Chapter 8

Maar neen, het kon, het kon niet zijn! Als zij weer heelemaal beter zou zijn en hem weer lief zou kunnen hebben, volledig, zooals zij het zoo graag wou, dan zou ook zijn liefde weer opleven, die niet dood was, maar alleen sliep. En toch, neen, wel was zijn liefde dood! Daar kwam een huivering van uit de verte over Mathilde, door de ruiten, door het behangsel. Zij hoorde Jozefs stem als heel ver wech praten, maar in een anderen, onbekenden, een ijselijk vreemden toon. Het was zijn stem niet meer. Zij zag hem gebaren maken, zijn mooye gestalte in een licht zomerpak, zijn armen, zijn beenen bewogen; zij zag zijn groote regelmatige tanden bij het bewegen der lippen onder den dikken knevel te voorschijn komen; zijn fijne rijtjes oogharen bewogen op en neer, hij keek, als sprak hij ook met zijn oogen. Maar hij was het niet meer. Het was een vreemdeling, die zijn gedaante had aangenomen. En toch wat was alles om haar heen vol van hem, vol van zijn liefde. Was 't niet zijn adem, waarin zij leefde? Had hij om haar lichaam en om haar geest niet een sfeer geblazen, waarin alleen zij leven kon?

Hoe wit was de kamer hier, hoe bloeide alles buiten in de zon! Maar in wat voor een vreemde omgeving zat zij hier! Neen, zij kende deze kamer niet, dit huis, zoo luchtig, zoo licht, dat men als een doos over haar heen scheen te hebben gezet. Wat waren dat voor bloemen, zoo hoog, daar buiten de ruiten? Waar was zij toch hier, wie had haar hier neergegooid, zoo vreemd, zoo ver, hier "buiten"? Mathilde keek rond met groote oogen: daarop streek zij met haar hand langs haar borst, om zich van haar eigen bestaan te overtuigen. Zij wreef haar eene hand over de andere, drukte de knieen samen. Daarop hief zij zich, nauwelijks, in zittende houding, boven haar stoel, de borst en rug recht. Daarop lei zij kruiselings, over de papieren van het huishouden heen, haar armen op elkaar, kromde zich, zonk ineen, drukte haar gezicht in haar armen en snikte, eerst zachtjes, toen sneller, hijgende met een verdoofd kreunen, en eindelijk met lange ademhalingen, uitgeput. Een vreeselijke leegte werd haar heele wezen. Zij voelde alles wechgaan, alles haar verlaten. Zij schreide haar ziel leeg. Nu eens huilde zij niet meer, zij scheen tot bedaren gekomen. Maar dan, in haar dorst naar tranen, wekte zij weer een herinnering op, deed haar gedachte tot het bewustzijn van haar alleenheid terugkeeren en borst op nieuw in snikken los. Zij zag haar heele bestaan vruchteloos, al haar geloof, al haar hoop verbrijzeld. Zij was alleen, alleen; zij deed haar handen aan beide kanten van haar hoofd, boven de ooren, om er het begrip van haar alleenheid in te wringen, want haar hersenen wilden niet begrijpen. Daarna stond zij op, bekoeld, rillerig, ging voor het venster staan, haar voorhoofd tegen een ruit gedrukt boven haar moede kwijnende oogen. De smalle strepen van haar tranen, die over haar wangen afdropen, droogden in de van buiten komende warmte. Haar borst steeg en daalde, terwijl zij een paar maal hevig zuchtte. Daarna keerde zij zich om en ging, met haar oogen iets zoekende tusschen de papieren op tafel, te-rug naar haar plaats. Zij nam een schrijfboekje op: het dagboek, dat zij hield van Jozefs komen en wechblijven, En zij keek na: gisteren "niet geweest", eergisteren "niet geweest", en verder "niet geweest", "niet geweest". Toen dacht zij weer na. Zes dagen! Waren het maar zes dagen geweest? En al die tijd, dat zij alleen was geweest, ochtenden, middagen, avonden, nachten, een eeuwigheid van bange gedachten, een eindeloze angst, al die tijd, dat zij gestaan, gezeten, gelegen, geknield had, haar blikken dwalende over de voorwerpen in de rondte, een kastje, dat zij niet herkende, een hoek van de kamer die zoo onbegrijpelijk leeg scheen! En voor zijn laatste overkomst was Jozef toch ook nog wel eens zes dagen wechgebleven. Kon zij er dan niet aan wennen? Het was toch wel natuurlijk eigenlijk!

* * * * *

En het huishouden ging zijn gang met den onverschilligen tred van het dagelijksch leven, als een vreemde koele man, die zonder te zien haar gemoedsleven voorbijliep. Het was nu de tijd van koffiedrinken. Marie kwam binnen, met haar blozende gezondheid en haar hoofd als een groote appel, met Felix op haar arm.

—Zeg dan: morgen, lieve moeder, goeye morgen!

Het kind spande zijn oogjes, zonder wit, geheel door de blauwe bollen gevuld, wijd open, hief zijn stukje arm, met de tengere vurig-roode vingertjes naar boven, lachte schalks zoo als oude lieden kunnen lachen, zonder wenkbrauwen, en herhaalde, terwijl de woorden zich oplosten in het weeken van het ongevormd mondje:

—Moye, liefe moede, goeye mo …

Mathilde, zwijgend, met een stijvigen glimlach, strekte de armen, nam het kind op haar schoot. Marie, met het opengeschuif van laatjes en een gerinkink van zilver en glazen, zette klaar voor de koffie. Mathilde zoende Felix op zijn dunne korte doorschijnende haar, zacht en glad als hazewindenvel. Maar zij vond geen liefkozingen, die hem bezighielden; hij draaide zijn groot bol hoofdje naar het venster, in geluidloze verwondering over zijn moeder.

Toen Marie even wech was gegaan om de kleine koffiekan uit de keuken te halen, werd Mathilde weer aangegrepen door het gevoel van daar alleen koffie te gaan drinken, zoo dat het eten zeker in haar keel zou blijven steken. Haar alleenheid sloeg haar nu in den geest met de regelmatige slagen der grijze scherpe eentonigheid. Het witte servet spreidde zijn koude tergend voor haar uit, wierp zijn snijdende vierkantheid tegen haar aan. Weer begon zij te huilen. Haar armen hadden zich verlamd, zij vergat Felix, die eensklaps zachtjes van haar schoot op de vloer gleed.

Marie zette Felix' kleine tafeltje voor een venster. Uit een spanen doosje werd een heel leger van kleine tinnen soldaatjes geschud. Felix ging nu "opzetten" en in de stilte dronk Mathilde koffie. Zij at veel brood, meer dan zij honger had, hopende haar leed er telkens bij in te slikken; zij hield in die dagen meer dan vroeger van brood. Zijn kruimerige droogheid en zijn brosse korst raakten haar gehemelte sober en zedig, en brachten haar, met de herinnering aan haar vader, een lichte zweem van zachte troost.

Na de koffie deed Mathilde een wandelingetje in den tuin. In den gang maakte ze een praatje met Jans over het weer, heel even, en stapte daarna met de zwakke treden van haar stoffen pantoffels op het straatje en in de laan. Het was pas kort geleden dat de dokter permissie had gegeven voor zulke tochtjes. Toen het heelemaal zomer werd, was zij eerst gegaan een klein eindje, gesteund door Marie, toen weer een eindje verder, met haar wandelstokje bij zich, om uit te rusten. Zij ging nu altijd naar de "hut", een prieel, een soort van wijdopenstaande rieten kast, met een bank in de rondte tegen den wand en een vlekkerige afgeschaafde groengele zwarterige ronde tafel in 't midden. In de hut bleef Mathilde uren zitten breyen of lezen, tot aan het eten. Als zij daar zat, zonder gedachte over de bladen van haar boek heen te turen, moe van het droomen en treuren van al haar dagen en nachten, werd zij onbewust het ruischen en leven van den tuin om haar heen gewaar en vloeide de zomer door al haar zinnen binnen. Langs haar voeten, langs haar schenen, haar knieen, haar dijen woelde de zomerlucht door haar onderkleeren en zuchtte allerwege haar huid in. Zij voelde koude plekjes aan haar beenen, als afgerond en zich plotseling op haar vel neerdrukkend om haar uit haar mijmering te doen ontwaken. Zachte wind wasemde met stille huiveringen door haar witte rokken, ritselde op langs het kiezelpad van den bodem, deed den zoom van haar kleed op en neer gaan. Om haar heen had zij nu het grijsbruine licht, de ledige kleur der rieten omkasting. Een rust ademde uit die beschermende kleur, van achteren en van links en rechts, in de rondte. Boven haar hoofd had zij de ernstige rieten kap, donkerder bruin, zwijgend en vooruitstekend, het hemelblauw den weg afsnijdend om tot in haar oogen neer te kaatsen. Maar door de opening van de hut, die eindeloos scheen, voor haar uit, zweefden alle kleuren en geuren, al het bloeyen en wasemen van den heelen tuin met boomen, bloemen, lucht en aarde, met zijn geschitter en geglans, zijn doffe en blinkende gedeelten, zijn jubelen, zijn beweging, zijn warmte, zijn sidderingen, zijn liederen, op haar toe en omwemelde haar gezicht. En zij werden krachtiger, de kleuren; zij wiegelden, zij druischten, zij snelden, zij stormden op Mathilde aan, een koor van kleuren, een wijd veld levende mozaiek, zij zongen harde, felle klanken in haar oor. Toen, om de kleuren te verzachten, sloot zij half haar oogen, de appels verflauwden zich achter den nevel der oogharen, haar bleekroode lippen zegen zachtjes open, zoo dronk zij, haar hoofd even naar achteren gebogen, den lauwigen zomer in met oogen en mond. De zwakkere kleuren weken nu wech; alleen het donkere paars van een perk rhododendrons, en het gelige en het sombere groen van het lichtelijk golvende gras en van de zoetjes wuivende bladerenmassaas, de blankheid van het huis, en de kleine plekjes van twee diep-purpere stamrozen, bleven, vergoud door de tusschen het huis en de hut neervallende zon. En het goud, het vloeyende goud, bleef de groote kleur, en wazig golfde het heen naar Mathilde, haar oogen binnen. De teedere lauwe lucht drong in haar keel, verdroogde haar mond, de geur van jasmijnen, in een heesterboschje rechts van de hut, walmde op in haar neusgaten. Zoetjes wiemelden pakjes lucht over haar voorhoofd, haar wangen en door haar hals, neerhangende haarvlokjes in haar hals beefden stil heen en weer. En zij hoorde niets meer dan het kleine geruisch van de warmte. Zij gaf zich over, zeeg naar achteren, haar hoofd over haar borst, haar handen aan weerszijde, tintelend en gevoelloos, van de bank afhangend; haar vingers alleen maakten aarzelende, stervende bewegingen van uitrekken. Een zalige wezenloosheid suizelde door haar hersenen. Hijgend nam zij den zomer in zich op; windjes schenen van haar voorhoofd het bewustzijn van het lijden wech te streelen. Maar dan begon zij eensklaps te hooren. Een lijster sloeg klaterend klaar zijn geluid uit links, schuin boven haar hoofd in het dennenboschje. En het schaterde door haar oor naar binnen. Zij deed haar oogen in eens wijd open, richtte zich half op. Als een slag van metaal vielen nu de zomerkleuren tegen haar aan, hel, flikkerend, koud. Het purper, het groen, het wit, het goud, namen als vierkante en driehoekige vormen aan. De kleuren werden lijnen, schenen tastbaar. Dan week de slag en een loome droom als een onzichtbare sluyer, suizelde van Mathildes hoofd en leden naar beneden.

