IV.

Na vier weken was Mathilde half-ziek van afgematheid. Zij kon, zij kon doodeenvoudig niet meer. Wanneer zij niet oppaste zou zij-zelf ziek worden, en wat dan, dan kon zij toch zeker haar vader heelemaal geen goed meer doen. Zij had zich-zelf zoo gemaakt, zij had het werk, dat zij zich had opgelegd, overdreven. Zij had er een genoegen in gevonden zich af te sloven, dat te doen, wat zij wist dat overbodig was. Zij had een vaag verlangen gevoeld om zich zelf te vernietigen; zij wilde Jozef vergeten, zij wilde zich dood sloven om haar vaders leven te behouden. Het was de onbevredigde liefde voor Jozef, het onuitroeibaar onvoldaan verlangen, de stormende en stijgende zucht om haar leven aan zijn doel te geven, die zich in dezen hartstocht van verplegen een doorweg baande. En voor een gedeelte was zij geslaagd, zij had zich-zelf zoo weten te verzwakken, dat de dokter en Jans haar op een morgen met geweld aan de ziekenkamer onttrokken en naar bed brachten. Toen sliep zij achttien uur achter mekaar. En zij voelde zich zoo krachteloos, dat zij zich wel moest laten aanleunen, het verschijnen van een liefdezuster, beneden, die men zich gehaast had te laten komen. Maar twee dagen later sukkelde zij in haar grijzen peignoir, door Jans ondersteund, weer de trap af; zij wilde haar vader zien. Hij was nog hetzelfde; hij had zoo'n rillende en huilende pijn, door al zijn leden, vooral door zijn linker zij, dat men biezen hoepels om zijn matras had gespannen, om zijn dek op te houden, daar hij zelfs de druk van de dunne lakens en van een katoenen deken over zijn beenen en borst niet velen kon. Hij jankte tusschenbeide als een hond.

Een week later bleef de pijn bij lange tusschenpoozen wech. Na nog een week beterde hij merkbaar. Mathilde, die weer aansterkte, zat in de voorkamer beneden te teekenen en te borduren; elke tien minuten liep zij de trap op om naar haar vader te kijken.

Jozef kwam elken dag aan. Hij stuurde nu geregeld verfrisschinkjes voor den ouden heer; en voor Mathilde de laatste bloemen van het jaar. Mathilde vond 't heel mooi van hem, dat hij nooit vergat te komen. Zij zag hem op de vaste uren, altijd netjes aangekleed, altijd even lief en hartelijk, met zijn trouwe, nu beproefde, dacht zij, onveranderlijke liefde. Hij bleef nu dikwijls een half uur alleen met haar in de voorkamer, na boven den vader te hebben bezocht. Iederen ochtend zag zij weer met meer verlangen naar zijn komst uit. Zij begon bij zich-zelf te redeneeren, dat vader waarschijnlijk, zoo hij al beterde, toch ziekelijk blijven zou, en heel hulpbehoevend zijn volgend leven. Zij zou zich niet van hem kunnen scheiden en hem moeten blijven verzorgen tot aan zijn dood. En langzamerhand ofschoon zij eerst voor haar eigen weinige zelfstandigheid te-rugdeinsde, werd zij gewaar, hoe zij zich neerlei bij het denkbeeld om Jozef te trouwen en vader in huis te nemen, met hun drieen verder samen een leven te leiden. Haar bezwaren van vroeger kwamen nog zwakjes op, maar verbleekten en schenen vernietigd te zullen worden. Weer dacht zij aan de kinderen. Men moest verstandig zijn, men moest, wilde men zoo een gewichtigen stap doen in het leven, niets over het hoofd zien, alles wikken en wegen, alle bezwaren indachtig wezen. Zij dacht dan, dat de kinderen misschien vooreerst niet zouden komen, dat, al werden zij hun werkelijk gezonden, alles toch nog misschien geschikt zou kunnen worden. Alles wat vroeger een onoverkomelijke hinderpaal scheen, werd nu makkelijk uit den weg te ruimen. In alle gevallen bleek gemakkelijk te kunnen worden voorzien. Zij zouden dan maar, zoo lang vader nog leefde, niet veel menschen zien en probeeren het huis stil te houden.

Eens op een Donderdag-middag waren de heer en mevr. Berlage een kaartje komen poesseeren, de ingenieur Ster was er ook al verscheidene keeren geweest, om deelneming in de ziekte van den huisheer te betuigen, maar Mathilde ontving niemant, voorgevende zelf ook nog ongesteld te zijn. Zij wilde alleen zijn met al haar gedachten. Die nacht, van Donderdag op Vrijdag, deed zij bijna geen oog toe en lag zij aldoor aan Jozef te denken. Vrijdagochtend tegen elf uur, den tijd, dat hij komen moest, was zij zoo ontzettend verlangend naar hem, dat ze het venster van de voorkamer open schoof en in de Oktober-koelte haar haren liet zwieren om naar hem uit te zien. Zij reikte zoo ver mogelijk naar voren, dat haar borst er zeer van deed.

Toen hij kwam, maakte zij open:

—Ben-je daar? Zij gaf hem stil een arm. Samen gingen zij naar boven.

Na dat Mathilde Jozef zich had laten overtuigen, hoe-of vader beterde met den dag, hoe opgewekt hij er weer begon uit te zien en met hoeveel pleizier hij zijn krantje las, en hoe lekker hij weer brood at, stonden zij op het portaaltje buiten de deur van de ziekekamer een oogenblik stil.

—Ik ben boven aan een aquarel bezig, die nog al goedgaat, zei Mathilde. Ik zal hem eens even halen, dan kan-je zien. Zij ging twee treden van de trap op en keerde zich toen om. In een wangenwarmte en een verlegen lachje, zeide zij: Ja, hij zit eigenlijk strak gespannen, vast gestoken op een houten bord … Ik heb ook nog een heeleboel op mijn tafel liggen, om je te laten zien. Wil-je niet even meegaan?

Het denkbeeld om Jozef haar kamer binnen te brengen en hem alles daar te laten kijken bekoorde haar erg. Dat Jans iets zou denken, viel niet in haar; Jozef was een oude huisvriend. Toch een beetje aarzelend ging zij hem voor, en ze werd in-eens heel rood, toen zij zijn stap achter haar hoorde, zoo hoog in het huis, de trap op. Maar de kleur bleekte zachtjes op, toen zij haar deur openduwde. Het was buiten geen bizonder klare dag, integendeel, het kon op regen uitdrayen. Zij wist niet waarom, maar toch trok zij de gordijnen niet op. Hij trad op haar toe en nam haar bij haar arm. Sints dien eenen zoen, op dien grooten morgen, hadden zij mekaar niet meer gezoend. Want een schijn van verkoeling had er wezenlijk bestaan. Hij zoende haar dan even, zachtjes op haar wang. Zij kleurde zijn gezicht met de liefde van haar oogen, maar zoende niet te-rug. Zij vond den toestand toch wel een beetje vreemd, zoo, hier op haar kamer. Op-eens merkte zij haar nachtjak, dat voor het bed op een stoel lag. Zij gooide het jak gauw op haar bed en deed de gordijnen zorgvuldig over mekaar en de stoel er tegen aan, zoo dat er geen opening meer zichtbaar bleef.

—Ga nou maar even voor de tafel zitten, zei ze, dan kom ik naast je zitten.

En samen bogen zij zich over de teekeningen en bezagen alles. Zij vermeed zijn blikken en lei hem haar moeite en haar werk uit, haar oogen naar de tafel. Plotseling zeiden zij geen van beiden een woord meer. In de stilte keken zij allebei voor zich uit. Toen nam hij een besluit en maakte een gauwe beweging. Hij deed zijn arm om haar middel en trok haar naar zich toe, zijn hand aan haar borst. Een hitte steeg in haar op. Zij ging achter over, haar hoofd op zijn schouder. Haar lichaam hijgde naar boven in zijn armen.

—O, fluisterde zij, zonder te weten wat zij bedoelde, ik kan nu niet langer wachten … Laten wij toch trouwen.

En zij wrong zich naar hem toe, op zijn schoot, tegen hem aan. Hij viel haast om met stoel en al. Zij maakte zich tot een klein kind aan zijn borst. Zij dook in-een in de houding, als toen zij, zoo lang geleden, als klein kind speelde op zijn schoot en hem aaide. Zij nam zijn hoofd tusschen haar handen; zijn haren sidderden onder haar vingers.

—Wij zullen trouwen, nietwaar, gauw, zou gauw mogelijk?

En zij zoende zijn gezicht wit en hijgde heet over zijn wangen. En zij streelde alles aan hem, zijn hoofd, zijn gezicht, zijn schouders, zijn hals, zijn borst. Zij zoende zijn wenkbrauwen, zijn oogen, zijn lippen, zijn voorhoofd, zijn das, alles wat van hem was. Jozef andwoordde zonder te spreken, met te-rug te zoenen. Toen zonk zij met dichte oogen, haar hoofd op zijn houder, haar handen achter zijn hals samengeklemd, tegen hem neer. En ze zeiden allebei niets, hun hoofden waren heet in de vreemd-warme kamer, Daarna gingen zij zachtjes samen weer naar beneden.

Jozef en Mathilde spraken af dat hij, zoodra de oude heer weer heel hersteld zou zijn en beneden in huis weer in zijn oude leventje, een formeel huwelijksaanvraag doen zou. Mathilde-zelf durfde er niet het eerst over spreken. Zij doorwachtten nu het langzaam beteren van den heer de Stuwen. Over een groote veertien dagen, had dokter Hansen gezeid, zou de vader zich weer gemakkelijk bewegen kunnen en de trappen op-en afloopen. Tot zoolang moest men geduld hebben, want Mathilde bracht Jozef aan 't verstand, dat zij volstrekt niet gissen kon, wat vader van de tijding denken zou. Als hij weer op zijn gemak den gewonen levensloop volgde, moest men hem alles meedeelen.

Met dendag draaide nu de oude heer bij. Hij begon eerst wat beter te eten, toen bleef hij even opzitten met zijn koeranten, toen stopte hij zijn pijpjes, toen begon hij pleizier in keuvelen te krijgen, en eindelijk stapte hij de duffe ziekenkamer uit. Dit zal nu een dag of tien geleden geweest zijn.

