde al weder een ijl gedroom van wat hij doen zou als hij ridder was en in verre landen reisde—de beelden ontloken in zijn gemijmer als lampjes achter de ruiten wanneer de dag vervliedt, en bewogen, schimmen van een liefelijke wereld; hij had zijn geeseling vergeten en zijn woede toen hij naar den blauwen hemel boven hem zag. En bij den dageraad, bij het zwatelend gerucht van menschen, die vroeg ontwaakt naar hun arbeid gingen en blijde rondzagen naar de kalmte van den zomermorgen,liep hij nog voort met gebogen hoofd.Zijn moeder schrok toen zij hem binnen zag komen, zij nam hem schreiend in haar armen. Haar vragen echter beantwoordde hij niet; uitgeput van vermoeienis leide hij zich op zijn bed en sloot zijn oogen. Een diepe ademhaling klonk weldra in de kamer, waar de zon scheen en de zusjes, in hun spel gestoord, op een afstand naar hem keken; de moeder, met betraande oogen, ging rustig met haar werk weêr voort. Toen Anfroy thuis kwam van het hof,stond hij een pooze zwijgend bij zijn slapenden zoon, zette zich dan aan de tafel, zeide zijn gebed en at, maar hij sprak geen enkel woord, zoodat het zeer stil was en slechts de zware ademhaling werd gehoord van den slaper in de bedstede.Terwijl zij arm in arm naar de werkplaats gingen des anderen daags, vroeg Anfroy zijn zoon waarom hij voor de gevangenis te schande had gelegen. Tamal was aangedaan door de zachte stem en vertelde alles op verdrietigen toon. Maar zijn vader keek hem wantrouwend aan en schudde zijn hoofd; toen werd hij plotselingrood en rukte zijn arm los, in benauwde boosheid schreed hij voort, hij sprak niet meer. Zij waren bij de werkplaats gekomen; Anfroy stond stil en beval zijn zoon vroeg thuis te komen toen deze op eens zich omkeerde en met een kreet hard wegliep—een bedreiging werd hem nageschreeuwd, de grijze zilversmid kwam naar buiten, vroeg wat er was en schudde zijn hoofd.Sedert zagen zij hem thuis op ongeregelde uren; eerst klopte hij laat elken avond aan de deur, klom zwijgend in zijn bed terwijl zijn vader hem schold en hij nog lang daarna het zuchten van zijn moeder hoorde; maar later bleef hij vaak gansche nachten weg en kwam dan onverwacht wanneer zijn moeder alleen was om eten vragen. Het werd zeer droevig in het huis van Anfroy; de kleine meisjes spraken met fluisterende stem als hun ouders tegenover elkaêr aan de tafel zaten en aan den jongen dachten, die in duister en ongetij dwaalde, zij wisten niet waar.Tamalone kende de gansche stad en de landen buiten de wallen. Bij voorkeur liephij waar weinig menschen waren, daar voelde hij zich tevreden en teeder van hart. Des avonds zat hij in een taveerne met andere jongelieden, die zongen, stoeiden en van de meisjes spraken welke zij kenden, en daar kreeg hij een vriend, een vroolijk jonkman, die met liederen en vioolspel het brood verdiende en hem dikwijls lachen deed. Zij waren allen arm en zorgeloos; om voor zijn vrienden en zich zelf een maal te betalen nam Tamalone soms heimelijk uit het koffertje waar zijn vader al jaren lang de zilverstukken spaarde.Eens was hij thuis gekomen om voor de barre koude te schuilen. Zijn moeder zat bij het lampje en Anfroy in de schouw met starre oogen waar de hooge vlammen hun licht in spiegelden. De wind die zoo straks door den schoorsteen gierde,was van lieverleê bedaard. Het hout knetterde in het vuur, niemand sprak in de kamer; het was een zonderlinge stilte en Tamal, van den een naar de ander kijkende, kreeg plots een ingeving, dat zijn ouders, onverschillig en ongenegen, vreemdelingen waren voor hem en eeuwig zouden blijven.Zijn oogen werden vochtig en hij wenschte, dat toch zijn vader iets zeggen zou om de stilte te breken; hij stond op, liep lusteloos heen en weder en keerde bij ’t vuur terug, zijn borst was van verlangen vol, hij wilde spreken, maar wist niet hoe. Buiten hoorde hij de stemmen van geburen, die elkander iets toeriepen over het koude weder, een deur sloeg toe en alle gerucht van de straat verstierf, terwijl in de kamer zwaar de tijd verging en de stilte ontzaglijk werd, suizend en ruim, als vervuld van een machtige aanwezigheid, onbegrijpelijk en niet te weêrstaan. Met oogen wijd open van onnoozelen angst zag hij rondom zich naar de oude meubelen, de bedsteê waar zijn zusjes sliepen, en de schouw—zijn vader zat in de warmte te dutten, de vlammen verlichtten zijn gelaat, dat terzijde was genegen. En Tamal ervoer die zelfde onverschilligheid weder, die hij gevoeld had toen hij in ’t blok had gelegen verleden zomer, het was nu een aangenaam licht gevoel. Een oogenblik later dacht hij aan zijn vrienden en den jool in de herberg;hij stond op, nam zachtjes zijn kap van een stoel en liep naar de deur. Hij keerde zich om—zijn moeder keek hem boos aan met het voorhoofd geplooid, zijn vader zat roerloos in den vlammenschijn. En geheel onbedacht, duidelijk en zeker, nam hij het besluit nimmer meer terug te keeren, doch naar andere landen te gaan... het was een plotse klaarheid in zijn gemoed als de glans van de zon in een rivier. Hij lichtte de klink, de tocht voer ijzig door de reet der deur naar binnen, zoodat op de tafel het lampje walmde.Haastig liep hij door de straten waar in duister de sneeuw zacht ritselend in dichte drift neêrdaalde, zijne schreden maakten een krakend geruisch. Hij dacht hoe hij morgen eten zou vinden, maar vergat dat weêr spoedig in zijn blijheid, dat zijn leven veranderen zou. En hij liep zoo lang, denkend aan de verre landen, tot hij niet wist waar hij was.In den ochtend, die feestelijk scheen van rijkelijk warrelende sneeuw over de lage huisjes, vertrouwelijk onder hun wit-bevrachte daken, vonden de stadswachtshem in het portiek van een kerkje; hun stemmen en een vroegmisklokje klonken broederlijk en welgestemd in de zachte, zedige straat. Zij namen hem op en droegen hem weg naar het gasthuis.Daarna zwierf Tamalone met zijn vriend in achterbuurten en herbergen waar dieven en liedjeszangers en lichtekooien te zamen kwamen. Menigmaal liepen zij beiden, arm in arm, te zoeken, waar zij te eten konden krijgen en menigmaal ook vluchtten zij buiten de poort om zich te verschuilen dagen lang voor de schouts. Maar Tamalone was frank en tevreden in zijn bandeloos leven en groeide spoedig tot man.Eens ontmoette vader Mahy hem, die zijn bleek gelaat aandachtig beschouwde, dan vriendelijk tot hem sprak en hem medenam naar zijn woning. Het was een welig behagen voor den jonkman aan den klaren disch te zitten en naar de vrome woorden van den priester te hooren, zijn leven van de laatste maanden scheen hem onwezenlijk toe. In de sacristij, waar de zelfde gele bladen muziek van vroeger lagen, zongen zij een lofzang samen, deeen was door de stem van den ander tot serene wijding geroerd. Hij bleef verscheidene dagen in de woning van den vader, ernstig en in vroom gemijmer; op een ochtend ging hij mede naar het nieuwe klooster van St. Franciscus, waar de overste hem in beproeving ontving.Alleen in zijn cel, eenvoudig en bedaard, schreef hij daar van den stillen morgen tot den stillen nacht bij het licht van een kaars de woorden van heiligen in sierlijke letters na; wanneer het klokje der uren klepelde en het zijn beurt was, ging hij naar het altaar om te bidden, de arbeid en de koele stemmigheid van het huis hadden zijn verbeelding bedaard, hij bad in liefderijken ernst. Een grijze broeder bleef somwijlen staan om hem na te zien wanneer hij door den ommegang terugkeerde naar zijn cel, en dacht dat hij een vroom man moest worden, die zoo bezadigd was in zijn jeugd.Doch, vermoeid en geheel alleen met de boeken, zat Tamalone menigkeer lange poozen te staren naar zijn hoog tralievenster en dacht aan de verlatenheid waarinhij door een toeval was verdwaald, hij die weleer in kleurige verzinsels leefde van veel avontuur; en dacht aan zijn traagheid ook waardoor alleen hij nimmer getracht had te weten wat zijn toekomst zou wezen en waarheen toch zijn verlangen stond.En aldus, na veel laten, aandachtigen arbeid mijmerend in ’t grauwe vertrekje, kreeg hij eens in verbazing het inzicht, dat zijn leven vruchteloos was voor God dien hij bad, wijl heel zijn lieve jeugd en de warmte van zijn hart in droomerijen waren verspeeld en hem niet meer konden drijven tot vrome daden; dat zijn leven machteloos zou zijn, daar hij niet zooals de broeders begeerde, die met devotie of met hartstochtelijke woorden spraken van wat zij doen wilden ter liefde van den Heer en de zondige menschen. Hij zuchtte gelaten, doch hij treurde niet en den anderen morgen zette hij zich weêr bedaard aan den lessenaar.Maanden lang zat hij alleen, schrijvende in zijn cel, hij voelde zich een oud man worden en had geen andere zorg dan voor het pergament en de sierlijkheid der letters.In de diepte van den nacht, als de taak was volbracht, had hij soms een onbestemd berouw, dat de tijd voorbij ging en geen verandering bracht. Daarbuiten in de wereld leefden de menschen in vroolijke drukte.Ten leste echter kwijnde zijn ijver en op zonnige morgens talmde hij langer in den hof, op een bank in het bloesemend lommer, met andere broeders, die praatten en hun werk vergaten in glimlachende genoegelijkheid; of drentelde geheel alleen door den boomgaard, zooals hij ’t liefste deed, terwijl met vreemde onverwachtheid hem de lieve verbeeldingen uit zijn jongensjaren weêr verschenen. Wanneer de overste of de poortier hem vond, hem berispte of bestrafte, ondervond hij die zelfde schaamte en vrees als in de dagen toen zijn vader hem gestreng behandelde. En onder het werk, wanneer de wrok tegen het onrechtvaardig gezag was geweken, werd het hem al klaarder bewust, dat hij in heel zijn leven niet gelukkig was geweest, behalve vroeger als hij alleen door de straten liep en in zijn denken verwonderlijkedingen zag gebeuren. Hij zuchtte bij de gedachte wat er gekomen was van zijn innig voornemen om vroom te leven, zijn schoonste gevoelen was maar een vergankelijk iets geweest, en hij glimlachte over zich zelven.Omtrent den tijd, dat de aartsbisschop een bezoek zou brengen, gingen er heimelijke geruchten in het klooster: de broeders, die des morgens altijd luierden en praatten, werden achterdochtig en keken gedurig rondom zich. Eén van hen, Simon was zijn naam, vertelde Tamalone eindelijk wat er op handen was: zij werden van ketterijen verdacht, er was een geschrift gevonden met leerstellingen van de catharisten en zij hadden besloten liever te vluchten dan het oordeel van den aartsbisschop te wachten en de penitentiën, die volgen zouden om het huis te zuiveren—bijna in alle kloosters waren oproerige denkbeelden ontdekt, men strafte gestreng. Tamalone zelf hadgevaarlijkewoorden gesproken, zeide Simon, en zij rieden hem met hen mede te gaan. Hij herinnerde zich niet wat hij gezegd kon hebben enwaarin hij gezondigd had, maar het enkele geheimzinnige woord van een vlucht in donker bekoorde hem zoodanig, dat zijn wangen gloeiden en hij in ontroering telkens dacht aan de uitgestrektheid der velden ginder buiten den muur, aan de tallooze menschen die hij weêrzien zou in de stad.Den zelfden avond nog klauterden zij stillekens één voor één een venstertje uit en liepen achter elkaar zwijgend door een weiland in de richting der stad, waar de lucht rossig was gelijk de weerschijn van een brand. Tamalone kwam achteraan in de donkere rij van pijen en floot een deuntje dat schriel welluidend klonk in den teederen avond, hij was zoo zorgeloos wat een toeval hem weêr brengen zou. Toen zij binnen de stadspoort waren gekomen,gaven zij elkander de hand, een iegelijk ging zijns weegs en Tamalone voerde Simon naar een herberg meê, die hij wist in een achterstraat.Sedert dien tijd had hij nooit meer een woning. Hij verliet de stad waar hij geboren was en zijn vaderland, vroolijk en onbezorgd waar ’t henen ging. Het toeval voerde hem naar het zuiden. Slechts debochtige nauwe straatjes waar hij als knaap had gedoold,keerden somtijds in zijn herinnering weêr, en ook een enkel maal het gelaat van zijn vader met starre oogen. Wel vermeed hij de eerste maanden de menschen nog, want in de droomen uit zachtzinnig verlangen gerezen zweefde een vage hoop, dat hij wonderen zou beleven van hartstocht en geluk. Doch de tevredenheid, welke hij genoot op zijn reizen over verlaten wegen, wanneer hij enkele dagen in een dorp of konvent had vertoefd, deed hem begrijpen dat zijn vrijheid zijn eenig geluk zou wezen. En de oude verbeeldingen van schoone vrouwen en ’t geluk dat zij schenken, van prinselijke grootheid en daden die de wereld zouden verbazen, werden allengs een simpel welbehagen gelijk in een schouwspel dat men gadeslaat, het wekt geen verwachtingen en ’t genot is maar tijdelijk. En hij werd spraakzaam en gemoedelijk.Hij zwierf in vele streken, het liefst op het land; onder den ruimen hemel voort te gaan was zijn grootste vreugd. De burgers in de steden kenden hem als eenvriendelijken eerzamen broeder, die tallooze verhalen wist en hen aan ’t lachen kon maken, zoodat zij hem gaarne zagen; maar sommigen ook zeiden kwade dingen van hem, dat hij een bedriegelijke sluwerd was en een dief. Zelden echter bleef hij lang in de steden, hij trok zich van de menschen en hun zorgen luttel aan, en het leek hem of ook de lieden hem eerst met bevreemding aanzagen, wanneer hij weêr eenige dagen in hun buurt was teruggekeerd, er was er geen die ooit aan hem dacht.—Tamalone wist, dat zelfs broeder Simon, zijn vriend die in Pisa woonde, waar hij soms kwam, hem vergat wanneer hij vertrok. Maar hij bleef argeloos en blijgezind en voelde in zijn avontuurlijke vrijheid zich immer een gelukkig man. Het duister verlangen van weleer naar hartstochtelijke daden en ontroeringen kwam maar zeldzaam in zijn gemoed, de vreugde van het zonlicht en de wolken aan den hemel en van de beelden, die enkel beelden bleven, was zijn eenig bezit, hij wist dat er geen toekomst was.

