Chapter 9

Mathilde stond weer, rechtop in de kamer. Zij wreef in haar handen, om dat haar zaken zoo goed stonden. Met den zegevierenden blik van iemant die, het hoofd omhoog, naar aanstaande blijde tijden uitkijkt, zag zij, door het venster, de komende schemering tegemoet. Zij lachte verheugd, zij lachte zooveel; in een wordend lachje bleef haar gezicht eensklaps stil, om verwonderd te zijn over het dwaze verdriet, dat zij zoo lang had gehad. De behoefte om te loopen bewoog haar weer door het huis. Zij ging, met een licht deinen van haar schouders, haar hoofd bewoog heel langzaam op de maat van haar gang; haar borst ademde op en neer, haar heupen ovaalden grijs uit onder het kleed; de wrong harer voeten steeg en daalde regelmatig over de bevloering. Haar armen weken van haar zijden en vielen er zachtjes weer tegen aan. Zij drentelde, afgemat en rusteloos. Het lichte kraken van haar schoenen, het gekreuk en geschuif van de kleedstof om haar armen en beenen, het geluid van haar stappen en van haar ademen ritselden glijend door het huis.

Zij voelde zich loopen en in de muziek van haar gang alle denken te loor gaan. Zij voelde het tintelen van haar teenen en hielen, het gewrichten van haar knieen, haar trillende dijen, waarlangs het kleed bij elken stap neerwoei. Zij voelde strakheden van haar broek en haar onderlijfje tusschen haar beenen en onder haar armen; haar ondergoed, dat de halve bollen van haar borst raakte, de kraag van het kleed, die tegen haar hals duwde. Zij voelde haar moeye hals en de hitte van haar achterhoofd, de zwaarte harer armen, die de schouders lager trokken, haar klamme handen, haar lippen, die, voor de ongesloten tanden, bevend samendrukten.

Zij waadde door de schemering, die het huisomsluyerde en een slaap bracht in de kamers. Door de zwartigheid, wist zij nog vaag haar lichte droomen in de verte, voor den volgenden morgen. Haar donkere gedaante bewoog steeds rechtop door de verflauwende huisvormen. In de blauw-zwarte spiegels zag zij haar witte hoofd alleen nog naderen, waarover een stervende glimlach stond. Zij ging, bewusteloos, weer ook de trap op en af, zonder meer iets aan te raken. De gedachten van den dag leefden zonder haar in haar voort, nog even stilletjes aanspoelend, zachtjes-aan wechdoovend. En toen begon zij weer van zelf het wijsje van dien morgen te zingen.

Marie en Felix kwamen thuis van hun wandelingetje. Het wachtende huis stond witterig en zwart-schuin tusschen de boomen. De vensters keken lankwerpig wemelend grijs en zwart. Van onder de warande, waar een venster openstond, hoorde Marie en Felix het gezang van het huis, luid en zacht vlak-bij in de donkerte. Dan ging het verder in het huis, verzwakte, verzwakte en beefde wech. Dan naderde het weer onder de opstaande huisvormen. Het was nu neurien geworden, maar in eens klonk het heel uit de verte, als achter een dikke muur; toen hoorden zij het weer duidelijker, zachter, boven onder het dak, voortgaan, zachter worden, en te-rugkeeren, luider. En ophouden in de doorzichtig-zwart- grijze stilte. Toen druppelde een fijne regen eensklaps stilruischend in den avond op het huis en op de bladeren neer.

Den nacht van Donderdag op Vrijdag sliep Mathilde vast, maar om zeven uur was zij al op. Den vorigen avond had zij, voor haar bed staande om er in te gaan, haar bloote voeten gezien. Zij was er naar blijven kijken, haar hoofd gebogen onder een nieuwe gedachte, die door haar hersens druischte. Zij had haar nachtjapon tot aan de knieen opgetrokken, mijmerende, dat die lichaamsbouw, met die blanke huid, onder haar witte goed nu zoo doorging in de hoogte, tot haar middel, tot haar borst, tot haar hoofd en daar eindigde en dat zij dat nu was, zij. Zij had even met haar eene voet een tikje tegen het andere been gegeven.

Zij was verwonderd en aan den voet en aan het been te voelen. Zij was in bed gaan liggen, op haar rug, haar armen aan weerszijde langs zich uitgestrekt. Zij lei haar handen op haar dijen en er weer af, verbaasd over haar tastbaarheid. Zoolang ze wakker was, had ze liggen denken aan haar lichaam. Haar huiverende beenen samendrukkend, had zij toen bedacht, dat Jozef haar lichaam liefhad, want zij was haar lichaam. Nu liep zij, in het helder vroolijke ochtendgeel, dat door de warme ruiten en ophaalgordijnen zwierf, blootsvoets door de lengte van de kamer, door de opengerukte bovenste knoopen van de nachtjapon, door de gleuf van het hemd en van het flanelletje heen, haar hals te bevoelen, er griezelige koude plekjes makende met haar saamgesloten vingertoppen, diep in gedachte. Toen trok zij haar nachtjapon uit en ging weer in bed, met haar beide handen voelde zij over het lichaam, van de knieen tot de hals, als wilde zij er verborgenheden in opsporen.

Om kwart voor achten kwam Marie. Mathilde sloeg gauw het dek om zich heen en lag onbewegelijk. Zij zei Marie de kachel aan te leggen.

Om kwart over achten was het heel warm in de kamer. Mathilde gleed uit het bed en ging zitten voor haar toiletje. Zij had nu haar hoofd en haar schouders voor zich in het spiegeltje. Aan de bovenlip en aan de eene wang, zwol haar gezicht er in op, door oneffenheden van het glas. Zij nam de spelden uit haar haar en liet het over haar rug vallen. Langzaam streek zij er de schildpadden kam door, boven het rechter oor beginnend en telkens tot op de helft der lengte van het bosje haar doorgaand, het daar met de linkerhand aanvattend om verder de aan het eind verwarde haren uit te kammen, zonder zich zeer te doen. Het blauw zwarte haar golfde hoog over haar hoofd heen, met sprietjes glans er tusschen door. Het streek door de kammetanden heen, scheerde onder de kam door, telkens glijend en weer rustend. Als een in zijn golving verstijfde zwarte vloed bleef het eindelijk stil, boven het achterhoofd, in een dikken krul zich hoog oprichtend, met zijn vlassige diepten achter de ooren, droog en mat neerhangend over Mathildes middel. Er was een puntig pijltje haren, vlak bij het voorhoofd dat op en neer wiebelde bij de minste beweging van het hoofd. De haren leefden en wachtten. Als Mathilde rechts of links keek of ging verzitten, streelden zij haar hals in een zijige buiging, trosten gazig over haar ooren, dansten vlinderend over haar voorhoofd. Zij waren het stuk innige staal zwarte kleur in de zonnebeprekenkelde kamer. Mathilde drupte eau vegetae over het haar en wreef het er door en kamde ze weer gelijk. Een blos van glans ging over de haren, die voortkrinkelden donker-zilver-blauw-zwart. Als zij voorbij de reten der gordijnen ging, lachten de haren met met een zonnestraaltje even hun glimmend-gouden lach.

Daarna nam zij een spons met enkelt Florida water en waschte haar gezicht en keek in den spiegel, of het er nu niet mooyer uit zag, en waschte weer en keek weer en nog eens en nog eens. Toen trok de zomer-ochtend Mathilde naar buiten. In zoolang was zij niet in den tuin geweest.

Het was half elf. Mathilde kwam op het straatje. Zware witte wolken hingen in de lucht, laag boven de kastanjeboomen, waarvan de hooguitstekende bladeren zich in het dikke wollige stoomwit schenen te doopen. Zij reiden hun in 't midden en aan de randen water-zwart- schemerende ovaalheden samen en voeren heel langzaam voort, naar den kant van het dorp. Plekken roerlooze hemel rondden tusschen hen door, door de verblauwmarmerende overrastering der witte wolkspiertjes. Aan de open hemelruimte boven het Florabeeld was de laatste wolk eener rij, wit-goud en glinsterend rose berand, door een wijde plek eerst zilverblauw, wit-blauw, grijzig-blauw, dan stil dof donker-blauw, van de volgende wolken gescheiden, die aanzweefden in wit en grijs gepropte samenkoppelingen, als scharen witte omkrulde hoofdvormen, met opduwende schouderblankingen, zich zachtjes samenvleyend, langzaam in elkaar overbollend, altijd breeder oplangzamend, in statige vluchten, bij rondvervleugelde groepen uit het neerwelvende oosten opkalmend, altijd doorblikt van wit-bedraadde of effen turende blauwingen. Zij teederden voort geluidloos hun warrige uitwassige sneeuwvachten zuchtend-zachtjes over de stil-groene boomen verder schuivend.

Mathilde ging de stoep af, daalde onder de donkerder groene zwaarte van de overbladeringen der oprijlaan. Zij zag in de breede beheestering tusschen de oprijlaan en den Vaarderweg. De te dichte samenplantingen stonden grijs-bruin en zwart-groen, glansloos, verslond. Toen zij zich omdraaide, hingen uit een keukenraam twee vaatdoeken te droogen. In het groote bemodderdspatte regenwatervat, links van dat keukenraam, drupte de nachtregen uit de goot nog af en toe neer. Aan de lichtblauw-grijze muur van den achtergevel waren dunne vlekken, de deur van het tuinloodsje stond open en er lag morsigheid over de vloer tot op het straatje. Aan de sparre-en palmboompjes, op de helling tusschen de oprijlaan en het straatje, zag zij voor altijd verdorde grijsbruine takjes Voor haar uit, in de wijde opening, waarover van de wolkendikten grijze lichting neerdroefde, was het stoffige Florabeeld, met zijn ongewasschen gezicht, met zwarterigheid in de oogen en aan de borsten. Al uitgebloeide seringetakjes waren er boven. De gouden regen en de jasmijnen geelden en witten in-een geslapt van den regen. Alleen de krans van aardbezienplantjes over den grond puntte frisscher rood onder de dekkende blaadjes.

Mathilde ging vooruit over den natterig zwarteren grond, waar kastanjes, dorre bladen van verleden jaar en dennennaalden aan de kanten vuilden.