Tot aan het eten bleef zij in den tuin, tusschenbeide zachtjes aan een beetje wandelende, telkens te-rugkeerende in de hut om uit te rusten. Een enkele maal zag zij, naast een boschje groen of boven een bloem-perk uit, Marie en Felix drentelen. Eens ontmoette zij hen in een nauw voetpad. Marie en zij glimlachten vreemd en flauw tegen mekaar, er was als een onbewuste vijandelijkheid tusschen die twee monden, de eene breed, grof, rood, vochtig, met zijn groote tanden, de andere flets en verdund, waarvan de tanden niet kwamen te zien. Felix trapte in speelschheid op Mathildes sleep, en lette verder niet op haar.

Mathilde at eventjes over vijven, om dat Jans altijd een beetje te laat klaar was, met Marie en Felix, in de groote kamer. Marie moest Felix helpen, bond zijn servetje om zijn hals, sneed het vleesch op zijn bord aan heele kleine stukjes, maakte de aardappelen fijn. Het servetje werd onder zijn bord op tafel gelegd en Marie knorde op hem als er een lange bruine of gele vlek op het servetje kwam, van zijn lepel of van zijn mondje. Felix was tusschenbeide erreg wild en gooide de tinnen kroes, waaruit hij water dronk op den grond. Dan zei Marie: "ondeugende jongen!" en kreeg Felix voor straf geen of heel weinig kersen aan het dessert, Marie had verder aan Mathilde heel veel te zeggen; zij zat altijd recht op haar stoel en leunde nooit terwijl zij aan tafel zaten, om dat zij wel wist wat fatsoenlijk was. Zij schoof dan tusschenbeide het eten naar een kant van haar mond en praatte met den anderen over de buren en hun kinderen. Zij had gehoord, dat in het houten huis, achter, aan den Vaarderweg, een dame kwam wonen, een weduwe met twee zoontjes, die mevrouw van Borselen heette. Of dat diezelfde mevrouw van Borselen zou wezen, die Mathilde wel kende van vroeger uit de stad? Vrouw Steyer, de huisbewaarster van de societeit, daarnaast, had het haar verteld, dat zij gehoord had, dat 't een heele nette dame moest zijn, en de zoontjes nog heel jong waren. Nu had Marie gedacht, dat dat dan misschien goede kameraadjes voor Felix zouden worden. Want al lang keek zij eens rond of er geen fatsoenlijke kinderen waren, jongetjes van zijn leeftijd, waar Felix mee om kon gaan. Marie hield al sprekende, om het waarschijnlijk te maken, dat wat zij zeide zeer goed bedacht was, haar vork rechtop stijf op tafel gedrukt, terwijl Mathilde alles beaamde en alleen een enkele maal flauw gesproken vraagjes over Felix deed, of hij goed had opgepast, of hij flink had gespeeld. Daarna glimlachte zij goedkeurend naar Felix bolle blauwe oogen met haar verdoofden lach of vermaande hem gemaakt-onverschillig zoetjes, met een zwakke opheffing van haar wijsvinger en een donkere ernst in haar oog. Felix lette weinig op de gesprekken, maar keek voortdurend naar den straatweg, kraaide luid als er iets voorbijkwam, dat hij herkende, en stak daarna uit verlegenheid zijn vingers in zijn mond.

Maar van-daag mijmerde Mathilde voortdurend zwijgend aan tafel voort, nog onder den schrik harer gewaarwordingen van in den tuin. Zij voelde, dat zij haar eigen verdriet dien middag in de kleuren had gezien, er was iets gebroken in haar gemoed, de schelp van een inwendig oog was stuk gebarsten. Nu kon zij beter dan vroeger waarnemen en rondwoelen in haar eindeloos groot verdriet. Zij had al veel geklaagd en veel geweend, maar zonder er op in te denken, en nu, nu zag zij zich zelve, maar zij herkende zich zelve niet meer. Toen zij opstond van tafel, stond zij verwonderd. Zij kon niet meer denken zoo als zij gewoonlijk dacht; het bewustzijn van haar verdriet, het gewone, dat zij herkende, elken morgen als het bij haar wakker worden in haar opkwam, en dat zij elken avond op dezelfde manier in haar slaap zag verdwijnen, was wech; een ander, een vreemd, een angstig benauwend, een hoog, een dreigend, was er voor in de plaats gekomen. En zij was bang en verbleekte uit angst voor zich zelve. Zij was bang en zag op tegen het hooge zwarte gevaarte, het gebouw der gedachten en droomen, dat haar leed buiten haar om scheen te hebben opgericht en dat straks op haar neer zou storten, zich verbrijzelend over haar hoofd en haar hart in een eindelozen val van hooge donkere brokken na elkaar.

Een half uur later zat Mathilde, terwijl Felix, eer hij naar bed gebracht werd, zijn laatste wandelingetje liet doen, voor het eene raam der groote kamer, haar handen gevouwen op den schoot, te wachten op den naderenden avond. Het was nog helder dag, maar de zon, die 's middags die klaarheid warm had gekleurd stond laag in de lucht, schuin achter de iepen van den straatweg, en de klaarheid van den dag werd koeler, onverschillig. Achter de dichtst bebladerde hoogten der boomen verborgen, bescheen de zon den tuin niet meer, maar sprongen alleen rood-gouden stralen van boven, tusschen de dichte takken door, als snelle blikken van vuur, waarmee die hooge boomen Mathilde bezagen zoo als zij daar roerloos in stilte zat aan het venster. En de kleuren van den tuin waren nu droger, duidelijker, niet meer verkracht en tot brekens toe aangezet door de felle middagzon. De lucht was stil; alleen in de hooge boomtoppen knikten klapperende blaadjes tegen het doffe blauw van den hemel. In hun kalme waarheid hieven de kleuren van den tuin zich opwaarts. Het groene gras was mat, overstroomd met de wegduikende bleekgele boterbloempjes, bespat met de witte stippen der madeliefjes, een stilstaande stroom, waarop de roode bloemenrondtes neergespreid lagen. Het rood der geraniums was dof en dik, als gedroogde bloedvlekken, de stamrozen schoten hoog te voren glansend zijig purper, somber van schoonheid, de theerozen waren licht-gelig wit, licht-groenerig wit, van een warme zuiverheid, de maandrozen slingerden zich laag en verwilderd dooreen, met hun speelsch even blozende blaadjes, dun en licht en uitgevallen als stukjes verscheurd geverfd papier. De groepen boomen, aan weerszijde van het grasveld, de sparren, de beuken, duister groen, ernstig bruin, stonden nauw saamgedrongen, als zwijgende reuzenwezens, wachtend. De breede, stofferig-blanke weg van voren, met enkele gele zonnevlekken, rustte, vlak, wijd, geruchtloos. De boomen, de struiken, de huisblokken der omgeving waren dicht samengeschoven, vast aan de aarde gedrukt, waar en koel. De schaduwen waren bijna weg; alles scheen platter, zonder achtergrond, zonder in-een-smelting der kleuren, glad, effen, ijl, roerloos. Alles om Mathilde heen stond als kunstmatig daar zoo pas in-een-gezet, in de bedaarde onbewegelijkheid van liggende en opstaande-legkaarten.

Door de waterklare wit-blauwige vierkanten der ruiten, als een dunne wand van gestolten licht zoo nabij Mathilde zich oprichtend, dat hun stijve koelheid tegen haar bleeke hoofd scheen te stooten, bescheen de kalmte der door de zon gebroken achtergelaten kleuren haar voorhoofd, haar wangen, haar hals, weerkaatste op haar gezicht, glipte bij tusschenpoozen eerst onder haar half neergeslagen, zwaar hangende oogleden door, trok die daarna op en vervulde dan telkens even haar oogen geheel, helder en droog als een ontzachlijke plaat mat zilver met regelmatig opkomen en verdwijnen aan haar voorbijgaande. Telkens als haar oogleden open en dicht waayerden, vloden, als met langzame wiekslagen, de wit-glimmende blankheid van daar buiten en de doffe grijsheid der gesloten oogen van binnen na elkaar voort; en wanneer haar oogen zich sloten, hadden zij de vorm en de tint van wat zij gezien hadden zich ingespiegeld en drukte deze zich weer vaag af tegen den geelbruinen achtergrond der oogleden. Zoo zweefde de witte breede wreede kalmte in haar binnen en weefde zich in haar gemoed, zich samenspinnend met al de draden harer verbeelding.

Zij bedacht den geleefden dag. Zij zag hem in onbestemden indruk voor zich als een geheel, vaag-vlottend-lankwerpig-omlijnd als het venster binnen welks randen zij nu zijn vaal-blank einde waarnam, met het hellere licht der hoogste ruiten van-boven. Maar hij was niet een vlak, hij was een reeks vlakken na elkaar, een koker van kleuren, de gang met vreemde, onbekende, armigschuchter witte wanden in 't begin, rijk, drukkend overstelpend goud, purper en groen in 't midden, en weer kalm, wijd, klaar blank aan het einde, de gang van tinten, waardoor zij zich zag gaan, zachtjes levend den dag. En de zoldering, de zijwanden, de vloer van den gang verkleinden zich, trokken samen. De zoldering daalde tot op haar hoofd en schouders, de vloer was niet breeder dan haar voeten, de zijwanden raakten haar armen en beenen. De dag verloor zijn rechte lijnen, werd meer en meer de vorm van haar gestalte, de kleuren golfden om haar leden, drongen zich over haar huid heen, het goud, het groen, het rood, het purper hechtten zich aan haar vast van het hoofd tot de voeten. De dag verloor zijn lengte, de witte uiteinden krompen tot elkaar, sloegen samen, een blanke gloed vermengde zich met de donkere kleuren. De dag stolte zich om haar leden heen als een gloeyende alles bedekkende tooi. Zij ging in een kleed van zomerkleuren. Van haar schouders tot haar voeten was het goud en groen en purper, en om haar hoofd hing een glinsterend witte sluyer en om haar voeten lag sneeuwige satijn. Maar het kleed werd benauwend, het wrong zich aan haar op, het huiverde haar huid binnen. En het kleurenkleed werd haar huid, werd haar zelf. De dag werd een met haar. En zij was gelukkig de dag te zijn. Zij voelde zich niet meer; zij was van lucht zij was van licht. En altijd zou zij zijn, want de dag zou nooit vergaan. Zij was in eenzalig-roerlooze rust, in de onbewegelijke klaarheid der omgeving opgegaan.

