III.

De heer de Stuwen voelde zich heerlijk thuis te midden van die kleine burgerlijke spijzen. Hij zei: Kom-an, laten we nu maar aan den gang gaan. En hij ging op een door Mathilde klaar gezetten gewonen stoel zitten, voor het bordje. Hij was een erge liefhebber van brood en vond het ook een aangenaam gevoel brooden te hanteeren. Hij nam het brood, dat nu voor hem lag dan ook uit den bak en sneed er het uit-einde af, na er eerst met de punt van het mes een kruisje opgemaakt te hebben. Dit was een gewoonte, die zijn vrouw hem geleerd had en die hij, ofschoon hij niet aan de godsdienst deed, toch aan had gehouden. Hij dacht altijd aan zijn vrouw, die streng katholiek was, als hij dit kruisje maakte. Mathilde schonk de bessensap in. Zij wist van alles de maat voor haar vader: zooveel suiker, zooveel bessensap en zooveel water. Door te roeren loste zij de suiker op en gaf haar vader het glas aan. Deze vond 't lekker koel en stelde voor een raam open te zetten, hetgeen Mathilde deed. Een verward gegons, doormengd met een paar schrille schreeuwen van koopvrouwen, woei naar binnen. Er rolden rijtuigen over de brug met ratelend geraas en den matten paardenhoefslag. Muschgetjilp suizelde in den zomerwind uit de boomen. De heer de Stuwen duwde een sneetje roggebrood op zijn boterham, hield dezen vast met de linkerhand en sneed hem aan vier gelijke reepjes, die hij, een voor een, met een tevredenheid over het voldoen van deze zoo geoorloofde en gemoedelijke en bedaarde lust, aan zijn mond hief. Daarna dronk hij zijn glas weekroode bessensap tot aan den bodem leeg en vroeg om nog een glas aan Mathilde, die al met haar hand zat uitgestrekt; terwijl een klein koeltje door het open venster haar lichtste haren liet wuiven over haar voorhoofd, en haar bleek gezicht beter liet zien.

—Kind, wat zie-je bleek.

—Ik weet niet, vader; dat is zeker om dat ik van morgen een beetje hoofdpijn heb gehad.

Eigenlijk was 't van geluk. Zij was wel een beetje boos op zich zelf, over de onaangenaamheden, die zij, zij zelf kon zich nu niet begrijpen hoe en waarom dat was gebeurd, aan Jozef gezegd had, maar dat hij gekomen was, eindelijk na dat eeuwige wachten van die lange, lange week, dat maakte haar erg blij. Zij wist weer niet wat zij doen zou van plezier. Ze kwam op het idee, dat haar vader verbaasde, om hem, ter gelegenheid van dit hun gewone koffidrinken, op iets extraas te trakteeren van haar eigen geld. Zij zei het hem; zij sprak van een blikje sardines, een leverworst, een ommelet, een biefstukje, dat Jans even kon halen bij den slager op den hoek van den steeg, enfin, wat hij maar wou. De vader begreep er niets van. Hoe kwam 't in haar op? Waarvoor die bizondere traktatie van-daag? Had ze een lotje uit de loterij getrokken, of was 't maar een nieuw grilletje? In allen geval bedankte hij, en zeide, dat als ze wilde, ter eere van het mooye weer of wat dan ook, zij voor het eten maar iets lekkers moest laten klaarmaken, dan zouden zij samen weer eens smullen. Nu vroeg Mathilde of de koffie gedaan was. Zij had haast om alleen te zijn, stil boven op haar kamer.

—Ik ga van middag naarArtis, Thilde, zorg dat je over een kwartiertje klaar bent;

—Ik wou liever thuisblijven, vader; ik heb boven nog zooveel te doen. De heer de Stuwen was verwonderd. Het was voor het eerst van zijn leven, dat hem zou iets overkwam. He! ging ze niet mee! Maar waarom dan niet, wat scheelde haar dan toch? Wat had zij dan nog te doen, wat? Den heele bak met linnen te bergen, die er nog stond! Een mooye grap, kon dat dan later niet gebeuren in plaats van vader alleen naarArtiste laten gaan, waar hij zich zeker vervelen zou. Maar er was niets aan te doen. Mathilde noemde nog tien andere zaken op, die volstrekt gebeuren moesten. Vader ging alleen naar Artis.

Mathilde was een te goede huisvrouw, om niet eerst het schoone goed, dat al zoo lang in de stof stond, te bergen, voor zij ging zitten teekenen en denken op haar kamer. Terwijl ze een voor een de stapels lakens, sloope en nachthemden, die nog een beetje vochtig aanvoelden en zwaar op elkaar lagen, in de ouderwetsche bruine kast, met een wit papier op eiken plank, schikte, en daarna vaders overhemden een plank hooger appart lei en zijn kousen nazag, of die ook gestopt moesten worden misschien, dacht ze er aan, dat deze huishoudelijke drukte nog niets was bij wat haar later te wachten stond als ze eens eenmaal getrouwd zou wezen. Ze wou dezelfde orde volgen, waaraan ze nu eenmaal gewoon was en die op den duur het best beviel. Zij ging voort met na te denken over al de groote pleizieren van het hebben en het bestieren van een eigen huishouding. Zij deed 't nu ook wel bijna, maar 't was toch dat niet; ten eerste moest alles gebeuren precies zou als vader het wou, en al dacht zij tusschenbeide heel anders als hij over allerlei dingen, zij sprak er nooit van, maar deed, wat hij wilde; ten tweede was Jans er, die haar had zien geboren worden en aan wie nooit in te prenten zou zijn, dat Thilde, die ze zou dikwijls schoone luyers had aangedaan, en die ze daarna zooveel jaren had zien spelen en springen door het huis, dat Thilde nu heelemaal behandeld moest worden zoo als men het anders een mevrouw deed; ja, Jans dorst op een heel wat hooger toon te spreken tusschenbeide, dan Mathilde het de meiden, die zij later zou nemen, zou laten doen. Zij wist wel, dat er nog in lang niet van komen zou, maar het zou er toch eens van komen en ze vond 't hoogst prettig zich dat alles nu al zou levendig voor te stellen. Ze zouden bepaald twee meiden houden, want Jozef zijn geld plus het hare, maakte dat zij best op zoo'n voet zouden kunnen leven. Op deze manier zou zij zelve ook meer tijd krijgen voor piano-en teekenstudien, dit hoofdzakelijk voor hem, om hem het leven aangenaam te maken. Zij vond het zoo verschrikkelijk heerlijk te denken aan hem, aan het leven met hem alleen, dat zij deze gedachte voor een soort van opperst onthaal voor haar hart en hersenen bewaarde. Zij ging namelijk door met zich in haar heele toekomstige leven in te denken, maar zich alleen met al het bijkomende bezighoudende, met de gracht, waar-zij een huis zouden kiezen, met de meubeleering van de kamers, met de wasch, met de meiden, met de partijtjes, die zij geven zouden, met den zolder, met den gootsteen, met de toiletten, waarin zij gekleed zou gaan en zoo meer. Een enkele keer liet zij even de gedachte doorschemeren, die haar het meeste geluk gaf: het samenzijn en het alleen-samenzijn met hem; zij bespaarde die stof, met glinsterende oogen en zuchtende borst, en lei voorzichtig de overhemden van haar vader in de linnenkast, evenals een kind eerst het bladderdeeg om een taartje heen, opeet, om voor de laatste hap het genot van de konfituren te bewaren. Eindelijk dan ook, toen alles geborgen was en netjes op zijn plaats gelegd, toen Mathilde over alles had nagedacht, tot over Jozefs garderobe en over de nieuwe soort heerenborstrokken, die mevrouw Berlage zoo geprezen had en die Mathilde, als eenmaal de intimiteit groot genoeg geworden zou zijn, aan Jozef te dragen zou geven, toen zij over de mogelijkheid had gedacht om 's zomers naar buiten te gaan, om een hond te houden, en ook over de brievenbus, die ze in haar voordeur zou laten maken, toen liet ze plotseling dat alles wech gaan, gooide al die wezenloze dingen ver uit haar geest, dacht aan niets meer van de omgeving, aan geen enkele bijzaak meer, maar aan hem, aan hem alleen, aan de uren van onbeschrijfelijk geluk, die zij ver van de waereld, ver van iedereen, tot ver van haar vader toe, in een achterkamer of zoo, ergends, waar het ten minste schemerdonker was, waar geen geluid hen zou bereiken en ook de zon hen niet zou kunnen verlichten, heelemaal alleen samen zouden zijn. Zij voelde den stroom van het denken aan hem alleen, die zij zoo lang mogelijk had tegengegaan, om hem de meeste kracht te geven, met alle geweld langs alle kanten doorbreken en haar hart overgolven. Zij wilde nu denken aan en door de kracht van haar gedachte het nu al in den geest beleven, dat geluk van het alleen-samenzijn. Daarbij kwam, dat er een onopgelost iets, een vraagstuk vol duisterheid, iets, dat zij zich ten innigste bewust voelde zonder het te begrijpen, verbonden was aan de bepeinzing van dit heerlijke onderwerp. Zij dacht aan al wat ze hem zeggen zou, als ze eens heel en al, zonder te-rughouding, in volle oprechtheid, wat in haar hart omging voor hem bloot zou kunnen leggen en zich zonder voorbehoud van hem afhankelijk stellen. Zij zinde er op, wat ze zou doen, hoe ze zich zou kunnen gedragen, hoe zij haar eigen wezen zou kunnen veranderen, zich vervormen, zich liever en beter maken of wat of hoe ook ze in Godsnaam zou kunnen handelen, om een ongehoord bewijs, een heilige en onbetwijfelbare bekentenis te geven van haar liefde. Wat moest ze getuigen, wat had ze te openbaren, op dat die getuigenis en die openbaring hem onweerstaanbaar overtuigden, dat haar liefde zoo waar was, dat zij het wel met haar bloed tegen een witte muur zou willen schrijven. Want zij had een angst. Zij twijfelde niet, geen minuut, aan zijn liefde voor haar; die liefde moest bestaan, dit had zij al zoo lang geweten voor hij het zelf zei; maar zij was er niet zeker van of hij wel zeker was van haar liefde voor hem. Zou haar stuurschheid van van-ochtend niet gemaakt hebben, dat hij een beetje aan haar liefde was gaan twijfelen? En toch, al was dat niet zoo, zou ze het hem duidelijk genoeg hebben te verstaan gegeven? Wie weet hoe of hij twijfelde, wie weet wat een angst en verdriet of hij had. Zij vond ook zelf dat zij het niet krachtig en duidelijk genoeg gezegd had, dat andwoord, dat hij was komen vragen. En daarom zocht ze in haar verbeelding naar een middel om haar liefde te zeggen, naar een daad van opoffering, die zij zou kunnen doen. Zij bekeek zich-zelf van top tot teen; daarna betastte zij zich. Er moest een handeling zijn, een akte, een daad, waarin het heele lichaam en de heele ziel zich ten innigste vereenigde om van liefde te spreken, waarin het heele ik in al zijn onderdeelen onverdeeld zich uitte en zeide: ik hou van je, hier ben ik, ik hoor van jouw, heelemaal en altijd. Zij kwam eindelijk tot het besluit, dat zij haar vader zou vragen, wat het huwelijk eigenlijk was. Maar dit durfde zij in 't geheel niet zoo maar.

