8

8De ruiters waren reeds verdwenen en het laatste trompetgeluid verging in de verte toen Mevena rondom zich naar de verlatenheid der bergen zag en nederig, zachtjes zeide:„Ik heb gezondigd tegen mijn vader, messer; gelooft gij dat de heilige Moeder mij vergeven zal?”Tamalone, uit zijn mijmering opziende, knikte goedhartig zijn hoofd.„Zou ik verhoord worden als ik bid voor Rogier? en wilt gij ook voor hem bidden?”Hij spreidde zijn armen wijd in de hoogte—Mevena kon zijn oogen niet onderscheiden, maar zij voelde de aanwezigheid van een zwaarkloppend hart.„Ja, laten wij samen bidden.”En beiden knielden op de heuvelhelling, vouwden de handen en smeekten om bescherming voor Rogier in den oorlog; de monnik, terwijl hij de woorden uitsprak, verbaasd over wat hij deed: terwille eener lieve vrouw den hemel aanroepen voor een tegen wien hij zijn woede slechts een korte wijl te voren bedwongen had. Het bedrog ergerde hem, een oogenblik slechts, want toen hij opstond, had hij die verheven onverschilligheid weder, die slechts weinigen kennen en die beminnelijk glimlachen doet om eigen zonde.„We moeten morgen vroeg op weg,” zeide hij: „ik zal u de pij weêr geven en ga dan slapen. Dáár is het zacht, onder dien boom.”Bedaard en zorgvuldig spreidde hij de twee wollen zadels op den grond, die glad was van dennenaalden, en wachtte tot zij nederlag en zich in de pij had gewikkeld. Dan drentelde hij heen, zachtjes een deuntje sissend, en leide zich eveneens te ruste.In den nacht ontwaakte hij met schrik uit loomen slaap en zag den hemel rijkmet klare starren versierd—er waren er zóóvele als hij nog nooit had gezien, de duisternis over de bergen had er een mistige schittering van, gelijk van bedroefde oogen. Tamalone begreep niet wat hem had wakker gemaakt in een stemming van genot en ontzag en wat hem op dit oogenblik denken deed aan zijn jongelingsjaren—hij zag zeer helder een winteravond met sneeuw geruchtloos warrelend tusschen de gesloten huizen, toen hij zijn ouders verlaten had, die bij de schouw zaten waar het vuur hoog in vlamde. En hij hoorde koraalgezang in zijn gemoed.Herinnering vloot door zijn ziel nu, gelijk een oud wijsje van stil teêrhartig snarenspel, bescheiden, doch met een doordringende bekoring waar hij zich geheel aan overgaf. Over alle herdenken echter steeg telkenmale een verheugde verwondering waarom de nacht zóó schoon was, nu hij als eenzaam vreemdeling zat bij de vrouw, die hem zeer lief was. De wereld rondom deed zich op als een uitgestrekt duister land vol drukke mannen en vrouwen, in de stille bergen waar de starrenschenen, waakte een zwerver bescheiden aandachtig bij een lieve slaapster. De luisterrijke nacht was wonderlijk bezield, hij rilde van koude en wist, dat het oogenblik vergankelijk was.De hemel van flonkrend gesprankel was zeer laag gedaald, in de brooze stilte hoorde hij het bonzen van zijn hart. Menigmaal reeds had hij op oogenblikken wanneer de wereld voor hem vol was van groote gebeurlijkheden met diepe vroomheid berust in wat de tijd hem geven zoude en ook thans weêr genoot hij in die berusting. Wel slopen bedriegelijk gedachten, uit sluwe ondervinding gesproten, dat hij, die zich tot wanhoop veroordeeld weet en die niets te verliezen heeft dan het licht der zon, de macht heeft vele menschen te dwingen ten eigen baat, immers wie sterven wil kan beschikken over het leven van den koning; dat hij zich zelven niet begrijpende ook zijn lot niet kennen kon,—en dat er velen gelukkig werden die sterk genoeg waren om waarlijk te lijden en met daden te streven naar wat zij begeerden. Doch zijn hart bleef koel in de onwrikbarezekerheid, dat slechts het onverwachte schoon is en het ontvangen waard. De slapende vrouw daarginder beminde hem niet; hij had genoeg beleefd van vrouwen, die hij met opzet tot liefde behaagd had. Hij verkoos zijn hart onuitgesproken te laten met de dwalende hoop, dat het toeval, het heerlijk toeval, dat hij aanbad, Mevena’s gelaat met lieven glans tot hem mocht keeren.Bij den dageraad nog lag hij, het hoofd in de hand geleund, in grillig gemijmer over zijn verleden. In zachtzinnig berouw en zedigheid dacht hij aan vervlogen mogelijkheden, aan vrouwen, die hem bemind hadden, of zij zich hem nog herinnerden.Het hoofd naar den denneboom keerend zag hij in den schemer daar beneden iets licht bewegen. Toen bezon hij zich, dat zij vroeg op reis zouden en stond op. De verschoten hemel was wijkend alom met zijn bloei van kwijnende starren; hier en daar dreven trage dampen over de bergtoppen, waarvan er sommige reeds in dauwig morgenlicht schenen.Tamalone zette zich aan het werk om vuur te maken en terwijl hij op zijn knieën over een stapeltje hout boog ontwaarde hij Mevena, die geruischloos bij hem stond. Zij glimlachte toen hij haar aankeek, en knikte. Achter haar zag hij door de wiegelende kruinen der boomen en over de glooiingen der bergen den gloed van den ochtend, en hij kreeg plotseling een gevoel, dat zijn leven een keer ging nemen.Mevena kwam dichter bij, haar zachte stem was het eerste geluid van den dag.„Ik ga niet naar Siremonte. Ik zou nooit kunnen slapen door de gedachte, dat hij in ’t gevecht is—ik moet dichtbij hem zijn. Waar is hij heengegaan? Wilt ge mij naar hem toe brengen of als dat niet kan naar een stad niet ver van het leger? De reis zal mij niet vermoeien. Ik zal u niets meer vragen, maar breng mij dicht bij Rogier... o ge weet niet hoe blij ik zal zijn.”Even zweeg ze, maar hernam met smeekende liefheid:„Wilt ge dat doen, messer Tamalone?”De klank waarmede zij zijn naam sprakgaf hem onverwachte vreugde, hij wenschte dat zij dien nog eens noemde.„De keizer is in Toscane,” antwoordde hij; „bijna alle steden daar zijn gevaarlijk voor u. Maar ge hebt gelijk, het zou dwaas zijn een lange reis naar Siremonte te doen, het kasteel ligt misschien al in puin, want uw vader is daar natuurlijk het eerst gegaan om u te zoeken. Wij moeten naar een veilige stad, een goede stad waar men u niet kent. Pisa, wilt gij naar Pisa gaan?”„Is dat dicht bij Rogier?”„De troepen van den keizer en hun bondgenooten zijn daar in het land. Het is wel drie dagen van hier, maar wij zullen rusten onderweg.”„Neen, neen, drie dagen is niet lang, als we alleen ’s nachts rusten zullen we er eerder zijn. En ik zal daar ten minste tijdingen hooren. O, wat zijt ge goed, heer broeder,” zeide ze terwijl ze plots zijn hand vatte en die lichtkens kuste.Hij trok zijn hand terug, boog met een tintelenden gloed op het gelaat over het hout en begon hard het smeulende vuur aan te blazen. In den rook, die toen opsteegzag zij, dat hij tranen in de oogen kreeg en naast hem neder hurkend, met haar hand op zijn schouder, zeide zij lachend:„Laat mij het aanmaken, gij doet zoo veel....”„Dan zal ik water gaan halen en de paarden zadelen. We moeten vroeg gaan.”De lucht was nog koel toen zij vertrokken, rijdend in de sporen, die gisteravond Rogier en zijn ruiters hadden gemaakt. Uren lang daalden hun paarden met voorzichtige pooten over gesteenten stappend de bergen af en hield het moeilijk rijden hun aandacht. Toen zij eindelijk aan een smal wegje kwamen aan beide zijden met heesters begroeid, zagen zij de hoefsporen, waarnaar zij zich tot dusver hadden gericht, naar het zuiden gekeerd; doch de monnik achtte het raadzaam recht door te gaan, door een heuvelland welig van jong olijfgewas, dat in tallooze bladertjes het zonlicht dartelen deed.Mevena, kruiselings in het zadel, reed een halve lengte vóór, zoodat Tamalone voortdurend naar haar kon kijken zonderhaar oogen te ontmoeten. Onder haar pij zag hij een tenger been in groene kous tegen den flank van het paard, en onder haar schouders den kap die geregeld schokte op den smallen rug. Als hij zich oprichtte ontwaarde hij alom in zachtbewogen windgewarrel een eindelooze bladerenmenigte, die geen gezichteinder had dan de zonnig blauwe lucht. De eenzaamheid was hier grooter dan in de bergen. Hij voelde een neiging om niet verder te gaan, om stil te houden en in ’t zwellend genot van ’t oogenblik die lieve vrouw vóór hem aanbiddend te streelen. Maar hij lachte even, licht verbaasd hoe in de eenzaamheid menschen elkander vertrouwen konden, en klopte den hals van zijn paard.Laat hielden zij stil bij eenige boomen, waar zij karresporen zagen. Zij besloten hier af te stijgen en onder de bloote lucht te overnachten. Voor hun eten gingen zij kastanjes zoeken, te zamen, want Mevena wilde haar deel hebben in de bezigheden. Ondanks hare vermoeidheid was zij zoo luidruchtig vroolijk, dat Tamalone zich telkens uit de bukkende houding oprichtte,wanneer haar milde stem in de schemering van het gebladerte hem schertsend iets toeriep. De lucht scheen hem zachter hier dan in de bergen, er was een onnoemelijke behagelijkheid in dit lichtloos uur van den dag, in den geur van molmend hout, in het geritsel der dorre blâren die Mevena met den voet wegschoof, en luchthartig antwoordde hij haar geroep, zoodat het oud geboomte weerklonk van lachend hoog en diep geluid om beurt.Dan roosterden zij te zamen de kastanjes en Mevena, die lustig werd van het nieuwe leven onder den hemel, sprak gedurig met onverwachte guitigheid, lachte en vertelde van haar meisjesleven, zoodat ten leste Tamalone in zoete verrukking zweeg en luisterde, vergetend dat zij hem niet beminde.Toen zij te slapen gegaan was zat hij kalm alleen; hij hoorde het geluid harer jonge stem nog, doch in zijn hart ontloken weemoedige gevoelens weder, het geruisch van de bladeren en de stille starren herinnerden hem, dat hij evenzoo waakte gelijk den nacht te voren. Hij lei zich neder bij het smeulende hout en wachtteop den slaap, zijn oogen bleven echter open en zagen de starren vermeerderen. De dauw begon over den grond te dampen, slechts het geruisch van de bladeren der populieren wilde de fluisterende eenzaamheid niet verlaten en de duisternis duurde langen, langen tijd.Eindelijk verbleekte de lucht weêr, de planeten hadden hun reis volbracht. Tamalone, die roerloos gelegen had, stond op om zijn leden te bewegen en het vuur weder aan te blazen.Dien dag was Mevena weêr blijgezind, zij zong zelfs liedjes nu en de monnik, naast haar rijdende, luisterde met bestendigen glimlach of zong, daar zij er om vroeg, op zijne beurt ouderwetsche melodijen, die hij van vroeger nog wist. Zij was verrast en lachte veel. Tamalone, die bespeurde, dat hij haar lang aan kon zien wanneer zij in vroolijkheid gemeenzaam was, praatte aanhoudend en bij zijn gemoedelijke verhalen begon zij te zien, dat hij veel beminnelijker was dan zij te voren dacht. De naam van Rogier werd dien dag niet genoemd.Zij stegen zeer vermoeid bij een groen korenveld af, waar Mevena ging liggen in een paadje tusschen twee akkers. Ook de klerk sliep weldra. Doch toen hij wakker werd in den nacht was het een vale duisternis en hij kon het meisje niet zien. Hij hoorde niets ofschoon hij meende dicht bij ingeslapen te zijn. En nu hij ongerust werd sprong hij op, liep op den tast in de richting waar hij dacht dat zij was, tot hij eindelijk weêr haar lichten adem hoorde. Toen liep hij eenige passen terug en lei zich weêr neêr om te slapen.Des morgens opende hij zijn oogen en ontwaarde schier naast hem Mevena in zittende houding, alsof ook zij juist was ontwaakt. Haar gelaat, dat zeer bleek was, glimlachte.„Wij zijn laat,” zeide ze.Tamalone bloosde en stond bedremmeld op.In blakende zonnewarmte reden zij zwijgend naast elkander den derden dag. Mevena dacht aan den minnaar en aan de naderende stad; de monnik keek haar dikwijls van ter zijde aan, verontrust over debleekheid van haar gezicht. Hij vroeg met lieven aandrang soms of zij rusten wilde, doch zij antwoordde ongeduldig dat zij niet moede was, en beiden reden door, het snuiven en kleppen der goede paarden was het eenig geluid. Uren lang volgden zij den oever van een diep liggend riviertje den stroom afwaarts, er scheen aan den loop van het gerimpeld water geen einde te komen, en de dag was vermoeiend en lang. Bij wijlen zeide zij iets, een onverschillig woord om de stilte te breken, maar hare stem was buigingloos en Tamalone antwoordde even kort of met een knik. Slechts de verschijning van een enkel landman, die eerbiedig groetend langzaam voorbijging, bracht hun verdwaalde gedachten terug voor een oogenblik; zij wisselden dan eenige woorden en herhaalden hun afspraak wat zij uit voorzichtigheid doen zouden in de stad.Eindelijk, toen zij aan hun rechterhand in de lucht de torens van een burcht zagen rijzen, begonnen hun paarden moeilijk te stijgen, zij kwamen in de Pisaansche bergen. Verderop bemerkten zij in de lageverte daken en torens en hier en daar kleine lichtjes. Mevena reed nu met opgericht lijf, de monnik zag haar oogen groot en strak geopend, zij had de lippen vastgeklemd; de avondbries, van regen en zeelucht vochtig, deed de wijde mouwen van haar pij zachtjes fladderen.Toen zij de poort bereikten, waar bij een lantaarn twee wachters soezend zaten te mompelen, was de nacht drukkend van duisternis. Een der paarden hinnikte helder en luid, van een toren zeer nabij klonk een zware klok.In de straten waren de luiken en deuren der huizen gesloten. Tamalone, die de beide paarden bij de teugels leidde, liep behoedzaam in den donker zoekend en had zijn aandacht op den hobbeligen weg gevestigd. Op eens hoorde hij een snik en een val, Mevena’s paard stond stil. Met een kreet bukte hij neder tusschen de pooten, hij wilde schreeuwen, maar sloot dadelijk zijn lippen weder. Bevend zorgvuldig nam hij haar lichaam in zijn arm, aan den andere leidde hij de dieren voort. De duisternis was loom en stil,slechts een venstertje, dat geopend werd, knerste.Aan de rivier voor een laag huisje bleef hij staan; hij klopte aan de deur en terwijl hij wachtte hoorde hij het stroomende water klotsen tegen den wal. Een man met een lamp deed open en zeide:„Ohé!”„Houd de paarden vast, ik heb hier een zieke. Geef mij de lamp, dan kan ik naar boven gaan, gauw.”Langs een nauwe trap droeg hij Mevena in een vertrekje, met houten wanden en een hellende zoldering; daar legde hij haar neder op wat stroo in den hoek en zette het licht op den vloer. Hij ging snel heen en kwam snel weêr terug met wijn en brood. Toen hij haar voorhoofd, waar een streepje bloed op lag, gewasschen had herkreeg zij haar bewustzijn en glimlachte en bij dien glimlach zuchtte hij diep.In een kamer beneden werd gepraat. Zij trachtte zich op te richten, doch daar dit haar pijn deed lei zij haar hoofdje gelaten weêr neêr en nam Tamalones hand. Zich voorover buigend gaf hij haar tedrinken uit een kroes—de een noch de ander had een enkel woord gesproken, maar bij ’t rossig licht, terwijl zij dronk, zag hij in haar oogen die tot hem opgericht waren een glans van verwonderde innigheid en hij had een meewarig gevoel, dat dit meisje even eenzaam was op de wereld als hij zelf en geen ander verzorger had dan hem.Na een wijle liet hij haar in donker alleen. Beneden werd de deur eener kamer voor hem geopend, waar bij een walmende pit drie mannen aan een tafel zaten te spelen, landgenooten, die hem met nieuwsgierige blikken begroetten. Hij lachte gemoedelijk, zette zich bij hen aan de tafel, ledigde een grooten beker bier en, terwijl hij de kaarten opnam die hem toegedeeld waren, begon hij zijn wederwaardigheden te vertellen, echter zonder van zijn geheime gedachten te spreken.9Het kasteel was op een rots gebouwd, aan den voet door een groot woud omringd. Onder het geboomte en aan den oever der smalle rivier oostwaarts lagen de troepen in vier kampen verdeeld, en ofschoon de herfst al naderde wachtten zij de overgave der belegerden af, want in het slot werd reeds gebrek geleden.De afdeeling van Rogier had zich op de helling naar het water gelegerd, achter een bosschage voor het schiettuig der vijandelijke wallen beschut.Het werd al weken, dat iederen ochtend de mannen onder de boomen hun blikken naar den wachttoren richtten van ’t slot, of er een teeken was dat de edelen daarbinnen het opgaven; koude winden begonnenbuiig door het woud te gieren, wijl wolken haastig aan den hemel dreven. De soldaten werden ongeduldig en de aanvoerders verveelden zich.Rogier liep soms uren doelloos om, langs het stroompje naar het gehucht, of aan den anderen oever waar een holle weg door dichte bosschen steeg. Het was altoos halfdonker in dien weg, de boomen aan de banken groeiden hoog naar boven waar hun takken samen warden en hun stammen waren beneden verborgen in duisteren groei van struiken. Hier wandelde hij dikwijls heen en dacht aan Mevena en aan zijn goeden vriend den monnik.Eens toen hij dien weg besteeg bemerkte hij, dat het zeer donker werd, doch zich omkeerende zag hij beneden in de opening van het loof nog het daglicht. Hij stond een wijle stil. Door het kletterend geruisch hoog boven hem begreep hij, dat er een zware regen viel. Terwijl hij gedachteloos luisterde werd zijn aandacht getrokken door een gerucht van hijgen, een vrouw kwam haastig den weg afdalen. Dicht bijhem stond zij eensklaps stil. Hij boog zich naar voren om haar gelaat te zien, zij schrok, week achteruit en ijlde gillend in het schemerduister naar beneden. Rogier liep haar na en waar de boomen niet meer waren kon hij haar duidelijk voor zich zien; met beide handen hield zij den rok op, haar bloote beenen bewogen zeer snel en zij keek telkens om. Toen zij in den regen kwam zwenkte ze naar rechts, waar ze in ’t lage hout verdween.Rogier zocht in het struikgewas, het water dat op zijn warm gelaat viel verbaasde hem, en hij liep langzaam terug onder de boomen. En gedurende het eentonig ruischen herinnerde hij zich, op eens licht bevreemd, hoe hij ook in den regen had gestaan op een nacht met Mevena.De herinnering werd levendig van ontroering, wier gloei hem streelend verontrustte en hem Mevena’s aanwezigheid duidelijk warm nu voelen deed. Vaak had hij naar haar verlangd en wat hij thans ervoer was weder de onweêrstaanbaar wassende zekerheid, dat hij haar beminde, dat zij alleen het was wat hij begeerde.Het was dwaasheid de natte dagen wachtend door te brengen in dit verlaten oord, terwijl daarginder op zijn slot de liefste vrouw met groote oogen uitkeek of hij komen zou. Hij wilde dadelijk heengaan, dien zelfden dag nog.Hij veegde zich het voorhoofd, de regen, die door de bladeren kletterde had hem doornat gemaakt, de witte pluim van zijn muts hing druipend neêr.Hij bedacht, dat hij zich geen vijanden kon maken onder de bondgenooten van den keizer, Romano zou de eerste zijn dien hij te duchten zou hebben. En toen deze overweging hem duidelijk werd was het ongeduld naar Mevena gevlucht, zijn verbeelding was koel en verbleekt, slechts een flauwe ontevredenheid bleef in zijn gemoed.Hij luisterde naar het gestadig suizen in het gebladert, zag dan naar de lucht en den regen en dacht aan de deerne van daarstraks.De dag was opgeklaard toen hij terug kwam in ’t kamp. Rondom de groote rookende vuren verdrongen zich de soldatenmet hun kleederen dampend in de uitgestrekte handen; zij waren naakt, duwden elkander en lachten luidkeels. Carolus stond voor de tent met droog buis en hozen voor den kapitein, die lachte van voldoening.De soldaten kleedden zich weêr en dronken uit hun ketels, er roesde in het nuchter licht een jolig gedruisch onder het nat glimmend groen.De vuren in de andere kampen gaven de lucht een wijden onzekeren gloed, toen een man in steedsche dracht aankwam. Hij bracht een brief van Tamalone. De monnik schreef, dat Mevena naar Pisa was gegaan door groot verlangen gedreven en niet naar het slot, en dat hij haar ziek in die stad had gedragen daar zij van haar paard was gevallen; doch dat zij thans weêr beter was. Zij liet vragen of zij in het kamp mocht komen, voor een kort oogenblik slechts, zij zou weêr aanstonds vertrekken.Rogier, met een warm gelaat en driftig aan zijn knevel morrelend, gaf bevelen en ging heen. Carolus zag hem met grootestappen zich verwijderen, de witte pluim danste snel in den schemer langs de boomen. Het was zeer stil, bij den verwaaiden rook daarginds in ’t kwartier bromden de soldaten in slaperigen deun. Terwijl hij langzaam liep hoorde hij sluipende passen achter zich en zich omkeerende herkende hij Walid aan zijn baard en gelen hoofddoek; hij liep schielijk verder.In de tent van den koning werd Rogier luidruchtig begroet, er was licht van drie lampjes. De koning, met blonde krullen en lachend blauwe oogen, bij een tafeltje gezeten met de edelen, hief zijn hand hoog op en riep Rogier naast zich. Dan speelden zij door.Rogier dronk bij kleine teugjes, nam aarzelend de steenen in zijn hand, maar begon toen te spreken, zeggend dat hij nog dien avond het kamp moest verlaten. De koning antwoordde schertsend, deed de steenen rollen en schoof de gewonnen munten naar zich toe, doch toen Rogier ernstig doorging te praten, zeide hij bedaard, dat zij hem niet konden laten gaan wijl de vreemde soldaten vooral op hemvertrouwden. Op de vraag wat hem tot zijn onverwacht besluit had gebracht kwam geen antwoord; de koning werd toen boos en allen zwegen.De bekers werden zwijgend volgeschonken, de dobbelsteenen buitelden weêr over de tafel, de avond verging als de vorige.Toen Rogier, door wijn bedwelmd, laat aan zijn tent kwam vond hij den brigadier daar, die met een mantel over zijn hoofd gehurkt zat te dutten—hij stond op, verbaasd dat het nog donker was. Hij had het bevel om een paard in gereedheid te houden niet gehoorzaamd en zeide:„Ik heb de paarden niet gezadeld.”