5Weinige dagen later werd het kamp in den schemer van een bewolkten ochtend door de talrijke troepen van Bologna, die zegevierend door het land trokken, steden en kasteelen winnend voor de Kerk, verrast en verslagen. Met slechts een zeventig ruiters werd Rogier, die aan ’t hoofd was gewond, door den brigadier vluchtend naar de bergen gevoerd.Daar, aan een kronkelend schielijk vlietje tusschen steile glooiingen, waar schaars maar groen voor de paarden groeide, deed Carolus de tenten opslaan om te rusten tot zijn bevelhebber weder hersteld zou zijn.Hij bekommerde zich om de bevelen van den keizer niet, zijn gansche aandacht en zorg waren den zieke gewijd. En diedagen, toen zijn meester, wien hij reeds met genegenheid had gediendsindshij hem als jongen in het leger had zien komen, zwak en van koortsen verhit in de tent lag, zat Carolus daarbuiten met de kin op de knie naar het snelle ademen te luisteren en naar het stroomend water nabij, en zijn hart was week van treurigheid. Er gingen slechts weinig gedachten in dat zware hoofd, doch hij voelde zich zoo innig vol, dat hij somwijlen wanneer een soldaat naderkwam zich uitspreken en herhalen moest, of wel den grijzen Walid deed roepen om hem te raadplegen en te spreken over het gevecht waar Rogier voor het eerst van zijn leven gewond was. De oosterling herhaalde dan, dat die jonge vrouw, waar de meester van maalde, het ongeluk had gebracht. Want niet slechts hij zelf, maar ook Teodoro, de wijze des keizers, had het gesternte van den meester waargenomen en gezien, dat er in het beeld van den Stier twee planeten te zamen waren gekomen, maar dat ze door Saturnus werden beheerscht. Hetgeen beduidde, dat hij roemrijk en gelukkig zou mogen wezentot in eeuwigheid, zoo niet een vrouw hem in bloedige ellende bracht.„Nu is die vrouw gekomen!” zeide Walid fluisterend, met groote oogen en berustend gebaar van beide armen.Maar Carolus, zwijgend en met gerimpeld voorhoofd naar de bergen starend, geloofde hem niet, want zijn meester was veilig nu in zijne bescherming.Zoo, op een middag, zaten deze twee bij tusschenpoozen te praten over wat zij doorgemaakt hadden met Rogier en de glorie, die zij voor hem verwachtten, wanneer de keizer de steden en den Paus had, gedwongen. En toen zij aan hem dachten hoe hij lijdend lag in de tent, sprak Walid weder zijn voorspelling uit en vervloekte de vrouwen, doch Carolus was stil en peinsde hoe er genezing gevonden kon worden. Zij zwegen toen een wijle en het was rustig in het kamp, want de soldaten, die hier en daar lagen,hieldenzich zeer bedaard.Maar op eens was er beweging, zij hoorden paardengetrappel en geschreeuw van een man. Eenige ruiters, op marode geweestkeerden terug met Tamalone den broeder, dien zij slapend in een boschje hadden gevonden. Hij maakte een groot misbaar van vroolijkheid, zoodat de brigadier plotseling in woede opsprong en in eenen zijn keel stevig vastgreep.De monnik, hijgend om van den smorenden greep te bekomen en naar de vuist kijkend, die de brigadier nog geheven hield, hoorde achter het doek der tent een zwak stemgeluid. Zijn oogen glinsterden, hij leî den vinger op den mond om te toonen, dat hij begreep en fluisterde:„Is hij ziek?”„Waar komt gij vandaan?”„Is hij ziek? Messer Rogier? Nu, dan moogt ge wel van geluk spreken, dat ik gekomen ben, want er is in heel dit ellendig land geen bekwamer arts—”„Zijt gij een arts?” riepen velen zeer luid en kwamen nader.„Natuurlijk, natuurlijk!”Toen vreesde hij niet meer; hij nam den brigadier terzijde en vertelde, dat hij eigenlijk geen monnik was, maar de pij slechts droeg om de vijanden des keizerste bespieden—en toen werd Carolus zeer vriendelijk jegens hem. Tamalone zeide dat hij blijde was in het kamp te zijn, zijn mager gelaat bloosde van opwinding; met een luchtig gebaar stelde hij de krijgslieden gerust, dat hij een voortreffelijk medicijn wist om den kranke te genezen. En tot laat was hij met Carolus bezig om het vuur.Bij toortslicht en terwijl bijna alle soldaten wachtten buiten de tent, werd den kapitein het drankje toegediend. Inderdaad was er spoedig beterschap, zoozeer, dat Rogier, schoon mat en krachteloos ontwakend, den volgenden middag zijn bewustzijn terughad. Hij zagTamaloneaan en vroeg:„Wat moet die monnik hier?”„Ik ben geen monnik, messer. Kent gij mij niet? Ik ben Tamalone; aan mij hebt ge uw leven te danken, nietwaar Carlo? En ge zult zeker nog dankbaarder zijn voor het nieuws, dat ik breng—ik heb een boodschap.”Op den dag toen Rogier strijdend de stad verliet, verhaalde hij bedaard, lag hijin de kathedraal te bidden, en daar was ook Mevena Lugina, bij het graf van haar broeder; zij vroeg wat het geraas beduidde en toen zij hoorde dat de troepen op hun uittocht waren aangevallen, sprong zij op van haar knieling in hevige ontroering. En haar naar huis geleidende had hij haar gerustgesteld, daar hij wel begreep waarom zij zoo geschrokken was. Later was hij dikwijls in het huis van Lugina geweest, dien hij al jaren kende. Op een dag had Mevena haar vader en broeders hooren zweren, dat zij zich zouden wreken; zij had toen schreiend den monnik nageloopen in de straat en hem gesmeekt een boodschap te brengen.Rogier stond nu rechtop in de tent, Tamalone, die beneden hem gehurkt zat, met groote oogen aanziende.Zij zond haar liefste wenschen voor een spoedig wederzien, maar haar vader zou haar in enkele dagen naar Bologna voeren waar Rogier niet komen kon. Zij was ongelukkig en weende veel terwijl zij met Tamalone sprak, zij moest voortdurend denken aan de vreeselijke woorden vanhaar vader en wist niet hoe zij helpen kon.„Weet zij dan niet van haar broeder?...”„Zij zegt, dat gij hem niet vermoord hebt, Messer, zij heeft u lief zooals ik zou willen, dat mij een vrouw liefhad... Ik zal u de waarheid zeggen: alleen ter wille van haar heb ik deze boodschap gebracht op gevaar van mijn leven. Maar voor zoo’n meisje had ik wel meer gedaan. En ik ben eerlijk geweest, hoewel ik maar een arm man ben.”Hij frommelde onder zijn pij en bracht een koordje te voorschijn waar een ring aan bengelde.„Zij gaf mij dezen ring voor u. De steen, die er in is heeft op ’t oog maar weinig waarde, maar ze kuste hem toen ze hem overgaf en zei, dat hij u geluk zou brengen.”Rogier hield den ring in de palm zijner hand, dicht onder zijn oogen.„Ziet gij die roode vlekjes? Het is een zeldzame bloedsteen, want er zijn adertjes dooréén gevlochten, kijk. Menig geleerde zou er veel voor geven, want ge weet, dit is de steen waarvan zij zeggen, dat hijden drager onzichtbaar kan maken, en een eeuwigheid te doen leven in een enkele minuut. Ik weet niet of ’t waar is maar wel, dat een steen als deze, door zoo’n lieve hand gegeven, mij zelf veel waard zou zijn.”„Gooi weg, heer, gooi in het water!” riep Walid, die binnenkwam en het zag, „de bloedsteen is nog gevaarlijker dan de duivelsteen dien wij in de nesten van adelaars vinden. Neem hem weg, Carolus, en gooi hem in ’t water.”„Zwijg, man. Al was het de duivel zelf, die er in is, ik zal hem nu dragen tot mijn dood.”De Saraceen zag hem aan en zei bedaard:„Tot uw dood.”„Ach, dwaasheid!” sprak de brigadier, „ringen brengen nooit geluk, ten minste niet die van de paapschen komen. Ik heb mijn robijn al drie jaar nu. Maar ongelukkig zijn ze dikwijls, en Walid zegt—”„Hij vergist zich, Carolus. Hij meent den valschen steen van Palmyra, die werkelijk kwaad is. Maar dit is de ware heliotroopvan Afrika, zooals ge zoudt kunnen zien als ge steenkundige waart.”En Tamalone glimlachte overtuigend.Tot laat in den nacht zat Rogier, in mantels gehuld, dicht bij de klare vlammen met den monnik te praten. Hij vroeg telkenmale bijzonderheden omtrent Lugina en staarde dan een poos in het vuur, terwijl de ander met zachten, dartelen klank aldoor sprak en aanmoedigenden raad gaf: er was een wonderlijk vloeiende maat in zijn woorden van liefde en vrouwen en de geheimenissen van het hart, een maat die telkens wederkeerde en Rogiers gedachten van zoete levendigheid bewoog. En onverwachts vroeg hij den broeder of hij Mevena wilde gaan halen, zijn stem beefde van ernst....Reeds lang waren de soldaten in hun tenten gekropen en klonk in den rustigen nacht slechts het gedurig spoelen van ’t water in den vliet en de luchtige stem van den monnik. De wacht was al met slaperig gezicht teruggekomen en door een ander vervangen, en nog zaten deze twee bij elkander, de een met vage ontroering om een verre vrouw en in zachten gloei vanvermoeienis en verlangen, luisterend naar de steeds glijdende stem waarmede de ander ervaringen uit zijn leven verhaalde en vele dingen zeide met een diep gevoel.Hij was uit zijn klooster gevlucht en wijl hij geen heer had willen dienen en de lust hem dreef om vreemde dingen te zien, had hij in vele landen gezworven, levend naar wat de dag hem gaf. Luchtigjes vertelde hij van dwaasheden en van daden waarvoor hij aan den paal had gestaan—zijn vader had al gezegd, dat hij nooit een goed christen zou worden, maar die wist niet van de onrust, welke hem als knaap nachten en nachten al uit den slaap hield. Nadat hij uit het klooster was gegaan was hij altoos gelukkig geweest, zeide hij; hij had zich nooit om de menschen bekommerd en nooit verdriet gehad. In onbedachte openhartigheid sprak hij door van avonturen en van menschen die hij gezien had, zijn stem was teeder soms van zuiver vertrouwen en zorgeloosheid en van plots geziene wijsheid; er vloot een bekoring in, die in Rogiers hart een donkeren gloed van innigheid wekteen hem tot tranen bewoog toen de broeder over Mevena sprak, zeggende dat alleen een matelooze liefde en een ernstige vrouw in deze wereld te bewonderen waren en de menschen gelukkig maakten—Mevena dáár mocht zekerlijk niet alleen blijven treuren, want twee die elkander zóó beminden moesten te zamen zijn...En, zittende bij de roode vlammen, hun groote bewegelijke schaduwen achter hen zich verliezend in den nacht, hadden beiden, onuitgesproken, een eender gevoelen van toekomst, donker en onafwendbaar—en diep begeerd.Plotseling, met een gebroken snik, sloeg Rogier zijn armen om den monnik, drukte hem aan zijn borst en kuste hartstochtelijk zijn gelaat. Tamalone maakte zich uit de omarming los, hield zijn handen en keek hem recht in de oogen.Beiden richtten te zamen hun hoofden op en zagen Walid met een glinsterenden dolk in de hand. De broeder glimlachte en zeide:„Ik moet morgen een paard hebben om naar Bologna te gaan.”6In een klooster buiten den stadsmuur vond hij een gastvrij onthaal, dat hij vergoedde met oolijke verhalen. Ook in het huis van Lugina werd hij als een bijzonder vriend ontvangen, want ondanks de booze geruchten was hij vooral door edelen geëerd, en menig hunner vond in de bekoorlijkheid zijner manieren een welkome reden voor de vriendschap ontstaan door diensten, die hij in ’t geheim had bewezen. In de steden ontbrak het Tamalone zelden aan goede maaltijden.Den dag na zijne aankomst trad hij de groote koele domkerk binnen en knielde neder naast een pilaar, zoo laag, dat in het wijde gebouw geen der weinige vromen hem zou hebben gezien. Aan deandere zijde van een pilaar lag gansch in het paarsch gekleed Mevena gebogen. De broeder keerde behoedzaam zijn gelaat naar haar toe en voelde zich lichtkens bewogen door de schoonheid van haar figuur in devotie; haar hoofd lag in de handen. Tamalone aarzelde even.„Heer Rogier laat u groeten,” fluisterde hij en keek haar een poosje zwijgend aan, van den steen waar het kleed in plooien uitlag tot het donker haar onder het kapje. De sluier over haar borst bewoog op en neêr.„Ik heb uw boodschap gebracht en hij heeft mij hier gezonden om u te vragen bij hem te komen. Hij kon zelf niet komen, want uw vader en de heele stad zijn hem vijandig, ofschoon gij weet dat hij niet anders misdaan heeft dan gestreden tegen den Paus. Maar uw hart is wijzer dan dit heele land vol dwazen. Ga naar hem toe en wees gelukkig. Hij is gewond, hij is ziek en kan niet buiten u. Bedaar, bedaar en blijf gebogen.”Mevena ademde snel en diep en hield zich aan haar bankje vast.„Bedaar, bedaar... Van avond leg ik een pij achter het rozenbosch in den tuin, trek dien aan, doe den kap goed neêr en wacht op mij. Ik zal u naar hem toebrengen.”Hij sloeg een kruis, stond op en trad zijn snoer biddend langzaam door de zonnige portiek naar buiten. Toen richtte hij zijn hoofd op en schreed lichtkens dwars het wijde klare plein over naar het stadspaleis waar hij zich in de schaduw der galerij voegde bij een groepje jongelieden, fransche studenten, die hem met luidruchtigheid ontvingen. Een poosje stond hij temidden van hen te praten en zijn woorden, met glimmende, opmerkzame gelaten aangehoord, werden herhaaldelijk door luid proesten onderbroken. Toen hij na een zotheid verteld te hebben snel verder wilde gaan, trokken zij aan zijn mouwen en hielden hem vast om nog één geschiedenis te hooren. En een goedig student ging met de muts zijn kameraden rond, die er allen een kleine munt in wierpen.Tamalone bedankte, stak de duiten weg en deed onder gedurig giegelen zijn verhaal. Aan het eind klonk er onbedaarlijkschateren, dat in het groepje ruimte deed ontstaan, waar de monnik gebruik van maakte om, lachend en knikkend, schielijk heen te gaan in het felle licht buiten de galerij.Hij liep naar het huis van Lugina, die in zijn gestreepten mantel voor de deur stond te wachten en hem omarmde toen hij hem zag. Zij bleven geruimen tijd binnen alleen waar geen dienaar hen hoorde; bij ’t afscheid nemen spraken zij weinig woorden, doch drukten elkander langdurig de hand.De zon was in wolken ondergegaan en in den avond, dof als floers, waarde er gestadig mistige regen. De straten waren stil, er gingen maar weinig flambouwen, toen Tamalone gearmd met een kleinen monnik en met de andere hand zijn pij ophoudende wegens het slik, haastig langs de huizen schreed. Aan de poort hield de wachter die naar buiten kwam een lantaarn bij zijn gelaat; hij klopte den man op den schouder, maakte luide en met vele woorden een grap, zoodat de wachter lachen moest om dien schelm van het klooster daarbuiten, en met eengemoedelijken wensch het deurtje achter hen dichtsloeg en grendelde.Zij liepen zwijgend in den vochtigen nacht.„Hier is het klooster al,” zeide Tamalone toen zij een paar rossige ramen voorbij kwamen. De weg werd moeilijk, zij stegen een steile helling op en ademden zwaar van inspanning. Het was drukkend warm, de regen werd dichter en ritselde in de bladeren van boomen nabij. De monnik bleef staan en riep iets in het fransch, waarop in de duisternis aanstonds antwoord klonk.„Dank u wel, vriend, ik wist wel dat ik op u rekenen kon.”„Ik ben doornat en weet niet hoe ik weer binnen kom. Hier hebt ge ze bij dien boom. Goeden avond.”„Goeden avond!”Mevena kon den ander niet zien, maar hoorde dat zijne schreden zich verwijderden. Haar gezel trok haar voort aan den arm.„Nu moet ge op dit paard, ik zal u helpen. Het zal wel moeilijk rijden zijn in donker, maar ik zal den teugel houden, ik ken den weg.”Het meisje besteeg tastend het paard, dat uit zijn rust gestoord trappelde en aan de teugels trok. Zij hoorde den monnik het dier op den hals kloppen en toespreken, en dan met moeite een tweede bestijgen. Toen ging zij vooruit en op hetzelfde oogenblik, onverwachts, klonk zeer nabij het kraaien van een haan. Het paard sprong zijdelings op en snel vooruit, natte bladeren sloegen Mevena in het gelaat.Nu reden zij vlug een heuvel af in duister en regen, terwijl achter hen, in de verte verkleind en vervaagd, nogmaals het kukeluren van een haan klonk, en op grooteren afstand het dieper antwoord van een anderen.Bij den dageraad hield de broeder stil om de beesten te verzorgen en Mevena eten te geven. Zwijgend ging hij zijn gang, haar voortdurend van terzijde aanziende; zij was bleek in het licht van den jongen, doorschijnenden hemel, een geringe gestalte in haar wijde pij. Voor zij weder in het zadel stegen deed zij hem allerlei vragen, maar hij antwoordde kort en stug, met blikken afgewend.In gestadigen draf reden zij dien ganschen helderen dag, bergen op en glooiingen af door valleien waar geen sterveling ging, zij met geopenden mond en hooge kleur, schokkend op het zadel, hij met gebogen hoofd en peinzende oogen bij wijlen ter sluiks naar haar gericht. Nu en dan keek hij in eenen op en verbaasde zich over zijn onbespraaktheid; dan klopte hij even het goedige, lijdzame paard op den hals en van lieverlede boog zich zijn hoofd weêr.Toen het licht schaars werd steeg Tamalone af en tuurde in alle richtingen om een rustplaats te vinden voor den nacht. Zij waren aan den voet van een ruigen berg, met kleine sparreboompjes begroeid en hier en daar, in open plekken, geel van gebloemte. Hij vroeg Mevena af te stappen en leidde de paarden over steil gesteente in de heesters; na hen verzorgd te hebben hielp hij het meisje den berg bestijgen naar een plek onder wat boomen. Zij was zeer moede toen zij het bereikten en leunde hijgend in zijn arm. Beneden, wijd uitgestrekt, lag het land in eenzamewanorde van glooiingen en heuvels met enkele fijne boompjes; de grootere monnik, met zijn arm om het middel van den kleinere, keek over het landschap heen, de innige avondzon schuin in de verte scheen op de grauwe pijen en het rustig gewas.Zonder woorden wees hij haar neder te zitten en gaf haar te eten en te drinken. Daarna liet hij haar alleen. Zij legde zich neêr, loom van vermoeienis, en sliep aanstonds.Tamalone was niet heel ver gegaan, maar zat dichtbij achter een spar door welks takken hij haar gadesloeg. Toen hij haar eindelijk te slapen meende strekte hij zich lang uit op den rug, met de armen onder het hoofd en sloot de oogen. Doch telkens opende hij ze weder, wanneer een zuchtje door de boomen voer, of wanneer hij gansch in de verte een vogel hoorde; en hij staarde dan met strakke oogen naar de lucht waar reeds enkele starren trilden. Dan, in den allengs beeldrijker wakenden droom die hem vervulde, sloten langzaam zijn oogen tot zij plots door een onrustigegedachte weder wijd zich openden. De hooge hemelruimte boven hem gaf hem een innig behagen, een bescheiden verlangen sproot in zijn hart, waar de vreugde nu waarde der schoonheid van ’t bergland, dat grooter was in de groote avondstilte.En eensklaps voelde hij, in zwellenden gloed, dat hij in deze hooge schemerende eenzaamheid gansch alleen was met een lief wezen, een kleine vrouw wier oogen, goedhartig en stil, hem heel dien zonnigen dag sprakeloos en vol onbevredigde gedachten hadden doen gaan. Hij leunde op den linkerarm, duwde de takjes open, en zag naar de plaats waar zij in duister gewaad te midden der struiken lag; en hij keek zoo oplettend, dat hij de ademhaling zag in haar borst. Zij sliep in aandoenlijke verlatenheid. Een nieuw gevoel ontroerde hem, hij zat rechtop en keek voor zich waar het laatste licht draalde aan de golvende kim. Zijn bloed klopte en hij ademde snel; een zachte wind woei van boom tot boom, glijdend langs hem heen. Langen tijd staarde hij in de verte; gedachten, oude herinneringen en jonge gevoelens,in zonderlinge wildheid, kwamen en verschoten, hij was vol wakker leven. Om haar te behagen had hij zich in dit gevaarlijk avontuur gewaagd, voor haar die zoo liefelijk was, dat hij daareven een verlangen had om haar te beminnen—hij had haar voor een ander ontvoerd. Doch hij wist, dat het dwaasheid zou wezen, zijn waarachtige aard was van een schooier om rond te loopen en om niets te geven, niets dan de verzinsels en schimmen van zijn verbeelding.En het waren eindelijk herinneringen alleen, die het langste talmden en weemoedige gezichten wekten van verleden dingen, van vroeger leven en eentonig lot. Met een zucht liet hij zich plots achterover vallen en zag uit natte oogen naar den hemel, waar het licht van een wassend maantje vloeide, het licht dat hem hinderde nu hij zichzelven begrijpen wilde. Hij wendde zijn hoofd naar den boomstam, sloot zijn oogen en lag uren op de helling van dien berg in droefheid luisterend naar de zwevende stilte, luisterend in onnoozele verwondering hoe de hemelen de aarde zielloos waren. Van lieverlede vergat hij waar hij verdriet om had en in zijn gemoed gleed een