De maand Oktober eindigde stil. Het was een heldere koele avond buiten. Er passeerden weinig menschen op de gracht. De heer de Stuwen zat voor de tafel in de binnenkamer. Het kolomkacheltje brandde flauwtjes. De gasbekken waren boven het grijze hoofd ontstoken en hij las de krant onder 't soppen van een tafelbeschuitje in een juist weer volgeschonken nagemaakt blauw Saksiesch theekopje. Tegenover zijn plaats aan tafel stond een groot ouderwetsch bruin blad met opstaanden rand in koperen beslag. Het vlammetje onder het oud-zilveren theepotje bewoog: zoo hoog stond het ouderwetsch toestel, met de ketel met kokend water, dat de stoom tegen het lichtje aankwam. De overgeblevene helft van een manille-cigaar lag op het met asch en gestortte suiker bedekte schoteltje, naast de linkerhand van den heer de Stuwen, waarmee hij de krant vasthield.

Mathilde was juist wechgegaan om klarigheid te maken om met haar vader naar de komedie te gaan.

Daar werd hard aan de voordeur gescheld. Toen Jans bijna bij de voordeur moest zijn, gingen de Stuwens blikken even luisterend links langs het bedrukte blad, zijn mond ging op een kiertje staan: Wie, dacht hij, kan daar zijn?

Jozef was aan de deur. De Stuwen herkende zijn stem toen hij Jans goeyen-avond zei, en vond 't vervelend, dat hij juist nu kwam.

—Zoo, van Wilden, ik had niet gehoopt je van-avond nog te zien.

—Hoe maakt u 't, meneer de Stuwen? … Ja, ik zal u zeggen … ik wou u graag eens spreken … over ernstige zaken …

—Nou, kom binnen, kom binnen … Jans, neem meneer z'n jas eens aan.

—Nee, dank u, die zal ik maar aanhouwen … Ik zal u niet lang ophouden … ik heb maar weinig tijd.

—Ga zitten … zoo, en wat heb je nu voor gewichtigs?

De Stuwen was ook weer gaan zitten.

Jozef zat op de kleine kanapee, die tegen den wand stond. Zijn cylinder-hoed stond naast hem op het karpet met de lichtrood zijden voering naar boven. Zijn overjas hing open; zijn ellebogen stonden op zijn knieen; zijn donkerbruine glace-handschoenen kraakten sisten tegen mekaar; zoo krachtig poogde hij zijn handen te vouwen. Zijn hoofd hield hij gebogen, zijn oogen neer. Een enkelen keer dwong hij ze echter den heer de Stuwen sterk aan te zien. Hij sprak boekachtig.

—De stap die ik doe is wel een beetje onvoorbereid, meneer, … maar wij zijn toch al oude vrienden en daarom ben ik er des te gereeder toe overgegaan … Meneer, ik kom de hand van Mathilde vragen …

Jozef hoeste en keek den ouden heer lang, heel lang met zenuwachtig trillende oogen aan.

—Houdt zij van u?

—Ja, meneer, dat weet ik … Wij hebben samen al over ons hartsgeheim gesproken … Zij heeft mij wel lief en ik, ik haar onuitsprekelijk …

—Ik moet je ronduit bekennen, dat je me erg verrast. Ik had nooit aan zoo iets tusschen jullie gedacht. Je scheelt, als ik wel heb, dertien jaar met mijn dochter. Je karakter ken ik genoeg … Maar wat praat ik? Wat moet ik beginnen, als jij met mijn eenig kind gaat strijken? … De Stuwen huilde nu. Van Wilden, ik houd zooveel van dat kind, zij is 't eenige, wat ik nog over heb … Mag ik wel vragen, oprecht en vrij, hoeveel inkomen je wel hebt, van Wilden, en hoe je je huishouden denkt in te richten? … Wezenlijk, je komt me zoo met je aanbod uit de lucht vallen, dat ik er heelemaal door in de war ben … Laat me d'r eens wat over denken, he? … Kom dan over een week of zoo maar mijn antwoord hooren … Gut, jongen, van Wilden, geloof me, ik had zoo iets nooit vermoed … Ik houd van je, dat weet je, en 't geluk van Mathilde gaat mij erg ter harte …

Jozef was opgestaan, beverig, klammerig. Boven in huis zong Mathilde het liedje uit Faust van den koning van Thule; zij kwam de trap af. Toen zij aan de onderste drie treden was, had ze juist haar handschoenen dicht geknoopt en kwam nu met een sprongetje de achterkamer binnen: Vader, is u klaar?

Jozef had nog juist kunnen zeggen:

—Mag ik u dan per schrift nog 't een en ander over mijn zaken melden? … Ik hoor Mathilde, bedenk u nu rustig … ik wil ook niet dat er in deze kwestie iets te overhaast of tegen uw goeddunken gebeuren zal, … maar … voor alles, … houd in 't oog dat niemand haar … in staat is haar … gelukkiger te maken, ik … daar is ze, … dat ik oneindig veel van haar houd … Tot ziens dan!

Hij kwam Mathilde aan de deur tegen. Hij dorst niet tegen haar te glimlachen. Zij zag ontsteltenis in zijn oogen. Zwijgend drukte hij haar hand. Zijn hand beefde. Zij zag haar vader ook opgewonden. Zij begreep dat Jozef alles had gezegd. Een oogenblik had zij de gedachte haar vader te omhelzen en hem zoo smeekend aan te zien, dat hij dadelijk zijn permissie zou geven … een oogenblik maar, want zij hield zich in en ging stil in de kamer staan. De heer de Stuwen liet Jozef uit. De buitenlucht koelde de gezichten van Jozef en de Stuwen af. Jozef nam zijn hoed af en verdween in de schemering van 't lantaarnlicht aan den wallenkant.

Vijf minuten later ging de oude heer met Mathilde naar de komedie. Jans liet ze uit en bleef verder in haar eenzaame keuken te-rug om naast de poes in te dommelen zonder te merken dat de lamp knersend uitging.

De Stuwen en Mathilde zeiden dien avond weinig tegen mekaar.

* * * * *

Dien avond, een paar uur na dat hij bij de Stuwen geweest was, ging Jozef naar de club. 't Was al over tienen. Het gas in de winkels vlamde, de gordijnen voor de clubventers waren neer. Jozef draaide den hoek om en richtte zich naar de deur in gezelschap van twee andere elegant gekleedde heeren. Beneden, van de keldervensters van het clubgebouw, steeg een warme damp van gekruid eten op in de neuzen.

De straathoek hier was vol loopende menschen. De lucht stond bewolkt en de gezichten blonken geel in het gaslicht. De oogen blonken, als lichten van diep uit de hoofden schijnend. Soms ging het geraas van rijtuig en paard plotseling van de straatsteenen over in het doffe geklok van den hoefslag op het asfalt. Schorre fruitventers-kreten, heesche jodenschreeuwen een schel hondgejank riepen op onder de schuifelende gebarende en gesprekken houdende menigte, donkere lijven in een ver gebrom en een morrend gesuis tot de lucht.

In hun baarden lachend wandelden Jozef en zijn kennissen langzaam. Boven de fluweelen kragen van hun overjassen schemerden, in helder witte boorden geklonken, hun roode door de pret vettige halzen. Er kwam een donkere jufvrouw onder een breedgeranden rubenshoed achter hen aan. Zij kuchte. Jozef keek om. Van weerszijde werd toen giechelend gelachen.

De groote zaal van de club was in lichte kleuren beschilderd: licht-rood, lila en blauw; ovale vakken met bloem-en fonteinafbeeldingen, gescheiden door half uit den muur gebouwde hoekige pilaren, die van boven en van onderen zich in een opeenhoping van gouden krullen verloren. De bloemvakken werden afgewisseld door geslepen spiegels. Midden in den zaal stonden drie bieljarten, waar heeren met lekker-ruikende-baarden in hun overhemdsmouwen om heen liepen; de lampekappen stortten het licht over de bieljarten neer, dat de spelden in de kleurige dassen deed blinken, maar de gezichten in de schaduw liet; de heeren droegen de keuen geweersgewijze over den schouder, de pomeranz, met krijt besmerend. Achter in de zaal stond de lankwerpige groene leestafel, waar meer bejaarde heeren kranten lazen; aan de vensters waren de zwart ebbenhouten tafeltjes; kletsende, rookende heeren zaten er om heen grokjes te drinken.

Jozef kwam binnen met zijn vrienden. Een knecht vol blauwe liverei met zilveren knoopen nam de over-jassen en de hoeden aan. Aan een tafeltje, dicht-bij de deur, waar al drie jongelui aan zaten, gingen zij ook.

—Bonsoir, Hasman … Dag, Piet, hoe maak jij 'et? D'Ablaincourt! …Zitten jullie hier al lang?

—Nee, even maar, we hebben koffie gedronken in Suisse.

—Was 't er vol?

—Nee, och God, niemant.

—Jawel, en Dobber van Rotterdam dan? Zei Hasman.

—O, was die d'r ook? Die heb ik t'r gisteren gezien, zei Jozef. Verbeel-je, hij proponeerde me om een spelletje ekartee te spelen, maar dat kon ik niet doen, dat begrijp je, nee, zeg ik, dat gaat hier in Amsterdam volstrekt niet, als de menschen mij hier na den eten ekartee zagen spelen, zou ik morgen aan de Beurs niets te doen hebben.

—Nou, zoo erg geloof ik nou niet, dat het is, zei Piet.

—Asjeblieft, zei Jozef, de menschen zijn hier nog verschrikkelijk kleinstaedtisch. Ik durf in geen publiek koffiehuis kaart te spelen. Dat kunnen alleen renteniers doen en in geen geval jonge menschen, die in effekten doen.

D'Ablaincourt was met den knecht aan 't overleggen wat hij drinken zou.

—Mag ik je iets offreeren, van Wilden?

—Ja, groc americain, heel graag!

—Jongens, ik heb vandaag zoo'n mooye meid gezien, zei Hasman.

—Ja? Waar?

—Op de Heiligeweg. Ik ben d'r nog een tijdje nageloopen door deLeidsche straat, maar 't duurde me te lang.

—Ja, a propos, van Wilden, hoe staat 't met jouw Lucie?

—Dank-je, heel goed; jammer, dat 't uit is tusschen ons … maar van den anderen kant toch niet jammer, want ik geloof dat 't heel goed is, dat ik nu eindelijk eens ga trouwen.

—Ja, maar, beste vrind, wat heb je aan een ongefortuneerde vrouw?

—O, dat hangt er heelemaal van af … as je een meisje trouwt, mooi, en die op je verliefd is, en als je dan de overtuiging hebt, dat je een uitstekende getrouwde man zal zijn … Ik zal veel van d'r houen en we zullen 't heel goed met mekaar kunnen vinden.

—Jongen, jongen, wat ben jij toch 'n degelijk mensch … en dan na een jaar of zes zoo vijf kleine springertjes om je heen … heel plezierig nie-waar? Je bent toch altijd zoo'n liefhebber van kinderen!