Plotseling aarzelde de zon bleek neer, schuchtere glansen breedden over de bladen, wijd uit; daarna geelde zij, geler, en geler, geel-lachend over de treurige boomen, toen glimmend, warmend, goud-bruin strijkend langs de stammen, goud-zwart over den grond. En alle bladeren glinsterden een oogenblik.

Mathilde trad voort, bezijden het huis naar voren. Maar nauwelijks had zij op de kiezelsteenen, op het grasveld en tegen den gevel der dames Streelink de gele uitspreidsels gezien, of de zon werd opgeslorpt door de treuring van een voorbijtrekkende wolk, bleekte heen, met schokjes telkens eiler wordend, als de vreugde die wechkrimpt van een gelaat. De donkere tint zeeg weer neer uit de onrustige lucht.

De paden en het gras strekten zich onder Mathildes voeten met hun na den regen hard zwart en hard groen; scherpe, luide tinten prikten en riepen in de bloemen en bladeren. De breede straatweg was donker-grijs, plat, zonder opstuivend zand. De lauwe weeke geur der natterigheid schonk de wind in haar neus en mond. En de tuin verrastte haar smartelijk. Er had zich, zonder haar verbeelding, gedurende de dagen, dat zij in huis was gebleven, en zij den zomer had zien groepen en gloeyen door de ruiten, een vage gedachte van den tuin in haar gevormd, die geslagen en gedood werd door het koude zwart en groen. De kleuren, die anders haar oogen kusten, waren er niet meer; de tuin was veranderd, vreemd geworden, haar onbekend. Het booze zwart en groen sloeg de teleurstelling over haar gezicht, door haar achterhoofd, om haar schouders. De lucht was vol rare, vijandige ritselingen en geluiden. De hut stond rechts, donker en leeg, viezerig. De bloemen waren gewoon en er schenen er veel te weinig te zijn. Een lichte vaalheid hing van uit de boomenblaren naar beneden. En Mathilde zag plotseling de tuin klein en leelijk. Met half gesloten oogen, haar gezicht te-ruggedoken in het zwart kanten doekje om haar hoofd, ging zij naar de hut. Marie en Felix kwamen juist uit het dennenboschje. Felix had een groote gekleurde bal, die hij tegen den grond wierp, dan op liet springen een heel eind boven zijn hoofd, om hem daarna weer te vangen. Hij gooide de bal ook tegen Maries rokken, die eerst omkeek en lachte, maar boos werd, toen hij 't nog eens deed. Marie drentelde te breyen.

—He, mefrouw, wat 'n naar weer, vindt u niet?

—Ja, der is niet veel zon vandaag.

—Maar ik denk toch, dat 'et nog wel weer op zal klare … tegen twalef uur of zoo. Regenen zal 't niet meer doen.

Toen Mathilde in de hut zat, kwam Marie weer even praten, snel voortbreyende, haar oogen over haar werk, haar ellebogen op de heupen, bij de belangrijkste punten van haar spreken een breinaald tegen haar borst vooruitduwend door de steken, haar neus afvegend met den rug van haar rechterhand.

—Der zijn van-morgen-vroeg al groote wagens gekomen uit Amsterdam voor hier achter, voor mefrouw van Borsele, die daar komt te wone, u weet wel … ze heeft der goed vooruit gestuurd … Der zijn prachtige meubels bij … Vrouw Steyer vertelde 't ook … kanepees met rood fluweel en ik weet al niet, wat ze gezien had …

—Zoo, zoo, dat zal aardig zijn, als die mevrouw hier toch komt wone …

Marie vertelde verder, haalde tusschenbeide haar neus op, kromde haar bovenlip om haar tanden heen en krabde zich er dan eventjes met een breinaald.

Telkens na een poosje waterde de zon neer en trok weer op. Eens bleef hij langer, waardoor de vrouwen er bijna aan gewend raakten. Felix speelde met zijn bal achter in den tuin. Hij liet hem nu van den grond tot de hoogte van zijn hand opspringen en gaf hem dan telkens een losse klap, waardoor hij met een doffen dsjieng klank als van ver-af-metaal tegen de aarde klakte en weer opsprong. Om het spelletje af te wisselen gooide hij hem ook eenvoudig maar voor zich uit zoo hoog als ie kon in de lucht en ging hem dan oprapen, tusschen het hut en het huis. Eens gooide hij de bal juist op, toen de zon doorschoot; daardoor kon hij de bal niet nakijken, die met een bons te-rugviel op zijn schouder. Bij elken worp sprong zijn heele lichaampje op en met een open mond kreun-zuchtte hij van inspanning, terwijl zijn armpjes, beide opgeheven, beide te-rugvielen naast het rompje. Hij wilde de bal wel tegen de wolken gooyen, maar de bal ging niet hooger dan twee meter.

—Ik voel toch, dat ik veel beter ga, zei Mathilde.

—Zoo, mefrouw? Ja, och, as 't maar weer eerst heelemaal zomer is.

Boven den tuin bewoog de hemel voort. De kleine wolkenbrokken waren tot effener, grooter, zwaarwittingen samengeplompt, die hun damp-krul-omrande rompen wentelden onder de wijd-blauwe verheid. Zij waren nu weiniger, breeder, en bakten zich aan elkaar en reten van een, en vielen verder en draaiden rond, zich verdikkend en weer opensplijtend, zonder vaart, in witte kalming langs de breed-ziende velden van het diepe blauw, schulpten zich uit, om de blauwlieden te vergrooten en kudden weer samen om de blauwing te dooden, en zwierven verder hun randen verdwazend in pluisjes. De zon glansgoudde door hun buiken en woei naar beneden, roosterde het dak van het huis en schitterschimde door den somberen tuin, sprankelend over de bloemen, glijend over den rug van Marie, schrijnend naar Mathildes oogen, die groot open stonden, die wachtten in zwartbrandende begeerten.

Er kwam een korte windbui; de zon bleekte wech; de wind scheen somberheid uit over de paden en het gras, suizel-wapperde door het dennenboschje links, ril-dartele door de hooge iepen rechts, omkoelde de kuiten der vrouwen, schokschouderde door Mathilde en behuiverde haar hersens met binnenshuis-verlangens. Maar de zon zoog weer neer door den wind, lichtte vaaltjes over den grond en smeet de breede lichte schaduw van Maries zware bouwsel in de hut, over Mathildes schoot en handen.

Marie stond in haar eene muiltje, de hiel van haar andere voet stond omhoog, opgekarteld uit bedeesdheid door haar spreken met mevrouw. Zij voelde de hiel warmen.

—Nu wordt 't toch mooi weer, zei ze, en zij draaide haar hoofd schuin op, tegen de sterke lucht in, die er prikkelend in afsloeg.

Mathilde voelde zich verblijden in den zonnewind, die haar omleefde. Zij had een boek voor zich op tafel liggen, mejonkvrouw de Mauleon, roman van Bosboom-Toussaint. Terwijl zij las, verglansde de zon de bovenste helft der bladzijde, de wind snerpte stil een blaadje op. De wind soesde om haar neus, over haar wangen, in zachte koeling, streek frischheid over haar oogledenranden, die naar de zon mondden, bebeefde haar heete hoofd met kil-prikkelingen, onder de haren door. De zachte wind kwam door haar mouwen, onder haar onderbroek en door de spleten van haar ochtendjapon van voren tusschen de knoopen, naar haar huid en plekte stil-frisch.

Marie was wechgewandeld, om te zien, wat Felix uitvoerde achter in den tuin. De wolken verdunden en gingen hooger, verder, in golvend bezoomde scharen zwalkend langs de zon. De lucht in het westen en heel-hoog boven, blauwde vrij. Donker-geel en zwarte stukjes, in wespen en paardevliegen, puntten voorbij, op een afstand. Mathilde bleef, zonder menschen, wier vormen en geluiden haar voelen braken, en vrije alleenheid, en het zuivere geloof, eenzaam en geheel, leefde in haar op; het kwam zachtjes over het bezonde geel-zwarte pad tot haar, het lachte in de zonne-wind-tintelingen in de rondte, het vloeide op over het getimmer aan d'overkant van den weg, over het klakkend gerommel van een rijtuig, over een ver hondgeblaf, het wolkte in het windgelach tot haar hoofd, het sneeuwde, sneeuwde in stille lichtdruppels van de deinende bladeren. Haar lichaam voelde zij als een vale warmte onder een koele bedekking. Zij deed haar armen een beetje in de hoogte, om de wind tegen haar oksels te hebben. Er was geen-een herinnering. Er waren haar wachtende wangen in den zomer, leeg en effen; er waren haar oogen, die zij niet voelde, waar al de zomer zwijmelend tegen verzotte; er waren haar voeten, die zich over elkaar legden, om het geluk in haar wezen dicht samen te drukken. Er was een helle leegte, achter in haar verbeelding, de angst-afwezigheid.

Marie kwam weer naar de hut, met Felix aan haar rechter hand, die met zijn beentjes naar achteren sloeg en zijn hoofdje achterover hield.

—Drinkt u hier koffie, mefrouw?

—Ja, dat wil ik wel. 't Is nu heerlijk weer geworden.

Felix bleef in de hut, hij lachte aldoor. Zijn lijfje werkte zich op de bank naast Mathilde hij zat op zijn eene been, hij lei zijn vuile handtje tegen Mathildes wang:

—Lieve moeder … moeder-lief …

—Dag jongetje, dag, ventje, heb-je goed gespeeld?

Felix' hoofdje ging heen en weer, zijn oogen blonken, zijn hangend beentje slingerde op en neer, de armpjes bewogen voor de strakstaande rieten muur van de hut, het haar ripte bij vlokjes naar hoven, de gezichtshuid verroerde en opende zich aan zijn mond; uit het hoofdtje naast haar borst geluidden de klanken in Mathildes hoofd. Zij zag het bewegende leven voor het zwart van de bank, het vaal van den grond, het licht-bruin van de muur, die wasemden heel even, en toen wist zij gedurende de heele menschloze stilte der kleuren voor haar uit, dat Jozefs leven naast haar leefde in den zomer. Zij dacht niet, zij verbeeldde zich. Het zwart, het groen, het glansende geel van voren bewogen als dof glimmend gespannen elastiek voor haar zien, om dat haar vage geluksverbeelding over haar oogen gloeide, ze heerlijk vervalschend in den waanzin van het geloof. Het was boven haar verhemelte, waar de neus in de keel overgaat, het steeg in een onstoffelijken damp door haar hersens naar boven. Zij voelde een drukking en een ijlheid.