lieflijke kalmte. Eindelijk richtte hij zijn hoofd weder op en zat met de armen gekruist; in de lucht dreven langzaam lichte wolkjes, in de duisternis der aarde beneden en in de gedaanten der boomen was een heimelijk levende gloed.Hij stond op, trad met voorzichtige schreden door de struiken, het boschje voorbij, telkens stilstaande, en naderde de plek waar Mevena lag. Toen hij vaag haar lichaam aan zijn voeten onderscheidde bukte hij behoedzaam neder en kuste haar zeer zachtjes.Hij stond weêr op—zijn hart klopte snel en hard, en hij keerde zich om heen te gaan. Maar na twee schreden wendde hij zich weder om en een zacht geluidje ontsnapte zijn lippen. Even wachtte hij of zij ontwaken zou—in die pooze genoot hij de schoonheid van ’t oogenblik: een lieftallig vrouwtje, onbewust en ongevoelig, dat sliep in nachtelijke eenzaamheid, bij haar een man die een wenschbedwong, daarboven in ’t licht van ’t maantje de hemel die de toekomst wist... en hij herinnerde zich hoe zij gisterenavond te paard waren gestegen, en hoe hij geschrokken was door het voorteeken, het kraaien van een haan in den nacht... Toen keerde hij terug naar zijn rustplaats achter den boom, en dommelde weldra lichtkens in.Bij ’t licht van den ochtend zuchtte hij, dat de nacht weêr voorbij moest wezen, hij stond op en wekte zijn gezellin. Zij was opgeruimd door het vooruitzicht dien dag het kamp te bereiken, haar lachen klonk helder terwijl zij voortdraafden door het groene land.Waar de grond moeilijker werd te bestijgen werden zij onverhoeds door eenige ruiters aangehouden, Saraceenen, die den eenen monnik herkenden, maar den andere barsch bejegenden. Na de eerste verbazing over hun vijandige woorden wist Tamalone hen echter te bedaren, en ze vervolgden hun weg.Een paar mijlen verder bereikten zij eindelijk het kamp. Uit de tenten verschenen soldaten, meest oosterlingen, die henomringden met dreigende taal en gezichten; zij grepen de teugels, spraken en vloekten met veel gebaren en riepen om Walid. Maar Carolus naderde, die hen beval heen te gaan, Tamalone hartelijk de hand drukte en hem haastig meêvoerde naar de tent. Mevena, op wie hij geen acht had geslagen, volgde, door de verwonderde soldaten nagestaard. Vóór de tent stond Walid in een scharlaken mantel gehuld, met de armen gekruist. Hij verroerde zich niet, tot de beide monniken vlak voor hem stonden; toen gleed zijn mantel van zijn schouders, hij breidde de armen uit en zeide kalm:„Die vrouw mag niet naar binnen.”De roode Duitscher keerde zich naar Mevena om en keek zwijgend op haar neder. Er was een oogenblik van gevaarvolle afwachting: voor het grijze doek der tent de hooge gestalten der twee krijgslieden, kleurig gekleed, tegenover hen de twee monniken, hand in hand—slechts de oogen dier vier bewogen in donkere glansen. Er klonk gekreun daarbinnen, Mevena uitte een zachten kreet entoen, met rood gezwollen gelaat, sprong Tamalone plotseling naar den oosterling, greep hem bij de keel en wierp hem op den grond. Fluks trok hij Mevena naar binnen, onder de verbaasde blikken van den brigadier.7Gedurende Tamalone’s afwezigheid was de kapitein weder bewusteloos en ziek geworden, en aangezien zijne wonden reeds waren geheeld zagen de krijgslieden in zijn kwaal den invloed van geheime machten, immers Walid, die uit boeken geleerd had, verklaarde, dat de betoovering eener vrouw er de schuld van was, en dat wellicht de lijder bevrijd zou worden indien de oorzaak werd uitgeroeid.Doch de brigadier vertrouwde, dat de meester wel zijn jonge kracht zou herwinnen wanneer Tamalone de arts terugkeerde en dat de aanwezigheid eener vrouw hem vroolijk zou maken. Hij had een onverschillige minachting voor vrouwen, maar nu het zijn geliefden vriend gold voeldehij zich reeds welwillend jegens Mevena door het vooruitzicht, dat zij hem zou behagen. En Carolus had het gezag.Reeds vroeg in den ochtend na haar komst liep Rogier met zijn arm om haar schouders het kamp uit, maar zijn verliefde blikken zagen de uitdrukking der oogen van Tamalone en van de soldaten niet, die hem nakeken. Na de verbazing over de verschijning der vrouw in het kamp, gaven zij luidruchtig den monnik alle eer voor dit wonderlijk herstel, Carolus zelfs kuste hem en drukte hem herhaaldelijk de hand. Er gonsde nu een luchtige blijheid in ’t kamp, de stemmen klonken vrijer en luider.Twee mannen waren er, die zwegen en ernstig keken. Tamalone stond naar den heuveltop te staren waar het paar was verdwenen, toen Walid op hem toetrad en zeide:„Gij zijt wijzer dan ik. Het lot moet zijn loop hebben en het is een dwaas, die het wil weren. Wij kunnen alleen toezien, tot het einde van de gebeurtenissen.”De monnik was plots bleek geworden en staarde Walid strak in de donker glimmende oogen; toen antwoordde hij met luchtig gebaar:„Het lot heeft altijd zijn loop, man. Laat het maar gaan en denk aan wat anders. Als zij niet toevallig van hem hield—, maar we moeten het niet anders willen, al wenschen wij het nog zoo gaarne.”„Dat is waar.”Van dit oogenblik bestond er tusschen deze twee mannen onuitgesproken genegenheid.Door struiken en over bergsteenen, verre van het kamp en steeds stijgend liepen dien klaren morgen Rogier en zijn geliefde, dicht aan elkaêr; er was een weeke glans in zijn oogen, zijn lippen stonden ingedurigenglimlach en hij praatte veel, nu vertellend of vragend, dan zacht en innig een woord van verteedering zeggend. En Mevena, naast hem in zijn omarming, hield zijn hand en staarde voortdurend hem aan met groote oogen, donker van ernstig onnoozelen gloed. Zij luisterde naar alles wat hij zeide met bewegelijke aandachthem gansch toegewijd, en een milde tinteling van zomerwarmte op haar gelaat deed haar gewaar worden, dat de jonge dag waar zij in gingen vol was van weelde en komend geluk.Toen zij eenige uren waren gegaan zetten zij zich neder aan den voet van een ruwen heuvel. Hij sprak nog een wijle van hun geluk, dat eeuwig zou duren, en van hun leven op zijn kasteel waar hij haar heen zou voeren. Dan zwegen zij beiden en terwijl zij elkander aanzagen van zeer nabij kleurden zachtkens hunne wangen van ontbloeiend genot, dat hen kussen deed, en streelen en kozen in verwarring, tot zij moede waren en zich nederleiden in het stovende zonlicht hoog in den hemel schijnend.Rogier voelde zich slaperig en dommelde in met zijn hoofd in Mevena’s schoot. En eerst toen hij rustig ademde kon zij hare oogen van hem wenden en naar het verschiet der bergen staren, zich zachtkens verbazend hoe zij daar in de zonnige eenzaamheid vol dwalende geuren bij den geliefde zat die haar zoo vreemd was, dat zijn gelaat,nu zij er naar zag, haar gansch nieuw was en anders dan zij gedacht had—, terwijl haar vader en broeders, in haar verbeelding lief en welbekend in hun dagelijkschen gang bewegend, zoo verre waren of zij hen nimmer meer zou zien. Even voelde zij verdriet in zich rijzen, doch even slechts, want het zware hoofd in haar schoot was zoo lieflijk onschuldig, dat zij zeker geloofde aan een spoedige verzoening tusschen haar verwanten en hem met wien haar leven nu verder zou gaan.En zij bedacht dat hij gesproken had van rustige dagen op het slot, ongestoord door oorlogsangsten, wanneer hij den heidenkeizer niet meer dienen zoude. Vluchtige beelden van toekomst verschenen en gleden weêr heen, zij zag zich zelve en Rogier in blijde houding en kleurige kleedij in een ruim kasteel. In een zacht verlangen naar dit liefelijk leven vouwde zij de handen boven zijn hoofd en fluisterde de Moedermaagd aan, dat zij den geliefde zegenen mocht en behoeden. Dan na innerlijke stilte, herinnerde zij zich wat zij verlaten had en bad voor haarvader, broeders en zusters; zij voelde zich wonderlijk blijde in het vertrouwen, dat de goede Maagd haar verhooren zoude. Zij merkte de gestalte van den monnik niet, die uit zijn schuilplaats over de heuvelglooiing omzichtig wegsloop, met blozend, neêrgebogen gelaat.De oogen weêr neêrslaande zag Mevena twee witte vlinders rondom haar dwarrelen, waarvan er één zich lichtkens op haar mouw zette en langzaam hare hand opkroop. Rogier opende toen de oogen en zag het kleine gelaat over hem gebogen in aanvalligen glans van vreugde.Hij richtte zich op en vroeg of zij gelukkig was; de vlindertjes fladderden verder, en terwijl zij hen nazag in den prachtigen dag vertelde zij waaraan zij gedacht had. Rogier hield zich in, luisterend in bekoring. Maar plotseling klemde hij haar sterk aan zijn borst en zwoer in diepgesproken woorden, met de zekerheid van een beraden man, dat hij alles doen zou wat zij verlangde: hij zou het leger verlaten en op het slot blijven wonen, naar niets anders strevend voortaan dan dien schoonen glimlachop haar gelaat te bewaren. En hij kuste en kuste haar betraande oogen en lachenden mond, kuste haar tot ze plotseling zijn handen vouwde en de hare daarover, en hardop begon te bidden.In haar knielende houding, met de oogen naar boven gericht, was zij hem eensklaps zeer vreemd, en rustig maar met een onbekend gevoel van berouw beschouwde hij haar en zweeg. Toen zij geëindigd had waren haar oogen vol verwonderde vragen, zij durfde nochtans niet spreken en wendde haar blikken naar de kim der bergen. Het was of iemand hen was komen storen en zwijgen deed over de lentsche blijdschap van daarstraks. Rogier sprak het eerst en zeide kalm, dat het geloof der kerken hem reeds lang had verlaten, maar inniger dan het hoogste geloof was de liefde welke hij haar toedroeg, en hij wilde zich gansch aan haar wijden, die hem liever was dan alle de heiligen—, hij sprak nog meer over de kerk en den keizer en het recht der edelen, dingen die zij niet begreep, maar het geluid zijner stem was zoo ernstig, zoo diep en roerend,dat zij zijn woorden niet hoorde, en die blijdschap van daareven herkreeg, echter een vollere thans, die haar gemoed deed zwellen van rustigheid, en met een glimlach genoot zij de geurigheid der frissche lucht en den klank zijner woorden. Tegen zijn schouder geleund, luisterend, liep zij met kleine pasjes naast hem of sprong den afstand tusschen twee steenen, dien hij in eenen stap deed, en zijn stem, het eenig geluid in dit wijde land van licht en bergen, klonk haar onwezenlijk of zij een verhaal hoorde dat zij van buiten kende.Zij keerden terug in het kamp, en tegenover elkander zittend voor de tent aten zij samen, met zachte woorden, uit éénen disch.Ook de soldaten, verspreid op den grond, aten onder vroolijk gepraat, maar hun uitroepen waren getemperd; zij waren vriendelijk met elkander, en schoon geen hunner over hen sprak, richtten aller gedachten en soms de oogen steelsgewijze zich naar het minlustige lachende paar.In den middag, terwijl Mevena in zijne tent lag om voor de zon te schuilen, ging Rogier bij zijn soldaten staan en sprakover het vooruitzicht het kamp op te breken en naar Padua te gaan. Dit nieuws bracht beweging, want de langdurige werkeloosheid had reeds bij menigeen de gedachte gewekt om den dienst te ontvluchten. De mannen liepen nu druk door elkander, pratend en roepend. Slechts de groote brigadier stond rustig te kijken naar zijn meester, die achterover lag, het matte gelaat in de hand geleund, en hij voelde zich goedig verteederd door de vermoeide oogen en de ijlheid der trekken van den man, die pijn had geleden. Wat zijn verstand niet had kunnen begrijpen werd Carolus nu eensklaps klaar door het inzicht van zijn liefde voor Rogier, een liefde die hij steeds als blijdschap van ’t oogenblik ondergaan had, doch welke nimmer eenig nadenken had verwekt. Het zwakkere uiterlijk van den jongen man, nog kort geleden bruin en hard gespierd, die geen andere lust had dan vechten, dan de woede van oorlog en vernieling, deed hem nu zeker weten, dat het niet slechts de krankheid dier enkele dagen kon wezen waar Rogierdoor kwijnde. Nu vreesde Carolus, dat er iets anders in het hart van zijn vriend was gekomen, een liefde waarvan hij wel als een vreemd ding had hooren verhalen, dat zij de mannen redeloos maakt zoo zij onvoldaan blijft. Hij had er nooit zoo over gedacht, maar wenschte, dat hij het eerder had geweten, opdat hij aanstonds de vrouw had kunnen halen. Doch tegelijkertijd ook zag hij, dat Rogier niet meer de zelfde krijgsman was, nu zijn hart van smachten week was. En dit bedroefde hem.Carolus had zich over veel te verwonderen dien dag nu zijn gepeinzen hem steeds nieuws openbaarden, en hij zonderde zich van de anderen af. Tegen den avond naderde hij bescheiden Rogier en Mevena, die ver van de soldaten in de schemering fluisterden. Eerst kon hij geen woorden vinden toen hem gevraagd werd wat hij te zeggen had, maar dan sprak hij:„Wat gaan wij doen wanneer wij in Padua zijn? gij blijft toch voor den keizer?”Rogier maakte een gebaar van ongeduld, maar antwoordde niet. Dan sprak de brigadier weder met iets smeekends in zijn stem:„Ach man, er wacht u zooveel geluk. De keizer kan geen beter aanvoerder vinden wanneer gij ouder zijt en zal u zeker hertog maken. En dan, gij zoudt immers nooit vrede hebben in dit land van verraders....”„Wij zullen morgen wel praten, laat ons nu alleen.”„Maar gij moogt morgen nog niet weg, gij zijt nog niet sterk genoeg. Hij moet nog minstens een week rusten,” zeide hij tot Mevena.Hij wilde nog spreken, doch het gebaar dat hij altoos gehoorzaamde deed hem omkeeren en zich verwijderen. Rogier had hem niet geantwoord, maar hij had het wel gezien, dat hij onder die bekoring was, die dwaasheden doet begaan. Het was een treurige dag voor den brigadier, zijn liefste verwachtingen vloden heen.Weemoedig liep hij ver in den stillen schemeravond en beklom met moeizamen gang een hoogen berg. Wolkdampen stegen uit de diepte beneden en dreven boven het dal, er was een zwijgende droefheid over de bergen rondom, die in den schemer rezen waardig van berusting.Voor den roem en het geluk van Rogier had hij jaren gevochten, hij had gehoopt door zijn trouw en zijn dienst de hoogste glorie voor hem te behalen. Dit was zijn eenige eerzucht, zijn eenige begeerte, het eenige waar hij ooit aan dacht. Jaren lang reeds had Carolus den buit, dien hij met wapenen nam, goud en kostbaarheden, naar Venetië ter bewaring gezonden, om later Rogier in staat te stellen tot hertog verheven te worden en in een prachtig hof te leven zooals de grooten van Lombardije. Die glorie, door zijn hulp verkregen, zou gansch de zijne zijn. En terwijl hij gestadig de rijkdommen zamelde bleef hij steeds in de nabijheid van zijn vriend, om hem te bewaken voor de gehate paapschen en met hem te strijden voor het doel.Nu was er een vrouw gekomen, een nietige vrouw, die alles verwoestte... Carolus stond stil, zag naar de diepte beneden waar een vuurtje brandde, en loosde een zucht, een vaarwel aan de hoop zooveel jaren geliefkoosd, er waren tranen in zijn oogen. En door de warmte der tranenzag hij heel goed, hoewel ’t hem een raadsel was waarom ’t zóó wezen moest: dat het eenige dat de eenvoudigheid van zijn hart ooit vervuld had hem thans verlaten ging. Hij voelde, dat hij niet jong meer was en dat voor een man van zijn leeftijd de komende jaren korter zijn dan die van ’t verleden...Dichtbij zich hoorde hij gedempt stemmengerucht en toen hij zocht zag hij Walid en den broeder, die op een steen zaten met de oogen naar den hemel gericht. Hij ging naar hen toe, zette zich bij hen neder, doch zij zwegen nu beiden. Eindelijk klonk in de stilte de diepe, langzame stem van Walid:„Is de meester in zijn tent nu met de vrouw?”„Ja,” antwoordde de brigadier, en zij zwegen weder.Een flauwe zwoelte waarde in den donker, slechts de ademhaling dier drie was hoorbaar. Tamalone zag plotseling hoe vreemd het was, dat drie mannen uit verschillende streken der wereld hier op den hoogen berg te zamen zaten, peinzendwaar hun het lot zou leiden en wat één zelfde teedere vrouw in hun leven beduiden mocht. Hij keek naar zijn gezellen en zeide met een kort lachje, dat op een snik geleek:„Waarom zouden wij zoo stil zijn nu wij aan Rogier denken?”„Hij is gelukkig,” antwoordde Carolus in zwaar geluid.De monnik haalde de schouders op en Walid bleef naar de koele starren zien.En terwijl deze mannen in den nacht zwijgend op den kouden steen zaten en ieder in zijn eigen gedachten twijfelde aan het geluk, dat een jong meisje in het kamp had gebracht, waren Rogier en Mevena in elkanders armen gelukkig en de duisternis der tent, omringd door vele andere vol slapende mannen, was hun heerlijkheid van nieuwgewonnen weelde.Zij waren gelukkig en op hun wandelingen door de luchtige bergen, bij hun kozen in den vertrouwelijken avond vergaten zij de dagen, die kwamen en gingen, en vergaten het slot waar zij heen zouden gaan.Toen zij op een middag vermoeid terug keerden vonden zij het kamp in wanorde. Eenige soldaten hadden een bode van den keizer ontmoet, die brieven had voor de edelen in ’t noorden... Het leger was overwinnend, de Florentijnen hadden zich met den vorst verbonden, de steden vielen de een na de ander. Doch de vijand vergaderde een talrijk heir, er dwaalden sluipmoordenaars door ’t gansche land. De keizer, verbitterd door de verraderlijkheid zijns tegenstanders, had besloten een grooten veldtocht te gaan en ontbood al zijn aanvoerders; Romano, Dovera en Pelavicino vochten zich met geweld reeds een doortocht in ’t noorden.Rogier, met een blos van verrassing, bleef lang verdiept in den uitvoerigen brief, terwijl de anderen, en op eenigen afstand de jonge vrouw, aandachtig hem gadesloegen. Eindelijk zag hij op met een klaren gloed in de oogen en zeide:„Carlo, pak de tenten. Wij gaan heen.”De brigadier, eerst verrast, stapte haastig naar de soldaten, die weldra druk in de weer waren.Intusschen leidde Rogier het meisje aan de eene en den monnik aan zijn andere zijde met zich buiten de drukte. Toen hij stil stond sprak hij zeer lang, met zijn gelaat naar Tamalone gewend terwijl hij op ’t meisje geen acht sloeg, om te verklaren hoe hij zich eerst had voorgenomen om nimmer meer in den oorlog te gaan en haar naar Siremonte te brengen, zijn slot: doch dat hij thans den keizer niet verlaten mocht nu er een groote tocht op handen was—hij voelde, dat hij niet kón, het genot van den oorlog danste al in zijn oogen. Dan nam hij Mevena in zijn armen, troostte en kuste haar, en beloofde reeds over twee maanden terug te zijn op ’t kasteel. Zij liet zich zwijgend kussen met gebogen hoofd en de groote oogleden gesloten. En terwijl hij haar liefkoosde vroeg hij Tamalone, die toezag, of hij haar wilde beschermen en naar Siremonte voeren.„Ik?...” riep de monnik luid, met een plotseling gebaar en wijde oogen.Rogier had op hem vertrouwd als zijn besten vriend en smeekte hem zijn schat te bewaren. Een wijle later glimlachteTamalone weder en staarde hem na, die in verliefden afscheidsweemoed het meisje naar de tent geleidde. Toen zij daar binnen verdwenen waren kruiste hij de armen en liep bedaard naar waar de soldaten zingend en jolend hun toebereidselen maakten. De brigadier zeide opgewonden:„Nu zullen wij onzen keizer weêr zien.”„Neen, ik niet; ik blijf achter bij Mevena. De kapitein neemt haar niet meê.”„Wat, blijft zij hier?... Maar dan zijn we gered, man!”Carolus vloekte en liep snel door het gewoel om Walid de goede tijding te brengen.Toen de hemel zwak begon te worden waren alle tenten gepakt en stonden de krijgslieden gereed, wachtend op hun aanvoerder, die met den monnik liep te praten, terwijl Mevena, zwijgend en naar den grond ziende, in zijn arm leunde. Carolus sloeg het afscheid aandachtig gade; hij zag zijn meester, die schreide, telkens en telkens weêr de vrouw kussen en aan zijn borst drukken, dan eensklaps den monnik omarmen, die naar achter week, toen omkeerenen fluks naderen. Het was of plotseling alle soldaten tegelijk spraken, de klaroen schetterde haastig in ’t late uur, de paarden trappelden.De hoofdlieden reden achteraan en beiden keken voortdurend naar de twee figuren om, die dicht bij elkander stonden in ’t bleeke namiddaglicht. Mevena, rechtop, hield haar eene hand op den schouder van Tamalone, die met de armen gekruist stond. Hun verwonderlijk lange schaduwen, kronkelend over den heuvelgrond, liepen aan het einde inéén in het duister van een struikgewas.