„Vroeg wakker. Er wordt gevochten, maar zeg er niets van.” En zijn meester ging binnen.Carolus stond nog een tijd te staren, tot hij rilde van koû, toen zocht hij zijn slaapplaats bij Walid op. Doch hij was weêr vroeg op en vond Rogier overeind met den brief van den monnik in de hand. En zij maakten een plan om het slot te verrassen voor de andere kampen het merkten, ook Walid was er bij.Het was een koele zonnige dag met doorschijnige wolken. De schildwachten op de torens zagen in de omringende kampen de vuren gestookt en de soldaten in hun dagelijksch werk. In den middag terwijl hun blikken gericht waren op de tenten aan de rivier, waar de vijanden lui onder boomen lagen, schrokken zij hevig en bliezen alarm: beneden hen, aan de poort, stonden wel honderd man met felle wapens vlak tegen den muur. Op de kanteelen toeterden hoorns, hoorns toeterden binnen, er ging verward geroep en uit de spiegaten werd al geschoten op de oosterlingen, die in de schaduw tusschen de torens kalm een stapel bouwden...En toen de rook wegdreef voorbij de blauwe lucht waren de hoorns en ’t geroep weêr stil, er lagen dooden verspreid op de mossige keitjes van den hof, waar de zon rustig scheen, Carolus waakte met zijn soldaten bij de verslagen vijanden in een groep.Een poosje later kwam op zijn glimmend ros de koning lachend binnen rijden en Rogier ziende, wiens gelaat en kleederenrood waren van bloed, steeg hij af, drukte hem de hand en zeide toornig, dat minstens vijf edelen het boeten zouden.Des avonds zaten de aanvoerders in de hal van ’t slot aan een maal met talrijke lichten. De koning dronk ter eere van Rogier en zeide beminnelijk, dat hij hem ook thans niet kon laten gaan, doch dat hij hem den volgenden dag reeds naar den keizer wilde voeren, die alleen in staat was hem de eer te geven welke hij verdiende. De bekers klonken, de aanvoerders riepen luid, Rogier had een blos en glanzende oogen.Met open mond stond Carolus te luisteren, Walid knikte zijn hoofd verscheiden keeren.10Mevena was langzaam beter geworden, maar de monnik vergunde haar nog niet het klein kamertje onder het dak te verlaten. Hij had een peluw voor haar gekocht en een tafel geplaatst voor het raampje, dat uitzag op de kade.Daar zat zij den heelen dag met lieve gedachten door de ruitjes kijkend—links verdween de rivier in scherpe bocht juist onder de koepelkerk, met stellingen en ladders; vóór haar en rechts voeren scheepjes in den zonnig gerimpelden stroom, op de kade wemelden mannen en vrouwen die druk met koopwaar sjouwden, sommigen leunden pratend over den wal; ginds, voorbij de brug, blonk de zuiderlucht ijler boven spichtige masten en half-gereefdezeiltjes en in de verte schitterde een vergulde torenspits. Het marktgewoel was een nieuw gezicht voor haar, aandachtig zag zij naar al wat gebeurde. De liederen, die beneden een man van den vroegen morgen zong en het tierelieren van een vogel in een kooi onder ’t venster, klonken aanhoudend door het geroezemoes van buiten en maakten de wereld vol zoet rumoer.Vóór zij van het bed mocht opstaan had zij in haar koortsen aan niets anders gedacht dan naar het kamp te gaan. De bode was teruggekeerd met een langen brief van lieve woorden, waarin Rogier beloofde, dat hij over twee, drie maanden zou komen. Tamalone bracht haar dien brief terwijl zij voor het venstertje zat en toen hij hem voorlas voelde zij een ongekende rust over zich komen, die duurde nadat de lezende stem weer zweeg.Sindsdien morgen was zij altoos vroeg opgestaan om de eerste menschen op de kade te zien komen en bij het prille daglicht weêr verheugd aan den geliefde te denken. Zij verwonderde zich wel hoevreemd het was, dat het verlangen van kort geleden haar verlaten had, nadat zij beter was geworden; hoe vreemd, dat zij niet meer begeerde naar hem toe te gaan, maar liever hier in de veilige zorg van Tamalone op hem wachtte; zij mijmerde vaak daarover in stil gemoed, starend naar de rozige lucht en de weêrkaatsing in de rivier, tot het geroep van vroege schippers of de uitbundigheid van den vogel aan den muur haar gedachten weêr stoorden. Toch wist zij zoo zeker, dat zij meer van hem hield, en met een glimlach keek zij naar de lieden, die kwamen en die zij begon te herkennen aan hun dracht of gestalte.In het eerst liet Tamalone, die nu fraaie hozen en een buis van groen fluweel droeg, haar veel alleen, doch zij hoorde dikwerf zijn stem beneden. Eindelijk, na weken toen de menschen op straat zich met wol en bont begonnen te kleeden, kwam hij zeggen, dat zij haar kamertje uit mocht; zij was in een arm huis maar, zeide hij, doch zij zouden allen goed voor haar zijn, dat zij zich tevreden gevoelde.De kamer, die zij binnentrad was laag,met een vierkant raam, waar dorrende wingerd voor hing, en buiten was een plaats met vaten en kisten. Drie mannen stonden naast elkander tegen het licht. De broeder zeide, dat het zijn vrienden waren en noemde hun namen: Simon, Josse, en Baldo die nog zeer jong was. Zij keken haar zwijgend aan. Bij den haard lagen twee katten en een langharige hond met zijn tong uit den bek. Mevena zette zich bij de dieren neder om hen te aaien, en toen liepen de mannen de kamer weêr uit.Simon had thans een winkel in scheepsproviand, zijn broeder Josse en diens zoon waren pasteibakkers. Zij hadden hun land verlaten wegens de ketterijen, in den tijd toen ook Tamalone Frankrijk verliet. Dat was al tien jaar geleden, maar nog altoos spraken zij ’t liefst over oude vrienden thuis en benijdden zij Tamalone, wanneer hij somwijlen op zijn reizen was terug geweest in ’t vaderland en hun van welbekende dingen vertelde.Bij het maal werd weinig gesproken, alleen de monnik zei nu en dan iets, Mevena gaf den dieren stukjes uit haarbord; soms moest een der mannen opstaan als er een klant aan de voordeur riep.Toen de borden van de tafel waren en de drie mannen de kamer weêr hadden verlaten, lei Mevena haar hand op Tamalones schouder en vroeg vertrouwelijk lachend of zij nu ook naar buiten mocht gaan. Hij had reeds een blauwen mantel voor haar gekocht, met een kap, zooals de koopvrouwen droegen; toen hij dien ophield schaterde zij plotseling luid uit zoodat de hond kwispelend opsprong en Tamalone meê lachen moest. Zij trok hem aan, hij zette een nieuwe kaproen met roode banden op, en beiden gingen de straatdeur uit, met den hond die blaffend in de menigte wegliep; bij een stapel gebak waar jongens stonden te kijken, zat Simon voor zijn winkel te zingen en te naaien en knikte lachend.Zij liepen door ’t gewemel langs de kade en sloegen links de nauwe straat in, waar de torens hoog boven de huizen rezen; daar was het nog drukker, de uitstallingen der winkels vulden de geheele straat met verscheidenheid van waren; er liepen ookvele voorname vrouwen met juweelen aan de handen, die heur slepen ophielden en met de kooplieden praatten. Zonnige wolken gingen hoog boven de daken, de wind deed de kleederen der menschen wapperen. Mevena had nog nooit zoo’n drukke straat gezien en zoovele dingen welke zij niet kende, zij was blijde daar te loopen en hield herhaaldelijk Tamalone staande, die haar van alles vertellen moest.Zij had een blos op de wangen toen zij vermoeid thuis kwam en zuchtend op een bankje in den winkel ging zitten tusschen manden, kisten en kruiken. Josse kwam daar met een blad versch dampende koeken binnen en bood er haar met een buiging van aan.Na dien eersten keer ging zij dagelijks met Tamalone wandelen, somtijds buiten de muren, doch meestal in de stad door de drukke buurten of de smalle groene straatjes, terwijl zij met lachende gezichten elkaêr vertelden of een liedje voorzongen. Het waren telkens nieuwe morgens met nieuwe vroolijkheid. Tamalone dacht dikwijls hoe gelukkig hij met haar was, haar oogen zagen hem altijd zoo vrij en glinsterend aan.Op een dag, nadat zij hare verwondering reeds eenmaal verzwegen had, vroeg ze waarom hij zijn pij niet droeg en wanneer hij naar zijn klooster terug moest keeren. Een oogenblik zweeg hij, maar antwoordde met opklarend gezicht, dat hij bij haar blijven wilde zoolang zij alleen was en praatte vlug over andere dingen door, zoodat zij haar vraag vergat. En dit was de eenige keer, dat zij over zijn heengaan sprak, want wanneer zijn fraaie kleederen er haar aan herinnerden, dat hij eigenlijk een klerk was en haar nieuwsgierigheid wekten, zweeg zij—zij wilde niet gaarne meer buiten hem en vreesde hem te grieven. Tamalone echter wist wel waarom zij soms zonder spreken naar zijn roode kaproen keek en dan ontwaakten gedachten, die hem stil maakten in ’t gemoed en met verdrietige onrustigheid wederkeerden wanneer hij alleen was ’s nachts op zijn bed.Mevena zat meestal beneden wanneer de mannen in de kamer waren; de eerbiedige behandeling van den eersten tijd liet zij zich schertsend gevallen en bedachtonderwijl allerlei om hen te behagen. Josse en Simon kwamen al glimlachend binnen wanneer zij daar was; zij bleven na het avondeten thuis en zaten in ’t karig licht vergenoegd aan de tafel naar haar te kijken en te praten. De jonge Baldo, die wel met meiskes uitging, kwam dan jolig terug en speelde dartele wijzen op zijn viool; soms zongen de ouden om beurten mede, met glimmende oogen. Het tenger meisje bij het haardvuur gezeten luisterde met open lippen, zich gelukkig voelend in dit laag vertrekje vol uitbundigheid van mannengeluid.De dagen gingen voorbij en werden kouder. Simon en Josse hielden veel van Mevena en dachten niet aan den tijd wanneer zij heen zou gaan; zij zelve sprak er nimmer over, noch over hem die in het leger was en Tamalone had geen andere gedachte dan voor haar te zorgen en haar te behagen. Hij kleedde zich hoe langer zoo fraaier en kwam dikwijls met nieuwe sieraden thuis. De gebroeders hadden er al samen over gesproken hoe zeer hij veranderd was: kleurige kleederendroeg hij, met glansen, hij schoor zijn kin en krulde zijn kneveltje gelijk een edelman. Zij wisten niet hoe hij aan ’t geld kwam om zulke kostbaarheden te koopen, maar zij waren al jaren gewoon hem na poozen van groot gebrek eensklaps rijk te zien; ook hadden zij gehoord dat hij veel in de huizen van voorname lieden kwam, en zij vonden hem een wonderlijk man.Op een avond, toen Mevena vroeg naar boven ging, was de monnik, die onder het gezang van Baldo stil voor zich had gekeken en uit was gegaan, nog niet terug. De broeders besloten te wachten tot hij kwam en zaten ter wederzijden van het vuur over Mevena te praten. De ruitjes klepperden grillig in ’t raam door de vlagen van den wind; achter het huis sloeg de torenklok dreunend het uur van den nacht, die stiller werd naarmate de mannen langer wachtten.Tamalone doolde in de stad rond, dicht in zijn mantel gehuld voor de koude. Hij had dien avond gezien, dat Mevena een kind moest krijgen, en hij had zich herinnerdhoe hij haar uit het huis van haar vader naar het kamp in de bergen gevoerd had, toen hij nog niet wist dat hij van haar hield. Een kranke ontroering was over hem gekropen toen hij gewaar werd dat hij de laatste weken in droomende wenschen geleefd had, hij die heel zijn zorgeloos leven zijn avonturen had laten komen zoo zij wilden, wel wetend dat er voor ’t innig verlangen slechts wanhoop was—hij had zich in het huis van Simon een vreemdeling gevoeld in zijn zwierige kleederen. Den nacht van hun vlucht ook had hij zich duidelijk herinnerd en de gouden kronen, die haar vader hem had gegeven—toen had hij zich geërgerd aan die vrouw die hem nooit zou begrijpen en hij was zonder spreken de deur uitgegaan.Het was overal donker, slechts de ruitjes der taveernen waren verlicht, in de huizen schenen de menschen te slapen en Tamalone liep met tintelende wangen geheel alleen in den nachtwind, die suizend woei door de verlaten straten. Hij hoorde zijn haastige voetstappen, waar hij zoo vaak naar geluisterd had op zijn eenzame tochten,de wind deed hem diep ademen en hij voelde zich opgewonden door begeerte om den ganschen nacht te loopen waar de wegen hem voeren mochten, om weder als van ouds te dolen door ’t land van stad tot stad.Op het domplein stonden in donker groepjes mannen te praten, een enkele dronkaard liep in zichzelf gekeerd te zingen op lijzigen toon. Tamalone ging een herberg binnen, dronk in eenen teug den beker ledig en liep onbezorgder verder in den nacht, zijn open mantel wapperde vrij van zijn rug. Blijdschap deed hem nu haastiger gaan, hij had de heerlijke doellooze vrijheid weder van te zwerven onder vreemde menschen. Morgen, morgen wanneer de poorten open waren zou hij de stad uit gaan, hij was er reeds lang geweest. In zijn verbeelding zag hij Mevena alleen, in het huis van Simon eerst, later terug bij den man in het leger; het waren slechts stille beelden welke hij zag, zij ontroerden hem niet.Met een glimlach herinnerde hij zich hoe hij nog dien zelfden morgen, terwijlhij naar haar witte handen keek, met innerlijk schreien had gedacht waarom zijhèmniet beminde, die haar nooit verlaten zou hebben en met wien zij gelukkig zou wezen. Het was heerlijk een vrouw lief te hebben zooals hij haar liefhad, maar hij wist, dat zij weldra heen zou gaan, voor goed zou gaan, zoodat hij haar nooit meer weder zou zien. Hij hoefde niet langer te blijven in ’t huisje aan de rivier, waar hij zich vervelen zou, nu de begeerte was teruggekomen naar het land en den open hemel, naar steden waar hij nooit was geweest en nieuwe menschengezichten. Hij kon haar gerust verlaten, zij was veilig bij Simon en Josse en zou niet naar hem vragen. En hij, zou hij niet gelukkiger zijn zoo hij slechts aan haar denken kon?Met lustige schreden liep hij in onbekende buurten, langs wegen waar huizen in aanbouw waren; een eind verder op een open plek zag hij onduidelijk den omtrek van een galg tegen de lucht, hij lachte even, met een dwaas gebaar, en bleef staan om te zien of er iemand hing, maar het was te donker. Hij merkte nu, dat hetkoud was, stampte op den grond en blies in zijn handen.Terwijl hij voortliep bedacht hij dat het dwaas zou zijn den ganschen nacht te dwalen, indien hij in den morgen op reis wilde gaan; hij besloot naar huis te keeren, en lang te slapen.De deur stond aan en binnen vond hij Simon, die alleen nog op was, slapend met het hoofd in de armen op de tafel; nevens hem stond een ronde kruik met bier, de katten lagen voor het smeulend vuur te spinnen. Simon, met zijn vuisten in zijn oogen wrijvend, vroeg waar hij geweest was, doch Tamalone antwoordde niet, dronk uit de kruik en zette zich bij het vuur. Hij wist, dat de goede Simon al sedert hun kloosterjaren hem genegen was, dat hij de eenige was die om hem gaf; hij vroeg hem nu nog een oogenblik op te blijven terwijl hij zich warmde en zijn bier dronk. Zij zaten elkander zwijgend en vriendelijk aan te kijken, de torenklok sloeg met ernstigen klank. Eindelijk stond Simon op, zeide dat Tamalone toch een zonderling man was en blies de pit uit.Op zijn bed in de deken gewikkeld, voelde Tamalone zijn voeten nog prikkelen van het loopen en voor hij zijn gedachten in behaaglijken slaap verloor, rees er onverwacht ééne nog in verschietende klaarheid: hij had haar lief zoo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig zou maken.—Laat in den dag stond hij op. Mevena zat geduldig te wachten om met hem uit te gaan naar hun gewoonte. Hij was op het punt haar zijn besluit van gisteravond te zeggen, doch haar oogen waren zoo vroolijk, dat hij wel terug moest glimlachen en haar niet te leur wou stellen. Hij kon evengoed in den avond vertrekken.Het was een blanke, frissche dag; de menschen in de straten zagen opgeruimd en bloosden van de koude. In het begin van hun wandeling luisterde Tamalone zonder antwoord naar wat zij zeide. Zij liepen langzaam en bleven dikwijls voor de winkels staan; aan den overkant van ’t water gingen zij door groententuinen en hij werd van lieverlede spraakzaam. Dan vertelde hij haar zijn voornemen om heen te gaan, daar zij veilig was bij zijn vrienden.Een poosje gingen zij zonder spreken voort met gebogen hoofden; toen zij hem aankeek zag hij, dat zij groote tranen in de oogen had—hij schrok en wilde haar hand kussen... met teeder lieve stem zeide hij, dat hij bij haar zou blijven als zij wilde. Zij keek hem aan, verblijd, en knikte,—Tamalone ademde dieper van heerlijkheid, door het nat zijner opgeslagen oogen zag hij den hemel in prachtige klaarheid, hij dacht dat zij zijn hart nu wèl begreep. Opgewekt spraken zij toen over andere dingen en gingen in vertrouwelijkheid naast elkander, de heldere zon scheen over het groen aan hun voeten. Zij liepen nog hier en daar en Tamalone wees haar hoevele menschen er dien dag hun beste kleederen droegen.Thuis dien avond bij het licht der koperen lampjes was er weder geluid van liederen; Baldo sprak over het onrecht waarmede de groote heeren regeerden en Tamalone deed een schoon verhaal van ridders en lieflijke vrouwen terwijl Mevena met groote oogen, haar gelaat in haar handen voorover geleund, en de brave mannen rustig ademend luisterden.—De dagen vloden heen, de winter was gekomen. Des morgens vroeg zat Mevena nog steeds voor haar venstertje te wachten op Rogier, bij de mannen beneden noemde zij nimmer zijn naam. Tamalone wist wel waar zij altoos in stilte aan dacht, doch het maakte hem niet verdrietig, hij voelde in nederigheid, dat iedere dag al vreugde was en om wat komen zou haalde hij de schouders op.Toen het reeds Kerstmis geweest was ging Josse op een Zondag na den kerkdienst met haar wandelen en vertelde haar, dat zijn broeder beloofd had een wieg voor haar te maken, omdat haar kind nu wel spoedig zou komen. Zij was er stil van den ganschen weg, zij had er nooit aan gedacht, dat ook de mannen zouden weten waar zij heimelijk verwonderd vaak over peinsde. Nu Josse gezegd had dat zij spoedig een kind zou krijgen, wilde zij wel aanstonds naar Rogier toe gaan, want de wereld was zoo veranderd en bij hem zou zij tevreden zijn. Doch de goede Josse klopte haar op den arm toen zij daar over sprak, en zeide dat hij een boodschap zouzenden, maar dat zij rustig bij hen moest blijven.En dien middag, toen zij in haar kamertje was, zat Tamalone een brief te schrijven, terwijl de jonge Baldo aandachtig naar hem keek en de broeders tegenover elkander dommelden in de schouw.Eenige dagen later kwam de bode terug; Rogier met het leger voor Capraia had hem een kort wederwoord gegeven en liet zeggen, dat de keizer hem niet vergunde om heen te gaan, later zou hij een brief schrijven. Doch de mannen verzwegen dit antwoord voor Mevena.Eindelijk op een kouden nacht werd het kind geboren. Tamalone, die de vrouw was gaan roepen bleef buiten op de kade heen en weder loopen, de sneeuw viel gedurig in dichte vlokken, zoodat hij bij poozen moest stilstaan om zich de kleederen af te schudden. Het water murmelde in den stroom, één venstertje was er licht in de duisternis, waar hij aldoor naar keek. Verkleumd en bibberend ging hij ten leste binnen, de vrienden zaten daar met de vroedvrouw genoegelijk bij een mooi vuur teeten, boven hoorde hij een zwak stemgeluid. De vrouw wenschte hem geluk en Simon en Josse moesten daar hard om lachen, maar Tamalone zeide niets, spreidde zijn handen voor de vlammen uit en nam toen gretig een groote pastei.Bij het grauwen van den komenden dag liep hij zachtkens naar boven en trad de kamer van Mevena binnen; zij lag met open oogen en glimlachte toen zij hem zag, aan haar voeten was een rood gezichtje. Hij boog er zich even voorover, knikte dan tot Mevena met goedhartigen blik.Dien ochtend dwaalde hij alleen in de besneeuwde stad, denkend aan de winterdagen toen hij het huis van zijn vader verlaten had en voor ’t eerst ’s nachts buiten was geweest; de sneeuw lag toen even dik en de soldaten van de stadswacht hadden hem gevonden. Hij trachtte aan Mevena te denken, maar hij zag voortdurend beelden uit het verleden, die zijn hart neerslachtig maakten en er weemoed wekten, zijn leven had zoo anders kunnen zijn. Hij kon de dikke lucht en de klanklooze straten niet verdragen en trad een herberg binnen,waar hij in een hoek zat en veel wijn dronk. Eensklaps herinnerde hij zich, dat hij voor Mevena moest zorgen, daar Simon en Josse aan hun werk waren, hij keerde vlug naar huis. Een half uur later bracht hij een wasemende brei naar boven, dien hij zelf had gekookt.Na een poos, toen het weder milder werd begon het Mevena te bevreemden waarom Rogier niet gekomen was. Zij sprak er over met haar vrienden en hoorde wat Rogier geantwoord had;—dan vroeg zij of de krijg nog lang zou duren en hoe ver Capraia was, maar Tamalone met zijn muts in de hand om naar buiten te gaan, antwoordde gemelijk dat hij ’t niet wist. Met het schreeuwend kind in haar armen liep zij heen en weder in de kamer, zij begreep niet, hoe zij zoo langen tijd van haar geliefde gescheiden was geweest.En haar gepeinzen werden veelvuldig en inniger met de dagen, de begeerte, die haar gedreven had op de reis naar de stad verontrustte haar weder in steeds heviger keerenden gloed, met droomend gemoed staarde zij soms, terwijl zij het kind aanhaar boezem zuide, langdurig naar buiten, waar de vogel zonder einde kwinkeleerde in zijn kooi.Des avonds beneden speelde Baldo zelden meer op zijn viool, de gebroeders praatten soezend over hetgeen er in de stad gebeurde, terwijl Mevena met neêrgeslagen oogen zat te naaien. Tamalone was meestal uit, hij dwaalde door de straten en de velden, zijn hoofd was immer gebogen.Omtrent Paasch, op een morgen toen zij haar kind in de wieg had geleid, kwamzijbij Simon en Tamalone aan de voordeur staan.„Simon,” zeide ze, „ik ga morgen naar Capraia.”De twee vrienden zagen haar verbluft aan.„Alleen met het kind? Het is wel anderhalven dag van hier.”„Als Tamalone mij niet brengen kan zal ik alleen gaan, maar ik zal rijden en er eerder zijn.”„Maar Tamalone gaat meê,” antwoordde Simon beslist: „want wij kunnen zoolang niet van den winkel.”En de ander, met toegenepen mond eneen lachje naar de verte kijkend, knikte en zweeg. Hij herinnerde zich, dat er in het leger van den keizer groote heeren waren, die zijn gezicht zeer goed kenden en lachen zouden als hij aan een boomtak hing. Maar ’t was al eender, hij zou wel op zijn hoede zijn.De gebroeders spraken onophoudelijk tot Mevena dien dag en volgden haar waar zij ging; zij gaven haar allerlei ernstigen raad toen zij alleen met haar waren aan het eten en vroegen haar herhaaldelijk toch bij hen terug te komen. Tamalone kwam laat thuis; hij droeg korte kleederen als een krijgsman, gespoorde laarzen, een nieuw zwaard aan zijn zij en een muts met een pluim. De broeders staarden hem aan en Josse kon niet nalaten te zeggen en telkens hoofdschuddend te herhalen, dat hij sprekend op een hertog geleek, dien hij eens had gezien.Allen waren vroeg op den volgenden morgen. Baldo bleef thuis om te helpen, Josse kon het vuur van zijn oven niet aan krijgen. Simon had de kleedertjes van het kind in een zak gepakt, dien hij aljaren bezat en er het beste gebak van zijn broeder bij gedaan. Toen Tamalone de paarden voor de deur leidde liepen de schippers, kooplui en buren nieuwsgierig te zaâm, de vogel onder het raam hield bij zooveel stemmengerucht zijn tjuiken in. Met vochtige oogen zoende Josse het kind, zijn broeder klopte gemoedelijk de omstanders op hun schouders en Baldo stond met den zak op den rug te kijken. Het was een lieflijke voorjaarsmorgen.Tamalone en Mevena reden weg, tot het einde der kade zagen zij voortdurend om en wuifden hun groeten terug.