En Mathilde droomde, zittend aan het venster; de ruiten, vaal-groenend van naderende duisternis, lachten met een hollen glazigen lach.

De zon was lager gevallen. Uit zijn donker-oranje-gloeyende rondheid, hoog schuin, ver weg, zwierven nog rooyerig-gele stralen, als stukjes regen van scherpe lijnen, door de heesters aan d'overkant van den weg neer, alsof zij gebroken in dat groen bleven hangen. Wijdweg, aan het einde der platte velden achter de tuinen der buitens, was een laaye gloed van blakend koper uit een zee van donkerder gloeyend goud opgewasemd in de lucht, een brandende uitwolking van alle geeltinten, van beneden af uit het warme bruinende vlammen-geel rijzend door het vette okergeel, het scherpe citroengeel, het sombere hooigeel, het dik-blanke roomgeel, het groenige geel van najaarsbladen, het droge stroogeel, het bleeke duinzand-geel, tot een lichting van hel zilverig-wemelend wit, vlottend omrand en doorsijpeld van gazig week groen, blauwig-teer violet, zachtglad bruin. Die gloed stuwde toe over de platte velden, zich brekend tegen de beplantingen waarboven het zilverwit vergrijsblauwde hoog in de lucht, tot Mathildes tuin luwend in matte kwijnende klaarheid, achter de ruiten verzwakt tot een flauwen schijn van wit-grijs, achter in de kamer stervend tot doffe schaduwen.

Van den duister blauw-grijzen hemel daalde breed een donkere bleekheid, de open ruimten vullend, de hooge ovaalheden der boomen, scherper omlijnd, van elkaar afzonderend, om de stammen heenstarend in wijde open-grijze plekken, de bloemenkleuren verfletsend, het gras met zachte deiningen van donker-groen versomberend, op den straatweg, over de kiezel-steenen, tegen den gevel van Bagatelle, zich in onzichtbaar-ronde, snel verdwijnende afdruksels verwittend. In een stillen, doodelijk-stillen weemoed vergingen de dagkleuren. Een enkele maal vloden, als bewegingloze windvlagen van verflensende herinneringen, strepen lichtschijn verwaterde zonnestralen door de ademlooze droeve bleekheid. Een heele lichte wind, als een kinderadem zoetjes rondwispelend, deed de bladeren der neernijgende stamrozen even trillen; in de hooge boomen zusten de lichtste takjes en blaadjes stilletjes heen en weer, met een gerucht van verre snikjes.

In de kamer wademden fijne, dunne zwarterige mist-tinten binnen. Boven de piano, achter de stoelen, bezijden het kastje, onder de tafel, strekten zich zware schaduwen. Zij streken doezelige randen om de deur-posten en de lijsten der schilderijen, zij schuifelden in driehoeken en schuine vierkanten tegen het plafond op, zij maakten de wanden tot glansloze spiegels, waartegen de vaasjes, de beeldjes, de hoeken van het kastje de leuningen en pooten der stoelen zich schetsten, als kleine schimmetjes, vreemde figuurtjes, dof-grijze vlekken; zij spreidden den donkeren schijn der stoelen-zittingen en van het tafelkleed in lange stroken en flodderende plooyen over de vloer. Zij ritselenden onhoorbaar voort, hun vormen steeds uitrekkende, verbreedende, verdonkerende, als aanhoudende zware zuchten. Zij waren als lange lage sombere fluisteringen van leed, die van de kamer uit naar alle kanten door de wanden heendrongen. Zij werden weer donkerder en grooter, liepen als zwarte waterstralen langs het behangsel, vloeiden in glansloze plassen over het tapijt, drongen als donkere wolkjes van boven door het plafond. Dan verroerden zij weer niet, bleven vast overal in denzelfden vorm, als langdurige zachte echoos van den stillen weemoedsklank van den avond.

De dingen van de kamer waren hard-donker, zij drongen hun vormen uit, scherper afgehoekt, van een inniger vastheid, als blokken en stukken hard, ondoordringbaar hout en metaal. Aan den achterwand van de kamer vergrootten twee kleine sofaas zich in een vermenging met hun schaduwen, andere meubelen kregen bulten, warrige uitwassen, boller wordend, zich uitzettend. De dingen leefden hun geheime leven, gewekt uit den kouden dagslaap. Verbruind, vergrijsd en verzwart, schenen zij onmerkbaar te bewegen in snel weer rustende bevingen. Zij schenen samen te leven, zacht, met holle smartelijke uitingen in de diepe toonen hunner schaduwen.

Mathilde zat voor het venster, ingekrompen, als een klein wezen onder den mateloozen avond, in-een-geslonken, samengestijfd tot een voorwerp, een stuk van de kamer. Zij zat daar als een dof pak grijze stof, zij zat daar als had zij zich tot steen verdroomd. De grijze plooyen van haar kleed bleven in hun bochten, rondingen en gleuven onveranderd, als voor altijd zoo gehouwen. De witte tegenkant van haar kleed tandde zich in de schaduw in een lange gekartelde rand vergroot af en van den wollig-zwarten schijn uit, die haar rokken op den grond maakten, sloop de schaduw tegen haar gestalte omhoog, over de vlakke plekken van haar kleed strijkend, binnen de voren van haar kleed glippend, haar gelaat aan de eene zijde als tot dat van een schim vernevelend, haar bevangend in een grijs-zwarte kleurenwade. Klagend zwart hing de kap van haar loome haar over haar hoofd, waaronder alleen de bleeke plek der door de ruiten vaal verlichte zijde van haar gelaat mat-wit uitscheen. Haar leden waren lam uit-een-gezonken, haar oogen glommen zonder straal over de zielloze handen op haar schoot.

Buiten viel de zon wech aan den horizont. De gele gloed was lager geweken, maar heel beneden over de aarde vloeide een stroom rijke roode kleuren, opgolvend uit klompen rood-zwart, rood-bruin, rood-grijs, als een heuvelrij aan elkaar vast. Het bloedrood steeg door het karmozijnrood, het rood van gloeyende kolen, het aardbezien-rood, het perziken-rood, tot een verteedering van roze, vol liefelijke kwijnende lachjes, vol kusjes en kleine zoete vluchtige mijmeringen. Maar het roze wemelde stilletjes wech, het was een zachte afscheidsgroet, de blik van heengaande oogen, het laatste wuiven van een zakdoek bij het keeren van den weg. En hooger in de lucht, tegen het verzwartende blauw-grijs, hoog boven de boomen en den tuin, sloeg het rood van den gezichtseinder tegen den hemel, het verpurperend tot een kerktint, tot een plechtige welving van sombere kleur.

Als een sneeuw van donker purper wemelde de schemering hoog in de lucht, daalde, zich verpaarsend-tegen het boomengroen, in grijs-violette tinten over de aarde neerkleurend. Door de iepen langs den straat-weg voer de wind, zij bogen hun toppen, en hieven ze weder en bogen nog eens met een naar boven ruischend en zich daar los-kreunend geklitter der gebladerten, als heenfladderend in de donkerte. Het grasveld stroomde langzaam voort, donkerder, terwijl de bloemen-kleuren in zijn hooger grommelende groene zwartheid verloren gingen. Het witte kiezelsteenen pad, vlak voor de ruiten, vlood heen, giegelde ijlings weg onder de zwarterige warreling die er bij scheutjes op neer rookte en weer opwiemelde, kringend en krullend als stof om dansende voeten. De breede weg gleed vooruit als in de verdroogde staalblauwe glansen van een ijsbaan. Het purper verblauw-zwartte hoog in de lucht, het paars en het violet werd bruin-zwart, groen-zwart, grijs-zwart.

Langzaam, onmerkbaar langzaam en stil van alle kanten aanwolkend, dauwde de schemering neer, Mathilde sluitend in een duisteren damp. Korte schokken schoten, dadelijk weer verstommend, onder haar kleed, als een zwak hortend gestommel harer leden. Haar knieen naderden elkaar en weken weer te-rug. Haar armen kromden zich nauwelijks uit naar ter zijde, vielen weer neer. Haar saamgevouwen handen ontbonden zich, de vingers strekten zich in een bibbering even uit-een; toen klamden haar handen naast elkaar neer om de knieen. Toen raakte de koele duisternis haar aan, het holle vaal grijs-bruin streek over haar slapen, haar wangen, haar ooren, haar hals. En haar befloerste oogen rezen op, starend nog zonder te zien, angstig omwimperd onder de samentrekkende zwarte wenkbrauwenranden. En zij begreep nog niet. Haar keel trok zich samen, een beklemming drukte haar verhemelte. Een gevoel van zich zelve niet te zijn, de verwondering van een ziel, die niet weet hoe dat vreemde lichaam om haar heen is gekomen, die niet weet, waarom die handen, daar vooruit, de hare zijn, waarom zij de koude voelt van die voeten, zoo ver beneden, ruischte op door haar hoofd, zette op in haar hersenen als een wervelwind van naderende angsten. Het beeld van den dag wankelde in haar hersens. Het verflauwde in iets dat er achter was, iets onbestemds kleurloos, vol, diep, onpeilbaar. Was de dag dan niet meer? Verdween de dag? De dag was toch zoo schoon geweest! En zij wilde niet, zij wilde hem behouden. Zij wilde blijven zijn zoo als zij was geweest. Maar de grijze wolk, waarin zij zich gehuld zag, wemelde uiteen. En de dag werd haar onttrokken, sloop heen in de droeve vijandige duisternis. De laatste stralen harer mijmering droomden als wazige donkere strepen uit haar oogen wech.

