Hoofdstuk III.Aankomst te Tobelo. Eerste Werkzaamheden.16 November 1912 was voor het kleine Tobelo een historische dag van den eersten rang, wat in den vroegen morgen van dien dag zeker nog door niemand aldaar werd beseft; doch misschien zal eens deze datum hier als het begin van een nieuw tijdperk worden herdacht.Nauwelijks was het licht in de lucht of we maakten ons gereed naar den wal te gaan.Van het plaatsje was niets te zien, maar een kleine dam van koraalbrokken, die van het land een eind in de zee was uitgebouwd, eenige goedangs (loodsen) van de Paketvaart en de Moluksche Handels-Vennootschap duidden er toch reeds op, dat hier een geregeld verkeer moest plaats hebben. Zelfs stond er een lantaarnpaal, waarop een lantaarn, die dezen nacht evenwel niet had gebrand; doch wie had in Tobelo kunnen vermoeden, dat het feit van een brandende lantaarn aldaar dezen nacht als een teeken van beschaving verbijsterend op een Hollander zou hebben gewerkt.Aan een weg, evenwijdig met het strand, lagen links en rechts de huisjes der kampong. Voor een dier huisjes, door een heg van den weg gescheiden, stond een vlaggestok. Juist toen we passeerden verscheen in het kleine voorgalerijtje een Europeaan in slaapbroek en kabaai. Het was de civiel-gezaghebber, die belast was met het bestuur over de Oostkust der onderafdeeling Noord-Halmaheira en van de daarbij behoorende eilanden.Verster, die reeds op zijn eersten tocht naar hier kennis met hem had gemaakt, stelde mij aan hem voor, en zoo zaten we reeds spoedig in het kleine voorgalerijtje op schommelstoelen bijeen.Na de eerste plichtplegingen kwam reeds spoedig het gesprek op het doel onzer reis en de reden onzer komst te Tobelo. Toen hij vernam, dat wij van zins waren van het achterliggende land voorloopig een stuk van 1000 bouws uit te zetten, om in concessie aan te vragen, was zijn antwoord: “Onmogelijk!”Dit was het pijnlijkste oogenblik, dat ik op mijn reis doormaakte; want zouden we hier niet kunnen slagen, dan zag ik het doel mijner zending in rook vervliegen. Doch slechts een oogenblik bleef ik onder den indruk van zijn afwijzend antwoord.Op mijn vraag, waarom zulk een aanvrage hieronmogelijk was, kreeg ik ten antwoord, dat hij deze gronden voor de bevolking wenschte gereserveerd te houden voor den aanleg van sawah’s voor de rijstcultuur, die hier nog zeer primitief gedreven werd.Had ik de toestanden en den civiel-gezaghebber te Tobelo toen reeds beter gekend, dan zou er voor mij geen oogenblik van ongerustheid zijn geweest. Voor sawah-aanleg was het land niet geschikt en de dunne primitieve bevolking niet rijp, terwijl de civiel-gezaghebber zich, gelijk meerdere zijner collega’s, in de eenzaamheid tot een machthebber had ontwikkeld, met een behoefte aan vertoon van gezag, waarop hij geen aanspraak had.Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).Uit mijn portefeuille overhandigde ik hem toen een schrijven van zijn chef, den Resident van Ternate, waarin deze ambtenaar hem verzocht ons voor het beoogde doel behulpzaam te zijn bij het uitzetten van een concessie-terrein achter Tobelo.Dat hielp; de tegenstand sloeg over in dienstijver en dienstvaardigheid. We werden uitgenoodigd het ontbijt te komen gebruiken, wat we met beide handen aannamen. Nog vóór dien waren de plannen voor den dag gemaakt, die daarin bestonden dat we in zijn gezelschap den omtrek eerst eens zouden opnemen, om bij benadering een punt van uitgang te bepalen. Ook hier waren indertijd reeds eenige grenssteenen in het bosch geplaatst voor een concessie, die, om hare uitgestrektheid, waardoor de bevolking der kampong geheel van het achterland zou worden afgesneden, door het gouvernement was geweigerd. We wilden trachten een dezer oude grenssteenen op te sporen.Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).Aan het ontbijt maakten we kennis met twee Indische dames, de jonge vrouw van den civiel-gezaghebber en hare tante, die haar pleegmoeder was geweest. Welopgevoed en beschaafd en, zooals Indische dames zijn, gemakkelijk in den omgang, was deze kennismaking ons zeer welkom, en gelijk overal de vrouw het verzachtende, gezellige element brengt, dat ons dadelijk thuis doet gevoelen, zoo ging het ook hier; aan de keurig verzorgde en goed voorziene tafel kwam, na de onaangenaamheden der prauwreis, een behagelijk gevoel van huiselijkheid over ons.Het huisje, in welks achtergalerijtje we daar zaten, was opgetrokken op een vloer van cement, die slechts even hooger lag dan de grond van het erf. Op dien vloer stond, van houten stijlen vervaardigd met dwarsbalken van bamboe en hout, het geraamte van het huis, waarvan de wanden tusschen die verticale en horizontale stijlen waren ingevuld met de gaba-gaba, de lange, ontbladerde hoofdnerf van den arènpalm. In diepe breede kerven, in de horizontale dwarsbalken gesneden, worden deze gemiddeld 5 cM. dikke nerven, die vooraf op de passende lengte zijn gemaakt, op handige wijze met hunne uiteinden geschoven en wel zoo, dat de concave en convexe zijde tegenover elkaar komen, waardoor er, nadat zij goed zijn aangedrukt, een stevige en ondoorzichtige 5 cM. dikke wand ontstaat. Wel is zulk een huis met zijn dunne wanden zeer gehoorig, doch overdag zit men er nooit en tegen wind en regen is dit bouwmateriaal in dit klimaat zeer voldoende. Met een dak van atap en nog een zoldertje van gaba-gaba krijgt men een geriefelijk geheel, waarin men zich in het land van zon en warmte wonderwel thuis voelt.De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).Het duurde niet lang of de vrouw des huizesinformeerde met belangstelling, waar we gedurende de eerste maanden onzen intrek dachten te nemen. Toen zij vernam, dat wij bij een bekenden Chinees alhier, Ong Keng Tjong, wilden trachten een kamer te huren, bood zij aan, wanneer we met weinig tevreden zouden zijn, een klein uitbouwtje als bijkantoortje door haar man gebruikt, aan ons als slaapgelegenheid af te staan, terwijl we ons verder als huisgenoot zouden kunnen beschouwen.Hier ontmoetten we de oude hooggeroemde Indische hulpvaardigheid, waarvan we dankbaar gebruik maakten. Zoo kort aan land en reeds zooveel hulp en tegemoetkoming, deed het beste verwachten, en welgemoed zag ik dien morgen onze toekomst in.Na het ontbijt gingen we, begeleid door den civielgezaghebber en den kapala-kampong, die ons den weg in het woud zou wijzen, met eenige Tobeloreezen, gewapend met parangs (lange hakmessen), op stap om de eerste verkenning te doen.De huisjongen zou intusschen voor de aankomst der bagage en voor de inrichting der slaapgelegenheid zorgen, alwaar juist ruimte genoeg zou zijn voor het opslaan der beide veldbedjes en het plaatsen der koffers.We gingen den breeden weg van hedenmorgen verder, die door de kampong evenwijdig aan het strand liep. Nette huisjes en miniatuur toko’s van hout en gaba-gaba opgetrokken, waarin Ternatanen en Chineezen hun handel dreven, lagen aan weerzijden; we passeerden een pasar, waar veel inlanders, mannen en vrouwen, kochten en verkochten en ons in ’t voorbijgaan nieuwsgierig aankeken. Na een brugje over een kali te zijn gepasseerd, zagen we links van den weg een laan van galalaboomen met geelgevlekte groene bladeren, aan welker einde een huis lag dat zeer groot scheen te zijn; het was het huis van den oudsten zendeling. Iets verder passeerden we weer een dergelijke woning, waar de jongste zendeling, de directeur van de kweekschool voor goeroes (inlandsche godsdienstonderwijzers) woonde. Daarna stonden er nog slechts de huisjes der oorspronkelijke bewoners, de Tobeloreezen. Deze menschen waren, ondanks een 16-jarige vestiging der Zending in hunne nabijheid, nog steeds heidenen gebleven, wat aan hun kleeding en ook aan hun huisjes aanstonds was te zien.De christen-inlander kleedt zich niet meer alleen met den lendengordel, doch draagt steeds een wit of gestreept baadje en een gekleurde katoenen broek, terwijl hij den hoofddoek heeft afgeschaft. Zijn huisje bestaat uit een paar kamertjes met vensters en een kleine voorgalerij over de gansche breedte van het huis, terwijl de heiden hier nog meest in zijn donker achthoekig huisje met hoog dak, dat aan alle zijden uitsteekt, woont. Onder het vooruitstekende dak voor zulk een huisje kan men steeds een of meer bewoners op lange rustbanken zien zitten of languit voor het donkere van het inwendige zien liggen, terwijl zij daar slapen of soezen.De weg werd smaller en bleek steeds minder begaan; links en rechts wisselden klapperaanplantingen van Chineezen met huisjes en wilden groei van allerlei geboomte.Steeds waren we de kustlijn gevolgd, een plek zoekende van waar we, zonder veel tuinen der bevolking te snijden, in het binnenland konden dringen. Het lag in mijn bedoeling een gedeelte van het concessieterrein aan de zee te laten grenzen, om zoodoende steeds van een geheel vrijen weg daarheen verzekerd te zijn.Het punt, dat we zochten, was na een half uur bereikt. Rechts de zee, links opgeschoten hout en glagah. Van hieruit drongen we het binnenland in, voorafgegaan door de mannen met de parangs. Na een dicht warnet van glagah, een plant die zich om alles slingert wat in haar bereik komt, waarbij zij moeilijk doordringbare hagen vormt, bereikten we de djoeramé’s (tuinen der inlanders), waar alang-alang, afgewisseld met aanplantingen van rijst en mais, in groote velden manshoog stond. De geheele woudrand bleek hier door een breede strook van tuinen van de kust te zijn gescheiden. Overal staken pisangs, papaja’s en nangkaboomen uit, en daartusschen stonden de huisjes der menschen. Uiterst schamele primitieve huisjes, die somtijds uit niets meer bestonden dan uit een dakje van atap op een paar stijlen, waarbij de wanden geheel of gedeeltelijk ontbraken; daaronder een rust- of slaapbank waarop menschen en kinderen in luiheid neerlagen, de laatsten somtijds erg geplaagd door vliegen, die op hun vuile zweren aasden. Opmerkelijk was het verschil tusschen deze menschen en hunne woningen met die welke dichter aan de kust waren gelegen. Ze schenen hier tot de paupers onder hun rasgenooten te behooren. Doch met dezelfde vrijmoedigheid werden we hier door de mannen aangekeken en ontvangen; de vrouwen en meisjes echter zag ik bij onze nadering soms vluchten of wegkruipen en de kinderen toonden hun vrees door angstige huilende gezichten. Gladakkers, de ellendige vermagerde honden in Indië, hongerige scharminkels, die elke menschelijke zorg van hun inlandsche meesters ontbeerden, blaften en jankten benauwd en renden weg of verscholen zich achter hun baas.Zoo bereikten we de grens van het woud. Eerst hier zou een terrein op groote schaal kunnen worden uitgezet, want de bevolking, gehecht aan haar bezit en wantrouwend tegenover den Europeaan, had nog nooit veel neiging getoond het door haar ontgonnen terrein aan Europeesche liefhebbers tegen betaling af te staan, doch ook hierin zou eenmaal wel verandering komen.Dank zij den kapala-kampong en de ons begeleidende Tobeloreezen vonden we in het woud een der grenssteenen, die we zochten. Van hieruit begon het interessante werk om het beste stuk uit te zoeken.Het duurt echter geruimen tijd, alvorens men in zulk een oerwoud, waar dikke en dunne stammen en struikgewas elk overzicht beletten, is georiënteerd. Toen we dien eersten dag laat tegen den middag huiswaarts keerden en in de gloeiende zon over de smalle paadjes tusschen de heete alang-alang liepen, was het me niet duidelijk, hoe hier ooit een overzicht te zullen krijgen. Na maanden echter voelde ik me er even vertrouwd als in het open veld, en leerde ik de rintissen en voetpaadjes en de kronkelingen der kali even goed kennen als de straten van mijn geboortestad.Elken dag trokken we nu met een colonne werkvolk,die zeer in aantal wisselde en soms tot dertig man aangroeide, soms tot vijf à zes slonk, bij het krieken van den dag door met dauw bevochte alang-alangvelden naar het bosch, waar dan gehakt, gegraven en onderzocht werd. De bodem bleek te bestaan uit verweerde vulkanische stoffen, de tuf. Deze poreuze gronden, door het zware eeuwenoude woud met een dikke laag humus bedekt, waren wel tot de vruchtbaarste en meest geschikte voor de klappercultuur te rekenen. Zoo gingen we hier met ijver verder en zouden in elk opzicht met de bereikte resultaten tevreden zijn geweest, wanneer we niet dag aan dag geplaagd werden door de onzekerheid omtrent het werkvolk, dat steeds met moeite mee te krijgen was. Het bracht Verster soms tot wanhoop, die, gedrukt door de verantwoordelijkheid welke hij in Holland op zich had genomen, liefst een honderdtal tegelijk had zien opkomen. Zonder de hulp van den civiel-gezaghebber, die de menschen herhaaldelijk tot werken aanspoorde, zou het er echter nog droeviger mee gesteld zijn geweest. Voor een geregelde ontginning zou de komst der contract-koelies moeten worden afgewacht.Een bezoek aan de zendelingen gebracht, had tot resultaat, dat door den invloed van den oudsten de bewoners van de nabijgelegen kampong Pitoe genegen bleken te zijn, tegen ruime betaling een tweetal groote koelieloodsen op een door ons aan te wijzen terrein te bouwen; en hiermede was dan een aanvang gemaakt met de prille jeugd eener cultuur-onderneming.Het was juist een week na onze aankomst te Tobelo, dat ik me weer op zee bevond en nu in de gouvernementsmotorboot op weg naar het eiland Morotai, dat van Tobelo uit op een afstand van ruim 40 K.M. over de zee was te zien.De civiel-gezaghebber had mij uitgenoodigd, hem op een driedaagschen inspectietocht daarheen te vergezellen, waarbij mij dan de gelegenheid geboden werd iets van dat eiland van meer nabij te leeren kennen en tevens om een klapperaanplant van 7000 boomen op twee der kleine koraaleilanden, die voor de Westkust van Morotai lagen, in oogenschouw te nemen. Deze beide eilandjes, Dodola-Besar (groot) en Dodola-Ketjil (klein) zouden, als zijnde ons eigendom, te zamen met het nieuw aangevraagde terrein te Tobelo in exploitatie worden genomen.In mijn dagboek vind ik over deze reis het volgende:23 November 1912. Half zeven vertrek uit Tobelo. Aan boord de civiel-gezaghebber en mijn persoon, een Madoereesche motorist en tevens stuurman, benevens een gevangene als matroos. De zee is hol, er staat een sterke bries, zoodat de boot geducht schommelt. Er worden vischlijnen uitgegooid, waaraan zware haken met kunstaas, een vischje gesneden uit lichtgekleurden boombast.Om half negen komt Mitita in ’t zicht, een laag eiland, als voortzetting van de zuid-westelijke landpunt van Morotai. Om elf uur liggen we voor die landpunt.Eindelijk heb ik dan de eenzame plek bereikt, waar ik volgens de plannen uit Holland met een vestiging had moeten beginnen. Deze landpunt is een uitbouw van koraal aan het eiland, waarschijnlijk een opgeheven zeebodem, geheel met zwaar hout bedekt. Morotai daarachter, heuvel na heuvel tot den top der hoogste bergreeks zwaar begroeid. Geen mensch, geen huis, geen prauw is op het vele kilometers lange strand tot aan de onbewoonbare rizophorenkust in het noorden te bekennen. De zee is ook verlaten. Welke plannen hebben er over eene ontginning aan deze verlaten kuststrook gespookt in het hoofd van den man, die gedurende 3 jaren civiel-gezaghebber van Noord-Oost-Halmaheira was?Heidensche Alfoer van Halmaheira.Heidensche Alfoer van Halmaheira.Er blijft me hier, met de tastbare werkelijkheid voor oogen, niet veel over dan mijn schouders op te halen en eens over mezelf en anderen te glimlachen.De zee is spiegelglad tusschen Morotai en de kleine koraaleilanden voor de kust. We passeeren Kokoja, dan Dodola-Ketjil en Dodola-Besar. We kunnen de klapperaanplantingen zien. Door het heldere, stille water nemen we op den bodem in allerlei kleurschakeeringenen vormen de bouwwerken der koraaldiertjes waar. ’t Zijn de zoogenaamde zeetuinen. Door een hevigen ruk aan een der vischlijnen breekt de verklikker (een dun touwtje, waarmee de lijn een eindje is opgebonden). Ver achter ons zien we telkens opspattend water, veroorzaakt door een spartelenden visch, die in snelle vaart door de motorboot wordt meegetrokken. De beide inlanders palmen dol van vreugde de lijn snel in. Nu de vangst dicht bij de boot is gekomen werpt de inlandsche matroos zijn drietand, waarmee hij den zwaren visch binnenboord tilt. ’t Is een tjankalang, slank als een schelvisch. Een oogenblik later breekt er weer een verklikker. Nu is ’t een bobara, een korte, dikke visch met een rooden buik. Telkens breekt er nu een verklikker en telkens is er gejuich aan boord, de inlanders gillen van de pret.Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).Het eene koraaleilandje na het andere, met namen als Ngèle-Ngèle of Galè-Galè, wordt gepasseerd, allen vol klapperboomen. Riffen en ondiepten. Half drie te Wayaboela, de eenige kampong van belang op het 60 K.M. lange en 30 K.M. breede Morotai. Hier zullen we den nacht doorbrengen. De Sangadji, het inlandsche hoofd, door het gouvernement aangesteld, komt ons op de wankele pier tegemoet. We nemen onzen intrek in het posthuis.Kennismaking met den heer A. van Renesse van Duivenbode. Een der leden van de groote familie van dien naam, waarvan de overgrootvader ruim honderd jaren geleden naar de Molukken kwam. Hij, hoezeerverinlandscht, is toch man van eenige ontwikkeling en met het aangeboren welopgevoede van den kleurling. Zijn woning is het huis van een inlander, gemeubeld met eenige stoelen, een tafel en een paar kasten uit de dagen van de Compagnie. Een Indische rommel. Hij toont me waardevolle schilden van reusachtige schildpadden, en eenige mooie exemplaren van takkenkoraal, een algensoort, die men hier aan den bodem der zee vindt vastgegroeid en achabaché noemt.’s Avonds in het posthuis muziek van degrammophoonvan Renesse. Een serie van de meest banale liedjes. Groote toeloop van inlanders.Op verzoek van den civiel-gezaghebber wordt de tjakalélé gedanst. Een weinig wilde krijgsdans, waarbij wat met speren en schilden (de salawako’s) wordt gezwaaid. Men slaat er bij op de tifa, een soort trom, in een eentonige, meer of minder snelle cadans. En tevens wordt hierbij gespeeld het spelletje van het touwtrekken, wela wela genoemd, waarbij aan het eene eind van het touw zich jonge mannen scharen aan het andere eind slechts jonge meisjes. Terwijl zij elkaar nu minder eerbare liedjes toezingen, wiegen zij met hun lichamen heen en weer, om somtijds, na afloop, twee aan twee in de wouden te verdwijnen. Zulke spelen zijn een doorn in het oog van den zendeling. De heidensche Alfoer stoort zich hieraan echter niet.Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).29 Nov. 1912. ’s Morgens met Renesse op de wilde varkensjacht. ’t Wild breekt onverwacht en ongezien tusschen ons door. ’s Middags vermoeid. Alleen onder het galerijtje van het posthuis. Lezende, teekenende en droomende, gaat de middag voorbij. Gevoelens van verlatenheid in dit onbekende verre uithoekje der wereld. Hoe kom ik hier verdwaald? Verdiept geweest in Vosmaer’s “Amazone”. Tegenstelling tusschen de uitingen van dien toegespitsten, verfijnden geest en de wereld die mij omringt. Zou ooit dit boek in zulk een omgeving gelezen zijn? Het verre uitzicht over zee is een troost. Bij het avondlicht wordt de motorboot zichtbaar, waarmede de civiel-gezaghebber en Renesse van een tocht naar een der koraaleilandjes terugkomen.’s Avonds weer de tjakalélé, waarvoor ik me interesseeren moet, en weer draait de grammophoon haar tingel-tangelliedjes af. Een kersversche Hollander vindt dat inlandsche gedoe sinister en zoo ver van hem af. Nog meer sinister vindt hij den vulgairen smaak van zijn gezelschap, en hij gevoelt zich nog eenzamer dan tijdens het alleenzijn. In het vuile slaapkamertje van het posthuis, verlicht door een petroleumlampje, is mij dan eindelijk de rust op mijn veldbedje recht welkom.25 Nov. 1912. Vertrek om 6 uur ’s morgens van Wayaboela. Renesse gaat mee naar Tobelo. Een kist eetbare vogelnestjes aan boord, door inlanders in grotten aan de kust bijeenverzameld voor de soepjes van Chineesche lekkerbekken.Bezoek aan de Dodola’s. Landing zeer moeilijk door de vele riffen. Mooie klapperaanplanting, oorspronkelijk door Renesse geplant. Men is hier met vijf man onder een mandoer bezig de tuinen van onkruid en jongen opslag te bevrijden. Zacht glooiende strandjes en landpunten van wit koraalzand rondom de eilanden. De beide eilandjes zijn bij laag water door een droogloopende bank van dat zand, helwit in het felle zonlicht, verbonden. Schilderachtige inhammen en baaien. Veel muskieten en een ondragelijke hitte. Het moet op deze kleine eilandjes veel heeter zijn dan op de grootere eilanden, waar de bergen voor afkoelende luchtstroomingen en grooteren regenval zorgen. Na bezichtiging en instructies aan den mandoer terugreis over een zee zoo spiegelglad, dat ik den indruk krijg over een ijsvlakte te varen.Terugkomst in Tobelo. Verster klaagt over de slechte opkomst van werkvolk tijdens de afwezigheid van den civiel-gezaghebber. Als reden, dat ze niet meer werken wilden, hadden ze opgegeven dat ze zoo moe waren van de vorige dagen.De tobberijen met het werkvolk bleven aanhouden en alle maatregelen en alle moeite om eene eenigszins geregelde opkomst te verzekeren, waren vruchteloos. Daarbij kwam nog, dat de Paketvaartboot van Java, die eens per maand Tobelo aandeed en die ons berichten en goederen uit de beschaafde wereld zou brengen, 6 dagen over haar tijd binnenviel ende vele bagage, die we op Ternate hadden achtergelaten, aldaar had laten staan. Zoo bleven we, tenminste weer voor een maand zonder boekhouding, zonder bijlen en parangs enz., i. e. w. zonder het allernoodzakelijkste om te regelen en op te schieten.Aan boord raakte ik met eenige heeren in gesprek, die jarenlang in deze streken, en niet zonder succes, handel dreven en die belangen hadden bij de cultures. Hun conclusies na veel ervaringen waren (volgens aanteekening in mijn dagboek): “Men komt hier verder met pessimisme dan met optimisme. Ik heb dat zelf ondervonden. Vroeger was ik namelijk ook optimist”, en de ander, die met vreemd werkvolk bezig was een klapperaanplant aan te leggen: “Men kan niet met de menschen uit deze streken werken. Werken ze twee dagen dan luieren ze er zeven.”Hoe anders en hoeveel nuchterder en dichter bij de werkelijkheid klonk dit dan de adviezen in Holland van onzen raadsman ontvangen. Echter zou later, tot niet gering voordeel, blijken, dat werkvolk, geworven in andere naburige residenties, z.g.n. contract-koelies of contractanten, hier belangrijk goedkooper te krijgen was dan overal elders in den Archipel.Hoezeer de Hollanders in Indië, met hun energie uit de gematigde luchtstreek meegebracht, ook het geheele maatschappelijke raderwerk in gang zetten en door hun stuwkracht in gang houden, zoodat alles wat heele of halve bruine broeder is wordt meegesleept, toch gevoelde ik dat deze energie op de inerte massa dezer bevolking voorloopig nog, ook met de grootste krachtsinspanning, vergeefsch zou zijn.Zoo vind ik nog in mijn dagboek: “Reeds vijf dagen zoekt Mainaky, inwoner van de kampong Tobelo en handelaar, een prauw en drie mannen om hem naar Morotai te brengen. Ieder weigert uit luiheid.” En nog dit curieuze staaltje, als bewijs van de goedmoedigheid die hier nog heerschte: “Een pradjoerit, inlandsche politieagent, die de kunst van haarknippen verstaat en als zoodanig door ons wordt ontboden, laat melden, dat hij momenteel te dronken is van het sagoweergebruik om dit te kunnen doen. Morgenochtend zal hij geen sagoweer drinken en is dan bereid ons van dienst te zijn. De man is notabene tevens cipier van de gevangenis. Hij zit gewoonlijk als beste maatjes met zijn gevangenen op een bank voor het huisje dat de gevangenis moet verbeelden.”Ondanks den aard der bevolking slaagden we er in, de grenzen van een mooi terrein van 1000 bouws nauwkeurig af te zetten en in kaart te brengen. Het lag geheel in het oerbosch, waarvan een breede weg over vlak terrein tot het strand werd gemaakt. Bij de duizenden bouws vruchtbare gronden, die hier nog onaangetast lagen, bleek het niet noodig voorloopig de hand op meer te leggen. Nu we zoo ver waren gekomen, werd het noodig, dat ik mij naar Ternate begaf ter regeling van verschillende zaken met het Residentiekantoor en voor verdere belangen. Juist een maand na onze aankomst te Tobelo, bood zich een welkome gelegenheid aan, om mij daarheen te begeven. De kleine gouvernementsstoomer “Nora” had, op de reede van Tobelo, het anker laten vallen met bestemming naar Ternate.Het is in streken met slechte verkeersmiddelen als deze, aan particulieren, na verkregen verlof van de autoriteiten, geoorloofd van de regeeringsvaartuigen gebruik te maken. Zoo greep ik deze gelegenheid dankbaar aan, daar de Paketboot, op haar reis naar Nieuw-Guinea, eerst na 14 dagen zou terugkeeren en naar Ternate stoomen.Verster zou tijdens mijn afwezigheid te Tobelo blijven en intusschen trachten, zooveel mogelijk met het werk op te schieten. Nog aan boord van de Nora deelde hij mij zeer ontmoedigd mede, dat zich dien morgen, ondanks al zijn moeite, slechts vier man op het werk hadden gemeld.Hoofdstuk IV.Terug naar Ternate.Het vooruitzicht om als eenig Europeaan een kalme 24 uren aan boord van het bootje te zullen doorbrengen, was me niet onaangenaam. Op een gemakkelijke bank op de brug gezeten, waar de inlandsche kapitein naast den roerganger aan het stuurrad stond, tuurde ik over de zee en langs de lange kust, die zich aan bakboord naar het Noorden uitstrekte. De overgang van het dagelijksch verblijf in het schemerlicht en het beperkte uitzicht van het oerwoud, van ’t meten en roepen en draven door versch geslagen rintissen, waar men telkens strompelde over boomstronken en wortels, in gezelschap van halfnaakte kerels, naar het volle licht aan boord, met het verre uitzicht en de frissche zeelucht, gevoegd bij de comfortable netheid der inrichting van het scheepje, was zoo allerkostelijkst, dat ik me eerst eens onverdeeld aan die indrukken overgaf.We zouden om de noordpunt van Halmaheira varen en den nacht in een beschutte baai van de Loloda-eilanden voor anker gaan, om den dageraad van den volgenden dag af te wachten, daar strenge orders den kapitein verboden zich ’s nachts met het kleine vaartuig op zee te wagen.Nog in ander opzicht was het me niet onwelkom, de sfeer van Tobelo voor korten tijd vaarwel te kunnen zeggen. Zooals op zoovele buitenposten, waar weinig Europeanen te zamen zijn, heerschte ook hier een atmosfeer van spanning tusschen de families der blanken, die op den duur onhoudbaar moest worden. Tusschen het huis van den civiel-gezaghebber en dat van den oudste der zendelingen was een wrijving ontstaan, die zich uitte in wederzijdsche tegenwerking en een drukke, onverkwikkelijke correspondentie, die den onstuimigen bestuursambtenaar tot het uiterste prikkelden en hem meer dan eens den uitroep ontlokte: “Hij of ik! maar een van ons beiden moet hier weg!”Het kostte den onpartijdigen toeschouwer, die uit den aard der zaak met beide families veel verkeerde en die met geen van beiden in onmin wenschte te leven, heel wat zelfbeheersching om tusschen dien strijd van inzichten, belangen en beuzelingen door te zeilen.Waar de voorwaarden voor een wrijving tusschen twee uiteenloopende en zoo dicht bijeen wonende families, in die mate aanwezig waren als hier, daar had hetuitbreken van den strijd slechts op de onbeduidendste aanleiding gewacht. Het uitblijven van een tegenbezoek, dat de dames van den civiel-gezaghebber van de vrouw van den zendeling verwachtten, was indertijd voldoende geweest om een klove te doen ontstaan, die nu niet meer te overbruggen was.Hoe dan ook, de conversatie te Tobelo had er dikwijls een minder aangenaam karakter door gekregen, en zoo was ik dubbel verheugd voor korten tijd de menschen en hun eindeloos gekibbel vaarwel te kunnen zeggen en mij ongestoord aan de natuur te kunnen overgeven. Een lang ontbeerde rust kwam over me, toen ik daar op de brug, naast de twee rustige inlanders, langzaam voorbij den oever gleed, waar de huisjes van Tobelo onder het zware groen nauwelijks te ontdekken waren. Verder varende, zwierf mijn blik over de eindelooze zee, langs de dichtbegroeide kust en over het onherbergzame, bergachtige binnenland van Halmaheira.Morotai had met zijn bergen schemerachtig in de verte gelegen, doch werd steeds duidelijker, nu we de zeeëngte naderden en de geheel open zee voor den boeg lag, die met een geweldige branding op de sombere noordpunt van Halmaheira beukte. De kust werd hier kaler en was steil en zonder strand. De boomen, die er stonden, waren verwaaid met afgeknotte kruinen, en beroofd van takken door de felle noordenwinden, die zoo dikwijls op deze kust stonden.Het is een bekend feit, dat de kracht der winden en hun richting in den geheelen Archipel zeer onderhevig zijn aan den invloed van de verdeeling van land en water. In de zeegaten kan het hard tochten en op de binnenzeeën kan een volle bries staan, terwijl aan land nauwelijks wind te bespeuren valt. Zoo ook hier. De Nora, eerst zoo kalm, begon nu in het ruime sop op en neer te dansen dat het een aard had. Bij zulk een bries kan men op de Indische wateren toch nacht en dag, desnoods alleen in pyjama gekleed, aan dek blijven zitten zonder een oogenblik bevreesd te zijn voor te groote afkoeling. De kostelijke verfrissching, die men dan in de gelegenheid is op te doen, staalt opnieuw de door de hitte slap geworden zenuwen en spieren, en door de dunne kleeren neemt het geheele lichaam aan het opwekkende luchtbad deel.Het was reeds tegen den avond toen we de beschuttende baai van een der Loloda-eilanden invoeren en in doodstil water voor anker gingen liggen, om bij het krieken van den dag de reis voort te kunnen zetten. Toen het donker werd schitterden lichtjes tusschen de boomen op het strand. Zij kwamen van een kampement van houthakkers, Sangireezen en Talauters, die hier met hun korte zware bijlen de dikke harde ebbenhoutboomen omhakten en kloofden, en gereedmaakten ter verzending naar Europa.De nachtzang van insecten, die uit de wouden rondom de baai tot ons doordrong, zong me in slaap en duurde den ganschen nacht door, ja was nog niet geheel verstomd, toen ik, op mijn kooi in het geriefelijke dek-kajuitje, reeds werd gewekt door het lawaai der voorbereidende maatregelen voor ons vertrek.Reeds, toen het nog volop nacht was, was ik weer aan dek. Nog lagen de oevers van het eiland in het pikdonker en glom de zee en schitterden de sterren en straalden de lichten aan boord hun bundels de duisternis in, doch elk oogenblik kon de dag worden verwacht. ’t Vooruitzicht het zonlicht te zien rijzen op dezen morgen van alleenzijn, zonder ’t praten en ’t willen van menschen om mij heen, deed me in stijgende blijdschap de dingen die komen zouden afwachten en meeleven.Een nauw verbleeken van den donkeren wand aan de oosterkim—en de ankerkettingen ratelden reeds en de schroef sloeg het stille water bruisend onder de achterplecht weg. Het schip kwam in beweging, draaide zijn kop naar den uitgang der baai, den kant naar de zee op.Daar zag ik het krieken van den morgenstond uit Vondel’s Palamedes voor me; de sterren vluchtten en de Titaan rees.Het dun gezaeit gestarnt verschietZijn’ glans, en gloeit zoo vierigh niet.De schaduwe is aen ’t overleenen.De morgenstar drijft voor zich heenenDe benden van het hemelsch heir.De voerman van den grooten Beir,Op dat hij zijne beurt verwissel’,Vlught heen met omghekeerden dissel.De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uit der zee.Helios, de zonnegod, rees, vierigher dan Vondel hem ooit had mogen zien rijzen en sneller ook. De kleuren en kleurschakeeringen, van violet tot goud-geel, in het wazige van de onderlucht en aan de randen van wolken en wolkjes, wisselden onophoudelijk tot dat één licht alles overstraalde. Toen losten de nevels, die over het land en hier en daar over de zee hingen, zich op en rafelden uiteen, en spoedig schitterde en tintelde en blonk alles zoo van licht, dat men beschutting moest zoeken tegen den al te fellen gloed.Aan de steile, hier bijna onbewoonde kust van Halmaheira, die we steeds aan bakboord hielden, terwijl wij nu naar het Zuiden koersten, was een zendingspost gevestigd. Na lang zoeken werd het dak van het eenzame huis gevonden, dat aan een kleine baai gelegen, soms maandenlang geheel van de buitenwereld was afgesloten. De branding door de aanhoudende noordenwinden veroorzaakt, stond dan zoo hevig op de kust, dat geen prauw het waagde haar te naderen, terwijl van de landzijde de communicatie met het binnenland zoo goed als onmogelijk was. Voor een zendingspost leek deze plek, die men Doroemé had gedoopt, wel zeer slecht uitgekozen, doch de zendeling zelf scheen er anders over te denken.Na de koffie en het ontbijt zocht ik mijn plaats weer op naast den kalmen kapitein op de brug. Hij wees me op een groote zeekaart eenige interessante punten en moeilijke passages, doch van een geregeld gesprek kon niet veel komen, daar ik het Maleisch, het Volapuk van den Archipel, nog niet voldoende machtig was.Goed beveiligd tegen de stralen der zon, nam ik mijn boek en was spoedig verdiept in Haagsche toestandenen las van menschen, die aan nevrose leden, die met hun vezel-fijne zenuwen voorbeschikt waren aan levenssmart en levensweemoed te gronde te gaan. Opziende zag ik dan de woeste kust van het eiland en voelde me als vaneengereten door de uitersten die op mij afkwamen, en ik vroeg mij af, of ik wel goed deed onder deze omstandigheden boeken onzer overbeschaving te lezen, waarbij ik Holland weer zoo duidelijk voor me zag, en waarbij verlangens wakker werden, die den geest te zwak maakten tegenover de woeste natuur en de menschen, die mij omringden.Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).Zag ik het fijne, wisselende mooi van ’t Hollandsche landschap in gedachten voor me en dan opziende deze omgeving, dan ging er een siddering van verlangen door mij heen, en weemoed en heimwee overvielen me. Dacht ik aan den strijd met menschen, die mij in mijn kwetsbare positie te wachten stond en dien ik voelde komen, dan had ik wel de neiging om, zoo niet het brute naar buiten te keeren, dan toch in elk geval het fijnere gevoelsleven niet te zeer te laten spreken. Doch een neiging tot humor overstemde die vrees, en met een glimlach, die onwilkeurig opkwam, herstelde ik mijn zelfvertrouwen en durf, om met die grootere gevoeligheid, te zamen met den breederen kijk, menschen en dingen onbevreesd tegemoet te gaan.“Die Menschen fürchtet nur, wer sie nicht kennt”. Welaan, kende ik ze niet en zag ik ze niet aan hun ondeugden en hartstochten, als harlekijnen aan de touwtjes dansen, gevaarloos zoolang men ze herkende? Bemerkte ik hun zwakte en hun zwakheden niet?Tegen den middag naderden wij de vulkanen, die we reeds eenigen tijd in de verte hadden gezien en passeerden de zuidelijke Loloda-eilanden. Op een dezer eilanden, met den tongbrekenden naam Kahatollolamo, was, terwijl we passeerden, een klapperaanplanting te zien, die er weinig florissant uitzag. De stammen der boomen waren schraal, de kronen dun en de vruchten ontbraken totaal. De oorzaak was niet ver te zoeken. Op een rotsachtigen ondergrond, waarop zich slechts een dunne aardlaag had gevormd, waren deze boomen geplant, de wortels hadden daardoor geen vat en konden niet voldoende voedsel vinden. Toch was men nog met ontginnen bezig en waren er op verscheidene plaatsen nog jonge boompjes te zien. Armoedige inlanders, voor ellendige hutjes staande, keken de Nora na. Een zeldzaam schouwspel voor hen, daar het vaarwater hier tusschen de eilanden nooit door groote booten werd bezocht.Van hier tot bij den vulkaan van Ternate, die in de verte reeds was te zien, bestond het land uit een opeenvolging van uitgedoofde vulkanen, waartusschen soms kleine vlakten lagen, die met klapperboomen waren begroeid.Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).Om vier uur liet de Nora op de reede van Ternate haar stoomfluit hooren, waarvan het geluid door de wanden van den vulkaan werd weerkaatst en aan het gansche plaatsje verkondigde, dat zij van haar reis was weergekeerd. Ieder wist ook aanstonds, dat het de Nora was en geen ander schip, want wiehier een korten tijd had gewoond, had geleerd de verschillende tonen der fluiten van de geregeld binnenvallende stoomschepen van elkander te onderscheiden.Mijn plan was weer mijn intrek in het hotel te nemen, waar een eerwaardige dame, in de wandeling Tante Carolien genoemd, haar scepter zwaaide en haar gasten tegen goede betaling op een vuile inrichting en slecht eten onthaalde. Van klachten nam zij niet de minste notitie, overtuigd als zij was, dat zij uitstekend voor haar gasten zorgde. Klaagde men herhaaldelijk over vuilheid, onzindelijkheid enz. dan werd men verzocht het hotel te verlaten en elders een goed heenkomen te zoeken. Daar het in deze dagen het eenige hotel te Ternate was, was men wel genoodzaakt alles maar voor lief te nemen. Een der heeren gasten, die er langen tijd verblijf had moeten houden, had, om zich te beschermen tegen de aanraking van het altijd vieze voorwerp in de eenige W.C., die in een onbeschrijfelijken toestand verkeerde, een grooten houten bril laten maken, die door zijn jongen voor het dagelijksch bezoek van mijnheer werd vooruitgedragen. Na afloop zag men den jongen weer, met den bril onder den arm, naar de kamer van mijnheer stappen, waar deze uitvinding zorgvuldig werd opgeborgen. Steeds nam een der nieuwe heeren gasten dezen bril dankbaar als geschenk over, en misschien zal hij er nog zijn nuttig werk verrichten.Met het prettige vooruitzicht voor tenminste een veertiental dagen de gast van Tante Carolien te moeten wezen, reed ik in een der horribele sadotjes langs den strandweg naar het hotel, toen ik een mij bekend Hollander in de voorgalerij van zijn huis zag staan, die mij in het voorbijgaan toeriep: “Kom hier logeeren!”Het aanbod van den jonggezel-zakenman was, in het vooruitzicht van slechte kost en onzindelijkheid, te verlokkend om het af te slaan, en zoo liet ik mijn bagage hier brengen en zat spoedig met mijn gastheer en nog een Hollander, die tijdelijk bij hem inwoonde, onder de voorgalerij op gemakkelijke rieten stoelen rondom een dito tafeltje met marmeren blad.Daarmee was ik aan het Indische jongeluis-leven van de Buitenbezittingen overgeleverd, dat zich toentertijd in Ternate voor een groot deel onder die voorgalerij rondom dat tafeltje met het marmeren blad concentreerde, waarop de sherry met de pait (jenever) en de whisky-soda, het praten met de kaarten en met de boeken van de leestrommel afwisselde.Onze gastheer, die reeds 16 jaren aaneen in Indië verblijf hield, was wat men noemt verindischt, en voelde zich daarbij bon-vivant grand-seigneur, en leefde als zoodanig. Zijn levensopvattingen waren zoo breed geworden, dat alle beperking hem vreemd en hinderlijk was. Hij leefde naar zijn lusten en geheel zooals het hem inviel. Het kon zijn, dat hij ’s avonds om half tien reeds naar bed ging, doch het kon ook gebeuren, dat hij tot het opgaan der zon onder zijn voorgalerij zat. Het middageten, dat om 1 uur heette te beginnen werd soms, wanneer mijnheer gezellig zijn paitjes dronk en van alles en nog wat te vertellen had, tot 4 uur uitgesteld. Den eenen dag at hij bergen rijsttafel, wat hij met veel bier naar binnen spoelde, of legde over een sneedje brood een halve worst, of wierp er een halven pot jam over uit, en den volgenden dag at hij bijna niets en walgde van alles wat eten en drinken was. ’t Kon zijn dat hij een of twee, soms drie dagen niets dronk, maar daarna kon die matigheid tot de meest toomelooze onmatigheid overslaan, waarbij in gezelschap van bezoekers, kapiteins en passagiers van binnenvallende stoombooten, karaffen jenever, flesschen sherry en whisky het moesten ontgelden. Goedmoedig, en royaal voor zichzelf en anderen, bleef hij dit ook wanneer hij veel gedronken had.Daar Ternate, toen nog zonder telegraaf, tusschen de komst der verschillende booten soms dagenlang van alle berichten van de buitenwereld verstoken was, had hij, daar hij zakenman was, soms ook dagenlang niets te doen, of maakte hij het in elk geval zich dan niet druk. In een paar uurtjes, van 9 tot 12 des morgens, was zijn werk afgeloopen; de overige uren konden besteed worden aan praten, lezen, eten, en aan drinken en kaartspelen.Nu was ik wel het slechte eten en de onzindelijkheid bij Tante Carolien ontloopen, maar daarvoor werd nu voor een groot gedeelte beslag op mijn vrijheid gelegd. Des morgens, na het opstaan, in de binnengalerij aan de schrijftafel van mijn gastheer gezeten om hoog noodigecorrespondentieaf te doen, duurde het vaak niet lang of hij en zijn huisgenoot kwamen in bont gekleurde pyjama’s uit hun slaapkamers te voorschijn en drentelden begeerig naar conversatie, al praatjes makend tot het ontbijt onder ’t genot van de morgenkoffie in de binnengalerij op en neer.Om twaalf uur thuis komend, was mijn gastheer geen man om zijn gasten aan het werk te zien, hij vond dit belachelijk, terwijl het niet strookte met zijn breede opvattingen en met zijn behoefte aan gezelschap.In mijn werk gehinderd, in een dagelijksche sfeer van gezellige vervelendheid en van herhaalde braspartijen, zou het me niet onaangenaam zijn geweest mijn tijd hier te hebben kunnen bekorten en naar Tobelo terug te keeren. Doch tijdbesparen en zaken afdoen was iets, waarvan men in dezen uithoek, ook onder heele en halve Europeanen, nog niet veel weten wilde. Het leven te Ternate was overigens in dien tijd niet ongezellig. De soos werd wel, wegens veeten uit vroegere jaren, door ambtenaren en officieren geboycot, doch daar stond tegenover dat men de gezelligheid elders zocht. In den namiddag was er steeds een samenkomst op het tennisveld in het oude groote fort, waar men de families kon ontmoeten, die door vriendelijke uitnoodigingen nogal eens afwisseling brachten in de reeks avonden onder de voorgalerij bij mijn gastheer.Menige goede herinnering is mij bijgebleven aan avonden daar bij beschaafde menschen “en famille” doorgebracht, waarbij ik dan eens weer den weldoenden invloed van een geregelde Hollandsche huishouding ondervond.Zoo werd er Kerstfeest gevierd bij den dokter op het fort, waar een Kerstboompje stond, dat kunstig nagemaakt, heel goed den indruk van zoo’n sparreboompjeweergaf. Er zongen kinderen Kerstliedjes en er werden geschenken rondgedeeld. Wel was het heel anders dan het stemmige Kerstfeest, dat ik een jaar te voren in eigen kring tusschen de Zwitsersche bergen had gevierd. Doch het “Stille Nacht, Heilige Nacht” en het besneeuwde boompje deden, ondanks de warmte van den tropischen avond en der geheel tropische omgeving, niet zonder weemoed de herinnering aan dien tijd weer levendig worden.Zoo gaf ook de komende Oudejaarsavond aanleiding tot een feest, dat echter onder leiding van mijn gastheer in geheel andere stemming gevierd zou worden. Deze, die den laatsten tijd veel vriendelijkheden van de Europeesche kolonie had ondervonden, wenschte die te beantwoorden en daarvoor koos hij dien avond uit. Hij wenschte een feest te geven naar zijn smaak en op zijn breede wijze, dat wil zeggen, dat er gegeten en gedronken zou worden in hoeveelheden zoo groot als voor menschelijke magen en vooral voor dorstige kelen maar mogelijk was.Het feest zou beginnen met een reusachtigen bowl, daarna champagne, en voor de liefhebbers whisky, bier en cognac na. Hij zag als in een droom zijn voorgalerij in een slagveld van menschen en flesschen herschapen, hij droomde zich een Nero-genoegen, een bacchanaal en zijn persoon als held te midden daarvan.Nooit had ik hem nog zoo in de weer gezien als in de dagen die aan dit feest voorafgingen. De krossi-malas (luie stoel), een zeer gemakkelijke dekstoel, waarop hij anders heele dagen met zijn corpulente lichaam lag, was nu herhaaldelijk onbezet. Hij draafde van den een naar den ander, zette allerlei menschen, leveranciers, kennissen en bedienden in beweging voor het groote feest, dat komen zou. Ook de dames moesten meehelpen om voor eenige groote schotels te zorgen, waarvoor hij de ingrediënten leverde. Zijn stemming was monter en opgewekt in het vooruitzicht van de geweldige fuif, over welker arrangement hij, terwijl hij zich van louter verrukking op zijn dikke dijen sloeg, maar niet uitgepraat was.De bowl, waarmede dit feest beginnen zou, zou in groote tumblers geschonken worden, zoodat deze koele drank de meeste gasten als ’t ware als een verkwikking zou overrompelen, opdat de stemming spoedig bij allen de hoogte zou hebben bereikt, waarop hij zelven zoo graag verkeerde. De glazen mochten geen oogenblik leeg wezen en hij zou zijn gasten zoo animeeren, dat er al spoedig geen nuchtere gast meer over was. De champagne zou bij stroomen vloeien; slechts maakte hij zich bezorgd, dat er op het kleine Ternate niet voldoende van dezen drank voor zijn grootsche plannen aanwezig was. De morgen na de fuif zou dan de zon het geheele gezelschap nog onder zijn voorgalerij bijeen vinden. De dames hadden hem ook toegezegd zijn jonggezellenwoning te zullen bezoeken, waarbij hij ook van haar verwachtte, dat zij zich niet onbetuigd zouden laten.In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).Terwijl we daar op een namiddag zoo luisterden naar de plannen van onzen gastheer, hoorden we de fluit van een stoomboot en zagen we de boot, die van Nieuw Guinea terugkwam (de zgn. Papoeboot), en die dus gisteren Tobelo had aangedaan, over het spiegelgladde water de reede van Ternate binnenglijden.Even daarna, terwijl de boot nauwelijks aan den steiger was gemeerd, zag ik, tot mijn niet geringe verwondering, Verster met driftigen pas over den strandweg naderbij komen. Mij ziende, stoof hij de galerij binnen, om opgewonden te vertellen, dat hij het in Tobelo niet langer had kunnen uithouden, daar er geen man meer op het werk kwam, waardoor hij tot stilzitten was gedoemd. Hij wilde nu zelf naar Menado om koelies te halen, daar hij den koeliewerver, dien we daarheen hadden gezonden,ook niet meer vertrouwde. Zijn voortvarendheid was in alle opzichten te billijken, maar deze zou op Ternate weer terstond worden gestuit, daar hij eerst een bootgelegenheid voor Menado diende af te wachten. Zoo vermeerderde hij dan het gezelschap voor het nabije Oudejaarsavondfeest, daar zich voor dien tijd wel niet meer een gelegenheid voor vertrek zou opdoen. Van den nood een deugd makend, vergat hij spoedig de stilte van Tobelo en gaf zich geheel over aan de geneugten van het Indische leven op zoo’n klein plaatsje.De Oudejaarsavond kwam. Reeds den dag te voren was er door eenige heeren uit louter voorpret meer genoten dan goed was geweest, en zoo was ook bij onzen gastheer op den dag zelven het allerergste vuur reeds gebluscht. Dit verhinderde toch niet, dat er den ganschen dag hard werd gewerkt aan den bowl en aan ’t klaarmaken van schotels, aan ’t verkrijgen van voldoende glaswerk, borden, messen, vorken enz. en dat het een gedraaf van belang werd, om op tijd met de geheele voorbereiding van het groote feest klaar te komen.Maar het was dan ’s avonds eindelijk zoover. In de voorgalerij stonden twee lange rijen stoelen, in het midden waarvan tafeltjes waren geplaatst, waarop sigaren en sigaretten, aschbakjes en lucifersdoosjeswaren neergezet. In de binnengalerij hadden de bedienden schotels en glazen klaar gezet, terwijl in het midden de groote bowl, die herhaaldelijk zou kunnen worden aangevuld en die met ijs koel werd gehouden, was geplaatst. In de achtergalerij stond een lange tafel gedekt voor het souper; daar had de champagne in de ijskist een plaatsje gevonden en zwoegde het buffet onder massaas glazen en stapels borden; ook brandden daar voor dezen avond twee groote petroleumlampen, wat vóór dien nog nooit het geval was geweest.Met ongeduld werden nu de gasten gewacht, alles was gereed om hen te ontvangen.Weldra zagen we in het donker de eerste witte gedaanten verschijnen, waartusschen eenige lichte japonnen, en toen eenmaal de eerste gasten er waren, was weldra het gansche gezelschap compleet. De resident had zich wijselijk laten verontschuldigen, zoo ook eenige andere genoodigden, maar de gastheer kon toch tot zijn vreugde vaststellen, nooit zooveel Europeanen te Ternate bijeen te hebben gezien. Een boot van de Nord Deutsche Lloyd, die op den Oudejaarsdag was binnengevallen, vermeerderde met den kapitein van het schip het aantal gasten nog met een, en hij bleek een gast te zijn aan wien dergelijke feesten zeer besteed waren.De presenteerbladen met volle tumblers gingen rond en ieder verwonderde zich over zulke groote bowlglazen, die in normale gevallen voor bier werden gebruikt, maar onze gastheer zeide, dat het een zeer onschuldig en verfrisschend drankje was, en als bewijs daarvan dronk hij zijn eersten tumbler in één teug leeg. De kapitein volgde zijn voorbeeld, en zei dat hij het heel lekker; maar toch wat een kinderachtig en flauw drankje, vond. Een tweede glas werd weldra door een ongeteld aantal gevolgd. De stemming rees, de gastheer dronk zijn gasten herhaaldelijk een prosit en ad fundum toe, waarvan hij zelf de gevolgen steeds meer ondervond. Na eenige uren zat hij reeds verslagen op zijn stoel, nu telkens aangewakkerd door den kapitein, voor wien zulk een bowl werkelijk een onschuldig drankje bleek te zijn. Als Duitscher verloochende hij den bekenden dorst van zijn ras niet en toonde zijn meerderheid in het drinken tegenover de aanwezige Hollanders op verbazingwekkende wijs.Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).Toen het souper begon en het middernachtelijk uur sloeg, was de feestvreugde ten top gestegen. Doch weldra gaven eenige verhitte breinen aanleiding tot een hevig dispuut, dat elk ander gesprek overstemde en dat zich eenige uren rekte, zooals dat in zulk een verhit gezelschap meer pleegt voor te komen. Het feest ging nu als een nachtkaars uit; de dames wilden vertrekken en troonden hun echtgenooten mee, de gastheer was niet meer in staat tegen dat weggaan te protesteeren, noch in staat bedankjes in ontvangst te nemen. Onder de voorgalerij, bij volle tafels en leege stoelen, zat hij na ’t verloopen van het feest met den kapitein en eenige plakkers wat men noemt na te praten. Dit napraten duurde tot het zonlicht de laatste gasten verjoeg. Reeds was het volop dag, toen de laatsten naar bed strompelden.Den dag daarna, den eersten dag van het Nieuwe Jaar, was een dag waarin slechts tegen den avond eenige opleving kwam, men was mat en voelde zich onder den indruk van den doorwaakten nacht. De huishouding van onzen gastheer was nu zoo in de war, dat eerst ’s middags tegen vier uur het eerste ontbijt werd gebruikt, terwijl er den geheelen dag geen warm eten op tafel kwam.Met de Duitsche boot vertrok Verster den volgenden dag naar Menado op Celebes, om te trachten zijn plannen te volvoeren, terwijl de boot die mij naar Tobelo terug zou brengen, elken dag verwacht mocht worden. Buiten de vele bagage, die nog steeds te Ternate was achtergebleven en die uit 18 kisten en 2 koffers bestond, gingen er verscheiden colli meubelen mee, waaronder de inrichting van het te bouwen huis van den administrateur, benevens een groote prauw, die aan dek van de paketboot zou kunnen worden geheschen; verder 20 balen rijst, 25 kisten petroleum en 2 trekossen, terwijl 7 koelies na veel zoeken te Ternate waren aangeworven, waarmee voorloopig verder gewerkt zou kunnen worden.Terwijl ik bij het tolkantoor (de boom zegt men in Indië) bezig was alles in orde te brengen voor de verscheping van menschen, dieren en goederen, werd ik door den civiel-gezaghebber van Tidore uitgenoodigd den volgenden dag een bezoek aan zijn eiland te brengen. Daar alles voor het vertrek in gereedheid was gebracht, doch de boot uitbleef, was elk nieuw etmaal, dat zij niet binnenviel, een vrije dag, waarop genoten kon worden van de weelde om zooveel mogelijk de omgeving te leeren kennen.Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).’t Was het mooist denkbare weer toen we den volgenden morgen reeds vroeg met een motorboot Ternate verlieten en op Tidore aanstevenden. De blauwgrijze zee was zoo glad als een spiegel, massa’s kleine vliegende visschen schoten voor de boot uit en ook andere visschen sprongen spelenderwijs, of nagejaagd door hun doodsvijanden uit het water. Op stukken drijfhout zaten zeemeeuwen, doch het meest verrassend waren een groot aantal vlinders, die over dezen wijden plas van ’t eene eiland naar het andere vlogen en die soms in staat bleken de motorboot in haar vaart bij te houden. Na een goed half uur was de kust van Tidore genaderd, waarlangs we nu een goed uur te stoomen hadden om Soa-Sioe te bereiken, den zetel van het Gouvernement, toen ingenomen door een controleur en een civiel-gezaghebber. Eens was dit de residentie van het Sultanaat Tidore, welks sultan door ons gouvernement werd afgezet. Aan zijn oude rechten op het westelijke deel van Nieuw-Guinea hebben wij het bezit van het grootste deel van dit grootste aller eilanden te danken.Het gezicht op de kust, waarlangs we voeren, met haar witte strandlijn, waarop prauwtjes schilderachtig lagen en waarop menschen stonden die uit de huisjes kwamen, welke zoo gezellig onder den weelderigen planten- en boomgroei verborgen lagen, met den zwaarbegroeiden berg daarboven, waar hier en daar rook opsteeg van vuurtjes door inlanders gestookt, gaf een vredigen indruk.Een kleine steiger, die een eind in de zee uitstak, werd in de verte zichtbaar en spoedig was Soa-Sioe bereikt.Oud-Indië uit de dagen van de Compagnie kwam ons hier nog meer tegemoet dan reeds te Ternate het geval was geweest, ja zelfs vond men hier in den aanleg der plaats overblijfselen van de lang geleden Portugeesche overheersching. Een breede vervallen weg van cement-plaveisel leidde van den steiger het land en het plaatsje in. Telkens wanneer de rijzing van den bodem, die landwaarts-in vrij aanzienlijk was, wat heel steil werd, ging de weg in breede trappen over, zooals men dat in de landen van Zuid-Europa vindt. Links en rechts kwamen op dien weg zijwegen uit, waaraan de huisjes van Soa-Sioe achter witte vervallen muurtjes lagen.Het eerste huis rechts aan den eersten zijweg was het huis van den civiel-gezaghebber. Toen ik binnentrad kreeg ik een schrik, want hoewel reeds aan veel primitieve woningen en inrichtingen gewend, die echter door reinheid en eenvoud en harmonie met hun omgeving nog dikwijls knus of gezellig waren geweest, kwam me zulk een armoede en verval in dit steenen huisje tegemoet, dat ik den civiel-gezaghebber eens aankeek. “Daar stoppen ze je nu maar in en je moogt nog blij wezen, dat je zoo’n krot vindt,” zei hij op verontwaardigden toon. “Is’t een wonder dat mijn vrouw ziek van heimwee en ellende werd en naar Ternate moest?”Ik keek eens rond onder ’t gedrukte voorgalerijtje met zijn blauw gekalkte wanden en zijn kapotte keuken-vloertegels, ik ging eens in de sinistere kamertjes, waar overal dat blauw en die tegeltjes als in een armoedig huisje mij vervolgden. ’t Donkere achterhuis deed aan een vervallen boerendeel denken, ’t achtererfje aan een totaal verwaarloosd stadstuintje en een vuilnisbelt, de W. C. was een kist en het badkamertje niets dan een wand van gedek. ’t Was meer dan droevig en armoedig, en de ellende, die zij hier moesten hebben geleden, kwam me aan alle kanten tegemoet.Waren de civiel-gezaghebber en zijn vrouw nu een meer ontwikkeld paar menschen geweest, dan—het mag zonderling klinken—hadden zij zich misschien nog beter kunnen voegen en eenige gezelligheid en comfort weten aan te brengen. Maar menschen als deze, die een jaar geleden nog in Amsterdam op vier hoog woonden; die van Indië niet veel meer hadden geweten, dan dat het er heel warm moest wezen, zulke menschen hadden veel te hooge illusies van dit land en van het civiel-gezaghebberschap gehad; terwijl zij buitendien geen weerstand in zichzelven hadden om zich over teleurstellingen heen te zetten en geen tact om het zich gezellig te maken.Zulke ambtenaren op kleine tractementen te benoemen en zoo te installeeren is een politiek, die haar schaduwkanten moet laten zien.We gingen verder het plaatsje in en kwamen in de breede hoofdstraat met de trappen den controleur tegen in gezelschap van een prins van Tidore en eenige Arabische grootheden. De prins was eenvoudig maar onberispelijk gekleed, zijn gezicht was fijnbesneden en zijn houding was sympathiek. Zijn glimlach was vriendelijk en zijn handdruk zacht, toen ik aan hem werd voorgesteld. Men zag het den intelligenten Oosterling aan, dat hij zich bewust was zijn afkomst slechts door een waardig gedrag te kunnen toonen. Dubbel griefde het mij derhalve hem, door den civiel-gezaghebber van vier hoog, als mindere te zien behandeld. Met z’n allen wandelden we nu op naar den Kraton of Kedaton, het vroegere paleis van den sultan, dat behoorlijk door zware muren versterkt, op een hoogte lag. Dit paleis, dat erg vervallen was en meer op een deftig landhuis dan op een paleis geleek, was nu gedegradeerd tot inlandsche school. Toen we de hooge trappen waren opgeklommen en de voorgalerij waren doorgegaan, zagen we daar in de binnengalerij de geheele school van bruine kindertjes bijeenzitten onder leiding van een inlandschen onderwijzer.Het uitzicht van het hooggelegen bordes beheerschte den ganschen omtrek. Men overzag Soa-Sioe, voorts de breede straat tusschen Tidore en Halmaheira en een deel van het eiland Tidore zelve. Een frissche zeewind streek hier even door de voorgalerij, wat een genot was bij de haast ondragelijke hitte. Ik heb me toen afgevraagd, waarom men in Indië de huizen steeds zoo onder en tusschen boomen verstopt, dat er van een uitzicht en van een afkoelenden wind bijna geen sprake kan zijn? Het kan toch niet alleen het voordeel van het schaduwgeven der boomen zijn, waartegenover weer zulke groote nadeelen van vochtigheid, insectenplaag en gebrek aan afkoeling en uitwaseming des nachts en des daags staan. Of zou het zijn, dat ook hier de sleur boven het nadenken gaat en men moeilijk met een oude gewoonte kan breken? De vroegere Vorst van Tidore had echter anders geweten en wel anders gedaan ook.Bij den controleur, die het eenige voor Europeanen bewoonbare huis bezat, kregen we een frisschen morgendronk, waarop we naar Ternate terugkeerden. De civiel-gezaghebber scheen, na zulk een bezoekje aan zijn chef, zijn taak weer voor eenige dagen volbracht te hebben, althans onder de galerij van het hotel te Ternate kon men hem dag in dag uit met zijn vrouw en kinderen zien zitten, zonder dat hij ooit iets uitvoerde.Nog zou ik een anderen vorst leeren kennen, een regeerend sultan, althans nog in naam. Met een kennis had ik door bemiddeling van den Gewestelijken Secretaris belet laten vragen bij den Sultan van Ternate, daar ik nieuwsgierig was zoo’n Oostersch potentaatje eens te ontmoeten, terwijl daarmede tevens voldaan werd aan den beleefdheidsvorm, nu ik van plan was mij op zijn grondgebied te vestigen. Het uitblijven van de boot gaf hiertoe nog de gelegenheid en zoo verscheen dien middag, nadat ik van Tidore was teruggekeerd, buigend een afgezant van den Sultan voor het huis van mijn gastheer. Hij was gekleed in een lang wit gewaad, waarover een lange zwarten kaftan hing, terwijl een soort tulband zijn hoofd dekte. In hoffelijke woorden deelde hij mede, dat we den volgenden morgen om tien uur met veel vreugde door zijn Heer ontvangen zouden worden.Om tien uur reden we den volgenden dag het fort voorbij, de Arabische kampong door, waar de groote moskee of missigit stond, naar den Kedaton, het verblijf van den Vorst. ’t Was een vorstelijk verblijf van den zelfden graad als ik op Tidore had gezien, slecht onderhouden en niet meer dan een flink landhuis.Op het hooge bordes van de voorgalerij stond, toen we door de witte poort reden, die toegang gaf tot zijn erf, de Sultan met den mooien langen naam van As-soltan Tadjal-mahcoel bi’ inajat Allah al Nannan Siradjal-Melk Amirad-din Iskan dar Mouauwwar ac-Cadiq Mohamad Hadji Oesman Wahowa min-adilin Sjah. Op de hooge trap zagen we een bediende met den pajong verschijnen, waarna ook de Sultan op de hoogste trede verscheen, toen we die trap opgingen. Daar heette ons de kleine bruine man met zijn korte witte snor en witte baardje op het hartelijkst welkom en verzocht ons binnen te treden.In de groote binnengalerij, welke ook hier met geglazuurde keukenvloertegels was belegd, waarvan de wanden wit waren en met eenige groote gravures behangen, namen we om een groote ronde tafel plaats in armstoelen met Weener rieten zitting en dito rugleuning, waarvan er een vijftigtal langs de muren van de gansche binnengalerij stonden. De hormat, de eerbewijzen aan den gast bewezen, kon beginnen.Terwijl de Sultan zich uitputte in beleefdheidsbetuigingen, waarmee wij ook lang niet zuinig waren,brachten twee bedienden in Chineesch-porseleinen kopjes de koffie binnen, terwijl twee anderen met gebak en confituren verschenen, dat op kleine zilveren schaaltjes werd gepresenteerd. De Vorst zei bij het optillen van zijn kopje eenige vriendelijkheden, die met een Slamat eindigden, wat we op gelijke wijze beantwoordden.Hij zag er in zijn witte broek, zijn mauvekleurig vest met gouden knoopen, waarop de W met een kroontje, zijn zwarte jasje en witte overhemd, waarin een drietal groote knoopen waren, die elk een negental steenen bevatten, vrij dragelijk uit. Doch over zijn heele wezen en zijn kleeding lag het versletene, het vervallene van een verongelukt geslacht.Nadat we zoo een tijdlang hadden gezeten, verzocht hij ons eens met hem rond te wandelen.Tot nu toe was er iets vorstelijks geweest in de ontvangst door de Oostersche aangeboren hoffelijkheid, die den Sultan niet verlaten zou tot het laatste oogenblik; maar in hetgeen hij ons nu van zijn bezittingen liet zien was zoo weinig vorstelijks, zelfs weinig burgerlijks, neen eigenlijk iets armoedigs, dat het heel moeilijk werd de vereischte complimenten te maken. Doch we hielden ons taai en bewonderden zooveel we konden.We waren een donkere achterbinnengalerij doorgegaan, die er uitzag als een boerenstal en stonden nu in een achtergalerij met een pendoppo, waaromheen gewone bamboe kamponghuisjes waren opgetrokken.Begeleid door een bediende die den pajong boven het hoofd van den Toewan Sultan hield, wiens kruin bedekt was met een zwaren groenen doek, die, als een worst stijf in elkaar gedraaid, zoo op zijn kalen knikker was gelegd, begaven we ons naar buiten. Zijne Hoogheid wilde ons iets van veel belang laten zien, iets wat hij, volgens zijn zeggen, nog nooit aan een Europeaan had laten zien. Het zou de badplaats zijn van de dames van zijn huis.We gingen over het voetpaadje van een kleine weide en daalden toen een hoogte af, waarop we aan een heel kleinen vijver kwamen, waar aan eene zijde platte steenen aan den oever lagen. Dit heette de badplaats te zijn van de dames van dit hof, waarvan op dat oogenblik geen gebruik werd gemaakt.In zijn huis teruggekomen liet hij ons, op onze vraag naar zijn kostbaarheden, zijn schatten zien. Zij werden in de groote binnengalerij door zijn zoons en hovelingen binnengebracht en uitgestald. Op lange tafels lag daar al heel spoedig een groote massa zilveren voorwerpen, als helmen, tamboermajoorstokken, soepterrines, koffiekannen, heele serviezen, vingerkommen enz.; daarbij geweren in foudralen met goudgemonteerden met het Nederlandsche wapen, een krom Turksch zwaard met gevest en scheede van goud, een klok, horloges enz.Volgens den Sultan was bijna alles “present van het Gouvernement” en naar ik vermoed, ook nog heel veel uit de dagen van de Compagnie. Maar alles wat daar lag, was zoo beduimeld en vuil, dat het zilver op oud zink geleek en het goud geen goudglans meer vertoonde. Trouwens dat heele huis, al die menschen, die heele omgeving was beduimeld en ontbonden geworden door Oostersche indolentie.En toch trekt deze man nog jaarlijks een bedrag van ƒ 45.000.– uit de Landschapskas, waarop hij en zijn luie omgeving, uit ruim honderd menschen bestaande, voortvegeteert1.Toen wij eindelijk afscheid namen en verzochten ons respect over te brengen aan de Toewan Poetri (zijn wettige vrouw), verzocht hij ook zijn respect aan mijn vrouw in Holland, waarbij hij mij zeer op het hart drukte, toch vooral daarbij te vermelden hoe ik het bij hem had gevonden.Hij stelde zijn rijtuig tot onze beschikking, en na nog veel vriendelijke woorden en plichtplegingen, waarbij de Sultan ons tot het rijtuig uitgeleide deed, waren we ten slotte blijde een einde aan de reeks van hoffelijkheden te kunnen maken.Zeven dagen over haar tijd kwam na geduldig wachten eindelijk de boot binnen. Dit te laat komen der booten, dat de laatste jaren steeds was toegenomen, lag in hoofdzaak aan de beperkte havenruimte te Makassar, waar de schepen, om te kunnen laden en lossen, soms dagenlang moesten wachten. Doch ook het groot aantal passagiers en de massa’s goederen, die met deze lijn naar het steeds meer ontwakende Nieuw Guinea worden vervoerd, was daaraan schuld.Nieuw Guinea, waarvan we door vroegere rechten van het Sultanaat Tidore het westelijk gedeelte bezaten, was, sedert Duitschers en Engelschen van het oostelijk gedeelte bezit hadden genomen, in concurrentie met deze mogendheden het troetelkind van de Hooge Regeering geworden, waardoor er verschillende belangrijke militaire posten waren gevestigd. Buitendien bloeide er in die dagen de paradijsvogeljacht, die er veel gereed geld in omloop bracht. Zoodoende trokken vele kleine Chineesche en Arabische handelaren, van heele families vergezeld naar dit land, om te trachten daar met de primitieve bevolking voordeelige zaken te doen. Zulk een boot, die naar de Papoea2ging, wemelde dan ook, op het derde en vierde klasse dek, van mannen, vrouwen en kinderen, kisten, koffers en huisraad, waartusschen allerlei gedierte, als koeien en geiten, maar vooral kippen en nog eens kippen. Op de beide dekken, van den boeg tot aan de campagne, welke laatste voor de eerste klasse was gereserveerd, was dikwijls geen plaatsje onbezet; daar aten en dronken en sliepen die menschen, want voor de derde en vierde klasse passagiers waren noch kajuiten, noch hutten aan boord, ze werden in dit klimaat eenvoudig aan dek meegenomen, waar ze tegen zon en regen beveiligd overigens geen beschutting behoefden.Het embarkeeren met de talrijke bagage op die volgepropte boot eischte veel zorgen en tijd, en in ’t bijzonder was de onhandige prauw, die ten slotte in stroppen aan dek werd geheschen, een voorwerp van veel moeite en last. De beide trekossen, die door het smijten met kisten en balen, het ratelen van kettingen en het lawaai van menschen wild geworden waren, weigerden hardnekkig over de loopplank naar binnen te stappen. Ook hieraan werd tenslotte door den takel, die de beesten aan boord heesch, een einde gemaakt.Ruim 24 uur na haar aankomst vertrok in den nacht de “Camphuysen”. De lichtjes van Ternate verdwenen, de menschen en de plichten van het leven daar waren vaarwel gezegd en in den verfrisschenden nachtelijken zeebries, alleen op de campagne staande, keek ik naar den stillen sterrenhemel en genoot van het alleenzijn na ’t gejacht van een roezigen dag en de herrie van afscheid nemen.Missigit op Ternate.Missigit op Ternate.Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, lagen we stil en zag ik door de patrijspoort het strand en de huisjes van Wayaboela op Morotai, waar slechts eens in de twee maanden een boot aanlegt.We zouden hier den ganschen dag blijven liggen, om te laden en te lossen, om daarna in den avond naar Galela, een plaatsje aan de Oostkust van Halmaheira, te gaan, waarna vervolgens Tobelo zou worden aangedaan.Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).Met een Chineeschen handelaar van Ternate was ik de eenige passagier 1ste klasse, en deze man, bescheiden als die menschen zijn, kwam geen praatjes maken of mij op andere wijze hinderen. Het land kon me ook niet aanlokken; nog versch lagen me in het geheugen de nachten en de dag die ik hier had doorgebracht, en terwijl ik daar die schamele hutjes zag liggen onder de palmen aan het strand, waaronder ook het posthuis, en terugdacht aan die avonden en mijn gezelschap en degrammophoonen de tingel-tangelliedjes, dankte ik den hemel, nietgedoemd te zijn daar weer op die wijze te verblijven.Op de campagne gezeten, met een stapel mail-edities van de N. Rott. Crt., kwam er een genoegelijke Zondagmorgenstemming over me; een stemming waarin men gevoelt, dat men eens rusten mag en zich geheel mag overgeven aan ’t genot onzer aangeboren menschelijke inertie.De kost, dien de courant gaf, was in mijn gemakzucht nu juist wat ik verlangde. Van allerlei en van den hak op den tak, berichten uit Holland, correspondenties uit de hoofdsteden van Europa, boek-, muziek- en schilderijencritieken, alles dwarrelde weldra in mijn hoofd dooreen. ’t Eene interesseerde me erg, ’t andere nauwelijks; er werd van alles even aangeroerd, totdat ik las van menschen die ik kende. Uit vergeten hoekjes kwamen me dingen van vroeger voor den geest en peinzend keek ik over het blad, over de verschansing en zag dan de kronen der palmen in den zachten zeebries wuiven. Ik dacht weer aan Holland, aan Europa, aan alle cultuurgenietingen, aan het superieur menschelijke dat men daar vindt en dat men in Indië op elk gebied moet missen.Meer van Duma bij Galela.Meer van Duma bij Galela.Het totaal gemis daarvan geeft aan bijna allen, die hier langen tijd verblijven, dien nuchteren, platten, zinnelijken kijk op de dingen, die den Indischman spoedig eigen wordt. Men wordt in Indië materialist. Als practicus kan men zich in Indië verdienstelijk maken, als man van de daad vindt men er een uitgestrekt arbeidsveld. Macht en geld zijn er in aanzien; het wordt er meer geteld en zwaarder gewogen dan in Europa, waar ook ontwikkeling en gezindheid nog meedoen. Men kent in zulk een jonge maatschappij van realisten, waar allen zich met alle zintuigen op de practijk richten, de hoogere waarden nog niet of wil ze niet kennen—die geestelijk vereenigend en troostend staan boven den dagelijkschen strijd met de werkelijkheid.Slechts in Europa, dat genieën voortbracht, is iets van dat superieure door alle lagen van de maatschappij gedruppeld; tot in alle lagen is iets van dat hoogere doorgedrongen en dringt er in door en heeft ongemerkt mildere en betere waardebepalingen gegeven. Het streven naar geld en macht gaat in Indië onbeschaamder, de bezitters er van gevoelen zich meer, wijl ze geen hinderpalen ontmoeten en zich absoluut den meester weten. Er is om zoo te zeggen geen middenstof, die matigt. Er zijn in kunst en wetenschap geen intelligenties, die zich meer en hooger voelen dan de rijkaards en de machthebbers; er zijn geen onafhankelijke sceptici die hen glimlachend in de oogen durven kijken, er zijn geen philosophen, die hen koelweg passeeren.In het Indische landschap ontbreken tusschentinten en overgangen, die het fijn en nobel en gecompliceerd maken, zoo ontbreken in de Indische maatschappij die overgangen ook, waardoor zij grof en plat en primitief is. Komt in die maatschappij nu nog het kleurlingenbloed een hartig woordje meespreken, dan mogen de vormen en de vormelijkheid blijven bestaan, waaraan deze menschen met een zonderling point-d’honneur vaak overdreven hechten, maar aan allegemoedelijkheid, stemmigheid en mildheid is voor goed een eind gekomen.Natuurlijk zijn er in Indië velen, die met den geest der massa worstelen, maar zij verliezen nog en zijn de eenzamen, die hongeren naar ’t geen hun het dierbaarst is.Het gaat den Hollander, wat Indië betreft, in dit opzicht niet als met de vreemde landen van het westersche Europa, waarheen hij, door natuur en cultuur van den eersten dag dat hij er een voet zette getroffen, gaarne wederkeert in steeds stijgende verrukking en bewondering en ruimere ontplooiing zijner geestelijke krachten. “In Indië gaat men achteruit,” is in het land zelf een algemeen gezegde, dat men telkens hoort en ik voelde het aan alles bewaarheid. Noch de natuur, noch de samenleving schenkt ons het noodige geestelijke voedsel tot verrijking van onzen geest. Alleen de man van de daad vindt er expansie en bevrediging voor zijn streven. Slechts om den waarlijk grootschen en ruimen werkkring, dien de man zich hier op jeugdigen leeftijd reeds kan scheppen, om die vrije ontplooiing van mannelijke krachten, om die behoefte aan den wijden practischen blik, die hier onontgonnen arbeidsvelden vindt op allerlei gebied, zou ik Indië voor den flinken Hollander willen prijzen en hoogelijk willen prijzen; doch slechts voor hem, en ook daarom alleen.Morgen wachtte me weer de daad, morgen zou ik de wouden weer ingaan en zou ik weer kampen voor het voortbestaan eener cultuuronderneming in haar prilste jeugd. Ik wist, dat hetgeen we deden in verhouding tot andere daden in Indië volbracht gering was, doch ik was overtuigd dat hetgeen we deden voor de toekomst dezer verre streken van de grootste beteekenis zou kunnen zijn. Het was den eersten steen leggen van een cultuuronderneming in dit deel van den Archipel, het was het voorbeeld geven van een kunnen en slagen van het Hollandsch kapitaal op den vruchtbaren, tot nu toe bijna ongerepten bodem van Halmaheira. Het was de uitvoering dezer daad, die me hier boeide, die mijn belangstelling had en waarom ik vrede had met mijn tijdelijk verblijf alhier.Toen we den volgenden morgen reeds vroeg voor Galela lagen, verscheen na eenigen tijd een reeds oudachtig heer aan boord. Hij had de eigenaardig slappe wangen en het vaalgele teint, waaraan men de weinige oude Hollanders, die men in Indië ziet, herkent. Hij liep gesteund door een stok, daar een zijner beenen krom en krachteloos bleek als gevolg eener vroeger opgedane blessuur. Zijn zonnehoed was van een vreemd model en toonde sporen van een jarenlang gebruik, zijn mond was bezig tandeloos te worden, maar achter zijn brilleglazen fonkelden nog een paar zachte, vriendelijke oogen, die eenigszins verbijsterd in het rond keken, toen hij van de hooge scheepstrap, die langszij hing, op het dek verscheen. Het was de oudste zendeling dezer streken, een geleerde, een taalkenner. Men herkende terstond in hem een goed, eenvoudig mensch, een liefdevol gemoed, een die ondanks zijn eenzaam leven zijn blijmoedigheid niet had ingeboet. Zoodra hij mij zag trad hij, hoewel wij elkaar nog niet kenden, op mij toe, daar hij wel vermoedde wie ik was. Een luidruchtig gesprek begon en menige schaterlach weerklonk weldra over het dek, waartoe de oude heer met zijn vroolijke belangstelling telkens aanleiding gaf. Daar ook Galela slecht eens in de twee maanden door de boot werd aangedaan en hij ver van elke nederzetting van blanken woonde, had hij in weken geen Europeaan gesproken. In Duma, een uur landwaarts in aan het meer van Galela, waar het water meehelpt het landschap te flatteeren, woonde hij met zijn vrouw en kind, met zijn goeroe’s en zijn kleine christengemeente in een prachtige omgeving, niet geplaagd door het geroezemoes van een drukke moderne samenleving, in het gelijkmatige tempo van de steeds weerkeerende plichten van zijn zendelingenhuis en in het kalme geluk der vreugden van een taalgeleerde.Hij wilde het reisje met de boot naar Tobelo meemaken, om den volgenden dag per prauw naar zijn standplaats terug te keeren. Als oudste der zendelingen had hij de verplichting, de tractementen en de overige gelden voor de zendingsposten, die door de boot in één bedrag aan papier en zilver waren meegenomen, te verdeelen en van hier verder te verzenden. Voor dit werkje trok hij zich in den salon terug en weldra vernam ik van daar het geklikklak der ringgits.Na eenige uren voor Galela op de ree te hebben gelegen, gingen we weer onder stoom, om tegen den middag voor Tobelo het anker te kunnen laten vallen.Intusschen zetten we ons aan den lunch, waar het gesprek onder leiding van den zendeling met den kapitein en den stuurman, die mede aanzaten, weldra zeer druk werd. Doch het duurde niet lang of de vrede zou verstoord worden. De stuurman, die, als zooveel menschen in Indië, de zending en de zendelingen nu eenmaal niet kon uitstaan, had zich in den loop van het gesprek schampere opmerkingen over hen in ’t algemeen laten ontvallen, wat door den zendeling niet onbeantwoord was gebleven. Het kwam nu van het een tot het ander. De brave oude heer, die zijn menschen niet voldoende scheen te kennen en met zijn eerlijk hart ook geen diplomaat genoeg was om te zwijgen, ontwikkelde daar de redenen van zijn rotsvast geloof, waarbij hij met zijn trouwe oogen den stuurman aankeek alsof hij niet anders verwachtte dan dat deze man nu toch wel met zijn denkbeelden zou instemmen. Deze echter, die geen fijngevoeligheid of medelijden kende, maakte hem met zijn zekere weten voor een zieligen stumper uit. In plaats van te zwijgen ging de arme man trillend van zenuwen, waar hij op zulk een wijze in het diepste en heiligste zijner overtuiging werd aangevallen, voort en verkondigde daar, zooals hij tegenover zijn goeroe’s en zijn christengemeente steeds zonder tegenspraak gewend was, in een stijgende extase, wat hij voor onomstootelijk waar hield.Ik hield mijn hart vast, toen ik keek naar het gezicht van den stuurman, waarop de schamperheid met onmeedoogendheid afwisselde. Daar was van dezen man een antwoord te verwachten op deze met veel overtuiging gedane belijdenis, zoo pijnlijk kwetsend als slechts te vinden was om daarmede zijn tegenstander voor goed den mond te kunnensnoeren. Het bleef dan ook niet uit, en kort en goed schreeuwde hij den zendeling, die alles zoo zeker wist en verklaarde, in het gezicht, dat hij een arrogante en pedante ezel of idioot was; de keuze liet hij aan hemzelf over.De arme man was nu inderdaad sprakeloos; hij hijgde naar adem en trilde over zijn gansche wezen over zulk een beleediging niet hem; maar zijn overtuiging aangedaan. Ik had deernis met den ouden heer, die nauwelijks zijn veilige knusse hoekje had verlaten, en in de eerste aanraking met de groote wereld daarbuiten, op zulk een wijze zijn hoofd stootte.Maar iets van eigen schuld aan zulke pijnlijke ervaringen in hun ontmoeting met de buitenwereld ligt bij de zendelingen zelve, daar zij, voor een groot deel voortgekomen uit den kleinen burgerstand, waar de gezichtskring niet bijster groot is, maar al te vaak verbeelden beter te zijn dan anderen, en alles wat buiten hun wereldje ligt, in hun geborneerdheid, als één brok zonde vaak liefdeloos verafschuwen. Wie echter een jaar lang achter de schermen dezer kleine wereld heeft kunnen kijken, zal eerbied hebben gekregen voor hun beginselvastheid en voor hun ingetogen levenswijze, maar hij weet tevens, dat hier niet minder afgunst en niet meer christelijke liefde heerscht dan elders, terwijl weer andere fouten, die men in de groote wereld niet zoo kent, in dit wereldje dikwijls leelijk om den hoek komen kijken. En tout cas le diable ne perd rien.
