Hoofdstuk V.Uit de prilste jeugd eener cultuuronderneming.Terug te Tobelo. Na een landing van menschen en beesten en goederen, die uren duurde, daar de boot door de tallooze koraalbanken steeds een paar kilometer uit de kust op de reede moest blijven liggen, zoodat iedereen en alles per sloep, per prauw of motorboot naar het land moest worden geroeid of gesleept, was ik dan veilig en wel te Tobelo weergekeerd en opnieuw ingekwartierd ten huize van den civiel-gezaghebber. De koelies, die van Ternate waren meegegaan, bleken reeds een onderdak te kunnen vinden in een der twee groote loodsen, die men nog bezig was op het terrein te bouwen en waarvan de daken in de verte op den weg daarheen reeds hadden verteld, dat de bedrijvigheid alhier tijdens mijn afwezigheid niet geheel had stilgestaan. Ook was een 9 M. breede weg van de kampong naar het concessieterrein lijnrecht uitgezet en voor een groot gedeelte reeds van de boomen en planten, die daar stonden, ontdaan.Op het terrein zelf aangekomen, wachtte mij echter een groote zorg, die mij nog eenige weken achtervolgen zou. De eenige kali, die het terrein doorsneed, was in haar benedenloop meestentijds droog, alleen na hevige regens stroomde er water in. Zonder water zou het prachtige terrein, waarvoor we nu stonden, voor cultures zoo goed als waardeloos zijn. Het werd dus zaak water te zoeken; doch waar? We hadden hoop door het graven van putten voldoende grondwater te zullen vinden. Er liepen door dezen poreuzen bodem ondoordringbare leemlagen, die het grondwater ophielden; doch hoe en waar deze te vinden waren, wist niemand.Zoo hadden we op goed geluk op verschillende plaatsen putten laten graven, doch nergens was nog water gevonden. Waar de loodsen werden gezet, hetgeen we het emplacement gingen noemen, was reeds een dergelijke put tot een diepte van 10 M. gegraven en nog was hij droog. Dat zag er leelijk uit en zou ons scheepje kunnen doen stranden. Dieper graven en overal naar water zoeken was nu het consigne geworden. Met de mannetjes, die ik tot mijn beschikking had, werden binnen en buiten de grenzen van het terrein gaten gegraven en na eenigen tijd bleek het, dat het grondwater in dezen doordringbaren bodem even hoog stond als het niveau van den zeespiegel. Zelfs bleek het, dat dit water rees en daalde naar gelang van eb en vloed. De diepte der putten zou dus afhankelijk moeten zijn van de hoogte van het terrein boven den zeespiegel, en daar het emplacement 15 M. hoog bleek te liggen, zou vrij zeker tot deze diepte gegraven moeten worden.Intusschen leerde ik op mijn dagelijksche tochten ter nadere verkenning en onderzoek door de kilometerslange rintissen of over moeilijk te vinden en te volgen voetpaadjes, het oerwoud allengs meer kennen en geraakte er steeds meer mee vertrouwd. We drongen door tot aan den voet der bergen en vonden onzen weg door moeilijk doordringbare glagahbosschen of door bamboestoelen (een groep bamboekokers uit een zelfden wortelstok), die dank zij de slagen van den parang op de lange kokers, die in een enkelen forschen slag doormidden waren, ons voortgaan niet konden beletten.Onder het zwaarste hout was het doordringen het minst moeilijk; daar onderschepten de zware kruinen hoog in de lucht het zonlicht totaal, zoodat een weelderige vegetatie op dien bodem uitgesloten bleef. Wel stonden er op dien altijd vochtigen boschgrond groote en kleine varens en trachtte ook het jonge hout naar boven en naar het licht te streven, doch het halflicht onder het dichte bladerendak dier reuzenstammen verhinderde een opulenten groei.Het wemelde in zulk een woud van klein gedierte. Milliarden mieren, groote en kleine, bruine en zwarte krioelden over den grond en over omgevallen boomstammen; millioen- en duizendpooten en venijnige schorpioenen scharrelden er tusschen.Griezelige spinnen, soms fraai gekleurd, sponnen haar groote taaie netten met witte kruisen tusschen ’t jonge hout, waaronder de zwaarbehaarde vogelspin, met hare pooten uitgestrekt zoo groot als de palm eener hand, me altijd een schrik op het lijf joeg. Aantrekkelijker waren de vlinders, die met hun felle kleuren en in nooit te voren geziene grootte zweefden door de roerlooze stilte van het woud, of de tallooze wonderlijke insecten, waaronder allerlei soms bijna lachwekkende spelingen der natuur. Daaronder waren de wandelende takken en bladeren als frappante voorbeelden van de neiging der natuur tot mimicry, waardoor zij natuurlijk uiterst moeilijk te ontdekken waren. Tallooze hagedissen schoten telkens als weerlichten weg; leguanen, waarop de inlanders gaarnejacht maakten terwille van het lekkere vleesch, verdwenen kruipend tegen de hooge stammen in de donkerte der kruinen. Soms vernam men in het lage hout het gedruisch van een wild varken, dat op de vlucht sloeg, naast de herten, het eenige gevaarlooze grootwild dat op Halmaheira te vinden was. Men was er reeds binnen de grenzen der Australische fauna, waartoe veel buideldieren, doch geen gevaarlijk wild behoorde. De koeskoes, de oostersche opossum, een dier onschuldige buideldieren, werd dikwijls, door de koelies doodgeslagen, uit het bosch meegesleept en boven het vuur als smakelijk maal geroosterd. In de alang-alang ritselde wel eens een slang, die daarmede hare tegenwoordigheid verried, wat haar gewoonlijk het leven kostte. De menschelijke haat tegen deze beesten was hier al even erg als een halfrond verder, waar de Drentsche boer elken adder, die op zijn weg komt, met zijn klomp tracht dood te slaan of met zijn zakmes in stukken tracht te snijden.Timmerschool op Halmaheira.Timmerschool op Halmaheira.Op den vlakken bodem van het woud passeerden we dikwijls hoopen, uit aarde, bladeren en takken bestaande, die van een tot anderhalven meter hoog en vele meters in omtrek waren. Deze hoopen werden door de boschkip opgeworpen voor het bewaren en het uitbroeden harer eieren. Wanneer men dan dezen vogel zag, die slechts iets grooter was dan een patrijs en men liet zulk een aardhoop openleggen, dan vond men daarin een zevental eieren, elk grooter dan een eendenei, en stond men verbaasd over de ongerijmde energie die door dat beestje was ontwikkeld en die in geenerlei vergelijking stond met de normen, waaraan de natuur ons in dat opzicht heeft gewend. Het krijschen van papegaaien en kakatoes, en soms ’t geroep van den jaarvogel, vergezelden ons op onze tochten langs de soms meters dikke stammen in de vochtige koelte van het woud. Een voor een zouden die reuzen moeten vallen en het moeten afleggen tegen die venijnige menschjes, die nu zoo klein langs hun voeten kropen; met donderend dreunen zouden die stammen en kronen ter aarde vallen, zoodat men in de kampong Tobelo aan het rommelen van een aardbeving zou denken.De gladstammige kanariboomen van ruim 40 M. hoogte, die met hun breede kruinen loodrecht naar boven streefden, zouden met vele andere onbekende grootheden, waarvan het hout niet bestand was tegen het Indische klimaat en het invreten van houtwormen, als waardeloos worden verbrand en in den drogen tijd als dood hout langzaam wegsmeulend, geheel tot asch verteren. De betere houtsoorten echter, zooals het veel gebruikte harde ijzerhout (kajoe besi), lingowa, oetang kanari en zelfs ebbenhout, zouden worden uitgezocht en bestemd worden voor den bouw van huizen en loodsen. Ook zouden met dat woud de tallooze lianen verdwijnen, die in allerlei dikten langs die hooge stammen van de zware takken dropen, de klimplanten en de parasieten, waaronder de orchideeën, die zich op de takken met hun kort stelsel van luchtwortels hadden vastgehecht.Zoo leerde ik me in die bosschen steeds meer oriënteeren en allerlei kleine verschillen opmerken, die eerst langzamerhand in het oog vielen, waar het in den beginne een chaos van takken en bladeren was geweest. Zoo, met die natuur vertrouwd geworden, was het een genot soms alleen door de plechtige stilte van zoo’n eeuwenoud roerloos woud te kunnen gaan.Herhaaldelijk was ik in de uitvoering van mijn taak genoodzaakt de hulp van den oudsten der zendelingen in te roepen. Voor zijn grooten timmerwinkel hadden we steeds bestellingen, van zijn geneeskundige kennis en het hospitaal moesten we veel en zouden we op den duur, met meer koelies, zeer veel gebruik moeten maken. Als vraagbaak voor velerlei kleinigheden stond hij me met zijn kennis van land en volk steeds bereidwillig ten dienste.Doodenhuisjes op Halmaheira.Doodenhuisjes op Halmaheira.Met leede oogen zag onze civiel-gezaghebber het aan, hoe ik meer en meer achting voor zijn tegenstander begon te krijgen. Met nauw verkropte woede moest hij het aanzien, hoe ook ik den zendeling, waar deze mij zoozeer van dienst was, gaarne van dienst wilde zijn en somtijds kon zijn. In zijn heerschzucht en zijn groot gevoel van machthebber zou hij het liefst dezen omgang verboden of deze samenwerking onmogelijk hebben gemaakt; nu echter was hij wel gedwongen zich te bepalen tot eenige schimpscheuten en onvriendelijke opmerkingen.Het was mij ook reeds op reis herhaaldelijk opgevallen, dat men den naam van dezen zendeling veel noemde en daarbij dikwijls op minder vriendelijke wijze. Doch het bleek me bij nadere kennismaking al spoedig, dat hij voor deze streken een man van beteekenis was, hetgeen alleen reeds reden genoeg was tot allerlei gepraat.Menigen avond, als het donker geworden en het werk afgeloopen was, stapte ik het ruime erf van het zendelingenhuis op en zat met hem en zijn vrouw onder de voorgalerij der gezellige woning. Daar hoorde ik dan van hun leven en ontberingen in de eerste jaren van hun verblijf in deze streken. Het was toen zoo vol ellende geweest, dat van een zestal kinderen die in hun huwelijk geboren waren, slechts één meisje in het leven was gebleven, en dit kind hadden ze op negenjarigen leeftijd, als hun eenigen oogappel, terwille harer opvoeding, naar Batavia moeten zenden. Doch uit de moeiten en ontberingen van dien eersten tijd was langzamerhand veel goeds gegroeid, en nu kon hij wijzen op den gestadigen bloei van ’t geen hij in onderscheidene richtingen tot stand had gebracht. Want naast zijn directen werkkring van zendeling, had hij, met zijn energie en kijk op practische dingen, nog tijd en lust gevonden voor allerlei werkzaamheden, waardoor hij tevens den werklust bij zijn gemeente had aangewakkerd.In de timmerschool op zijn erf werkten dagelijks van ’s morgens tot het donker werd, onder het toezicht van een Chinees, een dertigtal inlandsche jongens en aankomende mannen van allerlei stammen uit den omtrek, zelfs Papoea’s van Nieuw Guinea. Zij maakten daar kasten en stoelen en tafels en bedden, en verder allerlei nuttig gerei, waar hier steeds veel vraag naar was. Zoo noodig werd ook de bouw van een huis in den naasten omtrek van hieruit geleid. Zoo was daar die schavende, beitelende en hamerende troep voor de geheele Residentie Ternate een unicum van bedrijvigheid. Ook het hospitaal eischte dagelijks door de vele menschen die om hulp kwamen vragen, veel werk.Een klapperaanplanting van 10.000 boomen, waarmedereeds jaren geleden door hem was begonnen, verlangde steeds meer toezicht, nu de oogsten grooter werden en zeer belangrijk beloofden toe te nemen; tevens waren proefaanplantingen van hevea, manilla-hennep en cacao door hem aangelegd.Zijn kennis van de Tobeloreesche taal had hem in staat gesteld een uitgebreid woordenboek dier taal samen te stellen en uit te geven; en zoo werkte zijn veelzijdige bekwaamheid in veelzijdige richting tot zegen van deze streek.Een geheel ander man was zijn jongere collega, die iets verder woonde en die zich uitsluitend tot het geestelijk beroep bepaalde en het practische, als zijnde niet in de eerste plaats zijn werk en niet met zijn neiging strookende, liefst afwees. Jaren later gekomen, had hij ook veel reeds gereed gevonden. Zijn huis, evenals de school, waarin hij de inlandsche jongens tot goeroe opleidde, was door zijn collega gebouwd. Zijn leven verliep tusschen die school en dat huis en de kleine kerk, waarin hij ook geregeld een preekbeurt vervulde. Hij was een aangenaam man in den omgang, die pratend en luisterend zijn gezelschap met de belangwekkendste gesprekken wist bezig te houden. Door de gunstige omstandigheden, die hij hier van den dag zijner komst af gevonden had, was hij geheel buiten de gewone moeilijkheden gebleven, waarmee de zendeling anders op deze verre posten dikwijls te kampen heeft. In zijn huis, in gesprek met hem en zijn vrouw, met de beschikking over zijn bibliotheek, waarin de Hollandsche schrijvers voor het jaar ’80, goed vertegenwoordigd waren, waande men zich geheel in Holland terug, in een well-to-do en zelfgenoegzaam Holland, waarmede de pisangs en de klapperboomen op het erf en de tropische zon, die buiten de galerij scheen, in ’t geheel niet harmonieerden.Het was tegen het eind van Januari geworden, toen we konden beginnen met klappernoten te verzamelen, die als zaadnoten op de eerste kweekbedden zouden worden uitgezet. Onder leiding van een Ternataanschen opzichter, die als zoodanig door mij was aangenomen, wijl hij de taal van het volk en ook Hollandsch sprak, was de prauw, die uit Ternate was meegebracht, met een zestal koelies bemand naar de naburige eilanden en langs de kust gezonden, om deze eerste noten te verzamelen. Het zou dagen duren, want de gezondste en zwaarstdragende boomen die te voren door ons waren uitgezocht en gemerkt, lagen ver uiteen. Er bleef mij in die dagen niet veel te doen over, dan af te wachten en het toezicht te houden op het bouwen der loodsen en het graven van putten. Alleen wanneer de boot zou binnenvallen, die binnen eenige dagen verwacht mocht worden, zou daaraan spoedig een einde komen. Dan opeens, als de fluit zou weerklinken, zou het leven weer beginnen, dat nu langzamerhand uitging, elken dag wat meer, totdat de eentonigste saaiheid van bijna werkelooze dagen was bereikt.Zoo brak de dag voor de aankomst der boot aan, doch wij hielden er rekening mede, dat zij tenminste drie dagen te laat zou binnenvallen. De dag verliep dan ook in ononderbroken rust, ook de volgende dag en de dag daarop en de eene dag na den anderen, en ook de prauw onder leiding van den opzichter kwam niet terug. Hoe keek ik nu uit naar dien onruststoker uit de groote wereld, wanneer ik na de paar menschen, die op het emplacement werkten bezocht, en gezien te hebben, dat zij elken dag hun taak hadden volbracht, doelloos ronddoolde door het woud. Zoo begon ik in die dagen te lijden aan ongeduld, verveling en... verlangen, en in mijn dagboek vind ik uit dien tijd een gedichtje:Totdat...Weer komen er verlangensSmartelijk los,Terwijl ik wandelend benDoor ’t eenzaam bosch.Weer dwalen mijn gedachtenVan dit kruis,Zij gaan, onmerkbaar eerst,Naar ’t ver tehuis.En peinzend denk ik dan:“Hoe zal ’t daar zijn!”Ginds, waar mijn lieven levenGroot en klein.De kleinen met hun spelenHun gevraag,De groote stil verlangendTot het daag.Tot daag het uur van wederzien,Tot daag ’t geroep, ’t gejuich der kleinen,Tot het verlangen henengaat,Hereend, vereend weer met de mijnen.En eenzaam liep ik langs het heete, zwarte strand, turende over den glimmenden waterplas naar de koraaleilanden voor de kust en over de wijde toegangen daar tusschendoor naar de heel verre flauwe streep aan den gezichteinder, of niet een rookwolk de komst van de boot zou verraden. Of wel ik zocht langs de kusten dier eilanden, of niet de uitgezonden prauw te ontdekken was, welker terugkomst althans eenig werk zou verschaffen en eenigen voortgang zou brengen in de dagen, die nu doelloos voorbij gingen. Doch verlaten, troosteloos verlaten bleef de zee.Eenzaam liep ik er, zooals er voor mij duizenden in dit land geloopen zullen hebben, zooals er na mij duizenden loopen zullen, in machtelooze afwachting, in werkeloosheid door een groot verlangen overvallen, dat tijdelijk alle belangstelling doofde. Ik voelde me onder dit volk en te midden van deze natuur als een vreemdeling, als een indringer, als een rustverstoorder en in mijn sentimenteele stemming zong ik, als een dreun die me niet verlaten wou:Nach der Heimat kehr’ ich wiederNach dem treuen Vaterland.Het was Indische maannacht geworden. Donkere silhouetten van cocospalmen, van pisangs en manggaboomen en van de atappen dakjes der inlandschehuisjes staken af tegen de lichte lucht, waarin de sterren verbleekten. Zoo slenterde ik op een avond terug naar huis. Zwarte, geheimzinnige schaduwen zag ik overal en uit de verte klonk uit de heidensche kampong het sombere geluid der doffe slagen op de tifa, waarop de inlanders ter aanvuring van nachtelijke bacchanaliën in eentonigen cadans hun primitieve muziek uitvoerden.Gedrukt zette ik mij neer onder het galerijtje van het huis van mijn gastheer en liet me vertellen van de bevolking en haar vrees voor den blanke.Deze heidensche inlanders, met hun animistisch geloof (het geloof in de macht van de geesten der afgestorvenen hier op deze aarde), hadden een groot ontzag voor den Hollander. Hoewel zij hem onverschrokken aanzagen, zouden zij hem toch niet spoedig aanvallen, daar hun geloof hun leerde, dat zij, die in de kracht van het leven door een ongeluk omkwamen of die in den krijg sneuvelden, hiernamaals een veel grootere macht over de levenden bezaten dan zij, die door ouderdom of op het ziekbed waren gestorven. Nu stond het bij hen vast, dat de Kompanie een verbazend groot aantal van zulke geesten bezat, die in oorlogen gesneuveld, nu onder de levenden de Kompanie en hare leden in geval van een aanval zouden bijstaan.Met dit beschermende fluïdum der geesten onzer voorouders om mij heen, gevoelde ik me voor goed rustig en veilig tegenover de inheemsche bevolking, die overigens ook niets kwaadaardigs had. Kwam men Tobeloreesche mannen en vrouwen tegen, dan zouden zij steeds voor den Europeaan uitwijken. De eersten waagden dan gaarne eens een “Tabé Toewan!” en bleken aangenaam verrast wanneer men hun groet met een “Tabé!” beantwoordde. De laatsten bleven dikwijls stilstaan en wachten tot men voorbij was en sloegen daarbij schuchter en zedig de oogen neer; zelfs gebeurde het dat zij op eenzame plekken op de vlucht sloegen en in de hooge alang-alang verdwenen. Een kijkje te nemen bij hun feesten scheen hen volstrekt niet te hinderen. Ongegeneerd gingen ze dan met zingen en dansen en het uitstooten van kreten en het maken van grimmassen voort, terwijl ze groote hoeveelheden sago aten en sagoweer dronken, van welk vocht ze lodderig en halfdronken werden. Vele mannen en vrouwen zagen er flink gebouwd uit, doch ondanks het natuurleven van dit natuurvolk was het toch geen sterk en krachtig ras. Vieze huidziekten, waaronder de framboesia tropica vooral berucht was, kwamen hier veel voor en kinderen hadden somtijds booze zweren over hun gansche lichaam verspreid.Met hun dooden sprongen zij om zooals hun geloof het hun ingaf. In kleine doodenhuisjes op palen of in half gevulde graven, waarboven een dakje, werden de lijken vlak in de nabijheid hunner huizen neergelegd, terwijl blauw gekleurde borden en schalen van aardewerk, waarop eten, daarnaast werden geplaatst. Ook wapens en huisraad werd daar in de nabijheid neergelegd ten gebruike der afgestorvenen; want de macht hunner geesten bleef op aarde groot, en daaraan was hun vrees evenredig. Zoo trachtten zij die geesten steeds gunstig gestemd te houden, om het booze af te weren en het goede te ontvangen.Na een week te zijn weggebleven, kwam ten slotte de prauw met een volle lading van de mooiste noten aan den wal. De opzichter had voor zijn lange uitblijven allerlei verontschuldigingen, van tegenwind, en moeite hier, en moeite daar. Wat daar van waar was zou moeilijk te controleeren zijn, doch de volle lading deed verder het hare om den storm, die over zijn hoofd dreigde op te steken, te doen bedaren.De eerste grobak (ossenkar) met noten hoog opgestapeld, reed door de kampong en over den breeden weg door de alang-alang velden naar het emplacement, waar zij spoedig, een voor een en in lange rijen, op de kweekbedden werden uitgelegd. Nu kon de groei beginnen en bij steeds grootere en meerdere ladingen, die weldra zouden volgen op steeds breedere basis.Wanneer nu de lang verwachte boot verscheen, zou met volle kracht het werk kunnen worden aangepakt en daarmede de grond worden gelegd voor een gezond begin. Doch wanneer kwam die boot! Reeds dagenlang was zij over haar tijd, en de mogelijkheid dat haar een ongeluk was overkomen, werd steeds grooter.Het was in die dagen—terwijl een hevige ingewandsziekte mij overviel, die in dysenterie dreigde te ontaarden—dat, twaalf etmalen te laat, de boot eindelijk binnenviel. De inlanders liepen van het strand de kampong binnen en riepen: “Kapal masok! Kapal masok!” (de boot is binnen). Een tijding, die aan iedereen in de kampong ontspanning en vreugde zou brengen na de onzekerheid en het lange wachten en die mij, was ik gezond geweest, in vuur zou hebben gezet. Nu bleef ik onverschillig en roerloos op mijn veldbedje liggen, verzwakt en mat door de hevige ziekte.Weldra bereikte mij de tijding dat Verster met het eerste vijftigtal koelies uit de Minahassa aan boord was. Berichten uit Holland, brieven, tijdschriften en couranten zouden binnenkomen. Werk zou er in overvloed zijn. Na den stilstand was de hartslag van een bedrijviger leven gekomen, doch dommelend moest ik blijven liggen waar ik lag, terwijl om mij heen nu alles in de weer kwam. De een na den ander verliet zijn huis. Christenen in hun witte baadjes, Chineezen, Arabieren enz. spoedden zich naar de aanlegplaats of trachtten prauwen en prauwtjes machtig te worden om naar boord te roeien. Reeds kwamen passagiers, die ontscheept waren, over den weg de kampong binnenstappen, en weldra zag ik de Minahassers met groote en kleine bundeltjes op den rug passeeren. Zij maakten een geheel anderen indruk dan men zich gewoonlijk van een troep koelies maken zou. In licht gekleurde gestreepte broeken en witte of kleurige baadjes, met een staand kraagje en een stroohoedje dandy-achtig boven de gele en veelal nette en nog jonge gezichten, sommigen met schoenen aan de voeten, zou men ze eerder gehouden hebben voor een troep studenten eener inlandsche hoogeschool. Nu zou het te Menado ontvangen en natuurlijk aanstonds verteerde voorschot, van ƒ 40.– per man, aan die nieuwe baadjes en nieuwe hoedjes wel niet vreemd zijn geweest. Daarbij doet het uiterlijk van den Minahasser, wat huidkleur en gelaatstrekken betreft,zeer sterk aan vermenging met Japansch bloed denken; ja zelfs vindt men er onder, die hierin maar zeer weinig van den Europeaan verschillen. Ook hebben zij, reeds van ouder tot ouder Christenen zijnde, van den eersten tijd onzer komst in Indië onafgebroken onder onzen invloed gestaan en gevoelen zij zich dan ook veel meer aan ons gelijk dan de doorsnee-inlander. De meesten hebben goed onderwijs gehad, schrijven vaak keurig en spreken soms een woord Hollandsch.Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).Weldra kwam Verster, vertelde in ’t kort iets van de ellende, die hij op deze reis had ondervonden, beklaagde me en verdween spoedig weer met zijn mannetjes naar het emplacement. Het was me even opgevallen, dat hij zeer zenuwachtig en neerslachtig was geweest, doch onverschillig daarover verder dommelend, werd ik spoedig weer afgeleid door passagiers van de boot, die aan land een kijkje kwamen nemen en een praatje kwamen maken, mij zeer beklagend, zooals ik daar lag. De post werd verdeeld en brieven van huis en over zaken hielden me in spanning, en joegen me met zweepslagen uit den dommel der zwakte. Den morgen volgende op dien dag, gevoelde ik me zoo slap als een vaatdoek. Verster opperde toen het denkbeeld om mij, per extra prauw, over de landengte van Dodinga naar Ternate te laten expedieeren, opdat ik onder doktershanden zou kunnen beteren. Ik weigerde beslist en liet de hulp inroepen van den oudsten zendeling, die dadelijk kwam en mij, met zijn vele practische ervaring der gevaarlijke Indische ziekten, er binnen eenige dagen met een streng dieet en het geregeld toedienen van een homoeopathisch middel weer bovenop hielp.Terwijl ik in die dagen nog met huisarrest onder het galerijtje zat, kwam op een morgen Verster uit het bosch terug en overviel me met de mededeeling, dat we hier onmogelijk verder zouden kunnen gaan, daar het terrein volgens zijn zeggen wegens watergebrek voor cultures niet deugde; dat we derhalve niets beters konden doen dan aanstonds het werk te staken en de koelies af te danken en op Java of elders beginnen, daar alle werk hier tijd en geld verknoeien zou zijn. Er was toen, door gebrek aan werkvolk, op het terrein nog geen water gevonden doch overal was de aanwezigheid van grondwater theoretisch vastgesteld.Het bleek me toen, dat hij in dezen geadviseerd was geworden door den oudsten zendeling, die op een wandeling het emplacement had bezocht en daar in een kwartier tijds tot die conclusie was gekomen. Ik moest hartelijk om deze meening lachen; doch Verster, die nu uiterst zwaartillend en nerveus was, vatte de zaak heel anders op en vertrok, om spoedig met den zendeling terug te keeren, die mij persoonlijk zijn meening zou meedeelen.Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).Nu had deze man, naast een bezadigde wijze van spreken, de gave zijn meening helder en met overtuiging voor te kunnen dragen. Door zijn levente midden eener omgeving, waarboven hij ver uitstak, had hij buitendien, daar alle tegenspraak hem vreemd was, een te groot zelfvertrouwen gekregen, waardoor hij zijn oordeel vaak op te stellige wijze uitsprak.Tegenover hem en Verster gezeten, hoorde ik de meening van die beide autoriteiten hoofdschuddend en eenigzins lachend aan en weerlegde de bezwaren van den zendeling. Dit bleef niet zonder indruk op hem,—een half jaar later zou hij zelf voor de zendingsvereeniging een stuk grond naast het onze voor de klappercultuur in concessie aanvragen,—en hij vond de zaak bij nader inzien dan ook nog zoo kwaad niet. Ik dankte hem voor zijn ongevraagd advies en bleef bij het eenmaal genomen plan om op dit mooie stuk grond met de ontginning voort te gaan. Verster weigerde echter en bleef koppig weigeren hier voortaan als administrateur op te treden, hoewel ik hem verlof gaf een rapport over een en ander, dat ik van mijn kantteekeningen voorzien, naar Holland te zenden, zoodat hij, van alle verantwoordelijkheid ontslagen was.De zendeling vertrok en liet mij intusschen, nog zwak en nauwelijks hersteld, met Verster achter, die, wijl ik zijn meening niet deelde, woedend was en beweerde, volgens zijn contract alleen verplicht te zijn op de oorspronkelijke concessie op Morotai te werken, weshalve hij te Tobelo geen slag meer wenschte uit te voeren. Daar zat ik met een administrateur, die alle redelijkheid verloren had, voor een taak, die mijn taak niet was.Ook den volgenden morgen bleek Verster nog niet voor rede vatbaar te zijn en weigerde beslist zijn werk weer op te vatten, ik had daar naast me een man, die van aanleg werkzaam en flink was geweest, doch wiens gestel door een funest Indisch leven van veel reizen en zwerven en rooken en drinken en veel te veel praten, geheel ondermijnd was geworden. Tegen de zorgen en moeiten der laatste maanden was hij niet meer bestand geweest, terwijl het afkeurend oordeel en allerlei inblazingen, die zich doen hooren, wanneer men trachten wil iets op te bouwen, hem den nekslag hadden gegeven. Hij was door die kritiek op onze, uit den aard der zaak, riskante onderneming gaan twijfelen aan de uitvoerbaarheid der plannen. Niet intelligent genoeg had hij de booze wereld en hare goede-raadgevers niet kunnen nemen voor wat ze zijn. Inderdaad bleek het me later, dat hij op zijn terugreis van Menado naar Ternate, door toedoen van mijn vroegeren gastheer daar, met alles behalve goede adviezen van die laatste plaats naar Tobelo was teruggekeerd, waarvan hij nu het slachtoffer dreigde te worden.Door de wijze waarop hij zich gedroeg, zou ik genoodzaakt worden hem, wanneer hij niet bijtijds tot inkeer kwam, zijn ontslag te geven. En reeds dreigde hij zelf met ontslag nemen, in de meening mij door zijn onmisbaarheid te kunnen dwingen. Nu begreep ik, dat ik hem nooit als zelfstandig administrateur zou kunnen achter laten, zoodat zijn ontslag zelfs wenschelijk werd. Op een laatste scherpe aanmaning om aanstonds aan het werk te gaan, waarop hij een weigerend antwoord gaf, volgde dit ontslag.De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.(Teekening H. R. Roelfsema).Na die tragedie was het verblijf met hem onder één dak zeer pijnlijk geworden en was het me zeer welkom voorloopig mijn intrek bij den jongsten zendeling te kunnen nemen. Van nu af ging ik elken morgen bij het krieken van den dag van dit huis naar de loodsen in het bosch, alwaar begonnen werd het werkvolk onder leiding van den opzichter en eenige mandoers aan den arbeid te zetten. Dan was er den ganschen dag volop werk tot ’s avonds als het donker werd, waarop ik terugkeerde om onder de galerij, bij de petroleumlamp, waar ook de zendeling met zijn vrouw zat, nog menig uurtje aan correspondentie te wijden.In den put op het emplacement, die door bekwamere werklui sneller kon worden uitgediept, werd na eenige dagen op 15 M. diepte water gevonden, terwijl dit op andere gedeelten van het terrein, die lager waren op geringere diepten eveneens overal werd aangetroffen. Daarmee was deze cardinale kwestie ook practisch opgelost.Met de komst der menschen werd het in het bosch weldra bedrijvig en vroolijk; vrouwen en kinderen, die met den vader waren meegekomen, zag men den ganschen dag voor de loodsen; kippen liepen er weldra rond en kakatoes en papegaaien slingerden aan hun stokken; armzalige gladakkers snuffelden naar alles wat van hun gading was; vuurtjes werden gestookt voor het klaarmaken van het middagmaal; de wasch hing aan de drooglijnen uit, en zoo gaf al dat menschelijk bedrijf aan die stille plek in het bosch een geheel ander aanzien, dan ik daar tot nutoe gewend was geweest. Een fiets, die hier nog een hypermodern vervoermiddel was en dan ook in den beginne zeer de aandacht der bevolking trok, was uit Menado meegekomen en bekortte me zeer den dagelijks herhaalde malen af te leggen afstand over een smal voetpaadje, van het huis van den zendeling naar de ontginningen.Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).Intusschen was ik nog niet geheel van Verster bevrijd. Uit een zeer menschelijke neiging tot wraak en tot het zoeken van eigen voordeel zou hij nog zooveel mogelijk trachten mij te dwarsboomen, nu hij in mij zijn vijand meende te moeten zien. Als administrateur had hij het beheer der gelden gehad. Na zijn ontslag was hij verplicht de boeken en de kas, welke laatste altijd nog zwervende was geweest en die zich nu ten huize van den civiel-gezaghebber bevond, aan mij over te dragen. Op mijn aanmaning ontving ik een verantwoording, waaruit aanstonds bleek, dat de man in zijn geëxalteerden toestand de grenzen der eerlijkheid had overschreden. Aanstonds liet ik door den civiel-gezaghebber beslag leggen op al het geld dat aanwezig moest zijn; en onder den druk van zijn geweten en van een zeer begrijpelijke vrees gaf Verster op diens aanmaning het papiergeld af, waarmede hij reeds in zijn zak liep en het zilver, dat hij op andere wijze had verstopt. Daarmede was het geld nu wel uit de handen van Verster gered, doch hiermede had ik zelf de beschikking over bijna alles verloren en de dichtst bijzijnde rechtbank voor dergelijke delicate zaken was die te Makasser, welke plaats eerst na een reis van ruim 14 dagen te bereiken was.Verster begon, doelloos te Tobelo rondloopende, zich daar steeds onbehagelijker te gevoelen. Zijn ontslag had tengevolge, dat hij zijn ruime salaris had verspeeld, terwijl door de inbeslagname der kas het resteerende bedrag hem voorloopig niet kon worden uitgekeerd. Weldra zou het hem aan contanten gaan ontbreken. Schaamte en berouw deden het hunne, en daar de terugkeerende boot naar Ternate nog een drietal weken zou uitblijven, oordeelde hij het raadzaam na een week per prauw daarheen terug te keeren. Op een morgen vernam ik, niet zonder medelijden met hem te gevoelen, dat hij vertrokken was. Met vuur en ijver was hij een tijdlang voor onze belangen opgekomen; toen hadden zijn woelige natuur en zijn verbeelding hem parten gespeeld en zijn kortstondige energie gebroken. Een man als hij zou onder de Europeanen steeds meer blijken tot de categorie van gelukzoekers en zwervers, waaraan Indië zoo rijk is, te gaan behooren.De onderneming begon zich te ontwikkelen en groeide met den dag. De kweekbedden strekten zich steeds verder uit en voortdurend kwamen er nieuwe ladingen noten. Reeds deden de eerste spruiten den dikken vezelbast scheuren en rezen er stengels met zijwaarts gerichte bladeren uit den grond op. Met donderend geweld ploften de reuzen van het woud ter aarde, en door de open ruimte, die steeds wijder werd en over den chaos van omgevallen stammen en kruinen en takken klonken de bijlslagen den ganschen dag. Een timmerman, die was medegekomen om de leiding van den bouw van huizen op zich te nemen, had zijn taak aangevangen en onder een dakje van atap werd gezaagd en gehakt en geschaafd aan de balken en stijlen voor het eerste huis.Put met bak voor badwater.Put met bak voor badwater.In een der loodsen was een gedeelte gereserveerd voor kantoor, waar eindelijk de brandkast werd opgesteld, die, na uit Amerika te zijn gekomen, de reis van Holland uit had meegemaakt en nu, na dien tocht rondom de wereld, in het oerwoud eindelijk haar bestemming had bereikt. Een beschuttend dak voor het kantoortje uitgebouwd, werd weldra mijn galerijtje, waar ik, als mijn werk in het bosch was afgeloopen en mijn aanwezigheid niet elders werd vereischt, de administratie en correspondentie verrichtte en waar de Tobeloreezen en handelaren, die materialen en goederen en zaadnoten leverden, geduldig op betaling zaten te wachten, wanneer de Toewan Maatschappij het bosch in was.De naam van Toewan Maatschappij had men mij te Tobelo spoedig gegeven, ter onderscheiding van den Toewan Magistraat, den civiel-gezaghebber en den Toewan Pendita (Geestelijke), den oudsten der zendelingen.Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.Het was, na een onafgebroken zwerven van meer dan zes maanden, waarin ik onder allerlei omstandigheden correspondentie en administratie had moeten verrichten, een heerlijkheid daar een veilig plekje te hebben gevonden, waar alles netjes bijeen was en elk stuk, uit de groote kist met schrijf- en kantoorbehoeften uit Holland meegenomen, zijn plaats had gekregen. Het was er heusch een echt kantoor, met agenda’s en memorandums en briefregistrators, copieerboeken en copieerpers. Nog behielp ik me met een tafel en stoelen uit bamboe gemaakt, doch een schrijftafel was bij de timmerschool in de maak. De brandkast was als de kroon op het geheel; zij werd met haar kantoorboeken en geheimzinnige geldkastjes, door de menschen uit de wildernis, die soms eens familiaar kwamen kijken, steeds met ontzag aangekeken en nader besproken. In dat leven van rondzwerven in het bosch en den geheelen dag buiten zijn, en—wanneer het werk mij riep voor het primitieve kantoortje—van hard afwisselend werken van den morgen tot den avond, voelde ik me wonderwel thuis en gezond. En wanneer niet sterke banden mij naar het vaderland hadden teruggeroepen dan zou ik mij zelven hier tot administrateur hebben benoemd. Nu echter moest ik trachten een opvolger voor Verster te vinden, wat in dezen uithoek der wereld niet zoo gemakkelijk zou zijn. Met de komst van dien nieuwen functionaris zou, wanneer hij de rechte man op de rechte plaats bleek te zijn, mijn taak zijn afgeloopen. In het belang der onderneming zou zoo iemand, nu de eerste bezwaren en moeilijkheden der vestiging waren overwonnen, zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid dienen te handelen.Met de postprauw, die tusschen de aankomst der booten in naar Ternate vertrok, gaf ik telegrammen mee naar Holland en naar relaties op Java, om een tweeden administrateur te zenden. Er zouden voor de komst van den nieuwen titularis ten minste een drietal maanden verloopen, en zoo was ik in dien tijd mijn eigen baas en kon handelen naar eigen inzichten en believen.Elken dag zag me de opkomende zon door de alang-alangvelden fietsen naar den uitgestrekten woudzoom in het Westen, waarachter de Doekoenoe en de uitgedoofde vulkaankegel van den Momoja verrezen. Dat eerste begin van den dag, met de verdwijnende sterren en het verschieten van het rood aan de wolkenvegen, en het scheren van de eerste zonnestralen over de aarde, was in de open ruimte tusschen zee en woud een telkens weerkeerend zalig beleven van den eersten morgenstond.Na den inspectietocht in den vroegen morgen door het woud verscheen, tegen 8 uur, Ketjil met den etensdrager, waarin door de goede zorgen van mijn gastvrouw een smakelijk ontbijt was geborgen. Soms genoot ik van die versterkende rustpauze voor mijn kantoortje gezeten, soms ook op een omgevallen boomstam in het woud, waar na een langdurig zoeken de jongen mij toevallig had gevonden. Zijn anders altijd goedmoedige gezicht had dan, door het sleepen met dien zwaren etensdrager over boomstammen en struiken en door een warnet van takken en ineengestrengelde lianen een grimmigen trek gekregen, doch zijn goede humeur herstelde spoedig als hij neergehurkt tegenover zijn etenden baas, geduldig zat te wachten.Schrijven, regelen, overleggen, een tweede rondgang en soms een derde volgden, daarna tusschentijds even middageten bij den zendeling aan huis en zoo keerde ik tegen den avond, als het werk der koelies was afgeloopen, vermoeid huiswaarts.Op deze wijze verliep het leven geleidelijk, zonder horten of stooten; alleen de komst der booten gaf eens in de maand eenige opschudding, terwijl ook de Zondag eenige verandering bracht, daar het werk dan moest worden stilgelegd. Daar er bijna uitsluitend met Christenen werd gewerkt, had men tegenover hen, volgens contract, den Zondag als vrijen dag moeten erkennen. Op dien dag werd ook door een der zendelingen in een der loodsen op de onderneming gepreekt, waarbij het in die primitieve omgeving steeds zeer ernstig toeging. Op planken, die over kisten en balen waren gelegd, zaten de toehoorders en een enkele toehoorster in hun Zondagsche plunje aandachtig luisterend op rijen achter elkaar, terwijl de zendeling achter een tafel van bamboe staande, in het Maleisch zijn preek hield. Als ouderling en voorzanger trad steeds de timmerman op, die onder het laatste gezang tevens met het kerkezakje aan den langen steel rondging. Kakelende en vechtende kippen en hanen liepen soms, pikkend en verwaand rondkijkend, tusschen het publiek of onder den geïmproviseerden preekstoel door. Doch een goed zendeling is voor dergelijke stoornissen niet in ’t minst vervaard; hij heeft geen kerken of kathedralen, noch plechtige stilte noodig, doch predikt als het zijn moet overal en onder alle omstandigheden, waarbij de stemming of de indruk niet in het minst behoeft te lijden. Integendeel, in dien soberen eenvoud is iets stichtelijks en ontroerends. De oudste zendeling vertelde mij, dat hij eens onder een boom staande voor slechts één mensch had gepreekt.Zendingskweekschool te Tobelo.Zendingskweekschool te Tobelo.Somtijds wandelde ik op zulk een Zondagmorgen met den voorganger mede en woonde den kerkdienst bij.Het publiek, dat hier bijeenzat, was misschien meer stil-aandachtig dan devoot, want eenmaal inziende, hoe geenerlei dwang op hen werd uitgeoefend bij het ter kerk gaan, had er spoedig een groot verloop van toehoorders plaats. Toen er weldra meer werkvolk op de onderneming verscheen en voornamelijk bewoners van de Sangir- en Talaut-eilanden, bleek het, dat deze in grooter afzondering levende eilandbewoners, veel trouwer naar de Zondagmorgenpreeken kwamen luisteren dan de meer geraffineerde Minahassers.Ten huize van den jongsten zendeling nam ik, indien aanwezig, deel aan de gewoonten van dit huis. Reeds zeer vroegtijdig, gewoonlijk wanneer het nog schemerend was, liet de heer des huizes een belletje door het huis weerklinken, waarop de huisjongen en de jongens der school, die in de bijgebouwen sliepen, in letterlijken zin hun matjes oprolden, zich waschten en zich gingen klaarmaken voor den dag. Meestal zat ik, als dat belletje weerklonk, reeds op de fiets, en in het donker of halfdonker waren een drietal dier jongens, wier weekbeurt het was, reeds buiten en in de keuken bezig om het huiswerk te bezorgen. Door de talrijke reten der gebarsten gedek-wanden van het keukentje flikkerden reeds de vlammen van een vuurtje, en daar buiten was er een bezig hout te kloven; zelfs den zendeling ontmoette ik somtijds reeds op dat vroege morgenuur op het erf, genietend van de koelte en van den aanblik van het krieken van den dag en het opgaan der zon.Over het achtererf, langs een smal kronkelend paadje, tusschen kletsnatte door den dauw bevochte alang-alang, kwam ik dan met de fiets weldra op den rechten weg, die naar het emplacement leidde. Ten huize van den zendeling was inmiddels een ieder ontwaakt en vond er zijn werk. De leerlingen der kweekschool voor goeroes, de Papoeatjes, de Amboneesjes, de Galelareesjes enz. verdwenen in het schoolgebouw of in de studeerkamer van den zendeling en repeteerden en schreven en zeiden lessen op, of kregen in het vroege morgenuur onderricht in het zingen van kerkelijke liederen. Tegen acht uur was dan het ontbijt in de achtergalerij klaar gezet, alwaar hij nu met zijn vrouw plaats nam te midden van alle jongens, die zich langs de wanden hadden geschaard. In het Maleisch werd door hem uit den bijbel voorgelezen, waarna in diezelfde taal eenige psalmen werden gezongen. De morgengodsdienst eindigde met gebed en soms met een vermaning aan een of meer jongens, die dit hadden verdiend. De jongens verdwenen nu onder het voorgalerijtje van hun slaaphuis, waar op eenige lange tafels hun ontbijt was klaar gezet, dat steeds uit sago en visch bestond.Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).De middagtafel werd eveneens door bijbellezen en gebed voorafgegaan, de avondtafel alleen met gebed, en elke maaltijd eindigde met gebed. Bij de laatste maaltijden schaarden de jongens zich niet om de tafel, doch ’s avonds had na afloop van het dagwerk nog een bijeenkomst plaats in de achtergalerij, waar alle Papoeatjes, Amboneesjes en Galelareesjes enz. weer langs de wanden stonden, en waar ik in gezelschap van den heer en vrouw des huizes ook steeds aan deelnam. Er werd dan weer in het Maleisch uit den bijbel gelezen, er werden psalmen gezongen, en er werd gebeden.Het werd me bij die telkens herhaalde godsdienstoefeningen, in dien tredmolen van bidden en bijbellezen en psalmen zingen met de geheel onontroerde gezichten dier inlanders voor me, wel eens vreemd te moede, en ik kon den indruk niet van me afzetten, dat het dagelijksch verkeer met de hoogste dingen zoo precies op de klok en in het openbaar, en lukraak door allerlei stemmingen heen, het doel voorbijschoot en leidde tot een familiariteit en tot een gewoonte, waarbij het gevoel tot gebaar, het verhevene tot sleur werd.Wanneer we daar dan ’s avonds zaten met al die jongens, geschaard langs de wanden van de achtergalerij, de zendeling en zijn vrouw aan het lange, ik aan het korte eind der tafel, waarop steeds het roode tafelzeil met zijn grillige figuren lag, dan dwaalden onder het eentonige Maleische gezang mijn gedachten van de krullen en dwarreling dier figuren, na de herrie van den dag die mij in beslag had genomen, naar andere dingen, totdat het Amen was uitgesproken, waarop we naar de voorgalerij gingen voor het laatste werk of het laatste praatje van den dag, terwijl buiten de Indische nacht was aangebroken en de insecten om ons heen snorden en gonsden en tegen de petroleumlamp botsten en tji-tjaks hun geluid deden hooren, roerloos zittend of zich snel bewegend langs de gaba-gabawanden van het huis.De eerste boot, die van Ternate binnenviel, bracht als verrassing den koeliewerver, dien we bijna vier maanden geleden van daar hadden uitgestuurd, in gezelschap van een flinke ploeg werkvolk van deSangir- en Talaut-eilanden. We hadden deze werving, daar in den tusschentijd niets van hem was gehoord, reeds als mislukt beschouwd en tevens als een belangrijk geldverlies, naardien ons alleen was bericht, dat het geld dat hiervoor te Menado was gedeponeerd, door een misverstand in handen van den koeliewerver was gekomen, aan wien we dit niet hadden toevertrouwd. Deze vermeende mislukking en het gevreesde geldverlies had Verster zich indertijd zeer sterk aangetrokken en was voor hem een der teleurstellingen geworden, die zijn vertrouwen in onze onderneming hadden geschokt. Echter de werver was eerlijker gebleken dan we dachten, en met niet geringe blijdschap ontwaarde ik hem met zijn mannetjes aan boord van de binnengevallen boot.Met volle kracht konden we ons nu aan het ontginnen zetten, te meer daar de Sangireezen en Talauters uitmuntende werklui moesten zijn.Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).Tevens kwam met deze boot de inbeslaggenomen kas aan het adres van den civiel-gezaghebber terug, welke kas door hem aan den resident van Ternate was toegezonden. Het bleek, dat de civiel-gezaghebber in zijn functie een dergelijke inbeslagname niet had mogen verrichten, weshalve de resident er ambtshalve niets mede te maken wilde hebben. Intusschen was aan Verster, op mijn verzoek, het hem nog toekomende salaris door den resident uit deze kas te Ternate uitgekeerd geworden, zoodat ik redelijkheidshalve mocht verwachten weer de beschikking over het resteerende bedrag terug te krijgen. Dit was echter niet het geval. De civiel-gezaghebber behield hetgeen hij had, in afwachting van een advies, dat bij den officier van justitie te Makasser was aangevraagd. Daar zou men nu op zulk een afstand de ellende van een proces aan den gang kunnen krijgen met een tegenpartij die geen cent bezat en om een bedrag, dat de groote onkosten van zulk een proces niet zou dekken. Ik was allesbehalve over deze bureaucratische oplossing, die de heeren ambtenaren aan deze zaak wilden geven, gesticht en begreep, waar van mijne zijde redelijk gehandeld was en ik een proces vóór alles vermijden wilde, dat ik dit geld uit de handen van den civiel-gezaghebber terug moest hebben alvorens de justitie zich er verder mee zou mogen bemoeien. Nu had onze civiel-gezaghebber, naast een groot gevoel van eigenwaarde ook een groote mate van eigenliefde, die, wanneer ze gestreeld werd, hem zoo gedwee en lieftallig maakte als een lam. Doch hij had den laatsten tijd door allerlei kleine voorvallen steeds meer getoond zijn macht tegenover mij te zullen laten voelen, daar wegens mijn gemoedelijken en vriendschappelijken omgang met den oudsten zendeling, dien ik steeds meer had leeren waardeeren, zijn stemming tegenover mij niet verbeterd was. Hij kon mij deze sympathie voor zijn tegenstander niet vergeven, doch hij zou ook des te gevoeliger zijn, wanneer ik mij eens extra onderdanig tegenover hem betoonde.Van deze zwakheid der eigenliefde moest ik in deze omstandigheid partij trekken om mijn doel te bereiken, en zoo gebeurde het op een avond, nadat er weer een kwestie tusschen ons was gerezen,—kwesties, zooals hij er zoo dikwijls en met zoo velen had gehad—en die, per brief behandeld, een zeer scherp karakter dreigde aan te nemen, dat ik naar zijn huis stapte met het voornemen om, hoe ook,zoowel dit verschil bij te leggen als te trachten het geld terug te krijgen. Slechts ter wille der zaken, die ik vertegenwoordigde, kwam ik tot dezen stap; doch eenmaal besloten, ging ik met het vaste voornemen, hem door mijn houding en een gemoedelijk praatje in de gewilde stemming te brengen.Toen ik zijn erfje opliep, zag ik den geweldige met een ernstig en gewichtig gezicht alleen onder zijn galerijtje zitten. Mij ziende, scheen hij niet anders te verwachten dan met iemand te moeten praten, die in de gerezen kwestie zijn opinie eens ronduit kwam zeggen. Ik hield me echter zoo passief en zoo leuk en schikte me zoo geheel naar zijn wenschen en regelingen, dat hij niet wist hoe hij het had, terwijl mijn inschikkelijkheid hem geheel ontwapende en zachtmoedig stemde. Ik dacht toen zoo voor me heen: “je bent nog zoo’n kwaje kerel niet, als men maar een beetje met je weet om te springen.” Toen ik na eenigen tijd voorzichtig en terloops in het gesprek de in beslaggenomen gelden aanroerde en op de teruggave daarvan zinspeelde, weigerde hij eerst en wilde afwachten; doch tegen een zachten aandrang en eenige vriendelijkheden aan zijn adres was hij niet meer opgewassen, en ten slotte gaf hij mij wat hij in zijn gestreelde eigenliefde niet meer weigeren kon.Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).Dienzelfden avond nam ik van hem afscheid met de gedachte, die zich in dit uur steeds meer aan mij had opgedrongen: “Jij bent nog zoo’n kwaje kerel niet.”Dit zou echter niet lang duren. Eenige dagen later, toen ik zijn huis wilde passeeren, schoot juist op het oogenblik dat ik den uitgang van het erf was genaderd, een inlander in snelle vaart uit het hekje, gevolgd door den civiel-gezaghebber, die een dikken stok in zijn hand had. De inlander vluchtte niet ver, doch bleef spoedig in gebogen houding gelaten afwachten wat er komen zou. Daar daalde de stok op het hoofd van den man neer, totdat deze brak en het bloed hem langs het gelaat liep. Toen hij mij zag, trachtte hij een verklaring voor zijn handelwijze te geven en poogde den indruk te verzachten door den inlander mee naar zijn huis te nemen, waar hij hem eigenhandig verbond.Wie dezen man een stroobreed in den weg legde moest voor hem wijken of bukken; ging het niet goedschiks, dan kwaadschiks en met geweld, en van dat laatste genoot zijn wreede natuur. ’s Avonds, wanneer we onder de lamp zaten en het eene vliegje of kevertje na het ander, door het licht aangetrokken, zich door het licht verblind in den lichtcirkel op de tafel zette, was zijn gewone bezigheid, die beestjes een voor een met duim en wijsvinger zoo ver mogelijk weg te knippen. In zijn leven trachtte hij met menschen op gelijke wijze te doen, doch hij vergat dat deze zich zulk een behandeling niet zoo gemakkelijk lieten welgevallen.Voor zijn uitgebreide taak, waarvoor hij niet de minste opleiding had gehad,—hij was boekhouder bij de Paketvaart en de Landschapskas geweest,—en waarvoor hij noch de kennis noch de gaven bezat, was hij alleen in zijn eigen verbeelding berekend. Hij sloeg dan ook herhaaldelijk de plank mis en was voor zijn meerderen en voor allen, die met hemin aanraking kwamen een lastpost of, zooals men in Indië zoo hartgrondig zeggen kan..... een ellendeling. Zag ik hem door de kampong stappen, prenta’s uitdeelend aan de hoofden, de sangadji, de kapala kampong en anderen, die hem volgden en, met angst en beven tegen den willekeurigen Weledelgestrengen opziende, hem toch achter zijn rug bedrogen en uitlachten, dan moest ik zelf ook lachen, doch tevens het arme Indië beklagen, dat door zulke in Indië zelf geboren tirannen moest worden bestuurd. Met zijn waardige collega van Tidore behoorde ook hij tot de noodhulp-ambtenaren die “op straten en pleinen waren bijeengezocht.”De voortgang, dien de ontginningen maakten, noopte uit te zien naar steeds grooteren aanvoer van goede zaadnoten, en zoo was ik genoodzaakt steeds meer goede vruchtdragende boomen voor de levering dezer noten op te sporen. Gewoonlijk zond ik den opzichter hierop uit; somtijds, als het werk het toeliet, ging ik zelf per prauw en bracht daarbij bezoeken aan de koraaleilanden, die voor de kust lagen. Al deze eilanden waren bewoond en bezaten meer of minder groote klapperaanplantingen, door de bevolking aangelegd. Steeds werd ik bij zulk een bezoek getroffen door den wirwar van planten en struiken en boomen, waarmede zulke eilandjes, op de zacht glooiende, kale witte strandjes na, waren begroeid. Slechts in de directe omgeving der huisjes was soms eenige regelmaat te bespeuren. Daar stonden soms op de erfjes een drie- of viertal klapperboomen en pisangs op een rijtje bijeen, doch van een laan of een groep of een eenigszins regelmatigen aanplant vond men slechts zelden eenige sporen. Vond men een complex klapperboomen, dan stonden zij kris en kras dooreen, alsof ze bij toeval geplant waren. Zag men die eilandjes van de zee uit, dan leeken zij onbewoond en geheel verlaten, en met moeite ontdekte men van dichtbij hier en daar een bescheiden huisje, bijna geheel onder dat groen en zijn schaduw verborgen. Door hun kleinheid maakten zij, van de zee uitgezien, den indruk onbewoonbaar te zijn. Doch wanneer men eenmaal van het strand landwaarts-in wandelde en weldra niets meer dan boomen en struiken om zich heen zag, totdat men in het midden een grootere of kleinere kampong had ontdekt, dan begon men zich te verwonderen over hun betrekkelijke grootte en over het vele, dat daar groeide en over de vele menschen die daar leefden op wat, van de zee uit, niet veel meer dan een verlaten en met wat struiken en klapperboomen begroeid stukje land had geleken.De dagen verliepen in onafgebroken werkzaamheid, waarvan de resultaten dag aan dag duidelijker werden. De open plek in het bosch was een enorme ruimte geworden, waaruit hier en daar de kapala kajoes (boomstronken) van de dikste stammen tot 6 M. hoog uitstaken. Een drietal groote kweekbedden, op verschillende plaatsen aangelegd, kwamen vol noten te liggen, waaruit overal met Indische groeikracht de stammetjes en bladeren zich ontwikkelden. Het eerste huis kwam in aanbouw, het geraamte stond er reeds en het dak kwam er op. Het terrein in concessie verkregen, werd nauwkeurig afgepaald, een hooger gelegen, eenigszins geaccidenteerd stuk grond bleek bij nader onderzoek gemakkelijk uit te schakelen en te ruilen voor een lager en vlak terrein, en zoo was overal ontwikkeling en groei enverbeteringmerkbaar. Met vreugde en trots zag ik in wording en vol beloften voor de toekomst, hetgeen door voet bij stuk te houden was blijven bestaan.Inmiddels was er bericht van Java ontvangen, dat men er daar in geslaagd was een flinken administrateur te engageeren, die, daar hij de veertig reeds gepasseerd en getrouwd was, zeker de noodige bezadigdheid voor dezen post zou bezitten. Tegen het eind van Mei zou ik hem met de boot mogen verwachten, en ik zou dan aan hem het mooie werk moeten overdragen, wat mij zeer aan het hart ging.Alvorens de nieuwe titularis kwam wenschte ik nog een bezoek aan onze bezittingen op de eilandjes Dodola besar en Dodola ketjil te brengen.Voor deze reis had ik slechts de beschikking over een prauw, en wel over die van den oudsten zendeling, welke deze mij zeer bereidwillig voor die reis afstond. Mijn Talauters, die met de zee vertrouwd waren, waren uitstekende roeiers. Zij konden nu hun krachten eens toonen, daar ik den tocht in zoo kort mogelijken tijd wilde doen, wijl een langdurige afwezigheid van de jonge onderneming niet wenschelijk was. De afstand Tobelo naar de Dodola’s was linea recta 42 K.M. over de zeestraat, welke afstand in twaalf uren moest worden afgelegd. Ik besloot tegen het vallen van den avond te vertrekken; de zee was ’s nachts gewoonlijk kalmer dan des daags en aan de roeiers zou de koelte van den nacht tijdens het langdurig werk zeer welkom zijn.In mijn dagboek vind ik dien tocht als volgt beschreven.19 Mei 1913. ’t Wordt avond, 6 uur, en ik maak me klaar om met de prauw den oversteek te doen naar de eilanden Dodola besar en Dodola ketjil.Ik kan niet zeggen, dat het me toelacht om twee nachten in een kleine prauw op zee door te brengen, erg afhankelijk van wind en regen. Maar ik verlaat het veilige huis en zeg het lekkere ruime bed vaarwel, om mij aan de ongemakken van zulk een reis over te geven.’t Zal maannacht worden, de lucht is dreigend; 6 u. 10 min. steken we van wal, vijf minuten later breekt reeds een bui los; de roeiers worden terstond kletsnat evenals mijn rug, die niet voldoende door het kleine tentje op de prauw kan beschermd worden.Met mijn pajong tracht ik me droog te houden. Spoedig scheidt het met regenen uit, de maan breekt door de wolken, de bui trekt somber zwart over de zee naar het Noorden af.De vier roeiers beginnen een eentonig lied te zingen, dat telkens opnieuw krachtig inzet en dat den moed en de kracht er in zal houden, om den ganschen nacht zonder ophouden met stevigen pagaaislag door te roeien.’t Zijn vier contractanten der onderneming, menschen van de Talaut-eilanden. Deze eilanden vormen met de Sangir-eilanden twee groepen, die ten noorden van Celebes liggen op weg naar de Philippijnen.’t Zijn Christenen, trouwhartige menschen, aan wie ik mij volkomen toevertrouw.Twee zitten voor, twee achter in de prauw.Op de maat van den forschen pagaaislag word iktelkens op mijn bankje naar voren en naar achteren geworpen. Het zware werk, dat vóór hen ligt, mag ik van hen vorderen; als eilandenbewoners zijn ze aan dit werk gewend, dat ze, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, met lust verrichten. Alle inlandsche indolentie en inertie is plotseling geweken.De bergen van Halmaheira staan donker boven het glinsterende, door de maan beschenen water. De eilanden voor de kust liggen als zwarte plekken met fijne contouren van boomgroepen in de verte.Ik voel me weer als zwerveling verder van honk gaan.Een flauwe maanregenboog is zichtbaar tegen de verder trekkende bui.Het kleine vaartuigje met zijn vlerken aan beide zijden, waardoor zulk een hulkje zoo zeewaardig wordt, volgt al spoedig, nu de eilanden zijn gepasseerd, elke beweging van de wijde zeedeining. De vlerken ploffen glijdend en spattend in het water en snijden, nu links dan rechts, de golven.Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.En verder en verder gaat het, dansend en met gezang, over de golvende watervlakte, waarboven het boord van de prauw slechts een enkelen decimeter uitsteekt.Uit mijn koffer neem ik de nachtutensiliën: deken en pyjama, trek schoenen en kousen en jas uit, en over den koffer en de bank, waarop ik zat, spreid ik mijn veldbedje uit en leg me verder, gekleed, daarop neer, de opgerolde klamboe als kussen onder ’t hoofd.Wel is het veldbedje te kort om languit te liggen, want het toch reeds te kleine bedje kan niet geheel worden uitgeslagen; maar ik vind voldoende ruimte om te slapen, zij het ook dat ik een der voorste roeiers wel eens met mijn voeten tegen zijn achterdeel schop, of dat een hunner door de forsche beweging mij raakt.Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.Had ik te kiezen tusschen een nacht door te brengen in een comfortabelen slaapwagen van een ratelenden nachttrein of in dit primitieve prauwtje onder den blooten tropischen nachtelijken hemel, ik koos het laatste. En zoo, terwijl de temperatuur nu het nacht wordt, een weinig daalt, val ik onder de deken in slaap.Van zeeziekte bespeur ik in zoo’n klein dansend prauwtje niets, terwijl een groote stoomboot mij spoedig onder de eerste slachtoffers telt.Wel hoor ik in dien nacht telkens het eentonig gezang der roeiers en voel ik het deinen van het scheepje; dan keer ik mij om en slaap weer in.Om vier uur word ik voor goed wakker. Nog altijd roeien die menschen met denzelfden slag als tien uren geleden. Nog onder den indruk van zwaar gedroom, dat mij in Holland verplaatste, kijk ik op en zie daar, ongeveer twintig graden boven de oosterkim, waar straks de zon zal opkomen, Venus in bijzonder gunstigen stand als een brok licht aan den duisteren hemel staan. Jaren geleden had ik haar ook eens in de Zwitsersche bergen, op zulk een wijze boven een bergrug te voorschijn zien komen. Toen had ik versteld gestaan over de grootte dier planeet; nu was ik verrast; immers over hetzelfdenatuurphenomeen staat een mensch maar eenmaal versteld.Aan de Westerkim is de maan aan ’t ondergaan. Het eersteochtendkriekenontstaat boven de bergen van het eiland Morotai. ’t Is nu op mijn horloge kwart voor vijf geworden.Na het eerste gloren ontstaan er teêre tinten in de lucht en de eerste duidelijke wolkafscheiding steekt af tegen een rossen, dan rooden, dan goudgelen horizon. Feller, steeds feller worden die kleuren; om half zes zet ik den zonnehoed op en druk hem in mijn oogen, nu de zon zelf verblindend boven Morotai te voorschijn komt.Spoedig denk ik nu mijn doel te zullen bereiken, dat voor de kust van dat groote eiland ligt. Nauwelijks zijn de eilandjes tegen dien achtergrond te onderscheiden.Vooruit! naar die eilandjes, die verder liggen dan ik eerst schatte; ’t wordt zes uur, zeven uur, zelfs half acht, alvorens de prauw over de zeetuinen van koraalgesteenten op het witte strand van Dodola besar heen kan worden getrokken.De twee kleine huisjes, waarin de vijf man wonen, die, onder toezicht van een mandoer, elke maand door een nieuwe ploeg worden afgewisseld, zijn gesloten. Ik open de deuren en vind ze verlaten. De menschen doen dus hun plicht en zijn aan ’t werk. Na eenig zoeken vind ik ze bezig met den grond onder de klapperboomen schoon te maken. De kranige roeiers krijgen vrijaf om den dag te verslapen. Een vind ik een paar uren later met opgetrokken knieën op een stapel coprazakken, met den bijbel op zijn borst, in slaap gevallen.Het spel der fantasie, in mijne jeugd bij ’t lezen van Robinson Crusoë gewekt, is werkelijkheid geworden. De waaiende palmenkruinen op hun hooge stammen tegen de blauwe zonnelucht, de tropische hitte, het schelle licht weerkaatsend van het witte zand der stranden, waartegen de blauwe golven spoelen, het prauwtje daarginds, de huisjes van gaba-gaba, atap en bamboe, de stilte van de natuur, die in den ochtend nog overheerlijk is, de eenzaamheid van den blanke tusschen zijn bruine broeders, het is hier alles in de werkelijkheid rondom mij.Ik liet mij een veldtafeltje dekken.Ik liet mij een veldtafeltje dekken.De inspectie over het groote eiland begint, waarbij een mandoer en twee man volgen. Nu wordt de cultuurman wakker, die met critisch oog de natuur bekijkt, om te zien welke voordeelen zij hem kan brengen. De palmen worden naar den leeftijd getaxeerd, de rijpe klappers worden aan eenige reeds overvloedig dragende boomen geteld, en de oogsten worden voor de naaste toekomst zooveel mogelijk getaxeerd. Het wordt tegen den middag ontzettend heet. Als dit werk gedaan is, gaan we terug, achtervolgd door muskieten. Een geweldige wesp zet zich op mijn wang en steekt me als met een gloeiende naald. De inlanders maken beenen, ik hen na, want een gansche zwerm komt opzetten. Op ’t heetst van den dag leg ik me neer onder de klamboe van het veldbedje. Dan wordt het tweede, veel kleinere eiland geïnspecteerd.Tegen den avond laat ik mij voor een der huisjes onder de galalaboomen een veldtafeltje dekken, waaraan ik, op een veldstoeltje gezeten, eindelijk eens met een flink maal begin.Door de goede zorgen van mijn gastvrouw te Tobelo is het een tafeltje-dek-je geworden. Het landschap is met fijne overgangstinten belicht, het wordt donker, maar reeds komt de volle maan op, die weer dezen nacht den terugweg zal belichten. Van de bergen van Morotai, over de zee die ons van dat eiland scheidt, komt de avondwind opzetten. Mijn roeiers trachten een zeil te maken op de prauw, in de hoop dat het nachtwerk, dat hen wacht, daardoor verlicht zal worden.Eindelijk is alles klaar en is de prauw geladen. Eenige mannen komen nog met groote schelpen aandragen en dan gaan we den tweeden nacht in. Een nacht van volmaakte windstilte, want nauwelijks is het geheel donker geworden of de avondwind is ook ter ruste gegaan.Het eentonig gezang dat den pagaaislag begeleidt, is weer aangevangen. Voor dertien uren zitten de roeiers weer op hun bankjes, om onafgebroken te roeien. Na den heeten, vermoeienden dag komt er op die stille zee een weldadige ontspanning. Alle gedachten aan zaken en zorgen worden gebannen en de geest zweeft op luchtiger banen door het onbegrensde, onder den goddelijken indruk van de ontzaggelijke ruimte om mij heen.Toen ik ’s morgens om vijf uur wakker werd, waren we onder de kust van Halmaheira aangekomen. Op mijn vraag aan de roeiers of een van hen ook vermoeid was geworden, klaagde slechts een over een beetje pijn in zijn rug.Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).Binnen veertien dagen zou de boot van Java kunnen binnenvallen, waarmede, volgens de ontvangen berichten, de nieuwe administrateur, de heer Van der Molen, mocht worden verwacht.Het huis op de onderneming was intusschen zoo ver klaar gekomen, dat het hem zou kunnen ontvangen, te meer daar hij zijn vrouw voorloopig op Java had achtergelaten.Toen de boot dan ook het anker liet vallen, vernam ik al spoedig van bekenden, die aan wal stapten, dat de heer Van der Molen zich aan boord bevond en elk oogenblik met de motorboot aan land kon komen. En inderdaad, daar legde de motorboot aan de pier van koraalsteenen aan en aan land sprong een rijzige man in groen kaki, met een klein deukhoedje op zijn hoofd, een karwats in de hand en gevolgd door vier blaffende en springende foxterriers, die na de lange reis dol van vreugde waren weer vasten grond onder zich te hebben.Het was de heer Van der Molen. Wij maakten kennis, namen elkaar eens op en de eerste vragen en antwoorden wisselden elkaar af. Ik had verwacht met een krachtig en joviaal mensch kennis te zullen maken; maar wat was dit voor een man met zijn smalle gezicht, zijn dwalende en onrustige oogen, zijn onzekeren blik en met die diepe groeven in zijn gelaat die van zielelijden spraken? Een neurasthenicus zeker! En wat moesten die vier honden? Voor Indië zoo iets zeldzaams en vooral zulke mooie exemplaren. Doch ik diende af te wachten, hoewel de eerste indruk, waarbij men het type reeds terstond leert kennen, allerminst gunstig was.Een boot vol bagage, kisten en koffers, zelfs een veldkeuken volgden hem en tevens een Javaansche jongen.We wandelden achter den grobak, met bagage volgeladen, landwaarts. Hij deed de eene vraag na de andere, en keek me onderwijl half angstig, half brutaal aan, terwijl hij zeer ongeduldig was om zijn huis op het emplacement van de onderneming te leeren kennen. Toen we daar aankwamen, keken de aanwezige contractanten nieuwsgierig naar hun nieuwen chef, en verbaasd en giechelend naar de vier fox-terriers, die wild om ons heen stoeiden. Het huis stond hem nogal aan, de ligging vond hij mooi, hij zou het zich hier eerst eens “senang” maken, alvorens verder rond te kijken.Na dit eerste samenzijn had ik dien man voldoende gepeild, om met een bezwaard hart en met allerlei vragen, waarop nog geen antwoord te vinden was, dien avond naar huis te gaan. Hoe zou ik ooit aan zoo iemand mijn werk met vertrouwen kunnen overdragen?Hoe kwam hij er toe naar deze positie te hebben gedongen? Hoe was het mogelijk, dat men zulk een man hier heen had gestuurd? Maar hoe werd ik hem weer kwijt, en hoe moest ik me dan helpen?Vol innerlijken wrevel na die eerste kennismaking, zat ik dien avond peinzend bij den zendeling onder de galerij en verlangde, waar ik in de toekomst mijn werk onder leiding van zoo iemand mislukken zag, naar Holland terug, weg uit dit akelige Indië met zijn zwervers, zijn dépravés en zijn ellendelingen, waarmee niets aan te vangen was. Dat Indië, waarover men in Holland wel kon fantaseeren, doch waarvan men voor die werkelijkheid staande, met allerlei onverwachte ongunstige factoren rekening had te houden, welke men den eerlijken strijder, bij een slechten afloop, niet steeds in zijn voordeel zou boeken.Dien avond ging ik in een bittere stemming naar bed.Den volgenden morgen toen de rol werd gehouden, bleef het huis, waar Van der Molen sliep, gesloten. Eerst tegen 7 uur ging de deur open en kwam mijnheer, in morgentoilet, met een paar slaperige oogen eens kijken. Tegen den middag gingen we een eindje het bosch in. De man was toch administrateur en moest toch wel eenige belangstelling toonen en van een en ander nota nemen. De eerste dagen liet ik hem zoo aan zichzelven over, totdat hij zich in zijn huis met behulp van zijn jongen goed en wel had ingericht. Toen verzocht ik hem ’s morgens op de rol te verschijnen en in zijn kwaliteit op te treden.Mijnheer verscheen echter niet op de rol en hij zag gaarne dat ik voorloopig de administratie bleef voeren. Voor een wandeling door het bosch, voor een kijkje hier en een kijkje daar, waarbij zijn vier honden hem altijd vergezelden en het meest zijn aandacht in beslag namen, was hij wel te vinden. Voor hetgeen hem echter interesseeren moest, bleef hij vrij wel doof. Hij was afgetrokken als een man wiens gedachten steeds door iets anders van het naastliggende worden afgeleid, als een speculant die voor zijn ondergang staat.Wel bemerkte ik, dat hij zich eenigszins voor de contractanten interesseerde, en dat hij tijdens mijn afwezigheid lange gesprekken met hen hield; voorts dat de aanwezige gereedschappen en voorraden door hem in oogenschouw waren genomen, want weldra kwam hij met aanmerkingen over de veel te geringe hoeveelheden, die hij had gevonden. Daarop werd door hem een lijst gemaakt van alles wat hij wenschte te bestellen. Die bestellingen liepen echter zoo de spuigaten uit dat, ik hem hier en daar wel attent moest maken op de al te buitensporige hoeveelheden, die hij nu wenschte te laten komen. Daar zouden, onder meer, 300 kilo spijkers en 100 kilo schroeven door hem worden besteld, verder blikken lijnolie en roode menie, verf, ijzergaas en prikkeldraad enz. in zulke hoeveelheden, dat we een aparte loods voor dien noodeloozen en kostbaren opslag zouden moeten bouwen. De verzending der brieven met deze bestellingen zou echter voorloopig op de terugkomst der boot moeten wachten.Intusschen vermeerderden van zijne zijde de aanmerkingen met den dag, waarvan de diepere oorzaak was, dat de man geen energie en geen lust had tot het opbouwende werk dat hier gedaan moest worden.Daarenboven was hij door ’t vernemen der praatjes van Verster op zijn lange reis naar hier vergiftigd. Deze had namelijk van Makassar tot Tobelo alle plaatsen die door de boot werden aangedaan, met zijn laster besmet. Hij had dit zoo bont weten te maken, dat zelfs onder de zendelingen op de verafgelegen posten, door hem op zijn terugreis bezocht, een tijdelijke verkoeling was ontstaan.Intusschen zat ik met mijn nieuwen titularis, die mij met telkens hernieuwd wantrouwen lastig viel, die steeds meer aanmerkingen begon te maken, steeds meer cognac begon te drinken, waarvan hij met andere spiritualiën een goeden voorraad bij zich had, die steeds onbeschaamder werd en als administrateur meer bedierf dan goed deed.In zijn huis hingen verscheiden portretten zijner vrouw, een zeer wereldsche dame, een vrouw die het hier geen twee weken zou uithouden. Zijn geschiktheid voor deze positie, die hij als getrouwd man anders zou hebben, werd daardoor ook niet beter. Zijn praatjes over allerlei perkara’s (wat ruzie of kwestie beteekent, een der eerste woorden die men in Indië leert kennen), waarin hij gewikkeld was geweest, gaven mij al spoedig de zekerheid, dat ik binnen niet al te langen tijd ook dezen man zijn ontslag zou moeten geven.Doch wat dan?Op een morgen maakte hij het zoo bont en toonde zich, met zijn verzwakten geest en zijn ondermijnd lichaam, zoo in ’t geheel niet opgewassen voor zijn taak, dat hij zelf door den last, die hem nu reeds scheen te drukken, het woord ontslag noemde. Het was de tiende dag van zijn verblijf te Tobelo.Toen hij eenmaal het fatale woord ontslag genoemd had, moest hij vernemen, dat dit des te eerder des te beter gewenscht was.Dien middag verscheen ik met twee getuigen in zijn huis en reikte hem in hun bijzijn zijn ontslagbrief over. Hij kon dan met dezelfde boot, waarmede hij gekomen was en die binnen zeven dagen terug zou keeren, naar Java teruggaan. De brutaliteit van mijnheer en zijn eischen over het uit te keeren salaris kenden nu evenwel geen grenzen, hoewel hij vrije passage heen had gehad en ik hem vrije passage terug plus een bedrag in contanten waarborgde.Men moet zelf in een bijna rechtloozen staat, zooals die verre posten in de Buitenbezittingen, wanneer goede ambtenaren ontbreken, practisch nog zijn, met dergelijke desperado’s of hoe men zulke menschen noemen wil, te doen hebben gehad, om te weten hoe moeilijk men zulke patienten, die daarbij nog altijd met recht en wet schermen, tot rede kan brengen. Slechts het dreigement hem op staanden voet uit het huis en van de onderneming te laten zetten, kon hem dwingen tot het teekenen van een stuk, waarin hij, na ontvangst van zijn salaris, zijn passage en nog een extra uitkeering, afstand deed van alle eischen, die hij volgens zijn contract misschien nog eens meende te kunnen laten gelden.Kreunend en bijna jankend als een geslagen hond gaf de man, die nooit iets had uitgevoerd of van plan was geweest iets uit te voeren, ten slotte toe. Ik liet hem in het huis, waar hij kon blijven tot de boot zou komen.Zie zoo, dat was afgeloopen. Doch nu een derde administrateur! Hiervoor zou ik zelf moeten zorgen. Het was mij bekend, dat bij de Batjan-maatschappij ten Zuid-Westen van Halmaheira een jonge getrouwde assistent, een Hollander, naar verbetering van zijn positie haakte. Hij had reeds door bemiddeling van anderen zijn diensten, die ik toentertijd niet gebruiken kon, aan mij aangeboden. Zeer waarschijnlijk was deze jonge man nog daar ter plaatse en allicht zou hij nog gaarne voor deze betrekking in aanmerking komen. Ik zou van geluk mogen spreken, indien ik er in slagen kon hem te engageeren, daar ik in het andere geval naar Java zou moeten reizen. Men bedenke daarbij wat zulk een reis, die slechts eens in de maand te doen is en waarvan de duur even lang is als van Europa naar Java, terwijl ik hier onmisbaar was, voor mij moest beteekenen.Ook deze reis reeds, naar Batjan en terug, zou door de slechte verbindingen reeds weken kunnen duren.Nog een week had ik voor me, om mij op mijn langdurige afwezigheid voor te bereiden. Het was weer de oudste zendeling die mij hielp, door zich genegen te toonen gedurende mijn afwezigheid den opzichter en de mandoers te controleeren, wat voor mij van onschatbare waarde was. Onder dien zedelijken invloed, hoopte ik, zou het ontginningswerk niet te veel te lijden hebben; maar in elk geval, nood breekt wet en zoo maakte ik mij weer gereed tot een zwerftocht, waarvan het einde nog niet te overzien was. Weer werden een paar koffers gepakt en werd alles voor het vertrek gereed gemaakt.Op de onderneming ging ondanks die strubbelingen het werk geregeld zijn gang. Van der Molen ontweek mij door ook overdag veel te bed te blijven of in zijn achtergalerijtje weg te kruipen, wanneer ik in het kantoortje verscheen, dat reeds gedurende eenigen tijd naar de binnengalerij van dit huis was verplaatst.Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.Het was op een Zondagmorgen, dat ik plotseling verrast werd door de ontvangst van een schrijven van zijn hand, waarin hij mij mededeelde den avond te voren, terwijl hij in de ontginning wandelde, van een boomstam te zijn gegleden, waarbij hij zich ernstig in de zijde had gewond en nu met ondragelijke pijnen te bed lag.Met den oudsten zendeling, die eenige medicijnen medenam, spoedde ik mij daarheen en vond hem in zijn slaapkamer te bed krimpend van pijn. Uiterlijke teekenen van een verwonding waren niet te constateeren, doch hij deed ons een omstandig verhaal, hoe hij den avond te voren om zes uur dat ongeluk had gekregen en sedert dien tijd hier met die pijnen lag. Bij navraag aan zijn Javaanschen jongen bleek, dat de Toewan om zeven uur ’s avonds nog springlevend was geweest. We begrepen nu niets meer van dien man, die daar waarschijnlijk den zieke speelde. Hij deed het echter zoo natuurlijk, dat we in twijfel verkeerden, te meer daar we volstrekt geen reden voor simuleeren konden ontdekken.Den dag daarop lag hij nog evenzoo. Hij at niet, kreunde maar en dronk soms wat koffie en cognac. Het werd mij in dat huis steeds ongemoedelijker, tot ik den derden dag van zijn ziekte eens weer in zijn slaapkamer kwam en niet wist of ik lachen of huilen moest. Met een verwilderd gezicht, in een vuil geworden pyjama, onder een vuile deken lag hij daar nog steeds in een donkere, benauwde kamer, waarin alleen door reten in den gaba-gabawand eenig licht drong. Met een zwakke stem zuchtte hij slechts. “Wanneer komt die boot nou?” Tranen had hij in zijn oogen, ongeschoren waren zijn kin en wangen, het magere gezicht was nog magerder dan anders en om zijn hoofd had hij, als een tulband, natte doeken gewikkeld. Hij was, zooals hij daar lag en zich gedroeg, een toonbeeld van de diepste menschelijke ellende. Toen dacht ik een oogenblik dat hij niet toerekenbaar meer was en kreeg medelijden met hem. Weer klaagde hij over pijn in de zijde. Tegen zijn zin werd bij nu op een langen dekstoel naar buiten gedragen, waar hij frisschere lucht had en naar de groene boomen, de zon en de blauwe lucht kon kijken. Misschien zou hem dat wat opkwikken. Een aanbod om geneeskundige hulp van den zendeling te halen, sloeg hij zeer beslist af en zoo liet ik hem liggen met de verzekering, dat hij mij elk oogenblik kon laten roepen, als hij hulp noodig had.Zoo bracht ik eenige uren per dag in dit “unheimisch” geworden huis door. Hij, kreunend op zijn bed, ik werkend aan de schrijftafel. Het weergalmen van de fluit der verwachte stoomboot maakte hieraan plotseling een einde. Iedereen kwam in beweging, ik zelf niet het minst, want weer heette het vertrekken en nog laatste orders geven en een laatste hand leggen hier en daar.