Zij bleef met ongebroken blikken staren op dezelfde plek aan den wand voor haar uit, als was de dag daarin opgegaan, als wilde zij hem weer te-rugwenken naar zich toe of hem volgen in zijn vlucht door de onmetelijke duisternis. Maar zij voelde haar blik omstooten door de tinten der donkerte. Haar blik werd verslonden door de duisternis, die zich tot in haar oogen stuwde, met harde slagen. En haar hoofd bewoog zich voor het eerst, hief langzaam zich op, zwaar van het lange gepeins, zich schuw voorzichtig draayende, als uit vrees van zich te bezeeren. Zij onderzocht met schuinsche blikken de hoeken der kamer. Daarna zag zij snel naar buiten in den tuin. Een schrik deed haar duizelen. En zij richtte zich hoog op, en zij zat recht, het hoofd geheven, en zij zag klaar in de duisternis, die onverbiddelijk om haar heen was gedaald, en zij voelde zich als schokkend tegen den grond vallen, voelde plotseling haar kleeren, haar stoel, de vloer met geweld haar raken. Zij voelde de leuningen van haar stoel, die haar als koude armen schenen te omvatten, den rug van de stoel met zijn twee dwarsplankjes en de openingen daartusschen, die diepe leegten schenen. Toen zag zij de duisternis grimmend, onbewegelijk. De schaduwen waren samengekweekt, bijna verdwenen. De duisternis had zich tot dof-zwarte kristallen in de hoeken samengedrukt, had de vormen der meubels aan den wand samen vermengd en ze tot een groep vaag begrensde, donkere brokken en klompen gemaakt, die als doode beesten met logge ruggen en stompe voorhoofden daar neergezegen schenen. En onder liet plafond had de duisternis zich als een tweede donkere zoldering vastgeklemd en over de vloer had zij zich als een rouw-tapijt gespreid; zij beschimmelde het behangsel; de schilderijen en platen aan den wand hingen als onder hoezen en als een breede lage katafalk stond de lankwerpige tafel met haar afhangend kleed in 't midden.

Mathildes donkere oogen glansden door de kamer. Zij vroegen aan de voorwerpen, waarom het zoo duister was geworden. Haar blikken dwaalde over de vlakten der dobberende schemering naar buiten, zonder een enkelen lichttint te zien. En zij voelde de afwezigheid van het geluk, dat verloren was gegaan, verdronken, wech in de duisternis. Het zou niet weerkeeren. Haar leven der laatste maanden schemerde als een eentonige op-een-volging van donkergrijze smarten door haar geest. Zij zag zich leven haar lichaam bewegen al die dagen. Haar voeten waren gegaan als in een eindelooze leegte zonder doel; haar armen hadden zich uitgestoken zich geheven, zich gekromd, maar zonder ooit iets aan te raken, als in de gebaren van een gek. Haar oogen hadden gezien, haar ooren hadden gehoord, maar slechts ledige kleurloze ruimten en geluiden zonder klank. En zij wilde het niet gelooven. Het kon, het kon niet zijn. Het was al knakte er iets in haar hersens. Als een golf van vuur vloeide naar haar hoofd. Zij zag op; en het kwam van buiten, van verre, als een gerucht een voortdurend groeyend gedruisch, tot haar. Het bobbelde en wiebelde en sprankte uiteen in de duizende grijze en zwarte belletjes en balletjes van de ruischende duisternis. Zij huiverde te-rug en dompelde haar blik weer in de donkerder donkerte van de kamer.

Zij zag dat zachtjes-aan de zwarte tinten begonnen te bewegen. Zij maakten zich los uit de hoeken in wolkige kronkelende pakjes, schuifelden langs de wanden en de zoldering, zweefden sidderend midden door de kamer, weken weer te-rug in de wanden en meubels, kwamen weer te voorschijn, sloten zich tot een wolk samen en losten zich op in een ragfijne zwarte stofpoeyering. Zij waren als stillen droeve door gebroken stemmen geneuriede melodieen, eerst zachtjes uitgebeefd, daarna angstig verstommend, daarna samenklinkend in een doodelijk dof koor en weer vergaande in de sombere stilte. En zij kwamen van alle kanten te voren! als slangetjes offerrook opwalmend van den grond, uit de wanden schietend, onmiddellijk naast elkaar, in verwarde rijen, van de zoldering dalend al dikker en dikker, in de rondte wiebelend, dansend, warrelend, voortvliegend als vogelenschaduwen, samenvloeyend tot een regenlucht, zich uitstortend in zwarte druppelen. De melodien werden luider, zij klaagden hijgend, zij jammerden heesch. Zij waren de herinneringen, die van alle zijden kwamen weenen om Mathildes hoofd. Mathilde zag geen herinneringen, maar zij wist dat zij daar waren, achter haar, voor haar, die schreiden, dat alles voorbij was gegaan Zij zag ze komen van buiten, hoog uit de lucht, Zij hoorde ze naderen van onder de boomen en uit de muren van het huis. Alle bloemen in den tuin waren zwart geworden en in de wemelenden ruimten zag zij afgeronde figuurtjes tuimelend dalen, zwevend stijgen, en roer-loos blijven, als een uitstrooying van zwarte bloemen, die zich aan de voorwerpen hechtten. In de kamer pakte zich de duisternis dichter samen. Tot een zware donderwolk rolde zij onder het plafond ineen, bouwde zich langs de wanden tot breede nevelzuilen op. De zwarte massaas daalden op haar neer, schoven naar haar heen, beklemden haar met hun grommelende donkerte.

Zij stond op van haar stoel, met haar koude handen en haar zweetend hoofd en het ruischende en razende bloed in haar ooren. Met haar kouden voet struikelde zij tegen het voetenbankje. Zij bukte zich om haar voet te betasten. Een wilde koude wriemeling ging door heur haren over haar heete hoofd, een stroom van zwarte vlekken kwam voor haar oogen. Zij stond weer recht op, en zij was bang. Zij deed haar oogen dicht om niet te zien, zij deed haar handen in de plooyen van haar kleed, om niet aangeraakt te worden. En huiverend proefde zij de duisternis, terwijl angstvlagen haar keel als met gloeyende koperen punten prikten, zich rillend samenpersend in haar hersenen, haar wil verlammend. En zij bleef alleen, schoorvoetend op en neergaande in de donkerte. De donkerte hing in rechte strooken van de zoldering, bolderde tot zwarte rollen, die tegen elkaar botsten en in elkaar overrolden. Mathilde voelde de afrondingen van haar lichaam als een tastbare levende vorm tegen de duisternis ingerezen. Zij voelde den bol van haar gloeyend hoofd, zij voelde de buigende vlakken harer koude schouders. De duisternis viel als gesmolten lood, op haar hoofd heur haar verzwarend. Achter haar, dan links, dan rechts, hoorde zij wijdgapende zwarte lachen, daarna een giegeling van kleine hollende klaterende lachjes achter elkaar. Daarna het klotsend getik als van een tong, die in een mond op en neer slaat. Zij zag om zich heen en roerloos grijnsde de duisternis, maar, altijd aan de andere zijde, draaide de donkerte haar woesten rondedans en snikten de vreemde geluiden. En zij ging rond; zij wist immers wel, dat zij niet alleen was! Er moest iemant zijn. Langzaam vorschte zij door de kamer, schichtig voorover-buigend in de hoeken en boven de meubels, meenende er een menschengedaante uit te zullen zien opdoemen. Maar er was niemant. Zij betastte de stoelen en de tafel, maar de stoelen en de tafel drongen pijnlijk hun harde levenloosheid in haar vingers. Maar er moest toch iemant zijn, er was iemant in haar leven, die altijd bij haar was. De armen naar voren en naar achteren uitslaande, met uit-een-gestrekte vingers, liep zij rond over de vloer, van den eenen wand naar den anderen, telkens door de zwarte eenzaamheid van den eenen wand naar den anderen te-ruggeworpen, zich stootend aan de meubels, stilstaand met gespannen oor, om naar de stem te hooren, die daar sprak, heel ver weg, sneller voortloopend, met een wind om het hoofd, tienmaal na elkaar om de tafel heen, tien-maal langs de stoelen aan den achterwand, in drift haar hand opheffend met een samenklemming der tanden, stampend op den grond, hijgend door de neus-gaten, met verglaasde oogen rondturend, eindelijk tegen den muur vallend, haar armen boven haar hoofd, haar open mond in het behangsel gedrukt. Zij keerde zich weer om tot de duisternis en zij breidde haar armen uit als om hulp te vragen. Maar de duisternis plofte neer op haar schouders, stroomde ruischend langs haar zijden naar beneden. Zij voelde den grond niet meer onder haar voeten. En zij zag de vloer zinken en stijgen, in breede schuine vlakken plotseling wijkend, zich weer samenvoegend en in vierkante blokken zich opstapelend om haar heen. De wanden trilden, bewogen, schoven te-rug en naderden weer met langzame wreedheid om haar tegen hun groote platte vlakken te verpletteren.

Mathilde strompelde naar de vensters, waar, als door groote gaten, de grijze nacht van buiten vaal viel tegen de dichte kamerzwarte. En haar oogen flikkerden en vlamden tegen den nacht, die van buiten op haar toegolfde als een klimmende dampende gloed. Het grasveld vlak voor de ruiten scheen hoog heen te stroomen, kwatelend en kabbelend in den wind, die er van uit de schuddende hooge boomgevaarten wolken zwartheid op nederwoei, met de golfkammen der nog als groen uitkomende hoogste grassprietjes en de schuimvlokken der witte rozen. De zwarte vloed kwam van verre, van allen kant, door de wuivende en buigende, zich in groepen samenwringende en weer losrijtende beplantingen om de huizen aan d'overkant, van links en recht over den straatweg en door Mathildes tuin aanspoelend met klotsend geweld, zich vermengend met de zware regens en stortvloeden van zwartheid, die over Bagatelle's dak, en langs beide zijden van de warandes, en van overal uit de lucht zich er in neergoten, opzwalpend in vreemde druipende zwarte figuren en met een windvlaag neerzwierend in het hooge water. De breede donkergele streep van den straatweg golfde onder den stroom door, zich in bochten opkronkelend, zijn breede rug hoog opkrommend en weer neerstrijkend, of zijn gele effenheid verliezend, doorboord met wemelende puntjes en gaatjes als een schelpenbodem onder den vloed. De iepen stuwden hun breede donkere lijven tegen de zwarte lucht, zich als een bergketen samen-sluitend, tusschen wiens toppen watervallen klaterende zwartheid naar beneden gudsten, in een storm van droefheidsgebaren hun lange armen sidderend losrukkend en er in een kramp van jammeren mee wijzend tegen den donkeren hemel. De witte en grijsblauwe huizen aan d'overkant, met hun kale muren, groeiden op uit den grond, hoog en naakt, als gesteenten van geweldige droefheid, de donkerte der boomen en heester met hun breedte vervullend, vooroverbuigend, zich splijtend en zich weer samenvoegend, zwaar en recht. Zij dreigden en voorspelden, zij waren ontzachlijke steenen graven, stom en meedoogenloos, langzaam waggelend op dezelfde plaats in de zee van grauwheid. En zij naderden in hobbelende zwenkingen, als met een heesch krijschen en een knersend gillen hunner fondamenten, hun vervaarlijke blokken naar Mathilde heenbewegend in de stormende zwartheid. Maar de geweldige stammen der hooge boomen aan den weg schenen lichtelijk te verschuiven van hun standplaats, en zij wankelden en zij rezen hooger en zij schreden tot elkaar. Er barstten er van-een, van hun wortels hagelde een warreling van zwarte vonken Op, maar zij sloten weer samen en als een troep ijzeren gedaanten drongen zij naar voren. De bladeren en takken verstijfden en klonken zich samen, schoten op in een vaart tot zwarte torens en zij bogen zich schuins, om neer te storten op Mathilde en op het huis. Maar de grauwe zee raasde voort, hooger klimmend, woester stroomend. De boomen vielen er in wech, verdronken, en steigerden als reuzige zwarte golven, hemelhoog er weer uit op.