5Weinige dagen later werd het kamp in den schemer van een bewolkten ochtend door de talrijke troepen van Bologna, die zegevierend door het land trokken, steden en kasteelen winnend voor de Kerk, verrast en verslagen. Met slechts een zeventig ruiters werd Rogier, die aan ’t hoofd was gewond, door den brigadier vluchtend naar de bergen gevoerd.Daar, aan een kronkelend schielijk vlietje tusschen steile glooiingen, waar schaars maar groen voor de paarden groeide, deed Carolus de tenten opslaan om te rusten tot zijn bevelhebber weder hersteld zou zijn.Hij bekommerde zich om de bevelen van den keizer niet, zijn gansche aandacht en zorg waren den zieke gewijd. En diedagen, toen zijn meester, wien hij reeds met genegenheid had gediendsindshij hem als jongen in het leger had zien komen, zwak en van koortsen verhit in de tent lag, zat Carolus daarbuiten met de kin op de knie naar het snelle ademen te luisteren en naar het stroomend water nabij, en zijn hart was week van treurigheid. Er gingen slechts weinig gedachten in dat zware hoofd, doch hij voelde zich zoo innig vol, dat hij somwijlen wanneer een soldaat naderkwam zich uitspreken en herhalen moest, of wel den grijzen Walid deed roepen om hem te raadplegen en te spreken over het gevecht waar Rogier voor het eerst van zijn leven gewond was. De oosterling herhaalde dan, dat die jonge vrouw, waar de meester van maalde, het ongeluk had gebracht. Want niet slechts hij zelf, maar ook Teodoro, de wijze des keizers, had het gesternte van den meester waargenomen en gezien, dat er in het beeld van den Stier twee planeten te zamen waren gekomen, maar dat ze door Saturnus werden beheerscht. Hetgeen beduidde, dat hij roemrijk en gelukkig zou mogen wezentot in eeuwigheid, zoo niet een vrouw hem in bloedige ellende bracht.„Nu is die vrouw gekomen!” zeide Walid fluisterend, met groote oogen en berustend gebaar van beide armen.Maar Carolus, zwijgend en met gerimpeld voorhoofd naar de bergen starend, geloofde hem niet, want zijn meester was veilig nu in zijne bescherming.Zoo, op een middag, zaten deze twee bij tusschenpoozen te praten over wat zij doorgemaakt hadden met Rogier en de glorie, die zij voor hem verwachtten, wanneer de keizer de steden en den Paus had, gedwongen. En toen zij aan hem dachten hoe hij lijdend lag in de tent, sprak Walid weder zijn voorspelling uit en vervloekte de vrouwen, doch Carolus was stil en peinsde hoe er genezing gevonden kon worden. Zij zwegen toen een wijle en het was rustig in het kamp, want de soldaten, die hier en daar lagen,hieldenzich zeer bedaard.Maar op eens was er beweging, zij hoorden paardengetrappel en geschreeuw van een man. Eenige ruiters, op marode geweestkeerden terug met Tamalone den broeder, dien zij slapend in een boschje hadden gevonden. Hij maakte een groot misbaar van vroolijkheid, zoodat de brigadier plotseling in woede opsprong en in eenen zijn keel stevig vastgreep.De monnik, hijgend om van den smorenden greep te bekomen en naar de vuist kijkend, die de brigadier nog geheven hield, hoorde achter het doek der tent een zwak stemgeluid. Zijn oogen glinsterden, hij leî den vinger op den mond om te toonen, dat hij begreep en fluisterde:„Is hij ziek?”„Waar komt gij vandaan?”„Is hij ziek? Messer Rogier? Nu, dan moogt ge wel van geluk spreken, dat ik gekomen ben, want er is in heel dit ellendig land geen bekwamer arts—”„Zijt gij een arts?” riepen velen zeer luid en kwamen nader.„Natuurlijk, natuurlijk!”Toen vreesde hij niet meer; hij nam den brigadier terzijde en vertelde, dat hij eigenlijk geen monnik was, maar de pij slechts droeg om de vijanden des keizerste bespieden—en toen werd Carolus zeer vriendelijk jegens hem. Tamalone zeide dat hij blijde was in het kamp te zijn, zijn mager gelaat bloosde van opwinding; met een luchtig gebaar stelde hij de krijgslieden gerust, dat hij een voortreffelijk medicijn wist om den kranke te genezen. En tot laat was hij met Carolus bezig om het vuur.Bij toortslicht en terwijl bijna alle soldaten wachtten buiten de tent, werd den kapitein het drankje toegediend. Inderdaad was er spoedig beterschap, zoozeer, dat Rogier, schoon mat en krachteloos ontwakend, den volgenden middag zijn bewustzijn terughad. Hij zagTamaloneaan en vroeg:„Wat moet die monnik hier?”„Ik ben geen monnik, messer. Kent gij mij niet? Ik ben Tamalone; aan mij hebt ge uw leven te danken, nietwaar Carlo? En ge zult zeker nog dankbaarder zijn voor het nieuws, dat ik breng—ik heb een boodschap.”Op den dag toen Rogier strijdend de stad verliet, verhaalde hij bedaard, lag hijin de kathedraal te bidden, en daar was ook Mevena Lugina, bij het graf van haar broeder; zij vroeg wat het geraas beduidde en toen zij hoorde dat de troepen op hun uittocht waren aangevallen, sprong zij op van haar knieling in hevige ontroering. En haar naar huis geleidende had hij haar gerustgesteld, daar hij wel begreep waarom zij zoo geschrokken was. Later was hij dikwijls in het huis van Lugina geweest, dien hij al jaren kende. Op een dag had Mevena haar vader en broeders hooren zweren, dat zij zich zouden wreken; zij had toen schreiend den monnik nageloopen in de straat en hem gesmeekt een boodschap te brengen.Rogier stond nu rechtop in de tent, Tamalone, die beneden hem gehurkt zat, met groote oogen aanziende.Zij zond haar liefste wenschen voor een spoedig wederzien, maar haar vader zou haar in enkele dagen naar Bologna voeren waar Rogier niet komen kon. Zij was ongelukkig en weende veel terwijl zij met Tamalone sprak, zij moest voortdurend denken aan de vreeselijke woorden vanhaar vader en wist niet hoe zij helpen kon.„Weet zij dan niet van haar broeder?...”„Zij zegt, dat gij hem niet vermoord hebt, Messer, zij heeft u lief zooals ik zou willen, dat mij een vrouw liefhad... Ik zal u de waarheid zeggen: alleen ter wille van haar heb ik deze boodschap gebracht op gevaar van mijn leven. Maar voor zoo’n meisje had ik wel meer gedaan. En ik ben eerlijk geweest, hoewel ik maar een arm man ben.”Hij frommelde onder zijn pij en bracht een koordje te voorschijn waar een ring aan bengelde.„Zij gaf mij dezen ring voor u. De steen, die er in is heeft op ’t oog maar weinig waarde, maar ze kuste hem toen ze hem overgaf en zei, dat hij u geluk zou brengen.”Rogier hield den ring in de palm zijner hand, dicht onder zijn oogen.„Ziet gij die roode vlekjes? Het is een zeldzame bloedsteen, want er zijn adertjes dooréén gevlochten, kijk. Menig geleerde zou er veel voor geven, want ge weet, dit is de steen waarvan zij zeggen, dat hijden drager onzichtbaar kan maken, en een eeuwigheid te doen leven in een enkele minuut. Ik weet niet of ’t waar is maar wel, dat een steen als deze, door zoo’n lieve hand gegeven, mij zelf veel waard zou zijn.”„Gooi weg, heer, gooi in het water!” riep Walid, die binnenkwam en het zag, „de bloedsteen is nog gevaarlijker dan de duivelsteen dien wij in de nesten van adelaars vinden. Neem hem weg, Carolus, en gooi hem in ’t water.”„Zwijg, man. Al was het de duivel zelf, die er in is, ik zal hem nu dragen tot mijn dood.”De Saraceen zag hem aan en zei bedaard:„Tot uw dood.”„Ach, dwaasheid!” sprak de brigadier, „ringen brengen nooit geluk, ten minste niet die van de paapschen komen. Ik heb mijn robijn al drie jaar nu. Maar ongelukkig zijn ze dikwijls, en Walid zegt—”„Hij vergist zich, Carolus. Hij meent den valschen steen van Palmyra, die werkelijk kwaad is. Maar dit is de ware heliotroopvan Afrika, zooals ge zoudt kunnen zien als ge steenkundige waart.”En Tamalone glimlachte overtuigend.Tot laat in den nacht zat Rogier, in mantels gehuld, dicht bij de klare vlammen met den monnik te praten. Hij vroeg telkenmale bijzonderheden omtrent Lugina en staarde dan een poos in het vuur, terwijl de ander met zachten, dartelen klank aldoor sprak en aanmoedigenden raad gaf: er was een wonderlijk vloeiende maat in zijn woorden van liefde en vrouwen en de geheimenissen van het hart, een maat die telkens wederkeerde en Rogiers gedachten van zoete levendigheid bewoog. En onverwachts vroeg hij den broeder of hij Mevena wilde gaan halen, zijn stem beefde van ernst....Reeds lang waren de soldaten in hun tenten gekropen en klonk in den rustigen nacht slechts het gedurig spoelen van ’t water in den vliet en de luchtige stem van den monnik. De wacht was al met slaperig gezicht teruggekomen en door een ander vervangen, en nog zaten deze twee bij elkander, de een met vage ontroering om een verre vrouw en in zachten gloei vanvermoeienis en verlangen, luisterend naar de steeds glijdende stem waarmede de ander ervaringen uit zijn leven verhaalde en vele dingen zeide met een diep gevoel.Hij was uit zijn klooster gevlucht en wijl hij geen heer had willen dienen en de lust hem dreef om vreemde dingen te zien, had hij in vele landen gezworven, levend naar wat de dag hem gaf. Luchtigjes vertelde hij van dwaasheden en van daden waarvoor hij aan den paal had gestaan—zijn vader had al gezegd, dat hij nooit een goed christen zou worden, maar die wist niet van de onrust, welke hem als knaap nachten en nachten al uit den slaap hield. Nadat hij uit het klooster was gegaan was hij altoos gelukkig geweest, zeide hij; hij had zich nooit om de menschen bekommerd en nooit verdriet gehad. In onbedachte openhartigheid sprak hij door van avonturen en van menschen die hij gezien had, zijn stem was teeder soms van zuiver vertrouwen en zorgeloosheid en van plots geziene wijsheid; er vloot een bekoring in, die in Rogiers hart een donkeren gloed van innigheid wekteen hem tot tranen bewoog toen de broeder over Mevena sprak, zeggende dat alleen een matelooze liefde en een ernstige vrouw in deze wereld te bewonderen waren en de menschen gelukkig maakten—Mevena dáár mocht zekerlijk niet alleen blijven treuren, want twee die elkander zóó beminden moesten te zamen zijn...En, zittende bij de roode vlammen, hun groote bewegelijke schaduwen achter hen zich verliezend in den nacht, hadden beiden, onuitgesproken, een eender gevoelen van toekomst, donker en onafwendbaar—en diep begeerd.Plotseling, met een gebroken snik, sloeg Rogier zijn armen om den monnik, drukte hem aan zijn borst en kuste hartstochtelijk zijn gelaat. Tamalone maakte zich uit de omarming los, hield zijn handen en keek hem recht in de oogen.Beiden richtten te zamen hun hoofden op en zagen Walid met een glinsterenden dolk in de hand. De broeder glimlachte en zeide:„Ik moet morgen een paard hebben om naar Bologna te gaan.”
5
Weinige dagen later werd het kamp in den schemer van een bewolkten ochtend door de talrijke troepen van Bologna, die zegevierend door het land trokken, steden en kasteelen winnend voor de Kerk, verrast en verslagen. Met slechts een zeventig ruiters werd Rogier, die aan ’t hoofd was gewond, door den brigadier vluchtend naar de bergen gevoerd.Daar, aan een kronkelend schielijk vlietje tusschen steile glooiingen, waar schaars maar groen voor de paarden groeide, deed Carolus de tenten opslaan om te rusten tot zijn bevelhebber weder hersteld zou zijn.Hij bekommerde zich om de bevelen van den keizer niet, zijn gansche aandacht en zorg waren den zieke gewijd. En diedagen, toen zijn meester, wien hij reeds met genegenheid had gediendsindshij hem als jongen in het leger had zien komen, zwak en van koortsen verhit in de tent lag, zat Carolus daarbuiten met de kin op de knie naar het snelle ademen te luisteren en naar het stroomend water nabij, en zijn hart was week van treurigheid. Er gingen slechts weinig gedachten in dat zware hoofd, doch hij voelde zich zoo innig vol, dat hij somwijlen wanneer een soldaat naderkwam zich uitspreken en herhalen moest, of wel den grijzen Walid deed roepen om hem te raadplegen en te spreken over het gevecht waar Rogier voor het eerst van zijn leven gewond was. De oosterling herhaalde dan, dat die jonge vrouw, waar de meester van maalde, het ongeluk had gebracht. Want niet slechts hij zelf, maar ook Teodoro, de wijze des keizers, had het gesternte van den meester waargenomen en gezien, dat er in het beeld van den Stier twee planeten te zamen waren gekomen, maar dat ze door Saturnus werden beheerscht. Hetgeen beduidde, dat hij roemrijk en gelukkig zou mogen wezentot in eeuwigheid, zoo niet een vrouw hem in bloedige ellende bracht.„Nu is die vrouw gekomen!” zeide Walid fluisterend, met groote oogen en berustend gebaar van beide armen.Maar Carolus, zwijgend en met gerimpeld voorhoofd naar de bergen starend, geloofde hem niet, want zijn meester was veilig nu in zijne bescherming.Zoo, op een middag, zaten deze twee bij tusschenpoozen te praten over wat zij doorgemaakt hadden met Rogier en de glorie, die zij voor hem verwachtten, wanneer de keizer de steden en den Paus had, gedwongen. En toen zij aan hem dachten hoe hij lijdend lag in de tent, sprak Walid weder zijn voorspelling uit en vervloekte de vrouwen, doch Carolus was stil en peinsde hoe er genezing gevonden kon worden. Zij zwegen toen een wijle en het was rustig in het kamp, want de soldaten, die hier en daar lagen,hieldenzich zeer bedaard.Maar op eens was er beweging, zij hoorden paardengetrappel en geschreeuw van een man. Eenige ruiters, op marode geweestkeerden terug met Tamalone den broeder, dien zij slapend in een boschje hadden gevonden. Hij maakte een groot misbaar van vroolijkheid, zoodat de brigadier plotseling in woede opsprong en in eenen zijn keel stevig vastgreep.De monnik, hijgend om van den smorenden greep te bekomen en naar de vuist kijkend, die de brigadier nog geheven hield, hoorde achter het doek der tent een zwak stemgeluid. Zijn oogen glinsterden, hij leî den vinger op den mond om te toonen, dat hij begreep en fluisterde:„Is hij ziek?”„Waar komt gij vandaan?”„Is hij ziek? Messer Rogier? Nu, dan moogt ge wel van geluk spreken, dat ik gekomen ben, want er is in heel dit ellendig land geen bekwamer arts—”„Zijt gij een arts?” riepen velen zeer luid en kwamen nader.„Natuurlijk, natuurlijk!”Toen vreesde hij niet meer; hij nam den brigadier terzijde en vertelde, dat hij eigenlijk geen monnik was, maar de pij slechts droeg om de vijanden des keizerste bespieden—en toen werd Carolus zeer vriendelijk jegens hem. Tamalone zeide dat hij blijde was in het kamp te zijn, zijn mager gelaat bloosde van opwinding; met een luchtig gebaar stelde hij de krijgslieden gerust, dat hij een voortreffelijk medicijn wist om den kranke te genezen. En tot laat was hij met Carolus bezig om het vuur.Bij toortslicht en terwijl bijna alle soldaten wachtten buiten de tent, werd den kapitein het drankje toegediend. Inderdaad was er spoedig beterschap, zoozeer, dat Rogier, schoon mat en krachteloos ontwakend, den volgenden middag zijn bewustzijn terughad. Hij zagTamaloneaan en vroeg:„Wat moet die monnik hier?”„Ik ben geen monnik, messer. Kent gij mij niet? Ik ben Tamalone; aan mij hebt ge uw leven te danken, nietwaar Carlo? En ge zult zeker nog dankbaarder zijn voor het nieuws, dat ik breng—ik heb een boodschap.”Op den dag toen Rogier strijdend de stad verliet, verhaalde hij bedaard, lag hijin de kathedraal te bidden, en daar was ook Mevena Lugina, bij het graf van haar broeder; zij vroeg wat het geraas beduidde en toen zij hoorde dat de troepen op hun uittocht waren aangevallen, sprong zij op van haar knieling in hevige ontroering. En haar naar huis geleidende had hij haar gerustgesteld, daar hij wel begreep waarom zij zoo geschrokken was. Later was hij dikwijls in het huis van Lugina geweest, dien hij al jaren kende. Op een dag had Mevena haar vader en broeders hooren zweren, dat zij zich zouden wreken; zij had toen schreiend den monnik nageloopen in de straat en hem gesmeekt een boodschap te brengen.Rogier stond nu rechtop in de tent, Tamalone, die beneden hem gehurkt zat, met groote oogen aanziende.Zij zond haar liefste wenschen voor een spoedig wederzien, maar haar vader zou haar in enkele dagen naar Bologna voeren waar Rogier niet komen kon. Zij was ongelukkig en weende veel terwijl zij met Tamalone sprak, zij moest voortdurend denken aan de vreeselijke woorden vanhaar vader en wist niet hoe zij helpen kon.„Weet zij dan niet van haar broeder?...”„Zij zegt, dat gij hem niet vermoord hebt, Messer, zij heeft u lief zooals ik zou willen, dat mij een vrouw liefhad... Ik zal u de waarheid zeggen: alleen ter wille van haar heb ik deze boodschap gebracht op gevaar van mijn leven. Maar voor zoo’n meisje had ik wel meer gedaan. En ik ben eerlijk geweest, hoewel ik maar een arm man ben.”Hij frommelde onder zijn pij en bracht een koordje te voorschijn waar een ring aan bengelde.„Zij gaf mij dezen ring voor u. De steen, die er in is heeft op ’t oog maar weinig waarde, maar ze kuste hem toen ze hem overgaf en zei, dat hij u geluk zou brengen.”Rogier hield den ring in de palm zijner hand, dicht onder zijn oogen.„Ziet gij die roode vlekjes? Het is een zeldzame bloedsteen, want er zijn adertjes dooréén gevlochten, kijk. Menig geleerde zou er veel voor geven, want ge weet, dit is de steen waarvan zij zeggen, dat hijden drager onzichtbaar kan maken, en een eeuwigheid te doen leven in een enkele minuut. Ik weet niet of ’t waar is maar wel, dat een steen als deze, door zoo’n lieve hand gegeven, mij zelf veel waard zou zijn.”„Gooi weg, heer, gooi in het water!” riep Walid, die binnenkwam en het zag, „de bloedsteen is nog gevaarlijker dan de duivelsteen dien wij in de nesten van adelaars vinden. Neem hem weg, Carolus, en gooi hem in ’t water.”„Zwijg, man. Al was het de duivel zelf, die er in is, ik zal hem nu dragen tot mijn dood.”De Saraceen zag hem aan en zei bedaard:„Tot uw dood.”„Ach, dwaasheid!” sprak de brigadier, „ringen brengen nooit geluk, ten minste niet die van de paapschen komen. Ik heb mijn robijn al drie jaar nu. Maar ongelukkig zijn ze dikwijls, en Walid zegt—”„Hij vergist zich, Carolus. Hij meent den valschen steen van Palmyra, die werkelijk kwaad is. Maar dit is de ware heliotroopvan Afrika, zooals ge zoudt kunnen zien als ge steenkundige waart.”En Tamalone glimlachte overtuigend.Tot laat in den nacht zat Rogier, in mantels gehuld, dicht bij de klare vlammen met den monnik te praten. Hij vroeg telkenmale bijzonderheden omtrent Lugina en staarde dan een poos in het vuur, terwijl de ander met zachten, dartelen klank aldoor sprak en aanmoedigenden raad gaf: er was een wonderlijk vloeiende maat in zijn woorden van liefde en vrouwen en de geheimenissen van het hart, een maat die telkens wederkeerde en Rogiers gedachten van zoete levendigheid bewoog. En onverwachts vroeg hij den broeder of hij Mevena wilde gaan halen, zijn stem beefde van ernst....Reeds lang waren de soldaten in hun tenten gekropen en klonk in den rustigen nacht slechts het gedurig spoelen van ’t water in den vliet en de luchtige stem van den monnik. De wacht was al met slaperig gezicht teruggekomen en door een ander vervangen, en nog zaten deze twee bij elkander, de een met vage ontroering om een verre vrouw en in zachten gloei vanvermoeienis en verlangen, luisterend naar de steeds glijdende stem waarmede de ander ervaringen uit zijn leven verhaalde en vele dingen zeide met een diep gevoel.Hij was uit zijn klooster gevlucht en wijl hij geen heer had willen dienen en de lust hem dreef om vreemde dingen te zien, had hij in vele landen gezworven, levend naar wat de dag hem gaf. Luchtigjes vertelde hij van dwaasheden en van daden waarvoor hij aan den paal had gestaan—zijn vader had al gezegd, dat hij nooit een goed christen zou worden, maar die wist niet van de onrust, welke hem als knaap nachten en nachten al uit den slaap hield. Nadat hij uit het klooster was gegaan was hij altoos gelukkig geweest, zeide hij; hij had zich nooit om de menschen bekommerd en nooit verdriet gehad. In onbedachte openhartigheid sprak hij door van avonturen en van menschen die hij gezien had, zijn stem was teeder soms van zuiver vertrouwen en zorgeloosheid en van plots geziene wijsheid; er vloot een bekoring in, die in Rogiers hart een donkeren gloed van innigheid wekteen hem tot tranen bewoog toen de broeder over Mevena sprak, zeggende dat alleen een matelooze liefde en een ernstige vrouw in deze wereld te bewonderen waren en de menschen gelukkig maakten—Mevena dáár mocht zekerlijk niet alleen blijven treuren, want twee die elkander zóó beminden moesten te zamen zijn...En, zittende bij de roode vlammen, hun groote bewegelijke schaduwen achter hen zich verliezend in den nacht, hadden beiden, onuitgesproken, een eender gevoelen van toekomst, donker en onafwendbaar—en diep begeerd.Plotseling, met een gebroken snik, sloeg Rogier zijn armen om den monnik, drukte hem aan zijn borst en kuste hartstochtelijk zijn gelaat. Tamalone maakte zich uit de omarming los, hield zijn handen en keek hem recht in de oogen.Beiden richtten te zamen hun hoofden op en zagen Walid met een glinsterenden dolk in de hand. De broeder glimlachte en zeide:„Ik moet morgen een paard hebben om naar Bologna te gaan.”