1

Toen Tamalone een knaap was van dertien jaren, bleek en bescheiden, was hij het meest geliefde kind van zijn vader, die hem altoos bij zich verlangde, hem ’s morgens medenam naar het hof van den baljuw en hem zijn boek liet dragen. En thuis na het avondeten las hij hem voor, dicht bij hem gezeten. De jongen luisterde dan met oogen neêrgeslagen naar de geschiedenissen van de heiligen, van de koningen en de oorlogen en zat nog langen tijd daarna zwijgend voor zich te staren. Maar zelden sprak hij een woord.Eens zag een priester hem en was getroffen door de zonderling teedere bekoring dier donkere oogen; en nadat hij vele malen in de woning van Anfroy, denvader, was komen spreken nam hij den knaap mede naar zijn kapel, achter het gasthuis bij de rivier. Daar, in de sacristij, waar hij door de hooge ruitjes de kalme zonnige wolken aan de lucht zag gaan, zat voortaan Tamal des morgens naast andere jongens op banken, luisterend naar den priester, die in ’t midden met schoone klanken stond te zingen; hun aller hooge stemmen herhaalden dan een korte wijs,—bij het ijl geluid zijner eigen stem voelde hij zijn hart verwonderlijk poperen, zijn wangen waren heet en hij wendde zijn oogen van den priester niet af. Den langen weg naar huis, en des morgens weder naar de kapel toegaande dacht hij gedurig hoe heerlijk het was in de ruimte van een kerk te zingen; hij keek niet meer naar het koopvolk en de huizen die hij voorbij liep, hij zag inwendig zooveel nieuwe dingen en hoorde steeds den klank van de stem der priesters—het waren zijn eerste droomen waar zijn gelaat van bloosde en dit was zijn eerste liefde, het koraalgezang dat vader Mahy hem leerde.In de kapel hielden de geestelijken veelvan hem; zijn vader was heimelijk verblijd wanneer hij des avonds den jongen met een boek op de knieën stillekens bij het licht zag lezen, en dacht glimlachend aan later tijd. De moeder echter vroeg als hij naar bed was wel eens ontevreden en met een duister verdriet, waarom hij toch van de zusjes verschilde, zoo zelden en zwakjes lachte en nimmer sprak van wat hij gezien had of gelezen. Doch Anfroy sloeg op haar woorden geen acht.En toen—het was in den donkeren wintertijd dat het begon—bemerkten zijn ouders, dat hij lusteloos werd, iederen dag laat thuis kwam en ’s morgens zich haastte om uit te gaan. En op een dag kwam vader Mahy hen vragen waarom Tamal in zoo langen tijd niet gekomen was om te zingen en te leeren. Anfroy sprak dien avond bedaard en ernstig met zijn zoon, die enkel antwoordde, dat hij ’t heerlijk vond den ganschen dag door de straten te loopen, denkende aan wat in de boeken stond,—maar hij zweeg van de zonderling ontspruitende genietingen waarmede hij in zijn verbeelding vreemder en schoonerongekendheden beleefde dan hij ooit had gelezen, gezichten van verre landen en oude tijden, van ridders en heiligen en van eigen daden, saâmgeweven tot een spel van kleurig verlichte tafereelen, die hem voort deden loopen met moede voeten door straat na straat uren lang, tot hij eindelijk stil stond en met heete oogen begeerde, dat er één lief beeld van zijn gedachten wezenlijk waar.Hij zweeg van zijn innerlijken lust en beloofde weêr braaf naar het koor te gaan. Maar hij hield zijn belofte niet, hoewel zijn vader hem sloeg en vaak bestrafte.Later bleef hij ook ’s avonds uit, een buurman zei dat hij in taveernen kwam met andere jongelieden. Anfroy bedwong zijn drift en sprak weder met hem; hij zou nu in de leer gaan bij een zilversmid. En Tamal, beschaamd over zijn luiheid, ging trouw naar den winkel waar hij aandachtig werkte. Weldra voelde hij het tintelen van de onrust weder, die hem verlangend deed uitzien naar den Zondag om ver te kunnen loopen en aan de vreemde oorden te denken; maar hij bleef bestendigen zat ijverig gebogen op de werkplaats, waar slechts den ganschen dag het fluiten van den ouden meester klonk. Aan het koor, waar hij in sprakelooze verwachting placht heen te gaan, dacht hij niet meer. Hij bleef nog even zwijgzaam, zijn stem klonk ontevreden. Menigmaal wanneer hij vermoeid was kwam ereenneêrslachtig voorgevoel in zijn ziel, dat al zijn verlangen vergeefsch zou zijn, zich nimmer zou uiten, maar verzwinden om niet, en hij peinsde ernstig somtijds wat het wel was, dat hij ’t liefst zou willen ter wereld, maar wist het niet. En dan gaf hij zich met wellust over aan ’t gemijmer, dat een vreemde, onwezenlijke innigheid had, zooals zij wel kennen, die soms, laat ontwaakt, zich om den ochtend en de wakkere wereld niet bekommeren, maar liggen blijven en zich in stilte verwonderen hoe zooveel liefheid daarstraks in hun hart kon dwalen—zij spreken niet als zij opstaan en voelen in weemoedigen eenvoud, dat er schooner dingen zijn dan hun oogen zien.Hij was toen zestien. Een meisje, dat hij ontmoette, lachte hem zoo liefjes toe,dat hij verwonderd in nieuwe vervoeringen raakte en haar gaarne behaagde; doch weinige dagen slechts, want het meisje ging met een ander spaceeren terwijl hij haar overal zocht, en haar later wel beziende vond hij haar niet zoo mooi als hij eerst had gezien.Hij vergat haar aldra, maar uit die eerste verrukking broeide een rustelooze drang na, die hem gemelijk maakte en van de werkplaats afkeerig. Vaak voelde hij zich nu vermoeid van de verbeeldingen, die de een na de ander verkleurden en een stemming nalieten van armzaligheid.Eens toen hij in donker door de stille buurten doolde,hield een oude vrouw hem staande, jammerend en hem smeekend haar te beschermen voor de schouts, die haar vervolgden. Tamalone,door haar armoedige gestalte en haar klachten ontsteld, vroeg niet wat zij gedaan had, maar nam haar op en liep hard met haar heen, in de verte zag hij de lantarens van de wacht al schommelen. Met plots gevoelde kracht rende hij door duisternis voort, de vrouw klemde zich vast aan zijn hals; hij liepharder en harder want achter zich hoorde hij den klank van wapenen en het hijgen van mannen in vlugge vaart. Eensklaps werd een haak om zijn beenen geslagen, hij viel tegen een muur, de vrouw, die hij in zijn armen hield, gilde hoog uit. Doch onstuimig sprong hij op en pakte een der schouten aan—toen voelde hij sterkere handen die hem losrukten, hij worstelde nog, maar verloor zijn kracht; de kreten der dievegge drongen schel door de duisternis. Dan namen de mannen hun lantarens op en droegen hem weg, langs de huizen stonden de menschen met kaarsjes ontsteld aan hun deuren.Des morgens, terwijl hij naar het gerecht werd gevoerd, was hij verbaasd hoe eigenlijk alles gebeurd was; een arme vrouw had hem gevraagd haar te helpen en hij had met de schouts gevochten, hij wist niet waarom. En toen hij voor de rechters stond en antwoorden moest,was hij bedeesd en sprakeloos; dan echter hoorde hij achter zich het zuchten en kermen van de vrouw, die naar de galg werd gevoerd en hij zeide dat hij haarhad willen helpen. De rechters zagen elkander aan; zij veroordeelden hem, hij werd gegeeseld en daarna in het blok geslagen voor de gevangenis, waar vele menschen stonden, lachende mannen en vrouwen, luidruchtig en met drukke gebaren. Daar lag hij met pijnen onder de blauwe lucht, de toeschouwers met hun hatelijk vroolijke blikken keken voortdurend. Hij beefde van woede, zijn pijnen verergerden en werden ondragelijk, maar hij bleef met de tanden vastgeklemd en de vuisten verhard de lieden lang en strak aanstaren, die nieuwsgierig drentelden langs de rijen van boosdoeners. Eensklaps rilde hij van koude, een onnoemelijke onverschilligheid kalmeerde zijn hart en gelijk hoog aan den hemel, langzaam en onbereikbaar, een vogel gestadig verder vliegt tot hij in ’t licht verdwijnt, zoo voelde hij duidelijk, dat hij een lief vertrouwen verloor, hij sloot zijn oogen en zijn spieren ontspanden zich.Des avonds werd hij vrij gelaten. Hij liep langzaam naar huis, maar op weg voelde hij zich ziek van vermoeidheid;hij ging een herberg binnen en zat ellendig op een bankje, met een beker voor zich, terwijl in het half-duister vertrek mannen kwamen en gingen, die met grove stemmen praatten en lachten en geen acht op hem sloegen. In zijn hoofd klopte het koortsig, hij voelde iets in zich schrijnen, maar hij bleef roerloos zitten, langen tijd, strak voor zich kijkend, onverschillig en zonder gedachten. Eindelijk riep de waard hem toe, dat hij heen moest gaan; zonder antwoord dronk hij zijn beker leeg en liep naar buiten, er was iets onnatuurlijks in hem. Het was een loome nacht, waarin de geluiden van late menschen—een eenzaam vriendenpaar gearmd, dat vertrouwelijk liep te praten, of in de verte het schelle lachen van een lustige deerne—klankvol luidden als in een donker treurspel van ouden tijd. Tamal bemerkte dat de krankheid van zijn lichaam verminderd was en terwijl hij langzaam schreed door de straten van gesloten huizen,ontwaakte de een na de ander zijn gedachten, hem mild verblijdend, de lauwe zomerlucht streelde zijne wangen. Eerstdacht hij aan zijn vader, die vroeger zoo goed was geweest en van wien hij zooveel had gehouden; hij begreep niet waarom zij nu niet meer van elkander hielden en waarom zijn vader naar niets anders ooit vroeg dan of hij geregeld naar den winkel ging, naar het werk dat hij haatte en slechts deed omdat hij niet lui wilde zijn. Dan herinnerde hij zich wat hem den vorigen avond en dien dag overkomen was, hij glimlachte in lichte verbittering en voelde zich ouder; maar in zijn innig gemoed, onaangedaan door de herinnering, waarde al weder een ijl gedroom van wat hij doen zou als hij ridder was en in verre landen reisde—de beelden ontloken in zijn gemijmer als lampjes achter de ruiten wanneer de dag vervliedt, en bewogen, schimmen van een liefelijke wereld; hij had zijn geeseling vergeten en zijn woede toen hij naar den blauwen hemel boven hem zag. En bij den dageraad, bij het zwatelend gerucht van menschen, die vroeg ontwaakt naar hun arbeid gingen en blijde rondzagen naar de kalmte van den zomermorgen,liep hij nog voort met gebogen hoofd.Zijn moeder schrok toen zij hem binnen zag komen, zij nam hem schreiend in haar armen. Haar vragen echter beantwoordde hij niet; uitgeput van vermoeienis leide hij zich op zijn bed en sloot zijn oogen. Een diepe ademhaling klonk weldra in de kamer, waar de zon scheen en de zusjes, in hun spel gestoord, op een afstand naar hem keken; de moeder, met betraande oogen, ging rustig met haar werk weêr voort. Toen Anfroy thuis kwam van het hof,stond hij een pooze zwijgend bij zijn slapenden zoon, zette zich dan aan de tafel, zeide zijn gebed en at, maar hij sprak geen enkel woord, zoodat het zeer stil was en slechts de zware ademhaling werd gehoord van den slaper in de bedstede.Terwijl zij arm in arm naar de werkplaats gingen des anderen daags, vroeg Anfroy zijn zoon waarom hij voor de gevangenis te schande had gelegen. Tamal was aangedaan door de zachte stem en vertelde alles op verdrietigen toon. Maar zijn vader keek hem wantrouwend aan en schudde zijn hoofd; toen werd hij plotselingrood en rukte zijn arm los, in benauwde boosheid schreed hij voort, hij sprak niet meer. Zij waren bij de werkplaats gekomen; Anfroy stond stil en beval zijn zoon vroeg thuis te komen toen deze op eens zich omkeerde en met een kreet hard wegliep—een bedreiging werd hem nageschreeuwd, de grijze zilversmid kwam naar buiten, vroeg wat er was en schudde zijn hoofd.Sedert zagen zij hem thuis op ongeregelde uren; eerst klopte hij laat elken avond aan de deur, klom zwijgend in zijn bed terwijl zijn vader hem schold en hij nog lang daarna het zuchten van zijn moeder hoorde; maar later bleef hij vaak gansche nachten weg en kwam dan onverwacht wanneer zijn moeder alleen was om eten vragen. Het werd zeer droevig in het huis van Anfroy; de kleine meisjes spraken met fluisterende stem als hun ouders tegenover elkaêr aan de tafel zaten en aan den jongen dachten, die in duister en ongetij dwaalde, zij wisten niet waar.Tamalone kende de gansche stad en de landen buiten de wallen. Bij voorkeur liephij waar weinig menschen waren, daar voelde hij zich tevreden en teeder van hart. Des avonds zat hij in een taveerne met andere jongelieden, die zongen, stoeiden en van de meisjes spraken welke zij kenden, en daar kreeg hij een vriend, een vroolijk jonkman, die met liederen en vioolspel het brood verdiende en hem dikwijls lachen deed. Zij waren allen arm en zorgeloos; om voor zijn vrienden en zich zelf een maal te betalen nam Tamalone soms heimelijk uit het koffertje waar zijn vader al jaren lang de zilverstukken spaarde.Eens was hij thuis gekomen om voor de barre koude te schuilen. Zijn moeder zat bij het lampje en Anfroy in de schouw met starre oogen waar de hooge vlammen hun licht in spiegelden. De wind die zoo straks door den schoorsteen gierde,was van lieverleê bedaard. Het hout knetterde in het vuur, niemand sprak in de kamer; het was een zonderlinge stilte en Tamal, van den een naar de ander kijkende, kreeg plots een ingeving, dat zijn ouders, onverschillig en ongenegen, vreemdelingen waren voor hem en eeuwig zouden blijven.Zijn oogen werden vochtig en hij wenschte, dat toch zijn vader iets zeggen zou om de stilte te breken; hij stond op, liep lusteloos heen en weder en keerde bij ’t vuur terug, zijn borst was van verlangen vol, hij wilde spreken, maar wist niet hoe. Buiten hoorde hij de stemmen van geburen, die elkander iets toeriepen over het koude weder, een deur sloeg toe en alle gerucht van de straat verstierf, terwijl in de kamer zwaar de tijd verging en de stilte ontzaglijk werd, suizend en ruim, als vervuld van een machtige aanwezigheid, onbegrijpelijk en niet te weêrstaan. Met oogen wijd open van onnoozelen angst zag hij rondom zich naar de oude meubelen, de bedsteê waar zijn zusjes sliepen, en de schouw—zijn vader zat in de warmte te dutten, de vlammen verlichtten zijn gelaat, dat terzijde was genegen. En Tamal ervoer die zelfde onverschilligheid weder, die hij gevoeld had toen hij in ’t blok had gelegen verleden zomer, het was nu een aangenaam licht gevoel. Een oogenblik later dacht hij aan zijn vrienden en den jool in de herberg;hij stond op, nam zachtjes zijn kap van een stoel en liep naar de deur. Hij keerde zich om—zijn moeder keek hem boos aan met het voorhoofd geplooid, zijn vader zat roerloos in den vlammenschijn. En geheel onbedacht, duidelijk en zeker, nam hij het besluit nimmer meer terug te keeren, doch naar andere landen te gaan... het was een plotse klaarheid in zijn gemoed als de glans van de zon in een rivier. Hij lichtte de klink, de tocht voer ijzig door de reet der deur naar binnen, zoodat op de tafel het lampje walmde.Haastig liep hij door de straten waar in duister de sneeuw zacht ritselend in dichte drift neêrdaalde, zijne schreden maakten een krakend geruisch. Hij dacht hoe hij morgen eten zou vinden, maar vergat dat weêr spoedig in zijn blijheid, dat zijn leven veranderen zou. En hij liep zoo lang, denkend aan de verre landen, tot hij niet wist waar hij was.In den ochtend, die feestelijk scheen van rijkelijk warrelende sneeuw over de lage huisjes, vertrouwelijk onder hun wit-bevrachte daken, vonden de stadswachtshem in het portiek van een kerkje; hun stemmen en een vroegmisklokje klonken broederlijk en welgestemd in de zachte, zedige straat. Zij namen hem op en droegen hem weg naar het gasthuis.Daarna zwierf Tamalone met zijn vriend in achterbuurten en herbergen waar dieven en liedjeszangers en lichtekooien te zamen kwamen. Menigmaal liepen zij beiden, arm in arm, te zoeken, waar zij te eten konden krijgen en menigmaal ook vluchtten zij buiten de poort om zich te verschuilen dagen lang voor de schouts. Maar Tamalone was frank en tevreden in zijn bandeloos leven en groeide spoedig tot man.Eens ontmoette vader Mahy hem, die zijn bleek gelaat aandachtig beschouwde, dan vriendelijk tot hem sprak en hem medenam naar zijn woning. Het was een welig behagen voor den jonkman aan den klaren disch te zitten en naar de vrome woorden van den priester te hooren, zijn leven van de laatste maanden scheen hem onwezenlijk toe. In de sacristij, waar de zelfde gele bladen muziek van vroeger lagen, zongen zij een lofzang samen, deeen was door de stem van den ander tot serene wijding geroerd. Hij bleef verscheidene dagen in de woning van den vader, ernstig en in vroom gemijmer; op een ochtend ging hij mede naar het nieuwe klooster van St. Franciscus, waar de overste hem in beproeving ontving.Alleen in zijn cel, eenvoudig en bedaard, schreef hij daar van den stillen morgen tot den stillen nacht bij het licht van een kaars de woorden van heiligen in sierlijke letters na; wanneer het klokje der uren klepelde en het zijn beurt was, ging hij naar het altaar om te bidden, de arbeid en de koele stemmigheid van het huis hadden zijn verbeelding bedaard, hij bad in liefderijken ernst. Een grijze broeder bleef somwijlen staan om hem na te zien wanneer hij door den ommegang terugkeerde naar zijn cel, en dacht dat hij een vroom man moest worden, die zoo bezadigd was in zijn jeugd.Doch, vermoeid en geheel alleen met de boeken, zat Tamalone menigkeer lange poozen te staren naar zijn hoog tralievenster en dacht aan de verlatenheid waarinhij door een toeval was verdwaald, hij die weleer in kleurige verzinsels leefde van veel avontuur; en dacht aan zijn traagheid ook waardoor alleen hij nimmer getracht had te weten wat zijn toekomst zou wezen en waarheen toch zijn verlangen stond.En aldus, na veel laten, aandachtigen arbeid mijmerend in ’t grauwe vertrekje, kreeg hij eens in verbazing het inzicht, dat zijn leven vruchteloos was voor God dien hij bad, wijl heel zijn lieve jeugd en de warmte van zijn hart in droomerijen waren verspeeld en hem niet meer konden drijven tot vrome daden; dat zijn leven machteloos zou zijn, daar hij niet zooals de broeders begeerde, die met devotie of met hartstochtelijke woorden spraken van wat zij doen wilden ter liefde van den Heer en de zondige menschen. Hij zuchtte gelaten, doch hij treurde niet en den anderen morgen zette hij zich weêr bedaard aan den lessenaar.Maanden lang zat hij alleen, schrijvende in zijn cel, hij voelde zich een oud man worden en had geen andere zorg dan voor het pergament en de sierlijkheid der letters.In de diepte van den nacht, als de taak was volbracht, had hij soms een onbestemd berouw, dat de tijd voorbij ging en geen verandering bracht. Daarbuiten in de wereld leefden de menschen in vroolijke drukte.Ten leste echter kwijnde zijn ijver en op zonnige morgens talmde hij langer in den hof, op een bank in het bloesemend lommer, met andere broeders, die praatten en hun werk vergaten in glimlachende genoegelijkheid; of drentelde geheel alleen door den boomgaard, zooals hij ’t liefste deed, terwijl met vreemde onverwachtheid hem de lieve verbeeldingen uit zijn jongensjaren weêr verschenen. Wanneer de overste of de poortier hem vond, hem berispte of bestrafte, ondervond hij die zelfde schaamte en vrees als in de dagen toen zijn vader hem gestreng behandelde. En onder het werk, wanneer de wrok tegen het onrechtvaardig gezag was geweken, werd het hem al klaarder bewust, dat hij in heel zijn leven niet gelukkig was geweest, behalve vroeger als hij alleen door de straten liep en in zijn denken verwonderlijkedingen zag gebeuren. Hij zuchtte bij de gedachte wat er gekomen was van zijn innig voornemen om vroom te leven, zijn schoonste gevoelen was maar een vergankelijk iets geweest, en hij glimlachte over zich zelven.Omtrent den tijd, dat de aartsbisschop een bezoek zou brengen, gingen er heimelijke geruchten in het klooster: de broeders, die des morgens altijd luierden en praatten, werden achterdochtig en keken gedurig rondom zich. Eén van hen, Simon was zijn naam, vertelde Tamalone eindelijk wat er op handen was: zij werden van ketterijen verdacht, er was een geschrift gevonden met leerstellingen van de catharisten en zij hadden besloten liever te vluchten dan het oordeel van den aartsbisschop te wachten en de penitentiën, die volgen zouden om het huis te zuiveren—bijna in alle kloosters waren oproerige denkbeelden ontdekt, men strafte gestreng. Tamalone zelf hadgevaarlijkewoorden gesproken, zeide Simon, en zij rieden hem met hen mede te gaan. Hij herinnerde zich niet wat hij gezegd kon hebben enwaarin hij gezondigd had, maar het enkele geheimzinnige woord van een vlucht in donker bekoorde hem zoodanig, dat zijn wangen gloeiden en hij in ontroering telkens dacht aan de uitgestrektheid der velden ginder buiten den muur, aan de tallooze menschen die hij weêrzien zou in de stad.Den zelfden avond nog klauterden zij stillekens één voor één een venstertje uit en liepen achter elkaar zwijgend door een weiland in de richting der stad, waar de lucht rossig was gelijk de weerschijn van een brand. Tamalone kwam achteraan in de donkere rij van pijen en floot een deuntje dat schriel welluidend klonk in den teederen avond, hij was zoo zorgeloos wat een toeval hem weêr brengen zou. Toen zij binnen de stadspoort waren gekomen,gaven zij elkander de hand, een iegelijk ging zijns weegs en Tamalone voerde Simon naar een herberg meê, die hij wist in een achterstraat.Sedert dien tijd had hij nooit meer een woning. Hij verliet de stad waar hij geboren was en zijn vaderland, vroolijk en onbezorgd waar ’t henen ging. Het toeval voerde hem naar het zuiden. Slechts debochtige nauwe straatjes waar hij als knaap had gedoold,keerden somtijds in zijn herinnering weêr, en ook een enkel maal het gelaat van zijn vader met starre oogen. Wel vermeed hij de eerste maanden de menschen nog, want in de droomen uit zachtzinnig verlangen gerezen zweefde een vage hoop, dat hij wonderen zou beleven van hartstocht en geluk. Doch de tevredenheid, welke hij genoot op zijn reizen over verlaten wegen, wanneer hij enkele dagen in een dorp of konvent had vertoefd, deed hem begrijpen dat zijn vrijheid zijn eenig geluk zou wezen. En de oude verbeeldingen van schoone vrouwen en ’t geluk dat zij schenken, van prinselijke grootheid en daden die de wereld zouden verbazen, werden allengs een simpel welbehagen gelijk in een schouwspel dat men gadeslaat, het wekt geen verwachtingen en ’t genot is maar tijdelijk. En hij werd spraakzaam en gemoedelijk.Hij zwierf in vele streken, het liefst op het land; onder den ruimen hemel voort te gaan was zijn grootste vreugd. De burgers in de steden kenden hem als eenvriendelijken eerzamen broeder, die tallooze verhalen wist en hen aan ’t lachen kon maken, zoodat zij hem gaarne zagen; maar sommigen ook zeiden kwade dingen van hem, dat hij een bedriegelijke sluwerd was en een dief. Zelden echter bleef hij lang in de steden, hij trok zich van de menschen en hun zorgen luttel aan, en het leek hem of ook de lieden hem eerst met bevreemding aanzagen, wanneer hij weêr eenige dagen in hun buurt was teruggekeerd, er was er geen die ooit aan hem dacht.—Tamalone wist, dat zelfs broeder Simon, zijn vriend die in Pisa woonde, waar hij soms kwam, hem vergat wanneer hij vertrok. Maar hij bleef argeloos en blijgezind en voelde in zijn avontuurlijke vrijheid zich immer een gelukkig man. Het duister verlangen van weleer naar hartstochtelijke daden en ontroeringen kwam maar zeldzaam in zijn gemoed, de vreugde van het zonlicht en de wolken aan den hemel en van de beelden, die enkel beelden bleven, was zijn eenig bezit, hij wist dat er geen toekomst was.