8De ruiters waren reeds verdwenen en het laatste trompetgeluid verging in de verte toen Mevena rondom zich naar de verlatenheid der bergen zag en nederig, zachtjes zeide:„Ik heb gezondigd tegen mijn vader, messer; gelooft gij dat de heilige Moeder mij vergeven zal?”Tamalone, uit zijn mijmering opziende, knikte goedhartig zijn hoofd.„Zou ik verhoord worden als ik bid voor Rogier? en wilt gij ook voor hem bidden?”Hij spreidde zijn armen wijd in de hoogte—Mevena kon zijn oogen niet onderscheiden, maar zij voelde de aanwezigheid van een zwaarkloppend hart.„Ja, laten wij samen bidden.”En beiden knielden op de heuvelhelling, vouwden de handen en smeekten om bescherming voor Rogier in den oorlog; de monnik, terwijl hij de woorden uitsprak, verbaasd over wat hij deed: terwille eener lieve vrouw den hemel aanroepen voor een tegen wien hij zijn woede slechts een korte wijl te voren bedwongen had. Het bedrog ergerde hem, een oogenblik slechts, want toen hij opstond, had hij die verheven onverschilligheid weder, die slechts weinigen kennen en die beminnelijk glimlachen doet om eigen zonde.„We moeten morgen vroeg op weg,” zeide hij: „ik zal u de pij weêr geven en ga dan slapen. Dáár is het zacht, onder dien boom.”Bedaard en zorgvuldig spreidde hij de twee wollen zadels op den grond, die glad was van dennenaalden, en wachtte tot zij nederlag en zich in de pij had gewikkeld. Dan drentelde hij heen, zachtjes een deuntje sissend, en leide zich eveneens te ruste.In den nacht ontwaakte hij met schrik uit loomen slaap en zag den hemel rijkmet klare starren versierd—er waren er zóóvele als hij nog nooit had gezien, de duisternis over de bergen had er een mistige schittering van, gelijk van bedroefde oogen. Tamalone begreep niet wat hem had wakker gemaakt in een stemming van genot en ontzag en wat hem op dit oogenblik denken deed aan zijn jongelingsjaren—hij zag zeer helder een winteravond met sneeuw geruchtloos warrelend tusschen de gesloten huizen, toen hij zijn ouders verlaten had, die bij de schouw zaten waar het vuur hoog in vlamde. En hij hoorde koraalgezang in zijn gemoed.Herinnering vloot door zijn ziel nu, gelijk een oud wijsje van stil teêrhartig snarenspel, bescheiden, doch met een doordringende bekoring waar hij zich geheel aan overgaf. Over alle herdenken echter steeg telkenmale een verheugde verwondering waarom de nacht zóó schoon was, nu hij als eenzaam vreemdeling zat bij de vrouw, die hem zeer lief was. De wereld rondom deed zich op als een uitgestrekt duister land vol drukke mannen en vrouwen, in de stille bergen waar de starrenschenen, waakte een zwerver bescheiden aandachtig bij een lieve slaapster. De luisterrijke nacht was wonderlijk bezield, hij rilde van koude en wist, dat het oogenblik vergankelijk was.De hemel van flonkrend gesprankel was zeer laag gedaald, in de brooze stilte hoorde hij het bonzen van zijn hart. Menigmaal reeds had hij op oogenblikken wanneer de wereld voor hem vol was van groote gebeurlijkheden met diepe vroomheid berust in wat de tijd hem geven zoude en ook thans weêr genoot hij in die berusting. Wel slopen bedriegelijk gedachten, uit sluwe ondervinding gesproten, dat hij, die zich tot wanhoop veroordeeld weet en die niets te verliezen heeft dan het licht der zon, de macht heeft vele menschen te dwingen ten eigen baat, immers wie sterven wil kan beschikken over het leven van den koning; dat hij zich zelven niet begrijpende ook zijn lot niet kennen kon,—en dat er velen gelukkig werden die sterk genoeg waren om waarlijk te lijden en met daden te streven naar wat zij begeerden. Doch zijn hart bleef koel in de onwrikbarezekerheid, dat slechts het onverwachte schoon is en het ontvangen waard. De slapende vrouw daarginder beminde hem niet; hij had genoeg beleefd van vrouwen, die hij met opzet tot liefde behaagd had. Hij verkoos zijn hart onuitgesproken te laten met de dwalende hoop, dat het toeval, het heerlijk toeval, dat hij aanbad, Mevena’s gelaat met lieven glans tot hem mocht keeren.Bij den dageraad nog lag hij, het hoofd in de hand geleund, in grillig gemijmer over zijn verleden. In zachtzinnig berouw en zedigheid dacht hij aan vervlogen mogelijkheden, aan vrouwen, die hem bemind hadden, of zij zich hem nog herinnerden.Het hoofd naar den denneboom keerend zag hij in den schemer daar beneden iets licht bewegen. Toen bezon hij zich, dat zij vroeg op reis zouden en stond op. De verschoten hemel was wijkend alom met zijn bloei van kwijnende starren; hier en daar dreven trage dampen over de bergtoppen, waarvan er sommige reeds in dauwig morgenlicht schenen.Tamalone zette zich aan het werk om vuur te maken en terwijl hij op zijn knieën over een stapeltje hout boog ontwaarde hij Mevena, die geruischloos bij hem stond. Zij glimlachte toen hij haar aankeek, en knikte. Achter haar zag hij door de wiegelende kruinen der boomen en over de glooiingen der bergen den gloed van den ochtend, en hij kreeg plotseling een gevoel, dat zijn leven een keer ging nemen.Mevena kwam dichter bij, haar zachte stem was het eerste geluid van den dag.„Ik ga niet naar Siremonte. Ik zou nooit kunnen slapen door de gedachte, dat hij in ’t gevecht is—ik moet dichtbij hem zijn. Waar is hij heengegaan? Wilt ge mij naar hem toe brengen of als dat niet kan naar een stad niet ver van het leger? De reis zal mij niet vermoeien. Ik zal u niets meer vragen, maar breng mij dicht bij Rogier... o ge weet niet hoe blij ik zal zijn.”Even zweeg ze, maar hernam met smeekende liefheid:„Wilt ge dat doen, messer Tamalone?”De klank waarmede zij zijn naam sprakgaf hem onverwachte vreugde, hij wenschte dat zij dien nog eens noemde.„De keizer is in Toscane,” antwoordde hij; „bijna alle steden daar zijn gevaarlijk voor u. Maar ge hebt gelijk, het zou dwaas zijn een lange reis naar Siremonte te doen, het kasteel ligt misschien al in puin, want uw vader is daar natuurlijk het eerst gegaan om u te zoeken. Wij moeten naar een veilige stad, een goede stad waar men u niet kent. Pisa, wilt gij naar Pisa gaan?”„Is dat dicht bij Rogier?”„De troepen van den keizer en hun bondgenooten zijn daar in het land. Het is wel drie dagen van hier, maar wij zullen rusten onderweg.”„Neen, neen, drie dagen is niet lang, als we alleen ’s nachts rusten zullen we er eerder zijn. En ik zal daar ten minste tijdingen hooren. O, wat zijt ge goed, heer broeder,” zeide ze terwijl ze plots zijn hand vatte en die lichtkens kuste.Hij trok zijn hand terug, boog met een tintelenden gloed op het gelaat over het hout en begon hard het smeulende vuur aan te blazen. In den rook, die toen opsteegzag zij, dat hij tranen in de oogen kreeg en naast hem neder hurkend, met haar hand op zijn schouder, zeide zij lachend:„Laat mij het aanmaken, gij doet zoo veel....”„Dan zal ik water gaan halen en de paarden zadelen. We moeten vroeg gaan.”De lucht was nog koel toen zij vertrokken, rijdend in de sporen, die gisteravond Rogier en zijn ruiters hadden gemaakt. Uren lang daalden hun paarden met voorzichtige pooten over gesteenten stappend de bergen af en hield het moeilijk rijden hun aandacht. Toen zij eindelijk aan een smal wegje kwamen aan beide zijden met heesters begroeid, zagen zij de hoefsporen, waarnaar zij zich tot dusver hadden gericht, naar het zuiden gekeerd; doch de monnik achtte het raadzaam recht door te gaan, door een heuvelland welig van jong olijfgewas, dat in tallooze bladertjes het zonlicht dartelen deed.Mevena, kruiselings in het zadel, reed een halve lengte vóór, zoodat Tamalone voortdurend naar haar kon kijken zonderhaar oogen te ontmoeten. Onder haar pij zag hij een tenger been in groene kous tegen den flank van het paard, en onder haar schouders den kap die geregeld schokte op den smallen rug. Als hij zich oprichtte ontwaarde hij alom in zachtbewogen windgewarrel een eindelooze bladerenmenigte, die geen gezichteinder had dan de zonnig blauwe lucht. De eenzaamheid was hier grooter dan in de bergen. Hij voelde een neiging om niet verder te gaan, om stil te houden en in ’t zwellend genot van ’t oogenblik die lieve vrouw vóór hem aanbiddend te streelen. Maar hij lachte even, licht verbaasd hoe in de eenzaamheid menschen elkander vertrouwen konden, en klopte den hals van zijn paard.Laat hielden zij stil bij eenige boomen, waar zij karresporen zagen. Zij besloten hier af te stijgen en onder de bloote lucht te overnachten. Voor hun eten gingen zij kastanjes zoeken, te zamen, want Mevena wilde haar deel hebben in de bezigheden. Ondanks hare vermoeidheid was zij zoo luidruchtig vroolijk, dat Tamalone zich telkens uit de bukkende houding oprichtte,wanneer haar milde stem in de schemering van het gebladerte hem schertsend iets toeriep. De lucht scheen hem zachter hier dan in de bergen, er was een onnoemelijke behagelijkheid in dit lichtloos uur van den dag, in den geur van molmend hout, in het geritsel der dorre blâren die Mevena met den voet wegschoof, en luchthartig antwoordde hij haar geroep, zoodat het oud geboomte weerklonk van lachend hoog en diep geluid om beurt.Dan roosterden zij te zamen de kastanjes en Mevena, die lustig werd van het nieuwe leven onder den hemel, sprak gedurig met onverwachte guitigheid, lachte en vertelde van haar meisjesleven, zoodat ten leste Tamalone in zoete verrukking zweeg en luisterde, vergetend dat zij hem niet beminde.Toen zij te slapen gegaan was zat hij kalm alleen; hij hoorde het geluid harer jonge stem nog, doch in zijn hart ontloken weemoedige gevoelens weder, het geruisch van de bladeren en de stille starren herinnerden hem, dat hij evenzoo waakte gelijk den nacht te voren. Hij lei zich neder bij het smeulende hout en wachtteop den slaap, zijn oogen bleven echter open en zagen de starren vermeerderen. De dauw begon over den grond te dampen, slechts het geruisch van de bladeren der populieren wilde de fluisterende eenzaamheid niet verlaten en de duisternis duurde langen, langen tijd.Eindelijk verbleekte de lucht weêr, de planeten hadden hun reis volbracht. Tamalone, die roerloos gelegen had, stond op om zijn leden te bewegen en het vuur weder aan te blazen.Dien dag was Mevena weêr blijgezind, zij zong zelfs liedjes nu en de monnik, naast haar rijdende, luisterde met bestendigen glimlach of zong, daar zij er om vroeg, op zijne beurt ouderwetsche melodijen, die hij van vroeger nog wist. Zij was verrast en lachte veel. Tamalone, die bespeurde, dat hij haar lang aan kon zien wanneer zij in vroolijkheid gemeenzaam was, praatte aanhoudend en bij zijn gemoedelijke verhalen begon zij te zien, dat hij veel beminnelijker was dan zij te voren dacht. De naam van Rogier werd dien dag niet genoemd.Zij stegen zeer vermoeid bij een groen korenveld af, waar Mevena ging liggen in een paadje tusschen twee akkers. Ook de klerk sliep weldra. Doch toen hij wakker werd in den nacht was het een vale duisternis en hij kon het meisje niet zien. Hij hoorde niets ofschoon hij meende dicht bij ingeslapen te zijn. En nu hij ongerust werd sprong hij op, liep op den tast in de richting waar hij dacht dat zij was, tot hij eindelijk weêr haar lichten adem hoorde. Toen liep hij eenige passen terug en lei zich weêr neêr om te slapen.Des morgens opende hij zijn oogen en ontwaarde schier naast hem Mevena in zittende houding, alsof ook zij juist was ontwaakt. Haar gelaat, dat zeer bleek was, glimlachte.„Wij zijn laat,” zeide ze.Tamalone bloosde en stond bedremmeld op.In blakende zonnewarmte reden zij zwijgend naast elkander den derden dag. Mevena dacht aan den minnaar en aan de naderende stad; de monnik keek haar dikwijls van ter zijde aan, verontrust over debleekheid van haar gezicht. Hij vroeg met lieven aandrang soms of zij rusten wilde, doch zij antwoordde ongeduldig dat zij niet moede was, en beiden reden door, het snuiven en kleppen der goede paarden was het eenig geluid. Uren lang volgden zij den oever van een diep liggend riviertje den stroom afwaarts, er scheen aan den loop van het gerimpeld water geen einde te komen, en de dag was vermoeiend en lang. Bij wijlen zeide zij iets, een onverschillig woord om de stilte te breken, maar hare stem was buigingloos en Tamalone antwoordde even kort of met een knik. Slechts de verschijning van een enkel landman, die eerbiedig groetend langzaam voorbijging, bracht hun verdwaalde gedachten terug voor een oogenblik; zij wisselden dan eenige woorden en herhaalden hun afspraak wat zij uit voorzichtigheid doen zouden in de stad.Eindelijk, toen zij aan hun rechterhand in de lucht de torens van een burcht zagen rijzen, begonnen hun paarden moeilijk te stijgen, zij kwamen in de Pisaansche bergen. Verderop bemerkten zij in de lageverte daken en torens en hier en daar kleine lichtjes. Mevena reed nu met opgericht lijf, de monnik zag haar oogen groot en strak geopend, zij had de lippen vastgeklemd; de avondbries, van regen en zeelucht vochtig, deed de wijde mouwen van haar pij zachtjes fladderen.Toen zij de poort bereikten, waar bij een lantaarn twee wachters soezend zaten te mompelen, was de nacht drukkend van duisternis. Een der paarden hinnikte helder en luid, van een toren zeer nabij klonk een zware klok.In de straten waren de luiken en deuren der huizen gesloten. Tamalone, die de beide paarden bij de teugels leidde, liep behoedzaam in den donker zoekend en had zijn aandacht op den hobbeligen weg gevestigd. Op eens hoorde hij een snik en een val, Mevena’s paard stond stil. Met een kreet bukte hij neder tusschen de pooten, hij wilde schreeuwen, maar sloot dadelijk zijn lippen weder. Bevend zorgvuldig nam hij haar lichaam in zijn arm, aan den andere leidde hij de dieren voort. De duisternis was loom en stil,slechts een venstertje, dat geopend werd, knerste.Aan de rivier voor een laag huisje bleef hij staan; hij klopte aan de deur en terwijl hij wachtte hoorde hij het stroomende water klotsen tegen den wal. Een man met een lamp deed open en zeide:„Ohé!”„Houd de paarden vast, ik heb hier een zieke. Geef mij de lamp, dan kan ik naar boven gaan, gauw.”Langs een nauwe trap droeg hij Mevena in een vertrekje, met houten wanden en een hellende zoldering; daar legde hij haar neder op wat stroo in den hoek en zette het licht op den vloer. Hij ging snel heen en kwam snel weêr terug met wijn en brood. Toen hij haar voorhoofd, waar een streepje bloed op lag, gewasschen had herkreeg zij haar bewustzijn en glimlachte en bij dien glimlach zuchtte hij diep.In een kamer beneden werd gepraat. Zij trachtte zich op te richten, doch daar dit haar pijn deed lei zij haar hoofdje gelaten weêr neêr en nam Tamalones hand. Zich voorover buigend gaf hij haar tedrinken uit een kroes—de een noch de ander had een enkel woord gesproken, maar bij ’t rossig licht, terwijl zij dronk, zag hij in haar oogen die tot hem opgericht waren een glans van verwonderde innigheid en hij had een meewarig gevoel, dat dit meisje even eenzaam was op de wereld als hij zelf en geen ander verzorger had dan hem.Na een wijle liet hij haar in donker alleen. Beneden werd de deur eener kamer voor hem geopend, waar bij een walmende pit drie mannen aan een tafel zaten te spelen, landgenooten, die hem met nieuwsgierige blikken begroetten. Hij lachte gemoedelijk, zette zich bij hen aan de tafel, ledigde een grooten beker bier en, terwijl hij de kaarten opnam die hem toegedeeld waren, begon hij zijn wederwaardigheden te vertellen, echter zonder van zijn geheime gedachten te spreken.