Weinige dagen later werd het kamp in den schemer van een bewolkten ochtend door de talrijke troepen van Bologna, die zegevierend door het land trokken, steden en kasteelen winnend voor de Kerk, verrast en verslagen. Met slechts een zeventig ruiters werd Rogier, die aan ’t hoofd was gewond, door den brigadier vluchtend naar de bergen gevoerd.
Daar, aan een kronkelend schielijk vlietje tusschen steile glooiingen, waar schaars maar groen voor de paarden groeide, deed Carolus de tenten opslaan om te rusten tot zijn bevelhebber weder hersteld zou zijn.
Hij bekommerde zich om de bevelen van den keizer niet, zijn gansche aandacht en zorg waren den zieke gewijd. En diedagen, toen zijn meester, wien hij reeds met genegenheid had gediendsindshij hem als jongen in het leger had zien komen, zwak en van koortsen verhit in de tent lag, zat Carolus daarbuiten met de kin op de knie naar het snelle ademen te luisteren en naar het stroomend water nabij, en zijn hart was week van treurigheid. Er gingen slechts weinig gedachten in dat zware hoofd, doch hij voelde zich zoo innig vol, dat hij somwijlen wanneer een soldaat naderkwam zich uitspreken en herhalen moest, of wel den grijzen Walid deed roepen om hem te raadplegen en te spreken over het gevecht waar Rogier voor het eerst van zijn leven gewond was. De oosterling herhaalde dan, dat die jonge vrouw, waar de meester van maalde, het ongeluk had gebracht. Want niet slechts hij zelf, maar ook Teodoro, de wijze des keizers, had het gesternte van den meester waargenomen en gezien, dat er in het beeld van den Stier twee planeten te zamen waren gekomen, maar dat ze door Saturnus werden beheerscht. Hetgeen beduidde, dat hij roemrijk en gelukkig zou mogen wezentot in eeuwigheid, zoo niet een vrouw hem in bloedige ellende bracht.
„Nu is die vrouw gekomen!” zeide Walid fluisterend, met groote oogen en berustend gebaar van beide armen.
Maar Carolus, zwijgend en met gerimpeld voorhoofd naar de bergen starend, geloofde hem niet, want zijn meester was veilig nu in zijne bescherming.
Zoo, op een middag, zaten deze twee bij tusschenpoozen te praten over wat zij doorgemaakt hadden met Rogier en de glorie, die zij voor hem verwachtten, wanneer de keizer de steden en den Paus had, gedwongen. En toen zij aan hem dachten hoe hij lijdend lag in de tent, sprak Walid weder zijn voorspelling uit en vervloekte de vrouwen, doch Carolus was stil en peinsde hoe er genezing gevonden kon worden. Zij zwegen toen een wijle en het was rustig in het kamp, want de soldaten, die hier en daar lagen,hieldenzich zeer bedaard.
Maar op eens was er beweging, zij hoorden paardengetrappel en geschreeuw van een man. Eenige ruiters, op marode geweestkeerden terug met Tamalone den broeder, dien zij slapend in een boschje hadden gevonden. Hij maakte een groot misbaar van vroolijkheid, zoodat de brigadier plotseling in woede opsprong en in eenen zijn keel stevig vastgreep.
De monnik, hijgend om van den smorenden greep te bekomen en naar de vuist kijkend, die de brigadier nog geheven hield, hoorde achter het doek der tent een zwak stemgeluid. Zijn oogen glinsterden, hij leî den vinger op den mond om te toonen, dat hij begreep en fluisterde:
„Is hij ziek?”
„Waar komt gij vandaan?”
„Is hij ziek? Messer Rogier? Nu, dan moogt ge wel van geluk spreken, dat ik gekomen ben, want er is in heel dit ellendig land geen bekwamer arts—”
„Zijt gij een arts?” riepen velen zeer luid en kwamen nader.
„Natuurlijk, natuurlijk!”
Toen vreesde hij niet meer; hij nam den brigadier terzijde en vertelde, dat hij eigenlijk geen monnik was, maar de pij slechts droeg om de vijanden des keizerste bespieden—en toen werd Carolus zeer vriendelijk jegens hem. Tamalone zeide dat hij blijde was in het kamp te zijn, zijn mager gelaat bloosde van opwinding; met een luchtig gebaar stelde hij de krijgslieden gerust, dat hij een voortreffelijk medicijn wist om den kranke te genezen. En tot laat was hij met Carolus bezig om het vuur.
Bij toortslicht en terwijl bijna alle soldaten wachtten buiten de tent, werd den kapitein het drankje toegediend. Inderdaad was er spoedig beterschap, zoozeer, dat Rogier, schoon mat en krachteloos ontwakend, den volgenden middag zijn bewustzijn terughad. Hij zagTamaloneaan en vroeg:
„Wat moet die monnik hier?”
„Ik ben geen monnik, messer. Kent gij mij niet? Ik ben Tamalone; aan mij hebt ge uw leven te danken, nietwaar Carlo? En ge zult zeker nog dankbaarder zijn voor het nieuws, dat ik breng—ik heb een boodschap.”
Op den dag toen Rogier strijdend de stad verliet, verhaalde hij bedaard, lag hijin de kathedraal te bidden, en daar was ook Mevena Lugina, bij het graf van haar broeder; zij vroeg wat het geraas beduidde en toen zij hoorde dat de troepen op hun uittocht waren aangevallen, sprong zij op van haar knieling in hevige ontroering. En haar naar huis geleidende had hij haar gerustgesteld, daar hij wel begreep waarom zij zoo geschrokken was. Later was hij dikwijls in het huis van Lugina geweest, dien hij al jaren kende. Op een dag had Mevena haar vader en broeders hooren zweren, dat zij zich zouden wreken; zij had toen schreiend den monnik nageloopen in de straat en hem gesmeekt een boodschap te brengen.
Rogier stond nu rechtop in de tent, Tamalone, die beneden hem gehurkt zat, met groote oogen aanziende.
Zij zond haar liefste wenschen voor een spoedig wederzien, maar haar vader zou haar in enkele dagen naar Bologna voeren waar Rogier niet komen kon. Zij was ongelukkig en weende veel terwijl zij met Tamalone sprak, zij moest voortdurend denken aan de vreeselijke woorden vanhaar vader en wist niet hoe zij helpen kon.
„Weet zij dan niet van haar broeder?...”
„Zij zegt, dat gij hem niet vermoord hebt, Messer, zij heeft u lief zooals ik zou willen, dat mij een vrouw liefhad... Ik zal u de waarheid zeggen: alleen ter wille van haar heb ik deze boodschap gebracht op gevaar van mijn leven. Maar voor zoo’n meisje had ik wel meer gedaan. En ik ben eerlijk geweest, hoewel ik maar een arm man ben.”
Hij frommelde onder zijn pij en bracht een koordje te voorschijn waar een ring aan bengelde.
„Zij gaf mij dezen ring voor u. De steen, die er in is heeft op ’t oog maar weinig waarde, maar ze kuste hem toen ze hem overgaf en zei, dat hij u geluk zou brengen.”
Rogier hield den ring in de palm zijner hand, dicht onder zijn oogen.
„Ziet gij die roode vlekjes? Het is een zeldzame bloedsteen, want er zijn adertjes dooréén gevlochten, kijk. Menig geleerde zou er veel voor geven, want ge weet, dit is de steen waarvan zij zeggen, dat hijden drager onzichtbaar kan maken, en een eeuwigheid te doen leven in een enkele minuut. Ik weet niet of ’t waar is maar wel, dat een steen als deze, door zoo’n lieve hand gegeven, mij zelf veel waard zou zijn.”
„Gooi weg, heer, gooi in het water!” riep Walid, die binnenkwam en het zag, „de bloedsteen is nog gevaarlijker dan de duivelsteen dien wij in de nesten van adelaars vinden. Neem hem weg, Carolus, en gooi hem in ’t water.”
„Zwijg, man. Al was het de duivel zelf, die er in is, ik zal hem nu dragen tot mijn dood.”
De Saraceen zag hem aan en zei bedaard:
„Tot uw dood.”
„Ach, dwaasheid!” sprak de brigadier, „ringen brengen nooit geluk, ten minste niet die van de paapschen komen. Ik heb mijn robijn al drie jaar nu. Maar ongelukkig zijn ze dikwijls, en Walid zegt—”
„Hij vergist zich, Carolus. Hij meent den valschen steen van Palmyra, die werkelijk kwaad is. Maar dit is de ware heliotroopvan Afrika, zooals ge zoudt kunnen zien als ge steenkundige waart.”
En Tamalone glimlachte overtuigend.
Tot laat in den nacht zat Rogier, in mantels gehuld, dicht bij de klare vlammen met den monnik te praten. Hij vroeg telkenmale bijzonderheden omtrent Lugina en staarde dan een poos in het vuur, terwijl de ander met zachten, dartelen klank aldoor sprak en aanmoedigenden raad gaf: er was een wonderlijk vloeiende maat in zijn woorden van liefde en vrouwen en de geheimenissen van het hart, een maat die telkens wederkeerde en Rogiers gedachten van zoete levendigheid bewoog. En onverwachts vroeg hij den broeder of hij Mevena wilde gaan halen, zijn stem beefde van ernst....
Reeds lang waren de soldaten in hun tenten gekropen en klonk in den rustigen nacht slechts het gedurig spoelen van ’t water in den vliet en de luchtige stem van den monnik. De wacht was al met slaperig gezicht teruggekomen en door een ander vervangen, en nog zaten deze twee bij elkander, de een met vage ontroering om een verre vrouw en in zachten gloei vanvermoeienis en verlangen, luisterend naar de steeds glijdende stem waarmede de ander ervaringen uit zijn leven verhaalde en vele dingen zeide met een diep gevoel.
Hij was uit zijn klooster gevlucht en wijl hij geen heer had willen dienen en de lust hem dreef om vreemde dingen te zien, had hij in vele landen gezworven, levend naar wat de dag hem gaf. Luchtigjes vertelde hij van dwaasheden en van daden waarvoor hij aan den paal had gestaan—zijn vader had al gezegd, dat hij nooit een goed christen zou worden, maar die wist niet van de onrust, welke hem als knaap nachten en nachten al uit den slaap hield. Nadat hij uit het klooster was gegaan was hij altoos gelukkig geweest, zeide hij; hij had zich nooit om de menschen bekommerd en nooit verdriet gehad. In onbedachte openhartigheid sprak hij door van avonturen en van menschen die hij gezien had, zijn stem was teeder soms van zuiver vertrouwen en zorgeloosheid en van plots geziene wijsheid; er vloot een bekoring in, die in Rogiers hart een donkeren gloed van innigheid wekteen hem tot tranen bewoog toen de broeder over Mevena sprak, zeggende dat alleen een matelooze liefde en een ernstige vrouw in deze wereld te bewonderen waren en de menschen gelukkig maakten—Mevena dáár mocht zekerlijk niet alleen blijven treuren, want twee die elkander zóó beminden moesten te zamen zijn...
En, zittende bij de roode vlammen, hun groote bewegelijke schaduwen achter hen zich verliezend in den nacht, hadden beiden, onuitgesproken, een eender gevoelen van toekomst, donker en onafwendbaar—en diep begeerd.
Plotseling, met een gebroken snik, sloeg Rogier zijn armen om den monnik, drukte hem aan zijn borst en kuste hartstochtelijk zijn gelaat. Tamalone maakte zich uit de omarming los, hield zijn handen en keek hem recht in de oogen.
Beiden richtten te zamen hun hoofden op en zagen Walid met een glinsterenden dolk in de hand. De broeder glimlachte en zeide:
„Ik moet morgen een paard hebben om naar Bologna te gaan.”
6In een klooster buiten den stadsmuur vond hij een gastvrij onthaal, dat hij vergoedde met oolijke verhalen. Ook in het huis van Lugina werd hij als een bijzonder vriend ontvangen, want ondanks de booze geruchten was hij vooral door edelen geëerd, en menig hunner vond in de bekoorlijkheid zijner manieren een welkome reden voor de vriendschap ontstaan door diensten, die hij in ’t geheim had bewezen. In de steden ontbrak het Tamalone zelden aan goede maaltijden.Den dag na zijne aankomst trad hij de groote koele domkerk binnen en knielde neder naast een pilaar, zoo laag, dat in het wijde gebouw geen der weinige vromen hem zou hebben gezien. Aan deandere zijde van een pilaar lag gansch in het paarsch gekleed Mevena gebogen. De broeder keerde behoedzaam zijn gelaat naar haar toe en voelde zich lichtkens bewogen door de schoonheid van haar figuur in devotie; haar hoofd lag in de handen. Tamalone aarzelde even.„Heer Rogier laat u groeten,” fluisterde hij en keek haar een poosje zwijgend aan, van den steen waar het kleed in plooien uitlag tot het donker haar onder het kapje. De sluier over haar borst bewoog op en neêr.„Ik heb uw boodschap gebracht en hij heeft mij hier gezonden om u te vragen bij hem te komen. Hij kon zelf niet komen, want uw vader en de heele stad zijn hem vijandig, ofschoon gij weet dat hij niet anders misdaan heeft dan gestreden tegen den Paus. Maar uw hart is wijzer dan dit heele land vol dwazen. Ga naar hem toe en wees gelukkig. Hij is gewond, hij is ziek en kan niet buiten u. Bedaar, bedaar en blijf gebogen.”Mevena ademde snel en diep en hield zich aan haar bankje vast.„Bedaar, bedaar... Van avond leg ik een pij achter het rozenbosch in den tuin, trek dien aan, doe den kap goed neêr en wacht op mij. Ik zal u naar hem toebrengen.”Hij sloeg een kruis, stond op en trad zijn snoer biddend langzaam door de zonnige portiek naar buiten. Toen richtte hij zijn hoofd op en schreed lichtkens dwars het wijde klare plein over naar het stadspaleis waar hij zich in de schaduw der galerij voegde bij een groepje jongelieden, fransche studenten, die hem met luidruchtigheid ontvingen. Een poosje stond hij temidden van hen te praten en zijn woorden, met glimmende, opmerkzame gelaten aangehoord, werden herhaaldelijk door luid proesten onderbroken. Toen hij na een zotheid verteld te hebben snel verder wilde gaan, trokken zij aan zijn mouwen en hielden hem vast om nog één geschiedenis te hooren. En een goedig student ging met de muts zijn kameraden rond, die er allen een kleine munt in wierpen.Tamalone bedankte, stak de duiten weg en deed onder gedurig giegelen zijn verhaal. Aan het eind klonk er onbedaarlijkschateren, dat in het groepje ruimte deed ontstaan, waar de monnik gebruik van maakte om, lachend en knikkend, schielijk heen te gaan in het felle licht buiten de galerij.Hij liep naar het huis van Lugina, die in zijn gestreepten mantel voor de deur stond te wachten en hem omarmde toen hij hem zag. Zij bleven geruimen tijd binnen alleen waar geen dienaar hen hoorde; bij ’t afscheid nemen spraken zij weinig woorden, doch drukten elkander langdurig de hand.De zon was in wolken ondergegaan en in den avond, dof als floers, waarde er gestadig mistige regen. De straten waren stil, er gingen maar weinig flambouwen, toen Tamalone gearmd met een kleinen monnik en met de andere hand zijn pij ophoudende wegens het slik, haastig langs de huizen schreed. Aan de poort hield de wachter die naar buiten kwam een lantaarn bij zijn gelaat; hij klopte den man op den schouder, maakte luide en met vele woorden een grap, zoodat de wachter lachen moest om dien schelm van het klooster daarbuiten, en met eengemoedelijken wensch het deurtje achter hen dichtsloeg en grendelde.Zij liepen zwijgend in den vochtigen nacht.„Hier is het klooster al,” zeide Tamalone toen zij een paar rossige ramen voorbij kwamen. De weg werd moeilijk, zij stegen een steile helling op en ademden zwaar van inspanning. Het was drukkend warm, de regen werd dichter en ritselde in de bladeren van boomen nabij. De monnik bleef staan en riep iets in het fransch, waarop in de duisternis aanstonds antwoord klonk.„Dank u wel, vriend, ik wist wel dat ik op u rekenen kon.”„Ik ben doornat en weet niet hoe ik weer binnen kom. Hier hebt ge ze bij dien boom. Goeden avond.”„Goeden avond!”Mevena kon den ander niet zien, maar hoorde dat zijne schreden zich verwijderden. Haar gezel trok haar voort aan den arm.„Nu moet ge op dit paard, ik zal u helpen. Het zal wel moeilijk rijden zijn in donker, maar ik zal den teugel houden, ik ken den weg.”Het meisje besteeg tastend het paard, dat uit zijn rust gestoord trappelde en aan de teugels trok. Zij hoorde den monnik het dier op den hals kloppen en toespreken, en dan met moeite een tweede bestijgen. Toen ging zij vooruit en op hetzelfde oogenblik, onverwachts, klonk zeer nabij het kraaien van een haan. Het paard sprong zijdelings op en snel vooruit, natte bladeren sloegen Mevena in het gelaat.Nu reden zij vlug een heuvel af in duister en regen, terwijl achter hen, in de verte verkleind en vervaagd, nogmaals het kukeluren van een haan klonk, en op grooteren afstand het dieper antwoord van een anderen.Bij den dageraad hield de broeder stil om de beesten te verzorgen en Mevena eten te geven. Zwijgend ging hij zijn gang, haar voortdurend van terzijde aanziende; zij was bleek in het licht van den jongen, doorschijnenden hemel, een geringe gestalte in haar wijde pij. Voor zij weder in het zadel stegen deed zij hem allerlei vragen, maar hij antwoordde kort en stug, met blikken afgewend.In gestadigen draf reden zij dien ganschen helderen dag, bergen op en glooiingen af door valleien waar geen sterveling ging, zij met geopenden mond en hooge kleur, schokkend op het zadel, hij met gebogen hoofd en peinzende oogen bij wijlen ter sluiks naar haar gericht. Nu en dan keek hij in eenen op en verbaasde zich over zijn onbespraaktheid; dan klopte hij even het goedige, lijdzame paard op den hals en van lieverlede boog zich zijn hoofd weêr.Toen het licht schaars werd steeg Tamalone af en tuurde in alle richtingen om een rustplaats te vinden voor den nacht. Zij waren aan den voet van een ruigen berg, met kleine sparreboompjes begroeid en hier en daar, in open plekken, geel van gebloemte. Hij vroeg Mevena af te stappen en leidde de paarden over steil gesteente in de heesters; na hen verzorgd te hebben hielp hij het meisje den berg bestijgen naar een plek onder wat boomen. Zij was zeer moede toen zij het bereikten en leunde hijgend in zijn arm. Beneden, wijd uitgestrekt, lag het land in eenzamewanorde van glooiingen en heuvels met enkele fijne boompjes; de grootere monnik, met zijn arm om het middel van den kleinere, keek over het landschap heen, de innige avondzon schuin in de verte scheen op de grauwe pijen en het rustig gewas.Zonder woorden wees hij haar neder te zitten en gaf haar te eten en te drinken. Daarna liet hij haar alleen. Zij legde zich neêr, loom van vermoeienis, en sliep aanstonds.Tamalone was niet heel ver gegaan, maar zat dichtbij achter een spar door welks takken hij haar gadesloeg. Toen hij haar eindelijk te slapen meende strekte hij zich lang uit op den rug, met de armen onder het hoofd en sloot de oogen. Doch telkens opende hij ze weder, wanneer een zuchtje door de boomen voer, of wanneer hij gansch in de verte een vogel hoorde; en hij staarde dan met strakke oogen naar de lucht waar reeds enkele starren trilden. Dan, in den allengs beeldrijker wakenden droom die hem vervulde, sloten langzaam zijn oogen tot zij plots door een onrustigegedachte weder wijd zich openden. De hooge hemelruimte boven hem gaf hem een innig behagen, een bescheiden verlangen sproot in zijn hart, waar de vreugde nu waarde der schoonheid van ’t bergland, dat grooter was in de groote avondstilte.En eensklaps voelde hij, in zwellenden gloed, dat hij in deze hooge schemerende eenzaamheid gansch alleen was met een lief wezen, een kleine vrouw wier oogen, goedhartig en stil, hem heel dien zonnigen dag sprakeloos en vol onbevredigde gedachten hadden doen gaan. Hij leunde op den linkerarm, duwde de takjes open, en zag naar de plaats waar zij in duister gewaad te midden der struiken lag; en hij keek zoo oplettend, dat hij de ademhaling zag in haar borst. Zij sliep in aandoenlijke verlatenheid. Een nieuw gevoel ontroerde hem, hij zat rechtop en keek voor zich waar het laatste licht draalde aan de golvende kim. Zijn bloed klopte en hij ademde snel; een zachte wind woei van boom tot boom, glijdend langs hem heen. Langen tijd staarde hij in de verte; gedachten, oude herinneringen en jonge gevoelens,in zonderlinge wildheid, kwamen en verschoten, hij was vol wakker leven. Om haar te behagen had hij zich in dit gevaarlijk avontuur gewaagd, voor haar die zoo liefelijk was, dat hij daareven een verlangen had om haar te beminnen—hij had haar voor een ander ontvoerd. Doch hij wist, dat het dwaasheid zou wezen, zijn waarachtige aard was van een schooier om rond te loopen en om niets te geven, niets dan de verzinsels en schimmen van zijn verbeelding.En het waren eindelijk herinneringen alleen, die het langste talmden en weemoedige gezichten wekten van verleden dingen, van vroeger leven en eentonig lot. Met een zucht liet hij zich plots achterover vallen en zag uit natte oogen naar den hemel, waar het licht van een wassend maantje vloeide, het licht dat hem hinderde nu hij zichzelven begrijpen wilde. Hij wendde zijn hoofd naar den boomstam, sloot zijn oogen en lag uren op de helling van dien berg in droefheid luisterend naar de zwevende stilte, luisterend in onnoozele verwondering hoe de hemelen de aarde zielloos waren. Van lieverlede vergat hij waar hij verdriet om had en in zijn gemoed gleed een lieflijke kalmte. Eindelijk richtte hij zijn hoofd weder op en zat met de armen gekruist; in de lucht dreven langzaam lichte wolkjes, in de duisternis der aarde beneden en in de gedaanten der boomen was een heimelijk levende gloed.Hij stond op, trad met voorzichtige schreden door de struiken, het boschje voorbij, telkens stilstaande, en naderde de plek waar Mevena lag. Toen hij vaag haar lichaam aan zijn voeten onderscheidde bukte hij behoedzaam neder en kuste haar zeer zachtjes.Hij stond weêr op—zijn hart klopte snel en hard, en hij keerde zich om heen te gaan. Maar na twee schreden wendde hij zich weder om en een zacht geluidje ontsnapte zijn lippen. Even wachtte hij of zij ontwaken zou—in die pooze genoot hij de schoonheid van ’t oogenblik: een lieftallig vrouwtje, onbewust en ongevoelig, dat sliep in nachtelijke eenzaamheid, bij haar een man die een wenschbedwong, daarboven in ’t licht van ’t maantje de hemel die de toekomst wist... en hij herinnerde zich hoe zij gisterenavond te paard waren gestegen, en hoe hij geschrokken was door het voorteeken, het kraaien van een haan in den nacht... Toen keerde hij terug naar zijn rustplaats achter den boom, en dommelde weldra lichtkens in.Bij ’t licht van den ochtend zuchtte hij, dat de nacht weêr voorbij moest wezen, hij stond op en wekte zijn gezellin. Zij was opgeruimd door het vooruitzicht dien dag het kamp te bereiken, haar lachen klonk helder terwijl zij voortdraafden door het groene land.Waar de grond moeilijker werd te bestijgen werden zij onverhoeds door eenige ruiters aangehouden, Saraceenen, die den eenen monnik herkenden, maar den andere barsch bejegenden. Na de eerste verbazing over hun vijandige woorden wist Tamalone hen echter te bedaren, en ze vervolgden hun weg.Een paar mijlen verder bereikten zij eindelijk het kamp. Uit de tenten verschenen soldaten, meest oosterlingen, die henomringden met dreigende taal en gezichten; zij grepen de teugels, spraken en vloekten met veel gebaren en riepen om Walid. Maar Carolus naderde, die hen beval heen te gaan, Tamalone hartelijk de hand drukte en hem haastig meêvoerde naar de tent. Mevena, op wie hij geen acht had geslagen, volgde, door de verwonderde soldaten nagestaard. Vóór de tent stond Walid in een scharlaken mantel gehuld, met de armen gekruist. Hij verroerde zich niet, tot de beide monniken vlak voor hem stonden; toen gleed zijn mantel van zijn schouders, hij breidde de armen uit en zeide kalm:„Die vrouw mag niet naar binnen.”De roode Duitscher keerde zich naar Mevena om en keek zwijgend op haar neder. Er was een oogenblik van gevaarvolle afwachting: voor het grijze doek der tent de hooge gestalten der twee krijgslieden, kleurig gekleed, tegenover hen de twee monniken, hand in hand—slechts de oogen dier vier bewogen in donkere glansen. Er klonk gekreun daarbinnen, Mevena uitte een zachten kreet entoen, met rood gezwollen gelaat, sprong Tamalone plotseling naar den oosterling, greep hem bij de keel en wierp hem op den grond. Fluks trok hij Mevena naar binnen, onder de verbaasde blikken van den brigadier.