—O, waarom niet, andwoordde Jozef, al sjouw je wat voor dat je trouwt, daarom kan je later toch wel een goeye huisvader zijn.

—Ja, en je leeft op 't oogenblik ook heel bedaard, dat is waar.

—Wel zeker, heel bedaard, maar, beste jongen, dat heb ik altijd gedaan … ik leef altijd bedaard … ik ga nu van-avond bijvoorbeeld waarschijnlijk weer eens dood bedaard naar Josephine uit den Haag.

De knecht kwam nu met een platina blaadje, waarop drie grocs americain stonden, die de heeren met een lucifer aanstaken, zoo als ze het in Parijs hadden zien doen.

—Op je aanstaande, Jozef! zei een van de andere heeren, zijn glas in de hoogte.

—Blaas eerst de vlam uit, je zal je branden, riep een ander er tusschendoor, om een aardigheid te zeggen.

—Nou, en ik drink op Josephine! zei Hasman.

—Nee, profaneer niet, zei Jozef, je moet geen dingen met mekaar in verband brengen, die niets met mekaar te make hebbe.

—Nee, dat moeten jullie ook niet doen, zei de heer Blas, die tot nu toe gezwegen had en voor een heel verstandig mensch doorging, maar, van Wilden, ik zou je toch wel eens iets willen vragen … hoe of jij toch eigenlijk de meisjes op je verliefd maakt, bijvoorbeeld, zonder indieskreet te willen zijn, je aanstaan nu, die houdt nou toch bepaald van je, nietwaar?

—Ja wel, ik hoop het ten minste wel.

—Hoe komt dat dan nou? Je bent altijd op de Beurs, op je kantoor, hier in de club, en je neemt het leven verder nog al luchtig op, je bent zelfs een beetje fatterig, hoe kan jij een meisje uit een stille burgerlijke ingetogen familie zoo gecharmeerd op je maken?

—Dat is nog al eenvoudig, andwoordde Jozef, ten eerste, omdat haar vader en zij met weinig menschen omgaan en ik zoo wat de eenige jonge man ben, dien zij kent, ten tweede om dat ik veel van haar hou.

De heeren zaten met hun ellebogen op de tafel, met de eene handen de hoofden steunend of aan de glazen, de andere in de broekzakken en op tafel trommelend, te luisteren; om hen heen leefde de zaal in het rollen en klotsen van de bieljartballen, het applaudiseeren voor een mooyen stoot met een licht geklop van de keuen op den vloer en het stemgegons van de babbelende tafeltjes met een enkelen luiden schater; de rooknevel van geurende cigaren steeg langzaam naar de zoldering.

Na een uurtje begonnen Jozef en zijn vrienden zich te vervelen. Aan andere tafeltjes spraken zij nog een paar vrienden aan, en groetten een paar kennissen en gingen nog een beetje de straat op.

Twee dagen later ontving de heer de Stuwen een dik zorgvuldig toegemaakt koevert, dat hij ook op een avond, ook in zijn achterkamer, bij het nog flauwer brandend kolomkacheltje, openmaakte.

Jozef legde er zijn maatschappelijken toestand in bloot. Hij was eigenaar en bestuurder van een effektenzaak, die jaarlijks een acht-a tienduizend gulden afwierp. De omstandigheid, dat hij aan een bekwaam en ijverig kashouder de leiding van het kantoor had toevertrouwd, stelde hem in de gelegenheid zijn tijd, die niet aan het maatschappelijk verkeer was gewijd, met lezen en studeeren door te brengen. Dikwijls was hij maar een half uur per dag op zijn kantoor en zijn overigen tijd thuis, of, zelden, in de club. Maar 't sprak dat hij voortaan al zijn lidmaatschappen van societeiten en verdere celibatairs-genootschappen op zou zeggen, om met zijn vrouwtje, alleen voor en in zijn eigen huis te leven. Hij wilde zich ook ernstiger nog als nu op de studie toeleggen, een bezigheid, die, wilde zij vruchten dragen, op zich zelf al veel van zijn vorderen zou.

Terwijl de Stuwen den brief weer bij de andere papieren in den omslag lei, dacht hij na over het besluit dat hij zou nemen. Hij glimlachte. Mathilde had sinds die paar dagen nauwelijks van Jozef durven spreken. Alleen gisteren-avond, toen hij haar een beetje plechtig had afgevraagd, of zij wezenlijk, in het volle besef van wat de toekomst zou brengen, van Wildens vrouw wou worden, had zij hem doen blijken, hoeveel zij van Jozef hield. Zij verzekerde alles overwogen, over alles nagedacht te hebben en tot het besluit te zijn gekomen, dat haar toekomst was aan de zijde van dien man te leven en te sterven.

Er was dus, dacht de Stuwen, niets tegen het huwelijk … Hij had immers zelf, hij, die Jozef misschien 't best van allen kende, toch nog de laatste dagen hier daar in de stad naar de reputatie van zijn aanstaande schoonzoon geinformeerd en overal waren hem de beste berichten gegeven. Vroeger had Jozef wel een beetje "gesjouwd", schreef een van de heeren, dien hij inlichtingen had gevraagd, maar hij was toch altijd, vooral in den laatsten tijd, een bedaarde jongen geweest. Hij zou van Wilden dus maar andwoorden en Mathilde, als zij thuis kwam,—zij was van-avond bij mevrouw Berlage—gelukkig maken.

Ja, Mathilde was uit. Hij zat hier alleen en kon dus dat zaakje nu juist goed ten einde brengen. Plotseling dacht hij aan zich-zelf, hoe alleen hij zich op 't oogenblik voelde; de kachel was aan 't uitgaan, zijn thee werd koud. Mathilde was er ook niet om voor dat alles te zorgen. En in eens voelde hij geheel de verlatenheid, waarin hij in 't vervolg zou zijn. Hoe was 't mogelijk! Nu pas dacht hij aan wien hem toch het naaste was! Wat moest hij nu worden? Alleen zijn ouden dag tegemoet gaan, dat was geen pleizierig idee. En was dat het lot van alle vaders in zijn omstandigheden, in zijn noodzakelijke omstandigheden, dit besefte hij wel. Zijn glimlach verdween en hij huilde. Hij voelde zich koud, hij keek rond. Wat was het eenzaam hier in huis! 't Gebeurde wel meer, dat Mathilde eens uit was 's avonds, maar nooit had de kamer hem zoo kil en leeg geschenen als nu, ofschoon hij zeker wist, dat Mathilde op haar gewonen tijd thuis zou zijn om hem goeye nacht te zeggen, naar zijn warm kruikje te zien en zijn kussen te schudden, en dat, al ging het huwelijk ook door, zij toch minstens nog een maand of zes bij hem zou zijn.

Hierna vermande zich de heer de Stuwen. Hij stond op, sloot zachtjes de deur en kreeg uit de zwaar mahoniehouten sekretaire, rechts van het raam, dat op het binnenplaatsje uitzag, zijn schrijfgereedschap. Hij schreef, met een beetje schuin uitloopende regels, aan Jozef, dat hij, na lang over den stap nagedacht te hebben, besloten had zijne dochter te permitteeren hem te trouwen, dat hij verder Jozef verzocht een dezer dagen eens nader over deze aangelegenheden te komen spreken. De brief was min of meer koel ingericht. De Stuwen voelde voor Jozef niet meer de vriendschap van vroeger. Maar hij kon nu eenmaal niet anders, ofschoon hij 't zelf onredelijk vond.

Gedurende den tijd, die aan het huwelijk voorafging, veranderde de Stuwen zichtbaar in de oogen van Mathilde. Meestal was Jozef 's avonds bij hen, maar een of twee maal in de week, als de Stuwen alleen zat met Mathilde in den schemerschijn van 't lichtje onder de theepot, dan was 't of hij niet meer op zijn woorden kon komen, zoo als vroeger, dan gebeurde 't wel, dat er een uur verliep, terwijl de Stuwen zich in zijn koerant verdiepte en Mathilde over haar borduurwerk gebogen zat, in geheele stilzwijgendheid. En was Mathilde verwonderd over haar vader, vroeg ze hem, of hem iets scheelde, of er soms iets aan zijn gezondheid haperde, dan verbaasde hij zich over die vragen, dan zei hij volstrekt zelf niet te weten, haar anders, met minder hartelijkheid en vertrouwelijkheid, te behandelen dan vroeger. Zij ging nu trouwen, dat was heel, heel goed, dat was de weg, dien iedereen ging op haar jaren en hij zou wat trotsch zijn eenmaal in zijn dochter een mooye flinke getrouwde vrouw te zien. Wat hem dan zoo stil maakte en afgetrokken, hij wist 't zelf heusch niet, hij vertrouwde van Wilden geheel, hij was over 't toekomstig lot van Thilde niet ongerust. Maar onbewust vulde hem het voorgevoel van de verlatenheid, die hemzelf te wachten stond. Hij had nooit veel vrienden gehad en sinds den dood van zijn vrouw, na zijn langen rouw, had hij er in 't geheel niet aan gedacht zijn oude kennissen weer op te zoeken, nog minder nieuwe aan te knoopen. Hij was altijd een huiselijk man geweest, die een stillen kleinen kring, rustig 's morgens aan 't ontbijt, rustig 's avonds in het schemeruur, de voorkeur gaf boven menschen-zien en vertooning-maken. Daar Mathildes aard hierin nogal met den zijne over-een-stemde, hadden zij zich met hun tweeen, hoe langer hoe meer buiten het algemeene, gedruismakende maatschappelijke leven gesloten. Nu, nu het oogenblik van scheiding en verandering in die huiselijke orde naderde, zag hij in gedachten eens uit naar de jaren, die komen zouden. Zijn dochter ging wech, natuurlijk! Ja, zij zou wel altijd veel van hem blijven houden, veel van zijn uren zou hij nog in haar stil en aangenaam gezelschap kunnen slijten. Maar hij wist heel goed, hij herinnerde zich nog wel deugdelijk uit de eerste jaren van zijn eigen huwelijk, met wat een scheele oogen jonggetrouwden aanzien, dat een derde zich in hun intieme leven mengt en dat hij een tijdperk van ondragelijke eenzaamheid tegemoet ging, daar twijfelde hij geen oogenblik aan, en deze gedachte maakte hem stil. Want even afkeerig als hij was van veel en druk gezelschap, een even groote behoefte had hij aan enkelen in zijn nabijheid, om zijn vertrouwelingen te wezen en zijn gemoedsleven te deelen. Mathilde kwam er niet op te vermoeden, wat de eigenlijke reden was voor de verandering in haar vaders manier van zijn. Zij had al van alles verzonnen, maar wat haar in was gevallen, om de onhoudbaarheid dadelijk weer verworpen. Vroeg zij 't hem, dan bleef hij maar andwoorden, dat hij daar zelf niets van merkte. Zij ook dacht voortdurend alleen aan de toekomst. Maar 't kwam haar zoo natuurlijk en zeker voor, dat vader bij hun in zou komen wonen! Zij twijfelde daar zoo weinig aan, dat niets haar meer verstomd zou hebben als te hooren, dat de onmogelijkheid van wat zij voor natuurlijk hield de eenige oorzaak was van haar vaders droefgeestigheid.