8

De ruiters waren reeds verdwenen en het laatste trompetgeluid verging in de verte toen Mevena rondom zich naar de verlatenheid der bergen zag en nederig, zachtjes zeide:„Ik heb gezondigd tegen mijn vader, messer; gelooft gij dat de heilige Moeder mij vergeven zal?”Tamalone, uit zijn mijmering opziende, knikte goedhartig zijn hoofd.„Zou ik verhoord worden als ik bid voor Rogier? en wilt gij ook voor hem bidden?”Hij spreidde zijn armen wijd in de hoogte—Mevena kon zijn oogen niet onderscheiden, maar zij voelde de aanwezigheid van een zwaarkloppend hart.„Ja, laten wij samen bidden.”En beiden knielden op de heuvelhelling, vouwden de handen en smeekten om bescherming voor Rogier in den oorlog; de monnik, terwijl hij de woorden uitsprak, verbaasd over wat hij deed: terwille eener lieve vrouw den hemel aanroepen voor een tegen wien hij zijn woede slechts een korte wijl te voren bedwongen had. Het bedrog ergerde hem, een oogenblik slechts, want toen hij opstond, had hij die verheven onverschilligheid weder, die slechts weinigen kennen en die beminnelijk glimlachen doet om eigen zonde.„We moeten morgen vroeg op weg,” zeide hij: „ik zal u de pij weêr geven en ga dan slapen. Dáár is het zacht, onder dien boom.”Bedaard en zorgvuldig spreidde hij de twee wollen zadels op den grond, die glad was van dennenaalden, en wachtte tot zij nederlag en zich in de pij had gewikkeld. Dan drentelde hij heen, zachtjes een deuntje sissend, en leide zich eveneens te ruste.In den nacht ontwaakte hij met schrik uit loomen slaap en zag den hemel rijkmet klare starren versierd—er waren er zóóvele als hij nog nooit had gezien, de duisternis over de bergen had er een mistige schittering van, gelijk van bedroefde oogen. Tamalone begreep niet wat hem had wakker gemaakt in een stemming van genot en ontzag en wat hem op dit oogenblik denken deed aan zijn jongelingsjaren—hij zag zeer helder een winteravond met sneeuw geruchtloos warrelend tusschen de gesloten huizen, toen hij zijn ouders verlaten had, die bij de schouw zaten waar het vuur hoog in vlamde. En hij hoorde koraalgezang in zijn gemoed.Herinnering vloot door zijn ziel nu, gelijk een oud wijsje van stil teêrhartig snarenspel, bescheiden, doch met een doordringende bekoring waar hij zich geheel aan overgaf. Over alle herdenken echter steeg telkenmale een verheugde verwondering waarom de nacht zóó schoon was, nu hij als eenzaam vreemdeling zat bij de vrouw, die hem zeer lief was. De wereld rondom deed zich op als een uitgestrekt duister land vol drukke mannen en vrouwen, in de stille bergen waar de starrenschenen, waakte een zwerver bescheiden aandachtig bij een lieve slaapster. De luisterrijke nacht was wonderlijk bezield, hij rilde van koude en wist, dat het oogenblik vergankelijk was.De hemel van flonkrend gesprankel was zeer laag gedaald, in de brooze stilte hoorde hij het bonzen van zijn hart. Menigmaal reeds had hij op oogenblikken wanneer de wereld voor hem vol was van groote gebeurlijkheden met diepe vroomheid berust in wat de tijd hem geven zoude en ook thans weêr genoot hij in die berusting. Wel slopen bedriegelijk gedachten, uit sluwe ondervinding gesproten, dat hij, die zich tot wanhoop veroordeeld weet en die niets te verliezen heeft dan het licht der zon, de macht heeft vele menschen te dwingen ten eigen baat, immers wie sterven wil kan beschikken over het leven van den koning; dat hij zich zelven niet begrijpende ook zijn lot niet kennen kon,—en dat er velen gelukkig werden die sterk genoeg waren om waarlijk te lijden en met daden te streven naar wat zij begeerden. Doch zijn hart bleef koel in de onwrikbarezekerheid, dat slechts het onverwachte schoon is en het ontvangen waard. De slapende vrouw daarginder beminde hem niet; hij had genoeg beleefd van vrouwen, die hij met opzet tot liefde behaagd had. Hij verkoos zijn hart onuitgesproken te laten met de dwalende hoop, dat het toeval, het heerlijk toeval, dat hij aanbad, Mevena’s gelaat met lieven glans tot hem mocht keeren.Bij den dageraad nog lag hij, het hoofd in de hand geleund, in grillig gemijmer over zijn verleden. In zachtzinnig berouw en zedigheid dacht hij aan vervlogen mogelijkheden, aan vrouwen, die hem bemind hadden, of zij zich hem nog herinnerden.Het hoofd naar den denneboom keerend zag hij in den schemer daar beneden iets licht bewegen. Toen bezon hij zich, dat zij vroeg op reis zouden en stond op. De verschoten hemel was wijkend alom met zijn bloei van kwijnende starren; hier en daar dreven trage dampen over de bergtoppen, waarvan er sommige reeds in dauwig morgenlicht schenen.Tamalone zette zich aan het werk om vuur te maken en terwijl hij op zijn knieën over een stapeltje hout boog ontwaarde hij Mevena, die geruischloos bij hem stond. Zij glimlachte toen hij haar aankeek, en knikte. Achter haar zag hij door de wiegelende kruinen der boomen en over de glooiingen der bergen den gloed van den ochtend, en hij kreeg plotseling een gevoel, dat zijn leven een keer ging nemen.Mevena kwam dichter bij, haar zachte stem was het eerste geluid van den dag.„Ik ga niet naar Siremonte. Ik zou nooit kunnen slapen door de gedachte, dat hij in ’t gevecht is—ik moet dichtbij hem zijn. Waar is hij heengegaan? Wilt ge mij naar hem toe brengen of als dat niet kan naar een stad niet ver van het leger? De reis zal mij niet vermoeien. Ik zal u niets meer vragen, maar breng mij dicht bij Rogier... o ge weet niet hoe blij ik zal zijn.”Even zweeg ze, maar hernam met smeekende liefheid:„Wilt ge dat doen, messer Tamalone?”De klank waarmede zij zijn naam sprakgaf hem onverwachte vreugde, hij wenschte dat zij dien nog eens noemde.„De keizer is in Toscane,” antwoordde hij; „bijna alle steden daar zijn gevaarlijk voor u. Maar ge hebt gelijk, het zou dwaas zijn een lange reis naar Siremonte te doen, het kasteel ligt misschien al in puin, want uw vader is daar natuurlijk het eerst gegaan om u te zoeken. Wij moeten naar een veilige stad, een goede stad waar men u niet kent. Pisa, wilt gij naar Pisa gaan?”„Is dat dicht bij Rogier?”„De troepen van den keizer en hun bondgenooten zijn daar in het land. Het is wel drie dagen van hier, maar wij zullen rusten onderweg.”„Neen, neen, drie dagen is niet lang, als we alleen ’s nachts rusten zullen we er eerder zijn. En ik zal daar ten minste tijdingen hooren. O, wat zijt ge goed, heer broeder,” zeide ze terwijl ze plots zijn hand vatte en die lichtkens kuste.Hij trok zijn hand terug, boog met een tintelenden gloed op het gelaat over het hout en begon hard het smeulende vuur aan te blazen. In den rook, die toen opsteegzag zij, dat hij tranen in de oogen kreeg en naast hem neder hurkend, met haar hand op zijn schouder, zeide zij lachend:„Laat mij het aanmaken, gij doet zoo veel....”„Dan zal ik water gaan halen en de paarden zadelen. We moeten vroeg gaan.”De lucht was nog koel toen zij vertrokken, rijdend in de sporen, die gisteravond Rogier en zijn ruiters hadden gemaakt. Uren lang daalden hun paarden met voorzichtige pooten over gesteenten stappend de bergen af en hield het moeilijk rijden hun aandacht. Toen zij eindelijk aan een smal wegje kwamen aan beide zijden met heesters begroeid, zagen zij de hoefsporen, waarnaar zij zich tot dusver hadden gericht, naar het zuiden gekeerd; doch de monnik achtte het raadzaam recht door te gaan, door een heuvelland welig van jong olijfgewas, dat in tallooze bladertjes het zonlicht dartelen deed.Mevena, kruiselings in het zadel, reed een halve lengte vóór, zoodat Tamalone voortdurend naar haar kon kijken zonderhaar oogen te ontmoeten. Onder haar pij zag hij een tenger been in groene kous tegen den flank van het paard, en onder haar schouders den kap die geregeld schokte op den smallen rug. Als hij zich oprichtte ontwaarde hij alom in zachtbewogen windgewarrel een eindelooze bladerenmenigte, die geen gezichteinder had dan de zonnig blauwe lucht. De eenzaamheid was hier grooter dan in de bergen. Hij voelde een neiging om niet verder te gaan, om stil te houden en in ’t zwellend genot van ’t oogenblik die lieve vrouw vóór hem aanbiddend te streelen. Maar hij lachte even, licht verbaasd hoe in de eenzaamheid menschen elkander vertrouwen konden, en klopte den hals van zijn paard.Laat hielden zij stil bij eenige boomen, waar zij karresporen zagen. Zij besloten hier af te stijgen en onder de bloote lucht te overnachten. Voor hun eten gingen zij kastanjes zoeken, te zamen, want Mevena wilde haar deel hebben in de bezigheden. Ondanks hare vermoeidheid was zij zoo luidruchtig vroolijk, dat Tamalone zich telkens uit de bukkende houding oprichtte,wanneer haar milde stem in de schemering van het gebladerte hem schertsend iets toeriep. De lucht scheen hem zachter hier dan in de bergen, er was een onnoemelijke behagelijkheid in dit lichtloos uur van den dag, in den geur van molmend hout, in het geritsel der dorre blâren die Mevena met den voet wegschoof, en luchthartig antwoordde hij haar geroep, zoodat het oud geboomte weerklonk van lachend hoog en diep geluid om beurt.Dan roosterden zij te zamen de kastanjes en Mevena, die lustig werd van het nieuwe leven onder den hemel, sprak gedurig met onverwachte guitigheid, lachte en vertelde van haar meisjesleven, zoodat ten leste Tamalone in zoete verrukking zweeg en luisterde, vergetend dat zij hem niet beminde.Toen zij te slapen gegaan was zat hij kalm alleen; hij hoorde het geluid harer jonge stem nog, doch in zijn hart ontloken weemoedige gevoelens weder, het geruisch van de bladeren en de stille starren herinnerden hem, dat hij evenzoo waakte gelijk den nacht te voren. Hij lei zich neder bij het smeulende hout en wachtteop den slaap, zijn oogen bleven echter open en zagen de starren vermeerderen. De dauw begon over den grond te dampen, slechts het geruisch van de bladeren der populieren wilde de fluisterende eenzaamheid niet verlaten en de duisternis duurde langen, langen tijd.Eindelijk verbleekte de lucht weêr, de planeten hadden hun reis volbracht. Tamalone, die roerloos gelegen had, stond op om zijn leden te bewegen en het vuur weder aan te blazen.Dien dag was Mevena weêr blijgezind, zij zong zelfs liedjes nu en de monnik, naast haar rijdende, luisterde met bestendigen glimlach of zong, daar zij er om vroeg, op zijne beurt ouderwetsche melodijen, die hij van vroeger nog wist. Zij was verrast en lachte veel. Tamalone, die bespeurde, dat hij haar lang aan kon zien wanneer zij in vroolijkheid gemeenzaam was, praatte aanhoudend en bij zijn gemoedelijke verhalen begon zij te zien, dat hij veel beminnelijker was dan zij te voren dacht. De naam van Rogier werd dien dag niet genoemd.Zij stegen zeer vermoeid bij een groen korenveld af, waar Mevena ging liggen in een paadje tusschen twee akkers. Ook de klerk sliep weldra. Doch toen hij wakker werd in den nacht was het een vale duisternis en hij kon het meisje niet zien. Hij hoorde niets ofschoon hij meende dicht bij ingeslapen te zijn. En nu hij ongerust werd sprong hij op, liep op den tast in de richting waar hij dacht dat zij was, tot hij eindelijk weêr haar lichten adem hoorde. Toen liep hij eenige passen terug en lei zich weêr neêr om te slapen.Des morgens opende hij zijn oogen en ontwaarde schier naast hem Mevena in zittende houding, alsof ook zij juist was ontwaakt. Haar gelaat, dat zeer bleek was, glimlachte.„Wij zijn laat,” zeide ze.Tamalone bloosde en stond bedremmeld op.In blakende zonnewarmte reden zij zwijgend naast elkander den derden dag. Mevena dacht aan den minnaar en aan de naderende stad; de monnik keek haar dikwijls van ter zijde aan, verontrust over debleekheid van haar gezicht. Hij vroeg met lieven aandrang soms of zij rusten wilde, doch zij antwoordde ongeduldig dat zij niet moede was, en beiden reden door, het snuiven en kleppen der goede paarden was het eenig geluid. Uren lang volgden zij den oever van een diep liggend riviertje den stroom afwaarts, er scheen aan den loop van het gerimpeld water geen einde te komen, en de dag was vermoeiend en lang. Bij wijlen zeide zij iets, een onverschillig woord om de stilte te breken, maar hare stem was buigingloos en Tamalone antwoordde even kort of met een knik. Slechts de verschijning van een enkel landman, die eerbiedig groetend langzaam voorbijging, bracht hun verdwaalde gedachten terug voor een oogenblik; zij wisselden dan eenige woorden en herhaalden hun afspraak wat zij uit voorzichtigheid doen zouden in de stad.Eindelijk, toen zij aan hun rechterhand in de lucht de torens van een burcht zagen rijzen, begonnen hun paarden moeilijk te stijgen, zij kwamen in de Pisaansche bergen. Verderop bemerkten zij in de lageverte daken en torens en hier en daar kleine lichtjes. Mevena reed nu met opgericht lijf, de monnik zag haar oogen groot en strak geopend, zij had de lippen vastgeklemd; de avondbries, van regen en zeelucht vochtig, deed de wijde mouwen van haar pij zachtjes fladderen.Toen zij de poort bereikten, waar bij een lantaarn twee wachters soezend zaten te mompelen, was de nacht drukkend van duisternis. Een der paarden hinnikte helder en luid, van een toren zeer nabij klonk een zware klok.In de straten waren de luiken en deuren der huizen gesloten. Tamalone, die de beide paarden bij de teugels leidde, liep behoedzaam in den donker zoekend en had zijn aandacht op den hobbeligen weg gevestigd. Op eens hoorde hij een snik en een val, Mevena’s paard stond stil. Met een kreet bukte hij neder tusschen de pooten, hij wilde schreeuwen, maar sloot dadelijk zijn lippen weder. Bevend zorgvuldig nam hij haar lichaam in zijn arm, aan den andere leidde hij de dieren voort. De duisternis was loom en stil,slechts een venstertje, dat geopend werd, knerste.Aan de rivier voor een laag huisje bleef hij staan; hij klopte aan de deur en terwijl hij wachtte hoorde hij het stroomende water klotsen tegen den wal. Een man met een lamp deed open en zeide:„Ohé!”„Houd de paarden vast, ik heb hier een zieke. Geef mij de lamp, dan kan ik naar boven gaan, gauw.”Langs een nauwe trap droeg hij Mevena in een vertrekje, met houten wanden en een hellende zoldering; daar legde hij haar neder op wat stroo in den hoek en zette het licht op den vloer. Hij ging snel heen en kwam snel weêr terug met wijn en brood. Toen hij haar voorhoofd, waar een streepje bloed op lag, gewasschen had herkreeg zij haar bewustzijn en glimlachte en bij dien glimlach zuchtte hij diep.In een kamer beneden werd gepraat. Zij trachtte zich op te richten, doch daar dit haar pijn deed lei zij haar hoofdje gelaten weêr neêr en nam Tamalones hand. Zich voorover buigend gaf hij haar tedrinken uit een kroes—de een noch de ander had een enkel woord gesproken, maar bij ’t rossig licht, terwijl zij dronk, zag hij in haar oogen die tot hem opgericht waren een glans van verwonderde innigheid en hij had een meewarig gevoel, dat dit meisje even eenzaam was op de wereld als hij zelf en geen ander verzorger had dan hem.Na een wijle liet hij haar in donker alleen. Beneden werd de deur eener kamer voor hem geopend, waar bij een walmende pit drie mannen aan een tafel zaten te spelen, landgenooten, die hem met nieuwsgierige blikken begroetten. Hij lachte gemoedelijk, zette zich bij hen aan de tafel, ledigde een grooten beker bier en, terwijl hij de kaarten opnam die hem toegedeeld waren, begon hij zijn wederwaardigheden te vertellen, echter zonder van zijn geheime gedachten te spreken.

De ruiters waren reeds verdwenen en het laatste trompetgeluid verging in de verte toen Mevena rondom zich naar de verlatenheid der bergen zag en nederig, zachtjes zeide:

„Ik heb gezondigd tegen mijn vader, messer; gelooft gij dat de heilige Moeder mij vergeven zal?”

Tamalone, uit zijn mijmering opziende, knikte goedhartig zijn hoofd.

„Zou ik verhoord worden als ik bid voor Rogier? en wilt gij ook voor hem bidden?”

Hij spreidde zijn armen wijd in de hoogte—Mevena kon zijn oogen niet onderscheiden, maar zij voelde de aanwezigheid van een zwaarkloppend hart.

„Ja, laten wij samen bidden.”

En beiden knielden op de heuvelhelling, vouwden de handen en smeekten om bescherming voor Rogier in den oorlog; de monnik, terwijl hij de woorden uitsprak, verbaasd over wat hij deed: terwille eener lieve vrouw den hemel aanroepen voor een tegen wien hij zijn woede slechts een korte wijl te voren bedwongen had. Het bedrog ergerde hem, een oogenblik slechts, want toen hij opstond, had hij die verheven onverschilligheid weder, die slechts weinigen kennen en die beminnelijk glimlachen doet om eigen zonde.

„We moeten morgen vroeg op weg,” zeide hij: „ik zal u de pij weêr geven en ga dan slapen. Dáár is het zacht, onder dien boom.”

Bedaard en zorgvuldig spreidde hij de twee wollen zadels op den grond, die glad was van dennenaalden, en wachtte tot zij nederlag en zich in de pij had gewikkeld. Dan drentelde hij heen, zachtjes een deuntje sissend, en leide zich eveneens te ruste.

In den nacht ontwaakte hij met schrik uit loomen slaap en zag den hemel rijkmet klare starren versierd—er waren er zóóvele als hij nog nooit had gezien, de duisternis over de bergen had er een mistige schittering van, gelijk van bedroefde oogen. Tamalone begreep niet wat hem had wakker gemaakt in een stemming van genot en ontzag en wat hem op dit oogenblik denken deed aan zijn jongelingsjaren—hij zag zeer helder een winteravond met sneeuw geruchtloos warrelend tusschen de gesloten huizen, toen hij zijn ouders verlaten had, die bij de schouw zaten waar het vuur hoog in vlamde. En hij hoorde koraalgezang in zijn gemoed.

Herinnering vloot door zijn ziel nu, gelijk een oud wijsje van stil teêrhartig snarenspel, bescheiden, doch met een doordringende bekoring waar hij zich geheel aan overgaf. Over alle herdenken echter steeg telkenmale een verheugde verwondering waarom de nacht zóó schoon was, nu hij als eenzaam vreemdeling zat bij de vrouw, die hem zeer lief was. De wereld rondom deed zich op als een uitgestrekt duister land vol drukke mannen en vrouwen, in de stille bergen waar de starrenschenen, waakte een zwerver bescheiden aandachtig bij een lieve slaapster. De luisterrijke nacht was wonderlijk bezield, hij rilde van koude en wist, dat het oogenblik vergankelijk was.

De hemel van flonkrend gesprankel was zeer laag gedaald, in de brooze stilte hoorde hij het bonzen van zijn hart. Menigmaal reeds had hij op oogenblikken wanneer de wereld voor hem vol was van groote gebeurlijkheden met diepe vroomheid berust in wat de tijd hem geven zoude en ook thans weêr genoot hij in die berusting. Wel slopen bedriegelijk gedachten, uit sluwe ondervinding gesproten, dat hij, die zich tot wanhoop veroordeeld weet en die niets te verliezen heeft dan het licht der zon, de macht heeft vele menschen te dwingen ten eigen baat, immers wie sterven wil kan beschikken over het leven van den koning; dat hij zich zelven niet begrijpende ook zijn lot niet kennen kon,—en dat er velen gelukkig werden die sterk genoeg waren om waarlijk te lijden en met daden te streven naar wat zij begeerden. Doch zijn hart bleef koel in de onwrikbarezekerheid, dat slechts het onverwachte schoon is en het ontvangen waard. De slapende vrouw daarginder beminde hem niet; hij had genoeg beleefd van vrouwen, die hij met opzet tot liefde behaagd had. Hij verkoos zijn hart onuitgesproken te laten met de dwalende hoop, dat het toeval, het heerlijk toeval, dat hij aanbad, Mevena’s gelaat met lieven glans tot hem mocht keeren.

Bij den dageraad nog lag hij, het hoofd in de hand geleund, in grillig gemijmer over zijn verleden. In zachtzinnig berouw en zedigheid dacht hij aan vervlogen mogelijkheden, aan vrouwen, die hem bemind hadden, of zij zich hem nog herinnerden.

Het hoofd naar den denneboom keerend zag hij in den schemer daar beneden iets licht bewegen. Toen bezon hij zich, dat zij vroeg op reis zouden en stond op. De verschoten hemel was wijkend alom met zijn bloei van kwijnende starren; hier en daar dreven trage dampen over de bergtoppen, waarvan er sommige reeds in dauwig morgenlicht schenen.

Tamalone zette zich aan het werk om vuur te maken en terwijl hij op zijn knieën over een stapeltje hout boog ontwaarde hij Mevena, die geruischloos bij hem stond. Zij glimlachte toen hij haar aankeek, en knikte. Achter haar zag hij door de wiegelende kruinen der boomen en over de glooiingen der bergen den gloed van den ochtend, en hij kreeg plotseling een gevoel, dat zijn leven een keer ging nemen.

Mevena kwam dichter bij, haar zachte stem was het eerste geluid van den dag.

„Ik ga niet naar Siremonte. Ik zou nooit kunnen slapen door de gedachte, dat hij in ’t gevecht is—ik moet dichtbij hem zijn. Waar is hij heengegaan? Wilt ge mij naar hem toe brengen of als dat niet kan naar een stad niet ver van het leger? De reis zal mij niet vermoeien. Ik zal u niets meer vragen, maar breng mij dicht bij Rogier... o ge weet niet hoe blij ik zal zijn.”

Even zweeg ze, maar hernam met smeekende liefheid:

„Wilt ge dat doen, messer Tamalone?”

De klank waarmede zij zijn naam sprakgaf hem onverwachte vreugde, hij wenschte dat zij dien nog eens noemde.

„De keizer is in Toscane,” antwoordde hij; „bijna alle steden daar zijn gevaarlijk voor u. Maar ge hebt gelijk, het zou dwaas zijn een lange reis naar Siremonte te doen, het kasteel ligt misschien al in puin, want uw vader is daar natuurlijk het eerst gegaan om u te zoeken. Wij moeten naar een veilige stad, een goede stad waar men u niet kent. Pisa, wilt gij naar Pisa gaan?”

„Is dat dicht bij Rogier?”

„De troepen van den keizer en hun bondgenooten zijn daar in het land. Het is wel drie dagen van hier, maar wij zullen rusten onderweg.”

„Neen, neen, drie dagen is niet lang, als we alleen ’s nachts rusten zullen we er eerder zijn. En ik zal daar ten minste tijdingen hooren. O, wat zijt ge goed, heer broeder,” zeide ze terwijl ze plots zijn hand vatte en die lichtkens kuste.

Hij trok zijn hand terug, boog met een tintelenden gloed op het gelaat over het hout en begon hard het smeulende vuur aan te blazen. In den rook, die toen opsteegzag zij, dat hij tranen in de oogen kreeg en naast hem neder hurkend, met haar hand op zijn schouder, zeide zij lachend:

„Laat mij het aanmaken, gij doet zoo veel....”

„Dan zal ik water gaan halen en de paarden zadelen. We moeten vroeg gaan.”

De lucht was nog koel toen zij vertrokken, rijdend in de sporen, die gisteravond Rogier en zijn ruiters hadden gemaakt. Uren lang daalden hun paarden met voorzichtige pooten over gesteenten stappend de bergen af en hield het moeilijk rijden hun aandacht. Toen zij eindelijk aan een smal wegje kwamen aan beide zijden met heesters begroeid, zagen zij de hoefsporen, waarnaar zij zich tot dusver hadden gericht, naar het zuiden gekeerd; doch de monnik achtte het raadzaam recht door te gaan, door een heuvelland welig van jong olijfgewas, dat in tallooze bladertjes het zonlicht dartelen deed.

Mevena, kruiselings in het zadel, reed een halve lengte vóór, zoodat Tamalone voortdurend naar haar kon kijken zonderhaar oogen te ontmoeten. Onder haar pij zag hij een tenger been in groene kous tegen den flank van het paard, en onder haar schouders den kap die geregeld schokte op den smallen rug. Als hij zich oprichtte ontwaarde hij alom in zachtbewogen windgewarrel een eindelooze bladerenmenigte, die geen gezichteinder had dan de zonnig blauwe lucht. De eenzaamheid was hier grooter dan in de bergen. Hij voelde een neiging om niet verder te gaan, om stil te houden en in ’t zwellend genot van ’t oogenblik die lieve vrouw vóór hem aanbiddend te streelen. Maar hij lachte even, licht verbaasd hoe in de eenzaamheid menschen elkander vertrouwen konden, en klopte den hals van zijn paard.

Laat hielden zij stil bij eenige boomen, waar zij karresporen zagen. Zij besloten hier af te stijgen en onder de bloote lucht te overnachten. Voor hun eten gingen zij kastanjes zoeken, te zamen, want Mevena wilde haar deel hebben in de bezigheden. Ondanks hare vermoeidheid was zij zoo luidruchtig vroolijk, dat Tamalone zich telkens uit de bukkende houding oprichtte,wanneer haar milde stem in de schemering van het gebladerte hem schertsend iets toeriep. De lucht scheen hem zachter hier dan in de bergen, er was een onnoemelijke behagelijkheid in dit lichtloos uur van den dag, in den geur van molmend hout, in het geritsel der dorre blâren die Mevena met den voet wegschoof, en luchthartig antwoordde hij haar geroep, zoodat het oud geboomte weerklonk van lachend hoog en diep geluid om beurt.

Dan roosterden zij te zamen de kastanjes en Mevena, die lustig werd van het nieuwe leven onder den hemel, sprak gedurig met onverwachte guitigheid, lachte en vertelde van haar meisjesleven, zoodat ten leste Tamalone in zoete verrukking zweeg en luisterde, vergetend dat zij hem niet beminde.

Toen zij te slapen gegaan was zat hij kalm alleen; hij hoorde het geluid harer jonge stem nog, doch in zijn hart ontloken weemoedige gevoelens weder, het geruisch van de bladeren en de stille starren herinnerden hem, dat hij evenzoo waakte gelijk den nacht te voren. Hij lei zich neder bij het smeulende hout en wachtteop den slaap, zijn oogen bleven echter open en zagen de starren vermeerderen. De dauw begon over den grond te dampen, slechts het geruisch van de bladeren der populieren wilde de fluisterende eenzaamheid niet verlaten en de duisternis duurde langen, langen tijd.

Eindelijk verbleekte de lucht weêr, de planeten hadden hun reis volbracht. Tamalone, die roerloos gelegen had, stond op om zijn leden te bewegen en het vuur weder aan te blazen.

Dien dag was Mevena weêr blijgezind, zij zong zelfs liedjes nu en de monnik, naast haar rijdende, luisterde met bestendigen glimlach of zong, daar zij er om vroeg, op zijne beurt ouderwetsche melodijen, die hij van vroeger nog wist. Zij was verrast en lachte veel. Tamalone, die bespeurde, dat hij haar lang aan kon zien wanneer zij in vroolijkheid gemeenzaam was, praatte aanhoudend en bij zijn gemoedelijke verhalen begon zij te zien, dat hij veel beminnelijker was dan zij te voren dacht. De naam van Rogier werd dien dag niet genoemd.

Zij stegen zeer vermoeid bij een groen korenveld af, waar Mevena ging liggen in een paadje tusschen twee akkers. Ook de klerk sliep weldra. Doch toen hij wakker werd in den nacht was het een vale duisternis en hij kon het meisje niet zien. Hij hoorde niets ofschoon hij meende dicht bij ingeslapen te zijn. En nu hij ongerust werd sprong hij op, liep op den tast in de richting waar hij dacht dat zij was, tot hij eindelijk weêr haar lichten adem hoorde. Toen liep hij eenige passen terug en lei zich weêr neêr om te slapen.

Des morgens opende hij zijn oogen en ontwaarde schier naast hem Mevena in zittende houding, alsof ook zij juist was ontwaakt. Haar gelaat, dat zeer bleek was, glimlachte.

„Wij zijn laat,” zeide ze.

Tamalone bloosde en stond bedremmeld op.

In blakende zonnewarmte reden zij zwijgend naast elkander den derden dag. Mevena dacht aan den minnaar en aan de naderende stad; de monnik keek haar dikwijls van ter zijde aan, verontrust over debleekheid van haar gezicht. Hij vroeg met lieven aandrang soms of zij rusten wilde, doch zij antwoordde ongeduldig dat zij niet moede was, en beiden reden door, het snuiven en kleppen der goede paarden was het eenig geluid. Uren lang volgden zij den oever van een diep liggend riviertje den stroom afwaarts, er scheen aan den loop van het gerimpeld water geen einde te komen, en de dag was vermoeiend en lang. Bij wijlen zeide zij iets, een onverschillig woord om de stilte te breken, maar hare stem was buigingloos en Tamalone antwoordde even kort of met een knik. Slechts de verschijning van een enkel landman, die eerbiedig groetend langzaam voorbijging, bracht hun verdwaalde gedachten terug voor een oogenblik; zij wisselden dan eenige woorden en herhaalden hun afspraak wat zij uit voorzichtigheid doen zouden in de stad.

Eindelijk, toen zij aan hun rechterhand in de lucht de torens van een burcht zagen rijzen, begonnen hun paarden moeilijk te stijgen, zij kwamen in de Pisaansche bergen. Verderop bemerkten zij in de lageverte daken en torens en hier en daar kleine lichtjes. Mevena reed nu met opgericht lijf, de monnik zag haar oogen groot en strak geopend, zij had de lippen vastgeklemd; de avondbries, van regen en zeelucht vochtig, deed de wijde mouwen van haar pij zachtjes fladderen.

Toen zij de poort bereikten, waar bij een lantaarn twee wachters soezend zaten te mompelen, was de nacht drukkend van duisternis. Een der paarden hinnikte helder en luid, van een toren zeer nabij klonk een zware klok.

In de straten waren de luiken en deuren der huizen gesloten. Tamalone, die de beide paarden bij de teugels leidde, liep behoedzaam in den donker zoekend en had zijn aandacht op den hobbeligen weg gevestigd. Op eens hoorde hij een snik en een val, Mevena’s paard stond stil. Met een kreet bukte hij neder tusschen de pooten, hij wilde schreeuwen, maar sloot dadelijk zijn lippen weder. Bevend zorgvuldig nam hij haar lichaam in zijn arm, aan den andere leidde hij de dieren voort. De duisternis was loom en stil,slechts een venstertje, dat geopend werd, knerste.