Mathilde zag naar boven, zag op zij. Zij zag zich ondergaan. Met de groote blikloze star staande oogen, als van iemand die eindelijk plotseling zijn leven ontdekt, stond zij voor het venster. En haar oogen dronken de woedende macht met bevende begeerte. De zwarte vloed sloeg tegen de muren van het huis, dat er straks in wech zou zinken. De muren dreunden, schudden in een aarzeling. In den storm bolden de muren zich uit, vielen weer plat, heen en weer zwiepend als linnen tooneeldekoraties. Als een dorre, verstikkende kreet steende langs het gewelf van Mathildes hart naar haar hoofd. En de muren van het huis scheurden en de grond spleet open, En, zinneloos, voelde zij zich wringen en in een afgrond sleuren, steeds vallend in steeds dieper zwartheid, de leden geprangd in nauwe klemmen, het hoofd bonzend tegen de vooruitstekende punten der in-een-stortende omgeving. Een wind van ijs en een zwarte watervloed voeren over haar heen. Mathilde viel neer voor het venster.

Maar zij deed haar oogen open; zij zag dat alles stiller was geworden. Er was niets dan een groote wijde grauwheid om haar heen, waarin de muren der onbeweeglijk staande huizen aan d'overkant afbrokkelden, en de steenen in klompen en brokken geluidloos wechvielen. Als na een hevigen brand bleven stukken muur hoog opstaan in de ledige ruimte. Van de hooge boomen vielen de takken en bladeren bij vakken wech; de stammen vermolmden met wijde gaten. In de kamer braken de zwarte meubelen wech zonder gerucht, samenvallend tot ongelijke hoopjes. Alles viel langzaam neer in een afbraak der heele omgeving. En zij voelde als brak ook haar eigen wezen zachtjes van elkaar, ontbonden door de grauwheid, zonder smart. Het was zoo duister, dat zij haar lichaam niet meer in zijn geheel kon onderscheiden, het was als lagen haar leden gebroken, van elkaar wechgespreid. En haar verbeelding, opgebouwd van herinneringen aan het verledene en droomen voor de toekomst, stortte in een, vallend in een grauwe gedachteloze leegte. Er was niets meer, niets. Zij voelde alles geeindigd, haar gemoed uitgedoofd, haar ziel gestorven. Zoo bleef zij liggen, het hoofd tegen den rand van het venster.

Mathilde werd opgeschrikt door stemmen en een geklepper van deuren, dat van het rieten kabinetje kwam. Als een koude wind, die om haar hoofd sloeg, in haar schedel klinkend met den langen naklank van een stemsleutel, raakte het geluid van het onverschillige leven haar aan. Het was Marie, die met de lamp in haar eene hand en Felix aan haar andere hand binnenkwam. Felix moest goeye nacht zeggen. De kap van de lamp, waardoor de wanden en de zoldering der kamer plotseling met een blanke schaduw werden bedekt, de meubels en de vloer geel verlicht werden, daalde tot even boven Maries mond, zoodat het onderste helft van haar hoofd warm beschenen werd Marie zei "Wel mevrouw, ik wist gerust niet, dat u hier in donker zat, ik dacht, dat Jans u de lamp al lang gebracht had". En zij glimlachte. Als het hart van een opengesneden vrucht blonk het vochtige wit van haar tanden midden in het glinsterend sap van haar tandvleesch en lippen. De huidplekjes onder de uithoeken van haar mond waren van blankgeel perziken-fluweel. De lampenschijn wierp plooyen van koud en warm blank in haar hals en verguldde er de onderste verwarde haartjes. Maries mond scheen te lachen om de duisternis in de kamer.

Felix was naar Mathilde geloopen en riep:

—Nacht, moeder, wel te ruste.

Mathilde, die naar Marie had gekeken, boog zich tot Felix. Maar toen zij boog, zag ze hem aan en ze zag hem zoo als ze hem nog nooit had gezien. Want hij stond met zijn hoofd een beetje naar den rechterschouder neigend en steunend op zijn rechter been, met een zekeren lieven blik in zijn oogen, heelemaal als de verkinderlijking van de houding en den blik waarmee ze Jozef zoo graag zag. Felix leek zoo erg op zijn vader. Er ging een trilling onder Mathildes gezicht, haar neus-vleugels beefden, haar oogen bibberden half toe. Zij knielde bij Felix neer. Zij drukte zijn hoofd tusschen haar koude handen. Zij kust hem, dat haar tanden er pijn van deden, op zijn voorhoofd, op zijn haar. Zij streelde zijn oortjes, zijn wangen, wild en hard. Zij fluisterde hem toe op een heeschen toon; "goeye nacht!"

Marie stond glimlachend-wachtend te kijken, hoe mevrouw Felix zoo hartelijk goeye-nacht kuste.

Toen Mathilde weer alleen was, deed zij het eene venster open. Zij ging in den tuin en liep haastig voort, als moest zij iemant aantreffen. Achter in den tuin, dicht bij het Flora-beeld, bleef zij staan. Zij was hier-heen gesneld om zoo gauw mogelijk ongezien de eenzame wellust te kunnen genieten van het besluiten tot een gesprek met Jozef, waarover zij mijmerde. Haar oogen knipten, om niet afgeleid te worden bij het bekijken van haar gedachten, en zij slikte murmelend, om met aandacht het genot van haar besluit te proeven; er kwam, in een warmte om haar voorhoofd en wangen, het besef, dat zij slagen zou in wat zij wilde, en het liep als een zoete prikkeling over haar hoofd. Het was zoo gemakkelijk, wat zij had bedacht. Zij zou van haar benauwdheid uit tot Jozef gaan, hem al haar verdriet zeggen en hem vragen of hij weer van haar wou gaan houden. Vroeger had zij wel gedacht, dat als Jozefs liefde wech was, die door geen woorden ter wereld weer op te wekken zou zijn en het dus maar beter was te zwijgen, maar nu voelde zij haar wangen gloeyen van een koorts van woorden, die zij tot hem spreken zou.

Zij wandelde zachtjes heen en weer, haar hoofd gebogen onder den nachtwind, haar gloeyende oogen over het zwarte pad. Waarom zij tot nu toe niet had gesproken, wist zij niet. Zij had niet gedurfd, zij had niet gekund. Hij zou geandwoord hebben, dat hij daar niets van wist, dat hij van haar hield, zoo als vroeger. Maar als hij haar dit nu andwoordde, zou ze hem zeggen, dat hij loog, maar dat zij hem wel weer van haar zou doen houden, dat zij zich zoo gezond en weer zoo mooi zou maken, dat zij zoolang alles beproeven zou, tot hij weer veel, veel van haar hield. Zij was heet van verlangen naar de tijd, dat zij hem spreken en overwinnen zou.

Door de lucht, die een plaat van donkerblauw metaal scheen boven den tuin, gloeiden de groene, blauwe zilveren en gouden punten der sterren, met een veraf blakerend gezuis. In de blauwe duisternis schaarden de boomen hun donkere pyramidale lichamen om Mathilde heen en deinden heen en weer, ruischend in den kleinen nachtwind. Als een vrouw, die, met genietende oogen, haar hoofd opheft tot haar man, om bezien en gekust en gestreeld te worden, hief Mathilde haar hoofd naar den nacht. En de nachtwind drukte zich tegen haar borst, gleed langs haar hals en haar wangen, kuste haar mond. De sterrenhemel, zacht en goud, daalde neer, bescheen haar witte gezicht met stille glansen. Maar plotseling vielen sterren in haar oogen langs schichtige stralen. En heur haren woeyen op, als zwarte vlammen om haar hoofd.

En de hoop, de laatste hoop leefde in Mathilde, schoot in haar wezen als een hooge plant, die, zich wortelend in haar hart, het bewegen en kloppen deed onder haar kleed, die zijn takken in de vreemde kronkelingen van droomerijen en gedachten over een gelukkige toekomst door haar hersenen slingerde, die eerst glansend bloesemde in de blikken vol licht, die haar oogen door het huis wierpen, die daarna teedere bloemen voortbracht in het schuchtere rood, dat een enkele maal door haar wangen kwam. Zij begreep niet, wat haar zoo gauw had doen veranderen. Zij ging door het huis, met een lichten, vluggen tred van iemant, die onbezorgd is. Zij deed haar huishoudentje met een opmerkzaam, nauwkeurig gezicht en met armgebaren vol blijde haast, als een pasgetrouwde vrouw verheugd over het haar toevertrouwd beheer. Als zij alleen was lachte haar bleeke mond plotseling. Zij keerde dan haar gezicht bijna geheel naar het plafond. De lachjes kruiden op uit haar keel, lachjes, waarin de ha-klank rolde door haar mond, eerst in diepe toonen, later in hoogere toonen over haar lippen dansend, opkrinkelend tegen het plafond, waarop Mathilde heerlijke toekomst-beelden scheen afgeschilderd te zien. En daarna lachte zij weer in zich zelve met gesloten mond, met denkende oogen over de vloer, terwijl de lach met rukken uit haar schuddende borst opsteeg, met een gekreun door haar keel, als een wind uit haar neusgaten wech woei.

Zij kon zich nog niet van Zich zelf losmaken en op een afstand haar eigen ik en haar toestand beschouwen. Zij was nog geheel in zich zelve. Zij voelde, dat zij, om te bestaan, Jozefs liefde noodig had, en daarom wist zij, dat die te-rug moest komen, dat de toekomst goed zou zijn.

