VI.

En zij bestudeerde hem, bezag hem in zijn licht-grijze reispak, de beenen uitgestrekt op de fauteuil voor hem, met zijn lage schoenen en elegante wit en rood gestreepte sokken. Zijn armen kruizelings over de borst, dommelde hij, en zijn hoofd, onder een grijze reispet, zonk, bij lichte knikjes, naar voren; zijn mond was even open gevallen. Wat had hij toch een mooye snor en recht mannelijk profiel! Weer gleden een reeks van doezelige droevige voorgevoelens door haar brein. Zij hechtte een blik op hem, die vroeg, wat er nu van haar worden zou, van haar toekomst, van haar heele leven, dat nu in zijn macht was, wat hij daarvan zou maken. Zal-je mij wezenlijk gelukkig maken, vroeg zij, zul-je me weten te begrijpen? Zal-je van me blijven houden, zoo als je zegt het nu te doen, zal-je van me houden, zooals ik het van jou doe en toch eigenlijk wel voel het altijd te zullen blijven doen? Of ben-je wispelturig en heb ik mij vergist, vreeselijk, vreeselijk? Plotseling dacht zij dit hevig en zag hem strakker aan. Zij wilde een andwoord weten. Zij wilde uit zijn persoon, uit zijn wezen, uit zijn houding, uit zijn gezicht, een andwoord lezen. Maar zij ontdekte niets. Met kleine schokjes volgde Jozefs lichaam de bewegingen van den trein en zijn slapend hoofd schudde ja en neen, op alles ja, op alles neen.

Zij bekeek hem voortdurend: hij zat daar als een kind en machteloos, en niets dan tevredenheid en genoegen-neming met het leven sliep er in hem; zij was met hem en waakte en allerlei zorgen en rustige overwegingen gingen er door haar hersenen; en toen begon het haar te schijnen alsof hij toch wel goed, wel goedig was, en het altijd zou zijn. Zijn slapen scheen haar iets klagends, iets hulpvragends tot haar te richten, scheen een vertrouwen in haar te stellen, dat haar verteederde. Hij rekende op haar; nu, hij kon gerust slapen: zij hield van hem! Een aandoening van grenzelooze teederheid doorstroomde haar. Ja, hij kon vertrouwen, zij had hem lief, zij zou over hem waken Hij hoefde niet meer voortdurend wakker te zijn om op de minste van haar bewegingen, de geringste van haar wenschen te letten, vol attenties, vol bewijzen van eerbied, om haar hart te veroveren. Want de verovering was geschied, de buit was hem en zeker kon hij zichzelf vergeten en slapen bij zijn trouwe vrouw.

Daar gilde de stoomfluit en woei het geluid, bij herhaalde kreten, langs de wagens. Jozef deed zijn hoofd in de hoogte, smakte met zijn lippen, kromde zijn eene been naar boven, om dat het moe was van de langdurige uitstrekking, bleef een oogenblik weer roerloos zitten, scheen zich toen te bedenken, zuchtte en wreef met het blauwe gordijntje den wasem van de ruit, die 't dichtst bij zijn gezicht was, en keek naar buiten in de zwarte duisternis. Daarna wendde hij zijn hoofd om en keek even, heel vluchtig, met bevende oogen naar Mathilde. Hij dacht blijkbaar, dat ook zij sliep. Zij keken mekaar aan. Zij glimlachte.

—Ben-je wat uitgerust? vroeg zij.

—Ja kind, andwoordde hij in den ernst van het ontwaken. De slaap zat hem nog in zijn oogen en mond. Hij deed zijn oogen weer toe, schoof zich in de gemakkelijkste houding en bleef onbewegelijk. Alleen bewoog zich tusschenbeide langzaam zijn arm en streek zijn hand over zijn kin of aan zijn oor, terwijl hij inwendig geeuwde. Eindelijk hield alle beweging op en bleef hij, alleen met aandachtig snel knippende oogleden, zitten suffen. Mathilde was ook weer in haar vorig gepeins wech. Zoo levendig, als ware zij in zijn tegenwoordigheid geweest, kwam haar vader voor haar geest: lieve, lieve vader. Wat had hij haar zegenend gezoend toen zij heenging! Wat zou zij probeeren hem nog verder gelukkig te maken, als zij te-rug waren thuis!

Maar Jozef was niet zoo rustig meer als eerst. Hij schoof zijn beenen op en neer, rekte zich uit en zag herhaaldelijk naar Mathilde, als had hij een plan met haar. De wervelwind van de zucht naar het avontuurlijke, naar het gewaagde, en een onweerstaanbare begeerte deed het bloed achter zijn ooren stijgen en gaf hem een lichte prikkeling onder de oogen. Hij stond op, ging in de fauteuil naast Mathilde zitten, klepte den rood- trijpen arm, die nog tusschen hen neer was, naar de hoogte en nam haar hand, die hij op zijn been liet liggen.

—Wat zijn we in lang niet samen alleen geweest, zei hij.

—Hoe bedoel-je dat? vroeg zij; zij liet zich tegen zijn schouder glijden. Van-daag den heden dag toch, en gisteren en van-nacht, zei ze heel eenvoudig. He, ik heb zoo aan vader zitten denken, daarzoo …

—Nou ja, maar over-dag zijn we eigenlijk nooit alleen geweest, altijd met andere menschen, die ons zagen, we hebben bijna nooit intiem kunnen zijn …

Hij drukte zijn lippen op haar lippen. Haar tanden deden pijn want de zoen was een beetje hard. Zij ging weer recht zitten, zij trok zich te-rug, een beetje zenuwachtig. Zij was niets lief. Ernstig en bedremmeld keek zij voor zich uit. Hij begreep haar niet.

—Wat is 't nou?

—Och, niets, andwoordde zij langzaam. Na een oogenblik zei hij weer:

—Hou-je niet van me?

—Ja wel.

Nu viel hij naar haar toe, hij kon zich niet inhouden, hij sloeg zijn armen om haar middel en wilde haar aan zijn borst trekken. Maar zij verzette zich.

—Nee, zei ze, nu niet … wat wil-je toch?

—Wat niet? Waarom niet? Waarom nu niet? vroeg hij en hij bezoende haar heele gezicht. Zij verzette zich zachtjes.

—Toe, Jozef, wat mankeert je nou toch? Laten we wat gaan slapen …

—Maar, waarom niet? Zijn wij niet alleen? Wil ik het licht lager doen?

—Nee, nee, och nee!

—Maar, waarom niet?

—Daarom niet, zei ze koud en ernstig.

Hij ging tegenover haar zitten, erg teleurgesteld. Eerst zweeg hij, keek haar bij tusschenpoozen ongeduldig aan en dan weer den anderen kant uit, zijn armen kruiselings over de borst. Zij trok haar stofjas weer in 't fatsoen en raapte het boeketje op, dat gevallen was; zij hield haar oogen neer over haar heete bleeke wangen.

Langzamerhand begon Jozef, bij korte stooten, te zeggen:

—Wat beteekent dat nu? 't Is absurd! Vraag ik je niet iets heel gewoons, ben ik je man niet, ik heb immers recht om je te vragen, wat ik vraag!

Hij was heelemaal uit zijn humeur geraakt.

—Zoo iets heb 'k nog nooit gehoord! Moet er dan volstrekt een slaapkamer bij te pas komen, en een egyptische duisternis en zware gordijnen en een dubbel gesloten deur … Er zal hier geen kondukteur meer in komen, de kaartjes zijn geknipt … Voor we aan het eerste station komen, is 't nog wel twee uur.

Zoo gromde hij voort, en naarmate hij zag, dat ze onder zijn berisping bukte, werd hij heviger en trommelden zijn vingers op zijn knieen.