Aan de rivier voor een laag huisje bleef hij staan; hij klopte aan de deur en terwijl hij wachtte hoorde hij het stroomende water klotsen tegen den wal. Een man met een lamp deed open en zeide:

„Ohé!”

„Houd de paarden vast, ik heb hier een zieke. Geef mij de lamp, dan kan ik naar boven gaan, gauw.”

Langs een nauwe trap droeg hij Mevena in een vertrekje, met houten wanden en een hellende zoldering; daar legde hij haar neder op wat stroo in den hoek en zette het licht op den vloer. Hij ging snel heen en kwam snel weêr terug met wijn en brood. Toen hij haar voorhoofd, waar een streepje bloed op lag, gewasschen had herkreeg zij haar bewustzijn en glimlachte en bij dien glimlach zuchtte hij diep.

In een kamer beneden werd gepraat. Zij trachtte zich op te richten, doch daar dit haar pijn deed lei zij haar hoofdje gelaten weêr neêr en nam Tamalones hand. Zich voorover buigend gaf hij haar tedrinken uit een kroes—de een noch de ander had een enkel woord gesproken, maar bij ’t rossig licht, terwijl zij dronk, zag hij in haar oogen die tot hem opgericht waren een glans van verwonderde innigheid en hij had een meewarig gevoel, dat dit meisje even eenzaam was op de wereld als hij zelf en geen ander verzorger had dan hem.

Na een wijle liet hij haar in donker alleen. Beneden werd de deur eener kamer voor hem geopend, waar bij een walmende pit drie mannen aan een tafel zaten te spelen, landgenooten, die hem met nieuwsgierige blikken begroetten. Hij lachte gemoedelijk, zette zich bij hen aan de tafel, ledigde een grooten beker bier en, terwijl hij de kaarten opnam die hem toegedeeld waren, begon hij zijn wederwaardigheden te vertellen, echter zonder van zijn geheime gedachten te spreken.

9Het kasteel was op een rots gebouwd, aan den voet door een groot woud omringd. Onder het geboomte en aan den oever der smalle rivier oostwaarts lagen de troepen in vier kampen verdeeld, en ofschoon de herfst al naderde wachtten zij de overgave der belegerden af, want in het slot werd reeds gebrek geleden.De afdeeling van Rogier had zich op de helling naar het water gelegerd, achter een bosschage voor het schiettuig der vijandelijke wallen beschut.Het werd al weken, dat iederen ochtend de mannen onder de boomen hun blikken naar den wachttoren richtten van ’t slot, of er een teeken was dat de edelen daarbinnen het opgaven; koude winden begonnenbuiig door het woud te gieren, wijl wolken haastig aan den hemel dreven. De soldaten werden ongeduldig en de aanvoerders verveelden zich.Rogier liep soms uren doelloos om, langs het stroompje naar het gehucht, of aan den anderen oever waar een holle weg door dichte bosschen steeg. Het was altoos halfdonker in dien weg, de boomen aan de banken groeiden hoog naar boven waar hun takken samen warden en hun stammen waren beneden verborgen in duisteren groei van struiken. Hier wandelde hij dikwijls heen en dacht aan Mevena en aan zijn goeden vriend den monnik.Eens toen hij dien weg besteeg bemerkte hij, dat het zeer donker werd, doch zich omkeerende zag hij beneden in de opening van het loof nog het daglicht. Hij stond een wijle stil. Door het kletterend geruisch hoog boven hem begreep hij, dat er een zware regen viel. Terwijl hij gedachteloos luisterde werd zijn aandacht getrokken door een gerucht van hijgen, een vrouw kwam haastig den weg afdalen. Dicht bijhem stond zij eensklaps stil. Hij boog zich naar voren om haar gelaat te zien, zij schrok, week achteruit en ijlde gillend in het schemerduister naar beneden. Rogier liep haar na en waar de boomen niet meer waren kon hij haar duidelijk voor zich zien; met beide handen hield zij den rok op, haar bloote beenen bewogen zeer snel en zij keek telkens om. Toen zij in den regen kwam zwenkte ze naar rechts, waar ze in ’t lage hout verdween.Rogier zocht in het struikgewas, het water dat op zijn warm gelaat viel verbaasde hem, en hij liep langzaam terug onder de boomen. En gedurende het eentonig ruischen herinnerde hij zich, op eens licht bevreemd, hoe hij ook in den regen had gestaan op een nacht met Mevena.De herinnering werd levendig van ontroering, wier gloei hem streelend verontrustte en hem Mevena’s aanwezigheid duidelijk warm nu voelen deed. Vaak had hij naar haar verlangd en wat hij thans ervoer was weder de onweêrstaanbaar wassende zekerheid, dat hij haar beminde, dat zij alleen het was wat hij begeerde.Het was dwaasheid de natte dagen wachtend door te brengen in dit verlaten oord, terwijl daarginder op zijn slot de liefste vrouw met groote oogen uitkeek of hij komen zou. Hij wilde dadelijk heengaan, dien zelfden dag nog.Hij veegde zich het voorhoofd, de regen, die door de bladeren kletterde had hem doornat gemaakt, de witte pluim van zijn muts hing druipend neêr.Hij bedacht, dat hij zich geen vijanden kon maken onder de bondgenooten van den keizer, Romano zou de eerste zijn dien hij te duchten zou hebben. En toen deze overweging hem duidelijk werd was het ongeduld naar Mevena gevlucht, zijn verbeelding was koel en verbleekt, slechts een flauwe ontevredenheid bleef in zijn gemoed.Hij luisterde naar het gestadig suizen in het gebladert, zag dan naar de lucht en den regen en dacht aan de deerne van daarstraks.De dag was opgeklaard toen hij terug kwam in ’t kamp. Rondom de groote rookende vuren verdrongen zich de soldatenmet hun kleederen dampend in de uitgestrekte handen; zij waren naakt, duwden elkander en lachten luidkeels. Carolus stond voor de tent met droog buis en hozen voor den kapitein, die lachte van voldoening.De soldaten kleedden zich weêr en dronken uit hun ketels, er roesde in het nuchter licht een jolig gedruisch onder het nat glimmend groen.De vuren in de andere kampen gaven de lucht een wijden onzekeren gloed, toen een man in steedsche dracht aankwam. Hij bracht een brief van Tamalone. De monnik schreef, dat Mevena naar Pisa was gegaan door groot verlangen gedreven en niet naar het slot, en dat hij haar ziek in die stad had gedragen daar zij van haar paard was gevallen; doch dat zij thans weêr beter was. Zij liet vragen of zij in het kamp mocht komen, voor een kort oogenblik slechts, zij zou weêr aanstonds vertrekken.Rogier, met een warm gelaat en driftig aan zijn knevel morrelend, gaf bevelen en ging heen. Carolus zag hem met grootestappen zich verwijderen, de witte pluim danste snel in den schemer langs de boomen. Het was zeer stil, bij den verwaaiden rook daarginds in ’t kwartier bromden de soldaten in slaperigen deun. Terwijl hij langzaam liep hoorde hij sluipende passen achter zich en zich omkeerende herkende hij Walid aan zijn baard en gelen hoofddoek; hij liep schielijk verder.In de tent van den koning werd Rogier luidruchtig begroet, er was licht van drie lampjes. De koning, met blonde krullen en lachend blauwe oogen, bij een tafeltje gezeten met de edelen, hief zijn hand hoog op en riep Rogier naast zich. Dan speelden zij door.Rogier dronk bij kleine teugjes, nam aarzelend de steenen in zijn hand, maar begon toen te spreken, zeggend dat hij nog dien avond het kamp moest verlaten. De koning antwoordde schertsend, deed de steenen rollen en schoof de gewonnen munten naar zich toe, doch toen Rogier ernstig doorging te praten, zeide hij bedaard, dat zij hem niet konden laten gaan wijl de vreemde soldaten vooral op hemvertrouwden. Op de vraag wat hem tot zijn onverwacht besluit had gebracht kwam geen antwoord; de koning werd toen boos en allen zwegen.De bekers werden zwijgend volgeschonken, de dobbelsteenen buitelden weêr over de tafel, de avond verging als de vorige.Toen Rogier, door wijn bedwelmd, laat aan zijn tent kwam vond hij den brigadier daar, die met een mantel over zijn hoofd gehurkt zat te dutten—hij stond op, verbaasd dat het nog donker was. Hij had het bevel om een paard in gereedheid te houden niet gehoorzaamd en zeide:„Ik heb de paarden niet gezadeld.”„Vroeg wakker. Er wordt gevochten, maar zeg er niets van.” En zijn meester ging binnen.Carolus stond nog een tijd te staren, tot hij rilde van koû, toen zocht hij zijn slaapplaats bij Walid op. Doch hij was weêr vroeg op en vond Rogier overeind met den brief van den monnik in de hand. En zij maakten een plan om het slot te verrassen voor de andere kampen het merkten, ook Walid was er bij.Het was een koele zonnige dag met doorschijnige wolken. De schildwachten op de torens zagen in de omringende kampen de vuren gestookt en de soldaten in hun dagelijksch werk. In den middag terwijl hun blikken gericht waren op de tenten aan de rivier, waar de vijanden lui onder boomen lagen, schrokken zij hevig en bliezen alarm: beneden hen, aan de poort, stonden wel honderd man met felle wapens vlak tegen den muur. Op de kanteelen toeterden hoorns, hoorns toeterden binnen, er ging verward geroep en uit de spiegaten werd al geschoten op de oosterlingen, die in de schaduw tusschen de torens kalm een stapel bouwden...En toen de rook wegdreef voorbij de blauwe lucht waren de hoorns en ’t geroep weêr stil, er lagen dooden verspreid op de mossige keitjes van den hof, waar de zon rustig scheen, Carolus waakte met zijn soldaten bij de verslagen vijanden in een groep.Een poosje later kwam op zijn glimmend ros de koning lachend binnen rijden en Rogier ziende, wiens gelaat en kleederenrood waren van bloed, steeg hij af, drukte hem de hand en zeide toornig, dat minstens vijf edelen het boeten zouden.Des avonds zaten de aanvoerders in de hal van ’t slot aan een maal met talrijke lichten. De koning dronk ter eere van Rogier en zeide beminnelijk, dat hij hem ook thans niet kon laten gaan, doch dat hij hem den volgenden dag reeds naar den keizer wilde voeren, die alleen in staat was hem de eer te geven welke hij verdiende. De bekers klonken, de aanvoerders riepen luid, Rogier had een blos en glanzende oogen.Met open mond stond Carolus te luisteren, Walid knikte zijn hoofd verscheiden keeren.

9

Het kasteel was op een rots gebouwd, aan den voet door een groot woud omringd. Onder het geboomte en aan den oever der smalle rivier oostwaarts lagen de troepen in vier kampen verdeeld, en ofschoon de herfst al naderde wachtten zij de overgave der belegerden af, want in het slot werd reeds gebrek geleden.De afdeeling van Rogier had zich op de helling naar het water gelegerd, achter een bosschage voor het schiettuig der vijandelijke wallen beschut.Het werd al weken, dat iederen ochtend de mannen onder de boomen hun blikken naar den wachttoren richtten van ’t slot, of er een teeken was dat de edelen daarbinnen het opgaven; koude winden begonnenbuiig door het woud te gieren, wijl wolken haastig aan den hemel dreven. De soldaten werden ongeduldig en de aanvoerders verveelden zich.Rogier liep soms uren doelloos om, langs het stroompje naar het gehucht, of aan den anderen oever waar een holle weg door dichte bosschen steeg. Het was altoos halfdonker in dien weg, de boomen aan de banken groeiden hoog naar boven waar hun takken samen warden en hun stammen waren beneden verborgen in duisteren groei van struiken. Hier wandelde hij dikwijls heen en dacht aan Mevena en aan zijn goeden vriend den monnik.Eens toen hij dien weg besteeg bemerkte hij, dat het zeer donker werd, doch zich omkeerende zag hij beneden in de opening van het loof nog het daglicht. Hij stond een wijle stil. Door het kletterend geruisch hoog boven hem begreep hij, dat er een zware regen viel. Terwijl hij gedachteloos luisterde werd zijn aandacht getrokken door een gerucht van hijgen, een vrouw kwam haastig den weg afdalen. Dicht bijhem stond zij eensklaps stil. Hij boog zich naar voren om haar gelaat te zien, zij schrok, week achteruit en ijlde gillend in het schemerduister naar beneden. Rogier liep haar na en waar de boomen niet meer waren kon hij haar duidelijk voor zich zien; met beide handen hield zij den rok op, haar bloote beenen bewogen zeer snel en zij keek telkens om. Toen zij in den regen kwam zwenkte ze naar rechts, waar ze in ’t lage hout verdween.Rogier zocht in het struikgewas, het water dat op zijn warm gelaat viel verbaasde hem, en hij liep langzaam terug onder de boomen. En gedurende het eentonig ruischen herinnerde hij zich, op eens licht bevreemd, hoe hij ook in den regen had gestaan op een nacht met Mevena.De herinnering werd levendig van ontroering, wier gloei hem streelend verontrustte en hem Mevena’s aanwezigheid duidelijk warm nu voelen deed. Vaak had hij naar haar verlangd en wat hij thans ervoer was weder de onweêrstaanbaar wassende zekerheid, dat hij haar beminde, dat zij alleen het was wat hij begeerde.Het was dwaasheid de natte dagen wachtend door te brengen in dit verlaten oord, terwijl daarginder op zijn slot de liefste vrouw met groote oogen uitkeek of hij komen zou. Hij wilde dadelijk heengaan, dien zelfden dag nog.Hij veegde zich het voorhoofd, de regen, die door de bladeren kletterde had hem doornat gemaakt, de witte pluim van zijn muts hing druipend neêr.Hij bedacht, dat hij zich geen vijanden kon maken onder de bondgenooten van den keizer, Romano zou de eerste zijn dien hij te duchten zou hebben. En toen deze overweging hem duidelijk werd was het ongeduld naar Mevena gevlucht, zijn verbeelding was koel en verbleekt, slechts een flauwe ontevredenheid bleef in zijn gemoed.Hij luisterde naar het gestadig suizen in het gebladert, zag dan naar de lucht en den regen en dacht aan de deerne van daarstraks.De dag was opgeklaard toen hij terug kwam in ’t kamp. Rondom de groote rookende vuren verdrongen zich de soldatenmet hun kleederen dampend in de uitgestrekte handen; zij waren naakt, duwden elkander en lachten luidkeels. Carolus stond voor de tent met droog buis en hozen voor den kapitein, die lachte van voldoening.De soldaten kleedden zich weêr en dronken uit hun ketels, er roesde in het nuchter licht een jolig gedruisch onder het nat glimmend groen.De vuren in de andere kampen gaven de lucht een wijden onzekeren gloed, toen een man in steedsche dracht aankwam. Hij bracht een brief van Tamalone. De monnik schreef, dat Mevena naar Pisa was gegaan door groot verlangen gedreven en niet naar het slot, en dat hij haar ziek in die stad had gedragen daar zij van haar paard was gevallen; doch dat zij thans weêr beter was. Zij liet vragen of zij in het kamp mocht komen, voor een kort oogenblik slechts, zij zou weêr aanstonds vertrekken.Rogier, met een warm gelaat en driftig aan zijn knevel morrelend, gaf bevelen en ging heen. Carolus zag hem met grootestappen zich verwijderen, de witte pluim danste snel in den schemer langs de boomen. Het was zeer stil, bij den verwaaiden rook daarginds in ’t kwartier bromden de soldaten in slaperigen deun. Terwijl hij langzaam liep hoorde hij sluipende passen achter zich en zich omkeerende herkende hij Walid aan zijn baard en gelen hoofddoek; hij liep schielijk verder.In de tent van den koning werd Rogier luidruchtig begroet, er was licht van drie lampjes. De koning, met blonde krullen en lachend blauwe oogen, bij een tafeltje gezeten met de edelen, hief zijn hand hoog op en riep Rogier naast zich. Dan speelden zij door.Rogier dronk bij kleine teugjes, nam aarzelend de steenen in zijn hand, maar begon toen te spreken, zeggend dat hij nog dien avond het kamp moest verlaten. De koning antwoordde schertsend, deed de steenen rollen en schoof de gewonnen munten naar zich toe, doch toen Rogier ernstig doorging te praten, zeide hij bedaard, dat zij hem niet konden laten gaan wijl de vreemde soldaten vooral op hemvertrouwden. Op de vraag wat hem tot zijn onverwacht besluit had gebracht kwam geen antwoord; de koning werd toen boos en allen zwegen.De bekers werden zwijgend volgeschonken, de dobbelsteenen buitelden weêr over de tafel, de avond verging als de vorige.Toen Rogier, door wijn bedwelmd, laat aan zijn tent kwam vond hij den brigadier daar, die met een mantel over zijn hoofd gehurkt zat te dutten—hij stond op, verbaasd dat het nog donker was. Hij had het bevel om een paard in gereedheid te houden niet gehoorzaamd en zeide:„Ik heb de paarden niet gezadeld.”„Vroeg wakker. Er wordt gevochten, maar zeg er niets van.” En zijn meester ging binnen.Carolus stond nog een tijd te staren, tot hij rilde van koû, toen zocht hij zijn slaapplaats bij Walid op. Doch hij was weêr vroeg op en vond Rogier overeind met den brief van den monnik in de hand. En zij maakten een plan om het slot te verrassen voor de andere kampen het merkten, ook Walid was er bij.Het was een koele zonnige dag met doorschijnige wolken. De schildwachten op de torens zagen in de omringende kampen de vuren gestookt en de soldaten in hun dagelijksch werk. In den middag terwijl hun blikken gericht waren op de tenten aan de rivier, waar de vijanden lui onder boomen lagen, schrokken zij hevig en bliezen alarm: beneden hen, aan de poort, stonden wel honderd man met felle wapens vlak tegen den muur. Op de kanteelen toeterden hoorns, hoorns toeterden binnen, er ging verward geroep en uit de spiegaten werd al geschoten op de oosterlingen, die in de schaduw tusschen de torens kalm een stapel bouwden...En toen de rook wegdreef voorbij de blauwe lucht waren de hoorns en ’t geroep weêr stil, er lagen dooden verspreid op de mossige keitjes van den hof, waar de zon rustig scheen, Carolus waakte met zijn soldaten bij de verslagen vijanden in een groep.Een poosje later kwam op zijn glimmend ros de koning lachend binnen rijden en Rogier ziende, wiens gelaat en kleederenrood waren van bloed, steeg hij af, drukte hem de hand en zeide toornig, dat minstens vijf edelen het boeten zouden.Des avonds zaten de aanvoerders in de hal van ’t slot aan een maal met talrijke lichten. De koning dronk ter eere van Rogier en zeide beminnelijk, dat hij hem ook thans niet kon laten gaan, doch dat hij hem den volgenden dag reeds naar den keizer wilde voeren, die alleen in staat was hem de eer te geven welke hij verdiende. De bekers klonken, de aanvoerders riepen luid, Rogier had een blos en glanzende oogen.Met open mond stond Carolus te luisteren, Walid knikte zijn hoofd verscheiden keeren.

Het kasteel was op een rots gebouwd, aan den voet door een groot woud omringd. Onder het geboomte en aan den oever der smalle rivier oostwaarts lagen de troepen in vier kampen verdeeld, en ofschoon de herfst al naderde wachtten zij de overgave der belegerden af, want in het slot werd reeds gebrek geleden.

De afdeeling van Rogier had zich op de helling naar het water gelegerd, achter een bosschage voor het schiettuig der vijandelijke wallen beschut.

Het werd al weken, dat iederen ochtend de mannen onder de boomen hun blikken naar den wachttoren richtten van ’t slot, of er een teeken was dat de edelen daarbinnen het opgaven; koude winden begonnenbuiig door het woud te gieren, wijl wolken haastig aan den hemel dreven. De soldaten werden ongeduldig en de aanvoerders verveelden zich.

Rogier liep soms uren doelloos om, langs het stroompje naar het gehucht, of aan den anderen oever waar een holle weg door dichte bosschen steeg. Het was altoos halfdonker in dien weg, de boomen aan de banken groeiden hoog naar boven waar hun takken samen warden en hun stammen waren beneden verborgen in duisteren groei van struiken. Hier wandelde hij dikwijls heen en dacht aan Mevena en aan zijn goeden vriend den monnik.

Eens toen hij dien weg besteeg bemerkte hij, dat het zeer donker werd, doch zich omkeerende zag hij beneden in de opening van het loof nog het daglicht. Hij stond een wijle stil. Door het kletterend geruisch hoog boven hem begreep hij, dat er een zware regen viel. Terwijl hij gedachteloos luisterde werd zijn aandacht getrokken door een gerucht van hijgen, een vrouw kwam haastig den weg afdalen. Dicht bijhem stond zij eensklaps stil. Hij boog zich naar voren om haar gelaat te zien, zij schrok, week achteruit en ijlde gillend in het schemerduister naar beneden. Rogier liep haar na en waar de boomen niet meer waren kon hij haar duidelijk voor zich zien; met beide handen hield zij den rok op, haar bloote beenen bewogen zeer snel en zij keek telkens om. Toen zij in den regen kwam zwenkte ze naar rechts, waar ze in ’t lage hout verdween.

Rogier zocht in het struikgewas, het water dat op zijn warm gelaat viel verbaasde hem, en hij liep langzaam terug onder de boomen. En gedurende het eentonig ruischen herinnerde hij zich, op eens licht bevreemd, hoe hij ook in den regen had gestaan op een nacht met Mevena.

De herinnering werd levendig van ontroering, wier gloei hem streelend verontrustte en hem Mevena’s aanwezigheid duidelijk warm nu voelen deed. Vaak had hij naar haar verlangd en wat hij thans ervoer was weder de onweêrstaanbaar wassende zekerheid, dat hij haar beminde, dat zij alleen het was wat hij begeerde.Het was dwaasheid de natte dagen wachtend door te brengen in dit verlaten oord, terwijl daarginder op zijn slot de liefste vrouw met groote oogen uitkeek of hij komen zou. Hij wilde dadelijk heengaan, dien zelfden dag nog.

Hij veegde zich het voorhoofd, de regen, die door de bladeren kletterde had hem doornat gemaakt, de witte pluim van zijn muts hing druipend neêr.

Hij bedacht, dat hij zich geen vijanden kon maken onder de bondgenooten van den keizer, Romano zou de eerste zijn dien hij te duchten zou hebben. En toen deze overweging hem duidelijk werd was het ongeduld naar Mevena gevlucht, zijn verbeelding was koel en verbleekt, slechts een flauwe ontevredenheid bleef in zijn gemoed.

Hij luisterde naar het gestadig suizen in het gebladert, zag dan naar de lucht en den regen en dacht aan de deerne van daarstraks.

De dag was opgeklaard toen hij terug kwam in ’t kamp. Rondom de groote rookende vuren verdrongen zich de soldatenmet hun kleederen dampend in de uitgestrekte handen; zij waren naakt, duwden elkander en lachten luidkeels. Carolus stond voor de tent met droog buis en hozen voor den kapitein, die lachte van voldoening.

De soldaten kleedden zich weêr en dronken uit hun ketels, er roesde in het nuchter licht een jolig gedruisch onder het nat glimmend groen.

De vuren in de andere kampen gaven de lucht een wijden onzekeren gloed, toen een man in steedsche dracht aankwam. Hij bracht een brief van Tamalone. De monnik schreef, dat Mevena naar Pisa was gegaan door groot verlangen gedreven en niet naar het slot, en dat hij haar ziek in die stad had gedragen daar zij van haar paard was gevallen; doch dat zij thans weêr beter was. Zij liet vragen of zij in het kamp mocht komen, voor een kort oogenblik slechts, zij zou weêr aanstonds vertrekken.

Rogier, met een warm gelaat en driftig aan zijn knevel morrelend, gaf bevelen en ging heen. Carolus zag hem met grootestappen zich verwijderen, de witte pluim danste snel in den schemer langs de boomen. Het was zeer stil, bij den verwaaiden rook daarginds in ’t kwartier bromden de soldaten in slaperigen deun. Terwijl hij langzaam liep hoorde hij sluipende passen achter zich en zich omkeerende herkende hij Walid aan zijn baard en gelen hoofddoek; hij liep schielijk verder.