Toen Tamalone een knaap was van dertien jaren, bleek en bescheiden, was hij het meest geliefde kind van zijn vader, die hem altoos bij zich verlangde, hem ’s morgens medenam naar het hof van den baljuw en hem zijn boek liet dragen. En thuis na het avondeten las hij hem voor, dicht bij hem gezeten. De jongen luisterde dan met oogen neêrgeslagen naar de geschiedenissen van de heiligen, van de koningen en de oorlogen en zat nog langen tijd daarna zwijgend voor zich te staren. Maar zelden sprak hij een woord.

Eens zag een priester hem en was getroffen door de zonderling teedere bekoring dier donkere oogen; en nadat hij vele malen in de woning van Anfroy, denvader, was komen spreken nam hij den knaap mede naar zijn kapel, achter het gasthuis bij de rivier. Daar, in de sacristij, waar hij door de hooge ruitjes de kalme zonnige wolken aan de lucht zag gaan, zat voortaan Tamal des morgens naast andere jongens op banken, luisterend naar den priester, die in ’t midden met schoone klanken stond te zingen; hun aller hooge stemmen herhaalden dan een korte wijs,—bij het ijl geluid zijner eigen stem voelde hij zijn hart verwonderlijk poperen, zijn wangen waren heet en hij wendde zijn oogen van den priester niet af. Den langen weg naar huis, en des morgens weder naar de kapel toegaande dacht hij gedurig hoe heerlijk het was in de ruimte van een kerk te zingen; hij keek niet meer naar het koopvolk en de huizen die hij voorbij liep, hij zag inwendig zooveel nieuwe dingen en hoorde steeds den klank van de stem der priesters—het waren zijn eerste droomen waar zijn gelaat van bloosde en dit was zijn eerste liefde, het koraalgezang dat vader Mahy hem leerde.

In de kapel hielden de geestelijken veelvan hem; zijn vader was heimelijk verblijd wanneer hij des avonds den jongen met een boek op de knieën stillekens bij het licht zag lezen, en dacht glimlachend aan later tijd. De moeder echter vroeg als hij naar bed was wel eens ontevreden en met een duister verdriet, waarom hij toch van de zusjes verschilde, zoo zelden en zwakjes lachte en nimmer sprak van wat hij gezien had of gelezen. Doch Anfroy sloeg op haar woorden geen acht.

En toen—het was in den donkeren wintertijd dat het begon—bemerkten zijn ouders, dat hij lusteloos werd, iederen dag laat thuis kwam en ’s morgens zich haastte om uit te gaan. En op een dag kwam vader Mahy hen vragen waarom Tamal in zoo langen tijd niet gekomen was om te zingen en te leeren. Anfroy sprak dien avond bedaard en ernstig met zijn zoon, die enkel antwoordde, dat hij ’t heerlijk vond den ganschen dag door de straten te loopen, denkende aan wat in de boeken stond,—maar hij zweeg van de zonderling ontspruitende genietingen waarmede hij in zijn verbeelding vreemder en schoonerongekendheden beleefde dan hij ooit had gelezen, gezichten van verre landen en oude tijden, van ridders en heiligen en van eigen daden, saâmgeweven tot een spel van kleurig verlichte tafereelen, die hem voort deden loopen met moede voeten door straat na straat uren lang, tot hij eindelijk stil stond en met heete oogen begeerde, dat er één lief beeld van zijn gedachten wezenlijk waar.

Hij zweeg van zijn innerlijken lust en beloofde weêr braaf naar het koor te gaan. Maar hij hield zijn belofte niet, hoewel zijn vader hem sloeg en vaak bestrafte.

Later bleef hij ook ’s avonds uit, een buurman zei dat hij in taveernen kwam met andere jongelieden. Anfroy bedwong zijn drift en sprak weder met hem; hij zou nu in de leer gaan bij een zilversmid. En Tamal, beschaamd over zijn luiheid, ging trouw naar den winkel waar hij aandachtig werkte. Weldra voelde hij het tintelen van de onrust weder, die hem verlangend deed uitzien naar den Zondag om ver te kunnen loopen en aan de vreemde oorden te denken; maar hij bleef bestendigen zat ijverig gebogen op de werkplaats, waar slechts den ganschen dag het fluiten van den ouden meester klonk. Aan het koor, waar hij in sprakelooze verwachting placht heen te gaan, dacht hij niet meer. Hij bleef nog even zwijgzaam, zijn stem klonk ontevreden. Menigmaal wanneer hij vermoeid was kwam ereenneêrslachtig voorgevoel in zijn ziel, dat al zijn verlangen vergeefsch zou zijn, zich nimmer zou uiten, maar verzwinden om niet, en hij peinsde ernstig somtijds wat het wel was, dat hij ’t liefst zou willen ter wereld, maar wist het niet. En dan gaf hij zich met wellust over aan ’t gemijmer, dat een vreemde, onwezenlijke innigheid had, zooals zij wel kennen, die soms, laat ontwaakt, zich om den ochtend en de wakkere wereld niet bekommeren, maar liggen blijven en zich in stilte verwonderen hoe zooveel liefheid daarstraks in hun hart kon dwalen—zij spreken niet als zij opstaan en voelen in weemoedigen eenvoud, dat er schooner dingen zijn dan hun oogen zien.

Hij was toen zestien. Een meisje, dat hij ontmoette, lachte hem zoo liefjes toe,dat hij verwonderd in nieuwe vervoeringen raakte en haar gaarne behaagde; doch weinige dagen slechts, want het meisje ging met een ander spaceeren terwijl hij haar overal zocht, en haar later wel beziende vond hij haar niet zoo mooi als hij eerst had gezien.

Hij vergat haar aldra, maar uit die eerste verrukking broeide een rustelooze drang na, die hem gemelijk maakte en van de werkplaats afkeerig. Vaak voelde hij zich nu vermoeid van de verbeeldingen, die de een na de ander verkleurden en een stemming nalieten van armzaligheid.

Eens toen hij in donker door de stille buurten doolde,hield een oude vrouw hem staande, jammerend en hem smeekend haar te beschermen voor de schouts, die haar vervolgden. Tamalone,door haar armoedige gestalte en haar klachten ontsteld, vroeg niet wat zij gedaan had, maar nam haar op en liep hard met haar heen, in de verte zag hij de lantarens van de wacht al schommelen. Met plots gevoelde kracht rende hij door duisternis voort, de vrouw klemde zich vast aan zijn hals; hij liepharder en harder want achter zich hoorde hij den klank van wapenen en het hijgen van mannen in vlugge vaart. Eensklaps werd een haak om zijn beenen geslagen, hij viel tegen een muur, de vrouw, die hij in zijn armen hield, gilde hoog uit. Doch onstuimig sprong hij op en pakte een der schouten aan—toen voelde hij sterkere handen die hem losrukten, hij worstelde nog, maar verloor zijn kracht; de kreten der dievegge drongen schel door de duisternis. Dan namen de mannen hun lantarens op en droegen hem weg, langs de huizen stonden de menschen met kaarsjes ontsteld aan hun deuren.

Des morgens, terwijl hij naar het gerecht werd gevoerd, was hij verbaasd hoe eigenlijk alles gebeurd was; een arme vrouw had hem gevraagd haar te helpen en hij had met de schouts gevochten, hij wist niet waarom. En toen hij voor de rechters stond en antwoorden moest,was hij bedeesd en sprakeloos; dan echter hoorde hij achter zich het zuchten en kermen van de vrouw, die naar de galg werd gevoerd en hij zeide dat hij haarhad willen helpen. De rechters zagen elkander aan; zij veroordeelden hem, hij werd gegeeseld en daarna in het blok geslagen voor de gevangenis, waar vele menschen stonden, lachende mannen en vrouwen, luidruchtig en met drukke gebaren. Daar lag hij met pijnen onder de blauwe lucht, de toeschouwers met hun hatelijk vroolijke blikken keken voortdurend. Hij beefde van woede, zijn pijnen verergerden en werden ondragelijk, maar hij bleef met de tanden vastgeklemd en de vuisten verhard de lieden lang en strak aanstaren, die nieuwsgierig drentelden langs de rijen van boosdoeners. Eensklaps rilde hij van koude, een onnoemelijke onverschilligheid kalmeerde zijn hart en gelijk hoog aan den hemel, langzaam en onbereikbaar, een vogel gestadig verder vliegt tot hij in ’t licht verdwijnt, zoo voelde hij duidelijk, dat hij een lief vertrouwen verloor, hij sloot zijn oogen en zijn spieren ontspanden zich.

Des avonds werd hij vrij gelaten. Hij liep langzaam naar huis, maar op weg voelde hij zich ziek van vermoeidheid;hij ging een herberg binnen en zat ellendig op een bankje, met een beker voor zich, terwijl in het half-duister vertrek mannen kwamen en gingen, die met grove stemmen praatten en lachten en geen acht op hem sloegen. In zijn hoofd klopte het koortsig, hij voelde iets in zich schrijnen, maar hij bleef roerloos zitten, langen tijd, strak voor zich kijkend, onverschillig en zonder gedachten. Eindelijk riep de waard hem toe, dat hij heen moest gaan; zonder antwoord dronk hij zijn beker leeg en liep naar buiten, er was iets onnatuurlijks in hem. Het was een loome nacht, waarin de geluiden van late menschen—een eenzaam vriendenpaar gearmd, dat vertrouwelijk liep te praten, of in de verte het schelle lachen van een lustige deerne—klankvol luidden als in een donker treurspel van ouden tijd. Tamal bemerkte dat de krankheid van zijn lichaam verminderd was en terwijl hij langzaam schreed door de straten van gesloten huizen,ontwaakte de een na de ander zijn gedachten, hem mild verblijdend, de lauwe zomerlucht streelde zijne wangen. Eerstdacht hij aan zijn vader, die vroeger zoo goed was geweest en van wien hij zooveel had gehouden; hij begreep niet waarom zij nu niet meer van elkander hielden en waarom zijn vader naar niets anders ooit vroeg dan of hij geregeld naar den winkel ging, naar het werk dat hij haatte en slechts deed omdat hij niet lui wilde zijn. Dan herinnerde hij zich wat hem den vorigen avond en dien dag overkomen was, hij glimlachte in lichte verbittering en voelde zich ouder; maar in zijn innig gemoed, onaangedaan door de herinnering, waarde al weder een ijl gedroom van wat hij doen zou als hij ridder was en in verre landen reisde—de beelden ontloken in zijn gemijmer als lampjes achter de ruiten wanneer de dag vervliedt, en bewogen, schimmen van een liefelijke wereld; hij had zijn geeseling vergeten en zijn woede toen hij naar den blauwen hemel boven hem zag. En bij den dageraad, bij het zwatelend gerucht van menschen, die vroeg ontwaakt naar hun arbeid gingen en blijde rondzagen naar de kalmte van den zomermorgen,liep hij nog voort met gebogen hoofd.

Zijn moeder schrok toen zij hem binnen zag komen, zij nam hem schreiend in haar armen. Haar vragen echter beantwoordde hij niet; uitgeput van vermoeienis leide hij zich op zijn bed en sloot zijn oogen. Een diepe ademhaling klonk weldra in de kamer, waar de zon scheen en de zusjes, in hun spel gestoord, op een afstand naar hem keken; de moeder, met betraande oogen, ging rustig met haar werk weêr voort. Toen Anfroy thuis kwam van het hof,stond hij een pooze zwijgend bij zijn slapenden zoon, zette zich dan aan de tafel, zeide zijn gebed en at, maar hij sprak geen enkel woord, zoodat het zeer stil was en slechts de zware ademhaling werd gehoord van den slaper in de bedstede.

Terwijl zij arm in arm naar de werkplaats gingen des anderen daags, vroeg Anfroy zijn zoon waarom hij voor de gevangenis te schande had gelegen. Tamal was aangedaan door de zachte stem en vertelde alles op verdrietigen toon. Maar zijn vader keek hem wantrouwend aan en schudde zijn hoofd; toen werd hij plotselingrood en rukte zijn arm los, in benauwde boosheid schreed hij voort, hij sprak niet meer. Zij waren bij de werkplaats gekomen; Anfroy stond stil en beval zijn zoon vroeg thuis te komen toen deze op eens zich omkeerde en met een kreet hard wegliep—een bedreiging werd hem nageschreeuwd, de grijze zilversmid kwam naar buiten, vroeg wat er was en schudde zijn hoofd.

Sedert zagen zij hem thuis op ongeregelde uren; eerst klopte hij laat elken avond aan de deur, klom zwijgend in zijn bed terwijl zijn vader hem schold en hij nog lang daarna het zuchten van zijn moeder hoorde; maar later bleef hij vaak gansche nachten weg en kwam dan onverwacht wanneer zijn moeder alleen was om eten vragen. Het werd zeer droevig in het huis van Anfroy; de kleine meisjes spraken met fluisterende stem als hun ouders tegenover elkaêr aan de tafel zaten en aan den jongen dachten, die in duister en ongetij dwaalde, zij wisten niet waar.

Tamalone kende de gansche stad en de landen buiten de wallen. Bij voorkeur liephij waar weinig menschen waren, daar voelde hij zich tevreden en teeder van hart. Des avonds zat hij in een taveerne met andere jongelieden, die zongen, stoeiden en van de meisjes spraken welke zij kenden, en daar kreeg hij een vriend, een vroolijk jonkman, die met liederen en vioolspel het brood verdiende en hem dikwijls lachen deed. Zij waren allen arm en zorgeloos; om voor zijn vrienden en zich zelf een maal te betalen nam Tamalone soms heimelijk uit het koffertje waar zijn vader al jaren lang de zilverstukken spaarde.

Eens was hij thuis gekomen om voor de barre koude te schuilen. Zijn moeder zat bij het lampje en Anfroy in de schouw met starre oogen waar de hooge vlammen hun licht in spiegelden. De wind die zoo straks door den schoorsteen gierde,was van lieverleê bedaard. Het hout knetterde in het vuur, niemand sprak in de kamer; het was een zonderlinge stilte en Tamal, van den een naar de ander kijkende, kreeg plots een ingeving, dat zijn ouders, onverschillig en ongenegen, vreemdelingen waren voor hem en eeuwig zouden blijven.Zijn oogen werden vochtig en hij wenschte, dat toch zijn vader iets zeggen zou om de stilte te breken; hij stond op, liep lusteloos heen en weder en keerde bij ’t vuur terug, zijn borst was van verlangen vol, hij wilde spreken, maar wist niet hoe. Buiten hoorde hij de stemmen van geburen, die elkander iets toeriepen over het koude weder, een deur sloeg toe en alle gerucht van de straat verstierf, terwijl in de kamer zwaar de tijd verging en de stilte ontzaglijk werd, suizend en ruim, als vervuld van een machtige aanwezigheid, onbegrijpelijk en niet te weêrstaan. Met oogen wijd open van onnoozelen angst zag hij rondom zich naar de oude meubelen, de bedsteê waar zijn zusjes sliepen, en de schouw—zijn vader zat in de warmte te dutten, de vlammen verlichtten zijn gelaat, dat terzijde was genegen. En Tamal ervoer die zelfde onverschilligheid weder, die hij gevoeld had toen hij in ’t blok had gelegen verleden zomer, het was nu een aangenaam licht gevoel. Een oogenblik later dacht hij aan zijn vrienden en den jool in de herberg;hij stond op, nam zachtjes zijn kap van een stoel en liep naar de deur. Hij keerde zich om—zijn moeder keek hem boos aan met het voorhoofd geplooid, zijn vader zat roerloos in den vlammenschijn. En geheel onbedacht, duidelijk en zeker, nam hij het besluit nimmer meer terug te keeren, doch naar andere landen te gaan... het was een plotse klaarheid in zijn gemoed als de glans van de zon in een rivier. Hij lichtte de klink, de tocht voer ijzig door de reet der deur naar binnen, zoodat op de tafel het lampje walmde.