Eens op een avond, toen haar vader bizonder treurig voor zich uit zat te turen, kwam zij weer op iets:

—Vader, is u zoo verdrietig, om dat ik trouwen ga?

—Och, nee, dat is het niet.

—Maar wat is er dan toch, wat dan in 's hemels naam, er moet toch iets bizonders aan de hand zijn. Waaraan dacht u nu op 't oogenblik? Zegt u dat nu eens oprecht. Het zal toch niet eenvoudig aan uw gestel liggen. Ik heb ten minste nooit gehoord van een lichamelijke kwaal, die op zoo'n manier aan den dag zou komen.

—Kind-lief, ik weet het zelf niet.

—Maar het kan toch niet zijn om dat ik trouwen ga, want, lieve hemel, dat doen alle meisjes op mijn leeftijd en het is nog nooit gezien, dat een vader zich dat zoo erg aantrok. U houdt wel veel van me, dat weet ik wel, maar ik kan toch niet gelooven, dat u zooveel van mij zou houden, dat u ziek wordt bij de gedachte, dat we een beetje van mekaar moeten gaan, dat zou toch al te erg zijn. Dat zou ziekelijk zijn en eenig in zijn soort, en nee, en dat kan niet, dat is onmogelijk. Ik kan het mij niet verbeelden … Och toe, vader, doet u nu niet zoo raar … Kan u er zelf niets, niets aan doen? … Vader, wil ik dan maar liever niet gaan trouwen?

—Nee, kind, ik verzeker je, dat is het niet, het moet iets lichamelijks zijn. Ik zal er den dokter eens over spreken … Denk je nog wel dikwijls aan je moeder? vroeg de Stuwen plotseling.

—Tusschenbeide. Ik kan eigenlijk niet goed aan d'r denken. Hoe wil ik me iemant voorstellen, die ik mij nog maar zoo weinig herinner.

—Je moeder was net zoo als jij, lieve kind, je bent haar sprekend evenbeeld. Ze was net zoo opgewonden als jij wel zijn kan, en ook haar uiterlijk had heel veel van het jouwe … En weet je, waar ik nu eigenlek bedrukt over ben? … Als 't eens met jou ging, zoo als 't met haar is gegaan … Kind, je hebt zooveel van d'r!

—Maar, vader, hoe bedoelt u? Ik begrijp u niet; dat ik ook vroeg sterven zou?

—Ja, kind, je kon niet weten. Laten we eens iets veronderstellen … Als jij ook een kindje kreeg en je stierf dan, zou je dat niet verschrikkelijk vinden?

—Och, vader, ik weet niet, ik kan me daar volstrekt geen voorstelling van maken.

De heer de Stuwen was ongerust. Den volgenden dag, toen hij weer een uurtje alleen zat, kreeg hij hoofdpijn van het denken aan zijn vrouw en aan Mathilde. Hij dacht aan Mathildes zwarte haar, aan haar donkere oogen, die zij, zonder verandering bijna, van haar moeder had. En dan haar levendigheid, haar vuur; dat hem vroeger juist zoo op zijn vrouw, die maar zoo kort geleefd had, verliefd had gemaakt. Mathildes levenslustigheid sloeg nu en dan in wildheid over. Dat maakte hem ook bang. Nu, in den laatsten tijd met het huwelijk in 't vooruitzicht, was dat wel beter geworden, maar vroeger, wat kon zij aangaan! Het was wel gebeurd, dat zij stil alleen samen zaten en lazen, hij de koerant, zij een roman. Dan was zij dikwijls niet van het boek af te krijgen geweest, haar slapen gloeiden vlak boven de bladzijden, tot zij in-eens ontsteld op-sprong, gejaagd de kamer rondliep en eindelijk tegen de muur ging staan leunen, haar voorhoofd op den rand van een schilderij. Een oogenblik duurde dat maar, dan keek ze om en proestte het uit van het lachen over haar eigen kinderachtigheid. Met tranen nog in haar oogen, liep zij dan naar haar vader, die verwonderd naar haar had zitten kijken, en drukte hem bijna te pletter in een omhelzing. Wat kon zij woest zijn! Wat kon zij op de piano dreunen en urenlang zitten spelen, zonder ooit op te houden, zonder om te zien. Zij was bepaald een vreemdsoortig meisje; haar moeder had ook wel zoo iets. Maar zij veel meer. Wat kon ze met een hartstocht teekenen, uren lang, boven alleen op haar kamer, zonder ooit voor 't venster te kijken naar de menschen beneden langs de straat. En dan, die vlagen van godsdienstigheid tusschenbeide! Daar begreep de Stuwen nog 't minst van. Hij was ook wel naar de kerk gegaan in zijn jeugd en had veel preeken gehoord van een vromen pastoor, maar met de jaren kwam de onverschilligheid en het vage, geheimzinnige geloof van zijn vrouw, had hem juist nog meer doen verflauwen. Hij was bepaald van de liberale partij geworden, hij las het Handelsblad en was 't vrij wel eens met dominee Hugenholtz. Maar Mathilde niet. Zij kende God, had zij dikwijls beweerd, en als ze iets goeds deed, voelde ze duidelijk de zegening van God in haar binnenste. Of pastoor Sluyter, die vroeger wel eens aan huis kwam, haar dat had geleerd, dat wist de Stuwen niet. Maar hij merkte elken dag, hoe gelukkig of haar geloof Mathilde maakte. Daarom sprak hij er zoo weinig mogelijk met haar over.

Ja, het geloof alleen maakte Mathilde vroeger gelukkig, zij wist het zelf heel goed.

Tot haar vijftiende jaar toe, had zij alleen den God van haar moeder en van pastoor Sluyter gekend. Zij stelde zich hem voor als den oppersten rechtvaardigen rechter, een bejaard eerbiedwaardig mannelijk wezen, met langen sneeuwwitten baard, die haar zag en zijn wenkbrauwen fronste, als ze kwaad deed of dacht, als ze ongehoorzaam was aan vader, lui was onder 't werk of met een vriendinnetje lachte in de kerk of de japonnen van de dames haar daar meer bezighielden dan Hij en Zijn Majesteit; die welwillend op haar neer zag en haar zegende, als zij braaf was, goed werkte, en gedwee tegenover haar meerderen.

Maar toen zij volwassen werd, het een en het ander gelezen had en haar ziel groot voelde worden, toen had het gevoel over dien God noodzakelijker en levendiger dan vroeger aan haar voorgedaan. Als ze 's zomers 's morgens opstond en de zon goudgloed was in haar kamer, als ze, even voor het venster staande, de blaadrenmassaas van de iepenboomen zag waayen en ruischen en de lucht zoo blauw was boven de glinsterende daken, vooral ook als ze eens buiten kon zijn en rondwandelen in de vrije natuur, of als ze muziek hoorde of een prachtigen roman las, dan rees er een onnoemlijke behoefte aan uitstorting en aan dank in haar gemoed, dan richtte zij zich tot dien hoogen Persoon, uit Wien al dat vreemde geluk moest voort komen. Dan dankte zij Hem voor de gave van haar leven, voor haar genieting en voor de hoop op nog grooter geluk, die zij in zich droeg. Zij wenschte ook zoo zeer geleid te zijn, een raadgever te hebben. Nu besefte zij het: Hij zou haar leider wezen! Zij bad van Hem veel goeds te mogen doen in haar leven, zij dankte Hem, als ze iets goeds had gedaan. Zij droomde ook van liefde. Daarom ook bad zij aan den God van alle liefde. Het gebeurde wel, dat zij woorden vond om Hem toe te spreken en Hem haar vereering te betuigen, net zoo als zij tegen haar stoffelijken minnaar zou zeggen, als die mocht komen.

Toen ze van Jozef begon te houden, had zij gehuild van dankbaarheid in haar gebed aan God.

* * * * *

Intusschen verliep de winter, een zachte winter. In 't voorjaar zouden Jozef en Mathilde trouwen. Het engagement was publiek. Mathilde had zich al gewend aan de pleizieren en aan de eentonigheid van zoo geengageerd te zijn. Jozef hield nu zijn arm om haar middel geslagen en zoende haar in het bijzijn van den ouden heer. Het kwam Mathilde voor, dat haar liefde op dezelfde hoogte bleef staan. Dan zaten zij met hun drieen bij mekaar en bespraken plannen voor de toekomst. In weerwil van zijn afwijzingen was 't nu vast bepaald, dat de oude heer bij het jonge paar in zou komen wonen. Eens maar werd er nog een avondje met meer menschen gegeven.