Mathilde was op haar kamer gaan zitten, voor de tafel, de handen aan haar hoofd. Zij vroeg zich af, waarom ze zoo raar deed gedurende de laatste week, waarom ze eigenlijk van Jozef van Wilden hield. Op haar gemak zette zij hem in haar verbeelding en overwoog: wat er nu eigenlijk aan hem was. Een voor een ontleedde zij de gedeelten van zijn gezicht en van zijn lichaam en maakte de gevolgtrekking, dat zij niet wist wat het was, maar dat zij alles even allerliefst vond. Hij droeg zijn haar heel kort, met een scheiding aan den linker kant. Waar het de scheiding bezoomde, had het een grijs-bruine kleur, die al donkerder werd, naarmate het haar het midden van den schedel naderde. Midden boven het hoofd was het heel donker, bijna zwart en glanzend, maar dun. Precies zoo was 't aan den anderen kant van de scheiding. Boven zijn ooren was het haar aan weerszijden naar voren gekamd en rulde daar even, maar heel even, het liet de slapen heelemaal open en leek niets op een saai oude-vrijers-kapsel. De haargroei, voor het oor, op die plek, waar de blonde sprietjes bijna deden twijfelen, of zij bij het hoofdhaar hoorden, of bij de bakkebaard, scheen daar zoo vlossig, dat het, als hij op straat liep bij winderig weer, leek op een uitgestrooiden zomerhalm, zoo als men ze aan de korenvelden 's zomers op en neer ziet gaan in den wind. Er was een glans door het dunne haar tot over het gladde, blanke, van twee lange, fijne, bijna onzichtbare rimpels horizontaal doorsneden voorhoofd, en aan de slapen waren lichte schaduwen. Zijn bruin-blonde wenkbrauwen, bewegelijk en dun, regel-matig gebogen, waren mooi over zijn groen-blauwe oogen, waar hij Mathilde met zooveel liefde mee kon aanzien. Zijn wangen dachten Mathilde bizonder mannelijk gekleurd met hun somber-blanke tint, en het lichte rood onder de oogen. Zijn neus was van voren even merkbaar in tweeen gesplitst, hij had groote neusvleugels, tot aan de punt van den neus, die hevig bewogen toen hij zich eens driftig had gemaakt op een avond, dat zijn geheugen hem in den steek liet bij het voordragen van een gedicht, en ook nog eens, als zij zich ten minste wel herinnerde, op een anderen avond, dat zij plotseling merkte, hoe hij zonder verwikken of verwegen naar haar zat te turen. Zijn snor was heel, heel mooi, door vergedreven verzorging schijnbaar onverzorgd. Het was een dikke snor, die zijn heele bovenlip besloeg, schuin naar beneden gestreken, den vorm der lip volgend en aan weerszijde in een groote krul naar boven gedraaid. Onder de snor was alleen een dunne roode lijn van de onderlip te zien. Zijn mond had den vorm van een breed naar weerszijde uitgedrukt hart en was meestal een beetje vochtig. Zijn kin was heel rond, al te rond, niet spits genoeg, altijd helder geschoren. Jozef gebruikte lage liggende boorden, altijd stijf gestreken en spierwit als postpapier. Zijn hals kwam daar fier en flink uit naar boven, vanvoren blank, met den sterk uitkomenden strottenbol, die Mathilde een teeken van groote mannelijkheid scheen, half in de kinne-schaduw verborgen. Meer naar achteren werd het vel van zijn hals rooder, tegen den drukkenden boord aan, die daar eigenlijk te nauw was, om dat Jozef zijn hoofd altijd zoo mooi recht droeg. Hij had nog-al breede schouders, waar zijn jas altijd heel glad en zonder een kreukel om heen zat, meestal zwart en donker-groen in den winter, grijs, nu en dan lichtgrijs 's zomers. Hij droeg dassen van allerlei kleuren maar nooit kakelbont, altijd goed en met smaak gekozen, altijd in over-een-stemming met de kleur van zijn pak. Hij droeg heele wijde manchetten, nooit bespat of besmet of hoe ook vies, zoo als de ingenieur Ster ze bijv. wel eens aan had. De manchetten hingen tot laag over zijn polsen, meestal met twee zilveren bolletjes aan een kettinkje vast. Maar zijn handen, o, zijn handen, die had zij lief! Wat een zachte schok ging er door haar leden, toen die handen, tintelend van liefde en bescherming, haar schouders aanraakten of, langs haar armen strijkend, haar polsen beetpakten, om die te omknellen, zoo als het van-ochtend was gebeurd. Mathilde bekeek haar polsen; ze had haar braceletten nog niet aan. Er was niets meer te bespeuren van Jozefs innigen druk. Zij had zoo graag gehad, dat er nog moeten te zien waren geweest. Jozef droeg dikwijls naar voren openhangende fantasie-jasjes van uitstekenden snit. Over zijn vest hing dan een gouden horlogekettinkje. Er was een van zijn vesten, waaraan zij een hooge voorkeur gaf, een vest van geel-grijs pike, met roode, blauwe en gele spikkeltjes, met doffe paarlemoeren knoopen. Dat vest pastte hem prachtig en stond hem zoo mooi en met maar enkele plooyen heel van onderen. Van-morgen, toen ze bij mekaar waren, had Mathilde zich erg verleid gevoeld om haar arm over dat vest heen te slaan, onder zijn jasje, en zoo zich beter aan hem te kunnen warmen en zijn hart voor haar te hooren kloppen, maar zij had niet gedurfd. En dat was ook beter, want zij moest zich een beetje koud toonen, meende zij. Jozefs broekspijpen hingen wijd-uit tot dicht bij de punten van zijn effen schoenen. Vooral de licht-grijze broek met het biesje op zij, stond hem verschrikkelijk goed. Hij had een soort van kalm en waardig gemak om zijn armen en beenen te bewegen. Mathilde voelde het, zij was verliefd op zijn gang, op zijn tred, op zijn schreden; hij liep met een losse regelmatigheid, die haar bekoorde, hij liep edeler dan haar vader, edeler dan Ster, edeler dan alle andere heeren op straat. En dan de manier waarop hij zijn armen bewoog! Met een eenvoudige en natuurlijke gematigheid kon hij een deur sluiten, of een kaart op tafel gooyen, als hij met haar vader ekarteerde! zijn stem klonk als een orgel, lief en forsch tegelijk. Vroeger had zij over al die dingen nooit zoo gedacht, dat was vreemd! Uit alles sprak een edel en teergevoel, en ook een levensondervinding, die zeker was van zichzelf. Hij vond blijkbaar goed, al wat hij deed, of liever, hij deed alleen dat, wat hij eerst had goedgevonden te doen … En hoe had hij altijd van haar gehouden … nooit was zij zoo ingenomen geweest met de manier, zoo als hij vroeger tegenover haar gedaan had, toen hij uren-lang bij haar bleef, ofschoon zij toch nog maar een kind was, en hem onmogelijk belang kon inboezemen, wat haar inviel te zeggen. Mathilde overdreef den duur der uren die zij samen hadden doorgebracht, zonder het te weten. Het kwam haar nu voor als was Jozef bijna voortdurend bij haar geweest, haar kostschooltijd uitgenomen. Hoe had hij haar geholpen met raad en daad, wat had hij een kennis en een gave om die duidelijk in haar verstand over te planten. Hij begreep de piano, het teekenen en het borduren; hij sprak niet alleen over muziek, zoo als zooveel menschen, maar hij begreep ook de muziek, hij wist haar mee te deelen, wat, van romans, de moeite waard was voor haar om te lezen. Hij hield van dichters, zoo als zij, maar meer van romans, zoo als zij. Zij hadden samen Walter Scott, Dickens en een werk van Daudet doorgemaakt, en als hij voorlas, hoe hoorde zij dan in de melodie van zijn stem, wat men bij den schrijver in den vorm van zijn schrift zou hebben ontdekt, had men zijn manuskript onder de oogen gehad! Zij herinnerde zich, hoe ze op haar dertiende jaar al de groote witte halve maan, die door het wechdrukken van het vel onderaan zijn nagel zichtbaar werd, en de punt van dien nagel zoo blank als een stuk ganzeveder, had bewonderd. Wat kon Jozef verder belangrijk praten, wat had hij goede inzichten in de staatkunde van den dag! Ook droeg hij een mooi gouden potloodje in zijn rechter vestzak, dat open en dicht werd gehaald op een wijze, zoo als Mathilde het nog nooit had gezien. Zij had haar vader Jozef zoo dikwijls hooren prijzen, en telkens deed haar dat zoo'n goed! Vader vond hem een man van bekwaamheid in zijn vak, de effekten, een ontwikkelden kop, en die later wat worden kon in de maatschappij, die carriere zou maken. Vader noemde Jozefs kleeding wel wat overdreven netjes, maar dat kwam alleen, om dat hij zelf nooit veel smaak voor die zaken had gehad. Jozef had veel hart en veel verstand, hij wist dat allebei goed te gebruiken wat kon men meer vragen van een man, met wien men een gelukkig huwelijk aan wilde gaan?

Zoo ging Jozef in Mathildes denken en verbeelden voorbij, en toen zij hem weer zoo duidelijk en innig bij zich had, hem naast zich voelde, hem voor zich zag, toen ze een kleur kreeg, om dat zoo wezenlijk zijn adem over haar lippen ging, schrok ze op en ging met haast aan het teekenen, waarvoor zij hier eigenlijk zat. Zij maakte gauw de stukjes verf aan met water uit het altijd halfvuile glas en met een drift, die niet lang duren kon, ging zij aan den gang met haar potlood en haar penceel. Zij plooide haar lippen samen en stak er het uitgewasschen penceel tusschen, om de gedweee haartjes in een punt uit te doen loopen, om zoo fijne plekjes kleur op het papier aan te kunnen brengen. Maar het schoot haar te binnen en verraste haar onaangenaam. Jozef had haar dat likken aan het penceel dikwijls afgeraden. Hij zeide, dat er nooit heel zeker geen vergif onder de verf was gemengd en men dus niet kon weten. In een begeerte, om in 't vervolg alleen te doen, wat hij graag had, ook dan, wanneer hij er niet bij was, nam zij het penceel tusschen haar lippen uit, veegde die af met haar zakdoek en probeerde om tusschen haar vingers het penceel te punten. Dit maakte haar heel tevreden over haar zelf, en, een beetje bedaarder, kleurde zij voort. Maar zij had haar uren verdroomd. Het sloeg half vijf op den toren in de Zandstraat en het Paleis op den Dam begon juist te spelen. Door de zoele zomerlucht klonk het klokkespel uit de verte haar pleizieriger tegen dan gewoonlijk. Kling, klang, kling, klang, klang, klang, de zachttriomfantelijke wijs van "De Koning leev', de Koning leev", speelde het klokkespel, hoog boven de huizen. Mathildes hart klopte, want ze moest gauw gaan dekken beneden voor het eten, en het was net of er in haar binnenste, in haar hart, ook zoo een lief en luid klokkelied werd gespeeld.