In de tent van den koning werd Rogier luidruchtig begroet, er was licht van drie lampjes. De koning, met blonde krullen en lachend blauwe oogen, bij een tafeltje gezeten met de edelen, hief zijn hand hoog op en riep Rogier naast zich. Dan speelden zij door.

Rogier dronk bij kleine teugjes, nam aarzelend de steenen in zijn hand, maar begon toen te spreken, zeggend dat hij nog dien avond het kamp moest verlaten. De koning antwoordde schertsend, deed de steenen rollen en schoof de gewonnen munten naar zich toe, doch toen Rogier ernstig doorging te praten, zeide hij bedaard, dat zij hem niet konden laten gaan wijl de vreemde soldaten vooral op hemvertrouwden. Op de vraag wat hem tot zijn onverwacht besluit had gebracht kwam geen antwoord; de koning werd toen boos en allen zwegen.

De bekers werden zwijgend volgeschonken, de dobbelsteenen buitelden weêr over de tafel, de avond verging als de vorige.

Toen Rogier, door wijn bedwelmd, laat aan zijn tent kwam vond hij den brigadier daar, die met een mantel over zijn hoofd gehurkt zat te dutten—hij stond op, verbaasd dat het nog donker was. Hij had het bevel om een paard in gereedheid te houden niet gehoorzaamd en zeide:

„Ik heb de paarden niet gezadeld.”

„Vroeg wakker. Er wordt gevochten, maar zeg er niets van.” En zijn meester ging binnen.

Carolus stond nog een tijd te staren, tot hij rilde van koû, toen zocht hij zijn slaapplaats bij Walid op. Doch hij was weêr vroeg op en vond Rogier overeind met den brief van den monnik in de hand. En zij maakten een plan om het slot te verrassen voor de andere kampen het merkten, ook Walid was er bij.

Het was een koele zonnige dag met doorschijnige wolken. De schildwachten op de torens zagen in de omringende kampen de vuren gestookt en de soldaten in hun dagelijksch werk. In den middag terwijl hun blikken gericht waren op de tenten aan de rivier, waar de vijanden lui onder boomen lagen, schrokken zij hevig en bliezen alarm: beneden hen, aan de poort, stonden wel honderd man met felle wapens vlak tegen den muur. Op de kanteelen toeterden hoorns, hoorns toeterden binnen, er ging verward geroep en uit de spiegaten werd al geschoten op de oosterlingen, die in de schaduw tusschen de torens kalm een stapel bouwden...

En toen de rook wegdreef voorbij de blauwe lucht waren de hoorns en ’t geroep weêr stil, er lagen dooden verspreid op de mossige keitjes van den hof, waar de zon rustig scheen, Carolus waakte met zijn soldaten bij de verslagen vijanden in een groep.

Een poosje later kwam op zijn glimmend ros de koning lachend binnen rijden en Rogier ziende, wiens gelaat en kleederenrood waren van bloed, steeg hij af, drukte hem de hand en zeide toornig, dat minstens vijf edelen het boeten zouden.

Des avonds zaten de aanvoerders in de hal van ’t slot aan een maal met talrijke lichten. De koning dronk ter eere van Rogier en zeide beminnelijk, dat hij hem ook thans niet kon laten gaan, doch dat hij hem den volgenden dag reeds naar den keizer wilde voeren, die alleen in staat was hem de eer te geven welke hij verdiende. De bekers klonken, de aanvoerders riepen luid, Rogier had een blos en glanzende oogen.

Met open mond stond Carolus te luisteren, Walid knikte zijn hoofd verscheiden keeren.

10Mevena was langzaam beter geworden, maar de monnik vergunde haar nog niet het klein kamertje onder het dak te verlaten. Hij had een peluw voor haar gekocht en een tafel geplaatst voor het raampje, dat uitzag op de kade.Daar zat zij den heelen dag met lieve gedachten door de ruitjes kijkend—links verdween de rivier in scherpe bocht juist onder de koepelkerk, met stellingen en ladders; vóór haar en rechts voeren scheepjes in den zonnig gerimpelden stroom, op de kade wemelden mannen en vrouwen die druk met koopwaar sjouwden, sommigen leunden pratend over den wal; ginds, voorbij de brug, blonk de zuiderlucht ijler boven spichtige masten en half-gereefdezeiltjes en in de verte schitterde een vergulde torenspits. Het marktgewoel was een nieuw gezicht voor haar, aandachtig zag zij naar al wat gebeurde. De liederen, die beneden een man van den vroegen morgen zong en het tierelieren van een vogel in een kooi onder ’t venster, klonken aanhoudend door het geroezemoes van buiten en maakten de wereld vol zoet rumoer.Vóór zij van het bed mocht opstaan had zij in haar koortsen aan niets anders gedacht dan naar het kamp te gaan. De bode was teruggekeerd met een langen brief van lieve woorden, waarin Rogier beloofde, dat hij over twee, drie maanden zou komen. Tamalone bracht haar dien brief terwijl zij voor het venstertje zat en toen hij hem voorlas voelde zij een ongekende rust over zich komen, die duurde nadat de lezende stem weer zweeg.Sindsdien morgen was zij altoos vroeg opgestaan om de eerste menschen op de kade te zien komen en bij het prille daglicht weêr verheugd aan den geliefde te denken. Zij verwonderde zich wel hoevreemd het was, dat het verlangen van kort geleden haar verlaten had, nadat zij beter was geworden; hoe vreemd, dat zij niet meer begeerde naar hem toe te gaan, maar liever hier in de veilige zorg van Tamalone op hem wachtte; zij mijmerde vaak daarover in stil gemoed, starend naar de rozige lucht en de weêrkaatsing in de rivier, tot het geroep van vroege schippers of de uitbundigheid van den vogel aan den muur haar gedachten weêr stoorden. Toch wist zij zoo zeker, dat zij meer van hem hield, en met een glimlach keek zij naar de lieden, die kwamen en die zij begon te herkennen aan hun dracht of gestalte.In het eerst liet Tamalone, die nu fraaie hozen en een buis van groen fluweel droeg, haar veel alleen, doch zij hoorde dikwerf zijn stem beneden. Eindelijk, na weken toen de menschen op straat zich met wol en bont begonnen te kleeden, kwam hij zeggen, dat zij haar kamertje uit mocht; zij was in een arm huis maar, zeide hij, doch zij zouden allen goed voor haar zijn, dat zij zich tevreden gevoelde.De kamer, die zij binnentrad was laag,met een vierkant raam, waar dorrende wingerd voor hing, en buiten was een plaats met vaten en kisten. Drie mannen stonden naast elkander tegen het licht. De broeder zeide, dat het zijn vrienden waren en noemde hun namen: Simon, Josse, en Baldo die nog zeer jong was. Zij keken haar zwijgend aan. Bij den haard lagen twee katten en een langharige hond met zijn tong uit den bek. Mevena zette zich bij de dieren neder om hen te aaien, en toen liepen de mannen de kamer weêr uit.Simon had thans een winkel in scheepsproviand, zijn broeder Josse en diens zoon waren pasteibakkers. Zij hadden hun land verlaten wegens de ketterijen, in den tijd toen ook Tamalone Frankrijk verliet. Dat was al tien jaar geleden, maar nog altoos spraken zij ’t liefst over oude vrienden thuis en benijdden zij Tamalone, wanneer hij somwijlen op zijn reizen was terug geweest in ’t vaderland en hun van welbekende dingen vertelde.Bij het maal werd weinig gesproken, alleen de monnik zei nu en dan iets, Mevena gaf den dieren stukjes uit haarbord; soms moest een der mannen opstaan als er een klant aan de voordeur riep.Toen de borden van de tafel waren en de drie mannen de kamer weêr hadden verlaten, lei Mevena haar hand op Tamalones schouder en vroeg vertrouwelijk lachend of zij nu ook naar buiten mocht gaan. Hij had reeds een blauwen mantel voor haar gekocht, met een kap, zooals de koopvrouwen droegen; toen hij dien ophield schaterde zij plotseling luid uit zoodat de hond kwispelend opsprong en Tamalone meê lachen moest. Zij trok hem aan, hij zette een nieuwe kaproen met roode banden op, en beiden gingen de straatdeur uit, met den hond die blaffend in de menigte wegliep; bij een stapel gebak waar jongens stonden te kijken, zat Simon voor zijn winkel te zingen en te naaien en knikte lachend.Zij liepen door ’t gewemel langs de kade en sloegen links de nauwe straat in, waar de torens hoog boven de huizen rezen; daar was het nog drukker, de uitstallingen der winkels vulden de geheele straat met verscheidenheid van waren; er liepen ookvele voorname vrouwen met juweelen aan de handen, die heur slepen ophielden en met de kooplieden praatten. Zonnige wolken gingen hoog boven de daken, de wind deed de kleederen der menschen wapperen. Mevena had nog nooit zoo’n drukke straat gezien en zoovele dingen welke zij niet kende, zij was blijde daar te loopen en hield herhaaldelijk Tamalone staande, die haar van alles vertellen moest.Zij had een blos op de wangen toen zij vermoeid thuis kwam en zuchtend op een bankje in den winkel ging zitten tusschen manden, kisten en kruiken. Josse kwam daar met een blad versch dampende koeken binnen en bood er haar met een buiging van aan.Na dien eersten keer ging zij dagelijks met Tamalone wandelen, somtijds buiten de muren, doch meestal in de stad door de drukke buurten of de smalle groene straatjes, terwijl zij met lachende gezichten elkaêr vertelden of een liedje voorzongen. Het waren telkens nieuwe morgens met nieuwe vroolijkheid. Tamalone dacht dikwijls hoe gelukkig hij met haar was, haar oogen zagen hem altijd zoo vrij en glinsterend aan.Op een dag, nadat zij hare verwondering reeds eenmaal verzwegen had, vroeg ze waarom hij zijn pij niet droeg en wanneer hij naar zijn klooster terug moest keeren. Een oogenblik zweeg hij, maar antwoordde met opklarend gezicht, dat hij bij haar blijven wilde zoolang zij alleen was en praatte vlug over andere dingen door, zoodat zij haar vraag vergat. En dit was de eenige keer, dat zij over zijn heengaan sprak, want wanneer zijn fraaie kleederen er haar aan herinnerden, dat hij eigenlijk een klerk was en haar nieuwsgierigheid wekten, zweeg zij—zij wilde niet gaarne meer buiten hem en vreesde hem te grieven. Tamalone echter wist wel waarom zij soms zonder spreken naar zijn roode kaproen keek en dan ontwaakten gedachten, die hem stil maakten in ’t gemoed en met verdrietige onrustigheid wederkeerden wanneer hij alleen was ’s nachts op zijn bed.Mevena zat meestal beneden wanneer de mannen in de kamer waren; de eerbiedige behandeling van den eersten tijd liet zij zich schertsend gevallen en bedachtonderwijl allerlei om hen te behagen. Josse en Simon kwamen al glimlachend binnen wanneer zij daar was; zij bleven na het avondeten thuis en zaten in ’t karig licht vergenoegd aan de tafel naar haar te kijken en te praten. De jonge Baldo, die wel met meiskes uitging, kwam dan jolig terug en speelde dartele wijzen op zijn viool; soms zongen de ouden om beurten mede, met glimmende oogen. Het tenger meisje bij het haardvuur gezeten luisterde met open lippen, zich gelukkig voelend in dit laag vertrekje vol uitbundigheid van mannengeluid.De dagen gingen voorbij en werden kouder. Simon en Josse hielden veel van Mevena en dachten niet aan den tijd wanneer zij heen zou gaan; zij zelve sprak er nimmer over, noch over hem die in het leger was en Tamalone had geen andere gedachte dan voor haar te zorgen en haar te behagen. Hij kleedde zich hoe langer zoo fraaier en kwam dikwijls met nieuwe sieraden thuis. De gebroeders hadden er al samen over gesproken hoe zeer hij veranderd was: kleurige kleederendroeg hij, met glansen, hij schoor zijn kin en krulde zijn kneveltje gelijk een edelman. Zij wisten niet hoe hij aan ’t geld kwam om zulke kostbaarheden te koopen, maar zij waren al jaren gewoon hem na poozen van groot gebrek eensklaps rijk te zien; ook hadden zij gehoord dat hij veel in de huizen van voorname lieden kwam, en zij vonden hem een wonderlijk man.Op een avond, toen Mevena vroeg naar boven ging, was de monnik, die onder het gezang van Baldo stil voor zich had gekeken en uit was gegaan, nog niet terug. De broeders besloten te wachten tot hij kwam en zaten ter wederzijden van het vuur over Mevena te praten. De ruitjes klepperden grillig in ’t raam door de vlagen van den wind; achter het huis sloeg de torenklok dreunend het uur van den nacht, die stiller werd naarmate de mannen langer wachtten.Tamalone doolde in de stad rond, dicht in zijn mantel gehuld voor de koude. Hij had dien avond gezien, dat Mevena een kind moest krijgen, en hij had zich herinnerdhoe hij haar uit het huis van haar vader naar het kamp in de bergen gevoerd had, toen hij nog niet wist dat hij van haar hield. Een kranke ontroering was over hem gekropen toen hij gewaar werd dat hij de laatste weken in droomende wenschen geleefd had, hij die heel zijn zorgeloos leven zijn avonturen had laten komen zoo zij wilden, wel wetend dat er voor ’t innig verlangen slechts wanhoop was—hij had zich in het huis van Simon een vreemdeling gevoeld in zijn zwierige kleederen. Den nacht van hun vlucht ook had hij zich duidelijk herinnerd en de gouden kronen, die haar vader hem had gegeven—toen had hij zich geërgerd aan die vrouw die hem nooit zou begrijpen en hij was zonder spreken de deur uitgegaan.Het was overal donker, slechts de ruitjes der taveernen waren verlicht, in de huizen schenen de menschen te slapen en Tamalone liep met tintelende wangen geheel alleen in den nachtwind, die suizend woei door de verlaten straten. Hij hoorde zijn haastige voetstappen, waar hij zoo vaak naar geluisterd had op zijn eenzame tochten,de wind deed hem diep ademen en hij voelde zich opgewonden door begeerte om den ganschen nacht te loopen waar de wegen hem voeren mochten, om weder als van ouds te dolen door ’t land van stad tot stad.Op het domplein stonden in donker groepjes mannen te praten, een enkele dronkaard liep in zichzelf gekeerd te zingen op lijzigen toon. Tamalone ging een herberg binnen, dronk in eenen teug den beker ledig en liep onbezorgder verder in den nacht, zijn open mantel wapperde vrij van zijn rug. Blijdschap deed hem nu haastiger gaan, hij had de heerlijke doellooze vrijheid weder van te zwerven onder vreemde menschen. Morgen, morgen wanneer de poorten open waren zou hij de stad uit gaan, hij was er reeds lang geweest. In zijn verbeelding zag hij Mevena alleen, in het huis van Simon eerst, later terug bij den man in het leger; het waren slechts stille beelden welke hij zag, zij ontroerden hem niet.Met een glimlach herinnerde hij zich hoe hij nog dien zelfden morgen, terwijlhij naar haar witte handen keek, met innerlijk schreien had gedacht waarom zijhèmniet beminde, die haar nooit verlaten zou hebben en met wien zij gelukkig zou wezen. Het was heerlijk een vrouw lief te hebben zooals hij haar liefhad, maar hij wist, dat zij weldra heen zou gaan, voor goed zou gaan, zoodat hij haar nooit meer weder zou zien. Hij hoefde niet langer te blijven in ’t huisje aan de rivier, waar hij zich vervelen zou, nu de begeerte was teruggekomen naar het land en den open hemel, naar steden waar hij nooit was geweest en nieuwe menschengezichten. Hij kon haar gerust verlaten, zij was veilig bij Simon en Josse en zou niet naar hem vragen. En hij, zou hij niet gelukkiger zijn zoo hij slechts aan haar denken kon?Met lustige schreden liep hij in onbekende buurten, langs wegen waar huizen in aanbouw waren; een eind verder op een open plek zag hij onduidelijk den omtrek van een galg tegen de lucht, hij lachte even, met een dwaas gebaar, en bleef staan om te zien of er iemand hing, maar het was te donker. Hij merkte nu, dat hetkoud was, stampte op den grond en blies in zijn handen.Terwijl hij voortliep bedacht hij dat het dwaas zou zijn den ganschen nacht te dwalen, indien hij in den morgen op reis wilde gaan; hij besloot naar huis te keeren, en lang te slapen.De deur stond aan en binnen vond hij Simon, die alleen nog op was, slapend met het hoofd in de armen op de tafel; nevens hem stond een ronde kruik met bier, de katten lagen voor het smeulend vuur te spinnen. Simon, met zijn vuisten in zijn oogen wrijvend, vroeg waar hij geweest was, doch Tamalone antwoordde niet, dronk uit de kruik en zette zich bij het vuur. Hij wist, dat de goede Simon al sedert hun kloosterjaren hem genegen was, dat hij de eenige was die om hem gaf; hij vroeg hem nu nog een oogenblik op te blijven terwijl hij zich warmde en zijn bier dronk. Zij zaten elkander zwijgend en vriendelijk aan te kijken, de torenklok sloeg met ernstigen klank. Eindelijk stond Simon op, zeide dat Tamalone toch een zonderling man was en blies de pit uit.Op zijn bed in de deken gewikkeld, voelde Tamalone zijn voeten nog prikkelen van het loopen en voor hij zijn gedachten in behaaglijken slaap verloor, rees er onverwacht ééne nog in verschietende klaarheid: hij had haar lief zoo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig zou maken.—Laat in den dag stond hij op. Mevena zat geduldig te wachten om met hem uit te gaan naar hun gewoonte. Hij was op het punt haar zijn besluit van gisteravond te zeggen, doch haar oogen waren zoo vroolijk, dat hij wel terug moest glimlachen en haar niet te leur wou stellen. Hij kon evengoed in den avond vertrekken.Het was een blanke, frissche dag; de menschen in de straten zagen opgeruimd en bloosden van de koude. In het begin van hun wandeling luisterde Tamalone zonder antwoord naar wat zij zeide. Zij liepen langzaam en bleven dikwijls voor de winkels staan; aan den overkant van ’t water gingen zij door groententuinen en hij werd van lieverlede spraakzaam. Dan vertelde hij haar zijn voornemen om heen te gaan, daar zij veilig was bij zijn vrienden.Een poosje gingen zij zonder spreken voort met gebogen hoofden; toen zij hem aankeek zag hij, dat zij groote tranen in de oogen had—hij schrok en wilde haar hand kussen... met teeder lieve stem zeide hij, dat hij bij haar zou blijven als zij wilde. Zij keek hem aan, verblijd, en knikte,—Tamalone ademde dieper van heerlijkheid, door het nat zijner opgeslagen oogen zag hij den hemel in prachtige klaarheid, hij dacht dat zij zijn hart nu wèl begreep. Opgewekt spraken zij toen over andere dingen en gingen in vertrouwelijkheid naast elkander, de heldere zon scheen over het groen aan hun voeten. Zij liepen nog hier en daar en Tamalone wees haar hoevele menschen er dien dag hun beste kleederen droegen.Thuis dien avond bij het licht der koperen lampjes was er weder geluid van liederen; Baldo sprak over het onrecht waarmede de groote heeren regeerden en Tamalone deed een schoon verhaal van ridders en lieflijke vrouwen terwijl Mevena met groote oogen, haar gelaat in haar handen voorover geleund, en de brave mannen rustig ademend luisterden.—De dagen vloden heen, de winter was gekomen. Des morgens vroeg zat Mevena nog steeds voor haar venstertje te wachten op Rogier, bij de mannen beneden noemde zij nimmer zijn naam. Tamalone wist wel waar zij altoos in stilte aan dacht, doch het maakte hem niet verdrietig, hij voelde in nederigheid, dat iedere dag al vreugde was en om wat komen zou haalde hij de schouders op.Toen het reeds Kerstmis geweest was ging Josse op een Zondag na den kerkdienst met haar wandelen en vertelde haar, dat zijn broeder beloofd had een wieg voor haar te maken, omdat haar kind nu wel spoedig zou komen. Zij was er stil van den ganschen weg, zij had er nooit aan gedacht, dat ook de mannen zouden weten waar zij heimelijk verwonderd vaak over peinsde. Nu Josse gezegd had dat zij spoedig een kind zou krijgen, wilde zij wel aanstonds naar Rogier toe gaan, want de wereld was zoo veranderd en bij hem zou zij tevreden zijn. Doch de goede Josse klopte haar op den arm toen zij daar over sprak, en zeide dat hij een boodschap zouzenden, maar dat zij rustig bij hen moest blijven.En dien middag, toen zij in haar kamertje was, zat Tamalone een brief te schrijven, terwijl de jonge Baldo aandachtig naar hem keek en de broeders tegenover elkander dommelden in de schouw.Eenige dagen later kwam de bode terug; Rogier met het leger voor Capraia had hem een kort wederwoord gegeven en liet zeggen, dat de keizer hem niet vergunde om heen te gaan, later zou hij een brief schrijven. Doch de mannen verzwegen dit antwoord voor Mevena.Eindelijk op een kouden nacht werd het kind geboren. Tamalone, die de vrouw was gaan roepen bleef buiten op de kade heen en weder loopen, de sneeuw viel gedurig in dichte vlokken, zoodat hij bij poozen moest stilstaan om zich de kleederen af te schudden. Het water murmelde in den stroom, één venstertje was er licht in de duisternis, waar hij aldoor naar keek. Verkleumd en bibberend ging hij ten leste binnen, de vrienden zaten daar met de vroedvrouw genoegelijk bij een mooi vuur teeten, boven hoorde hij een zwak stemgeluid. De vrouw wenschte hem geluk en Simon en Josse moesten daar hard om lachen, maar Tamalone zeide niets, spreidde zijn handen voor de vlammen uit en nam toen gretig een groote pastei.Bij het grauwen van den komenden dag liep hij zachtkens naar boven en trad de kamer van Mevena binnen; zij lag met open oogen en glimlachte toen zij hem zag, aan haar voeten was een rood gezichtje. Hij boog er zich even voorover, knikte dan tot Mevena met goedhartigen blik.Dien ochtend dwaalde hij alleen in de besneeuwde stad, denkend aan de winterdagen toen hij het huis van zijn vader verlaten had en voor ’t eerst ’s nachts buiten was geweest; de sneeuw lag toen even dik en de soldaten van de stadswacht hadden hem gevonden. Hij trachtte aan Mevena te denken, maar hij zag voortdurend beelden uit het verleden, die zijn hart neerslachtig maakten en er weemoed wekten, zijn leven had zoo anders kunnen zijn. Hij kon de dikke lucht en de klanklooze straten niet verdragen en trad een herberg binnen,waar hij in een hoek zat en veel wijn dronk. Eensklaps herinnerde hij zich, dat hij voor Mevena moest zorgen, daar Simon en Josse aan hun werk waren, hij keerde vlug naar huis. Een half uur later bracht hij een wasemende brei naar boven, dien hij zelf had gekookt.Na een poos, toen het weder milder werd begon het Mevena te bevreemden waarom Rogier niet gekomen was. Zij sprak er over met haar vrienden en hoorde wat Rogier geantwoord had;—dan vroeg zij of de krijg nog lang zou duren en hoe ver Capraia was, maar Tamalone met zijn muts in de hand om naar buiten te gaan, antwoordde gemelijk dat hij ’t niet wist. Met het schreeuwend kind in haar armen liep zij heen en weder in de kamer, zij begreep niet, hoe zij zoo langen tijd van haar geliefde gescheiden was geweest.En haar gepeinzen werden veelvuldig en inniger met de dagen, de begeerte, die haar gedreven had op de reis naar de stad verontrustte haar weder in steeds heviger keerenden gloed, met droomend gemoed staarde zij soms, terwijl zij het kind aanhaar boezem zuide, langdurig naar buiten, waar de vogel zonder einde kwinkeleerde in zijn kooi.Des avonds beneden speelde Baldo zelden meer op zijn viool, de gebroeders praatten soezend over hetgeen er in de stad gebeurde, terwijl Mevena met neêrgeslagen oogen zat te naaien. Tamalone was meestal uit, hij dwaalde door de straten en de velden, zijn hoofd was immer gebogen.Omtrent Paasch, op een morgen toen zij haar kind in de wieg had geleid, kwamzijbij Simon en Tamalone aan de voordeur staan.„Simon,” zeide ze, „ik ga morgen naar Capraia.”De twee vrienden zagen haar verbluft aan.„Alleen met het kind? Het is wel anderhalven dag van hier.”„Als Tamalone mij niet brengen kan zal ik alleen gaan, maar ik zal rijden en er eerder zijn.”„Maar Tamalone gaat meê,” antwoordde Simon beslist: „want wij kunnen zoolang niet van den winkel.”En de ander, met toegenepen mond eneen lachje naar de verte kijkend, knikte en zweeg. Hij herinnerde zich, dat er in het leger van den keizer groote heeren waren, die zijn gezicht zeer goed kenden en lachen zouden als hij aan een boomtak hing. Maar ’t was al eender, hij zou wel op zijn hoede zijn.De gebroeders spraken onophoudelijk tot Mevena dien dag en volgden haar waar zij ging; zij gaven haar allerlei ernstigen raad toen zij alleen met haar waren aan het eten en vroegen haar herhaaldelijk toch bij hen terug te komen. Tamalone kwam laat thuis; hij droeg korte kleederen als een krijgsman, gespoorde laarzen, een nieuw zwaard aan zijn zij en een muts met een pluim. De broeders staarden hem aan en Josse kon niet nalaten te zeggen en telkens hoofdschuddend te herhalen, dat hij sprekend op een hertog geleek, dien hij eens had gezien.Allen waren vroeg op den volgenden morgen. Baldo bleef thuis om te helpen, Josse kon het vuur van zijn oven niet aan krijgen. Simon had de kleedertjes van het kind in een zak gepakt, dien hij aljaren bezat en er het beste gebak van zijn broeder bij gedaan. Toen Tamalone de paarden voor de deur leidde liepen de schippers, kooplui en buren nieuwsgierig te zaâm, de vogel onder het raam hield bij zooveel stemmengerucht zijn tjuiken in. Met vochtige oogen zoende Josse het kind, zijn broeder klopte gemoedelijk de omstanders op hun schouders en Baldo stond met den zak op den rug te kijken. Het was een lieflijke voorjaarsmorgen.Tamalone en Mevena reden weg, tot het einde der kade zagen zij voortdurend om en wuifden hun groeten terug.