Hoofdstuk V.Uit de prilste jeugd eener cultuuronderneming.Terug te Tobelo. Na een landing van menschen en beesten en goederen, die uren duurde, daar de boot door de tallooze koraalbanken steeds een paar kilometer uit de kust op de reede moest blijven liggen, zoodat iedereen en alles per sloep, per prauw of motorboot naar het land moest worden geroeid of gesleept, was ik dan veilig en wel te Tobelo weergekeerd en opnieuw ingekwartierd ten huize van den civiel-gezaghebber. De koelies, die van Ternate waren meegegaan, bleken reeds een onderdak te kunnen vinden in een der twee groote loodsen, die men nog bezig was op het terrein te bouwen en waarvan de daken in de verte op den weg daarheen reeds hadden verteld, dat de bedrijvigheid alhier tijdens mijn afwezigheid niet geheel had stilgestaan. Ook was een 9 M. breede weg van de kampong naar het concessieterrein lijnrecht uitgezet en voor een groot gedeelte reeds van de boomen en planten, die daar stonden, ontdaan.Op het terrein zelf aangekomen, wachtte mij echter een groote zorg, die mij nog eenige weken achtervolgen zou. De eenige kali, die het terrein doorsneed, was in haar benedenloop meestentijds droog, alleen na hevige regens stroomde er water in. Zonder water zou het prachtige terrein, waarvoor we nu stonden, voor cultures zoo goed als waardeloos zijn. Het werd dus zaak water te zoeken; doch waar? We hadden hoop door het graven van putten voldoende grondwater te zullen vinden. Er liepen door dezen poreuzen bodem ondoordringbare leemlagen, die het grondwater ophielden; doch hoe en waar deze te vinden waren, wist niemand.Zoo hadden we op goed geluk op verschillende plaatsen putten laten graven, doch nergens was nog water gevonden. Waar de loodsen werden gezet, hetgeen we het emplacement gingen noemen, was reeds een dergelijke put tot een diepte van 10 M. gegraven en nog was hij droog. Dat zag er leelijk uit en zou ons scheepje kunnen doen stranden. Dieper graven en overal naar water zoeken was nu het consigne geworden. Met de mannetjes, die ik tot mijn beschikking had, werden binnen en buiten de grenzen van het terrein gaten gegraven en na eenigen tijd bleek het, dat het grondwater in dezen doordringbaren bodem even hoog stond als het niveau van den zeespiegel. Zelfs bleek het, dat dit water rees en daalde naar gelang van eb en vloed. De diepte der putten zou dus afhankelijk moeten zijn van de hoogte van het terrein boven den zeespiegel, en daar het emplacement 15 M. hoog bleek te liggen, zou vrij zeker tot deze diepte gegraven moeten worden.Intusschen leerde ik op mijn dagelijksche tochten ter nadere verkenning en onderzoek door de kilometerslange rintissen of over moeilijk te vinden en te volgen voetpaadjes, het oerwoud allengs meer kennen en geraakte er steeds meer mee vertrouwd. We drongen door tot aan den voet der bergen en vonden onzen weg door moeilijk doordringbare glagahbosschen of door bamboestoelen (een groep bamboekokers uit een zelfden wortelstok), die dank zij de slagen van den parang op de lange kokers, die in een enkelen forschen slag doormidden waren, ons voortgaan niet konden beletten.Onder het zwaarste hout was het doordringen het minst moeilijk; daar onderschepten de zware kruinen hoog in de lucht het zonlicht totaal, zoodat een weelderige vegetatie op dien bodem uitgesloten bleef. Wel stonden er op dien altijd vochtigen boschgrond groote en kleine varens en trachtte ook het jonge hout naar boven en naar het licht te streven, doch het halflicht onder het dichte bladerendak dier reuzenstammen verhinderde een opulenten groei.Het wemelde in zulk een woud van klein gedierte. Milliarden mieren, groote en kleine, bruine en zwarte krioelden over den grond en over omgevallen boomstammen; millioen- en duizendpooten en venijnige schorpioenen scharrelden er tusschen.Griezelige spinnen, soms fraai gekleurd, sponnen haar groote taaie netten met witte kruisen tusschen ’t jonge hout, waaronder de zwaarbehaarde vogelspin, met hare pooten uitgestrekt zoo groot als de palm eener hand, me altijd een schrik op het lijf joeg. Aantrekkelijker waren de vlinders, die met hun felle kleuren en in nooit te voren geziene grootte zweefden door de roerlooze stilte van het woud, of de tallooze wonderlijke insecten, waaronder allerlei soms bijna lachwekkende spelingen der natuur. Daaronder waren de wandelende takken en bladeren als frappante voorbeelden van de neiging der natuur tot mimicry, waardoor zij natuurlijk uiterst moeilijk te ontdekken waren. Tallooze hagedissen schoten telkens als weerlichten weg; leguanen, waarop de inlanders gaarnejacht maakten terwille van het lekkere vleesch, verdwenen kruipend tegen de hooge stammen in de donkerte der kruinen. Soms vernam men in het lage hout het gedruisch van een wild varken, dat op de vlucht sloeg, naast de herten, het eenige gevaarlooze grootwild dat op Halmaheira te vinden was. Men was er reeds binnen de grenzen der Australische fauna, waartoe veel buideldieren, doch geen gevaarlijk wild behoorde. De koeskoes, de oostersche opossum, een dier onschuldige buideldieren, werd dikwijls, door de koelies doodgeslagen, uit het bosch meegesleept en boven het vuur als smakelijk maal geroosterd. In de alang-alang ritselde wel eens een slang, die daarmede hare tegenwoordigheid verried, wat haar gewoonlijk het leven kostte. De menschelijke haat tegen deze beesten was hier al even erg als een halfrond verder, waar de Drentsche boer elken adder, die op zijn weg komt, met zijn klomp tracht dood te slaan of met zijn zakmes in stukken tracht te snijden.Timmerschool op Halmaheira.Timmerschool op Halmaheira.Op den vlakken bodem van het woud passeerden we dikwijls hoopen, uit aarde, bladeren en takken bestaande, die van een tot anderhalven meter hoog en vele meters in omtrek waren. Deze hoopen werden door de boschkip opgeworpen voor het bewaren en het uitbroeden harer eieren. Wanneer men dan dezen vogel zag, die slechts iets grooter was dan een patrijs en men liet zulk een aardhoop openleggen, dan vond men daarin een zevental eieren, elk grooter dan een eendenei, en stond men verbaasd over de ongerijmde energie die door dat beestje was ontwikkeld en die in geenerlei vergelijking stond met de normen, waaraan de natuur ons in dat opzicht heeft gewend. Het krijschen van papegaaien en kakatoes, en soms ’t geroep van den jaarvogel, vergezelden ons op onze tochten langs de soms meters dikke stammen in de vochtige koelte van het woud. Een voor een zouden die reuzen moeten vallen en het moeten afleggen tegen die venijnige menschjes, die nu zoo klein langs hun voeten kropen; met donderend dreunen zouden die stammen en kronen ter aarde vallen, zoodat men in de kampong Tobelo aan het rommelen van een aardbeving zou denken.De gladstammige kanariboomen van ruim 40 M. hoogte, die met hun breede kruinen loodrecht naar boven streefden, zouden met vele andere onbekende grootheden, waarvan het hout niet bestand was tegen het Indische klimaat en het invreten van houtwormen, als waardeloos worden verbrand en in den drogen tijd als dood hout langzaam wegsmeulend, geheel tot asch verteren. De betere houtsoorten echter, zooals het veel gebruikte harde ijzerhout (kajoe besi), lingowa, oetang kanari en zelfs ebbenhout, zouden worden uitgezocht en bestemd worden voor den bouw van huizen en loodsen. Ook zouden met dat woud de tallooze lianen verdwijnen, die in allerlei dikten langs die hooge stammen van de zware takken dropen, de klimplanten en de parasieten, waaronder de orchideeën, die zich op de takken met hun kort stelsel van luchtwortels hadden vastgehecht.Zoo leerde ik me in die bosschen steeds meer oriënteeren en allerlei kleine verschillen opmerken, die eerst langzamerhand in het oog vielen, waar het in den beginne een chaos van takken en bladeren was geweest. Zoo, met die natuur vertrouwd geworden, was het een genot soms alleen door de plechtige stilte van zoo’n eeuwenoud roerloos woud te kunnen gaan.Herhaaldelijk was ik in de uitvoering van mijn taak genoodzaakt de hulp van den oudsten der zendelingen in te roepen. Voor zijn grooten timmerwinkel hadden we steeds bestellingen, van zijn geneeskundige kennis en het hospitaal moesten we veel en zouden we op den duur, met meer koelies, zeer veel gebruik moeten maken. Als vraagbaak voor velerlei kleinigheden stond hij me met zijn kennis van land en volk steeds bereidwillig ten dienste.Doodenhuisjes op Halmaheira.Doodenhuisjes op Halmaheira.Met leede oogen zag onze civiel-gezaghebber het aan, hoe ik meer en meer achting voor zijn tegenstander begon te krijgen. Met nauw verkropte woede moest hij het aanzien, hoe ook ik den zendeling, waar deze mij zoozeer van dienst was, gaarne van dienst wilde zijn en somtijds kon zijn. In zijn heerschzucht en zijn groot gevoel van machthebber zou hij het liefst dezen omgang verboden of deze samenwerking onmogelijk hebben gemaakt; nu echter was hij wel gedwongen zich te bepalen tot eenige schimpscheuten en onvriendelijke opmerkingen.Het was mij ook reeds op reis herhaaldelijk opgevallen, dat men den naam van dezen zendeling veel noemde en daarbij dikwijls op minder vriendelijke wijze. Doch het bleek me bij nadere kennismaking al spoedig, dat hij voor deze streken een man van beteekenis was, hetgeen alleen reeds reden genoeg was tot allerlei gepraat.Menigen avond, als het donker geworden en het werk afgeloopen was, stapte ik het ruime erf van het zendelingenhuis op en zat met hem en zijn vrouw onder de voorgalerij der gezellige woning. Daar hoorde ik dan van hun leven en ontberingen in de eerste jaren van hun verblijf in deze streken. Het was toen zoo vol ellende geweest, dat van een zestal kinderen die in hun huwelijk geboren waren, slechts één meisje in het leven was gebleven, en dit kind hadden ze op negenjarigen leeftijd, als hun eenigen oogappel, terwille harer opvoeding, naar Batavia moeten zenden. Doch uit de moeiten en ontberingen van dien eersten tijd was langzamerhand veel goeds gegroeid, en nu kon hij wijzen op den gestadigen bloei van ’t geen hij in onderscheidene richtingen tot stand had gebracht. Want naast zijn directen werkkring van zendeling, had hij, met zijn energie en kijk op practische dingen, nog tijd en lust gevonden voor allerlei werkzaamheden, waardoor hij tevens den werklust bij zijn gemeente had aangewakkerd.In de timmerschool op zijn erf werkten dagelijks van ’s morgens tot het donker werd, onder het toezicht van een Chinees, een dertigtal inlandsche jongens en aankomende mannen van allerlei stammen uit den omtrek, zelfs Papoea’s van Nieuw Guinea. Zij maakten daar kasten en stoelen en tafels en bedden, en verder allerlei nuttig gerei, waar hier steeds veel vraag naar was. Zoo noodig werd ook de bouw van een huis in den naasten omtrek van hieruit geleid. Zoo was daar die schavende, beitelende en hamerende troep voor de geheele Residentie Ternate een unicum van bedrijvigheid. Ook het hospitaal eischte dagelijks door de vele menschen die om hulp kwamen vragen, veel werk.Een klapperaanplanting van 10.000 boomen, waarmedereeds jaren geleden door hem was begonnen, verlangde steeds meer toezicht, nu de oogsten grooter werden en zeer belangrijk beloofden toe te nemen; tevens waren proefaanplantingen van hevea, manilla-hennep en cacao door hem aangelegd.Zijn kennis van de Tobeloreesche taal had hem in staat gesteld een uitgebreid woordenboek dier taal samen te stellen en uit te geven; en zoo werkte zijn veelzijdige bekwaamheid in veelzijdige richting tot zegen van deze streek.Een geheel ander man was zijn jongere collega, die iets verder woonde en die zich uitsluitend tot het geestelijk beroep bepaalde en het practische, als zijnde niet in de eerste plaats zijn werk en niet met zijn neiging strookende, liefst afwees. Jaren later gekomen, had hij ook veel reeds gereed gevonden. Zijn huis, evenals de school, waarin hij de inlandsche jongens tot goeroe opleidde, was door zijn collega gebouwd. Zijn leven verliep tusschen die school en dat huis en de kleine kerk, waarin hij ook geregeld een preekbeurt vervulde. Hij was een aangenaam man in den omgang, die pratend en luisterend zijn gezelschap met de belangwekkendste gesprekken wist bezig te houden. Door de gunstige omstandigheden, die hij hier van den dag zijner komst af gevonden had, was hij geheel buiten de gewone moeilijkheden gebleven, waarmee de zendeling anders op deze verre posten dikwijls te kampen heeft. In zijn huis, in gesprek met hem en zijn vrouw, met de beschikking over zijn bibliotheek, waarin de Hollandsche schrijvers voor het jaar ’80, goed vertegenwoordigd waren, waande men zich geheel in Holland terug, in een well-to-do en zelfgenoegzaam Holland, waarmede de pisangs en de klapperboomen op het erf en de tropische zon, die buiten de galerij scheen, in ’t geheel niet harmonieerden.Het was tegen het eind van Januari geworden, toen we konden beginnen met klappernoten te verzamelen, die als zaadnoten op de eerste kweekbedden zouden worden uitgezet. Onder leiding van een Ternataanschen opzichter, die als zoodanig door mij was aangenomen, wijl hij de taal van het volk en ook Hollandsch sprak, was de prauw, die uit Ternate was meegebracht, met een zestal koelies bemand naar de naburige eilanden en langs de kust gezonden, om deze eerste noten te verzamelen. Het zou dagen duren, want de gezondste en zwaarstdragende boomen die te voren door ons waren uitgezocht en gemerkt, lagen ver uiteen. Er bleef mij in die dagen niet veel te doen over, dan af te wachten en het toezicht te houden op het bouwen der loodsen en het graven van putten. Alleen wanneer de boot zou binnenvallen, die binnen eenige dagen verwacht mocht worden, zou daaraan spoedig een einde komen. Dan opeens, als de fluit zou weerklinken, zou het leven weer beginnen, dat nu langzamerhand uitging, elken dag wat meer, totdat de eentonigste saaiheid van bijna werkelooze dagen was bereikt.Zoo brak de dag voor de aankomst der boot aan, doch wij hielden er rekening mede, dat zij tenminste drie dagen te laat zou binnenvallen. De dag verliep dan ook in ononderbroken rust, ook de volgende dag en de dag daarop en de eene dag na den anderen, en ook de prauw onder leiding van den opzichter kwam niet terug. Hoe keek ik nu uit naar dien onruststoker uit de groote wereld, wanneer ik na de paar menschen, die op het emplacement werkten bezocht, en gezien te hebben, dat zij elken dag hun taak hadden volbracht, doelloos ronddoolde door het woud. Zoo begon ik in die dagen te lijden aan ongeduld, verveling en... verlangen, en in mijn dagboek vind ik uit dien tijd een gedichtje:Totdat...Weer komen er verlangensSmartelijk los,Terwijl ik wandelend benDoor ’t eenzaam bosch.Weer dwalen mijn gedachtenVan dit kruis,Zij gaan, onmerkbaar eerst,Naar ’t ver tehuis.En peinzend denk ik dan:“Hoe zal ’t daar zijn!”Ginds, waar mijn lieven levenGroot en klein.De kleinen met hun spelenHun gevraag,De groote stil verlangendTot het daag.Tot daag het uur van wederzien,Tot daag ’t geroep, ’t gejuich der kleinen,Tot het verlangen henengaat,Hereend, vereend weer met de mijnen.En eenzaam liep ik langs het heete, zwarte strand, turende over den glimmenden waterplas naar de koraaleilanden voor de kust en over de wijde toegangen daar tusschendoor naar de heel verre flauwe streep aan den gezichteinder, of niet een rookwolk de komst van de boot zou verraden. Of wel ik zocht langs de kusten dier eilanden, of niet de uitgezonden prauw te ontdekken was, welker terugkomst althans eenig werk zou verschaffen en eenigen voortgang zou brengen in de dagen, die nu doelloos voorbij gingen. Doch verlaten, troosteloos verlaten bleef de zee.Eenzaam liep ik er, zooals er voor mij duizenden in dit land geloopen zullen hebben, zooals er na mij duizenden loopen zullen, in machtelooze afwachting, in werkeloosheid door een groot verlangen overvallen, dat tijdelijk alle belangstelling doofde. Ik voelde me onder dit volk en te midden van deze natuur als een vreemdeling, als een indringer, als een rustverstoorder en in mijn sentimenteele stemming zong ik, als een dreun die me niet verlaten wou:Nach der Heimat kehr’ ich wiederNach dem treuen Vaterland.Het was Indische maannacht geworden. Donkere silhouetten van cocospalmen, van pisangs en manggaboomen en van de atappen dakjes der inlandschehuisjes staken af tegen de lichte lucht, waarin de sterren verbleekten. Zoo slenterde ik op een avond terug naar huis. Zwarte, geheimzinnige schaduwen zag ik overal en uit de verte klonk uit de heidensche kampong het sombere geluid der doffe slagen op de tifa, waarop de inlanders ter aanvuring van nachtelijke bacchanaliën in eentonigen cadans hun primitieve muziek uitvoerden.Gedrukt zette ik mij neer onder het galerijtje van het huis van mijn gastheer en liet me vertellen van de bevolking en haar vrees voor den blanke.Deze heidensche inlanders, met hun animistisch geloof (het geloof in de macht van de geesten der afgestorvenen hier op deze aarde), hadden een groot ontzag voor den Hollander. Hoewel zij hem onverschrokken aanzagen, zouden zij hem toch niet spoedig aanvallen, daar hun geloof hun leerde, dat zij, die in de kracht van het leven door een ongeluk omkwamen of die in den krijg sneuvelden, hiernamaals een veel grootere macht over de levenden bezaten dan zij, die door ouderdom of op het ziekbed waren gestorven. Nu stond het bij hen vast, dat de Kompanie een verbazend groot aantal van zulke geesten bezat, die in oorlogen gesneuveld, nu onder de levenden de Kompanie en hare leden in geval van een aanval zouden bijstaan.Met dit beschermende fluïdum der geesten onzer voorouders om mij heen, gevoelde ik me voor goed rustig en veilig tegenover de inheemsche bevolking, die overigens ook niets kwaadaardigs had. Kwam men Tobeloreesche mannen en vrouwen tegen, dan zouden zij steeds voor den Europeaan uitwijken. De eersten waagden dan gaarne eens een “Tabé Toewan!” en bleken aangenaam verrast wanneer men hun groet met een “Tabé!” beantwoordde. De laatsten bleven dikwijls stilstaan en wachten tot men voorbij was en sloegen daarbij schuchter en zedig de oogen neer; zelfs gebeurde het dat zij op eenzame plekken op de vlucht sloegen en in de hooge alang-alang verdwenen. Een kijkje te nemen bij hun feesten scheen hen volstrekt niet te hinderen. Ongegeneerd gingen ze dan met zingen en dansen en het uitstooten van kreten en het maken van grimmassen voort, terwijl ze groote hoeveelheden sago aten en sagoweer dronken, van welk vocht ze lodderig en halfdronken werden. Vele mannen en vrouwen zagen er flink gebouwd uit, doch ondanks het natuurleven van dit natuurvolk was het toch geen sterk en krachtig ras. Vieze huidziekten, waaronder de framboesia tropica vooral berucht was, kwamen hier veel voor en kinderen hadden somtijds booze zweren over hun gansche lichaam verspreid.Met hun dooden sprongen zij om zooals hun geloof het hun ingaf. In kleine doodenhuisjes op palen of in half gevulde graven, waarboven een dakje, werden de lijken vlak in de nabijheid hunner huizen neergelegd, terwijl blauw gekleurde borden en schalen van aardewerk, waarop eten, daarnaast werden geplaatst. Ook wapens en huisraad werd daar in de nabijheid neergelegd ten gebruike der afgestorvenen; want de macht hunner geesten bleef op aarde groot, en daaraan was hun vrees evenredig. Zoo trachtten zij die geesten steeds gunstig gestemd te houden, om het booze af te weren en het goede te ontvangen.Na een week te zijn weggebleven, kwam ten slotte de prauw met een volle lading van de mooiste noten aan den wal. De opzichter had voor zijn lange uitblijven allerlei verontschuldigingen, van tegenwind, en moeite hier, en moeite daar. Wat daar van waar was zou moeilijk te controleeren zijn, doch de volle lading deed verder het hare om den storm, die over zijn hoofd dreigde op te steken, te doen bedaren.De eerste grobak (ossenkar) met noten hoog opgestapeld, reed door de kampong en over den breeden weg door de alang-alang velden naar het emplacement, waar zij spoedig, een voor een en in lange rijen, op de kweekbedden werden uitgelegd. Nu kon de groei beginnen en bij steeds grootere en meerdere ladingen, die weldra zouden volgen op steeds breedere basis.Wanneer nu de lang verwachte boot verscheen, zou met volle kracht het werk kunnen worden aangepakt en daarmede de grond worden gelegd voor een gezond begin. Doch wanneer kwam die boot! Reeds dagenlang was zij over haar tijd, en de mogelijkheid dat haar een ongeluk was overkomen, werd steeds grooter.Het was in die dagen—terwijl een hevige ingewandsziekte mij overviel, die in dysenterie dreigde te ontaarden—dat, twaalf etmalen te laat, de boot eindelijk binnenviel. De inlanders liepen van het strand de kampong binnen en riepen: “Kapal masok! Kapal masok!” (de boot is binnen). Een tijding, die aan iedereen in de kampong ontspanning en vreugde zou brengen na de onzekerheid en het lange wachten en die mij, was ik gezond geweest, in vuur zou hebben gezet. Nu bleef ik onverschillig en roerloos op mijn veldbedje liggen, verzwakt en mat door de hevige ziekte.Weldra bereikte mij de tijding dat Verster met het eerste vijftigtal koelies uit de Minahassa aan boord was. Berichten uit Holland, brieven, tijdschriften en couranten zouden binnenkomen. Werk zou er in overvloed zijn. Na den stilstand was de hartslag van een bedrijviger leven gekomen, doch dommelend moest ik blijven liggen waar ik lag, terwijl om mij heen nu alles in de weer kwam. De een na den ander verliet zijn huis. Christenen in hun witte baadjes, Chineezen, Arabieren enz. spoedden zich naar de aanlegplaats of trachtten prauwen en prauwtjes machtig te worden om naar boord te roeien. Reeds kwamen passagiers, die ontscheept waren, over den weg de kampong binnenstappen, en weldra zag ik de Minahassers met groote en kleine bundeltjes op den rug passeeren. Zij maakten een geheel anderen indruk dan men zich gewoonlijk van een troep koelies maken zou. In licht gekleurde gestreepte broeken en witte of kleurige baadjes, met een staand kraagje en een stroohoedje dandy-achtig boven de gele en veelal nette en nog jonge gezichten, sommigen met schoenen aan de voeten, zou men ze eerder gehouden hebben voor een troep studenten eener inlandsche hoogeschool. Nu zou het te Menado ontvangen en natuurlijk aanstonds verteerde voorschot, van ƒ 40.– per man, aan die nieuwe baadjes en nieuwe hoedjes wel niet vreemd zijn geweest. Daarbij doet het uiterlijk van den Minahasser, wat huidkleur en gelaatstrekken betreft,zeer sterk aan vermenging met Japansch bloed denken; ja zelfs vindt men er onder, die hierin maar zeer weinig van den Europeaan verschillen. Ook hebben zij, reeds van ouder tot ouder Christenen zijnde, van den eersten tijd onzer komst in Indië onafgebroken onder onzen invloed gestaan en gevoelen zij zich dan ook veel meer aan ons gelijk dan de doorsnee-inlander. De meesten hebben goed onderwijs gehad, schrijven vaak keurig en spreken soms een woord Hollandsch.Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).Weldra kwam Verster, vertelde in ’t kort iets van de ellende, die hij op deze reis had ondervonden, beklaagde me en verdween spoedig weer met zijn mannetjes naar het emplacement. Het was me even opgevallen, dat hij zeer zenuwachtig en neerslachtig was geweest, doch onverschillig daarover verder dommelend, werd ik spoedig weer afgeleid door passagiers van de boot, die aan land een kijkje kwamen nemen en een praatje kwamen maken, mij zeer beklagend, zooals ik daar lag. De post werd verdeeld en brieven van huis en over zaken hielden me in spanning, en joegen me met zweepslagen uit den dommel der zwakte. Den morgen volgende op dien dag, gevoelde ik me zoo slap als een vaatdoek. Verster opperde toen het denkbeeld om mij, per extra prauw, over de landengte van Dodinga naar Ternate te laten expedieeren, opdat ik onder doktershanden zou kunnen beteren. Ik weigerde beslist en liet de hulp inroepen van den oudsten zendeling, die dadelijk kwam en mij, met zijn vele practische ervaring der gevaarlijke Indische ziekten, er binnen eenige dagen met een streng dieet en het geregeld toedienen van een homoeopathisch middel weer bovenop hielp.Terwijl ik in die dagen nog met huisarrest onder het galerijtje zat, kwam op een morgen Verster uit het bosch terug en overviel me met de mededeeling, dat we hier onmogelijk verder zouden kunnen gaan, daar het terrein volgens zijn zeggen wegens watergebrek voor cultures niet deugde; dat we derhalve niets beters konden doen dan aanstonds het werk te staken en de koelies af te danken en op Java of elders beginnen, daar alle werk hier tijd en geld verknoeien zou zijn. Er was toen, door gebrek aan werkvolk, op het terrein nog geen water gevonden doch overal was de aanwezigheid van grondwater theoretisch vastgesteld.Het bleek me toen, dat hij in dezen geadviseerd was geworden door den oudsten zendeling, die op een wandeling het emplacement had bezocht en daar in een kwartier tijds tot die conclusie was gekomen. Ik moest hartelijk om deze meening lachen; doch Verster, die nu uiterst zwaartillend en nerveus was, vatte de zaak heel anders op en vertrok, om spoedig met den zendeling terug te keeren, die mij persoonlijk zijn meening zou meedeelen.Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).Nu had deze man, naast een bezadigde wijze van spreken, de gave zijn meening helder en met overtuiging voor te kunnen dragen. Door zijn levente midden eener omgeving, waarboven hij ver uitstak, had hij buitendien, daar alle tegenspraak hem vreemd was, een te groot zelfvertrouwen gekregen, waardoor hij zijn oordeel vaak op te stellige wijze uitsprak.Tegenover hem en Verster gezeten, hoorde ik de meening van die beide autoriteiten hoofdschuddend en eenigzins lachend aan en weerlegde de bezwaren van den zendeling. Dit bleef niet zonder indruk op hem,—een half jaar later zou hij zelf voor de zendingsvereeniging een stuk grond naast het onze voor de klappercultuur in concessie aanvragen,—en hij vond de zaak bij nader inzien dan ook nog zoo kwaad niet. Ik dankte hem voor zijn ongevraagd advies en bleef bij het eenmaal genomen plan om op dit mooie stuk grond met de ontginning voort te gaan. Verster weigerde echter en bleef koppig weigeren hier voortaan als administrateur op te treden, hoewel ik hem verlof gaf een rapport over een en ander, dat ik van mijn kantteekeningen voorzien, naar Holland te zenden, zoodat hij, van alle verantwoordelijkheid ontslagen was.De zendeling vertrok en liet mij intusschen, nog zwak en nauwelijks hersteld, met Verster achter, die, wijl ik zijn meening niet deelde, woedend was en beweerde, volgens zijn contract alleen verplicht te zijn op de oorspronkelijke concessie op Morotai te werken, weshalve hij te Tobelo geen slag meer wenschte uit te voeren. Daar zat ik met een administrateur, die alle redelijkheid verloren had, voor een taak, die mijn taak niet was.Ook den volgenden morgen bleek Verster nog niet voor rede vatbaar te zijn en weigerde beslist zijn werk weer op te vatten, ik had daar naast me een man, die van aanleg werkzaam en flink was geweest, doch wiens gestel door een funest Indisch leven van veel reizen en zwerven en rooken en drinken en veel te veel praten, geheel ondermijnd was geworden. Tegen de zorgen en moeiten der laatste maanden was hij niet meer bestand geweest, terwijl het afkeurend oordeel en allerlei inblazingen, die zich doen hooren, wanneer men trachten wil iets op te bouwen, hem den nekslag hadden gegeven. Hij was door die kritiek op onze, uit den aard der zaak, riskante onderneming gaan twijfelen aan de uitvoerbaarheid der plannen. Niet intelligent genoeg had hij de booze wereld en hare goede-raadgevers niet kunnen nemen voor wat ze zijn. Inderdaad bleek het me later, dat hij op zijn terugreis van Menado naar Ternate, door toedoen van mijn vroegeren gastheer daar, met alles behalve goede adviezen van die laatste plaats naar Tobelo was teruggekeerd, waarvan hij nu het slachtoffer dreigde te worden.Door de wijze waarop hij zich gedroeg, zou ik genoodzaakt worden hem, wanneer hij niet bijtijds tot inkeer kwam, zijn ontslag te geven. En reeds dreigde hij zelf met ontslag nemen, in de meening mij door zijn onmisbaarheid te kunnen dwingen. Nu begreep ik, dat ik hem nooit als zelfstandig administrateur zou kunnen achter laten, zoodat zijn ontslag zelfs wenschelijk werd. Op een laatste scherpe aanmaning om aanstonds aan het werk te gaan, waarop hij een weigerend antwoord gaf, volgde dit ontslag.De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.(Teekening H. R. Roelfsema).Na die tragedie was het verblijf met hem onder één dak zeer pijnlijk geworden en was het me zeer welkom voorloopig mijn intrek bij den jongsten zendeling te kunnen nemen. Van nu af ging ik elken morgen bij het krieken van den dag van dit huis naar de loodsen in het bosch, alwaar begonnen werd het werkvolk onder leiding van den opzichter en eenige mandoers aan den arbeid te zetten. Dan was er den ganschen dag volop werk tot ’s avonds als het donker werd, waarop ik terugkeerde om onder de galerij, bij de petroleumlamp, waar ook de zendeling met zijn vrouw zat, nog menig uurtje aan correspondentie te wijden.In den put op het emplacement, die door bekwamere werklui sneller kon worden uitgediept, werd na eenige dagen op 15 M. diepte water gevonden, terwijl dit op andere gedeelten van het terrein, die lager waren op geringere diepten eveneens overal werd aangetroffen. Daarmee was deze cardinale kwestie ook practisch opgelost.Met de komst der menschen werd het in het bosch weldra bedrijvig en vroolijk; vrouwen en kinderen, die met den vader waren meegekomen, zag men den ganschen dag voor de loodsen; kippen liepen er weldra rond en kakatoes en papegaaien slingerden aan hun stokken; armzalige gladakkers snuffelden naar alles wat van hun gading was; vuurtjes werden gestookt voor het klaarmaken van het middagmaal; de wasch hing aan de drooglijnen uit, en zoo gaf al dat menschelijk bedrijf aan die stille plek in het bosch een geheel ander aanzien, dan ik daar tot nutoe gewend was geweest. Een fiets, die hier nog een hypermodern vervoermiddel was en dan ook in den beginne zeer de aandacht der bevolking trok, was uit Menado meegekomen en bekortte me zeer den dagelijks herhaalde malen af te leggen afstand over een smal voetpaadje, van het huis van den zendeling naar de ontginningen.Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).Intusschen was ik nog niet geheel van Verster bevrijd. Uit een zeer menschelijke neiging tot wraak en tot het zoeken van eigen voordeel zou hij nog zooveel mogelijk trachten mij te dwarsboomen, nu hij in mij zijn vijand meende te moeten zien. Als administrateur had hij het beheer der gelden gehad. Na zijn ontslag was hij verplicht de boeken en de kas, welke laatste altijd nog zwervende was geweest en die zich nu ten huize van den civiel-gezaghebber bevond, aan mij over te dragen. Op mijn aanmaning ontving ik een verantwoording, waaruit aanstonds bleek, dat de man in zijn geëxalteerden toestand de grenzen der eerlijkheid had overschreden. Aanstonds liet ik door den civiel-gezaghebber beslag leggen op al het geld dat aanwezig moest zijn; en onder den druk van zijn geweten en van een zeer begrijpelijke vrees gaf Verster op diens aanmaning het papiergeld af, waarmede hij reeds in zijn zak liep en het zilver, dat hij op andere wijze had verstopt. Daarmede was het geld nu wel uit de handen van Verster gered, doch hiermede had ik zelf de beschikking over bijna alles verloren en de dichtst bijzijnde rechtbank voor dergelijke delicate zaken was die te Makasser, welke plaats eerst na een reis van ruim 14 dagen te bereiken was.Verster begon, doelloos te Tobelo rondloopende, zich daar steeds onbehagelijker te gevoelen. Zijn ontslag had tengevolge, dat hij zijn ruime salaris had verspeeld, terwijl door de inbeslagname der kas het resteerende bedrag hem voorloopig niet kon worden uitgekeerd. Weldra zou het hem aan contanten gaan ontbreken. Schaamte en berouw deden het hunne, en daar de terugkeerende boot naar Ternate nog een drietal weken zou uitblijven, oordeelde hij het raadzaam na een week per prauw daarheen terug te keeren. Op een morgen vernam ik, niet zonder medelijden met hem te gevoelen, dat hij vertrokken was. Met vuur en ijver was hij een tijdlang voor onze belangen opgekomen; toen hadden zijn woelige natuur en zijn verbeelding hem parten gespeeld en zijn kortstondige energie gebroken. Een man als hij zou onder de Europeanen steeds meer blijken tot de categorie van gelukzoekers en zwervers, waaraan Indië zoo rijk is, te gaan behooren.De onderneming begon zich te ontwikkelen en groeide met den dag. De kweekbedden strekten zich steeds verder uit en voortdurend kwamen er nieuwe ladingen noten. Reeds deden de eerste spruiten den dikken vezelbast scheuren en rezen er stengels met zijwaarts gerichte bladeren uit den grond op. Met donderend geweld ploften de reuzen van het woud ter aarde, en door de open ruimte, die steeds wijder werd en over den chaos van omgevallen stammen en kruinen en takken klonken de bijlslagen den ganschen dag. Een timmerman, die was medegekomen om de leiding van den bouw van huizen op zich te nemen, had zijn taak aangevangen en onder een dakje van atap werd gezaagd en gehakt en geschaafd aan de balken en stijlen voor het eerste huis.Put met bak voor badwater.Put met bak voor badwater.In een der loodsen was een gedeelte gereserveerd voor kantoor, waar eindelijk de brandkast werd opgesteld, die, na uit Amerika te zijn gekomen, de reis van Holland uit had meegemaakt en nu, na dien tocht rondom de wereld, in het oerwoud eindelijk haar bestemming had bereikt. Een beschuttend dak voor het kantoortje uitgebouwd, werd weldra mijn galerijtje, waar ik, als mijn werk in het bosch was afgeloopen en mijn aanwezigheid niet elders werd vereischt, de administratie en correspondentie verrichtte en waar de Tobeloreezen en handelaren, die materialen en goederen en zaadnoten leverden, geduldig op betaling zaten te wachten, wanneer de Toewan Maatschappij het bosch in was.De naam van Toewan Maatschappij had men mij te Tobelo spoedig gegeven, ter onderscheiding van den Toewan Magistraat, den civiel-gezaghebber en den Toewan Pendita (Geestelijke), den oudsten der zendelingen.Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.Het was, na een onafgebroken zwerven van meer dan zes maanden, waarin ik onder allerlei omstandigheden correspondentie en administratie had moeten verrichten, een heerlijkheid daar een veilig plekje te hebben gevonden, waar alles netjes bijeen was en elk stuk, uit de groote kist met schrijf- en kantoorbehoeften uit Holland meegenomen, zijn plaats had gekregen. Het was er heusch een echt kantoor, met agenda’s en memorandums en briefregistrators, copieerboeken en copieerpers. Nog behielp ik me met een tafel en stoelen uit bamboe gemaakt, doch een schrijftafel was bij de timmerschool in de maak. De brandkast was als de kroon op het geheel; zij werd met haar kantoorboeken en geheimzinnige geldkastjes, door de menschen uit de wildernis, die soms eens familiaar kwamen kijken, steeds met ontzag aangekeken en nader besproken. In dat leven van rondzwerven in het bosch en den geheelen dag buiten zijn, en—wanneer het werk mij riep voor het primitieve kantoortje—van hard afwisselend werken van den morgen tot den avond, voelde ik me wonderwel thuis en gezond. En wanneer niet sterke banden mij naar het vaderland hadden teruggeroepen dan zou ik mij zelven hier tot administrateur hebben benoemd. Nu echter moest ik trachten een opvolger voor Verster te vinden, wat in dezen uithoek der wereld niet zoo gemakkelijk zou zijn. Met de komst van dien nieuwen functionaris zou, wanneer hij de rechte man op de rechte plaats bleek te zijn, mijn taak zijn afgeloopen. In het belang der onderneming zou zoo iemand, nu de eerste bezwaren en moeilijkheden der vestiging waren overwonnen, zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid dienen te handelen.Met de postprauw, die tusschen de aankomst der booten in naar Ternate vertrok, gaf ik telegrammen mee naar Holland en naar relaties op Java, om een tweeden administrateur te zenden. Er zouden voor de komst van den nieuwen titularis ten minste een drietal maanden verloopen, en zoo was ik in dien tijd mijn eigen baas en kon handelen naar eigen inzichten en believen.Elken dag zag me de opkomende zon door de alang-alangvelden fietsen naar den uitgestrekten woudzoom in het Westen, waarachter de Doekoenoe en de uitgedoofde vulkaankegel van den Momoja verrezen. Dat eerste begin van den dag, met de verdwijnende sterren en het verschieten van het rood aan de wolkenvegen, en het scheren van de eerste zonnestralen over de aarde, was in de open ruimte tusschen zee en woud een telkens weerkeerend zalig beleven van den eersten morgenstond.Na den inspectietocht in den vroegen morgen door het woud verscheen, tegen 8 uur, Ketjil met den etensdrager, waarin door de goede zorgen van mijn gastvrouw een smakelijk ontbijt was geborgen. Soms genoot ik van die versterkende rustpauze voor mijn kantoortje gezeten, soms ook op een omgevallen boomstam in het woud, waar na een langdurig zoeken de jongen mij toevallig had gevonden. Zijn anders altijd goedmoedige gezicht had dan, door het sleepen met dien zwaren etensdrager over boomstammen en struiken en door een warnet van takken en ineengestrengelde lianen een grimmigen trek gekregen, doch zijn goede humeur herstelde spoedig als hij neergehurkt tegenover zijn etenden baas, geduldig zat te wachten.Schrijven, regelen, overleggen, een tweede rondgang en soms een derde volgden, daarna tusschentijds even middageten bij den zendeling aan huis en zoo keerde ik tegen den avond, als het werk der koelies was afgeloopen, vermoeid huiswaarts.Op deze wijze verliep het leven geleidelijk, zonder horten of stooten; alleen de komst der booten gaf eens in de maand eenige opschudding, terwijl ook de Zondag eenige verandering bracht, daar het werk dan moest worden stilgelegd. Daar er bijna uitsluitend met Christenen werd gewerkt, had men tegenover hen, volgens contract, den Zondag als vrijen dag moeten erkennen. Op dien dag werd ook door een der zendelingen in een der loodsen op de onderneming gepreekt, waarbij het in die primitieve omgeving steeds zeer ernstig toeging. Op planken, die over kisten en balen waren gelegd, zaten de toehoorders en een enkele toehoorster in hun Zondagsche plunje aandachtig luisterend op rijen achter elkaar, terwijl de zendeling achter een tafel van bamboe staande, in het Maleisch zijn preek hield. Als ouderling en voorzanger trad steeds de timmerman op, die onder het laatste gezang tevens met het kerkezakje aan den langen steel rondging. Kakelende en vechtende kippen en hanen liepen soms, pikkend en verwaand rondkijkend, tusschen het publiek of onder den geïmproviseerden preekstoel door. Doch een goed zendeling is voor dergelijke stoornissen niet in ’t minst vervaard; hij heeft geen kerken of kathedralen, noch plechtige stilte noodig, doch predikt als het zijn moet overal en onder alle omstandigheden, waarbij de stemming of de indruk niet in het minst behoeft te lijden. Integendeel, in dien soberen eenvoud is iets stichtelijks en ontroerends. De oudste zendeling vertelde mij, dat hij eens onder een boom staande voor slechts één mensch had gepreekt.Zendingskweekschool te Tobelo.Zendingskweekschool te Tobelo.Somtijds wandelde ik op zulk een Zondagmorgen met den voorganger mede en woonde den kerkdienst bij.Het publiek, dat hier bijeenzat, was misschien meer stil-aandachtig dan devoot, want eenmaal inziende, hoe geenerlei dwang op hen werd uitgeoefend bij het ter kerk gaan, had er spoedig een groot verloop van toehoorders plaats. Toen er weldra meer werkvolk op de onderneming verscheen en voornamelijk bewoners van de Sangir- en Talaut-eilanden, bleek het, dat deze in grooter afzondering levende eilandbewoners, veel trouwer naar de Zondagmorgenpreeken kwamen luisteren dan de meer geraffineerde Minahassers.Ten huize van den jongsten zendeling nam ik, indien aanwezig, deel aan de gewoonten van dit huis. Reeds zeer vroegtijdig, gewoonlijk wanneer het nog schemerend was, liet de heer des huizes een belletje door het huis weerklinken, waarop de huisjongen en de jongens der school, die in de bijgebouwen sliepen, in letterlijken zin hun matjes oprolden, zich waschten en zich gingen klaarmaken voor den dag. Meestal zat ik, als dat belletje weerklonk, reeds op de fiets, en in het donker of halfdonker waren een drietal dier jongens, wier weekbeurt het was, reeds buiten en in de keuken bezig om het huiswerk te bezorgen. Door de talrijke reten der gebarsten gedek-wanden van het keukentje flikkerden reeds de vlammen van een vuurtje, en daar buiten was er een bezig hout te kloven; zelfs den zendeling ontmoette ik somtijds reeds op dat vroege morgenuur op het erf, genietend van de koelte en van den aanblik van het krieken van den dag en het opgaan der zon.Over het achtererf, langs een smal kronkelend paadje, tusschen kletsnatte door den dauw bevochte alang-alang, kwam ik dan met de fiets weldra op den rechten weg, die naar het emplacement leidde. Ten huize van den zendeling was inmiddels een ieder ontwaakt en vond er zijn werk. De leerlingen der kweekschool voor goeroes, de Papoeatjes, de Amboneesjes, de Galelareesjes enz. verdwenen in het schoolgebouw of in de studeerkamer van den zendeling en repeteerden en schreven en zeiden lessen op, of kregen in het vroege morgenuur onderricht in het zingen van kerkelijke liederen. Tegen acht uur was dan het ontbijt in de achtergalerij klaar gezet, alwaar hij nu met zijn vrouw plaats nam te midden van alle jongens, die zich langs de wanden hadden geschaard. In het Maleisch werd door hem uit den bijbel voorgelezen, waarna in diezelfde taal eenige psalmen werden gezongen. De morgengodsdienst eindigde met gebed en soms met een vermaning aan een of meer jongens, die dit hadden verdiend. De jongens verdwenen nu onder het voorgalerijtje van hun slaaphuis, waar op eenige lange tafels hun ontbijt was klaar gezet, dat steeds uit sago en visch bestond.Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).De middagtafel werd eveneens door bijbellezen en gebed voorafgegaan, de avondtafel alleen met gebed, en elke maaltijd eindigde met gebed. Bij de laatste maaltijden schaarden de jongens zich niet om de tafel, doch ’s avonds had na afloop van het dagwerk nog een bijeenkomst plaats in de achtergalerij, waar alle Papoeatjes, Amboneesjes en Galelareesjes enz. weer langs de wanden stonden, en waar ik in gezelschap van den heer en vrouw des huizes ook steeds aan deelnam. Er werd dan weer in het Maleisch uit den bijbel gelezen, er werden psalmen gezongen, en er werd gebeden.Het werd me bij die telkens herhaalde godsdienstoefeningen, in dien tredmolen van bidden en bijbellezen en psalmen zingen met de geheel onontroerde gezichten dier inlanders voor me, wel eens vreemd te moede, en ik kon den indruk niet van me afzetten, dat het dagelijksch verkeer met de hoogste dingen zoo precies op de klok en in het openbaar, en lukraak door allerlei stemmingen heen, het doel voorbijschoot en leidde tot een familiariteit en tot een gewoonte, waarbij het gevoel tot gebaar, het verhevene tot sleur werd.Wanneer we daar dan ’s avonds zaten met al die jongens, geschaard langs de wanden van de achtergalerij, de zendeling en zijn vrouw aan het lange, ik aan het korte eind der tafel, waarop steeds het roode tafelzeil met zijn grillige figuren lag, dan dwaalden onder het eentonige Maleische gezang mijn gedachten van de krullen en dwarreling dier figuren, na de herrie van den dag die mij in beslag had genomen, naar andere dingen, totdat het Amen was uitgesproken, waarop we naar de voorgalerij gingen voor het laatste werk of het laatste praatje van den dag, terwijl buiten de Indische nacht was aangebroken en de insecten om ons heen snorden en gonsden en tegen de petroleumlamp botsten en tji-tjaks hun geluid deden hooren, roerloos zittend of zich snel bewegend langs de gaba-gabawanden van het huis.De eerste boot, die van Ternate binnenviel, bracht als verrassing den koeliewerver, dien we bijna vier maanden geleden van daar hadden uitgestuurd, in gezelschap van een flinke ploeg werkvolk van deSangir- en Talaut-eilanden. We hadden deze werving, daar in den tusschentijd niets van hem was gehoord, reeds als mislukt beschouwd en tevens als een belangrijk geldverlies, naardien ons alleen was bericht, dat het geld dat hiervoor te Menado was gedeponeerd, door een misverstand in handen van den koeliewerver was gekomen, aan wien we dit niet hadden toevertrouwd. Deze vermeende mislukking en het gevreesde geldverlies had Verster zich indertijd zeer sterk aangetrokken en was voor hem een der teleurstellingen geworden, die zijn vertrouwen in onze onderneming hadden geschokt. Echter de werver was eerlijker gebleken dan we dachten, en met niet geringe blijdschap ontwaarde ik hem met zijn mannetjes aan boord van de binnengevallen boot.Met volle kracht konden we ons nu aan het ontginnen zetten, te meer daar de Sangireezen en Talauters uitmuntende werklui moesten zijn.Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).Tevens kwam met deze boot de inbeslaggenomen kas aan het adres van den civiel-gezaghebber terug, welke kas door hem aan den resident van Ternate was toegezonden. Het bleek, dat de civiel-gezaghebber in zijn functie een dergelijke inbeslagname niet had mogen verrichten, weshalve de resident er ambtshalve niets mede te maken wilde hebben. Intusschen was aan Verster, op mijn verzoek, het hem nog toekomende salaris door den resident uit deze kas te Ternate uitgekeerd geworden, zoodat ik redelijkheidshalve mocht verwachten weer de beschikking over het resteerende bedrag terug te krijgen. Dit was echter niet het geval. De civiel-gezaghebber behield hetgeen hij had, in afwachting van een advies, dat bij den officier van justitie te Makasser was aangevraagd. Daar zou men nu op zulk een afstand de ellende van een proces aan den gang kunnen krijgen met een tegenpartij die geen cent bezat en om een bedrag, dat de groote onkosten van zulk een proces niet zou dekken. Ik was allesbehalve over deze bureaucratische oplossing, die de heeren ambtenaren aan deze zaak wilden geven, gesticht en begreep, waar van mijne zijde redelijk gehandeld was en ik een proces vóór alles vermijden wilde, dat ik dit geld uit de handen van den civiel-gezaghebber terug moest hebben alvorens de justitie zich er verder mee zou mogen bemoeien. Nu had onze civiel-gezaghebber, naast een groot gevoel van eigenwaarde ook een groote mate van eigenliefde, die, wanneer ze gestreeld werd, hem zoo gedwee en lieftallig maakte als een lam. Doch hij had den laatsten tijd door allerlei kleine voorvallen steeds meer getoond zijn macht tegenover mij te zullen laten voelen, daar wegens mijn gemoedelijken en vriendschappelijken omgang met den oudsten zendeling, dien ik steeds meer had leeren waardeeren, zijn stemming tegenover mij niet verbeterd was. Hij kon mij deze sympathie voor zijn tegenstander niet vergeven, doch hij zou ook des te gevoeliger zijn, wanneer ik mij eens extra onderdanig tegenover hem betoonde.Van deze zwakheid der eigenliefde moest ik in deze omstandigheid partij trekken om mijn doel te bereiken, en zoo gebeurde het op een avond, nadat er weer een kwestie tusschen ons was gerezen,—kwesties, zooals hij er zoo dikwijls en met zoo velen had gehad—en die, per brief behandeld, een zeer scherp karakter dreigde aan te nemen, dat ik naar zijn huis stapte met het voornemen om, hoe ook,zoowel dit verschil bij te leggen als te trachten het geld terug te krijgen. Slechts ter wille der zaken, die ik vertegenwoordigde, kwam ik tot dezen stap; doch eenmaal besloten, ging ik met het vaste voornemen, hem door mijn houding en een gemoedelijk praatje in de gewilde stemming te brengen.Toen ik zijn erfje opliep, zag ik den geweldige met een ernstig en gewichtig gezicht alleen onder zijn galerijtje zitten. Mij ziende, scheen hij niet anders te verwachten dan met iemand te moeten praten, die in de gerezen kwestie zijn opinie eens ronduit kwam zeggen. Ik hield me echter zoo passief en zoo leuk en schikte me zoo geheel naar zijn wenschen en regelingen, dat hij niet wist hoe hij het had, terwijl mijn inschikkelijkheid hem geheel ontwapende en zachtmoedig stemde. Ik dacht toen zoo voor me heen: “je bent nog zoo’n kwaje kerel niet, als men maar een beetje met je weet om te springen.” Toen ik na eenigen tijd voorzichtig en terloops in het gesprek de in beslaggenomen gelden aanroerde en op de teruggave daarvan zinspeelde, weigerde hij eerst en wilde afwachten; doch tegen een zachten aandrang en eenige vriendelijkheden aan zijn adres was hij niet meer opgewassen, en ten slotte gaf hij mij wat hij in zijn gestreelde eigenliefde niet meer weigeren kon.Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).Dienzelfden avond nam ik van hem afscheid met de gedachte, die zich in dit uur steeds meer aan mij had opgedrongen: “Jij bent nog zoo’n kwaje kerel niet.”Dit zou echter niet lang duren. Eenige dagen later, toen ik zijn huis wilde passeeren, schoot juist op het oogenblik dat ik den uitgang van het erf was genaderd, een inlander in snelle vaart uit het hekje, gevolgd door den civiel-gezaghebber, die een dikken stok in zijn hand had. De inlander vluchtte niet ver, doch bleef spoedig in gebogen houding gelaten afwachten wat er komen zou. Daar daalde de stok op het hoofd van den man neer, totdat deze brak en het bloed hem langs het gelaat liep. Toen hij mij zag, trachtte hij een verklaring voor zijn handelwijze te geven en poogde den indruk te verzachten door den inlander mee naar zijn huis te nemen, waar hij hem eigenhandig verbond.Wie dezen man een stroobreed in den weg legde moest voor hem wijken of bukken; ging het niet goedschiks, dan kwaadschiks en met geweld, en van dat laatste genoot zijn wreede natuur. ’s Avonds, wanneer we onder de lamp zaten en het eene vliegje of kevertje na het ander, door het licht aangetrokken, zich door het licht verblind in den lichtcirkel op de tafel zette, was zijn gewone bezigheid, die beestjes een voor een met duim en wijsvinger zoo ver mogelijk weg te knippen. In zijn leven trachtte hij met menschen op gelijke wijze te doen, doch hij vergat dat deze zich zulk een behandeling niet zoo gemakkelijk lieten welgevallen.Voor zijn uitgebreide taak, waarvoor hij niet de minste opleiding had gehad,—hij was boekhouder bij de Paketvaart en de Landschapskas geweest,—en waarvoor hij noch de kennis noch de gaven bezat, was hij alleen in zijn eigen verbeelding berekend. Hij sloeg dan ook herhaaldelijk de plank mis en was voor zijn meerderen en voor allen, die met hemin aanraking kwamen een lastpost of, zooals men in Indië zoo hartgrondig zeggen kan..... een ellendeling. Zag ik hem door de kampong stappen, prenta’s uitdeelend aan de hoofden, de sangadji, de kapala kampong en anderen, die hem volgden en, met angst en beven tegen den willekeurigen Weledelgestrengen opziende, hem toch achter zijn rug bedrogen en uitlachten, dan moest ik zelf ook lachen, doch tevens het arme Indië beklagen, dat door zulke in Indië zelf geboren tirannen moest worden bestuurd. Met zijn waardige collega van Tidore behoorde ook hij tot de noodhulp-ambtenaren die “op straten en pleinen waren bijeengezocht.”De voortgang, dien de ontginningen maakten, noopte uit te zien naar steeds grooteren aanvoer van goede zaadnoten, en zoo was ik genoodzaakt steeds meer goede vruchtdragende boomen voor de levering dezer noten op te sporen. Gewoonlijk zond ik den opzichter hierop uit; somtijds, als het werk het toeliet, ging ik zelf per prauw en bracht daarbij bezoeken aan de koraaleilanden, die voor de kust lagen. Al deze eilanden waren bewoond en bezaten meer of minder groote klapperaanplantingen, door de bevolking aangelegd. Steeds werd ik bij zulk een bezoek getroffen door den wirwar van planten en struiken en boomen, waarmede zulke eilandjes, op de zacht glooiende, kale witte strandjes na, waren begroeid. Slechts in de directe omgeving der huisjes was soms eenige regelmaat te bespeuren. Daar stonden soms op de erfjes een drie- of viertal klapperboomen en pisangs op een rijtje bijeen, doch van een laan of een groep of een eenigszins regelmatigen aanplant vond men slechts zelden eenige sporen. Vond men een complex klapperboomen, dan stonden zij kris en kras dooreen, alsof ze bij toeval geplant waren. Zag men die eilandjes van de zee uit, dan leeken zij onbewoond en geheel verlaten, en met moeite ontdekte men van dichtbij hier en daar een bescheiden huisje, bijna geheel onder dat groen en zijn schaduw verborgen. Door hun kleinheid maakten zij, van de zee uitgezien, den indruk onbewoonbaar te zijn. Doch wanneer men eenmaal van het strand landwaarts-in wandelde en weldra niets meer dan boomen en struiken om zich heen zag, totdat men in het midden een grootere of kleinere kampong had ontdekt, dan begon men zich te verwonderen over hun betrekkelijke grootte en over het vele, dat daar groeide en over de vele menschen die daar leefden op wat, van de zee uit, niet veel meer dan een verlaten en met wat struiken en klapperboomen begroeid stukje land had geleken.De dagen verliepen in onafgebroken werkzaamheid, waarvan de resultaten dag aan dag duidelijker werden. De open plek in het bosch was een enorme ruimte geworden, waaruit hier en daar de kapala kajoes (boomstronken) van de dikste stammen tot 6 M. hoog uitstaken. Een drietal groote kweekbedden, op verschillende plaatsen aangelegd, kwamen vol noten te liggen, waaruit overal met Indische groeikracht de stammetjes en bladeren zich ontwikkelden. Het eerste huis kwam in aanbouw, het geraamte stond er reeds en het dak kwam er op. Het terrein in concessie verkregen, werd nauwkeurig afgepaald, een hooger gelegen, eenigszins geaccidenteerd stuk grond bleek bij nader onderzoek gemakkelijk uit te schakelen en te ruilen voor een lager en vlak terrein, en zoo was overal ontwikkeling en groei enverbeteringmerkbaar. Met vreugde en trots zag ik in wording en vol beloften voor de toekomst, hetgeen door voet bij stuk te houden was blijven bestaan.Inmiddels was er bericht van Java ontvangen, dat men er daar in geslaagd was een flinken administrateur te engageeren, die, daar hij de veertig reeds gepasseerd en getrouwd was, zeker de noodige bezadigdheid voor dezen post zou bezitten. Tegen het eind van Mei zou ik hem met de boot mogen verwachten, en ik zou dan aan hem het mooie werk moeten overdragen, wat mij zeer aan het hart ging.Alvorens de nieuwe titularis kwam wenschte ik nog een bezoek aan onze bezittingen op de eilandjes Dodola besar en Dodola ketjil te brengen.Voor deze reis had ik slechts de beschikking over een prauw, en wel over die van den oudsten zendeling, welke deze mij zeer bereidwillig voor die reis afstond. Mijn Talauters, die met de zee vertrouwd waren, waren uitstekende roeiers. Zij konden nu hun krachten eens toonen, daar ik den tocht in zoo kort mogelijken tijd wilde doen, wijl een langdurige afwezigheid van de jonge onderneming niet wenschelijk was. De afstand Tobelo naar de Dodola’s was linea recta 42 K.M. over de zeestraat, welke afstand in twaalf uren moest worden afgelegd. Ik besloot tegen het vallen van den avond te vertrekken; de zee was ’s nachts gewoonlijk kalmer dan des daags en aan de roeiers zou de koelte van den nacht tijdens het langdurig werk zeer welkom zijn.In mijn dagboek vind ik dien tocht als volgt beschreven.19 Mei 1913. ’t Wordt avond, 6 uur, en ik maak me klaar om met de prauw den oversteek te doen naar de eilanden Dodola besar en Dodola ketjil.Ik kan niet zeggen, dat het me toelacht om twee nachten in een kleine prauw op zee door te brengen, erg afhankelijk van wind en regen. Maar ik verlaat het veilige huis en zeg het lekkere ruime bed vaarwel, om mij aan de ongemakken van zulk een reis over te geven.’t Zal maannacht worden, de lucht is dreigend; 6 u. 10 min. steken we van wal, vijf minuten later breekt reeds een bui los; de roeiers worden terstond kletsnat evenals mijn rug, die niet voldoende door het kleine tentje op de prauw kan beschermd worden.Met mijn pajong tracht ik me droog te houden. Spoedig scheidt het met regenen uit, de maan breekt door de wolken, de bui trekt somber zwart over de zee naar het Noorden af.De vier roeiers beginnen een eentonig lied te zingen, dat telkens opnieuw krachtig inzet en dat den moed en de kracht er in zal houden, om den ganschen nacht zonder ophouden met stevigen pagaaislag door te roeien.’t Zijn vier contractanten der onderneming, menschen van de Talaut-eilanden. Deze eilanden vormen met de Sangir-eilanden twee groepen, die ten noorden van Celebes liggen op weg naar de Philippijnen.’t Zijn Christenen, trouwhartige menschen, aan wie ik mij volkomen toevertrouw.Twee zitten voor, twee achter in de prauw.Op de maat van den forschen pagaaislag word iktelkens op mijn bankje naar voren en naar achteren geworpen. Het zware werk, dat vóór hen ligt, mag ik van hen vorderen; als eilandenbewoners zijn ze aan dit werk gewend, dat ze, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, met lust verrichten. Alle inlandsche indolentie en inertie is plotseling geweken.De bergen van Halmaheira staan donker boven het glinsterende, door de maan beschenen water. De eilanden voor de kust liggen als zwarte plekken met fijne contouren van boomgroepen in de verte.Ik voel me weer als zwerveling verder van honk gaan.Een flauwe maanregenboog is zichtbaar tegen de verder trekkende bui.Het kleine vaartuigje met zijn vlerken aan beide zijden, waardoor zulk een hulkje zoo zeewaardig wordt, volgt al spoedig, nu de eilanden zijn gepasseerd, elke beweging van de wijde zeedeining. De vlerken ploffen glijdend en spattend in het water en snijden, nu links dan rechts, de golven.Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.En verder en verder gaat het, dansend en met gezang, over de golvende watervlakte, waarboven het boord van de prauw slechts een enkelen decimeter uitsteekt.Uit mijn koffer neem ik de nachtutensiliën: deken en pyjama, trek schoenen en kousen en jas uit, en over den koffer en de bank, waarop ik zat, spreid ik mijn veldbedje uit en leg me verder, gekleed, daarop neer, de opgerolde klamboe als kussen onder ’t hoofd.Wel is het veldbedje te kort om languit te liggen, want het toch reeds te kleine bedje kan niet geheel worden uitgeslagen; maar ik vind voldoende ruimte om te slapen, zij het ook dat ik een der voorste roeiers wel eens met mijn voeten tegen zijn achterdeel schop, of dat een hunner door de forsche beweging mij raakt.Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.Had ik te kiezen tusschen een nacht door te brengen in een comfortabelen slaapwagen van een ratelenden nachttrein of in dit primitieve prauwtje onder den blooten tropischen nachtelijken hemel, ik koos het laatste. En zoo, terwijl de temperatuur nu het nacht wordt, een weinig daalt, val ik onder de deken in slaap.Van zeeziekte bespeur ik in zoo’n klein dansend prauwtje niets, terwijl een groote stoomboot mij spoedig onder de eerste slachtoffers telt.Wel hoor ik in dien nacht telkens het eentonig gezang der roeiers en voel ik het deinen van het scheepje; dan keer ik mij om en slaap weer in.Om vier uur word ik voor goed wakker. Nog altijd roeien die menschen met denzelfden slag als tien uren geleden. Nog onder den indruk van zwaar gedroom, dat mij in Holland verplaatste, kijk ik op en zie daar, ongeveer twintig graden boven de oosterkim, waar straks de zon zal opkomen, Venus in bijzonder gunstigen stand als een brok licht aan den duisteren hemel staan. Jaren geleden had ik haar ook eens in de Zwitsersche bergen, op zulk een wijze boven een bergrug te voorschijn zien komen. Toen had ik versteld gestaan over de grootte dier planeet; nu was ik verrast; immers over hetzelfdenatuurphenomeen staat een mensch maar eenmaal versteld.Aan de Westerkim is de maan aan ’t ondergaan. Het eersteochtendkriekenontstaat boven de bergen van het eiland Morotai. ’t Is nu op mijn horloge kwart voor vijf geworden.Na het eerste gloren ontstaan er teêre tinten in de lucht en de eerste duidelijke wolkafscheiding steekt af tegen een rossen, dan rooden, dan goudgelen horizon. Feller, steeds feller worden die kleuren; om half zes zet ik den zonnehoed op en druk hem in mijn oogen, nu de zon zelf verblindend boven Morotai te voorschijn komt.Spoedig denk ik nu mijn doel te zullen bereiken, dat voor de kust van dat groote eiland ligt. Nauwelijks zijn de eilandjes tegen dien achtergrond te onderscheiden.Vooruit! naar die eilandjes, die verder liggen dan ik eerst schatte; ’t wordt zes uur, zeven uur, zelfs half acht, alvorens de prauw over de zeetuinen van koraalgesteenten op het witte strand van Dodola besar heen kan worden getrokken.De twee kleine huisjes, waarin de vijf man wonen, die, onder toezicht van een mandoer, elke maand door een nieuwe ploeg worden afgewisseld, zijn gesloten. Ik open de deuren en vind ze verlaten. De menschen doen dus hun plicht en zijn aan ’t werk. Na eenig zoeken vind ik ze bezig met den grond onder de klapperboomen schoon te maken. De kranige roeiers krijgen vrijaf om den dag te verslapen. Een vind ik een paar uren later met opgetrokken knieën op een stapel coprazakken, met den bijbel op zijn borst, in slaap gevallen.Het spel der fantasie, in mijne jeugd bij ’t lezen van Robinson Crusoë gewekt, is werkelijkheid geworden. De waaiende palmenkruinen op hun hooge stammen tegen de blauwe zonnelucht, de tropische hitte, het schelle licht weerkaatsend van het witte zand der stranden, waartegen de blauwe golven spoelen, het prauwtje daarginds, de huisjes van gaba-gaba, atap en bamboe, de stilte van de natuur, die in den ochtend nog overheerlijk is, de eenzaamheid van den blanke tusschen zijn bruine broeders, het is hier alles in de werkelijkheid rondom mij.Ik liet mij een veldtafeltje dekken.Ik liet mij een veldtafeltje dekken.De inspectie over het groote eiland begint, waarbij een mandoer en twee man volgen. Nu wordt de cultuurman wakker, die met critisch oog de natuur bekijkt, om te zien welke voordeelen zij hem kan brengen. De palmen worden naar den leeftijd getaxeerd, de rijpe klappers worden aan eenige reeds overvloedig dragende boomen geteld, en de oogsten worden voor de naaste toekomst zooveel mogelijk getaxeerd. Het wordt tegen den middag ontzettend heet. Als dit werk gedaan is, gaan we terug, achtervolgd door muskieten. Een geweldige wesp zet zich op mijn wang en steekt me als met een gloeiende naald. De inlanders maken beenen, ik hen na, want een gansche zwerm komt opzetten. Op ’t heetst van den dag leg ik me neer onder de klamboe van het veldbedje. Dan wordt het tweede, veel kleinere eiland geïnspecteerd.Tegen den avond laat ik mij voor een der huisjes onder de galalaboomen een veldtafeltje dekken, waaraan ik, op een veldstoeltje gezeten, eindelijk eens met een flink maal begin.Door de goede zorgen van mijn gastvrouw te Tobelo is het een tafeltje-dek-je geworden. Het landschap is met fijne overgangstinten belicht, het wordt donker, maar reeds komt de volle maan op, die weer dezen nacht den terugweg zal belichten. Van de bergen van Morotai, over de zee die ons van dat eiland scheidt, komt de avondwind opzetten. Mijn roeiers trachten een zeil te maken op de prauw, in de hoop dat het nachtwerk, dat hen wacht, daardoor verlicht zal worden.Eindelijk is alles klaar en is de prauw geladen. Eenige mannen komen nog met groote schelpen aandragen en dan gaan we den tweeden nacht in. Een nacht van volmaakte windstilte, want nauwelijks is het geheel donker geworden of de avondwind is ook ter ruste gegaan.Het eentonig gezang dat den pagaaislag begeleidt, is weer aangevangen. Voor dertien uren zitten de roeiers weer op hun bankjes, om onafgebroken te roeien. Na den heeten, vermoeienden dag komt er op die stille zee een weldadige ontspanning. Alle gedachten aan zaken en zorgen worden gebannen en de geest zweeft op luchtiger banen door het onbegrensde, onder den goddelijken indruk van de ontzaggelijke ruimte om mij heen.Toen ik ’s morgens om vijf uur wakker werd, waren we onder de kust van Halmaheira aangekomen. Op mijn vraag aan de roeiers of een van hen ook vermoeid was geworden, klaagde slechts een over een beetje pijn in zijn rug.Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).Binnen veertien dagen zou de boot van Java kunnen binnenvallen, waarmede, volgens de ontvangen berichten, de nieuwe administrateur, de heer Van der Molen, mocht worden verwacht.Het huis op de onderneming was intusschen zoo ver klaar gekomen, dat het hem zou kunnen ontvangen, te meer daar hij zijn vrouw voorloopig op Java had achtergelaten.Toen de boot dan ook het anker liet vallen, vernam ik al spoedig van bekenden, die aan wal stapten, dat de heer Van der Molen zich aan boord bevond en elk oogenblik met de motorboot aan land kon komen. En inderdaad, daar legde de motorboot aan de pier van koraalsteenen aan en aan land sprong een rijzige man in groen kaki, met een klein deukhoedje op zijn hoofd, een karwats in de hand en gevolgd door vier blaffende en springende foxterriers, die na de lange reis dol van vreugde waren weer vasten grond onder zich te hebben.Het was de heer Van der Molen. Wij maakten kennis, namen elkaar eens op en de eerste vragen en antwoorden wisselden elkaar af. Ik had verwacht met een krachtig en joviaal mensch kennis te zullen maken; maar wat was dit voor een man met zijn smalle gezicht, zijn dwalende en onrustige oogen, zijn onzekeren blik en met die diepe groeven in zijn gelaat die van zielelijden spraken? Een neurasthenicus zeker! En wat moesten die vier honden? Voor Indië zoo iets zeldzaams en vooral zulke mooie exemplaren. Doch ik diende af te wachten, hoewel de eerste indruk, waarbij men het type reeds terstond leert kennen, allerminst gunstig was.Een boot vol bagage, kisten en koffers, zelfs een veldkeuken volgden hem en tevens een Javaansche jongen.We wandelden achter den grobak, met bagage volgeladen, landwaarts. Hij deed de eene vraag na de andere, en keek me onderwijl half angstig, half brutaal aan, terwijl hij zeer ongeduldig was om zijn huis op het emplacement van de onderneming te leeren kennen. Toen we daar aankwamen, keken de aanwezige contractanten nieuwsgierig naar hun nieuwen chef, en verbaasd en giechelend naar de vier fox-terriers, die wild om ons heen stoeiden. Het huis stond hem nogal aan, de ligging vond hij mooi, hij zou het zich hier eerst eens “senang” maken, alvorens verder rond te kijken.Na dit eerste samenzijn had ik dien man voldoende gepeild, om met een bezwaard hart en met allerlei vragen, waarop nog geen antwoord te vinden was, dien avond naar huis te gaan. Hoe zou ik ooit aan zoo iemand mijn werk met vertrouwen kunnen overdragen?Hoe kwam hij er toe naar deze positie te hebben gedongen? Hoe was het mogelijk, dat men zulk een man hier heen had gestuurd? Maar hoe werd ik hem weer kwijt, en hoe moest ik me dan helpen?Vol innerlijken wrevel na die eerste kennismaking, zat ik dien avond peinzend bij den zendeling onder de galerij en verlangde, waar ik in de toekomst mijn werk onder leiding van zoo iemand mislukken zag, naar Holland terug, weg uit dit akelige Indië met zijn zwervers, zijn dépravés en zijn ellendelingen, waarmee niets aan te vangen was. Dat Indië, waarover men in Holland wel kon fantaseeren, doch waarvan men voor die werkelijkheid staande, met allerlei onverwachte ongunstige factoren rekening had te houden, welke men den eerlijken strijder, bij een slechten afloop, niet steeds in zijn voordeel zou boeken.Dien avond ging ik in een bittere stemming naar bed.Den volgenden morgen toen de rol werd gehouden, bleef het huis, waar Van der Molen sliep, gesloten. Eerst tegen 7 uur ging de deur open en kwam mijnheer, in morgentoilet, met een paar slaperige oogen eens kijken. Tegen den middag gingen we een eindje het bosch in. De man was toch administrateur en moest toch wel eenige belangstelling toonen en van een en ander nota nemen. De eerste dagen liet ik hem zoo aan zichzelven over, totdat hij zich in zijn huis met behulp van zijn jongen goed en wel had ingericht. Toen verzocht ik hem ’s morgens op de rol te verschijnen en in zijn kwaliteit op te treden.Mijnheer verscheen echter niet op de rol en hij zag gaarne dat ik voorloopig de administratie bleef voeren. Voor een wandeling door het bosch, voor een kijkje hier en een kijkje daar, waarbij zijn vier honden hem altijd vergezelden en het meest zijn aandacht in beslag namen, was hij wel te vinden. Voor hetgeen hem echter interesseeren moest, bleef hij vrij wel doof. Hij was afgetrokken als een man wiens gedachten steeds door iets anders van het naastliggende worden afgeleid, als een speculant die voor zijn ondergang staat.Wel bemerkte ik, dat hij zich eenigszins voor de contractanten interesseerde, en dat hij tijdens mijn afwezigheid lange gesprekken met hen hield; voorts dat de aanwezige gereedschappen en voorraden door hem in oogenschouw waren genomen, want weldra kwam hij met aanmerkingen over de veel te geringe hoeveelheden, die hij had gevonden. Daarop werd door hem een lijst gemaakt van alles wat hij wenschte te bestellen. Die bestellingen liepen echter zoo de spuigaten uit dat, ik hem hier en daar wel attent moest maken op de al te buitensporige hoeveelheden, die hij nu wenschte te laten komen. Daar zouden, onder meer, 300 kilo spijkers en 100 kilo schroeven door hem worden besteld, verder blikken lijnolie en roode menie, verf, ijzergaas en prikkeldraad enz. in zulke hoeveelheden, dat we een aparte loods voor dien noodeloozen en kostbaren opslag zouden moeten bouwen. De verzending der brieven met deze bestellingen zou echter voorloopig op de terugkomst der boot moeten wachten.Intusschen vermeerderden van zijne zijde de aanmerkingen met den dag, waarvan de diepere oorzaak was, dat de man geen energie en geen lust had tot het opbouwende werk dat hier gedaan moest worden.Daarenboven was hij door ’t vernemen der praatjes van Verster op zijn lange reis naar hier vergiftigd. Deze had namelijk van Makassar tot Tobelo alle plaatsen die door de boot werden aangedaan, met zijn laster besmet. Hij had dit zoo bont weten te maken, dat zelfs onder de zendelingen op de verafgelegen posten, door hem op zijn terugreis bezocht, een tijdelijke verkoeling was ontstaan.Intusschen zat ik met mijn nieuwen titularis, die mij met telkens hernieuwd wantrouwen lastig viel, die steeds meer aanmerkingen begon te maken, steeds meer cognac begon te drinken, waarvan hij met andere spiritualiën een goeden voorraad bij zich had, die steeds onbeschaamder werd en als administrateur meer bedierf dan goed deed.In zijn huis hingen verscheiden portretten zijner vrouw, een zeer wereldsche dame, een vrouw die het hier geen twee weken zou uithouden. Zijn geschiktheid voor deze positie, die hij als getrouwd man anders zou hebben, werd daardoor ook niet beter. Zijn praatjes over allerlei perkara’s (wat ruzie of kwestie beteekent, een der eerste woorden die men in Indië leert kennen), waarin hij gewikkeld was geweest, gaven mij al spoedig de zekerheid, dat ik binnen niet al te langen tijd ook dezen man zijn ontslag zou moeten geven.Doch wat dan?Op een morgen maakte hij het zoo bont en toonde zich, met zijn verzwakten geest en zijn ondermijnd lichaam, zoo in ’t geheel niet opgewassen voor zijn taak, dat hij zelf door den last, die hem nu reeds scheen te drukken, het woord ontslag noemde. Het was de tiende dag van zijn verblijf te Tobelo.Toen hij eenmaal het fatale woord ontslag genoemd had, moest hij vernemen, dat dit des te eerder des te beter gewenscht was.Dien middag verscheen ik met twee getuigen in zijn huis en reikte hem in hun bijzijn zijn ontslagbrief over. Hij kon dan met dezelfde boot, waarmede hij gekomen was en die binnen zeven dagen terug zou keeren, naar Java teruggaan. De brutaliteit van mijnheer en zijn eischen over het uit te keeren salaris kenden nu evenwel geen grenzen, hoewel hij vrije passage heen had gehad en ik hem vrije passage terug plus een bedrag in contanten waarborgde.Men moet zelf in een bijna rechtloozen staat, zooals die verre posten in de Buitenbezittingen, wanneer goede ambtenaren ontbreken, practisch nog zijn, met dergelijke desperado’s of hoe men zulke menschen noemen wil, te doen hebben gehad, om te weten hoe moeilijk men zulke patienten, die daarbij nog altijd met recht en wet schermen, tot rede kan brengen. Slechts het dreigement hem op staanden voet uit het huis en van de onderneming te laten zetten, kon hem dwingen tot het teekenen van een stuk, waarin hij, na ontvangst van zijn salaris, zijn passage en nog een extra uitkeering, afstand deed van alle eischen, die hij volgens zijn contract misschien nog eens meende te kunnen laten gelden.Kreunend en bijna jankend als een geslagen hond gaf de man, die nooit iets had uitgevoerd of van plan was geweest iets uit te voeren, ten slotte toe. Ik liet hem in het huis, waar hij kon blijven tot de boot zou komen.Zie zoo, dat was afgeloopen. Doch nu een derde administrateur! Hiervoor zou ik zelf moeten zorgen. Het was mij bekend, dat bij de Batjan-maatschappij ten Zuid-Westen van Halmaheira een jonge getrouwde assistent, een Hollander, naar verbetering van zijn positie haakte. Hij had reeds door bemiddeling van anderen zijn diensten, die ik toentertijd niet gebruiken kon, aan mij aangeboden. Zeer waarschijnlijk was deze jonge man nog daar ter plaatse en allicht zou hij nog gaarne voor deze betrekking in aanmerking komen. Ik zou van geluk mogen spreken, indien ik er in slagen kon hem te engageeren, daar ik in het andere geval naar Java zou moeten reizen. Men bedenke daarbij wat zulk een reis, die slechts eens in de maand te doen is en waarvan de duur even lang is als van Europa naar Java, terwijl ik hier onmisbaar was, voor mij moest beteekenen.Ook deze reis reeds, naar Batjan en terug, zou door de slechte verbindingen reeds weken kunnen duren.Nog een week had ik voor me, om mij op mijn langdurige afwezigheid voor te bereiden. Het was weer de oudste zendeling die mij hielp, door zich genegen te toonen gedurende mijn afwezigheid den opzichter en de mandoers te controleeren, wat voor mij van onschatbare waarde was. Onder dien zedelijken invloed, hoopte ik, zou het ontginningswerk niet te veel te lijden hebben; maar in elk geval, nood breekt wet en zoo maakte ik mij weer gereed tot een zwerftocht, waarvan het einde nog niet te overzien was. Weer werden een paar koffers gepakt en werd alles voor het vertrek gereed gemaakt.Op de onderneming ging ondanks die strubbelingen het werk geregeld zijn gang. Van der Molen ontweek mij door ook overdag veel te bed te blijven of in zijn achtergalerijtje weg te kruipen, wanneer ik in het kantoortje verscheen, dat reeds gedurende eenigen tijd naar de binnengalerij van dit huis was verplaatst.Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.Het was op een Zondagmorgen, dat ik plotseling verrast werd door de ontvangst van een schrijven van zijn hand, waarin hij mij mededeelde den avond te voren, terwijl hij in de ontginning wandelde, van een boomstam te zijn gegleden, waarbij hij zich ernstig in de zijde had gewond en nu met ondragelijke pijnen te bed lag.Met den oudsten zendeling, die eenige medicijnen medenam, spoedde ik mij daarheen en vond hem in zijn slaapkamer te bed krimpend van pijn. Uiterlijke teekenen van een verwonding waren niet te constateeren, doch hij deed ons een omstandig verhaal, hoe hij den avond te voren om zes uur dat ongeluk had gekregen en sedert dien tijd hier met die pijnen lag. Bij navraag aan zijn Javaanschen jongen bleek, dat de Toewan om zeven uur ’s avonds nog springlevend was geweest. We begrepen nu niets meer van dien man, die daar waarschijnlijk den zieke speelde. Hij deed het echter zoo natuurlijk, dat we in twijfel verkeerden, te meer daar we volstrekt geen reden voor simuleeren konden ontdekken.Den dag daarop lag hij nog evenzoo. Hij at niet, kreunde maar en dronk soms wat koffie en cognac. Het werd mij in dat huis steeds ongemoedelijker, tot ik den derden dag van zijn ziekte eens weer in zijn slaapkamer kwam en niet wist of ik lachen of huilen moest. Met een verwilderd gezicht, in een vuil geworden pyjama, onder een vuile deken lag hij daar nog steeds in een donkere, benauwde kamer, waarin alleen door reten in den gaba-gabawand eenig licht drong. Met een zwakke stem zuchtte hij slechts. “Wanneer komt die boot nou?” Tranen had hij in zijn oogen, ongeschoren waren zijn kin en wangen, het magere gezicht was nog magerder dan anders en om zijn hoofd had hij, als een tulband, natte doeken gewikkeld. Hij was, zooals hij daar lag en zich gedroeg, een toonbeeld van de diepste menschelijke ellende. Toen dacht ik een oogenblik dat hij niet toerekenbaar meer was en kreeg medelijden met hem. Weer klaagde hij over pijn in de zijde. Tegen zijn zin werd bij nu op een langen dekstoel naar buiten gedragen, waar hij frisschere lucht had en naar de groene boomen, de zon en de blauwe lucht kon kijken. Misschien zou hem dat wat opkwikken. Een aanbod om geneeskundige hulp van den zendeling te halen, sloeg hij zeer beslist af en zoo liet ik hem liggen met de verzekering, dat hij mij elk oogenblik kon laten roepen, als hij hulp noodig had.Zoo bracht ik eenige uren per dag in dit “unheimisch” geworden huis door. Hij, kreunend op zijn bed, ik werkend aan de schrijftafel. Het weergalmen van de fluit der verwachte stoomboot maakte hieraan plotseling een einde. Iedereen kwam in beweging, ik zelf niet het minst, want weer heette het vertrekken en nog laatste orders geven en een laatste hand leggen hier en daar.