In de trapkast was alles doodstil. Heelemaal beneden gekomen, hoorde Mathilde Jans rommelen met stoelen en borden. Zij slofte juist te voorschijn.

—Ik was maar gaan dekken, jufvrouw, zei ze, ik dacht, dat u 't zeker te druk had boven.

—O, dank-je, laten we 't nou maar samen verder doen.

Het siste in de keuken; een geur van gebraden ossevleesch zweefde door den gang. Vader zat in de voorkamer In een boek te lezen.

—Wil u van-middag ook maar weer hier eten, vader? vroeg Mathilde, het is hier veel lichter als achter.

—Heel goed, kind, zoo als je wilt.

En zij zaten samen in stillen vrede en genoegelijken kout, zoo als altijd. Mathilde had het extra schoteltje vergeten. Buiten was het volle dag, zoo licht, als om twee uur 's middags, maar de zonnehitte was getemperd en zachte zomerkoeltjes dartelden met het tafellaken. De heer de Stuwen vertelde van allerlei dingen, die hij inArtisgezien had; Mathilde was bizonder lief voor haar vader. Toen de heer de Stuwen naar bed ging, om elf uur, dacht hij wat heb ik toch een aangenaam en vreedzaam leven. Wat passen wij goed bij mekaar, Mathilde en ik!

Toen Jozef van Wilden van Mathilde van-daan-ging, was hij door de oude Doelenstraat en de Damstraat naar de Club gegaan. Hij keek, onder den naar vorengebogen rand van zijn zwart zijden glimmenden cylinder-hoed door, recht voor zich uit, over de voorbijgangers heen. Tusschenbeide, als hem een mooi gekleed meisje voorbijging, beblikte hij haar in de schuinte en liep verder, met zijn kalmen, regelmatigen pas, de voeten naar buiten buigend bij iederen stap. Het witte voorportaal van het societeitsgebouw doorgaand en de trappen op, zonder gedruisch, voelde hij duidelijk, dat hij veel van Mathilde hield.

Hij was in der tijd, als jonge man van drie-en twintig jaar, bij den dood van zijn vader, die hem het effektenkantoor had nagelaten, de Stuwen, waar zijn vader hem al voor jaren mee in kennis had gebracht, blijven bezoeken. Mevrouw de Stuwen leefde toen nog, en er werden nog al eens gezelschapsavondjes gegeven. Hij was ook altijd aangetrokken geweest door dat aardige kind, die Mathilde, die hem zoo graag haar vriend noemde en niet van hem af was te slaan, had hij eenmaal den drempel van het huis op den Oudezijds Achterburgwal overschreden. Hij hield van kinderen, tot van dertien-en veertienjarige jongens en meisjes toe, maar ouder niet. Hij was een goede jongen, volstrekt geen kwaad of menschenhatend charakter. Hij had zich laten overhalen tot een "vasten en eeuwig durenden" vriendschapsband met Thildetje, die weinig vriendinnen had. De de Stuwens waren zoo-wat de eenige familie, waar hij aan huis kwam. Hij verkeerde niet in aanzienlijke kringen. Zijn grootvader had al in effekten gedaan te Utrecht, zijn vader had het kantoor van daar naar Amsterdam verplaatst, waar hij geen verwanten en weinig kennissen had, maar beter kans zag om zijn zaak uit te breiden. Dit was hoofdzakelijk gebeurd op aandringen van Jozefs moeder, die stierf een week voor zij voor goed naar Amsterdam zouden gaan. Het verplaatsen van de zaak had niet veel gegeven, want de oude heer van Wilden was een man zonder veel initiatief; deze eigenschap liet hij ook zijn zoon erven, die de zaak, met den ouden vertrouwden boek-en kashouder aan 't hoofd, op zijn gemak en op denzelfden voet bleef drijven. Jozef had eenige vrienden onder de koffiehuis-jongelui gevonden, was eindelijk lid geworden van de club. Nu ging hij meestal in den morgen een groot uur naar het kantoor, griffelde daar het een en ander met zijn gouden potloodje, bracht van kwart voor tweeen tot kwart voor drieen zijn tijd op de beurs door, na op zijn bovenhuis of in de club gedejeuneerd te hebben, bitterde dan, dineerde ergends en ging 's avonds naar de komedie, naar een koncert, of biljarten, of bij een van zijn vrienden zitten praten. Hij hield er een mentineetje op na, zoo om de twee jaar een, heel kalm, heel matig. Op 't oogenblik was hij met zijn huishoudster, een dertigjarige gewone blondine, zonder uitstekende voortreffelijkheden. Eerst eens, toen tweemaal in de week, ging hij de Stuwen 's avonds gezelschap houden, 't werd namelijk tweemaal na den dood van mevrouw de Stuwen, toen de Stuwen- zelf 't ook erg eenzaam had. De familie van Riet, kennissen van de Stuwen, waar Emilie Hartsen, een wees, bij aan huis woonde, had hem ook gevraagd, maar hij bedankte, hij had aan de Stuwen en Mathilde genoeg. Dat hij zoo betrekkelijk dikwijls de Stuwens gezelschap opzocht kwam van de verveling, die hij door-elkaar tweemaal in de week ondervond door het uitsluitend omgaan met de clubleden. Van zijn vader had hij een hoeveelheid goedaardige degelijkheid georven, die nu en dan bovenkwam. Hij ging dan praten met de Stuwen die wel liberaal-katholiek was, zoo als hij zelf ook, maar toch over allerhande zaken veel burgerlijker en ook veel zedelijker en gematigder denkbeelden had dan de jongelui. Jozef praatte ook graag eens rustig en had hij een inlichting in zaken noodig, dan was Mathildes vader de ware man, om zich toe te richten; eens zelfs had hij Jozef, die een verkeerden slag geslagen had en daardoor lichtelijk in geldnood was, bijgesprongen. Jozef sprak met de Stuwen alleen over heele zedige uitgangetjes en andere pleizieren en wist zich met zijn bedaarde gepozeerdheid bizonder degelijk voor te doen. Jozef was zich ook, in een goede aandrift van zijn hart, hoe langer hoe meer met het moederloze dochtertje van de Stuwen gaan bezighouden. Hij bezocht haar, ja dikwijls uitsluitend haar, nu ook wel 's middags, en hielp haar voort met al haar liefhebberijen en dingetjes. Jozef had een goeye opvoeding gehad. Ook wist hij nog al wat van boeken en had hij een natuurlijke gave om het een of andere idee, dat een jong meisje moest behagen, langs den meest beminnelijken weg voor te stellen en ingang te doen vinden, meende hij. Het waren geen diepzinnige vraagstukken van levensbeschouwing of wijsbegeerte zoo zeer, die hij in zijn gesprekken met Mathilde te pas bracht, toen zij wat ouder werd en vooral na haar te-rugkeer van de kostschool, het waren veel meer allerlei zaken van gevoel en verbeelding, hij wist de muziek uit te leggen, dat is te zeggen: aan te duiden welke hartstochten of welke gedachten die en die melodie uitdrukten, hij wist op de schoonheid der lijnen en kleuren van teekeningen en op de bevalligheid van borduurpatronen te wijzen. Het waren ook allerlei dingen, die zij om hen heen opgemerkt hadden, die zij elkaar toevertrouwden; zij nam alles altijd dadelijk aan, wat hij zeide, en zij lachten samen dikwijls erg hardop. Zij hadden in het dagelijks leven, bij een wandeling op straat of in de houding van huisgenoten of kennissen, dit of dat voor het eerst gezien; zij dachten zus of zoo over het leven, over de liefde, de angst, de droefheid, het vergaan of het eeuwig voortbestaan van dit leven, enz. Zij lazen samen Allard Pierson, J.J.L. ten Kate, en zoo meer. Het hechtte Jozef zelf aan ernstige bezigheden, ook buiten de zaak om, dat verkeer met Mathilde. Hij merkte het wel. Buitendien, van een anderen kant beschouwd, hield niemant zooveel als hij van luidruchtige frissche jeugd en opbruisend leven; van toen zij nog heelemaal een kind was af, was hij aan Mathilde gewoon geraakt en 't was een behoefte voor hem geworden haar dikwijls te zien. Hij had haar ontwikkeling van 't begin tot het einde bijgewoond. Toen ze als een jong-meisje van de kostschool te-ruggekomen was, had hij wel zeer verbaasd staan te kijken en was hun verhouding wel zeer verkoeld geweest, ook om dat ze hem zoo weinig had geschreven, maar langzamerhand had de oude gewoonte van gemeenzaam verkeer weer ingang gevonden en de overhand gekregen Zij waren gauw weer de beste vrienden, ofschoon ze ook mekaar in 't begin halsstarrig "mijnheer" en "jufvrouw" bleven noemen. Er hadden nu ook bij de Stuwen aan huis weer de oude muzikale avondjes plaats, die bij het overlijden van mevrouw de Stuwen op hadden gehouden. Mathilde behaalde bij dezen gelegenheden triomf op triomf door haar buitengewoon ontwikkeld pianotalent.

Jozef was eens op een goeyen morgen voor den spiegel gaan staan, was gaan denken, dat hij in de dertig was, dat hij gisteravond toevallig een betrekking had afgebroken, die hem toch al lang verveelde, en nu maar volstrekt wou gaan trouwen. Hij wilde een rustig leven hebben en een vriendelijke goede wettige vrouw. Hij wilde wel trouwen en getrouwd zijn en een goeye huisvader worden, maar zijn vrouw moest een persoonlijkheid wezen, die hem ruimschoots vergoedde, wat hij verloor. Het was een van zijn lievelingsdenkbeelden een vrouw aan zijn zijde te zien van hooge gestalte, niet te klein, die zich elegant kleedde, altijd gezond en vroolijk was, geen bekrompen gedachten had over godsdienst, en het leven in 't algemeen eenigszins breed opvatte; Buitendien moest ze een mooi lichaam hebben, niet te mager, en veel zindelijkheid en al de hoedanigheden van een aangename gastvrouw voor als ze eens een partijtje gaven. Zij moest ook graag uitgaan en graag veel van het leven genieten, zij moest iets Parijsachtigs over zich hebben en zich in alle opzichten uitstekend weten te gedragen. Verder mocht liefhebberij voor muziek, wat lectuur, enz., haar niet ontbreken.

—Meermalen had Jozef voor zijn vrienden op die manier de vrouw beschreven, van wie hij zeker wist een goede trouwe echtgenoot te zullen zijn en met wie hij stellig een gelukkig leven zou hebben.

Het lag zoo verbazend voor de hand, dat Mathilde de Stuwen, daar hij zooveel mee omging, het aan al deze eischen beandwoordende meisje was, dat het hem nog nooit in was gevallen aan haar te denken.