—Wat is t'er an? zei hij verder. Ik ben geen minnaar, ik ben je man.Ben ik je man niet?

Na een paar minuten zwijgens en nagedachte, kwam weer het onbegrijpelijke van de weigering bij hem boven. Zacht zei hij:

—Zeg nou 'es, Thilde, waarom wil-je niet?

—Och, ik weet 't niet, ik weet 't niet, snikte zij en begon wrevelig te huilen als een kind, zoo dat tranen kleine donkere vlekjes maakten op haar gele stofjas.

Nog erg boos, ging hij nu weer op zijn oude plaats zitten. Maar hij kon niet meer slapen. Hij nam zijn Baedeker en begon knorrig te studeeren op het plattegrondje van een stad, die zij al lang achter den rug hadden, zonder te weten wat hij las.

De blauwe gordijntjes hingen slap langs de raampjes neer en de vaal-gele schijn van het duistere lampje aan de zoldering trilde hevig door den jagenden en schokkenden wagon. Het begon er benauwd-warm te worden.

Mathilde beefde in haar hoekje; een onbegrijpelijke angst had zich van haar meester gemaakt. Zij begreep niet goed, waarom ze zoo bang was geworden voor Jozef. Maar ze had een schrik van hem gekregen. Neen, aan dien man had zij zich zelf niet heelemaal gegeven. Dat was maar schijn geweest. Een ijzig gevoel van vervreemding huiverde door haar hersenen. Zij was bang voor nu en voor later. Nu was hij te-rug-gegaan toen zij weigerde, maar zou dat altijd zoo zijn, zou hij later nog wel niet eens verder kunnen willen gaan, tegen haar tranen, tegen haar smeken in? Zou hij haar niet eens te lijf willen gaan, om haar kwaad te doen, haar pijn te doen? Zij vreesde, ja, zij vreesde alles, maar wat dan, wat alles? Er bestond geen reden voor haar angst. Mocht hij dan niet doen, wat hij gewild had? Immers ja. Wat bezielde haar dan toch om op-eens zoo'n afschrik te hebben? 't Was heel natuurlijk en gepermitteerd, wat hij wou. Dat was het huwelijk, dat was de liefde. Alle mannen handelden zoo tegenover hun vrouwen. En zij-zelf, wat had zij-zelf niet gedaan dien morgen in het bosch? Wat scheelde er dan toch aan, wat maakte haar zoo kriegelig, wat gaf haar dien onweerstaanbaren weerzin? Neen, zij begreep zich-zelve niet meer. Zij was moe, zij was zenuwachtig. Het dansen van den wagon om haar heen matte haar af. O, was 't maar gedaan! Waar was 'r einde van de reis, van de lange, al te lange reis? Zij zuchtte en deed haar handen voor zich uit in een wensch om verlossing, als om iets van zich wech te duwen.

De trein ging langzamer. Zij waren dicht bij een station. Zij zouden even iets gaan eten. Jozef stond op, knoopte zijn jas dicht en zocht zijn hoed. Toen hij voorbij Mathilde boog om het portierraampje open te maken, hoorde hij haar snikken: "vader, vader!"

De table-d'hote was juist begonnen in het hotel Belle Vue te Deutz, over Keulen, aan den anderen Rhijnkant. Door de acht hooge vensters helderlachte een zomer-zon binnen, straalde in de glazen voor elk bord geschaard, bevonkelde den wijn, deed het goud van de spiegellijsten en de schoorsteenpendule blinken, verhelderde het witte tafellaken en de sloofjes van de kellners, schemerde schijnsels van frischheid over de fletse wanden, poeyerde stofgoud door de kroezige haren van de vrouwen.

De pastijtjes werden binnengedragen. Een uitwaseming was over de tafel, als bij felle kou 's winters in een dicht rijtuig, dat vol is. Een soeplucht steeg naar de zoldering. De heeren veegden hun snorren en kinnen schoon, zwaayend en duwend met de servetten. Heeren krabden zich achter hun ooren, legden beide handen half toegeknepen, de zegelring goed zichtbaar, aan weerszijde op de tafel naast hun bord, keken rond, schuin-smakkend met de lippen van voldoening over de gegeten soep, schuin langs hun buurvrouwen naspeurend of er gevoeglijk een gesprek te beginnen zou zijn. Andere heeren snoten hun neuzen; eenige deden het met hun rug naar de tafel en snoten half achter de ruggen van die naast hen zaten; twee dames schrokken even. De jonge meisjes staarden voor zich en hielden de handen op elkaar gedrukt achter het leege soep-bord, andere bekeken de bewegingen van het licht tegen de muren en namen den schijn aan hun armbanden in orde te doen. De oudere dames kruimden een stukje brood en groetten glimlachend, met lichten hoofdknik, de menschen die te laat kwamen. Een oude vrijster kon haar grijze oogen maar niet van den jongsten kellner afhouden, een blonden baardeloozen krullekop met dikke korte lippen, die handig de pasteitjes tusschen de gasten in kon houden, zonder ze ooit aan te raken of hen te noodzaken een beetje op zij te buigen. De schuivende stappen van de kellners klonken droog en krakend af op het zeil over de vloer. Dit geluid vermengde zich met den doffen klank van de schoone borden, die den gasten voorgeschoven werden, op het tafellaken, met het gekletter van stapels borden, die in een hoek van de zaal werden neergezet, met het zilveren getik van de vorken en messen, die sommige heeren naast hun bord tegen elkaar lieten glijden of onder het eten samentikten.

Onder de soep had niemant een woord gesproken.

Zachtjes werden er nu koele gesprekken begonnen. Beginnende glimlachjes waren om enkele monden. Zij spraken, schor, en fluisterend, over het mooye weer, over de aangename ligging van het hotel, over het muziekfeest gisteren-avond in Keulen, over hun reizen. Een jongen van twintig jaar sprak tegen een meneer, die tegenover hem zat. Daarom klonk zijn stem boven de anderen en keken de menschen, die dicht-bij hem zaten, naar hem op. Een reuteligheid in zijn keel en het knippen van zijn oogen was zijn verlegenheid. Links, aan het uiterste einde van de tafel, zaten twee roode, vette Westfalers, hun servetten van-boven in hun wijde boorden onder de ruig-roode onderkinnen, die over vette varkensvleeschbereidingen gingen praten. Drie fatterige Berlijnsche heeren naast hen bogen hun drie hoofden over hun borden bij elkaar, bespotten de Westfalers en spraken daarna heel zachtjes over een zangeres, die deel had genomen aan het muziekfeest van gisteravond en die om een andere reden nog-al erg over den tong ging.

Na de pasteitjes, bij het rundvleesch, de wit-groene met kaneel bruin bespikkelde bloemkool, en de rookende aardappelen, vermeerderde het suizend stemmengegons aan tafel. Heeren bedienden de dames naast hen. Een fijn blond tenger kantoorbediendetje uit Keulen, die wist, dat de zwaarlijvige Hollandsche jongejufvrouw aan zijn linker kant altijd heel weinig van alles gebruikte, lispte, in vlijmerig hollandsch: Jufvrouw, mag ik u eens mikroskopiesch bedienen? De jufvrouw lachte met breede lippen en zware witte tanden. Een lange magere heer voerde het woord over politiek en meer bizonder over Bismarck.