Marie kwam klaar zetten. Zij liep door Mathildes blik, door al de zomerkleuren, die ruischend achter haar aangloeiden, vlak voor de tafel ze wechplompend met haar dikke lijf tegen hen slaande met de drie-hoekige gebaren harer klaarzettende armen. Maar Mathilde bleef ze zien, boven het ritselend uit-duwen van de servet-vlakte, boven het rinkelend gestoot der uit Maries handen dalende en bewegenloos blijvende schotels, naast Maries rokken, tusschen haar armen en haar bovenlijf, om haar hoofd heen.

Marie ging weer wech, haar hoofd en rug in gloei-geel, haar rokken krul-wapperend om de bruine kuiten, een korte, als vertikaal in den grond het onderste boven tegen haar voeten aanloopende schaduw onder haar hielden.

Felix verzette de schaaltjes, trok aan een lapje rookvleesch.

—Niet ankomme; niet an de schaaltjes komme! zei Mathilde, je moest nu nog eerst even naar Marie gaan en vragen of ze je handen wil wasschen, voor we gaan koffie drinken.

Felix bewoog wech onder de stille zonneschittering; met een geslinger en gedriehoek zijner jong-jubelende armen en beenen, een floddering van zijn gestreepte kiel. Mathilde was alleen. De wind verminderde; de wachtende kleurenpracht verroerloosde. Met de witte zuiverheids-tinteling harer kalmte over het gelaat, behandelde zij de bordjes, een mes, het brood, de boter, die haar vreemd-gewoon de vingers raakten. Wat was er dan toch; zij wist het niet. In eens zag zij in de hoogte van haar over de tafel geslagen blik, twee naderende heeren-broekspijpen. Een schrikvlaag berimpelde haar voorhoofd, haar handen bleven bewusteloos staan op de tafel. Zij hief het hoofd, zij zag, met een rilling door het achterhoofd, in de pijnlijke gaping der verbaasde oogen, den ingenieur Ster, dik, blond, zweterig, in een verslonsd grijs pak, die naderde. Zij had even gemeend, dat het Jozef kon zijn. Hij groette haar met zijn hoed en kwam dichterbij. Voor de hut staande, nam hij nog eens zijn hoed af, maakte met zijn bovenlijf een dikke-mansbuiginkje, zeide "mevrouw, ik kom u eens opzoeken" en zette zijn hoed weer op. Hij gaf Mathilde, die was opgestaan, een dikke, harderige, natterige hand. Mathilde besproeide hem met blinkende verbaasd-bedeesde blikken, zwarte vonken uit het midden van haar gloeyende oogenwit, blinkend in de blondwiegelende schaduw van de hut. Mathilde bevoelde haar zakdoek, beide handen tegen zich aan. De hut was plotseling geheel vol met Ster; zij zag zich zelve niet meer.

—Gaat u zitte … Komt u ook Hilversum us bezoeke?

Ja, zei Ster, hij zou in 't vervolg herhaaldelijk hier moeten komen, want hij was voor een gedeelte belast met de inspectie van de werken van de nieuw opgerichte Ooster-spoorwegmaatschappij, die te Hilversum een hoofd-station zou hebben. Het werk vorderde goed; de rails lagen al tot voorbij Bussum. Ja, hij was hier ook gekomen vandaag juist, om mevrouw van Borselen, die als vrouw alleen was, een handje te helpen met het in orde maken van haar buitentje. Zij was vandaag ook gekomen, ja.

—Hoe gaat het u? vroeg hij.

—Zoo, zoo, de buitenlucht doet mij natuurlijk veel goed.

—U woont hier wezenlijk allerliefst. Ik kom nu juist van mevrouw van Borselen. Zij hoopt u ook gauw een visite te komen maken … Ik ben heelemaal de hoek daar omgeloopen, … maar de meid zei, dat ik ook achter in den tuin had kunnen komen … toen heeft ze me den weg gewezen naar de "hut" … 't is hier heel aardig … en een prachtige tuin … u heeft mooye bloemen …

Op de tafel leunende met haar voorarmen, het hoofd even schuin gebogen, zat zij naar hem te luisteren, met een nauwelijks geopenden mond, hem voortdurend aanziend, terwijl hij in de rondte keek of op zijn knieen, alleen haar blikken te-ruggooyend op de tafel, wanneer hij, bij een vraag en bij het eind van een volzin, haar aanzag. Het scheen haar, dat hij een ouden zeer innigen vriend van haar was, die kwam van een lang geleden en voor altijd door haar verlaten wereld. Hij kwam van de stad, die zoo vreeselijk ver was; hingen er nog niet weerkaatsingen van die grachten en straten, waar haar gedachte leefde, in het fletse grijs van zijn jasje? En haar oogen trokken de woorden tusschen zijn lippen uit; zijn groenige tanden, die zijn grove stemklanken naar haar heen beten, schenen lief, gezellig, goedig, vol van herlevende herinnering, vol van haar weerkeerend geluk.

—Ik dacht van-ochtend niet, dat 't nog zulk mooi weer zou worden, zei hij.

Toen spraken ze over Jozef.

—Ik heb meneer gisteren nog gesproken …

—Zoo? … Ja, ik verwacht hem over-morgen weer … Hij komt meestal eens in de week over … och, u begrijpt, met zijn zaken, is 't al heel lastig om meer te komen, maar als de spoor er zijn zal, zal dat wel beter gaan …

O, hij sprak over Jozef! Lachjes over haar wangen glans-groetten, haar oogen begloeiden de tafel. Zij slikte, zij voelde zich weer vreemd in haar hoofd, haar handen vervochtigden, zij streek de blaartjes zweet wech van de haarzoom op het voorhoofd. Het was net, of er iets bewoog boven haar oogleden, in de tuinmassa van voren, bij rukken van kleur en licht, van links naar rechts. Ster zei niet meer en keek in de rondte, Mathildes oogen bleven neergedompeld als in een diep donker water, waar zij vreemde gelukschatten konden grijpen. Plotseling beefden haar oogleden op, de tuinkleuren schemerden en schitterden, vervaalden in vlekken en joelden op in vonken en bleven, hevig vooruitglansend, in de verte sidderend en dwingend, de warmte warrelde over haar schouders; zij zag Ster zitten, vlak hij haar, met een groote wasemende leegte van zwart en van groen achter hem. Zij zag hem zitten in de heerlijk-intieme grofheid zijner overvoedde onder het grijze kamgaren opbolderende vormen, in de rood-vetterige slaperigheid van zijn haar onvermoedende gezicht. Zij zag hem in een dikke kleurennis, tegen een opstaand bed van levendige donzige glansen, van goudscherpte en zwart-groen-dofheid. De woorden scheurden stotterend uit haar mond:

—Is hij nog wel? vroeg zij.

—Hoe bedoelt u? Uw man? … Ja, heel wel, geloof ik. Was hij ongesteld, toen ie 't laatst hier was?

Mathilde wist niet goed meer wat zij zei.

—Ja,…, ja, hij had hoofdpijn … en hij heeft er verder niets meer over geschreven, loog zij.

Felix' lijfje en Maries lichaam kwamen-aan, met bewegingen van buiten en versche standen, die het wezen der groep vernieuwden.

—Mag ik u ook iets aanbieden? Wilt u niet met ons blijven koffiedrinken? vroeg Mathilde.

Ster bedankte. Hij nam Felix tusschen zijn beenen en vroeg:—Zoo, zoo, jongeneer, zijn we zoo groot geworden? maar Felix was bang van zijn met felle kleuren volgeploeterd gezicht. Ster deed net of het beedeesde kind hem wel pleizierig vond, hij nam Felix' zachte gezichtje op zijn hand: je kent me niet, he, baasje? We hebben mekaar ook nog pas eens gezien, en toen was je ook al te jong. Toen Ster hem weer los had gelaten, begon Felix te eten, zijn gezichtje naar het bord melksoep gedrukt. Iedere keer, als de lepel in zijn mond schoof, beklommen zijn blikken het hoofd van Ster, om te zien, of die hem niet aankeek.

Ster nam afscheid, met een bad van Mathildes hand in de zijne, met een zware legging van zijn hand op Felix hoofd.

Mathilde had hem niet leelijk gezien. Zij zag zijn dikke lichaam blonken in de kleuren, het mannen-lichaam, dat altijd verder van haar afging door den tuin, verder, verder, eindelijk geheel opgeslorpt door de hoek van de laan. Het weer was mooyer nog geworden om hem heen. Enkele gebeitelde groepjes wolkenkrullen waren dooorschijnend-vlokkerig ver in het zuiden, enkele lange tot bleek-witte krampen verstijfde wolken-zenuwen lagen over de lucht gestrekt. Een strakke zon begoud-feestte den tuin.

Mathilde at bijna niet; de boel was al weer wechgenomen, toen zij nog aan Ster zat te denken, hoe hij daar geweest was, sprekend van Jozef uit zijn dikke gezicht, hoe er nu een vragende leegte was boven de stoel, waar zijn romp op gestaan had, en hoe hij zich bewogen had, wech, wech, in de kleuren.

Zij keek om zich heen in de heete middagstilte, en het geloof steeg hooger, over haar lichaam, tusschen haar vallende handen op; zij had een gevoel in zich als een kreet, die zij moest uitschreeuwen; in haar tintelende hoofd zetten de zieleduizelingen op, die geen voorstellingen vormden in haar verbeelding, die niet dachten in haar verstand, maar die haar dronken maakten als een donker druppelende drank in haar achterhoofd gegoten. Zij zag naar de somber-staande hutwanden, of zij niet spraken, wat zij waren, wat zij wilden tegen haar bewustzijn, wat zij meenden met het vreemde gevoel, dat zij haar inspraken. Toen kwam er ineens een vink, die, voor haar onbewegelijkheid heen, wipte en tripte, wit, bruin, grijs, over den zonnigen grond, met zijn glad gestreken kopje haar bekijkend en in eens wegvliegend in een hoogen boom aan den weg. Mathilde ging slenteren door den tuin; de warme wind nam haar haren, en speelde ze wech uit haar gezicht, de zon walmde neer op haar hoofd; de kleuren lachten vlak uit om haar heen.