Zij bleef in Felix Jozef zien, een tweeden Jozef, een kleinen Jozef heel klein, heel vreemd. Zij merkte, als Felix lachte, trekken om zijn mond als die van Jozef, zij zag sommige rose plekken aan zijn ooren, juist zoo als Jozef er had. Zij omgaf zich van Felix. Zij voelde niets moederlijks voor hem, zij voelde zich bijna als zijn vrouw, met een wondere angstige, koortsige, voor haar zelf onbegrijpelijke hartstocht. Als zij 's middags door den tuin wandelde, liet ze hem naast haar loopen aan haar hand, en ze liet hem niet los, maar klemde zijn handjes in de hare; haar oogen straalden met wijde ongebroken blikken over zijn hoofd en zijn lichaampje heen. Zij drukte zijn handje vaster, opdat hij naar haar op zou zien. Haar oogen goten heete stralen over hem uit. Wanneer ze in de hut zat stoeide ze met hem, liet hem op haar schoot zitten, lei hem rechtuit over haar knieen, gleed met haar oogen van zijn voetjes tot zijn hoofd, hechtte haar blikken aan zijn leden, drukte haar blikken over zijn gezichtje, verdronk hem in haar oogenspiegeling, zelve dronken van hem te zien. Zij betastte zijn lichaampje met teere neerzijgingen harer vingers om zijn armen, om zijn beentjes heen. Zij streelde zijn hoofdje met bevende liefde-handen. Zij lei, hem zacht omvattend, haar handen over zijn schoudertjes en drukte hem tegen haar aan, zijn hoofdje onder haar hoofd. Zij wilde, dat hij spreken zou, omdat zij Jozefs stem wilde hooren. Zij vroeg hem, of hij van haar hield, of hij van zijn vader hield, of hij zijn vader wel kende, of hij zoo groot zou worden als zijn vader. Als het kind niet andwoordde, bracht zij haar oor aan zijn mond, opdat hij daarin ademen zou en zij uit zijn adem klanken op zou vangen. Zij bracht haar mond aan zijn mond om zijn adem in te ademen; zij hield haar oogen voor zijn mond, opdat hij ze bewasemen zou. En als Felix tegenspartelde en bang was en wech wilde, dan schudde zij hem, tikte hem op zijn handjes, zag hem boos aan. Als het kind dan huilde en zijn roode armpjes voor zijn oogen bracht, zette ze hem op den grond, boog zich naast hem neer, hem in de ronding van haar arm nemend, en, haar hoofd naast het zijne, tegen het zijne aan, huilde zij mee. Zij huilden met hun tweeen in den stillen zomer. Hun tranen drupten op de kiezelsteenen van de hut.

's Avonds, voor Felix naar bed ging, moest hij bij Mathildes stoel staan. Dan zoende ze hem zachtjes zonder ophouden op zijn voorhoofd, op zijn haar, op zijn handjes. Als het oogenblik van goeye-nachtzeggen was gekomen, hief ze hem hoog op, tot vlak boven haar hoofd, bracht daarna zijn gezichtje vlak voor het hare, staarde in zijn oogen tot die dichtvielen en deed vreemde vragen: "Waarom ben je vader niet? Ben-jij Felix, ben-jij niet Jozef?" Als hij weer op de vloer stond, kuste zij hem op zijn wangen goede nacht, langen tijd, haar mond aan zijn gezicht, Het gebeurde, dat zij, later in den avond, nog niet was voldaan, dat zij niet slapen kon. Dan sloop zij naar boven door den stijgen-den nacht der trappetreden. Zij stond voor Felix bedje, als Marie al sliep. Zij bleef een half uur staan staren over het witte dek en het gladde hoofdje, met de roode rondte van zijn open mondje, dat er boven uit lag.

Jozef was er nu in negen dagen niet geweest. Den Zondag, den dag, dat hij toch altijd kwam, had hij nu ook overgeslagen. Dinsdag 's morgens, tien minuten over half elf, toen Mathilde aan haar huishouden Zat, bracht Jans een brief van Jozef binnen. Het was een vierkante enveloppe, van gelig oud-Hollandsch papier, dat mooye papier, waar Jozef altijd op schreef. Jans lei den brief op tafel en draaide, drukkend, er haar wijsvinger half op om, als wilde zij den brief beletten wech te vliegen, en, zich omkeerende om heen te gaan, zag zij, van onder den strengen boog van haar kornet, nog met twee zorgzaam-ernstige blikken naar den brief, zeggende:

—Die brief is gekomme, mefrouw.

Voortschrijvende aan haar huishoudenboek, nam Mathilde, met een korte koude verplaatsing harer blikken onontroerd, als een gewoon en verwacht ding, het gelige vierkant van den brief in haar oogen op. De brief lag daar, alleen, hoog op het stijve tafelzeiltje. Hij lag daar, als een vreemd licht voorwerp, door zijn pasaangekomenheid als een vierkantje nieuwe frischheid opwittend uit het zwaardere, in zijn gewoonheid oudere kleurenwezen der kamer. Terwijl Mathilde voortschreef en naar haar schrift keek, bleef de brief, links in de schuinte, als een scherp omlijnd wit vlakje van de tafel, in haar oog liggen, als een klein vormpje door zijn ongeknotte gladheid en verscheid in een hoogen witten klank roepende, dat hij zoo even hier nog niet was.

Mathilde nam den brief op, waardoor hij haar oog naderde en heel lichtelijk grooter en zwaarder werd. Jozef verontschuldigde zich, zoo als altijd, dat hij verleden Zondag niet gekomen was en dat hij voor aanstaanden Zondag ook niet zou komen. Het opengevouwen bladje strekte zich dun-stug tusschen Mathildes bleeke vingers met het gerekte geritsel als van verflauwde gewrichtsverbuiging en zij had heel even het grijs-bleeke gevoel der kille leegte die van het papieren vlaktetje over haar wangen steeg, dat zij altijd na het lezen van zijn briefjes had, maar nu heel vluchtig, zich terstond oplossend in de lichtblauwe breedheden van hoop, waarin haar denken waadde.

Jozef zou dus Zondag komen. Dat de dag nu bepaald was, waarop het gewichtige gesprek, zou plaats hebben, verergde Mathildes zenuwachtigheid, en maakte haar vertrouwen op de uitkomst nadrukkelijker. Zij voelde zich verjeugdigen in de gejaagdheid, waarmee zij den dag tegemoet zag. De soort prikkelingen, die van haar voeten tot haar hoofd als regens van speldeprikken liepen, die van haar hart uit door haar keel stegen, als een inwendige kreet van begroeting en een roepen om nader te komen, herinnerde zij zich alleen van lang geleden, toen zij nog niet getrouwd was en zij Jozef wachtte, die andwoord moest komen vragen op zijn gedaan verzoek. Maar snel, als raakte de vleugel van een voorbijvliegenden ouden grijzen verlepten vogel haar achterhoofd aan, wipte het gezicht van de kamer op den Oudezijds-Voorburgwal, en Jozef, die de stoep opkwam, en hun eerste kus, door haar gedachten, en wech was het weer, vernietigd onder het beeld van den aanstaanden dag, dat haar gelijk de prijsuitdeeling den scholier, als een vaag, groot, zwaar donker lichaam, als een in haar verbeelding gewrongen balk, onder zich neerdrukte. Daarna werd zij den dag weer gewaar als een donker blok, maar er om heen waren stukjes planten-en bloemengroei en gele randen zonneschijn, omdat zij den dag zag in den tuin, waar ze hem met Jozef leven zou.

En zij liep door het ledige huis, En het zilveren licht van haar verlangende oogen straalde tot de wanden en zolderingen en bleef er hangen in zilverschijnende plekken. En het huis wachtte met haar samen op den geluksdag, die nu eens langzaam aan scheen te komen waren uit de verte, in breede rollen van wit en blauw en goud met hoog geboogde luchten en wijde bloemende grondvlakten, die dan weder in de verte achter een hoogen poort vol ruischende glansen op haar scheen te wachten, tot de tijd haar tot hem heen zou hebben gevoerd. Jozef zou Zondag komen. Stroomden door alle vensters niet licht en kleuren naar binnen; openden zich de ramen en deuren niet tot aan den grond om hem binnen te laten? En de stilte van het ledige huis vulde zich immers met ruikers van zonnekleuren, omdat hij komen zou? En zij liep door het huis. Haar voeten wiegelden vluchtig over de blijde vloeren. De vloeren gleden voort onder haar voeten, niet de matte kleuren der tapijten als open gebroken door de wit-gouden rondtes van zonnelicht, waarin enkele bladerenschaduwen stilletjes wenkten.

Zij zag zich treden door de deurposten in de ruimten der kamers, en de wit-omlijste beperking der deur-posten sprong te-rug om haar heen, om dat die tastbaar was, maar de ontastbare ruimten vol waren van goud-en wit-wemelende hoop, die Mathilde omvloeide. Zij zag zich gaan langs de wanden, en de wanden schoven haar voorbij, stil wit-lachend vlak en recht. Het was haar of zij altijd verder zou gaan, het hoofd naar voren, den dag zoekende, die in de verte stond. Als zij een stuk wand zag, was het alweer achter haar. Kwam zij aan een hoek waar twee wanden elkaar raakten, dan kon zij niet verder gaan. De eene wand leidde haar naar den anderen, maar allen waren zij met lichte kleuren, en zij zag hen aan, en zij spreidden zich uit, blank en breed; glimlachjes speelden in de figuren van het behangsel. Mathilde zag door het huis en zij zag, dat het mooi was. Maar als zij in den tuin keek, was overal weer de gezichteinder, de grens van haar blik, die zij zich niet begrijpen kon. Zij wilde dieper zien, was er nergens een verre, verre opening? maar de kleurvakken van den tuin naderden, hechtten zich als schilderijen in de lijsten der ruiten. En snelheden van zacht-gele tevredenheid suisten over Mathildes borst door haar gemoed.