Jozef en Mathilde zaten bedaard en stil naast elkaar te kijken. Zij waren moe van de eerste huwelijksweken en van de reis, zij dachten er nu maar aan zoo gauw mogelijk thuis te zijn. Zij zagen allebei een beetje bleek. Mathildes gang en haar hand-en armgebaren waren flets van gemakzucht, een gevolg van de uitputting. Jozef was ook stiller dan gewoonlijk. Zij zaten zij aan zij, hij voortdurend in het licht-grijze pak, zij in een licht-bruine japon, zonder veel garneering of kant, en zij keken een beetje beteuterd om zich heen en konden den rechten konversatietoon maar niet vatten. Tusschenbeide zeiden zij zachtjes een eenzaam woord tegen elkaar.

—Zijn er van-morgen geen brieven gekomen? vroeg Jozef.

—Nee, dat heb ik ook al vreemd gevonden. Ik had mevrouw Berlage toch zoo gevraagd me te schrijven of alles thuis goed in orde was en ik heb haar toch duidelijk gevraagd om me hier-na-toe te schrijven, om dat dit het laatste adres op onze reis was.

—Nou, misschien komt er van-avond nog wat.

En hij gaf haar de sla aan, die, met den rosen en glibberigen zalm het volgend gerecht uitmaakte.

—Zal u er ook wat peper bij nemen, mevrouw? vroeg een hollandsche stem aan Mathildes linker kant.

In de rondte was het gesprek aan tafel nu algemeen geworden. Allerlei stemmen, doortruffeld van het vorkgepik op de borden en het geluid van slikken, klonken door-een. Hier en daar begon men geanimeerd te worden. Een roodachtig heer hoestte in zijn servet, een slok wijn was zijn verkeerde keelgat ingegaan. Een oude dame, met witte muts en paarsen linten er aan op het hoofd, draaide zich naar hem toe, wilde hem helpen. Maar hij stelde haar gerust met zijne korte kleine hand. Hij nam een slok water. Een paar plaatsen verder sloten nieuwe bekenden vriendschap. Links had een diskussie plaats over politiek. Het begon warm te worden in de zaal. De dame die zoo lang naar den jongen kellner had gestaard, wenkte hem en verzocht hem minzaam de middendeur open te laten staan. Door de vestibule heen zag men nu in het wuivende groen van den tuin, die aan den anderen kant van het hotel was. Men beproefde ook door een venster versche lucht te krijgen. Een oogenblik hoorde men den Rhijn in zacht golfgeklots voorbij spoelen. Maar 't tochtte en op algemeen verlangen werd het venster weer gesloten.

—He, ik wou, dat we al thuis waren zei Mathilde.

Het eten duurde voort. Twee oude jonge heeren veegden hun voorhoofden af. Zij hadden zich bizonder te goed gedaan. Een bejaarde dame zuchtte van benauwdheid. De kellners zagen oplettend na wie nog te bedienen was. De zonneschijn was langzamerhand gedaald van de muren en van de stapels borden op de dientafels, die er tegen aanstonden, was ook niet meer op de gezichten van de eters, maar brandde nog alleen op de halzen en ruggen van hen, die aan den vensterkant zaten.

Zij gingen aan het dessert. Eerst kwam de moskovische taart. Een paar heeren, die haast hadden, rolden hun servetten slordig op, keken voor zich, stonden op met stoelgekraak en een lichte beweging van de dames aan hun zijden, bogen even, terwijl ze met iets zenuwachtigs in hun oogen een blik over het gezelschap lieten gaan, dat hen een oogenblik te-rugbekeek en waarvan heel ouden en heele jongen groetten gingen gauw heen door de vestibule, namen daar hun gele strooye hoeden van den breeden erg beladen kleerenstandaard, hun dunne wandelstokken uit den bak er onder, en liepen schielijk de deur en den tuin uit.

Door een andere deur, van op-zij, kwam nu de portier van het hotel binnen, nam zijn breedbollige pet af en ging op zijn teenen naar Jozef.

—Een telegram! zei Mathilde.

Uit beleefdheid deden de andere alsof er niets gaande was en spraken voort. Jozef zei niets maar zag bevreemd zijn naam aan en opende den telegram met zijn dessertmesje.

—Van huis? vroeg zij.

Na twee sekonden vouwde Jozef het papier toe, frommelde het koevert, waarin de telegram geweest was, in mekaar, gooide de prop op den vloer en zei: 't Is niets, terwijl zijn gezicht heel effen stond. De anderen kraakten nu noten in de rondte en zogen uit donzig vette druiven. De jongelui waren goed aan 't drinken. Men bestelde nog een flesch wijn. De dames hapten hun laatst hoopje vanielje-ijs op, dronken nog een slokje spuitwater en maakten zich een voor een klaar om wech te gaan. Eenige menschen kregen koffie. Een oude heer kreeg een cigaar uit zijn koker, sneed er het puntje af en lei de cigaar op tafel, naar lucifers rondziende. Twee andere heeren, met groote overhemdsborsten en breede zwarte dassen, waren gemoedelijk familie-herinneringen aan 't op halen, die hen nader tot elkaar brachten en slikten wat zij haast te veel gezegd hadden wech in een langzaam bij kleine scheutjes koffie-slurpen, terwijl er een met zijn lepeltje op zijn schoteltje tikte, als de andere aan het woord was.

—Wat is 't? fluisterde Mathilde.

—Niets, herhaalde hij.

Maar zij drong aan:

—Toe, zeg 't nu maar.

—Willen wij eens naar boven gaan? zei Jozef een beetje harder.

Zij stond gauw op, groette nauwelijks twee nog aanwezige dames en wachtte Jozef in de vestibule bij de breede wenteltrap met zijn blinkend gepolitoerde lage treden. Hij kwam ook aanloopen, kuchte luchtig en zocht in zijn vestjeszak naar een tandestoker; de andere hand hield hij in zijn broekzak.

—Nu wat is 't? vroeg zij, hem aarzelend aanziende.

—Ik zal 't je boven laten lezen. En zwijgend gingen zij de trap op. Mathilde wist niet wat te denken, zij beet op haar onderlip en klapte in haar handen om haar ongeduld te temperen. Boven in hun grijzige logeerkamer, sprak Jozef nog geen woord: hij scheen in gedachten. Zwijgend gaf hij haar den telegram over. Mathilde las 'm.

—O, God, zei ze, wat zullen we nu doen?

—Niets, andwoordde hij, precies hetzelfde wat we anders gedaan zouden hebben.

—Laten we maar liever zoo gauw mogelijk afreizen.

—En niet meer in Arnhem stil blijven?

—Nee, natuurlijk niet, dadelijk naar huis gaan. Vader is erg ziek.

—Zoo erg zal 't niet zijn. Hij heeft een sterk gestel. Laten we maar eerste den brief afwachten. Dan kunnen we altijd nog zien.

Mathilde wandelde de kamer op en af en dacht na. Jozef stond aan 't venster geleund en trommelde tegen de ruiten. Hij kreeg een cigaret uit zijn zak.

—Ik ga maar vast pakken, zei Mathilde.

—Dat kun-je altijd doen, zei hij, of nee, laat 't liever doen. Lieve kind, je bent zoo moe.

—Wat zou vader schelen? zei Mathilde, over den koffer gebukt.

—Ja, dat weet ik niet. 't Kan natuurlijk van alles zijn, maar de brief zal wel gauw komen, dan weten we 't. Jozef was bezig voor den spiegel zijn das recht te keeren en zijn snor op te krullen. Al zijn oude vriendschap voor de Stuwen kwam boven; hij was ongerust. Ik ga nog even in den tuin, zei hij, win-je nou maar niet op, lieve kind, en laat me waarschuwen als er nog iets komt.

Beneden was de table d'hote gedaan.