Toen de tijd van het huwelijk kort op handen was, werd Mathilde zenuwachtig. Haar stil genoegen van dagelijks met Jozef te zijn werd vermengd met zekere nog nieuwe gewaarwordingen van gejaagdheid en angst. Als ze soms op de kanapee in de binnenkamer naast mekaar zaten en praatten, terwijl de oude heer, op een stoel voor de tafel, goedig en stil er opmerkingen tusschenvoegde, voelde Mathilde in-eenen met een soort van bevreemding, van verwondering, dat zij daar nu zoo zat, in dezen toestand en pratend over de inrichting voor haar volgend leven, die zoo bizonder verschillend van de tegenwoordige wezen zou en waarvan zij nog zoo weinig wist. Als Jozef, op den heel gemeenzamen toon, waarop hij deze onderwerpen behandelde, over de wenschelijkheid gesproken had met zijn vrouwtje een huis op de Heerengracht te huren en haar vroeg, wat zij dacht van de Heerengracht bij de Gasthuismolensteeg, om dat hij zijn kantoor hield op het Cingel daar dicht in de buurt, dan kon zij hem plotseling aanzien, alsof zij geschrokken was van wat hij zeide. Zij keek ernstig en hield zich stil. Men hoorde het lichtje onder de theepot branden. En dan sprak hij weer voort, zonder iets te merken. Het gebeurde wel, dat de oude heer indommelde midden-in de gesprekken overdag of 's avonds. Als Mathilde dan Jozefs stem alleen voort hoorde gaan, kwam het voor dat zij hem niet vertrouwelijk aan dorst zien, maar een groote droefheid over zich voelde komen en haar blikken maar niet van den slapenden vader afhouden kon. Zij zag de kamer rond en, 's avonds of overdag, in de voor-of in de achterkamer, het was zoo donker, dat zij kippenvel kreeg. Zij keek naar de wanden, een voor een, en begreep maar niet, waarom zij die al-gauw voor andere, lichtere en vroolijkere waarschijnlijk, verruilen zou. Er kwam haar een weemoedige vriendelijkheid van de vormen van de meubels, die tegen het behangsel stonden, tegemoet. Het buffetje herinnerde aan de heerlijke oude dagen, die voorbij waren voor altijd, de lijsten van de schilderijen herinnerden, dat haar vader, na een schoonmaakdag, die altijd recht hing, om dat de schoonmaakster ze schuin aan het driehoekig koord weer opgehangen had; zij dacht er over, dat haar vaders haren vroeger veel minder grijs waren, en Jozefs stem klonk dan als heel uit de verte, als het gelui van een stalen klok. 's Avonds naar haar slaapkamer gaande en daar zijnde, onder het uitkleeden, had zij een gevoel van vagen angst voor Jozef. Het was zoo donker overal. Hij kwam haar toch niet na op de trap! Hij stond toch niet aan haar deur te tikken, na dat zij hem afgesloten had? Hij had zich toch niet in de een of andere kast verborgen, om haar te verschrikken of te verrassen? Hij zou toch niet van onder de tafel of het bed vandaan kruipen, om bij haar te zijn, al te dicht bij haar, om haar aan te raken, vriendelijk, hartelijk, stevig, om haar te omhelzen al te vurig, haar zeer te doen, om haar pijn te doen, haar te knijpen, iets van haar te stelen, iets voor altijd van haar wech te nemen, wat haar dierbaar was, iets innig van haar eigen? Hij drong zich toch niet tegen haar aan, eischend dat zij iets af zou geven, wat zij niet missen kon? En in een groote haast ging zij naar bed. Daar verdwenen de onrustige gedachten en ging zij teeder aan hem liggen denken, schikte zich gemakkelijk op de matras en de kussens, om niets te voelen en zich niets te verbeelden dan hem en hem alleen, om in haar eentje gemakkelijk en ongestoord van hem te houden. Zij had voor dek een laken, een deken en een sprei. Zij sloeg die tusschenbeide heelemaal uit over haar hoofd om zoo, in de pikke duisternis, Jozef alleen te zien. Of wel, wanneer het haar te benauwd werd, vouwde zij het dek om en trok het, zoo eens zoo dik, zoo hoog mogelijk onder haar kin en dan, met dichte oogen, wreef zij zachtjes haar kin over dat dikke dek heen en weer; dan stond hij, in al de bizonderheden van zijn persoon, zoo levendig voor haar geest, alsof hij wezenlijk in haar kamer was. Maar zij hield er van haar eigen denken over hem na te pluizen. Hoe kwam het, dat zij hem nu zoo erg zag? Gesteld eens, dat hij op dit oogenblik wezenlijk was op de plek, waar zij zich nu verbeeldde hem te zien, in welke houding zou hij dan zijn? Stond hij, gewoon rechtop? Neen, dan moest hij op haar bed staan, zou zich dus ten eerste niet stijf staande kunnen houden op het weeke beddegoed, ten tweede zou zijn hoofd tegen den hemel stooten om dat hij zoo lang was, ten derde zag zij hem zoo van dichttebij, dat zij te-gelijk zijn voeten en zijn haren zou kunnen aanraken, iets wat dan niet mogelijk zou wezen. Lag hij dan naast haar of op haar, stond hij buiten het ledikant? Neen. Stond zijn beeltenis dan afgeschilderd ergends midden in haar hoofd? Dat moest zijn. Zij zag hem uitkomen op een donkeren kleurlozen of naar het grijs-rood aardenden achtergrond. Die beeltenis moest dan wel heel klein wezen, om daar binnen geborgen te kunnen zijn. En toch zag zij hem levensgroot. Hij was er en hij was er niet. Dat maakte haar weer bang. Dan kwam daar nog bij waarom sloop die vreemde gestalte zoo bij haar binnen en overmeesterde al haar denken? Wat had die man een overdreven punten aan zijn snor, die zij langs haar wang voelde scheren; een heele lichte, nauwelijks merkbare onaangename geur kwam er rechts uit zijn boord op. De even zichtbare kringvormige indruksels onder zijn oogen vond zij leelijk … En dan was hij haar weer heelemaal vreemd. Wat kwam hij doen, wat wilde hij toch van haar? Zij en hij waren toch twee verschillende menschen. Hoe kon zij dan niet aan haar zelf denken zonder hem te zien? Waarom drong hij zich dan zoo aan haar op en ademde zij met hem samen? Hij vervolgde haar; wat zou hij haar doen? …

Dikwijls keek Mathilde in deze dagen weer naar het portret van haar moeder, droever en bleeker elken dag. De straffe rimpels van de neusvleugels tot de mondhoeken prentten zich dieper in het gezicht van de vroeg gestorvene.

De laatste veertien dagen voor het trouwen zorgde Mathilde met haar modemaakster voor haar japonnen en met boodschapjes in de stad, die al haar middagen vulden, voor haar verderen uitzet. Zij was ongeduldig. De tijd moet nu maar gauw verloopen, nu alles toch eenmaal besloten was. Maar heviger dan vroeger had zij aanvallen van berouw over hetgeen zij ging beginnen. Zij zou haar goeden, ouden, armen vader alleenlaten? Want hij kon de huwelijksreis toch niet meemaken, dat ging niet. Hoe had zij daartoe kunnen besluiten? Maar hij kwam immers later bij hen inwonen? Ja, ja, maar ondertusschen! Hij werd hoe langer hoe stiller en meer in-een-gedoken. Wat zou er van hem te-recht komen?

Door allerlei zulke bespiegelingen heen, brak de huwelijksdag aan. Toen Jozef haar dien avond, dien oppersten avond, meenam naar het station, was alle gevoel in een verdooving ondergegaan. Het afscheid van haar vader ging flauwtjes te werk. Zij had den heelen dag bijna niets gegeten en alleen maar een paar glazen water gedronken. In den trein had zij de koorts. Geen woord werd er gezegd. De bezorgdheden van Jozef, die haar alles zoo gemakkelijk mogelijk maakte, merkte zij niet eens. Zij zat daar, lijkwit. Een onbestemde nieuwsgierigheid drong huiverig door haar verdooving heen. Zij dacht aan niets eigenlijk. Haar keel was droog. Het was haar te moede, als stond zij in een dikken grijzen damp met een ondoordringbaar verschiet in de rondte. In een nevel van onuitgedrukte aandoeningen ging zij haar nieuwe leven in.

Jozef en Mathilde waren voor den burgemeester getrouwd en voor den pastoor. Dit laatste om dat de Stuwen het, voor de menschen, om niet af te wijken van het gebruik, gewild had en zonder op Mathilde indruk te maken. Zij was te erg wech geweest door al het andere. Haar vaag gevoel als het 's zomers 's morgens heel mooi weer was of boven een roman, dat zij zich als haar geloof dacht, werd wel even een beetje opgewekt, maar zij voelde zich eigenlijk geen echte, katholieke vrouw, zoo als haar moeder geweest was. Maar toch, toen zij een week getrouwd was, begon zij te denken meer dan zij vroeger had gedaan, dat 't van Jozef vreemd was zoo aan niets bovennatuurlijks te gelooven. Buitendien had zij haar liefde van verleden jaar nog niet voelen te-rugkomen. Zij was nog altijd een beetje bang voor Jozef, hoofdzakelijk 's avonds en 's morgens vroeg. Zij had geen verwondering in zich zelve gemerkt over wat er met haar gebeurd was, maar zij had er Jozef niet liever om gekregen. Alles kwam haar natuurlijk en toch vreemd voor. In vreemde omgevingen, onder allerlei vreemde gewaarwordingen, leefde zij als een heel nieuw en versch leven. Vele herinneringen van haar eerste halve jaar op het kostschool vulden haar brein. Toen had zij ook zooveel ongekends beleefd en had haar bestaan zich nieuw aan haar voorgedaan. Maar krachtiger dan toen mengde zich nu de gedachte aan haar vader onder de andere. Hoe zou 't met hem gaan? Hoe zou hij zijn dagen wel slijten? Zij schreef hem alle dag en kreeg driemaal in de week antwoord.

De huwelijksreis was door Jozef en den ouden heer na rijp beraad zoo vastgesteld: Zij zouden den avond van hun vertrek gaan tot Arnhem, verder naar Parijs: dan zouden zij langs de Middellandsche Zee naar Rome gaan en de terugreis over Duitschland doen. Jozef voorspelde ontzaglijk veel genot van zoo een groote reis. Hij was toch een liefhebber en had er in een helen tijd niet aan gedaan maar ook voor Mathildes wereldkennis was de uitgestrektheid van de roete uitstekend. In Valkenburg een dorp bij Maastricht, zouden zij een eerste halte maken langer dan een dag, van een week waarschijnlijk.

Daar waren zij aangekomen den vorigen avond en hadden er, met open ramen, een rustigen nacht gehad. Het was nu zeven uur in den ochtend, de tweede helft van Mei.