10

Mevena was langzaam beter geworden, maar de monnik vergunde haar nog niet het klein kamertje onder het dak te verlaten. Hij had een peluw voor haar gekocht en een tafel geplaatst voor het raampje, dat uitzag op de kade.Daar zat zij den heelen dag met lieve gedachten door de ruitjes kijkend—links verdween de rivier in scherpe bocht juist onder de koepelkerk, met stellingen en ladders; vóór haar en rechts voeren scheepjes in den zonnig gerimpelden stroom, op de kade wemelden mannen en vrouwen die druk met koopwaar sjouwden, sommigen leunden pratend over den wal; ginds, voorbij de brug, blonk de zuiderlucht ijler boven spichtige masten en half-gereefdezeiltjes en in de verte schitterde een vergulde torenspits. Het marktgewoel was een nieuw gezicht voor haar, aandachtig zag zij naar al wat gebeurde. De liederen, die beneden een man van den vroegen morgen zong en het tierelieren van een vogel in een kooi onder ’t venster, klonken aanhoudend door het geroezemoes van buiten en maakten de wereld vol zoet rumoer.Vóór zij van het bed mocht opstaan had zij in haar koortsen aan niets anders gedacht dan naar het kamp te gaan. De bode was teruggekeerd met een langen brief van lieve woorden, waarin Rogier beloofde, dat hij over twee, drie maanden zou komen. Tamalone bracht haar dien brief terwijl zij voor het venstertje zat en toen hij hem voorlas voelde zij een ongekende rust over zich komen, die duurde nadat de lezende stem weer zweeg.Sindsdien morgen was zij altoos vroeg opgestaan om de eerste menschen op de kade te zien komen en bij het prille daglicht weêr verheugd aan den geliefde te denken. Zij verwonderde zich wel hoevreemd het was, dat het verlangen van kort geleden haar verlaten had, nadat zij beter was geworden; hoe vreemd, dat zij niet meer begeerde naar hem toe te gaan, maar liever hier in de veilige zorg van Tamalone op hem wachtte; zij mijmerde vaak daarover in stil gemoed, starend naar de rozige lucht en de weêrkaatsing in de rivier, tot het geroep van vroege schippers of de uitbundigheid van den vogel aan den muur haar gedachten weêr stoorden. Toch wist zij zoo zeker, dat zij meer van hem hield, en met een glimlach keek zij naar de lieden, die kwamen en die zij begon te herkennen aan hun dracht of gestalte.In het eerst liet Tamalone, die nu fraaie hozen en een buis van groen fluweel droeg, haar veel alleen, doch zij hoorde dikwerf zijn stem beneden. Eindelijk, na weken toen de menschen op straat zich met wol en bont begonnen te kleeden, kwam hij zeggen, dat zij haar kamertje uit mocht; zij was in een arm huis maar, zeide hij, doch zij zouden allen goed voor haar zijn, dat zij zich tevreden gevoelde.De kamer, die zij binnentrad was laag,met een vierkant raam, waar dorrende wingerd voor hing, en buiten was een plaats met vaten en kisten. Drie mannen stonden naast elkander tegen het licht. De broeder zeide, dat het zijn vrienden waren en noemde hun namen: Simon, Josse, en Baldo die nog zeer jong was. Zij keken haar zwijgend aan. Bij den haard lagen twee katten en een langharige hond met zijn tong uit den bek. Mevena zette zich bij de dieren neder om hen te aaien, en toen liepen de mannen de kamer weêr uit.Simon had thans een winkel in scheepsproviand, zijn broeder Josse en diens zoon waren pasteibakkers. Zij hadden hun land verlaten wegens de ketterijen, in den tijd toen ook Tamalone Frankrijk verliet. Dat was al tien jaar geleden, maar nog altoos spraken zij ’t liefst over oude vrienden thuis en benijdden zij Tamalone, wanneer hij somwijlen op zijn reizen was terug geweest in ’t vaderland en hun van welbekende dingen vertelde.Bij het maal werd weinig gesproken, alleen de monnik zei nu en dan iets, Mevena gaf den dieren stukjes uit haarbord; soms moest een der mannen opstaan als er een klant aan de voordeur riep.Toen de borden van de tafel waren en de drie mannen de kamer weêr hadden verlaten, lei Mevena haar hand op Tamalones schouder en vroeg vertrouwelijk lachend of zij nu ook naar buiten mocht gaan. Hij had reeds een blauwen mantel voor haar gekocht, met een kap, zooals de koopvrouwen droegen; toen hij dien ophield schaterde zij plotseling luid uit zoodat de hond kwispelend opsprong en Tamalone meê lachen moest. Zij trok hem aan, hij zette een nieuwe kaproen met roode banden op, en beiden gingen de straatdeur uit, met den hond die blaffend in de menigte wegliep; bij een stapel gebak waar jongens stonden te kijken, zat Simon voor zijn winkel te zingen en te naaien en knikte lachend.Zij liepen door ’t gewemel langs de kade en sloegen links de nauwe straat in, waar de torens hoog boven de huizen rezen; daar was het nog drukker, de uitstallingen der winkels vulden de geheele straat met verscheidenheid van waren; er liepen ookvele voorname vrouwen met juweelen aan de handen, die heur slepen ophielden en met de kooplieden praatten. Zonnige wolken gingen hoog boven de daken, de wind deed de kleederen der menschen wapperen. Mevena had nog nooit zoo’n drukke straat gezien en zoovele dingen welke zij niet kende, zij was blijde daar te loopen en hield herhaaldelijk Tamalone staande, die haar van alles vertellen moest.Zij had een blos op de wangen toen zij vermoeid thuis kwam en zuchtend op een bankje in den winkel ging zitten tusschen manden, kisten en kruiken. Josse kwam daar met een blad versch dampende koeken binnen en bood er haar met een buiging van aan.Na dien eersten keer ging zij dagelijks met Tamalone wandelen, somtijds buiten de muren, doch meestal in de stad door de drukke buurten of de smalle groene straatjes, terwijl zij met lachende gezichten elkaêr vertelden of een liedje voorzongen. Het waren telkens nieuwe morgens met nieuwe vroolijkheid. Tamalone dacht dikwijls hoe gelukkig hij met haar was, haar oogen zagen hem altijd zoo vrij en glinsterend aan.Op een dag, nadat zij hare verwondering reeds eenmaal verzwegen had, vroeg ze waarom hij zijn pij niet droeg en wanneer hij naar zijn klooster terug moest keeren. Een oogenblik zweeg hij, maar antwoordde met opklarend gezicht, dat hij bij haar blijven wilde zoolang zij alleen was en praatte vlug over andere dingen door, zoodat zij haar vraag vergat. En dit was de eenige keer, dat zij over zijn heengaan sprak, want wanneer zijn fraaie kleederen er haar aan herinnerden, dat hij eigenlijk een klerk was en haar nieuwsgierigheid wekten, zweeg zij—zij wilde niet gaarne meer buiten hem en vreesde hem te grieven. Tamalone echter wist wel waarom zij soms zonder spreken naar zijn roode kaproen keek en dan ontwaakten gedachten, die hem stil maakten in ’t gemoed en met verdrietige onrustigheid wederkeerden wanneer hij alleen was ’s nachts op zijn bed.Mevena zat meestal beneden wanneer de mannen in de kamer waren; de eerbiedige behandeling van den eersten tijd liet zij zich schertsend gevallen en bedachtonderwijl allerlei om hen te behagen. Josse en Simon kwamen al glimlachend binnen wanneer zij daar was; zij bleven na het avondeten thuis en zaten in ’t karig licht vergenoegd aan de tafel naar haar te kijken en te praten. De jonge Baldo, die wel met meiskes uitging, kwam dan jolig terug en speelde dartele wijzen op zijn viool; soms zongen de ouden om beurten mede, met glimmende oogen. Het tenger meisje bij het haardvuur gezeten luisterde met open lippen, zich gelukkig voelend in dit laag vertrekje vol uitbundigheid van mannengeluid.De dagen gingen voorbij en werden kouder. Simon en Josse hielden veel van Mevena en dachten niet aan den tijd wanneer zij heen zou gaan; zij zelve sprak er nimmer over, noch over hem die in het leger was en Tamalone had geen andere gedachte dan voor haar te zorgen en haar te behagen. Hij kleedde zich hoe langer zoo fraaier en kwam dikwijls met nieuwe sieraden thuis. De gebroeders hadden er al samen over gesproken hoe zeer hij veranderd was: kleurige kleederendroeg hij, met glansen, hij schoor zijn kin en krulde zijn kneveltje gelijk een edelman. Zij wisten niet hoe hij aan ’t geld kwam om zulke kostbaarheden te koopen, maar zij waren al jaren gewoon hem na poozen van groot gebrek eensklaps rijk te zien; ook hadden zij gehoord dat hij veel in de huizen van voorname lieden kwam, en zij vonden hem een wonderlijk man.Op een avond, toen Mevena vroeg naar boven ging, was de monnik, die onder het gezang van Baldo stil voor zich had gekeken en uit was gegaan, nog niet terug. De broeders besloten te wachten tot hij kwam en zaten ter wederzijden van het vuur over Mevena te praten. De ruitjes klepperden grillig in ’t raam door de vlagen van den wind; achter het huis sloeg de torenklok dreunend het uur van den nacht, die stiller werd naarmate de mannen langer wachtten.Tamalone doolde in de stad rond, dicht in zijn mantel gehuld voor de koude. Hij had dien avond gezien, dat Mevena een kind moest krijgen, en hij had zich herinnerdhoe hij haar uit het huis van haar vader naar het kamp in de bergen gevoerd had, toen hij nog niet wist dat hij van haar hield. Een kranke ontroering was over hem gekropen toen hij gewaar werd dat hij de laatste weken in droomende wenschen geleefd had, hij die heel zijn zorgeloos leven zijn avonturen had laten komen zoo zij wilden, wel wetend dat er voor ’t innig verlangen slechts wanhoop was—hij had zich in het huis van Simon een vreemdeling gevoeld in zijn zwierige kleederen. Den nacht van hun vlucht ook had hij zich duidelijk herinnerd en de gouden kronen, die haar vader hem had gegeven—toen had hij zich geërgerd aan die vrouw die hem nooit zou begrijpen en hij was zonder spreken de deur uitgegaan.Het was overal donker, slechts de ruitjes der taveernen waren verlicht, in de huizen schenen de menschen te slapen en Tamalone liep met tintelende wangen geheel alleen in den nachtwind, die suizend woei door de verlaten straten. Hij hoorde zijn haastige voetstappen, waar hij zoo vaak naar geluisterd had op zijn eenzame tochten,de wind deed hem diep ademen en hij voelde zich opgewonden door begeerte om den ganschen nacht te loopen waar de wegen hem voeren mochten, om weder als van ouds te dolen door ’t land van stad tot stad.Op het domplein stonden in donker groepjes mannen te praten, een enkele dronkaard liep in zichzelf gekeerd te zingen op lijzigen toon. Tamalone ging een herberg binnen, dronk in eenen teug den beker ledig en liep onbezorgder verder in den nacht, zijn open mantel wapperde vrij van zijn rug. Blijdschap deed hem nu haastiger gaan, hij had de heerlijke doellooze vrijheid weder van te zwerven onder vreemde menschen. Morgen, morgen wanneer de poorten open waren zou hij de stad uit gaan, hij was er reeds lang geweest. In zijn verbeelding zag hij Mevena alleen, in het huis van Simon eerst, later terug bij den man in het leger; het waren slechts stille beelden welke hij zag, zij ontroerden hem niet.Met een glimlach herinnerde hij zich hoe hij nog dien zelfden morgen, terwijlhij naar haar witte handen keek, met innerlijk schreien had gedacht waarom zijhèmniet beminde, die haar nooit verlaten zou hebben en met wien zij gelukkig zou wezen. Het was heerlijk een vrouw lief te hebben zooals hij haar liefhad, maar hij wist, dat zij weldra heen zou gaan, voor goed zou gaan, zoodat hij haar nooit meer weder zou zien. Hij hoefde niet langer te blijven in ’t huisje aan de rivier, waar hij zich vervelen zou, nu de begeerte was teruggekomen naar het land en den open hemel, naar steden waar hij nooit was geweest en nieuwe menschengezichten. Hij kon haar gerust verlaten, zij was veilig bij Simon en Josse en zou niet naar hem vragen. En hij, zou hij niet gelukkiger zijn zoo hij slechts aan haar denken kon?Met lustige schreden liep hij in onbekende buurten, langs wegen waar huizen in aanbouw waren; een eind verder op een open plek zag hij onduidelijk den omtrek van een galg tegen de lucht, hij lachte even, met een dwaas gebaar, en bleef staan om te zien of er iemand hing, maar het was te donker. Hij merkte nu, dat hetkoud was, stampte op den grond en blies in zijn handen.Terwijl hij voortliep bedacht hij dat het dwaas zou zijn den ganschen nacht te dwalen, indien hij in den morgen op reis wilde gaan; hij besloot naar huis te keeren, en lang te slapen.De deur stond aan en binnen vond hij Simon, die alleen nog op was, slapend met het hoofd in de armen op de tafel; nevens hem stond een ronde kruik met bier, de katten lagen voor het smeulend vuur te spinnen. Simon, met zijn vuisten in zijn oogen wrijvend, vroeg waar hij geweest was, doch Tamalone antwoordde niet, dronk uit de kruik en zette zich bij het vuur. Hij wist, dat de goede Simon al sedert hun kloosterjaren hem genegen was, dat hij de eenige was die om hem gaf; hij vroeg hem nu nog een oogenblik op te blijven terwijl hij zich warmde en zijn bier dronk. Zij zaten elkander zwijgend en vriendelijk aan te kijken, de torenklok sloeg met ernstigen klank. Eindelijk stond Simon op, zeide dat Tamalone toch een zonderling man was en blies de pit uit.Op zijn bed in de deken gewikkeld, voelde Tamalone zijn voeten nog prikkelen van het loopen en voor hij zijn gedachten in behaaglijken slaap verloor, rees er onverwacht ééne nog in verschietende klaarheid: hij had haar lief zoo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig zou maken.—Laat in den dag stond hij op. Mevena zat geduldig te wachten om met hem uit te gaan naar hun gewoonte. Hij was op het punt haar zijn besluit van gisteravond te zeggen, doch haar oogen waren zoo vroolijk, dat hij wel terug moest glimlachen en haar niet te leur wou stellen. Hij kon evengoed in den avond vertrekken.Het was een blanke, frissche dag; de menschen in de straten zagen opgeruimd en bloosden van de koude. In het begin van hun wandeling luisterde Tamalone zonder antwoord naar wat zij zeide. Zij liepen langzaam en bleven dikwijls voor de winkels staan; aan den overkant van ’t water gingen zij door groententuinen en hij werd van lieverlede spraakzaam. Dan vertelde hij haar zijn voornemen om heen te gaan, daar zij veilig was bij zijn vrienden.Een poosje gingen zij zonder spreken voort met gebogen hoofden; toen zij hem aankeek zag hij, dat zij groote tranen in de oogen had—hij schrok en wilde haar hand kussen... met teeder lieve stem zeide hij, dat hij bij haar zou blijven als zij wilde. Zij keek hem aan, verblijd, en knikte,—Tamalone ademde dieper van heerlijkheid, door het nat zijner opgeslagen oogen zag hij den hemel in prachtige klaarheid, hij dacht dat zij zijn hart nu wèl begreep. Opgewekt spraken zij toen over andere dingen en gingen in vertrouwelijkheid naast elkander, de heldere zon scheen over het groen aan hun voeten. Zij liepen nog hier en daar en Tamalone wees haar hoevele menschen er dien dag hun beste kleederen droegen.Thuis dien avond bij het licht der koperen lampjes was er weder geluid van liederen; Baldo sprak over het onrecht waarmede de groote heeren regeerden en Tamalone deed een schoon verhaal van ridders en lieflijke vrouwen terwijl Mevena met groote oogen, haar gelaat in haar handen voorover geleund, en de brave mannen rustig ademend luisterden.—De dagen vloden heen, de winter was gekomen. Des morgens vroeg zat Mevena nog steeds voor haar venstertje te wachten op Rogier, bij de mannen beneden noemde zij nimmer zijn naam. Tamalone wist wel waar zij altoos in stilte aan dacht, doch het maakte hem niet verdrietig, hij voelde in nederigheid, dat iedere dag al vreugde was en om wat komen zou haalde hij de schouders op.Toen het reeds Kerstmis geweest was ging Josse op een Zondag na den kerkdienst met haar wandelen en vertelde haar, dat zijn broeder beloofd had een wieg voor haar te maken, omdat haar kind nu wel spoedig zou komen. Zij was er stil van den ganschen weg, zij had er nooit aan gedacht, dat ook de mannen zouden weten waar zij heimelijk verwonderd vaak over peinsde. Nu Josse gezegd had dat zij spoedig een kind zou krijgen, wilde zij wel aanstonds naar Rogier toe gaan, want de wereld was zoo veranderd en bij hem zou zij tevreden zijn. Doch de goede Josse klopte haar op den arm toen zij daar over sprak, en zeide dat hij een boodschap zouzenden, maar dat zij rustig bij hen moest blijven.En dien middag, toen zij in haar kamertje was, zat Tamalone een brief te schrijven, terwijl de jonge Baldo aandachtig naar hem keek en de broeders tegenover elkander dommelden in de schouw.Eenige dagen later kwam de bode terug; Rogier met het leger voor Capraia had hem een kort wederwoord gegeven en liet zeggen, dat de keizer hem niet vergunde om heen te gaan, later zou hij een brief schrijven. Doch de mannen verzwegen dit antwoord voor Mevena.Eindelijk op een kouden nacht werd het kind geboren. Tamalone, die de vrouw was gaan roepen bleef buiten op de kade heen en weder loopen, de sneeuw viel gedurig in dichte vlokken, zoodat hij bij poozen moest stilstaan om zich de kleederen af te schudden. Het water murmelde in den stroom, één venstertje was er licht in de duisternis, waar hij aldoor naar keek. Verkleumd en bibberend ging hij ten leste binnen, de vrienden zaten daar met de vroedvrouw genoegelijk bij een mooi vuur teeten, boven hoorde hij een zwak stemgeluid. De vrouw wenschte hem geluk en Simon en Josse moesten daar hard om lachen, maar Tamalone zeide niets, spreidde zijn handen voor de vlammen uit en nam toen gretig een groote pastei.Bij het grauwen van den komenden dag liep hij zachtkens naar boven en trad de kamer van Mevena binnen; zij lag met open oogen en glimlachte toen zij hem zag, aan haar voeten was een rood gezichtje. Hij boog er zich even voorover, knikte dan tot Mevena met goedhartigen blik.Dien ochtend dwaalde hij alleen in de besneeuwde stad, denkend aan de winterdagen toen hij het huis van zijn vader verlaten had en voor ’t eerst ’s nachts buiten was geweest; de sneeuw lag toen even dik en de soldaten van de stadswacht hadden hem gevonden. Hij trachtte aan Mevena te denken, maar hij zag voortdurend beelden uit het verleden, die zijn hart neerslachtig maakten en er weemoed wekten, zijn leven had zoo anders kunnen zijn. Hij kon de dikke lucht en de klanklooze straten niet verdragen en trad een herberg binnen,waar hij in een hoek zat en veel wijn dronk. Eensklaps herinnerde hij zich, dat hij voor Mevena moest zorgen, daar Simon en Josse aan hun werk waren, hij keerde vlug naar huis. Een half uur later bracht hij een wasemende brei naar boven, dien hij zelf had gekookt.Na een poos, toen het weder milder werd begon het Mevena te bevreemden waarom Rogier niet gekomen was. Zij sprak er over met haar vrienden en hoorde wat Rogier geantwoord had;—dan vroeg zij of de krijg nog lang zou duren en hoe ver Capraia was, maar Tamalone met zijn muts in de hand om naar buiten te gaan, antwoordde gemelijk dat hij ’t niet wist. Met het schreeuwend kind in haar armen liep zij heen en weder in de kamer, zij begreep niet, hoe zij zoo langen tijd van haar geliefde gescheiden was geweest.En haar gepeinzen werden veelvuldig en inniger met de dagen, de begeerte, die haar gedreven had op de reis naar de stad verontrustte haar weder in steeds heviger keerenden gloed, met droomend gemoed staarde zij soms, terwijl zij het kind aanhaar boezem zuide, langdurig naar buiten, waar de vogel zonder einde kwinkeleerde in zijn kooi.Des avonds beneden speelde Baldo zelden meer op zijn viool, de gebroeders praatten soezend over hetgeen er in de stad gebeurde, terwijl Mevena met neêrgeslagen oogen zat te naaien. Tamalone was meestal uit, hij dwaalde door de straten en de velden, zijn hoofd was immer gebogen.Omtrent Paasch, op een morgen toen zij haar kind in de wieg had geleid, kwamzijbij Simon en Tamalone aan de voordeur staan.„Simon,” zeide ze, „ik ga morgen naar Capraia.”De twee vrienden zagen haar verbluft aan.„Alleen met het kind? Het is wel anderhalven dag van hier.”„Als Tamalone mij niet brengen kan zal ik alleen gaan, maar ik zal rijden en er eerder zijn.”„Maar Tamalone gaat meê,” antwoordde Simon beslist: „want wij kunnen zoolang niet van den winkel.”En de ander, met toegenepen mond eneen lachje naar de verte kijkend, knikte en zweeg. Hij herinnerde zich, dat er in het leger van den keizer groote heeren waren, die zijn gezicht zeer goed kenden en lachen zouden als hij aan een boomtak hing. Maar ’t was al eender, hij zou wel op zijn hoede zijn.De gebroeders spraken onophoudelijk tot Mevena dien dag en volgden haar waar zij ging; zij gaven haar allerlei ernstigen raad toen zij alleen met haar waren aan het eten en vroegen haar herhaaldelijk toch bij hen terug te komen. Tamalone kwam laat thuis; hij droeg korte kleederen als een krijgsman, gespoorde laarzen, een nieuw zwaard aan zijn zij en een muts met een pluim. De broeders staarden hem aan en Josse kon niet nalaten te zeggen en telkens hoofdschuddend te herhalen, dat hij sprekend op een hertog geleek, dien hij eens had gezien.Allen waren vroeg op den volgenden morgen. Baldo bleef thuis om te helpen, Josse kon het vuur van zijn oven niet aan krijgen. Simon had de kleedertjes van het kind in een zak gepakt, dien hij aljaren bezat en er het beste gebak van zijn broeder bij gedaan. Toen Tamalone de paarden voor de deur leidde liepen de schippers, kooplui en buren nieuwsgierig te zaâm, de vogel onder het raam hield bij zooveel stemmengerucht zijn tjuiken in. Met vochtige oogen zoende Josse het kind, zijn broeder klopte gemoedelijk de omstanders op hun schouders en Baldo stond met den zak op den rug te kijken. Het was een lieflijke voorjaarsmorgen.Tamalone en Mevena reden weg, tot het einde der kade zagen zij voortdurend om en wuifden hun groeten terug.