Hoofdstuk III.Aankomst te Tobelo. Eerste Werkzaamheden.16 November 1912 was voor het kleine Tobelo een historische dag van den eersten rang, wat in den vroegen morgen van dien dag zeker nog door niemand aldaar werd beseft; doch misschien zal eens deze datum hier als het begin van een nieuw tijdperk worden herdacht.Nauwelijks was het licht in de lucht of we maakten ons gereed naar den wal te gaan.Van het plaatsje was niets te zien, maar een kleine dam van koraalbrokken, die van het land een eind in de zee was uitgebouwd, eenige goedangs (loodsen) van de Paketvaart en de Moluksche Handels-Vennootschap duidden er toch reeds op, dat hier een geregeld verkeer moest plaats hebben. Zelfs stond er een lantaarnpaal, waarop een lantaarn, die dezen nacht evenwel niet had gebrand; doch wie had in Tobelo kunnen vermoeden, dat het feit van een brandende lantaarn aldaar dezen nacht als een teeken van beschaving verbijsterend op een Hollander zou hebben gewerkt.Aan een weg, evenwijdig met het strand, lagen links en rechts de huisjes der kampong. Voor een dier huisjes, door een heg van den weg gescheiden, stond een vlaggestok. Juist toen we passeerden verscheen in het kleine voorgalerijtje een Europeaan in slaapbroek en kabaai. Het was de civiel-gezaghebber, die belast was met het bestuur over de Oostkust der onderafdeeling Noord-Halmaheira en van de daarbij behoorende eilanden.Verster, die reeds op zijn eersten tocht naar hier kennis met hem had gemaakt, stelde mij aan hem voor, en zoo zaten we reeds spoedig in het kleine voorgalerijtje op schommelstoelen bijeen.Na de eerste plichtplegingen kwam reeds spoedig het gesprek op het doel onzer reis en de reden onzer komst te Tobelo. Toen hij vernam, dat wij van zins waren van het achterliggende land voorloopig een stuk van 1000 bouws uit te zetten, om in concessie aan te vragen, was zijn antwoord: “Onmogelijk!”Dit was het pijnlijkste oogenblik, dat ik op mijn reis doormaakte; want zouden we hier niet kunnen slagen, dan zag ik het doel mijner zending in rook vervliegen. Doch slechts een oogenblik bleef ik onder den indruk van zijn afwijzend antwoord.Op mijn vraag, waarom zulk een aanvrage hieronmogelijk was, kreeg ik ten antwoord, dat hij deze gronden voor de bevolking wenschte gereserveerd te houden voor den aanleg van sawah’s voor de rijstcultuur, die hier nog zeer primitief gedreven werd.Had ik de toestanden en den civiel-gezaghebber te Tobelo toen reeds beter gekend, dan zou er voor mij geen oogenblik van ongerustheid zijn geweest. Voor sawah-aanleg was het land niet geschikt en de dunne primitieve bevolking niet rijp, terwijl de civiel-gezaghebber zich, gelijk meerdere zijner collega’s, in de eenzaamheid tot een machthebber had ontwikkeld, met een behoefte aan vertoon van gezag, waarop hij geen aanspraak had.Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).Uit mijn portefeuille overhandigde ik hem toen een schrijven van zijn chef, den Resident van Ternate, waarin deze ambtenaar hem verzocht ons voor het beoogde doel behulpzaam te zijn bij het uitzetten van een concessie-terrein achter Tobelo.Dat hielp; de tegenstand sloeg over in dienstijver en dienstvaardigheid. We werden uitgenoodigd het ontbijt te komen gebruiken, wat we met beide handen aannamen. Nog vóór dien waren de plannen voor den dag gemaakt, die daarin bestonden dat we in zijn gezelschap den omtrek eerst eens zouden opnemen, om bij benadering een punt van uitgang te bepalen. Ook hier waren indertijd reeds eenige grenssteenen in het bosch geplaatst voor een concessie, die, om hare uitgestrektheid, waardoor de bevolking der kampong geheel van het achterland zou worden afgesneden, door het gouvernement was geweigerd. We wilden trachten een dezer oude grenssteenen op te sporen.Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).Aan het ontbijt maakten we kennis met twee Indische dames, de jonge vrouw van den civiel-gezaghebber en hare tante, die haar pleegmoeder was geweest. Welopgevoed en beschaafd en, zooals Indische dames zijn, gemakkelijk in den omgang, was deze kennismaking ons zeer welkom, en gelijk overal de vrouw het verzachtende, gezellige element brengt, dat ons dadelijk thuis doet gevoelen, zoo ging het ook hier; aan de keurig verzorgde en goed voorziene tafel kwam, na de onaangenaamheden der prauwreis, een behagelijk gevoel van huiselijkheid over ons.Het huisje, in welks achtergalerijtje we daar zaten, was opgetrokken op een vloer van cement, die slechts even hooger lag dan de grond van het erf. Op dien vloer stond, van houten stijlen vervaardigd met dwarsbalken van bamboe en hout, het geraamte van het huis, waarvan de wanden tusschen die verticale en horizontale stijlen waren ingevuld met de gaba-gaba, de lange, ontbladerde hoofdnerf van den arènpalm. In diepe breede kerven, in de horizontale dwarsbalken gesneden, worden deze gemiddeld 5 cM. dikke nerven, die vooraf op de passende lengte zijn gemaakt, op handige wijze met hunne uiteinden geschoven en wel zoo, dat de concave en convexe zijde tegenover elkaar komen, waardoor er, nadat zij goed zijn aangedrukt, een stevige en ondoorzichtige 5 cM. dikke wand ontstaat. Wel is zulk een huis met zijn dunne wanden zeer gehoorig, doch overdag zit men er nooit en tegen wind en regen is dit bouwmateriaal in dit klimaat zeer voldoende. Met een dak van atap en nog een zoldertje van gaba-gaba krijgt men een geriefelijk geheel, waarin men zich in het land van zon en warmte wonderwel thuis voelt.De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).Het duurde niet lang of de vrouw des huizesinformeerde met belangstelling, waar we gedurende de eerste maanden onzen intrek dachten te nemen. Toen zij vernam, dat wij bij een bekenden Chinees alhier, Ong Keng Tjong, wilden trachten een kamer te huren, bood zij aan, wanneer we met weinig tevreden zouden zijn, een klein uitbouwtje als bijkantoortje door haar man gebruikt, aan ons als slaapgelegenheid af te staan, terwijl we ons verder als huisgenoot zouden kunnen beschouwen.Hier ontmoetten we de oude hooggeroemde Indische hulpvaardigheid, waarvan we dankbaar gebruik maakten. Zoo kort aan land en reeds zooveel hulp en tegemoetkoming, deed het beste verwachten, en welgemoed zag ik dien morgen onze toekomst in.Na het ontbijt gingen we, begeleid door den civielgezaghebber en den kapala-kampong, die ons den weg in het woud zou wijzen, met eenige Tobeloreezen, gewapend met parangs (lange hakmessen), op stap om de eerste verkenning te doen.De huisjongen zou intusschen voor de aankomst der bagage en voor de inrichting der slaapgelegenheid zorgen, alwaar juist ruimte genoeg zou zijn voor het opslaan der beide veldbedjes en het plaatsen der koffers.We gingen den breeden weg van hedenmorgen verder, die door de kampong evenwijdig aan het strand liep. Nette huisjes en miniatuur toko’s van hout en gaba-gaba opgetrokken, waarin Ternatanen en Chineezen hun handel dreven, lagen aan weerzijden; we passeerden een pasar, waar veel inlanders, mannen en vrouwen, kochten en verkochten en ons in ’t voorbijgaan nieuwsgierig aankeken. Na een brugje over een kali te zijn gepasseerd, zagen we links van den weg een laan van galalaboomen met geelgevlekte groene bladeren, aan welker einde een huis lag dat zeer groot scheen te zijn; het was het huis van den oudsten zendeling. Iets verder passeerden we weer een dergelijke woning, waar de jongste zendeling, de directeur van de kweekschool voor goeroes (inlandsche godsdienstonderwijzers) woonde. Daarna stonden er nog slechts de huisjes der oorspronkelijke bewoners, de Tobeloreezen. Deze menschen waren, ondanks een 16-jarige vestiging der Zending in hunne nabijheid, nog steeds heidenen gebleven, wat aan hun kleeding en ook aan hun huisjes aanstonds was te zien.De christen-inlander kleedt zich niet meer alleen met den lendengordel, doch draagt steeds een wit of gestreept baadje en een gekleurde katoenen broek, terwijl hij den hoofddoek heeft afgeschaft. Zijn huisje bestaat uit een paar kamertjes met vensters en een kleine voorgalerij over de gansche breedte van het huis, terwijl de heiden hier nog meest in zijn donker achthoekig huisje met hoog dak, dat aan alle zijden uitsteekt, woont. Onder het vooruitstekende dak voor zulk een huisje kan men steeds een of meer bewoners op lange rustbanken zien zitten of languit voor het donkere van het inwendige zien liggen, terwijl zij daar slapen of soezen.De weg werd smaller en bleek steeds minder begaan; links en rechts wisselden klapperaanplantingen van Chineezen met huisjes en wilden groei van allerlei geboomte.Steeds waren we de kustlijn gevolgd, een plek zoekende van waar we, zonder veel tuinen der bevolking te snijden, in het binnenland konden dringen. Het lag in mijn bedoeling een gedeelte van het concessieterrein aan de zee te laten grenzen, om zoodoende steeds van een geheel vrijen weg daarheen verzekerd te zijn.Het punt, dat we zochten, was na een half uur bereikt. Rechts de zee, links opgeschoten hout en glagah. Van hieruit drongen we het binnenland in, voorafgegaan door de mannen met de parangs. Na een dicht warnet van glagah, een plant die zich om alles slingert wat in haar bereik komt, waarbij zij moeilijk doordringbare hagen vormt, bereikten we de djoeramé’s (tuinen der inlanders), waar alang-alang, afgewisseld met aanplantingen van rijst en mais, in groote velden manshoog stond. De geheele woudrand bleek hier door een breede strook van tuinen van de kust te zijn gescheiden. Overal staken pisangs, papaja’s en nangkaboomen uit, en daartusschen stonden de huisjes der menschen. Uiterst schamele primitieve huisjes, die somtijds uit niets meer bestonden dan uit een dakje van atap op een paar stijlen, waarbij de wanden geheel of gedeeltelijk ontbraken; daaronder een rust- of slaapbank waarop menschen en kinderen in luiheid neerlagen, de laatsten somtijds erg geplaagd door vliegen, die op hun vuile zweren aasden. Opmerkelijk was het verschil tusschen deze menschen en hunne woningen met die welke dichter aan de kust waren gelegen. Ze schenen hier tot de paupers onder hun rasgenooten te behooren. Doch met dezelfde vrijmoedigheid werden we hier door de mannen aangekeken en ontvangen; de vrouwen en meisjes echter zag ik bij onze nadering soms vluchten of wegkruipen en de kinderen toonden hun vrees door angstige huilende gezichten. Gladakkers, de ellendige vermagerde honden in Indië, hongerige scharminkels, die elke menschelijke zorg van hun inlandsche meesters ontbeerden, blaften en jankten benauwd en renden weg of verscholen zich achter hun baas.Zoo bereikten we de grens van het woud. Eerst hier zou een terrein op groote schaal kunnen worden uitgezet, want de bevolking, gehecht aan haar bezit en wantrouwend tegenover den Europeaan, had nog nooit veel neiging getoond het door haar ontgonnen terrein aan Europeesche liefhebbers tegen betaling af te staan, doch ook hierin zou eenmaal wel verandering komen.Dank zij den kapala-kampong en de ons begeleidende Tobeloreezen vonden we in het woud een der grenssteenen, die we zochten. Van hieruit begon het interessante werk om het beste stuk uit te zoeken.Het duurt echter geruimen tijd, alvorens men in zulk een oerwoud, waar dikke en dunne stammen en struikgewas elk overzicht beletten, is georiënteerd. Toen we dien eersten dag laat tegen den middag huiswaarts keerden en in de gloeiende zon over de smalle paadjes tusschen de heete alang-alang liepen, was het me niet duidelijk, hoe hier ooit een overzicht te zullen krijgen. Na maanden echter voelde ik me er even vertrouwd als in het open veld, en leerde ik de rintissen en voetpaadjes en de kronkelingen der kali even goed kennen als de straten van mijn geboortestad.Elken dag trokken we nu met een colonne werkvolk,die zeer in aantal wisselde en soms tot dertig man aangroeide, soms tot vijf à zes slonk, bij het krieken van den dag door met dauw bevochte alang-alangvelden naar het bosch, waar dan gehakt, gegraven en onderzocht werd. De bodem bleek te bestaan uit verweerde vulkanische stoffen, de tuf. Deze poreuze gronden, door het zware eeuwenoude woud met een dikke laag humus bedekt, waren wel tot de vruchtbaarste en meest geschikte voor de klappercultuur te rekenen. Zoo gingen we hier met ijver verder en zouden in elk opzicht met de bereikte resultaten tevreden zijn geweest, wanneer we niet dag aan dag geplaagd werden door de onzekerheid omtrent het werkvolk, dat steeds met moeite mee te krijgen was. Het bracht Verster soms tot wanhoop, die, gedrukt door de verantwoordelijkheid welke hij in Holland op zich had genomen, liefst een honderdtal tegelijk had zien opkomen. Zonder de hulp van den civiel-gezaghebber, die de menschen herhaaldelijk tot werken aanspoorde, zou het er echter nog droeviger mee gesteld zijn geweest. Voor een geregelde ontginning zou de komst der contract-koelies moeten worden afgewacht.Een bezoek aan de zendelingen gebracht, had tot resultaat, dat door den invloed van den oudsten de bewoners van de nabijgelegen kampong Pitoe genegen bleken te zijn, tegen ruime betaling een tweetal groote koelieloodsen op een door ons aan te wijzen terrein te bouwen; en hiermede was dan een aanvang gemaakt met de prille jeugd eener cultuur-onderneming.Het was juist een week na onze aankomst te Tobelo, dat ik me weer op zee bevond en nu in de gouvernementsmotorboot op weg naar het eiland Morotai, dat van Tobelo uit op een afstand van ruim 40 K.M. over de zee was te zien.De civiel-gezaghebber had mij uitgenoodigd, hem op een driedaagschen inspectietocht daarheen te vergezellen, waarbij mij dan de gelegenheid geboden werd iets van dat eiland van meer nabij te leeren kennen en tevens om een klapperaanplant van 7000 boomen op twee der kleine koraaleilanden, die voor de Westkust van Morotai lagen, in oogenschouw te nemen. Deze beide eilandjes, Dodola-Besar (groot) en Dodola-Ketjil (klein) zouden, als zijnde ons eigendom, te zamen met het nieuw aangevraagde terrein te Tobelo in exploitatie worden genomen.In mijn dagboek vind ik over deze reis het volgende:23 November 1912. Half zeven vertrek uit Tobelo. Aan boord de civiel-gezaghebber en mijn persoon, een Madoereesche motorist en tevens stuurman, benevens een gevangene als matroos. De zee is hol, er staat een sterke bries, zoodat de boot geducht schommelt. Er worden vischlijnen uitgegooid, waaraan zware haken met kunstaas, een vischje gesneden uit lichtgekleurden boombast.Om half negen komt Mitita in ’t zicht, een laag eiland, als voortzetting van de zuid-westelijke landpunt van Morotai. Om elf uur liggen we voor die landpunt.Eindelijk heb ik dan de eenzame plek bereikt, waar ik volgens de plannen uit Holland met een vestiging had moeten beginnen. Deze landpunt is een uitbouw van koraal aan het eiland, waarschijnlijk een opgeheven zeebodem, geheel met zwaar hout bedekt. Morotai daarachter, heuvel na heuvel tot den top der hoogste bergreeks zwaar begroeid. Geen mensch, geen huis, geen prauw is op het vele kilometers lange strand tot aan de onbewoonbare rizophorenkust in het noorden te bekennen. De zee is ook verlaten. Welke plannen hebben er over eene ontginning aan deze verlaten kuststrook gespookt in het hoofd van den man, die gedurende 3 jaren civiel-gezaghebber van Noord-Oost-Halmaheira was?Heidensche Alfoer van Halmaheira.Heidensche Alfoer van Halmaheira.Er blijft me hier, met de tastbare werkelijkheid voor oogen, niet veel over dan mijn schouders op te halen en eens over mezelf en anderen te glimlachen.De zee is spiegelglad tusschen Morotai en de kleine koraaleilanden voor de kust. We passeeren Kokoja, dan Dodola-Ketjil en Dodola-Besar. We kunnen de klapperaanplantingen zien. Door het heldere, stille water nemen we op den bodem in allerlei kleurschakeeringenen vormen de bouwwerken der koraaldiertjes waar. ’t Zijn de zoogenaamde zeetuinen. Door een hevigen ruk aan een der vischlijnen breekt de verklikker (een dun touwtje, waarmee de lijn een eindje is opgebonden). Ver achter ons zien we telkens opspattend water, veroorzaakt door een spartelenden visch, die in snelle vaart door de motorboot wordt meegetrokken. De beide inlanders palmen dol van vreugde de lijn snel in. Nu de vangst dicht bij de boot is gekomen werpt de inlandsche matroos zijn drietand, waarmee hij den zwaren visch binnenboord tilt. ’t Is een tjankalang, slank als een schelvisch. Een oogenblik later breekt er weer een verklikker. Nu is ’t een bobara, een korte, dikke visch met een rooden buik. Telkens breekt er nu een verklikker en telkens is er gejuich aan boord, de inlanders gillen van de pret.Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).Het eene koraaleilandje na het andere, met namen als Ngèle-Ngèle of Galè-Galè, wordt gepasseerd, allen vol klapperboomen. Riffen en ondiepten. Half drie te Wayaboela, de eenige kampong van belang op het 60 K.M. lange en 30 K.M. breede Morotai. Hier zullen we den nacht doorbrengen. De Sangadji, het inlandsche hoofd, door het gouvernement aangesteld, komt ons op de wankele pier tegemoet. We nemen onzen intrek in het posthuis.Kennismaking met den heer A. van Renesse van Duivenbode. Een der leden van de groote familie van dien naam, waarvan de overgrootvader ruim honderd jaren geleden naar de Molukken kwam. Hij, hoezeerverinlandscht, is toch man van eenige ontwikkeling en met het aangeboren welopgevoede van den kleurling. Zijn woning is het huis van een inlander, gemeubeld met eenige stoelen, een tafel en een paar kasten uit de dagen van de Compagnie. Een Indische rommel. Hij toont me waardevolle schilden van reusachtige schildpadden, en eenige mooie exemplaren van takkenkoraal, een algensoort, die men hier aan den bodem der zee vindt vastgegroeid en achabaché noemt.’s Avonds in het posthuis muziek van degrammophoonvan Renesse. Een serie van de meest banale liedjes. Groote toeloop van inlanders.Op verzoek van den civiel-gezaghebber wordt de tjakalélé gedanst. Een weinig wilde krijgsdans, waarbij wat met speren en schilden (de salawako’s) wordt gezwaaid. Men slaat er bij op de tifa, een soort trom, in een eentonige, meer of minder snelle cadans. En tevens wordt hierbij gespeeld het spelletje van het touwtrekken, wela wela genoemd, waarbij aan het eene eind van het touw zich jonge mannen scharen aan het andere eind slechts jonge meisjes. Terwijl zij elkaar nu minder eerbare liedjes toezingen, wiegen zij met hun lichamen heen en weer, om somtijds, na afloop, twee aan twee in de wouden te verdwijnen. Zulke spelen zijn een doorn in het oog van den zendeling. De heidensche Alfoer stoort zich hieraan echter niet.Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).29 Nov. 1912. ’s Morgens met Renesse op de wilde varkensjacht. ’t Wild breekt onverwacht en ongezien tusschen ons door. ’s Middags vermoeid. Alleen onder het galerijtje van het posthuis. Lezende, teekenende en droomende, gaat de middag voorbij. Gevoelens van verlatenheid in dit onbekende verre uithoekje der wereld. Hoe kom ik hier verdwaald? Verdiept geweest in Vosmaer’s “Amazone”. Tegenstelling tusschen de uitingen van dien toegespitsten, verfijnden geest en de wereld die mij omringt. Zou ooit dit boek in zulk een omgeving gelezen zijn? Het verre uitzicht over zee is een troost. Bij het avondlicht wordt de motorboot zichtbaar, waarmede de civiel-gezaghebber en Renesse van een tocht naar een der koraaleilandjes terugkomen.’s Avonds weer de tjakalélé, waarvoor ik me interesseeren moet, en weer draait de grammophoon haar tingel-tangelliedjes af. Een kersversche Hollander vindt dat inlandsche gedoe sinister en zoo ver van hem af. Nog meer sinister vindt hij den vulgairen smaak van zijn gezelschap, en hij gevoelt zich nog eenzamer dan tijdens het alleenzijn. In het vuile slaapkamertje van het posthuis, verlicht door een petroleumlampje, is mij dan eindelijk de rust op mijn veldbedje recht welkom.25 Nov. 1912. Vertrek om 6 uur ’s morgens van Wayaboela. Renesse gaat mee naar Tobelo. Een kist eetbare vogelnestjes aan boord, door inlanders in grotten aan de kust bijeenverzameld voor de soepjes van Chineesche lekkerbekken.Bezoek aan de Dodola’s. Landing zeer moeilijk door de vele riffen. Mooie klapperaanplanting, oorspronkelijk door Renesse geplant. Men is hier met vijf man onder een mandoer bezig de tuinen van onkruid en jongen opslag te bevrijden. Zacht glooiende strandjes en landpunten van wit koraalzand rondom de eilanden. De beide eilandjes zijn bij laag water door een droogloopende bank van dat zand, helwit in het felle zonlicht, verbonden. Schilderachtige inhammen en baaien. Veel muskieten en een ondragelijke hitte. Het moet op deze kleine eilandjes veel heeter zijn dan op de grootere eilanden, waar de bergen voor afkoelende luchtstroomingen en grooteren regenval zorgen. Na bezichtiging en instructies aan den mandoer terugreis over een zee zoo spiegelglad, dat ik den indruk krijg over een ijsvlakte te varen.Terugkomst in Tobelo. Verster klaagt over de slechte opkomst van werkvolk tijdens de afwezigheid van den civiel-gezaghebber. Als reden, dat ze niet meer werken wilden, hadden ze opgegeven dat ze zoo moe waren van de vorige dagen.De tobberijen met het werkvolk bleven aanhouden en alle maatregelen en alle moeite om eene eenigszins geregelde opkomst te verzekeren, waren vruchteloos. Daarbij kwam nog, dat de Paketvaartboot van Java, die eens per maand Tobelo aandeed en die ons berichten en goederen uit de beschaafde wereld zou brengen, 6 dagen over haar tijd binnenviel ende vele bagage, die we op Ternate hadden achtergelaten, aldaar had laten staan. Zoo bleven we, tenminste weer voor een maand zonder boekhouding, zonder bijlen en parangs enz., i. e. w. zonder het allernoodzakelijkste om te regelen en op te schieten.Aan boord raakte ik met eenige heeren in gesprek, die jarenlang in deze streken, en niet zonder succes, handel dreven en die belangen hadden bij de cultures. Hun conclusies na veel ervaringen waren (volgens aanteekening in mijn dagboek): “Men komt hier verder met pessimisme dan met optimisme. Ik heb dat zelf ondervonden. Vroeger was ik namelijk ook optimist”, en de ander, die met vreemd werkvolk bezig was een klapperaanplant aan te leggen: “Men kan niet met de menschen uit deze streken werken. Werken ze twee dagen dan luieren ze er zeven.”Hoe anders en hoeveel nuchterder en dichter bij de werkelijkheid klonk dit dan de adviezen in Holland van onzen raadsman ontvangen. Echter zou later, tot niet gering voordeel, blijken, dat werkvolk, geworven in andere naburige residenties, z.g.n. contract-koelies of contractanten, hier belangrijk goedkooper te krijgen was dan overal elders in den Archipel.Hoezeer de Hollanders in Indië, met hun energie uit de gematigde luchtstreek meegebracht, ook het geheele maatschappelijke raderwerk in gang zetten en door hun stuwkracht in gang houden, zoodat alles wat heele of halve bruine broeder is wordt meegesleept, toch gevoelde ik dat deze energie op de inerte massa dezer bevolking voorloopig nog, ook met de grootste krachtsinspanning, vergeefsch zou zijn.Zoo vind ik nog in mijn dagboek: “Reeds vijf dagen zoekt Mainaky, inwoner van de kampong Tobelo en handelaar, een prauw en drie mannen om hem naar Morotai te brengen. Ieder weigert uit luiheid.” En nog dit curieuze staaltje, als bewijs van de goedmoedigheid die hier nog heerschte: “Een pradjoerit, inlandsche politieagent, die de kunst van haarknippen verstaat en als zoodanig door ons wordt ontboden, laat melden, dat hij momenteel te dronken is van het sagoweergebruik om dit te kunnen doen. Morgenochtend zal hij geen sagoweer drinken en is dan bereid ons van dienst te zijn. De man is notabene tevens cipier van de gevangenis. Hij zit gewoonlijk als beste maatjes met zijn gevangenen op een bank voor het huisje dat de gevangenis moet verbeelden.”Ondanks den aard der bevolking slaagden we er in, de grenzen van een mooi terrein van 1000 bouws nauwkeurig af te zetten en in kaart te brengen. Het lag geheel in het oerbosch, waarvan een breede weg over vlak terrein tot het strand werd gemaakt. Bij de duizenden bouws vruchtbare gronden, die hier nog onaangetast lagen, bleek het niet noodig voorloopig de hand op meer te leggen. Nu we zoo ver waren gekomen, werd het noodig, dat ik mij naar Ternate begaf ter regeling van verschillende zaken met het Residentiekantoor en voor verdere belangen. Juist een maand na onze aankomst te Tobelo, bood zich een welkome gelegenheid aan, om mij daarheen te begeven. De kleine gouvernementsstoomer “Nora” had, op de reede van Tobelo, het anker laten vallen met bestemming naar Ternate.Het is in streken met slechte verkeersmiddelen als deze, aan particulieren, na verkregen verlof van de autoriteiten, geoorloofd van de regeeringsvaartuigen gebruik te maken. Zoo greep ik deze gelegenheid dankbaar aan, daar de Paketboot, op haar reis naar Nieuw-Guinea, eerst na 14 dagen zou terugkeeren en naar Ternate stoomen.Verster zou tijdens mijn afwezigheid te Tobelo blijven en intusschen trachten, zooveel mogelijk met het werk op te schieten. Nog aan boord van de Nora deelde hij mij zeer ontmoedigd mede, dat zich dien morgen, ondanks al zijn moeite, slechts vier man op het werk hadden gemeld.Hoofdstuk IV.Terug naar Ternate.Het vooruitzicht om als eenig Europeaan een kalme 24 uren aan boord van het bootje te zullen doorbrengen, was me niet onaangenaam. Op een gemakkelijke bank op de brug gezeten, waar de inlandsche kapitein naast den roerganger aan het stuurrad stond, tuurde ik over de zee en langs de lange kust, die zich aan bakboord naar het Noorden uitstrekte. De overgang van het dagelijksch verblijf in het schemerlicht en het beperkte uitzicht van het oerwoud, van ’t meten en roepen en draven door versch geslagen rintissen, waar men telkens strompelde over boomstronken en wortels, in gezelschap van halfnaakte kerels, naar het volle licht aan boord, met het verre uitzicht en de frissche zeelucht, gevoegd bij de comfortable netheid der inrichting van het scheepje, was zoo allerkostelijkst, dat ik me eerst eens onverdeeld aan die indrukken overgaf.We zouden om de noordpunt van Halmaheira varen en den nacht in een beschutte baai van de Loloda-eilanden voor anker gaan, om den dageraad van den volgenden dag af te wachten, daar strenge orders den kapitein verboden zich ’s nachts met het kleine vaartuig op zee te wagen.Nog in ander opzicht was het me niet onwelkom, de sfeer van Tobelo voor korten tijd vaarwel te kunnen zeggen. Zooals op zoovele buitenposten, waar weinig Europeanen te zamen zijn, heerschte ook hier een atmosfeer van spanning tusschen de families der blanken, die op den duur onhoudbaar moest worden. Tusschen het huis van den civiel-gezaghebber en dat van den oudste der zendelingen was een wrijving ontstaan, die zich uitte in wederzijdsche tegenwerking en een drukke, onverkwikkelijke correspondentie, die den onstuimigen bestuursambtenaar tot het uiterste prikkelden en hem meer dan eens den uitroep ontlokte: “Hij of ik! maar een van ons beiden moet hier weg!”Het kostte den onpartijdigen toeschouwer, die uit den aard der zaak met beide families veel verkeerde en die met geen van beiden in onmin wenschte te leven, heel wat zelfbeheersching om tusschen dien strijd van inzichten, belangen en beuzelingen door te zeilen.Waar de voorwaarden voor een wrijving tusschen twee uiteenloopende en zoo dicht bijeen wonende families, in die mate aanwezig waren als hier, daar had hetuitbreken van den strijd slechts op de onbeduidendste aanleiding gewacht. Het uitblijven van een tegenbezoek, dat de dames van den civiel-gezaghebber van de vrouw van den zendeling verwachtten, was indertijd voldoende geweest om een klove te doen ontstaan, die nu niet meer te overbruggen was.Hoe dan ook, de conversatie te Tobelo had er dikwijls een minder aangenaam karakter door gekregen, en zoo was ik dubbel verheugd voor korten tijd de menschen en hun eindeloos gekibbel vaarwel te kunnen zeggen en mij ongestoord aan de natuur te kunnen overgeven. Een lang ontbeerde rust kwam over me, toen ik daar op de brug, naast de twee rustige inlanders, langzaam voorbij den oever gleed, waar de huisjes van Tobelo onder het zware groen nauwelijks te ontdekken waren. Verder varende, zwierf mijn blik over de eindelooze zee, langs de dichtbegroeide kust en over het onherbergzame, bergachtige binnenland van Halmaheira.Morotai had met zijn bergen schemerachtig in de verte gelegen, doch werd steeds duidelijker, nu we de zeeëngte naderden en de geheel open zee voor den boeg lag, die met een geweldige branding op de sombere noordpunt van Halmaheira beukte. De kust werd hier kaler en was steil en zonder strand. De boomen, die er stonden, waren verwaaid met afgeknotte kruinen, en beroofd van takken door de felle noordenwinden, die zoo dikwijls op deze kust stonden.Het is een bekend feit, dat de kracht der winden en hun richting in den geheelen Archipel zeer onderhevig zijn aan den invloed van de verdeeling van land en water. In de zeegaten kan het hard tochten en op de binnenzeeën kan een volle bries staan, terwijl aan land nauwelijks wind te bespeuren valt. Zoo ook hier. De Nora, eerst zoo kalm, begon nu in het ruime sop op en neer te dansen dat het een aard had. Bij zulk een bries kan men op de Indische wateren toch nacht en dag, desnoods alleen in pyjama gekleed, aan dek blijven zitten zonder een oogenblik bevreesd te zijn voor te groote afkoeling. De kostelijke verfrissching, die men dan in de gelegenheid is op te doen, staalt opnieuw de door de hitte slap geworden zenuwen en spieren, en door de dunne kleeren neemt het geheele lichaam aan het opwekkende luchtbad deel.Het was reeds tegen den avond toen we de beschuttende baai van een der Loloda-eilanden invoeren en in doodstil water voor anker gingen liggen, om bij het krieken van den dag de reis voort te kunnen zetten. Toen het donker werd schitterden lichtjes tusschen de boomen op het strand. Zij kwamen van een kampement van houthakkers, Sangireezen en Talauters, die hier met hun korte zware bijlen de dikke harde ebbenhoutboomen omhakten en kloofden, en gereedmaakten ter verzending naar Europa.De nachtzang van insecten, die uit de wouden rondom de baai tot ons doordrong, zong me in slaap en duurde den ganschen nacht door, ja was nog niet geheel verstomd, toen ik, op mijn kooi in het geriefelijke dek-kajuitje, reeds werd gewekt door het lawaai der voorbereidende maatregelen voor ons vertrek.Reeds, toen het nog volop nacht was, was ik weer aan dek. Nog lagen de oevers van het eiland in het pikdonker en glom de zee en schitterden de sterren en straalden de lichten aan boord hun bundels de duisternis in, doch elk oogenblik kon de dag worden verwacht. ’t Vooruitzicht het zonlicht te zien rijzen op dezen morgen van alleenzijn, zonder ’t praten en ’t willen van menschen om mij heen, deed me in stijgende blijdschap de dingen die komen zouden afwachten en meeleven.Een nauw verbleeken van den donkeren wand aan de oosterkim—en de ankerkettingen ratelden reeds en de schroef sloeg het stille water bruisend onder de achterplecht weg. Het schip kwam in beweging, draaide zijn kop naar den uitgang der baai, den kant naar de zee op.Daar zag ik het krieken van den morgenstond uit Vondel’s Palamedes voor me; de sterren vluchtten en de Titaan rees.Het dun gezaeit gestarnt verschietZijn’ glans, en gloeit zoo vierigh niet.De schaduwe is aen ’t overleenen.De morgenstar drijft voor zich heenenDe benden van het hemelsch heir.De voerman van den grooten Beir,Op dat hij zijne beurt verwissel’,Vlught heen met omghekeerden dissel.De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uit der zee.Helios, de zonnegod, rees, vierigher dan Vondel hem ooit had mogen zien rijzen en sneller ook. De kleuren en kleurschakeeringen, van violet tot goud-geel, in het wazige van de onderlucht en aan de randen van wolken en wolkjes, wisselden onophoudelijk tot dat één licht alles overstraalde. Toen losten de nevels, die over het land en hier en daar over de zee hingen, zich op en rafelden uiteen, en spoedig schitterde en tintelde en blonk alles zoo van licht, dat men beschutting moest zoeken tegen den al te fellen gloed.Aan de steile, hier bijna onbewoonde kust van Halmaheira, die we steeds aan bakboord hielden, terwijl wij nu naar het Zuiden koersten, was een zendingspost gevestigd. Na lang zoeken werd het dak van het eenzame huis gevonden, dat aan een kleine baai gelegen, soms maandenlang geheel van de buitenwereld was afgesloten. De branding door de aanhoudende noordenwinden veroorzaakt, stond dan zoo hevig op de kust, dat geen prauw het waagde haar te naderen, terwijl van de landzijde de communicatie met het binnenland zoo goed als onmogelijk was. Voor een zendingspost leek deze plek, die men Doroemé had gedoopt, wel zeer slecht uitgekozen, doch de zendeling zelf scheen er anders over te denken.Na de koffie en het ontbijt zocht ik mijn plaats weer op naast den kalmen kapitein op de brug. Hij wees me op een groote zeekaart eenige interessante punten en moeilijke passages, doch van een geregeld gesprek kon niet veel komen, daar ik het Maleisch, het Volapuk van den Archipel, nog niet voldoende machtig was.Goed beveiligd tegen de stralen der zon, nam ik mijn boek en was spoedig verdiept in Haagsche toestandenen las van menschen, die aan nevrose leden, die met hun vezel-fijne zenuwen voorbeschikt waren aan levenssmart en levensweemoed te gronde te gaan. Opziende zag ik dan de woeste kust van het eiland en voelde me als vaneengereten door de uitersten die op mij afkwamen, en ik vroeg mij af, of ik wel goed deed onder deze omstandigheden boeken onzer overbeschaving te lezen, waarbij ik Holland weer zoo duidelijk voor me zag, en waarbij verlangens wakker werden, die den geest te zwak maakten tegenover de woeste natuur en de menschen, die mij omringden.Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).Zag ik het fijne, wisselende mooi van ’t Hollandsche landschap in gedachten voor me en dan opziende deze omgeving, dan ging er een siddering van verlangen door mij heen, en weemoed en heimwee overvielen me. Dacht ik aan den strijd met menschen, die mij in mijn kwetsbare positie te wachten stond en dien ik voelde komen, dan had ik wel de neiging om, zoo niet het brute naar buiten te keeren, dan toch in elk geval het fijnere gevoelsleven niet te zeer te laten spreken. Doch een neiging tot humor overstemde die vrees, en met een glimlach, die onwilkeurig opkwam, herstelde ik mijn zelfvertrouwen en durf, om met die grootere gevoeligheid, te zamen met den breederen kijk, menschen en dingen onbevreesd tegemoet te gaan.“Die Menschen fürchtet nur, wer sie nicht kennt”. Welaan, kende ik ze niet en zag ik ze niet aan hun ondeugden en hartstochten, als harlekijnen aan de touwtjes dansen, gevaarloos zoolang men ze herkende? Bemerkte ik hun zwakte en hun zwakheden niet?Tegen den middag naderden wij de vulkanen, die we reeds eenigen tijd in de verte hadden gezien en passeerden de zuidelijke Loloda-eilanden. Op een dezer eilanden, met den tongbrekenden naam Kahatollolamo, was, terwijl we passeerden, een klapperaanplanting te zien, die er weinig florissant uitzag. De stammen der boomen waren schraal, de kronen dun en de vruchten ontbraken totaal. De oorzaak was niet ver te zoeken. Op een rotsachtigen ondergrond, waarop zich slechts een dunne aardlaag had gevormd, waren deze boomen geplant, de wortels hadden daardoor geen vat en konden niet voldoende voedsel vinden. Toch was men nog met ontginnen bezig en waren er op verscheidene plaatsen nog jonge boompjes te zien. Armoedige inlanders, voor ellendige hutjes staande, keken de Nora na. Een zeldzaam schouwspel voor hen, daar het vaarwater hier tusschen de eilanden nooit door groote booten werd bezocht.Van hier tot bij den vulkaan van Ternate, die in de verte reeds was te zien, bestond het land uit een opeenvolging van uitgedoofde vulkanen, waartusschen soms kleine vlakten lagen, die met klapperboomen waren begroeid.Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).Om vier uur liet de Nora op de reede van Ternate haar stoomfluit hooren, waarvan het geluid door de wanden van den vulkaan werd weerkaatst en aan het gansche plaatsje verkondigde, dat zij van haar reis was weergekeerd. Ieder wist ook aanstonds, dat het de Nora was en geen ander schip, want wiehier een korten tijd had gewoond, had geleerd de verschillende tonen der fluiten van de geregeld binnenvallende stoomschepen van elkander te onderscheiden.Mijn plan was weer mijn intrek in het hotel te nemen, waar een eerwaardige dame, in de wandeling Tante Carolien genoemd, haar scepter zwaaide en haar gasten tegen goede betaling op een vuile inrichting en slecht eten onthaalde. Van klachten nam zij niet de minste notitie, overtuigd als zij was, dat zij uitstekend voor haar gasten zorgde. Klaagde men herhaaldelijk over vuilheid, onzindelijkheid enz. dan werd men verzocht het hotel te verlaten en elders een goed heenkomen te zoeken. Daar het in deze dagen het eenige hotel te Ternate was, was men wel genoodzaakt alles maar voor lief te nemen. Een der heeren gasten, die er langen tijd verblijf had moeten houden, had, om zich te beschermen tegen de aanraking van het altijd vieze voorwerp in de eenige W.C., die in een onbeschrijfelijken toestand verkeerde, een grooten houten bril laten maken, die door zijn jongen voor het dagelijksch bezoek van mijnheer werd vooruitgedragen. Na afloop zag men den jongen weer, met den bril onder den arm, naar de kamer van mijnheer stappen, waar deze uitvinding zorgvuldig werd opgeborgen. Steeds nam een der nieuwe heeren gasten dezen bril dankbaar als geschenk over, en misschien zal hij er nog zijn nuttig werk verrichten.Met het prettige vooruitzicht voor tenminste een veertiental dagen de gast van Tante Carolien te moeten wezen, reed ik in een der horribele sadotjes langs den strandweg naar het hotel, toen ik een mij bekend Hollander in de voorgalerij van zijn huis zag staan, die mij in het voorbijgaan toeriep: “Kom hier logeeren!”Het aanbod van den jonggezel-zakenman was, in het vooruitzicht van slechte kost en onzindelijkheid, te verlokkend om het af te slaan, en zoo liet ik mijn bagage hier brengen en zat spoedig met mijn gastheer en nog een Hollander, die tijdelijk bij hem inwoonde, onder de voorgalerij op gemakkelijke rieten stoelen rondom een dito tafeltje met marmeren blad.Daarmee was ik aan het Indische jongeluis-leven van de Buitenbezittingen overgeleverd, dat zich toentertijd in Ternate voor een groot deel onder die voorgalerij rondom dat tafeltje met het marmeren blad concentreerde, waarop de sherry met de pait (jenever) en de whisky-soda, het praten met de kaarten en met de boeken van de leestrommel afwisselde.Onze gastheer, die reeds 16 jaren aaneen in Indië verblijf hield, was wat men noemt verindischt, en voelde zich daarbij bon-vivant grand-seigneur, en leefde als zoodanig. Zijn levensopvattingen waren zoo breed geworden, dat alle beperking hem vreemd en hinderlijk was. Hij leefde naar zijn lusten en geheel zooals het hem inviel. Het kon zijn, dat hij ’s avonds om half tien reeds naar bed ging, doch het kon ook gebeuren, dat hij tot het opgaan der zon onder zijn voorgalerij zat. Het middageten, dat om 1 uur heette te beginnen werd soms, wanneer mijnheer gezellig zijn paitjes dronk en van alles en nog wat te vertellen had, tot 4 uur uitgesteld. Den eenen dag at hij bergen rijsttafel, wat hij met veel bier naar binnen spoelde, of legde over een sneedje brood een halve worst, of wierp er een halven pot jam over uit, en den volgenden dag at hij bijna niets en walgde van alles wat eten en drinken was. ’t Kon zijn dat hij een of twee, soms drie dagen niets dronk, maar daarna kon die matigheid tot de meest toomelooze onmatigheid overslaan, waarbij in gezelschap van bezoekers, kapiteins en passagiers van binnenvallende stoombooten, karaffen jenever, flesschen sherry en whisky het moesten ontgelden. Goedmoedig, en royaal voor zichzelf en anderen, bleef hij dit ook wanneer hij veel gedronken had.Daar Ternate, toen nog zonder telegraaf, tusschen de komst der verschillende booten soms dagenlang van alle berichten van de buitenwereld verstoken was, had hij, daar hij zakenman was, soms ook dagenlang niets te doen, of maakte hij het in elk geval zich dan niet druk. In een paar uurtjes, van 9 tot 12 des morgens, was zijn werk afgeloopen; de overige uren konden besteed worden aan praten, lezen, eten, en aan drinken en kaartspelen.Nu was ik wel het slechte eten en de onzindelijkheid bij Tante Carolien ontloopen, maar daarvoor werd nu voor een groot gedeelte beslag op mijn vrijheid gelegd. Des morgens, na het opstaan, in de binnengalerij aan de schrijftafel van mijn gastheer gezeten om hoog noodigecorrespondentieaf te doen, duurde het vaak niet lang of hij en zijn huisgenoot kwamen in bont gekleurde pyjama’s uit hun slaapkamers te voorschijn en drentelden begeerig naar conversatie, al praatjes makend tot het ontbijt onder ’t genot van de morgenkoffie in de binnengalerij op en neer.Om twaalf uur thuis komend, was mijn gastheer geen man om zijn gasten aan het werk te zien, hij vond dit belachelijk, terwijl het niet strookte met zijn breede opvattingen en met zijn behoefte aan gezelschap.In mijn werk gehinderd, in een dagelijksche sfeer van gezellige vervelendheid en van herhaalde braspartijen, zou het me niet onaangenaam zijn geweest mijn tijd hier te hebben kunnen bekorten en naar Tobelo terug te keeren. Doch tijdbesparen en zaken afdoen was iets, waarvan men in dezen uithoek, ook onder heele en halve Europeanen, nog niet veel weten wilde. Het leven te Ternate was overigens in dien tijd niet ongezellig. De soos werd wel, wegens veeten uit vroegere jaren, door ambtenaren en officieren geboycot, doch daar stond tegenover dat men de gezelligheid elders zocht. In den namiddag was er steeds een samenkomst op het tennisveld in het oude groote fort, waar men de families kon ontmoeten, die door vriendelijke uitnoodigingen nogal eens afwisseling brachten in de reeks avonden onder de voorgalerij bij mijn gastheer.Menige goede herinnering is mij bijgebleven aan avonden daar bij beschaafde menschen “en famille” doorgebracht, waarbij ik dan eens weer den weldoenden invloed van een geregelde Hollandsche huishouding ondervond.Zoo werd er Kerstfeest gevierd bij den dokter op het fort, waar een Kerstboompje stond, dat kunstig nagemaakt, heel goed den indruk van zoo’n sparreboompjeweergaf. Er zongen kinderen Kerstliedjes en er werden geschenken rondgedeeld. Wel was het heel anders dan het stemmige Kerstfeest, dat ik een jaar te voren in eigen kring tusschen de Zwitsersche bergen had gevierd. Doch het “Stille Nacht, Heilige Nacht” en het besneeuwde boompje deden, ondanks de warmte van den tropischen avond en der geheel tropische omgeving, niet zonder weemoed de herinnering aan dien tijd weer levendig worden.Zoo gaf ook de komende Oudejaarsavond aanleiding tot een feest, dat echter onder leiding van mijn gastheer in geheel andere stemming gevierd zou worden. Deze, die den laatsten tijd veel vriendelijkheden van de Europeesche kolonie had ondervonden, wenschte die te beantwoorden en daarvoor koos hij dien avond uit. Hij wenschte een feest te geven naar zijn smaak en op zijn breede wijze, dat wil zeggen, dat er gegeten en gedronken zou worden in hoeveelheden zoo groot als voor menschelijke magen en vooral voor dorstige kelen maar mogelijk was.Het feest zou beginnen met een reusachtigen bowl, daarna champagne, en voor de liefhebbers whisky, bier en cognac na. Hij zag als in een droom zijn voorgalerij in een slagveld van menschen en flesschen herschapen, hij droomde zich een Nero-genoegen, een bacchanaal en zijn persoon als held te midden daarvan.Nooit had ik hem nog zoo in de weer gezien als in de dagen die aan dit feest voorafgingen. De krossi-malas (luie stoel), een zeer gemakkelijke dekstoel, waarop hij anders heele dagen met zijn corpulente lichaam lag, was nu herhaaldelijk onbezet. Hij draafde van den een naar den ander, zette allerlei menschen, leveranciers, kennissen en bedienden in beweging voor het groote feest, dat komen zou. Ook de dames moesten meehelpen om voor eenige groote schotels te zorgen, waarvoor hij de ingrediënten leverde. Zijn stemming was monter en opgewekt in het vooruitzicht van de geweldige fuif, over welker arrangement hij, terwijl hij zich van louter verrukking op zijn dikke dijen sloeg, maar niet uitgepraat was.De bowl, waarmede dit feest beginnen zou, zou in groote tumblers geschonken worden, zoodat deze koele drank de meeste gasten als ’t ware als een verkwikking zou overrompelen, opdat de stemming spoedig bij allen de hoogte zou hebben bereikt, waarop hij zelven zoo graag verkeerde. De glazen mochten geen oogenblik leeg wezen en hij zou zijn gasten zoo animeeren, dat er al spoedig geen nuchtere gast meer over was. De champagne zou bij stroomen vloeien; slechts maakte hij zich bezorgd, dat er op het kleine Ternate niet voldoende van dezen drank voor zijn grootsche plannen aanwezig was. De morgen na de fuif zou dan de zon het geheele gezelschap nog onder zijn voorgalerij bijeen vinden. De dames hadden hem ook toegezegd zijn jonggezellenwoning te zullen bezoeken, waarbij hij ook van haar verwachtte, dat zij zich niet onbetuigd zouden laten.In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).Terwijl we daar op een namiddag zoo luisterden naar de plannen van onzen gastheer, hoorden we de fluit van een stoomboot en zagen we de boot, die van Nieuw Guinea terugkwam (de zgn. Papoeboot), en die dus gisteren Tobelo had aangedaan, over het spiegelgladde water de reede van Ternate binnenglijden.Even daarna, terwijl de boot nauwelijks aan den steiger was gemeerd, zag ik, tot mijn niet geringe verwondering, Verster met driftigen pas over den strandweg naderbij komen. Mij ziende, stoof hij de galerij binnen, om opgewonden te vertellen, dat hij het in Tobelo niet langer had kunnen uithouden, daar er geen man meer op het werk kwam, waardoor hij tot stilzitten was gedoemd. Hij wilde nu zelf naar Menado om koelies te halen, daar hij den koeliewerver, dien we daarheen hadden gezonden,ook niet meer vertrouwde. Zijn voortvarendheid was in alle opzichten te billijken, maar deze zou op Ternate weer terstond worden gestuit, daar hij eerst een bootgelegenheid voor Menado diende af te wachten. Zoo vermeerderde hij dan het gezelschap voor het nabije Oudejaarsavondfeest, daar zich voor dien tijd wel niet meer een gelegenheid voor vertrek zou opdoen. Van den nood een deugd makend, vergat hij spoedig de stilte van Tobelo en gaf zich geheel over aan de geneugten van het Indische leven op zoo’n klein plaatsje.De Oudejaarsavond kwam. Reeds den dag te voren was er door eenige heeren uit louter voorpret meer genoten dan goed was geweest, en zoo was ook bij onzen gastheer op den dag zelven het allerergste vuur reeds gebluscht. Dit verhinderde toch niet, dat er den ganschen dag hard werd gewerkt aan den bowl en aan ’t klaarmaken van schotels, aan ’t verkrijgen van voldoende glaswerk, borden, messen, vorken enz. en dat het een gedraaf van belang werd, om op tijd met de geheele voorbereiding van het groote feest klaar te komen.Maar het was dan ’s avonds eindelijk zoover. In de voorgalerij stonden twee lange rijen stoelen, in het midden waarvan tafeltjes waren geplaatst, waarop sigaren en sigaretten, aschbakjes en lucifersdoosjeswaren neergezet. In de binnengalerij hadden de bedienden schotels en glazen klaar gezet, terwijl in het midden de groote bowl, die herhaaldelijk zou kunnen worden aangevuld en die met ijs koel werd gehouden, was geplaatst. In de achtergalerij stond een lange tafel gedekt voor het souper; daar had de champagne in de ijskist een plaatsje gevonden en zwoegde het buffet onder massaas glazen en stapels borden; ook brandden daar voor dezen avond twee groote petroleumlampen, wat vóór dien nog nooit het geval was geweest.Met ongeduld werden nu de gasten gewacht, alles was gereed om hen te ontvangen.Weldra zagen we in het donker de eerste witte gedaanten verschijnen, waartusschen eenige lichte japonnen, en toen eenmaal de eerste gasten er waren, was weldra het gansche gezelschap compleet. De resident had zich wijselijk laten verontschuldigen, zoo ook eenige andere genoodigden, maar de gastheer kon toch tot zijn vreugde vaststellen, nooit zooveel Europeanen te Ternate bijeen te hebben gezien. Een boot van de Nord Deutsche Lloyd, die op den Oudejaarsdag was binnengevallen, vermeerderde met den kapitein van het schip het aantal gasten nog met een, en hij bleek een gast te zijn aan wien dergelijke feesten zeer besteed waren.De presenteerbladen met volle tumblers gingen rond en ieder verwonderde zich over zulke groote bowlglazen, die in normale gevallen voor bier werden gebruikt, maar onze gastheer zeide, dat het een zeer onschuldig en verfrisschend drankje was, en als bewijs daarvan dronk hij zijn eersten tumbler in één teug leeg. De kapitein volgde zijn voorbeeld, en zei dat hij het heel lekker; maar toch wat een kinderachtig en flauw drankje, vond. Een tweede glas werd weldra door een ongeteld aantal gevolgd. De stemming rees, de gastheer dronk zijn gasten herhaaldelijk een prosit en ad fundum toe, waarvan hij zelf de gevolgen steeds meer ondervond. Na eenige uren zat hij reeds verslagen op zijn stoel, nu telkens aangewakkerd door den kapitein, voor wien zulk een bowl werkelijk een onschuldig drankje bleek te zijn. Als Duitscher verloochende hij den bekenden dorst van zijn ras niet en toonde zijn meerderheid in het drinken tegenover de aanwezige Hollanders op verbazingwekkende wijs.Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).Toen het souper begon en het middernachtelijk uur sloeg, was de feestvreugde ten top gestegen. Doch weldra gaven eenige verhitte breinen aanleiding tot een hevig dispuut, dat elk ander gesprek overstemde en dat zich eenige uren rekte, zooals dat in zulk een verhit gezelschap meer pleegt voor te komen. Het feest ging nu als een nachtkaars uit; de dames wilden vertrekken en troonden hun echtgenooten mee, de gastheer was niet meer in staat tegen dat weggaan te protesteeren, noch in staat bedankjes in ontvangst te nemen. Onder de voorgalerij, bij volle tafels en leege stoelen, zat hij na ’t verloopen van het feest met den kapitein en eenige plakkers wat men noemt na te praten. Dit napraten duurde tot het zonlicht de laatste gasten verjoeg. Reeds was het volop dag, toen de laatsten naar bed strompelden.Den dag daarna, den eersten dag van het Nieuwe Jaar, was een dag waarin slechts tegen den avond eenige opleving kwam, men was mat en voelde zich onder den indruk van den doorwaakten nacht. De huishouding van onzen gastheer was nu zoo in de war, dat eerst ’s middags tegen vier uur het eerste ontbijt werd gebruikt, terwijl er den geheelen dag geen warm eten op tafel kwam.Met de Duitsche boot vertrok Verster den volgenden dag naar Menado op Celebes, om te trachten zijn plannen te volvoeren, terwijl de boot die mij naar Tobelo terug zou brengen, elken dag verwacht mocht worden. Buiten de vele bagage, die nog steeds te Ternate was achtergebleven en die uit 18 kisten en 2 koffers bestond, gingen er verscheiden colli meubelen mee, waaronder de inrichting van het te bouwen huis van den administrateur, benevens een groote prauw, die aan dek van de paketboot zou kunnen worden geheschen; verder 20 balen rijst, 25 kisten petroleum en 2 trekossen, terwijl 7 koelies na veel zoeken te Ternate waren aangeworven, waarmee voorloopig verder gewerkt zou kunnen worden.Terwijl ik bij het tolkantoor (de boom zegt men in Indië) bezig was alles in orde te brengen voor de verscheping van menschen, dieren en goederen, werd ik door den civiel-gezaghebber van Tidore uitgenoodigd den volgenden dag een bezoek aan zijn eiland te brengen. Daar alles voor het vertrek in gereedheid was gebracht, doch de boot uitbleef, was elk nieuw etmaal, dat zij niet binnenviel, een vrije dag, waarop genoten kon worden van de weelde om zooveel mogelijk de omgeving te leeren kennen.Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).’t Was het mooist denkbare weer toen we den volgenden morgen reeds vroeg met een motorboot Ternate verlieten en op Tidore aanstevenden. De blauwgrijze zee was zoo glad als een spiegel, massa’s kleine vliegende visschen schoten voor de boot uit en ook andere visschen sprongen spelenderwijs, of nagejaagd door hun doodsvijanden uit het water. Op stukken drijfhout zaten zeemeeuwen, doch het meest verrassend waren een groot aantal vlinders, die over dezen wijden plas van ’t eene eiland naar het andere vlogen en die soms in staat bleken de motorboot in haar vaart bij te houden. Na een goed half uur was de kust van Tidore genaderd, waarlangs we nu een goed uur te stoomen hadden om Soa-Sioe te bereiken, den zetel van het Gouvernement, toen ingenomen door een controleur en een civiel-gezaghebber. Eens was dit de residentie van het Sultanaat Tidore, welks sultan door ons gouvernement werd afgezet. Aan zijn oude rechten op het westelijke deel van Nieuw-Guinea hebben wij het bezit van het grootste deel van dit grootste aller eilanden te danken.Het gezicht op de kust, waarlangs we voeren, met haar witte strandlijn, waarop prauwtjes schilderachtig lagen en waarop menschen stonden die uit de huisjes kwamen, welke zoo gezellig onder den weelderigen planten- en boomgroei verborgen lagen, met den zwaarbegroeiden berg daarboven, waar hier en daar rook opsteeg van vuurtjes door inlanders gestookt, gaf een vredigen indruk.Een kleine steiger, die een eind in de zee uitstak, werd in de verte zichtbaar en spoedig was Soa-Sioe bereikt.Oud-Indië uit de dagen van de Compagnie kwam ons hier nog meer tegemoet dan reeds te Ternate het geval was geweest, ja zelfs vond men hier in den aanleg der plaats overblijfselen van de lang geleden Portugeesche overheersching. Een breede vervallen weg van cement-plaveisel leidde van den steiger het land en het plaatsje in. Telkens wanneer de rijzing van den bodem, die landwaarts-in vrij aanzienlijk was, wat heel steil werd, ging de weg in breede trappen over, zooals men dat in de landen van Zuid-Europa vindt. Links en rechts kwamen op dien weg zijwegen uit, waaraan de huisjes van Soa-Sioe achter witte vervallen muurtjes lagen.Het eerste huis rechts aan den eersten zijweg was het huis van den civiel-gezaghebber. Toen ik binnentrad kreeg ik een schrik, want hoewel reeds aan veel primitieve woningen en inrichtingen gewend, die echter door reinheid en eenvoud en harmonie met hun omgeving nog dikwijls knus of gezellig waren geweest, kwam me zulk een armoede en verval in dit steenen huisje tegemoet, dat ik den civiel-gezaghebber eens aankeek. “Daar stoppen ze je nu maar in en je moogt nog blij wezen, dat je zoo’n krot vindt,” zei hij op verontwaardigden toon. “Is’t een wonder dat mijn vrouw ziek van heimwee en ellende werd en naar Ternate moest?”Ik keek eens rond onder ’t gedrukte voorgalerijtje met zijn blauw gekalkte wanden en zijn kapotte keuken-vloertegels, ik ging eens in de sinistere kamertjes, waar overal dat blauw en die tegeltjes als in een armoedig huisje mij vervolgden. ’t Donkere achterhuis deed aan een vervallen boerendeel denken, ’t achtererfje aan een totaal verwaarloosd stadstuintje en een vuilnisbelt, de W. C. was een kist en het badkamertje niets dan een wand van gedek. ’t Was meer dan droevig en armoedig, en de ellende, die zij hier moesten hebben geleden, kwam me aan alle kanten tegemoet.Waren de civiel-gezaghebber en zijn vrouw nu een meer ontwikkeld paar menschen geweest, dan—het mag zonderling klinken—hadden zij zich misschien nog beter kunnen voegen en eenige gezelligheid en comfort weten aan te brengen. Maar menschen als deze, die een jaar geleden nog in Amsterdam op vier hoog woonden; die van Indië niet veel meer hadden geweten, dan dat het er heel warm moest wezen, zulke menschen hadden veel te hooge illusies van dit land en van het civiel-gezaghebberschap gehad; terwijl zij buitendien geen weerstand in zichzelven hadden om zich over teleurstellingen heen te zetten en geen tact om het zich gezellig te maken.Zulke ambtenaren op kleine tractementen te benoemen en zoo te installeeren is een politiek, die haar schaduwkanten moet laten zien.We gingen verder het plaatsje in en kwamen in de breede hoofdstraat met de trappen den controleur tegen in gezelschap van een prins van Tidore en eenige Arabische grootheden. De prins was eenvoudig maar onberispelijk gekleed, zijn gezicht was fijnbesneden en zijn houding was sympathiek. Zijn glimlach was vriendelijk en zijn handdruk zacht, toen ik aan hem werd voorgesteld. Men zag het den intelligenten Oosterling aan, dat hij zich bewust was zijn afkomst slechts door een waardig gedrag te kunnen toonen. Dubbel griefde het mij derhalve hem, door den civiel-gezaghebber van vier hoog, als mindere te zien behandeld. Met z’n allen wandelden we nu op naar den Kraton of Kedaton, het vroegere paleis van den sultan, dat behoorlijk door zware muren versterkt, op een hoogte lag. Dit paleis, dat erg vervallen was en meer op een deftig landhuis dan op een paleis geleek, was nu gedegradeerd tot inlandsche school. Toen we de hooge trappen waren opgeklommen en de voorgalerij waren doorgegaan, zagen we daar in de binnengalerij de geheele school van bruine kindertjes bijeenzitten onder leiding van een inlandschen onderwijzer.Het uitzicht van het hooggelegen bordes beheerschte den ganschen omtrek. Men overzag Soa-Sioe, voorts de breede straat tusschen Tidore en Halmaheira en een deel van het eiland Tidore zelve. Een frissche zeewind streek hier even door de voorgalerij, wat een genot was bij de haast ondragelijke hitte. Ik heb me toen afgevraagd, waarom men in Indië de huizen steeds zoo onder en tusschen boomen verstopt, dat er van een uitzicht en van een afkoelenden wind bijna geen sprake kan zijn? Het kan toch niet alleen het voordeel van het schaduwgeven der boomen zijn, waartegenover weer zulke groote nadeelen van vochtigheid, insectenplaag en gebrek aan afkoeling en uitwaseming des nachts en des daags staan. Of zou het zijn, dat ook hier de sleur boven het nadenken gaat en men moeilijk met een oude gewoonte kan breken? De vroegere Vorst van Tidore had echter anders geweten en wel anders gedaan ook.Bij den controleur, die het eenige voor Europeanen bewoonbare huis bezat, kregen we een frisschen morgendronk, waarop we naar Ternate terugkeerden. De civiel-gezaghebber scheen, na zulk een bezoekje aan zijn chef, zijn taak weer voor eenige dagen volbracht te hebben, althans onder de galerij van het hotel te Ternate kon men hem dag in dag uit met zijn vrouw en kinderen zien zitten, zonder dat hij ooit iets uitvoerde.Nog zou ik een anderen vorst leeren kennen, een regeerend sultan, althans nog in naam. Met een kennis had ik door bemiddeling van den Gewestelijken Secretaris belet laten vragen bij den Sultan van Ternate, daar ik nieuwsgierig was zoo’n Oostersch potentaatje eens te ontmoeten, terwijl daarmede tevens voldaan werd aan den beleefdheidsvorm, nu ik van plan was mij op zijn grondgebied te vestigen. Het uitblijven van de boot gaf hiertoe nog de gelegenheid en zoo verscheen dien middag, nadat ik van Tidore was teruggekeerd, buigend een afgezant van den Sultan voor het huis van mijn gastheer. Hij was gekleed in een lang wit gewaad, waarover een lange zwarten kaftan hing, terwijl een soort tulband zijn hoofd dekte. In hoffelijke woorden deelde hij mede, dat we den volgenden morgen om tien uur met veel vreugde door zijn Heer ontvangen zouden worden.Om tien uur reden we den volgenden dag het fort voorbij, de Arabische kampong door, waar de groote moskee of missigit stond, naar den Kedaton, het verblijf van den Vorst. ’t Was een vorstelijk verblijf van den zelfden graad als ik op Tidore had gezien, slecht onderhouden en niet meer dan een flink landhuis.Op het hooge bordes van de voorgalerij stond, toen we door de witte poort reden, die toegang gaf tot zijn erf, de Sultan met den mooien langen naam van As-soltan Tadjal-mahcoel bi’ inajat Allah al Nannan Siradjal-Melk Amirad-din Iskan dar Mouauwwar ac-Cadiq Mohamad Hadji Oesman Wahowa min-adilin Sjah. Op de hooge trap zagen we een bediende met den pajong verschijnen, waarna ook de Sultan op de hoogste trede verscheen, toen we die trap opgingen. Daar heette ons de kleine bruine man met zijn korte witte snor en witte baardje op het hartelijkst welkom en verzocht ons binnen te treden.In de groote binnengalerij, welke ook hier met geglazuurde keukenvloertegels was belegd, waarvan de wanden wit waren en met eenige groote gravures behangen, namen we om een groote ronde tafel plaats in armstoelen met Weener rieten zitting en dito rugleuning, waarvan er een vijftigtal langs de muren van de gansche binnengalerij stonden. De hormat, de eerbewijzen aan den gast bewezen, kon beginnen.Terwijl de Sultan zich uitputte in beleefdheidsbetuigingen, waarmee wij ook lang niet zuinig waren,brachten twee bedienden in Chineesch-porseleinen kopjes de koffie binnen, terwijl twee anderen met gebak en confituren verschenen, dat op kleine zilveren schaaltjes werd gepresenteerd. De Vorst zei bij het optillen van zijn kopje eenige vriendelijkheden, die met een Slamat eindigden, wat we op gelijke wijze beantwoordden.Hij zag er in zijn witte broek, zijn mauvekleurig vest met gouden knoopen, waarop de W met een kroontje, zijn zwarte jasje en witte overhemd, waarin een drietal groote knoopen waren, die elk een negental steenen bevatten, vrij dragelijk uit. Doch over zijn heele wezen en zijn kleeding lag het versletene, het vervallene van een verongelukt geslacht.Nadat we zoo een tijdlang hadden gezeten, verzocht hij ons eens met hem rond te wandelen.Tot nu toe was er iets vorstelijks geweest in de ontvangst door de Oostersche aangeboren hoffelijkheid, die den Sultan niet verlaten zou tot het laatste oogenblik; maar in hetgeen hij ons nu van zijn bezittingen liet zien was zoo weinig vorstelijks, zelfs weinig burgerlijks, neen eigenlijk iets armoedigs, dat het heel moeilijk werd de vereischte complimenten te maken. Doch we hielden ons taai en bewonderden zooveel we konden.We waren een donkere achterbinnengalerij doorgegaan, die er uitzag als een boerenstal en stonden nu in een achtergalerij met een pendoppo, waaromheen gewone bamboe kamponghuisjes waren opgetrokken.Begeleid door een bediende die den pajong boven het hoofd van den Toewan Sultan hield, wiens kruin bedekt was met een zwaren groenen doek, die, als een worst stijf in elkaar gedraaid, zoo op zijn kalen knikker was gelegd, begaven we ons naar buiten. Zijne Hoogheid wilde ons iets van veel belang laten zien, iets wat hij, volgens zijn zeggen, nog nooit aan een Europeaan had laten zien. Het zou de badplaats zijn van de dames van zijn huis.We gingen over het voetpaadje van een kleine weide en daalden toen een hoogte af, waarop we aan een heel kleinen vijver kwamen, waar aan eene zijde platte steenen aan den oever lagen. Dit heette de badplaats te zijn van de dames van dit hof, waarvan op dat oogenblik geen gebruik werd gemaakt.In zijn huis teruggekomen liet hij ons, op onze vraag naar zijn kostbaarheden, zijn schatten zien. Zij werden in de groote binnengalerij door zijn zoons en hovelingen binnengebracht en uitgestald. Op lange tafels lag daar al heel spoedig een groote massa zilveren voorwerpen, als helmen, tamboermajoorstokken, soepterrines, koffiekannen, heele serviezen, vingerkommen enz.; daarbij geweren in foudralen met goudgemonteerden met het Nederlandsche wapen, een krom Turksch zwaard met gevest en scheede van goud, een klok, horloges enz.Volgens den Sultan was bijna alles “present van het Gouvernement” en naar ik vermoed, ook nog heel veel uit de dagen van de Compagnie. Maar alles wat daar lag, was zoo beduimeld en vuil, dat het zilver op oud zink geleek en het goud geen goudglans meer vertoonde. Trouwens dat heele huis, al die menschen, die heele omgeving was beduimeld en ontbonden geworden door Oostersche indolentie.En toch trekt deze man nog jaarlijks een bedrag van ƒ 45.000.– uit de Landschapskas, waarop hij en zijn luie omgeving, uit ruim honderd menschen bestaande, voortvegeteert1.Toen wij eindelijk afscheid namen en verzochten ons respect over te brengen aan de Toewan Poetri (zijn wettige vrouw), verzocht hij ook zijn respect aan mijn vrouw in Holland, waarbij hij mij zeer op het hart drukte, toch vooral daarbij te vermelden hoe ik het bij hem had gevonden.Hij stelde zijn rijtuig tot onze beschikking, en na nog veel vriendelijke woorden en plichtplegingen, waarbij de Sultan ons tot het rijtuig uitgeleide deed, waren we ten slotte blijde een einde aan de reeks van hoffelijkheden te kunnen maken.Zeven dagen over haar tijd kwam na geduldig wachten eindelijk de boot binnen. Dit te laat komen der booten, dat de laatste jaren steeds was toegenomen, lag in hoofdzaak aan de beperkte havenruimte te Makassar, waar de schepen, om te kunnen laden en lossen, soms dagenlang moesten wachten. Doch ook het groot aantal passagiers en de massa’s goederen, die met deze lijn naar het steeds meer ontwakende Nieuw Guinea worden vervoerd, was daaraan schuld.Nieuw Guinea, waarvan we door vroegere rechten van het Sultanaat Tidore het westelijk gedeelte bezaten, was, sedert Duitschers en Engelschen van het oostelijk gedeelte bezit hadden genomen, in concurrentie met deze mogendheden het troetelkind van de Hooge Regeering geworden, waardoor er verschillende belangrijke militaire posten waren gevestigd. Buitendien bloeide er in die dagen de paradijsvogeljacht, die er veel gereed geld in omloop bracht. Zoodoende trokken vele kleine Chineesche en Arabische handelaren, van heele families vergezeld naar dit land, om te trachten daar met de primitieve bevolking voordeelige zaken te doen. Zulk een boot, die naar de Papoea2ging, wemelde dan ook, op het derde en vierde klasse dek, van mannen, vrouwen en kinderen, kisten, koffers en huisraad, waartusschen allerlei gedierte, als koeien en geiten, maar vooral kippen en nog eens kippen. Op de beide dekken, van den boeg tot aan de campagne, welke laatste voor de eerste klasse was gereserveerd, was dikwijls geen plaatsje onbezet; daar aten en dronken en sliepen die menschen, want voor de derde en vierde klasse passagiers waren noch kajuiten, noch hutten aan boord, ze werden in dit klimaat eenvoudig aan dek meegenomen, waar ze tegen zon en regen beveiligd overigens geen beschutting behoefden.Het embarkeeren met de talrijke bagage op die volgepropte boot eischte veel zorgen en tijd, en in ’t bijzonder was de onhandige prauw, die ten slotte in stroppen aan dek werd geheschen, een voorwerp van veel moeite en last. De beide trekossen, die door het smijten met kisten en balen, het ratelen van kettingen en het lawaai van menschen wild geworden waren, weigerden hardnekkig over de loopplank naar binnen te stappen. Ook hieraan werd tenslotte door den takel, die de beesten aan boord heesch, een einde gemaakt.Ruim 24 uur na haar aankomst vertrok in den nacht de “Camphuysen”. De lichtjes van Ternate verdwenen, de menschen en de plichten van het leven daar waren vaarwel gezegd en in den verfrisschenden nachtelijken zeebries, alleen op de campagne staande, keek ik naar den stillen sterrenhemel en genoot van het alleenzijn na ’t gejacht van een roezigen dag en de herrie van afscheid nemen.Missigit op Ternate.Missigit op Ternate.Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, lagen we stil en zag ik door de patrijspoort het strand en de huisjes van Wayaboela op Morotai, waar slechts eens in de twee maanden een boot aanlegt.We zouden hier den ganschen dag blijven liggen, om te laden en te lossen, om daarna in den avond naar Galela, een plaatsje aan de Oostkust van Halmaheira, te gaan, waarna vervolgens Tobelo zou worden aangedaan.Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).Met een Chineeschen handelaar van Ternate was ik de eenige passagier 1ste klasse, en deze man, bescheiden als die menschen zijn, kwam geen praatjes maken of mij op andere wijze hinderen. Het land kon me ook niet aanlokken; nog versch lagen me in het geheugen de nachten en de dag die ik hier had doorgebracht, en terwijl ik daar die schamele hutjes zag liggen onder de palmen aan het strand, waaronder ook het posthuis, en terugdacht aan die avonden en mijn gezelschap en degrammophoonen de tingel-tangelliedjes, dankte ik den hemel, nietgedoemd te zijn daar weer op die wijze te verblijven.Op de campagne gezeten, met een stapel mail-edities van de N. Rott. Crt., kwam er een genoegelijke Zondagmorgenstemming over me; een stemming waarin men gevoelt, dat men eens rusten mag en zich geheel mag overgeven aan ’t genot onzer aangeboren menschelijke inertie.De kost, dien de courant gaf, was in mijn gemakzucht nu juist wat ik verlangde. Van allerlei en van den hak op den tak, berichten uit Holland, correspondenties uit de hoofdsteden van Europa, boek-, muziek- en schilderijencritieken, alles dwarrelde weldra in mijn hoofd dooreen. ’t Eene interesseerde me erg, ’t andere nauwelijks; er werd van alles even aangeroerd, totdat ik las van menschen die ik kende. Uit vergeten hoekjes kwamen me dingen van vroeger voor den geest en peinzend keek ik over het blad, over de verschansing en zag dan de kronen der palmen in den zachten zeebries wuiven. Ik dacht weer aan Holland, aan Europa, aan alle cultuurgenietingen, aan het superieur menschelijke dat men daar vindt en dat men in Indië op elk gebied moet missen.Meer van Duma bij Galela.Meer van Duma bij Galela.Het totaal gemis daarvan geeft aan bijna allen, die hier langen tijd verblijven, dien nuchteren, platten, zinnelijken kijk op de dingen, die den Indischman spoedig eigen wordt. Men wordt in Indië materialist. Als practicus kan men zich in Indië verdienstelijk maken, als man van de daad vindt men er een uitgestrekt arbeidsveld. Macht en geld zijn er in aanzien; het wordt er meer geteld en zwaarder gewogen dan in Europa, waar ook ontwikkeling en gezindheid nog meedoen. Men kent in zulk een jonge maatschappij van realisten, waar allen zich met alle zintuigen op de practijk richten, de hoogere waarden nog niet of wil ze niet kennen—die geestelijk vereenigend en troostend staan boven den dagelijkschen strijd met de werkelijkheid.Slechts in Europa, dat genieën voortbracht, is iets van dat superieure door alle lagen van de maatschappij gedruppeld; tot in alle lagen is iets van dat hoogere doorgedrongen en dringt er in door en heeft ongemerkt mildere en betere waardebepalingen gegeven. Het streven naar geld en macht gaat in Indië onbeschaamder, de bezitters er van gevoelen zich meer, wijl ze geen hinderpalen ontmoeten en zich absoluut den meester weten. Er is om zoo te zeggen geen middenstof, die matigt. Er zijn in kunst en wetenschap geen intelligenties, die zich meer en hooger voelen dan de rijkaards en de machthebbers; er zijn geen onafhankelijke sceptici die hen glimlachend in de oogen durven kijken, er zijn geen philosophen, die hen koelweg passeeren.In het Indische landschap ontbreken tusschentinten en overgangen, die het fijn en nobel en gecompliceerd maken, zoo ontbreken in de Indische maatschappij die overgangen ook, waardoor zij grof en plat en primitief is. Komt in die maatschappij nu nog het kleurlingenbloed een hartig woordje meespreken, dan mogen de vormen en de vormelijkheid blijven bestaan, waaraan deze menschen met een zonderling point-d’honneur vaak overdreven hechten, maar aan allegemoedelijkheid, stemmigheid en mildheid is voor goed een eind gekomen.Natuurlijk zijn er in Indië velen, die met den geest der massa worstelen, maar zij verliezen nog en zijn de eenzamen, die hongeren naar ’t geen hun het dierbaarst is.Het gaat den Hollander, wat Indië betreft, in dit opzicht niet als met de vreemde landen van het westersche Europa, waarheen hij, door natuur en cultuur van den eersten dag dat hij er een voet zette getroffen, gaarne wederkeert in steeds stijgende verrukking en bewondering en ruimere ontplooiing zijner geestelijke krachten. “In Indië gaat men achteruit,” is in het land zelf een algemeen gezegde, dat men telkens hoort en ik voelde het aan alles bewaarheid. Noch de natuur, noch de samenleving schenkt ons het noodige geestelijke voedsel tot verrijking van onzen geest. Alleen de man van de daad vindt er expansie en bevrediging voor zijn streven. Slechts om den waarlijk grootschen en ruimen werkkring, dien de man zich hier op jeugdigen leeftijd reeds kan scheppen, om die vrije ontplooiing van mannelijke krachten, om die behoefte aan den wijden practischen blik, die hier onontgonnen arbeidsvelden vindt op allerlei gebied, zou ik Indië voor den flinken Hollander willen prijzen en hoogelijk willen prijzen; doch slechts voor hem, en ook daarom alleen.Morgen wachtte me weer de daad, morgen zou ik de wouden weer ingaan en zou ik weer kampen voor het voortbestaan eener cultuuronderneming in haar prilste jeugd. Ik wist, dat hetgeen we deden in verhouding tot andere daden in Indië volbracht gering was, doch ik was overtuigd dat hetgeen we deden voor de toekomst dezer verre streken van de grootste beteekenis zou kunnen zijn. Het was den eersten steen leggen van een cultuuronderneming in dit deel van den Archipel, het was het voorbeeld geven van een kunnen en slagen van het Hollandsch kapitaal op den vruchtbaren, tot nu toe bijna ongerepten bodem van Halmaheira. Het was de uitvoering dezer daad, die me hier boeide, die mijn belangstelling had en waarom ik vrede had met mijn tijdelijk verblijf alhier.Toen we den volgenden morgen reeds vroeg voor Galela lagen, verscheen na eenigen tijd een reeds oudachtig heer aan boord. Hij had de eigenaardig slappe wangen en het vaalgele teint, waaraan men de weinige oude Hollanders, die men in Indië ziet, herkent. Hij liep gesteund door een stok, daar een zijner beenen krom en krachteloos bleek als gevolg eener vroeger opgedane blessuur. Zijn zonnehoed was van een vreemd model en toonde sporen van een jarenlang gebruik, zijn mond was bezig tandeloos te worden, maar achter zijn brilleglazen fonkelden nog een paar zachte, vriendelijke oogen, die eenigszins verbijsterd in het rond keken, toen hij van de hooge scheepstrap, die langszij hing, op het dek verscheen. Het was de oudste zendeling dezer streken, een geleerde, een taalkenner. Men herkende terstond in hem een goed, eenvoudig mensch, een liefdevol gemoed, een die ondanks zijn eenzaam leven zijn blijmoedigheid niet had ingeboet. Zoodra hij mij zag trad hij, hoewel wij elkaar nog niet kenden, op mij toe, daar hij wel vermoedde wie ik was. Een luidruchtig gesprek begon en menige schaterlach weerklonk weldra over het dek, waartoe de oude heer met zijn vroolijke belangstelling telkens aanleiding gaf. Daar ook Galela slecht eens in de twee maanden door de boot werd aangedaan en hij ver van elke nederzetting van blanken woonde, had hij in weken geen Europeaan gesproken. In Duma, een uur landwaarts in aan het meer van Galela, waar het water meehelpt het landschap te flatteeren, woonde hij met zijn vrouw en kind, met zijn goeroe’s en zijn kleine christengemeente in een prachtige omgeving, niet geplaagd door het geroezemoes van een drukke moderne samenleving, in het gelijkmatige tempo van de steeds weerkeerende plichten van zijn zendelingenhuis en in het kalme geluk der vreugden van een taalgeleerde.Hij wilde het reisje met de boot naar Tobelo meemaken, om den volgenden dag per prauw naar zijn standplaats terug te keeren. Als oudste der zendelingen had hij de verplichting, de tractementen en de overige gelden voor de zendingsposten, die door de boot in één bedrag aan papier en zilver waren meegenomen, te verdeelen en van hier verder te verzenden. Voor dit werkje trok hij zich in den salon terug en weldra vernam ik van daar het geklikklak der ringgits.Na eenige uren voor Galela op de ree te hebben gelegen, gingen we weer onder stoom, om tegen den middag voor Tobelo het anker te kunnen laten vallen.Intusschen zetten we ons aan den lunch, waar het gesprek onder leiding van den zendeling met den kapitein en den stuurman, die mede aanzaten, weldra zeer druk werd. Doch het duurde niet lang of de vrede zou verstoord worden. De stuurman, die, als zooveel menschen in Indië, de zending en de zendelingen nu eenmaal niet kon uitstaan, had zich in den loop van het gesprek schampere opmerkingen over hen in ’t algemeen laten ontvallen, wat door den zendeling niet onbeantwoord was gebleven. Het kwam nu van het een tot het ander. De brave oude heer, die zijn menschen niet voldoende scheen te kennen en met zijn eerlijk hart ook geen diplomaat genoeg was om te zwijgen, ontwikkelde daar de redenen van zijn rotsvast geloof, waarbij hij met zijn trouwe oogen den stuurman aankeek alsof hij niet anders verwachtte dan dat deze man nu toch wel met zijn denkbeelden zou instemmen. Deze echter, die geen fijngevoeligheid of medelijden kende, maakte hem met zijn zekere weten voor een zieligen stumper uit. In plaats van te zwijgen ging de arme man trillend van zenuwen, waar hij op zulk een wijze in het diepste en heiligste zijner overtuiging werd aangevallen, voort en verkondigde daar, zooals hij tegenover zijn goeroe’s en zijn christengemeente steeds zonder tegenspraak gewend was, in een stijgende extase, wat hij voor onomstootelijk waar hield.Ik hield mijn hart vast, toen ik keek naar het gezicht van den stuurman, waarop de schamperheid met onmeedoogendheid afwisselde. Daar was van dezen man een antwoord te verwachten op deze met veel overtuiging gedane belijdenis, zoo pijnlijk kwetsend als slechts te vinden was om daarmede zijn tegenstander voor goed den mond te kunnensnoeren. Het bleef dan ook niet uit, en kort en goed schreeuwde hij den zendeling, die alles zoo zeker wist en verklaarde, in het gezicht, dat hij een arrogante en pedante ezel of idioot was; de keuze liet hij aan hemzelf over.De arme man was nu inderdaad sprakeloos; hij hijgde naar adem en trilde over zijn gansche wezen over zulk een beleediging niet hem; maar zijn overtuiging aangedaan. Ik had deernis met den ouden heer, die nauwelijks zijn veilige knusse hoekje had verlaten, en in de eerste aanraking met de groote wereld daarbuiten, op zulk een wijze zijn hoofd stootte.Maar iets van eigen schuld aan zulke pijnlijke ervaringen in hun ontmoeting met de buitenwereld ligt bij de zendelingen zelve, daar zij, voor een groot deel voortgekomen uit den kleinen burgerstand, waar de gezichtskring niet bijster groot is, maar al te vaak verbeelden beter te zijn dan anderen, en alles wat buiten hun wereldje ligt, in hun geborneerdheid, als één brok zonde vaak liefdeloos verafschuwen. Wie echter een jaar lang achter de schermen dezer kleine wereld heeft kunnen kijken, zal eerbied hebben gekregen voor hun beginselvastheid en voor hun ingetogen levenswijze, maar hij weet tevens, dat hier niet minder afgunst en niet meer christelijke liefde heerscht dan elders, terwijl weer andere fouten, die men in de groote wereld niet zoo kent, in dit wereldje dikwijls leelijk om den hoek komen kijken. En tout cas le diable ne perd rien.