Haastig liep hij door de straten waar in duister de sneeuw zacht ritselend in dichte drift neêrdaalde, zijne schreden maakten een krakend geruisch. Hij dacht hoe hij morgen eten zou vinden, maar vergat dat weêr spoedig in zijn blijheid, dat zijn leven veranderen zou. En hij liep zoo lang, denkend aan de verre landen, tot hij niet wist waar hij was.

In den ochtend, die feestelijk scheen van rijkelijk warrelende sneeuw over de lage huisjes, vertrouwelijk onder hun wit-bevrachte daken, vonden de stadswachtshem in het portiek van een kerkje; hun stemmen en een vroegmisklokje klonken broederlijk en welgestemd in de zachte, zedige straat. Zij namen hem op en droegen hem weg naar het gasthuis.

Daarna zwierf Tamalone met zijn vriend in achterbuurten en herbergen waar dieven en liedjeszangers en lichtekooien te zamen kwamen. Menigmaal liepen zij beiden, arm in arm, te zoeken, waar zij te eten konden krijgen en menigmaal ook vluchtten zij buiten de poort om zich te verschuilen dagen lang voor de schouts. Maar Tamalone was frank en tevreden in zijn bandeloos leven en groeide spoedig tot man.

Eens ontmoette vader Mahy hem, die zijn bleek gelaat aandachtig beschouwde, dan vriendelijk tot hem sprak en hem medenam naar zijn woning. Het was een welig behagen voor den jonkman aan den klaren disch te zitten en naar de vrome woorden van den priester te hooren, zijn leven van de laatste maanden scheen hem onwezenlijk toe. In de sacristij, waar de zelfde gele bladen muziek van vroeger lagen, zongen zij een lofzang samen, deeen was door de stem van den ander tot serene wijding geroerd. Hij bleef verscheidene dagen in de woning van den vader, ernstig en in vroom gemijmer; op een ochtend ging hij mede naar het nieuwe klooster van St. Franciscus, waar de overste hem in beproeving ontving.

Alleen in zijn cel, eenvoudig en bedaard, schreef hij daar van den stillen morgen tot den stillen nacht bij het licht van een kaars de woorden van heiligen in sierlijke letters na; wanneer het klokje der uren klepelde en het zijn beurt was, ging hij naar het altaar om te bidden, de arbeid en de koele stemmigheid van het huis hadden zijn verbeelding bedaard, hij bad in liefderijken ernst. Een grijze broeder bleef somwijlen staan om hem na te zien wanneer hij door den ommegang terugkeerde naar zijn cel, en dacht dat hij een vroom man moest worden, die zoo bezadigd was in zijn jeugd.

Doch, vermoeid en geheel alleen met de boeken, zat Tamalone menigkeer lange poozen te staren naar zijn hoog tralievenster en dacht aan de verlatenheid waarinhij door een toeval was verdwaald, hij die weleer in kleurige verzinsels leefde van veel avontuur; en dacht aan zijn traagheid ook waardoor alleen hij nimmer getracht had te weten wat zijn toekomst zou wezen en waarheen toch zijn verlangen stond.

En aldus, na veel laten, aandachtigen arbeid mijmerend in ’t grauwe vertrekje, kreeg hij eens in verbazing het inzicht, dat zijn leven vruchteloos was voor God dien hij bad, wijl heel zijn lieve jeugd en de warmte van zijn hart in droomerijen waren verspeeld en hem niet meer konden drijven tot vrome daden; dat zijn leven machteloos zou zijn, daar hij niet zooals de broeders begeerde, die met devotie of met hartstochtelijke woorden spraken van wat zij doen wilden ter liefde van den Heer en de zondige menschen. Hij zuchtte gelaten, doch hij treurde niet en den anderen morgen zette hij zich weêr bedaard aan den lessenaar.

Maanden lang zat hij alleen, schrijvende in zijn cel, hij voelde zich een oud man worden en had geen andere zorg dan voor het pergament en de sierlijkheid der letters.In de diepte van den nacht, als de taak was volbracht, had hij soms een onbestemd berouw, dat de tijd voorbij ging en geen verandering bracht. Daarbuiten in de wereld leefden de menschen in vroolijke drukte.

Ten leste echter kwijnde zijn ijver en op zonnige morgens talmde hij langer in den hof, op een bank in het bloesemend lommer, met andere broeders, die praatten en hun werk vergaten in glimlachende genoegelijkheid; of drentelde geheel alleen door den boomgaard, zooals hij ’t liefste deed, terwijl met vreemde onverwachtheid hem de lieve verbeeldingen uit zijn jongensjaren weêr verschenen. Wanneer de overste of de poortier hem vond, hem berispte of bestrafte, ondervond hij die zelfde schaamte en vrees als in de dagen toen zijn vader hem gestreng behandelde. En onder het werk, wanneer de wrok tegen het onrechtvaardig gezag was geweken, werd het hem al klaarder bewust, dat hij in heel zijn leven niet gelukkig was geweest, behalve vroeger als hij alleen door de straten liep en in zijn denken verwonderlijkedingen zag gebeuren. Hij zuchtte bij de gedachte wat er gekomen was van zijn innig voornemen om vroom te leven, zijn schoonste gevoelen was maar een vergankelijk iets geweest, en hij glimlachte over zich zelven.

Omtrent den tijd, dat de aartsbisschop een bezoek zou brengen, gingen er heimelijke geruchten in het klooster: de broeders, die des morgens altijd luierden en praatten, werden achterdochtig en keken gedurig rondom zich. Eén van hen, Simon was zijn naam, vertelde Tamalone eindelijk wat er op handen was: zij werden van ketterijen verdacht, er was een geschrift gevonden met leerstellingen van de catharisten en zij hadden besloten liever te vluchten dan het oordeel van den aartsbisschop te wachten en de penitentiën, die volgen zouden om het huis te zuiveren—bijna in alle kloosters waren oproerige denkbeelden ontdekt, men strafte gestreng. Tamalone zelf hadgevaarlijkewoorden gesproken, zeide Simon, en zij rieden hem met hen mede te gaan. Hij herinnerde zich niet wat hij gezegd kon hebben enwaarin hij gezondigd had, maar het enkele geheimzinnige woord van een vlucht in donker bekoorde hem zoodanig, dat zijn wangen gloeiden en hij in ontroering telkens dacht aan de uitgestrektheid der velden ginder buiten den muur, aan de tallooze menschen die hij weêrzien zou in de stad.

Den zelfden avond nog klauterden zij stillekens één voor één een venstertje uit en liepen achter elkaar zwijgend door een weiland in de richting der stad, waar de lucht rossig was gelijk de weerschijn van een brand. Tamalone kwam achteraan in de donkere rij van pijen en floot een deuntje dat schriel welluidend klonk in den teederen avond, hij was zoo zorgeloos wat een toeval hem weêr brengen zou. Toen zij binnen de stadspoort waren gekomen,gaven zij elkander de hand, een iegelijk ging zijns weegs en Tamalone voerde Simon naar een herberg meê, die hij wist in een achterstraat.

Sedert dien tijd had hij nooit meer een woning. Hij verliet de stad waar hij geboren was en zijn vaderland, vroolijk en onbezorgd waar ’t henen ging. Het toeval voerde hem naar het zuiden. Slechts debochtige nauwe straatjes waar hij als knaap had gedoold,keerden somtijds in zijn herinnering weêr, en ook een enkel maal het gelaat van zijn vader met starre oogen. Wel vermeed hij de eerste maanden de menschen nog, want in de droomen uit zachtzinnig verlangen gerezen zweefde een vage hoop, dat hij wonderen zou beleven van hartstocht en geluk. Doch de tevredenheid, welke hij genoot op zijn reizen over verlaten wegen, wanneer hij enkele dagen in een dorp of konvent had vertoefd, deed hem begrijpen dat zijn vrijheid zijn eenig geluk zou wezen. En de oude verbeeldingen van schoone vrouwen en ’t geluk dat zij schenken, van prinselijke grootheid en daden die de wereld zouden verbazen, werden allengs een simpel welbehagen gelijk in een schouwspel dat men gadeslaat, het wekt geen verwachtingen en ’t genot is maar tijdelijk. En hij werd spraakzaam en gemoedelijk.

Hij zwierf in vele streken, het liefst op het land; onder den ruimen hemel voort te gaan was zijn grootste vreugd. De burgers in de steden kenden hem als eenvriendelijken eerzamen broeder, die tallooze verhalen wist en hen aan ’t lachen kon maken, zoodat zij hem gaarne zagen; maar sommigen ook zeiden kwade dingen van hem, dat hij een bedriegelijke sluwerd was en een dief. Zelden echter bleef hij lang in de steden, hij trok zich van de menschen en hun zorgen luttel aan, en het leek hem of ook de lieden hem eerst met bevreemding aanzagen, wanneer hij weêr eenige dagen in hun buurt was teruggekeerd, er was er geen die ooit aan hem dacht.—Tamalone wist, dat zelfs broeder Simon, zijn vriend die in Pisa woonde, waar hij soms kwam, hem vergat wanneer hij vertrok. Maar hij bleef argeloos en blijgezind en voelde in zijn avontuurlijke vrijheid zich immer een gelukkig man. Het duister verlangen van weleer naar hartstochtelijke daden en ontroeringen kwam maar zeldzaam in zijn gemoed, de vreugde van het zonlicht en de wolken aan den hemel en van de beelden, die enkel beelden bleven, was zijn eenig bezit, hij wist dat er geen toekomst was.

2Nu was er wanorde van haastige toebereidselen in het kamp, tenten, gereedschappen en oorlogstuig werden op wagens geladen met armen waar de aderen dik op stonden. Het onverwacht vooruitzicht van losbandigheid ginds in de stad maakte de mannen lustig rumoerig. En weldra stonden zij in velerlei sierige kleedij en bewapening in rangen aangetreden, een troepje ruiters naast hun paarden in voor- en achterhoede; en toen eerst, in het onbewegelijk wachten, kwelde hen weder de stralende zomerlucht en verlangden zij om voort te kunnen. Rogier gaf een wenk—met schel gejoel, als van jachthonden, ging de tocht vooruit.Aan het hoofd, statig in staal gehuldwaar slechts zijn roode baard uitstak, reed Carolus de brigadier op een hoog, gepantserd paard, geflankeerd door twee oosterlingen met spitse mutsen van wit bont over hun helmen, en trommen voor zich op ’t zadel: dan kwamen de Duitschers met bandelieren van verschillende kleuren, sommigen met goud en zilver gesierd. Een kleine afdeeling voetvolk volgde, temidden waarvan Rogier reed met blinkenden helm en borstplaat van voortreffelijk maaksel; ten laatste de oostersche ruiters, allen in roode en groene buizen en met korte zwaarden omhoog.En achteraan, heel alleen, liep Tamalone de minderbroeder met zijn handen op zijn rug en een deuntje zingend.Zij bestegen den rotsigen weg naar den muur der stad en toen zij de opene poort zagen zwegen zij. Een zwierige menigte wachtte in den zonneschijn aan de binnenzijde der opening, reikhalzend en stil.De brigadier in de schaduw der poort gekomen deed zijn hengst steigeren en tegelijk roerden de tamboers hevig hun trommen, zoodat de verschrikte mannen,vrouwen en kinderen schreeuwend en dringend ruimte maakten; zij hadden ontzag voor den geweldigen krijgsman voorop en voor de trommen, zij hadden nooit andere troepen dan gewapende poorters gezien. Er rees een geruisch van bewondering voor den regelmatigen tred der voetsoldaten en toen Rogier voorbij reed,werden in de menigte, schitterend in een glans van stof, de gebaren bezield, de uitroepen zwollen tot juichend gedruisch in de nauwe klare straatjes. De rustingen die glinsterden, de orde en het stilzwijgen vooral van de vreemden, werden druk besproken en er was blijdschap, dat het vechten nu gedaan was, temeer daar de verstandigen onder de toeschouwers, die luid spraken en met gezag, verklaarden dat de schade alleen de rijkere ambachts trof, immers daar de kleinere slechts weinig in de schatting bij konden dragen; maar ook vrij van eigenbelang werd er welgezindheid jegens den keizer geuit, die belasterd werd door priesters van geringe geboorte.Op het marktplein, waar de aanzienlijken wachtten, hielden de troepen stil; eensklapsrees het stemmengerucht aangroeiend tot verrassend gejubel, de tallooze gezichten bewogen opgewonden in den zonneschijn. Een bandelooze woeling van jonge mannen en vrouwen, door Tamalone geleid, trok zingend en met doeken wuivend rondom de lichtende figuur van Carolussaâm, de monnik reide die het dichtst bij waren in den franschen danskring rond; buigend en de beenen hoog heffend warrelden zij om den brigadier heen, wijl half spottend half gemoedelijk hem de grilligste namen werden toegeroepen, die het plein, blakerend tusschen de witte huizen, daveren deden van gelach. Onverschillig voor het geraas keek Carolus van zijn paard op het gepeupel neêr.Doch de gemoederen der soldaten namen de warmte dier plotseling bruisende feeststemming aan. Zwijgend waren zij de stad binnengekomen, maar door de schaterende drukte klaarden hun gezichten thans op, zij werden vroolijk in de uitbundigheid ten koste van den brigadier en bewegelijk van lust om meê te dringen in het gedrang. Nadat zij hun bevelen haddengekregen, verspreidden zij zich onder het volk, dat hun wijn te drinken gaf; in de steile straatjes sprongen de Duitschers in rijen arm in arm met de ambachtslui en de joelende vrouwen. Tamalone,—hij was toen omtrent dertig jaren, een luimig man bij feesten en volle kannen—, de monnik, die de eerste vroolijkheid had doen opgaan, liep lachend en knikkend door de drukte, er werd gejuicht waar hij ging, en bekers werden geheven. En dien ganschen dag was de klare zomerlucht van zangerige stemmen vervuld.Toen het later werd en in het gewemel tusschen de lage schemerige huisjes slechts de witte en gele kleederen en de mutsen der vrouwen nog het lichtste waren, trad Rogier met zijn brigadier en een burger, door de twee tamboers gevolgd, uit het stadspaleis om naar de soldaten te zien. Waar hij kwam,hield het dansen en springen op, de juichkreten klonken zonderling fel in de duisternis.Doch rustiger was het in de straten waar de breede rijkere huizen stonden met hun deuren, donker en klein, hecht gesloten: hier gingen geen menschen endruischte het rumoer verzacht slechts uit de verte. Er stond daar een kathedraal, onvoltooid en zonder torens; de vijf mannen door een open deurtje kijkende zagen in den schijn der kaarsen enkele bidsters geknield. Twee zeer jonge vrouwen traden naar buiten en toen Rogier een van haar aanzag wijl zij passeerde, zweefde een luwe aandoening hem voorbij, of ’t herinnering was die al te gauw vervluchtte. En de geluidloos wijkende figuren nakijkende,vroeg hij den burger wie zij waren.„Dat zijn de dochters van heer Lugina,” antwoordde die met een lachje. „Door uw onverwachte komst kon hij niet meer naar Bologna gaan en daarom vluchtte hij hierheen.”Zij keerden in duister zwijgend en voorzichtig terug. Nog zag Rogier dat jonge nieuwe gezicht en hield hij zijn oogen toe of hij zich iets herinneren kon.Voor het paleis bleef hij staan en zag over het plein, waar in den zwoelen nacht gestalten gingen en hier en daar een toorts bewoog. Nu klaarde het voor zijn bewustzijn, dat hij reeds in den ochtend, inhet rijke zonlicht, bijwijlen vaag en vervlietend een nieuwe teederheid had gevoeld, en zijn vragende verwondering over het meisje van daareven was hem welkom en behagelijk.Aan den overkant, bij den glans van twee stil brandende toortsen, zag hij Tamalone met een edelman langzaam gaan en een huis binnentreden. Toen was het plein verlaten. Het gedruisch werd al schaarscher in de duistere straatjes, slechts nu en dan klonk in de verte een vermoeid referein of luid het kloppen op deuren.