In de om haar hoofd vlagende heete wemelingen bewoog Mathildes teedere vleesch boven den grond, in de weeke rijzing der onder het grijs deinende leden. Hoog naast haar donker-glansde het dennenboschje; merelklanken zilverkrulden in de zware hittelagen, die zwalkten in groen-geel smeulende zwenkingen door de ruimten. Zij voelde zich loopen hoog op het licht-zwarte pad, haar oogen doorvoelden, tusschen den hard vlakken grond en haar zieke droomenhoofd, den afstand, vol van zwart en glans-gele stukjes krulrinkeling, wasem-warrelend op en neer, rillend van haar eindeloos verlangen. De kleine dennen stonden hoog in de lucht boven haar uit en verritselden hun bladering, proppelend, stippelend tegen de lucht, wuifbuigend naar Mathilde; het grasveld, rechts, groende zit vlakte uit, stijf-zijig, met de donkere ondersten en de lichtere uitpuntingen der sprietjes, het ging verder en verder, met de gegleden gebogenheidjes en de ranke opzwiepingen der grasjes, een vooruitgang van dribbelende, schubbige lachjes, breeder en meer, groen, donker groen, geel-groen, goud-groen, lang en ver, wijkend, zoo dat haar armen het niet konden overreiken, en het strekte heen, oneindig klein en oneindig veel, een goud-groene lach, die opsloeg en zijn ligging wechschaterde tegen de wijdwijkende blauwte: Jozef! Jozef!

Mathilde voerde het uit haar oogen wazemde in haar goud-warm verbeelden heenbruisende verlangen langs het hek bij den breeden straatweg. Zij zag de groote iepen haar langzaam voorbijgaan. Zij knikte een boerenmeisje goeyen dag, dat daar liep met haar koe. Zij zag het kind loopen boven den grond, maar hoog hielden de iepen hun bladerenzwaarte op de lange breede nekken der stammen geheven, en stootten hun groene ontzachlijkheden naar den hemel en wierpen hun jubelende groeningen tot de blauwe effenheid en smeten hun takken uit naar alle kanten, in krampen van bloeying, in een rumoerig warrellied van stijgend en woest-willend verlangen: Jozef! Jozef!

Mathilde ging te-rug, de statig zijgende sparren-groep, bij de waranda, met zijn verspitsende betorening van neergeschuinde stekeltakjes, met zijn stil-blinkende groentinteling en zijn innige binnen-duisternis, naderde, naar haar heenschuivend met den warm-gevenden grond, en de glans-armpjes suizelden heete fluisteringen en trilden op in de rondte, bijna allen, heel even, en toen weer, en toen weer, boven holen van zwartheid; als glimwormen glommen takjes en sprankten in de zon uit als stukjes glas en van de schuinende neerveering rolden en ruischten parelende klankjes voor Mathildes voeten: Jozef! Jozef!

Onder haar voeten licht-zwartte de pad-breedte voort. Haar blikken vlotte neer, maar de grond trok ze vooruit, breed-zwart vooruit, glans-zwart vooruit, heen-zwartend tusschen het stijgende gras-groen, voort-atstandend tot achter in den tuin. Zij was bang voor de ruimte tusschen haar en den afstand; liep zij, dan voelde zij den grond weer achter haar, ver, wech, wech onder haar voeten, en de ruischende ruimte van licht-lucht en de zwaar-roerloosheden der opstanden. Maar het pad trok haar geloovende oogen verder, over een kabbeling van gelig-zwart voort, tot zij stuitten tegen den opsteigerenden gezichteinder; daar dwarrelden de verre hooge heesters omhoog, en joegen door-een, en dansen van groen, licht-groen op springend en borend hun spelende wildheid door het lage neerdruischende blauw: Jozef! Jozef!

Mathilde keek langzaam in de rondte, met verfletsende oogen. Alle boomen stonden luid in de hoogte, in heftend opstamping gestooten naar de lucht. Alle heesters krioelden hun groene zenuwnetten in dikke dof-verstijfde groenvlammen tusschen de boomen door, schuin tegen elkaar in stijgend, op-schreeuwend tegen den blauwen middag, maar hoog van de boomentoppen wemelde in hitte-zilveringen, een kokende goud-geel-waseming tot de gloeyende blauwbekapping, waarin de laatste wolkendradingen wechsluyerden En over de buigende boomen gleden en beefden de goudblauwingen tot Mathilde. En achter haar, van de verre geelstoffing van den weg, waarin, door de gaten der hooge groenmassaas pakken hittelicht neersidderden en doodreutelden op het platgebrande wit van den grond, kwamen, omstuwd door de breede kreten van het woestdartelende heestergroen om de blank-glansen de stukken huizengevels, de hooge iepen op haar aan, klein in de verte, maar grooter, grooter wordend, man aan man met hun dikke, warme stammen, grooter breede, hooger, en eindelijk opstaand achter haar, bij haar, aan haar, in een geweld van geluidbos leven, een staan van groene krachten, een gestolten klimming van wil en van daad. En de hoogheden der boomen en de heete begeerten, die aanrolden kletterend geel over den weg, drongen Mathilde, voor de sparrengoep heen, op het groote grasveld voor het huis.

O, het was een feest van lichten. De witte muur van het huis, een staande vlakte van hellicht, samengedrukt door de daling van het goud-bruine daklicht, perste zich in-een en smeet het hevige zonne-weerlicht uit de ruiten met de klaterkaatsingen der witte muurvlakken neer tegen den groenen grond, tegen de iepenstammen, door de openheden tusschen de stammen, verder over den weg. Mathildes oogen bedroomden het huis, zoo als het opstond in zijn lichting, in zijn heerlijkheid van wit, tot vastheid opgerezen hittelicht, zij geloofde in het huis, zoo als het glansde hooge en breed. En het grasveld helde op naar het huis, een spreidsel van zacht groen licht, doorstikt met de teeder fonkelende steenen der roode bloemen, maar dat steeg in zijn breedheid, sidderend gespannen, schemeringen van lichter groen in de hoogte ademend. Op hun zuilen van bruin licht waren de miljoenen groene vlammetjes der iepenblaren ontstoken, en in de bevende licht-zee boven het grasveld, waadde Mathilde, met drooge dwaas-verglansde oogen.

Maar zij keek naar boven, en het viel op haar als een tintelende sneeuw van verukking. Al het wit was ingeslurpt door het blakende, daverende hemel blauw, dat gloeyend glinsterde in neerwarrelingen van zwartgoud-poeyering en als een ziedende zee met donkere blauwbulten en lichtere blauwheffingen, daalde en steeg, daalde, daalde, zijn zonnevlakten neerbreedend om den hettenden vuurkolom van de stortende zon, die een regen van bliksems los stookte over de schroeyend vermoorde uitstrekking der zich openwentelende en heen-spreidende tuinvlakten. Breede slangen laayend blauw wimpelden af van de lucht, in een foltering van blauw tusschen het schuin wegkrimpend boomengroen zijgend, goud-blauw over de buitenste bladeren brandend, een doffe krijt-goud-gloed over de midden-bladeren drukkend, in gouden grillen windtrillend, vonkend, spuitend, uitspruitend, neersprietend, heensprankend om de hijgende takjes, bosjes gouden naalden schietend in de diep-groene boomenharten. Zware afblauwsels goudden neer over het dak, over de boomen en heesterhoogten in de verte, van alle zijden naderend en zich rond neerdrukkend in een vlammende vuurschittering. Golvenwolken van witte hitte zwalkten door de ruimten, tusschen de openingen glijend en voort stoom-dwarrelend in de verheid. En het werd gedragen door alle lagen der ruimte, in een begeestering van heete kleuren, een vervlamming van het heete leven, en Mathilde voelde zich juichend onder haar kleeren beven, en in haar gouden weten, dat zij gelukkig zou zijn, werd zij getrokken naar de groensombering der warande.

Verbijsterd in haar snikkende bedwelming, vroeg wat het was. Wat was die gouden lichtruimte voor haar uit? En al de takken, die naar haar heen reikten? En al die verdere plannen van bleekere lichtstrekking en kleurenstand voor haar uit? De kleine gezicht-einders waren samengebakken en smolten zich vast aan den hemel. Zij was in een groote zaal vol vreemd leven, vol rare vervoerende dingen. Er waren geen menschen bij haar, achter haar. Niets was achter haar, geen stemmen, geen gerucht. Zij wist van geen verleden, van geen vroegere gedachte; haar leven was dit oogenblik. Zij wist van geen afstand en ruimte; de eenige wereld was hier bij haar. Langzaam, terwijl alle kleuren vonkten en naderden naar haar oogen, loste haar bewustzijn zich op in de lichtkrachten die kleursidderden over haar heen. Haar leden zonken samen, achter tegen haar stoel. Zij zag wel, door de verblinding, die over haar gezicht was neergeschitterd heen, dat de blauwe lucht was losgebarsten en er kokende stroomen gloeyend goud gudsten over de vlakte, klotsend op haar toe. En verder, in de rondte, hagelslingerden gouden vonkenvlagen neer over de wechbleekende groenheden, botsgolvend tot elkaar, opzwiepend om haar hoofd, neerzijpelend door haar lichaam, haar beenen. Hoog stormden de iepen hun vrachten vlas-groene dronkenschap op tegen de neerbruisende gouding, de bruingouden stammen, los en week, gloeiden op en neer, als zuilen van vloeyend goud hun lijven hoog en laag kristallend door de ruimte. De bloemen kleurden door het vuur, vliegend, schietend, hoog in de lucht, laag op den grond.