Voortdurend klepte de buitendeur open en dicht, de luide en lachende stemmen van de heengaanden klonken op, om wech te suizen in de open lucht, zoodra de deur weer dicht was geslagen, en gevolgd te worden door andere, meer gemoedelijke stemmen, die langzaam opkwamen en uitstierven en van slofferige voetstappen waren vergezeld, of door stemmen, die klonken als kristallen glazen en door het geruisch van japonnen werden omsisd.

Jozef zou juist de kamer uitgaan, toen een kellner de trap opkwam, een telegram in zijn hand. Jozef duwde den man te-rug, om Mathilde niets te laten merken en gaf hem een order over het ontbijt van morgenochtend, als had hij hem daarvoor ontboden. Terwijl hij den nieuwen telegram openmaakte, ging Jozef achter den kellner de trap af.

De Stuwen was gestorven. Men wist niet waaraan. "Oorzaak onbekend" stond er. Jozef werd verzocht zoo spoedig mogelijk te-rug te komen. Jozef vond dit alles heel natuurlijk. Hij was niet gewoon licht te schrikken, hij draaide in de vestibule even op een hiel rond en ging toen weer langzaam naar boven, den telegram voor zich uit houdende.

Mathilde was niet voortgegaan met pakken maar was gaan zitten op een stoel bij het ledikant, om eens na te denken. Dat vader zoo gauw zou kunnen sterven! Wie had dat gedacht! Arme vader! Hoe teeder en met hoeveel droefheid had hij haar omhelsd, toen zij wech ging, ver van hem wech, op haar huwelijksreis! Wat had hij haar een aanbeveling gegeven voor de toekomst, alsof hij haar nooit terug zou zien! Wat had hij veel gesproken van de eenzaamheid, die hij tegemoet ging! Och, och, hoe had ze hem ook kunnen verlaten! Hij had 't zelf gewild, ja, maar ze had 't toch niet moeten doen ze had het nooit moeten doen! Waarom was ze ook getrouwd, waarom was ze wech-gegaan uit zijn beschermende armen, die zij verwarmde, die haar alleen nog konden omhelzen en zonder haar leeg en slap neerhingen. En nu dood, zuchte zij … Maar … dood? nee, hij was niet dood, hij kon niet dood zijn! Hij was maar ongesteld; hij moest toch wel erg ongesteld zijn, dat ze zoo telegrafeerden van huis! Of misschien ook niet, misschien hadden ze den indruk willen verzwaren, om te maken dat Jozef en zij gauw overkwamen, om geen last met den ouden heer te hebben en te zorgen, dat hij in geen geval alleen stierf, dat daar geen mogelijkheid voor zou zijn. Ja, zoo moest het wezen. En zij stond gauw op om verder door te pakken, met het vaste besluit dadelijk naar huis te sporen. Jozef zou wel toestemmen, hij vond alles goed, wat zij wou. Daar stond Jozef weer in-eens voor haar.

—Je vader is van-middag overleden, zei hij bedaard en hoogst ernstig, en hij hield haar den telegram voor.

Zij nam dien niet aan, andwoordde niet, ging weer op den stoel, waar ze daar-zoo over alles had nagedacht zitten. Met wijd open oogen keek ze Jozef strak in zijn gezicht. Twee dikke tranen vielen op haar licht bruine japon. Zij huilde een oogenblik stil en hevig. Toen stond ze op in een overgegeven houding, heel week:

—Nou ben ik wel heelemaal voor jou en voor niemant anders op de wereld, zei ze. Zij legde haar armen om zijn hals. Hij sloeg zijn handen om haar schouders. Hij kreeg ook tranen in zijn oogen en zag er haar zwarte haren in golven aan zijn borst. En zij zagen mekaar aan, beiden opgewonden door den heftigen toestand.

Toen Mathilde met de koffers klaar was gekomen, waschte zij haar oogen en ging Jozef opzoeken in den tuin. Zij kwam in de vestibule en keek naar de eetzaal. De zon daalde bedaard wech achter de huizen van Keulen, zij bereikte de tafel niet meer. Een paar kellners liepen haastig af en aan. De tafel was bijna heelemaal opgeredderd. Over het wijn-en vetvlekkig tafellaken vlogen vliegen in korte kringen om de vergeten broodkruimels heen. Een zware gemengde etensreuk benauwde de zaal. Op de vloer was een stukje rotte appel en een druivenschil gevallen. De stoelen stonden door elkaar, een eind naar achteren geschoven de servetten hingen er lusteloos en verkreukeld over heen. Er kwamen twee meiden de glazen uitwasschen in een hoek van de zaal. Een kellner gooide de eene met een perenschil. In platduitsch schold zij hem daarover uit, terwijl de rook van haar warm water in de rondte dwarrelde.

Mathilde stiet de voordeur open en ging naar Jozef, die, een cigaret in zijn mond, voortdrentelde tusschen het groen in.

Den volgenden avond waren zij te-rug in Amsterdam. Zij reden gauw door den regen naar huis. Jans deed al open voor er nog gescheld was, met een doodsch gezicht. De tranen daalden over Mathildes wangen, toen zij den gang doorging naar het zaaltje, tranen om het leven, dat wech gestorven was uit het huis, het stille, bedaarde, goedaardige leven, met zijn kalmen gang, zijn zacht neurieen, al zijn kleine gewoonten en al zijn stille dingetjes. De stilte was nu zoo stil, dat het niet was om te zeggen. De stilte van den dood ademde door het huis, een grijsheid zweefde langs de muren en over de trappen, een warrelende schimmige nevel waarde in de hoeken en stofte van de zoldering. Mathilde had Jans bij het binnenkomen de hand gedrukt, zoo als het altijd in de familie gebruikelijk was geweest aan de meiden te doen bij allergewichtigste omstandigheden en treurige of aandoenlijke gelegenheden. Jans was nu de jonge mevrouw, die zij in de onnadenkendheid der ontsteltenis telkens nog jufvrouw noemde, naar het zaaltje gevolgd en hielp haar daar haar reisgoed afdoen.

—Hoe is 't nou gegaan, zoo in eens? vroeg Mathilde zachtjes; de tranen drupten langzaam, zonder zenuwachtigheid, van haar wangen.

—Ja, u zal wel erg geschrokken zijn? zei Jans.

—'t Is treurig, erg treurig voor me, 't is een heele steun die me ontvalt.