2

Nu was er wanorde van haastige toebereidselen in het kamp, tenten, gereedschappen en oorlogstuig werden op wagens geladen met armen waar de aderen dik op stonden. Het onverwacht vooruitzicht van losbandigheid ginds in de stad maakte de mannen lustig rumoerig. En weldra stonden zij in velerlei sierige kleedij en bewapening in rangen aangetreden, een troepje ruiters naast hun paarden in voor- en achterhoede; en toen eerst, in het onbewegelijk wachten, kwelde hen weder de stralende zomerlucht en verlangden zij om voort te kunnen. Rogier gaf een wenk—met schel gejoel, als van jachthonden, ging de tocht vooruit.Aan het hoofd, statig in staal gehuldwaar slechts zijn roode baard uitstak, reed Carolus de brigadier op een hoog, gepantserd paard, geflankeerd door twee oosterlingen met spitse mutsen van wit bont over hun helmen, en trommen voor zich op ’t zadel: dan kwamen de Duitschers met bandelieren van verschillende kleuren, sommigen met goud en zilver gesierd. Een kleine afdeeling voetvolk volgde, temidden waarvan Rogier reed met blinkenden helm en borstplaat van voortreffelijk maaksel; ten laatste de oostersche ruiters, allen in roode en groene buizen en met korte zwaarden omhoog.En achteraan, heel alleen, liep Tamalone de minderbroeder met zijn handen op zijn rug en een deuntje zingend.Zij bestegen den rotsigen weg naar den muur der stad en toen zij de opene poort zagen zwegen zij. Een zwierige menigte wachtte in den zonneschijn aan de binnenzijde der opening, reikhalzend en stil.De brigadier in de schaduw der poort gekomen deed zijn hengst steigeren en tegelijk roerden de tamboers hevig hun trommen, zoodat de verschrikte mannen,vrouwen en kinderen schreeuwend en dringend ruimte maakten; zij hadden ontzag voor den geweldigen krijgsman voorop en voor de trommen, zij hadden nooit andere troepen dan gewapende poorters gezien. Er rees een geruisch van bewondering voor den regelmatigen tred der voetsoldaten en toen Rogier voorbij reed,werden in de menigte, schitterend in een glans van stof, de gebaren bezield, de uitroepen zwollen tot juichend gedruisch in de nauwe klare straatjes. De rustingen die glinsterden, de orde en het stilzwijgen vooral van de vreemden, werden druk besproken en er was blijdschap, dat het vechten nu gedaan was, temeer daar de verstandigen onder de toeschouwers, die luid spraken en met gezag, verklaarden dat de schade alleen de rijkere ambachts trof, immers daar de kleinere slechts weinig in de schatting bij konden dragen; maar ook vrij van eigenbelang werd er welgezindheid jegens den keizer geuit, die belasterd werd door priesters van geringe geboorte.Op het marktplein, waar de aanzienlijken wachtten, hielden de troepen stil; eensklapsrees het stemmengerucht aangroeiend tot verrassend gejubel, de tallooze gezichten bewogen opgewonden in den zonneschijn. Een bandelooze woeling van jonge mannen en vrouwen, door Tamalone geleid, trok zingend en met doeken wuivend rondom de lichtende figuur van Carolussaâm, de monnik reide die het dichtst bij waren in den franschen danskring rond; buigend en de beenen hoog heffend warrelden zij om den brigadier heen, wijl half spottend half gemoedelijk hem de grilligste namen werden toegeroepen, die het plein, blakerend tusschen de witte huizen, daveren deden van gelach. Onverschillig voor het geraas keek Carolus van zijn paard op het gepeupel neêr.Doch de gemoederen der soldaten namen de warmte dier plotseling bruisende feeststemming aan. Zwijgend waren zij de stad binnengekomen, maar door de schaterende drukte klaarden hun gezichten thans op, zij werden vroolijk in de uitbundigheid ten koste van den brigadier en bewegelijk van lust om meê te dringen in het gedrang. Nadat zij hun bevelen haddengekregen, verspreidden zij zich onder het volk, dat hun wijn te drinken gaf; in de steile straatjes sprongen de Duitschers in rijen arm in arm met de ambachtslui en de joelende vrouwen. Tamalone,—hij was toen omtrent dertig jaren, een luimig man bij feesten en volle kannen—, de monnik, die de eerste vroolijkheid had doen opgaan, liep lachend en knikkend door de drukte, er werd gejuicht waar hij ging, en bekers werden geheven. En dien ganschen dag was de klare zomerlucht van zangerige stemmen vervuld.Toen het later werd en in het gewemel tusschen de lage schemerige huisjes slechts de witte en gele kleederen en de mutsen der vrouwen nog het lichtste waren, trad Rogier met zijn brigadier en een burger, door de twee tamboers gevolgd, uit het stadspaleis om naar de soldaten te zien. Waar hij kwam,hield het dansen en springen op, de juichkreten klonken zonderling fel in de duisternis.Doch rustiger was het in de straten waar de breede rijkere huizen stonden met hun deuren, donker en klein, hecht gesloten: hier gingen geen menschen endruischte het rumoer verzacht slechts uit de verte. Er stond daar een kathedraal, onvoltooid en zonder torens; de vijf mannen door een open deurtje kijkende zagen in den schijn der kaarsen enkele bidsters geknield. Twee zeer jonge vrouwen traden naar buiten en toen Rogier een van haar aanzag wijl zij passeerde, zweefde een luwe aandoening hem voorbij, of ’t herinnering was die al te gauw vervluchtte. En de geluidloos wijkende figuren nakijkende,vroeg hij den burger wie zij waren.„Dat zijn de dochters van heer Lugina,” antwoordde die met een lachje. „Door uw onverwachte komst kon hij niet meer naar Bologna gaan en daarom vluchtte hij hierheen.”Zij keerden in duister zwijgend en voorzichtig terug. Nog zag Rogier dat jonge nieuwe gezicht en hield hij zijn oogen toe of hij zich iets herinneren kon.Voor het paleis bleef hij staan en zag over het plein, waar in den zwoelen nacht gestalten gingen en hier en daar een toorts bewoog. Nu klaarde het voor zijn bewustzijn, dat hij reeds in den ochtend, inhet rijke zonlicht, bijwijlen vaag en vervlietend een nieuwe teederheid had gevoeld, en zijn vragende verwondering over het meisje van daareven was hem welkom en behagelijk.Aan den overkant, bij den glans van twee stil brandende toortsen, zag hij Tamalone met een edelman langzaam gaan en een huis binnentreden. Toen was het plein verlaten. Het gedruisch werd al schaarscher in de duistere straatjes, slechts nu en dan klonk in de verte een vermoeid referein of luid het kloppen op deuren.

Nu was er wanorde van haastige toebereidselen in het kamp, tenten, gereedschappen en oorlogstuig werden op wagens geladen met armen waar de aderen dik op stonden. Het onverwacht vooruitzicht van losbandigheid ginds in de stad maakte de mannen lustig rumoerig. En weldra stonden zij in velerlei sierige kleedij en bewapening in rangen aangetreden, een troepje ruiters naast hun paarden in voor- en achterhoede; en toen eerst, in het onbewegelijk wachten, kwelde hen weder de stralende zomerlucht en verlangden zij om voort te kunnen. Rogier gaf een wenk—met schel gejoel, als van jachthonden, ging de tocht vooruit.

Aan het hoofd, statig in staal gehuldwaar slechts zijn roode baard uitstak, reed Carolus de brigadier op een hoog, gepantserd paard, geflankeerd door twee oosterlingen met spitse mutsen van wit bont over hun helmen, en trommen voor zich op ’t zadel: dan kwamen de Duitschers met bandelieren van verschillende kleuren, sommigen met goud en zilver gesierd. Een kleine afdeeling voetvolk volgde, temidden waarvan Rogier reed met blinkenden helm en borstplaat van voortreffelijk maaksel; ten laatste de oostersche ruiters, allen in roode en groene buizen en met korte zwaarden omhoog.

En achteraan, heel alleen, liep Tamalone de minderbroeder met zijn handen op zijn rug en een deuntje zingend.

Zij bestegen den rotsigen weg naar den muur der stad en toen zij de opene poort zagen zwegen zij. Een zwierige menigte wachtte in den zonneschijn aan de binnenzijde der opening, reikhalzend en stil.

De brigadier in de schaduw der poort gekomen deed zijn hengst steigeren en tegelijk roerden de tamboers hevig hun trommen, zoodat de verschrikte mannen,vrouwen en kinderen schreeuwend en dringend ruimte maakten; zij hadden ontzag voor den geweldigen krijgsman voorop en voor de trommen, zij hadden nooit andere troepen dan gewapende poorters gezien. Er rees een geruisch van bewondering voor den regelmatigen tred der voetsoldaten en toen Rogier voorbij reed,werden in de menigte, schitterend in een glans van stof, de gebaren bezield, de uitroepen zwollen tot juichend gedruisch in de nauwe klare straatjes. De rustingen die glinsterden, de orde en het stilzwijgen vooral van de vreemden, werden druk besproken en er was blijdschap, dat het vechten nu gedaan was, temeer daar de verstandigen onder de toeschouwers, die luid spraken en met gezag, verklaarden dat de schade alleen de rijkere ambachts trof, immers daar de kleinere slechts weinig in de schatting bij konden dragen; maar ook vrij van eigenbelang werd er welgezindheid jegens den keizer geuit, die belasterd werd door priesters van geringe geboorte.

Op het marktplein, waar de aanzienlijken wachtten, hielden de troepen stil; eensklapsrees het stemmengerucht aangroeiend tot verrassend gejubel, de tallooze gezichten bewogen opgewonden in den zonneschijn. Een bandelooze woeling van jonge mannen en vrouwen, door Tamalone geleid, trok zingend en met doeken wuivend rondom de lichtende figuur van Carolussaâm, de monnik reide die het dichtst bij waren in den franschen danskring rond; buigend en de beenen hoog heffend warrelden zij om den brigadier heen, wijl half spottend half gemoedelijk hem de grilligste namen werden toegeroepen, die het plein, blakerend tusschen de witte huizen, daveren deden van gelach. Onverschillig voor het geraas keek Carolus van zijn paard op het gepeupel neêr.

Doch de gemoederen der soldaten namen de warmte dier plotseling bruisende feeststemming aan. Zwijgend waren zij de stad binnengekomen, maar door de schaterende drukte klaarden hun gezichten thans op, zij werden vroolijk in de uitbundigheid ten koste van den brigadier en bewegelijk van lust om meê te dringen in het gedrang. Nadat zij hun bevelen haddengekregen, verspreidden zij zich onder het volk, dat hun wijn te drinken gaf; in de steile straatjes sprongen de Duitschers in rijen arm in arm met de ambachtslui en de joelende vrouwen. Tamalone,—hij was toen omtrent dertig jaren, een luimig man bij feesten en volle kannen—, de monnik, die de eerste vroolijkheid had doen opgaan, liep lachend en knikkend door de drukte, er werd gejuicht waar hij ging, en bekers werden geheven. En dien ganschen dag was de klare zomerlucht van zangerige stemmen vervuld.

Toen het later werd en in het gewemel tusschen de lage schemerige huisjes slechts de witte en gele kleederen en de mutsen der vrouwen nog het lichtste waren, trad Rogier met zijn brigadier en een burger, door de twee tamboers gevolgd, uit het stadspaleis om naar de soldaten te zien. Waar hij kwam,hield het dansen en springen op, de juichkreten klonken zonderling fel in de duisternis.

Doch rustiger was het in de straten waar de breede rijkere huizen stonden met hun deuren, donker en klein, hecht gesloten: hier gingen geen menschen endruischte het rumoer verzacht slechts uit de verte. Er stond daar een kathedraal, onvoltooid en zonder torens; de vijf mannen door een open deurtje kijkende zagen in den schijn der kaarsen enkele bidsters geknield. Twee zeer jonge vrouwen traden naar buiten en toen Rogier een van haar aanzag wijl zij passeerde, zweefde een luwe aandoening hem voorbij, of ’t herinnering was die al te gauw vervluchtte. En de geluidloos wijkende figuren nakijkende,vroeg hij den burger wie zij waren.

„Dat zijn de dochters van heer Lugina,” antwoordde die met een lachje. „Door uw onverwachte komst kon hij niet meer naar Bologna gaan en daarom vluchtte hij hierheen.”

Zij keerden in duister zwijgend en voorzichtig terug. Nog zag Rogier dat jonge nieuwe gezicht en hield hij zijn oogen toe of hij zich iets herinneren kon.

Voor het paleis bleef hij staan en zag over het plein, waar in den zwoelen nacht gestalten gingen en hier en daar een toorts bewoog. Nu klaarde het voor zijn bewustzijn, dat hij reeds in den ochtend, inhet rijke zonlicht, bijwijlen vaag en vervlietend een nieuwe teederheid had gevoeld, en zijn vragende verwondering over het meisje van daareven was hem welkom en behagelijk.

Aan den overkant, bij den glans van twee stil brandende toortsen, zag hij Tamalone met een edelman langzaam gaan en een huis binnentreden. Toen was het plein verlaten. Het gedruisch werd al schaarscher in de duistere straatjes, slechts nu en dan klonk in de verte een vermoeid referein of luid het kloppen op deuren.

3In de koelte van de kathedraal, waar hij haar den eersten avond van zijn binnenkomst ontmoet had, zag hij de dochters van Lugina weder, en weder roerde de onvolwassen gestalte van het jongste meisje hem tot innerlijke aandacht en onderging hij de vreemd kille ontroering van eindelooze zoetheid, van louter genot dat komende was.En Carolus, den getrouwe, trof het weldra, dat er sedert de inneming der stad over zijn meester een frissche bloei was gekomen, een vreugde die zich uitte in sierlijke wijde gebaren en die hem hoofsch deed bewegen als een prins. Hij had hem in de kathedraal met vrouwen gezien, hij had hem het huis zien binnengaanwaar Lugina vertoefde, de oude vijand van Rogiers geslacht—en hij besloot hem heimelijk te bewaken.Buiten de noorderpoort stonden aan den wijden weg den heuvel af kastanjeboomen uit zeer ouden tijd, wier takken zwaar van loof nederbogen tot den grond. In den avond liep Rogier daar geruchtloos en langzaam met een ruiker van rozen, en toen hij aanstonds dicht langs de duistere stammen een kleine vrouw haastig zag naderen,liep hij haar met gestrekte armen tegemoet, boog en gaf haar zwijgend de bloemen.Met haar kleine koele hand in de zijne daalden zij den weg af, zij in vluggen gang om zijn schreden bij te houden en nu en dan omkijkende in de donkerte van het gebladert. Aan den voet van den heuvel kwamen zij aan opene velden, waar ’t bleeke koren stond, en steeds zwijgend keerden zij rechts een voetpad in met jonge populiertjes ter weerszijden.De grond was hier vlak en zij liepen langzaam. Haar hand vaster drukkend, in een neiging om dichter die donzige nabijheid aan teraken, fluisterde hij in korte woordjes, dat het zoo lief van haar was dat zij gekomen was, en dat hij voortdurend aan haar gedacht had. Onbewegelijk en koel voelde hij haar hand in de zijne, maar over zijn lichaam poperde gestadige ontroering. Het voetpad werd bochtig en rees weder en daalde over heuveltjes van dicht wingerdloof, naar een boschje waar zij schimmig de stammen der boomen bespeurden in de tinteling van duisternis.Mevena wendde haar hoofd weêr om, zij stonden stil en zagen aan de schemerwolkige lucht den top des heuvels waar de stad was. Plotseling, tot een zoete verbazing der wandelaars, vloot een glad geluidje door het loover, het streelend kwinkeleeren van een vogel vulde den nacht.Dan werd het plots weêr stil en het meisje, angstig in het duister, kwam dichter bij den jonkman staan. Hij zag haar groote oogen, boog zich en kuste haar; diep ademend omvatte hij heel haar slank lijfje en kuste haar die nog niet kussen kon tot haar lippen bewogen, en drukte haar aan zich, en fluisterde kleine lievewoordjes. En zij, met een borst van gloeiende stilte, haar gelaat naar zijn mond, wachtte de kussen, luisterend naar den zwellenden nacht die zwoel van teederheid was.Toen zij langs het paadje het donkerder bosch in gingen ritselden er wat bladeren, maar Mevena hoorde, dat ersindszij stonden ook ander gerucht nog dwaalde en haar oogen zochten naar alle zijden of zij de witte danseressen zagen. Hij bemerkte haar onrust, vroeg wat er was, en beiden luisterden, hand aan hand. Heel in de verte hoorden zij een gedempt rollen van onweêr, een fijne koelte voer door de boomen. Hij kuste haar lippen weder en in weelderig zuchten vergaten zij den komenden nachtstorm, die bij tusschenpoozen rommelde met zwaarder geluid. De bladeren boven hen ruischten steeds koeler en wuivender, somwijlen zagen zij elkanders gelaat in snellen schijn, over de bergen kwam de donder geweldig nader bolderen—en steeds kusten zij elkander inniger en ongeduldiger, zij kusten slechts want zij konden niet spreken. Onverwachts brak een helleklaterslag door den nacht, de takken waaierden in den lauwen wind en groote waterdroppels ruischten door de bladeren.Nauw had hij haar hand gevat om haastig voort te loopen,toen zij een gerucht hoorden en dan duidelijk een val—Rogier zeide, dat het een getroffen boomtak moest wezen en voerde haar dicht aan zich mede, tastend in het natte loof tot zij buiten het geboomte waren. Hij wist, dat niet ver af een landmanshut stond, verlaten gedurende de belegering der stad, en daar het water nu dichter en sneller viel en de schichten des bliksemlichts met vreeselijk geraas de duisternis in oproer brachten, nam hij haar op en snelde er heen. Een nachtvogel fladderde langs hen naar buiten toen hij het deurtje openduwde. Zij deed haar doornatten kap en sluier af, drong zich zachtkens tegen hem, en hij in een rijke genieting van den rozengeur, die in het warme duister waarde, streelde haar, streelde de schouders en de haren en het vochtig kleed.En terwijl zij gansch sprakeloos en zonder gedachten de weelde genoten hunner jonge vervoering, ruischte in den nachtgestadig de koele regen en schoten de lichtschijnsels, fel onverwacht, gevolgd door het verwijderend schoon geluid van den hemel.Enkele dikke droppels tipten op de bladeren nog, maar de regen was gedaan en de lucht verbleekte, toen Mevena aan de deuropening vermoeid in de armen van haar minnaar steunende, weder ergens iets hoorde. Hij stelde haar gerust, zeggend dat er geen mensch op dit uur zou gaan, dat zij de feeën niet vreezen hoefde, en om haar angst te verdrijven riep hij met ver klinkende stem wie daar was. De eerste morgenwind verspreidde vaag het geluid, een vogeltje tjuikte in de takken.Zij bedachten, dat het laat was en dat zij naar de stad moesten keeren. Op de terugwandeling door het natte gras sprak Rogier luchtig en zwierig over toekomstige vreugde en zij, in dartelen tred naast hem gaande, antwoordde en beäamde met een hooge stem.„Hier begon het onweêr zoo straks,” zeide ze toen zij in het boschje kwamen, waar de boomstammen nu duidelijk uit de heesters stegen.„Zullen wij den tak zoeken, die vlak bij ons neêrviel?”Zij keek met groote oogen rond, maar antwoordde niet. En hij kuste haar en zeide:„Lief... Maar het is laat, de lucht wordt zoo licht.”„Als ik maar binnen kan komen...”Vlug gingen zij verder. Toen zij den lommerrijken weg naar de stad bestegen,zagen zij verbaasd bij hun nadering de poort opengaan. Walid, de hoofdman der Oostersche soldaten, die buiten stond, groette eerbiedig.Boven hen trilde teeder de bleeke dageraad; in de kilgrauwe straatjes liepen al gretige kippen en ganzen. De minnaars haastten zich voort, zij vreesden door vroeg ontwaakte lieden gezien te worden. Op het plein tegenover het paleis klopte Mevena aan het zijdeurtje van een aanzienlijk huis met twee torentjes; er werd onmiddellijk geopend door haar zuster, die haar angstig aanzag, en even knikkend ging zij voorzichtig binnen.Alleen voor het gesloten deurtje staandemaakte Rogier een groot omvangend gebaar, zette zijn vuisten in de heupen en stapte langzaam dwars het wazige plein over. Carolus stond in zijn stalen harnas al in de galerij aan den ingang.„Goeden morgen, Carlo. Ziet gij dat groote huis met die torens en vier ramen?”„Dat dáár?” vroeg Carolus, en terwijl hij wees ving de groote robijn in den bisschopsring aan zijn voorvinger een gloeiende flonkering.„Ja, daar woont messer Lugina; zorg dat daar vooral de mannen geen kwaad doen.”En hij ging naar binnen.Twee uren nadat de minnaars in de stad waren teruggekeerd, in den klaren morgen, droegen eenige landlieden ter noorderpoort het lijk van een jonkman in, dat zij met doorgesneden hals hadden gevonden in een boschje tusschen het natte struikgewas.„Ach!” zeide Tamalone, die bij het groepje bukte om te zien wat er was; „het is de jongste zoon van heer Gian Lugina, die uit Bologna komt.”Omringd door vele meewarig pratendelieden werd de doode naar het marktplein gedragen, naar het huis met vier ramen.Vroeg reeds vertelden zij elkander het gebeurde en velerlei onverwachte geruchten deden wonderlijk door de stad een gevoel gaan, dat de dag vreemd was en gespannen van naderend nieuws.