Hoofdstuk III.Aankomst te Tobelo. Eerste Werkzaamheden.16 November 1912 was voor het kleine Tobelo een historische dag van den eersten rang, wat in den vroegen morgen van dien dag zeker nog door niemand aldaar werd beseft; doch misschien zal eens deze datum hier als het begin van een nieuw tijdperk worden herdacht.Nauwelijks was het licht in de lucht of we maakten ons gereed naar den wal te gaan.Van het plaatsje was niets te zien, maar een kleine dam van koraalbrokken, die van het land een eind in de zee was uitgebouwd, eenige goedangs (loodsen) van de Paketvaart en de Moluksche Handels-Vennootschap duidden er toch reeds op, dat hier een geregeld verkeer moest plaats hebben. Zelfs stond er een lantaarnpaal, waarop een lantaarn, die dezen nacht evenwel niet had gebrand; doch wie had in Tobelo kunnen vermoeden, dat het feit van een brandende lantaarn aldaar dezen nacht als een teeken van beschaving verbijsterend op een Hollander zou hebben gewerkt.Aan een weg, evenwijdig met het strand, lagen links en rechts de huisjes der kampong. Voor een dier huisjes, door een heg van den weg gescheiden, stond een vlaggestok. Juist toen we passeerden verscheen in het kleine voorgalerijtje een Europeaan in slaapbroek en kabaai. Het was de civiel-gezaghebber, die belast was met het bestuur over de Oostkust der onderafdeeling Noord-Halmaheira en van de daarbij behoorende eilanden.Verster, die reeds op zijn eersten tocht naar hier kennis met hem had gemaakt, stelde mij aan hem voor, en zoo zaten we reeds spoedig in het kleine voorgalerijtje op schommelstoelen bijeen.Na de eerste plichtplegingen kwam reeds spoedig het gesprek op het doel onzer reis en de reden onzer komst te Tobelo. Toen hij vernam, dat wij van zins waren van het achterliggende land voorloopig een stuk van 1000 bouws uit te zetten, om in concessie aan te vragen, was zijn antwoord: “Onmogelijk!”Dit was het pijnlijkste oogenblik, dat ik op mijn reis doormaakte; want zouden we hier niet kunnen slagen, dan zag ik het doel mijner zending in rook vervliegen. Doch slechts een oogenblik bleef ik onder den indruk van zijn afwijzend antwoord.Op mijn vraag, waarom zulk een aanvrage hieronmogelijk was, kreeg ik ten antwoord, dat hij deze gronden voor de bevolking wenschte gereserveerd te houden voor den aanleg van sawah’s voor de rijstcultuur, die hier nog zeer primitief gedreven werd.Had ik de toestanden en den civiel-gezaghebber te Tobelo toen reeds beter gekend, dan zou er voor mij geen oogenblik van ongerustheid zijn geweest. Voor sawah-aanleg was het land niet geschikt en de dunne primitieve bevolking niet rijp, terwijl de civiel-gezaghebber zich, gelijk meerdere zijner collega’s, in de eenzaamheid tot een machthebber had ontwikkeld, met een behoefte aan vertoon van gezag, waarop hij geen aanspraak had.Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).Uit mijn portefeuille overhandigde ik hem toen een schrijven van zijn chef, den Resident van Ternate, waarin deze ambtenaar hem verzocht ons voor het beoogde doel behulpzaam te zijn bij het uitzetten van een concessie-terrein achter Tobelo.Dat hielp; de tegenstand sloeg over in dienstijver en dienstvaardigheid. We werden uitgenoodigd het ontbijt te komen gebruiken, wat we met beide handen aannamen. Nog vóór dien waren de plannen voor den dag gemaakt, die daarin bestonden dat we in zijn gezelschap den omtrek eerst eens zouden opnemen, om bij benadering een punt van uitgang te bepalen. Ook hier waren indertijd reeds eenige grenssteenen in het bosch geplaatst voor een concessie, die, om hare uitgestrektheid, waardoor de bevolking der kampong geheel van het achterland zou worden afgesneden, door het gouvernement was geweigerd. We wilden trachten een dezer oude grenssteenen op te sporen.Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).Aan het ontbijt maakten we kennis met twee Indische dames, de jonge vrouw van den civiel-gezaghebber en hare tante, die haar pleegmoeder was geweest. Welopgevoed en beschaafd en, zooals Indische dames zijn, gemakkelijk in den omgang, was deze kennismaking ons zeer welkom, en gelijk overal de vrouw het verzachtende, gezellige element brengt, dat ons dadelijk thuis doet gevoelen, zoo ging het ook hier; aan de keurig verzorgde en goed voorziene tafel kwam, na de onaangenaamheden der prauwreis, een behagelijk gevoel van huiselijkheid over ons.Het huisje, in welks achtergalerijtje we daar zaten, was opgetrokken op een vloer van cement, die slechts even hooger lag dan de grond van het erf. Op dien vloer stond, van houten stijlen vervaardigd met dwarsbalken van bamboe en hout, het geraamte van het huis, waarvan de wanden tusschen die verticale en horizontale stijlen waren ingevuld met de gaba-gaba, de lange, ontbladerde hoofdnerf van den arènpalm. In diepe breede kerven, in de horizontale dwarsbalken gesneden, worden deze gemiddeld 5 cM. dikke nerven, die vooraf op de passende lengte zijn gemaakt, op handige wijze met hunne uiteinden geschoven en wel zoo, dat de concave en convexe zijde tegenover elkaar komen, waardoor er, nadat zij goed zijn aangedrukt, een stevige en ondoorzichtige 5 cM. dikke wand ontstaat. Wel is zulk een huis met zijn dunne wanden zeer gehoorig, doch overdag zit men er nooit en tegen wind en regen is dit bouwmateriaal in dit klimaat zeer voldoende. Met een dak van atap en nog een zoldertje van gaba-gaba krijgt men een geriefelijk geheel, waarin men zich in het land van zon en warmte wonderwel thuis voelt.De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).Het duurde niet lang of de vrouw des huizesinformeerde met belangstelling, waar we gedurende de eerste maanden onzen intrek dachten te nemen. Toen zij vernam, dat wij bij een bekenden Chinees alhier, Ong Keng Tjong, wilden trachten een kamer te huren, bood zij aan, wanneer we met weinig tevreden zouden zijn, een klein uitbouwtje als bijkantoortje door haar man gebruikt, aan ons als slaapgelegenheid af te staan, terwijl we ons verder als huisgenoot zouden kunnen beschouwen.Hier ontmoetten we de oude hooggeroemde Indische hulpvaardigheid, waarvan we dankbaar gebruik maakten. Zoo kort aan land en reeds zooveel hulp en tegemoetkoming, deed het beste verwachten, en welgemoed zag ik dien morgen onze toekomst in.Na het ontbijt gingen we, begeleid door den civielgezaghebber en den kapala-kampong, die ons den weg in het woud zou wijzen, met eenige Tobeloreezen, gewapend met parangs (lange hakmessen), op stap om de eerste verkenning te doen.De huisjongen zou intusschen voor de aankomst der bagage en voor de inrichting der slaapgelegenheid zorgen, alwaar juist ruimte genoeg zou zijn voor het opslaan der beide veldbedjes en het plaatsen der koffers.We gingen den breeden weg van hedenmorgen verder, die door de kampong evenwijdig aan het strand liep. Nette huisjes en miniatuur toko’s van hout en gaba-gaba opgetrokken, waarin Ternatanen en Chineezen hun handel dreven, lagen aan weerzijden; we passeerden een pasar, waar veel inlanders, mannen en vrouwen, kochten en verkochten en ons in ’t voorbijgaan nieuwsgierig aankeken. Na een brugje over een kali te zijn gepasseerd, zagen we links van den weg een laan van galalaboomen met geelgevlekte groene bladeren, aan welker einde een huis lag dat zeer groot scheen te zijn; het was het huis van den oudsten zendeling. Iets verder passeerden we weer een dergelijke woning, waar de jongste zendeling, de directeur van de kweekschool voor goeroes (inlandsche godsdienstonderwijzers) woonde. Daarna stonden er nog slechts de huisjes der oorspronkelijke bewoners, de Tobeloreezen. Deze menschen waren, ondanks een 16-jarige vestiging der Zending in hunne nabijheid, nog steeds heidenen gebleven, wat aan hun kleeding en ook aan hun huisjes aanstonds was te zien.De christen-inlander kleedt zich niet meer alleen met den lendengordel, doch draagt steeds een wit of gestreept baadje en een gekleurde katoenen broek, terwijl hij den hoofddoek heeft afgeschaft. Zijn huisje bestaat uit een paar kamertjes met vensters en een kleine voorgalerij over de gansche breedte van het huis, terwijl de heiden hier nog meest in zijn donker achthoekig huisje met hoog dak, dat aan alle zijden uitsteekt, woont. Onder het vooruitstekende dak voor zulk een huisje kan men steeds een of meer bewoners op lange rustbanken zien zitten of languit voor het donkere van het inwendige zien liggen, terwijl zij daar slapen of soezen.De weg werd smaller en bleek steeds minder begaan; links en rechts wisselden klapperaanplantingen van Chineezen met huisjes en wilden groei van allerlei geboomte.Steeds waren we de kustlijn gevolgd, een plek zoekende van waar we, zonder veel tuinen der bevolking te snijden, in het binnenland konden dringen. Het lag in mijn bedoeling een gedeelte van het concessieterrein aan de zee te laten grenzen, om zoodoende steeds van een geheel vrijen weg daarheen verzekerd te zijn.Het punt, dat we zochten, was na een half uur bereikt. Rechts de zee, links opgeschoten hout en glagah. Van hieruit drongen we het binnenland in, voorafgegaan door de mannen met de parangs. Na een dicht warnet van glagah, een plant die zich om alles slingert wat in haar bereik komt, waarbij zij moeilijk doordringbare hagen vormt, bereikten we de djoeramé’s (tuinen der inlanders), waar alang-alang, afgewisseld met aanplantingen van rijst en mais, in groote velden manshoog stond. De geheele woudrand bleek hier door een breede strook van tuinen van de kust te zijn gescheiden. Overal staken pisangs, papaja’s en nangkaboomen uit, en daartusschen stonden de huisjes der menschen. Uiterst schamele primitieve huisjes, die somtijds uit niets meer bestonden dan uit een dakje van atap op een paar stijlen, waarbij de wanden geheel of gedeeltelijk ontbraken; daaronder een rust- of slaapbank waarop menschen en kinderen in luiheid neerlagen, de laatsten somtijds erg geplaagd door vliegen, die op hun vuile zweren aasden. Opmerkelijk was het verschil tusschen deze menschen en hunne woningen met die welke dichter aan de kust waren gelegen. Ze schenen hier tot de paupers onder hun rasgenooten te behooren. Doch met dezelfde vrijmoedigheid werden we hier door de mannen aangekeken en ontvangen; de vrouwen en meisjes echter zag ik bij onze nadering soms vluchten of wegkruipen en de kinderen toonden hun vrees door angstige huilende gezichten. Gladakkers, de ellendige vermagerde honden in Indië, hongerige scharminkels, die elke menschelijke zorg van hun inlandsche meesters ontbeerden, blaften en jankten benauwd en renden weg of verscholen zich achter hun baas.Zoo bereikten we de grens van het woud. Eerst hier zou een terrein op groote schaal kunnen worden uitgezet, want de bevolking, gehecht aan haar bezit en wantrouwend tegenover den Europeaan, had nog nooit veel neiging getoond het door haar ontgonnen terrein aan Europeesche liefhebbers tegen betaling af te staan, doch ook hierin zou eenmaal wel verandering komen.Dank zij den kapala-kampong en de ons begeleidende Tobeloreezen vonden we in het woud een der grenssteenen, die we zochten. Van hieruit begon het interessante werk om het beste stuk uit te zoeken.Het duurt echter geruimen tijd, alvorens men in zulk een oerwoud, waar dikke en dunne stammen en struikgewas elk overzicht beletten, is georiënteerd. Toen we dien eersten dag laat tegen den middag huiswaarts keerden en in de gloeiende zon over de smalle paadjes tusschen de heete alang-alang liepen, was het me niet duidelijk, hoe hier ooit een overzicht te zullen krijgen. Na maanden echter voelde ik me er even vertrouwd als in het open veld, en leerde ik de rintissen en voetpaadjes en de kronkelingen der kali even goed kennen als de straten van mijn geboortestad.Elken dag trokken we nu met een colonne werkvolk,die zeer in aantal wisselde en soms tot dertig man aangroeide, soms tot vijf à zes slonk, bij het krieken van den dag door met dauw bevochte alang-alangvelden naar het bosch, waar dan gehakt, gegraven en onderzocht werd. De bodem bleek te bestaan uit verweerde vulkanische stoffen, de tuf. Deze poreuze gronden, door het zware eeuwenoude woud met een dikke laag humus bedekt, waren wel tot de vruchtbaarste en meest geschikte voor de klappercultuur te rekenen. Zoo gingen we hier met ijver verder en zouden in elk opzicht met de bereikte resultaten tevreden zijn geweest, wanneer we niet dag aan dag geplaagd werden door de onzekerheid omtrent het werkvolk, dat steeds met moeite mee te krijgen was. Het bracht Verster soms tot wanhoop, die, gedrukt door de verantwoordelijkheid welke hij in Holland op zich had genomen, liefst een honderdtal tegelijk had zien opkomen. Zonder de hulp van den civiel-gezaghebber, die de menschen herhaaldelijk tot werken aanspoorde, zou het er echter nog droeviger mee gesteld zijn geweest. Voor een geregelde ontginning zou de komst der contract-koelies moeten worden afgewacht.Een bezoek aan de zendelingen gebracht, had tot resultaat, dat door den invloed van den oudsten de bewoners van de nabijgelegen kampong Pitoe genegen bleken te zijn, tegen ruime betaling een tweetal groote koelieloodsen op een door ons aan te wijzen terrein te bouwen; en hiermede was dan een aanvang gemaakt met de prille jeugd eener cultuur-onderneming.Het was juist een week na onze aankomst te Tobelo, dat ik me weer op zee bevond en nu in de gouvernementsmotorboot op weg naar het eiland Morotai, dat van Tobelo uit op een afstand van ruim 40 K.M. over de zee was te zien.De civiel-gezaghebber had mij uitgenoodigd, hem op een driedaagschen inspectietocht daarheen te vergezellen, waarbij mij dan de gelegenheid geboden werd iets van dat eiland van meer nabij te leeren kennen en tevens om een klapperaanplant van 7000 boomen op twee der kleine koraaleilanden, die voor de Westkust van Morotai lagen, in oogenschouw te nemen. Deze beide eilandjes, Dodola-Besar (groot) en Dodola-Ketjil (klein) zouden, als zijnde ons eigendom, te zamen met het nieuw aangevraagde terrein te Tobelo in exploitatie worden genomen.In mijn dagboek vind ik over deze reis het volgende:23 November 1912. Half zeven vertrek uit Tobelo. Aan boord de civiel-gezaghebber en mijn persoon, een Madoereesche motorist en tevens stuurman, benevens een gevangene als matroos. De zee is hol, er staat een sterke bries, zoodat de boot geducht schommelt. Er worden vischlijnen uitgegooid, waaraan zware haken met kunstaas, een vischje gesneden uit lichtgekleurden boombast.Om half negen komt Mitita in ’t zicht, een laag eiland, als voortzetting van de zuid-westelijke landpunt van Morotai. Om elf uur liggen we voor die landpunt.Eindelijk heb ik dan de eenzame plek bereikt, waar ik volgens de plannen uit Holland met een vestiging had moeten beginnen. Deze landpunt is een uitbouw van koraal aan het eiland, waarschijnlijk een opgeheven zeebodem, geheel met zwaar hout bedekt. Morotai daarachter, heuvel na heuvel tot den top der hoogste bergreeks zwaar begroeid. Geen mensch, geen huis, geen prauw is op het vele kilometers lange strand tot aan de onbewoonbare rizophorenkust in het noorden te bekennen. De zee is ook verlaten. Welke plannen hebben er over eene ontginning aan deze verlaten kuststrook gespookt in het hoofd van den man, die gedurende 3 jaren civiel-gezaghebber van Noord-Oost-Halmaheira was?Heidensche Alfoer van Halmaheira.Heidensche Alfoer van Halmaheira.Er blijft me hier, met de tastbare werkelijkheid voor oogen, niet veel over dan mijn schouders op te halen en eens over mezelf en anderen te glimlachen.De zee is spiegelglad tusschen Morotai en de kleine koraaleilanden voor de kust. We passeeren Kokoja, dan Dodola-Ketjil en Dodola-Besar. We kunnen de klapperaanplantingen zien. Door het heldere, stille water nemen we op den bodem in allerlei kleurschakeeringenen vormen de bouwwerken der koraaldiertjes waar. ’t Zijn de zoogenaamde zeetuinen. Door een hevigen ruk aan een der vischlijnen breekt de verklikker (een dun touwtje, waarmee de lijn een eindje is opgebonden). Ver achter ons zien we telkens opspattend water, veroorzaakt door een spartelenden visch, die in snelle vaart door de motorboot wordt meegetrokken. De beide inlanders palmen dol van vreugde de lijn snel in. Nu de vangst dicht bij de boot is gekomen werpt de inlandsche matroos zijn drietand, waarmee hij den zwaren visch binnenboord tilt. ’t Is een tjankalang, slank als een schelvisch. Een oogenblik later breekt er weer een verklikker. Nu is ’t een bobara, een korte, dikke visch met een rooden buik. Telkens breekt er nu een verklikker en telkens is er gejuich aan boord, de inlanders gillen van de pret.Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).Het eene koraaleilandje na het andere, met namen als Ngèle-Ngèle of Galè-Galè, wordt gepasseerd, allen vol klapperboomen. Riffen en ondiepten. Half drie te Wayaboela, de eenige kampong van belang op het 60 K.M. lange en 30 K.M. breede Morotai. Hier zullen we den nacht doorbrengen. De Sangadji, het inlandsche hoofd, door het gouvernement aangesteld, komt ons op de wankele pier tegemoet. We nemen onzen intrek in het posthuis.Kennismaking met den heer A. van Renesse van Duivenbode. Een der leden van de groote familie van dien naam, waarvan de overgrootvader ruim honderd jaren geleden naar de Molukken kwam. Hij, hoezeerverinlandscht, is toch man van eenige ontwikkeling en met het aangeboren welopgevoede van den kleurling. Zijn woning is het huis van een inlander, gemeubeld met eenige stoelen, een tafel en een paar kasten uit de dagen van de Compagnie. Een Indische rommel. Hij toont me waardevolle schilden van reusachtige schildpadden, en eenige mooie exemplaren van takkenkoraal, een algensoort, die men hier aan den bodem der zee vindt vastgegroeid en achabaché noemt.’s Avonds in het posthuis muziek van degrammophoonvan Renesse. Een serie van de meest banale liedjes. Groote toeloop van inlanders.Op verzoek van den civiel-gezaghebber wordt de tjakalélé gedanst. Een weinig wilde krijgsdans, waarbij wat met speren en schilden (de salawako’s) wordt gezwaaid. Men slaat er bij op de tifa, een soort trom, in een eentonige, meer of minder snelle cadans. En tevens wordt hierbij gespeeld het spelletje van het touwtrekken, wela wela genoemd, waarbij aan het eene eind van het touw zich jonge mannen scharen aan het andere eind slechts jonge meisjes. Terwijl zij elkaar nu minder eerbare liedjes toezingen, wiegen zij met hun lichamen heen en weer, om somtijds, na afloop, twee aan twee in de wouden te verdwijnen. Zulke spelen zijn een doorn in het oog van den zendeling. De heidensche Alfoer stoort zich hieraan echter niet.Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).29 Nov. 1912. ’s Morgens met Renesse op de wilde varkensjacht. ’t Wild breekt onverwacht en ongezien tusschen ons door. ’s Middags vermoeid. Alleen onder het galerijtje van het posthuis. Lezende, teekenende en droomende, gaat de middag voorbij. Gevoelens van verlatenheid in dit onbekende verre uithoekje der wereld. Hoe kom ik hier verdwaald? Verdiept geweest in Vosmaer’s “Amazone”. Tegenstelling tusschen de uitingen van dien toegespitsten, verfijnden geest en de wereld die mij omringt. Zou ooit dit boek in zulk een omgeving gelezen zijn? Het verre uitzicht over zee is een troost. Bij het avondlicht wordt de motorboot zichtbaar, waarmede de civiel-gezaghebber en Renesse van een tocht naar een der koraaleilandjes terugkomen.’s Avonds weer de tjakalélé, waarvoor ik me interesseeren moet, en weer draait de grammophoon haar tingel-tangelliedjes af. Een kersversche Hollander vindt dat inlandsche gedoe sinister en zoo ver van hem af. Nog meer sinister vindt hij den vulgairen smaak van zijn gezelschap, en hij gevoelt zich nog eenzamer dan tijdens het alleenzijn. In het vuile slaapkamertje van het posthuis, verlicht door een petroleumlampje, is mij dan eindelijk de rust op mijn veldbedje recht welkom.25 Nov. 1912. Vertrek om 6 uur ’s morgens van Wayaboela. Renesse gaat mee naar Tobelo. Een kist eetbare vogelnestjes aan boord, door inlanders in grotten aan de kust bijeenverzameld voor de soepjes van Chineesche lekkerbekken.Bezoek aan de Dodola’s. Landing zeer moeilijk door de vele riffen. Mooie klapperaanplanting, oorspronkelijk door Renesse geplant. Men is hier met vijf man onder een mandoer bezig de tuinen van onkruid en jongen opslag te bevrijden. Zacht glooiende strandjes en landpunten van wit koraalzand rondom de eilanden. De beide eilandjes zijn bij laag water door een droogloopende bank van dat zand, helwit in het felle zonlicht, verbonden. Schilderachtige inhammen en baaien. Veel muskieten en een ondragelijke hitte. Het moet op deze kleine eilandjes veel heeter zijn dan op de grootere eilanden, waar de bergen voor afkoelende luchtstroomingen en grooteren regenval zorgen. Na bezichtiging en instructies aan den mandoer terugreis over een zee zoo spiegelglad, dat ik den indruk krijg over een ijsvlakte te varen.Terugkomst in Tobelo. Verster klaagt over de slechte opkomst van werkvolk tijdens de afwezigheid van den civiel-gezaghebber. Als reden, dat ze niet meer werken wilden, hadden ze opgegeven dat ze zoo moe waren van de vorige dagen.De tobberijen met het werkvolk bleven aanhouden en alle maatregelen en alle moeite om eene eenigszins geregelde opkomst te verzekeren, waren vruchteloos. Daarbij kwam nog, dat de Paketvaartboot van Java, die eens per maand Tobelo aandeed en die ons berichten en goederen uit de beschaafde wereld zou brengen, 6 dagen over haar tijd binnenviel ende vele bagage, die we op Ternate hadden achtergelaten, aldaar had laten staan. Zoo bleven we, tenminste weer voor een maand zonder boekhouding, zonder bijlen en parangs enz., i. e. w. zonder het allernoodzakelijkste om te regelen en op te schieten.Aan boord raakte ik met eenige heeren in gesprek, die jarenlang in deze streken, en niet zonder succes, handel dreven en die belangen hadden bij de cultures. Hun conclusies na veel ervaringen waren (volgens aanteekening in mijn dagboek): “Men komt hier verder met pessimisme dan met optimisme. Ik heb dat zelf ondervonden. Vroeger was ik namelijk ook optimist”, en de ander, die met vreemd werkvolk bezig was een klapperaanplant aan te leggen: “Men kan niet met de menschen uit deze streken werken. Werken ze twee dagen dan luieren ze er zeven.”Hoe anders en hoeveel nuchterder en dichter bij de werkelijkheid klonk dit dan de adviezen in Holland van onzen raadsman ontvangen. Echter zou later, tot niet gering voordeel, blijken, dat werkvolk, geworven in andere naburige residenties, z.g.n. contract-koelies of contractanten, hier belangrijk goedkooper te krijgen was dan overal elders in den Archipel.Hoezeer de Hollanders in Indië, met hun energie uit de gematigde luchtstreek meegebracht, ook het geheele maatschappelijke raderwerk in gang zetten en door hun stuwkracht in gang houden, zoodat alles wat heele of halve bruine broeder is wordt meegesleept, toch gevoelde ik dat deze energie op de inerte massa dezer bevolking voorloopig nog, ook met de grootste krachtsinspanning, vergeefsch zou zijn.Zoo vind ik nog in mijn dagboek: “Reeds vijf dagen zoekt Mainaky, inwoner van de kampong Tobelo en handelaar, een prauw en drie mannen om hem naar Morotai te brengen. Ieder weigert uit luiheid.” En nog dit curieuze staaltje, als bewijs van de goedmoedigheid die hier nog heerschte: “Een pradjoerit, inlandsche politieagent, die de kunst van haarknippen verstaat en als zoodanig door ons wordt ontboden, laat melden, dat hij momenteel te dronken is van het sagoweergebruik om dit te kunnen doen. Morgenochtend zal hij geen sagoweer drinken en is dan bereid ons van dienst te zijn. De man is notabene tevens cipier van de gevangenis. Hij zit gewoonlijk als beste maatjes met zijn gevangenen op een bank voor het huisje dat de gevangenis moet verbeelden.”Ondanks den aard der bevolking slaagden we er in, de grenzen van een mooi terrein van 1000 bouws nauwkeurig af te zetten en in kaart te brengen. Het lag geheel in het oerbosch, waarvan een breede weg over vlak terrein tot het strand werd gemaakt. Bij de duizenden bouws vruchtbare gronden, die hier nog onaangetast lagen, bleek het niet noodig voorloopig de hand op meer te leggen. Nu we zoo ver waren gekomen, werd het noodig, dat ik mij naar Ternate begaf ter regeling van verschillende zaken met het Residentiekantoor en voor verdere belangen. Juist een maand na onze aankomst te Tobelo, bood zich een welkome gelegenheid aan, om mij daarheen te begeven. De kleine gouvernementsstoomer “Nora” had, op de reede van Tobelo, het anker laten vallen met bestemming naar Ternate.Het is in streken met slechte verkeersmiddelen als deze, aan particulieren, na verkregen verlof van de autoriteiten, geoorloofd van de regeeringsvaartuigen gebruik te maken. Zoo greep ik deze gelegenheid dankbaar aan, daar de Paketboot, op haar reis naar Nieuw-Guinea, eerst na 14 dagen zou terugkeeren en naar Ternate stoomen.Verster zou tijdens mijn afwezigheid te Tobelo blijven en intusschen trachten, zooveel mogelijk met het werk op te schieten. Nog aan boord van de Nora deelde hij mij zeer ontmoedigd mede, dat zich dien morgen, ondanks al zijn moeite, slechts vier man op het werk hadden gemeld.
16 November 1912 was voor het kleine Tobelo een historische dag van den eersten rang, wat in den vroegen morgen van dien dag zeker nog door niemand aldaar werd beseft; doch misschien zal eens deze datum hier als het begin van een nieuw tijdperk worden herdacht.
Nauwelijks was het licht in de lucht of we maakten ons gereed naar den wal te gaan.
Van het plaatsje was niets te zien, maar een kleine dam van koraalbrokken, die van het land een eind in de zee was uitgebouwd, eenige goedangs (loodsen) van de Paketvaart en de Moluksche Handels-Vennootschap duidden er toch reeds op, dat hier een geregeld verkeer moest plaats hebben. Zelfs stond er een lantaarnpaal, waarop een lantaarn, die dezen nacht evenwel niet had gebrand; doch wie had in Tobelo kunnen vermoeden, dat het feit van een brandende lantaarn aldaar dezen nacht als een teeken van beschaving verbijsterend op een Hollander zou hebben gewerkt.
Aan een weg, evenwijdig met het strand, lagen links en rechts de huisjes der kampong. Voor een dier huisjes, door een heg van den weg gescheiden, stond een vlaggestok. Juist toen we passeerden verscheen in het kleine voorgalerijtje een Europeaan in slaapbroek en kabaai. Het was de civiel-gezaghebber, die belast was met het bestuur over de Oostkust der onderafdeeling Noord-Halmaheira en van de daarbij behoorende eilanden.
Verster, die reeds op zijn eersten tocht naar hier kennis met hem had gemaakt, stelde mij aan hem voor, en zoo zaten we reeds spoedig in het kleine voorgalerijtje op schommelstoelen bijeen.
Na de eerste plichtplegingen kwam reeds spoedig het gesprek op het doel onzer reis en de reden onzer komst te Tobelo. Toen hij vernam, dat wij van zins waren van het achterliggende land voorloopig een stuk van 1000 bouws uit te zetten, om in concessie aan te vragen, was zijn antwoord: “Onmogelijk!”
Dit was het pijnlijkste oogenblik, dat ik op mijn reis doormaakte; want zouden we hier niet kunnen slagen, dan zag ik het doel mijner zending in rook vervliegen. Doch slechts een oogenblik bleef ik onder den indruk van zijn afwijzend antwoord.
Op mijn vraag, waarom zulk een aanvrage hieronmogelijk was, kreeg ik ten antwoord, dat hij deze gronden voor de bevolking wenschte gereserveerd te houden voor den aanleg van sawah’s voor de rijstcultuur, die hier nog zeer primitief gedreven werd.
Had ik de toestanden en den civiel-gezaghebber te Tobelo toen reeds beter gekend, dan zou er voor mij geen oogenblik van ongerustheid zijn geweest. Voor sawah-aanleg was het land niet geschikt en de dunne primitieve bevolking niet rijp, terwijl de civiel-gezaghebber zich, gelijk meerdere zijner collega’s, in de eenzaamheid tot een machthebber had ontwikkeld, met een behoefte aan vertoon van gezag, waarop hij geen aanspraak had.
Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).
Het huis van den civiel-gezaghebber te Tobelo. (Teekening H. R. Roelfsema).
Uit mijn portefeuille overhandigde ik hem toen een schrijven van zijn chef, den Resident van Ternate, waarin deze ambtenaar hem verzocht ons voor het beoogde doel behulpzaam te zijn bij het uitzetten van een concessie-terrein achter Tobelo.
Dat hielp; de tegenstand sloeg over in dienstijver en dienstvaardigheid. We werden uitgenoodigd het ontbijt te komen gebruiken, wat we met beide handen aannamen. Nog vóór dien waren de plannen voor den dag gemaakt, die daarin bestonden dat we in zijn gezelschap den omtrek eerst eens zouden opnemen, om bij benadering een punt van uitgang te bepalen. Ook hier waren indertijd reeds eenige grenssteenen in het bosch geplaatst voor een concessie, die, om hare uitgestrektheid, waardoor de bevolking der kampong geheel van het achterland zou worden afgesneden, door het gouvernement was geweigerd. We wilden trachten een dezer oude grenssteenen op te sporen.
Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).
Het tijdelijk onderdak bij den civiel-gezaghebber. (Teekening H. R. Roelfsema).
Aan het ontbijt maakten we kennis met twee Indische dames, de jonge vrouw van den civiel-gezaghebber en hare tante, die haar pleegmoeder was geweest. Welopgevoed en beschaafd en, zooals Indische dames zijn, gemakkelijk in den omgang, was deze kennismaking ons zeer welkom, en gelijk overal de vrouw het verzachtende, gezellige element brengt, dat ons dadelijk thuis doet gevoelen, zoo ging het ook hier; aan de keurig verzorgde en goed voorziene tafel kwam, na de onaangenaamheden der prauwreis, een behagelijk gevoel van huiselijkheid over ons.
Het huisje, in welks achtergalerijtje we daar zaten, was opgetrokken op een vloer van cement, die slechts even hooger lag dan de grond van het erf. Op dien vloer stond, van houten stijlen vervaardigd met dwarsbalken van bamboe en hout, het geraamte van het huis, waarvan de wanden tusschen die verticale en horizontale stijlen waren ingevuld met de gaba-gaba, de lange, ontbladerde hoofdnerf van den arènpalm. In diepe breede kerven, in de horizontale dwarsbalken gesneden, worden deze gemiddeld 5 cM. dikke nerven, die vooraf op de passende lengte zijn gemaakt, op handige wijze met hunne uiteinden geschoven en wel zoo, dat de concave en convexe zijde tegenover elkaar komen, waardoor er, nadat zij goed zijn aangedrukt, een stevige en ondoorzichtige 5 cM. dikke wand ontstaat. Wel is zulk een huis met zijn dunne wanden zeer gehoorig, doch overdag zit men er nooit en tegen wind en regen is dit bouwmateriaal in dit klimaat zeer voldoende. Met een dak van atap en nog een zoldertje van gaba-gaba krijgt men een geriefelijk geheel, waarin men zich in het land van zon en warmte wonderwel thuis voelt.
De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).
De Kapala Kampong. (Phot. Baretta).
Het duurde niet lang of de vrouw des huizesinformeerde met belangstelling, waar we gedurende de eerste maanden onzen intrek dachten te nemen. Toen zij vernam, dat wij bij een bekenden Chinees alhier, Ong Keng Tjong, wilden trachten een kamer te huren, bood zij aan, wanneer we met weinig tevreden zouden zijn, een klein uitbouwtje als bijkantoortje door haar man gebruikt, aan ons als slaapgelegenheid af te staan, terwijl we ons verder als huisgenoot zouden kunnen beschouwen.
Hier ontmoetten we de oude hooggeroemde Indische hulpvaardigheid, waarvan we dankbaar gebruik maakten. Zoo kort aan land en reeds zooveel hulp en tegemoetkoming, deed het beste verwachten, en welgemoed zag ik dien morgen onze toekomst in.
Na het ontbijt gingen we, begeleid door den civielgezaghebber en den kapala-kampong, die ons den weg in het woud zou wijzen, met eenige Tobeloreezen, gewapend met parangs (lange hakmessen), op stap om de eerste verkenning te doen.
De huisjongen zou intusschen voor de aankomst der bagage en voor de inrichting der slaapgelegenheid zorgen, alwaar juist ruimte genoeg zou zijn voor het opslaan der beide veldbedjes en het plaatsen der koffers.
We gingen den breeden weg van hedenmorgen verder, die door de kampong evenwijdig aan het strand liep. Nette huisjes en miniatuur toko’s van hout en gaba-gaba opgetrokken, waarin Ternatanen en Chineezen hun handel dreven, lagen aan weerzijden; we passeerden een pasar, waar veel inlanders, mannen en vrouwen, kochten en verkochten en ons in ’t voorbijgaan nieuwsgierig aankeken. Na een brugje over een kali te zijn gepasseerd, zagen we links van den weg een laan van galalaboomen met geelgevlekte groene bladeren, aan welker einde een huis lag dat zeer groot scheen te zijn; het was het huis van den oudsten zendeling. Iets verder passeerden we weer een dergelijke woning, waar de jongste zendeling, de directeur van de kweekschool voor goeroes (inlandsche godsdienstonderwijzers) woonde. Daarna stonden er nog slechts de huisjes der oorspronkelijke bewoners, de Tobeloreezen. Deze menschen waren, ondanks een 16-jarige vestiging der Zending in hunne nabijheid, nog steeds heidenen gebleven, wat aan hun kleeding en ook aan hun huisjes aanstonds was te zien.
De christen-inlander kleedt zich niet meer alleen met den lendengordel, doch draagt steeds een wit of gestreept baadje en een gekleurde katoenen broek, terwijl hij den hoofddoek heeft afgeschaft. Zijn huisje bestaat uit een paar kamertjes met vensters en een kleine voorgalerij over de gansche breedte van het huis, terwijl de heiden hier nog meest in zijn donker achthoekig huisje met hoog dak, dat aan alle zijden uitsteekt, woont. Onder het vooruitstekende dak voor zulk een huisje kan men steeds een of meer bewoners op lange rustbanken zien zitten of languit voor het donkere van het inwendige zien liggen, terwijl zij daar slapen of soezen.
De weg werd smaller en bleek steeds minder begaan; links en rechts wisselden klapperaanplantingen van Chineezen met huisjes en wilden groei van allerlei geboomte.
Steeds waren we de kustlijn gevolgd, een plek zoekende van waar we, zonder veel tuinen der bevolking te snijden, in het binnenland konden dringen. Het lag in mijn bedoeling een gedeelte van het concessieterrein aan de zee te laten grenzen, om zoodoende steeds van een geheel vrijen weg daarheen verzekerd te zijn.
Het punt, dat we zochten, was na een half uur bereikt. Rechts de zee, links opgeschoten hout en glagah. Van hieruit drongen we het binnenland in, voorafgegaan door de mannen met de parangs. Na een dicht warnet van glagah, een plant die zich om alles slingert wat in haar bereik komt, waarbij zij moeilijk doordringbare hagen vormt, bereikten we de djoeramé’s (tuinen der inlanders), waar alang-alang, afgewisseld met aanplantingen van rijst en mais, in groote velden manshoog stond. De geheele woudrand bleek hier door een breede strook van tuinen van de kust te zijn gescheiden. Overal staken pisangs, papaja’s en nangkaboomen uit, en daartusschen stonden de huisjes der menschen. Uiterst schamele primitieve huisjes, die somtijds uit niets meer bestonden dan uit een dakje van atap op een paar stijlen, waarbij de wanden geheel of gedeeltelijk ontbraken; daaronder een rust- of slaapbank waarop menschen en kinderen in luiheid neerlagen, de laatsten somtijds erg geplaagd door vliegen, die op hun vuile zweren aasden. Opmerkelijk was het verschil tusschen deze menschen en hunne woningen met die welke dichter aan de kust waren gelegen. Ze schenen hier tot de paupers onder hun rasgenooten te behooren. Doch met dezelfde vrijmoedigheid werden we hier door de mannen aangekeken en ontvangen; de vrouwen en meisjes echter zag ik bij onze nadering soms vluchten of wegkruipen en de kinderen toonden hun vrees door angstige huilende gezichten. Gladakkers, de ellendige vermagerde honden in Indië, hongerige scharminkels, die elke menschelijke zorg van hun inlandsche meesters ontbeerden, blaften en jankten benauwd en renden weg of verscholen zich achter hun baas.
Zoo bereikten we de grens van het woud. Eerst hier zou een terrein op groote schaal kunnen worden uitgezet, want de bevolking, gehecht aan haar bezit en wantrouwend tegenover den Europeaan, had nog nooit veel neiging getoond het door haar ontgonnen terrein aan Europeesche liefhebbers tegen betaling af te staan, doch ook hierin zou eenmaal wel verandering komen.
Dank zij den kapala-kampong en de ons begeleidende Tobeloreezen vonden we in het woud een der grenssteenen, die we zochten. Van hieruit begon het interessante werk om het beste stuk uit te zoeken.
Het duurt echter geruimen tijd, alvorens men in zulk een oerwoud, waar dikke en dunne stammen en struikgewas elk overzicht beletten, is georiënteerd. Toen we dien eersten dag laat tegen den middag huiswaarts keerden en in de gloeiende zon over de smalle paadjes tusschen de heete alang-alang liepen, was het me niet duidelijk, hoe hier ooit een overzicht te zullen krijgen. Na maanden echter voelde ik me er even vertrouwd als in het open veld, en leerde ik de rintissen en voetpaadjes en de kronkelingen der kali even goed kennen als de straten van mijn geboortestad.
Elken dag trokken we nu met een colonne werkvolk,die zeer in aantal wisselde en soms tot dertig man aangroeide, soms tot vijf à zes slonk, bij het krieken van den dag door met dauw bevochte alang-alangvelden naar het bosch, waar dan gehakt, gegraven en onderzocht werd. De bodem bleek te bestaan uit verweerde vulkanische stoffen, de tuf. Deze poreuze gronden, door het zware eeuwenoude woud met een dikke laag humus bedekt, waren wel tot de vruchtbaarste en meest geschikte voor de klappercultuur te rekenen. Zoo gingen we hier met ijver verder en zouden in elk opzicht met de bereikte resultaten tevreden zijn geweest, wanneer we niet dag aan dag geplaagd werden door de onzekerheid omtrent het werkvolk, dat steeds met moeite mee te krijgen was. Het bracht Verster soms tot wanhoop, die, gedrukt door de verantwoordelijkheid welke hij in Holland op zich had genomen, liefst een honderdtal tegelijk had zien opkomen. Zonder de hulp van den civiel-gezaghebber, die de menschen herhaaldelijk tot werken aanspoorde, zou het er echter nog droeviger mee gesteld zijn geweest. Voor een geregelde ontginning zou de komst der contract-koelies moeten worden afgewacht.
Een bezoek aan de zendelingen gebracht, had tot resultaat, dat door den invloed van den oudsten de bewoners van de nabijgelegen kampong Pitoe genegen bleken te zijn, tegen ruime betaling een tweetal groote koelieloodsen op een door ons aan te wijzen terrein te bouwen; en hiermede was dan een aanvang gemaakt met de prille jeugd eener cultuur-onderneming.
Het was juist een week na onze aankomst te Tobelo, dat ik me weer op zee bevond en nu in de gouvernementsmotorboot op weg naar het eiland Morotai, dat van Tobelo uit op een afstand van ruim 40 K.M. over de zee was te zien.
De civiel-gezaghebber had mij uitgenoodigd, hem op een driedaagschen inspectietocht daarheen te vergezellen, waarbij mij dan de gelegenheid geboden werd iets van dat eiland van meer nabij te leeren kennen en tevens om een klapperaanplant van 7000 boomen op twee der kleine koraaleilanden, die voor de Westkust van Morotai lagen, in oogenschouw te nemen. Deze beide eilandjes, Dodola-Besar (groot) en Dodola-Ketjil (klein) zouden, als zijnde ons eigendom, te zamen met het nieuw aangevraagde terrein te Tobelo in exploitatie worden genomen.
In mijn dagboek vind ik over deze reis het volgende:
23 November 1912. Half zeven vertrek uit Tobelo. Aan boord de civiel-gezaghebber en mijn persoon, een Madoereesche motorist en tevens stuurman, benevens een gevangene als matroos. De zee is hol, er staat een sterke bries, zoodat de boot geducht schommelt. Er worden vischlijnen uitgegooid, waaraan zware haken met kunstaas, een vischje gesneden uit lichtgekleurden boombast.
Om half negen komt Mitita in ’t zicht, een laag eiland, als voortzetting van de zuid-westelijke landpunt van Morotai. Om elf uur liggen we voor die landpunt.
Eindelijk heb ik dan de eenzame plek bereikt, waar ik volgens de plannen uit Holland met een vestiging had moeten beginnen. Deze landpunt is een uitbouw van koraal aan het eiland, waarschijnlijk een opgeheven zeebodem, geheel met zwaar hout bedekt. Morotai daarachter, heuvel na heuvel tot den top der hoogste bergreeks zwaar begroeid. Geen mensch, geen huis, geen prauw is op het vele kilometers lange strand tot aan de onbewoonbare rizophorenkust in het noorden te bekennen. De zee is ook verlaten. Welke plannen hebben er over eene ontginning aan deze verlaten kuststrook gespookt in het hoofd van den man, die gedurende 3 jaren civiel-gezaghebber van Noord-Oost-Halmaheira was?