En 't is zoo gauw gegaan, toch zoo gauw, onbegrijpelijk, Meneer was dan, zooals u weet, een beetje rhematiek-achtig nog altijd, maar och gut, anders zoo gezond als 't maar kan. Hij at goed, zeker … flink … ten minste behoorlijk, zooals altijd. Een dag of vier geleden begon hij een beetje pijn te voelen hier, bij zijn maag, op zijn rug en in zijn hoofd. Ik zeg: meneer gaat u na bed, zeg ik, dan zal 't morgen wel over zijn. Den volgenden ochtend nog 't zelfde. Nou, toen zeg ik tegen meneer, blijft u nou maar legge. Wil ik ook iets schrijven of zoo aan de jufvrouw? Nee, zeit meneer, doe dat maar niet, ze komen toch over een paar dagen thuis. Nou, toen dee ik 't dan niet, maar 's middags werd meneer erger, hij had zoo'n pijn, dat ie 't niet uit kon houden. Och God, en hij huilde zoo! Ik ben naar den dokter gegaan, die is dadelijk gekomen, hij zei, dat 't weer de rhematiek was, dat meneer maar veel rust moest houen. 's Avonds wou ik meneer wrijven, maar dat kon ie onmogelijk velen en hij gilde het uit van de pijn. Nou, toen dacht ik, dat 't geen rhematiek kon zijn. Ik zee tegen meneer, of ie niet een andere dokter gehaald wou hebben, of misschien een professor of zoo. Maar meneer zee, dat 't wel over zou gaan, hij wou maar, dat ik hem met rust zou laten. Zoo duurde het vooreergisteren en eergisteren en vooral gisteren-morgen werd meneer toch zoo naar, ja gisteren morgen was 't, ik werd er wakker van, zoo als ie aan 't kermen was. Ik naar beneden, ik vroeg meneer of ik ook een pap voor hem klaar wou maken, of hij ook iets hebben wou, nee, ja, hij wou den dokter hebben. De dokter kwam en bleef een uur bij meneer en ging heen zonder me iets te zeggen. Toen werd meneer hoe langer hoe erger. Nou, toen ben ik naar meneer Berlage gegaan en die heeft getelegrafeerd. Ik ben gisteren bijna aldoor bij meneer gebleven, ik kon 't niet anzien, zoo als de man toch lee. Dan schudde ik zijn kussens en lee zijn dek goed. Lee ie dan weer een oogenblik rustig, dan wou ie weer in-eens opstaan, en, had ie even op een stoel gezeten, dan verlangde 'n ie weer na bed. Zoo ging het tot een uur of vier, toen werd meneer ineens zoo akelig benauwd en blauw in z'n gezicht, dat ik dacht, dat ie zoo dood bleef. Ik schrok er zoo van, dat ik niet wist wat ik doen zou. Ik bette meneer z'n gezicht met water want ik dacht, dat zijn aren zouden bersten. Na een kwartier kwam ie weer bij. Ik had al-door geen oog van hem afgehad. Toen zee ie zachies, o toch zoo zachies: Jans, kom eens hier. Ik geloof, dat ik nu dood ga zeg et an de jufvrouw, zeg et an de jufvrouw. Dit zee ie precies zoo tweemaal achter mekaar. Toen ging ie weer leggen, achterover op zijn kussen. En toen was alles gedaan.

Jans had het verhaal gedaan, op den ernstigen welvoegelijken toon van een meid, die meegaat in de ongelukken van het huishouden. Mathilde had naar haar staan te luisteren, haar hoed nog in een hand en een handschoen aan, bewegingloos en ontroerd. Jozef had den koetsier betaald, na dat deze de koffers in den gang had gedragen. Daarna was hij naast zijne vrouw komen staan, met veel belangstelling in zijn gezicht, de armen slap langs het lichaam.

—En heeft meneer anders niets gezeid? vroeg hij.

—Nee, meneer.

—In 't geheel niet, vroeg Mathilde, ook die paar dagen te voren niets?

—Nee, jufvrouw, nies bizonders, andwoordde Jans nadenkend.

—Is er al iemant geweest? vroeg Jozef.

—Ja, de dokter is er van-daag nog geweest en meneer Berlage kwam vragen of u al te-rug was. Anders nies.

Dof-zwijgend ging Mathilde de trappen op, naar boven, Jozef stapte achter haar aan. Toen zij tien treden gegaan was, kwam Mathilde in een luid snikken los: och, mijn arme vader, mijn arme vader, huilde zij. Had ik het niet gedacht? Heb ik het niet voorgevoeld? He, he, 't is verschrikkelijk! Wij hadden nooit op reis moeten gaan en hem alleen laten!

In een uiterst verdriet ging zij haar vaders slaapkamer binnen, haar zakdoek voor haar gezicht. De gordijnen waren wechgeslagen voor het ledikant van-daan. Twee kaarsen brandden er voor naast een zilveren kruisbeeld. Daar had Jans voor gezorgd. Stijf en wit en doodelijk verouderd lag de Stuwen onder zijn wit lijklaken gestrekt, zijn oogen toe, zijn mond open. De bovenste rand van zijn onderste rij tanden was zichtbaar. Het laken dekte hem tot onder zijn kin. Zijn korte grijze haren waren glad gestreken. Een blauwige tint lag om zijn oogen en voorhoofd en wangen, en schemerde loodkleurig door het vel. En hij was zoo mager, zoo mager en hij had zulke diepe rimpels in zijn voorhoofd. De gordijnen voor de straatvensters waren neergelaten en de kaarsen schenen vaal met het verdoofde daglicht samen.

Het lijk schrikte Mathilde af. Een beetje rillerig knielde zij neer voor het bed. Zij bad, en zag het lijk heftig aan. Zij huilde hard-op. Toen kon zij zich de bewegingloosheid van haar vader maar niet begrijpen. Zij schoof het laken zachtjes wech en tastte naar de hand van den doode. Die hand lag recht-uit, grijzig-wit, het bloed was van onder de nagels wech en Mathilde probeerde de hand goed beet te pakken. Het vleesch van het lijk gaf niet mee. Die hand kon haar niet meer aayen en zoo innig de hare drukken als vroeger, dacht zij. Vader, vader! riep Mathilde, o. vader is u nu voor altijd van me wech? En, haar kin naar voren, haar oogleden neer, schudde zij haar hoofd, en zag wanhopend naar het lijk. Daarna lei zij haar handen over zijn schouders en zoende het harde koude voorhoofd. Maar zij kon niet wech gaan, zij kon hem niet alleen laten. En weer knielde zij en deed haar gezicht tegen het doodelaken, dat in breede plooien van het bed afhing.

Jozef wachtte, staande. Maar toen er geen eind aan kwam besloot hij bij de tafel te gaan zitten en eenige niet te vergeten zaken die gedaan en maatregelen die genomen moesten worden, te noteeren. Hij was ook iets geroerd, door het groote verdriet van Mathilde en den dood van zijn ouden vrind, maar hij moest zijn hoofd bij mekaar houden om de drukte, die nu natuurlijk volgen zou.

Toen hij daar een minuut of tien bezig was geweest en bij het ledikant niets meer hoorde, zag hij om. Mathilde knielde rechtop daar naast en bekeek het lijk. Daarna stond zij op en zoende Jozef lang met een betraand gezicht en drukte zijn handen. Toen droogde zij haar tranen wech, maar huilde dadelijk toch weer met haar bleeke gezicht en liep stilletjes naar beneden. De nacht was neergekomen en alles was zoo koud op de trap en in de kamers, dat zij griezelde bij elke schaduw en bij elken hoek. Jans vroeg of zij ook eten zouden.

—Vraag 't maar aan meneer, of hij iets gebruiken wil. Meneer zit boven.Ik heb geen trek.

En zij drentelde troosteloos van de eene kamer in andere en bekeek alles met haar treurende oogen: de piano in het zaaltje en de tafel en vaders tabakspot en de kranten, die daar nog lagen, vier-vijf op mekaar, ongebruikt in denzelfden vorm waarin zij gekomen waren. Jans had zelfs het licht in den gang vergeten op te steken. Nergends brandde een lamp. Mathilde nam haar hoed en stofjas en liep naar boven, naar haar eigen kamer. Toen zij voorbij de doodekamer kwam, waarvan de deur op een kier stond en den zachten kaarsenglans door liet schijnen, hoorde zij gauw-achter-mekaar dof snikken en Jozef die heen en weer liep. Zij ging weer binnen en zag Jozef, die voor het lijk was blijven staan, en te vergeefs, ongeduldig over zijn eigen gevoeligheid, probeerde om niet te huilen. Dit deed Mathilde ontzaglijk veel goed. Zij voelde zich-zelf er een beetje door verlicht en zij omhelsde en zoende hem uit dankbaarheid.

Boven op haar kamer was alles nog akeliger en duisterder dan overal-anders. Maar zij was toch blij dat ze er was, in deze kamer, die haar met al zijn oude kleuren zoo vriendelijk omwandde. Zij ging op haar bed zitten, en een zachte, troostende warmte steeg door haar lichaam, vol innigheid, vol herinnering, vol van het verleden, dat plotseling hevig voortleefde om haar heen. Hoe vreemd en droevig-heerlijk, dit te-rugzien van haar kamertje na haar huwelijksreis! Wat was zij veranderd sints zij hier voor 't laatst was geweest!