Mathilde wandelde door het huis, deur in, deur uit, en ook naar boven. Zij zag de omkastingen der vertrekken en portalen, met hun ongebogen steeds elkaar voortzettende lijnen, haar overhuiven, naast haar opstaan, over haar heen vlakken, haar beschutten in hun onverstoorde effenheid. Het huis was het weldoende verblijf, waar zij Jozef zou ontvangen. Zij voelde, haar hand wijd uitgespreid als een halve ster tegen de muren leggend, hun liefdadige hardheid. Want zij beschermden haar tegen den tuin. De tuin was zoo vol van een kleurenoverstelping, de geestdriften en verrukkingen van het diepe zomergoud zonken met zulk een bevende vaart neder over de juichende tuinkleuren, dat Mathilde bang was voor den tuin. Maar de vloeren droegen haar hoog heen, en de branding van buiten kon haar nog niet bereiken. De meubels omstonden haar met de rust en tevredenstelling hunner bruin-kalme onbewegelijkheid. Zij waren goed, zij waren fraai, zij waren trouw. En als om hen te streelen, zoo als een bruid op den arm des geliefden leunt om een derde iets te vragen, zoo leunden Mathildes handen op de randen der meubels, wanneer Zij zich naar voren boog om gedachteloos de namen der makers te lezen onder de platen aan de muur. Want zij had van die plotselinge nieuwsgierigheden voor de kleinste kleinigheden, die drentelende afwachtingen van heugelijke gebeurtenissen in menschenoogen doen ontstaan, en die Mathilde eensklaps de nog ongeziene krul van een behangsel-figuur deden ontleden, of haar een klein barstje in de lambrizeering lieten ontdekken en nagaan.

Zoo ging de Dinsdag en Woensdag voorbij. Mathilde dacht aan het gesprek met Jozef als aan iets, dat buiten haar om zoo bepaald was, als aan een gelegenheid, die zich nu voordeed om haar geluk te herstellen. Zij bedacht niet, dat de heele zaak van haar was uitgegaan en nog wel toevallig nu pas, dat zij hem even goed twee maanden geleden hetzelfde had kunnen zeggen. Zij dacht er ook niet aan, dat Jozef op 't oogenblik voelen moest als altijd, dat hij nog van niets wist. Neen, zij had een gevoel als bereidde hij van zijn kant zich in Amsterdam op den strijd voor, die zou plaats hebben, terwijl zij 't zich hier deed. En zij maakte haar plannen, nauwkeurig, in onderdeelen. Zij zou beginnen met het feit te zeggen zoo als het was: zijn liefde voor haar was niet zoo groot meer als vroeger. Dan zou hij zeggen—ze kende hem er goed genoeg voor om dat zeker te weten—: 't was volstrekt niet waar, hij hield nog altijd even veel van haar. Maar dan zou zij hem bewijzen, dat 't niet zoo was. Want, zou zij vragen, hoe handel jij in den laatsten tijd tegenover mij en hoe doet een man die wezenlijk veel van zijn vrouw houdt? Zij zou het onderscheid laten voelen. Dan zou hij misschien toegeven … En dan, en dan … Mathilde lachte en trad voort, zij voelde haar plan worden in de huppelende blijdschap van haar lachjes. De woorden verzamelden zich langzaam in haar heerlijk zeker. Als bijna lijnen, die elkaar naderden en zich samenvoegden, waarden de gedachten om haar heen door de huisruimten. Haar lachjes zweefden op, verzilverkrulden de lijnen: zilverwitte onzichtbaarheden luwden in lichte wolkjes om haar heen, wierookten tot haar voorhoofd en deinden weer terug, beglipten haar hals, suisten weer op door heur haren, glanspuntend, paerlend, sterrelend boven haar been. En zij liep voort; haar gedachten, in gele, rose en blauwe draden, weefden aan het plan. En in de zachte bewegingen dier ongeziene gelukskleuren, begon zij te neurien, maar zachtjes, voor haar zelf onhoorbaar zachtjes. Kwam er een bedenking, vlotte het plan niet geregeld, dan haperde de stille neuriende gedachtenstem, heel even, maar als het bezwaar bijna overwonnen was, begon zij weder, nog zachter, altijd zachter.

Zoo ging zij door haar slaapkamer om te zien, of alles goed opgeredderd was, maakte de kleerenkast open, hing haar japonnen op hun plaats en keek of haar lijven, tegen de stof, wel met de voeringen naar buiten hingen; zij zette het speldekussen recht voor het toiletje, sloeg de gordijnen voor het bed over elkaar, en nam nog hier en daar de stof af, want Marie deed alles niet precies genoeg. En alles moest toch heel goed in orde zijn voor als Jozef kwam. Zoo ging zij door de keuken, liet Jans haar toonen wat gebroken was, onderzocht of de tinnen zaken en de koperen glazewaschpomp, de raspen, de zeeften en de beschuittrommel wel op hun plaats aan de muur hingen, of het fornuis wel goed schoon was. Als Marie en Felix uit waren, ging zij zien of er op de planken der kasten boven wel overal schoon papier lag, of Felix kleeren netjes opgevouwen waren. In het rieten kabinetje streek zij een verkeerde plooi uit een venstergordijn en schikte de stoelen in de stipste orde om de tafel. In de groote kamer liet zij de vuile voeten van Felix wegvegen, die daar van gister-avond nog stonden, en beknorde Jans, dat zij zoo slordig geschuyerd had. Zij trok een kreukel uit het tafelkleed, lei de muziek op de piano tot een regelmatig hoopje. Maar, door het rustelooze op-en neergaan, verflauwde de innigheid harer gedachten, eindelijk dacht zij er niet meer aan dat zij aan 't denken was, en, ontevreden, bleef zij staan om kalmer haar plan verder te maken.

Zij stond, rustende op haar rechter been, de teer-grijze wol strak gespannen over de ronding der uit-gezette heup. Haar linkerhand morrelde aan de knoopen van den peignoir. Aan de rechter, boven den tegen haar borst gedrukten arm, wreef zij haar kin heen en weer; haar blikloze oogen lijnden, van haar langzaam ja-knikkend hoofd uit, strak op hetzelfde punt van den vloer neer. Of zij streek haar handen van haar voorhoofd tegen haar wangen neder, die dan tot rose kussentjes onder haar oogen zwollen; en zoo, haar hoofd in de handen gevat, terwijl een aarzeling van klamheid over haar schedel trok en de aderslangetjes aan haar slapen zich even verdonkerblauwden, liet zij haar oogen den aanstaanden dag tegenglinsteren, met kleine dartelende blauw-zilveren vonkjes.

Als hij dan toegegeven had, dat hij niet meer zooveel van haar hield als vroeger, zou ze hem zeggen, dat hij zeker zelf niet wist hoe dat kwam, maar dat zij 't hem kon uitleggen: zij was ziek geworden, had daardoor van-zelf niet zoo lief meer voor hem kunnen zijn als vroeger, en hij was nu eenmaal iemant, die er behoefte aan had, dat een ander onophoudelijk de grootste liefde voor hem toonde. Maar het zou weer te-rugkomen, als hij maar zei, dat hij nog een heel, heel klein beetje van haar hield, och maar zoo weinig, zoo weinig, als een stofje tusschen vinger en duim … Als zij dit gezegd had, zou ze naar hem kijken, hij zou zeker een beetje zenuwachtig geworden zijn en hij zou zeggen ja!, dat hij nog werkelijk van haar hield, dan zou zij hem omhelzen, en dan; … O, 't zou heerlijk zijn! … zij zag zich al met hem loopen in de zon, haar arm in den zijnen als toen zij pas getrouwd waren …

Mathilde stond dicht bij het venster. Achter het neteldoeksche gordijn speelden zes vliegen tegen de ruit, als zwarte stipjes op en neer wippend, met lichte tikjes tegen de ruit rakend, tegen elkaar aangiggelend, op elkaars ruggen klimmend, zich badend in een paar dunne zonnestraaltjes, twee aan twee in kringetjes rondwirrelend, stilblijvend tegen het neteldoek. Eens vloeg er een op Mathildes voorhoofd, liep snel rond tot bij de wenkbrauwen, sprong toen op haar hand, liep op en neer, sleep zijn voorste pootjes tegen elkaar en liep weer op en neer. Mathildes oogen, moe van het turen, knipten wakker. Zij had zoo innig aan hem gedacht, dat een lichte kou over haar heenging, onder haar kin tegen haar hoofd op. Het was als had zijn gestalte, warmend, vlak voor haar gestaan, als had zij tegen zijn borst gestaard, tusschen haar en den wand, als was hij nu met onhoorbaren tred wechgegaan. Zij zag om, met angst glimlachend. Hij was er niet, neen, zij zag hem niet gaan. Toen door 't venster ziende, was 't haar, of hij elk oogenblik om den hoek zou verschijnen, en van de heete tuinkleuren uit, tot haar heen treden, met zijn armen, met zijn schouders, zijn voeten nog in de zon.

Maar haar mijmering stierf uit en zij dacht: als hij werkelijk eens voor Zondag kwam. Dat was wel heel onwaarschijnlijk. Maar zij haastte zich toch met haar kleine voorzorgen, omdat hij elk oogenblik komen kon. De deuren van het rieten kabinetje en van Jozefs slaapkamertje stonden open. Door de vijf ramen geelden, zich naar onderen verbreedend, zware kokers stofwemelend zonnelicht naar binnen. Schreed Mathilde voorbij de ramen, dan brandde plotseling een plekje van heur haar, haar oog werd blind geschitterd, zag zij haar kleed goud-grijs en weer donker worden, was haar hand op eens schel verlicht. Het klaterende goud-groen van den tuin brandde door de tintelende ruiten. Hetzelfde eentonige deuntje neuriend, nu en dan eensklaps luider, als wilde zij er iets mee dwingen, deed Mathilde verder haar zaakjes. De stilte, die als een warm blanke doorzichtigheid over Mathilde hing, werd alleen verscheurd, een enkele maal, door de keukengeluiden van een steenen pan, door Jans op de marmeren rechtbank gezet of het bingebangerend ijzergerommel van het fornuis-opstoken, die door den wand heenbraken.

Later op den dag,—het was al Donderdag,—werkten Mathildes hersens voort aan haar plan. Zij zat in de groote kamer, de ellebogen op de tafel geleund, met de kouwige half in het haar wechgedoken handen de huid aan de slapen zoo naar boven strijkend, dat haar oogen werden als die van een chineesche vrouw. Bij de hoeken der neusgaten trilden de zenuwen van haar gezicht. Haar huid scheen te schokken van de geluksgedachten, waar zij vol van was; haar oogen verdoften om alleen naar binnen te zien. Met een rukje zonk nu en dan even haar hoofd lager. De hiel van haar linker voet klopte snel zachtjes op de vloer.