Heidensche Alfoer van Halmaheira.Heidensche Alfoer van Halmaheira.
Heidensche Alfoer van Halmaheira.
Er blijft me hier, met de tastbare werkelijkheid voor oogen, niet veel over dan mijn schouders op te halen en eens over mezelf en anderen te glimlachen.
De zee is spiegelglad tusschen Morotai en de kleine koraaleilanden voor de kust. We passeeren Kokoja, dan Dodola-Ketjil en Dodola-Besar. We kunnen de klapperaanplantingen zien. Door het heldere, stille water nemen we op den bodem in allerlei kleurschakeeringenen vormen de bouwwerken der koraaldiertjes waar. ’t Zijn de zoogenaamde zeetuinen. Door een hevigen ruk aan een der vischlijnen breekt de verklikker (een dun touwtje, waarmee de lijn een eindje is opgebonden). Ver achter ons zien we telkens opspattend water, veroorzaakt door een spartelenden visch, die in snelle vaart door de motorboot wordt meegetrokken. De beide inlanders palmen dol van vreugde de lijn snel in. Nu de vangst dicht bij de boot is gekomen werpt de inlandsche matroos zijn drietand, waarmee hij den zwaren visch binnenboord tilt. ’t Is een tjankalang, slank als een schelvisch. Een oogenblik later breekt er weer een verklikker. Nu is ’t een bobara, een korte, dikke visch met een rooden buik. Telkens breekt er nu een verklikker en telkens is er gejuich aan boord, de inlanders gillen van de pret.
Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).
Christenonderwijzer op Halmaheira met vrouw en kind voor zijn woning. (Phot. Baretta).
Het eene koraaleilandje na het andere, met namen als Ngèle-Ngèle of Galè-Galè, wordt gepasseerd, allen vol klapperboomen. Riffen en ondiepten. Half drie te Wayaboela, de eenige kampong van belang op het 60 K.M. lange en 30 K.M. breede Morotai. Hier zullen we den nacht doorbrengen. De Sangadji, het inlandsche hoofd, door het gouvernement aangesteld, komt ons op de wankele pier tegemoet. We nemen onzen intrek in het posthuis.
Kennismaking met den heer A. van Renesse van Duivenbode. Een der leden van de groote familie van dien naam, waarvan de overgrootvader ruim honderd jaren geleden naar de Molukken kwam. Hij, hoezeerverinlandscht, is toch man van eenige ontwikkeling en met het aangeboren welopgevoede van den kleurling. Zijn woning is het huis van een inlander, gemeubeld met eenige stoelen, een tafel en een paar kasten uit de dagen van de Compagnie. Een Indische rommel. Hij toont me waardevolle schilden van reusachtige schildpadden, en eenige mooie exemplaren van takkenkoraal, een algensoort, die men hier aan den bodem der zee vindt vastgegroeid en achabaché noemt.
’s Avonds in het posthuis muziek van degrammophoonvan Renesse. Een serie van de meest banale liedjes. Groote toeloop van inlanders.
Op verzoek van den civiel-gezaghebber wordt de tjakalélé gedanst. Een weinig wilde krijgsdans, waarbij wat met speren en schilden (de salawako’s) wordt gezwaaid. Men slaat er bij op de tifa, een soort trom, in een eentonige, meer of minder snelle cadans. En tevens wordt hierbij gespeeld het spelletje van het touwtrekken, wela wela genoemd, waarbij aan het eene eind van het touw zich jonge mannen scharen aan het andere eind slechts jonge meisjes. Terwijl zij elkaar nu minder eerbare liedjes toezingen, wiegen zij met hun lichamen heen en weer, om somtijds, na afloop, twee aan twee in de wouden te verdwijnen. Zulke spelen zijn een doorn in het oog van den zendeling. De heidensche Alfoer stoort zich hieraan echter niet.
Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).
Touwtrekken op Morotai. (Phot. Baretta).
29 Nov. 1912. ’s Morgens met Renesse op de wilde varkensjacht. ’t Wild breekt onverwacht en ongezien tusschen ons door. ’s Middags vermoeid. Alleen onder het galerijtje van het posthuis. Lezende, teekenende en droomende, gaat de middag voorbij. Gevoelens van verlatenheid in dit onbekende verre uithoekje der wereld. Hoe kom ik hier verdwaald? Verdiept geweest in Vosmaer’s “Amazone”. Tegenstelling tusschen de uitingen van dien toegespitsten, verfijnden geest en de wereld die mij omringt. Zou ooit dit boek in zulk een omgeving gelezen zijn? Het verre uitzicht over zee is een troost. Bij het avondlicht wordt de motorboot zichtbaar, waarmede de civiel-gezaghebber en Renesse van een tocht naar een der koraaleilandjes terugkomen.
’s Avonds weer de tjakalélé, waarvoor ik me interesseeren moet, en weer draait de grammophoon haar tingel-tangelliedjes af. Een kersversche Hollander vindt dat inlandsche gedoe sinister en zoo ver van hem af. Nog meer sinister vindt hij den vulgairen smaak van zijn gezelschap, en hij gevoelt zich nog eenzamer dan tijdens het alleenzijn. In het vuile slaapkamertje van het posthuis, verlicht door een petroleumlampje, is mij dan eindelijk de rust op mijn veldbedje recht welkom.
25 Nov. 1912. Vertrek om 6 uur ’s morgens van Wayaboela. Renesse gaat mee naar Tobelo. Een kist eetbare vogelnestjes aan boord, door inlanders in grotten aan de kust bijeenverzameld voor de soepjes van Chineesche lekkerbekken.
Bezoek aan de Dodola’s. Landing zeer moeilijk door de vele riffen. Mooie klapperaanplanting, oorspronkelijk door Renesse geplant. Men is hier met vijf man onder een mandoer bezig de tuinen van onkruid en jongen opslag te bevrijden. Zacht glooiende strandjes en landpunten van wit koraalzand rondom de eilanden. De beide eilandjes zijn bij laag water door een droogloopende bank van dat zand, helwit in het felle zonlicht, verbonden. Schilderachtige inhammen en baaien. Veel muskieten en een ondragelijke hitte. Het moet op deze kleine eilandjes veel heeter zijn dan op de grootere eilanden, waar de bergen voor afkoelende luchtstroomingen en grooteren regenval zorgen. Na bezichtiging en instructies aan den mandoer terugreis over een zee zoo spiegelglad, dat ik den indruk krijg over een ijsvlakte te varen.
Terugkomst in Tobelo. Verster klaagt over de slechte opkomst van werkvolk tijdens de afwezigheid van den civiel-gezaghebber. Als reden, dat ze niet meer werken wilden, hadden ze opgegeven dat ze zoo moe waren van de vorige dagen.
De tobberijen met het werkvolk bleven aanhouden en alle maatregelen en alle moeite om eene eenigszins geregelde opkomst te verzekeren, waren vruchteloos. Daarbij kwam nog, dat de Paketvaartboot van Java, die eens per maand Tobelo aandeed en die ons berichten en goederen uit de beschaafde wereld zou brengen, 6 dagen over haar tijd binnenviel ende vele bagage, die we op Ternate hadden achtergelaten, aldaar had laten staan. Zoo bleven we, tenminste weer voor een maand zonder boekhouding, zonder bijlen en parangs enz., i. e. w. zonder het allernoodzakelijkste om te regelen en op te schieten.
Aan boord raakte ik met eenige heeren in gesprek, die jarenlang in deze streken, en niet zonder succes, handel dreven en die belangen hadden bij de cultures. Hun conclusies na veel ervaringen waren (volgens aanteekening in mijn dagboek): “Men komt hier verder met pessimisme dan met optimisme. Ik heb dat zelf ondervonden. Vroeger was ik namelijk ook optimist”, en de ander, die met vreemd werkvolk bezig was een klapperaanplant aan te leggen: “Men kan niet met de menschen uit deze streken werken. Werken ze twee dagen dan luieren ze er zeven.”
Hoe anders en hoeveel nuchterder en dichter bij de werkelijkheid klonk dit dan de adviezen in Holland van onzen raadsman ontvangen. Echter zou later, tot niet gering voordeel, blijken, dat werkvolk, geworven in andere naburige residenties, z.g.n. contract-koelies of contractanten, hier belangrijk goedkooper te krijgen was dan overal elders in den Archipel.
Hoezeer de Hollanders in Indië, met hun energie uit de gematigde luchtstreek meegebracht, ook het geheele maatschappelijke raderwerk in gang zetten en door hun stuwkracht in gang houden, zoodat alles wat heele of halve bruine broeder is wordt meegesleept, toch gevoelde ik dat deze energie op de inerte massa dezer bevolking voorloopig nog, ook met de grootste krachtsinspanning, vergeefsch zou zijn.
Zoo vind ik nog in mijn dagboek: “Reeds vijf dagen zoekt Mainaky, inwoner van de kampong Tobelo en handelaar, een prauw en drie mannen om hem naar Morotai te brengen. Ieder weigert uit luiheid.” En nog dit curieuze staaltje, als bewijs van de goedmoedigheid die hier nog heerschte: “Een pradjoerit, inlandsche politieagent, die de kunst van haarknippen verstaat en als zoodanig door ons wordt ontboden, laat melden, dat hij momenteel te dronken is van het sagoweergebruik om dit te kunnen doen. Morgenochtend zal hij geen sagoweer drinken en is dan bereid ons van dienst te zijn. De man is notabene tevens cipier van de gevangenis. Hij zit gewoonlijk als beste maatjes met zijn gevangenen op een bank voor het huisje dat de gevangenis moet verbeelden.”
Ondanks den aard der bevolking slaagden we er in, de grenzen van een mooi terrein van 1000 bouws nauwkeurig af te zetten en in kaart te brengen. Het lag geheel in het oerbosch, waarvan een breede weg over vlak terrein tot het strand werd gemaakt. Bij de duizenden bouws vruchtbare gronden, die hier nog onaangetast lagen, bleek het niet noodig voorloopig de hand op meer te leggen. Nu we zoo ver waren gekomen, werd het noodig, dat ik mij naar Ternate begaf ter regeling van verschillende zaken met het Residentiekantoor en voor verdere belangen. Juist een maand na onze aankomst te Tobelo, bood zich een welkome gelegenheid aan, om mij daarheen te begeven. De kleine gouvernementsstoomer “Nora” had, op de reede van Tobelo, het anker laten vallen met bestemming naar Ternate.
Het is in streken met slechte verkeersmiddelen als deze, aan particulieren, na verkregen verlof van de autoriteiten, geoorloofd van de regeeringsvaartuigen gebruik te maken. Zoo greep ik deze gelegenheid dankbaar aan, daar de Paketboot, op haar reis naar Nieuw-Guinea, eerst na 14 dagen zou terugkeeren en naar Ternate stoomen.
Verster zou tijdens mijn afwezigheid te Tobelo blijven en intusschen trachten, zooveel mogelijk met het werk op te schieten. Nog aan boord van de Nora deelde hij mij zeer ontmoedigd mede, dat zich dien morgen, ondanks al zijn moeite, slechts vier man op het werk hadden gemeld.
Hoofdstuk IV.Terug naar Ternate.Het vooruitzicht om als eenig Europeaan een kalme 24 uren aan boord van het bootje te zullen doorbrengen, was me niet onaangenaam. Op een gemakkelijke bank op de brug gezeten, waar de inlandsche kapitein naast den roerganger aan het stuurrad stond, tuurde ik over de zee en langs de lange kust, die zich aan bakboord naar het Noorden uitstrekte. De overgang van het dagelijksch verblijf in het schemerlicht en het beperkte uitzicht van het oerwoud, van ’t meten en roepen en draven door versch geslagen rintissen, waar men telkens strompelde over boomstronken en wortels, in gezelschap van halfnaakte kerels, naar het volle licht aan boord, met het verre uitzicht en de frissche zeelucht, gevoegd bij de comfortable netheid der inrichting van het scheepje, was zoo allerkostelijkst, dat ik me eerst eens onverdeeld aan die indrukken overgaf.We zouden om de noordpunt van Halmaheira varen en den nacht in een beschutte baai van de Loloda-eilanden voor anker gaan, om den dageraad van den volgenden dag af te wachten, daar strenge orders den kapitein verboden zich ’s nachts met het kleine vaartuig op zee te wagen.Nog in ander opzicht was het me niet onwelkom, de sfeer van Tobelo voor korten tijd vaarwel te kunnen zeggen. Zooals op zoovele buitenposten, waar weinig Europeanen te zamen zijn, heerschte ook hier een atmosfeer van spanning tusschen de families der blanken, die op den duur onhoudbaar moest worden. Tusschen het huis van den civiel-gezaghebber en dat van den oudste der zendelingen was een wrijving ontstaan, die zich uitte in wederzijdsche tegenwerking en een drukke, onverkwikkelijke correspondentie, die den onstuimigen bestuursambtenaar tot het uiterste prikkelden en hem meer dan eens den uitroep ontlokte: “Hij of ik! maar een van ons beiden moet hier weg!”Het kostte den onpartijdigen toeschouwer, die uit den aard der zaak met beide families veel verkeerde en die met geen van beiden in onmin wenschte te leven, heel wat zelfbeheersching om tusschen dien strijd van inzichten, belangen en beuzelingen door te zeilen.Waar de voorwaarden voor een wrijving tusschen twee uiteenloopende en zoo dicht bijeen wonende families, in die mate aanwezig waren als hier, daar had hetuitbreken van den strijd slechts op de onbeduidendste aanleiding gewacht. Het uitblijven van een tegenbezoek, dat de dames van den civiel-gezaghebber van de vrouw van den zendeling verwachtten, was indertijd voldoende geweest om een klove te doen ontstaan, die nu niet meer te overbruggen was.Hoe dan ook, de conversatie te Tobelo had er dikwijls een minder aangenaam karakter door gekregen, en zoo was ik dubbel verheugd voor korten tijd de menschen en hun eindeloos gekibbel vaarwel te kunnen zeggen en mij ongestoord aan de natuur te kunnen overgeven. Een lang ontbeerde rust kwam over me, toen ik daar op de brug, naast de twee rustige inlanders, langzaam voorbij den oever gleed, waar de huisjes van Tobelo onder het zware groen nauwelijks te ontdekken waren. Verder varende, zwierf mijn blik over de eindelooze zee, langs de dichtbegroeide kust en over het onherbergzame, bergachtige binnenland van Halmaheira.Morotai had met zijn bergen schemerachtig in de verte gelegen, doch werd steeds duidelijker, nu we de zeeëngte naderden en de geheel open zee voor den boeg lag, die met een geweldige branding op de sombere noordpunt van Halmaheira beukte. De kust werd hier kaler en was steil en zonder strand. De boomen, die er stonden, waren verwaaid met afgeknotte kruinen, en beroofd van takken door de felle noordenwinden, die zoo dikwijls op deze kust stonden.Het is een bekend feit, dat de kracht der winden en hun richting in den geheelen Archipel zeer onderhevig zijn aan den invloed van de verdeeling van land en water. In de zeegaten kan het hard tochten en op de binnenzeeën kan een volle bries staan, terwijl aan land nauwelijks wind te bespeuren valt. Zoo ook hier. De Nora, eerst zoo kalm, begon nu in het ruime sop op en neer te dansen dat het een aard had. Bij zulk een bries kan men op de Indische wateren toch nacht en dag, desnoods alleen in pyjama gekleed, aan dek blijven zitten zonder een oogenblik bevreesd te zijn voor te groote afkoeling. De kostelijke verfrissching, die men dan in de gelegenheid is op te doen, staalt opnieuw de door de hitte slap geworden zenuwen en spieren, en door de dunne kleeren neemt het geheele lichaam aan het opwekkende luchtbad deel.Het was reeds tegen den avond toen we de beschuttende baai van een der Loloda-eilanden invoeren en in doodstil water voor anker gingen liggen, om bij het krieken van den dag de reis voort te kunnen zetten. Toen het donker werd schitterden lichtjes tusschen de boomen op het strand. Zij kwamen van een kampement van houthakkers, Sangireezen en Talauters, die hier met hun korte zware bijlen de dikke harde ebbenhoutboomen omhakten en kloofden, en gereedmaakten ter verzending naar Europa.De nachtzang van insecten, die uit de wouden rondom de baai tot ons doordrong, zong me in slaap en duurde den ganschen nacht door, ja was nog niet geheel verstomd, toen ik, op mijn kooi in het geriefelijke dek-kajuitje, reeds werd gewekt door het lawaai der voorbereidende maatregelen voor ons vertrek.Reeds, toen het nog volop nacht was, was ik weer aan dek. Nog lagen de oevers van het eiland in het pikdonker en glom de zee en schitterden de sterren en straalden de lichten aan boord hun bundels de duisternis in, doch elk oogenblik kon de dag worden verwacht. ’t Vooruitzicht het zonlicht te zien rijzen op dezen morgen van alleenzijn, zonder ’t praten en ’t willen van menschen om mij heen, deed me in stijgende blijdschap de dingen die komen zouden afwachten en meeleven.Een nauw verbleeken van den donkeren wand aan de oosterkim—en de ankerkettingen ratelden reeds en de schroef sloeg het stille water bruisend onder de achterplecht weg. Het schip kwam in beweging, draaide zijn kop naar den uitgang der baai, den kant naar de zee op.Daar zag ik het krieken van den morgenstond uit Vondel’s Palamedes voor me; de sterren vluchtten en de Titaan rees.Het dun gezaeit gestarnt verschietZijn’ glans, en gloeit zoo vierigh niet.De schaduwe is aen ’t overleenen.De morgenstar drijft voor zich heenenDe benden van het hemelsch heir.De voerman van den grooten Beir,Op dat hij zijne beurt verwissel’,Vlught heen met omghekeerden dissel.De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uit der zee.Helios, de zonnegod, rees, vierigher dan Vondel hem ooit had mogen zien rijzen en sneller ook. De kleuren en kleurschakeeringen, van violet tot goud-geel, in het wazige van de onderlucht en aan de randen van wolken en wolkjes, wisselden onophoudelijk tot dat één licht alles overstraalde. Toen losten de nevels, die over het land en hier en daar over de zee hingen, zich op en rafelden uiteen, en spoedig schitterde en tintelde en blonk alles zoo van licht, dat men beschutting moest zoeken tegen den al te fellen gloed.Aan de steile, hier bijna onbewoonde kust van Halmaheira, die we steeds aan bakboord hielden, terwijl wij nu naar het Zuiden koersten, was een zendingspost gevestigd. Na lang zoeken werd het dak van het eenzame huis gevonden, dat aan een kleine baai gelegen, soms maandenlang geheel van de buitenwereld was afgesloten. De branding door de aanhoudende noordenwinden veroorzaakt, stond dan zoo hevig op de kust, dat geen prauw het waagde haar te naderen, terwijl van de landzijde de communicatie met het binnenland zoo goed als onmogelijk was. Voor een zendingspost leek deze plek, die men Doroemé had gedoopt, wel zeer slecht uitgekozen, doch de zendeling zelf scheen er anders over te denken.Na de koffie en het ontbijt zocht ik mijn plaats weer op naast den kalmen kapitein op de brug. Hij wees me op een groote zeekaart eenige interessante punten en moeilijke passages, doch van een geregeld gesprek kon niet veel komen, daar ik het Maleisch, het Volapuk van den Archipel, nog niet voldoende machtig was.Goed beveiligd tegen de stralen der zon, nam ik mijn boek en was spoedig verdiept in Haagsche toestandenen las van menschen, die aan nevrose leden, die met hun vezel-fijne zenuwen voorbeschikt waren aan levenssmart en levensweemoed te gronde te gaan. Opziende zag ik dan de woeste kust van het eiland en voelde me als vaneengereten door de uitersten die op mij afkwamen, en ik vroeg mij af, of ik wel goed deed onder deze omstandigheden boeken onzer overbeschaving te lezen, waarbij ik Holland weer zoo duidelijk voor me zag, en waarbij verlangens wakker werden, die den geest te zwak maakten tegenover de woeste natuur en de menschen, die mij omringden.Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).Zag ik het fijne, wisselende mooi van ’t Hollandsche landschap in gedachten voor me en dan opziende deze omgeving, dan ging er een siddering van verlangen door mij heen, en weemoed en heimwee overvielen me. Dacht ik aan den strijd met menschen, die mij in mijn kwetsbare positie te wachten stond en dien ik voelde komen, dan had ik wel de neiging om, zoo niet het brute naar buiten te keeren, dan toch in elk geval het fijnere gevoelsleven niet te zeer te laten spreken. Doch een neiging tot humor overstemde die vrees, en met een glimlach, die onwilkeurig opkwam, herstelde ik mijn zelfvertrouwen en durf, om met die grootere gevoeligheid, te zamen met den breederen kijk, menschen en dingen onbevreesd tegemoet te gaan.“Die Menschen fürchtet nur, wer sie nicht kennt”. Welaan, kende ik ze niet en zag ik ze niet aan hun ondeugden en hartstochten, als harlekijnen aan de touwtjes dansen, gevaarloos zoolang men ze herkende? Bemerkte ik hun zwakte en hun zwakheden niet?Tegen den middag naderden wij de vulkanen, die we reeds eenigen tijd in de verte hadden gezien en passeerden de zuidelijke Loloda-eilanden. Op een dezer eilanden, met den tongbrekenden naam Kahatollolamo, was, terwijl we passeerden, een klapperaanplanting te zien, die er weinig florissant uitzag. De stammen der boomen waren schraal, de kronen dun en de vruchten ontbraken totaal. De oorzaak was niet ver te zoeken. Op een rotsachtigen ondergrond, waarop zich slechts een dunne aardlaag had gevormd, waren deze boomen geplant, de wortels hadden daardoor geen vat en konden niet voldoende voedsel vinden. Toch was men nog met ontginnen bezig en waren er op verscheidene plaatsen nog jonge boompjes te zien. Armoedige inlanders, voor ellendige hutjes staande, keken de Nora na. Een zeldzaam schouwspel voor hen, daar het vaarwater hier tusschen de eilanden nooit door groote booten werd bezocht.Van hier tot bij den vulkaan van Ternate, die in de verte reeds was te zien, bestond het land uit een opeenvolging van uitgedoofde vulkanen, waartusschen soms kleine vlakten lagen, die met klapperboomen waren begroeid.Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).Om vier uur liet de Nora op de reede van Ternate haar stoomfluit hooren, waarvan het geluid door de wanden van den vulkaan werd weerkaatst en aan het gansche plaatsje verkondigde, dat zij van haar reis was weergekeerd. Ieder wist ook aanstonds, dat het de Nora was en geen ander schip, want wiehier een korten tijd had gewoond, had geleerd de verschillende tonen der fluiten van de geregeld binnenvallende stoomschepen van elkander te onderscheiden.Mijn plan was weer mijn intrek in het hotel te nemen, waar een eerwaardige dame, in de wandeling Tante Carolien genoemd, haar scepter zwaaide en haar gasten tegen goede betaling op een vuile inrichting en slecht eten onthaalde. Van klachten nam zij niet de minste notitie, overtuigd als zij was, dat zij uitstekend voor haar gasten zorgde. Klaagde men herhaaldelijk over vuilheid, onzindelijkheid enz. dan werd men verzocht het hotel te verlaten en elders een goed heenkomen te zoeken. Daar het in deze dagen het eenige hotel te Ternate was, was men wel genoodzaakt alles maar voor lief te nemen. Een der heeren gasten, die er langen tijd verblijf had moeten houden, had, om zich te beschermen tegen de aanraking van het altijd vieze voorwerp in de eenige W.C., die in een onbeschrijfelijken toestand verkeerde, een grooten houten bril laten maken, die door zijn jongen voor het dagelijksch bezoek van mijnheer werd vooruitgedragen. Na afloop zag men den jongen weer, met den bril onder den arm, naar de kamer van mijnheer stappen, waar deze uitvinding zorgvuldig werd opgeborgen. Steeds nam een der nieuwe heeren gasten dezen bril dankbaar als geschenk over, en misschien zal hij er nog zijn nuttig werk verrichten.Met het prettige vooruitzicht voor tenminste een veertiental dagen de gast van Tante Carolien te moeten wezen, reed ik in een der horribele sadotjes langs den strandweg naar het hotel, toen ik een mij bekend Hollander in de voorgalerij van zijn huis zag staan, die mij in het voorbijgaan toeriep: “Kom hier logeeren!”Het aanbod van den jonggezel-zakenman was, in het vooruitzicht van slechte kost en onzindelijkheid, te verlokkend om het af te slaan, en zoo liet ik mijn bagage hier brengen en zat spoedig met mijn gastheer en nog een Hollander, die tijdelijk bij hem inwoonde, onder de voorgalerij op gemakkelijke rieten stoelen rondom een dito tafeltje met marmeren blad.Daarmee was ik aan het Indische jongeluis-leven van de Buitenbezittingen overgeleverd, dat zich toentertijd in Ternate voor een groot deel onder die voorgalerij rondom dat tafeltje met het marmeren blad concentreerde, waarop de sherry met de pait (jenever) en de whisky-soda, het praten met de kaarten en met de boeken van de leestrommel afwisselde.Onze gastheer, die reeds 16 jaren aaneen in Indië verblijf hield, was wat men noemt verindischt, en voelde zich daarbij bon-vivant grand-seigneur, en leefde als zoodanig. Zijn levensopvattingen waren zoo breed geworden, dat alle beperking hem vreemd en hinderlijk was. Hij leefde naar zijn lusten en geheel zooals het hem inviel. Het kon zijn, dat hij ’s avonds om half tien reeds naar bed ging, doch het kon ook gebeuren, dat hij tot het opgaan der zon onder zijn voorgalerij zat. Het middageten, dat om 1 uur heette te beginnen werd soms, wanneer mijnheer gezellig zijn paitjes dronk en van alles en nog wat te vertellen had, tot 4 uur uitgesteld. Den eenen dag at hij bergen rijsttafel, wat hij met veel bier naar binnen spoelde, of legde over een sneedje brood een halve worst, of wierp er een halven pot jam over uit, en den volgenden dag at hij bijna niets en walgde van alles wat eten en drinken was. ’t Kon zijn dat hij een of twee, soms drie dagen niets dronk, maar daarna kon die matigheid tot de meest toomelooze onmatigheid overslaan, waarbij in gezelschap van bezoekers, kapiteins en passagiers van binnenvallende stoombooten, karaffen jenever, flesschen sherry en whisky het moesten ontgelden. Goedmoedig, en royaal voor zichzelf en anderen, bleef hij dit ook wanneer hij veel gedronken had.Daar Ternate, toen nog zonder telegraaf, tusschen de komst der verschillende booten soms dagenlang van alle berichten van de buitenwereld verstoken was, had hij, daar hij zakenman was, soms ook dagenlang niets te doen, of maakte hij het in elk geval zich dan niet druk. In een paar uurtjes, van 9 tot 12 des morgens, was zijn werk afgeloopen; de overige uren konden besteed worden aan praten, lezen, eten, en aan drinken en kaartspelen.Nu was ik wel het slechte eten en de onzindelijkheid bij Tante Carolien ontloopen, maar daarvoor werd nu voor een groot gedeelte beslag op mijn vrijheid gelegd. Des morgens, na het opstaan, in de binnengalerij aan de schrijftafel van mijn gastheer gezeten om hoog noodigecorrespondentieaf te doen, duurde het vaak niet lang of hij en zijn huisgenoot kwamen in bont gekleurde pyjama’s uit hun slaapkamers te voorschijn en drentelden begeerig naar conversatie, al praatjes makend tot het ontbijt onder ’t genot van de morgenkoffie in de binnengalerij op en neer.Om twaalf uur thuis komend, was mijn gastheer geen man om zijn gasten aan het werk te zien, hij vond dit belachelijk, terwijl het niet strookte met zijn breede opvattingen en met zijn behoefte aan gezelschap.In mijn werk gehinderd, in een dagelijksche sfeer van gezellige vervelendheid en van herhaalde braspartijen, zou het me niet onaangenaam zijn geweest mijn tijd hier te hebben kunnen bekorten en naar Tobelo terug te keeren. Doch tijdbesparen en zaken afdoen was iets, waarvan men in dezen uithoek, ook onder heele en halve Europeanen, nog niet veel weten wilde. Het leven te Ternate was overigens in dien tijd niet ongezellig. De soos werd wel, wegens veeten uit vroegere jaren, door ambtenaren en officieren geboycot, doch daar stond tegenover dat men de gezelligheid elders zocht. In den namiddag was er steeds een samenkomst op het tennisveld in het oude groote fort, waar men de families kon ontmoeten, die door vriendelijke uitnoodigingen nogal eens afwisseling brachten in de reeks avonden onder de voorgalerij bij mijn gastheer.Menige goede herinnering is mij bijgebleven aan avonden daar bij beschaafde menschen “en famille” doorgebracht, waarbij ik dan eens weer den weldoenden invloed van een geregelde Hollandsche huishouding ondervond.Zoo werd er Kerstfeest gevierd bij den dokter op het fort, waar een Kerstboompje stond, dat kunstig nagemaakt, heel goed den indruk van zoo’n sparreboompjeweergaf. Er zongen kinderen Kerstliedjes en er werden geschenken rondgedeeld. Wel was het heel anders dan het stemmige Kerstfeest, dat ik een jaar te voren in eigen kring tusschen de Zwitsersche bergen had gevierd. Doch het “Stille Nacht, Heilige Nacht” en het besneeuwde boompje deden, ondanks de warmte van den tropischen avond en der geheel tropische omgeving, niet zonder weemoed de herinnering aan dien tijd weer levendig worden.Zoo gaf ook de komende Oudejaarsavond aanleiding tot een feest, dat echter onder leiding van mijn gastheer in geheel andere stemming gevierd zou worden. Deze, die den laatsten tijd veel vriendelijkheden van de Europeesche kolonie had ondervonden, wenschte die te beantwoorden en daarvoor koos hij dien avond uit. Hij wenschte een feest te geven naar zijn smaak en op zijn breede wijze, dat wil zeggen, dat er gegeten en gedronken zou worden in hoeveelheden zoo groot als voor menschelijke magen en vooral voor dorstige kelen maar mogelijk was.Het feest zou beginnen met een reusachtigen bowl, daarna champagne, en voor de liefhebbers whisky, bier en cognac na. Hij zag als in een droom zijn voorgalerij in een slagveld van menschen en flesschen herschapen, hij droomde zich een Nero-genoegen, een bacchanaal en zijn persoon als held te midden daarvan.Nooit had ik hem nog zoo in de weer gezien als in de dagen die aan dit feest voorafgingen. De krossi-malas (luie stoel), een zeer gemakkelijke dekstoel, waarop hij anders heele dagen met zijn corpulente lichaam lag, was nu herhaaldelijk onbezet. Hij draafde van den een naar den ander, zette allerlei menschen, leveranciers, kennissen en bedienden in beweging voor het groote feest, dat komen zou. Ook de dames moesten meehelpen om voor eenige groote schotels te zorgen, waarvoor hij de ingrediënten leverde. Zijn stemming was monter en opgewekt in het vooruitzicht van de geweldige fuif, over welker arrangement hij, terwijl hij zich van louter verrukking op zijn dikke dijen sloeg, maar niet uitgepraat was.De bowl, waarmede dit feest beginnen zou, zou in groote tumblers geschonken worden, zoodat deze koele drank de meeste gasten als ’t ware als een verkwikking zou overrompelen, opdat de stemming spoedig bij allen de hoogte zou hebben bereikt, waarop hij zelven zoo graag verkeerde. De glazen mochten geen oogenblik leeg wezen en hij zou zijn gasten zoo animeeren, dat er al spoedig geen nuchtere gast meer over was. De champagne zou bij stroomen vloeien; slechts maakte hij zich bezorgd, dat er op het kleine Ternate niet voldoende van dezen drank voor zijn grootsche plannen aanwezig was. De morgen na de fuif zou dan de zon het geheele gezelschap nog onder zijn voorgalerij bijeen vinden. De dames hadden hem ook toegezegd zijn jonggezellenwoning te zullen bezoeken, waarbij hij ook van haar verwachtte, dat zij zich niet onbetuigd zouden laten.In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).Terwijl we daar op een namiddag zoo luisterden naar de plannen van onzen gastheer, hoorden we de fluit van een stoomboot en zagen we de boot, die van Nieuw Guinea terugkwam (de zgn. Papoeboot), en die dus gisteren Tobelo had aangedaan, over het spiegelgladde water de reede van Ternate binnenglijden.Even daarna, terwijl de boot nauwelijks aan den steiger was gemeerd, zag ik, tot mijn niet geringe verwondering, Verster met driftigen pas over den strandweg naderbij komen. Mij ziende, stoof hij de galerij binnen, om opgewonden te vertellen, dat hij het in Tobelo niet langer had kunnen uithouden, daar er geen man meer op het werk kwam, waardoor hij tot stilzitten was gedoemd. Hij wilde nu zelf naar Menado om koelies te halen, daar hij den koeliewerver, dien we daarheen hadden gezonden,ook niet meer vertrouwde. Zijn voortvarendheid was in alle opzichten te billijken, maar deze zou op Ternate weer terstond worden gestuit, daar hij eerst een bootgelegenheid voor Menado diende af te wachten. Zoo vermeerderde hij dan het gezelschap voor het nabije Oudejaarsavondfeest, daar zich voor dien tijd wel niet meer een gelegenheid voor vertrek zou opdoen. Van den nood een deugd makend, vergat hij spoedig de stilte van Tobelo en gaf zich geheel over aan de geneugten van het Indische leven op zoo’n klein plaatsje.De Oudejaarsavond kwam. Reeds den dag te voren was er door eenige heeren uit louter voorpret meer genoten dan goed was geweest, en zoo was ook bij onzen gastheer op den dag zelven het allerergste vuur reeds gebluscht. Dit verhinderde toch niet, dat er den ganschen dag hard werd gewerkt aan den bowl en aan ’t klaarmaken van schotels, aan ’t verkrijgen van voldoende glaswerk, borden, messen, vorken enz. en dat het een gedraaf van belang werd, om op tijd met de geheele voorbereiding van het groote feest klaar te komen.Maar het was dan ’s avonds eindelijk zoover. In de voorgalerij stonden twee lange rijen stoelen, in het midden waarvan tafeltjes waren geplaatst, waarop sigaren en sigaretten, aschbakjes en lucifersdoosjeswaren neergezet. In de binnengalerij hadden de bedienden schotels en glazen klaar gezet, terwijl in het midden de groote bowl, die herhaaldelijk zou kunnen worden aangevuld en die met ijs koel werd gehouden, was geplaatst. In de achtergalerij stond een lange tafel gedekt voor het souper; daar had de champagne in de ijskist een plaatsje gevonden en zwoegde het buffet onder massaas glazen en stapels borden; ook brandden daar voor dezen avond twee groote petroleumlampen, wat vóór dien nog nooit het geval was geweest.Met ongeduld werden nu de gasten gewacht, alles was gereed om hen te ontvangen.Weldra zagen we in het donker de eerste witte gedaanten verschijnen, waartusschen eenige lichte japonnen, en toen eenmaal de eerste gasten er waren, was weldra het gansche gezelschap compleet. De resident had zich wijselijk laten verontschuldigen, zoo ook eenige andere genoodigden, maar de gastheer kon toch tot zijn vreugde vaststellen, nooit zooveel Europeanen te Ternate bijeen te hebben gezien. Een boot van de Nord Deutsche Lloyd, die op den Oudejaarsdag was binnengevallen, vermeerderde met den kapitein van het schip het aantal gasten nog met een, en hij bleek een gast te zijn aan wien dergelijke feesten zeer besteed waren.De presenteerbladen met volle tumblers gingen rond en ieder verwonderde zich over zulke groote bowlglazen, die in normale gevallen voor bier werden gebruikt, maar onze gastheer zeide, dat het een zeer onschuldig en verfrisschend drankje was, en als bewijs daarvan dronk hij zijn eersten tumbler in één teug leeg. De kapitein volgde zijn voorbeeld, en zei dat hij het heel lekker; maar toch wat een kinderachtig en flauw drankje, vond. Een tweede glas werd weldra door een ongeteld aantal gevolgd. De stemming rees, de gastheer dronk zijn gasten herhaaldelijk een prosit en ad fundum toe, waarvan hij zelf de gevolgen steeds meer ondervond. Na eenige uren zat hij reeds verslagen op zijn stoel, nu telkens aangewakkerd door den kapitein, voor wien zulk een bowl werkelijk een onschuldig drankje bleek te zijn. Als Duitscher verloochende hij den bekenden dorst van zijn ras niet en toonde zijn meerderheid in het drinken tegenover de aanwezige Hollanders op verbazingwekkende wijs.Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).Toen het souper begon en het middernachtelijk uur sloeg, was de feestvreugde ten top gestegen. Doch weldra gaven eenige verhitte breinen aanleiding tot een hevig dispuut, dat elk ander gesprek overstemde en dat zich eenige uren rekte, zooals dat in zulk een verhit gezelschap meer pleegt voor te komen. Het feest ging nu als een nachtkaars uit; de dames wilden vertrekken en troonden hun echtgenooten mee, de gastheer was niet meer in staat tegen dat weggaan te protesteeren, noch in staat bedankjes in ontvangst te nemen. Onder de voorgalerij, bij volle tafels en leege stoelen, zat hij na ’t verloopen van het feest met den kapitein en eenige plakkers wat men noemt na te praten. Dit napraten duurde tot het zonlicht de laatste gasten verjoeg. Reeds was het volop dag, toen de laatsten naar bed strompelden.Den dag daarna, den eersten dag van het Nieuwe Jaar, was een dag waarin slechts tegen den avond eenige opleving kwam, men was mat en voelde zich onder den indruk van den doorwaakten nacht. De huishouding van onzen gastheer was nu zoo in de war, dat eerst ’s middags tegen vier uur het eerste ontbijt werd gebruikt, terwijl er den geheelen dag geen warm eten op tafel kwam.Met de Duitsche boot vertrok Verster den volgenden dag naar Menado op Celebes, om te trachten zijn plannen te volvoeren, terwijl de boot die mij naar Tobelo terug zou brengen, elken dag verwacht mocht worden. Buiten de vele bagage, die nog steeds te Ternate was achtergebleven en die uit 18 kisten en 2 koffers bestond, gingen er verscheiden colli meubelen mee, waaronder de inrichting van het te bouwen huis van den administrateur, benevens een groote prauw, die aan dek van de paketboot zou kunnen worden geheschen; verder 20 balen rijst, 25 kisten petroleum en 2 trekossen, terwijl 7 koelies na veel zoeken te Ternate waren aangeworven, waarmee voorloopig verder gewerkt zou kunnen worden.Terwijl ik bij het tolkantoor (de boom zegt men in Indië) bezig was alles in orde te brengen voor de verscheping van menschen, dieren en goederen, werd ik door den civiel-gezaghebber van Tidore uitgenoodigd den volgenden dag een bezoek aan zijn eiland te brengen. Daar alles voor het vertrek in gereedheid was gebracht, doch de boot uitbleef, was elk nieuw etmaal, dat zij niet binnenviel, een vrije dag, waarop genoten kon worden van de weelde om zooveel mogelijk de omgeving te leeren kennen.Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).’t Was het mooist denkbare weer toen we den volgenden morgen reeds vroeg met een motorboot Ternate verlieten en op Tidore aanstevenden. De blauwgrijze zee was zoo glad als een spiegel, massa’s kleine vliegende visschen schoten voor de boot uit en ook andere visschen sprongen spelenderwijs, of nagejaagd door hun doodsvijanden uit het water. Op stukken drijfhout zaten zeemeeuwen, doch het meest verrassend waren een groot aantal vlinders, die over dezen wijden plas van ’t eene eiland naar het andere vlogen en die soms in staat bleken de motorboot in haar vaart bij te houden. Na een goed half uur was de kust van Tidore genaderd, waarlangs we nu een goed uur te stoomen hadden om Soa-Sioe te bereiken, den zetel van het Gouvernement, toen ingenomen door een controleur en een civiel-gezaghebber. Eens was dit de residentie van het Sultanaat Tidore, welks sultan door ons gouvernement werd afgezet. Aan zijn oude rechten op het westelijke deel van Nieuw-Guinea hebben wij het bezit van het grootste deel van dit grootste aller eilanden te danken.Het gezicht op de kust, waarlangs we voeren, met haar witte strandlijn, waarop prauwtjes schilderachtig lagen en waarop menschen stonden die uit de huisjes kwamen, welke zoo gezellig onder den weelderigen planten- en boomgroei verborgen lagen, met den zwaarbegroeiden berg daarboven, waar hier en daar rook opsteeg van vuurtjes door inlanders gestookt, gaf een vredigen indruk.Een kleine steiger, die een eind in de zee uitstak, werd in de verte zichtbaar en spoedig was Soa-Sioe bereikt.Oud-Indië uit de dagen van de Compagnie kwam ons hier nog meer tegemoet dan reeds te Ternate het geval was geweest, ja zelfs vond men hier in den aanleg der plaats overblijfselen van de lang geleden Portugeesche overheersching. Een breede vervallen weg van cement-plaveisel leidde van den steiger het land en het plaatsje in. Telkens wanneer de rijzing van den bodem, die landwaarts-in vrij aanzienlijk was, wat heel steil werd, ging de weg in breede trappen over, zooals men dat in de landen van Zuid-Europa vindt. Links en rechts kwamen op dien weg zijwegen uit, waaraan de huisjes van Soa-Sioe achter witte vervallen muurtjes lagen.Het eerste huis rechts aan den eersten zijweg was het huis van den civiel-gezaghebber. Toen ik binnentrad kreeg ik een schrik, want hoewel reeds aan veel primitieve woningen en inrichtingen gewend, die echter door reinheid en eenvoud en harmonie met hun omgeving nog dikwijls knus of gezellig waren geweest, kwam me zulk een armoede en verval in dit steenen huisje tegemoet, dat ik den civiel-gezaghebber eens aankeek. “Daar stoppen ze je nu maar in en je moogt nog blij wezen, dat je zoo’n krot vindt,” zei hij op verontwaardigden toon. “Is’t een wonder dat mijn vrouw ziek van heimwee en ellende werd en naar Ternate moest?”Ik keek eens rond onder ’t gedrukte voorgalerijtje met zijn blauw gekalkte wanden en zijn kapotte keuken-vloertegels, ik ging eens in de sinistere kamertjes, waar overal dat blauw en die tegeltjes als in een armoedig huisje mij vervolgden. ’t Donkere achterhuis deed aan een vervallen boerendeel denken, ’t achtererfje aan een totaal verwaarloosd stadstuintje en een vuilnisbelt, de W. C. was een kist en het badkamertje niets dan een wand van gedek. ’t Was meer dan droevig en armoedig, en de ellende, die zij hier moesten hebben geleden, kwam me aan alle kanten tegemoet.Waren de civiel-gezaghebber en zijn vrouw nu een meer ontwikkeld paar menschen geweest, dan—het mag zonderling klinken—hadden zij zich misschien nog beter kunnen voegen en eenige gezelligheid en comfort weten aan te brengen. Maar menschen als deze, die een jaar geleden nog in Amsterdam op vier hoog woonden; die van Indië niet veel meer hadden geweten, dan dat het er heel warm moest wezen, zulke menschen hadden veel te hooge illusies van dit land en van het civiel-gezaghebberschap gehad; terwijl zij buitendien geen weerstand in zichzelven hadden om zich over teleurstellingen heen te zetten en geen tact om het zich gezellig te maken.Zulke ambtenaren op kleine tractementen te benoemen en zoo te installeeren is een politiek, die haar schaduwkanten moet laten zien.We gingen verder het plaatsje in en kwamen in de breede hoofdstraat met de trappen den controleur tegen in gezelschap van een prins van Tidore en eenige Arabische grootheden. De prins was eenvoudig maar onberispelijk gekleed, zijn gezicht was fijnbesneden en zijn houding was sympathiek. Zijn glimlach was vriendelijk en zijn handdruk zacht, toen ik aan hem werd voorgesteld. Men zag het den intelligenten Oosterling aan, dat hij zich bewust was zijn afkomst slechts door een waardig gedrag te kunnen toonen. Dubbel griefde het mij derhalve hem, door den civiel-gezaghebber van vier hoog, als mindere te zien behandeld. Met z’n allen wandelden we nu op naar den Kraton of Kedaton, het vroegere paleis van den sultan, dat behoorlijk door zware muren versterkt, op een hoogte lag. Dit paleis, dat erg vervallen was en meer op een deftig landhuis dan op een paleis geleek, was nu gedegradeerd tot inlandsche school. Toen we de hooge trappen waren opgeklommen en de voorgalerij waren doorgegaan, zagen we daar in de binnengalerij de geheele school van bruine kindertjes bijeenzitten onder leiding van een inlandschen onderwijzer.Het uitzicht van het hooggelegen bordes beheerschte den ganschen omtrek. Men overzag Soa-Sioe, voorts de breede straat tusschen Tidore en Halmaheira en een deel van het eiland Tidore zelve. Een frissche zeewind streek hier even door de voorgalerij, wat een genot was bij de haast ondragelijke hitte. Ik heb me toen afgevraagd, waarom men in Indië de huizen steeds zoo onder en tusschen boomen verstopt, dat er van een uitzicht en van een afkoelenden wind bijna geen sprake kan zijn? Het kan toch niet alleen het voordeel van het schaduwgeven der boomen zijn, waartegenover weer zulke groote nadeelen van vochtigheid, insectenplaag en gebrek aan afkoeling en uitwaseming des nachts en des daags staan. Of zou het zijn, dat ook hier de sleur boven het nadenken gaat en men moeilijk met een oude gewoonte kan breken? De vroegere Vorst van Tidore had echter anders geweten en wel anders gedaan ook.Bij den controleur, die het eenige voor Europeanen bewoonbare huis bezat, kregen we een frisschen morgendronk, waarop we naar Ternate terugkeerden. De civiel-gezaghebber scheen, na zulk een bezoekje aan zijn chef, zijn taak weer voor eenige dagen volbracht te hebben, althans onder de galerij van het hotel te Ternate kon men hem dag in dag uit met zijn vrouw en kinderen zien zitten, zonder dat hij ooit iets uitvoerde.Nog zou ik een anderen vorst leeren kennen, een regeerend sultan, althans nog in naam. Met een kennis had ik door bemiddeling van den Gewestelijken Secretaris belet laten vragen bij den Sultan van Ternate, daar ik nieuwsgierig was zoo’n Oostersch potentaatje eens te ontmoeten, terwijl daarmede tevens voldaan werd aan den beleefdheidsvorm, nu ik van plan was mij op zijn grondgebied te vestigen. Het uitblijven van de boot gaf hiertoe nog de gelegenheid en zoo verscheen dien middag, nadat ik van Tidore was teruggekeerd, buigend een afgezant van den Sultan voor het huis van mijn gastheer. Hij was gekleed in een lang wit gewaad, waarover een lange zwarten kaftan hing, terwijl een soort tulband zijn hoofd dekte. In hoffelijke woorden deelde hij mede, dat we den volgenden morgen om tien uur met veel vreugde door zijn Heer ontvangen zouden worden.Om tien uur reden we den volgenden dag het fort voorbij, de Arabische kampong door, waar de groote moskee of missigit stond, naar den Kedaton, het verblijf van den Vorst. ’t Was een vorstelijk verblijf van den zelfden graad als ik op Tidore had gezien, slecht onderhouden en niet meer dan een flink landhuis.Op het hooge bordes van de voorgalerij stond, toen we door de witte poort reden, die toegang gaf tot zijn erf, de Sultan met den mooien langen naam van As-soltan Tadjal-mahcoel bi’ inajat Allah al Nannan Siradjal-Melk Amirad-din Iskan dar Mouauwwar ac-Cadiq Mohamad Hadji Oesman Wahowa min-adilin Sjah. Op de hooge trap zagen we een bediende met den pajong verschijnen, waarna ook de Sultan op de hoogste trede verscheen, toen we die trap opgingen. Daar heette ons de kleine bruine man met zijn korte witte snor en witte baardje op het hartelijkst welkom en verzocht ons binnen te treden.In de groote binnengalerij, welke ook hier met geglazuurde keukenvloertegels was belegd, waarvan de wanden wit waren en met eenige groote gravures behangen, namen we om een groote ronde tafel plaats in armstoelen met Weener rieten zitting en dito rugleuning, waarvan er een vijftigtal langs de muren van de gansche binnengalerij stonden. De hormat, de eerbewijzen aan den gast bewezen, kon beginnen.Terwijl de Sultan zich uitputte in beleefdheidsbetuigingen, waarmee wij ook lang niet zuinig waren,brachten twee bedienden in Chineesch-porseleinen kopjes de koffie binnen, terwijl twee anderen met gebak en confituren verschenen, dat op kleine zilveren schaaltjes werd gepresenteerd. De Vorst zei bij het optillen van zijn kopje eenige vriendelijkheden, die met een Slamat eindigden, wat we op gelijke wijze beantwoordden.Hij zag er in zijn witte broek, zijn mauvekleurig vest met gouden knoopen, waarop de W met een kroontje, zijn zwarte jasje en witte overhemd, waarin een drietal groote knoopen waren, die elk een negental steenen bevatten, vrij dragelijk uit. Doch over zijn heele wezen en zijn kleeding lag het versletene, het vervallene van een verongelukt geslacht.Nadat we zoo een tijdlang hadden gezeten, verzocht hij ons eens met hem rond te wandelen.Tot nu toe was er iets vorstelijks geweest in de ontvangst door de Oostersche aangeboren hoffelijkheid, die den Sultan niet verlaten zou tot het laatste oogenblik; maar in hetgeen hij ons nu van zijn bezittingen liet zien was zoo weinig vorstelijks, zelfs weinig burgerlijks, neen eigenlijk iets armoedigs, dat het heel moeilijk werd de vereischte complimenten te maken. Doch we hielden ons taai en bewonderden zooveel we konden.We waren een donkere achterbinnengalerij doorgegaan, die er uitzag als een boerenstal en stonden nu in een achtergalerij met een pendoppo, waaromheen gewone bamboe kamponghuisjes waren opgetrokken.Begeleid door een bediende die den pajong boven het hoofd van den Toewan Sultan hield, wiens kruin bedekt was met een zwaren groenen doek, die, als een worst stijf in elkaar gedraaid, zoo op zijn kalen knikker was gelegd, begaven we ons naar buiten. Zijne Hoogheid wilde ons iets van veel belang laten zien, iets wat hij, volgens zijn zeggen, nog nooit aan een Europeaan had laten zien. Het zou de badplaats zijn van de dames van zijn huis.We gingen over het voetpaadje van een kleine weide en daalden toen een hoogte af, waarop we aan een heel kleinen vijver kwamen, waar aan eene zijde platte steenen aan den oever lagen. Dit heette de badplaats te zijn van de dames van dit hof, waarvan op dat oogenblik geen gebruik werd gemaakt.In zijn huis teruggekomen liet hij ons, op onze vraag naar zijn kostbaarheden, zijn schatten zien. Zij werden in de groote binnengalerij door zijn zoons en hovelingen binnengebracht en uitgestald. Op lange tafels lag daar al heel spoedig een groote massa zilveren voorwerpen, als helmen, tamboermajoorstokken, soepterrines, koffiekannen, heele serviezen, vingerkommen enz.; daarbij geweren in foudralen met goudgemonteerden met het Nederlandsche wapen, een krom Turksch zwaard met gevest en scheede van goud, een klok, horloges enz.Volgens den Sultan was bijna alles “present van het Gouvernement” en naar ik vermoed, ook nog heel veel uit de dagen van de Compagnie. Maar alles wat daar lag, was zoo beduimeld en vuil, dat het zilver op oud zink geleek en het goud geen goudglans meer vertoonde. Trouwens dat heele huis, al die menschen, die heele omgeving was beduimeld en ontbonden geworden door Oostersche indolentie.En toch trekt deze man nog jaarlijks een bedrag van ƒ 45.000.– uit de Landschapskas, waarop hij en zijn luie omgeving, uit ruim honderd menschen bestaande, voortvegeteert1.Toen wij eindelijk afscheid namen en verzochten ons respect over te brengen aan de Toewan Poetri (zijn wettige vrouw), verzocht hij ook zijn respect aan mijn vrouw in Holland, waarbij hij mij zeer op het hart drukte, toch vooral daarbij te vermelden hoe ik het bij hem had gevonden.Hij stelde zijn rijtuig tot onze beschikking, en na nog veel vriendelijke woorden en plichtplegingen, waarbij de Sultan ons tot het rijtuig uitgeleide deed, waren we ten slotte blijde een einde aan de reeks van hoffelijkheden te kunnen maken.Zeven dagen over haar tijd kwam na geduldig wachten eindelijk de boot binnen. Dit te laat komen der booten, dat de laatste jaren steeds was toegenomen, lag in hoofdzaak aan de beperkte havenruimte te Makassar, waar de schepen, om te kunnen laden en lossen, soms dagenlang moesten wachten. Doch ook het groot aantal passagiers en de massa’s goederen, die met deze lijn naar het steeds meer ontwakende Nieuw Guinea worden vervoerd, was daaraan schuld.Nieuw Guinea, waarvan we door vroegere rechten van het Sultanaat Tidore het westelijk gedeelte bezaten, was, sedert Duitschers en Engelschen van het oostelijk gedeelte bezit hadden genomen, in concurrentie met deze mogendheden het troetelkind van de Hooge Regeering geworden, waardoor er verschillende belangrijke militaire posten waren gevestigd. Buitendien bloeide er in die dagen de paradijsvogeljacht, die er veel gereed geld in omloop bracht. Zoodoende trokken vele kleine Chineesche en Arabische handelaren, van heele families vergezeld naar dit land, om te trachten daar met de primitieve bevolking voordeelige zaken te doen. Zulk een boot, die naar de Papoea2ging, wemelde dan ook, op het derde en vierde klasse dek, van mannen, vrouwen en kinderen, kisten, koffers en huisraad, waartusschen allerlei gedierte, als koeien en geiten, maar vooral kippen en nog eens kippen. Op de beide dekken, van den boeg tot aan de campagne, welke laatste voor de eerste klasse was gereserveerd, was dikwijls geen plaatsje onbezet; daar aten en dronken en sliepen die menschen, want voor de derde en vierde klasse passagiers waren noch kajuiten, noch hutten aan boord, ze werden in dit klimaat eenvoudig aan dek meegenomen, waar ze tegen zon en regen beveiligd overigens geen beschutting behoefden.Het embarkeeren met de talrijke bagage op die volgepropte boot eischte veel zorgen en tijd, en in ’t bijzonder was de onhandige prauw, die ten slotte in stroppen aan dek werd geheschen, een voorwerp van veel moeite en last. De beide trekossen, die door het smijten met kisten en balen, het ratelen van kettingen en het lawaai van menschen wild geworden waren, weigerden hardnekkig over de loopplank naar binnen te stappen. Ook hieraan werd tenslotte door den takel, die de beesten aan boord heesch, een einde gemaakt.Ruim 24 uur na haar aankomst vertrok in den nacht de “Camphuysen”. De lichtjes van Ternate verdwenen, de menschen en de plichten van het leven daar waren vaarwel gezegd en in den verfrisschenden nachtelijken zeebries, alleen op de campagne staande, keek ik naar den stillen sterrenhemel en genoot van het alleenzijn na ’t gejacht van een roezigen dag en de herrie van afscheid nemen.Missigit op Ternate.Missigit op Ternate.Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, lagen we stil en zag ik door de patrijspoort het strand en de huisjes van Wayaboela op Morotai, waar slechts eens in de twee maanden een boot aanlegt.We zouden hier den ganschen dag blijven liggen, om te laden en te lossen, om daarna in den avond naar Galela, een plaatsje aan de Oostkust van Halmaheira, te gaan, waarna vervolgens Tobelo zou worden aangedaan.Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).Met een Chineeschen handelaar van Ternate was ik de eenige passagier 1ste klasse, en deze man, bescheiden als die menschen zijn, kwam geen praatjes maken of mij op andere wijze hinderen. Het land kon me ook niet aanlokken; nog versch lagen me in het geheugen de nachten en de dag die ik hier had doorgebracht, en terwijl ik daar die schamele hutjes zag liggen onder de palmen aan het strand, waaronder ook het posthuis, en terugdacht aan die avonden en mijn gezelschap en degrammophoonen de tingel-tangelliedjes, dankte ik den hemel, nietgedoemd te zijn daar weer op die wijze te verblijven.Op de campagne gezeten, met een stapel mail-edities van de N. Rott. Crt., kwam er een genoegelijke Zondagmorgenstemming over me; een stemming waarin men gevoelt, dat men eens rusten mag en zich geheel mag overgeven aan ’t genot onzer aangeboren menschelijke inertie.De kost, dien de courant gaf, was in mijn gemakzucht nu juist wat ik verlangde. Van allerlei en van den hak op den tak, berichten uit Holland, correspondenties uit de hoofdsteden van Europa, boek-, muziek- en schilderijencritieken, alles dwarrelde weldra in mijn hoofd dooreen. ’t Eene interesseerde me erg, ’t andere nauwelijks; er werd van alles even aangeroerd, totdat ik las van menschen die ik kende. Uit vergeten hoekjes kwamen me dingen van vroeger voor den geest en peinzend keek ik over het blad, over de verschansing en zag dan de kronen der palmen in den zachten zeebries wuiven. Ik dacht weer aan Holland, aan Europa, aan alle cultuurgenietingen, aan het superieur menschelijke dat men daar vindt en dat men in Indië op elk gebied moet missen.Meer van Duma bij Galela.Meer van Duma bij Galela.Het totaal gemis daarvan geeft aan bijna allen, die hier langen tijd verblijven, dien nuchteren, platten, zinnelijken kijk op de dingen, die den Indischman spoedig eigen wordt. Men wordt in Indië materialist. Als practicus kan men zich in Indië verdienstelijk maken, als man van de daad vindt men er een uitgestrekt arbeidsveld. Macht en geld zijn er in aanzien; het wordt er meer geteld en zwaarder gewogen dan in Europa, waar ook ontwikkeling en gezindheid nog meedoen. Men kent in zulk een jonge maatschappij van realisten, waar allen zich met alle zintuigen op de practijk richten, de hoogere waarden nog niet of wil ze niet kennen—die geestelijk vereenigend en troostend staan boven den dagelijkschen strijd met de werkelijkheid.Slechts in Europa, dat genieën voortbracht, is iets van dat superieure door alle lagen van de maatschappij gedruppeld; tot in alle lagen is iets van dat hoogere doorgedrongen en dringt er in door en heeft ongemerkt mildere en betere waardebepalingen gegeven. Het streven naar geld en macht gaat in Indië onbeschaamder, de bezitters er van gevoelen zich meer, wijl ze geen hinderpalen ontmoeten en zich absoluut den meester weten. Er is om zoo te zeggen geen middenstof, die matigt. Er zijn in kunst en wetenschap geen intelligenties, die zich meer en hooger voelen dan de rijkaards en de machthebbers; er zijn geen onafhankelijke sceptici die hen glimlachend in de oogen durven kijken, er zijn geen philosophen, die hen koelweg passeeren.In het Indische landschap ontbreken tusschentinten en overgangen, die het fijn en nobel en gecompliceerd maken, zoo ontbreken in de Indische maatschappij die overgangen ook, waardoor zij grof en plat en primitief is. Komt in die maatschappij nu nog het kleurlingenbloed een hartig woordje meespreken, dan mogen de vormen en de vormelijkheid blijven bestaan, waaraan deze menschen met een zonderling point-d’honneur vaak overdreven hechten, maar aan allegemoedelijkheid, stemmigheid en mildheid is voor goed een eind gekomen.Natuurlijk zijn er in Indië velen, die met den geest der massa worstelen, maar zij verliezen nog en zijn de eenzamen, die hongeren naar ’t geen hun het dierbaarst is.Het gaat den Hollander, wat Indië betreft, in dit opzicht niet als met de vreemde landen van het westersche Europa, waarheen hij, door natuur en cultuur van den eersten dag dat hij er een voet zette getroffen, gaarne wederkeert in steeds stijgende verrukking en bewondering en ruimere ontplooiing zijner geestelijke krachten. “In Indië gaat men achteruit,” is in het land zelf een algemeen gezegde, dat men telkens hoort en ik voelde het aan alles bewaarheid. Noch de natuur, noch de samenleving schenkt ons het noodige geestelijke voedsel tot verrijking van onzen geest. Alleen de man van de daad vindt er expansie en bevrediging voor zijn streven. Slechts om den waarlijk grootschen en ruimen werkkring, dien de man zich hier op jeugdigen leeftijd reeds kan scheppen, om die vrije ontplooiing van mannelijke krachten, om die behoefte aan den wijden practischen blik, die hier onontgonnen arbeidsvelden vindt op allerlei gebied, zou ik Indië voor den flinken Hollander willen prijzen en hoogelijk willen prijzen; doch slechts voor hem, en ook daarom alleen.Morgen wachtte me weer de daad, morgen zou ik de wouden weer ingaan en zou ik weer kampen voor het voortbestaan eener cultuuronderneming in haar prilste jeugd. Ik wist, dat hetgeen we deden in verhouding tot andere daden in Indië volbracht gering was, doch ik was overtuigd dat hetgeen we deden voor de toekomst dezer verre streken van de grootste beteekenis zou kunnen zijn. Het was den eersten steen leggen van een cultuuronderneming in dit deel van den Archipel, het was het voorbeeld geven van een kunnen en slagen van het Hollandsch kapitaal op den vruchtbaren, tot nu toe bijna ongerepten bodem van Halmaheira. Het was de uitvoering dezer daad, die me hier boeide, die mijn belangstelling had en waarom ik vrede had met mijn tijdelijk verblijf alhier.Toen we den volgenden morgen reeds vroeg voor Galela lagen, verscheen na eenigen tijd een reeds oudachtig heer aan boord. Hij had de eigenaardig slappe wangen en het vaalgele teint, waaraan men de weinige oude Hollanders, die men in Indië ziet, herkent. Hij liep gesteund door een stok, daar een zijner beenen krom en krachteloos bleek als gevolg eener vroeger opgedane blessuur. Zijn zonnehoed was van een vreemd model en toonde sporen van een jarenlang gebruik, zijn mond was bezig tandeloos te worden, maar achter zijn brilleglazen fonkelden nog een paar zachte, vriendelijke oogen, die eenigszins verbijsterd in het rond keken, toen hij van de hooge scheepstrap, die langszij hing, op het dek verscheen. Het was de oudste zendeling dezer streken, een geleerde, een taalkenner. Men herkende terstond in hem een goed, eenvoudig mensch, een liefdevol gemoed, een die ondanks zijn eenzaam leven zijn blijmoedigheid niet had ingeboet. Zoodra hij mij zag trad hij, hoewel wij elkaar nog niet kenden, op mij toe, daar hij wel vermoedde wie ik was. Een luidruchtig gesprek begon en menige schaterlach weerklonk weldra over het dek, waartoe de oude heer met zijn vroolijke belangstelling telkens aanleiding gaf. Daar ook Galela slecht eens in de twee maanden door de boot werd aangedaan en hij ver van elke nederzetting van blanken woonde, had hij in weken geen Europeaan gesproken. In Duma, een uur landwaarts in aan het meer van Galela, waar het water meehelpt het landschap te flatteeren, woonde hij met zijn vrouw en kind, met zijn goeroe’s en zijn kleine christengemeente in een prachtige omgeving, niet geplaagd door het geroezemoes van een drukke moderne samenleving, in het gelijkmatige tempo van de steeds weerkeerende plichten van zijn zendelingenhuis en in het kalme geluk der vreugden van een taalgeleerde.Hij wilde het reisje met de boot naar Tobelo meemaken, om den volgenden dag per prauw naar zijn standplaats terug te keeren. Als oudste der zendelingen had hij de verplichting, de tractementen en de overige gelden voor de zendingsposten, die door de boot in één bedrag aan papier en zilver waren meegenomen, te verdeelen en van hier verder te verzenden. Voor dit werkje trok hij zich in den salon terug en weldra vernam ik van daar het geklikklak der ringgits.Na eenige uren voor Galela op de ree te hebben gelegen, gingen we weer onder stoom, om tegen den middag voor Tobelo het anker te kunnen laten vallen.Intusschen zetten we ons aan den lunch, waar het gesprek onder leiding van den zendeling met den kapitein en den stuurman, die mede aanzaten, weldra zeer druk werd. Doch het duurde niet lang of de vrede zou verstoord worden. De stuurman, die, als zooveel menschen in Indië, de zending en de zendelingen nu eenmaal niet kon uitstaan, had zich in den loop van het gesprek schampere opmerkingen over hen in ’t algemeen laten ontvallen, wat door den zendeling niet onbeantwoord was gebleven. Het kwam nu van het een tot het ander. De brave oude heer, die zijn menschen niet voldoende scheen te kennen en met zijn eerlijk hart ook geen diplomaat genoeg was om te zwijgen, ontwikkelde daar de redenen van zijn rotsvast geloof, waarbij hij met zijn trouwe oogen den stuurman aankeek alsof hij niet anders verwachtte dan dat deze man nu toch wel met zijn denkbeelden zou instemmen. Deze echter, die geen fijngevoeligheid of medelijden kende, maakte hem met zijn zekere weten voor een zieligen stumper uit. In plaats van te zwijgen ging de arme man trillend van zenuwen, waar hij op zulk een wijze in het diepste en heiligste zijner overtuiging werd aangevallen, voort en verkondigde daar, zooals hij tegenover zijn goeroe’s en zijn christengemeente steeds zonder tegenspraak gewend was, in een stijgende extase, wat hij voor onomstootelijk waar hield.Ik hield mijn hart vast, toen ik keek naar het gezicht van den stuurman, waarop de schamperheid met onmeedoogendheid afwisselde. Daar was van dezen man een antwoord te verwachten op deze met veel overtuiging gedane belijdenis, zoo pijnlijk kwetsend als slechts te vinden was om daarmede zijn tegenstander voor goed den mond te kunnensnoeren. Het bleef dan ook niet uit, en kort en goed schreeuwde hij den zendeling, die alles zoo zeker wist en verklaarde, in het gezicht, dat hij een arrogante en pedante ezel of idioot was; de keuze liet hij aan hemzelf over.De arme man was nu inderdaad sprakeloos; hij hijgde naar adem en trilde over zijn gansche wezen over zulk een beleediging niet hem; maar zijn overtuiging aangedaan. Ik had deernis met den ouden heer, die nauwelijks zijn veilige knusse hoekje had verlaten, en in de eerste aanraking met de groote wereld daarbuiten, op zulk een wijze zijn hoofd stootte.Maar iets van eigen schuld aan zulke pijnlijke ervaringen in hun ontmoeting met de buitenwereld ligt bij de zendelingen zelve, daar zij, voor een groot deel voortgekomen uit den kleinen burgerstand, waar de gezichtskring niet bijster groot is, maar al te vaak verbeelden beter te zijn dan anderen, en alles wat buiten hun wereldje ligt, in hun geborneerdheid, als één brok zonde vaak liefdeloos verafschuwen. Wie echter een jaar lang achter de schermen dezer kleine wereld heeft kunnen kijken, zal eerbied hebben gekregen voor hun beginselvastheid en voor hun ingetogen levenswijze, maar hij weet tevens, dat hier niet minder afgunst en niet meer christelijke liefde heerscht dan elders, terwijl weer andere fouten, die men in de groote wereld niet zoo kent, in dit wereldje dikwijls leelijk om den hoek komen kijken. En tout cas le diable ne perd rien.
Het vooruitzicht om als eenig Europeaan een kalme 24 uren aan boord van het bootje te zullen doorbrengen, was me niet onaangenaam. Op een gemakkelijke bank op de brug gezeten, waar de inlandsche kapitein naast den roerganger aan het stuurrad stond, tuurde ik over de zee en langs de lange kust, die zich aan bakboord naar het Noorden uitstrekte. De overgang van het dagelijksch verblijf in het schemerlicht en het beperkte uitzicht van het oerwoud, van ’t meten en roepen en draven door versch geslagen rintissen, waar men telkens strompelde over boomstronken en wortels, in gezelschap van halfnaakte kerels, naar het volle licht aan boord, met het verre uitzicht en de frissche zeelucht, gevoegd bij de comfortable netheid der inrichting van het scheepje, was zoo allerkostelijkst, dat ik me eerst eens onverdeeld aan die indrukken overgaf.
We zouden om de noordpunt van Halmaheira varen en den nacht in een beschutte baai van de Loloda-eilanden voor anker gaan, om den dageraad van den volgenden dag af te wachten, daar strenge orders den kapitein verboden zich ’s nachts met het kleine vaartuig op zee te wagen.
Nog in ander opzicht was het me niet onwelkom, de sfeer van Tobelo voor korten tijd vaarwel te kunnen zeggen. Zooals op zoovele buitenposten, waar weinig Europeanen te zamen zijn, heerschte ook hier een atmosfeer van spanning tusschen de families der blanken, die op den duur onhoudbaar moest worden. Tusschen het huis van den civiel-gezaghebber en dat van den oudste der zendelingen was een wrijving ontstaan, die zich uitte in wederzijdsche tegenwerking en een drukke, onverkwikkelijke correspondentie, die den onstuimigen bestuursambtenaar tot het uiterste prikkelden en hem meer dan eens den uitroep ontlokte: “Hij of ik! maar een van ons beiden moet hier weg!”
Het kostte den onpartijdigen toeschouwer, die uit den aard der zaak met beide families veel verkeerde en die met geen van beiden in onmin wenschte te leven, heel wat zelfbeheersching om tusschen dien strijd van inzichten, belangen en beuzelingen door te zeilen.
Waar de voorwaarden voor een wrijving tusschen twee uiteenloopende en zoo dicht bijeen wonende families, in die mate aanwezig waren als hier, daar had hetuitbreken van den strijd slechts op de onbeduidendste aanleiding gewacht. Het uitblijven van een tegenbezoek, dat de dames van den civiel-gezaghebber van de vrouw van den zendeling verwachtten, was indertijd voldoende geweest om een klove te doen ontstaan, die nu niet meer te overbruggen was.
Hoe dan ook, de conversatie te Tobelo had er dikwijls een minder aangenaam karakter door gekregen, en zoo was ik dubbel verheugd voor korten tijd de menschen en hun eindeloos gekibbel vaarwel te kunnen zeggen en mij ongestoord aan de natuur te kunnen overgeven. Een lang ontbeerde rust kwam over me, toen ik daar op de brug, naast de twee rustige inlanders, langzaam voorbij den oever gleed, waar de huisjes van Tobelo onder het zware groen nauwelijks te ontdekken waren. Verder varende, zwierf mijn blik over de eindelooze zee, langs de dichtbegroeide kust en over het onherbergzame, bergachtige binnenland van Halmaheira.
Morotai had met zijn bergen schemerachtig in de verte gelegen, doch werd steeds duidelijker, nu we de zeeëngte naderden en de geheel open zee voor den boeg lag, die met een geweldige branding op de sombere noordpunt van Halmaheira beukte. De kust werd hier kaler en was steil en zonder strand. De boomen, die er stonden, waren verwaaid met afgeknotte kruinen, en beroofd van takken door de felle noordenwinden, die zoo dikwijls op deze kust stonden.
Het is een bekend feit, dat de kracht der winden en hun richting in den geheelen Archipel zeer onderhevig zijn aan den invloed van de verdeeling van land en water. In de zeegaten kan het hard tochten en op de binnenzeeën kan een volle bries staan, terwijl aan land nauwelijks wind te bespeuren valt. Zoo ook hier. De Nora, eerst zoo kalm, begon nu in het ruime sop op en neer te dansen dat het een aard had. Bij zulk een bries kan men op de Indische wateren toch nacht en dag, desnoods alleen in pyjama gekleed, aan dek blijven zitten zonder een oogenblik bevreesd te zijn voor te groote afkoeling. De kostelijke verfrissching, die men dan in de gelegenheid is op te doen, staalt opnieuw de door de hitte slap geworden zenuwen en spieren, en door de dunne kleeren neemt het geheele lichaam aan het opwekkende luchtbad deel.
Het was reeds tegen den avond toen we de beschuttende baai van een der Loloda-eilanden invoeren en in doodstil water voor anker gingen liggen, om bij het krieken van den dag de reis voort te kunnen zetten. Toen het donker werd schitterden lichtjes tusschen de boomen op het strand. Zij kwamen van een kampement van houthakkers, Sangireezen en Talauters, die hier met hun korte zware bijlen de dikke harde ebbenhoutboomen omhakten en kloofden, en gereedmaakten ter verzending naar Europa.
De nachtzang van insecten, die uit de wouden rondom de baai tot ons doordrong, zong me in slaap en duurde den ganschen nacht door, ja was nog niet geheel verstomd, toen ik, op mijn kooi in het geriefelijke dek-kajuitje, reeds werd gewekt door het lawaai der voorbereidende maatregelen voor ons vertrek.
Reeds, toen het nog volop nacht was, was ik weer aan dek. Nog lagen de oevers van het eiland in het pikdonker en glom de zee en schitterden de sterren en straalden de lichten aan boord hun bundels de duisternis in, doch elk oogenblik kon de dag worden verwacht. ’t Vooruitzicht het zonlicht te zien rijzen op dezen morgen van alleenzijn, zonder ’t praten en ’t willen van menschen om mij heen, deed me in stijgende blijdschap de dingen die komen zouden afwachten en meeleven.
Een nauw verbleeken van den donkeren wand aan de oosterkim—en de ankerkettingen ratelden reeds en de schroef sloeg het stille water bruisend onder de achterplecht weg. Het schip kwam in beweging, draaide zijn kop naar den uitgang der baai, den kant naar de zee op.
Daar zag ik het krieken van den morgenstond uit Vondel’s Palamedes voor me; de sterren vluchtten en de Titaan rees.
Het dun gezaeit gestarnt verschietZijn’ glans, en gloeit zoo vierigh niet.De schaduwe is aen ’t overleenen.De morgenstar drijft voor zich heenenDe benden van het hemelsch heir.De voerman van den grooten Beir,Op dat hij zijne beurt verwissel’,Vlught heen met omghekeerden dissel.De gouden Titan rijst alreeMet blaeuwe paerden uit der zee.
Het dun gezaeit gestarnt verschiet
Zijn’ glans, en gloeit zoo vierigh niet.
De schaduwe is aen ’t overleenen.
De morgenstar drijft voor zich heenen
De benden van het hemelsch heir.
De voerman van den grooten Beir,
Op dat hij zijne beurt verwissel’,
Vlught heen met omghekeerden dissel.
De gouden Titan rijst alree
Met blaeuwe paerden uit der zee.
Helios, de zonnegod, rees, vierigher dan Vondel hem ooit had mogen zien rijzen en sneller ook. De kleuren en kleurschakeeringen, van violet tot goud-geel, in het wazige van de onderlucht en aan de randen van wolken en wolkjes, wisselden onophoudelijk tot dat één licht alles overstraalde. Toen losten de nevels, die over het land en hier en daar over de zee hingen, zich op en rafelden uiteen, en spoedig schitterde en tintelde en blonk alles zoo van licht, dat men beschutting moest zoeken tegen den al te fellen gloed.
Aan de steile, hier bijna onbewoonde kust van Halmaheira, die we steeds aan bakboord hielden, terwijl wij nu naar het Zuiden koersten, was een zendingspost gevestigd. Na lang zoeken werd het dak van het eenzame huis gevonden, dat aan een kleine baai gelegen, soms maandenlang geheel van de buitenwereld was afgesloten. De branding door de aanhoudende noordenwinden veroorzaakt, stond dan zoo hevig op de kust, dat geen prauw het waagde haar te naderen, terwijl van de landzijde de communicatie met het binnenland zoo goed als onmogelijk was. Voor een zendingspost leek deze plek, die men Doroemé had gedoopt, wel zeer slecht uitgekozen, doch de zendeling zelf scheen er anders over te denken.
Na de koffie en het ontbijt zocht ik mijn plaats weer op naast den kalmen kapitein op de brug. Hij wees me op een groote zeekaart eenige interessante punten en moeilijke passages, doch van een geregeld gesprek kon niet veel komen, daar ik het Maleisch, het Volapuk van den Archipel, nog niet voldoende machtig was.
Goed beveiligd tegen de stralen der zon, nam ik mijn boek en was spoedig verdiept in Haagsche toestandenen las van menschen, die aan nevrose leden, die met hun vezel-fijne zenuwen voorbeschikt waren aan levenssmart en levensweemoed te gronde te gaan. Opziende zag ik dan de woeste kust van het eiland en voelde me als vaneengereten door de uitersten die op mij afkwamen, en ik vroeg mij af, of ik wel goed deed onder deze omstandigheden boeken onzer overbeschaving te lezen, waarbij ik Holland weer zoo duidelijk voor me zag, en waarbij verlangens wakker werden, die den geest te zwak maakten tegenover de woeste natuur en de menschen, die mij omringden.
Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).
Vogelnestgrot te Rau bij Morotai. (Phot. Baretta).
Zag ik het fijne, wisselende mooi van ’t Hollandsche landschap in gedachten voor me en dan opziende deze omgeving, dan ging er een siddering van verlangen door mij heen, en weemoed en heimwee overvielen me. Dacht ik aan den strijd met menschen, die mij in mijn kwetsbare positie te wachten stond en dien ik voelde komen, dan had ik wel de neiging om, zoo niet het brute naar buiten te keeren, dan toch in elk geval het fijnere gevoelsleven niet te zeer te laten spreken. Doch een neiging tot humor overstemde die vrees, en met een glimlach, die onwilkeurig opkwam, herstelde ik mijn zelfvertrouwen en durf, om met die grootere gevoeligheid, te zamen met den breederen kijk, menschen en dingen onbevreesd tegemoet te gaan.
“Die Menschen fürchtet nur, wer sie nicht kennt”. Welaan, kende ik ze niet en zag ik ze niet aan hun ondeugden en hartstochten, als harlekijnen aan de touwtjes dansen, gevaarloos zoolang men ze herkende? Bemerkte ik hun zwakte en hun zwakheden niet?
Tegen den middag naderden wij de vulkanen, die we reeds eenigen tijd in de verte hadden gezien en passeerden de zuidelijke Loloda-eilanden. Op een dezer eilanden, met den tongbrekenden naam Kahatollolamo, was, terwijl we passeerden, een klapperaanplanting te zien, die er weinig florissant uitzag. De stammen der boomen waren schraal, de kronen dun en de vruchten ontbraken totaal. De oorzaak was niet ver te zoeken. Op een rotsachtigen ondergrond, waarop zich slechts een dunne aardlaag had gevormd, waren deze boomen geplant, de wortels hadden daardoor geen vat en konden niet voldoende voedsel vinden. Toch was men nog met ontginnen bezig en waren er op verscheidene plaatsen nog jonge boompjes te zien. Armoedige inlanders, voor ellendige hutjes staande, keken de Nora na. Een zeldzaam schouwspel voor hen, daar het vaarwater hier tusschen de eilanden nooit door groote booten werd bezocht.
Van hier tot bij den vulkaan van Ternate, die in de verte reeds was te zien, bestond het land uit een opeenvolging van uitgedoofde vulkanen, waartusschen soms kleine vlakten lagen, die met klapperboomen waren begroeid.
Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).
Afknippen van het hoofdhaar van een christen geworden Alfoer. (Phot. Baretta).
Om vier uur liet de Nora op de reede van Ternate haar stoomfluit hooren, waarvan het geluid door de wanden van den vulkaan werd weerkaatst en aan het gansche plaatsje verkondigde, dat zij van haar reis was weergekeerd. Ieder wist ook aanstonds, dat het de Nora was en geen ander schip, want wiehier een korten tijd had gewoond, had geleerd de verschillende tonen der fluiten van de geregeld binnenvallende stoomschepen van elkander te onderscheiden.
Mijn plan was weer mijn intrek in het hotel te nemen, waar een eerwaardige dame, in de wandeling Tante Carolien genoemd, haar scepter zwaaide en haar gasten tegen goede betaling op een vuile inrichting en slecht eten onthaalde. Van klachten nam zij niet de minste notitie, overtuigd als zij was, dat zij uitstekend voor haar gasten zorgde. Klaagde men herhaaldelijk over vuilheid, onzindelijkheid enz. dan werd men verzocht het hotel te verlaten en elders een goed heenkomen te zoeken. Daar het in deze dagen het eenige hotel te Ternate was, was men wel genoodzaakt alles maar voor lief te nemen. Een der heeren gasten, die er langen tijd verblijf had moeten houden, had, om zich te beschermen tegen de aanraking van het altijd vieze voorwerp in de eenige W.C., die in een onbeschrijfelijken toestand verkeerde, een grooten houten bril laten maken, die door zijn jongen voor het dagelijksch bezoek van mijnheer werd vooruitgedragen. Na afloop zag men den jongen weer, met den bril onder den arm, naar de kamer van mijnheer stappen, waar deze uitvinding zorgvuldig werd opgeborgen. Steeds nam een der nieuwe heeren gasten dezen bril dankbaar als geschenk over, en misschien zal hij er nog zijn nuttig werk verrichten.
Met het prettige vooruitzicht voor tenminste een veertiental dagen de gast van Tante Carolien te moeten wezen, reed ik in een der horribele sadotjes langs den strandweg naar het hotel, toen ik een mij bekend Hollander in de voorgalerij van zijn huis zag staan, die mij in het voorbijgaan toeriep: “Kom hier logeeren!”
Het aanbod van den jonggezel-zakenman was, in het vooruitzicht van slechte kost en onzindelijkheid, te verlokkend om het af te slaan, en zoo liet ik mijn bagage hier brengen en zat spoedig met mijn gastheer en nog een Hollander, die tijdelijk bij hem inwoonde, onder de voorgalerij op gemakkelijke rieten stoelen rondom een dito tafeltje met marmeren blad.
Daarmee was ik aan het Indische jongeluis-leven van de Buitenbezittingen overgeleverd, dat zich toentertijd in Ternate voor een groot deel onder die voorgalerij rondom dat tafeltje met het marmeren blad concentreerde, waarop de sherry met de pait (jenever) en de whisky-soda, het praten met de kaarten en met de boeken van de leestrommel afwisselde.
Onze gastheer, die reeds 16 jaren aaneen in Indië verblijf hield, was wat men noemt verindischt, en voelde zich daarbij bon-vivant grand-seigneur, en leefde als zoodanig. Zijn levensopvattingen waren zoo breed geworden, dat alle beperking hem vreemd en hinderlijk was. Hij leefde naar zijn lusten en geheel zooals het hem inviel. Het kon zijn, dat hij ’s avonds om half tien reeds naar bed ging, doch het kon ook gebeuren, dat hij tot het opgaan der zon onder zijn voorgalerij zat. Het middageten, dat om 1 uur heette te beginnen werd soms, wanneer mijnheer gezellig zijn paitjes dronk en van alles en nog wat te vertellen had, tot 4 uur uitgesteld. Den eenen dag at hij bergen rijsttafel, wat hij met veel bier naar binnen spoelde, of legde over een sneedje brood een halve worst, of wierp er een halven pot jam over uit, en den volgenden dag at hij bijna niets en walgde van alles wat eten en drinken was. ’t Kon zijn dat hij een of twee, soms drie dagen niets dronk, maar daarna kon die matigheid tot de meest toomelooze onmatigheid overslaan, waarbij in gezelschap van bezoekers, kapiteins en passagiers van binnenvallende stoombooten, karaffen jenever, flesschen sherry en whisky het moesten ontgelden. Goedmoedig, en royaal voor zichzelf en anderen, bleef hij dit ook wanneer hij veel gedronken had.