Het hotel aan den landweg, waar een andere weg, die bergopwaarts ging, daarin eindigde, blaakte zijne eene verdieping en aschgele gevels in de zon. Van boven de onderste ramen van den voorgevel tot aan het lila-kleurige hek, dat het stuk grond vol banken, stoelen en donkergroene tafeltjes voor de deur, omheinde, waren vale doeken gespannen, om het er koel te houden. Maar gouden hittestralen spoten door reten en beschilderden hel-geel den muur. Geen windje woei, maar door de vroegte was het nog niet snikheet. Mathilde zat, zachtjes naar achteren geleund, op een van de zwart-groene banken vlak aan het huis, met hun geribde ruggen tegen de vensterbanken, rechts van de deur. Zij was in een luchtig blauwen peignoir, met goedkoope, breede witte kant afgezet. Zij hield haar handen op haar schoot, haar eene duim tusschen de bladen van een rood reisboek; en klein wondje, nog frisch, bloedde aan haar wijsvinger, waarmee zij een roos had geplukt, om die zoo-met-een in Jozefs knoopsgat te steken. Zij las niet. Zij zat roerloos, haar voeten in blauwe kousen en opengewerkte schoentjes, op een versleten voetenbankje. De nauwheid van het witte plooisel maakte haar hals een beetje rood. Zij sufte, haar blikken voor haar uit in de heesters of opklimmend rechts langs den bergwand, met zijn zwarte, paarse, bruine, donkerroode en gele aarde, beneden als zand-steen uitgegraven en hooger-op met kleine boomengroepen. Boven in de lucht verdreven wazige witheden in het belle hemelblauw. Mathilde droomde zich heel wech, in een loomheid afgezonken. Haar oogvlakjes stonden mat-mijmerend, drinkend de pleizierige kleuren voor haar uit. Een weekelijkheid was door heel haar lichaam gedrongen. D'r haar was nog maar half opgemaakt. Lange slappe vlokken, dof-zijig zwart, hingen naast haar ooren neer. Haar huid scheen haar als door een dunne laag was, gevoelloos en zacht-prettig, bedekt. In de vensterbank, volgend op die, waar zij vlak voor zat, had de logementhouder vier bloempotten laten zetten, met roode en witte rozen, wier reuk zwaarzachtjes om Mathildes hoofd kwam hangen. Een logge zandwagen knerste voorbij, rechts over den weg, het zweepgeknal klitste, de wagen trok af en grommelde voort in de verte. Vroege vliegjes wirrelden boven haar handen; twee heele kleine bleven mekaar halsstarrig op haar rechter wijsvinger vervolgen. Het ochtendgepraat van een paar gezinnen, een eind verder onder het zonnescherm aan het ontbijt, links van Mathilde, hoorde zij bijna niet. Een stijve kellner kwam uit de deur loopen om de families te bedienen, versleten zwarte blaadjes met gemeen wit aardewerk op de handen, borden met groote ronde brooden aandragend. Soezelig fladderde een gedachte door Mathildes hoofd: wat zou vader graag eens zulk brood proeven. En zij overdacht haar vaders voorliefde voor brood. Twee blonde kinderen huppelden nu naar buiten en bekeken Mathilde even met klare oogen. Maar er waren zooveel gele tinten in de groene heesters, de zon smeet breed lila over den bergwand rechts en er sprankten zooveel glansjes door de sparreboompjes, dat Mathilde langzaam opstond, en terwijl haar korte sleep, waar ook een wit strookje uit te voorschijn kwam, bevend over het zand krulde, naar voren wandelde, het hek door, en op den weg staan bleef om naar beneden, links in het dal, te kijken. De zon was schuin achter haar; haar blikken dwarrelden door de wijde zilverblauwe lucht. Voor haar uit streepte de weg neer, breed, poeyerig, wit, altijd nauwer wordend tusschen de ruigbestruikte lage bergglooying, in een hoog kroeserig boschje verdwijnend. In de diepte zag zij een roerloos watertje, sneeuwwitte huizen, kaal land, waarop poppetjes, dat menschen waren, gebaren maakten en liepen. Maar effen lichtend blauw daalde de hemel nauwelijks, heel beneden, blankend. Nog nooit had Mathilde zoo weinig grijze nevel aan een horizont gezien. Hooger-op in de lucht stond de heele ruimte in een laayend sidderen witblauw, goud-flonkerend. En alles blankte schitterend. Een plekje gras en mos door-een-gegroeid, vlak bij Mathilde, glansde van niet wechgedroogde dauw met kleuren van paarlemoer. Er zongen vogels en Mathilde voelde van muziek die uit de lichtzee van den hemel neerruischte. De lucht was sterk. Mathilde voelde, bij dit ontwaken vol wemelende stralen, haar oogen door een donzig waas overtrokken. Sprakelooze onuitbare vreugde steeg er op van haar hart. Zij zag golven van wit vuur uit de hoogte tot haar afkomen. Haar oogen glommen dronken tegen het tintelend verschiet. Haar eene been, waarop zij steunde, wankelde. Weer langzaam ging zij te-rug naar de bank, om op Jozef te wachten. Het roode reisboek was op den grond gevallen.

De families, links, waren druk aan 't kakelen geraakt. Een oude vrijster schonk, met ernstig voorhoofd, koffie, en men knabbelde op beschuiten, onder het getemperde licht van het spandoek. Juist kwam Jozef voor den dag in een grijs dun pak. Mathildes blik verwarmde zich. Met een zachten glimlach lei ze haar arm in de zijne en stak, voor hem heen buigend, het rozeknopje in zijn knoopsgat. Zonder zich te bedenken, als sprak 't van-zelf, wandelden zij dadelijk den weg op tot zij alleen waren en niemant hen zien kon. Zwijgend gingen zij een heel eind voort, daalden de bergglooying af, liepen hoe langer hoe langzamer tot zij aan een boschje van pijnboomen kwamen. Zij gingen er in en bleven stilstaan. Hier was schaduw en koelte. Zij gingen naast mekaar liggen op den grond. Jozef trok halmen stuk en beet ze klein. Hij vond den dag zoo mooi, en zei het.

—'t Is heerlijk, zei Mathilde, heerlijk!

Jozef lag tegen den heuvel aan op zijn rug. Hij keek naar de bladen in de hoogte. Mathilde zat naast hem en steunde zich met haar elleboog. Zij keek naar het mos en zeide: Wat zullen wij gelukkig zijn samen.

—Wij zijn 't al, andwoordde hij. Zonder naar haar te kijken, liet hij zijn voorarm over zijn elleboog heenbuigen en opende zijn mooye hand. Zij lei er de hare in en zoo bleven zij een tijdje liggen. Het was Mathilde wel te moede. Zij zagen geen van beiden om. Door de boomstammen heen zagen zij alleen schemering van hel-witte lucht in de verte en hoog boven hen sprankte een enkele maal het goud tusschen de groene massa. Mathilde vond, dat het lichte grijze pak Jozef uitstekend stond, om dat hij zoo'n geanimeerde kleur had op zijn wangen.

—Wat zou vader nu wel doen op 't oogenblik? vroeg zij.

—Lieve kind, het is pas hallef nege. Je vader …

—Nu moet je zeggen "Vader", want nu is ie ook de jouwe.

—Goed. Vader zal zoo wat juist opstaan.

—En weer lagen zij bewegingloos. Jozef gaapte nog eens even en rekte zijn beenen uit. Met gemakkelijke gebaren aaide hij Mathildes wangen of drukte zachtjes haar hals tusschen zijn wijsvinger en duim. Kwamen zijn handen hij haar lippen, dan zoende zij ze even, zonder precies te letten waar.

Mathilde voelde zich langzamerhand weer heelemaal zich-zelve worden. De droomende stemming ging zoetjes voorbij. Zij ontwaakte onweerstaanbaar in het heerlijk ontwaken van haar liefde. Uit de doffigheid van haar alleen-zijn openbaarde zich nu het bewustzijn van haar geluk. Zoo ging dat bijna iederen morgen. Dit zalig-vreemde gevoel in deze vreemde omgeving was zoo vol verrassingen, dat zij telkens dacht nu zou het wel op zijn heerlijkst zijn geweest. Iederen nacht sliep zij in met de gedachte van-daag zooveel te hebben liefgehad, dat zij den volgenden morgen zou ondervinden, dat er een verkoeling in haar liefde was gekomen. Maar bij het begin van den nieuwen dag, dan dacht zij nog meer van Jozef te houden dan gisteren. Alleen dat haar vader zoo ver wech was vond zij verschrikkelijk naar. Zij voelde zoo zich niet heelemaal aan haar geluk te kunnen geven. Zij had dien goeden vader daar alleen thuis achter gelaten. Als zij terugkwam in Amsterdam, zou zij weer erg voor hem te zorgen hebben waarschijnlijk, en toch verlangde zij er naar. 't Was nu maar te hopen, dat vader niet ziek werd gedurende haar afwezigheid. Mathilde dacht nu na, over hetgeen Jozef in oogenblikken als deze wel voelde.

—Hou-je van me? vroeg zij. Dit had zij al zoo dikwijls gevraagd.

—Dat weet-je wel, heel veel.

—Wezenlijk, heel veel?

—Wezenlijk, zei Jozef, maar hij lag te lekker den zomermorgen te genieten, zoo op zijn rug, om haar voor dit gezegde in zijn armen te nemen en te zoenen, zoo als zij het had gehoopt.

—Ben-je dan niet blij, dat we nu zoo heel alleen samen zijn, dat ik nu heelemaal voor jou ben, dat je met mij doen kunt, wat je wilt? Hij andwoordde iets dat haar veel pleizier moest doen. En zij sprak weer voort: O, ik ook, ik begrijp mijn geluk nog niet heel goed, maar ik voel, dat het er is. Ik ben zoo gelukkig, dat ik bang ben, dat het niet lang meer duren zal.

—O, waarom niet?

—Ja, dat weet ik niet, maar het is zoo. Ik weet niet, maar alles is nog zoo vreemd; ik ben er nog zoo weinig aan gewend, En ik ben zoo bang dat vader iets zal overkomen.

Hij stelde haar gerust. Waarom bang te zijn? Het weldadige seizoen zou ook vader goed doen.

—Ik weet niet, zei ze weer, maar 't is net, of ik nog altijd een beetje bang voor jou ook ben.

—Ben-je bang voor me?, vroeg hij, hoe dan?

En zij lei het hem uit. Hun verhouding, zoo als die nu al acht dagen bestond, was zoo vreemd, zoo vreemd voor haar. Het hinderde haar, dat hij zich zoo met het meeste gemak kon schikken in al die dingen, waaraan zij zich nog gewoon moest maken. Hij behandelde haar op een manier, zooals hij het vroeger nooit had gedaan. Hij was heel lief, maar op zoo een innige manier, dat 't haar wel aangenaam was, maar dat zij er zich toch iederen keer weer over verbaasde. Het ging hem al te goed af, zij waren hem al te eigen, die woorden en aanrakingen, die haar in 't eerst tegen hadden gestaan, maar waarin zij langzamerhand een genot was begonnen te vinden zich aan te onderwerpen. Maar toch, hij deed zooveel, hij wist zooveel, en zij deed nog niets, zij wist nog niets. Waren alle mannen nu zoo, of hij alleen? Zij voelde dat zij aan hem wech ging. Hij was 't, die een vrouw van haar zou maken. Wel voelde zij zich groeyen in de innige samenleving met hem, maar zij voelde zich voor zich-zelve verloren gaan in die liefde. Waar bleven haar eigen denkbeelden, die kleine bespiegelingen over allerhande dingen in de wereld, waar zij alleen voor zich-zelf pleizier in had. Waar bleven de indrukken, die zij kreeg en die zij voor haar eigen gemoed alleen verwerkte en onthield? Alles bleef wech. Zij gaf hem alles. Zonder het te zeggen of te waarschuwen, maakte hij zich van alles meester. Zij kon aan niets anders denken. Hem zag zij alleen in het leven, op hem kwam alles neer. En zij verweet hem deze waarheden zoo lief, dat hij op zijn knieen naast haar ging zitten, haar bij haar schouders achter-over neerdrukte, en haar heele gezicht rood en warm zoende, elken keer met zijn hoofd achteruitgaande om haar, een beetje verder af, goed te kunnen bekijken. Hij vond alleen dit te zeggen jij bent mijn eenige en grootste schat. Zij had zich hulpeloos prijs gegeven. Nu en dan bracht zij zwakjes haar armen, die aan haar zijden waren neergevallen, naar boven om hem een beetje af te weren. Maar zij liet hem begaan, en zoende te-rug, als zijn gezicht niet te gauw wech was. Er kwam geen sterveling over den weg achter hen en de heele omtrek bleef doodstil. Aan mekaar geklemd, bleven zij liggen. Keek Mathilde naar boven, dan daalde heel de hemel neer, de blaaren verwijdden zich boven hun hoofd, stralen van vuur schoten neer; het groen verdween en wolken van vuur en licht daalden altijd nader over hen af. Begon het niet te waayen? Als de boomstammen met al de blaaren ter zijde bogen, zouden zij bedolven worden door het regenend vuur, dat boven hen ronddreef. Het bosch werd hoe langer hoe kleiner. Vlammende winden woeyen wijd en zijd. Hijgende luchtstroomen zweefden tusschen de stammen door altijd dichter en dichter bij.