Mathilde voelde zich heffen en zich wechgaan, heen-gedragen door de kleurenverbijstering. Haar oogen doofden uit. Een even onstaken zij weer. Toen zag zij alles met wit-krullende wit-blauwe gazen en vlekken glans blauw beneveld. Haar oogen snikten hun heete tranen uit, die als zoute druppels in de hoeken van haar mond vloeiden.

En langzaam sliep zij in met openhangende mond. De zomerhitte verdroogde haar verhemelte en tintelde over haar bovenhoofd.

Mathilde sliep twee uur lang; toen Felix haar kwam wekken, even voor het eten, voelde zij zich als na een koortsnacht, loom, dof, zwak; Marie zei, dat zij erg bleek zag.

Na den eten zat Mathilde op de kanapee en sliep weer. De dag wentelde zijn zware kleurenvlakten voort. De middagkleuren koelden op, teederden uit in de rooye groeyingen, van de stervende zon. Zij dronk laat thee. Felix was al naar bed, toen zij weer alleen zat in de groote kamer. Zij had gezegd, dat de lamp niet hoefde, om dat zij liever wou schemeren. In haar afgematheid, speelde het lichtje onder de theepot met haar oogen, lange stralen schietend heen en weer door de vredige zacht-zwart staande duisternis van de kamer, Mathilde voelde het ruischen van den tijd zij voelde zich heengeduwd naar den wachtenden dag op de regelmatige tik-tak-begeleiding van de duistere pendule, die als de stille radeling was der kracht van haar leven, haar voortuitvoerende naar het geluk. Het eene venster stond wijd open voor den stillen mooyen avond van buiten. Mathilde dronk haar lauwe thee met weeken slurpenden mond, en, daarboven, samentrekkende proevende oogen.

Zij was zoo wech in haar stille afwachtings-stemming dat het geschuif van haar stoel over de vloer haar een vreemd hard geluid klonk toen zij opstond, om vlak voor het venster te gaan zitten met haar kopje. In de teer-grijze duisternis was het groen in een zware donkerte tot rust samengevallen. Maar hoog en ver, in een oneindige wijdheid, was de sterrenhemel opgeslagen over den tuin. Alles was zeer stil. Mathildes verslapte blikken klommen over de zwarte bladerenmassaas naar de sterren, die verward boven de bladeren lagen en er door en er over neerhingen in een fonkelende bepuntering. Zij keek, en een sussende weemoed zweefde stil door haar moede gemoed. En zwerm lijnloze droomen steeg langzaam in haar gedachte. Al wat zij haar leven-lang mooi had gevonden en gehoord had, dat mooi was, in de sterren, waarde als een vaag gevoel door haar bewustheid. Het waren oude melodien van toen zij nog niet getrouwd waren, kleine refreintjes van de straatorgels uit haar jeugd, een liedje, uit zijn jeugd, dat haar vader wel eens neuriede, het waren alle kleine oogenblikken van kleine teere aandoening, een buitengewoon innige handdruk van haar vader op een avond, het op straat ontmoeten van een meisje, dat zij langgeleden had gekend, het terugzien van dezelfde huizengevels van vroeger na een lange afwezigheid, de eerste boeket van Jozef, eens, toen zij jarig was, een mooye bladzijde uit een mooi leesboek, de oprechte hartelijkheid van Jans in zekere omstandigheid, die, zonder tot herinnering te worden, een dierbaren nevelgrond spreidden onder haar mijmering. Zij voelde haar bewustzijn gedragen door het leven als door een lagen wiegelenden leuningstoel. De kuische duisternis met haar oneindige ruimte, onder de verre sterren, weekte lange aandoeningen van oneindige liefheid en gedachtenzwemen van eeuwig geluk, zalig-zacht rein-te-vreden, in haar voelen los. Het was als een warme zachte hand die over haar wangen ging, over haar bleeke wangen, met lange zwijgende streelingen. Zij stak haar gezicht schuin omhoog en uit de diepste schuilhoeken van haar gemoedsleven kwamen, van heel, heel lang geleden, vreemde bewegingen van hoop, trillingen van geluk en vertrouwen, naar boven, die zij eerst niet herkende, maar die langzaam uit hun verflensing nauwkeuriger opleefden. Uit al de vage stukken van het vroeger met teere genieting waargenomene, die nu in haar verbeelding kwamen schemeren, drong Jozefs figuur naar voren en bleef alleen, alleen in haar verbeelding, die was als een vreemde schilderij zonder afmeting in den roerloos ritselenden zilvergrijzen nacht, en stond hoog omhoog als een vast lichaam vol heerlijke zekerheid van leven en liefde. In hem had zij altijd geloofd, aan hem had zij zooveel gedacht in eenzaamheid. Zij geloofde in zijn borst, waar haar hoofd tegen-aan kon leggen, zij geloofde in zijn armen, die haar aan zijn borst konden drukken, zij geloofde in zijn beenen, die naar haar konden naderen, zij geloofde aan zijn hoofd, dichtbij het hare, met liefde in de oogen en liefde in den mond, Zij geloofde, dat zij altijd samen zouden zijn, altijd, altijd, zonder stoornis meer, allen dag en allen nacht.

En de melodie van haar geloof leefde nog dien avond in haar voort, tot lang na dat zij naar bed was gegaan. Mathilde droomde dien nacht van Ster. Zij zag hem heel vreemd loopen, in de lucht, zonder iets aan te raken, en eindelijk in een der hooge iepen gaan zitten. Zij droomde ook van Felix, dat die op het uiterste kantje stond van een steile berghelling, terwijl Marie met een bal naar zijn hoofdje gooide.

Eindelijk kwam de Zaterdagochtend, onder een donker bewolkten hemel, zonder zon, zonder regen, zonder wind. Mathilde had moeite om uit haar bed te komen. Ging haar hoofd even in de hoogte, dan trok het liggende lichaam het weer neer. Daar was dan de Zaterdag, de laatste dag, koud en onverbiddelijk in haar kamer geschoven. Wat waren die dagen verschrikkelijk gauw voorbijgegaan! In haar hoofd werkte de stemming van den vorigen avond nog voort, maar bekoeld en verlept, half wechgesmolten in de koude zuivering van de slaap. Zij voelde zich leeg. Haar verlangenleven der laatste dagen scheen haar gemoed te hebben uitgebrand. In een lauwe onverschilligheid, met een in zich opnemen van den dag als was die heel gewoon met een blinde botheid der zenuwen, die voort bleven slapen, de kamers en de meubels langs ziende zonder ze te zien, ging zij den ochtend door. Zij was naar, beverig, als onder den invloed van een naderende ziekte, van een zware kou, die zij gevat zou hebben. Herhaaldelijk moest zij weer in huis gaan. Zij vond den dag zeer vervelend. Hij grijnsde haar toe met de wanhopige eentonigheid zijner vormen en kleuren van altijd. Alles was grijs. De luchtgrijsheid kilde over de paden en over het gras en flenste door de boomen.

Om kwart over drieen werd zij door Marie in huis geroepen met vertrouwlijke en te kennen gevende armgebaren. In de groote kamer vond zij mevrouw van Borselen zitten, in een grijs satijn japonnetje onder het groen dooroogde, lichtelijk doorkleurde vleesch van haar stijfjes bekamde hoofd, midden tusschen de warse meubelen gezakt. Hoe zij het maakte, hoe zij-zelve het maakte, dat zij haar in zoolang niet had mogen zien, lieve omstreken, Mathildes buitentje mooyer gelegen dan het hare, vlak aan den straatweg, gezellig leven, elkaar veel bezoeken, Felix, haar zoontjes, Jozef, het rijtuig, de spoor, de heer Ster, geen madera, neen, nooit iets gebruiken voor den eten, nog eens Jozef, spoedig te-rugzien, onaangenaam weer.

De woorden sprongen naar Mathilde, vielen om haar heen op den grond. Zij andwoordde en sprak als met een hoofd, dat een eindje voor haar eigenlijke zou wezen. Maar het woord "meneer" tikte op haar hersens, en toen begonnen de woorden haar te slaan, op haar schouders, tegen haar hals, tegen haar wangen, als de gepolijste gemeenplaatsen van het onverschillige leven, dat ruw langs haar heen ging. Toen mevrouw v. Borselen de tweede maal van Jozef sprak, schrok Mathilde. Het was een tergende spaak in haar hersens, waaraan die vreemde vrouw roerde, iets wat zij niet wilde, maar dat moest, een akelige macht, die wreed in haar leven was.

Mevrouw v. Borselen ging wech. Mathilde zag haar glimmend satijnen, oogelozen rug heengaan door den gang, tot den romp de stoep afzakken en voor 't laatst doezelen tusschen de boomen. Achter mevrouw v. Borselen heen, het glanzig grijze wezen in den hollen dofferen dag, kromp de dag zelf voort, zijn rondingen verdonkergrijzend en schemerneerplattend in den avond, droog en geruchtloos.

De Zondag was mooi, een dartele dag, met een sterken zuiden-wind, die de rozen deed wiebelen aan hun takjes. Marie was in een stijf gestreken katoentje en vroeg: Hoe laat komt meneer? en over het stijfschoone dekkertje op de tafel heen, zei Mathilde: Ik denk om elf uur, zoo als altijd. Zij was wrevelig gestemd dwars tegen den levensloop. Onder haar oogen dachten stuursche wangen onverschilligheid Het ontstemde haar zich voor niets zoo opgewonden te hebben. Zij zou stellig nooit verstandig worden. Het leven ging immers zoo eenvoudig en gewoon; nu was er weer een dag, net zoo as gistere, zoo meteen kwam haar man. Wat was daar nu eigenlijk aan. Zij leek wel niet wijs. Zij leek wel een aktrice. Toen hoorde zij een rijtuig aankomen en wist-voelde te-gelijk, dat het het rijtuig was. Toen was 't net of haar hersens in de war zouden gaan en er heet bloed voor haar oogen zou komen. Haar heele lichaam begon te beven. Zij hield haar tanden op elkaar; als zij 't vergat tikten zij op elkaar in een stootend geluid van haar hoofd. Haar handen werden koud aan de toppen, vochtig aan den palm. Zij kon niet opstaan en zag van haar stoel door het venster alles nauwkeurig. De hit voor het tentwagentje stond in eens stil, zijn voorpooten als schuine staken naar voren op den grond. De koetsier sprong van den eersten bank onder den kap uit; hij was jong, hij had een rood gezicht en had een pet op. Het lage portiertje ging moeyelijk open, maar met een duw van binnen lukte het. Toen zag zij Jozef; die er langzaam uitstapte, in een lichtgrijs pak, zijn korte jasje met twee rijen knoopen van voren, en zijn broek die wijd over zijn lage schoenen afhing, met zijn linkerbeen op het ijzeren treetje, toen zijn rechter en linker bijna te-gelijk op den grond. Zijn hand kwam boven de binnenhand van den koetsier, terwijl hij zijn kin een beetje introk. Hij had een lagen licht-geelen strooyen hoed op en, toen hij zich weer had omgekeerd en den tuin inkwam, een erg lage boord, een koerant en een paar gele handschoenen in zijn linker hand. Maar hij ging achter de boomen en zij zag hem niet meer.