6
In een klooster buiten den stadsmuur vond hij een gastvrij onthaal, dat hij vergoedde met oolijke verhalen. Ook in het huis van Lugina werd hij als een bijzonder vriend ontvangen, want ondanks de booze geruchten was hij vooral door edelen geëerd, en menig hunner vond in de bekoorlijkheid zijner manieren een welkome reden voor de vriendschap ontstaan door diensten, die hij in ’t geheim had bewezen. In de steden ontbrak het Tamalone zelden aan goede maaltijden.Den dag na zijne aankomst trad hij de groote koele domkerk binnen en knielde neder naast een pilaar, zoo laag, dat in het wijde gebouw geen der weinige vromen hem zou hebben gezien. Aan deandere zijde van een pilaar lag gansch in het paarsch gekleed Mevena gebogen. De broeder keerde behoedzaam zijn gelaat naar haar toe en voelde zich lichtkens bewogen door de schoonheid van haar figuur in devotie; haar hoofd lag in de handen. Tamalone aarzelde even.„Heer Rogier laat u groeten,” fluisterde hij en keek haar een poosje zwijgend aan, van den steen waar het kleed in plooien uitlag tot het donker haar onder het kapje. De sluier over haar borst bewoog op en neêr.„Ik heb uw boodschap gebracht en hij heeft mij hier gezonden om u te vragen bij hem te komen. Hij kon zelf niet komen, want uw vader en de heele stad zijn hem vijandig, ofschoon gij weet dat hij niet anders misdaan heeft dan gestreden tegen den Paus. Maar uw hart is wijzer dan dit heele land vol dwazen. Ga naar hem toe en wees gelukkig. Hij is gewond, hij is ziek en kan niet buiten u. Bedaar, bedaar en blijf gebogen.”Mevena ademde snel en diep en hield zich aan haar bankje vast.„Bedaar, bedaar... Van avond leg ik een pij achter het rozenbosch in den tuin, trek dien aan, doe den kap goed neêr en wacht op mij. Ik zal u naar hem toebrengen.”Hij sloeg een kruis, stond op en trad zijn snoer biddend langzaam door de zonnige portiek naar buiten. Toen richtte hij zijn hoofd op en schreed lichtkens dwars het wijde klare plein over naar het stadspaleis waar hij zich in de schaduw der galerij voegde bij een groepje jongelieden, fransche studenten, die hem met luidruchtigheid ontvingen. Een poosje stond hij temidden van hen te praten en zijn woorden, met glimmende, opmerkzame gelaten aangehoord, werden herhaaldelijk door luid proesten onderbroken. Toen hij na een zotheid verteld te hebben snel verder wilde gaan, trokken zij aan zijn mouwen en hielden hem vast om nog één geschiedenis te hooren. En een goedig student ging met de muts zijn kameraden rond, die er allen een kleine munt in wierpen.Tamalone bedankte, stak de duiten weg en deed onder gedurig giegelen zijn verhaal. Aan het eind klonk er onbedaarlijkschateren, dat in het groepje ruimte deed ontstaan, waar de monnik gebruik van maakte om, lachend en knikkend, schielijk heen te gaan in het felle licht buiten de galerij.Hij liep naar het huis van Lugina, die in zijn gestreepten mantel voor de deur stond te wachten en hem omarmde toen hij hem zag. Zij bleven geruimen tijd binnen alleen waar geen dienaar hen hoorde; bij ’t afscheid nemen spraken zij weinig woorden, doch drukten elkander langdurig de hand.De zon was in wolken ondergegaan en in den avond, dof als floers, waarde er gestadig mistige regen. De straten waren stil, er gingen maar weinig flambouwen, toen Tamalone gearmd met een kleinen monnik en met de andere hand zijn pij ophoudende wegens het slik, haastig langs de huizen schreed. Aan de poort hield de wachter die naar buiten kwam een lantaarn bij zijn gelaat; hij klopte den man op den schouder, maakte luide en met vele woorden een grap, zoodat de wachter lachen moest om dien schelm van het klooster daarbuiten, en met eengemoedelijken wensch het deurtje achter hen dichtsloeg en grendelde.Zij liepen zwijgend in den vochtigen nacht.„Hier is het klooster al,” zeide Tamalone toen zij een paar rossige ramen voorbij kwamen. De weg werd moeilijk, zij stegen een steile helling op en ademden zwaar van inspanning. Het was drukkend warm, de regen werd dichter en ritselde in de bladeren van boomen nabij. De monnik bleef staan en riep iets in het fransch, waarop in de duisternis aanstonds antwoord klonk.„Dank u wel, vriend, ik wist wel dat ik op u rekenen kon.”„Ik ben doornat en weet niet hoe ik weer binnen kom. Hier hebt ge ze bij dien boom. Goeden avond.”„Goeden avond!”Mevena kon den ander niet zien, maar hoorde dat zijne schreden zich verwijderden. Haar gezel trok haar voort aan den arm.„Nu moet ge op dit paard, ik zal u helpen. Het zal wel moeilijk rijden zijn in donker, maar ik zal den teugel houden, ik ken den weg.”Het meisje besteeg tastend het paard, dat uit zijn rust gestoord trappelde en aan de teugels trok. Zij hoorde den monnik het dier op den hals kloppen en toespreken, en dan met moeite een tweede bestijgen. Toen ging zij vooruit en op hetzelfde oogenblik, onverwachts, klonk zeer nabij het kraaien van een haan. Het paard sprong zijdelings op en snel vooruit, natte bladeren sloegen Mevena in het gelaat.Nu reden zij vlug een heuvel af in duister en regen, terwijl achter hen, in de verte verkleind en vervaagd, nogmaals het kukeluren van een haan klonk, en op grooteren afstand het dieper antwoord van een anderen.Bij den dageraad hield de broeder stil om de beesten te verzorgen en Mevena eten te geven. Zwijgend ging hij zijn gang, haar voortdurend van terzijde aanziende; zij was bleek in het licht van den jongen, doorschijnenden hemel, een geringe gestalte in haar wijde pij. Voor zij weder in het zadel stegen deed zij hem allerlei vragen, maar hij antwoordde kort en stug, met blikken afgewend.In gestadigen draf reden zij dien ganschen helderen dag, bergen op en glooiingen af door valleien waar geen sterveling ging, zij met geopenden mond en hooge kleur, schokkend op het zadel, hij met gebogen hoofd en peinzende oogen bij wijlen ter sluiks naar haar gericht. Nu en dan keek hij in eenen op en verbaasde zich over zijn onbespraaktheid; dan klopte hij even het goedige, lijdzame paard op den hals en van lieverlede boog zich zijn hoofd weêr.Toen het licht schaars werd steeg Tamalone af en tuurde in alle richtingen om een rustplaats te vinden voor den nacht. Zij waren aan den voet van een ruigen berg, met kleine sparreboompjes begroeid en hier en daar, in open plekken, geel van gebloemte. Hij vroeg Mevena af te stappen en leidde de paarden over steil gesteente in de heesters; na hen verzorgd te hebben hielp hij het meisje den berg bestijgen naar een plek onder wat boomen. Zij was zeer moede toen zij het bereikten en leunde hijgend in zijn arm. Beneden, wijd uitgestrekt, lag het land in eenzamewanorde van glooiingen en heuvels met enkele fijne boompjes; de grootere monnik, met zijn arm om het middel van den kleinere, keek over het landschap heen, de innige avondzon schuin in de verte scheen op de grauwe pijen en het rustig gewas.Zonder woorden wees hij haar neder te zitten en gaf haar te eten en te drinken. Daarna liet hij haar alleen. Zij legde zich neêr, loom van vermoeienis, en sliep aanstonds.Tamalone was niet heel ver gegaan, maar zat dichtbij achter een spar door welks takken hij haar gadesloeg. Toen hij haar eindelijk te slapen meende strekte hij zich lang uit op den rug, met de armen onder het hoofd en sloot de oogen. Doch telkens opende hij ze weder, wanneer een zuchtje door de boomen voer, of wanneer hij gansch in de verte een vogel hoorde; en hij staarde dan met strakke oogen naar de lucht waar reeds enkele starren trilden. Dan, in den allengs beeldrijker wakenden droom die hem vervulde, sloten langzaam zijn oogen tot zij plots door een onrustigegedachte weder wijd zich openden. De hooge hemelruimte boven hem gaf hem een innig behagen, een bescheiden verlangen sproot in zijn hart, waar de vreugde nu waarde der schoonheid van ’t bergland, dat grooter was in de groote avondstilte.En eensklaps voelde hij, in zwellenden gloed, dat hij in deze hooge schemerende eenzaamheid gansch alleen was met een lief wezen, een kleine vrouw wier oogen, goedhartig en stil, hem heel dien zonnigen dag sprakeloos en vol onbevredigde gedachten hadden doen gaan. Hij leunde op den linkerarm, duwde de takjes open, en zag naar de plaats waar zij in duister gewaad te midden der struiken lag; en hij keek zoo oplettend, dat hij de ademhaling zag in haar borst. Zij sliep in aandoenlijke verlatenheid. Een nieuw gevoel ontroerde hem, hij zat rechtop en keek voor zich waar het laatste licht draalde aan de golvende kim. Zijn bloed klopte en hij ademde snel; een zachte wind woei van boom tot boom, glijdend langs hem heen. Langen tijd staarde hij in de verte; gedachten, oude herinneringen en jonge gevoelens,in zonderlinge wildheid, kwamen en verschoten, hij was vol wakker leven. Om haar te behagen had hij zich in dit gevaarlijk avontuur gewaagd, voor haar die zoo liefelijk was, dat hij daareven een verlangen had om haar te beminnen—hij had haar voor een ander ontvoerd. Doch hij wist, dat het dwaasheid zou wezen, zijn waarachtige aard was van een schooier om rond te loopen en om niets te geven, niets dan de verzinsels en schimmen van zijn verbeelding.En het waren eindelijk herinneringen alleen, die het langste talmden en weemoedige gezichten wekten van verleden dingen, van vroeger leven en eentonig lot. Met een zucht liet hij zich plots achterover vallen en zag uit natte oogen naar den hemel, waar het licht van een wassend maantje vloeide, het licht dat hem hinderde nu hij zichzelven begrijpen wilde. Hij wendde zijn hoofd naar den boomstam, sloot zijn oogen en lag uren op de helling van dien berg in droefheid luisterend naar de zwevende stilte, luisterend in onnoozele verwondering hoe de hemelen de aarde zielloos waren. Van lieverlede vergat hij waar hij verdriet om had en in zijn gemoed gleed een lieflijke kalmte. Eindelijk richtte hij zijn hoofd weder op en zat met de armen gekruist; in de lucht dreven langzaam lichte wolkjes, in de duisternis der aarde beneden en in de gedaanten der boomen was een heimelijk levende gloed.Hij stond op, trad met voorzichtige schreden door de struiken, het boschje voorbij, telkens stilstaande, en naderde de plek waar Mevena lag. Toen hij vaag haar lichaam aan zijn voeten onderscheidde bukte hij behoedzaam neder en kuste haar zeer zachtjes.Hij stond weêr op—zijn hart klopte snel en hard, en hij keerde zich om heen te gaan. Maar na twee schreden wendde hij zich weder om en een zacht geluidje ontsnapte zijn lippen. Even wachtte hij of zij ontwaken zou—in die pooze genoot hij de schoonheid van ’t oogenblik: een lieftallig vrouwtje, onbewust en ongevoelig, dat sliep in nachtelijke eenzaamheid, bij haar een man die een wenschbedwong, daarboven in ’t licht van ’t maantje de hemel die de toekomst wist... en hij herinnerde zich hoe zij gisterenavond te paard waren gestegen, en hoe hij geschrokken was door het voorteeken, het kraaien van een haan in den nacht... Toen keerde hij terug naar zijn rustplaats achter den boom, en dommelde weldra lichtkens in.Bij ’t licht van den ochtend zuchtte hij, dat de nacht weêr voorbij moest wezen, hij stond op en wekte zijn gezellin. Zij was opgeruimd door het vooruitzicht dien dag het kamp te bereiken, haar lachen klonk helder terwijl zij voortdraafden door het groene land.Waar de grond moeilijker werd te bestijgen werden zij onverhoeds door eenige ruiters aangehouden, Saraceenen, die den eenen monnik herkenden, maar den andere barsch bejegenden. Na de eerste verbazing over hun vijandige woorden wist Tamalone hen echter te bedaren, en ze vervolgden hun weg.Een paar mijlen verder bereikten zij eindelijk het kamp. Uit de tenten verschenen soldaten, meest oosterlingen, die henomringden met dreigende taal en gezichten; zij grepen de teugels, spraken en vloekten met veel gebaren en riepen om Walid. Maar Carolus naderde, die hen beval heen te gaan, Tamalone hartelijk de hand drukte en hem haastig meêvoerde naar de tent. Mevena, op wie hij geen acht had geslagen, volgde, door de verwonderde soldaten nagestaard. Vóór de tent stond Walid in een scharlaken mantel gehuld, met de armen gekruist. Hij verroerde zich niet, tot de beide monniken vlak voor hem stonden; toen gleed zijn mantel van zijn schouders, hij breidde de armen uit en zeide kalm:„Die vrouw mag niet naar binnen.”De roode Duitscher keerde zich naar Mevena om en keek zwijgend op haar neder. Er was een oogenblik van gevaarvolle afwachting: voor het grijze doek der tent de hooge gestalten der twee krijgslieden, kleurig gekleed, tegenover hen de twee monniken, hand in hand—slechts de oogen dier vier bewogen in donkere glansen. Er klonk gekreun daarbinnen, Mevena uitte een zachten kreet entoen, met rood gezwollen gelaat, sprong Tamalone plotseling naar den oosterling, greep hem bij de keel en wierp hem op den grond. Fluks trok hij Mevena naar binnen, onder de verbaasde blikken van den brigadier.
In een klooster buiten den stadsmuur vond hij een gastvrij onthaal, dat hij vergoedde met oolijke verhalen. Ook in het huis van Lugina werd hij als een bijzonder vriend ontvangen, want ondanks de booze geruchten was hij vooral door edelen geëerd, en menig hunner vond in de bekoorlijkheid zijner manieren een welkome reden voor de vriendschap ontstaan door diensten, die hij in ’t geheim had bewezen. In de steden ontbrak het Tamalone zelden aan goede maaltijden.
Den dag na zijne aankomst trad hij de groote koele domkerk binnen en knielde neder naast een pilaar, zoo laag, dat in het wijde gebouw geen der weinige vromen hem zou hebben gezien. Aan deandere zijde van een pilaar lag gansch in het paarsch gekleed Mevena gebogen. De broeder keerde behoedzaam zijn gelaat naar haar toe en voelde zich lichtkens bewogen door de schoonheid van haar figuur in devotie; haar hoofd lag in de handen. Tamalone aarzelde even.
„Heer Rogier laat u groeten,” fluisterde hij en keek haar een poosje zwijgend aan, van den steen waar het kleed in plooien uitlag tot het donker haar onder het kapje. De sluier over haar borst bewoog op en neêr.
„Ik heb uw boodschap gebracht en hij heeft mij hier gezonden om u te vragen bij hem te komen. Hij kon zelf niet komen, want uw vader en de heele stad zijn hem vijandig, ofschoon gij weet dat hij niet anders misdaan heeft dan gestreden tegen den Paus. Maar uw hart is wijzer dan dit heele land vol dwazen. Ga naar hem toe en wees gelukkig. Hij is gewond, hij is ziek en kan niet buiten u. Bedaar, bedaar en blijf gebogen.”
Mevena ademde snel en diep en hield zich aan haar bankje vast.
„Bedaar, bedaar... Van avond leg ik een pij achter het rozenbosch in den tuin, trek dien aan, doe den kap goed neêr en wacht op mij. Ik zal u naar hem toebrengen.”
Hij sloeg een kruis, stond op en trad zijn snoer biddend langzaam door de zonnige portiek naar buiten. Toen richtte hij zijn hoofd op en schreed lichtkens dwars het wijde klare plein over naar het stadspaleis waar hij zich in de schaduw der galerij voegde bij een groepje jongelieden, fransche studenten, die hem met luidruchtigheid ontvingen. Een poosje stond hij temidden van hen te praten en zijn woorden, met glimmende, opmerkzame gelaten aangehoord, werden herhaaldelijk door luid proesten onderbroken. Toen hij na een zotheid verteld te hebben snel verder wilde gaan, trokken zij aan zijn mouwen en hielden hem vast om nog één geschiedenis te hooren. En een goedig student ging met de muts zijn kameraden rond, die er allen een kleine munt in wierpen.
Tamalone bedankte, stak de duiten weg en deed onder gedurig giegelen zijn verhaal. Aan het eind klonk er onbedaarlijkschateren, dat in het groepje ruimte deed ontstaan, waar de monnik gebruik van maakte om, lachend en knikkend, schielijk heen te gaan in het felle licht buiten de galerij.
Hij liep naar het huis van Lugina, die in zijn gestreepten mantel voor de deur stond te wachten en hem omarmde toen hij hem zag. Zij bleven geruimen tijd binnen alleen waar geen dienaar hen hoorde; bij ’t afscheid nemen spraken zij weinig woorden, doch drukten elkander langdurig de hand.
De zon was in wolken ondergegaan en in den avond, dof als floers, waarde er gestadig mistige regen. De straten waren stil, er gingen maar weinig flambouwen, toen Tamalone gearmd met een kleinen monnik en met de andere hand zijn pij ophoudende wegens het slik, haastig langs de huizen schreed. Aan de poort hield de wachter die naar buiten kwam een lantaarn bij zijn gelaat; hij klopte den man op den schouder, maakte luide en met vele woorden een grap, zoodat de wachter lachen moest om dien schelm van het klooster daarbuiten, en met eengemoedelijken wensch het deurtje achter hen dichtsloeg en grendelde.