Maar langzamerhand was het hem uit alles, uit den toestand, waarin hij en zij verkeerden zelf, duidelijk geworden, dat niemant anders dan Mathilde toch zijn vrouw zou kunnen worden. Toen hij daar het eerst aan dacht, had hij een lichte kleur gekregen van pleizier over deze gelukkige ontdekking. 't Was ook in de club geweest, hij zat ook juist, zoo als op 't oogenblik, in de in dit vroege uur nog leege groote benedenzaal een halven biefstuk met gebakken aardappelen te eten, die hem toen ook gebracht was door Henri, denzelfden knecht van nu.

Toen Jozef eenmaal besloten had Mathilde het hof te maken, was hij zich af gaan vragen, of hij van haar al niet vroeger-al gehouden had. Hij dacht nu van ja: zonder 't zelf te weten, had hij haar liefgehad. Hij nam zich dan voor die liefde zooveel mogelijk aan te wakkeren in zijn eigen binnenste, en daarna aan de Stuwen Mathildes hand te vragen. Maar toen hij er zoo over peinsde, of die liefde voor haar al voor dien dag bestaan had in zijn hart en van-ja dacht om dat hij zich herinnerde, hoe-of hij zich altijd tot dat huis van de de Stuwens aangetrokken had gevoeld, trof het hem op-eens als iets heel zonderlings, dat hij nooit in Mathildes gezelschap, al zat of stond hij vlak bij haar al raakte zijn schouder haar schouder, zijn been haar japon, zijn arm haar rug, zijn hand haar hand, dat hij nooit, al zaten ze uren lang met mekaar aan de een of andere bezigheid bij de kachel 's winters of 's zomers voor het open raam, als buiten de zon gloeide, dat hij zich nooit erg naar haar had voelen verlangen. Hij had zelfs nooit uitvoerig de hoedanigheden van Mathildes lichaam overwogen, nooit in haar gewaardeerd, wat hij en zijn vrienden, als ze over vrouwen spraken, altijd in de eerste plaats bedoelden. Hij vond dit erg vreemd, maar was overtuigd, dat het verlangen na zijn voornemen van hofmakerij, nu ook wel komen zou. En hij deed zich geweld aan. Hij probeerde haar op alle manieren lief te krijgen en hij begon te merken, dat zij van hem misschien al-lang hield, zonder er ooit iets van te laten merken. Als hij nu bij haar was, probeerde hij door haar net zulke indrukken bij hem te weeg te doen brengen, als de andere vrouwen deden. Wanneer zij, op een avondpartijtje bij haar vader of soms 's zomers als het snik heet was, een lager uitgesneden japon droeg, bleef hij naar haar hals kijken; hij oefende er zich in haar kin en haar keel zoo te bekijken, dat hij den wensch kreeg ze te betasten; hij wilde het zoover brengen, dat hij al koud werd als hij haar hand in de zijne had. Hij lei er zich op toe om door haar geheel ingepakt te worden. Hij bestudeerde haar, om uit te vorschen, waar wel in haar wezen de begeerte-magneet zou te vinden zijn, hij zocht die als een verborgen kleinood in de boekjes van haar kleed, tusschen de donkere plekjes van haar haar. Hij wilde dat als haar rok over zijn schoenen ging er een tinteling door zijn dijen zou gaan, dat, als haar mouw over de zijne streek, er een vuur door zijn arm zou gloeyen. Maar, wat hij ook in 't werk stelde, het kwam niet. Maar juist toen, dit had hij later wel ingezien, had zij haar invloed op hem gekregen. Wanneer hij gedachteloos over den weg keek, was zij toch maar in zijn verbeelding. En kon hij 's nachts niet slapen, dan scheen het alsof zij in de kamer rondwandelde. En met klimmende zekerheid kwam er begeerte naar haar in hem op, een begeerte, die weinig gemeen had met zijn gewone wellusten. Hij begon een onweerstaanbaar verlangen te voelen, haar te omarmen, haar te bezitten zonder toch dat er een lager gevoel bij hem aanwezig was. Hij wenschte iets als een gezonden en innigen band, een hoogere en meer edele wellust. Hij werd zich bewust, dat hij bij haar, ook haar ziel, haar hart zou binnendringen. Dit deed hem naar haar zuchten als naar een heilige bezitting. Zoo stelde hij zichzelf de zaken voor.

Hij vond haar ook zoo gezond en zoo levenslustig, dat hij zich een uiterst aangenaam huwelijk met haar voorspelde, dat met-een een gelukkigen ommekeer in zijn wel wat eentonig wordend jonge-heeren-leven te weeg zou brengen.

Zoo was alles gegaan, zoo had hij haar onverhoeds, dien avond midden in het gezelschap, zijn liefde verklaard. Van-morgen nu werd zijn vraag zoo voldoende beandwoord, dat hij in een bizonder prettige stemming tengevolge verkeerde. Hij dronk een extra half-fleschje wijn, bordoo. Hij vond het mooi van haar en het verhoogde zijn genoegen, dat zij bij al haar goede eigenschappen ook fierheid bleek te hebben, want het kwam nu uit, anders had ze hem niet zoo aangedaan ontvangen, dat zij al-lang van hem hield, en nooit had zij daar iets van laten merken. Dit was fier gehandeld. En, zich verzadigend aan de overweging van den mooyen slag door hem geslagen, zag hij door de spiegelruiten de onverschillige menigte door de Kalverstraat op en neer loopen. De zaal om hem heen was, achter het waas van zijn gedachten heen, langzamerhand voller geworden, levend van zachte praatgeruchten en stilgebarende lichamen. Jozef had het beursuur laten voorbijgaan zonder te denken dat het al zoo laat was.

Stilletjes zomerden de dagen voort in het huis van de Stuwen. Jozef bleef zijn gewoonte houden om twee-maal 's weeks daar een avondje door te brengen. De gevoerde gesprekken waren dan schijnbaar hetzelfde gebleven en betroffen dezelfde onderwerpen als vroeger; de heer de Stuwen en Jozef voelden zich altijd even goede vrienden. Mathilde zat, als zoo altijd, meestal zwijgend, nu en dan een enkel woord meesprekend bij de heeren, met haar borduurwerk of romans, thee zettend en wijn schenkend. Er werden ook nog avondjes met meer menschen gegeven, maar minder dan eerst; uit zich-zelf kwam de heer van Stuwen nooit op zulke dingen en, en het bleek, dat Mathilde lang zoo erg niet meer op zulke extraatjes was gesteld als vroeger. Zij wilde in den eersten tijd van hun liefde Jozef zooveel mogelijk voor zich alleen houden. Wat een ingrijpende en heerlijke verandering dan ook in de verhouding tusschen Jozef en haar, heerlijk, juist om dat hun betrekking onveranderd in denzelfden vorm scheen te blijven voortduren zoo als zij vroeger was. Daar Mathilde nog volstrekt maar niet besluiten kon haar vader in 't geheim te nemen en juist door het onophoudelijk denken over dezen moeyelijken stap, dagelijks meer besefte, hoe innig haar vader en zij aan-een-gesloten waren, had Jozef in geenerlei opzicht de gelegenheid zich te gedragen zoo als een fatsoenlijk heer, die verliefd is en wiens liefde door wederliefde beandwoord, pleegt te doen. Hij kon uiterst zelden met zijn aan-staande alleen zijn, mocht haar nooit een cadeautje maken en weken gingen voorbij, zonder dat hij zijn liefde anders kon laten merken, dan in den langeren handdruk en in de ontmoeting van hun oogen, die plotseling warm werden en vreemd en verlegen mekaar aankeken in oogenblikken, dat de heer de Stuwen even wech was gegaan of de koerant las. Jozef beviel deze onthouding ondertusschen volstrekt niet, zijn ongeduld vermeerderde met den dag. Hij begreep ook niet hoe deze toestand een einde zou nemen. Maar Mathilde was het nog in 't geheel niet met zich-zelf eens geworden, wat haar te doen stond, om een oplossing te verkrijgen. Als haar oogen, terwijl haar vader met Jozef druk aan 't spreken was en over politiek of andere dingen van den dag redeneerde, Jozefs oogen en voorhoofd kusten, dan wilde zij zich-zelf dwingen in-eens een besluit te nemen, den knoop door te hakken, haren vader alles te zeggen, en verder van de omstandigheden af laten hangen, hoe de toekomst wezen zou. Of vader met hun samen zou komen wonen, dan wel of zij ieder afzonderlijk zouden gaan wonen, dat kon zij nog niet beslissen. Wie weet, dacht zij, wat er op gevonden zal worden. Wie weet, welke uitnemende schikking er mogelijk zal blijken. En de woorden dringen op haar tong naar voren en branden door haar lippen. Maar plotseling bedacht zij zich weer. Nee, het kon nog niet, onmogelijk. Zij moest vooreerst wachten. Het samenwonen mocht zij zich nu al als zeer goed denkbaar voorstellen, zij wist wel, dat bij nadere nagedachte, toch altijd de onhoudbaarheid er van bleek, om de redenen, die zij zich-zelf al zoo dikwijls herhaald had, en toch weer telkens wech wilde cijferen. En dat vader alleen zou wonen, daar kon zij zelfs geen oogenblik aan. denken. Gedurende de laatste weken nog had hij geklaagd over een pijnlijke stijfheid in zijn linkerarm en bijna door zijn heele linker zij. Moest zij hem dan niet helpen, hem verzorgen op alle mogelijke manieren, alles voor hem in orde maken en klaar zetten? Had hij niet menigmaal gezegd, dat zij alleen er was als het zonnetje, om den avond van zijn leven te vervroolijken? Neen, duizend maal, zij kon hem niet aan zijn lot overlaten, het mocht niet, het ging niet, het zou niet zijn, hoe Jozef ook aandrong, wat hij ook zei om haar te overtuigen. Mathildes besluiteloosheid kwelde haar-zelf het meest. Was zij overdag eens in haar eentje thuis, dan kon zij soms plotseling met een stofdoek of borduurnaald in de hand vijf minuten lang in 't midden van de kamer stil blijven staren, de oogen droomerig naar den wand, of wel bleven op eens haar handen uitgebreid boven de toetsen liggen, midden in een melodie, die zij speelde en dansten de muziekbalken voor haar gezicht. Telkens deden in den zelfden vorm de zelfde vragen zich voor aan haar verstand en telkens werden zij onopgelost weer wechgezucht. Het maakte haar moei, het maakte haar verdrietig, die eentonige hinderpaal voor haar geluk. Was Jozef een enkele maal met haar alleen in aanraking, liet zij hem in, als Jans de deur uit was, ontmoetten zij mekaar onder aan de trap of bij de deur van het zaaltje, dan vroeg zijn eerste blik altijd; zijn wij nu nog geen stap verder gekomen? dan fluisterde hij haar smeekend toe, dat zij moest bedenken, hoe zijn lot in haar handen was, hoe ze hem niet langer zoo treurig en ongelukkig mocht laten. Andwoordde zij hem dat er nog niets gebeurd was, dat zij niet wist wat te doen, dat zij nadenken, dat zij zien zou, dan drukte hij haar hand, lei zich zachtzinnig bij haar voortdurend aarzelen neer, maar zag haar aan met een vaste hoop in den blik, dat zag zij duidelijk. En juist het denkbeeld, dat ze hem de volgende maal weer te leur te stellen zou hebben, dat hij er zoo onder leed en er toch zoo gelaten bij bleef en zich nooit boos maakte, dit verergerde haar inwendigen strijd met den dag en versterkte haar liefde. Zij stond onophoudelijk tusschen twee vuren. Nog nooit had zij zoo'n hevigen inwendigen strijd gehad. 's Middags had zij er wel eens hoofdpijn van. De gehechtheid aan haar vader was meer een ingegroeid en onuitroeibaar plichtbewustzijn, dat zich niet openbaarde door allerlei nieuwe en vurige gewaarwordingen, maar, als een oud gedeelte van haar innigste natuur, onverstoorbaar zijn altijd even zekeren invloed deed gelden, terwijl daarentegen haar hartstocht voor Jozef als een heel nieuwe zijde van haar leven, aantrekkelijk en machtig, zich vertoonde, overal door haar gemoed en haar verbeelding heen. Alles wat zij voelde, dat er in het leven bevallig, lichtkleurig en rijk was, ridderlijk, edel, schoon en zwierig, verpersoonlijkte zich in Jozef. Sedert zijn liefdesverklaring was hij in haar heelemaal nieuw, groot en heerlijk. Zij zag in hem de kracht en het vernuft, in hem dat veelvoudig aanlokkelijk wezen, wien het haar als opperste roeping en opperst genot zou gegeven zijn haar leven ten offer te brengen. Het denkbeeld van tot hem op te gaan, van tot hem in te gaan, van haar wezen in zijn wezen te verliezen en haar zelf, door het zich vereenzelvigen met hem vervormd, als een gedeelte van zijn individu, te-rug te vinden, klampte zich vast aan haar hart, kankerde zich in een hoekje van haar hersens en vermengde zich met haar bloed. Het verrukte haar, dat, wanneer ze 't bedaard naging, hij geen enkele uitstekende eigenschap had, hij niets buitengewoons gedaan had in de wereld, hij door geen heldendaden bekend stond, geen epopeeen had gedicht, door geen uitvinding zich naam had gemaakt, niemant hem voor een eersten denker hield, geen sterveling hem een heilige zou noemen, en dat zij toch zoo oneindig en boven alles en allen van hem hield, en dat het haar toch scheen, als was hij de grootste mensch, die ooit had bestaan en de eerste van zijn tijdgenooten. Want, want hij had meer gedaan dan al de helden en grooten, die zij had hooren prijzen, hij had haar liefgekregen, zij was door hem gekozen tot zijn vrouw, en zij, dat was zij-zelf. Haar had hij ontdekt, dat was zijn uitvinding, haar had hij veroverd, dat was zijn heldenstuk, toen hij zei: "ik heb je lief", en eergisteren: "wat ben je mooi", maakte hij zijn groot gedicht.