Hoofdstuk V.Uit de prilste jeugd eener cultuuronderneming.Terug te Tobelo. Na een landing van menschen en beesten en goederen, die uren duurde, daar de boot door de tallooze koraalbanken steeds een paar kilometer uit de kust op de reede moest blijven liggen, zoodat iedereen en alles per sloep, per prauw of motorboot naar het land moest worden geroeid of gesleept, was ik dan veilig en wel te Tobelo weergekeerd en opnieuw ingekwartierd ten huize van den civiel-gezaghebber. De koelies, die van Ternate waren meegegaan, bleken reeds een onderdak te kunnen vinden in een der twee groote loodsen, die men nog bezig was op het terrein te bouwen en waarvan de daken in de verte op den weg daarheen reeds hadden verteld, dat de bedrijvigheid alhier tijdens mijn afwezigheid niet geheel had stilgestaan. Ook was een 9 M. breede weg van de kampong naar het concessieterrein lijnrecht uitgezet en voor een groot gedeelte reeds van de boomen en planten, die daar stonden, ontdaan.Op het terrein zelf aangekomen, wachtte mij echter een groote zorg, die mij nog eenige weken achtervolgen zou. De eenige kali, die het terrein doorsneed, was in haar benedenloop meestentijds droog, alleen na hevige regens stroomde er water in. Zonder water zou het prachtige terrein, waarvoor we nu stonden, voor cultures zoo goed als waardeloos zijn. Het werd dus zaak water te zoeken; doch waar? We hadden hoop door het graven van putten voldoende grondwater te zullen vinden. Er liepen door dezen poreuzen bodem ondoordringbare leemlagen, die het grondwater ophielden; doch hoe en waar deze te vinden waren, wist niemand.Zoo hadden we op goed geluk op verschillende plaatsen putten laten graven, doch nergens was nog water gevonden. Waar de loodsen werden gezet, hetgeen we het emplacement gingen noemen, was reeds een dergelijke put tot een diepte van 10 M. gegraven en nog was hij droog. Dat zag er leelijk uit en zou ons scheepje kunnen doen stranden. Dieper graven en overal naar water zoeken was nu het consigne geworden. Met de mannetjes, die ik tot mijn beschikking had, werden binnen en buiten de grenzen van het terrein gaten gegraven en na eenigen tijd bleek het, dat het grondwater in dezen doordringbaren bodem even hoog stond als het niveau van den zeespiegel. Zelfs bleek het, dat dit water rees en daalde naar gelang van eb en vloed. De diepte der putten zou dus afhankelijk moeten zijn van de hoogte van het terrein boven den zeespiegel, en daar het emplacement 15 M. hoog bleek te liggen, zou vrij zeker tot deze diepte gegraven moeten worden.Intusschen leerde ik op mijn dagelijksche tochten ter nadere verkenning en onderzoek door de kilometerslange rintissen of over moeilijk te vinden en te volgen voetpaadjes, het oerwoud allengs meer kennen en geraakte er steeds meer mee vertrouwd. We drongen door tot aan den voet der bergen en vonden onzen weg door moeilijk doordringbare glagahbosschen of door bamboestoelen (een groep bamboekokers uit een zelfden wortelstok), die dank zij de slagen van den parang op de lange kokers, die in een enkelen forschen slag doormidden waren, ons voortgaan niet konden beletten.Onder het zwaarste hout was het doordringen het minst moeilijk; daar onderschepten de zware kruinen hoog in de lucht het zonlicht totaal, zoodat een weelderige vegetatie op dien bodem uitgesloten bleef. Wel stonden er op dien altijd vochtigen boschgrond groote en kleine varens en trachtte ook het jonge hout naar boven en naar het licht te streven, doch het halflicht onder het dichte bladerendak dier reuzenstammen verhinderde een opulenten groei.Het wemelde in zulk een woud van klein gedierte. Milliarden mieren, groote en kleine, bruine en zwarte krioelden over den grond en over omgevallen boomstammen; millioen- en duizendpooten en venijnige schorpioenen scharrelden er tusschen.Griezelige spinnen, soms fraai gekleurd, sponnen haar groote taaie netten met witte kruisen tusschen ’t jonge hout, waaronder de zwaarbehaarde vogelspin, met hare pooten uitgestrekt zoo groot als de palm eener hand, me altijd een schrik op het lijf joeg. Aantrekkelijker waren de vlinders, die met hun felle kleuren en in nooit te voren geziene grootte zweefden door de roerlooze stilte van het woud, of de tallooze wonderlijke insecten, waaronder allerlei soms bijna lachwekkende spelingen der natuur. Daaronder waren de wandelende takken en bladeren als frappante voorbeelden van de neiging der natuur tot mimicry, waardoor zij natuurlijk uiterst moeilijk te ontdekken waren. Tallooze hagedissen schoten telkens als weerlichten weg; leguanen, waarop de inlanders gaarnejacht maakten terwille van het lekkere vleesch, verdwenen kruipend tegen de hooge stammen in de donkerte der kruinen. Soms vernam men in het lage hout het gedruisch van een wild varken, dat op de vlucht sloeg, naast de herten, het eenige gevaarlooze grootwild dat op Halmaheira te vinden was. Men was er reeds binnen de grenzen der Australische fauna, waartoe veel buideldieren, doch geen gevaarlijk wild behoorde. De koeskoes, de oostersche opossum, een dier onschuldige buideldieren, werd dikwijls, door de koelies doodgeslagen, uit het bosch meegesleept en boven het vuur als smakelijk maal geroosterd. In de alang-alang ritselde wel eens een slang, die daarmede hare tegenwoordigheid verried, wat haar gewoonlijk het leven kostte. De menschelijke haat tegen deze beesten was hier al even erg als een halfrond verder, waar de Drentsche boer elken adder, die op zijn weg komt, met zijn klomp tracht dood te slaan of met zijn zakmes in stukken tracht te snijden.Timmerschool op Halmaheira.Timmerschool op Halmaheira.Op den vlakken bodem van het woud passeerden we dikwijls hoopen, uit aarde, bladeren en takken bestaande, die van een tot anderhalven meter hoog en vele meters in omtrek waren. Deze hoopen werden door de boschkip opgeworpen voor het bewaren en het uitbroeden harer eieren. Wanneer men dan dezen vogel zag, die slechts iets grooter was dan een patrijs en men liet zulk een aardhoop openleggen, dan vond men daarin een zevental eieren, elk grooter dan een eendenei, en stond men verbaasd over de ongerijmde energie die door dat beestje was ontwikkeld en die in geenerlei vergelijking stond met de normen, waaraan de natuur ons in dat opzicht heeft gewend. Het krijschen van papegaaien en kakatoes, en soms ’t geroep van den jaarvogel, vergezelden ons op onze tochten langs de soms meters dikke stammen in de vochtige koelte van het woud. Een voor een zouden die reuzen moeten vallen en het moeten afleggen tegen die venijnige menschjes, die nu zoo klein langs hun voeten kropen; met donderend dreunen zouden die stammen en kronen ter aarde vallen, zoodat men in de kampong Tobelo aan het rommelen van een aardbeving zou denken.De gladstammige kanariboomen van ruim 40 M. hoogte, die met hun breede kruinen loodrecht naar boven streefden, zouden met vele andere onbekende grootheden, waarvan het hout niet bestand was tegen het Indische klimaat en het invreten van houtwormen, als waardeloos worden verbrand en in den drogen tijd als dood hout langzaam wegsmeulend, geheel tot asch verteren. De betere houtsoorten echter, zooals het veel gebruikte harde ijzerhout (kajoe besi), lingowa, oetang kanari en zelfs ebbenhout, zouden worden uitgezocht en bestemd worden voor den bouw van huizen en loodsen. Ook zouden met dat woud de tallooze lianen verdwijnen, die in allerlei dikten langs die hooge stammen van de zware takken dropen, de klimplanten en de parasieten, waaronder de orchideeën, die zich op de takken met hun kort stelsel van luchtwortels hadden vastgehecht.Zoo leerde ik me in die bosschen steeds meer oriënteeren en allerlei kleine verschillen opmerken, die eerst langzamerhand in het oog vielen, waar het in den beginne een chaos van takken en bladeren was geweest. Zoo, met die natuur vertrouwd geworden, was het een genot soms alleen door de plechtige stilte van zoo’n eeuwenoud roerloos woud te kunnen gaan.Herhaaldelijk was ik in de uitvoering van mijn taak genoodzaakt de hulp van den oudsten der zendelingen in te roepen. Voor zijn grooten timmerwinkel hadden we steeds bestellingen, van zijn geneeskundige kennis en het hospitaal moesten we veel en zouden we op den duur, met meer koelies, zeer veel gebruik moeten maken. Als vraagbaak voor velerlei kleinigheden stond hij me met zijn kennis van land en volk steeds bereidwillig ten dienste.Doodenhuisjes op Halmaheira.Doodenhuisjes op Halmaheira.Met leede oogen zag onze civiel-gezaghebber het aan, hoe ik meer en meer achting voor zijn tegenstander begon te krijgen. Met nauw verkropte woede moest hij het aanzien, hoe ook ik den zendeling, waar deze mij zoozeer van dienst was, gaarne van dienst wilde zijn en somtijds kon zijn. In zijn heerschzucht en zijn groot gevoel van machthebber zou hij het liefst dezen omgang verboden of deze samenwerking onmogelijk hebben gemaakt; nu echter was hij wel gedwongen zich te bepalen tot eenige schimpscheuten en onvriendelijke opmerkingen.Het was mij ook reeds op reis herhaaldelijk opgevallen, dat men den naam van dezen zendeling veel noemde en daarbij dikwijls op minder vriendelijke wijze. Doch het bleek me bij nadere kennismaking al spoedig, dat hij voor deze streken een man van beteekenis was, hetgeen alleen reeds reden genoeg was tot allerlei gepraat.Menigen avond, als het donker geworden en het werk afgeloopen was, stapte ik het ruime erf van het zendelingenhuis op en zat met hem en zijn vrouw onder de voorgalerij der gezellige woning. Daar hoorde ik dan van hun leven en ontberingen in de eerste jaren van hun verblijf in deze streken. Het was toen zoo vol ellende geweest, dat van een zestal kinderen die in hun huwelijk geboren waren, slechts één meisje in het leven was gebleven, en dit kind hadden ze op negenjarigen leeftijd, als hun eenigen oogappel, terwille harer opvoeding, naar Batavia moeten zenden. Doch uit de moeiten en ontberingen van dien eersten tijd was langzamerhand veel goeds gegroeid, en nu kon hij wijzen op den gestadigen bloei van ’t geen hij in onderscheidene richtingen tot stand had gebracht. Want naast zijn directen werkkring van zendeling, had hij, met zijn energie en kijk op practische dingen, nog tijd en lust gevonden voor allerlei werkzaamheden, waardoor hij tevens den werklust bij zijn gemeente had aangewakkerd.In de timmerschool op zijn erf werkten dagelijks van ’s morgens tot het donker werd, onder het toezicht van een Chinees, een dertigtal inlandsche jongens en aankomende mannen van allerlei stammen uit den omtrek, zelfs Papoea’s van Nieuw Guinea. Zij maakten daar kasten en stoelen en tafels en bedden, en verder allerlei nuttig gerei, waar hier steeds veel vraag naar was. Zoo noodig werd ook de bouw van een huis in den naasten omtrek van hieruit geleid. Zoo was daar die schavende, beitelende en hamerende troep voor de geheele Residentie Ternate een unicum van bedrijvigheid. Ook het hospitaal eischte dagelijks door de vele menschen die om hulp kwamen vragen, veel werk.Een klapperaanplanting van 10.000 boomen, waarmedereeds jaren geleden door hem was begonnen, verlangde steeds meer toezicht, nu de oogsten grooter werden en zeer belangrijk beloofden toe te nemen; tevens waren proefaanplantingen van hevea, manilla-hennep en cacao door hem aangelegd.Zijn kennis van de Tobeloreesche taal had hem in staat gesteld een uitgebreid woordenboek dier taal samen te stellen en uit te geven; en zoo werkte zijn veelzijdige bekwaamheid in veelzijdige richting tot zegen van deze streek.Een geheel ander man was zijn jongere collega, die iets verder woonde en die zich uitsluitend tot het geestelijk beroep bepaalde en het practische, als zijnde niet in de eerste plaats zijn werk en niet met zijn neiging strookende, liefst afwees. Jaren later gekomen, had hij ook veel reeds gereed gevonden. Zijn huis, evenals de school, waarin hij de inlandsche jongens tot goeroe opleidde, was door zijn collega gebouwd. Zijn leven verliep tusschen die school en dat huis en de kleine kerk, waarin hij ook geregeld een preekbeurt vervulde. Hij was een aangenaam man in den omgang, die pratend en luisterend zijn gezelschap met de belangwekkendste gesprekken wist bezig te houden. Door de gunstige omstandigheden, die hij hier van den dag zijner komst af gevonden had, was hij geheel buiten de gewone moeilijkheden gebleven, waarmee de zendeling anders op deze verre posten dikwijls te kampen heeft. In zijn huis, in gesprek met hem en zijn vrouw, met de beschikking over zijn bibliotheek, waarin de Hollandsche schrijvers voor het jaar ’80, goed vertegenwoordigd waren, waande men zich geheel in Holland terug, in een well-to-do en zelfgenoegzaam Holland, waarmede de pisangs en de klapperboomen op het erf en de tropische zon, die buiten de galerij scheen, in ’t geheel niet harmonieerden.Het was tegen het eind van Januari geworden, toen we konden beginnen met klappernoten te verzamelen, die als zaadnoten op de eerste kweekbedden zouden worden uitgezet. Onder leiding van een Ternataanschen opzichter, die als zoodanig door mij was aangenomen, wijl hij de taal van het volk en ook Hollandsch sprak, was de prauw, die uit Ternate was meegebracht, met een zestal koelies bemand naar de naburige eilanden en langs de kust gezonden, om deze eerste noten te verzamelen. Het zou dagen duren, want de gezondste en zwaarstdragende boomen die te voren door ons waren uitgezocht en gemerkt, lagen ver uiteen. Er bleef mij in die dagen niet veel te doen over, dan af te wachten en het toezicht te houden op het bouwen der loodsen en het graven van putten. Alleen wanneer de boot zou binnenvallen, die binnen eenige dagen verwacht mocht worden, zou daaraan spoedig een einde komen. Dan opeens, als de fluit zou weerklinken, zou het leven weer beginnen, dat nu langzamerhand uitging, elken dag wat meer, totdat de eentonigste saaiheid van bijna werkelooze dagen was bereikt.Zoo brak de dag voor de aankomst der boot aan, doch wij hielden er rekening mede, dat zij tenminste drie dagen te laat zou binnenvallen. De dag verliep dan ook in ononderbroken rust, ook de volgende dag en de dag daarop en de eene dag na den anderen, en ook de prauw onder leiding van den opzichter kwam niet terug. Hoe keek ik nu uit naar dien onruststoker uit de groote wereld, wanneer ik na de paar menschen, die op het emplacement werkten bezocht, en gezien te hebben, dat zij elken dag hun taak hadden volbracht, doelloos ronddoolde door het woud. Zoo begon ik in die dagen te lijden aan ongeduld, verveling en... verlangen, en in mijn dagboek vind ik uit dien tijd een gedichtje:Totdat...Weer komen er verlangensSmartelijk los,Terwijl ik wandelend benDoor ’t eenzaam bosch.Weer dwalen mijn gedachtenVan dit kruis,Zij gaan, onmerkbaar eerst,Naar ’t ver tehuis.En peinzend denk ik dan:“Hoe zal ’t daar zijn!”Ginds, waar mijn lieven levenGroot en klein.De kleinen met hun spelenHun gevraag,De groote stil verlangendTot het daag.Tot daag het uur van wederzien,Tot daag ’t geroep, ’t gejuich der kleinen,Tot het verlangen henengaat,Hereend, vereend weer met de mijnen.En eenzaam liep ik langs het heete, zwarte strand, turende over den glimmenden waterplas naar de koraaleilanden voor de kust en over de wijde toegangen daar tusschendoor naar de heel verre flauwe streep aan den gezichteinder, of niet een rookwolk de komst van de boot zou verraden. Of wel ik zocht langs de kusten dier eilanden, of niet de uitgezonden prauw te ontdekken was, welker terugkomst althans eenig werk zou verschaffen en eenigen voortgang zou brengen in de dagen, die nu doelloos voorbij gingen. Doch verlaten, troosteloos verlaten bleef de zee.Eenzaam liep ik er, zooals er voor mij duizenden in dit land geloopen zullen hebben, zooals er na mij duizenden loopen zullen, in machtelooze afwachting, in werkeloosheid door een groot verlangen overvallen, dat tijdelijk alle belangstelling doofde. Ik voelde me onder dit volk en te midden van deze natuur als een vreemdeling, als een indringer, als een rustverstoorder en in mijn sentimenteele stemming zong ik, als een dreun die me niet verlaten wou:Nach der Heimat kehr’ ich wiederNach dem treuen Vaterland.Het was Indische maannacht geworden. Donkere silhouetten van cocospalmen, van pisangs en manggaboomen en van de atappen dakjes der inlandschehuisjes staken af tegen de lichte lucht, waarin de sterren verbleekten. Zoo slenterde ik op een avond terug naar huis. Zwarte, geheimzinnige schaduwen zag ik overal en uit de verte klonk uit de heidensche kampong het sombere geluid der doffe slagen op de tifa, waarop de inlanders ter aanvuring van nachtelijke bacchanaliën in eentonigen cadans hun primitieve muziek uitvoerden.Gedrukt zette ik mij neer onder het galerijtje van het huis van mijn gastheer en liet me vertellen van de bevolking en haar vrees voor den blanke.Deze heidensche inlanders, met hun animistisch geloof (het geloof in de macht van de geesten der afgestorvenen hier op deze aarde), hadden een groot ontzag voor den Hollander. Hoewel zij hem onverschrokken aanzagen, zouden zij hem toch niet spoedig aanvallen, daar hun geloof hun leerde, dat zij, die in de kracht van het leven door een ongeluk omkwamen of die in den krijg sneuvelden, hiernamaals een veel grootere macht over de levenden bezaten dan zij, die door ouderdom of op het ziekbed waren gestorven. Nu stond het bij hen vast, dat de Kompanie een verbazend groot aantal van zulke geesten bezat, die in oorlogen gesneuveld, nu onder de levenden de Kompanie en hare leden in geval van een aanval zouden bijstaan.Met dit beschermende fluïdum der geesten onzer voorouders om mij heen, gevoelde ik me voor goed rustig en veilig tegenover de inheemsche bevolking, die overigens ook niets kwaadaardigs had. Kwam men Tobeloreesche mannen en vrouwen tegen, dan zouden zij steeds voor den Europeaan uitwijken. De eersten waagden dan gaarne eens een “Tabé Toewan!” en bleken aangenaam verrast wanneer men hun groet met een “Tabé!” beantwoordde. De laatsten bleven dikwijls stilstaan en wachten tot men voorbij was en sloegen daarbij schuchter en zedig de oogen neer; zelfs gebeurde het dat zij op eenzame plekken op de vlucht sloegen en in de hooge alang-alang verdwenen. Een kijkje te nemen bij hun feesten scheen hen volstrekt niet te hinderen. Ongegeneerd gingen ze dan met zingen en dansen en het uitstooten van kreten en het maken van grimmassen voort, terwijl ze groote hoeveelheden sago aten en sagoweer dronken, van welk vocht ze lodderig en halfdronken werden. Vele mannen en vrouwen zagen er flink gebouwd uit, doch ondanks het natuurleven van dit natuurvolk was het toch geen sterk en krachtig ras. Vieze huidziekten, waaronder de framboesia tropica vooral berucht was, kwamen hier veel voor en kinderen hadden somtijds booze zweren over hun gansche lichaam verspreid.Met hun dooden sprongen zij om zooals hun geloof het hun ingaf. In kleine doodenhuisjes op palen of in half gevulde graven, waarboven een dakje, werden de lijken vlak in de nabijheid hunner huizen neergelegd, terwijl blauw gekleurde borden en schalen van aardewerk, waarop eten, daarnaast werden geplaatst. Ook wapens en huisraad werd daar in de nabijheid neergelegd ten gebruike der afgestorvenen; want de macht hunner geesten bleef op aarde groot, en daaraan was hun vrees evenredig. Zoo trachtten zij die geesten steeds gunstig gestemd te houden, om het booze af te weren en het goede te ontvangen.Na een week te zijn weggebleven, kwam ten slotte de prauw met een volle lading van de mooiste noten aan den wal. De opzichter had voor zijn lange uitblijven allerlei verontschuldigingen, van tegenwind, en moeite hier, en moeite daar. Wat daar van waar was zou moeilijk te controleeren zijn, doch de volle lading deed verder het hare om den storm, die over zijn hoofd dreigde op te steken, te doen bedaren.De eerste grobak (ossenkar) met noten hoog opgestapeld, reed door de kampong en over den breeden weg door de alang-alang velden naar het emplacement, waar zij spoedig, een voor een en in lange rijen, op de kweekbedden werden uitgelegd. Nu kon de groei beginnen en bij steeds grootere en meerdere ladingen, die weldra zouden volgen op steeds breedere basis.Wanneer nu de lang verwachte boot verscheen, zou met volle kracht het werk kunnen worden aangepakt en daarmede de grond worden gelegd voor een gezond begin. Doch wanneer kwam die boot! Reeds dagenlang was zij over haar tijd, en de mogelijkheid dat haar een ongeluk was overkomen, werd steeds grooter.Het was in die dagen—terwijl een hevige ingewandsziekte mij overviel, die in dysenterie dreigde te ontaarden—dat, twaalf etmalen te laat, de boot eindelijk binnenviel. De inlanders liepen van het strand de kampong binnen en riepen: “Kapal masok! Kapal masok!” (de boot is binnen). Een tijding, die aan iedereen in de kampong ontspanning en vreugde zou brengen na de onzekerheid en het lange wachten en die mij, was ik gezond geweest, in vuur zou hebben gezet. Nu bleef ik onverschillig en roerloos op mijn veldbedje liggen, verzwakt en mat door de hevige ziekte.Weldra bereikte mij de tijding dat Verster met het eerste vijftigtal koelies uit de Minahassa aan boord was. Berichten uit Holland, brieven, tijdschriften en couranten zouden binnenkomen. Werk zou er in overvloed zijn. Na den stilstand was de hartslag van een bedrijviger leven gekomen, doch dommelend moest ik blijven liggen waar ik lag, terwijl om mij heen nu alles in de weer kwam. De een na den ander verliet zijn huis. Christenen in hun witte baadjes, Chineezen, Arabieren enz. spoedden zich naar de aanlegplaats of trachtten prauwen en prauwtjes machtig te worden om naar boord te roeien. Reeds kwamen passagiers, die ontscheept waren, over den weg de kampong binnenstappen, en weldra zag ik de Minahassers met groote en kleine bundeltjes op den rug passeeren. Zij maakten een geheel anderen indruk dan men zich gewoonlijk van een troep koelies maken zou. In licht gekleurde gestreepte broeken en witte of kleurige baadjes, met een staand kraagje en een stroohoedje dandy-achtig boven de gele en veelal nette en nog jonge gezichten, sommigen met schoenen aan de voeten, zou men ze eerder gehouden hebben voor een troep studenten eener inlandsche hoogeschool. Nu zou het te Menado ontvangen en natuurlijk aanstonds verteerde voorschot, van ƒ 40.– per man, aan die nieuwe baadjes en nieuwe hoedjes wel niet vreemd zijn geweest. Daarbij doet het uiterlijk van den Minahasser, wat huidkleur en gelaatstrekken betreft,zeer sterk aan vermenging met Japansch bloed denken; ja zelfs vindt men er onder, die hierin maar zeer weinig van den Europeaan verschillen. Ook hebben zij, reeds van ouder tot ouder Christenen zijnde, van den eersten tijd onzer komst in Indië onafgebroken onder onzen invloed gestaan en gevoelen zij zich dan ook veel meer aan ons gelijk dan de doorsnee-inlander. De meesten hebben goed onderwijs gehad, schrijven vaak keurig en spreken soms een woord Hollandsch.Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).Weldra kwam Verster, vertelde in ’t kort iets van de ellende, die hij op deze reis had ondervonden, beklaagde me en verdween spoedig weer met zijn mannetjes naar het emplacement. Het was me even opgevallen, dat hij zeer zenuwachtig en neerslachtig was geweest, doch onverschillig daarover verder dommelend, werd ik spoedig weer afgeleid door passagiers van de boot, die aan land een kijkje kwamen nemen en een praatje kwamen maken, mij zeer beklagend, zooals ik daar lag. De post werd verdeeld en brieven van huis en over zaken hielden me in spanning, en joegen me met zweepslagen uit den dommel der zwakte. Den morgen volgende op dien dag, gevoelde ik me zoo slap als een vaatdoek. Verster opperde toen het denkbeeld om mij, per extra prauw, over de landengte van Dodinga naar Ternate te laten expedieeren, opdat ik onder doktershanden zou kunnen beteren. Ik weigerde beslist en liet de hulp inroepen van den oudsten zendeling, die dadelijk kwam en mij, met zijn vele practische ervaring der gevaarlijke Indische ziekten, er binnen eenige dagen met een streng dieet en het geregeld toedienen van een homoeopathisch middel weer bovenop hielp.Terwijl ik in die dagen nog met huisarrest onder het galerijtje zat, kwam op een morgen Verster uit het bosch terug en overviel me met de mededeeling, dat we hier onmogelijk verder zouden kunnen gaan, daar het terrein volgens zijn zeggen wegens watergebrek voor cultures niet deugde; dat we derhalve niets beters konden doen dan aanstonds het werk te staken en de koelies af te danken en op Java of elders beginnen, daar alle werk hier tijd en geld verknoeien zou zijn. Er was toen, door gebrek aan werkvolk, op het terrein nog geen water gevonden doch overal was de aanwezigheid van grondwater theoretisch vastgesteld.Het bleek me toen, dat hij in dezen geadviseerd was geworden door den oudsten zendeling, die op een wandeling het emplacement had bezocht en daar in een kwartier tijds tot die conclusie was gekomen. Ik moest hartelijk om deze meening lachen; doch Verster, die nu uiterst zwaartillend en nerveus was, vatte de zaak heel anders op en vertrok, om spoedig met den zendeling terug te keeren, die mij persoonlijk zijn meening zou meedeelen.Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).Nu had deze man, naast een bezadigde wijze van spreken, de gave zijn meening helder en met overtuiging voor te kunnen dragen. Door zijn levente midden eener omgeving, waarboven hij ver uitstak, had hij buitendien, daar alle tegenspraak hem vreemd was, een te groot zelfvertrouwen gekregen, waardoor hij zijn oordeel vaak op te stellige wijze uitsprak.Tegenover hem en Verster gezeten, hoorde ik de meening van die beide autoriteiten hoofdschuddend en eenigzins lachend aan en weerlegde de bezwaren van den zendeling. Dit bleef niet zonder indruk op hem,—een half jaar later zou hij zelf voor de zendingsvereeniging een stuk grond naast het onze voor de klappercultuur in concessie aanvragen,—en hij vond de zaak bij nader inzien dan ook nog zoo kwaad niet. Ik dankte hem voor zijn ongevraagd advies en bleef bij het eenmaal genomen plan om op dit mooie stuk grond met de ontginning voort te gaan. Verster weigerde echter en bleef koppig weigeren hier voortaan als administrateur op te treden, hoewel ik hem verlof gaf een rapport over een en ander, dat ik van mijn kantteekeningen voorzien, naar Holland te zenden, zoodat hij, van alle verantwoordelijkheid ontslagen was.De zendeling vertrok en liet mij intusschen, nog zwak en nauwelijks hersteld, met Verster achter, die, wijl ik zijn meening niet deelde, woedend was en beweerde, volgens zijn contract alleen verplicht te zijn op de oorspronkelijke concessie op Morotai te werken, weshalve hij te Tobelo geen slag meer wenschte uit te voeren. Daar zat ik met een administrateur, die alle redelijkheid verloren had, voor een taak, die mijn taak niet was.Ook den volgenden morgen bleek Verster nog niet voor rede vatbaar te zijn en weigerde beslist zijn werk weer op te vatten, ik had daar naast me een man, die van aanleg werkzaam en flink was geweest, doch wiens gestel door een funest Indisch leven van veel reizen en zwerven en rooken en drinken en veel te veel praten, geheel ondermijnd was geworden. Tegen de zorgen en moeiten der laatste maanden was hij niet meer bestand geweest, terwijl het afkeurend oordeel en allerlei inblazingen, die zich doen hooren, wanneer men trachten wil iets op te bouwen, hem den nekslag hadden gegeven. Hij was door die kritiek op onze, uit den aard der zaak, riskante onderneming gaan twijfelen aan de uitvoerbaarheid der plannen. Niet intelligent genoeg had hij de booze wereld en hare goede-raadgevers niet kunnen nemen voor wat ze zijn. Inderdaad bleek het me later, dat hij op zijn terugreis van Menado naar Ternate, door toedoen van mijn vroegeren gastheer daar, met alles behalve goede adviezen van die laatste plaats naar Tobelo was teruggekeerd, waarvan hij nu het slachtoffer dreigde te worden.Door de wijze waarop hij zich gedroeg, zou ik genoodzaakt worden hem, wanneer hij niet bijtijds tot inkeer kwam, zijn ontslag te geven. En reeds dreigde hij zelf met ontslag nemen, in de meening mij door zijn onmisbaarheid te kunnen dwingen. Nu begreep ik, dat ik hem nooit als zelfstandig administrateur zou kunnen achter laten, zoodat zijn ontslag zelfs wenschelijk werd. Op een laatste scherpe aanmaning om aanstonds aan het werk te gaan, waarop hij een weigerend antwoord gaf, volgde dit ontslag.De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.(Teekening H. R. Roelfsema).Na die tragedie was het verblijf met hem onder één dak zeer pijnlijk geworden en was het me zeer welkom voorloopig mijn intrek bij den jongsten zendeling te kunnen nemen. Van nu af ging ik elken morgen bij het krieken van den dag van dit huis naar de loodsen in het bosch, alwaar begonnen werd het werkvolk onder leiding van den opzichter en eenige mandoers aan den arbeid te zetten. Dan was er den ganschen dag volop werk tot ’s avonds als het donker werd, waarop ik terugkeerde om onder de galerij, bij de petroleumlamp, waar ook de zendeling met zijn vrouw zat, nog menig uurtje aan correspondentie te wijden.In den put op het emplacement, die door bekwamere werklui sneller kon worden uitgediept, werd na eenige dagen op 15 M. diepte water gevonden, terwijl dit op andere gedeelten van het terrein, die lager waren op geringere diepten eveneens overal werd aangetroffen. Daarmee was deze cardinale kwestie ook practisch opgelost.Met de komst der menschen werd het in het bosch weldra bedrijvig en vroolijk; vrouwen en kinderen, die met den vader waren meegekomen, zag men den ganschen dag voor de loodsen; kippen liepen er weldra rond en kakatoes en papegaaien slingerden aan hun stokken; armzalige gladakkers snuffelden naar alles wat van hun gading was; vuurtjes werden gestookt voor het klaarmaken van het middagmaal; de wasch hing aan de drooglijnen uit, en zoo gaf al dat menschelijk bedrijf aan die stille plek in het bosch een geheel ander aanzien, dan ik daar tot nutoe gewend was geweest. Een fiets, die hier nog een hypermodern vervoermiddel was en dan ook in den beginne zeer de aandacht der bevolking trok, was uit Menado meegekomen en bekortte me zeer den dagelijks herhaalde malen af te leggen afstand over een smal voetpaadje, van het huis van den zendeling naar de ontginningen.Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).Intusschen was ik nog niet geheel van Verster bevrijd. Uit een zeer menschelijke neiging tot wraak en tot het zoeken van eigen voordeel zou hij nog zooveel mogelijk trachten mij te dwarsboomen, nu hij in mij zijn vijand meende te moeten zien. Als administrateur had hij het beheer der gelden gehad. Na zijn ontslag was hij verplicht de boeken en de kas, welke laatste altijd nog zwervende was geweest en die zich nu ten huize van den civiel-gezaghebber bevond, aan mij over te dragen. Op mijn aanmaning ontving ik een verantwoording, waaruit aanstonds bleek, dat de man in zijn geëxalteerden toestand de grenzen der eerlijkheid had overschreden. Aanstonds liet ik door den civiel-gezaghebber beslag leggen op al het geld dat aanwezig moest zijn; en onder den druk van zijn geweten en van een zeer begrijpelijke vrees gaf Verster op diens aanmaning het papiergeld af, waarmede hij reeds in zijn zak liep en het zilver, dat hij op andere wijze had verstopt. Daarmede was het geld nu wel uit de handen van Verster gered, doch hiermede had ik zelf de beschikking over bijna alles verloren en de dichtst bijzijnde rechtbank voor dergelijke delicate zaken was die te Makasser, welke plaats eerst na een reis van ruim 14 dagen te bereiken was.Verster begon, doelloos te Tobelo rondloopende, zich daar steeds onbehagelijker te gevoelen. Zijn ontslag had tengevolge, dat hij zijn ruime salaris had verspeeld, terwijl door de inbeslagname der kas het resteerende bedrag hem voorloopig niet kon worden uitgekeerd. Weldra zou het hem aan contanten gaan ontbreken. Schaamte en berouw deden het hunne, en daar de terugkeerende boot naar Ternate nog een drietal weken zou uitblijven, oordeelde hij het raadzaam na een week per prauw daarheen terug te keeren. Op een morgen vernam ik, niet zonder medelijden met hem te gevoelen, dat hij vertrokken was. Met vuur en ijver was hij een tijdlang voor onze belangen opgekomen; toen hadden zijn woelige natuur en zijn verbeelding hem parten gespeeld en zijn kortstondige energie gebroken. Een man als hij zou onder de Europeanen steeds meer blijken tot de categorie van gelukzoekers en zwervers, waaraan Indië zoo rijk is, te gaan behooren.De onderneming begon zich te ontwikkelen en groeide met den dag. De kweekbedden strekten zich steeds verder uit en voortdurend kwamen er nieuwe ladingen noten. Reeds deden de eerste spruiten den dikken vezelbast scheuren en rezen er stengels met zijwaarts gerichte bladeren uit den grond op. Met donderend geweld ploften de reuzen van het woud ter aarde, en door de open ruimte, die steeds wijder werd en over den chaos van omgevallen stammen en kruinen en takken klonken de bijlslagen den ganschen dag. Een timmerman, die was medegekomen om de leiding van den bouw van huizen op zich te nemen, had zijn taak aangevangen en onder een dakje van atap werd gezaagd en gehakt en geschaafd aan de balken en stijlen voor het eerste huis.Put met bak voor badwater.Put met bak voor badwater.In een der loodsen was een gedeelte gereserveerd voor kantoor, waar eindelijk de brandkast werd opgesteld, die, na uit Amerika te zijn gekomen, de reis van Holland uit had meegemaakt en nu, na dien tocht rondom de wereld, in het oerwoud eindelijk haar bestemming had bereikt. Een beschuttend dak voor het kantoortje uitgebouwd, werd weldra mijn galerijtje, waar ik, als mijn werk in het bosch was afgeloopen en mijn aanwezigheid niet elders werd vereischt, de administratie en correspondentie verrichtte en waar de Tobeloreezen en handelaren, die materialen en goederen en zaadnoten leverden, geduldig op betaling zaten te wachten, wanneer de Toewan Maatschappij het bosch in was.De naam van Toewan Maatschappij had men mij te Tobelo spoedig gegeven, ter onderscheiding van den Toewan Magistraat, den civiel-gezaghebber en den Toewan Pendita (Geestelijke), den oudsten der zendelingen.Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.Het was, na een onafgebroken zwerven van meer dan zes maanden, waarin ik onder allerlei omstandigheden correspondentie en administratie had moeten verrichten, een heerlijkheid daar een veilig plekje te hebben gevonden, waar alles netjes bijeen was en elk stuk, uit de groote kist met schrijf- en kantoorbehoeften uit Holland meegenomen, zijn plaats had gekregen. Het was er heusch een echt kantoor, met agenda’s en memorandums en briefregistrators, copieerboeken en copieerpers. Nog behielp ik me met een tafel en stoelen uit bamboe gemaakt, doch een schrijftafel was bij de timmerschool in de maak. De brandkast was als de kroon op het geheel; zij werd met haar kantoorboeken en geheimzinnige geldkastjes, door de menschen uit de wildernis, die soms eens familiaar kwamen kijken, steeds met ontzag aangekeken en nader besproken. In dat leven van rondzwerven in het bosch en den geheelen dag buiten zijn, en—wanneer het werk mij riep voor het primitieve kantoortje—van hard afwisselend werken van den morgen tot den avond, voelde ik me wonderwel thuis en gezond. En wanneer niet sterke banden mij naar het vaderland hadden teruggeroepen dan zou ik mij zelven hier tot administrateur hebben benoemd. Nu echter moest ik trachten een opvolger voor Verster te vinden, wat in dezen uithoek der wereld niet zoo gemakkelijk zou zijn. Met de komst van dien nieuwen functionaris zou, wanneer hij de rechte man op de rechte plaats bleek te zijn, mijn taak zijn afgeloopen. In het belang der onderneming zou zoo iemand, nu de eerste bezwaren en moeilijkheden der vestiging waren overwonnen, zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid dienen te handelen.Met de postprauw, die tusschen de aankomst der booten in naar Ternate vertrok, gaf ik telegrammen mee naar Holland en naar relaties op Java, om een tweeden administrateur te zenden. Er zouden voor de komst van den nieuwen titularis ten minste een drietal maanden verloopen, en zoo was ik in dien tijd mijn eigen baas en kon handelen naar eigen inzichten en believen.Elken dag zag me de opkomende zon door de alang-alangvelden fietsen naar den uitgestrekten woudzoom in het Westen, waarachter de Doekoenoe en de uitgedoofde vulkaankegel van den Momoja verrezen. Dat eerste begin van den dag, met de verdwijnende sterren en het verschieten van het rood aan de wolkenvegen, en het scheren van de eerste zonnestralen over de aarde, was in de open ruimte tusschen zee en woud een telkens weerkeerend zalig beleven van den eersten morgenstond.Na den inspectietocht in den vroegen morgen door het woud verscheen, tegen 8 uur, Ketjil met den etensdrager, waarin door de goede zorgen van mijn gastvrouw een smakelijk ontbijt was geborgen. Soms genoot ik van die versterkende rustpauze voor mijn kantoortje gezeten, soms ook op een omgevallen boomstam in het woud, waar na een langdurig zoeken de jongen mij toevallig had gevonden. Zijn anders altijd goedmoedige gezicht had dan, door het sleepen met dien zwaren etensdrager over boomstammen en struiken en door een warnet van takken en ineengestrengelde lianen een grimmigen trek gekregen, doch zijn goede humeur herstelde spoedig als hij neergehurkt tegenover zijn etenden baas, geduldig zat te wachten.Schrijven, regelen, overleggen, een tweede rondgang en soms een derde volgden, daarna tusschentijds even middageten bij den zendeling aan huis en zoo keerde ik tegen den avond, als het werk der koelies was afgeloopen, vermoeid huiswaarts.Op deze wijze verliep het leven geleidelijk, zonder horten of stooten; alleen de komst der booten gaf eens in de maand eenige opschudding, terwijl ook de Zondag eenige verandering bracht, daar het werk dan moest worden stilgelegd. Daar er bijna uitsluitend met Christenen werd gewerkt, had men tegenover hen, volgens contract, den Zondag als vrijen dag moeten erkennen. Op dien dag werd ook door een der zendelingen in een der loodsen op de onderneming gepreekt, waarbij het in die primitieve omgeving steeds zeer ernstig toeging. Op planken, die over kisten en balen waren gelegd, zaten de toehoorders en een enkele toehoorster in hun Zondagsche plunje aandachtig luisterend op rijen achter elkaar, terwijl de zendeling achter een tafel van bamboe staande, in het Maleisch zijn preek hield. Als ouderling en voorzanger trad steeds de timmerman op, die onder het laatste gezang tevens met het kerkezakje aan den langen steel rondging. Kakelende en vechtende kippen en hanen liepen soms, pikkend en verwaand rondkijkend, tusschen het publiek of onder den geïmproviseerden preekstoel door. Doch een goed zendeling is voor dergelijke stoornissen niet in ’t minst vervaard; hij heeft geen kerken of kathedralen, noch plechtige stilte noodig, doch predikt als het zijn moet overal en onder alle omstandigheden, waarbij de stemming of de indruk niet in het minst behoeft te lijden. Integendeel, in dien soberen eenvoud is iets stichtelijks en ontroerends. De oudste zendeling vertelde mij, dat hij eens onder een boom staande voor slechts één mensch had gepreekt.Zendingskweekschool te Tobelo.Zendingskweekschool te Tobelo.Somtijds wandelde ik op zulk een Zondagmorgen met den voorganger mede en woonde den kerkdienst bij.Het publiek, dat hier bijeenzat, was misschien meer stil-aandachtig dan devoot, want eenmaal inziende, hoe geenerlei dwang op hen werd uitgeoefend bij het ter kerk gaan, had er spoedig een groot verloop van toehoorders plaats. Toen er weldra meer werkvolk op de onderneming verscheen en voornamelijk bewoners van de Sangir- en Talaut-eilanden, bleek het, dat deze in grooter afzondering levende eilandbewoners, veel trouwer naar de Zondagmorgenpreeken kwamen luisteren dan de meer geraffineerde Minahassers.Ten huize van den jongsten zendeling nam ik, indien aanwezig, deel aan de gewoonten van dit huis. Reeds zeer vroegtijdig, gewoonlijk wanneer het nog schemerend was, liet de heer des huizes een belletje door het huis weerklinken, waarop de huisjongen en de jongens der school, die in de bijgebouwen sliepen, in letterlijken zin hun matjes oprolden, zich waschten en zich gingen klaarmaken voor den dag. Meestal zat ik, als dat belletje weerklonk, reeds op de fiets, en in het donker of halfdonker waren een drietal dier jongens, wier weekbeurt het was, reeds buiten en in de keuken bezig om het huiswerk te bezorgen. Door de talrijke reten der gebarsten gedek-wanden van het keukentje flikkerden reeds de vlammen van een vuurtje, en daar buiten was er een bezig hout te kloven; zelfs den zendeling ontmoette ik somtijds reeds op dat vroege morgenuur op het erf, genietend van de koelte en van den aanblik van het krieken van den dag en het opgaan der zon.Over het achtererf, langs een smal kronkelend paadje, tusschen kletsnatte door den dauw bevochte alang-alang, kwam ik dan met de fiets weldra op den rechten weg, die naar het emplacement leidde. Ten huize van den zendeling was inmiddels een ieder ontwaakt en vond er zijn werk. De leerlingen der kweekschool voor goeroes, de Papoeatjes, de Amboneesjes, de Galelareesjes enz. verdwenen in het schoolgebouw of in de studeerkamer van den zendeling en repeteerden en schreven en zeiden lessen op, of kregen in het vroege morgenuur onderricht in het zingen van kerkelijke liederen. Tegen acht uur was dan het ontbijt in de achtergalerij klaar gezet, alwaar hij nu met zijn vrouw plaats nam te midden van alle jongens, die zich langs de wanden hadden geschaard. In het Maleisch werd door hem uit den bijbel voorgelezen, waarna in diezelfde taal eenige psalmen werden gezongen. De morgengodsdienst eindigde met gebed en soms met een vermaning aan een of meer jongens, die dit hadden verdiend. De jongens verdwenen nu onder het voorgalerijtje van hun slaaphuis, waar op eenige lange tafels hun ontbijt was klaar gezet, dat steeds uit sago en visch bestond.Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).De middagtafel werd eveneens door bijbellezen en gebed voorafgegaan, de avondtafel alleen met gebed, en elke maaltijd eindigde met gebed. Bij de laatste maaltijden schaarden de jongens zich niet om de tafel, doch ’s avonds had na afloop van het dagwerk nog een bijeenkomst plaats in de achtergalerij, waar alle Papoeatjes, Amboneesjes en Galelareesjes enz. weer langs de wanden stonden, en waar ik in gezelschap van den heer en vrouw des huizes ook steeds aan deelnam. Er werd dan weer in het Maleisch uit den bijbel gelezen, er werden psalmen gezongen, en er werd gebeden.Het werd me bij die telkens herhaalde godsdienstoefeningen, in dien tredmolen van bidden en bijbellezen en psalmen zingen met de geheel onontroerde gezichten dier inlanders voor me, wel eens vreemd te moede, en ik kon den indruk niet van me afzetten, dat het dagelijksch verkeer met de hoogste dingen zoo precies op de klok en in het openbaar, en lukraak door allerlei stemmingen heen, het doel voorbijschoot en leidde tot een familiariteit en tot een gewoonte, waarbij het gevoel tot gebaar, het verhevene tot sleur werd.Wanneer we daar dan ’s avonds zaten met al die jongens, geschaard langs de wanden van de achtergalerij, de zendeling en zijn vrouw aan het lange, ik aan het korte eind der tafel, waarop steeds het roode tafelzeil met zijn grillige figuren lag, dan dwaalden onder het eentonige Maleische gezang mijn gedachten van de krullen en dwarreling dier figuren, na de herrie van den dag die mij in beslag had genomen, naar andere dingen, totdat het Amen was uitgesproken, waarop we naar de voorgalerij gingen voor het laatste werk of het laatste praatje van den dag, terwijl buiten de Indische nacht was aangebroken en de insecten om ons heen snorden en gonsden en tegen de petroleumlamp botsten en tji-tjaks hun geluid deden hooren, roerloos zittend of zich snel bewegend langs de gaba-gabawanden van het huis.De eerste boot, die van Ternate binnenviel, bracht als verrassing den koeliewerver, dien we bijna vier maanden geleden van daar hadden uitgestuurd, in gezelschap van een flinke ploeg werkvolk van deSangir- en Talaut-eilanden. We hadden deze werving, daar in den tusschentijd niets van hem was gehoord, reeds als mislukt beschouwd en tevens als een belangrijk geldverlies, naardien ons alleen was bericht, dat het geld dat hiervoor te Menado was gedeponeerd, door een misverstand in handen van den koeliewerver was gekomen, aan wien we dit niet hadden toevertrouwd. Deze vermeende mislukking en het gevreesde geldverlies had Verster zich indertijd zeer sterk aangetrokken en was voor hem een der teleurstellingen geworden, die zijn vertrouwen in onze onderneming hadden geschokt. Echter de werver was eerlijker gebleken dan we dachten, en met niet geringe blijdschap ontwaarde ik hem met zijn mannetjes aan boord van de binnengevallen boot.Met volle kracht konden we ons nu aan het ontginnen zetten, te meer daar de Sangireezen en Talauters uitmuntende werklui moesten zijn.Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).Tevens kwam met deze boot de inbeslaggenomen kas aan het adres van den civiel-gezaghebber terug, welke kas door hem aan den resident van Ternate was toegezonden. Het bleek, dat de civiel-gezaghebber in zijn functie een dergelijke inbeslagname niet had mogen verrichten, weshalve de resident er ambtshalve niets mede te maken wilde hebben. Intusschen was aan Verster, op mijn verzoek, het hem nog toekomende salaris door den resident uit deze kas te Ternate uitgekeerd geworden, zoodat ik redelijkheidshalve mocht verwachten weer de beschikking over het resteerende bedrag terug te krijgen. Dit was echter niet het geval. De civiel-gezaghebber behield hetgeen hij had, in afwachting van een advies, dat bij den officier van justitie te Makasser was aangevraagd. Daar zou men nu op zulk een afstand de ellende van een proces aan den gang kunnen krijgen met een tegenpartij die geen cent bezat en om een bedrag, dat de groote onkosten van zulk een proces niet zou dekken. Ik was allesbehalve over deze bureaucratische oplossing, die de heeren ambtenaren aan deze zaak wilden geven, gesticht en begreep, waar van mijne zijde redelijk gehandeld was en ik een proces vóór alles vermijden wilde, dat ik dit geld uit de handen van den civiel-gezaghebber terug moest hebben alvorens de justitie zich er verder mee zou mogen bemoeien. Nu had onze civiel-gezaghebber, naast een groot gevoel van eigenwaarde ook een groote mate van eigenliefde, die, wanneer ze gestreeld werd, hem zoo gedwee en lieftallig maakte als een lam. Doch hij had den laatsten tijd door allerlei kleine voorvallen steeds meer getoond zijn macht tegenover mij te zullen laten voelen, daar wegens mijn gemoedelijken en vriendschappelijken omgang met den oudsten zendeling, dien ik steeds meer had leeren waardeeren, zijn stemming tegenover mij niet verbeterd was. Hij kon mij deze sympathie voor zijn tegenstander niet vergeven, doch hij zou ook des te gevoeliger zijn, wanneer ik mij eens extra onderdanig tegenover hem betoonde.Van deze zwakheid der eigenliefde moest ik in deze omstandigheid partij trekken om mijn doel te bereiken, en zoo gebeurde het op een avond, nadat er weer een kwestie tusschen ons was gerezen,—kwesties, zooals hij er zoo dikwijls en met zoo velen had gehad—en die, per brief behandeld, een zeer scherp karakter dreigde aan te nemen, dat ik naar zijn huis stapte met het voornemen om, hoe ook,zoowel dit verschil bij te leggen als te trachten het geld terug te krijgen. Slechts ter wille der zaken, die ik vertegenwoordigde, kwam ik tot dezen stap; doch eenmaal besloten, ging ik met het vaste voornemen, hem door mijn houding en een gemoedelijk praatje in de gewilde stemming te brengen.Toen ik zijn erfje opliep, zag ik den geweldige met een ernstig en gewichtig gezicht alleen onder zijn galerijtje zitten. Mij ziende, scheen hij niet anders te verwachten dan met iemand te moeten praten, die in de gerezen kwestie zijn opinie eens ronduit kwam zeggen. Ik hield me echter zoo passief en zoo leuk en schikte me zoo geheel naar zijn wenschen en regelingen, dat hij niet wist hoe hij het had, terwijl mijn inschikkelijkheid hem geheel ontwapende en zachtmoedig stemde. Ik dacht toen zoo voor me heen: “je bent nog zoo’n kwaje kerel niet, als men maar een beetje met je weet om te springen.” Toen ik na eenigen tijd voorzichtig en terloops in het gesprek de in beslaggenomen gelden aanroerde en op de teruggave daarvan zinspeelde, weigerde hij eerst en wilde afwachten; doch tegen een zachten aandrang en eenige vriendelijkheden aan zijn adres was hij niet meer opgewassen, en ten slotte gaf hij mij wat hij in zijn gestreelde eigenliefde niet meer weigeren kon.Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).Dienzelfden avond nam ik van hem afscheid met de gedachte, die zich in dit uur steeds meer aan mij had opgedrongen: “Jij bent nog zoo’n kwaje kerel niet.”Dit zou echter niet lang duren. Eenige dagen later, toen ik zijn huis wilde passeeren, schoot juist op het oogenblik dat ik den uitgang van het erf was genaderd, een inlander in snelle vaart uit het hekje, gevolgd door den civiel-gezaghebber, die een dikken stok in zijn hand had. De inlander vluchtte niet ver, doch bleef spoedig in gebogen houding gelaten afwachten wat er komen zou. Daar daalde de stok op het hoofd van den man neer, totdat deze brak en het bloed hem langs het gelaat liep. Toen hij mij zag, trachtte hij een verklaring voor zijn handelwijze te geven en poogde den indruk te verzachten door den inlander mee naar zijn huis te nemen, waar hij hem eigenhandig verbond.Wie dezen man een stroobreed in den weg legde moest voor hem wijken of bukken; ging het niet goedschiks, dan kwaadschiks en met geweld, en van dat laatste genoot zijn wreede natuur. ’s Avonds, wanneer we onder de lamp zaten en het eene vliegje of kevertje na het ander, door het licht aangetrokken, zich door het licht verblind in den lichtcirkel op de tafel zette, was zijn gewone bezigheid, die beestjes een voor een met duim en wijsvinger zoo ver mogelijk weg te knippen. In zijn leven trachtte hij met menschen op gelijke wijze te doen, doch hij vergat dat deze zich zulk een behandeling niet zoo gemakkelijk lieten welgevallen.Voor zijn uitgebreide taak, waarvoor hij niet de minste opleiding had gehad,—hij was boekhouder bij de Paketvaart en de Landschapskas geweest,—en waarvoor hij noch de kennis noch de gaven bezat, was hij alleen in zijn eigen verbeelding berekend. Hij sloeg dan ook herhaaldelijk de plank mis en was voor zijn meerderen en voor allen, die met hemin aanraking kwamen een lastpost of, zooals men in Indië zoo hartgrondig zeggen kan..... een ellendeling. Zag ik hem door de kampong stappen, prenta’s uitdeelend aan de hoofden, de sangadji, de kapala kampong en anderen, die hem volgden en, met angst en beven tegen den willekeurigen Weledelgestrengen opziende, hem toch achter zijn rug bedrogen en uitlachten, dan moest ik zelf ook lachen, doch tevens het arme Indië beklagen, dat door zulke in Indië zelf geboren tirannen moest worden bestuurd. Met zijn waardige collega van Tidore behoorde ook hij tot de noodhulp-ambtenaren die “op straten en pleinen waren bijeengezocht.”De voortgang, dien de ontginningen maakten, noopte uit te zien naar steeds grooteren aanvoer van goede zaadnoten, en zoo was ik genoodzaakt steeds meer goede vruchtdragende boomen voor de levering dezer noten op te sporen. Gewoonlijk zond ik den opzichter hierop uit; somtijds, als het werk het toeliet, ging ik zelf per prauw en bracht daarbij bezoeken aan de koraaleilanden, die voor de kust lagen. Al deze eilanden waren bewoond en bezaten meer of minder groote klapperaanplantingen, door de bevolking aangelegd. Steeds werd ik bij zulk een bezoek getroffen door den wirwar van planten en struiken en boomen, waarmede zulke eilandjes, op de zacht glooiende, kale witte strandjes na, waren begroeid. Slechts in de directe omgeving der huisjes was soms eenige regelmaat te bespeuren. Daar stonden soms op de erfjes een drie- of viertal klapperboomen en pisangs op een rijtje bijeen, doch van een laan of een groep of een eenigszins regelmatigen aanplant vond men slechts zelden eenige sporen. Vond men een complex klapperboomen, dan stonden zij kris en kras dooreen, alsof ze bij toeval geplant waren. Zag men die eilandjes van de zee uit, dan leeken zij onbewoond en geheel verlaten, en met moeite ontdekte men van dichtbij hier en daar een bescheiden huisje, bijna geheel onder dat groen en zijn schaduw verborgen. Door hun kleinheid maakten zij, van de zee uitgezien, den indruk onbewoonbaar te zijn. Doch wanneer men eenmaal van het strand landwaarts-in wandelde en weldra niets meer dan boomen en struiken om zich heen zag, totdat men in het midden een grootere of kleinere kampong had ontdekt, dan begon men zich te verwonderen over hun betrekkelijke grootte en over het vele, dat daar groeide en over de vele menschen die daar leefden op wat, van de zee uit, niet veel meer dan een verlaten en met wat struiken en klapperboomen begroeid stukje land had geleken.De dagen verliepen in onafgebroken werkzaamheid, waarvan de resultaten dag aan dag duidelijker werden. De open plek in het bosch was een enorme ruimte geworden, waaruit hier en daar de kapala kajoes (boomstronken) van de dikste stammen tot 6 M. hoog uitstaken. Een drietal groote kweekbedden, op verschillende plaatsen aangelegd, kwamen vol noten te liggen, waaruit overal met Indische groeikracht de stammetjes en bladeren zich ontwikkelden. Het eerste huis kwam in aanbouw, het geraamte stond er reeds en het dak kwam er op. Het terrein in concessie verkregen, werd nauwkeurig afgepaald, een hooger gelegen, eenigszins geaccidenteerd stuk grond bleek bij nader onderzoek gemakkelijk uit te schakelen en te ruilen voor een lager en vlak terrein, en zoo was overal ontwikkeling en groei enverbeteringmerkbaar. Met vreugde en trots zag ik in wording en vol beloften voor de toekomst, hetgeen door voet bij stuk te houden was blijven bestaan.Inmiddels was er bericht van Java ontvangen, dat men er daar in geslaagd was een flinken administrateur te engageeren, die, daar hij de veertig reeds gepasseerd en getrouwd was, zeker de noodige bezadigdheid voor dezen post zou bezitten. Tegen het eind van Mei zou ik hem met de boot mogen verwachten, en ik zou dan aan hem het mooie werk moeten overdragen, wat mij zeer aan het hart ging.Alvorens de nieuwe titularis kwam wenschte ik nog een bezoek aan onze bezittingen op de eilandjes Dodola besar en Dodola ketjil te brengen.Voor deze reis had ik slechts de beschikking over een prauw, en wel over die van den oudsten zendeling, welke deze mij zeer bereidwillig voor die reis afstond. Mijn Talauters, die met de zee vertrouwd waren, waren uitstekende roeiers. Zij konden nu hun krachten eens toonen, daar ik den tocht in zoo kort mogelijken tijd wilde doen, wijl een langdurige afwezigheid van de jonge onderneming niet wenschelijk was. De afstand Tobelo naar de Dodola’s was linea recta 42 K.M. over de zeestraat, welke afstand in twaalf uren moest worden afgelegd. Ik besloot tegen het vallen van den avond te vertrekken; de zee was ’s nachts gewoonlijk kalmer dan des daags en aan de roeiers zou de koelte van den nacht tijdens het langdurig werk zeer welkom zijn.In mijn dagboek vind ik dien tocht als volgt beschreven.19 Mei 1913. ’t Wordt avond, 6 uur, en ik maak me klaar om met de prauw den oversteek te doen naar de eilanden Dodola besar en Dodola ketjil.Ik kan niet zeggen, dat het me toelacht om twee nachten in een kleine prauw op zee door te brengen, erg afhankelijk van wind en regen. Maar ik verlaat het veilige huis en zeg het lekkere ruime bed vaarwel, om mij aan de ongemakken van zulk een reis over te geven.’t Zal maannacht worden, de lucht is dreigend; 6 u. 10 min. steken we van wal, vijf minuten later breekt reeds een bui los; de roeiers worden terstond kletsnat evenals mijn rug, die niet voldoende door het kleine tentje op de prauw kan beschermd worden.Met mijn pajong tracht ik me droog te houden. Spoedig scheidt het met regenen uit, de maan breekt door de wolken, de bui trekt somber zwart over de zee naar het Noorden af.De vier roeiers beginnen een eentonig lied te zingen, dat telkens opnieuw krachtig inzet en dat den moed en de kracht er in zal houden, om den ganschen nacht zonder ophouden met stevigen pagaaislag door te roeien.’t Zijn vier contractanten der onderneming, menschen van de Talaut-eilanden. Deze eilanden vormen met de Sangir-eilanden twee groepen, die ten noorden van Celebes liggen op weg naar de Philippijnen.’t Zijn Christenen, trouwhartige menschen, aan wie ik mij volkomen toevertrouw.Twee zitten voor, twee achter in de prauw.Op de maat van den forschen pagaaislag word iktelkens op mijn bankje naar voren en naar achteren geworpen. Het zware werk, dat vóór hen ligt, mag ik van hen vorderen; als eilandenbewoners zijn ze aan dit werk gewend, dat ze, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, met lust verrichten. Alle inlandsche indolentie en inertie is plotseling geweken.De bergen van Halmaheira staan donker boven het glinsterende, door de maan beschenen water. De eilanden voor de kust liggen als zwarte plekken met fijne contouren van boomgroepen in de verte.Ik voel me weer als zwerveling verder van honk gaan.Een flauwe maanregenboog is zichtbaar tegen de verder trekkende bui.Het kleine vaartuigje met zijn vlerken aan beide zijden, waardoor zulk een hulkje zoo zeewaardig wordt, volgt al spoedig, nu de eilanden zijn gepasseerd, elke beweging van de wijde zeedeining. De vlerken ploffen glijdend en spattend in het water en snijden, nu links dan rechts, de golven.Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.En verder en verder gaat het, dansend en met gezang, over de golvende watervlakte, waarboven het boord van de prauw slechts een enkelen decimeter uitsteekt.Uit mijn koffer neem ik de nachtutensiliën: deken en pyjama, trek schoenen en kousen en jas uit, en over den koffer en de bank, waarop ik zat, spreid ik mijn veldbedje uit en leg me verder, gekleed, daarop neer, de opgerolde klamboe als kussen onder ’t hoofd.Wel is het veldbedje te kort om languit te liggen, want het toch reeds te kleine bedje kan niet geheel worden uitgeslagen; maar ik vind voldoende ruimte om te slapen, zij het ook dat ik een der voorste roeiers wel eens met mijn voeten tegen zijn achterdeel schop, of dat een hunner door de forsche beweging mij raakt.Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.Had ik te kiezen tusschen een nacht door te brengen in een comfortabelen slaapwagen van een ratelenden nachttrein of in dit primitieve prauwtje onder den blooten tropischen nachtelijken hemel, ik koos het laatste. En zoo, terwijl de temperatuur nu het nacht wordt, een weinig daalt, val ik onder de deken in slaap.Van zeeziekte bespeur ik in zoo’n klein dansend prauwtje niets, terwijl een groote stoomboot mij spoedig onder de eerste slachtoffers telt.Wel hoor ik in dien nacht telkens het eentonig gezang der roeiers en voel ik het deinen van het scheepje; dan keer ik mij om en slaap weer in.Om vier uur word ik voor goed wakker. Nog altijd roeien die menschen met denzelfden slag als tien uren geleden. Nog onder den indruk van zwaar gedroom, dat mij in Holland verplaatste, kijk ik op en zie daar, ongeveer twintig graden boven de oosterkim, waar straks de zon zal opkomen, Venus in bijzonder gunstigen stand als een brok licht aan den duisteren hemel staan. Jaren geleden had ik haar ook eens in de Zwitsersche bergen, op zulk een wijze boven een bergrug te voorschijn zien komen. Toen had ik versteld gestaan over de grootte dier planeet; nu was ik verrast; immers over hetzelfdenatuurphenomeen staat een mensch maar eenmaal versteld.Aan de Westerkim is de maan aan ’t ondergaan. Het eersteochtendkriekenontstaat boven de bergen van het eiland Morotai. ’t Is nu op mijn horloge kwart voor vijf geworden.Na het eerste gloren ontstaan er teêre tinten in de lucht en de eerste duidelijke wolkafscheiding steekt af tegen een rossen, dan rooden, dan goudgelen horizon. Feller, steeds feller worden die kleuren; om half zes zet ik den zonnehoed op en druk hem in mijn oogen, nu de zon zelf verblindend boven Morotai te voorschijn komt.Spoedig denk ik nu mijn doel te zullen bereiken, dat voor de kust van dat groote eiland ligt. Nauwelijks zijn de eilandjes tegen dien achtergrond te onderscheiden.Vooruit! naar die eilandjes, die verder liggen dan ik eerst schatte; ’t wordt zes uur, zeven uur, zelfs half acht, alvorens de prauw over de zeetuinen van koraalgesteenten op het witte strand van Dodola besar heen kan worden getrokken.De twee kleine huisjes, waarin de vijf man wonen, die, onder toezicht van een mandoer, elke maand door een nieuwe ploeg worden afgewisseld, zijn gesloten. Ik open de deuren en vind ze verlaten. De menschen doen dus hun plicht en zijn aan ’t werk. Na eenig zoeken vind ik ze bezig met den grond onder de klapperboomen schoon te maken. De kranige roeiers krijgen vrijaf om den dag te verslapen. Een vind ik een paar uren later met opgetrokken knieën op een stapel coprazakken, met den bijbel op zijn borst, in slaap gevallen.Het spel der fantasie, in mijne jeugd bij ’t lezen van Robinson Crusoë gewekt, is werkelijkheid geworden. De waaiende palmenkruinen op hun hooge stammen tegen de blauwe zonnelucht, de tropische hitte, het schelle licht weerkaatsend van het witte zand der stranden, waartegen de blauwe golven spoelen, het prauwtje daarginds, de huisjes van gaba-gaba, atap en bamboe, de stilte van de natuur, die in den ochtend nog overheerlijk is, de eenzaamheid van den blanke tusschen zijn bruine broeders, het is hier alles in de werkelijkheid rondom mij.Ik liet mij een veldtafeltje dekken.Ik liet mij een veldtafeltje dekken.De inspectie over het groote eiland begint, waarbij een mandoer en twee man volgen. Nu wordt de cultuurman wakker, die met critisch oog de natuur bekijkt, om te zien welke voordeelen zij hem kan brengen. De palmen worden naar den leeftijd getaxeerd, de rijpe klappers worden aan eenige reeds overvloedig dragende boomen geteld, en de oogsten worden voor de naaste toekomst zooveel mogelijk getaxeerd. Het wordt tegen den middag ontzettend heet. Als dit werk gedaan is, gaan we terug, achtervolgd door muskieten. Een geweldige wesp zet zich op mijn wang en steekt me als met een gloeiende naald. De inlanders maken beenen, ik hen na, want een gansche zwerm komt opzetten. Op ’t heetst van den dag leg ik me neer onder de klamboe van het veldbedje. Dan wordt het tweede, veel kleinere eiland geïnspecteerd.Tegen den avond laat ik mij voor een der huisjes onder de galalaboomen een veldtafeltje dekken, waaraan ik, op een veldstoeltje gezeten, eindelijk eens met een flink maal begin.Door de goede zorgen van mijn gastvrouw te Tobelo is het een tafeltje-dek-je geworden. Het landschap is met fijne overgangstinten belicht, het wordt donker, maar reeds komt de volle maan op, die weer dezen nacht den terugweg zal belichten. Van de bergen van Morotai, over de zee die ons van dat eiland scheidt, komt de avondwind opzetten. Mijn roeiers trachten een zeil te maken op de prauw, in de hoop dat het nachtwerk, dat hen wacht, daardoor verlicht zal worden.Eindelijk is alles klaar en is de prauw geladen. Eenige mannen komen nog met groote schelpen aandragen en dan gaan we den tweeden nacht in. Een nacht van volmaakte windstilte, want nauwelijks is het geheel donker geworden of de avondwind is ook ter ruste gegaan.Het eentonig gezang dat den pagaaislag begeleidt, is weer aangevangen. Voor dertien uren zitten de roeiers weer op hun bankjes, om onafgebroken te roeien. Na den heeten, vermoeienden dag komt er op die stille zee een weldadige ontspanning. Alle gedachten aan zaken en zorgen worden gebannen en de geest zweeft op luchtiger banen door het onbegrensde, onder den goddelijken indruk van de ontzaggelijke ruimte om mij heen.Toen ik ’s morgens om vijf uur wakker werd, waren we onder de kust van Halmaheira aangekomen. Op mijn vraag aan de roeiers of een van hen ook vermoeid was geworden, klaagde slechts een over een beetje pijn in zijn rug.Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).Binnen veertien dagen zou de boot van Java kunnen binnenvallen, waarmede, volgens de ontvangen berichten, de nieuwe administrateur, de heer Van der Molen, mocht worden verwacht.Het huis op de onderneming was intusschen zoo ver klaar gekomen, dat het hem zou kunnen ontvangen, te meer daar hij zijn vrouw voorloopig op Java had achtergelaten.Toen de boot dan ook het anker liet vallen, vernam ik al spoedig van bekenden, die aan wal stapten, dat de heer Van der Molen zich aan boord bevond en elk oogenblik met de motorboot aan land kon komen. En inderdaad, daar legde de motorboot aan de pier van koraalsteenen aan en aan land sprong een rijzige man in groen kaki, met een klein deukhoedje op zijn hoofd, een karwats in de hand en gevolgd door vier blaffende en springende foxterriers, die na de lange reis dol van vreugde waren weer vasten grond onder zich te hebben.Het was de heer Van der Molen. Wij maakten kennis, namen elkaar eens op en de eerste vragen en antwoorden wisselden elkaar af. Ik had verwacht met een krachtig en joviaal mensch kennis te zullen maken; maar wat was dit voor een man met zijn smalle gezicht, zijn dwalende en onrustige oogen, zijn onzekeren blik en met die diepe groeven in zijn gelaat die van zielelijden spraken? Een neurasthenicus zeker! En wat moesten die vier honden? Voor Indië zoo iets zeldzaams en vooral zulke mooie exemplaren. Doch ik diende af te wachten, hoewel de eerste indruk, waarbij men het type reeds terstond leert kennen, allerminst gunstig was.Een boot vol bagage, kisten en koffers, zelfs een veldkeuken volgden hem en tevens een Javaansche jongen.We wandelden achter den grobak, met bagage volgeladen, landwaarts. Hij deed de eene vraag na de andere, en keek me onderwijl half angstig, half brutaal aan, terwijl hij zeer ongeduldig was om zijn huis op het emplacement van de onderneming te leeren kennen. Toen we daar aankwamen, keken de aanwezige contractanten nieuwsgierig naar hun nieuwen chef, en verbaasd en giechelend naar de vier fox-terriers, die wild om ons heen stoeiden. Het huis stond hem nogal aan, de ligging vond hij mooi, hij zou het zich hier eerst eens “senang” maken, alvorens verder rond te kijken.Na dit eerste samenzijn had ik dien man voldoende gepeild, om met een bezwaard hart en met allerlei vragen, waarop nog geen antwoord te vinden was, dien avond naar huis te gaan. Hoe zou ik ooit aan zoo iemand mijn werk met vertrouwen kunnen overdragen?Hoe kwam hij er toe naar deze positie te hebben gedongen? Hoe was het mogelijk, dat men zulk een man hier heen had gestuurd? Maar hoe werd ik hem weer kwijt, en hoe moest ik me dan helpen?Vol innerlijken wrevel na die eerste kennismaking, zat ik dien avond peinzend bij den zendeling onder de galerij en verlangde, waar ik in de toekomst mijn werk onder leiding van zoo iemand mislukken zag, naar Holland terug, weg uit dit akelige Indië met zijn zwervers, zijn dépravés en zijn ellendelingen, waarmee niets aan te vangen was. Dat Indië, waarover men in Holland wel kon fantaseeren, doch waarvan men voor die werkelijkheid staande, met allerlei onverwachte ongunstige factoren rekening had te houden, welke men den eerlijken strijder, bij een slechten afloop, niet steeds in zijn voordeel zou boeken.Dien avond ging ik in een bittere stemming naar bed.Den volgenden morgen toen de rol werd gehouden, bleef het huis, waar Van der Molen sliep, gesloten. Eerst tegen 7 uur ging de deur open en kwam mijnheer, in morgentoilet, met een paar slaperige oogen eens kijken. Tegen den middag gingen we een eindje het bosch in. De man was toch administrateur en moest toch wel eenige belangstelling toonen en van een en ander nota nemen. De eerste dagen liet ik hem zoo aan zichzelven over, totdat hij zich in zijn huis met behulp van zijn jongen goed en wel had ingericht. Toen verzocht ik hem ’s morgens op de rol te verschijnen en in zijn kwaliteit op te treden.Mijnheer verscheen echter niet op de rol en hij zag gaarne dat ik voorloopig de administratie bleef voeren. Voor een wandeling door het bosch, voor een kijkje hier en een kijkje daar, waarbij zijn vier honden hem altijd vergezelden en het meest zijn aandacht in beslag namen, was hij wel te vinden. Voor hetgeen hem echter interesseeren moest, bleef hij vrij wel doof. Hij was afgetrokken als een man wiens gedachten steeds door iets anders van het naastliggende worden afgeleid, als een speculant die voor zijn ondergang staat.Wel bemerkte ik, dat hij zich eenigszins voor de contractanten interesseerde, en dat hij tijdens mijn afwezigheid lange gesprekken met hen hield; voorts dat de aanwezige gereedschappen en voorraden door hem in oogenschouw waren genomen, want weldra kwam hij met aanmerkingen over de veel te geringe hoeveelheden, die hij had gevonden. Daarop werd door hem een lijst gemaakt van alles wat hij wenschte te bestellen. Die bestellingen liepen echter zoo de spuigaten uit dat, ik hem hier en daar wel attent moest maken op de al te buitensporige hoeveelheden, die hij nu wenschte te laten komen. Daar zouden, onder meer, 300 kilo spijkers en 100 kilo schroeven door hem worden besteld, verder blikken lijnolie en roode menie, verf, ijzergaas en prikkeldraad enz. in zulke hoeveelheden, dat we een aparte loods voor dien noodeloozen en kostbaren opslag zouden moeten bouwen. De verzending der brieven met deze bestellingen zou echter voorloopig op de terugkomst der boot moeten wachten.Intusschen vermeerderden van zijne zijde de aanmerkingen met den dag, waarvan de diepere oorzaak was, dat de man geen energie en geen lust had tot het opbouwende werk dat hier gedaan moest worden.Daarenboven was hij door ’t vernemen der praatjes van Verster op zijn lange reis naar hier vergiftigd. Deze had namelijk van Makassar tot Tobelo alle plaatsen die door de boot werden aangedaan, met zijn laster besmet. Hij had dit zoo bont weten te maken, dat zelfs onder de zendelingen op de verafgelegen posten, door hem op zijn terugreis bezocht, een tijdelijke verkoeling was ontstaan.Intusschen zat ik met mijn nieuwen titularis, die mij met telkens hernieuwd wantrouwen lastig viel, die steeds meer aanmerkingen begon te maken, steeds meer cognac begon te drinken, waarvan hij met andere spiritualiën een goeden voorraad bij zich had, die steeds onbeschaamder werd en als administrateur meer bedierf dan goed deed.In zijn huis hingen verscheiden portretten zijner vrouw, een zeer wereldsche dame, een vrouw die het hier geen twee weken zou uithouden. Zijn geschiktheid voor deze positie, die hij als getrouwd man anders zou hebben, werd daardoor ook niet beter. Zijn praatjes over allerlei perkara’s (wat ruzie of kwestie beteekent, een der eerste woorden die men in Indië leert kennen), waarin hij gewikkeld was geweest, gaven mij al spoedig de zekerheid, dat ik binnen niet al te langen tijd ook dezen man zijn ontslag zou moeten geven.Doch wat dan?Op een morgen maakte hij het zoo bont en toonde zich, met zijn verzwakten geest en zijn ondermijnd lichaam, zoo in ’t geheel niet opgewassen voor zijn taak, dat hij zelf door den last, die hem nu reeds scheen te drukken, het woord ontslag noemde. Het was de tiende dag van zijn verblijf te Tobelo.Toen hij eenmaal het fatale woord ontslag genoemd had, moest hij vernemen, dat dit des te eerder des te beter gewenscht was.Dien middag verscheen ik met twee getuigen in zijn huis en reikte hem in hun bijzijn zijn ontslagbrief over. Hij kon dan met dezelfde boot, waarmede hij gekomen was en die binnen zeven dagen terug zou keeren, naar Java teruggaan. De brutaliteit van mijnheer en zijn eischen over het uit te keeren salaris kenden nu evenwel geen grenzen, hoewel hij vrije passage heen had gehad en ik hem vrije passage terug plus een bedrag in contanten waarborgde.Men moet zelf in een bijna rechtloozen staat, zooals die verre posten in de Buitenbezittingen, wanneer goede ambtenaren ontbreken, practisch nog zijn, met dergelijke desperado’s of hoe men zulke menschen noemen wil, te doen hebben gehad, om te weten hoe moeilijk men zulke patienten, die daarbij nog altijd met recht en wet schermen, tot rede kan brengen. Slechts het dreigement hem op staanden voet uit het huis en van de onderneming te laten zetten, kon hem dwingen tot het teekenen van een stuk, waarin hij, na ontvangst van zijn salaris, zijn passage en nog een extra uitkeering, afstand deed van alle eischen, die hij volgens zijn contract misschien nog eens meende te kunnen laten gelden.Kreunend en bijna jankend als een geslagen hond gaf de man, die nooit iets had uitgevoerd of van plan was geweest iets uit te voeren, ten slotte toe. Ik liet hem in het huis, waar hij kon blijven tot de boot zou komen.Zie zoo, dat was afgeloopen. Doch nu een derde administrateur! Hiervoor zou ik zelf moeten zorgen. Het was mij bekend, dat bij de Batjan-maatschappij ten Zuid-Westen van Halmaheira een jonge getrouwde assistent, een Hollander, naar verbetering van zijn positie haakte. Hij had reeds door bemiddeling van anderen zijn diensten, die ik toentertijd niet gebruiken kon, aan mij aangeboden. Zeer waarschijnlijk was deze jonge man nog daar ter plaatse en allicht zou hij nog gaarne voor deze betrekking in aanmerking komen. Ik zou van geluk mogen spreken, indien ik er in slagen kon hem te engageeren, daar ik in het andere geval naar Java zou moeten reizen. Men bedenke daarbij wat zulk een reis, die slechts eens in de maand te doen is en waarvan de duur even lang is als van Europa naar Java, terwijl ik hier onmisbaar was, voor mij moest beteekenen.Ook deze reis reeds, naar Batjan en terug, zou door de slechte verbindingen reeds weken kunnen duren.Nog een week had ik voor me, om mij op mijn langdurige afwezigheid voor te bereiden. Het was weer de oudste zendeling die mij hielp, door zich genegen te toonen gedurende mijn afwezigheid den opzichter en de mandoers te controleeren, wat voor mij van onschatbare waarde was. Onder dien zedelijken invloed, hoopte ik, zou het ontginningswerk niet te veel te lijden hebben; maar in elk geval, nood breekt wet en zoo maakte ik mij weer gereed tot een zwerftocht, waarvan het einde nog niet te overzien was. Weer werden een paar koffers gepakt en werd alles voor het vertrek gereed gemaakt.Op de onderneming ging ondanks die strubbelingen het werk geregeld zijn gang. Van der Molen ontweek mij door ook overdag veel te bed te blijven of in zijn achtergalerijtje weg te kruipen, wanneer ik in het kantoortje verscheen, dat reeds gedurende eenigen tijd naar de binnengalerij van dit huis was verplaatst.Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.Het was op een Zondagmorgen, dat ik plotseling verrast werd door de ontvangst van een schrijven van zijn hand, waarin hij mij mededeelde den avond te voren, terwijl hij in de ontginning wandelde, van een boomstam te zijn gegleden, waarbij hij zich ernstig in de zijde had gewond en nu met ondragelijke pijnen te bed lag.Met den oudsten zendeling, die eenige medicijnen medenam, spoedde ik mij daarheen en vond hem in zijn slaapkamer te bed krimpend van pijn. Uiterlijke teekenen van een verwonding waren niet te constateeren, doch hij deed ons een omstandig verhaal, hoe hij den avond te voren om zes uur dat ongeluk had gekregen en sedert dien tijd hier met die pijnen lag. Bij navraag aan zijn Javaanschen jongen bleek, dat de Toewan om zeven uur ’s avonds nog springlevend was geweest. We begrepen nu niets meer van dien man, die daar waarschijnlijk den zieke speelde. Hij deed het echter zoo natuurlijk, dat we in twijfel verkeerden, te meer daar we volstrekt geen reden voor simuleeren konden ontdekken.Den dag daarop lag hij nog evenzoo. Hij at niet, kreunde maar en dronk soms wat koffie en cognac. Het werd mij in dat huis steeds ongemoedelijker, tot ik den derden dag van zijn ziekte eens weer in zijn slaapkamer kwam en niet wist of ik lachen of huilen moest. Met een verwilderd gezicht, in een vuil geworden pyjama, onder een vuile deken lag hij daar nog steeds in een donkere, benauwde kamer, waarin alleen door reten in den gaba-gabawand eenig licht drong. Met een zwakke stem zuchtte hij slechts. “Wanneer komt die boot nou?” Tranen had hij in zijn oogen, ongeschoren waren zijn kin en wangen, het magere gezicht was nog magerder dan anders en om zijn hoofd had hij, als een tulband, natte doeken gewikkeld. Hij was, zooals hij daar lag en zich gedroeg, een toonbeeld van de diepste menschelijke ellende. Toen dacht ik een oogenblik dat hij niet toerekenbaar meer was en kreeg medelijden met hem. Weer klaagde hij over pijn in de zijde. Tegen zijn zin werd bij nu op een langen dekstoel naar buiten gedragen, waar hij frisschere lucht had en naar de groene boomen, de zon en de blauwe lucht kon kijken. Misschien zou hem dat wat opkwikken. Een aanbod om geneeskundige hulp van den zendeling te halen, sloeg hij zeer beslist af en zoo liet ik hem liggen met de verzekering, dat hij mij elk oogenblik kon laten roepen, als hij hulp noodig had.Zoo bracht ik eenige uren per dag in dit “unheimisch” geworden huis door. Hij, kreunend op zijn bed, ik werkend aan de schrijftafel. Het weergalmen van de fluit der verwachte stoomboot maakte hieraan plotseling een einde. Iedereen kwam in beweging, ik zelf niet het minst, want weer heette het vertrekken en nog laatste orders geven en een laatste hand leggen hier en daar.
Terug te Tobelo. Na een landing van menschen en beesten en goederen, die uren duurde, daar de boot door de tallooze koraalbanken steeds een paar kilometer uit de kust op de reede moest blijven liggen, zoodat iedereen en alles per sloep, per prauw of motorboot naar het land moest worden geroeid of gesleept, was ik dan veilig en wel te Tobelo weergekeerd en opnieuw ingekwartierd ten huize van den civiel-gezaghebber. De koelies, die van Ternate waren meegegaan, bleken reeds een onderdak te kunnen vinden in een der twee groote loodsen, die men nog bezig was op het terrein te bouwen en waarvan de daken in de verte op den weg daarheen reeds hadden verteld, dat de bedrijvigheid alhier tijdens mijn afwezigheid niet geheel had stilgestaan. Ook was een 9 M. breede weg van de kampong naar het concessieterrein lijnrecht uitgezet en voor een groot gedeelte reeds van de boomen en planten, die daar stonden, ontdaan.
Op het terrein zelf aangekomen, wachtte mij echter een groote zorg, die mij nog eenige weken achtervolgen zou. De eenige kali, die het terrein doorsneed, was in haar benedenloop meestentijds droog, alleen na hevige regens stroomde er water in. Zonder water zou het prachtige terrein, waarvoor we nu stonden, voor cultures zoo goed als waardeloos zijn. Het werd dus zaak water te zoeken; doch waar? We hadden hoop door het graven van putten voldoende grondwater te zullen vinden. Er liepen door dezen poreuzen bodem ondoordringbare leemlagen, die het grondwater ophielden; doch hoe en waar deze te vinden waren, wist niemand.