Daar Ternate, toen nog zonder telegraaf, tusschen de komst der verschillende booten soms dagenlang van alle berichten van de buitenwereld verstoken was, had hij, daar hij zakenman was, soms ook dagenlang niets te doen, of maakte hij het in elk geval zich dan niet druk. In een paar uurtjes, van 9 tot 12 des morgens, was zijn werk afgeloopen; de overige uren konden besteed worden aan praten, lezen, eten, en aan drinken en kaartspelen.
Nu was ik wel het slechte eten en de onzindelijkheid bij Tante Carolien ontloopen, maar daarvoor werd nu voor een groot gedeelte beslag op mijn vrijheid gelegd. Des morgens, na het opstaan, in de binnengalerij aan de schrijftafel van mijn gastheer gezeten om hoog noodigecorrespondentieaf te doen, duurde het vaak niet lang of hij en zijn huisgenoot kwamen in bont gekleurde pyjama’s uit hun slaapkamers te voorschijn en drentelden begeerig naar conversatie, al praatjes makend tot het ontbijt onder ’t genot van de morgenkoffie in de binnengalerij op en neer.
Om twaalf uur thuis komend, was mijn gastheer geen man om zijn gasten aan het werk te zien, hij vond dit belachelijk, terwijl het niet strookte met zijn breede opvattingen en met zijn behoefte aan gezelschap.
In mijn werk gehinderd, in een dagelijksche sfeer van gezellige vervelendheid en van herhaalde braspartijen, zou het me niet onaangenaam zijn geweest mijn tijd hier te hebben kunnen bekorten en naar Tobelo terug te keeren. Doch tijdbesparen en zaken afdoen was iets, waarvan men in dezen uithoek, ook onder heele en halve Europeanen, nog niet veel weten wilde. Het leven te Ternate was overigens in dien tijd niet ongezellig. De soos werd wel, wegens veeten uit vroegere jaren, door ambtenaren en officieren geboycot, doch daar stond tegenover dat men de gezelligheid elders zocht. In den namiddag was er steeds een samenkomst op het tennisveld in het oude groote fort, waar men de families kon ontmoeten, die door vriendelijke uitnoodigingen nogal eens afwisseling brachten in de reeks avonden onder de voorgalerij bij mijn gastheer.
Menige goede herinnering is mij bijgebleven aan avonden daar bij beschaafde menschen “en famille” doorgebracht, waarbij ik dan eens weer den weldoenden invloed van een geregelde Hollandsche huishouding ondervond.
Zoo werd er Kerstfeest gevierd bij den dokter op het fort, waar een Kerstboompje stond, dat kunstig nagemaakt, heel goed den indruk van zoo’n sparreboompjeweergaf. Er zongen kinderen Kerstliedjes en er werden geschenken rondgedeeld. Wel was het heel anders dan het stemmige Kerstfeest, dat ik een jaar te voren in eigen kring tusschen de Zwitsersche bergen had gevierd. Doch het “Stille Nacht, Heilige Nacht” en het besneeuwde boompje deden, ondanks de warmte van den tropischen avond en der geheel tropische omgeving, niet zonder weemoed de herinnering aan dien tijd weer levendig worden.
Zoo gaf ook de komende Oudejaarsavond aanleiding tot een feest, dat echter onder leiding van mijn gastheer in geheel andere stemming gevierd zou worden. Deze, die den laatsten tijd veel vriendelijkheden van de Europeesche kolonie had ondervonden, wenschte die te beantwoorden en daarvoor koos hij dien avond uit. Hij wenschte een feest te geven naar zijn smaak en op zijn breede wijze, dat wil zeggen, dat er gegeten en gedronken zou worden in hoeveelheden zoo groot als voor menschelijke magen en vooral voor dorstige kelen maar mogelijk was.
Het feest zou beginnen met een reusachtigen bowl, daarna champagne, en voor de liefhebbers whisky, bier en cognac na. Hij zag als in een droom zijn voorgalerij in een slagveld van menschen en flesschen herschapen, hij droomde zich een Nero-genoegen, een bacchanaal en zijn persoon als held te midden daarvan.
Nooit had ik hem nog zoo in de weer gezien als in de dagen die aan dit feest voorafgingen. De krossi-malas (luie stoel), een zeer gemakkelijke dekstoel, waarop hij anders heele dagen met zijn corpulente lichaam lag, was nu herhaaldelijk onbezet. Hij draafde van den een naar den ander, zette allerlei menschen, leveranciers, kennissen en bedienden in beweging voor het groote feest, dat komen zou. Ook de dames moesten meehelpen om voor eenige groote schotels te zorgen, waarvoor hij de ingrediënten leverde. Zijn stemming was monter en opgewekt in het vooruitzicht van de geweldige fuif, over welker arrangement hij, terwijl hij zich van louter verrukking op zijn dikke dijen sloeg, maar niet uitgepraat was.
De bowl, waarmede dit feest beginnen zou, zou in groote tumblers geschonken worden, zoodat deze koele drank de meeste gasten als ’t ware als een verkwikking zou overrompelen, opdat de stemming spoedig bij allen de hoogte zou hebben bereikt, waarop hij zelven zoo graag verkeerde. De glazen mochten geen oogenblik leeg wezen en hij zou zijn gasten zoo animeeren, dat er al spoedig geen nuchtere gast meer over was. De champagne zou bij stroomen vloeien; slechts maakte hij zich bezorgd, dat er op het kleine Ternate niet voldoende van dezen drank voor zijn grootsche plannen aanwezig was. De morgen na de fuif zou dan de zon het geheele gezelschap nog onder zijn voorgalerij bijeen vinden. De dames hadden hem ook toegezegd zijn jonggezellenwoning te zullen bezoeken, waarbij hij ook van haar verwachtte, dat zij zich niet onbetuigd zouden laten.
In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).
In de voorgalerij van het jonggezellenhuis te Ternate. (Teekening H. R. Roelfsema).
Terwijl we daar op een namiddag zoo luisterden naar de plannen van onzen gastheer, hoorden we de fluit van een stoomboot en zagen we de boot, die van Nieuw Guinea terugkwam (de zgn. Papoeboot), en die dus gisteren Tobelo had aangedaan, over het spiegelgladde water de reede van Ternate binnenglijden.
Even daarna, terwijl de boot nauwelijks aan den steiger was gemeerd, zag ik, tot mijn niet geringe verwondering, Verster met driftigen pas over den strandweg naderbij komen. Mij ziende, stoof hij de galerij binnen, om opgewonden te vertellen, dat hij het in Tobelo niet langer had kunnen uithouden, daar er geen man meer op het werk kwam, waardoor hij tot stilzitten was gedoemd. Hij wilde nu zelf naar Menado om koelies te halen, daar hij den koeliewerver, dien we daarheen hadden gezonden,ook niet meer vertrouwde. Zijn voortvarendheid was in alle opzichten te billijken, maar deze zou op Ternate weer terstond worden gestuit, daar hij eerst een bootgelegenheid voor Menado diende af te wachten. Zoo vermeerderde hij dan het gezelschap voor het nabije Oudejaarsavondfeest, daar zich voor dien tijd wel niet meer een gelegenheid voor vertrek zou opdoen. Van den nood een deugd makend, vergat hij spoedig de stilte van Tobelo en gaf zich geheel over aan de geneugten van het Indische leven op zoo’n klein plaatsje.
De Oudejaarsavond kwam. Reeds den dag te voren was er door eenige heeren uit louter voorpret meer genoten dan goed was geweest, en zoo was ook bij onzen gastheer op den dag zelven het allerergste vuur reeds gebluscht. Dit verhinderde toch niet, dat er den ganschen dag hard werd gewerkt aan den bowl en aan ’t klaarmaken van schotels, aan ’t verkrijgen van voldoende glaswerk, borden, messen, vorken enz. en dat het een gedraaf van belang werd, om op tijd met de geheele voorbereiding van het groote feest klaar te komen.
Maar het was dan ’s avonds eindelijk zoover. In de voorgalerij stonden twee lange rijen stoelen, in het midden waarvan tafeltjes waren geplaatst, waarop sigaren en sigaretten, aschbakjes en lucifersdoosjeswaren neergezet. In de binnengalerij hadden de bedienden schotels en glazen klaar gezet, terwijl in het midden de groote bowl, die herhaaldelijk zou kunnen worden aangevuld en die met ijs koel werd gehouden, was geplaatst. In de achtergalerij stond een lange tafel gedekt voor het souper; daar had de champagne in de ijskist een plaatsje gevonden en zwoegde het buffet onder massaas glazen en stapels borden; ook brandden daar voor dezen avond twee groote petroleumlampen, wat vóór dien nog nooit het geval was geweest.
Met ongeduld werden nu de gasten gewacht, alles was gereed om hen te ontvangen.
Weldra zagen we in het donker de eerste witte gedaanten verschijnen, waartusschen eenige lichte japonnen, en toen eenmaal de eerste gasten er waren, was weldra het gansche gezelschap compleet. De resident had zich wijselijk laten verontschuldigen, zoo ook eenige andere genoodigden, maar de gastheer kon toch tot zijn vreugde vaststellen, nooit zooveel Europeanen te Ternate bijeen te hebben gezien. Een boot van de Nord Deutsche Lloyd, die op den Oudejaarsdag was binnengevallen, vermeerderde met den kapitein van het schip het aantal gasten nog met een, en hij bleek een gast te zijn aan wien dergelijke feesten zeer besteed waren.
De presenteerbladen met volle tumblers gingen rond en ieder verwonderde zich over zulke groote bowlglazen, die in normale gevallen voor bier werden gebruikt, maar onze gastheer zeide, dat het een zeer onschuldig en verfrisschend drankje was, en als bewijs daarvan dronk hij zijn eersten tumbler in één teug leeg. De kapitein volgde zijn voorbeeld, en zei dat hij het heel lekker; maar toch wat een kinderachtig en flauw drankje, vond. Een tweede glas werd weldra door een ongeteld aantal gevolgd. De stemming rees, de gastheer dronk zijn gasten herhaaldelijk een prosit en ad fundum toe, waarvan hij zelf de gevolgen steeds meer ondervond. Na eenige uren zat hij reeds verslagen op zijn stoel, nu telkens aangewakkerd door den kapitein, voor wien zulk een bowl werkelijk een onschuldig drankje bleek te zijn. Als Duitscher verloochende hij den bekenden dorst van zijn ras niet en toonde zijn meerderheid in het drinken tegenover de aanwezige Hollanders op verbazingwekkende wijs.
Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).
Poort van het fort Oranje van de binnenzijde. (Phot. Baretta).
Toen het souper begon en het middernachtelijk uur sloeg, was de feestvreugde ten top gestegen. Doch weldra gaven eenige verhitte breinen aanleiding tot een hevig dispuut, dat elk ander gesprek overstemde en dat zich eenige uren rekte, zooals dat in zulk een verhit gezelschap meer pleegt voor te komen. Het feest ging nu als een nachtkaars uit; de dames wilden vertrekken en troonden hun echtgenooten mee, de gastheer was niet meer in staat tegen dat weggaan te protesteeren, noch in staat bedankjes in ontvangst te nemen. Onder de voorgalerij, bij volle tafels en leege stoelen, zat hij na ’t verloopen van het feest met den kapitein en eenige plakkers wat men noemt na te praten. Dit napraten duurde tot het zonlicht de laatste gasten verjoeg. Reeds was het volop dag, toen de laatsten naar bed strompelden.
Den dag daarna, den eersten dag van het Nieuwe Jaar, was een dag waarin slechts tegen den avond eenige opleving kwam, men was mat en voelde zich onder den indruk van den doorwaakten nacht. De huishouding van onzen gastheer was nu zoo in de war, dat eerst ’s middags tegen vier uur het eerste ontbijt werd gebruikt, terwijl er den geheelen dag geen warm eten op tafel kwam.
Met de Duitsche boot vertrok Verster den volgenden dag naar Menado op Celebes, om te trachten zijn plannen te volvoeren, terwijl de boot die mij naar Tobelo terug zou brengen, elken dag verwacht mocht worden. Buiten de vele bagage, die nog steeds te Ternate was achtergebleven en die uit 18 kisten en 2 koffers bestond, gingen er verscheiden colli meubelen mee, waaronder de inrichting van het te bouwen huis van den administrateur, benevens een groote prauw, die aan dek van de paketboot zou kunnen worden geheschen; verder 20 balen rijst, 25 kisten petroleum en 2 trekossen, terwijl 7 koelies na veel zoeken te Ternate waren aangeworven, waarmee voorloopig verder gewerkt zou kunnen worden.
Terwijl ik bij het tolkantoor (de boom zegt men in Indië) bezig was alles in orde te brengen voor de verscheping van menschen, dieren en goederen, werd ik door den civiel-gezaghebber van Tidore uitgenoodigd den volgenden dag een bezoek aan zijn eiland te brengen. Daar alles voor het vertrek in gereedheid was gebracht, doch de boot uitbleef, was elk nieuw etmaal, dat zij niet binnenviel, een vrije dag, waarop genoten kon worden van de weelde om zooveel mogelijk de omgeving te leeren kennen.
Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).
Rotan laden te Wajaboela op Morotai. (Phot. Baretta).
’t Was het mooist denkbare weer toen we den volgenden morgen reeds vroeg met een motorboot Ternate verlieten en op Tidore aanstevenden. De blauwgrijze zee was zoo glad als een spiegel, massa’s kleine vliegende visschen schoten voor de boot uit en ook andere visschen sprongen spelenderwijs, of nagejaagd door hun doodsvijanden uit het water. Op stukken drijfhout zaten zeemeeuwen, doch het meest verrassend waren een groot aantal vlinders, die over dezen wijden plas van ’t eene eiland naar het andere vlogen en die soms in staat bleken de motorboot in haar vaart bij te houden. Na een goed half uur was de kust van Tidore genaderd, waarlangs we nu een goed uur te stoomen hadden om Soa-Sioe te bereiken, den zetel van het Gouvernement, toen ingenomen door een controleur en een civiel-gezaghebber. Eens was dit de residentie van het Sultanaat Tidore, welks sultan door ons gouvernement werd afgezet. Aan zijn oude rechten op het westelijke deel van Nieuw-Guinea hebben wij het bezit van het grootste deel van dit grootste aller eilanden te danken.
Het gezicht op de kust, waarlangs we voeren, met haar witte strandlijn, waarop prauwtjes schilderachtig lagen en waarop menschen stonden die uit de huisjes kwamen, welke zoo gezellig onder den weelderigen planten- en boomgroei verborgen lagen, met den zwaarbegroeiden berg daarboven, waar hier en daar rook opsteeg van vuurtjes door inlanders gestookt, gaf een vredigen indruk.
Een kleine steiger, die een eind in de zee uitstak, werd in de verte zichtbaar en spoedig was Soa-Sioe bereikt.
Oud-Indië uit de dagen van de Compagnie kwam ons hier nog meer tegemoet dan reeds te Ternate het geval was geweest, ja zelfs vond men hier in den aanleg der plaats overblijfselen van de lang geleden Portugeesche overheersching. Een breede vervallen weg van cement-plaveisel leidde van den steiger het land en het plaatsje in. Telkens wanneer de rijzing van den bodem, die landwaarts-in vrij aanzienlijk was, wat heel steil werd, ging de weg in breede trappen over, zooals men dat in de landen van Zuid-Europa vindt. Links en rechts kwamen op dien weg zijwegen uit, waaraan de huisjes van Soa-Sioe achter witte vervallen muurtjes lagen.
Het eerste huis rechts aan den eersten zijweg was het huis van den civiel-gezaghebber. Toen ik binnentrad kreeg ik een schrik, want hoewel reeds aan veel primitieve woningen en inrichtingen gewend, die echter door reinheid en eenvoud en harmonie met hun omgeving nog dikwijls knus of gezellig waren geweest, kwam me zulk een armoede en verval in dit steenen huisje tegemoet, dat ik den civiel-gezaghebber eens aankeek. “Daar stoppen ze je nu maar in en je moogt nog blij wezen, dat je zoo’n krot vindt,” zei hij op verontwaardigden toon. “Is’t een wonder dat mijn vrouw ziek van heimwee en ellende werd en naar Ternate moest?”
Ik keek eens rond onder ’t gedrukte voorgalerijtje met zijn blauw gekalkte wanden en zijn kapotte keuken-vloertegels, ik ging eens in de sinistere kamertjes, waar overal dat blauw en die tegeltjes als in een armoedig huisje mij vervolgden. ’t Donkere achterhuis deed aan een vervallen boerendeel denken, ’t achtererfje aan een totaal verwaarloosd stadstuintje en een vuilnisbelt, de W. C. was een kist en het badkamertje niets dan een wand van gedek. ’t Was meer dan droevig en armoedig, en de ellende, die zij hier moesten hebben geleden, kwam me aan alle kanten tegemoet.
Waren de civiel-gezaghebber en zijn vrouw nu een meer ontwikkeld paar menschen geweest, dan—het mag zonderling klinken—hadden zij zich misschien nog beter kunnen voegen en eenige gezelligheid en comfort weten aan te brengen. Maar menschen als deze, die een jaar geleden nog in Amsterdam op vier hoog woonden; die van Indië niet veel meer hadden geweten, dan dat het er heel warm moest wezen, zulke menschen hadden veel te hooge illusies van dit land en van het civiel-gezaghebberschap gehad; terwijl zij buitendien geen weerstand in zichzelven hadden om zich over teleurstellingen heen te zetten en geen tact om het zich gezellig te maken.
Zulke ambtenaren op kleine tractementen te benoemen en zoo te installeeren is een politiek, die haar schaduwkanten moet laten zien.
We gingen verder het plaatsje in en kwamen in de breede hoofdstraat met de trappen den controleur tegen in gezelschap van een prins van Tidore en eenige Arabische grootheden. De prins was eenvoudig maar onberispelijk gekleed, zijn gezicht was fijnbesneden en zijn houding was sympathiek. Zijn glimlach was vriendelijk en zijn handdruk zacht, toen ik aan hem werd voorgesteld. Men zag het den intelligenten Oosterling aan, dat hij zich bewust was zijn afkomst slechts door een waardig gedrag te kunnen toonen. Dubbel griefde het mij derhalve hem, door den civiel-gezaghebber van vier hoog, als mindere te zien behandeld. Met z’n allen wandelden we nu op naar den Kraton of Kedaton, het vroegere paleis van den sultan, dat behoorlijk door zware muren versterkt, op een hoogte lag. Dit paleis, dat erg vervallen was en meer op een deftig landhuis dan op een paleis geleek, was nu gedegradeerd tot inlandsche school. Toen we de hooge trappen waren opgeklommen en de voorgalerij waren doorgegaan, zagen we daar in de binnengalerij de geheele school van bruine kindertjes bijeenzitten onder leiding van een inlandschen onderwijzer.
Het uitzicht van het hooggelegen bordes beheerschte den ganschen omtrek. Men overzag Soa-Sioe, voorts de breede straat tusschen Tidore en Halmaheira en een deel van het eiland Tidore zelve. Een frissche zeewind streek hier even door de voorgalerij, wat een genot was bij de haast ondragelijke hitte. Ik heb me toen afgevraagd, waarom men in Indië de huizen steeds zoo onder en tusschen boomen verstopt, dat er van een uitzicht en van een afkoelenden wind bijna geen sprake kan zijn? Het kan toch niet alleen het voordeel van het schaduwgeven der boomen zijn, waartegenover weer zulke groote nadeelen van vochtigheid, insectenplaag en gebrek aan afkoeling en uitwaseming des nachts en des daags staan. Of zou het zijn, dat ook hier de sleur boven het nadenken gaat en men moeilijk met een oude gewoonte kan breken? De vroegere Vorst van Tidore had echter anders geweten en wel anders gedaan ook.
Bij den controleur, die het eenige voor Europeanen bewoonbare huis bezat, kregen we een frisschen morgendronk, waarop we naar Ternate terugkeerden. De civiel-gezaghebber scheen, na zulk een bezoekje aan zijn chef, zijn taak weer voor eenige dagen volbracht te hebben, althans onder de galerij van het hotel te Ternate kon men hem dag in dag uit met zijn vrouw en kinderen zien zitten, zonder dat hij ooit iets uitvoerde.
Nog zou ik een anderen vorst leeren kennen, een regeerend sultan, althans nog in naam. Met een kennis had ik door bemiddeling van den Gewestelijken Secretaris belet laten vragen bij den Sultan van Ternate, daar ik nieuwsgierig was zoo’n Oostersch potentaatje eens te ontmoeten, terwijl daarmede tevens voldaan werd aan den beleefdheidsvorm, nu ik van plan was mij op zijn grondgebied te vestigen. Het uitblijven van de boot gaf hiertoe nog de gelegenheid en zoo verscheen dien middag, nadat ik van Tidore was teruggekeerd, buigend een afgezant van den Sultan voor het huis van mijn gastheer. Hij was gekleed in een lang wit gewaad, waarover een lange zwarten kaftan hing, terwijl een soort tulband zijn hoofd dekte. In hoffelijke woorden deelde hij mede, dat we den volgenden morgen om tien uur met veel vreugde door zijn Heer ontvangen zouden worden.
Om tien uur reden we den volgenden dag het fort voorbij, de Arabische kampong door, waar de groote moskee of missigit stond, naar den Kedaton, het verblijf van den Vorst. ’t Was een vorstelijk verblijf van den zelfden graad als ik op Tidore had gezien, slecht onderhouden en niet meer dan een flink landhuis.
Op het hooge bordes van de voorgalerij stond, toen we door de witte poort reden, die toegang gaf tot zijn erf, de Sultan met den mooien langen naam van As-soltan Tadjal-mahcoel bi’ inajat Allah al Nannan Siradjal-Melk Amirad-din Iskan dar Mouauwwar ac-Cadiq Mohamad Hadji Oesman Wahowa min-adilin Sjah. Op de hooge trap zagen we een bediende met den pajong verschijnen, waarna ook de Sultan op de hoogste trede verscheen, toen we die trap opgingen. Daar heette ons de kleine bruine man met zijn korte witte snor en witte baardje op het hartelijkst welkom en verzocht ons binnen te treden.
In de groote binnengalerij, welke ook hier met geglazuurde keukenvloertegels was belegd, waarvan de wanden wit waren en met eenige groote gravures behangen, namen we om een groote ronde tafel plaats in armstoelen met Weener rieten zitting en dito rugleuning, waarvan er een vijftigtal langs de muren van de gansche binnengalerij stonden. De hormat, de eerbewijzen aan den gast bewezen, kon beginnen.
Terwijl de Sultan zich uitputte in beleefdheidsbetuigingen, waarmee wij ook lang niet zuinig waren,brachten twee bedienden in Chineesch-porseleinen kopjes de koffie binnen, terwijl twee anderen met gebak en confituren verschenen, dat op kleine zilveren schaaltjes werd gepresenteerd. De Vorst zei bij het optillen van zijn kopje eenige vriendelijkheden, die met een Slamat eindigden, wat we op gelijke wijze beantwoordden.
Hij zag er in zijn witte broek, zijn mauvekleurig vest met gouden knoopen, waarop de W met een kroontje, zijn zwarte jasje en witte overhemd, waarin een drietal groote knoopen waren, die elk een negental steenen bevatten, vrij dragelijk uit. Doch over zijn heele wezen en zijn kleeding lag het versletene, het vervallene van een verongelukt geslacht.
Nadat we zoo een tijdlang hadden gezeten, verzocht hij ons eens met hem rond te wandelen.
Tot nu toe was er iets vorstelijks geweest in de ontvangst door de Oostersche aangeboren hoffelijkheid, die den Sultan niet verlaten zou tot het laatste oogenblik; maar in hetgeen hij ons nu van zijn bezittingen liet zien was zoo weinig vorstelijks, zelfs weinig burgerlijks, neen eigenlijk iets armoedigs, dat het heel moeilijk werd de vereischte complimenten te maken. Doch we hielden ons taai en bewonderden zooveel we konden.
We waren een donkere achterbinnengalerij doorgegaan, die er uitzag als een boerenstal en stonden nu in een achtergalerij met een pendoppo, waaromheen gewone bamboe kamponghuisjes waren opgetrokken.
Begeleid door een bediende die den pajong boven het hoofd van den Toewan Sultan hield, wiens kruin bedekt was met een zwaren groenen doek, die, als een worst stijf in elkaar gedraaid, zoo op zijn kalen knikker was gelegd, begaven we ons naar buiten. Zijne Hoogheid wilde ons iets van veel belang laten zien, iets wat hij, volgens zijn zeggen, nog nooit aan een Europeaan had laten zien. Het zou de badplaats zijn van de dames van zijn huis.
We gingen over het voetpaadje van een kleine weide en daalden toen een hoogte af, waarop we aan een heel kleinen vijver kwamen, waar aan eene zijde platte steenen aan den oever lagen. Dit heette de badplaats te zijn van de dames van dit hof, waarvan op dat oogenblik geen gebruik werd gemaakt.
In zijn huis teruggekomen liet hij ons, op onze vraag naar zijn kostbaarheden, zijn schatten zien. Zij werden in de groote binnengalerij door zijn zoons en hovelingen binnengebracht en uitgestald. Op lange tafels lag daar al heel spoedig een groote massa zilveren voorwerpen, als helmen, tamboermajoorstokken, soepterrines, koffiekannen, heele serviezen, vingerkommen enz.; daarbij geweren in foudralen met goudgemonteerden met het Nederlandsche wapen, een krom Turksch zwaard met gevest en scheede van goud, een klok, horloges enz.
Volgens den Sultan was bijna alles “present van het Gouvernement” en naar ik vermoed, ook nog heel veel uit de dagen van de Compagnie. Maar alles wat daar lag, was zoo beduimeld en vuil, dat het zilver op oud zink geleek en het goud geen goudglans meer vertoonde. Trouwens dat heele huis, al die menschen, die heele omgeving was beduimeld en ontbonden geworden door Oostersche indolentie.
En toch trekt deze man nog jaarlijks een bedrag van ƒ 45.000.– uit de Landschapskas, waarop hij en zijn luie omgeving, uit ruim honderd menschen bestaande, voortvegeteert1.
Toen wij eindelijk afscheid namen en verzochten ons respect over te brengen aan de Toewan Poetri (zijn wettige vrouw), verzocht hij ook zijn respect aan mijn vrouw in Holland, waarbij hij mij zeer op het hart drukte, toch vooral daarbij te vermelden hoe ik het bij hem had gevonden.
Hij stelde zijn rijtuig tot onze beschikking, en na nog veel vriendelijke woorden en plichtplegingen, waarbij de Sultan ons tot het rijtuig uitgeleide deed, waren we ten slotte blijde een einde aan de reeks van hoffelijkheden te kunnen maken.
Zeven dagen over haar tijd kwam na geduldig wachten eindelijk de boot binnen. Dit te laat komen der booten, dat de laatste jaren steeds was toegenomen, lag in hoofdzaak aan de beperkte havenruimte te Makassar, waar de schepen, om te kunnen laden en lossen, soms dagenlang moesten wachten. Doch ook het groot aantal passagiers en de massa’s goederen, die met deze lijn naar het steeds meer ontwakende Nieuw Guinea worden vervoerd, was daaraan schuld.
Nieuw Guinea, waarvan we door vroegere rechten van het Sultanaat Tidore het westelijk gedeelte bezaten, was, sedert Duitschers en Engelschen van het oostelijk gedeelte bezit hadden genomen, in concurrentie met deze mogendheden het troetelkind van de Hooge Regeering geworden, waardoor er verschillende belangrijke militaire posten waren gevestigd. Buitendien bloeide er in die dagen de paradijsvogeljacht, die er veel gereed geld in omloop bracht. Zoodoende trokken vele kleine Chineesche en Arabische handelaren, van heele families vergezeld naar dit land, om te trachten daar met de primitieve bevolking voordeelige zaken te doen. Zulk een boot, die naar de Papoea2ging, wemelde dan ook, op het derde en vierde klasse dek, van mannen, vrouwen en kinderen, kisten, koffers en huisraad, waartusschen allerlei gedierte, als koeien en geiten, maar vooral kippen en nog eens kippen. Op de beide dekken, van den boeg tot aan de campagne, welke laatste voor de eerste klasse was gereserveerd, was dikwijls geen plaatsje onbezet; daar aten en dronken en sliepen die menschen, want voor de derde en vierde klasse passagiers waren noch kajuiten, noch hutten aan boord, ze werden in dit klimaat eenvoudig aan dek meegenomen, waar ze tegen zon en regen beveiligd overigens geen beschutting behoefden.
Het embarkeeren met de talrijke bagage op die volgepropte boot eischte veel zorgen en tijd, en in ’t bijzonder was de onhandige prauw, die ten slotte in stroppen aan dek werd geheschen, een voorwerp van veel moeite en last. De beide trekossen, die door het smijten met kisten en balen, het ratelen van kettingen en het lawaai van menschen wild geworden waren, weigerden hardnekkig over de loopplank naar binnen te stappen. Ook hieraan werd tenslotte door den takel, die de beesten aan boord heesch, een einde gemaakt.
Ruim 24 uur na haar aankomst vertrok in den nacht de “Camphuysen”. De lichtjes van Ternate verdwenen, de menschen en de plichten van het leven daar waren vaarwel gezegd en in den verfrisschenden nachtelijken zeebries, alleen op de campagne staande, keek ik naar den stillen sterrenhemel en genoot van het alleenzijn na ’t gejacht van een roezigen dag en de herrie van afscheid nemen.
Missigit op Ternate.Missigit op Ternate.
Missigit op Ternate.
Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, lagen we stil en zag ik door de patrijspoort het strand en de huisjes van Wayaboela op Morotai, waar slechts eens in de twee maanden een boot aanlegt.
We zouden hier den ganschen dag blijven liggen, om te laden en te lossen, om daarna in den avond naar Galela, een plaatsje aan de Oostkust van Halmaheira, te gaan, waarna vervolgens Tobelo zou worden aangedaan.
Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).
Ingang van het paleis van den sultan van Ternate. (Phot. Baretta).
Met een Chineeschen handelaar van Ternate was ik de eenige passagier 1ste klasse, en deze man, bescheiden als die menschen zijn, kwam geen praatjes maken of mij op andere wijze hinderen. Het land kon me ook niet aanlokken; nog versch lagen me in het geheugen de nachten en de dag die ik hier had doorgebracht, en terwijl ik daar die schamele hutjes zag liggen onder de palmen aan het strand, waaronder ook het posthuis, en terugdacht aan die avonden en mijn gezelschap en degrammophoonen de tingel-tangelliedjes, dankte ik den hemel, nietgedoemd te zijn daar weer op die wijze te verblijven.
Op de campagne gezeten, met een stapel mail-edities van de N. Rott. Crt., kwam er een genoegelijke Zondagmorgenstemming over me; een stemming waarin men gevoelt, dat men eens rusten mag en zich geheel mag overgeven aan ’t genot onzer aangeboren menschelijke inertie.
De kost, dien de courant gaf, was in mijn gemakzucht nu juist wat ik verlangde. Van allerlei en van den hak op den tak, berichten uit Holland, correspondenties uit de hoofdsteden van Europa, boek-, muziek- en schilderijencritieken, alles dwarrelde weldra in mijn hoofd dooreen. ’t Eene interesseerde me erg, ’t andere nauwelijks; er werd van alles even aangeroerd, totdat ik las van menschen die ik kende. Uit vergeten hoekjes kwamen me dingen van vroeger voor den geest en peinzend keek ik over het blad, over de verschansing en zag dan de kronen der palmen in den zachten zeebries wuiven. Ik dacht weer aan Holland, aan Europa, aan alle cultuurgenietingen, aan het superieur menschelijke dat men daar vindt en dat men in Indië op elk gebied moet missen.
Meer van Duma bij Galela.Meer van Duma bij Galela.
Meer van Duma bij Galela.
Het totaal gemis daarvan geeft aan bijna allen, die hier langen tijd verblijven, dien nuchteren, platten, zinnelijken kijk op de dingen, die den Indischman spoedig eigen wordt. Men wordt in Indië materialist. Als practicus kan men zich in Indië verdienstelijk maken, als man van de daad vindt men er een uitgestrekt arbeidsveld. Macht en geld zijn er in aanzien; het wordt er meer geteld en zwaarder gewogen dan in Europa, waar ook ontwikkeling en gezindheid nog meedoen. Men kent in zulk een jonge maatschappij van realisten, waar allen zich met alle zintuigen op de practijk richten, de hoogere waarden nog niet of wil ze niet kennen—die geestelijk vereenigend en troostend staan boven den dagelijkschen strijd met de werkelijkheid.
Slechts in Europa, dat genieën voortbracht, is iets van dat superieure door alle lagen van de maatschappij gedruppeld; tot in alle lagen is iets van dat hoogere doorgedrongen en dringt er in door en heeft ongemerkt mildere en betere waardebepalingen gegeven. Het streven naar geld en macht gaat in Indië onbeschaamder, de bezitters er van gevoelen zich meer, wijl ze geen hinderpalen ontmoeten en zich absoluut den meester weten. Er is om zoo te zeggen geen middenstof, die matigt. Er zijn in kunst en wetenschap geen intelligenties, die zich meer en hooger voelen dan de rijkaards en de machthebbers; er zijn geen onafhankelijke sceptici die hen glimlachend in de oogen durven kijken, er zijn geen philosophen, die hen koelweg passeeren.
In het Indische landschap ontbreken tusschentinten en overgangen, die het fijn en nobel en gecompliceerd maken, zoo ontbreken in de Indische maatschappij die overgangen ook, waardoor zij grof en plat en primitief is. Komt in die maatschappij nu nog het kleurlingenbloed een hartig woordje meespreken, dan mogen de vormen en de vormelijkheid blijven bestaan, waaraan deze menschen met een zonderling point-d’honneur vaak overdreven hechten, maar aan allegemoedelijkheid, stemmigheid en mildheid is voor goed een eind gekomen.
Natuurlijk zijn er in Indië velen, die met den geest der massa worstelen, maar zij verliezen nog en zijn de eenzamen, die hongeren naar ’t geen hun het dierbaarst is.
Het gaat den Hollander, wat Indië betreft, in dit opzicht niet als met de vreemde landen van het westersche Europa, waarheen hij, door natuur en cultuur van den eersten dag dat hij er een voet zette getroffen, gaarne wederkeert in steeds stijgende verrukking en bewondering en ruimere ontplooiing zijner geestelijke krachten. “In Indië gaat men achteruit,” is in het land zelf een algemeen gezegde, dat men telkens hoort en ik voelde het aan alles bewaarheid. Noch de natuur, noch de samenleving schenkt ons het noodige geestelijke voedsel tot verrijking van onzen geest. Alleen de man van de daad vindt er expansie en bevrediging voor zijn streven. Slechts om den waarlijk grootschen en ruimen werkkring, dien de man zich hier op jeugdigen leeftijd reeds kan scheppen, om die vrije ontplooiing van mannelijke krachten, om die behoefte aan den wijden practischen blik, die hier onontgonnen arbeidsvelden vindt op allerlei gebied, zou ik Indië voor den flinken Hollander willen prijzen en hoogelijk willen prijzen; doch slechts voor hem, en ook daarom alleen.
Morgen wachtte me weer de daad, morgen zou ik de wouden weer ingaan en zou ik weer kampen voor het voortbestaan eener cultuuronderneming in haar prilste jeugd. Ik wist, dat hetgeen we deden in verhouding tot andere daden in Indië volbracht gering was, doch ik was overtuigd dat hetgeen we deden voor de toekomst dezer verre streken van de grootste beteekenis zou kunnen zijn. Het was den eersten steen leggen van een cultuuronderneming in dit deel van den Archipel, het was het voorbeeld geven van een kunnen en slagen van het Hollandsch kapitaal op den vruchtbaren, tot nu toe bijna ongerepten bodem van Halmaheira. Het was de uitvoering dezer daad, die me hier boeide, die mijn belangstelling had en waarom ik vrede had met mijn tijdelijk verblijf alhier.
Toen we den volgenden morgen reeds vroeg voor Galela lagen, verscheen na eenigen tijd een reeds oudachtig heer aan boord. Hij had de eigenaardig slappe wangen en het vaalgele teint, waaraan men de weinige oude Hollanders, die men in Indië ziet, herkent. Hij liep gesteund door een stok, daar een zijner beenen krom en krachteloos bleek als gevolg eener vroeger opgedane blessuur. Zijn zonnehoed was van een vreemd model en toonde sporen van een jarenlang gebruik, zijn mond was bezig tandeloos te worden, maar achter zijn brilleglazen fonkelden nog een paar zachte, vriendelijke oogen, die eenigszins verbijsterd in het rond keken, toen hij van de hooge scheepstrap, die langszij hing, op het dek verscheen. Het was de oudste zendeling dezer streken, een geleerde, een taalkenner. Men herkende terstond in hem een goed, eenvoudig mensch, een liefdevol gemoed, een die ondanks zijn eenzaam leven zijn blijmoedigheid niet had ingeboet. Zoodra hij mij zag trad hij, hoewel wij elkaar nog niet kenden, op mij toe, daar hij wel vermoedde wie ik was. Een luidruchtig gesprek begon en menige schaterlach weerklonk weldra over het dek, waartoe de oude heer met zijn vroolijke belangstelling telkens aanleiding gaf. Daar ook Galela slecht eens in de twee maanden door de boot werd aangedaan en hij ver van elke nederzetting van blanken woonde, had hij in weken geen Europeaan gesproken. In Duma, een uur landwaarts in aan het meer van Galela, waar het water meehelpt het landschap te flatteeren, woonde hij met zijn vrouw en kind, met zijn goeroe’s en zijn kleine christengemeente in een prachtige omgeving, niet geplaagd door het geroezemoes van een drukke moderne samenleving, in het gelijkmatige tempo van de steeds weerkeerende plichten van zijn zendelingenhuis en in het kalme geluk der vreugden van een taalgeleerde.
Hij wilde het reisje met de boot naar Tobelo meemaken, om den volgenden dag per prauw naar zijn standplaats terug te keeren. Als oudste der zendelingen had hij de verplichting, de tractementen en de overige gelden voor de zendingsposten, die door de boot in één bedrag aan papier en zilver waren meegenomen, te verdeelen en van hier verder te verzenden. Voor dit werkje trok hij zich in den salon terug en weldra vernam ik van daar het geklikklak der ringgits.
Na eenige uren voor Galela op de ree te hebben gelegen, gingen we weer onder stoom, om tegen den middag voor Tobelo het anker te kunnen laten vallen.
Intusschen zetten we ons aan den lunch, waar het gesprek onder leiding van den zendeling met den kapitein en den stuurman, die mede aanzaten, weldra zeer druk werd. Doch het duurde niet lang of de vrede zou verstoord worden. De stuurman, die, als zooveel menschen in Indië, de zending en de zendelingen nu eenmaal niet kon uitstaan, had zich in den loop van het gesprek schampere opmerkingen over hen in ’t algemeen laten ontvallen, wat door den zendeling niet onbeantwoord was gebleven. Het kwam nu van het een tot het ander. De brave oude heer, die zijn menschen niet voldoende scheen te kennen en met zijn eerlijk hart ook geen diplomaat genoeg was om te zwijgen, ontwikkelde daar de redenen van zijn rotsvast geloof, waarbij hij met zijn trouwe oogen den stuurman aankeek alsof hij niet anders verwachtte dan dat deze man nu toch wel met zijn denkbeelden zou instemmen. Deze echter, die geen fijngevoeligheid of medelijden kende, maakte hem met zijn zekere weten voor een zieligen stumper uit. In plaats van te zwijgen ging de arme man trillend van zenuwen, waar hij op zulk een wijze in het diepste en heiligste zijner overtuiging werd aangevallen, voort en verkondigde daar, zooals hij tegenover zijn goeroe’s en zijn christengemeente steeds zonder tegenspraak gewend was, in een stijgende extase, wat hij voor onomstootelijk waar hield.
Ik hield mijn hart vast, toen ik keek naar het gezicht van den stuurman, waarop de schamperheid met onmeedoogendheid afwisselde. Daar was van dezen man een antwoord te verwachten op deze met veel overtuiging gedane belijdenis, zoo pijnlijk kwetsend als slechts te vinden was om daarmede zijn tegenstander voor goed den mond te kunnensnoeren. Het bleef dan ook niet uit, en kort en goed schreeuwde hij den zendeling, die alles zoo zeker wist en verklaarde, in het gezicht, dat hij een arrogante en pedante ezel of idioot was; de keuze liet hij aan hemzelf over.
De arme man was nu inderdaad sprakeloos; hij hijgde naar adem en trilde over zijn gansche wezen over zulk een beleediging niet hem; maar zijn overtuiging aangedaan. Ik had deernis met den ouden heer, die nauwelijks zijn veilige knusse hoekje had verlaten, en in de eerste aanraking met de groote wereld daarbuiten, op zulk een wijze zijn hoofd stootte.
Maar iets van eigen schuld aan zulke pijnlijke ervaringen in hun ontmoeting met de buitenwereld ligt bij de zendelingen zelve, daar zij, voor een groot deel voortgekomen uit den kleinen burgerstand, waar de gezichtskring niet bijster groot is, maar al te vaak verbeelden beter te zijn dan anderen, en alles wat buiten hun wereldje ligt, in hun geborneerdheid, als één brok zonde vaak liefdeloos verafschuwen. Wie echter een jaar lang achter de schermen dezer kleine wereld heeft kunnen kijken, zal eerbied hebben gekregen voor hun beginselvastheid en voor hun ingetogen levenswijze, maar hij weet tevens, dat hier niet minder afgunst en niet meer christelijke liefde heerscht dan elders, terwijl weer andere fouten, die men in de groote wereld niet zoo kent, in dit wereldje dikwijls leelijk om den hoek komen kijken. En tout cas le diable ne perd rien.