Zou zij wezenlijk durven? Als hij daar heel gewoon en met zijn kalmte naast haar stond en ze over onverschillige dingen spraken, zou zij dan in eens de soort van spanning die er nu al sinds maanden tusschen hen bestond, durven verbreken? O ja, zij zou durven, wat er ook gebeuren mocht, zij zou spreken. En dadelijk zou zij er over beginnen, als hij aangekomen was … Na dat zij elkaar dan omhelsd zouden hebben, zou ze hem al haar verdriet vertellen … O maar, wat een heerlijk idee, de stilte tusschen hen zou verdwenen zijn; zij zouden weer samen praten uren achtereen, zonder ooit uitgepraat te zijn. Het zou net zijn, of Jozef van een lange reis was teruggekeerd, als of zij mekaar weervonden na een lange scheiding … Al wat zij uitgestaan had, zou zij hem in onderdeelen haarfijn zeggen … Allemaal natuurlijk om te maken, dat hij weer meer van haar hield. Of was 't beter zich niet zoo bloot te geven, zou hij daar misschien te trotsch van worden? … O Heer! daar wist zij in eens iets veel beters. Zij zou hem niet omhelzen, zij zou volstrekt zoo lief niet tegen hem zijn. Neen, zelf trotsch en koel zijn, hem rekenschap vragen van zijn gedrag, dat was het middel … En neen, … en ja … Ja, ja, zij zou voorwenden boos op hem te zijn … Dan zou hij om dat weer goed te maken … en dan … hoe 't ook gaan mocht, zij zouden in elk geval tot een verklaring komen, die niet anders dan gelukkig kon wezen.

Mathildes verbeelding zag zijn ontroering al, en haar ontroering. Hij zou vlak bij haar wezen wanneer zij hem dit alles zeggen zou, en hij—geheel, zijn hoofd en zijn handen en zijn voeten, en zijn oogen, al zijn leden, die zij liefhad, al zijn blikken, waarnaar zij verlangde. Zij zou hem zien, zij zou hem hooren, zij zou hem betasten kunnen. Zij zou zijn gezicht wel weer van liefde doen branden; en als hij zijn hoofd dan boog, en als hun monden dan tot mekaar kwamen … Zij zag de zon al gaan over zijne kleeren, … en zij zou hem brengen naar het huis, waar ze hem behouden wilde, zoo als vroeger …

Mathildes hoofd was lager gedaald, tot even boven de tafel. Haar armen lagen er voor te rusten. Zij was wech in haar gedachten. Nu deed zij haar hoofd een beetje naar de hoogte, met wijde, als verbaasde oogen, die zich daarna tot aandacht samentrokken. Een waas van vervreemding was om haar heen; een schrik prikte in haar achterhoofd. En zij meende in de ronding van haar linker arm, waaronder, diep, de vloer warrelde, zijn arm te hebben zien steken. Zij had het gevoeld. Zij had zijn hand, zijn blanke hand, op haar voorarm voelen liggen, de vingers allen naast elkaar, teeder drukkend. Zie, daar was de hand weer, bezijde de tafel plotseling opkomend, warend door de kamer, dalend, verdwijnend. In de hoeken, aan de muren, zag zij onzichtbare zijden van zijn lichaam, de rechterzijde zonder het hoofd, zijn been, dat bewoog. Toen, door de ronding van haar onbewegelijken arm weer naar de vloer kijkend, zag zij, in vlottenden trechtervorm, lapjes nevel, donkere stipjes, zwarte vlakjes, waarin Jozef klein en groot, daalde en opkwam, als een pop, die zich uitzette. Maar zij overwon het gezicht; haar verschrikking verteederde weder tot de lachende aandoening van het plannen maken.

…Als zij zich boos toonde, zou hij haar misschien vergeving vragen … maar dat zou zij in geen geval willen … maar wanneer hij nu eens niet deemoedig was bij haar trots … 't Was waar ook, het was ook eigenlijk maar beter niet trotsch te zijn. Als zij zich als de minste voordeed, als zij smeekte en bad, dan bereikte zij stellig haar doel, zij zou dus eerst dit zeggen, dan dat, dan zou hij … en dan zij … en dan zou zij nauwkeurig bepalen, wat zij graag had, dat hij deed: elken dag overkomen, enz….

Jans was de jaloezien dicht komen maken. Mathilde zat in de zwaar-breed-goud-blank-doffe zomermiddagschaduw, waarin de kamer stond. In de gleuven der jaloezieen was de rijke warmte der tuinkleuren neergedrukt door de schuine latten. Van boven door de jaloezien snelden alleen nog enkele zonnestralen in de kamer neer, die op de meubels lichtend vlekten. De stilte was van een vergulde bleekheid, als van door matglas verdoofd gloeiend goud, waar in aarzelingen van teeder blauwe, geel-rose, blank-grijze tinten zwierven. Fijne, schuchtere dartelingen van stervend zilver en kwijnend rood lispelden. Een luchteile wade van verwelkende glansjes lauwde. In de broeyerig-kleverige roerloosheid van de kamer gleden en streepten Mathildes gedachten uit haar heele wezen over de donzige kleuren. Uit haar oogen ruischte haar denken. In hel gouden pijltjes naast mekaar, die opsprongen en neerkletterden, met zilveren pijltjes schuin er boven en er door heen, schitterde haar driftige mijmering … Als hij zeide, dat 't met de zaken onmogelijk was om zoo dikwijls over te komen … als hij sprak van de verveling van de reis, en dat zij toch weinig aan hem hebben zou …, o, zij zou hem niet uit laten spreken, zij zou hem Felix voorhouden, maar vooral altijd zich zelve …

Haar plannen vorderden; zij voelde zeker te zijn van haar zaak. Haar betoog sloot samen; er kon niets tusschen. De gedachteplannen zetten zich om in vormen voor haar uit, op de vloer: in rechte lijnen en vierkanten, bevend, rillend, maar steeds elkaar naderende, met een dak van schuine lijnen er boven, als een geheel.

Zij leunde nu tegen haar stoel en keek rond, in de lichte bedaring van haar gedachtekoorts. Zij voelde met welbehagen het ongerimpelde lachen van haar gezicht. Uitstekend! dat hij nog niet gekomen was. Alle stoelen stonden leeg om haar heen. Hij was niet in de kamer. Zij kon heerlijk alleen eerst op haar gemak alles wikken en wegen en samenstellen, voor hij kwam …

Zij stond op en bracht, kalmer dan eerst, een flesch Florida-water op zijn kamertje. Zij sleep het scheermes, dat in de waschtafella lag, iets wat zij nog nooit had gedaan; zij schikte de sprei glad over zijn bed. Zij was moe. Haar denken verflauwde steeds.

Zoo ging de dag voorbij.

Na den eten rustte Mathilde op het eene kanapeetje. Nu zoo goed als klaar met haar voornemens, lag zij zalig moe voor zich uit te turen. Haar eene hand steunde haar kalm liggende hoofd, de andere lag onbewegelijk over haar schoot. Zij was stil droef blij. De oude gedachten van den dag, de vondsten, die zij al lief had gekregen, zweefden zachtjes door haar brein. Reeksen gedachten, groote stukken der plannen kwamen in lange, licht zwart-fluweele langzaamheden over haar lichaam aanwaren naar haar oogen; enkele kleine donkerwitte bizonderheden, een trek, die Jozefs gezicht zou hebben, zeker uitstekend woord, dat zij zeggen zou, kwamen van ter zijde haar hoofd springen en er weer uit glippen, door de groote gedachten-drommen heen.

En zij voelde zich tot alles in staat, geheel aan haar liefde overgegeven, zonder trots. Als hij niet toegaf, zou zij zich vernederen, zich zoo lang en zoo diep vernederen, tot hij overwonnen was. Zij zou weenen, weenen zooveel, dat hij haar om haar tranen weer lief zou moeten hebben. Zij zal hem beloven en hem influisteren, dat zij alles zal doen, wat hij wil.

Onder het langzaam vallen van dezen blijden dag voelde zij zich verzwakken tot alle offers, zij voelde zich wiegen door de rust van de kamer in een weldoende vergetelheid van zich zelve. Zij wist nu wel waarom zij vroeger niet gesproken had tot Jozef en altijd maar gewacht; het was door haar trots geweest; zij had niet gewild. Maar nu was zij nederig; zij zou kruipen aan zijn voeten. Zij hoorde zich zachtjes ademen tot de vriendschap der stille kamer, heel zachtjes. In haar oor suisde heel licht de vermoeyenis. Zij zou hem beloven zich opzichtiger te kleeden; zij zal hem beloven meer met hem uit te gaan. Zij zal nacht en dag klaar staan om zijn wensch te doen. Zij wil nu wel veel reizen later. Felix zal ponniehaar dragen en op een kostschool gedaan worden.

Zij hoefde nu niet meer te denken. Zij kon rustig slapen van-nacht. De zwijgende wanden, met hun hooge, ernstige voorhoofden, hadden haar plan in zich af laten drukken. Zij zou het in hen morgen weervinden; zij kon het nu veilig vergeten en aan niets meer denken …

Mathilde richtte zich plotseling op, te midden der strakstaande wanden. Zij voelde als een bodem van zekerheid uit haar bewustzijn wechzinken. Als zij zich morgen eens niet herinnerde wat zij Jozef zeggen zou, als zij de woorden eens verloren had, voor altijd verloren! Als haar plan eens wech was, en als ze het zelf eens niet meer wilde, en als ze niet meer zou weten wat te doen … Maar deze schrik, die heenvlood uit haar wezen en rende door de kamer en opratelde tegen de ruiten en schuurde langs het behangsel en weer te-rugkronkelde in haar wezen, verbreede zich tot een gevoel, donker, hopeloos bruin, dat lang bleef hangen op dezelfde plaats: als Jozef eens koel bleef, als, na alles wat zij bedacht en gezegd zou hebben, hij eens dezelfde bleef der laatste maanden, dezelfde, blank koud dezelfde, als hij haar eens niet begreep, en met een zwijgenden glimlach vroeg wat zij bedoelde …

Maar, in de laagte, met hun grond en een opstaanden wand, schoven stukken tuin en stukken kamer voor haar verbeelding, met Felix er in. En zij zag hem, een afgerond levend wezen, zich bewegend, geluid gevend, met licht in zijn oogen en een rooden mond. Dat was Felix. Dat was haar kind, hun kind. Als Jozef achter hem stond, dan reikte hij tot Jozefs middel. En zij keken met hun oogen op dezelfde manier. Felix was als uit Jozef gekomen. Uit Jozefs wezen neergestooten op de aarde. Felix was, dus moest Jozef zijn.

En wat was dat "Jozef"? Dat was een hooge gevormdheid, het was datgene, wat alleen zij zien wou, wat alleen zij hooren wou, wat alleen zij wilde aanraken, een man, nietwaar, haar man, dat was die man, die haar lief had gehad, die haar liefhad … O maar, met zijn oogen, nietwaar, en met zijn voorhoofd en met zijn mond en met zijn handen, was hij … O, o, wat zou die toekomst gelukkig zijn!


Back to IndexNext