En zij sloot zich op, zoo als vroeger. Zij deed haar stoffige kleeren uit en ging zoo voor de tafel zitten, en droomde. Daarna stak-zij het gaslicht aan, ging buiten de deur en riep met gedoofde stem, als om den doode niet te hinderen, dat Jans uit haar koffer haar peignoir moest brengen. Meneer had de sleutel. Zij was zoo moe. Jans kwam boven met de peignoir, Mathildes reismand, een een beetje eten: een stukje biefstuk, wat princesseboonen en aardappelen. Meneer had gezegd, dat zij 't maar aan mevrouw brengen moest, die 't wel eten zou na de reis.

—Zeg aan meneer, dat ik maar naar bed zal gaan, ik ben dood-, dood-moe.

Zij probeerde om iets te eten, maar het wou bijna niet door haar keel. Half ziek van het huilen en van al de aandoeningen, met een nevel van vermoeyenis voor haar oogen en een razend gesuis in haar ooren, ging zij naar bed, maar toch troostte haar de gedachte, dat zij niet heelemaal alleen over was gebleven op de wereld, maar dat er beneden iemant was, die haar steun en haar alles zou zijn, bij wien zij haar toevlucht kon zoeken, zoo als vroeger bij haar vader en waar zij nu toch eigenlijk inniger bij hoorde.

De volgende dagen met hun koortsige bezigheden, hun vermoeyenis, hun droefheid, liepen Mathilde snel voorbij. De visites van vrienden, die kwamen kondoleeren, het ceelen-maken, de zorgen voor de begrafenis en voor de uitvaart, de verzorging van het lijk—zij was bij alles tegenwoordig, deed alles mee, bemoeide zich met alles, stond met haar treurigen ernst en een bedrijvigheid die gelatenheid insloot, Jozef in alles ter zijde, spoorde hem aan, gaf hem raad, zei haar meening. Zij begreep wel, dat zij haar verlies later, als alle drukte voorbij zou zijn, pas volledig zou voelen. Voorloopig maar niet te veel aan de ledigheid gedacht, die zou achterblijven, want er was van alles te doen: brieven schrijven, meiden ontvangen, voor rouwgoed zorgen en zooveel meer, en betraande oogen en bevende handen kunnen geen redelijk werk verrichten. Jozef liet zich ook voor alles vinden, hij dacht letterlijk om alles. Telkens zei hij tegen Mathilde van rust nemen, zeggende, dat hij 't alleen wel afkon.

Van den morgen tot den avond klonk de huisbel door den gang. Dan was 't mevrouw Berlage, de heer Ster, die kwamen kondoleeren, dan was 't de mode-maakster, de koster van de kerk, een bediende van den circulaire- drukker, de timmerman, of wel brieven van rouwbeklag, die aankwamen.

Toen eindelijk de dag van de begrafenis voorbij was en Mathilde de stoet uit had zien trekken en de deur van het oude huis voor goed achter haar vader had zien sluiten, en zij 's avonds met Jozef boven alleen was op haar kamer en Jans naar bed, zagen zij elkaar aan, zij waren in deze droefheid weer nader tot mekaar gekomen. Toen zij in bed naast mekaar lagen, huilden zij allebei nog. Maar Mathilde schikte zich heelemaal tegen Jozef aan en sloeg zijn arm om haar hoofd. Hij zou voortaan haar eenige beschermer wezen.

Er werd besloten, dat zij voorloopig het oude huis zouden blijven bewonen, tot hun rouwtijd om was, had Jozef gedacht, en dan naar een beter huis verhuizen. Uit de papieren bleek, dat Mathildes vader, behalve dit en nog twee dergelijke huizen op den Oude Zijds Achterburgwal, die samen twee-en-twintig honderd gulden huur opbrachten, honderd dertig duizend gulden in effekten had nagelaten. Jozefs zaak ging ook vooruit en leverde een acht duizend gulden in het jaar, zoo dat zij te zamen een inkomen van zestien duizend zeven honderd gulden hadden, waar vooreerst, zoo lang er geen kinderen waren, ruim van geleefd kon worden in hun stand. Het bedrag van de Stuwens nalatenschap had Jozef bizonder verrast. Hij had dan wel erg zuinig geleefd in zijn klein huis en met zijn burger pot! Maar Jozef vond 't mooi van hem, daar hij 't waarschijnlijk gedaan had om zijn dochter meer na te kunnen laten.

Jozef richtte nu voorloopig zoo zijn dag in: Na het ontbijt ging hij om half tien naar 't kantoor, kwam om een uur thuis koffie drinken, ging daarna naar de Beurs en kwam daarna thuis iets lezen. Dan schonk Mathilde hem een glas port-wijn. Om half zes dineerden zij. En 's avonds bleven zij weer bij mekaar zitten tot aan den nacht. Naar de club ging Jozef vooreerst niet. Hij wou daar liever niet komen met den rouwband om zijn hoed. En dan, had hij thuis niet zijn lieve vrouw zitten? Haar gezelschap trok hem meer en meer aan. Uren lang zaten zij 's avonds bij elkaar met de thee en praatten over de Stuwen en het verledene. Over de toekomst spraken zij weinig.

Gedurende de eerste dagen, die op de begrafenis volgden, had Mathilde niet naar haar vaders kamer gewild en alles precies zoo laten liggen als het was bij zijn sterven. Zij had eigenlijk de eerste week, die op de drukte volgde, niets uitgevoerd den heelen dag dan de kopjes omwasschen na het ontbijt en na de koffie en de glazen na het eten. Verder zat zij maar, met haar handen over mekaar, in de binnenkamer, waar zij zooveel uren en uren met haar goeden ouden vader had gezeten. Dan tuurde zij in de rondte, naar haar vaders leegen leuningstoel, naar het buffet-kastje, naar zijn tabakspot en pijpen, naar het boekenrekje aan den wand, waar een paar boeken over natuurkunde op zwierven, die hij doorgestudeerd had, en waar de koeranten lagen, die hij 't laatst had gelezen. Zij nam ze van het plankje en las ze over en wilde uitmaken voor zich-zelve, waar haar vader het aandachtigst gelezen zou hebben. Zij zocht naar vingerdrukken, naar een potloodstreepje aan den kant, en had zij iets gevonden, dan toonde zij 't Jozef bij zijn thuiskomst: Kijk, zei ze, dat heeft vader nog met belangstelling gelezen. Dan bracht zij zich te binnen, hoe hij, wat hem betrof bij het lezen van de koerant, vroeger altijd voorlas en er zijn meening over zei en de hare hooren wilde.

Jozef en zij hadden besloten, dat Jans de keukenmeid waarover zij geen klagen hadden, voorloopig in hun dienst zou blijven. Mathilde liet Jans dan 's ochtends, als zij zoo alleen zat, bij zich komen en haar nauwkeurig al de laatste levensdagen van haar vader verhalen hoe hij dit gedaan had, hoe hij dat gedaan had, wat hij gegeten had, of hij op zijn gewone tijd naar bed was gegaan, of hij thee had gedronken zoo als altijd, en zoo voords. Dan begon zij aan Jans te klagen over haar verlies en liet haar met zich mee klagen. Mevrouw Berlage kwam ook haar wel een paar keer bezoeken, maar, na haar trouwen, kon zij met deze vrouw, die toch, toen zij nog een jong meisje was, haar beste vriendin was geweest, lang zoo goed niet meer over-weg. Misschien wel, om dat mevrouw Berlage haar nog altijd te veel als een jong-meisje behandelde en het Mathilde hinderde, dat zij niet sprak als van getrouwde vrouw tot getrouwde vrouw.