Zij liepen zwijgend in den vochtigen nacht.
„Hier is het klooster al,” zeide Tamalone toen zij een paar rossige ramen voorbij kwamen. De weg werd moeilijk, zij stegen een steile helling op en ademden zwaar van inspanning. Het was drukkend warm, de regen werd dichter en ritselde in de bladeren van boomen nabij. De monnik bleef staan en riep iets in het fransch, waarop in de duisternis aanstonds antwoord klonk.
„Dank u wel, vriend, ik wist wel dat ik op u rekenen kon.”
„Ik ben doornat en weet niet hoe ik weer binnen kom. Hier hebt ge ze bij dien boom. Goeden avond.”
„Goeden avond!”
Mevena kon den ander niet zien, maar hoorde dat zijne schreden zich verwijderden. Haar gezel trok haar voort aan den arm.
„Nu moet ge op dit paard, ik zal u helpen. Het zal wel moeilijk rijden zijn in donker, maar ik zal den teugel houden, ik ken den weg.”
Het meisje besteeg tastend het paard, dat uit zijn rust gestoord trappelde en aan de teugels trok. Zij hoorde den monnik het dier op den hals kloppen en toespreken, en dan met moeite een tweede bestijgen. Toen ging zij vooruit en op hetzelfde oogenblik, onverwachts, klonk zeer nabij het kraaien van een haan. Het paard sprong zijdelings op en snel vooruit, natte bladeren sloegen Mevena in het gelaat.
Nu reden zij vlug een heuvel af in duister en regen, terwijl achter hen, in de verte verkleind en vervaagd, nogmaals het kukeluren van een haan klonk, en op grooteren afstand het dieper antwoord van een anderen.
Bij den dageraad hield de broeder stil om de beesten te verzorgen en Mevena eten te geven. Zwijgend ging hij zijn gang, haar voortdurend van terzijde aanziende; zij was bleek in het licht van den jongen, doorschijnenden hemel, een geringe gestalte in haar wijde pij. Voor zij weder in het zadel stegen deed zij hem allerlei vragen, maar hij antwoordde kort en stug, met blikken afgewend.
In gestadigen draf reden zij dien ganschen helderen dag, bergen op en glooiingen af door valleien waar geen sterveling ging, zij met geopenden mond en hooge kleur, schokkend op het zadel, hij met gebogen hoofd en peinzende oogen bij wijlen ter sluiks naar haar gericht. Nu en dan keek hij in eenen op en verbaasde zich over zijn onbespraaktheid; dan klopte hij even het goedige, lijdzame paard op den hals en van lieverlede boog zich zijn hoofd weêr.
Toen het licht schaars werd steeg Tamalone af en tuurde in alle richtingen om een rustplaats te vinden voor den nacht. Zij waren aan den voet van een ruigen berg, met kleine sparreboompjes begroeid en hier en daar, in open plekken, geel van gebloemte. Hij vroeg Mevena af te stappen en leidde de paarden over steil gesteente in de heesters; na hen verzorgd te hebben hielp hij het meisje den berg bestijgen naar een plek onder wat boomen. Zij was zeer moede toen zij het bereikten en leunde hijgend in zijn arm. Beneden, wijd uitgestrekt, lag het land in eenzamewanorde van glooiingen en heuvels met enkele fijne boompjes; de grootere monnik, met zijn arm om het middel van den kleinere, keek over het landschap heen, de innige avondzon schuin in de verte scheen op de grauwe pijen en het rustig gewas.
Zonder woorden wees hij haar neder te zitten en gaf haar te eten en te drinken. Daarna liet hij haar alleen. Zij legde zich neêr, loom van vermoeienis, en sliep aanstonds.
Tamalone was niet heel ver gegaan, maar zat dichtbij achter een spar door welks takken hij haar gadesloeg. Toen hij haar eindelijk te slapen meende strekte hij zich lang uit op den rug, met de armen onder het hoofd en sloot de oogen. Doch telkens opende hij ze weder, wanneer een zuchtje door de boomen voer, of wanneer hij gansch in de verte een vogel hoorde; en hij staarde dan met strakke oogen naar de lucht waar reeds enkele starren trilden. Dan, in den allengs beeldrijker wakenden droom die hem vervulde, sloten langzaam zijn oogen tot zij plots door een onrustigegedachte weder wijd zich openden. De hooge hemelruimte boven hem gaf hem een innig behagen, een bescheiden verlangen sproot in zijn hart, waar de vreugde nu waarde der schoonheid van ’t bergland, dat grooter was in de groote avondstilte.En eensklaps voelde hij, in zwellenden gloed, dat hij in deze hooge schemerende eenzaamheid gansch alleen was met een lief wezen, een kleine vrouw wier oogen, goedhartig en stil, hem heel dien zonnigen dag sprakeloos en vol onbevredigde gedachten hadden doen gaan. Hij leunde op den linkerarm, duwde de takjes open, en zag naar de plaats waar zij in duister gewaad te midden der struiken lag; en hij keek zoo oplettend, dat hij de ademhaling zag in haar borst. Zij sliep in aandoenlijke verlatenheid. Een nieuw gevoel ontroerde hem, hij zat rechtop en keek voor zich waar het laatste licht draalde aan de golvende kim. Zijn bloed klopte en hij ademde snel; een zachte wind woei van boom tot boom, glijdend langs hem heen. Langen tijd staarde hij in de verte; gedachten, oude herinneringen en jonge gevoelens,in zonderlinge wildheid, kwamen en verschoten, hij was vol wakker leven. Om haar te behagen had hij zich in dit gevaarlijk avontuur gewaagd, voor haar die zoo liefelijk was, dat hij daareven een verlangen had om haar te beminnen—hij had haar voor een ander ontvoerd. Doch hij wist, dat het dwaasheid zou wezen, zijn waarachtige aard was van een schooier om rond te loopen en om niets te geven, niets dan de verzinsels en schimmen van zijn verbeelding.
En het waren eindelijk herinneringen alleen, die het langste talmden en weemoedige gezichten wekten van verleden dingen, van vroeger leven en eentonig lot. Met een zucht liet hij zich plots achterover vallen en zag uit natte oogen naar den hemel, waar het licht van een wassend maantje vloeide, het licht dat hem hinderde nu hij zichzelven begrijpen wilde. Hij wendde zijn hoofd naar den boomstam, sloot zijn oogen en lag uren op de helling van dien berg in droefheid luisterend naar de zwevende stilte, luisterend in onnoozele verwondering hoe de hemelen de aarde zielloos waren. Van lieverlede vergat hij waar hij verdriet om had en in zijn gemoed gleed een lieflijke kalmte. Eindelijk richtte hij zijn hoofd weder op en zat met de armen gekruist; in de lucht dreven langzaam lichte wolkjes, in de duisternis der aarde beneden en in de gedaanten der boomen was een heimelijk levende gloed.
Hij stond op, trad met voorzichtige schreden door de struiken, het boschje voorbij, telkens stilstaande, en naderde de plek waar Mevena lag. Toen hij vaag haar lichaam aan zijn voeten onderscheidde bukte hij behoedzaam neder en kuste haar zeer zachtjes.
Hij stond weêr op—zijn hart klopte snel en hard, en hij keerde zich om heen te gaan. Maar na twee schreden wendde hij zich weder om en een zacht geluidje ontsnapte zijn lippen. Even wachtte hij of zij ontwaken zou—in die pooze genoot hij de schoonheid van ’t oogenblik: een lieftallig vrouwtje, onbewust en ongevoelig, dat sliep in nachtelijke eenzaamheid, bij haar een man die een wenschbedwong, daarboven in ’t licht van ’t maantje de hemel die de toekomst wist... en hij herinnerde zich hoe zij gisterenavond te paard waren gestegen, en hoe hij geschrokken was door het voorteeken, het kraaien van een haan in den nacht... Toen keerde hij terug naar zijn rustplaats achter den boom, en dommelde weldra lichtkens in.
Bij ’t licht van den ochtend zuchtte hij, dat de nacht weêr voorbij moest wezen, hij stond op en wekte zijn gezellin. Zij was opgeruimd door het vooruitzicht dien dag het kamp te bereiken, haar lachen klonk helder terwijl zij voortdraafden door het groene land.
Waar de grond moeilijker werd te bestijgen werden zij onverhoeds door eenige ruiters aangehouden, Saraceenen, die den eenen monnik herkenden, maar den andere barsch bejegenden. Na de eerste verbazing over hun vijandige woorden wist Tamalone hen echter te bedaren, en ze vervolgden hun weg.
Een paar mijlen verder bereikten zij eindelijk het kamp. Uit de tenten verschenen soldaten, meest oosterlingen, die henomringden met dreigende taal en gezichten; zij grepen de teugels, spraken en vloekten met veel gebaren en riepen om Walid. Maar Carolus naderde, die hen beval heen te gaan, Tamalone hartelijk de hand drukte en hem haastig meêvoerde naar de tent. Mevena, op wie hij geen acht had geslagen, volgde, door de verwonderde soldaten nagestaard. Vóór de tent stond Walid in een scharlaken mantel gehuld, met de armen gekruist. Hij verroerde zich niet, tot de beide monniken vlak voor hem stonden; toen gleed zijn mantel van zijn schouders, hij breidde de armen uit en zeide kalm:
„Die vrouw mag niet naar binnen.”
De roode Duitscher keerde zich naar Mevena om en keek zwijgend op haar neder. Er was een oogenblik van gevaarvolle afwachting: voor het grijze doek der tent de hooge gestalten der twee krijgslieden, kleurig gekleed, tegenover hen de twee monniken, hand in hand—slechts de oogen dier vier bewogen in donkere glansen. Er klonk gekreun daarbinnen, Mevena uitte een zachten kreet entoen, met rood gezwollen gelaat, sprong Tamalone plotseling naar den oosterling, greep hem bij de keel en wierp hem op den grond. Fluks trok hij Mevena naar binnen, onder de verbaasde blikken van den brigadier.
7Gedurende Tamalone’s afwezigheid was de kapitein weder bewusteloos en ziek geworden, en aangezien zijne wonden reeds waren geheeld zagen de krijgslieden in zijn kwaal den invloed van geheime machten, immers Walid, die uit boeken geleerd had, verklaarde, dat de betoovering eener vrouw er de schuld van was, en dat wellicht de lijder bevrijd zou worden indien de oorzaak werd uitgeroeid.Doch de brigadier vertrouwde, dat de meester wel zijn jonge kracht zou herwinnen wanneer Tamalone de arts terugkeerde en dat de aanwezigheid eener vrouw hem vroolijk zou maken. Hij had een onverschillige minachting voor vrouwen, maar nu het zijn geliefden vriend gold voeldehij zich reeds welwillend jegens Mevena door het vooruitzicht, dat zij hem zou behagen. En Carolus had het gezag.Reeds vroeg in den ochtend na haar komst liep Rogier met zijn arm om haar schouders het kamp uit, maar zijn verliefde blikken zagen de uitdrukking der oogen van Tamalone en van de soldaten niet, die hem nakeken. Na de verbazing over de verschijning der vrouw in het kamp, gaven zij luidruchtig den monnik alle eer voor dit wonderlijk herstel, Carolus zelfs kuste hem en drukte hem herhaaldelijk de hand. Er gonsde nu een luchtige blijheid in ’t kamp, de stemmen klonken vrijer en luider.Twee mannen waren er, die zwegen en ernstig keken. Tamalone stond naar den heuveltop te staren waar het paar was verdwenen, toen Walid op hem toetrad en zeide:„Gij zijt wijzer dan ik. Het lot moet zijn loop hebben en het is een dwaas, die het wil weren. Wij kunnen alleen toezien, tot het einde van de gebeurtenissen.”De monnik was plots bleek geworden en staarde Walid strak in de donker glimmende oogen; toen antwoordde hij met luchtig gebaar:„Het lot heeft altijd zijn loop, man. Laat het maar gaan en denk aan wat anders. Als zij niet toevallig van hem hield—, maar we moeten het niet anders willen, al wenschen wij het nog zoo gaarne.”„Dat is waar.”Van dit oogenblik bestond er tusschen deze twee mannen onuitgesproken genegenheid.Door struiken en over bergsteenen, verre van het kamp en steeds stijgend liepen dien klaren morgen Rogier en zijn geliefde, dicht aan elkaêr; er was een weeke glans in zijn oogen, zijn lippen stonden ingedurigenglimlach en hij praatte veel, nu vertellend of vragend, dan zacht en innig een woord van verteedering zeggend. En Mevena, naast hem in zijn omarming, hield zijn hand en staarde voortdurend hem aan met groote oogen, donker van ernstig onnoozelen gloed. Zij luisterde naar alles wat hij zeide met bewegelijke aandachthem gansch toegewijd, en een milde tinteling van zomerwarmte op haar gelaat deed haar gewaar worden, dat de jonge dag waar zij in gingen vol was van weelde en komend geluk.Toen zij eenige uren waren gegaan zetten zij zich neder aan den voet van een ruwen heuvel. Hij sprak nog een wijle van hun geluk, dat eeuwig zou duren, en van hun leven op zijn kasteel waar hij haar heen zou voeren. Dan zwegen zij beiden en terwijl zij elkander aanzagen van zeer nabij kleurden zachtkens hunne wangen van ontbloeiend genot, dat hen kussen deed, en streelen en kozen in verwarring, tot zij moede waren en zich nederleiden in het stovende zonlicht hoog in den hemel schijnend.Rogier voelde zich slaperig en dommelde in met zijn hoofd in Mevena’s schoot. En eerst toen hij rustig ademde kon zij hare oogen van hem wenden en naar het verschiet der bergen staren, zich zachtkens verbazend hoe zij daar in de zonnige eenzaamheid vol dwalende geuren bij den geliefde zat die haar zoo vreemd was, dat zijn gelaat,nu zij er naar zag, haar gansch nieuw was en anders dan zij gedacht had—, terwijl haar vader en broeders, in haar verbeelding lief en welbekend in hun dagelijkschen gang bewegend, zoo verre waren of zij hen nimmer meer zou zien. Even voelde zij verdriet in zich rijzen, doch even slechts, want het zware hoofd in haar schoot was zoo lieflijk onschuldig, dat zij zeker geloofde aan een spoedige verzoening tusschen haar verwanten en hem met wien haar leven nu verder zou gaan.En zij bedacht dat hij gesproken had van rustige dagen op het slot, ongestoord door oorlogsangsten, wanneer hij den heidenkeizer niet meer dienen zoude. Vluchtige beelden van toekomst verschenen en gleden weêr heen, zij zag zich zelve en Rogier in blijde houding en kleurige kleedij in een ruim kasteel. In een zacht verlangen naar dit liefelijk leven vouwde zij de handen boven zijn hoofd en fluisterde de Moedermaagd aan, dat zij den geliefde zegenen mocht en behoeden. Dan na innerlijke stilte, herinnerde zij zich wat zij verlaten had en bad voor haarvader, broeders en zusters; zij voelde zich wonderlijk blijde in het vertrouwen, dat de goede Maagd haar verhooren zoude. Zij merkte de gestalte van den monnik niet, die uit zijn schuilplaats over de heuvelglooiing omzichtig wegsloop, met blozend, neêrgebogen gelaat.De oogen weêr neêrslaande zag Mevena twee witte vlinders rondom haar dwarrelen, waarvan er één zich lichtkens op haar mouw zette en langzaam hare hand opkroop. Rogier opende toen de oogen en zag het kleine gelaat over hem gebogen in aanvalligen glans van vreugde.Hij richtte zich op en vroeg of zij gelukkig was; de vlindertjes fladderden verder, en terwijl zij hen nazag in den prachtigen dag vertelde zij waaraan zij gedacht had. Rogier hield zich in, luisterend in bekoring. Maar plotseling klemde hij haar sterk aan zijn borst en zwoer in diepgesproken woorden, met de zekerheid van een beraden man, dat hij alles doen zou wat zij verlangde: hij zou het leger verlaten en op het slot blijven wonen, naar niets anders strevend voortaan dan dien schoonen glimlachop haar gelaat te bewaren. En hij kuste en kuste haar betraande oogen en lachenden mond, kuste haar tot ze plotseling zijn handen vouwde en de hare daarover, en hardop begon te bidden.In haar knielende houding, met de oogen naar boven gericht, was zij hem eensklaps zeer vreemd, en rustig maar met een onbekend gevoel van berouw beschouwde hij haar en zweeg. Toen zij geëindigd had waren haar oogen vol verwonderde vragen, zij durfde nochtans niet spreken en wendde haar blikken naar de kim der bergen. Het was of iemand hen was komen storen en zwijgen deed over de lentsche blijdschap van daarstraks. Rogier sprak het eerst en zeide kalm, dat het geloof der kerken hem reeds lang had verlaten, maar inniger dan het hoogste geloof was de liefde welke hij haar toedroeg, en hij wilde zich gansch aan haar wijden, die hem liever was dan alle de heiligen—, hij sprak nog meer over de kerk en den keizer en het recht der edelen, dingen die zij niet begreep, maar het geluid zijner stem was zoo ernstig, zoo diep en roerend,dat zij zijn woorden niet hoorde, en die blijdschap van daareven herkreeg, echter een vollere thans, die haar gemoed deed zwellen van rustigheid, en met een glimlach genoot zij de geurigheid der frissche lucht en den klank zijner woorden. Tegen zijn schouder geleund, luisterend, liep zij met kleine pasjes naast hem of sprong den afstand tusschen twee steenen, dien hij in eenen stap deed, en zijn stem, het eenig geluid in dit wijde land van licht en bergen, klonk haar onwezenlijk of zij een verhaal hoorde dat zij van buiten kende.Zij keerden terug in het kamp, en tegenover elkander zittend voor de tent aten zij samen, met zachte woorden, uit éénen disch.Ook de soldaten, verspreid op den grond, aten onder vroolijk gepraat, maar hun uitroepen waren getemperd; zij waren vriendelijk met elkander, en schoon geen hunner over hen sprak, richtten aller gedachten en soms de oogen steelsgewijze zich naar het minlustige lachende paar.In den middag, terwijl Mevena in zijne tent lag om voor de zon te schuilen, ging Rogier bij zijn soldaten staan en sprakover het vooruitzicht het kamp op te breken en naar Padua te gaan. Dit nieuws bracht beweging, want de langdurige werkeloosheid had reeds bij menigeen de gedachte gewekt om den dienst te ontvluchten. De mannen liepen nu druk door elkander, pratend en roepend. Slechts de groote brigadier stond rustig te kijken naar zijn meester, die achterover lag, het matte gelaat in de hand geleund, en hij voelde zich goedig verteederd door de vermoeide oogen en de ijlheid der trekken van den man, die pijn had geleden. Wat zijn verstand niet had kunnen begrijpen werd Carolus nu eensklaps klaar door het inzicht van zijn liefde voor Rogier, een liefde die hij steeds als blijdschap van ’t oogenblik ondergaan had, doch welke nimmer eenig nadenken had verwekt. Het zwakkere uiterlijk van den jongen man, nog kort geleden bruin en hard gespierd, die geen andere lust had dan vechten, dan de woede van oorlog en vernieling, deed hem nu zeker weten, dat het niet slechts de krankheid dier enkele dagen kon wezen waar Rogierdoor kwijnde. Nu vreesde Carolus, dat er iets anders in het hart van zijn vriend was gekomen, een liefde waarvan hij wel als een vreemd ding had hooren verhalen, dat zij de mannen redeloos maakt zoo zij onvoldaan blijft. Hij had er nooit zoo over gedacht, maar wenschte, dat hij het eerder had geweten, opdat hij aanstonds de vrouw had kunnen halen. Doch tegelijkertijd ook zag hij, dat Rogier niet meer de zelfde krijgsman was, nu zijn hart van smachten week was. En dit bedroefde hem.Carolus had zich over veel te verwonderen dien dag nu zijn gepeinzen hem steeds nieuws openbaarden, en hij zonderde zich van de anderen af. Tegen den avond naderde hij bescheiden Rogier en Mevena, die ver van de soldaten in de schemering fluisterden. Eerst kon hij geen woorden vinden toen hem gevraagd werd wat hij te zeggen had, maar dan sprak hij:„Wat gaan wij doen wanneer wij in Padua zijn? gij blijft toch voor den keizer?”Rogier maakte een gebaar van ongeduld, maar antwoordde niet. Dan sprak de brigadier weder met iets smeekends in zijn stem:„Ach man, er wacht u zooveel geluk. De keizer kan geen beter aanvoerder vinden wanneer gij ouder zijt en zal u zeker hertog maken. En dan, gij zoudt immers nooit vrede hebben in dit land van verraders....”„Wij zullen morgen wel praten, laat ons nu alleen.”„Maar gij moogt morgen nog niet weg, gij zijt nog niet sterk genoeg. Hij moet nog minstens een week rusten,” zeide hij tot Mevena.Hij wilde nog spreken, doch het gebaar dat hij altoos gehoorzaamde deed hem omkeeren en zich verwijderen. Rogier had hem niet geantwoord, maar hij had het wel gezien, dat hij onder die bekoring was, die dwaasheden doet begaan. Het was een treurige dag voor den brigadier, zijn liefste verwachtingen vloden heen.Weemoedig liep hij ver in den stillen schemeravond en beklom met moeizamen gang een hoogen berg. Wolkdampen stegen uit de diepte beneden en dreven boven het dal, er was een zwijgende droefheid over de bergen rondom, die in den schemer rezen waardig van berusting.Voor den roem en het geluk van Rogier had hij jaren gevochten, hij had gehoopt door zijn trouw en zijn dienst de hoogste glorie voor hem te behalen. Dit was zijn eenige eerzucht, zijn eenige begeerte, het eenige waar hij ooit aan dacht. Jaren lang reeds had Carolus den buit, dien hij met wapenen nam, goud en kostbaarheden, naar Venetië ter bewaring gezonden, om later Rogier in staat te stellen tot hertog verheven te worden en in een prachtig hof te leven zooals de grooten van Lombardije. Die glorie, door zijn hulp verkregen, zou gansch de zijne zijn. En terwijl hij gestadig de rijkdommen zamelde bleef hij steeds in de nabijheid van zijn vriend, om hem te bewaken voor de gehate paapschen en met hem te strijden voor het doel.Nu was er een vrouw gekomen, een nietige vrouw, die alles verwoestte... Carolus stond stil, zag naar de diepte beneden waar een vuurtje brandde, en loosde een zucht, een vaarwel aan de hoop zooveel jaren geliefkoosd, er waren tranen in zijn oogen. En door de warmte der tranenzag hij heel goed, hoewel ’t hem een raadsel was waarom ’t zóó wezen moest: dat het eenige dat de eenvoudigheid van zijn hart ooit vervuld had hem thans verlaten ging. Hij voelde, dat hij niet jong meer was en dat voor een man van zijn leeftijd de komende jaren korter zijn dan die van ’t verleden...Dichtbij zich hoorde hij gedempt stemmengerucht en toen hij zocht zag hij Walid en den broeder, die op een steen zaten met de oogen naar den hemel gericht. Hij ging naar hen toe, zette zich bij hen neder, doch zij zwegen nu beiden. Eindelijk klonk in de stilte de diepe, langzame stem van Walid:„Is de meester in zijn tent nu met de vrouw?”