—Vader, waar is vader? zuchtte Mathilde, maar alles was gloed om haar heen. In de bedwelmende lucht leefde zij voor het eerst vol haar liefde, met opzwenkende leden en duizelende oogen. Zij zag Jozefs naakt gelaat en zijn koortsige oogen. Was dat nu het leven? Was dat nu het getrouwd zijn? De boomen ruischten haar huiveringen tegen. Haar oogleden trilden; zij kreeg het koud aan de slapen. Zij viel te-rug op het mos, lei zich met het gezicht naar beneden en, zonder iets te voelen of iets te zijn, verborg zij haar oogen tegen den grond.

Zij bleven nog een half uur liggen, zonder te spreken, zonder zich te verroeren. Mathilde stond het eerst op. Ongearmd gingen zij naar het hotel te-rug. Na een tijdje fluisterde Mathilde: Dat kan nooit duren, ik zal gek worden, ik ben al te gelukkig, of er zal iets anders gebeuren, ik weet niet wat. Een lusteloosheid hing verder over Mathilde dien heelen dag. In plaats van te gaan rijden, zoo als eerst het plan was geweest, zat zij den heden dag op haar kamer of onder het spandoek. Jozef, die begonnen was met te probeeren haar gezelschap te houden, toen het hem niet gelukken mocht haar tot het ritje over te halen, moest eindigen met in zijn eentje te gaan wandelen. Wat zij deed was zoo raar, zij deed precies als voor hun huwelijk wel. Zij durfde hem niet lang achter mekaar aankijken. Zij sprak maar over haar vader. Tegen den avond schreef zij een brief naar Amsterdam, vol van de innigste teederheid, vol van hartstochtelijke gehechtheidsbetuigingen. Zij schreef haar vader, dat Jozef het heel goed maakte, dat zij zich wel gelukkig voelden, maar dat zij toch o zoo verlangend was hem te-rug te zien. Zij was nu pas een groote week op reis, schreef zij, maar toch telde zij nu al de dagen, die moesten verloopen voor hun te-rugkomst. De zekerheid, dat vader zich goed verzorgde, zou haar echter de afwezigheid dragelijker maken. Hij moest haar dus daarover nog vele zaken, erg in onderdeelen en breed onderschrapt, meedeelen. Had hij geen pijn meer aan den linkerkant? Niet de minste aandoening daarvan? Hoe was Jans? Bromde zij niet, voorzag zij hem goed van alles, wat hij wou? Deed hij zonder over te slaan, dagelijks geregeld zijn loopje? Hij moest dat toch vooral nooit vergeten; de dokter had er zoo op gedrukt. Dus niet denken: de lucht is van-daag wat betrokken, ik zal van-daag maar thuis blijven en morgen een beetje langer wandelen, vooral niet, want van dat langer kwam morgen toch niets. Regende het den heelen dag, dan moest hij een uurtje afwachten dat de droppels minder zwaar vielen en dan gaan. Hij moest 's avonds ook maar weer eens menschen vragen en zich-zelf zoo wat afleiding geven. Het woord "avond" en "afleiding" deed Mathilde aan haar piano denken. Zij lachte in haar eigen, terwijl zij schreef: hoe maakt het de piano? Die komt nu zeker nooit meer open? Zoo ging zij nu voort. Na haar vader in al zijn kleine gewoonten en geliefde bezigheidjes herdacht te hebben, was zij op de piano gekomen en zoo verder op nog andere stukken huisraad. Zoo het theeblad en de broodmand, de leuningstoel in de achterkamer, de mooye lampen van het zaaltje. Zij voelde zich wel een eeuw al gescheiden van al die zaken, die zij een week te voren nog had gezien. Toen zij de brief af had, kwam Jozef juist binnen, die haar een boeketje veldbloemen gaf. Zij dankte hem zoo maar, zonder zoenen. Hij vroeg haar, wat zij nu wilde gaan doen. Zij antwoordde: pianospelen. Stellig zou hier ook wel een piano wezen, voor het gebruik van de logees. En Jozef liet haar weer alleen. Zij wilde liever, dat hij niet bleef luisteren, zei ze. Nu begon hij zich bepaald te vervelen, hij wandelde op en neer voor en door het huis, hij zocht praatjes te maken met het andere gezelschap, hij speelde met die lieve kleine meisjes, die hier ook logeerden. Hij bladerde in zijn reisboek, hij rookte cigaren, beneden bij de rozepotten, hij stond op en ging weer zitten. Hij dronk alleen thee, toen pons, toen wijn. Hij ondervroeg de kellners naar de omstreek. Hij zat, met de ellebogen op de knieen en draaide zijn twee duimen rond over elkaar. De versleten pianotoon van Mathildes muziek trilde boven door het venster voort in de avondlucht. Jozef kreeg zijn wandelstok en ging kuiltjes wroeten in het zand. Daar hield Mathilde op met spelen. Fluisterend vroeg zij hem uit het venster, of hij niet boven wou komen. Hij ging naar boven. Zij stelde hem voor nog een beetje over hun reisplannen te spreken, samen iets verfrisschends te drinken en dan vroeg naar bed te gaan, want zij was moe, en dan zouden zij morgen vroeg een lange wandeling kunnen maken, in een andere richting dan die van eergisteren, om verder de mooye omstreken te leeren kennen. Zij deden zoo als Mathilde het verlangde, maar zij bleef toch den heelen avond stil en te-ruggetrokken.

Den volgenden dag maakten zij de afgesproken lange wandeling. Zij gingen tot heel ver, Jozef weer in zijn licht-grijze pak en een groote strooyen hoed op zijn hoofd, Mathilde in haar ruwe blauwe jurk. Zij liepen over een weg vol zon en stof, wel anderhalf uur van Valkenburg af. Bij elken stap dwarrelden vaalwitte wolkjes om hun voeten. Zij stapten langzaam voort en lieten den rijweg tusschen hen in, terwijl zij ieder op het smalle voetpaadje, dat voor hen uitreepte, aan weerszijde liepen. Zij hadden al wel een kwartier gezwegen, toen Mathilde over het geloof begon te spreken.

—He, zei ze, de vrije natuur stemt me altijd geloovig … Voel-jij nu ook niet zoo iets in je binnenste? Hij andwoordde van ja, hij voelde wel iets, maar kon zich toch volstrekt niets voorstellen. Zij vroeg, of hij niet aan een schepper begon te denken, wanneer hij zoo'n prachtige schepping om zich heen gewaar werd, een idee, dat zij zich van een preek van pastoor Sluyter herinnerde. Neen, andwoordde Jozef, dat in 't geheel niet. Hij was blij alles zoo mooi te zien, maar juist aan een persoon te denken, die de natuur zoo vervaardigd zou hebben, daaraan had hij geen behoefte. Hij kwam op een dichterlijke gedachte. Alleen als hij haar aanzag, verzekerde hij halflachend, kwam er een geloof aan een eeuwig voortbestaan in hem op. Maar zij vond, dat hij haar, nu zij eenmaal getrouwd waren, geen overdreven komplimenten behoefde te maken. Hij verzette zich, hij meende het wel deugdelijk. Hij hield zooveel van haar, dat hij ijsde als hij dacht aan een eenmaal noodzakelijke eeuwige scheiding. En was zij koud en onverschillig tegen hem, dan voelde hij zich vreeselijk ongelukkig. Waarom was zij toch zoo? Hij sprak er nu over, omdat zij-zelve het gesprek er op gebracht had. Maar zij verklaarde in 't geheel niet koel tegen hem te zijn geweest. Zij was misschien een beetje stiller; hoe dit kwam, kon zij niet uitleggen. Eigenlijk, ja, eigenlijk vervreemde haar wel een beetje van hem, altijd natuurlijk maar een heel klein beetje, zijn kalm ongeloof. Jozef vroeg hierop, of hun liefde haar dan niet genoeg was, neen, dan hield zij ook niet genoeg van hem. En buitendien, wat geloofde zij dan, hoe kon zij haar geloof omschrijven, was zij katholiek? Neen, van die godsdienst wist zij weinig meer en had zij nooit veel begrepen, maar zij voelde iets in haar, dat haar zei te aanbidden en te danken. En zoo voorts, zei Jozef. Maar zij sprak door. Zij wilde haar God aanbidden, daar buiten, het gezicht naar de zon gekeerd en de voeten tusschen de bloemen. Zij kon zich, evenmin als hij, goed vereenigen met het denkbeeld van een God, die in schemerlicht of bij kaarsvlammen te vereeren zou zijn. Maar iets was er toch, zij drukte op dat woord "iets", iets moest er wezen. Er moest iets zijn buiten de zichtbare wereld, oneindig grooter en beter dan al het zichtbare. Maar hij hield niet van redeneeren met haar. Hij had haar lief, dit wist zij en dat was genoeg voor haar en voor hem. Hij liet haar de vrijheid, om te bidden en te denken zooveel zij wou. Daarin moesten zij ieder maar hun eigen gang gaan. Maar zij was van een heel andere meening. Het hinderde haar, dat hij zoo cyniesch was, waar het bovennatuurlijke zaken gold. Vader geloofde toch ook aan een Opperwezen. En het scheen haar, als ging er weer een gedeelte van haar liefde van Jozef op haar vader over, die zoo eenzaam in Amsterdam was achtergebleven. Mathilde zweeg weer stil en begon na te denken, en terwijl hij, altijd met denzelfden langzamen tred, op denzelfden afstand van haar, naast haar voortwandelde, onderzocht zij zich zelve nog eens, om te weten, hoe het mogelijk was, dat zij voor altijd haar bestaan aan dien Jozef Wilden had verbonden. En in wat voor een oogenblik van krankzinnigheid, van bedwelmenden hartstocht, had zij, had zij gisteren in het bosch dat gedaan, waarover zij zelf nog verlegen was. Hield zij dan wezenlijk zooveel van hem? Was toen haar ware aard boven gekomen? Of was dat opwinding geweest, een gevolg van het heele nieuwe leven, dat zij sinds acht dagen leefde, een opwinding zoo hevig als zij nooit te-rugkomen kon? Waar bleef haar eerbied voor de majesteit van God in de natuur, toen zij zoo had gedaan onder Zijn oog? Zij voelde een lichte kou in haar hart dalen. Zouden haar droomen van toewijding aan Jozef nooit verwezenlijkt worden? Zou altijd God, de onbestemde persoonlijke heerlijke aanbiddenswaarde natuurkracht, het opperste wezen, die alle schoonheid aan de aarde gaf, tusschen hen beiden staan? Zou ze van hem, Jozef nooit naast en in dien God kunnen houden? Zou hij nooit haar mede-aanbidder zijn en zou ze hem nooit ook om zijn gebed liefhebben? Neen, nooit! Hij zou nooit bidden. Daarvoor was hij te veel een mooye man, een man van de wereld, daarvoor was zijn haar te verzorgd en was zijn vest te nieuw. Daarvoor stond hij ook te goed met zich-zelf. Hij liep zoo gerust en ijdel, zoo zonder verdriet en met zooveel gemak rond op de wereld, dat hij, om dat hem niets ontbrak, niet meer vroeg wie hem dat alles had gegeven.