Toen Jozef de kamer binnenkwam, hadden zij beiden in een snelheid van opkomen en vergaan, dezelfde gedachtewaarwording.

—Daar ben ik! Hoe maak je 't Thilde? Je hebt in 't geheel niet geschreve. En zijn glimlach naderde van de schuin-open deur, en slonk wech toen hij haar bleek zag beven, en zijn oogen voelden: wat ziet ze er vreeselijk vreemd uit, ze is stellig met een anderen man geweest, in elk geval blijf ik kalm; en zijn glimlach dacht in haar voort, in een slag van uiterste angst, een stuipende siddering van haar verstand, een vreeselijke stilstand van haar hart: dit is hij niet, dat is hij niet, ik ben met een anderen man geweest.

Zij voelde haar denken vernield, zij voelde zich wezenloos worden. Haar voeten werden koud en zij waggelde, met een licht doorbuigen van haar knieen. Maar de groote smart van haar verstand rukte haar te-rug in de levende werkelijkheid der angst-licht vlammende kamer. En zij wist de grootte van haar liefde en dat hij die liefde niet was.

In het naderend uitsteken van zijn handen vroeg hij: Bee-je niet wel? Wat scheelt je? Wat is er? Zij zeide Och nee, 't is al weer over, dat heb ik tusschenbeye tegenwoordig, ik weet niet wat het is. Zijn lippen zoenden, de zoen gleed wech van haar rillende wang. Felix was binnengekomen uit het rieten kabinetje en zijn hoofd stond over de tafel heen te kijken naar die twee groote menschen, strak, zonder begrip. Mathilde had Jozefs hand genomen, flauw tusschen de haren. Dat was een vreemd gevoel, die koude hand. Zij zoende hem op zijn wang, die hard was. Alle mannenwangen waren hard, zij wist het wel, ja, zij wist het wel, zij had het altijd gehoord en altijd geweten.—He, ik moet even tot bedaren komen, zeide zij, en zij ging zitten op haar stoel, een eind van de tafel geschoven. Jozef ging aan de tafel zitten, zijn voorarmen er op, de gevouwen koerant in zijn handen, zijn hoofd er over heen gebogen en schuin naar Mathilde gekeerd, met een streelende deelnemende uitdrukking. Hij zat maar stil te kijken, om te zien wat er gebeuren zou.

Felix kwam naar hem toe: dag, vader. Jozef zei tot Mathilde: wil je niet iets drinken? … of wil je misschien gaan leggen? Zij schudde van neen, haar hoofd naar den grond. Toen keerde Jozef zich naar links, nam Felix op zijn knie: dag, vent, hoe heb jij 't gemaakt? Niet stout geweest? Toen temperde hij zijn stem: moeder is niet wel, he? We moeten een beetje zachies spreken. Ben-je altijd lief tegen haar geweest?

Mathilde voelde hen en hun spreken. Zij wist wel, dat zij buiten haar om spraken, dat zij de haren niet waren, iets anders dan zij. Zij was alleen, als een dwaasheid in het gemakkelijke gewone leven. Al haar voelen duizelde in haar blikken over den grond, en stootte tegen de tafel en stoelen, en vermartelde in het felle licht, dat de dag door de vensters bij breede lachbuyen naar Jozef heensmeet. Over den grond wipten de eile stalen licht-kwatelingen, schoten te voren uit het behangsel, spiraalden neer van het plafond, en te midden van de huiverende kamer en den angstigen licht-dans was Jozefs stil bewegende lichaam, waar van elke beweging in Mathilde schokte.

Zij keek naar Jozef, en dan weer niet, en dan weer naar zijn strooyen hoed, die plat op een stoel lag. Zij voelde als een plotselinge langzame losschroeving van haar verbeelding-en gedachte-vermogens. Zijn lichaam was daar toch, bij haar, vlak bij haar, tastbaar in zijn begrensde vormen, met een ruimte er om heen, waarin zij gaan kon, waarin zij haar armen kon bewegen, om ze te leggen om zijn hoofd, en haar lippen naar voren duwen aan zijn mond. De liefde-bewegingen van haar armen en hoofd, die zich onbewust onder de plannen van hetgeen zij hem zeggen zou in haar denken hadden voorbereid, leefden nu op in haar verbeelding; zij zag vreemde armen gebaren maken, vreemde achterhoofden neigen en bukken en zich vlijen. En daar achter, ver in haar voorstelling, zag zij een donkere holte onder de sterrenlucht van Vrijdagavond, waarin wezenlooze eilingen voortholden en verdwenen in den nacht, de mijmeringen, die het denkbeeld van haar man in haar waren geweest, en die vernietigd werden tegen zijn zittende levende lichaam.

—Hoe gaat 't nu? Een beetje beeter? vroeg Jozef, haar effen bruin aanziende, in ratelend tegen haar schedel slaande klanken.

—Het gaat al beter, maar ik ben nog wat duizelig.

—Komt de dokter vandaag nog?

—Ik weet niet, hij is er de heele week niet geweest.

—We moesten maar wat vroeg koffie drinken, zei Jozef, ik heb honger.

Mathilde stond op om 't zelf in de keuken te gaan zeggen. Toen zij haar waarnemen in haar, hem, die stil bleef, zag naderen, en toen zij zag op zijn hoofd, dat onder haar kwam, en zijn gezicht van boven af, begreep zij zijn lichaam niet en begreep niet meer hoe zij hem kende. Maar toen zij voorbij hem was gegaan en zijn vormen uit den hoek van haar oog gestooten waren, ging er een tinteling door haar hoofd en een drift door haar beenen, waarin haar oude voornemen te-rug gaan wilde en zich gooyen over Jozef om hem te beminnen. Maar hij was achter haar hersens zoo als ze hem gezien had en in trijterende schrikken ging zij voort en was alleen met de wanden zonder het te weten.

Uit de keuken ging Mathilde naar haar slaapkamer, nam Floridawater en ging zitten voor de tafel, met den zakdoek onder haar hoofd. Op 't zelfde oogenblik kwam Marie in de groote kamer om te dekken. Jozefs oogen werden warm, Marie hoestte en keek voor zich uit met de bedeesdheid der wangen.

—Is ie heel zoet geweest deze keer? vroeg Jozef terwijl hij gauw hevig keek naar Marie en daarna Felix bij zijn kinnetje pakte en hem aanzag met elders denkende oogen.

—O ja, meneer, andwoordde Marie, ook schuin naar Felix ziende, heel zoet, is 't niet, Fik?

—Dat weet ik niet, zei Felix, en douwde zijn gezichtje tegen Jozefs schouder.

—Dan heb ik wat moois voor je bij me, zei Jozef en met langzaam-voorzichtige gebaren, om Felix niet te laten vallen, haalde hij een dun prentenboekje in een prachtbandje, uit zijn binnenzak.

—He, zei Felix, met een eensklaps aangestoken vroolijkheid, he, da's mooi! en hij gleed van Jozefs knie en ging, zonder verder te bedanken, voor het venster zijn boekje bekijken.

Daarna werd er koffie gedronken. Mathilde zag Jozefs bovenlijf voor haar, boven het witte tafelvlak, het op en neergaan zijner grijs zacht omkokerde armen, bij de gladwitte schoteltjes, den bal van zijn hoofd met de levende gaten en uitsteeksels, waarnaar zijn handen klommen met het eten en drinken, de schouders van zijn jasje, die zwollen en neerstreken bij de armbewegingen, zijn blinkende en knippende oogen, zijn hoofd, dat telkens even boog en rees, zijn hakkenden en trekkenden mond, zijn snor die van onderen nat werd en met een kruimeltje en die hij afveegde met zijn vingerdoekje. Zij zag zijn hals met het diepe kuiltje aan den boord, zijn ooren, die zoo mooi dicht aan zijn hoofd stonden, zijn rechte neus, het fijne rood van zijn wangen, zijn haar, dat even mooi zat als altijd. Zij keek, en het was haar alsof zij iets zocht, iets dat zij vroeger altijd van hem gezien had en dat nu voor altijd verdwenen was. En zij dacht, of zij dat lichaam had liefgehad, of het zich niet had losgescheurd van iets anders, een wezen, een waas, zij wist niet wat, dat alleen zij had bemind. Maar zijn lichamelijkheid sloeg haar denken voortdurend en zij kon maar niet inzien, dat haar eindelooze begeerte bij haar was. Nadat hij gegeten had en zijn zware vale woorden over het brood en de boter en het vleesch boven de tafel hadden gerold, neerkletterend op haar rug met klamme streken, liet hij haar vertellen hoe zij den laatsten tijd had doorgebracht, of mevrouw van Borselen er al was, of de bloemen nog goed opkwamen in den tuin, of zij al een wandelingetje verder dan de tuin had gemaakt, en hij zeide herhaaldelijk dat zij erg bleek zag.

Na de koffie deed hij een cigaret van voren in zijn mond en rookte. Hij zei:

—Willen we ook een beetje in den tuin gaan?