„Ja,” antwoordde de brigadier, en zij zwegen weder.Een flauwe zwoelte waarde in den donker, slechts de ademhaling dier drie was hoorbaar. Tamalone zag plotseling hoe vreemd het was, dat drie mannen uit verschillende streken der wereld hier op den hoogen berg te zamen zaten, peinzendwaar hun het lot zou leiden en wat één zelfde teedere vrouw in hun leven beduiden mocht. Hij keek naar zijn gezellen en zeide met een kort lachje, dat op een snik geleek:„Waarom zouden wij zoo stil zijn nu wij aan Rogier denken?”„Hij is gelukkig,” antwoordde Carolus in zwaar geluid.De monnik haalde de schouders op en Walid bleef naar de koele starren zien.En terwijl deze mannen in den nacht zwijgend op den kouden steen zaten en ieder in zijn eigen gedachten twijfelde aan het geluk, dat een jong meisje in het kamp had gebracht, waren Rogier en Mevena in elkanders armen gelukkig en de duisternis der tent, omringd door vele andere vol slapende mannen, was hun heerlijkheid van nieuwgewonnen weelde.Zij waren gelukkig en op hun wandelingen door de luchtige bergen, bij hun kozen in den vertrouwelijken avond vergaten zij de dagen, die kwamen en gingen, en vergaten het slot waar zij heen zouden gaan.Toen zij op een middag vermoeid terug keerden vonden zij het kamp in wanorde. Eenige soldaten hadden een bode van den keizer ontmoet, die brieven had voor de edelen in ’t noorden... Het leger was overwinnend, de Florentijnen hadden zich met den vorst verbonden, de steden vielen de een na de ander. Doch de vijand vergaderde een talrijk heir, er dwaalden sluipmoordenaars door ’t gansche land. De keizer, verbitterd door de verraderlijkheid zijns tegenstanders, had besloten een grooten veldtocht te gaan en ontbood al zijn aanvoerders; Romano, Dovera en Pelavicino vochten zich met geweld reeds een doortocht in ’t noorden.Rogier, met een blos van verrassing, bleef lang verdiept in den uitvoerigen brief, terwijl de anderen, en op eenigen afstand de jonge vrouw, aandachtig hem gadesloegen. Eindelijk zag hij op met een klaren gloed in de oogen en zeide:„Carlo, pak de tenten. Wij gaan heen.”De brigadier, eerst verrast, stapte haastig naar de soldaten, die weldra druk in de weer waren.Intusschen leidde Rogier het meisje aan de eene en den monnik aan zijn andere zijde met zich buiten de drukte. Toen hij stil stond sprak hij zeer lang, met zijn gelaat naar Tamalone gewend terwijl hij op ’t meisje geen acht sloeg, om te verklaren hoe hij zich eerst had voorgenomen om nimmer meer in den oorlog te gaan en haar naar Siremonte te brengen, zijn slot: doch dat hij thans den keizer niet verlaten mocht nu er een groote tocht op handen was—hij voelde, dat hij niet kón, het genot van den oorlog danste al in zijn oogen. Dan nam hij Mevena in zijn armen, troostte en kuste haar, en beloofde reeds over twee maanden terug te zijn op ’t kasteel. Zij liet zich zwijgend kussen met gebogen hoofd en de groote oogleden gesloten. En terwijl hij haar liefkoosde vroeg hij Tamalone, die toezag, of hij haar wilde beschermen en naar Siremonte voeren.„Ik?...” riep de monnik luid, met een plotseling gebaar en wijde oogen.Rogier had op hem vertrouwd als zijn besten vriend en smeekte hem zijn schat te bewaren. Een wijle later glimlachteTamalone weder en staarde hem na, die in verliefden afscheidsweemoed het meisje naar de tent geleidde. Toen zij daar binnen verdwenen waren kruiste hij de armen en liep bedaard naar waar de soldaten zingend en jolend hun toebereidselen maakten. De brigadier zeide opgewonden:„Nu zullen wij onzen keizer weêr zien.”„Neen, ik niet; ik blijf achter bij Mevena. De kapitein neemt haar niet meê.”„Wat, blijft zij hier?... Maar dan zijn we gered, man!”Carolus vloekte en liep snel door het gewoel om Walid de goede tijding te brengen.Toen de hemel zwak begon te worden waren alle tenten gepakt en stonden de krijgslieden gereed, wachtend op hun aanvoerder, die met den monnik liep te praten, terwijl Mevena, zwijgend en naar den grond ziende, in zijn arm leunde. Carolus sloeg het afscheid aandachtig gade; hij zag zijn meester, die schreide, telkens en telkens weêr de vrouw kussen en aan zijn borst drukken, dan eensklaps den monnik omarmen, die naar achter week, toen omkeerenen fluks naderen. Het was of plotseling alle soldaten tegelijk spraken, de klaroen schetterde haastig in ’t late uur, de paarden trappelden.De hoofdlieden reden achteraan en beiden keken voortdurend naar de twee figuren om, die dicht bij elkander stonden in ’t bleeke namiddaglicht. Mevena, rechtop, hield haar eene hand op den schouder van Tamalone, die met de armen gekruist stond. Hun verwonderlijk lange schaduwen, kronkelend over den heuvelgrond, liepen aan het einde inéén in het duister van een struikgewas.
7
Gedurende Tamalone’s afwezigheid was de kapitein weder bewusteloos en ziek geworden, en aangezien zijne wonden reeds waren geheeld zagen de krijgslieden in zijn kwaal den invloed van geheime machten, immers Walid, die uit boeken geleerd had, verklaarde, dat de betoovering eener vrouw er de schuld van was, en dat wellicht de lijder bevrijd zou worden indien de oorzaak werd uitgeroeid.Doch de brigadier vertrouwde, dat de meester wel zijn jonge kracht zou herwinnen wanneer Tamalone de arts terugkeerde en dat de aanwezigheid eener vrouw hem vroolijk zou maken. Hij had een onverschillige minachting voor vrouwen, maar nu het zijn geliefden vriend gold voeldehij zich reeds welwillend jegens Mevena door het vooruitzicht, dat zij hem zou behagen. En Carolus had het gezag.Reeds vroeg in den ochtend na haar komst liep Rogier met zijn arm om haar schouders het kamp uit, maar zijn verliefde blikken zagen de uitdrukking der oogen van Tamalone en van de soldaten niet, die hem nakeken. Na de verbazing over de verschijning der vrouw in het kamp, gaven zij luidruchtig den monnik alle eer voor dit wonderlijk herstel, Carolus zelfs kuste hem en drukte hem herhaaldelijk de hand. Er gonsde nu een luchtige blijheid in ’t kamp, de stemmen klonken vrijer en luider.Twee mannen waren er, die zwegen en ernstig keken. Tamalone stond naar den heuveltop te staren waar het paar was verdwenen, toen Walid op hem toetrad en zeide:„Gij zijt wijzer dan ik. Het lot moet zijn loop hebben en het is een dwaas, die het wil weren. Wij kunnen alleen toezien, tot het einde van de gebeurtenissen.”De monnik was plots bleek geworden en staarde Walid strak in de donker glimmende oogen; toen antwoordde hij met luchtig gebaar:„Het lot heeft altijd zijn loop, man. Laat het maar gaan en denk aan wat anders. Als zij niet toevallig van hem hield—, maar we moeten het niet anders willen, al wenschen wij het nog zoo gaarne.”„Dat is waar.”Van dit oogenblik bestond er tusschen deze twee mannen onuitgesproken genegenheid.Door struiken en over bergsteenen, verre van het kamp en steeds stijgend liepen dien klaren morgen Rogier en zijn geliefde, dicht aan elkaêr; er was een weeke glans in zijn oogen, zijn lippen stonden ingedurigenglimlach en hij praatte veel, nu vertellend of vragend, dan zacht en innig een woord van verteedering zeggend. En Mevena, naast hem in zijn omarming, hield zijn hand en staarde voortdurend hem aan met groote oogen, donker van ernstig onnoozelen gloed. Zij luisterde naar alles wat hij zeide met bewegelijke aandachthem gansch toegewijd, en een milde tinteling van zomerwarmte op haar gelaat deed haar gewaar worden, dat de jonge dag waar zij in gingen vol was van weelde en komend geluk.Toen zij eenige uren waren gegaan zetten zij zich neder aan den voet van een ruwen heuvel. Hij sprak nog een wijle van hun geluk, dat eeuwig zou duren, en van hun leven op zijn kasteel waar hij haar heen zou voeren. Dan zwegen zij beiden en terwijl zij elkander aanzagen van zeer nabij kleurden zachtkens hunne wangen van ontbloeiend genot, dat hen kussen deed, en streelen en kozen in verwarring, tot zij moede waren en zich nederleiden in het stovende zonlicht hoog in den hemel schijnend.Rogier voelde zich slaperig en dommelde in met zijn hoofd in Mevena’s schoot. En eerst toen hij rustig ademde kon zij hare oogen van hem wenden en naar het verschiet der bergen staren, zich zachtkens verbazend hoe zij daar in de zonnige eenzaamheid vol dwalende geuren bij den geliefde zat die haar zoo vreemd was, dat zijn gelaat,nu zij er naar zag, haar gansch nieuw was en anders dan zij gedacht had—, terwijl haar vader en broeders, in haar verbeelding lief en welbekend in hun dagelijkschen gang bewegend, zoo verre waren of zij hen nimmer meer zou zien. Even voelde zij verdriet in zich rijzen, doch even slechts, want het zware hoofd in haar schoot was zoo lieflijk onschuldig, dat zij zeker geloofde aan een spoedige verzoening tusschen haar verwanten en hem met wien haar leven nu verder zou gaan.En zij bedacht dat hij gesproken had van rustige dagen op het slot, ongestoord door oorlogsangsten, wanneer hij den heidenkeizer niet meer dienen zoude. Vluchtige beelden van toekomst verschenen en gleden weêr heen, zij zag zich zelve en Rogier in blijde houding en kleurige kleedij in een ruim kasteel. In een zacht verlangen naar dit liefelijk leven vouwde zij de handen boven zijn hoofd en fluisterde de Moedermaagd aan, dat zij den geliefde zegenen mocht en behoeden. Dan na innerlijke stilte, herinnerde zij zich wat zij verlaten had en bad voor haarvader, broeders en zusters; zij voelde zich wonderlijk blijde in het vertrouwen, dat de goede Maagd haar verhooren zoude. Zij merkte de gestalte van den monnik niet, die uit zijn schuilplaats over de heuvelglooiing omzichtig wegsloop, met blozend, neêrgebogen gelaat.De oogen weêr neêrslaande zag Mevena twee witte vlinders rondom haar dwarrelen, waarvan er één zich lichtkens op haar mouw zette en langzaam hare hand opkroop. Rogier opende toen de oogen en zag het kleine gelaat over hem gebogen in aanvalligen glans van vreugde.Hij richtte zich op en vroeg of zij gelukkig was; de vlindertjes fladderden verder, en terwijl zij hen nazag in den prachtigen dag vertelde zij waaraan zij gedacht had. Rogier hield zich in, luisterend in bekoring. Maar plotseling klemde hij haar sterk aan zijn borst en zwoer in diepgesproken woorden, met de zekerheid van een beraden man, dat hij alles doen zou wat zij verlangde: hij zou het leger verlaten en op het slot blijven wonen, naar niets anders strevend voortaan dan dien schoonen glimlachop haar gelaat te bewaren. En hij kuste en kuste haar betraande oogen en lachenden mond, kuste haar tot ze plotseling zijn handen vouwde en de hare daarover, en hardop begon te bidden.In haar knielende houding, met de oogen naar boven gericht, was zij hem eensklaps zeer vreemd, en rustig maar met een onbekend gevoel van berouw beschouwde hij haar en zweeg. Toen zij geëindigd had waren haar oogen vol verwonderde vragen, zij durfde nochtans niet spreken en wendde haar blikken naar de kim der bergen. Het was of iemand hen was komen storen en zwijgen deed over de lentsche blijdschap van daarstraks. Rogier sprak het eerst en zeide kalm, dat het geloof der kerken hem reeds lang had verlaten, maar inniger dan het hoogste geloof was de liefde welke hij haar toedroeg, en hij wilde zich gansch aan haar wijden, die hem liever was dan alle de heiligen—, hij sprak nog meer over de kerk en den keizer en het recht der edelen, dingen die zij niet begreep, maar het geluid zijner stem was zoo ernstig, zoo diep en roerend,dat zij zijn woorden niet hoorde, en die blijdschap van daareven herkreeg, echter een vollere thans, die haar gemoed deed zwellen van rustigheid, en met een glimlach genoot zij de geurigheid der frissche lucht en den klank zijner woorden. Tegen zijn schouder geleund, luisterend, liep zij met kleine pasjes naast hem of sprong den afstand tusschen twee steenen, dien hij in eenen stap deed, en zijn stem, het eenig geluid in dit wijde land van licht en bergen, klonk haar onwezenlijk of zij een verhaal hoorde dat zij van buiten kende.Zij keerden terug in het kamp, en tegenover elkander zittend voor de tent aten zij samen, met zachte woorden, uit éénen disch.Ook de soldaten, verspreid op den grond, aten onder vroolijk gepraat, maar hun uitroepen waren getemperd; zij waren vriendelijk met elkander, en schoon geen hunner over hen sprak, richtten aller gedachten en soms de oogen steelsgewijze zich naar het minlustige lachende paar.In den middag, terwijl Mevena in zijne tent lag om voor de zon te schuilen, ging Rogier bij zijn soldaten staan en sprakover het vooruitzicht het kamp op te breken en naar Padua te gaan. Dit nieuws bracht beweging, want de langdurige werkeloosheid had reeds bij menigeen de gedachte gewekt om den dienst te ontvluchten. De mannen liepen nu druk door elkander, pratend en roepend. Slechts de groote brigadier stond rustig te kijken naar zijn meester, die achterover lag, het matte gelaat in de hand geleund, en hij voelde zich goedig verteederd door de vermoeide oogen en de ijlheid der trekken van den man, die pijn had geleden. Wat zijn verstand niet had kunnen begrijpen werd Carolus nu eensklaps klaar door het inzicht van zijn liefde voor Rogier, een liefde die hij steeds als blijdschap van ’t oogenblik ondergaan had, doch welke nimmer eenig nadenken had verwekt. Het zwakkere uiterlijk van den jongen man, nog kort geleden bruin en hard gespierd, die geen andere lust had dan vechten, dan de woede van oorlog en vernieling, deed hem nu zeker weten, dat het niet slechts de krankheid dier enkele dagen kon wezen waar Rogierdoor kwijnde. Nu vreesde Carolus, dat er iets anders in het hart van zijn vriend was gekomen, een liefde waarvan hij wel als een vreemd ding had hooren verhalen, dat zij de mannen redeloos maakt zoo zij onvoldaan blijft. Hij had er nooit zoo over gedacht, maar wenschte, dat hij het eerder had geweten, opdat hij aanstonds de vrouw had kunnen halen. Doch tegelijkertijd ook zag hij, dat Rogier niet meer de zelfde krijgsman was, nu zijn hart van smachten week was. En dit bedroefde hem.Carolus had zich over veel te verwonderen dien dag nu zijn gepeinzen hem steeds nieuws openbaarden, en hij zonderde zich van de anderen af. Tegen den avond naderde hij bescheiden Rogier en Mevena, die ver van de soldaten in de schemering fluisterden. Eerst kon hij geen woorden vinden toen hem gevraagd werd wat hij te zeggen had, maar dan sprak hij:„Wat gaan wij doen wanneer wij in Padua zijn? gij blijft toch voor den keizer?”Rogier maakte een gebaar van ongeduld, maar antwoordde niet. Dan sprak de brigadier weder met iets smeekends in zijn stem:„Ach man, er wacht u zooveel geluk. De keizer kan geen beter aanvoerder vinden wanneer gij ouder zijt en zal u zeker hertog maken. En dan, gij zoudt immers nooit vrede hebben in dit land van verraders....”„Wij zullen morgen wel praten, laat ons nu alleen.”„Maar gij moogt morgen nog niet weg, gij zijt nog niet sterk genoeg. Hij moet nog minstens een week rusten,” zeide hij tot Mevena.Hij wilde nog spreken, doch het gebaar dat hij altoos gehoorzaamde deed hem omkeeren en zich verwijderen. Rogier had hem niet geantwoord, maar hij had het wel gezien, dat hij onder die bekoring was, die dwaasheden doet begaan. Het was een treurige dag voor den brigadier, zijn liefste verwachtingen vloden heen.Weemoedig liep hij ver in den stillen schemeravond en beklom met moeizamen gang een hoogen berg. Wolkdampen stegen uit de diepte beneden en dreven boven het dal, er was een zwijgende droefheid over de bergen rondom, die in den schemer rezen waardig van berusting.Voor den roem en het geluk van Rogier had hij jaren gevochten, hij had gehoopt door zijn trouw en zijn dienst de hoogste glorie voor hem te behalen. Dit was zijn eenige eerzucht, zijn eenige begeerte, het eenige waar hij ooit aan dacht. Jaren lang reeds had Carolus den buit, dien hij met wapenen nam, goud en kostbaarheden, naar Venetië ter bewaring gezonden, om later Rogier in staat te stellen tot hertog verheven te worden en in een prachtig hof te leven zooals de grooten van Lombardije. Die glorie, door zijn hulp verkregen, zou gansch de zijne zijn. En terwijl hij gestadig de rijkdommen zamelde bleef hij steeds in de nabijheid van zijn vriend, om hem te bewaken voor de gehate paapschen en met hem te strijden voor het doel.Nu was er een vrouw gekomen, een nietige vrouw, die alles verwoestte... Carolus stond stil, zag naar de diepte beneden waar een vuurtje brandde, en loosde een zucht, een vaarwel aan de hoop zooveel jaren geliefkoosd, er waren tranen in zijn oogen. En door de warmte der tranenzag hij heel goed, hoewel ’t hem een raadsel was waarom ’t zóó wezen moest: dat het eenige dat de eenvoudigheid van zijn hart ooit vervuld had hem thans verlaten ging. Hij voelde, dat hij niet jong meer was en dat voor een man van zijn leeftijd de komende jaren korter zijn dan die van ’t verleden...Dichtbij zich hoorde hij gedempt stemmengerucht en toen hij zocht zag hij Walid en den broeder, die op een steen zaten met de oogen naar den hemel gericht. Hij ging naar hen toe, zette zich bij hen neder, doch zij zwegen nu beiden. Eindelijk klonk in de stilte de diepe, langzame stem van Walid:„Is de meester in zijn tent nu met de vrouw?”„Ja,” antwoordde de brigadier, en zij zwegen weder.Een flauwe zwoelte waarde in den donker, slechts de ademhaling dier drie was hoorbaar. Tamalone zag plotseling hoe vreemd het was, dat drie mannen uit verschillende streken der wereld hier op den hoogen berg te zamen zaten, peinzendwaar hun het lot zou leiden en wat één zelfde teedere vrouw in hun leven beduiden mocht. Hij keek naar zijn gezellen en zeide met een kort lachje, dat op een snik geleek:„Waarom zouden wij zoo stil zijn nu wij aan Rogier denken?”„Hij is gelukkig,” antwoordde Carolus in zwaar geluid.De monnik haalde de schouders op en Walid bleef naar de koele starren zien.En terwijl deze mannen in den nacht zwijgend op den kouden steen zaten en ieder in zijn eigen gedachten twijfelde aan het geluk, dat een jong meisje in het kamp had gebracht, waren Rogier en Mevena in elkanders armen gelukkig en de duisternis der tent, omringd door vele andere vol slapende mannen, was hun heerlijkheid van nieuwgewonnen weelde.Zij waren gelukkig en op hun wandelingen door de luchtige bergen, bij hun kozen in den vertrouwelijken avond vergaten zij de dagen, die kwamen en gingen, en vergaten het slot waar zij heen zouden gaan.Toen zij op een middag vermoeid terug keerden vonden zij het kamp in wanorde. Eenige soldaten hadden een bode van den keizer ontmoet, die brieven had voor de edelen in ’t noorden... Het leger was overwinnend, de Florentijnen hadden zich met den vorst verbonden, de steden vielen de een na de ander. Doch de vijand vergaderde een talrijk heir, er dwaalden sluipmoordenaars door ’t gansche land. De keizer, verbitterd door de verraderlijkheid zijns tegenstanders, had besloten een grooten veldtocht te gaan en ontbood al zijn aanvoerders; Romano, Dovera en Pelavicino vochten zich met geweld reeds een doortocht in ’t noorden.Rogier, met een blos van verrassing, bleef lang verdiept in den uitvoerigen brief, terwijl de anderen, en op eenigen afstand de jonge vrouw, aandachtig hem gadesloegen. Eindelijk zag hij op met een klaren gloed in de oogen en zeide:„Carlo, pak de tenten. Wij gaan heen.”De brigadier, eerst verrast, stapte haastig naar de soldaten, die weldra druk in de weer waren.Intusschen leidde Rogier het meisje aan de eene en den monnik aan zijn andere zijde met zich buiten de drukte. Toen hij stil stond sprak hij zeer lang, met zijn gelaat naar Tamalone gewend terwijl hij op ’t meisje geen acht sloeg, om te verklaren hoe hij zich eerst had voorgenomen om nimmer meer in den oorlog te gaan en haar naar Siremonte te brengen, zijn slot: doch dat hij thans den keizer niet verlaten mocht nu er een groote tocht op handen was—hij voelde, dat hij niet kón, het genot van den oorlog danste al in zijn oogen. Dan nam hij Mevena in zijn armen, troostte en kuste haar, en beloofde reeds over twee maanden terug te zijn op ’t kasteel. Zij liet zich zwijgend kussen met gebogen hoofd en de groote oogleden gesloten. En terwijl hij haar liefkoosde vroeg hij Tamalone, die toezag, of hij haar wilde beschermen en naar Siremonte voeren.„Ik?...” riep de monnik luid, met een plotseling gebaar en wijde oogen.Rogier had op hem vertrouwd als zijn besten vriend en smeekte hem zijn schat te bewaren. Een wijle later glimlachteTamalone weder en staarde hem na, die in verliefden afscheidsweemoed het meisje naar de tent geleidde. Toen zij daar binnen verdwenen waren kruiste hij de armen en liep bedaard naar waar de soldaten zingend en jolend hun toebereidselen maakten. De brigadier zeide opgewonden:„Nu zullen wij onzen keizer weêr zien.”„Neen, ik niet; ik blijf achter bij Mevena. De kapitein neemt haar niet meê.”„Wat, blijft zij hier?... Maar dan zijn we gered, man!”Carolus vloekte en liep snel door het gewoel om Walid de goede tijding te brengen.Toen de hemel zwak begon te worden waren alle tenten gepakt en stonden de krijgslieden gereed, wachtend op hun aanvoerder, die met den monnik liep te praten, terwijl Mevena, zwijgend en naar den grond ziende, in zijn arm leunde. Carolus sloeg het afscheid aandachtig gade; hij zag zijn meester, die schreide, telkens en telkens weêr de vrouw kussen en aan zijn borst drukken, dan eensklaps den monnik omarmen, die naar achter week, toen omkeerenen fluks naderen. Het was of plotseling alle soldaten tegelijk spraken, de klaroen schetterde haastig in ’t late uur, de paarden trappelden.De hoofdlieden reden achteraan en beiden keken voortdurend naar de twee figuren om, die dicht bij elkander stonden in ’t bleeke namiddaglicht. Mevena, rechtop, hield haar eene hand op den schouder van Tamalone, die met de armen gekruist stond. Hun verwonderlijk lange schaduwen, kronkelend over den heuvelgrond, liepen aan het einde inéén in het duister van een struikgewas.