3

In de koelte van de kathedraal, waar hij haar den eersten avond van zijn binnenkomst ontmoet had, zag hij de dochters van Lugina weder, en weder roerde de onvolwassen gestalte van het jongste meisje hem tot innerlijke aandacht en onderging hij de vreemd kille ontroering van eindelooze zoetheid, van louter genot dat komende was.En Carolus, den getrouwe, trof het weldra, dat er sedert de inneming der stad over zijn meester een frissche bloei was gekomen, een vreugde die zich uitte in sierlijke wijde gebaren en die hem hoofsch deed bewegen als een prins. Hij had hem in de kathedraal met vrouwen gezien, hij had hem het huis zien binnengaanwaar Lugina vertoefde, de oude vijand van Rogiers geslacht—en hij besloot hem heimelijk te bewaken.Buiten de noorderpoort stonden aan den wijden weg den heuvel af kastanjeboomen uit zeer ouden tijd, wier takken zwaar van loof nederbogen tot den grond. In den avond liep Rogier daar geruchtloos en langzaam met een ruiker van rozen, en toen hij aanstonds dicht langs de duistere stammen een kleine vrouw haastig zag naderen,liep hij haar met gestrekte armen tegemoet, boog en gaf haar zwijgend de bloemen.Met haar kleine koele hand in de zijne daalden zij den weg af, zij in vluggen gang om zijn schreden bij te houden en nu en dan omkijkende in de donkerte van het gebladert. Aan den voet van den heuvel kwamen zij aan opene velden, waar ’t bleeke koren stond, en steeds zwijgend keerden zij rechts een voetpad in met jonge populiertjes ter weerszijden.De grond was hier vlak en zij liepen langzaam. Haar hand vaster drukkend, in een neiging om dichter die donzige nabijheid aan teraken, fluisterde hij in korte woordjes, dat het zoo lief van haar was dat zij gekomen was, en dat hij voortdurend aan haar gedacht had. Onbewegelijk en koel voelde hij haar hand in de zijne, maar over zijn lichaam poperde gestadige ontroering. Het voetpad werd bochtig en rees weder en daalde over heuveltjes van dicht wingerdloof, naar een boschje waar zij schimmig de stammen der boomen bespeurden in de tinteling van duisternis.Mevena wendde haar hoofd weêr om, zij stonden stil en zagen aan de schemerwolkige lucht den top des heuvels waar de stad was. Plotseling, tot een zoete verbazing der wandelaars, vloot een glad geluidje door het loover, het streelend kwinkeleeren van een vogel vulde den nacht.Dan werd het plots weêr stil en het meisje, angstig in het duister, kwam dichter bij den jonkman staan. Hij zag haar groote oogen, boog zich en kuste haar; diep ademend omvatte hij heel haar slank lijfje en kuste haar die nog niet kussen kon tot haar lippen bewogen, en drukte haar aan zich, en fluisterde kleine lievewoordjes. En zij, met een borst van gloeiende stilte, haar gelaat naar zijn mond, wachtte de kussen, luisterend naar den zwellenden nacht die zwoel van teederheid was.Toen zij langs het paadje het donkerder bosch in gingen ritselden er wat bladeren, maar Mevena hoorde, dat ersindszij stonden ook ander gerucht nog dwaalde en haar oogen zochten naar alle zijden of zij de witte danseressen zagen. Hij bemerkte haar onrust, vroeg wat er was, en beiden luisterden, hand aan hand. Heel in de verte hoorden zij een gedempt rollen van onweêr, een fijne koelte voer door de boomen. Hij kuste haar lippen weder en in weelderig zuchten vergaten zij den komenden nachtstorm, die bij tusschenpoozen rommelde met zwaarder geluid. De bladeren boven hen ruischten steeds koeler en wuivender, somwijlen zagen zij elkanders gelaat in snellen schijn, over de bergen kwam de donder geweldig nader bolderen—en steeds kusten zij elkander inniger en ongeduldiger, zij kusten slechts want zij konden niet spreken. Onverwachts brak een helleklaterslag door den nacht, de takken waaierden in den lauwen wind en groote waterdroppels ruischten door de bladeren.Nauw had hij haar hand gevat om haastig voort te loopen,toen zij een gerucht hoorden en dan duidelijk een val—Rogier zeide, dat het een getroffen boomtak moest wezen en voerde haar dicht aan zich mede, tastend in het natte loof tot zij buiten het geboomte waren. Hij wist, dat niet ver af een landmanshut stond, verlaten gedurende de belegering der stad, en daar het water nu dichter en sneller viel en de schichten des bliksemlichts met vreeselijk geraas de duisternis in oproer brachten, nam hij haar op en snelde er heen. Een nachtvogel fladderde langs hen naar buiten toen hij het deurtje openduwde. Zij deed haar doornatten kap en sluier af, drong zich zachtkens tegen hem, en hij in een rijke genieting van den rozengeur, die in het warme duister waarde, streelde haar, streelde de schouders en de haren en het vochtig kleed.En terwijl zij gansch sprakeloos en zonder gedachten de weelde genoten hunner jonge vervoering, ruischte in den nachtgestadig de koele regen en schoten de lichtschijnsels, fel onverwacht, gevolgd door het verwijderend schoon geluid van den hemel.Enkele dikke droppels tipten op de bladeren nog, maar de regen was gedaan en de lucht verbleekte, toen Mevena aan de deuropening vermoeid in de armen van haar minnaar steunende, weder ergens iets hoorde. Hij stelde haar gerust, zeggend dat er geen mensch op dit uur zou gaan, dat zij de feeën niet vreezen hoefde, en om haar angst te verdrijven riep hij met ver klinkende stem wie daar was. De eerste morgenwind verspreidde vaag het geluid, een vogeltje tjuikte in de takken.Zij bedachten, dat het laat was en dat zij naar de stad moesten keeren. Op de terugwandeling door het natte gras sprak Rogier luchtig en zwierig over toekomstige vreugde en zij, in dartelen tred naast hem gaande, antwoordde en beäamde met een hooge stem.„Hier begon het onweêr zoo straks,” zeide ze toen zij in het boschje kwamen, waar de boomstammen nu duidelijk uit de heesters stegen.„Zullen wij den tak zoeken, die vlak bij ons neêrviel?”Zij keek met groote oogen rond, maar antwoordde niet. En hij kuste haar en zeide:„Lief... Maar het is laat, de lucht wordt zoo licht.”„Als ik maar binnen kan komen...”Vlug gingen zij verder. Toen zij den lommerrijken weg naar de stad bestegen,zagen zij verbaasd bij hun nadering de poort opengaan. Walid, de hoofdman der Oostersche soldaten, die buiten stond, groette eerbiedig.Boven hen trilde teeder de bleeke dageraad; in de kilgrauwe straatjes liepen al gretige kippen en ganzen. De minnaars haastten zich voort, zij vreesden door vroeg ontwaakte lieden gezien te worden. Op het plein tegenover het paleis klopte Mevena aan het zijdeurtje van een aanzienlijk huis met twee torentjes; er werd onmiddellijk geopend door haar zuster, die haar angstig aanzag, en even knikkend ging zij voorzichtig binnen.Alleen voor het gesloten deurtje staandemaakte Rogier een groot omvangend gebaar, zette zijn vuisten in de heupen en stapte langzaam dwars het wazige plein over. Carolus stond in zijn stalen harnas al in de galerij aan den ingang.„Goeden morgen, Carlo. Ziet gij dat groote huis met die torens en vier ramen?”„Dat dáár?” vroeg Carolus, en terwijl hij wees ving de groote robijn in den bisschopsring aan zijn voorvinger een gloeiende flonkering.„Ja, daar woont messer Lugina; zorg dat daar vooral de mannen geen kwaad doen.”En hij ging naar binnen.Twee uren nadat de minnaars in de stad waren teruggekeerd, in den klaren morgen, droegen eenige landlieden ter noorderpoort het lijk van een jonkman in, dat zij met doorgesneden hals hadden gevonden in een boschje tusschen het natte struikgewas.„Ach!” zeide Tamalone, die bij het groepje bukte om te zien wat er was; „het is de jongste zoon van heer Gian Lugina, die uit Bologna komt.”Omringd door vele meewarig pratendelieden werd de doode naar het marktplein gedragen, naar het huis met vier ramen.Vroeg reeds vertelden zij elkander het gebeurde en velerlei onverwachte geruchten deden wonderlijk door de stad een gevoel gaan, dat de dag vreemd was en gespannen van naderend nieuws.

In de koelte van de kathedraal, waar hij haar den eersten avond van zijn binnenkomst ontmoet had, zag hij de dochters van Lugina weder, en weder roerde de onvolwassen gestalte van het jongste meisje hem tot innerlijke aandacht en onderging hij de vreemd kille ontroering van eindelooze zoetheid, van louter genot dat komende was.

En Carolus, den getrouwe, trof het weldra, dat er sedert de inneming der stad over zijn meester een frissche bloei was gekomen, een vreugde die zich uitte in sierlijke wijde gebaren en die hem hoofsch deed bewegen als een prins. Hij had hem in de kathedraal met vrouwen gezien, hij had hem het huis zien binnengaanwaar Lugina vertoefde, de oude vijand van Rogiers geslacht—en hij besloot hem heimelijk te bewaken.

Buiten de noorderpoort stonden aan den wijden weg den heuvel af kastanjeboomen uit zeer ouden tijd, wier takken zwaar van loof nederbogen tot den grond. In den avond liep Rogier daar geruchtloos en langzaam met een ruiker van rozen, en toen hij aanstonds dicht langs de duistere stammen een kleine vrouw haastig zag naderen,liep hij haar met gestrekte armen tegemoet, boog en gaf haar zwijgend de bloemen.

Met haar kleine koele hand in de zijne daalden zij den weg af, zij in vluggen gang om zijn schreden bij te houden en nu en dan omkijkende in de donkerte van het gebladert. Aan den voet van den heuvel kwamen zij aan opene velden, waar ’t bleeke koren stond, en steeds zwijgend keerden zij rechts een voetpad in met jonge populiertjes ter weerszijden.

De grond was hier vlak en zij liepen langzaam. Haar hand vaster drukkend, in een neiging om dichter die donzige nabijheid aan teraken, fluisterde hij in korte woordjes, dat het zoo lief van haar was dat zij gekomen was, en dat hij voortdurend aan haar gedacht had. Onbewegelijk en koel voelde hij haar hand in de zijne, maar over zijn lichaam poperde gestadige ontroering. Het voetpad werd bochtig en rees weder en daalde over heuveltjes van dicht wingerdloof, naar een boschje waar zij schimmig de stammen der boomen bespeurden in de tinteling van duisternis.

Mevena wendde haar hoofd weêr om, zij stonden stil en zagen aan de schemerwolkige lucht den top des heuvels waar de stad was. Plotseling, tot een zoete verbazing der wandelaars, vloot een glad geluidje door het loover, het streelend kwinkeleeren van een vogel vulde den nacht.

Dan werd het plots weêr stil en het meisje, angstig in het duister, kwam dichter bij den jonkman staan. Hij zag haar groote oogen, boog zich en kuste haar; diep ademend omvatte hij heel haar slank lijfje en kuste haar die nog niet kussen kon tot haar lippen bewogen, en drukte haar aan zich, en fluisterde kleine lievewoordjes. En zij, met een borst van gloeiende stilte, haar gelaat naar zijn mond, wachtte de kussen, luisterend naar den zwellenden nacht die zwoel van teederheid was.

Toen zij langs het paadje het donkerder bosch in gingen ritselden er wat bladeren, maar Mevena hoorde, dat ersindszij stonden ook ander gerucht nog dwaalde en haar oogen zochten naar alle zijden of zij de witte danseressen zagen. Hij bemerkte haar onrust, vroeg wat er was, en beiden luisterden, hand aan hand. Heel in de verte hoorden zij een gedempt rollen van onweêr, een fijne koelte voer door de boomen. Hij kuste haar lippen weder en in weelderig zuchten vergaten zij den komenden nachtstorm, die bij tusschenpoozen rommelde met zwaarder geluid. De bladeren boven hen ruischten steeds koeler en wuivender, somwijlen zagen zij elkanders gelaat in snellen schijn, over de bergen kwam de donder geweldig nader bolderen—en steeds kusten zij elkander inniger en ongeduldiger, zij kusten slechts want zij konden niet spreken. Onverwachts brak een helleklaterslag door den nacht, de takken waaierden in den lauwen wind en groote waterdroppels ruischten door de bladeren.

Nauw had hij haar hand gevat om haastig voort te loopen,toen zij een gerucht hoorden en dan duidelijk een val—Rogier zeide, dat het een getroffen boomtak moest wezen en voerde haar dicht aan zich mede, tastend in het natte loof tot zij buiten het geboomte waren. Hij wist, dat niet ver af een landmanshut stond, verlaten gedurende de belegering der stad, en daar het water nu dichter en sneller viel en de schichten des bliksemlichts met vreeselijk geraas de duisternis in oproer brachten, nam hij haar op en snelde er heen. Een nachtvogel fladderde langs hen naar buiten toen hij het deurtje openduwde. Zij deed haar doornatten kap en sluier af, drong zich zachtkens tegen hem, en hij in een rijke genieting van den rozengeur, die in het warme duister waarde, streelde haar, streelde de schouders en de haren en het vochtig kleed.

En terwijl zij gansch sprakeloos en zonder gedachten de weelde genoten hunner jonge vervoering, ruischte in den nachtgestadig de koele regen en schoten de lichtschijnsels, fel onverwacht, gevolgd door het verwijderend schoon geluid van den hemel.

Enkele dikke droppels tipten op de bladeren nog, maar de regen was gedaan en de lucht verbleekte, toen Mevena aan de deuropening vermoeid in de armen van haar minnaar steunende, weder ergens iets hoorde. Hij stelde haar gerust, zeggend dat er geen mensch op dit uur zou gaan, dat zij de feeën niet vreezen hoefde, en om haar angst te verdrijven riep hij met ver klinkende stem wie daar was. De eerste morgenwind verspreidde vaag het geluid, een vogeltje tjuikte in de takken.

Zij bedachten, dat het laat was en dat zij naar de stad moesten keeren. Op de terugwandeling door het natte gras sprak Rogier luchtig en zwierig over toekomstige vreugde en zij, in dartelen tred naast hem gaande, antwoordde en beäamde met een hooge stem.

„Hier begon het onweêr zoo straks,” zeide ze toen zij in het boschje kwamen, waar de boomstammen nu duidelijk uit de heesters stegen.

„Zullen wij den tak zoeken, die vlak bij ons neêrviel?”

Zij keek met groote oogen rond, maar antwoordde niet. En hij kuste haar en zeide:

„Lief... Maar het is laat, de lucht wordt zoo licht.”

„Als ik maar binnen kan komen...”

Vlug gingen zij verder. Toen zij den lommerrijken weg naar de stad bestegen,zagen zij verbaasd bij hun nadering de poort opengaan. Walid, de hoofdman der Oostersche soldaten, die buiten stond, groette eerbiedig.

Boven hen trilde teeder de bleeke dageraad; in de kilgrauwe straatjes liepen al gretige kippen en ganzen. De minnaars haastten zich voort, zij vreesden door vroeg ontwaakte lieden gezien te worden. Op het plein tegenover het paleis klopte Mevena aan het zijdeurtje van een aanzienlijk huis met twee torentjes; er werd onmiddellijk geopend door haar zuster, die haar angstig aanzag, en even knikkend ging zij voorzichtig binnen.

Alleen voor het gesloten deurtje staandemaakte Rogier een groot omvangend gebaar, zette zijn vuisten in de heupen en stapte langzaam dwars het wazige plein over. Carolus stond in zijn stalen harnas al in de galerij aan den ingang.

„Goeden morgen, Carlo. Ziet gij dat groote huis met die torens en vier ramen?”

„Dat dáár?” vroeg Carolus, en terwijl hij wees ving de groote robijn in den bisschopsring aan zijn voorvinger een gloeiende flonkering.

„Ja, daar woont messer Lugina; zorg dat daar vooral de mannen geen kwaad doen.”

En hij ging naar binnen.

Twee uren nadat de minnaars in de stad waren teruggekeerd, in den klaren morgen, droegen eenige landlieden ter noorderpoort het lijk van een jonkman in, dat zij met doorgesneden hals hadden gevonden in een boschje tusschen het natte struikgewas.

„Ach!” zeide Tamalone, die bij het groepje bukte om te zien wat er was; „het is de jongste zoon van heer Gian Lugina, die uit Bologna komt.”

Omringd door vele meewarig pratendelieden werd de doode naar het marktplein gedragen, naar het huis met vier ramen.

Vroeg reeds vertelden zij elkander het gebeurde en velerlei onverwachte geruchten deden wonderlijk door de stad een gevoel gaan, dat de dag vreemd was en gespannen van naderend nieuws.