Haar verbeelding was altijd met hem bezig. Zooals zij over-dag over hem nadacht, zoo droomde zij 's nacht van allerlei rare gevallen, waarbij hij te pas kwam. Zij dacht altijd aan hem, zij voelde zich hoe langer hoe meer door hem in bezit nemen. Wanneer zij tusschenbeide niet in slaap kon komen, gingen er door haar lichaam vreemde huiveringen. Er ging b.v. als een aangenaam vergift, dat heer bekroop, een koud gevoel van haar voeten, door haar beenen, onderlijf en borst, tot in haar keel. Soms, wanneer zij in haar droom in een teere en zwaar-drukkende omhelzing met hem was geweest, schrikte zij wakker, met een ongekend en angstig hijgen; haar onderlijf kromde zich naar boven, tegen het wezenloze dek. In andere uren weer vulde hij haar denken als iets ideaals, dat niemant aan kon raken, dat niet van stof was, een lichtend waas, met een hoofd alleen van menschen-stof, een muziekvlaag, die doffe en weelderige geluiden rondblies, een vreemdeling, die zij nog nooit had gezien, maar haar plotseling als een ouden bekende voorkwam.

Toen er altijd meer dagen voorbijgingen, altijd de zelfde, maakte Jozefs wezen, dat altijd bij haar bleef, haar wezenlijk ongerust en beangst. Als ze hem ontmoette, bij zijn regelmatige bezoeken, en zij hem alleen sprak of in zijn oogen kon zien, was hij altijd even zacht en kalm, altijd dezelfde vriendelijke blik, het zelfde geduld. Maar dat hij bij haar was zonder dat zij arm in arm zaten, scheen haar toch ongehoord. En om dat zij zelve zoo onder het onophoudelijke uitstel leed, verbeeldde zij zich, dat hij 't was, wiens gezicht kenteekenen van stilzwijgend ondergaan verdriet vertoonde. Zij dacht opkomende bronskleurige kringen onder de oogleden te zien; hij was valer van kleur dan anders, dacht zij. Maar toch, als hij bij haar was, stelde zij zich gerust, maar in zijn afwezigheid, vooral als zij met zich-zelf alleen was, was zij bang, bang voor hem. Liep zij in de donkerte de trap op, dan hoorde zij plotseling zijn stem, die iets onverstaanbaars zei. Zij zag om, en hij was er niet. Kwam ze op haar kamer, dan hoorde zij zijn stap, zijn lieven, welbekenden stap achter haar, zij zag om, en er was niemant. Zij zag hem in haar slaap haar vermanen, haar de eene keer ernstig en nederig, de andere keer driftig en met geweld, en dan weer eens koortsig en in razernij verzoeken, gebieden en dwingen hem gehoor te geven en niet langer te dralen. Hij deed nu en dan zoo woest en wild tegen haar, en maakte zoo een misbaar, als hem in werkelijkheid nooit gebeuren kon. Soms naderde hij haar met opgeheven vinger en met een gezicht zoo akelig wit en dreigend, dat zij te-rugschrok en op 't punt was hem alles toe te geven. Een andere keer lag hij weer op zijn knieen voor haar, en keek haar zoo teeder en zoo trouwhartig aan, dat zij niet langer aarzelen kon. Wanneer zij hem dan weer in levende lijve ontmoette, den dag dikwijls, die volgde op zulk een akeligen nacht, of het uur volgende op zoo een geheimzinnig uur, en hij kalm met haar vader zat te praten en haar met zijn gewone eerbiedige liefde bejegende, dan verwonderde zij zich, dan verzette zij zich met wrevel de overdrevenheid van haar hare droomen. Dan nam zij weer het besluit voorloopig haar lieven bejaarden vader trouw te blijven. Daar zat hij met het goedaardige grijzende hoofd, met de dunne fijne, licht-roode lippen, met zijn eenigszins laag voorhoofd en bleeke blauwe oogen, met zijn magere, 's winters van tallooze aartjes doortrokken handen, niet zijn greinen huisjasje of grijswollen sjamberloek, zijn hals een beetje naar voren gebogen, een beetje beverig in zijn vingers bij de minste ontroering, zijn beenen meestal over mekaar, en met zijn groote witte linnen zakdoek, waarvan een puntje uit een van de zakken van zijn pandjasje piepte. Hij had een ouderwetsche gouden ketting over 't zwart-lakensche of donker-grijs kamgaren vest hangen, een dunne gouden ring, zijn trouwring, aan zijn rechter wijsvinger. Daar hij veel van zindelijk hield, deed hij elken dag een schoonen boord en een paar schoone manchetten aan, van oud model; onder den boord een frissche zwarte das; Mathilde kocht er om de twee maanden een nieuwe voor haar vader. De heer de Stuwen had heele mooye gave witte regelmatige tanden, maar die bijna nooit te zien kwamen. Er was iets schalks in zijn rond neusje en in zijn wenkbrauwen. Ook maakte hij een enkele keer een grapje: de een of andere opmerking over personen of voorwerpen, die hij een beetje bespottelijk vond. Hij was nu vier-en-zestig jaar, maar, om dat hij vroeg oud was geweest, had Mathilde hem altijd gekend, zooals hij er nu uitzag, waaruit zij met blijdschap opgemaakt had, dat haar vader maar niet verouderde. De heer de Stuwen had, zoolang het haar heugde, iets hulpbehoevends over zich gehad, hij was nooit graag alleen, hij had een alles beheerschende behoefte aan gezelschap, aan weinig, stil, hem toegedaan gezelschap. Hij had ook iets vreesachtigs in zijn natuur; voor een kleine ongesteldheid was hij bang als-of 'r een zware ziekte was. En zwierf Mathilde niet onophoudelijk om hem heen, om hem van al te voorzien, dan klaagde hij steen en been. Was hij gezond, dan kon hij meer aan zich zelf overgelaten worden en ging hij uren alleen wandelen. Maar van zijn vader had hij een soort verhardingszucht overgenomen, bij het schuchtere gestel, dat hij van zijn moeder had, hem verkoudheden en rheumatiek deed oploopen. Dan ging hij uit, tusschenbeide in 't midden van den winter, met een demi-saison alleen aan, of heel in het begin van de lente, of als de herfst al gevorderd was, zoo maar, in zijn gewoon huispakje. Mathilde had dan al mooi knorren, hij gaf haar een zoen, maar beterde zich niet. Hij was overigens in alles, een redelijk en punktueel man. Hij was wel wat zuinig, maar nooit in 't belachelijke. Hij zorgde goed voor zijn geld, ging met veel nauwkeurigheid den loop der effecten na en knipte geregeld zijn koeponnetjes af. Hij las in zijn leege uren Duitsche klassieken en allerhande werken over natuurkunde. Hij was geabonneerd op een matig-liberale koerant en op verscheiden geillustreerde tijdschriften. Ook kocht hij wel eens een prachtband, of teekende in op een uitgave, die langzaam bij afleveringen verscheen en een kostbaar geheel zou worden. Van Mathilde hield hij verschrikkelijk veel. Zij was voor hem de levende herinnering aan zijn vrouw, waarop Mathilde in-en uitwendig veel leek. De dartele vroolijkheid, de luidruchtigheid, die Mathilde soms aan den dag lei, haar zorgzaamheid en goede hart bracht hem altijd zijn vrouw in herinnering. Hij dacht altijd zonder de levensvreugde en steun, die Mathilde hem gaf, niet te kunnen leven, en hij hoopte maar te sterven, voor zij van mekaar zouden scheiden. Deze gedachte vervulde hem vroeger meer dan nu, toen Mathilde pas van kostschool kwam, met eenige wereldsche ideeen, en gedurende de eerste zes weken van niets anders sprak dan van trouwen met een mooyen en rijken meneer. Want Mathilde was, naast deze trouwlust, toch dadelijk begonnen met zich aan hem te wijden. Maar na zes maanden was zijn angst wech. En nu, sedert een jaar, kwam de gedachte aan een mogelijk huwelijk van haar, uiterst zelden bij hem op; hij had zich zoo aan haar gewoon gemaakt, dat het denkbeeld "scheiden" was verdwenen.