Zij gingen. Lief en goemoedig lei hij haar rechterarm in de kromming van zijn linker. Zij stapten samen regelmatig voort, en hij blies zijn rook, blauwetjes, van zijn hoofd, den anderen kant uit. Toen ze hem nu goed raakte en voelde in de jubelende lucht van den waayenden tuin, leefde stormend in eens in haar te-rug een gevoel van lang geleden. Als een klaterend beeld in een spiegel waarde zij snel bij haar, de herinnering van toen zij hem angstig-vreemd had gezien op den ochtend van hun eersten zoen. Maar krachteloos viel de herinnering terug voor de eenmaal zoo nauwkeurig en vast in haar gevormde gedachten der laatste dagen, die onweerstaanbaar opzetten naar de klanken en klanksmartten uit haar mond:

—Ik zou wel eens over iets met je willen spreken …

—Zoo waarover dan?

—Ja, je zal het wel heel gek vinden, maar voor mij is het een ernstige zaak.

Hij keek haar over zijn schouder aan. Zij keek naar den zwarten grond, zij was koud, zonder ontroering, zij deed niet, zij onderging de macht van haar besluit, dat haar deed spreken buiten haar wil om.

—Wat bedoel je dan? Ik begrijp het niet.

Toen zeide zij hem kalm-koud:

—Je houd niet van me. Wil je niet weer van mij gaan houden? Anders weet ik niet, hoe ik langer moet leven.

Hun hoofden gingen voort, dicht bij elkaar, met een stuk heestergroen er tusschen en er boven wijd wech de wind-spelende wit-blauwige ruimte. In zijn hoofd, naar voren gewend, was verwondering. Daar begreep hij niets van. Wat scheelde haar nu weer in eens? In haar hoofd was de harde gevoellooze koelte, maar een scherpe wrevel over de tegen haar wil in gesproken woorden zwart-lemmette op en tegelijk begon een gloeying, vreemd opkomend, van diep beneden. De wrevel hief haar arm een beetje en deed hem bijna niet meer liggen in den zijnen, en zij kreeg ook een goeddoend gevoel van gemak, van breede tevredenheid, van bedarende opklaring van haar gemoed. Zijn beenen bewogen gelijk op met de hare, zijn lang gewachte lichaam was hoog naast het hare, en zij dronk blijde zijn tegenwoordigheid in al het waarneembare van zijn leven. De zomer baadde hen bij lauwe vlaagjes, bestoeide hun opwippende haren, glom tegen hun niet-ziende oogen. Jozef zei in den licht-wind: Maar, lieve kind, ben-je dwaas? Ik hou nog altijd even veel van je, waar haal je dat vandaan, dat ik niet meer van je zou houen?

Haar arm zeeg weer neer op den zijnen. De gloeying vlamde op in haar, haar geest geheel vullend. Al de liefden, die in haar voor hem geweest waren, rezen aan-een, niet te temperen, en in een brand uit haar oogen en over haar borst sproot uit haar splijtend gemoed een kletterende op-een-volging van zware, doffe, heesche fluitende klankjes, waarin zij hem zeide, wel te weten, dat hij dit zou andwoorden, alles te weten, wat hij nog meer zou willen zeggen; maar dat dit alles niets beduidde, dat hij, als hij zich maar eens goed wilde onderzoeken, wel zou merken, dat zij gelijk had met te zeggen, dat hij toch eigenlijk niets meer van haar hield. Zij verweet hem al zijn verwaarlozingen zij vertelde hem van al de dingen, die haar zijn verflauwing hadden doen weten. Maar zij klaagde niet, zij was boos, en het voorgenomen smeeken verstijfde in een vergen tusschen haar verdunnende lippen. Zij had zijn arm aan haar linker borst gedrukt, haar hoofd dicht bij het zijne gedaan. Maar toen zij alles in eens gezegd en uitgesproken had, met zacht rood aan haar slapen en haar voorhoofd, en hij andwoordde: maar, lieve kind, dat verbeel-je je allemaal maar, je hebt de koorts, je moet wat kalmeeren,—toen liet zij hem los en bekeek hem zoo als hij daar was met den tuin om hem heen, zijn blanke voorhoofd en zijn stille korte haar, zijn kalme wangen, zijn gewone oogen en grijze schouders. Hij tuurde voor zich uit met hooggestreken wenkbrauwen als om in het dennen-boschje een oplossing van de vreemde ziekte van zijn vrouw te vinden en hij drukte zijn bovenlip over zijn onderlip. Haar armen krompen tegen haar lijf, haar hals kromde een weinig om laag, in haar oogen kwamen roode spikkeltjes, zij zag hem niet aan.

—Kom, Thilde, zei hij, laten we over iets anders spreken. En zij spraken er over, om Ster en mevrouw v. Borselen ten eten te vragen, om Felix op een bewaarschool te doen. Mathildes verbeelding voelde hem nu niet meer, haar verstand dacht hem. Zij merkte zijn heele persoonlijkheid, met al zijn doen en laten, als een kleinigheid in haar grooten hartstocht. Zij voelde hem heelemaal te kunnen overzien. Hij was een gewone, verstandige en mooye man. Hij had vroeger veel bij hen aan huis verkeerd, daarna waren zij samen getrouwd, en hij had zich altijd gedragen zoo als een fatsoenlijk man zich tegenover zijn vrouw gedraagt, wat wilde zij toch eigenlijk nog meer? Toen zij ziek was geworden, hadden zij natuurlijk niet zooveel samen kunnen zijn als vroeger. Haar verdriet was, dat zij hem geheel waarnam, want eerst was er, behalve zijn neigingen en gedachten, die zij wist, iets onbekends voor haar in hem, een verborgen geheimzinnige kracht in zijn wezen, ondoorgrondbaar en heerlijk,—het was de liefde, de zij voor haar in hem veronderstelde, Zij zag hem nu zonder dat groote en diepe, met een hoofd leeg van haar, leeg van wat zij wilde, zonder begrip. Zijn wezen was gering, hij had niets dan zijn leden en zijn dagelijks zelfde hersens, waarin elken dag de indrukken en gedachten van den vorigen zich herhaalden, zonder ooit zoo'n vreemden droom, zonder ooit zoo'n onbegrijpelijk gevoel voor iets hoogers, iets meers. En zij wist niet en vroeg zich, waarom zij zoo van hem was gaan houden. Wat had zij eraan voortdurend aan dien man te denken, wat hoefde zij zich ziek en ongelukkig te maken om zijnentwil? Haar hersens werden hoe langer hoe kouder. Zij voelde zich een oogenblik staan, als gelukkig in haar leven, buiten haar liefde. Zij dacht een kalm, zuiver, geregeld, gezond dagelijksch bestaan, waarin zijn hoofd en zijn schouders naast haar niet meer trilden, waarin hij niets was dan haar gewone maatschappelijke echtgenoot, keurig en fatsoenlijk, zonder die nutteloze bombarie van dwaze grillen en opwindingen. Wat was er niet veel te doen in het leven, ook voor een vrouw! Wat zou zij een mooye handwerken kunnen maken, en koeranten en boeken lezen om op de hoogte te zijn! Niet alleen zou ze haar huishouden uiterst zorgzaam kunnen doen en veel meer in de perfektie dan tegenwoordig, maar ze zou b.v. ook voor arme kinderen kunnen naayen, zooals andere dames deden. En dan, om het voornaamste niet te vergeten, wat zou zij veel meer moeite en oplettendheid aan de opvoeding van Felix kunnen geven! Nu werd die voor het meerendeel overgelaten aan Marie, en dat was eigenlijk volstrekt niet zooals het hoorde. Verder, als zij dan ook weer heelemaal gezond zou zijn, had zij voor uitspanning de konversatie met mevrouw v. Borselen en met andere dames, waarvan zij de kennis kon maken. En, och Heer, er waren nog zooveel andere dingen. Waarom moest zij zich ook zoo afzonderen in de laatste jaren? En zij zag in eens een leven vol verscheidenheden en kleine gelukjes, dat zij in haar bespottelijke hersenkoorts geminacht had zonder nagedachte.

Jozef meende daar het middel gevonden te hebben, om zijn vrouw tevreden te stellen.

—Wil ik, nu je weer zooveel beter bent, eens een week of drie achter elkaar hier blijven? vroeg hij.

Maar een onoverkomelijke warschheid klom tot aan haar mond. Zij zeide:

—Ja, ik zou 't wel heel graag willen, want man en vrouw hooren bij elkaar, maar ik geloof wezenlijk, dat 't beter voor me is, dat ik vooreerst nog maar alleen blijf, want als ik niet zooveel rust mogelijk heb, kan ik niet slapen.

—Dat spijt me, zei hij, en glimlachte, haar liefweemoedig aanziende.

Maar zijn glimlach werd vernederd en wrevelde wech op de strakheid van haar gezicht. Zij gingen te-rug in huis en liepen wijder van elkaar over het pad, met schokjes van stuursche verlegenheid in hun armen en beenen. Het witblauw van boven en het dartelende groen krioelde tot hun hoofden en tusschen hun leden.

Den volgenden ochtend, toen Mathilde mat opstond, met een moeheid van het leven in haar beenen en in haar hoofd, zag zij haar fletse gezicht in den spiegel, haar flauwe oogen, de vale plekjes er onder, en de lange rimpels over haar voorhoofd. Zij voelde een grooten wrok tegen Jozefs frissche lichaam. Zij zag, dat het buiten al-weer een lichte dag was, een uit dezelfde eentonige opvolging, die tot gisteren geduurd had en die morgen en overmorgen en altijd weer verder zou duren. Weer zag zij den tuin door het venster, zonder iets buitengewoons, in zijn zelfde aanzien van steeds, zij alleen verouderde intusschen en het erge heerlijke van haar jeugdleven zou verminderen en eindelijk heelemaal wechblijven. Zij keek naar de voorwerpen die stil stonden om haar heen. Wat was het nu? Ging zij naar een doel? of wat deed zij eigenlijk? Wat gaf het? Zij, die dacht, dat er zooveel met haar gebeurde, wat beteekende zij, wat gebeurde er met haar? niets. De dag van vandaag leek precies op den dag van vijf, zes jaar geleden. Zij had eenvoudig haar zenuwen, haar lichaam vermoeid en ziek gemaakt en zich voor altijd berimpeld door zich allerlei dingen in te beelden waarvan niets bestond en door het gewone leven te vergeten, dat toch eigenlijk alleen waarde had. Maar hij was er de schuld van, hij, die man, die zich aan haar zij had gedrongen. Aan hem had zij het beste, alles, gegeven wat zij had. Hoe was 't mogelijk, dat zij zich in 't begin zoo gelukkig had gevoeld door hem! Wat gaf zij nu om hem? Niets! Hij was daar met zijn onverschillig-beminnelijke, koele, bekrompen wezen. Zij was mooi geweest vroeger, zij had ten minste een lief gezicht, had iedereen gezeid. Nu was ze het niet meer. Haar vader was alleen gestorven uit verdriet over haar huwelijk. Neen, zij kon hem niet meer lijden, die man, die haar gebruikt had, om een tijdje pleizier met haar te hebben, die haar ongelukkig had gemaakt en dien zij nu verveelde. In de zweterige mufhe van haar eerste op-zijn liep zij met driftige zwartgalligheid door haar kamer.