Gedurende Tamalone’s afwezigheid was de kapitein weder bewusteloos en ziek geworden, en aangezien zijne wonden reeds waren geheeld zagen de krijgslieden in zijn kwaal den invloed van geheime machten, immers Walid, die uit boeken geleerd had, verklaarde, dat de betoovering eener vrouw er de schuld van was, en dat wellicht de lijder bevrijd zou worden indien de oorzaak werd uitgeroeid.
Doch de brigadier vertrouwde, dat de meester wel zijn jonge kracht zou herwinnen wanneer Tamalone de arts terugkeerde en dat de aanwezigheid eener vrouw hem vroolijk zou maken. Hij had een onverschillige minachting voor vrouwen, maar nu het zijn geliefden vriend gold voeldehij zich reeds welwillend jegens Mevena door het vooruitzicht, dat zij hem zou behagen. En Carolus had het gezag.
Reeds vroeg in den ochtend na haar komst liep Rogier met zijn arm om haar schouders het kamp uit, maar zijn verliefde blikken zagen de uitdrukking der oogen van Tamalone en van de soldaten niet, die hem nakeken. Na de verbazing over de verschijning der vrouw in het kamp, gaven zij luidruchtig den monnik alle eer voor dit wonderlijk herstel, Carolus zelfs kuste hem en drukte hem herhaaldelijk de hand. Er gonsde nu een luchtige blijheid in ’t kamp, de stemmen klonken vrijer en luider.
Twee mannen waren er, die zwegen en ernstig keken. Tamalone stond naar den heuveltop te staren waar het paar was verdwenen, toen Walid op hem toetrad en zeide:
„Gij zijt wijzer dan ik. Het lot moet zijn loop hebben en het is een dwaas, die het wil weren. Wij kunnen alleen toezien, tot het einde van de gebeurtenissen.”
De monnik was plots bleek geworden en staarde Walid strak in de donker glimmende oogen; toen antwoordde hij met luchtig gebaar:
„Het lot heeft altijd zijn loop, man. Laat het maar gaan en denk aan wat anders. Als zij niet toevallig van hem hield—, maar we moeten het niet anders willen, al wenschen wij het nog zoo gaarne.”
„Dat is waar.”
Van dit oogenblik bestond er tusschen deze twee mannen onuitgesproken genegenheid.
Door struiken en over bergsteenen, verre van het kamp en steeds stijgend liepen dien klaren morgen Rogier en zijn geliefde, dicht aan elkaêr; er was een weeke glans in zijn oogen, zijn lippen stonden ingedurigenglimlach en hij praatte veel, nu vertellend of vragend, dan zacht en innig een woord van verteedering zeggend. En Mevena, naast hem in zijn omarming, hield zijn hand en staarde voortdurend hem aan met groote oogen, donker van ernstig onnoozelen gloed. Zij luisterde naar alles wat hij zeide met bewegelijke aandachthem gansch toegewijd, en een milde tinteling van zomerwarmte op haar gelaat deed haar gewaar worden, dat de jonge dag waar zij in gingen vol was van weelde en komend geluk.
Toen zij eenige uren waren gegaan zetten zij zich neder aan den voet van een ruwen heuvel. Hij sprak nog een wijle van hun geluk, dat eeuwig zou duren, en van hun leven op zijn kasteel waar hij haar heen zou voeren. Dan zwegen zij beiden en terwijl zij elkander aanzagen van zeer nabij kleurden zachtkens hunne wangen van ontbloeiend genot, dat hen kussen deed, en streelen en kozen in verwarring, tot zij moede waren en zich nederleiden in het stovende zonlicht hoog in den hemel schijnend.
Rogier voelde zich slaperig en dommelde in met zijn hoofd in Mevena’s schoot. En eerst toen hij rustig ademde kon zij hare oogen van hem wenden en naar het verschiet der bergen staren, zich zachtkens verbazend hoe zij daar in de zonnige eenzaamheid vol dwalende geuren bij den geliefde zat die haar zoo vreemd was, dat zijn gelaat,nu zij er naar zag, haar gansch nieuw was en anders dan zij gedacht had—, terwijl haar vader en broeders, in haar verbeelding lief en welbekend in hun dagelijkschen gang bewegend, zoo verre waren of zij hen nimmer meer zou zien. Even voelde zij verdriet in zich rijzen, doch even slechts, want het zware hoofd in haar schoot was zoo lieflijk onschuldig, dat zij zeker geloofde aan een spoedige verzoening tusschen haar verwanten en hem met wien haar leven nu verder zou gaan.
En zij bedacht dat hij gesproken had van rustige dagen op het slot, ongestoord door oorlogsangsten, wanneer hij den heidenkeizer niet meer dienen zoude. Vluchtige beelden van toekomst verschenen en gleden weêr heen, zij zag zich zelve en Rogier in blijde houding en kleurige kleedij in een ruim kasteel. In een zacht verlangen naar dit liefelijk leven vouwde zij de handen boven zijn hoofd en fluisterde de Moedermaagd aan, dat zij den geliefde zegenen mocht en behoeden. Dan na innerlijke stilte, herinnerde zij zich wat zij verlaten had en bad voor haarvader, broeders en zusters; zij voelde zich wonderlijk blijde in het vertrouwen, dat de goede Maagd haar verhooren zoude. Zij merkte de gestalte van den monnik niet, die uit zijn schuilplaats over de heuvelglooiing omzichtig wegsloop, met blozend, neêrgebogen gelaat.
De oogen weêr neêrslaande zag Mevena twee witte vlinders rondom haar dwarrelen, waarvan er één zich lichtkens op haar mouw zette en langzaam hare hand opkroop. Rogier opende toen de oogen en zag het kleine gelaat over hem gebogen in aanvalligen glans van vreugde.
Hij richtte zich op en vroeg of zij gelukkig was; de vlindertjes fladderden verder, en terwijl zij hen nazag in den prachtigen dag vertelde zij waaraan zij gedacht had. Rogier hield zich in, luisterend in bekoring. Maar plotseling klemde hij haar sterk aan zijn borst en zwoer in diepgesproken woorden, met de zekerheid van een beraden man, dat hij alles doen zou wat zij verlangde: hij zou het leger verlaten en op het slot blijven wonen, naar niets anders strevend voortaan dan dien schoonen glimlachop haar gelaat te bewaren. En hij kuste en kuste haar betraande oogen en lachenden mond, kuste haar tot ze plotseling zijn handen vouwde en de hare daarover, en hardop begon te bidden.
In haar knielende houding, met de oogen naar boven gericht, was zij hem eensklaps zeer vreemd, en rustig maar met een onbekend gevoel van berouw beschouwde hij haar en zweeg. Toen zij geëindigd had waren haar oogen vol verwonderde vragen, zij durfde nochtans niet spreken en wendde haar blikken naar de kim der bergen. Het was of iemand hen was komen storen en zwijgen deed over de lentsche blijdschap van daarstraks. Rogier sprak het eerst en zeide kalm, dat het geloof der kerken hem reeds lang had verlaten, maar inniger dan het hoogste geloof was de liefde welke hij haar toedroeg, en hij wilde zich gansch aan haar wijden, die hem liever was dan alle de heiligen—, hij sprak nog meer over de kerk en den keizer en het recht der edelen, dingen die zij niet begreep, maar het geluid zijner stem was zoo ernstig, zoo diep en roerend,dat zij zijn woorden niet hoorde, en die blijdschap van daareven herkreeg, echter een vollere thans, die haar gemoed deed zwellen van rustigheid, en met een glimlach genoot zij de geurigheid der frissche lucht en den klank zijner woorden. Tegen zijn schouder geleund, luisterend, liep zij met kleine pasjes naast hem of sprong den afstand tusschen twee steenen, dien hij in eenen stap deed, en zijn stem, het eenig geluid in dit wijde land van licht en bergen, klonk haar onwezenlijk of zij een verhaal hoorde dat zij van buiten kende.
Zij keerden terug in het kamp, en tegenover elkander zittend voor de tent aten zij samen, met zachte woorden, uit éénen disch.
Ook de soldaten, verspreid op den grond, aten onder vroolijk gepraat, maar hun uitroepen waren getemperd; zij waren vriendelijk met elkander, en schoon geen hunner over hen sprak, richtten aller gedachten en soms de oogen steelsgewijze zich naar het minlustige lachende paar.
In den middag, terwijl Mevena in zijne tent lag om voor de zon te schuilen, ging Rogier bij zijn soldaten staan en sprakover het vooruitzicht het kamp op te breken en naar Padua te gaan. Dit nieuws bracht beweging, want de langdurige werkeloosheid had reeds bij menigeen de gedachte gewekt om den dienst te ontvluchten. De mannen liepen nu druk door elkander, pratend en roepend. Slechts de groote brigadier stond rustig te kijken naar zijn meester, die achterover lag, het matte gelaat in de hand geleund, en hij voelde zich goedig verteederd door de vermoeide oogen en de ijlheid der trekken van den man, die pijn had geleden. Wat zijn verstand niet had kunnen begrijpen werd Carolus nu eensklaps klaar door het inzicht van zijn liefde voor Rogier, een liefde die hij steeds als blijdschap van ’t oogenblik ondergaan had, doch welke nimmer eenig nadenken had verwekt. Het zwakkere uiterlijk van den jongen man, nog kort geleden bruin en hard gespierd, die geen andere lust had dan vechten, dan de woede van oorlog en vernieling, deed hem nu zeker weten, dat het niet slechts de krankheid dier enkele dagen kon wezen waar Rogierdoor kwijnde. Nu vreesde Carolus, dat er iets anders in het hart van zijn vriend was gekomen, een liefde waarvan hij wel als een vreemd ding had hooren verhalen, dat zij de mannen redeloos maakt zoo zij onvoldaan blijft. Hij had er nooit zoo over gedacht, maar wenschte, dat hij het eerder had geweten, opdat hij aanstonds de vrouw had kunnen halen. Doch tegelijkertijd ook zag hij, dat Rogier niet meer de zelfde krijgsman was, nu zijn hart van smachten week was. En dit bedroefde hem.
Carolus had zich over veel te verwonderen dien dag nu zijn gepeinzen hem steeds nieuws openbaarden, en hij zonderde zich van de anderen af. Tegen den avond naderde hij bescheiden Rogier en Mevena, die ver van de soldaten in de schemering fluisterden. Eerst kon hij geen woorden vinden toen hem gevraagd werd wat hij te zeggen had, maar dan sprak hij:
„Wat gaan wij doen wanneer wij in Padua zijn? gij blijft toch voor den keizer?”
Rogier maakte een gebaar van ongeduld, maar antwoordde niet. Dan sprak de brigadier weder met iets smeekends in zijn stem:
„Ach man, er wacht u zooveel geluk. De keizer kan geen beter aanvoerder vinden wanneer gij ouder zijt en zal u zeker hertog maken. En dan, gij zoudt immers nooit vrede hebben in dit land van verraders....”
„Wij zullen morgen wel praten, laat ons nu alleen.”
„Maar gij moogt morgen nog niet weg, gij zijt nog niet sterk genoeg. Hij moet nog minstens een week rusten,” zeide hij tot Mevena.
Hij wilde nog spreken, doch het gebaar dat hij altoos gehoorzaamde deed hem omkeeren en zich verwijderen. Rogier had hem niet geantwoord, maar hij had het wel gezien, dat hij onder die bekoring was, die dwaasheden doet begaan. Het was een treurige dag voor den brigadier, zijn liefste verwachtingen vloden heen.
Weemoedig liep hij ver in den stillen schemeravond en beklom met moeizamen gang een hoogen berg. Wolkdampen stegen uit de diepte beneden en dreven boven het dal, er was een zwijgende droefheid over de bergen rondom, die in den schemer rezen waardig van berusting.
Voor den roem en het geluk van Rogier had hij jaren gevochten, hij had gehoopt door zijn trouw en zijn dienst de hoogste glorie voor hem te behalen. Dit was zijn eenige eerzucht, zijn eenige begeerte, het eenige waar hij ooit aan dacht. Jaren lang reeds had Carolus den buit, dien hij met wapenen nam, goud en kostbaarheden, naar Venetië ter bewaring gezonden, om later Rogier in staat te stellen tot hertog verheven te worden en in een prachtig hof te leven zooals de grooten van Lombardije. Die glorie, door zijn hulp verkregen, zou gansch de zijne zijn. En terwijl hij gestadig de rijkdommen zamelde bleef hij steeds in de nabijheid van zijn vriend, om hem te bewaken voor de gehate paapschen en met hem te strijden voor het doel.
Nu was er een vrouw gekomen, een nietige vrouw, die alles verwoestte... Carolus stond stil, zag naar de diepte beneden waar een vuurtje brandde, en loosde een zucht, een vaarwel aan de hoop zooveel jaren geliefkoosd, er waren tranen in zijn oogen. En door de warmte der tranenzag hij heel goed, hoewel ’t hem een raadsel was waarom ’t zóó wezen moest: dat het eenige dat de eenvoudigheid van zijn hart ooit vervuld had hem thans verlaten ging. Hij voelde, dat hij niet jong meer was en dat voor een man van zijn leeftijd de komende jaren korter zijn dan die van ’t verleden...
Dichtbij zich hoorde hij gedempt stemmengerucht en toen hij zocht zag hij Walid en den broeder, die op een steen zaten met de oogen naar den hemel gericht. Hij ging naar hen toe, zette zich bij hen neder, doch zij zwegen nu beiden. Eindelijk klonk in de stilte de diepe, langzame stem van Walid:
„Is de meester in zijn tent nu met de vrouw?”
„Ja,” antwoordde de brigadier, en zij zwegen weder.
Een flauwe zwoelte waarde in den donker, slechts de ademhaling dier drie was hoorbaar. Tamalone zag plotseling hoe vreemd het was, dat drie mannen uit verschillende streken der wereld hier op den hoogen berg te zamen zaten, peinzendwaar hun het lot zou leiden en wat één zelfde teedere vrouw in hun leven beduiden mocht. Hij keek naar zijn gezellen en zeide met een kort lachje, dat op een snik geleek:
„Waarom zouden wij zoo stil zijn nu wij aan Rogier denken?”
„Hij is gelukkig,” antwoordde Carolus in zwaar geluid.
De monnik haalde de schouders op en Walid bleef naar de koele starren zien.
En terwijl deze mannen in den nacht zwijgend op den kouden steen zaten en ieder in zijn eigen gedachten twijfelde aan het geluk, dat een jong meisje in het kamp had gebracht, waren Rogier en Mevena in elkanders armen gelukkig en de duisternis der tent, omringd door vele andere vol slapende mannen, was hun heerlijkheid van nieuwgewonnen weelde.
Zij waren gelukkig en op hun wandelingen door de luchtige bergen, bij hun kozen in den vertrouwelijken avond vergaten zij de dagen, die kwamen en gingen, en vergaten het slot waar zij heen zouden gaan.
Toen zij op een middag vermoeid terug keerden vonden zij het kamp in wanorde. Eenige soldaten hadden een bode van den keizer ontmoet, die brieven had voor de edelen in ’t noorden... Het leger was overwinnend, de Florentijnen hadden zich met den vorst verbonden, de steden vielen de een na de ander. Doch de vijand vergaderde een talrijk heir, er dwaalden sluipmoordenaars door ’t gansche land. De keizer, verbitterd door de verraderlijkheid zijns tegenstanders, had besloten een grooten veldtocht te gaan en ontbood al zijn aanvoerders; Romano, Dovera en Pelavicino vochten zich met geweld reeds een doortocht in ’t noorden.
Rogier, met een blos van verrassing, bleef lang verdiept in den uitvoerigen brief, terwijl de anderen, en op eenigen afstand de jonge vrouw, aandachtig hem gadesloegen. Eindelijk zag hij op met een klaren gloed in de oogen en zeide:
„Carlo, pak de tenten. Wij gaan heen.”
De brigadier, eerst verrast, stapte haastig naar de soldaten, die weldra druk in de weer waren.
Intusschen leidde Rogier het meisje aan de eene en den monnik aan zijn andere zijde met zich buiten de drukte. Toen hij stil stond sprak hij zeer lang, met zijn gelaat naar Tamalone gewend terwijl hij op ’t meisje geen acht sloeg, om te verklaren hoe hij zich eerst had voorgenomen om nimmer meer in den oorlog te gaan en haar naar Siremonte te brengen, zijn slot: doch dat hij thans den keizer niet verlaten mocht nu er een groote tocht op handen was—hij voelde, dat hij niet kón, het genot van den oorlog danste al in zijn oogen. Dan nam hij Mevena in zijn armen, troostte en kuste haar, en beloofde reeds over twee maanden terug te zijn op ’t kasteel. Zij liet zich zwijgend kussen met gebogen hoofd en de groote oogleden gesloten. En terwijl hij haar liefkoosde vroeg hij Tamalone, die toezag, of hij haar wilde beschermen en naar Siremonte voeren.
„Ik?...” riep de monnik luid, met een plotseling gebaar en wijde oogen.
Rogier had op hem vertrouwd als zijn besten vriend en smeekte hem zijn schat te bewaren. Een wijle later glimlachteTamalone weder en staarde hem na, die in verliefden afscheidsweemoed het meisje naar de tent geleidde. Toen zij daar binnen verdwenen waren kruiste hij de armen en liep bedaard naar waar de soldaten zingend en jolend hun toebereidselen maakten. De brigadier zeide opgewonden:
„Nu zullen wij onzen keizer weêr zien.”
„Neen, ik niet; ik blijf achter bij Mevena. De kapitein neemt haar niet meê.”
„Wat, blijft zij hier?... Maar dan zijn we gered, man!”
Carolus vloekte en liep snel door het gewoel om Walid de goede tijding te brengen.
Toen de hemel zwak begon te worden waren alle tenten gepakt en stonden de krijgslieden gereed, wachtend op hun aanvoerder, die met den monnik liep te praten, terwijl Mevena, zwijgend en naar den grond ziende, in zijn arm leunde. Carolus sloeg het afscheid aandachtig gade; hij zag zijn meester, die schreide, telkens en telkens weêr de vrouw kussen en aan zijn borst drukken, dan eensklaps den monnik omarmen, die naar achter week, toen omkeerenen fluks naderen. Het was of plotseling alle soldaten tegelijk spraken, de klaroen schetterde haastig in ’t late uur, de paarden trappelden.
De hoofdlieden reden achteraan en beiden keken voortdurend naar de twee figuren om, die dicht bij elkander stonden in ’t bleeke namiddaglicht. Mevena, rechtop, hield haar eene hand op den schouder van Tamalone, die met de armen gekruist stond. Hun verwonderlijk lange schaduwen, kronkelend over den heuvelgrond, liepen aan het einde inéén in het duister van een struikgewas.