Mathilde-zelf wist heel goed hoe of het met haar vader was op dit punt. Zij wist alles en begreep alles. Zij zag dat oude leven aan haar jonge leven aangeweven en in haar bestaan vastgevlochten. Zij besefte ten innigste hoe weinig hij haar bijzijn missen kon. Als hij haar met zijn zwakke oogen aankeek, dan zag zij daarin een verzoek om hem niet alleen te laten, en flikkerden die zwakke oogen op van pleizier, als ze hem een zoen gaf, dan zag zij daarin een dank, omdat zij nog niet was heengegaan. Bovendien voelde Mathilde hoe haar heele verleden, haar heele jeugd haar aan haar vader verbond. Jozef had zij ook wel altijd gekend, zelfs wanneer zij aan de schitterendste uren dacht, die zij had doorgebracht, was hij alleen daarbij te vinden; maar zij had toch nooit met hem in een huis gewoond. Dit gaf toch nog altijd iets vreemds, iets als niet van dezelfde familie zijnde, tusschen hen beiden. Maar van haar vader hield zij, om dat zij van zijn bloed was, om dat hij altijd en altijd daar had gezeten in die achterkamer, als een dierbaar levend stuk huisraad. Zij was zoo gewoon hem het eerste te zien 's ochtends en het laatste 's avonds als zij naar bed ging, zij zou voor geen geld van de wereld hem geen morgen-en nachtzoen gegeven hebben! Daarbij kwam het hulpbehoevende karakter van haar vader haar zucht om op te passen en zorg te besteden te gemoet. Jozef, zoo krachtig en zelfstandig, was een heel ander man, Bij hem geen sprake van pantoffels warmen, sjamberloek klaar leggen, bizondere spijsjes bereiden, denken of het niet te laat werd of te druk om hem heen, tabak vochtig houden, peluw opschudden of warm scheerwater naar boven sturen, bezigheden, die haar allen om 't zeerst lief waren. Neen, zij zou geen afscheid van haar vader kunnen nemen, dat groote kind, dat haar heele moeder-natuur innam.

Zoo verliep zachtjes de tijd en waren de eerste dagen van September gekomen. Mathilde liep droomerig door het huis en met zuchten ging zij de kamer uit en in. Zij zong weinig meer in haar eigen en haar pianostudies waren nog maar werktuigelijk.

Jozef was in den laatsten tijd vol attenties. Hij stuurde Mathilde bloemen, ofschoon de bloementijd bijna gedaan was.

Het was een van de laatste mooye herfstdagen. Behalve de bloemen had Jozef tegenwoordig nog allerlei ideeen om Mathilde en haar vader pleiziertjes aan te doen. Zoo kwam hij ook nu 's morgens om elf uur aanschellen, en deed het voorstel om 's middags een rijtoer in een open rijtuig te maken. Men moest nu van de laatste mooye dagen profiteeren. Het zou gauw slecht weer worden en de zomertijd gedaan zijn. Hij wilde 's middags om een uur of een, half-twee, met een flinken landauer voorkomen, en dan langs den Amstel, over Onderkerk en Duyvendrecht, of wel aan den anderen kant, door de Meer en tot Weesp een rit maken. Dit zou den ouden heer en Mathilde stellig veel goed doen. En zoo gebeurde het ook: het voorstel werd aangenomen.

Met kleine stapjes kwam de heer de Stuwen op de stoep. Hij had een dunne overjas aan, zwart met een enkel grijs stipje er door heen; een lichte foelaar van grijze zij had Mathilde om zijn hals gelegd en van voren in zijn jas gestopt, boven de bovenste knoop. Een dikken bruinen wandelstok met dikken ivoren knop, waarop een hertejacht gebeeldhouwd was, had hij in zijn hand, even onder de knop. Hij had gerimpelde lubberige zwarte glace-handschoenen aan. Hij had een engen cylinder-hoed op, waar van achteren zijn dunne grijzige haren als magere buigende waterstraaltjes uit te voorschijn vielen. Een versch ontstoken dofbruine cigaar, met twee gele rontetjes vlak bij de asch, was tusschen zijn lippen gedrukt, die daardoor een beetje naar binnen bogen, om dat hij de cigaar stevig vastklemmen wilde. Daar de wind van den anderen kant woei, warrelde vele rookkrulletjes, lang en fijn, langs zijn wangen en onder zijn neus; zijn lakensche dikke zwarte broek klepte over zijn te vierkante glimmend gepoetste bobbelige schoenen. Hij bleef staan en zonder zich om te keeren keek hij schuin naar binnen, of de jongelui nog niet kwamen. Mathilde was nog even naar boven gegaan, om haar parasol te halen. Jozef deed donker-groene handschoenen aan, bij den kleerenstandaard in den gang. Hij droeg een kleinen rozeknop in zijn lapel-knoopsgat en hij kwam naar de Stuwen toe. Hij bleef een trapje hooger in de post van de deur staan en bekeek, heel bedaard, met tevredenheid over zijn keuze en kennerschap, het rijtuig en de paarden, bijna zoo mooi als een eigen-rijtuig, en hij keek of de koetsier, die hij met liverei had gehuurd, wel de ware houding aannam, en de zweep recht op zijn knieen in de hoogte hield.

—'t Zal u toch niet te koud zijn? vroeg Jozef.

—O, nee, 't is heerlijk weer.

Na een oogenblik drentelen, vroeg Jozef weer:

—Wil u er dan maar niet vast ingaan?

—Ja, dat is goed.

Jozef ondersteunde den heer de Stuwen hij het opstappen van de twee treden, die onder het portier van 't rijtuig waren geslagen, door de Stuwens rechter elleboog op den palm van zijn linkerhand te leggen, terwijl de koetsier en het rechtsche paard even omkeken, daar hun aandacht door het lichte kreunen van de kast bij het instijgen werde gaande gemaakt. De heer de Stuwen liet zich in den linker hoek van de achterbank neerzijgen, en bleef over de ledige plaats naast den koetsier op den bok heen voor zich uit staren. Juist kwam Mathilde aangeloopen. Zij was blij van uit rijden te gaan. Zij zat in den laatsten tijd al te veel thuis. Dit tochtje zou haar verfrisschen. Met een rukje van haar duim en wijsvinger maakte zij het onderste knoopje van haar handschoen dicht, lei daarna gauw haar blauwe doekje over den linker arm, waar zij ook de roomkleurige parasol mee droeg en wipte de stoep af. Jozef bracht zijn arm naar voren om haar te helpen. Zij ging op de achterbank zitten naast haar vader. Jozef, die heelemaal optrad als de eigenlijke heer van het gezelschap, de leider van den pleiziertocht besprak nu met den koetsier den weg, dien zij nemen zouden in verband met het uur, waarop zij te-rug zouden moeten zijn. Zijn oogen en mond namen hierbij een ernstige uitdrukking aan van gezag en plaatselijke kennis. Daarna klom hij langzaam in het rijtuig, en schoof neer op het vaal-gele kussen tegenover Mathilde. Hij ging dadelijk een beetje naar haar toe gebogen zitten, in een houding van gesprekvoering, want hij vond dat 't niet goed stond, als zwijgende poppen door de straten te rijden en rond te kijken. Dit was niet zoo als 't hoort. Zijn voeten stootten tegen Mathildes voeten. Men moest zich wat schikken, anders was de ruimte tusschen de twee banken te nauw. Mathilde duwde zich een beetje naar voren, haar voeten tusschen de zijnen, haar knieen door zijn beenen omsloten. De koetsier maakte gebaren met zijn armen en rug. Hij zei: alla, jongens! en siste met de tong; de paarden trappelden wat, met een schokje ging men vooruit al ratelend over de steenen; door het hobbelen bibberden de aangezichtsvellen, vooral het losse dunne van den ouden heer, en Jozef kreeg jeuk in de hoekjes, waar zijn neusvleugels aan de wang eindigden. Maar hij verdroeg dien, want onder Mathildes oogen wilde hij zich niet krabben. Het denkbeeld dat zijn jeuk erger kon worden maakte hem verlegen. Hij spitste dus zijn neusvleugels, als om de zwoele lucht op te snuiven en wilde door deze spanning de jeuk verdrijven. De rook van de Stuwens cigaar, die dikker werd, daar hij groote trekken deed, woei tegen Mathildes gezicht aan. Dit hinderde Jozef, hij dacht, dat 't haar onaangenaam moest zijn, maar hij kon er niets van zeggen, ook wilde hij dat niet, om dat ie dacht, dat nu zijn gewoonte om nooit in haar bijzijn te rooken meer nog gewaardeerd zou worden door haar. Plotseling deed nu Mathilde haar parasol neer en werd het donkerder in het rijtuig. Men reed de Hoogstraat in en zag niets dan zwarte en donkerpaarse huisgevels aan beide zijden, verbonden door een reep hel-blauwe lucht daarboven, terwijl de zon achterbleef op den Kloveniersburgwal. Men was al lang begonnen te spreken. Jozef was midden in een zin over het vieze en onwelriekende van het jodenkwartier, daar zij straks doorheen zouden rijden; zijn woorden kwamen als onverstaanbare schreeuwtjes uit de verte tot Mathilde, die uit goedheid ja knikte. Daarna werd er niet meer gesproken. Een enkelen keer alleen riepen ze mekaar iets toe over wat ze op straat zagen, en vroeg Mathilde luid aan haar vaders oor, of hij 't nu wezenlijk niet te koud had. De heer de Stuwen, die volstrekt niet, zoo als Jozef, er over dacht, hoe men zich in een rijtuig te houden had, keek met de meeste aandacht naar het dooreen-griezelen van de joden in de rondte, daar al dat loopen en babbelen in de voortdurende opgewondenheid zijn belangstelling van Amsterdamsch burgerheer gaande maakte. Hij zag vuile kleine meisjes, die op de hoeken van de zijstraten van de St. Antoniebreestraat onoogelijke waren ventten, koude of rookende, en hij-zelf rookte een beetje meer om den stank niet in zijn neus te krijgen. Daar Mathilde ook om zich heen keek en die arme jodenjongens met goedhartigheid beklaagde, met hun bleeke ongewasschen gezichten en vieze zwarte, roode handen, en die op allerlei nootjes of zij wist niet wat kauwden, en de meisjes toch wel bizonder vond met hun breede lippen en chineesche wenkbrauwen, moest Jozef er ook wel naar kijken. Hij deed 't maar heel even, zonder hoofd, met zijn oogen alleen. Achter het geploeter gegil en gekrijt, reden ze nu door de kalme Muyderstraat.