Zoo hadden we op goed geluk op verschillende plaatsen putten laten graven, doch nergens was nog water gevonden. Waar de loodsen werden gezet, hetgeen we het emplacement gingen noemen, was reeds een dergelijke put tot een diepte van 10 M. gegraven en nog was hij droog. Dat zag er leelijk uit en zou ons scheepje kunnen doen stranden. Dieper graven en overal naar water zoeken was nu het consigne geworden. Met de mannetjes, die ik tot mijn beschikking had, werden binnen en buiten de grenzen van het terrein gaten gegraven en na eenigen tijd bleek het, dat het grondwater in dezen doordringbaren bodem even hoog stond als het niveau van den zeespiegel. Zelfs bleek het, dat dit water rees en daalde naar gelang van eb en vloed. De diepte der putten zou dus afhankelijk moeten zijn van de hoogte van het terrein boven den zeespiegel, en daar het emplacement 15 M. hoog bleek te liggen, zou vrij zeker tot deze diepte gegraven moeten worden.
Intusschen leerde ik op mijn dagelijksche tochten ter nadere verkenning en onderzoek door de kilometerslange rintissen of over moeilijk te vinden en te volgen voetpaadjes, het oerwoud allengs meer kennen en geraakte er steeds meer mee vertrouwd. We drongen door tot aan den voet der bergen en vonden onzen weg door moeilijk doordringbare glagahbosschen of door bamboestoelen (een groep bamboekokers uit een zelfden wortelstok), die dank zij de slagen van den parang op de lange kokers, die in een enkelen forschen slag doormidden waren, ons voortgaan niet konden beletten.
Onder het zwaarste hout was het doordringen het minst moeilijk; daar onderschepten de zware kruinen hoog in de lucht het zonlicht totaal, zoodat een weelderige vegetatie op dien bodem uitgesloten bleef. Wel stonden er op dien altijd vochtigen boschgrond groote en kleine varens en trachtte ook het jonge hout naar boven en naar het licht te streven, doch het halflicht onder het dichte bladerendak dier reuzenstammen verhinderde een opulenten groei.
Het wemelde in zulk een woud van klein gedierte. Milliarden mieren, groote en kleine, bruine en zwarte krioelden over den grond en over omgevallen boomstammen; millioen- en duizendpooten en venijnige schorpioenen scharrelden er tusschen.
Griezelige spinnen, soms fraai gekleurd, sponnen haar groote taaie netten met witte kruisen tusschen ’t jonge hout, waaronder de zwaarbehaarde vogelspin, met hare pooten uitgestrekt zoo groot als de palm eener hand, me altijd een schrik op het lijf joeg. Aantrekkelijker waren de vlinders, die met hun felle kleuren en in nooit te voren geziene grootte zweefden door de roerlooze stilte van het woud, of de tallooze wonderlijke insecten, waaronder allerlei soms bijna lachwekkende spelingen der natuur. Daaronder waren de wandelende takken en bladeren als frappante voorbeelden van de neiging der natuur tot mimicry, waardoor zij natuurlijk uiterst moeilijk te ontdekken waren. Tallooze hagedissen schoten telkens als weerlichten weg; leguanen, waarop de inlanders gaarnejacht maakten terwille van het lekkere vleesch, verdwenen kruipend tegen de hooge stammen in de donkerte der kruinen. Soms vernam men in het lage hout het gedruisch van een wild varken, dat op de vlucht sloeg, naast de herten, het eenige gevaarlooze grootwild dat op Halmaheira te vinden was. Men was er reeds binnen de grenzen der Australische fauna, waartoe veel buideldieren, doch geen gevaarlijk wild behoorde. De koeskoes, de oostersche opossum, een dier onschuldige buideldieren, werd dikwijls, door de koelies doodgeslagen, uit het bosch meegesleept en boven het vuur als smakelijk maal geroosterd. In de alang-alang ritselde wel eens een slang, die daarmede hare tegenwoordigheid verried, wat haar gewoonlijk het leven kostte. De menschelijke haat tegen deze beesten was hier al even erg als een halfrond verder, waar de Drentsche boer elken adder, die op zijn weg komt, met zijn klomp tracht dood te slaan of met zijn zakmes in stukken tracht te snijden.
Timmerschool op Halmaheira.Timmerschool op Halmaheira.
Timmerschool op Halmaheira.
Op den vlakken bodem van het woud passeerden we dikwijls hoopen, uit aarde, bladeren en takken bestaande, die van een tot anderhalven meter hoog en vele meters in omtrek waren. Deze hoopen werden door de boschkip opgeworpen voor het bewaren en het uitbroeden harer eieren. Wanneer men dan dezen vogel zag, die slechts iets grooter was dan een patrijs en men liet zulk een aardhoop openleggen, dan vond men daarin een zevental eieren, elk grooter dan een eendenei, en stond men verbaasd over de ongerijmde energie die door dat beestje was ontwikkeld en die in geenerlei vergelijking stond met de normen, waaraan de natuur ons in dat opzicht heeft gewend. Het krijschen van papegaaien en kakatoes, en soms ’t geroep van den jaarvogel, vergezelden ons op onze tochten langs de soms meters dikke stammen in de vochtige koelte van het woud. Een voor een zouden die reuzen moeten vallen en het moeten afleggen tegen die venijnige menschjes, die nu zoo klein langs hun voeten kropen; met donderend dreunen zouden die stammen en kronen ter aarde vallen, zoodat men in de kampong Tobelo aan het rommelen van een aardbeving zou denken.
De gladstammige kanariboomen van ruim 40 M. hoogte, die met hun breede kruinen loodrecht naar boven streefden, zouden met vele andere onbekende grootheden, waarvan het hout niet bestand was tegen het Indische klimaat en het invreten van houtwormen, als waardeloos worden verbrand en in den drogen tijd als dood hout langzaam wegsmeulend, geheel tot asch verteren. De betere houtsoorten echter, zooals het veel gebruikte harde ijzerhout (kajoe besi), lingowa, oetang kanari en zelfs ebbenhout, zouden worden uitgezocht en bestemd worden voor den bouw van huizen en loodsen. Ook zouden met dat woud de tallooze lianen verdwijnen, die in allerlei dikten langs die hooge stammen van de zware takken dropen, de klimplanten en de parasieten, waaronder de orchideeën, die zich op de takken met hun kort stelsel van luchtwortels hadden vastgehecht.
Zoo leerde ik me in die bosschen steeds meer oriënteeren en allerlei kleine verschillen opmerken, die eerst langzamerhand in het oog vielen, waar het in den beginne een chaos van takken en bladeren was geweest. Zoo, met die natuur vertrouwd geworden, was het een genot soms alleen door de plechtige stilte van zoo’n eeuwenoud roerloos woud te kunnen gaan.
Herhaaldelijk was ik in de uitvoering van mijn taak genoodzaakt de hulp van den oudsten der zendelingen in te roepen. Voor zijn grooten timmerwinkel hadden we steeds bestellingen, van zijn geneeskundige kennis en het hospitaal moesten we veel en zouden we op den duur, met meer koelies, zeer veel gebruik moeten maken. Als vraagbaak voor velerlei kleinigheden stond hij me met zijn kennis van land en volk steeds bereidwillig ten dienste.
Doodenhuisjes op Halmaheira.Doodenhuisjes op Halmaheira.
Doodenhuisjes op Halmaheira.
Met leede oogen zag onze civiel-gezaghebber het aan, hoe ik meer en meer achting voor zijn tegenstander begon te krijgen. Met nauw verkropte woede moest hij het aanzien, hoe ook ik den zendeling, waar deze mij zoozeer van dienst was, gaarne van dienst wilde zijn en somtijds kon zijn. In zijn heerschzucht en zijn groot gevoel van machthebber zou hij het liefst dezen omgang verboden of deze samenwerking onmogelijk hebben gemaakt; nu echter was hij wel gedwongen zich te bepalen tot eenige schimpscheuten en onvriendelijke opmerkingen.
Het was mij ook reeds op reis herhaaldelijk opgevallen, dat men den naam van dezen zendeling veel noemde en daarbij dikwijls op minder vriendelijke wijze. Doch het bleek me bij nadere kennismaking al spoedig, dat hij voor deze streken een man van beteekenis was, hetgeen alleen reeds reden genoeg was tot allerlei gepraat.
Menigen avond, als het donker geworden en het werk afgeloopen was, stapte ik het ruime erf van het zendelingenhuis op en zat met hem en zijn vrouw onder de voorgalerij der gezellige woning. Daar hoorde ik dan van hun leven en ontberingen in de eerste jaren van hun verblijf in deze streken. Het was toen zoo vol ellende geweest, dat van een zestal kinderen die in hun huwelijk geboren waren, slechts één meisje in het leven was gebleven, en dit kind hadden ze op negenjarigen leeftijd, als hun eenigen oogappel, terwille harer opvoeding, naar Batavia moeten zenden. Doch uit de moeiten en ontberingen van dien eersten tijd was langzamerhand veel goeds gegroeid, en nu kon hij wijzen op den gestadigen bloei van ’t geen hij in onderscheidene richtingen tot stand had gebracht. Want naast zijn directen werkkring van zendeling, had hij, met zijn energie en kijk op practische dingen, nog tijd en lust gevonden voor allerlei werkzaamheden, waardoor hij tevens den werklust bij zijn gemeente had aangewakkerd.
In de timmerschool op zijn erf werkten dagelijks van ’s morgens tot het donker werd, onder het toezicht van een Chinees, een dertigtal inlandsche jongens en aankomende mannen van allerlei stammen uit den omtrek, zelfs Papoea’s van Nieuw Guinea. Zij maakten daar kasten en stoelen en tafels en bedden, en verder allerlei nuttig gerei, waar hier steeds veel vraag naar was. Zoo noodig werd ook de bouw van een huis in den naasten omtrek van hieruit geleid. Zoo was daar die schavende, beitelende en hamerende troep voor de geheele Residentie Ternate een unicum van bedrijvigheid. Ook het hospitaal eischte dagelijks door de vele menschen die om hulp kwamen vragen, veel werk.
Een klapperaanplanting van 10.000 boomen, waarmedereeds jaren geleden door hem was begonnen, verlangde steeds meer toezicht, nu de oogsten grooter werden en zeer belangrijk beloofden toe te nemen; tevens waren proefaanplantingen van hevea, manilla-hennep en cacao door hem aangelegd.
Zijn kennis van de Tobeloreesche taal had hem in staat gesteld een uitgebreid woordenboek dier taal samen te stellen en uit te geven; en zoo werkte zijn veelzijdige bekwaamheid in veelzijdige richting tot zegen van deze streek.
Een geheel ander man was zijn jongere collega, die iets verder woonde en die zich uitsluitend tot het geestelijk beroep bepaalde en het practische, als zijnde niet in de eerste plaats zijn werk en niet met zijn neiging strookende, liefst afwees. Jaren later gekomen, had hij ook veel reeds gereed gevonden. Zijn huis, evenals de school, waarin hij de inlandsche jongens tot goeroe opleidde, was door zijn collega gebouwd. Zijn leven verliep tusschen die school en dat huis en de kleine kerk, waarin hij ook geregeld een preekbeurt vervulde. Hij was een aangenaam man in den omgang, die pratend en luisterend zijn gezelschap met de belangwekkendste gesprekken wist bezig te houden. Door de gunstige omstandigheden, die hij hier van den dag zijner komst af gevonden had, was hij geheel buiten de gewone moeilijkheden gebleven, waarmee de zendeling anders op deze verre posten dikwijls te kampen heeft. In zijn huis, in gesprek met hem en zijn vrouw, met de beschikking over zijn bibliotheek, waarin de Hollandsche schrijvers voor het jaar ’80, goed vertegenwoordigd waren, waande men zich geheel in Holland terug, in een well-to-do en zelfgenoegzaam Holland, waarmede de pisangs en de klapperboomen op het erf en de tropische zon, die buiten de galerij scheen, in ’t geheel niet harmonieerden.
Het was tegen het eind van Januari geworden, toen we konden beginnen met klappernoten te verzamelen, die als zaadnoten op de eerste kweekbedden zouden worden uitgezet. Onder leiding van een Ternataanschen opzichter, die als zoodanig door mij was aangenomen, wijl hij de taal van het volk en ook Hollandsch sprak, was de prauw, die uit Ternate was meegebracht, met een zestal koelies bemand naar de naburige eilanden en langs de kust gezonden, om deze eerste noten te verzamelen. Het zou dagen duren, want de gezondste en zwaarstdragende boomen die te voren door ons waren uitgezocht en gemerkt, lagen ver uiteen. Er bleef mij in die dagen niet veel te doen over, dan af te wachten en het toezicht te houden op het bouwen der loodsen en het graven van putten. Alleen wanneer de boot zou binnenvallen, die binnen eenige dagen verwacht mocht worden, zou daaraan spoedig een einde komen. Dan opeens, als de fluit zou weerklinken, zou het leven weer beginnen, dat nu langzamerhand uitging, elken dag wat meer, totdat de eentonigste saaiheid van bijna werkelooze dagen was bereikt.
Zoo brak de dag voor de aankomst der boot aan, doch wij hielden er rekening mede, dat zij tenminste drie dagen te laat zou binnenvallen. De dag verliep dan ook in ononderbroken rust, ook de volgende dag en de dag daarop en de eene dag na den anderen, en ook de prauw onder leiding van den opzichter kwam niet terug. Hoe keek ik nu uit naar dien onruststoker uit de groote wereld, wanneer ik na de paar menschen, die op het emplacement werkten bezocht, en gezien te hebben, dat zij elken dag hun taak hadden volbracht, doelloos ronddoolde door het woud. Zoo begon ik in die dagen te lijden aan ongeduld, verveling en... verlangen, en in mijn dagboek vind ik uit dien tijd een gedichtje:
Totdat...Weer komen er verlangensSmartelijk los,Terwijl ik wandelend benDoor ’t eenzaam bosch.
Weer komen er verlangens
Smartelijk los,
Terwijl ik wandelend ben
Door ’t eenzaam bosch.
Weer dwalen mijn gedachtenVan dit kruis,Zij gaan, onmerkbaar eerst,Naar ’t ver tehuis.
Weer dwalen mijn gedachten
Van dit kruis,
Zij gaan, onmerkbaar eerst,
Naar ’t ver tehuis.
En peinzend denk ik dan:“Hoe zal ’t daar zijn!”Ginds, waar mijn lieven levenGroot en klein.
En peinzend denk ik dan:
“Hoe zal ’t daar zijn!”
Ginds, waar mijn lieven leven
Groot en klein.
De kleinen met hun spelenHun gevraag,De groote stil verlangendTot het daag.
De kleinen met hun spelen
Hun gevraag,
De groote stil verlangend
Tot het daag.
Tot daag het uur van wederzien,Tot daag ’t geroep, ’t gejuich der kleinen,Tot het verlangen henengaat,Hereend, vereend weer met de mijnen.
Tot daag het uur van wederzien,
Tot daag ’t geroep, ’t gejuich der kleinen,
Tot het verlangen henengaat,
Hereend, vereend weer met de mijnen.
En eenzaam liep ik langs het heete, zwarte strand, turende over den glimmenden waterplas naar de koraaleilanden voor de kust en over de wijde toegangen daar tusschendoor naar de heel verre flauwe streep aan den gezichteinder, of niet een rookwolk de komst van de boot zou verraden. Of wel ik zocht langs de kusten dier eilanden, of niet de uitgezonden prauw te ontdekken was, welker terugkomst althans eenig werk zou verschaffen en eenigen voortgang zou brengen in de dagen, die nu doelloos voorbij gingen. Doch verlaten, troosteloos verlaten bleef de zee.
Eenzaam liep ik er, zooals er voor mij duizenden in dit land geloopen zullen hebben, zooals er na mij duizenden loopen zullen, in machtelooze afwachting, in werkeloosheid door een groot verlangen overvallen, dat tijdelijk alle belangstelling doofde. Ik voelde me onder dit volk en te midden van deze natuur als een vreemdeling, als een indringer, als een rustverstoorder en in mijn sentimenteele stemming zong ik, als een dreun die me niet verlaten wou:
Nach der Heimat kehr’ ich wiederNach dem treuen Vaterland.
Nach der Heimat kehr’ ich wieder
Nach dem treuen Vaterland.
Het was Indische maannacht geworden. Donkere silhouetten van cocospalmen, van pisangs en manggaboomen en van de atappen dakjes der inlandschehuisjes staken af tegen de lichte lucht, waarin de sterren verbleekten. Zoo slenterde ik op een avond terug naar huis. Zwarte, geheimzinnige schaduwen zag ik overal en uit de verte klonk uit de heidensche kampong het sombere geluid der doffe slagen op de tifa, waarop de inlanders ter aanvuring van nachtelijke bacchanaliën in eentonigen cadans hun primitieve muziek uitvoerden.
Gedrukt zette ik mij neer onder het galerijtje van het huis van mijn gastheer en liet me vertellen van de bevolking en haar vrees voor den blanke.
Deze heidensche inlanders, met hun animistisch geloof (het geloof in de macht van de geesten der afgestorvenen hier op deze aarde), hadden een groot ontzag voor den Hollander. Hoewel zij hem onverschrokken aanzagen, zouden zij hem toch niet spoedig aanvallen, daar hun geloof hun leerde, dat zij, die in de kracht van het leven door een ongeluk omkwamen of die in den krijg sneuvelden, hiernamaals een veel grootere macht over de levenden bezaten dan zij, die door ouderdom of op het ziekbed waren gestorven. Nu stond het bij hen vast, dat de Kompanie een verbazend groot aantal van zulke geesten bezat, die in oorlogen gesneuveld, nu onder de levenden de Kompanie en hare leden in geval van een aanval zouden bijstaan.
Met dit beschermende fluïdum der geesten onzer voorouders om mij heen, gevoelde ik me voor goed rustig en veilig tegenover de inheemsche bevolking, die overigens ook niets kwaadaardigs had. Kwam men Tobeloreesche mannen en vrouwen tegen, dan zouden zij steeds voor den Europeaan uitwijken. De eersten waagden dan gaarne eens een “Tabé Toewan!” en bleken aangenaam verrast wanneer men hun groet met een “Tabé!” beantwoordde. De laatsten bleven dikwijls stilstaan en wachten tot men voorbij was en sloegen daarbij schuchter en zedig de oogen neer; zelfs gebeurde het dat zij op eenzame plekken op de vlucht sloegen en in de hooge alang-alang verdwenen. Een kijkje te nemen bij hun feesten scheen hen volstrekt niet te hinderen. Ongegeneerd gingen ze dan met zingen en dansen en het uitstooten van kreten en het maken van grimmassen voort, terwijl ze groote hoeveelheden sago aten en sagoweer dronken, van welk vocht ze lodderig en halfdronken werden. Vele mannen en vrouwen zagen er flink gebouwd uit, doch ondanks het natuurleven van dit natuurvolk was het toch geen sterk en krachtig ras. Vieze huidziekten, waaronder de framboesia tropica vooral berucht was, kwamen hier veel voor en kinderen hadden somtijds booze zweren over hun gansche lichaam verspreid.
Met hun dooden sprongen zij om zooals hun geloof het hun ingaf. In kleine doodenhuisjes op palen of in half gevulde graven, waarboven een dakje, werden de lijken vlak in de nabijheid hunner huizen neergelegd, terwijl blauw gekleurde borden en schalen van aardewerk, waarop eten, daarnaast werden geplaatst. Ook wapens en huisraad werd daar in de nabijheid neergelegd ten gebruike der afgestorvenen; want de macht hunner geesten bleef op aarde groot, en daaraan was hun vrees evenredig. Zoo trachtten zij die geesten steeds gunstig gestemd te houden, om het booze af te weren en het goede te ontvangen.
Na een week te zijn weggebleven, kwam ten slotte de prauw met een volle lading van de mooiste noten aan den wal. De opzichter had voor zijn lange uitblijven allerlei verontschuldigingen, van tegenwind, en moeite hier, en moeite daar. Wat daar van waar was zou moeilijk te controleeren zijn, doch de volle lading deed verder het hare om den storm, die over zijn hoofd dreigde op te steken, te doen bedaren.
De eerste grobak (ossenkar) met noten hoog opgestapeld, reed door de kampong en over den breeden weg door de alang-alang velden naar het emplacement, waar zij spoedig, een voor een en in lange rijen, op de kweekbedden werden uitgelegd. Nu kon de groei beginnen en bij steeds grootere en meerdere ladingen, die weldra zouden volgen op steeds breedere basis.
Wanneer nu de lang verwachte boot verscheen, zou met volle kracht het werk kunnen worden aangepakt en daarmede de grond worden gelegd voor een gezond begin. Doch wanneer kwam die boot! Reeds dagenlang was zij over haar tijd, en de mogelijkheid dat haar een ongeluk was overkomen, werd steeds grooter.
Het was in die dagen—terwijl een hevige ingewandsziekte mij overviel, die in dysenterie dreigde te ontaarden—dat, twaalf etmalen te laat, de boot eindelijk binnenviel. De inlanders liepen van het strand de kampong binnen en riepen: “Kapal masok! Kapal masok!” (de boot is binnen). Een tijding, die aan iedereen in de kampong ontspanning en vreugde zou brengen na de onzekerheid en het lange wachten en die mij, was ik gezond geweest, in vuur zou hebben gezet. Nu bleef ik onverschillig en roerloos op mijn veldbedje liggen, verzwakt en mat door de hevige ziekte.
Weldra bereikte mij de tijding dat Verster met het eerste vijftigtal koelies uit de Minahassa aan boord was. Berichten uit Holland, brieven, tijdschriften en couranten zouden binnenkomen. Werk zou er in overvloed zijn. Na den stilstand was de hartslag van een bedrijviger leven gekomen, doch dommelend moest ik blijven liggen waar ik lag, terwijl om mij heen nu alles in de weer kwam. De een na den ander verliet zijn huis. Christenen in hun witte baadjes, Chineezen, Arabieren enz. spoedden zich naar de aanlegplaats of trachtten prauwen en prauwtjes machtig te worden om naar boord te roeien. Reeds kwamen passagiers, die ontscheept waren, over den weg de kampong binnenstappen, en weldra zag ik de Minahassers met groote en kleine bundeltjes op den rug passeeren. Zij maakten een geheel anderen indruk dan men zich gewoonlijk van een troep koelies maken zou. In licht gekleurde gestreepte broeken en witte of kleurige baadjes, met een staand kraagje en een stroohoedje dandy-achtig boven de gele en veelal nette en nog jonge gezichten, sommigen met schoenen aan de voeten, zou men ze eerder gehouden hebben voor een troep studenten eener inlandsche hoogeschool. Nu zou het te Menado ontvangen en natuurlijk aanstonds verteerde voorschot, van ƒ 40.– per man, aan die nieuwe baadjes en nieuwe hoedjes wel niet vreemd zijn geweest. Daarbij doet het uiterlijk van den Minahasser, wat huidkleur en gelaatstrekken betreft,zeer sterk aan vermenging met Japansch bloed denken; ja zelfs vindt men er onder, die hierin maar zeer weinig van den Europeaan verschillen. Ook hebben zij, reeds van ouder tot ouder Christenen zijnde, van den eersten tijd onzer komst in Indië onafgebroken onder onzen invloed gestaan en gevoelen zij zich dan ook veel meer aan ons gelijk dan de doorsnee-inlander. De meesten hebben goed onderwijs gehad, schrijven vaak keurig en spreken soms een woord Hollandsch.
Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).
Voordanser en dansvrouwen op Halmaheira. (Phot. Baretta).
Weldra kwam Verster, vertelde in ’t kort iets van de ellende, die hij op deze reis had ondervonden, beklaagde me en verdween spoedig weer met zijn mannetjes naar het emplacement. Het was me even opgevallen, dat hij zeer zenuwachtig en neerslachtig was geweest, doch onverschillig daarover verder dommelend, werd ik spoedig weer afgeleid door passagiers van de boot, die aan land een kijkje kwamen nemen en een praatje kwamen maken, mij zeer beklagend, zooals ik daar lag. De post werd verdeeld en brieven van huis en over zaken hielden me in spanning, en joegen me met zweepslagen uit den dommel der zwakte. Den morgen volgende op dien dag, gevoelde ik me zoo slap als een vaatdoek. Verster opperde toen het denkbeeld om mij, per extra prauw, over de landengte van Dodinga naar Ternate te laten expedieeren, opdat ik onder doktershanden zou kunnen beteren. Ik weigerde beslist en liet de hulp inroepen van den oudsten zendeling, die dadelijk kwam en mij, met zijn vele practische ervaring der gevaarlijke Indische ziekten, er binnen eenige dagen met een streng dieet en het geregeld toedienen van een homoeopathisch middel weer bovenop hielp.
Terwijl ik in die dagen nog met huisarrest onder het galerijtje zat, kwam op een morgen Verster uit het bosch terug en overviel me met de mededeeling, dat we hier onmogelijk verder zouden kunnen gaan, daar het terrein volgens zijn zeggen wegens watergebrek voor cultures niet deugde; dat we derhalve niets beters konden doen dan aanstonds het werk te staken en de koelies af te danken en op Java of elders beginnen, daar alle werk hier tijd en geld verknoeien zou zijn. Er was toen, door gebrek aan werkvolk, op het terrein nog geen water gevonden doch overal was de aanwezigheid van grondwater theoretisch vastgesteld.
Het bleek me toen, dat hij in dezen geadviseerd was geworden door den oudsten zendeling, die op een wandeling het emplacement had bezocht en daar in een kwartier tijds tot die conclusie was gekomen. Ik moest hartelijk om deze meening lachen; doch Verster, die nu uiterst zwaartillend en nerveus was, vatte de zaak heel anders op en vertrok, om spoedig met den zendeling terug te keeren, die mij persoonlijk zijn meening zou meedeelen.
Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).
Moeder met een door bobente (spaansche pokken) aangetast kind. (Phot. Baretta).
Nu had deze man, naast een bezadigde wijze van spreken, de gave zijn meening helder en met overtuiging voor te kunnen dragen. Door zijn levente midden eener omgeving, waarboven hij ver uitstak, had hij buitendien, daar alle tegenspraak hem vreemd was, een te groot zelfvertrouwen gekregen, waardoor hij zijn oordeel vaak op te stellige wijze uitsprak.
Tegenover hem en Verster gezeten, hoorde ik de meening van die beide autoriteiten hoofdschuddend en eenigzins lachend aan en weerlegde de bezwaren van den zendeling. Dit bleef niet zonder indruk op hem,—een half jaar later zou hij zelf voor de zendingsvereeniging een stuk grond naast het onze voor de klappercultuur in concessie aanvragen,—en hij vond de zaak bij nader inzien dan ook nog zoo kwaad niet. Ik dankte hem voor zijn ongevraagd advies en bleef bij het eenmaal genomen plan om op dit mooie stuk grond met de ontginning voort te gaan. Verster weigerde echter en bleef koppig weigeren hier voortaan als administrateur op te treden, hoewel ik hem verlof gaf een rapport over een en ander, dat ik van mijn kantteekeningen voorzien, naar Holland te zenden, zoodat hij, van alle verantwoordelijkheid ontslagen was.
De zendeling vertrok en liet mij intusschen, nog zwak en nauwelijks hersteld, met Verster achter, die, wijl ik zijn meening niet deelde, woedend was en beweerde, volgens zijn contract alleen verplicht te zijn op de oorspronkelijke concessie op Morotai te werken, weshalve hij te Tobelo geen slag meer wenschte uit te voeren. Daar zat ik met een administrateur, die alle redelijkheid verloren had, voor een taak, die mijn taak niet was.
Ook den volgenden morgen bleek Verster nog niet voor rede vatbaar te zijn en weigerde beslist zijn werk weer op te vatten, ik had daar naast me een man, die van aanleg werkzaam en flink was geweest, doch wiens gestel door een funest Indisch leven van veel reizen en zwerven en rooken en drinken en veel te veel praten, geheel ondermijnd was geworden. Tegen de zorgen en moeiten der laatste maanden was hij niet meer bestand geweest, terwijl het afkeurend oordeel en allerlei inblazingen, die zich doen hooren, wanneer men trachten wil iets op te bouwen, hem den nekslag hadden gegeven. Hij was door die kritiek op onze, uit den aard der zaak, riskante onderneming gaan twijfelen aan de uitvoerbaarheid der plannen. Niet intelligent genoeg had hij de booze wereld en hare goede-raadgevers niet kunnen nemen voor wat ze zijn. Inderdaad bleek het me later, dat hij op zijn terugreis van Menado naar Ternate, door toedoen van mijn vroegeren gastheer daar, met alles behalve goede adviezen van die laatste plaats naar Tobelo was teruggekeerd, waarvan hij nu het slachtoffer dreigde te worden.
Door de wijze waarop hij zich gedroeg, zou ik genoodzaakt worden hem, wanneer hij niet bijtijds tot inkeer kwam, zijn ontslag te geven. En reeds dreigde hij zelf met ontslag nemen, in de meening mij door zijn onmisbaarheid te kunnen dwingen. Nu begreep ik, dat ik hem nooit als zelfstandig administrateur zou kunnen achter laten, zoodat zijn ontslag zelfs wenschelijk werd. Op een laatste scherpe aanmaning om aanstonds aan het werk te gaan, waarop hij een weigerend antwoord gaf, volgde dit ontslag.
De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.(Teekening H. R. Roelfsema).
De voorgalerij bij den jongsten zendeling; op den achtergrond de school.
(Teekening H. R. Roelfsema).
Na die tragedie was het verblijf met hem onder één dak zeer pijnlijk geworden en was het me zeer welkom voorloopig mijn intrek bij den jongsten zendeling te kunnen nemen. Van nu af ging ik elken morgen bij het krieken van den dag van dit huis naar de loodsen in het bosch, alwaar begonnen werd het werkvolk onder leiding van den opzichter en eenige mandoers aan den arbeid te zetten. Dan was er den ganschen dag volop werk tot ’s avonds als het donker werd, waarop ik terugkeerde om onder de galerij, bij de petroleumlamp, waar ook de zendeling met zijn vrouw zat, nog menig uurtje aan correspondentie te wijden.
In den put op het emplacement, die door bekwamere werklui sneller kon worden uitgediept, werd na eenige dagen op 15 M. diepte water gevonden, terwijl dit op andere gedeelten van het terrein, die lager waren op geringere diepten eveneens overal werd aangetroffen. Daarmee was deze cardinale kwestie ook practisch opgelost.
Met de komst der menschen werd het in het bosch weldra bedrijvig en vroolijk; vrouwen en kinderen, die met den vader waren meegekomen, zag men den ganschen dag voor de loodsen; kippen liepen er weldra rond en kakatoes en papegaaien slingerden aan hun stokken; armzalige gladakkers snuffelden naar alles wat van hun gading was; vuurtjes werden gestookt voor het klaarmaken van het middagmaal; de wasch hing aan de drooglijnen uit, en zoo gaf al dat menschelijk bedrijf aan die stille plek in het bosch een geheel ander aanzien, dan ik daar tot nutoe gewend was geweest. Een fiets, die hier nog een hypermodern vervoermiddel was en dan ook in den beginne zeer de aandacht der bevolking trok, was uit Menado meegekomen en bekortte me zeer den dagelijks herhaalde malen af te leggen afstand over een smal voetpaadje, van het huis van den zendeling naar de ontginningen.
Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).
Tobelorees uit Weda (Halmaheira). (Phot. Baretta).
Intusschen was ik nog niet geheel van Verster bevrijd. Uit een zeer menschelijke neiging tot wraak en tot het zoeken van eigen voordeel zou hij nog zooveel mogelijk trachten mij te dwarsboomen, nu hij in mij zijn vijand meende te moeten zien. Als administrateur had hij het beheer der gelden gehad. Na zijn ontslag was hij verplicht de boeken en de kas, welke laatste altijd nog zwervende was geweest en die zich nu ten huize van den civiel-gezaghebber bevond, aan mij over te dragen. Op mijn aanmaning ontving ik een verantwoording, waaruit aanstonds bleek, dat de man in zijn geëxalteerden toestand de grenzen der eerlijkheid had overschreden. Aanstonds liet ik door den civiel-gezaghebber beslag leggen op al het geld dat aanwezig moest zijn; en onder den druk van zijn geweten en van een zeer begrijpelijke vrees gaf Verster op diens aanmaning het papiergeld af, waarmede hij reeds in zijn zak liep en het zilver, dat hij op andere wijze had verstopt. Daarmede was het geld nu wel uit de handen van Verster gered, doch hiermede had ik zelf de beschikking over bijna alles verloren en de dichtst bijzijnde rechtbank voor dergelijke delicate zaken was die te Makasser, welke plaats eerst na een reis van ruim 14 dagen te bereiken was.
Verster begon, doelloos te Tobelo rondloopende, zich daar steeds onbehagelijker te gevoelen. Zijn ontslag had tengevolge, dat hij zijn ruime salaris had verspeeld, terwijl door de inbeslagname der kas het resteerende bedrag hem voorloopig niet kon worden uitgekeerd. Weldra zou het hem aan contanten gaan ontbreken. Schaamte en berouw deden het hunne, en daar de terugkeerende boot naar Ternate nog een drietal weken zou uitblijven, oordeelde hij het raadzaam na een week per prauw daarheen terug te keeren. Op een morgen vernam ik, niet zonder medelijden met hem te gevoelen, dat hij vertrokken was. Met vuur en ijver was hij een tijdlang voor onze belangen opgekomen; toen hadden zijn woelige natuur en zijn verbeelding hem parten gespeeld en zijn kortstondige energie gebroken. Een man als hij zou onder de Europeanen steeds meer blijken tot de categorie van gelukzoekers en zwervers, waaraan Indië zoo rijk is, te gaan behooren.
De onderneming begon zich te ontwikkelen en groeide met den dag. De kweekbedden strekten zich steeds verder uit en voortdurend kwamen er nieuwe ladingen noten. Reeds deden de eerste spruiten den dikken vezelbast scheuren en rezen er stengels met zijwaarts gerichte bladeren uit den grond op. Met donderend geweld ploften de reuzen van het woud ter aarde, en door de open ruimte, die steeds wijder werd en over den chaos van omgevallen stammen en kruinen en takken klonken de bijlslagen den ganschen dag. Een timmerman, die was medegekomen om de leiding van den bouw van huizen op zich te nemen, had zijn taak aangevangen en onder een dakje van atap werd gezaagd en gehakt en geschaafd aan de balken en stijlen voor het eerste huis.
Put met bak voor badwater.Put met bak voor badwater.
Put met bak voor badwater.
In een der loodsen was een gedeelte gereserveerd voor kantoor, waar eindelijk de brandkast werd opgesteld, die, na uit Amerika te zijn gekomen, de reis van Holland uit had meegemaakt en nu, na dien tocht rondom de wereld, in het oerwoud eindelijk haar bestemming had bereikt. Een beschuttend dak voor het kantoortje uitgebouwd, werd weldra mijn galerijtje, waar ik, als mijn werk in het bosch was afgeloopen en mijn aanwezigheid niet elders werd vereischt, de administratie en correspondentie verrichtte en waar de Tobeloreezen en handelaren, die materialen en goederen en zaadnoten leverden, geduldig op betaling zaten te wachten, wanneer de Toewan Maatschappij het bosch in was.
De naam van Toewan Maatschappij had men mij te Tobelo spoedig gegeven, ter onderscheiding van den Toewan Magistraat, den civiel-gezaghebber en den Toewan Pendita (Geestelijke), den oudsten der zendelingen.
Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.
Het Zendingshuis te Djailolo (Halmaheira), gelijk aan dat te Tobelo.
Het was, na een onafgebroken zwerven van meer dan zes maanden, waarin ik onder allerlei omstandigheden correspondentie en administratie had moeten verrichten, een heerlijkheid daar een veilig plekje te hebben gevonden, waar alles netjes bijeen was en elk stuk, uit de groote kist met schrijf- en kantoorbehoeften uit Holland meegenomen, zijn plaats had gekregen. Het was er heusch een echt kantoor, met agenda’s en memorandums en briefregistrators, copieerboeken en copieerpers. Nog behielp ik me met een tafel en stoelen uit bamboe gemaakt, doch een schrijftafel was bij de timmerschool in de maak. De brandkast was als de kroon op het geheel; zij werd met haar kantoorboeken en geheimzinnige geldkastjes, door de menschen uit de wildernis, die soms eens familiaar kwamen kijken, steeds met ontzag aangekeken en nader besproken. In dat leven van rondzwerven in het bosch en den geheelen dag buiten zijn, en—wanneer het werk mij riep voor het primitieve kantoortje—van hard afwisselend werken van den morgen tot den avond, voelde ik me wonderwel thuis en gezond. En wanneer niet sterke banden mij naar het vaderland hadden teruggeroepen dan zou ik mij zelven hier tot administrateur hebben benoemd. Nu echter moest ik trachten een opvolger voor Verster te vinden, wat in dezen uithoek der wereld niet zoo gemakkelijk zou zijn. Met de komst van dien nieuwen functionaris zou, wanneer hij de rechte man op de rechte plaats bleek te zijn, mijn taak zijn afgeloopen. In het belang der onderneming zou zoo iemand, nu de eerste bezwaren en moeilijkheden der vestiging waren overwonnen, zelfstandig en op eigen verantwoordelijkheid dienen te handelen.
Met de postprauw, die tusschen de aankomst der booten in naar Ternate vertrok, gaf ik telegrammen mee naar Holland en naar relaties op Java, om een tweeden administrateur te zenden. Er zouden voor de komst van den nieuwen titularis ten minste een drietal maanden verloopen, en zoo was ik in dien tijd mijn eigen baas en kon handelen naar eigen inzichten en believen.
Elken dag zag me de opkomende zon door de alang-alangvelden fietsen naar den uitgestrekten woudzoom in het Westen, waarachter de Doekoenoe en de uitgedoofde vulkaankegel van den Momoja verrezen. Dat eerste begin van den dag, met de verdwijnende sterren en het verschieten van het rood aan de wolkenvegen, en het scheren van de eerste zonnestralen over de aarde, was in de open ruimte tusschen zee en woud een telkens weerkeerend zalig beleven van den eersten morgenstond.
Na den inspectietocht in den vroegen morgen door het woud verscheen, tegen 8 uur, Ketjil met den etensdrager, waarin door de goede zorgen van mijn gastvrouw een smakelijk ontbijt was geborgen. Soms genoot ik van die versterkende rustpauze voor mijn kantoortje gezeten, soms ook op een omgevallen boomstam in het woud, waar na een langdurig zoeken de jongen mij toevallig had gevonden. Zijn anders altijd goedmoedige gezicht had dan, door het sleepen met dien zwaren etensdrager over boomstammen en struiken en door een warnet van takken en ineengestrengelde lianen een grimmigen trek gekregen, doch zijn goede humeur herstelde spoedig als hij neergehurkt tegenover zijn etenden baas, geduldig zat te wachten.
Schrijven, regelen, overleggen, een tweede rondgang en soms een derde volgden, daarna tusschentijds even middageten bij den zendeling aan huis en zoo keerde ik tegen den avond, als het werk der koelies was afgeloopen, vermoeid huiswaarts.
Op deze wijze verliep het leven geleidelijk, zonder horten of stooten; alleen de komst der booten gaf eens in de maand eenige opschudding, terwijl ook de Zondag eenige verandering bracht, daar het werk dan moest worden stilgelegd. Daar er bijna uitsluitend met Christenen werd gewerkt, had men tegenover hen, volgens contract, den Zondag als vrijen dag moeten erkennen. Op dien dag werd ook door een der zendelingen in een der loodsen op de onderneming gepreekt, waarbij het in die primitieve omgeving steeds zeer ernstig toeging. Op planken, die over kisten en balen waren gelegd, zaten de toehoorders en een enkele toehoorster in hun Zondagsche plunje aandachtig luisterend op rijen achter elkaar, terwijl de zendeling achter een tafel van bamboe staande, in het Maleisch zijn preek hield. Als ouderling en voorzanger trad steeds de timmerman op, die onder het laatste gezang tevens met het kerkezakje aan den langen steel rondging. Kakelende en vechtende kippen en hanen liepen soms, pikkend en verwaand rondkijkend, tusschen het publiek of onder den geïmproviseerden preekstoel door. Doch een goed zendeling is voor dergelijke stoornissen niet in ’t minst vervaard; hij heeft geen kerken of kathedralen, noch plechtige stilte noodig, doch predikt als het zijn moet overal en onder alle omstandigheden, waarbij de stemming of de indruk niet in het minst behoeft te lijden. Integendeel, in dien soberen eenvoud is iets stichtelijks en ontroerends. De oudste zendeling vertelde mij, dat hij eens onder een boom staande voor slechts één mensch had gepreekt.
Zendingskweekschool te Tobelo.Zendingskweekschool te Tobelo.
Zendingskweekschool te Tobelo.
Somtijds wandelde ik op zulk een Zondagmorgen met den voorganger mede en woonde den kerkdienst bij.