Jozef kwam haar goeyen dag zeggen. Hij moest wech met de diligence.

—Nee, ik ben nog ongewasschen, zei Mathilde, geef me maar alleen een hand.

—Dat kan mij ook wat schelen, zei hij, daarvoor hou ik te veel van je.

Hij zoende haar voorhoofd, maar zij deed niets te-rug.

—Zeg, hoe maakt Emilie Berlage het toch, daar heb ik heelemaal vergeten je na te vragen.

—O, ik geloof goed, maar ik heb der in lang niet gezien.

—Nou, doe der me komplimenten as je der ziet …

—Nou, dag kind, aanstaanden Zondag kom ik weer, hoor!

—O, uitstekend!

In een gevoellooze rust leefde Mathilde de zacht-grijze week die nu volgde. Zij bleef zonder gewaar-wordingen en sprak bijna niet. Zij was, na de vermoeying van haar te veel voelen der laatste tijden, in een begeerteloze vrede met de stilte van elken dag. Zij had plotseling op een dag oud naaiwerk voor arme kinderen uit de kast gehaald en was daar met een niet-opzienden ijver aan gaan werken. Maar de week was al voorbij en Jozef zat weer tegenover haar aan tafel, vragende, waar zij daar zoo druk aan bezig was.

Hij stond op en ging eens bij het venster staan en daarna weer zitten op een stoel vlak bij Mathilde, met zijn ellebogen op zijn knieen en zijn hoofd naar haar werk toe. Het was als snuffelde hij met de vooruit-stekende gedeelten van zijn gezicht naar Mathilde en haar werk. Een oogenblik later stond hij weer aan de piano en bladerde in de muziek. Hij keerde zich om, stond met zijn handen in zijn zij, keek op Mathildes hoofd.

—Kan je velen, dat ik piano speel? vroeg hij.

—O ja, wou je iets spelen? Dat heb je in lang niet gedaan.

—Ja, zei hij, zijn woorden slepend, ik wou nog eens zien of ik dat nog kon.

—Wat?

—Nies, zoo'n deuntje van Offenbach, dat ik vroeger uit mijn hoofd kon.

En in eens, terwijl Jozefs lange nagels onaangenaam de toetsen tikten, geluidde de piano los, met een verwondering der stilte in den hoek, waar zij zoolang met haar gewone meubelstomheid gestaan had en een geklinkklank door het hol-ziende huis, vervuld met de woordelooze klanken van dat vreemde onbewegelijke beest uit de hoek van de groote kamer. Felix kwam toegeloopen uit den tuin en door het open venster, bleef staan in een zonnebegieting van zijn blauw pak en blonde haar. Een boerenjongen die juist voorbij kwam op den weg bleef ook staan, kijkend uit de verte. Mathilde werkte door, met gebogen hoofd, en zij begreep niet, welke rare aandoening haar in eens overviel. Het was haar of zij met haar smarten, vergeten was door het leven, waarvan zij eerst het middenpunt was geweest. Buiten waren de boomen in de zon en de kalme omtrek, hier binnen, de leege kamer, Felix, en Jozef, die zijn luchtig melodietje speelde, dat een uitlachende vroolijkheid langs de ruiten deed gaan en dribbelen langs al de onverschillige muren. Met wibbelende tredjes hakkelden de pianoklanken over haar breede lijden. Zij gold niet meer, zij telde niet meer mee. Alles leefde buiten haar om. Haar verdriet was vergeten en begraven. Het groen, buiten, was vol van glans. Felix stond met rooye wangen van het loopen in den tuin, de kamer was netjes in orde, en zij was getrouwd, zij waren immers getrouwd, zij was immers een fatsoenlijke getrouwde vrouw, die een gelukkig en benijdbaar leven had. Dat was zij en anders niet, maar dat was ook genoeg. En zij was niet dat andere, die afgrond van lijden in haar wezen, waarin zij niet wou zien, maar die zij open voelde vlak onder haar oogen.

Mathilde voelde toch een stil genoegen, dat Jozef in haar bijzijn was. Hij was voor haar een wezen, dat haar nog den vroegeren Jozef herinnerde, maar waaruit dat gedeelte van zijn leven, dat hem tot haar alles gemaakt had, voor altijd was verdwenen.

Jozef was nog aan 't spelen, toen Marie binnenkwam om klaar te zetten. Hij speelde gauw een paar slot-akkoorden, stond op, met een knippenden blik op Marie, waarin hij het laatst over haar nadacht, stak zijn handen in zijn broekzakken, keek op Mathildes werk die voortdurend zat te naayen. Hij keerde zich snel om, klapte in zijn handen voor Felix, nam hem onder zijn armpjes op en hield hem in de hoogte boven zijn hoofd, lachende, en met zijn goedig-lichtzinnige uitdrukking, zeggende; kijk, nou bee-je nog grooter als ik! En met Felix op zijn schouder ging hij in den tuin om een roos voor zijn knoopsgat te plukken. 's Avonds dronk Mathilde thee onder de warande en onder het stilletjes in den avond wechkwijnende daglicht mijmerde zij over Jozef. Jozef was na den eten dadelijk uitgegaan, om in de societeit een partij billard te spelen, met een meneer uit het dorp, met wien hij kennis had gemaakt.

Mathilde leunde in haar stoel, met een borduurwerk, dat zij roerloos op haar schoot hield in haar linker hand. Zij had hem heen zien gaan over den breeden weg, met het blauwe sigarenmistje om zijn hoofd, tusschen de dikke boomenstammen. Zij was allen. Zij voelde zich leven in den dof-blonden avond, die neer-zachtte over de klagende slaapgebaren der verdonkerende boomen. Maar zij leefde tegen den dommelenden avond in, boven den duisternis-spoelenden grond, met haar hoog hittende hoofd op onder de drijvende wolken, met haar droomenfonkelende oogen voort door de nachtende eenzaamheid.

Het was wel plezierig zoo'n beetje stil te zitten 's avonds en niets te doen dan denken. Daar had zij altijd veel van gehouden, ook toen zij nog een jong-meisje was. He, het was drukkend warm van-avond. De warme lucht werd haar als uit open monden om het hoofd geblazen. Die tijd was lang voorbij, ja, heel lang. Waaraan dacht zij toen ter tijd ook weer zooveel, gedurende al die verdroomde uren? Ja, dat wist zij niet meer, het waren wel mooye dingen, maar het was te lang geleden, dan dat zij 't zich nog kon herinneren. Zij dacht aan het geluk, dat wist ze wel, en zij had ook nog het vage gevoel, dat zij zich er onbegrijpelijk veel van had voorgesteld, toen, van dat toekomstige levensgeluk. Wat was zij een buitensporig en wild schepsel geweest, als kind. Dat was later al gauw overgegaan. Wanneer men eenmaal een groot mensch is, beweegt men vanzelf zijn leden minder onbesuisd en wordt het heele leven stemmiger. Waar was toch het geluk? Het was niet boven haar, het was niet voor haar uit, het was niet aan haar zij, zij kon het niet zien in de duistere warmte, die dreigend naderde en ijlings week en ommewaarde in zwartgestaltende zwenkingen. Neen, het was in haar. Als zij maar nadacht, dan kwam het vanzelf te voorschijn. Zij dacht na … Het was toen haar vader al lang dood en begraven was, maar zij woonden toch nog in het oude huis. Zij voelde zich op een avond leeggehuild en moe van droefheid, onverschillig voor alles.

Toen was Jozef bij haar gekomen en had heel lief tegen haar gedaan.

Mathilde was in de zilverschemerende herinnering. Op de tafel lag een opengevouwen koerant, die witterig opritselde in de lauwe donkerte en in den wind een eindje voorschoot naar haar toe over de tafel. Haar oogen sloegen wakker uit de mijmering en zij zei zachtjes; wat is er toch?, toen zij zich in eens te-rugvond in dezen avond. Hoog klom het tegen de zwarte stijlen der warande, waarom de klimop in warrelende donkere rukken steeg, en vlakte met den grond onder haar voeten en drong in haar bewustzijn, met de zielloze gekantheid der voorwerpen, het Tegenwoordige. Zij was nu. Zij keek om zich heen: och, waar was toch de tijd, die voorbij was gegaan? Zij wist het verledene niet. Zij wist den avond van nu, en haar wachten. Maar was zij hier toch? Zij voelde zich als met een plomp neergezet op haar stoel, van de hooge dragingen harer verre mijmering. Hoe vreemd was het hier! Boven haar was de bekapping der warande, daar naast de leege kamers van het stille huis, en verder, buiten, de groote ruimte, met de boomen zonder oogen, met de lage heesters zonder mond, onder de behuiving der stommelende wolken, die geen stemmen hadden. Aan d'overkant was licht achter de vensters. Daar waren onbekende menschen, die niet wisten, dat zij hier zat. In haar huis naast haar waren de meiden, vrouwen zoo als zij, die ook spreken konden, maar zij wisten haar niet en waren met hun zelf, en het was ook ver, van haar tot de keuken. Daar was veel donkere ruimte tusschen, ruimte, die zij niet door kon gaan. Het was te ver, veel te ver. En toch wilde zij het geluk weer. Zij had het noodig. Zij kon er niet buiten, nu, op 't oogenblik, zonder uitstel.


Back to IndexNext