4Rogier, nauw ontwaakt, zat door de ruitjes in den zonnigen bloemenhof te staren toen de brigadier kwam zeggen dat Lugina wachtte en verlangde toegelaten te worden.„Maar,” zeide hij, „wij kennen den man al zoo lang. Ik zal de wacht binnenhalen.”Drie soldaten plaatste hij aan de deur en geleidde later Lugina de zaal in, een groot man in het paarsch gekleed, met spitsen baard en gefronste wenkbrauwen.Rogier groette vriendelijk. En de ander kwam voor hem staan, knikte even ten wedergroet; met booze, rappe woorden vertelde hij, dat zijn zoon met doorgesneden hals was thuisgedragen, en zwoer dat ook dit gewroken zou worden met al het vroeger onrecht hem aangedaan. Hij konzijn toornige stem niet bedwingen en zeide wat hij gehoord had, dat ook Rogier dien nacht buiten was geweest.Rogier haalde de schouders op en zweeg. Eindelijk antwoordde hij, dat hij weldra zou bewijzen, hoe hij er onschuldig aan was, en immers had hij den jongeling slechts één keer gezien. Hij beloofde oprecht, dat hij den moordenaar zou doen vinden en vreeselijk straffen. Toen vroeg hij Lugina zich te bezinnen of hij zich de laatste dagen niet een vriend had betoond, en zeide dat hij in den lijkstoet zou gaan. De oude man zag hem verbaasd aan, boog en antwoordde, dat hij die eer niet verlangde. En hij keerde zich om heen te gaan, maar de ander hield hem staande en sprak:„Dan zal ik morgen vroeg bij u komen, want ik wil in vertrouwen met u spreken.”„Morgenochtend zal ik u wachten, messer; ik hoop dat de moordenaar dan gestraft is.”Hij verliet de zaal met de oostersche soldaten.„Wees voorzichtig,” zeide Carolus, „wees voorzichtig. Die vervloekte kerels! Ze zouden u vermoorden. Gij kent ze niet, het verdoemde volk. Gij wilt toch dat meisje niet trouwen?”„Ja, morgen ga ik hem zijn dochter vragen. Ga nu heen.”De brigadier, zeer verbaasd, keerde zich met zwaar schouderophalen om.En Rogier zat weêr alleen in de vensterbank met gebogen hoofd. In de gaarde stonden rustig de rozelaars en vergaderden de zomerzon om hun rood gebloemte; verder op glansden in blanke menigte de jasmijnen, hun stillere weligheid was als van smachtende minnaars, die hun liefde niet uitspreken kunnen; en achteraan stond eenzaam in de blauwe lucht een beukeboom met zijn uitgestrekte takken vol glimmend loof in roerloozen praal, de monnik Tamalone lag er onder op het gras te slapen. Rogier staarde in de verre schaduw, terwijl hij in herinnering het frissche ruischen van den regen hoorde en bij vleugjes de genietingen van den nacht weêr over zich glijden voelde. Onbegrijpelijk waarde rondomhem de weeke innigheid van het meisjeshart, dat zich had open gedaan, de wonderlijke geur harer kussen. Hij dacht aan Lugina met een glimlach en tevreden hoofdknik... hij zou zeker weêr vriendschap sluiten met den ouden man en haar weldra trouwen.De doodsklokken begonnen te slaan, het misklokje klepelde met zedig eentonigen klank, Rogier liep naar buiten in de schaduw der galerij, waar de soldaten stonden te kijken.Aan den overkant wachtten slechts weinige vrienden en geburen voor het huis van Lugina, maar in wijderen kring veel nieuwsgierig volk met de ruggen naar het paleis gekeerd. Er ontstond een dringen en reikhalzen, toen traden eerst knapen met een banier en wierookvaten, een priester en acht monniken met flambouwen het huis uit; dan droegen Lugina en zijn zoons het lijk naar de baar.De optocht werd gevormd en aan beide zijden bewoog de menigte mede langs de huizen, naar het paleis en voorbij. Rogier staarde met halfgeloken oogen in het licht;hij hoorde de klokken wel klinken hoog in de lucht, en de zangerige stemmen der klerken; en hij zag Lugina in zijn paarschen mantel te midden der flambouwen, waarvan de walm met den wierookgeur in de warmte boven de menschen dreef; en hij zag de zonderling donkere blikken op hem gericht; maar turend over de beweging naar het witte huis met de torens aan den overkant, dacht hij aldoor aan den diepen ernstigen glans van vrouwenoogen.Doffer werden in de verte de eentonige gebeden, één klok slechts luidde met dreunend gebeier, en nog stond hij tusschen de pratende krijgslieden in mijmering, toen uit de schaduw eener straat het gonzen van veel volk te zwellen begon.En weldra deinde het marktplein in een kleurige warreling van menschen, de tallooze gelaten, ernstig en nieuwsgierig, waren naar het paleis geheven.Er waren boden gekomen, hun paarden stonden aan de deur. De menschenwachttenmet wijde oogen het nieuws, zij vertelden elkander reeds, dat een groot legerin aantocht was. De brigadier verscheen weêr in de galerij met den man dien zij de poort hadden zien binnenrijden, er werd gedrongen en gevraagd wat er was. Vooraan pakten twee mannen woedend elkaâr om den nek, er werd geschreeuwd, lansen en helmen schoten licht boven de roode, groene, blauwe kaproenen, die rezen en daalden in het gedrang.Aan de overzijde van het plein reed eensklaps een monnik te paard onder de menigte, in de eene hand hield hij een kruis, de andere wees naar het paleis met boos gebaar. Er voer door het gewoel een beweging van onzekerheid waar men luisteren zou en kijken.De doodsklok luidde in den klaren hemel, rustig en ongeroerd, terwijl het nieuws van den monnik in de stoffige drukte zich spreidde: een vreeselijke slag gewonnen en die van Bologna met een machtig leger onder hun overheer en den kardinaal geen twintig mijlen van de stad...Uit de straten kwamen de krijgslieden, de trommen roffelden en voor het paleis groeiden de rustige rijen van mannen te paard,terwijl uit de drommen der stedelingen het stemmengeraas aanzwol tot hartstochtelijk geluid. Reeds riepen zij van ketters, heidenen, moordenaars, en klonk er gejuich voor Lugina en den Paus. De hoofden wendden zich van den monnik naar het paleis weder, waar vlak voor de lachende ruiters twee mannen worstelden op den grond.Dan, uit de straat ter linker, blonk een gouden baander boven de wemeling; er stegen kreten, gezwollen fel rumoer, dat de paarden opschrikken deed. Een ruiter tuimelde op den grond. Nu was het onstuimigheid van armen dreigend boven de hoofden geheven, van klievende zwaarden en heet geschreeuw.En toen Rogier inderijl naar buiten kwam zag hij in den stoffigen dag tusschen de huizen een ontzettende menigte in bruisende beroering, te midden waarvan de ruiters op steigerende paarden snel de wapenen hieven en nedersloegen. Hij beefde van genot bij het gedaver van woede en strijd; hij gelastte een soldaat af te stijgen, sprong in het zadel en rende vooruit,over de lijven die vielen, met prachtige hartstochtelijke zwaaien van arm en zwaard. Nu schreeuwden de Duitschers en joelden de oosterlingen, een golving voer over het volk, dat wendde en vluchtte.Maar uit de straten kwamen ruiters, Lugina en velen meer, met kreten van„slaat dood! slaat de heidenen dood!” En het volk keerde weêr en hield weifelend stand.Voort drongen de soldaten en sloegen de weerloozen bloedend neêr. Midden in de drommen, in het dikke stof, reed Carolus, zijn geweldige arm in kalme beweging; doch eensklaps rukte hij zijn hengst overeind en deed hem wild haar voren springen, naar de edelen der stad. Een machtige houw kwam op Lugina’s paard neêr, dat viel; een andere velde een monnik—naast hem beukte Rogier een jong ruiter uit het zadel, een tweeden zoon van Lugina, en de gillende Saraceenen hakten en sloegen in het gewemel onder hun paarden.Toen zwenkten de edelen en stortten de straat in, het volk in wilden angst hen achterna. Zwaar gloeide de lucht van geschreeuw.Het plein was leeg aanstonds, slechts aan de schaduwige openingen der straten rustten krijgslieden. Op den grond lagen vele burgers in de stovende zon, en wanneer te wijlen er één trachtte op te staan,hieuw een Saraceen hem neder.De soldaten brachten hun wagens en laadden er pakken op, anderen droegen aldoor groote bossen stroo aan waarmede zij de open gebroken deuren der huizen binnen gingen. Voor de woning van Lugina stond de gepantserde brigadier geleund, zich met zijn blauwe doekje bewuivend, en wen daar kerels met stroo aankwamen,wees hij hun verder te gaan.In het midden des pleins werd om een paal een stapel gebouwd en de monnik die het eerst het volk had aangezet, werd er in gebonden, slechts zijn afschuwelijk hoofd waar de oogen uitgestoken waren, en zijn kruis staken uit boven hout en stroo.Rogier had met eenige mannen het lijk gevonden van Lugina’s zoon, die gesneuveld was, en volgde het naar het huis in rouwig bewustzijn, dat er haat van menschen zijn liefste in duister verbergen zoude en voorhem wijken deed. Bij de geopende deur rees er verlangen in hem op om binnen te gaan, maar hij zag het doode lichaam en zwaarder woog het verdriet, dat zij, de nieuw beminde, voor hem verloren zou zijn.... Hij begreep, dat alles tegen zou wezen, dat zelfs Mevena’s jonge gedachten zich van hem keeren zouden nu hij den haat had gezien van haar vader.Aan alle zijden uit de huizen kronkelde rook naar buiten, de vlammen sloegen uit het paleis. Rondom hun wagens stonden de ruiters en voetsoldaten in gelederen gereed. De dag werd groezelig door den rook die snel naar boven warrelde. De brigadier knielde bij den brandstapel neêr en ook daarom vlogen eensklaps de vlammen op en omringden het hoofd van den monnik, die luid zijn gebeden uitgalmde.Nog stond Rogier aarzelend voor de deur; hij had in het onvermijdelijke heengaan berust, meenende dat hij te eeniger tijd nog de vriendschap van Lugina zou winnen en keerde zich reeds, om zich naar zijn soldaten te begeven.Doch eensklaps schoot hem het bloeddoor het lijf en hij snelde naar binnen om Mevena te zoeken en meê te voeren; Carolus en enkele Saraceenen liepen hem na. Zij gingen in hijgende haast van kamer tot kamer, zij stegen tot boven in ’t huis en vonden slechts meubelen en koele verlatenheid. Rogier riep Mevena’s naam, Carolus riep op zijn luidst, de oosterlingen wachtten met opmerkzame blikken en luisterden. Maar het huis was eenzaam en stom. Heengaande zagen zij op den vloer eener kamer het lijk van den jongen Lugina, het bloed lag er omheen.En Rogier, in het daglicht gekomen, in den reuk van brandend hout, beval den brigadier met een afdeeling vooruit te rukken en de stedelingen neêr te houwen zooveel hij er zag. Hij vloekte tegen de hooge vlammen waar de stem van den monnik uit klaagde, steeg te paard, en de kreten der soldaten krioelden door het rookende plein, ontzaglijk als een zwarte roofvogelzwerm.De straten waren leêg, maar Carolus voorop was op zijn hoede. Zij vonden de poort met kettingen en balken versperd.En terwijl er plaats werd gemaakt voor den ram en velen der soldaten uit de rijen traden, kwamen er alzijds, om de hoeken der straatjes, uit de huizen achter hen, stedelingen met schilden, bijlen en messen gewapend. De ruiters sloten zich dicht in gelid, de boogschutters achter hen spanden de pezen, en terwijl de poort met langzaam geweld gerammeid werd, wachtten zij het naderend misbaar. Maar de voorsten der burgers weifelden, zij zagen de paarden en de mannen met glinsterende wapens zoo kalm en gevaarlijk, en kwamen niet nader.Met krakend geraas braken de deuren der poort, de wagens rolden naar buiten en Rogier, omringd door zijn mannen, reed uit het rumoer en de hitte der stad en daalde den weg af, in het koele lommer der kastanjeboomen.Naast hem reden de boden; de een was uitToscane, van den keizer, de ander kwam van het noorden—beiden hadden gelijke bevelen gebracht dat de bende onmiddellijk de stad moest verlaten.

4

Rogier, nauw ontwaakt, zat door de ruitjes in den zonnigen bloemenhof te staren toen de brigadier kwam zeggen dat Lugina wachtte en verlangde toegelaten te worden.„Maar,” zeide hij, „wij kennen den man al zoo lang. Ik zal de wacht binnenhalen.”Drie soldaten plaatste hij aan de deur en geleidde later Lugina de zaal in, een groot man in het paarsch gekleed, met spitsen baard en gefronste wenkbrauwen.Rogier groette vriendelijk. En de ander kwam voor hem staan, knikte even ten wedergroet; met booze, rappe woorden vertelde hij, dat zijn zoon met doorgesneden hals was thuisgedragen, en zwoer dat ook dit gewroken zou worden met al het vroeger onrecht hem aangedaan. Hij konzijn toornige stem niet bedwingen en zeide wat hij gehoord had, dat ook Rogier dien nacht buiten was geweest.Rogier haalde de schouders op en zweeg. Eindelijk antwoordde hij, dat hij weldra zou bewijzen, hoe hij er onschuldig aan was, en immers had hij den jongeling slechts één keer gezien. Hij beloofde oprecht, dat hij den moordenaar zou doen vinden en vreeselijk straffen. Toen vroeg hij Lugina zich te bezinnen of hij zich de laatste dagen niet een vriend had betoond, en zeide dat hij in den lijkstoet zou gaan. De oude man zag hem verbaasd aan, boog en antwoordde, dat hij die eer niet verlangde. En hij keerde zich om heen te gaan, maar de ander hield hem staande en sprak:„Dan zal ik morgen vroeg bij u komen, want ik wil in vertrouwen met u spreken.”„Morgenochtend zal ik u wachten, messer; ik hoop dat de moordenaar dan gestraft is.”Hij verliet de zaal met de oostersche soldaten.„Wees voorzichtig,” zeide Carolus, „wees voorzichtig. Die vervloekte kerels! Ze zouden u vermoorden. Gij kent ze niet, het verdoemde volk. Gij wilt toch dat meisje niet trouwen?”„Ja, morgen ga ik hem zijn dochter vragen. Ga nu heen.”De brigadier, zeer verbaasd, keerde zich met zwaar schouderophalen om.En Rogier zat weêr alleen in de vensterbank met gebogen hoofd. In de gaarde stonden rustig de rozelaars en vergaderden de zomerzon om hun rood gebloemte; verder op glansden in blanke menigte de jasmijnen, hun stillere weligheid was als van smachtende minnaars, die hun liefde niet uitspreken kunnen; en achteraan stond eenzaam in de blauwe lucht een beukeboom met zijn uitgestrekte takken vol glimmend loof in roerloozen praal, de monnik Tamalone lag er onder op het gras te slapen. Rogier staarde in de verre schaduw, terwijl hij in herinnering het frissche ruischen van den regen hoorde en bij vleugjes de genietingen van den nacht weêr over zich glijden voelde. Onbegrijpelijk waarde rondomhem de weeke innigheid van het meisjeshart, dat zich had open gedaan, de wonderlijke geur harer kussen. Hij dacht aan Lugina met een glimlach en tevreden hoofdknik... hij zou zeker weêr vriendschap sluiten met den ouden man en haar weldra trouwen.De doodsklokken begonnen te slaan, het misklokje klepelde met zedig eentonigen klank, Rogier liep naar buiten in de schaduw der galerij, waar de soldaten stonden te kijken.Aan den overkant wachtten slechts weinige vrienden en geburen voor het huis van Lugina, maar in wijderen kring veel nieuwsgierig volk met de ruggen naar het paleis gekeerd. Er ontstond een dringen en reikhalzen, toen traden eerst knapen met een banier en wierookvaten, een priester en acht monniken met flambouwen het huis uit; dan droegen Lugina en zijn zoons het lijk naar de baar.De optocht werd gevormd en aan beide zijden bewoog de menigte mede langs de huizen, naar het paleis en voorbij. Rogier staarde met halfgeloken oogen in het licht;hij hoorde de klokken wel klinken hoog in de lucht, en de zangerige stemmen der klerken; en hij zag Lugina in zijn paarschen mantel te midden der flambouwen, waarvan de walm met den wierookgeur in de warmte boven de menschen dreef; en hij zag de zonderling donkere blikken op hem gericht; maar turend over de beweging naar het witte huis met de torens aan den overkant, dacht hij aldoor aan den diepen ernstigen glans van vrouwenoogen.Doffer werden in de verte de eentonige gebeden, één klok slechts luidde met dreunend gebeier, en nog stond hij tusschen de pratende krijgslieden in mijmering, toen uit de schaduw eener straat het gonzen van veel volk te zwellen begon.En weldra deinde het marktplein in een kleurige warreling van menschen, de tallooze gelaten, ernstig en nieuwsgierig, waren naar het paleis geheven.Er waren boden gekomen, hun paarden stonden aan de deur. De menschenwachttenmet wijde oogen het nieuws, zij vertelden elkander reeds, dat een groot legerin aantocht was. De brigadier verscheen weêr in de galerij met den man dien zij de poort hadden zien binnenrijden, er werd gedrongen en gevraagd wat er was. Vooraan pakten twee mannen woedend elkaâr om den nek, er werd geschreeuwd, lansen en helmen schoten licht boven de roode, groene, blauwe kaproenen, die rezen en daalden in het gedrang.Aan de overzijde van het plein reed eensklaps een monnik te paard onder de menigte, in de eene hand hield hij een kruis, de andere wees naar het paleis met boos gebaar. Er voer door het gewoel een beweging van onzekerheid waar men luisteren zou en kijken.De doodsklok luidde in den klaren hemel, rustig en ongeroerd, terwijl het nieuws van den monnik in de stoffige drukte zich spreidde: een vreeselijke slag gewonnen en die van Bologna met een machtig leger onder hun overheer en den kardinaal geen twintig mijlen van de stad...Uit de straten kwamen de krijgslieden, de trommen roffelden en voor het paleis groeiden de rustige rijen van mannen te paard,terwijl uit de drommen der stedelingen het stemmengeraas aanzwol tot hartstochtelijk geluid. Reeds riepen zij van ketters, heidenen, moordenaars, en klonk er gejuich voor Lugina en den Paus. De hoofden wendden zich van den monnik naar het paleis weder, waar vlak voor de lachende ruiters twee mannen worstelden op den grond.Dan, uit de straat ter linker, blonk een gouden baander boven de wemeling; er stegen kreten, gezwollen fel rumoer, dat de paarden opschrikken deed. Een ruiter tuimelde op den grond. Nu was het onstuimigheid van armen dreigend boven de hoofden geheven, van klievende zwaarden en heet geschreeuw.En toen Rogier inderijl naar buiten kwam zag hij in den stoffigen dag tusschen de huizen een ontzettende menigte in bruisende beroering, te midden waarvan de ruiters op steigerende paarden snel de wapenen hieven en nedersloegen. Hij beefde van genot bij het gedaver van woede en strijd; hij gelastte een soldaat af te stijgen, sprong in het zadel en rende vooruit,over de lijven die vielen, met prachtige hartstochtelijke zwaaien van arm en zwaard. Nu schreeuwden de Duitschers en joelden de oosterlingen, een golving voer over het volk, dat wendde en vluchtte.Maar uit de straten kwamen ruiters, Lugina en velen meer, met kreten van„slaat dood! slaat de heidenen dood!” En het volk keerde weêr en hield weifelend stand.Voort drongen de soldaten en sloegen de weerloozen bloedend neêr. Midden in de drommen, in het dikke stof, reed Carolus, zijn geweldige arm in kalme beweging; doch eensklaps rukte hij zijn hengst overeind en deed hem wild haar voren springen, naar de edelen der stad. Een machtige houw kwam op Lugina’s paard neêr, dat viel; een andere velde een monnik—naast hem beukte Rogier een jong ruiter uit het zadel, een tweeden zoon van Lugina, en de gillende Saraceenen hakten en sloegen in het gewemel onder hun paarden.Toen zwenkten de edelen en stortten de straat in, het volk in wilden angst hen achterna. Zwaar gloeide de lucht van geschreeuw.Het plein was leeg aanstonds, slechts aan de schaduwige openingen der straten rustten krijgslieden. Op den grond lagen vele burgers in de stovende zon, en wanneer te wijlen er één trachtte op te staan,hieuw een Saraceen hem neder.De soldaten brachten hun wagens en laadden er pakken op, anderen droegen aldoor groote bossen stroo aan waarmede zij de open gebroken deuren der huizen binnen gingen. Voor de woning van Lugina stond de gepantserde brigadier geleund, zich met zijn blauwe doekje bewuivend, en wen daar kerels met stroo aankwamen,wees hij hun verder te gaan.In het midden des pleins werd om een paal een stapel gebouwd en de monnik die het eerst het volk had aangezet, werd er in gebonden, slechts zijn afschuwelijk hoofd waar de oogen uitgestoken waren, en zijn kruis staken uit boven hout en stroo.Rogier had met eenige mannen het lijk gevonden van Lugina’s zoon, die gesneuveld was, en volgde het naar het huis in rouwig bewustzijn, dat er haat van menschen zijn liefste in duister verbergen zoude en voorhem wijken deed. Bij de geopende deur rees er verlangen in hem op om binnen te gaan, maar hij zag het doode lichaam en zwaarder woog het verdriet, dat zij, de nieuw beminde, voor hem verloren zou zijn.... Hij begreep, dat alles tegen zou wezen, dat zelfs Mevena’s jonge gedachten zich van hem keeren zouden nu hij den haat had gezien van haar vader.Aan alle zijden uit de huizen kronkelde rook naar buiten, de vlammen sloegen uit het paleis. Rondom hun wagens stonden de ruiters en voetsoldaten in gelederen gereed. De dag werd groezelig door den rook die snel naar boven warrelde. De brigadier knielde bij den brandstapel neêr en ook daarom vlogen eensklaps de vlammen op en omringden het hoofd van den monnik, die luid zijn gebeden uitgalmde.Nog stond Rogier aarzelend voor de deur; hij had in het onvermijdelijke heengaan berust, meenende dat hij te eeniger tijd nog de vriendschap van Lugina zou winnen en keerde zich reeds, om zich naar zijn soldaten te begeven.Doch eensklaps schoot hem het bloeddoor het lijf en hij snelde naar binnen om Mevena te zoeken en meê te voeren; Carolus en enkele Saraceenen liepen hem na. Zij gingen in hijgende haast van kamer tot kamer, zij stegen tot boven in ’t huis en vonden slechts meubelen en koele verlatenheid. Rogier riep Mevena’s naam, Carolus riep op zijn luidst, de oosterlingen wachtten met opmerkzame blikken en luisterden. Maar het huis was eenzaam en stom. Heengaande zagen zij op den vloer eener kamer het lijk van den jongen Lugina, het bloed lag er omheen.En Rogier, in het daglicht gekomen, in den reuk van brandend hout, beval den brigadier met een afdeeling vooruit te rukken en de stedelingen neêr te houwen zooveel hij er zag. Hij vloekte tegen de hooge vlammen waar de stem van den monnik uit klaagde, steeg te paard, en de kreten der soldaten krioelden door het rookende plein, ontzaglijk als een zwarte roofvogelzwerm.De straten waren leêg, maar Carolus voorop was op zijn hoede. Zij vonden de poort met kettingen en balken versperd.En terwijl er plaats werd gemaakt voor den ram en velen der soldaten uit de rijen traden, kwamen er alzijds, om de hoeken der straatjes, uit de huizen achter hen, stedelingen met schilden, bijlen en messen gewapend. De ruiters sloten zich dicht in gelid, de boogschutters achter hen spanden de pezen, en terwijl de poort met langzaam geweld gerammeid werd, wachtten zij het naderend misbaar. Maar de voorsten der burgers weifelden, zij zagen de paarden en de mannen met glinsterende wapens zoo kalm en gevaarlijk, en kwamen niet nader.Met krakend geraas braken de deuren der poort, de wagens rolden naar buiten en Rogier, omringd door zijn mannen, reed uit het rumoer en de hitte der stad en daalde den weg af, in het koele lommer der kastanjeboomen.Naast hem reden de boden; de een was uitToscane, van den keizer, de ander kwam van het noorden—beiden hadden gelijke bevelen gebracht dat de bende onmiddellijk de stad moest verlaten.