Het publiek, dat hier bijeenzat, was misschien meer stil-aandachtig dan devoot, want eenmaal inziende, hoe geenerlei dwang op hen werd uitgeoefend bij het ter kerk gaan, had er spoedig een groot verloop van toehoorders plaats. Toen er weldra meer werkvolk op de onderneming verscheen en voornamelijk bewoners van de Sangir- en Talaut-eilanden, bleek het, dat deze in grooter afzondering levende eilandbewoners, veel trouwer naar de Zondagmorgenpreeken kwamen luisteren dan de meer geraffineerde Minahassers.
Ten huize van den jongsten zendeling nam ik, indien aanwezig, deel aan de gewoonten van dit huis. Reeds zeer vroegtijdig, gewoonlijk wanneer het nog schemerend was, liet de heer des huizes een belletje door het huis weerklinken, waarop de huisjongen en de jongens der school, die in de bijgebouwen sliepen, in letterlijken zin hun matjes oprolden, zich waschten en zich gingen klaarmaken voor den dag. Meestal zat ik, als dat belletje weerklonk, reeds op de fiets, en in het donker of halfdonker waren een drietal dier jongens, wier weekbeurt het was, reeds buiten en in de keuken bezig om het huiswerk te bezorgen. Door de talrijke reten der gebarsten gedek-wanden van het keukentje flikkerden reeds de vlammen van een vuurtje, en daar buiten was er een bezig hout te kloven; zelfs den zendeling ontmoette ik somtijds reeds op dat vroege morgenuur op het erf, genietend van de koelte en van den aanblik van het krieken van den dag en het opgaan der zon.
Over het achtererf, langs een smal kronkelend paadje, tusschen kletsnatte door den dauw bevochte alang-alang, kwam ik dan met de fiets weldra op den rechten weg, die naar het emplacement leidde. Ten huize van den zendeling was inmiddels een ieder ontwaakt en vond er zijn werk. De leerlingen der kweekschool voor goeroes, de Papoeatjes, de Amboneesjes, de Galelareesjes enz. verdwenen in het schoolgebouw of in de studeerkamer van den zendeling en repeteerden en schreven en zeiden lessen op, of kregen in het vroege morgenuur onderricht in het zingen van kerkelijke liederen. Tegen acht uur was dan het ontbijt in de achtergalerij klaar gezet, alwaar hij nu met zijn vrouw plaats nam te midden van alle jongens, die zich langs de wanden hadden geschaard. In het Maleisch werd door hem uit den bijbel voorgelezen, waarna in diezelfde taal eenige psalmen werden gezongen. De morgengodsdienst eindigde met gebed en soms met een vermaning aan een of meer jongens, die dit hadden verdiend. De jongens verdwenen nu onder het voorgalerijtje van hun slaaphuis, waar op eenige lange tafels hun ontbijt was klaar gezet, dat steeds uit sago en visch bestond.
Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).
Christelijke naaischool te Boeli. (Phot Baretta).
De middagtafel werd eveneens door bijbellezen en gebed voorafgegaan, de avondtafel alleen met gebed, en elke maaltijd eindigde met gebed. Bij de laatste maaltijden schaarden de jongens zich niet om de tafel, doch ’s avonds had na afloop van het dagwerk nog een bijeenkomst plaats in de achtergalerij, waar alle Papoeatjes, Amboneesjes en Galelareesjes enz. weer langs de wanden stonden, en waar ik in gezelschap van den heer en vrouw des huizes ook steeds aan deelnam. Er werd dan weer in het Maleisch uit den bijbel gelezen, er werden psalmen gezongen, en er werd gebeden.
Het werd me bij die telkens herhaalde godsdienstoefeningen, in dien tredmolen van bidden en bijbellezen en psalmen zingen met de geheel onontroerde gezichten dier inlanders voor me, wel eens vreemd te moede, en ik kon den indruk niet van me afzetten, dat het dagelijksch verkeer met de hoogste dingen zoo precies op de klok en in het openbaar, en lukraak door allerlei stemmingen heen, het doel voorbijschoot en leidde tot een familiariteit en tot een gewoonte, waarbij het gevoel tot gebaar, het verhevene tot sleur werd.
Wanneer we daar dan ’s avonds zaten met al die jongens, geschaard langs de wanden van de achtergalerij, de zendeling en zijn vrouw aan het lange, ik aan het korte eind der tafel, waarop steeds het roode tafelzeil met zijn grillige figuren lag, dan dwaalden onder het eentonige Maleische gezang mijn gedachten van de krullen en dwarreling dier figuren, na de herrie van den dag die mij in beslag had genomen, naar andere dingen, totdat het Amen was uitgesproken, waarop we naar de voorgalerij gingen voor het laatste werk of het laatste praatje van den dag, terwijl buiten de Indische nacht was aangebroken en de insecten om ons heen snorden en gonsden en tegen de petroleumlamp botsten en tji-tjaks hun geluid deden hooren, roerloos zittend of zich snel bewegend langs de gaba-gabawanden van het huis.
De eerste boot, die van Ternate binnenviel, bracht als verrassing den koeliewerver, dien we bijna vier maanden geleden van daar hadden uitgestuurd, in gezelschap van een flinke ploeg werkvolk van deSangir- en Talaut-eilanden. We hadden deze werving, daar in den tusschentijd niets van hem was gehoord, reeds als mislukt beschouwd en tevens als een belangrijk geldverlies, naardien ons alleen was bericht, dat het geld dat hiervoor te Menado was gedeponeerd, door een misverstand in handen van den koeliewerver was gekomen, aan wien we dit niet hadden toevertrouwd. Deze vermeende mislukking en het gevreesde geldverlies had Verster zich indertijd zeer sterk aangetrokken en was voor hem een der teleurstellingen geworden, die zijn vertrouwen in onze onderneming hadden geschokt. Echter de werver was eerlijker gebleken dan we dachten, en met niet geringe blijdschap ontwaarde ik hem met zijn mannetjes aan boord van de binnengevallen boot.
Met volle kracht konden we ons nu aan het ontginnen zetten, te meer daar de Sangireezen en Talauters uitmuntende werklui moesten zijn.
Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).
Het huis van den Sangadji van Galela. (Phot. Baretta).
Tevens kwam met deze boot de inbeslaggenomen kas aan het adres van den civiel-gezaghebber terug, welke kas door hem aan den resident van Ternate was toegezonden. Het bleek, dat de civiel-gezaghebber in zijn functie een dergelijke inbeslagname niet had mogen verrichten, weshalve de resident er ambtshalve niets mede te maken wilde hebben. Intusschen was aan Verster, op mijn verzoek, het hem nog toekomende salaris door den resident uit deze kas te Ternate uitgekeerd geworden, zoodat ik redelijkheidshalve mocht verwachten weer de beschikking over het resteerende bedrag terug te krijgen. Dit was echter niet het geval. De civiel-gezaghebber behield hetgeen hij had, in afwachting van een advies, dat bij den officier van justitie te Makasser was aangevraagd. Daar zou men nu op zulk een afstand de ellende van een proces aan den gang kunnen krijgen met een tegenpartij die geen cent bezat en om een bedrag, dat de groote onkosten van zulk een proces niet zou dekken. Ik was allesbehalve over deze bureaucratische oplossing, die de heeren ambtenaren aan deze zaak wilden geven, gesticht en begreep, waar van mijne zijde redelijk gehandeld was en ik een proces vóór alles vermijden wilde, dat ik dit geld uit de handen van den civiel-gezaghebber terug moest hebben alvorens de justitie zich er verder mee zou mogen bemoeien. Nu had onze civiel-gezaghebber, naast een groot gevoel van eigenwaarde ook een groote mate van eigenliefde, die, wanneer ze gestreeld werd, hem zoo gedwee en lieftallig maakte als een lam. Doch hij had den laatsten tijd door allerlei kleine voorvallen steeds meer getoond zijn macht tegenover mij te zullen laten voelen, daar wegens mijn gemoedelijken en vriendschappelijken omgang met den oudsten zendeling, dien ik steeds meer had leeren waardeeren, zijn stemming tegenover mij niet verbeterd was. Hij kon mij deze sympathie voor zijn tegenstander niet vergeven, doch hij zou ook des te gevoeliger zijn, wanneer ik mij eens extra onderdanig tegenover hem betoonde.
Van deze zwakheid der eigenliefde moest ik in deze omstandigheid partij trekken om mijn doel te bereiken, en zoo gebeurde het op een avond, nadat er weer een kwestie tusschen ons was gerezen,—kwesties, zooals hij er zoo dikwijls en met zoo velen had gehad—en die, per brief behandeld, een zeer scherp karakter dreigde aan te nemen, dat ik naar zijn huis stapte met het voornemen om, hoe ook,zoowel dit verschil bij te leggen als te trachten het geld terug te krijgen. Slechts ter wille der zaken, die ik vertegenwoordigde, kwam ik tot dezen stap; doch eenmaal besloten, ging ik met het vaste voornemen, hem door mijn houding en een gemoedelijk praatje in de gewilde stemming te brengen.
Toen ik zijn erfje opliep, zag ik den geweldige met een ernstig en gewichtig gezicht alleen onder zijn galerijtje zitten. Mij ziende, scheen hij niet anders te verwachten dan met iemand te moeten praten, die in de gerezen kwestie zijn opinie eens ronduit kwam zeggen. Ik hield me echter zoo passief en zoo leuk en schikte me zoo geheel naar zijn wenschen en regelingen, dat hij niet wist hoe hij het had, terwijl mijn inschikkelijkheid hem geheel ontwapende en zachtmoedig stemde. Ik dacht toen zoo voor me heen: “je bent nog zoo’n kwaje kerel niet, als men maar een beetje met je weet om te springen.” Toen ik na eenigen tijd voorzichtig en terloops in het gesprek de in beslaggenomen gelden aanroerde en op de teruggave daarvan zinspeelde, weigerde hij eerst en wilde afwachten; doch tegen een zachten aandrang en eenige vriendelijkheden aan zijn adres was hij niet meer opgewassen, en ten slotte gaf hij mij wat hij in zijn gestreelde eigenliefde niet meer weigeren kon.
Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).
Een chineesche kleinhandelaar op reis in een vlerkprauw. (Phot. Baretta).
Dienzelfden avond nam ik van hem afscheid met de gedachte, die zich in dit uur steeds meer aan mij had opgedrongen: “Jij bent nog zoo’n kwaje kerel niet.”
Dit zou echter niet lang duren. Eenige dagen later, toen ik zijn huis wilde passeeren, schoot juist op het oogenblik dat ik den uitgang van het erf was genaderd, een inlander in snelle vaart uit het hekje, gevolgd door den civiel-gezaghebber, die een dikken stok in zijn hand had. De inlander vluchtte niet ver, doch bleef spoedig in gebogen houding gelaten afwachten wat er komen zou. Daar daalde de stok op het hoofd van den man neer, totdat deze brak en het bloed hem langs het gelaat liep. Toen hij mij zag, trachtte hij een verklaring voor zijn handelwijze te geven en poogde den indruk te verzachten door den inlander mee naar zijn huis te nemen, waar hij hem eigenhandig verbond.
Wie dezen man een stroobreed in den weg legde moest voor hem wijken of bukken; ging het niet goedschiks, dan kwaadschiks en met geweld, en van dat laatste genoot zijn wreede natuur. ’s Avonds, wanneer we onder de lamp zaten en het eene vliegje of kevertje na het ander, door het licht aangetrokken, zich door het licht verblind in den lichtcirkel op de tafel zette, was zijn gewone bezigheid, die beestjes een voor een met duim en wijsvinger zoo ver mogelijk weg te knippen. In zijn leven trachtte hij met menschen op gelijke wijze te doen, doch hij vergat dat deze zich zulk een behandeling niet zoo gemakkelijk lieten welgevallen.
Voor zijn uitgebreide taak, waarvoor hij niet de minste opleiding had gehad,—hij was boekhouder bij de Paketvaart en de Landschapskas geweest,—en waarvoor hij noch de kennis noch de gaven bezat, was hij alleen in zijn eigen verbeelding berekend. Hij sloeg dan ook herhaaldelijk de plank mis en was voor zijn meerderen en voor allen, die met hemin aanraking kwamen een lastpost of, zooals men in Indië zoo hartgrondig zeggen kan..... een ellendeling. Zag ik hem door de kampong stappen, prenta’s uitdeelend aan de hoofden, de sangadji, de kapala kampong en anderen, die hem volgden en, met angst en beven tegen den willekeurigen Weledelgestrengen opziende, hem toch achter zijn rug bedrogen en uitlachten, dan moest ik zelf ook lachen, doch tevens het arme Indië beklagen, dat door zulke in Indië zelf geboren tirannen moest worden bestuurd. Met zijn waardige collega van Tidore behoorde ook hij tot de noodhulp-ambtenaren die “op straten en pleinen waren bijeengezocht.”
De voortgang, dien de ontginningen maakten, noopte uit te zien naar steeds grooteren aanvoer van goede zaadnoten, en zoo was ik genoodzaakt steeds meer goede vruchtdragende boomen voor de levering dezer noten op te sporen. Gewoonlijk zond ik den opzichter hierop uit; somtijds, als het werk het toeliet, ging ik zelf per prauw en bracht daarbij bezoeken aan de koraaleilanden, die voor de kust lagen. Al deze eilanden waren bewoond en bezaten meer of minder groote klapperaanplantingen, door de bevolking aangelegd. Steeds werd ik bij zulk een bezoek getroffen door den wirwar van planten en struiken en boomen, waarmede zulke eilandjes, op de zacht glooiende, kale witte strandjes na, waren begroeid. Slechts in de directe omgeving der huisjes was soms eenige regelmaat te bespeuren. Daar stonden soms op de erfjes een drie- of viertal klapperboomen en pisangs op een rijtje bijeen, doch van een laan of een groep of een eenigszins regelmatigen aanplant vond men slechts zelden eenige sporen. Vond men een complex klapperboomen, dan stonden zij kris en kras dooreen, alsof ze bij toeval geplant waren. Zag men die eilandjes van de zee uit, dan leeken zij onbewoond en geheel verlaten, en met moeite ontdekte men van dichtbij hier en daar een bescheiden huisje, bijna geheel onder dat groen en zijn schaduw verborgen. Door hun kleinheid maakten zij, van de zee uitgezien, den indruk onbewoonbaar te zijn. Doch wanneer men eenmaal van het strand landwaarts-in wandelde en weldra niets meer dan boomen en struiken om zich heen zag, totdat men in het midden een grootere of kleinere kampong had ontdekt, dan begon men zich te verwonderen over hun betrekkelijke grootte en over het vele, dat daar groeide en over de vele menschen die daar leefden op wat, van de zee uit, niet veel meer dan een verlaten en met wat struiken en klapperboomen begroeid stukje land had geleken.
De dagen verliepen in onafgebroken werkzaamheid, waarvan de resultaten dag aan dag duidelijker werden. De open plek in het bosch was een enorme ruimte geworden, waaruit hier en daar de kapala kajoes (boomstronken) van de dikste stammen tot 6 M. hoog uitstaken. Een drietal groote kweekbedden, op verschillende plaatsen aangelegd, kwamen vol noten te liggen, waaruit overal met Indische groeikracht de stammetjes en bladeren zich ontwikkelden. Het eerste huis kwam in aanbouw, het geraamte stond er reeds en het dak kwam er op. Het terrein in concessie verkregen, werd nauwkeurig afgepaald, een hooger gelegen, eenigszins geaccidenteerd stuk grond bleek bij nader onderzoek gemakkelijk uit te schakelen en te ruilen voor een lager en vlak terrein, en zoo was overal ontwikkeling en groei enverbeteringmerkbaar. Met vreugde en trots zag ik in wording en vol beloften voor de toekomst, hetgeen door voet bij stuk te houden was blijven bestaan.
Inmiddels was er bericht van Java ontvangen, dat men er daar in geslaagd was een flinken administrateur te engageeren, die, daar hij de veertig reeds gepasseerd en getrouwd was, zeker de noodige bezadigdheid voor dezen post zou bezitten. Tegen het eind van Mei zou ik hem met de boot mogen verwachten, en ik zou dan aan hem het mooie werk moeten overdragen, wat mij zeer aan het hart ging.
Alvorens de nieuwe titularis kwam wenschte ik nog een bezoek aan onze bezittingen op de eilandjes Dodola besar en Dodola ketjil te brengen.
Voor deze reis had ik slechts de beschikking over een prauw, en wel over die van den oudsten zendeling, welke deze mij zeer bereidwillig voor die reis afstond. Mijn Talauters, die met de zee vertrouwd waren, waren uitstekende roeiers. Zij konden nu hun krachten eens toonen, daar ik den tocht in zoo kort mogelijken tijd wilde doen, wijl een langdurige afwezigheid van de jonge onderneming niet wenschelijk was. De afstand Tobelo naar de Dodola’s was linea recta 42 K.M. over de zeestraat, welke afstand in twaalf uren moest worden afgelegd. Ik besloot tegen het vallen van den avond te vertrekken; de zee was ’s nachts gewoonlijk kalmer dan des daags en aan de roeiers zou de koelte van den nacht tijdens het langdurig werk zeer welkom zijn.
In mijn dagboek vind ik dien tocht als volgt beschreven.
19 Mei 1913. ’t Wordt avond, 6 uur, en ik maak me klaar om met de prauw den oversteek te doen naar de eilanden Dodola besar en Dodola ketjil.
Ik kan niet zeggen, dat het me toelacht om twee nachten in een kleine prauw op zee door te brengen, erg afhankelijk van wind en regen. Maar ik verlaat het veilige huis en zeg het lekkere ruime bed vaarwel, om mij aan de ongemakken van zulk een reis over te geven.
’t Zal maannacht worden, de lucht is dreigend; 6 u. 10 min. steken we van wal, vijf minuten later breekt reeds een bui los; de roeiers worden terstond kletsnat evenals mijn rug, die niet voldoende door het kleine tentje op de prauw kan beschermd worden.
Met mijn pajong tracht ik me droog te houden. Spoedig scheidt het met regenen uit, de maan breekt door de wolken, de bui trekt somber zwart over de zee naar het Noorden af.
De vier roeiers beginnen een eentonig lied te zingen, dat telkens opnieuw krachtig inzet en dat den moed en de kracht er in zal houden, om den ganschen nacht zonder ophouden met stevigen pagaaislag door te roeien.
’t Zijn vier contractanten der onderneming, menschen van de Talaut-eilanden. Deze eilanden vormen met de Sangir-eilanden twee groepen, die ten noorden van Celebes liggen op weg naar de Philippijnen.
’t Zijn Christenen, trouwhartige menschen, aan wie ik mij volkomen toevertrouw.
Twee zitten voor, twee achter in de prauw.
Op de maat van den forschen pagaaislag word iktelkens op mijn bankje naar voren en naar achteren geworpen. Het zware werk, dat vóór hen ligt, mag ik van hen vorderen; als eilandenbewoners zijn ze aan dit werk gewend, dat ze, te oordeelen naar hun luidruchtigheid, met lust verrichten. Alle inlandsche indolentie en inertie is plotseling geweken.
De bergen van Halmaheira staan donker boven het glinsterende, door de maan beschenen water. De eilanden voor de kust liggen als zwarte plekken met fijne contouren van boomgroepen in de verte.
Ik voel me weer als zwerveling verder van honk gaan.
Een flauwe maanregenboog is zichtbaar tegen de verder trekkende bui.
Het kleine vaartuigje met zijn vlerken aan beide zijden, waardoor zulk een hulkje zoo zeewaardig wordt, volgt al spoedig, nu de eilanden zijn gepasseerd, elke beweging van de wijde zeedeining. De vlerken ploffen glijdend en spattend in het water en snijden, nu links dan rechts, de golven.
Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.
Gezicht op het eerste kweekbed der onderneming, men ziet de jonge spruiten reeds uit de noten komen.
En verder en verder gaat het, dansend en met gezang, over de golvende watervlakte, waarboven het boord van de prauw slechts een enkelen decimeter uitsteekt.
Uit mijn koffer neem ik de nachtutensiliën: deken en pyjama, trek schoenen en kousen en jas uit, en over den koffer en de bank, waarop ik zat, spreid ik mijn veldbedje uit en leg me verder, gekleed, daarop neer, de opgerolde klamboe als kussen onder ’t hoofd.
Wel is het veldbedje te kort om languit te liggen, want het toch reeds te kleine bedje kan niet geheel worden uitgeslagen; maar ik vind voldoende ruimte om te slapen, zij het ook dat ik een der voorste roeiers wel eens met mijn voeten tegen zijn achterdeel schop, of dat een hunner door de forsche beweging mij raakt.
Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.
Onderste gedeelte van den stam van een der zwaarste gevelde boomen.
Had ik te kiezen tusschen een nacht door te brengen in een comfortabelen slaapwagen van een ratelenden nachttrein of in dit primitieve prauwtje onder den blooten tropischen nachtelijken hemel, ik koos het laatste. En zoo, terwijl de temperatuur nu het nacht wordt, een weinig daalt, val ik onder de deken in slaap.
Van zeeziekte bespeur ik in zoo’n klein dansend prauwtje niets, terwijl een groote stoomboot mij spoedig onder de eerste slachtoffers telt.
Wel hoor ik in dien nacht telkens het eentonig gezang der roeiers en voel ik het deinen van het scheepje; dan keer ik mij om en slaap weer in.
Om vier uur word ik voor goed wakker. Nog altijd roeien die menschen met denzelfden slag als tien uren geleden. Nog onder den indruk van zwaar gedroom, dat mij in Holland verplaatste, kijk ik op en zie daar, ongeveer twintig graden boven de oosterkim, waar straks de zon zal opkomen, Venus in bijzonder gunstigen stand als een brok licht aan den duisteren hemel staan. Jaren geleden had ik haar ook eens in de Zwitsersche bergen, op zulk een wijze boven een bergrug te voorschijn zien komen. Toen had ik versteld gestaan over de grootte dier planeet; nu was ik verrast; immers over hetzelfdenatuurphenomeen staat een mensch maar eenmaal versteld.
Aan de Westerkim is de maan aan ’t ondergaan. Het eersteochtendkriekenontstaat boven de bergen van het eiland Morotai. ’t Is nu op mijn horloge kwart voor vijf geworden.
Na het eerste gloren ontstaan er teêre tinten in de lucht en de eerste duidelijke wolkafscheiding steekt af tegen een rossen, dan rooden, dan goudgelen horizon. Feller, steeds feller worden die kleuren; om half zes zet ik den zonnehoed op en druk hem in mijn oogen, nu de zon zelf verblindend boven Morotai te voorschijn komt.
Spoedig denk ik nu mijn doel te zullen bereiken, dat voor de kust van dat groote eiland ligt. Nauwelijks zijn de eilandjes tegen dien achtergrond te onderscheiden.
Vooruit! naar die eilandjes, die verder liggen dan ik eerst schatte; ’t wordt zes uur, zeven uur, zelfs half acht, alvorens de prauw over de zeetuinen van koraalgesteenten op het witte strand van Dodola besar heen kan worden getrokken.
De twee kleine huisjes, waarin de vijf man wonen, die, onder toezicht van een mandoer, elke maand door een nieuwe ploeg worden afgewisseld, zijn gesloten. Ik open de deuren en vind ze verlaten. De menschen doen dus hun plicht en zijn aan ’t werk. Na eenig zoeken vind ik ze bezig met den grond onder de klapperboomen schoon te maken. De kranige roeiers krijgen vrijaf om den dag te verslapen. Een vind ik een paar uren later met opgetrokken knieën op een stapel coprazakken, met den bijbel op zijn borst, in slaap gevallen.
Het spel der fantasie, in mijne jeugd bij ’t lezen van Robinson Crusoë gewekt, is werkelijkheid geworden. De waaiende palmenkruinen op hun hooge stammen tegen de blauwe zonnelucht, de tropische hitte, het schelle licht weerkaatsend van het witte zand der stranden, waartegen de blauwe golven spoelen, het prauwtje daarginds, de huisjes van gaba-gaba, atap en bamboe, de stilte van de natuur, die in den ochtend nog overheerlijk is, de eenzaamheid van den blanke tusschen zijn bruine broeders, het is hier alles in de werkelijkheid rondom mij.
Ik liet mij een veldtafeltje dekken.Ik liet mij een veldtafeltje dekken.
Ik liet mij een veldtafeltje dekken.
De inspectie over het groote eiland begint, waarbij een mandoer en twee man volgen. Nu wordt de cultuurman wakker, die met critisch oog de natuur bekijkt, om te zien welke voordeelen zij hem kan brengen. De palmen worden naar den leeftijd getaxeerd, de rijpe klappers worden aan eenige reeds overvloedig dragende boomen geteld, en de oogsten worden voor de naaste toekomst zooveel mogelijk getaxeerd. Het wordt tegen den middag ontzettend heet. Als dit werk gedaan is, gaan we terug, achtervolgd door muskieten. Een geweldige wesp zet zich op mijn wang en steekt me als met een gloeiende naald. De inlanders maken beenen, ik hen na, want een gansche zwerm komt opzetten. Op ’t heetst van den dag leg ik me neer onder de klamboe van het veldbedje. Dan wordt het tweede, veel kleinere eiland geïnspecteerd.
Tegen den avond laat ik mij voor een der huisjes onder de galalaboomen een veldtafeltje dekken, waaraan ik, op een veldstoeltje gezeten, eindelijk eens met een flink maal begin.
Door de goede zorgen van mijn gastvrouw te Tobelo is het een tafeltje-dek-je geworden. Het landschap is met fijne overgangstinten belicht, het wordt donker, maar reeds komt de volle maan op, die weer dezen nacht den terugweg zal belichten. Van de bergen van Morotai, over de zee die ons van dat eiland scheidt, komt de avondwind opzetten. Mijn roeiers trachten een zeil te maken op de prauw, in de hoop dat het nachtwerk, dat hen wacht, daardoor verlicht zal worden.
Eindelijk is alles klaar en is de prauw geladen. Eenige mannen komen nog met groote schelpen aandragen en dan gaan we den tweeden nacht in. Een nacht van volmaakte windstilte, want nauwelijks is het geheel donker geworden of de avondwind is ook ter ruste gegaan.
Het eentonig gezang dat den pagaaislag begeleidt, is weer aangevangen. Voor dertien uren zitten de roeiers weer op hun bankjes, om onafgebroken te roeien. Na den heeten, vermoeienden dag komt er op die stille zee een weldadige ontspanning. Alle gedachten aan zaken en zorgen worden gebannen en de geest zweeft op luchtiger banen door het onbegrensde, onder den goddelijken indruk van de ontzaggelijke ruimte om mij heen.
Toen ik ’s morgens om vijf uur wakker werd, waren we onder de kust van Halmaheira aangekomen. Op mijn vraag aan de roeiers of een van hen ook vermoeid was geworden, klaagde slechts een over een beetje pijn in zijn rug.
Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).
Tidoreesche koelies van de Obi Gom Cie. te Aké Selaka. (Phot. Baretta).
Binnen veertien dagen zou de boot van Java kunnen binnenvallen, waarmede, volgens de ontvangen berichten, de nieuwe administrateur, de heer Van der Molen, mocht worden verwacht.
Het huis op de onderneming was intusschen zoo ver klaar gekomen, dat het hem zou kunnen ontvangen, te meer daar hij zijn vrouw voorloopig op Java had achtergelaten.
Toen de boot dan ook het anker liet vallen, vernam ik al spoedig van bekenden, die aan wal stapten, dat de heer Van der Molen zich aan boord bevond en elk oogenblik met de motorboot aan land kon komen. En inderdaad, daar legde de motorboot aan de pier van koraalsteenen aan en aan land sprong een rijzige man in groen kaki, met een klein deukhoedje op zijn hoofd, een karwats in de hand en gevolgd door vier blaffende en springende foxterriers, die na de lange reis dol van vreugde waren weer vasten grond onder zich te hebben.
Het was de heer Van der Molen. Wij maakten kennis, namen elkaar eens op en de eerste vragen en antwoorden wisselden elkaar af. Ik had verwacht met een krachtig en joviaal mensch kennis te zullen maken; maar wat was dit voor een man met zijn smalle gezicht, zijn dwalende en onrustige oogen, zijn onzekeren blik en met die diepe groeven in zijn gelaat die van zielelijden spraken? Een neurasthenicus zeker! En wat moesten die vier honden? Voor Indië zoo iets zeldzaams en vooral zulke mooie exemplaren. Doch ik diende af te wachten, hoewel de eerste indruk, waarbij men het type reeds terstond leert kennen, allerminst gunstig was.
Een boot vol bagage, kisten en koffers, zelfs een veldkeuken volgden hem en tevens een Javaansche jongen.
We wandelden achter den grobak, met bagage volgeladen, landwaarts. Hij deed de eene vraag na de andere, en keek me onderwijl half angstig, half brutaal aan, terwijl hij zeer ongeduldig was om zijn huis op het emplacement van de onderneming te leeren kennen. Toen we daar aankwamen, keken de aanwezige contractanten nieuwsgierig naar hun nieuwen chef, en verbaasd en giechelend naar de vier fox-terriers, die wild om ons heen stoeiden. Het huis stond hem nogal aan, de ligging vond hij mooi, hij zou het zich hier eerst eens “senang” maken, alvorens verder rond te kijken.
Na dit eerste samenzijn had ik dien man voldoende gepeild, om met een bezwaard hart en met allerlei vragen, waarop nog geen antwoord te vinden was, dien avond naar huis te gaan. Hoe zou ik ooit aan zoo iemand mijn werk met vertrouwen kunnen overdragen?Hoe kwam hij er toe naar deze positie te hebben gedongen? Hoe was het mogelijk, dat men zulk een man hier heen had gestuurd? Maar hoe werd ik hem weer kwijt, en hoe moest ik me dan helpen?
Vol innerlijken wrevel na die eerste kennismaking, zat ik dien avond peinzend bij den zendeling onder de galerij en verlangde, waar ik in de toekomst mijn werk onder leiding van zoo iemand mislukken zag, naar Holland terug, weg uit dit akelige Indië met zijn zwervers, zijn dépravés en zijn ellendelingen, waarmee niets aan te vangen was. Dat Indië, waarover men in Holland wel kon fantaseeren, doch waarvan men voor die werkelijkheid staande, met allerlei onverwachte ongunstige factoren rekening had te houden, welke men den eerlijken strijder, bij een slechten afloop, niet steeds in zijn voordeel zou boeken.
Dien avond ging ik in een bittere stemming naar bed.
Den volgenden morgen toen de rol werd gehouden, bleef het huis, waar Van der Molen sliep, gesloten. Eerst tegen 7 uur ging de deur open en kwam mijnheer, in morgentoilet, met een paar slaperige oogen eens kijken. Tegen den middag gingen we een eindje het bosch in. De man was toch administrateur en moest toch wel eenige belangstelling toonen en van een en ander nota nemen. De eerste dagen liet ik hem zoo aan zichzelven over, totdat hij zich in zijn huis met behulp van zijn jongen goed en wel had ingericht. Toen verzocht ik hem ’s morgens op de rol te verschijnen en in zijn kwaliteit op te treden.
Mijnheer verscheen echter niet op de rol en hij zag gaarne dat ik voorloopig de administratie bleef voeren. Voor een wandeling door het bosch, voor een kijkje hier en een kijkje daar, waarbij zijn vier honden hem altijd vergezelden en het meest zijn aandacht in beslag namen, was hij wel te vinden. Voor hetgeen hem echter interesseeren moest, bleef hij vrij wel doof. Hij was afgetrokken als een man wiens gedachten steeds door iets anders van het naastliggende worden afgeleid, als een speculant die voor zijn ondergang staat.
Wel bemerkte ik, dat hij zich eenigszins voor de contractanten interesseerde, en dat hij tijdens mijn afwezigheid lange gesprekken met hen hield; voorts dat de aanwezige gereedschappen en voorraden door hem in oogenschouw waren genomen, want weldra kwam hij met aanmerkingen over de veel te geringe hoeveelheden, die hij had gevonden. Daarop werd door hem een lijst gemaakt van alles wat hij wenschte te bestellen. Die bestellingen liepen echter zoo de spuigaten uit dat, ik hem hier en daar wel attent moest maken op de al te buitensporige hoeveelheden, die hij nu wenschte te laten komen. Daar zouden, onder meer, 300 kilo spijkers en 100 kilo schroeven door hem worden besteld, verder blikken lijnolie en roode menie, verf, ijzergaas en prikkeldraad enz. in zulke hoeveelheden, dat we een aparte loods voor dien noodeloozen en kostbaren opslag zouden moeten bouwen. De verzending der brieven met deze bestellingen zou echter voorloopig op de terugkomst der boot moeten wachten.
Intusschen vermeerderden van zijne zijde de aanmerkingen met den dag, waarvan de diepere oorzaak was, dat de man geen energie en geen lust had tot het opbouwende werk dat hier gedaan moest worden.
Daarenboven was hij door ’t vernemen der praatjes van Verster op zijn lange reis naar hier vergiftigd. Deze had namelijk van Makassar tot Tobelo alle plaatsen die door de boot werden aangedaan, met zijn laster besmet. Hij had dit zoo bont weten te maken, dat zelfs onder de zendelingen op de verafgelegen posten, door hem op zijn terugreis bezocht, een tijdelijke verkoeling was ontstaan.
Intusschen zat ik met mijn nieuwen titularis, die mij met telkens hernieuwd wantrouwen lastig viel, die steeds meer aanmerkingen begon te maken, steeds meer cognac begon te drinken, waarvan hij met andere spiritualiën een goeden voorraad bij zich had, die steeds onbeschaamder werd en als administrateur meer bedierf dan goed deed.
In zijn huis hingen verscheiden portretten zijner vrouw, een zeer wereldsche dame, een vrouw die het hier geen twee weken zou uithouden. Zijn geschiktheid voor deze positie, die hij als getrouwd man anders zou hebben, werd daardoor ook niet beter. Zijn praatjes over allerlei perkara’s (wat ruzie of kwestie beteekent, een der eerste woorden die men in Indië leert kennen), waarin hij gewikkeld was geweest, gaven mij al spoedig de zekerheid, dat ik binnen niet al te langen tijd ook dezen man zijn ontslag zou moeten geven.
Doch wat dan?
Op een morgen maakte hij het zoo bont en toonde zich, met zijn verzwakten geest en zijn ondermijnd lichaam, zoo in ’t geheel niet opgewassen voor zijn taak, dat hij zelf door den last, die hem nu reeds scheen te drukken, het woord ontslag noemde. Het was de tiende dag van zijn verblijf te Tobelo.
Toen hij eenmaal het fatale woord ontslag genoemd had, moest hij vernemen, dat dit des te eerder des te beter gewenscht was.
Dien middag verscheen ik met twee getuigen in zijn huis en reikte hem in hun bijzijn zijn ontslagbrief over. Hij kon dan met dezelfde boot, waarmede hij gekomen was en die binnen zeven dagen terug zou keeren, naar Java teruggaan. De brutaliteit van mijnheer en zijn eischen over het uit te keeren salaris kenden nu evenwel geen grenzen, hoewel hij vrije passage heen had gehad en ik hem vrije passage terug plus een bedrag in contanten waarborgde.
Men moet zelf in een bijna rechtloozen staat, zooals die verre posten in de Buitenbezittingen, wanneer goede ambtenaren ontbreken, practisch nog zijn, met dergelijke desperado’s of hoe men zulke menschen noemen wil, te doen hebben gehad, om te weten hoe moeilijk men zulke patienten, die daarbij nog altijd met recht en wet schermen, tot rede kan brengen. Slechts het dreigement hem op staanden voet uit het huis en van de onderneming te laten zetten, kon hem dwingen tot het teekenen van een stuk, waarin hij, na ontvangst van zijn salaris, zijn passage en nog een extra uitkeering, afstand deed van alle eischen, die hij volgens zijn contract misschien nog eens meende te kunnen laten gelden.
Kreunend en bijna jankend als een geslagen hond gaf de man, die nooit iets had uitgevoerd of van plan was geweest iets uit te voeren, ten slotte toe. Ik liet hem in het huis, waar hij kon blijven tot de boot zou komen.
Zie zoo, dat was afgeloopen. Doch nu een derde administrateur! Hiervoor zou ik zelf moeten zorgen. Het was mij bekend, dat bij de Batjan-maatschappij ten Zuid-Westen van Halmaheira een jonge getrouwde assistent, een Hollander, naar verbetering van zijn positie haakte. Hij had reeds door bemiddeling van anderen zijn diensten, die ik toentertijd niet gebruiken kon, aan mij aangeboden. Zeer waarschijnlijk was deze jonge man nog daar ter plaatse en allicht zou hij nog gaarne voor deze betrekking in aanmerking komen. Ik zou van geluk mogen spreken, indien ik er in slagen kon hem te engageeren, daar ik in het andere geval naar Java zou moeten reizen. Men bedenke daarbij wat zulk een reis, die slechts eens in de maand te doen is en waarvan de duur even lang is als van Europa naar Java, terwijl ik hier onmisbaar was, voor mij moest beteekenen.
Ook deze reis reeds, naar Batjan en terug, zou door de slechte verbindingen reeds weken kunnen duren.
Nog een week had ik voor me, om mij op mijn langdurige afwezigheid voor te bereiden. Het was weer de oudste zendeling die mij hielp, door zich genegen te toonen gedurende mijn afwezigheid den opzichter en de mandoers te controleeren, wat voor mij van onschatbare waarde was. Onder dien zedelijken invloed, hoopte ik, zou het ontginningswerk niet te veel te lijden hebben; maar in elk geval, nood breekt wet en zoo maakte ik mij weer gereed tot een zwerftocht, waarvan het einde nog niet te overzien was. Weer werden een paar koffers gepakt en werd alles voor het vertrek gereed gemaakt.
Op de onderneming ging ondanks die strubbelingen het werk geregeld zijn gang. Van der Molen ontweek mij door ook overdag veel te bed te blijven of in zijn achtergalerijtje weg te kruipen, wanneer ik in het kantoortje verscheen, dat reeds gedurende eenigen tijd naar de binnengalerij van dit huis was verplaatst.
Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.
Het tijdelijke administrateurshuis in aanbouw.
Het was op een Zondagmorgen, dat ik plotseling verrast werd door de ontvangst van een schrijven van zijn hand, waarin hij mij mededeelde den avond te voren, terwijl hij in de ontginning wandelde, van een boomstam te zijn gegleden, waarbij hij zich ernstig in de zijde had gewond en nu met ondragelijke pijnen te bed lag.
Met den oudsten zendeling, die eenige medicijnen medenam, spoedde ik mij daarheen en vond hem in zijn slaapkamer te bed krimpend van pijn. Uiterlijke teekenen van een verwonding waren niet te constateeren, doch hij deed ons een omstandig verhaal, hoe hij den avond te voren om zes uur dat ongeluk had gekregen en sedert dien tijd hier met die pijnen lag. Bij navraag aan zijn Javaanschen jongen bleek, dat de Toewan om zeven uur ’s avonds nog springlevend was geweest. We begrepen nu niets meer van dien man, die daar waarschijnlijk den zieke speelde. Hij deed het echter zoo natuurlijk, dat we in twijfel verkeerden, te meer daar we volstrekt geen reden voor simuleeren konden ontdekken.
Den dag daarop lag hij nog evenzoo. Hij at niet, kreunde maar en dronk soms wat koffie en cognac. Het werd mij in dat huis steeds ongemoedelijker, tot ik den derden dag van zijn ziekte eens weer in zijn slaapkamer kwam en niet wist of ik lachen of huilen moest. Met een verwilderd gezicht, in een vuil geworden pyjama, onder een vuile deken lag hij daar nog steeds in een donkere, benauwde kamer, waarin alleen door reten in den gaba-gabawand eenig licht drong. Met een zwakke stem zuchtte hij slechts. “Wanneer komt die boot nou?” Tranen had hij in zijn oogen, ongeschoren waren zijn kin en wangen, het magere gezicht was nog magerder dan anders en om zijn hoofd had hij, als een tulband, natte doeken gewikkeld. Hij was, zooals hij daar lag en zich gedroeg, een toonbeeld van de diepste menschelijke ellende. Toen dacht ik een oogenblik dat hij niet toerekenbaar meer was en kreeg medelijden met hem. Weer klaagde hij over pijn in de zijde. Tegen zijn zin werd bij nu op een langen dekstoel naar buiten gedragen, waar hij frisschere lucht had en naar de groene boomen, de zon en de blauwe lucht kon kijken. Misschien zou hem dat wat opkwikken. Een aanbod om geneeskundige hulp van den zendeling te halen, sloeg hij zeer beslist af en zoo liet ik hem liggen met de verzekering, dat hij mij elk oogenblik kon laten roepen, als hij hulp noodig had.
Zoo bracht ik eenige uren per dag in dit “unheimisch” geworden huis door. Hij, kreunend op zijn bed, ik werkend aan de schrijftafel. Het weergalmen van de fluit der verwachte stoomboot maakte hieraan plotseling een einde. Iedereen kwam in beweging, ik zelf niet het minst, want weer heette het vertrekken en nog laatste orders geven en een laatste hand leggen hier en daar.