In den namiddag, als Jozef thuis was, zaten zij meestal in het zaaltje achter. Daar was het ruimer en een beetje lichter. Jozef had al licht iets te schrijven of zoo, waar hij wat plaats voor noodig had. Maar Mathilde deed niets. Zij kon haar oude handwerkjes niet hervatten, want dat maakte haar onbeschrijfelijk melankoliek. De piano had zij met het sleuteltje gesloten en zij wilde er niet eens naar kijken. Zij had zoo'n trek eigenlijk om te spelen, droevige, zachte, sombere melodien, maar zij deed 't toch maar niet, om Jans en de buren niet te ergeren, en ook om dat zij 't in zich zelf ongepast vond. Zij zat maar te droomen van vroeger en naar haar vaders portret te kijken, dat aan den wand hing. Dan dacht zij na,—en zij moest er bitter om lachen—wat 't haar een strijd en een moeite had gekost om Jozef zijn huwelijksaanzoek niet te weigeren, om dat het haar zoo hard was voorgekomen zich van haar vader te scheiden, om dat zij zich niet had kunnen denken in een toekomst, waarin zij niet altijd aan zijn zijde zou zijn om hem te verzorgen en hem nooit alleen te laten, om dat zij zich met afschrik had voorgehouden, hoe, als zij trouwde, zij daar het zwakkelijke, goede, oude mannetje alleen in zijn huisje zou moeten achterlaten misschien. Zij dacht er over na, dat zij in Jozefs vraag alleen had toegestemd op uitdrukkelijke voorwaarde, dat haar vader bij hun in zou komen wonen, zij hem altijd zou kunnen verzorgen en in zijn behoeften zou kunnen voorzien, altijd bij hem zou kunnen zijn. En nu? Zij had zich wezenlijk toen niet zoo bekommerd hoeven te maken! Nu bracht zij zich te binnen wat zij zich al niet voorgenomen had te doen om in 't vervolg haar vader het leven altijd aangenamer en aangenamer te maken. Zij herdacht den zachten nieuwen leuningstoel, dien zij in de Kalverstraat voor een winkelraam had zien staan en dien zij voor hem zou hebben willen koopen, en een bonten voetwarmer, dien zij aan had willen schaffen, een mooye zware Duitsche pijp van dertig gulden, en het mutsje voor zijn lieve oude hoofd, dat zij voor zijn verjaardag had willen borduuren en de dikke wollen handschoenen, tegen den aanstaanden winter. Hoe had zij ook door willen voeren, dat hij elken dag aan tafel een paar glazen zeer ouden wijn zou drinken en voor de koffie, om twaalf uur, een flinke eetlepel met flikjes zou nemen. Hij hield zooveel van chocola! En wat een plannen had zij gemaakt voor als zij met hun drieen samen zouden wonen in een grooter huis, vader, Jozef en zij! Wat had zij er nog met vader over gesproken dat zij de avondjes voort zou zetten, die hij begonnen was, dan natuurlijk hij haar aan huis, en hij, vader, op de eereplaats! Zij zou hem een ruime kamer gegeven hebben met alle denkbare gemakken, en een schel onder zijn bereik, hoog van verdieping en op de zon gelegen, waar hij zich zoo graag in koesterde.

's Avonds, als Mathilde met Jozef aan de thee zat, herinnerde zij zich vooral de teederheden van haar vader voor haar. Terwijl de schemering dwarrelde door de kamer en Jozef, aan den anderen kant van de tafel, rookte en wechdook in de duisternis, schoot het vlammetje onder den theepot stralen naar haar oog en tuurde zij er zoo lang met groote oogen in, tot de stralen heen en weer wipten en dansten en braken en de thee-pot verdween in een warreling van gouden pijltjes en er stille tranen spatten op haar japon. Al de herinneringen uit haar vroegste jeugd en van later kwamen op in haar verbeelding, zachtjes na mekaar. Die goede vader, die zoo innig goed was, zoo iets wereldsch, zoo plicht-getrouw, die zoo bedaard en eenvoudig het leven doorging en haar zoo erg, met zoo een trouw, zoo oprecht en zonder bijbedoeling, had liefgehad. Daar waren nooit plechtige oogenblikken tusschen haar en haar vader geweest, er waren nooit hartstochtelijke dingen tusschen hen gebeurd, er waren nooit van die uren geweest, waarin hij haar een nadrukkelijk en opperst bewijs van een overgroote liefde zou hebben gegeven. Hij was altijd stil voor zich heen geweest, en kalm, hij verdroeg zijn verdriet en genoot zijn pleizier zonder veel ophef. Toen haar moeder gestorven was, had hij haar eenvoudig gezoend en hadden zijn tranen over haar wangen gevloeid, toen zij naar 't kostschool ging en zij dus voor een heden tijd scheidden, was precies hetzelfde gebeurd. Dit waren de eenige oogenblikken, waarvan zij zich herinnerde, dat hij een beetje ongewoon was geweest. Nooit had hij haar het leven gered, nooit zelfs had hij haar in vervoering tegen zich aangedrukt. Maar toch, wat voelde zij vreeselijk, dat hij er niet meer was, hij, de eenige liefde van haar heele jeugd! Zij kon zich maar niet denken, dat hij dood was. Zij kon zich in dit huis maar niet thuis voelen zonder hem. Dan kwam zij een kamer binnen, wat, was vader er niet? Dan ging zij naar boven, naar bed,—wat, had zij vergeten vader goeye-nacht te zeggen? Waarom kwam zij hem, met zijn stille goedige gangetje, nooit meer tegen op het portaal? Waarom bleef zijn plaats toch open aan het ontbijt en 's middags aan tafel, wat was er toch iets vreemds, iets verlatens aan de stoelen en tafels, aan de vloer en vooral aan den leuningstoel van de binnenkamer! En al de meubels werden haar dierbaarder dan vroeger, om dat hij ze had gebruikt, om dat zij, zonder te zien en te spreken, zijn leven hadden bijgewoond en hem hadden helpen leven. Zij kon met een aandacht kijken naar de kale plekjes op het tapijt en het een beetje afgesletene van de stoelen hier en daar, om dat iemant ze door ze herhaaldelijk te betreden kaal had gemaakt en iemant ze moest hebben versleten.

Zoo zat zij 's avonds te droomen in haar zwarte japon zonder garneersel. Als de avond om was ging zij met Jozef naar boven. Zij gaf hem zijn nacht-zoen in het portaaltje, waarop hun kamers uitkwamen, want Jozef sliep nu op het logeerkamertje, om dat zij zoo moe en zoo zwak en zoo verdrietig was en beter kon liggen en rusten alleen in het een-persoons bed. Jozef had wel eerst de logeerkamer willen nemen, die boven het zaaltje was, maar Mathilde had hem graag dicht bij haar 's nachts en buitendien, dat was alles van-zelf toevallig zoo gegaan. Zij hadden er niet eens over gedacht of het wel redelijk was. Zij schenen in het leed van den dood hun hartstocht in te sussen. Zij zoenden mekaar goeden morgen en goeden avond als twee vijf-en-twintig jaar getrouwden. Soms lei Jozef zijn hand op haar schouder of streek haar over 't haar, maar dan andwoordde zij met geen enkelen blik, met geen een beweging. Hij had medelijden met haar droefheid; hij begon zich wel al te vervelen, maar hij wilde zich in deze omstandigheid schikken. Hij las maar koeranten en had ook zijn oude boeken over staathuishoudkunde weer eens doorgebladerd. Allerlei boeken waren hem door de handen gegaan, toen hij de nalatenschap en beschikkingen van den ouden heer geregeld had. Zoo was hij daartoe gekomen.