Rogier, nauw ontwaakt, zat door de ruitjes in den zonnigen bloemenhof te staren toen de brigadier kwam zeggen dat Lugina wachtte en verlangde toegelaten te worden.

„Maar,” zeide hij, „wij kennen den man al zoo lang. Ik zal de wacht binnenhalen.”

Drie soldaten plaatste hij aan de deur en geleidde later Lugina de zaal in, een groot man in het paarsch gekleed, met spitsen baard en gefronste wenkbrauwen.

Rogier groette vriendelijk. En de ander kwam voor hem staan, knikte even ten wedergroet; met booze, rappe woorden vertelde hij, dat zijn zoon met doorgesneden hals was thuisgedragen, en zwoer dat ook dit gewroken zou worden met al het vroeger onrecht hem aangedaan. Hij konzijn toornige stem niet bedwingen en zeide wat hij gehoord had, dat ook Rogier dien nacht buiten was geweest.

Rogier haalde de schouders op en zweeg. Eindelijk antwoordde hij, dat hij weldra zou bewijzen, hoe hij er onschuldig aan was, en immers had hij den jongeling slechts één keer gezien. Hij beloofde oprecht, dat hij den moordenaar zou doen vinden en vreeselijk straffen. Toen vroeg hij Lugina zich te bezinnen of hij zich de laatste dagen niet een vriend had betoond, en zeide dat hij in den lijkstoet zou gaan. De oude man zag hem verbaasd aan, boog en antwoordde, dat hij die eer niet verlangde. En hij keerde zich om heen te gaan, maar de ander hield hem staande en sprak:

„Dan zal ik morgen vroeg bij u komen, want ik wil in vertrouwen met u spreken.”

„Morgenochtend zal ik u wachten, messer; ik hoop dat de moordenaar dan gestraft is.”

Hij verliet de zaal met de oostersche soldaten.

„Wees voorzichtig,” zeide Carolus, „wees voorzichtig. Die vervloekte kerels! Ze zouden u vermoorden. Gij kent ze niet, het verdoemde volk. Gij wilt toch dat meisje niet trouwen?”

„Ja, morgen ga ik hem zijn dochter vragen. Ga nu heen.”

De brigadier, zeer verbaasd, keerde zich met zwaar schouderophalen om.

En Rogier zat weêr alleen in de vensterbank met gebogen hoofd. In de gaarde stonden rustig de rozelaars en vergaderden de zomerzon om hun rood gebloemte; verder op glansden in blanke menigte de jasmijnen, hun stillere weligheid was als van smachtende minnaars, die hun liefde niet uitspreken kunnen; en achteraan stond eenzaam in de blauwe lucht een beukeboom met zijn uitgestrekte takken vol glimmend loof in roerloozen praal, de monnik Tamalone lag er onder op het gras te slapen. Rogier staarde in de verre schaduw, terwijl hij in herinnering het frissche ruischen van den regen hoorde en bij vleugjes de genietingen van den nacht weêr over zich glijden voelde. Onbegrijpelijk waarde rondomhem de weeke innigheid van het meisjeshart, dat zich had open gedaan, de wonderlijke geur harer kussen. Hij dacht aan Lugina met een glimlach en tevreden hoofdknik... hij zou zeker weêr vriendschap sluiten met den ouden man en haar weldra trouwen.

De doodsklokken begonnen te slaan, het misklokje klepelde met zedig eentonigen klank, Rogier liep naar buiten in de schaduw der galerij, waar de soldaten stonden te kijken.

Aan den overkant wachtten slechts weinige vrienden en geburen voor het huis van Lugina, maar in wijderen kring veel nieuwsgierig volk met de ruggen naar het paleis gekeerd. Er ontstond een dringen en reikhalzen, toen traden eerst knapen met een banier en wierookvaten, een priester en acht monniken met flambouwen het huis uit; dan droegen Lugina en zijn zoons het lijk naar de baar.

De optocht werd gevormd en aan beide zijden bewoog de menigte mede langs de huizen, naar het paleis en voorbij. Rogier staarde met halfgeloken oogen in het licht;hij hoorde de klokken wel klinken hoog in de lucht, en de zangerige stemmen der klerken; en hij zag Lugina in zijn paarschen mantel te midden der flambouwen, waarvan de walm met den wierookgeur in de warmte boven de menschen dreef; en hij zag de zonderling donkere blikken op hem gericht; maar turend over de beweging naar het witte huis met de torens aan den overkant, dacht hij aldoor aan den diepen ernstigen glans van vrouwenoogen.

Doffer werden in de verte de eentonige gebeden, één klok slechts luidde met dreunend gebeier, en nog stond hij tusschen de pratende krijgslieden in mijmering, toen uit de schaduw eener straat het gonzen van veel volk te zwellen begon.

En weldra deinde het marktplein in een kleurige warreling van menschen, de tallooze gelaten, ernstig en nieuwsgierig, waren naar het paleis geheven.

Er waren boden gekomen, hun paarden stonden aan de deur. De menschenwachttenmet wijde oogen het nieuws, zij vertelden elkander reeds, dat een groot legerin aantocht was. De brigadier verscheen weêr in de galerij met den man dien zij de poort hadden zien binnenrijden, er werd gedrongen en gevraagd wat er was. Vooraan pakten twee mannen woedend elkaâr om den nek, er werd geschreeuwd, lansen en helmen schoten licht boven de roode, groene, blauwe kaproenen, die rezen en daalden in het gedrang.

Aan de overzijde van het plein reed eensklaps een monnik te paard onder de menigte, in de eene hand hield hij een kruis, de andere wees naar het paleis met boos gebaar. Er voer door het gewoel een beweging van onzekerheid waar men luisteren zou en kijken.

De doodsklok luidde in den klaren hemel, rustig en ongeroerd, terwijl het nieuws van den monnik in de stoffige drukte zich spreidde: een vreeselijke slag gewonnen en die van Bologna met een machtig leger onder hun overheer en den kardinaal geen twintig mijlen van de stad...

Uit de straten kwamen de krijgslieden, de trommen roffelden en voor het paleis groeiden de rustige rijen van mannen te paard,terwijl uit de drommen der stedelingen het stemmengeraas aanzwol tot hartstochtelijk geluid. Reeds riepen zij van ketters, heidenen, moordenaars, en klonk er gejuich voor Lugina en den Paus. De hoofden wendden zich van den monnik naar het paleis weder, waar vlak voor de lachende ruiters twee mannen worstelden op den grond.

Dan, uit de straat ter linker, blonk een gouden baander boven de wemeling; er stegen kreten, gezwollen fel rumoer, dat de paarden opschrikken deed. Een ruiter tuimelde op den grond. Nu was het onstuimigheid van armen dreigend boven de hoofden geheven, van klievende zwaarden en heet geschreeuw.

En toen Rogier inderijl naar buiten kwam zag hij in den stoffigen dag tusschen de huizen een ontzettende menigte in bruisende beroering, te midden waarvan de ruiters op steigerende paarden snel de wapenen hieven en nedersloegen. Hij beefde van genot bij het gedaver van woede en strijd; hij gelastte een soldaat af te stijgen, sprong in het zadel en rende vooruit,over de lijven die vielen, met prachtige hartstochtelijke zwaaien van arm en zwaard. Nu schreeuwden de Duitschers en joelden de oosterlingen, een golving voer over het volk, dat wendde en vluchtte.

Maar uit de straten kwamen ruiters, Lugina en velen meer, met kreten van„slaat dood! slaat de heidenen dood!” En het volk keerde weêr en hield weifelend stand.

Voort drongen de soldaten en sloegen de weerloozen bloedend neêr. Midden in de drommen, in het dikke stof, reed Carolus, zijn geweldige arm in kalme beweging; doch eensklaps rukte hij zijn hengst overeind en deed hem wild haar voren springen, naar de edelen der stad. Een machtige houw kwam op Lugina’s paard neêr, dat viel; een andere velde een monnik—naast hem beukte Rogier een jong ruiter uit het zadel, een tweeden zoon van Lugina, en de gillende Saraceenen hakten en sloegen in het gewemel onder hun paarden.

Toen zwenkten de edelen en stortten de straat in, het volk in wilden angst hen achterna. Zwaar gloeide de lucht van geschreeuw.

Het plein was leeg aanstonds, slechts aan de schaduwige openingen der straten rustten krijgslieden. Op den grond lagen vele burgers in de stovende zon, en wanneer te wijlen er één trachtte op te staan,hieuw een Saraceen hem neder.

De soldaten brachten hun wagens en laadden er pakken op, anderen droegen aldoor groote bossen stroo aan waarmede zij de open gebroken deuren der huizen binnen gingen. Voor de woning van Lugina stond de gepantserde brigadier geleund, zich met zijn blauwe doekje bewuivend, en wen daar kerels met stroo aankwamen,wees hij hun verder te gaan.

In het midden des pleins werd om een paal een stapel gebouwd en de monnik die het eerst het volk had aangezet, werd er in gebonden, slechts zijn afschuwelijk hoofd waar de oogen uitgestoken waren, en zijn kruis staken uit boven hout en stroo.

Rogier had met eenige mannen het lijk gevonden van Lugina’s zoon, die gesneuveld was, en volgde het naar het huis in rouwig bewustzijn, dat er haat van menschen zijn liefste in duister verbergen zoude en voorhem wijken deed. Bij de geopende deur rees er verlangen in hem op om binnen te gaan, maar hij zag het doode lichaam en zwaarder woog het verdriet, dat zij, de nieuw beminde, voor hem verloren zou zijn.... Hij begreep, dat alles tegen zou wezen, dat zelfs Mevena’s jonge gedachten zich van hem keeren zouden nu hij den haat had gezien van haar vader.

Aan alle zijden uit de huizen kronkelde rook naar buiten, de vlammen sloegen uit het paleis. Rondom hun wagens stonden de ruiters en voetsoldaten in gelederen gereed. De dag werd groezelig door den rook die snel naar boven warrelde. De brigadier knielde bij den brandstapel neêr en ook daarom vlogen eensklaps de vlammen op en omringden het hoofd van den monnik, die luid zijn gebeden uitgalmde.

Nog stond Rogier aarzelend voor de deur; hij had in het onvermijdelijke heengaan berust, meenende dat hij te eeniger tijd nog de vriendschap van Lugina zou winnen en keerde zich reeds, om zich naar zijn soldaten te begeven.

Doch eensklaps schoot hem het bloeddoor het lijf en hij snelde naar binnen om Mevena te zoeken en meê te voeren; Carolus en enkele Saraceenen liepen hem na. Zij gingen in hijgende haast van kamer tot kamer, zij stegen tot boven in ’t huis en vonden slechts meubelen en koele verlatenheid. Rogier riep Mevena’s naam, Carolus riep op zijn luidst, de oosterlingen wachtten met opmerkzame blikken en luisterden. Maar het huis was eenzaam en stom. Heengaande zagen zij op den vloer eener kamer het lijk van den jongen Lugina, het bloed lag er omheen.

En Rogier, in het daglicht gekomen, in den reuk van brandend hout, beval den brigadier met een afdeeling vooruit te rukken en de stedelingen neêr te houwen zooveel hij er zag. Hij vloekte tegen de hooge vlammen waar de stem van den monnik uit klaagde, steeg te paard, en de kreten der soldaten krioelden door het rookende plein, ontzaglijk als een zwarte roofvogelzwerm.

De straten waren leêg, maar Carolus voorop was op zijn hoede. Zij vonden de poort met kettingen en balken versperd.En terwijl er plaats werd gemaakt voor den ram en velen der soldaten uit de rijen traden, kwamen er alzijds, om de hoeken der straatjes, uit de huizen achter hen, stedelingen met schilden, bijlen en messen gewapend. De ruiters sloten zich dicht in gelid, de boogschutters achter hen spanden de pezen, en terwijl de poort met langzaam geweld gerammeid werd, wachtten zij het naderend misbaar. Maar de voorsten der burgers weifelden, zij zagen de paarden en de mannen met glinsterende wapens zoo kalm en gevaarlijk, en kwamen niet nader.

Met krakend geraas braken de deuren der poort, de wagens rolden naar buiten en Rogier, omringd door zijn mannen, reed uit het rumoer en de hitte der stad en daalde den weg af, in het koele lommer der kastanjeboomen.

Naast hem reden de boden; de een was uitToscane, van den keizer, de ander kwam van het noorden—beiden hadden gelijke bevelen gebracht dat de bende onmiddellijk de stad moest verlaten.


Back to IndexNext