Zoo dacht Mathilde voort. Alle godsdienstaandoeningen, die zij ooit in haar leven had ondervonden herleefden in haar ziel. Zou hij haar wel ooit genoeg zijn, hij Jozef? Zou zij werkelijk ooit alles, haar God en heel haar zelf kunnen verlaten voor hem alleen? Zou hij ooit het eenige kunnen worden, waaraan zij zich hechtte? Zou hij zoo bezit van haar nemen, dat al het andere haar niet meer aanging? Zij had dat wel gedacht en gehoopt, verleden jaar, ja, maar sinds dien tijd? En nu, nu ze ver met hem wech was gereisd en hem alleen zag en haar vader in 't geheel niet meer, voelde zij zich nu wezenlijk minder alleen dan ooit, zooals zij het zich altijd had gedacht? Zij keek hem even aan, onder haar parasol. Hij wandelde altijd maar voort. Zijn gezicht was rood geworden van de warmte. Een paar droppels zweet biggelden van zijn slapen. Zijn grijze pak zat vol stof en zijn schoenen waren als met asch bedekt Zijn hoed hield hij over zijn voorhoofd gedrukt, zijn armen bengelden vermoeid aan zijn zijden. Zijn handschoenen waren met vlekken. Hij zag naar den horizont, naar de wolken die stegen als schuimende rotsgevaarten, hij kon den omtrek wel een uur ver waarnemen, en zijn mooye voorhoofd dacht niet aan God, en in zijn mooye oogen was geen geloof. De koude vermeerderde in Mathildes hart. Neen, neen, zij kon zich aan hem niet heelemaal geven. Zij schrikte te-rug voor zijn kalmte en zijn langzamen gang, terwijl er bij haar zooveel omging.

Mathilde stelde voor om te keeren, om dat het weer slecht zou worden. Zonder ergens uit te rusten, zonder veel te spreken, terwijl de zon verdween achter grijs zwarte wolkenpakken, wandelden zij naar het hotel te-rug. Mathilde werd bepaald zenuwachtig. Waarom had zij dien mooyen man getrouwd? Waarom had zij willekeurig afstand gedaan van haar vrijheid, om hem te volgen? Waarom was zij niet bij haar ouden vader alleen gebleven en met hem bij haar eenzame eigene gedachten, die haar zoo dierbaar waren? Haar eigen-liefde was gekrenkt. Het griefde haar, dat Jozef in stilte minachtte wat zij voor heilig hield. Er begonnen zware droppels te vallen, toen zij weer op hun kamer waren Jozef ging zitten op een stoel, om uit te rusten.

Eenige dagen later reisden zij verder; een waas van balorigheid lag over Mathildes gezicht. Haar stemming veranderde bijna gedurende de geheele reis niet meer. Zij wilde, om Jozef niet onaangenaam te zijn, er niet op aandringen de reis te bekorten, maar zij verlangde eigenlijk onophoudelijk naar huis.

Het scheen haar, dat zij Jozef niet meer zoo lief had als vroeger. Er was als een verwijdering tusschen hen gekomen. Vooral des nachts, als zij zoo zeer alleen met hem was, voelde zij een wrevel omstijgen in haar gemoed tegen zich-zelve, dat zij een onberaden stap had gedaan. Maar andere keeren lachten zij er over, dat zij haar huwelijk zoo noemde. En was zij een paar dagen achter elkaar niet al te lief voor Jozef geweest, dan had zij oogenblikken van berouw, als een kind, dan zoende zij zijn hoofd en vroeg om vergeving. Maar de algemeene staat van haar liefde bleef flauw.

De verrassingen en ongewendheden, die al de bezochte vreemde streken op haar afschudden, vermengden zich met de nieuwheid, waarin Jozef voor haar was. Zij begon dat alles voor een te houden: hun ruwerig leven van dezen tijd, met al zijn rare bewegingen en gezichten, met, tot getuigen van de manier waarop Jozefs lichaam haar behandelde, onvertrouwde luchten, bosschen en bergen, niets dan ernstige en onverschillige spoorwegwagens, hotelkamers, en museums niets dan onbekende en haar niet kennende straten en pleinen. Nergends gemeenzaamheid, nergends rust. Naar geen enkel kastje kon zij kijken van haar geluk, wech was haar piano om tegen te droomen van heerlijk, wech het teekengerij om mee te suffen van zaligheid. En zoo kwam zij er toe zich angstig af te vragen of er wel geluk en heerlijk en zaligheid was. Jozef amuzeerde zich bizonder, en zij begreep hem daarom niet meer. Hij beklaagde zich wel bij haar over haar weinige levendigheid en opgeruimdheid, maar al het wereldsche, al het schitterende en woelige, dat zij door-leefden, vond hij even pleizierig als het haar mishaagde. Ook was hij onophoudelijk vol allerliefste oplettendheden voor haar, hij zocht op alle mogelijke manieren haar ook plezier te doen hebben. Zij ging wel overal met hem mee, maar het bleef in het geheel dat niet.

Mathilde droomde een paar maal van haar vader, telkens akelig. Zij droomde eens, dat hij uitging om een wandeling te doen, dat er een zware mist op kwam zetten, die hoe langer hoe dichter werd, dat vader niets meer zien kon op 't laatst en in de gracht viel, zij droomde een anderen keer, dat er een dief in huis was gekomen en zich onder het bed van den ouden heer had verstopt. Haar vader stapte in bed, zij wilde hem waarschuwen en stak haar hand uit; zij werd wakker met een schrik en had Jozef in haar slaap aangestooten, die haar verwonderd vroeg, waar zij zoo ongerust van droomde.

* * * * *

Toen zij al heel lang op reis waren en de reis gauw gedaan zou zijn, werd Mathildes neerslachtigheid afgewisseld door hevige aanvallen van liefde voor Jozef. Maar tot haar droefheid merkte zij juist dan, als zij er over nadacht, dat zij eigenlijk lang zooveel niet meer van Jozef hield als vroeger, en dat die verliefde buyen alleen korte te-ruglevingen waren van haar hartstocht van voor dat zij getrouwd waren.

* * * * *

Het was nu nog tien dagen voor zij weer thuis zouden zijn. Zij reisden met een nachttrein door midden-Duitschland, zij zaten alleen samen in den wagon. Om dat er over-dag niets dan vervelende boemel-treinen in den spoorweggids stonden, hadden zij dezen trein genomen. Bevend-schemerend daalde de schijn van het zolderinglampje, waarom de gele gordijntjes waren toegehaald, over het donkerrood trijp van het rijtuig. Jozef en Mathilde hadden afgesproken te slapen. Daar zij gezegd had liever in een hoekje te blijven zitten dan op een bank te gaan liggen, deed hij uit beleefdheid ook zoo. Zoo reden zij beiden vooruit, een armstoel was er tusschen hen opengebleven. Mathildes grijs-gele stofjas hing open over haar licht-grijze japon. Een boeketje lag op haar schoot van uit haar opene handen met geel zemeleeren handschoenen. Haar hoofd, onder een lichtkleurig kapot-hoedje, leunde tegen het donkerroode kussen. De wiebelende schaduwen van de vooruitstekende boven in de netten geborgen valiezen en reistaschjes bewogen over haar heen in de maat van het dreunen van het rijtuig. Een zijige donker-blauwe voile hing juist tot over haar bovenlip. Haar oogen vonkelden als zwarte stukjes glas. Zonder te zien, keek zij voor zich uit. Zij hield haar hoofd een beetje op zij met van ernst groezelige wangen. Roerloos-suffend zat zij na te denken in de kreunende en bonzende stilte. Hoe het kwam, wist zij niet, maar zij had zich nog nooit zoo alleen gevoeld met Jozef als in deze uren. Was zij dan nog niet aan hem gewend? Zij wist het niet. Hield zij dan niet van hem en was ze gelukkig alleen met haar geliefde te zijn, dus alleen met haar eenigen, met haar alles? Zij wist het niet. Onrustig dreven haar gedachten om. Zij stoomden den trein vooruit, ver, ver vooruit en weer naar haar vader, die alleen in Amsterdam zat. En dan weer te-rug naar Jozef, die daar te dommelen zat en naar wien zij haar hand maar had uit te strekken om hem te raken. Het scheen haar dat zij nu altijd duizend mijlen van haar vader gescheiden zou blijven, dat zij voor eeuwig opgesloten was in deze enge ruimte met Jozef, en, zoo verschrikkelijk gauw, een oneindige ruimte met hem werd ingedreven naar een altijd wijkenden horizont. Voor het eerste voelde zij, dat zij haar vrijheid van vroeger niet meer had. Zij voelde, dat zij zich overgeleverd had en haar lot nu was beslist. Vooruit nu in het leven, vooruit en altijd met hem, altijd bij hem, altijd naast hem, hij altijd haar nagaande met zijn eischenstellende liefde.


Back to IndexNext