De heer de Stuwen kuchte tusschenbeide stilletjes en zat, weifelend en schuchter, met zijn handen op zijn knieen over zijn jas gegleden. Hij zei niets. In de Plantage werd alles weer breeder, vroolijker en een wijde hemel. Aan het einde van de laan was de Muyder Poort met zijn koepelig torentje en wijzerplaat, waarop de cijfers van de uren blonken. Het rijtuig ratelde hier erger over den weg, die hier en daar glooide tusschen de rijtjes magere nietige boomen, die gele blaaren afstrooiden, wuivend naar den dikken buik van de Poort, voor de groen door hen bepoetelde huizen heen, en de oude heer danste met zijn heele lichaam. Jozef zat Mathilde aan te kijken. Zij beglimlachten mekaar eventjes tusschenbeide. Mathilde had haar parasol weer opgestoken en haar door de warmte, het genoegen en de lucht, die er indrong, verlevendigd gezicht had tinten van zoetrood, rose, wit en warm blank, schaduwplekjes en glinsteringen, en kleine bewegingen van de wangen; haar oogharen klepten voor haar vloeyend zilver schijnende oogen op en neer, als sprekende. Haar gezicht kreeg zoo een bizonder waas, een geur van weemoed en verlangen in het onder den parasol verzachte licht, in het door de schijnende voering licht groen geverfde half-donker, dat Jozef haar met verlangen zat te bekijken. Hij dacht over Mathilde en vergeleek haar met haar vader, en prees in zijn eigen haar opoffering, die haar bij hem deed blijven en haar wat een onrust bezorgde, terwijl het bejaarde mannetje daar naast haar zat, zonder ook maar in 't minst te vermoeden, waar die twee andere hoofden, vlak bij hem, aan dachten.

Zij waren nu over de reels van den Rhijnspoorweg geschokt, en, met holle galmen, door de Muyder Poort geholderdebolderd. Toen ze het gebouw van Artis voorbij kwamen, had Jozef iets over den stijl daarvan gezegd, waardoor hij weer een goeyen indruk op de Stuwen maakte. Zonnige stofwolken stegen achter de huizen van de nieuw aangelegde straten op, waar het zand pas versch was aangedragen. Een wemeling van goudpoeyer zweefde door de lucht, omhulde de daken van de huizen en stoof dan neer langs den straatweg in de Meer. Op de zachte, met laagjes hard zand bedekte klinkers klonk de hoefslag van de paarden dof af, en van tusschen de wriemelende boomenblaaren schoten zonnestralen over het rijtuig, die dan weer wechwoeyen voor de schaduwen van de deinende takken. Rechts van den weg zag men, tusschen het heestergroen door, de wit-blauwe grafzerken van de Ooster-begraafplaats blanker en nieuwer schijnen in de zon. De heer de Stuwen was nu aan 't genieten. Hij werd een beetje dronken van de warme najaarslucht; een loome en zoete verdooving deed zijn boven-oogleden halverwege neerstrijken; zijn gezicht zette zich uit, een lammig waas wolkte om zijn persoon, een begeerte om zijn eigen wezen, zijn kracht te verliezen en een te worden met die sterke lucht en die pittige atmosfeer, maakte zich van hem meester. Hij had weinig gesproken en zweeg hoe langer hoe meer. Hij trok traag en droomerig aan zijn cigaar. Jozef en Mathilde voelden ook de buitenlucht door hun longen dringen, een gevoel van vrijheid en natuurliefde overviel hen buiten de stad. Het weilandengroen en het scherpe luchtblauw, waarin langzaam aan den horizont witte wolkengroepjes naar boven klommen, kaatsten in teere tinten op hun gezichten af en stemden hen verweekelijkt en uitboezemens-gezind. Jozef had zoetjes-aan zijn voeten tegen Mathilde de hare geschoven en nu wreven zij er zachtjes tegen-aan. Nu kwamen zijn knieen ook altijd dichter en dichter bij de hare. Telkens wanneer het rijtuig schokte door de hobbeligheden van den weg en Jozefs knieen heen en weer bewogen, hield hij ze expres een beetje langer tegen de hare aan. Er vloden aandoeningen van genoegen door zijn maag en vingers bij elke aanraking. Men vorderde verder in de Meer en juist zette de koetsier de paarden aan met de zweep om een oranje heerenwagentje voorbij te komen, toen men aan het ouderwetsche landgoed Rozenburg rechts van den weg kwam, met zijn oude boomen, verwaarloosde grasperken en stoffigen gevel. Uit het schuimige slotenkroos, dat de straatweg van de buitenplaats afscheidde, staken een wit mannen-en vrouwenbeeld omhoog, hun beenen in het eeuwig stilstaand water. Zij stelden lang vergeten goden en godinnen voor. Zij steunden het steenen bruggetje, dat de sloot overboogde met hun nu verouderde en van spinnewebben omwemelde lichamen. De knieen van Jozef en Mathilde sloten zich dichter aan-een en drukten zich vaster samen, terwijl de oude heer, in een dommel-roes, zijn kin over zijn foelaar gebogen, en heerlijk genietend van de waayende warmte, zachtjes verdoofde in de sterke lucht.

Jozef begon in een soort van kinderlijke stemming te verkeeren. Hij was blij te moede. Zijn zware cylinder hoed scheen hem van-daag bizonder zwaar. Ook had hij, met een onoverdacht gebaar, zijn hoed een beetje achterover gezet, o maar, zoo weinig, dat niet eens de lichtelijk in zijn vel geperste streep zichtbaar werd, die, om dat zijn hoed altijd juist op dezelfde hoogte zat, daar, vooral als het warm was, ontstond, zoodra hij zijn hoed op zette. Jozefs oogen waren vriendelijk. Hij voelde zich gelukkig en verlangend naar nog meer. Hij en zij leunden nu allebei achterover tegen de ruggen van hun plaatsen. Zij hield voortdurend, maar een beetje lager, een beetje gemakkelijker dan eerst, haar parasol in de hoogte. Er lei zooveel gloed over haar gezicht, Jozef zag, dat zij zoo niets liever verlangde dan op deze manier tegenover hem te zitten en dan naar hem, dan naar de lucht en de boomen te kijken, dat hij, in de onbestemde blijdschapsdriften, die naar zijn hersenen stegen, haar pardoes, als een schooljongen, op allebei haar wangen had willen zoenen, met haar schouders in zijn handen. Er was nu zoo'n heerlijke geheime verstandhouding tusschen hen. Het was zoo pleizierig dat zij met elkaar zulk een dierbaar geheim hadden, waar vader nog niets van mocht weten. Het hinderde wel de onmiddellijke verwezenlijking van hun plannen, maar de blikken, waarmee zij elkaar nu konden aankijken en die zij alleen begrepen, de fluisteringen, als zij alleen waren, de minste handdrukken en aanrakingen, die beteekenissen kregen, dat alles gaf als een zoete geur van verboden vrucht aan hun verhouding, ofschoon er niets verbodens bestond. En deed het uitstellen om tot een oplossing te komen minder zwaar vallen in de ruischende najaarslucht.

Zij reden voort over Diemerbrug tot Weesp. Hier dronken zij iets en kregen de paarden water en rogge-brood. Na ruim een half uur rusten, reden ze te-rug. De koetsier kreeg order om tot Diemerbrug denzelfden weg te nemen, en daar langs de vaart tot de Weesperzijde en daarlangs weer tot Amsterdam te gaan.

Toen ze de Amstel te-rugreden, den Schollebrug op en af, over den hoogen straatweg, in loggen draf door de paarden voortgesjord, was het al over half-zes geworden; Jans zou wel boos zijn, nu ze zooveel te laat zouden komen voor het eten. De oude heer had dit opgemerkt; hij was weer helderder van hoofd geworden in de verkoelende lucht. Hij keek met welgevallen over de Amstel heen naar den overkant, waar wagentjes reden en menschen liepen, of naar den hemel, waar de zon langzaam in 't westen daalde.

De heele hemel was wazig, wittig blauw, langzaam verduisterd. Voor hen uit stond de koepeltoren van Paleis voor Volksvlijt omhoog met zijn glazig grijzende kleuren, de magere spitse zwarte torens van de kerken waren meer vanachteren en de nieuwe daken van de hooge huizen in de Sarphatistraat staken zich op in een doffe dampenmassa, die zich boven Amsterdam samenpakte. Zachtjes dreven uit het oosten nog licht-zwarte wolkenbeetjes aan, heel in de laagte. Maar links van de huizendrommen, in het westen, tusschen de tengere boomenstammen aan de Utrechtsche-zijde, zonk de zon in de blauw-grijze verte, en spleten goudroode kwispelende strepen de sombere wolken. Een helle vuurbol spoot stralen er tusschen door. Een purperrood licht weerkaatste in de bovenste huizenruiten en een rose teerheid betintelde ruimte. In het rijtuig werd de stilte stiller. Ieder zat voor zich-zelf te denken. Mathilde voelde zich zonderling blij. Een smartelijke vreugde om zich een onbestemde voorstelling te maken van wat toch niet wezen zou, was in haar. Overgegeven aan de veeren van den landauer om haar te wiegen, bij kleine schokjes, en aan de warmte van de kussens, waarop zij nu al uren had gerust, om haar rug en beenen te doordringen, en haar borst en schoot koel in den avondwind, had zij haar hoofd naar achteren op-zij laten glijven. Haar oogen waren bijna geheel dicht, zij betuurde door een waas, tusschen haar lange ooghaartjes door, Jozef tegenover haar. Maar zij zag hem als verkleind, in de verte, met een nauwkeurige onderscheiding van zijn minste trekken. En door al de lucht, die tusschen hen was en die zij voelde, heen, nam ze hem zoo op in haar droomen. Zij liet zich gaan en hield zich geheel roerloos; nog altijd omsloten zijn beenen warm de hare. Zij had haar parasol met twee handen vast op haar schoot. Als door een onbekende heesche stem werd de waarheid in haar oor gefluisterd, dat haar liefde altijd grooter werd en nu gauw tot een voldoening moest komen. Al zoo lang was zij aan 't wachten. En zoetjes, heel zoet en liefelijk, als een balsem die haar huid en haar binnenste doordrong, liet zij zich door het denkbeeld kussen, dat zij nu oogenblikkelijk de heerlijkheid, die zij wachtte, tegemoet ging. In langzaamen dans, op de maat van den paardenhoefslag, zuisden de hoopschijnsels door haar mijmeren. Zij droomde van een vereeniging met hem, een eeuwig en alleen samenzijn. De geluiden van de straat kwamen als verwarde en onverstaanbare kreten van onder den grond, waarboven zij zweefde, op. Zij zag de hemeloneindigheid verduisterd om haar heen, maar een onverdoofbare vlammende gelukzee in haar hart. Zij wilde zich inbeelden, dat zij, terstond, nu dadelijk na het thuis komen, van-avond in dezen laatsten zomeravond, dat verwachtte geluk zouden hebben. En zij dacht dat 't anders nooit gebeuren zou, dat er na dezen geen zomer meer te-rug kwam, en dat de lucht voor het laatst purpur was geworden. Haar lippen werden nat. Zij wilde nu dadelijk drinken aan den beker. Zij haakte naar die dronkenschap, dien roes van haar liefde. De parasol viel uit haar handen, die half van haar japon wechvielen; zij zwijmelde heen in hare verwachting. Het werd een zachte rozengloed en een zaligheid voor haar oogen. Zij stak haar lippen vooruit, om Jozef, wiens kus zij nu kende, voor goed te ontvangen. Toen dommelde zij wech in een half slapende sluimering, na dat zij nog even een blauwen vonk, de eerste ster, voor zich uit had gezien, dicht-bij, boven Jozefs zwarten hoed.