Mevena was langzaam beter geworden, maar de monnik vergunde haar nog niet het klein kamertje onder het dak te verlaten. Hij had een peluw voor haar gekocht en een tafel geplaatst voor het raampje, dat uitzag op de kade.

Daar zat zij den heelen dag met lieve gedachten door de ruitjes kijkend—links verdween de rivier in scherpe bocht juist onder de koepelkerk, met stellingen en ladders; vóór haar en rechts voeren scheepjes in den zonnig gerimpelden stroom, op de kade wemelden mannen en vrouwen die druk met koopwaar sjouwden, sommigen leunden pratend over den wal; ginds, voorbij de brug, blonk de zuiderlucht ijler boven spichtige masten en half-gereefdezeiltjes en in de verte schitterde een vergulde torenspits. Het marktgewoel was een nieuw gezicht voor haar, aandachtig zag zij naar al wat gebeurde. De liederen, die beneden een man van den vroegen morgen zong en het tierelieren van een vogel in een kooi onder ’t venster, klonken aanhoudend door het geroezemoes van buiten en maakten de wereld vol zoet rumoer.

Vóór zij van het bed mocht opstaan had zij in haar koortsen aan niets anders gedacht dan naar het kamp te gaan. De bode was teruggekeerd met een langen brief van lieve woorden, waarin Rogier beloofde, dat hij over twee, drie maanden zou komen. Tamalone bracht haar dien brief terwijl zij voor het venstertje zat en toen hij hem voorlas voelde zij een ongekende rust over zich komen, die duurde nadat de lezende stem weer zweeg.

Sindsdien morgen was zij altoos vroeg opgestaan om de eerste menschen op de kade te zien komen en bij het prille daglicht weêr verheugd aan den geliefde te denken. Zij verwonderde zich wel hoevreemd het was, dat het verlangen van kort geleden haar verlaten had, nadat zij beter was geworden; hoe vreemd, dat zij niet meer begeerde naar hem toe te gaan, maar liever hier in de veilige zorg van Tamalone op hem wachtte; zij mijmerde vaak daarover in stil gemoed, starend naar de rozige lucht en de weêrkaatsing in de rivier, tot het geroep van vroege schippers of de uitbundigheid van den vogel aan den muur haar gedachten weêr stoorden. Toch wist zij zoo zeker, dat zij meer van hem hield, en met een glimlach keek zij naar de lieden, die kwamen en die zij begon te herkennen aan hun dracht of gestalte.

In het eerst liet Tamalone, die nu fraaie hozen en een buis van groen fluweel droeg, haar veel alleen, doch zij hoorde dikwerf zijn stem beneden. Eindelijk, na weken toen de menschen op straat zich met wol en bont begonnen te kleeden, kwam hij zeggen, dat zij haar kamertje uit mocht; zij was in een arm huis maar, zeide hij, doch zij zouden allen goed voor haar zijn, dat zij zich tevreden gevoelde.

De kamer, die zij binnentrad was laag,met een vierkant raam, waar dorrende wingerd voor hing, en buiten was een plaats met vaten en kisten. Drie mannen stonden naast elkander tegen het licht. De broeder zeide, dat het zijn vrienden waren en noemde hun namen: Simon, Josse, en Baldo die nog zeer jong was. Zij keken haar zwijgend aan. Bij den haard lagen twee katten en een langharige hond met zijn tong uit den bek. Mevena zette zich bij de dieren neder om hen te aaien, en toen liepen de mannen de kamer weêr uit.

Simon had thans een winkel in scheepsproviand, zijn broeder Josse en diens zoon waren pasteibakkers. Zij hadden hun land verlaten wegens de ketterijen, in den tijd toen ook Tamalone Frankrijk verliet. Dat was al tien jaar geleden, maar nog altoos spraken zij ’t liefst over oude vrienden thuis en benijdden zij Tamalone, wanneer hij somwijlen op zijn reizen was terug geweest in ’t vaderland en hun van welbekende dingen vertelde.

Bij het maal werd weinig gesproken, alleen de monnik zei nu en dan iets, Mevena gaf den dieren stukjes uit haarbord; soms moest een der mannen opstaan als er een klant aan de voordeur riep.

Toen de borden van de tafel waren en de drie mannen de kamer weêr hadden verlaten, lei Mevena haar hand op Tamalones schouder en vroeg vertrouwelijk lachend of zij nu ook naar buiten mocht gaan. Hij had reeds een blauwen mantel voor haar gekocht, met een kap, zooals de koopvrouwen droegen; toen hij dien ophield schaterde zij plotseling luid uit zoodat de hond kwispelend opsprong en Tamalone meê lachen moest. Zij trok hem aan, hij zette een nieuwe kaproen met roode banden op, en beiden gingen de straatdeur uit, met den hond die blaffend in de menigte wegliep; bij een stapel gebak waar jongens stonden te kijken, zat Simon voor zijn winkel te zingen en te naaien en knikte lachend.

Zij liepen door ’t gewemel langs de kade en sloegen links de nauwe straat in, waar de torens hoog boven de huizen rezen; daar was het nog drukker, de uitstallingen der winkels vulden de geheele straat met verscheidenheid van waren; er liepen ookvele voorname vrouwen met juweelen aan de handen, die heur slepen ophielden en met de kooplieden praatten. Zonnige wolken gingen hoog boven de daken, de wind deed de kleederen der menschen wapperen. Mevena had nog nooit zoo’n drukke straat gezien en zoovele dingen welke zij niet kende, zij was blijde daar te loopen en hield herhaaldelijk Tamalone staande, die haar van alles vertellen moest.

Zij had een blos op de wangen toen zij vermoeid thuis kwam en zuchtend op een bankje in den winkel ging zitten tusschen manden, kisten en kruiken. Josse kwam daar met een blad versch dampende koeken binnen en bood er haar met een buiging van aan.

Na dien eersten keer ging zij dagelijks met Tamalone wandelen, somtijds buiten de muren, doch meestal in de stad door de drukke buurten of de smalle groene straatjes, terwijl zij met lachende gezichten elkaêr vertelden of een liedje voorzongen. Het waren telkens nieuwe morgens met nieuwe vroolijkheid. Tamalone dacht dikwijls hoe gelukkig hij met haar was, haar oogen zagen hem altijd zoo vrij en glinsterend aan.

Op een dag, nadat zij hare verwondering reeds eenmaal verzwegen had, vroeg ze waarom hij zijn pij niet droeg en wanneer hij naar zijn klooster terug moest keeren. Een oogenblik zweeg hij, maar antwoordde met opklarend gezicht, dat hij bij haar blijven wilde zoolang zij alleen was en praatte vlug over andere dingen door, zoodat zij haar vraag vergat. En dit was de eenige keer, dat zij over zijn heengaan sprak, want wanneer zijn fraaie kleederen er haar aan herinnerden, dat hij eigenlijk een klerk was en haar nieuwsgierigheid wekten, zweeg zij—zij wilde niet gaarne meer buiten hem en vreesde hem te grieven. Tamalone echter wist wel waarom zij soms zonder spreken naar zijn roode kaproen keek en dan ontwaakten gedachten, die hem stil maakten in ’t gemoed en met verdrietige onrustigheid wederkeerden wanneer hij alleen was ’s nachts op zijn bed.

Mevena zat meestal beneden wanneer de mannen in de kamer waren; de eerbiedige behandeling van den eersten tijd liet zij zich schertsend gevallen en bedachtonderwijl allerlei om hen te behagen. Josse en Simon kwamen al glimlachend binnen wanneer zij daar was; zij bleven na het avondeten thuis en zaten in ’t karig licht vergenoegd aan de tafel naar haar te kijken en te praten. De jonge Baldo, die wel met meiskes uitging, kwam dan jolig terug en speelde dartele wijzen op zijn viool; soms zongen de ouden om beurten mede, met glimmende oogen. Het tenger meisje bij het haardvuur gezeten luisterde met open lippen, zich gelukkig voelend in dit laag vertrekje vol uitbundigheid van mannengeluid.

De dagen gingen voorbij en werden kouder. Simon en Josse hielden veel van Mevena en dachten niet aan den tijd wanneer zij heen zou gaan; zij zelve sprak er nimmer over, noch over hem die in het leger was en Tamalone had geen andere gedachte dan voor haar te zorgen en haar te behagen. Hij kleedde zich hoe langer zoo fraaier en kwam dikwijls met nieuwe sieraden thuis. De gebroeders hadden er al samen over gesproken hoe zeer hij veranderd was: kleurige kleederendroeg hij, met glansen, hij schoor zijn kin en krulde zijn kneveltje gelijk een edelman. Zij wisten niet hoe hij aan ’t geld kwam om zulke kostbaarheden te koopen, maar zij waren al jaren gewoon hem na poozen van groot gebrek eensklaps rijk te zien; ook hadden zij gehoord dat hij veel in de huizen van voorname lieden kwam, en zij vonden hem een wonderlijk man.

Op een avond, toen Mevena vroeg naar boven ging, was de monnik, die onder het gezang van Baldo stil voor zich had gekeken en uit was gegaan, nog niet terug. De broeders besloten te wachten tot hij kwam en zaten ter wederzijden van het vuur over Mevena te praten. De ruitjes klepperden grillig in ’t raam door de vlagen van den wind; achter het huis sloeg de torenklok dreunend het uur van den nacht, die stiller werd naarmate de mannen langer wachtten.

Tamalone doolde in de stad rond, dicht in zijn mantel gehuld voor de koude. Hij had dien avond gezien, dat Mevena een kind moest krijgen, en hij had zich herinnerdhoe hij haar uit het huis van haar vader naar het kamp in de bergen gevoerd had, toen hij nog niet wist dat hij van haar hield. Een kranke ontroering was over hem gekropen toen hij gewaar werd dat hij de laatste weken in droomende wenschen geleefd had, hij die heel zijn zorgeloos leven zijn avonturen had laten komen zoo zij wilden, wel wetend dat er voor ’t innig verlangen slechts wanhoop was—hij had zich in het huis van Simon een vreemdeling gevoeld in zijn zwierige kleederen. Den nacht van hun vlucht ook had hij zich duidelijk herinnerd en de gouden kronen, die haar vader hem had gegeven—toen had hij zich geërgerd aan die vrouw die hem nooit zou begrijpen en hij was zonder spreken de deur uitgegaan.

Het was overal donker, slechts de ruitjes der taveernen waren verlicht, in de huizen schenen de menschen te slapen en Tamalone liep met tintelende wangen geheel alleen in den nachtwind, die suizend woei door de verlaten straten. Hij hoorde zijn haastige voetstappen, waar hij zoo vaak naar geluisterd had op zijn eenzame tochten,de wind deed hem diep ademen en hij voelde zich opgewonden door begeerte om den ganschen nacht te loopen waar de wegen hem voeren mochten, om weder als van ouds te dolen door ’t land van stad tot stad.

Op het domplein stonden in donker groepjes mannen te praten, een enkele dronkaard liep in zichzelf gekeerd te zingen op lijzigen toon. Tamalone ging een herberg binnen, dronk in eenen teug den beker ledig en liep onbezorgder verder in den nacht, zijn open mantel wapperde vrij van zijn rug. Blijdschap deed hem nu haastiger gaan, hij had de heerlijke doellooze vrijheid weder van te zwerven onder vreemde menschen. Morgen, morgen wanneer de poorten open waren zou hij de stad uit gaan, hij was er reeds lang geweest. In zijn verbeelding zag hij Mevena alleen, in het huis van Simon eerst, later terug bij den man in het leger; het waren slechts stille beelden welke hij zag, zij ontroerden hem niet.

Met een glimlach herinnerde hij zich hoe hij nog dien zelfden morgen, terwijlhij naar haar witte handen keek, met innerlijk schreien had gedacht waarom zijhèmniet beminde, die haar nooit verlaten zou hebben en met wien zij gelukkig zou wezen. Het was heerlijk een vrouw lief te hebben zooals hij haar liefhad, maar hij wist, dat zij weldra heen zou gaan, voor goed zou gaan, zoodat hij haar nooit meer weder zou zien. Hij hoefde niet langer te blijven in ’t huisje aan de rivier, waar hij zich vervelen zou, nu de begeerte was teruggekomen naar het land en den open hemel, naar steden waar hij nooit was geweest en nieuwe menschengezichten. Hij kon haar gerust verlaten, zij was veilig bij Simon en Josse en zou niet naar hem vragen. En hij, zou hij niet gelukkiger zijn zoo hij slechts aan haar denken kon?

Met lustige schreden liep hij in onbekende buurten, langs wegen waar huizen in aanbouw waren; een eind verder op een open plek zag hij onduidelijk den omtrek van een galg tegen de lucht, hij lachte even, met een dwaas gebaar, en bleef staan om te zien of er iemand hing, maar het was te donker. Hij merkte nu, dat hetkoud was, stampte op den grond en blies in zijn handen.

Terwijl hij voortliep bedacht hij dat het dwaas zou zijn den ganschen nacht te dwalen, indien hij in den morgen op reis wilde gaan; hij besloot naar huis te keeren, en lang te slapen.

De deur stond aan en binnen vond hij Simon, die alleen nog op was, slapend met het hoofd in de armen op de tafel; nevens hem stond een ronde kruik met bier, de katten lagen voor het smeulend vuur te spinnen. Simon, met zijn vuisten in zijn oogen wrijvend, vroeg waar hij geweest was, doch Tamalone antwoordde niet, dronk uit de kruik en zette zich bij het vuur. Hij wist, dat de goede Simon al sedert hun kloosterjaren hem genegen was, dat hij de eenige was die om hem gaf; hij vroeg hem nu nog een oogenblik op te blijven terwijl hij zich warmde en zijn bier dronk. Zij zaten elkander zwijgend en vriendelijk aan te kijken, de torenklok sloeg met ernstigen klank. Eindelijk stond Simon op, zeide dat Tamalone toch een zonderling man was en blies de pit uit.

Op zijn bed in de deken gewikkeld, voelde Tamalone zijn voeten nog prikkelen van het loopen en voor hij zijn gedachten in behaaglijken slaap verloor, rees er onverwacht ééne nog in verschietende klaarheid: hij had haar lief zoo zéér, dat haar wederliefde hem niet gelukkig zou maken.—

Laat in den dag stond hij op. Mevena zat geduldig te wachten om met hem uit te gaan naar hun gewoonte. Hij was op het punt haar zijn besluit van gisteravond te zeggen, doch haar oogen waren zoo vroolijk, dat hij wel terug moest glimlachen en haar niet te leur wou stellen. Hij kon evengoed in den avond vertrekken.

Het was een blanke, frissche dag; de menschen in de straten zagen opgeruimd en bloosden van de koude. In het begin van hun wandeling luisterde Tamalone zonder antwoord naar wat zij zeide. Zij liepen langzaam en bleven dikwijls voor de winkels staan; aan den overkant van ’t water gingen zij door groententuinen en hij werd van lieverlede spraakzaam. Dan vertelde hij haar zijn voornemen om heen te gaan, daar zij veilig was bij zijn vrienden.Een poosje gingen zij zonder spreken voort met gebogen hoofden; toen zij hem aankeek zag hij, dat zij groote tranen in de oogen had—hij schrok en wilde haar hand kussen... met teeder lieve stem zeide hij, dat hij bij haar zou blijven als zij wilde. Zij keek hem aan, verblijd, en knikte,—Tamalone ademde dieper van heerlijkheid, door het nat zijner opgeslagen oogen zag hij den hemel in prachtige klaarheid, hij dacht dat zij zijn hart nu wèl begreep. Opgewekt spraken zij toen over andere dingen en gingen in vertrouwelijkheid naast elkander, de heldere zon scheen over het groen aan hun voeten. Zij liepen nog hier en daar en Tamalone wees haar hoevele menschen er dien dag hun beste kleederen droegen.

Thuis dien avond bij het licht der koperen lampjes was er weder geluid van liederen; Baldo sprak over het onrecht waarmede de groote heeren regeerden en Tamalone deed een schoon verhaal van ridders en lieflijke vrouwen terwijl Mevena met groote oogen, haar gelaat in haar handen voorover geleund, en de brave mannen rustig ademend luisterden.—

De dagen vloden heen, de winter was gekomen. Des morgens vroeg zat Mevena nog steeds voor haar venstertje te wachten op Rogier, bij de mannen beneden noemde zij nimmer zijn naam. Tamalone wist wel waar zij altoos in stilte aan dacht, doch het maakte hem niet verdrietig, hij voelde in nederigheid, dat iedere dag al vreugde was en om wat komen zou haalde hij de schouders op.

Toen het reeds Kerstmis geweest was ging Josse op een Zondag na den kerkdienst met haar wandelen en vertelde haar, dat zijn broeder beloofd had een wieg voor haar te maken, omdat haar kind nu wel spoedig zou komen. Zij was er stil van den ganschen weg, zij had er nooit aan gedacht, dat ook de mannen zouden weten waar zij heimelijk verwonderd vaak over peinsde. Nu Josse gezegd had dat zij spoedig een kind zou krijgen, wilde zij wel aanstonds naar Rogier toe gaan, want de wereld was zoo veranderd en bij hem zou zij tevreden zijn. Doch de goede Josse klopte haar op den arm toen zij daar over sprak, en zeide dat hij een boodschap zouzenden, maar dat zij rustig bij hen moest blijven.

En dien middag, toen zij in haar kamertje was, zat Tamalone een brief te schrijven, terwijl de jonge Baldo aandachtig naar hem keek en de broeders tegenover elkander dommelden in de schouw.

Eenige dagen later kwam de bode terug; Rogier met het leger voor Capraia had hem een kort wederwoord gegeven en liet zeggen, dat de keizer hem niet vergunde om heen te gaan, later zou hij een brief schrijven. Doch de mannen verzwegen dit antwoord voor Mevena.

Eindelijk op een kouden nacht werd het kind geboren. Tamalone, die de vrouw was gaan roepen bleef buiten op de kade heen en weder loopen, de sneeuw viel gedurig in dichte vlokken, zoodat hij bij poozen moest stilstaan om zich de kleederen af te schudden. Het water murmelde in den stroom, één venstertje was er licht in de duisternis, waar hij aldoor naar keek. Verkleumd en bibberend ging hij ten leste binnen, de vrienden zaten daar met de vroedvrouw genoegelijk bij een mooi vuur teeten, boven hoorde hij een zwak stemgeluid. De vrouw wenschte hem geluk en Simon en Josse moesten daar hard om lachen, maar Tamalone zeide niets, spreidde zijn handen voor de vlammen uit en nam toen gretig een groote pastei.

Bij het grauwen van den komenden dag liep hij zachtkens naar boven en trad de kamer van Mevena binnen; zij lag met open oogen en glimlachte toen zij hem zag, aan haar voeten was een rood gezichtje. Hij boog er zich even voorover, knikte dan tot Mevena met goedhartigen blik.

Dien ochtend dwaalde hij alleen in de besneeuwde stad, denkend aan de winterdagen toen hij het huis van zijn vader verlaten had en voor ’t eerst ’s nachts buiten was geweest; de sneeuw lag toen even dik en de soldaten van de stadswacht hadden hem gevonden. Hij trachtte aan Mevena te denken, maar hij zag voortdurend beelden uit het verleden, die zijn hart neerslachtig maakten en er weemoed wekten, zijn leven had zoo anders kunnen zijn. Hij kon de dikke lucht en de klanklooze straten niet verdragen en trad een herberg binnen,waar hij in een hoek zat en veel wijn dronk. Eensklaps herinnerde hij zich, dat hij voor Mevena moest zorgen, daar Simon en Josse aan hun werk waren, hij keerde vlug naar huis. Een half uur later bracht hij een wasemende brei naar boven, dien hij zelf had gekookt.

Na een poos, toen het weder milder werd begon het Mevena te bevreemden waarom Rogier niet gekomen was. Zij sprak er over met haar vrienden en hoorde wat Rogier geantwoord had;—dan vroeg zij of de krijg nog lang zou duren en hoe ver Capraia was, maar Tamalone met zijn muts in de hand om naar buiten te gaan, antwoordde gemelijk dat hij ’t niet wist. Met het schreeuwend kind in haar armen liep zij heen en weder in de kamer, zij begreep niet, hoe zij zoo langen tijd van haar geliefde gescheiden was geweest.

En haar gepeinzen werden veelvuldig en inniger met de dagen, de begeerte, die haar gedreven had op de reis naar de stad verontrustte haar weder in steeds heviger keerenden gloed, met droomend gemoed staarde zij soms, terwijl zij het kind aanhaar boezem zuide, langdurig naar buiten, waar de vogel zonder einde kwinkeleerde in zijn kooi.

Des avonds beneden speelde Baldo zelden meer op zijn viool, de gebroeders praatten soezend over hetgeen er in de stad gebeurde, terwijl Mevena met neêrgeslagen oogen zat te naaien. Tamalone was meestal uit, hij dwaalde door de straten en de velden, zijn hoofd was immer gebogen.

Omtrent Paasch, op een morgen toen zij haar kind in de wieg had geleid, kwamzijbij Simon en Tamalone aan de voordeur staan.

„Simon,” zeide ze, „ik ga morgen naar Capraia.”

De twee vrienden zagen haar verbluft aan.

„Alleen met het kind? Het is wel anderhalven dag van hier.”

„Als Tamalone mij niet brengen kan zal ik alleen gaan, maar ik zal rijden en er eerder zijn.”

„Maar Tamalone gaat meê,” antwoordde Simon beslist: „want wij kunnen zoolang niet van den winkel.”

En de ander, met toegenepen mond eneen lachje naar de verte kijkend, knikte en zweeg. Hij herinnerde zich, dat er in het leger van den keizer groote heeren waren, die zijn gezicht zeer goed kenden en lachen zouden als hij aan een boomtak hing. Maar ’t was al eender, hij zou wel op zijn hoede zijn.

De gebroeders spraken onophoudelijk tot Mevena dien dag en volgden haar waar zij ging; zij gaven haar allerlei ernstigen raad toen zij alleen met haar waren aan het eten en vroegen haar herhaaldelijk toch bij hen terug te komen. Tamalone kwam laat thuis; hij droeg korte kleederen als een krijgsman, gespoorde laarzen, een nieuw zwaard aan zijn zij en een muts met een pluim. De broeders staarden hem aan en Josse kon niet nalaten te zeggen en telkens hoofdschuddend te herhalen, dat hij sprekend op een hertog geleek, dien hij eens had gezien.

Allen waren vroeg op den volgenden morgen. Baldo bleef thuis om te helpen, Josse kon het vuur van zijn oven niet aan krijgen. Simon had de kleedertjes van het kind in een zak gepakt, dien hij aljaren bezat en er het beste gebak van zijn broeder bij gedaan. Toen Tamalone de paarden voor de deur leidde liepen de schippers, kooplui en buren nieuwsgierig te zaâm, de vogel onder het raam hield bij zooveel stemmengerucht zijn tjuiken in. Met vochtige oogen zoende Josse het kind, zijn broeder klopte gemoedelijk de omstanders op hun schouders en Baldo stond met den zak op den rug te kijken. Het was een lieflijke voorjaarsmorgen.

Tamalone en Mevena reden weg, tot het einde der kade zagen zij voortdurend om en wuifden hun groeten terug.


Back to IndexNext