Diep uit haar doezel, schokte Mathilde wakker. En een stem, die haar vreemd scheen, zij lachend luide:

—Mathilde, wij zijn er … Was-je in slaap gevallen? Zij kwam tot zich-zelve, ernstig en kriegelig. Het was Jozef, die tegen haar sprak; hij had zijn hand op haar knie gelegd, om haar wakker te maken. Zij keek op; zij vond t' akelig donker, het was koud, het woei. Zij begreep niet, wat er eigenlijk met haar gebeurd was. Zij drukte Jozefs hand te-rug, die hij zelf niet gauw genoeg te-rug nam. Haar vader stond op om uit te stappen; Jans hield, met een brommerig gezicht, de deur al open. De oude heer hoestte erg.

—O God, vader, u heeft stellig vreeselijk kou gevat. Wij hadden het ook nooit moeten doen, nee nooit!, zei Mathilde, die uit haar humeur was. Zij sprong op den grond, vlak achter haar vader, voorbij Jozefs hand, die haar steunen wilde. Zij drong zich naast haar vader in den gang, vol onstuimig bezorgde vragen. Mankeerde hij nog niet iets? Was hij niet stijf, had hij nergens pijn? Ze hadden dien ongelukkigen toer nooit moeten doen, 't was ook een vreemd idee geweest van Jozef nu de herfst al in 't land kwam. Zij stootte haar vader zachtjes door de deur van de achterkamer. Jans had ten minste voor wat vuur gezorgd; dat was goed. Zij nam den oude heer zijn hoed en overjas en boeffante af en zette hem in zijn leuningstoel hij de kachel. Daarna, nog met haar hoed op, rende zij naar boven, kwam te-rug met zijn pantoffels en sjamberloek, trok zelve zijn schoenen uit, hielp hem verder op zijn gemak. Toen dacht ze er pas aan haar handschoenen en hoed af te doen en naar Jozef te kijken, die stil in de kamer was komen staan, zijn hoed in zijn eene hand, de andere in zijn broekzak frommelend, waar zijn beurs, waaruit hij den koetsier een fooi had gegeven, maar niet plat wilde liggen.

—Als vader zich maar geen ziekte op zijn hals heeft gehaald, zei ze totJozef, nu weer wat kalmer.

—Wel nee, andwoordde hij, geen kwestie van, zoo koud was 't niet. En Jozef nam afscheid om in de club te gaan dineeren. De heer de Stuwen bedankte hem hartelijk voor het ritje. Hij had veel genoten van de buitenlucht. Maar men moest Mathilde haar gang maar laten gaan, dat goede kind!

Dien avond was Mathilde vol bizondere teederheid voor haar vader. Ofschoon hij verzekerde niets te mankeeren, verzorgde zij hem op alle mogelijke manieren. Zij liet hem warme grokjes drinken, liet hem vroeg naar bed gaan, ging nog tweemaal voelen of zijn kruikje heet genoeg was, en kwam nog eens kijken of hij zich wel wel voelde, een half uur na dat hij naar boven was gegaan.

Hij was nog niet heelemaal in slaap en ging rechtop zitten, toen zij binnenkwam. Zij kwam hem nog eens een nachtzoen geven, zeide zij.

Haar armen om zijn mager lichaam, vroeg zij, in een opbruising van teederheid:

—Zal u gezond blijven, zal u nooit, ten minste in de eerste twintig jaar niet, sterven? O, vader, u is het eenige wat ik heb, als u sterft, zou ik zoo verlaten zijn en niemant hebben op de wereld. En zij zoende hem nog eens hartstochtelijk en drukte haar hart tegen het magere nachthemd van den ouden man en warmde hem aan haar jonge lijf. Daarna, toen zij haar in het rijtuig opgekomen begeerte om liefde te besteden had voldaan, sliep zij in.

Den volgenden middag tegen vier uur begon de heer de Stuwen te bidderen, hij kreeg het koud door al zijn leden, hij was ongesteld, om vijf uur ging hij in zijn bed liggen. Mathilde, die doodelijk ongerust werd, hielp hem; om zes uur kwam de dokter, dien Jans was gaan halen, dokter Hansen, een klein rood-bruin-mager altijd veertigjarig mannetje achter een gouden bril. Den volgenden morgen was de Stuwen stijf door zijn heele linkerzij. Om een uur kwam de dokter weer en verklaarde, dat Mathildes vader zware rheumatische koortsen onder de leden had, en dat de ziekte, die lang en kort duren kon, zich nog al niet gemakkelijk liet aanzien. Mathilde merkte dat er een heel nieuw soort leven voor haar misschien zou beginnen; tusschenbeide ten minste kwam deze gedachte als een heel vreemd iets door haar hersens. Maar zij was veel te bezig den heden dag, dan dat een oogenblik van gedachte door iets anders ingenomen werd dan door vaders ziekte en de mogelijke uitkomsten. Zachtjes, voetje voor voetje, liep zij de trappen op en neer van den morgen tot den avond. Op verzachten toon werden Jans allerlei dingen gezeid en allerlei zaken opgedragen, die zij grommend over de drukte, opvolgde en uitvoerde. Er was den god-ganschelijken dag een gefluister en glippen van japontippen over de trap en een doodelijk stille bedrijvigheid door het huis. Zachtjes klepten de deuren toe; Mathilde had een katoenen lapje om de huisschel gewikkeld, wat de dokter zelf een overdreven voorzorg noemde. Nu was de heer de Stuwen gelukkig een zwijgende, geduldige zieke; een enkelen keer maar, vooral 's nachts, dreunde er een dof gekreun door het huis, wat Jans aan spoken denken deed. Het uiten van zijn pijn bestond bij den ouden heer in het kronkelen en wringen van zijn stramme leden en het zwaar zuchten, hijgen, sidderen en kuchen. Werd de pijn al te bar, dan sparde hij zijn oogen wijd open, zoodat het wit over de randen scheen te zullen loopen.

Gedurende de eerste zeven dagen van de ziekte was Mathilde niet uit haar vaders slaapkamer te slaan. Den heelen dag had zij iets te doen, dan hier, dan daar in de kamer. Zij had den tweeden dag al haar borduur-en teekenwerk van boven gehaald en in een klein hoekje bij het venster gelegd. Alleen om de atmosfeer niet te benauwen, ging zij beneden in de achterkamer, driemaal per dag, even heel gauw eten. Den derden dag, toen de ziekte met schrikbarende snelheid heviger werd, had zij, een eindje voor haar vaders ledikant, een kermis bed met Jans opgericht, en daar bracht zij nu de nachten door. Verder hielp zij haar vader met alles, met een zenuwachtige en overdreven bezorgdheid. Zij alleen wilde volstrekt alles doen en in orde maken. Sprak dokter Hansen van een ziekenoppasser nemen, drong hij aan, noemde hij dat een noodzakelijken maatregel, daar op den duur toch Mathildes krachten niet toereikend zouden blijken, dan wilde zij van niets hooren, zij weigerde halsstarrig. In haar gesprekken met den dokter maakte zij haar armen bloot en wrikte haar schouders op en neer, om te toonen hoe krachtig en lenig zij was. Met Jozef had zij ook een hevige woordenwisseling. Als zij hem, bij zijn dagelijksche bezoeken om naar den ouden heer te vragen, uitliet, en hem, beneden in der haast fluisterend in den gang te woord stond, verzekerde zij hem, dat zij 's nachts uitnemend rustte en zelfs zwaar sliep, en dat dit ruimschoots opwoog tegen de gejaagdheid, de angst en het werk van overdag. Hij kwam op het denkbeeld om van haar liefde voor de piano gebruik te maken, om haar wat afleiding te doen nemen. Op een middag wist hij haar naar het zaaltje te dringen, en haar aandrift werd daar wezenlijk zoo sterk, dat zij samen weer heelemaal een ouderwetsch uurtje doorbrachten, zij op het krukje voor de piano haar geliefde themaas aan 't spelen en hij er naast op een stoel, vlak bij haar, kleine bedenkingen opperend, goedkeurend en toejuichend, den aard van de melodien met haar besprekend, over het gevoel, de bizondere nuance, die in deze of gene noot te leggen was uitweidend. Toen was Jans binnen komen sloffen, en kwam vragen, kompliment van mijnheer en of de jufvrouw geen stukjes kon kiezen, die wat minder hard klonken, want dat mijnheer het aan zijn hoofd niet goed kon verdragen. Mathilde stond op met een bedaarde woede, die Jozef verwonderde, sloot de piano met vastberadenheid en borg de muziekboeken wech. Zonder een woord te spreken stapte zij naar boven. Haar vader, die eigenlijk erg lette op nommero een: verschrikkelijk bang om dood te gaan, had zich-zelf uit zijn bed weten te werken en stond al bidderend bij de tafel zijn terpentijn-drankje klaar te maken, om dat het uur van innemen al voorbij was. Mathilde begon hierover te huilen, dat hij er mee uitschee en 't haar liet doen. Jozef had zich beneden uit de voeten gemaakt. Aan een stuk bleef Mathilde nu twintig uren boven bijna zonder te eten, zonder te slapen. Toen zij eindelijk weer in de achterkamer kwam, om bouillon te eten, sloop zij op haar teenen naar het zaaltje, zocht naar het heele kleine sleuteltje, waarmee de pianoklep afgesloten worden, in het laadje van 't paars-bruin muziekkastje er naast, vond het, sloot de piano dicht met een ernstig gezicht, ging toen naar de voorkamer, maakte het venster open en gooide onder een koortsigen glimlach het sleuteltje over de gracht in de wal.

De ziekte van den ouden heer was nu op zijn ergst geworden. Het begin, de eerste hevige stooten waren voorbij, nu was zijn lichaam met kalme, zware aanhoudende pijnen. Mathilde verzorgde hem voortdurend hetzelfde en zonder ongeduld. Zij dacht veel aan Jozef, ook vooral als hij er niet was, maar de telkens in denzelfden vorm opkomende gedachte, die telkens weer te-rugkwam als ze haar driftig had wech gestooten, zoo als de altijd weer verschijnende telegraafpalen, die men te niet zou willen kijken door het raampje van den sneltrein, maar die met een ruk weer aankomen, die gedachte bleef haar als een zoete kwaal met een onbestemde heerlijke hoop vullen. Gelukte het haar 's avonds in te slapen, dan voelde zij in den doezeltoestand, waarmee haar slaap begon, in die oogenblikken dat zij zelve niet wist of zij wakker was of sliep, en als hij zich weer heelemaal van haar denken had meester gemaakt, haar vleesch koud, maar de hoop, zonder begeerte-voorstellingen, bleef bestaan en regende door de vale duisternis van de ziekenkamer haar zinnen binnen. Over-dag wilde zij niet aan hem denken, zij vond dien hartstocht nu akelig wereldsch vergeleken bij den heiligen plicht, dien zij vervulde. Dit was nu het leven, dit was nu de ware hooge roeping van een vrouw, en het andere was wereldsch, was slecht, was uit den booze en niets dan ijdelheid.


Back to IndexNext