Tot nu toe had Mathilde, na de begrafenis, nog niet in de slaapkamer van haar vader durven gaan. Jans had alles daar een beetje opgeredderd en schoongemaakt, maar verder was de deur gesloten gebleven. De sleutel stak er wel op, maar niemant had sints een dag of veertien de licht- bruine kruk bewogen. Maar Mathildes verdriet begon zich zoo te hechten aan al de voorwerpen in huis, die haar vader het dikwijlst had aangeraakt, dat zij eindigde met den wensch te hebben al de overblijfselen van zijn meest innig en eigen bestaan weer te zien, en, voor zoover zij ze nog niet kende, te ontdekken en te betasten. Een droevige nieuwsgierigheid mengde zich in haar doffe verdriet. Zij wilde nu die slaapkamer ingaan, en zachtjes over den vloer loopen, die lucht inademen, die kleuren zien, waarin hij had geleefd als hij alleen was. Zij wilde aan die ruimte, waarin aan die zoldering waaronder hij zoo gauw was gestorven, vragen of hij erg geleden had, of hij nog veel om haar had gedacht. Er mengde zich nog angst voor de kamer in haar nieuwsgierigheid: zou zij misschien de doffe echo van zijn stem hooren, zou niet zijn stap nog ergends treden, achter het bed, bij de tafel?

Een ochtend, dat Jozef naar 't kantoor was over tienen, liep zij langzaam de trap op naar boven. Haar zwarte haar hing verdrietig over haar vale voorhoofd, en haar zwarte kleed schoof zonder geluid over de treden. Zij kwam binnen en sloot de deur achter zich. Een frischheid kwam haar te gemoet, de buitenlucht waarin zich het geluid van de straat oploste, drong om haar ooren en haar gezicht. Jans was waarschijnlijk van-morgen nog hier geweest, want achter de neergelaten gele jaloezien, stond een van de twee vensters open. Het gegons en gebrom van de straat woei naar binnen. Mathilde haastte zich het venster te sluiten. Zij trok de jaloezien allebei op. Toen keek zij rond. Wat een stilte, wat een eenzaamheid! Den rug naar het venster gekeerd, rechtop, het bovenlijf en het hoofd een beetje naar achteren gestrekt, de handen gevouwen naar beneden gedrukt en naar onderen geopend bekeek zij lang alles wat er in de rondte stond. De glans van het daglicht, die het zwart van haar japon vergrijsde, had zich over haar rug gespreid in een glimmend ovaal, viel in plooyen tot haar voeten en glimperde door de kroesige bosjes haar rondom haar hoofd. Zij liep naar het ledikant en schoof gauw de witte gordijnen op-zij. Zij keek er in. Er was niets. De kussens en peluw en de dekens en sprei lagen in twee hoopjes op de matras gestapeld als in een bed, dat niet meer gebruikt wordt, wachtende op een nieuwen gebruiker. Zij schoof de gordijnen weer dicht. Daar naast was de kleine kast van haar vader in den muur. Verder was er een schrijfbureau, een klein kastje, dat altijd het "apotheekje" genoemd werd, waarin allerlei huishoudelijke medikamenten werden bewaard en geetiketteerde fleschjes en doosjes; voords nog een kast in den muur, die alleen door het smoeselige bruin van het behangsel rondom het sleutelgat kenbaar was, waar het linnengoed en de kousen van den doode in werden geborgen. Eindelijk stond er een sjiefonjeire; hierin bewaarde de oude heer allerlei voorwerpen en snuisterijen, herinneringen aan zijn vrouw, eenige teekeningen van hem zelf uit zijn jeugd, papieren, ringen, kadootjes, een kostbaren wandelstok, een heele kollektie van zijn eigen oude zakportefeuilles, en zoo meer.

Mathilde had aan het ontbijt de sleutels van Jozef gevraagd en begon met de bovenste laa van deze kast open te trekken. Met den arm, waarom de enge zwarte japon rond gespannen zat, leunde zij op den kant van de laa en keek er in neer. Al die voorwerpen, waarvan zij vele nooit had gezien, en die met een soort van eerbied en achterhoudendheid door haar vader buiten elks bereik werden gehouden, die hij alleen kende, waarvoor hij alleen zorgde, waarom hij bepaald veel gaf, het gezicht daarvan deed Mathilde bizonder aan. Met wat een genoegen moest vader dikwijls 's avonds in zijn eentje die dingen hebben te voorschijn gekregen, ze gehanteerd en bevoeld hebben! Zijn goedige, bedaarde, nederige, huiselijke geest gaf haar nu een zeer sterken indruk. Vooreerst lagen daar twee kerkboeken, een, zoo hoog en zoo breed als een mannen hand, met zwart geworden zilveren sloten, stoffig en vergrijsd goud op snee, met gele spikkeltjes op het witte papier van-binnen: het was een kadoo van de Stuwen-zelf aan zijn vrouw geweest. "Aan mijn dierbare vrouw, de echte christin", stond als toewijding voor tegen het schut-blad geschreven. Het andere kerkboek, een fransch, veel kleiner, was van de Stuwen-zelf geweest, maar in jaren niet gebruikt. Daarnaast zag Mathilde een zilveren horlogeketting. Maar zij besloot, met het pijnlijk welbehagen, dat zij in deze bezigheid had, de laden eerst alle te openen en in te zien, om daarna de dingen een voor een te betasten en te bezichtigen. Knersend en haperend stommelden een paar laden open, als verborgen zij zaken, die niet gaarne hadden; dat het daglicht tot hen doordrong, andere gleden weer gewillig mee en waren als met was bestreken. Alle waren gevuld. Een schat van prullen, voor Mathilde van de hoogste waarde, had zij nu onder haar oog, en zij bleef er op staren en droomen. Zij vergat zich-zelf in den aanblik van al die doode voorwerpen, die vroeger geleefd hadden in haar vaders handen zij snoof de geur van verleden dagen op met graagte. Maar zij had zoo'n rijkdom, dat ze niet wist waar te beginnen en zij had de tijd zoo vergeten, dat Jans kwam zeggen: de koffie stond klaar en meneer zat beneden te wachten.

Mathilde ging naar beneden. Zij had nu een bepaald onderwerp, waarmee haar geest zich bezig hield 't was of de droefheid een beetje, een klein beetje maar toch iets, minder erg was. Zij deed aan Jozef verslag, van hetgeen zij had gevonden en daarbij gevoeld. Zij was er heelemaal van vervuld, zij sprak over niets anders. Zij zat met de ellebogen op tafel en vertelde alles. Zij was verwonderd over dit, over dat. Die oude beurs, die zij gezien had, die haar moeder nog voor haar vader gehaakt moest hebben, met die gouden franje, herinnerde zij zich wel heel lang geleden eens in de ouderlijke slaapkamer te hebben gezien, maar zij wist volstrekt niet, dat haar vader die nog had. En dan die kerkboeken weer, och, hoe aardig! 't Was wel akelig al die reliquien van vaders leven zoo voor zich te hebben, maar er was toch ook iets aangenaams in, zooveel dingen te vinden, die zij nu natuurlijk in hun huishouden zouden bewaren, en die hun onophoudelijk aan vader zouden herinneren. Jozef vond het ook, die kleine onwillekeurige soeveniers hadden veel aantrekkelijks. Zij zouden heilig opgeborgen en verzorgd blijven. Mathilde sprak er weer over voort of zweeg tusschenbeide en liet haar zwarte armen rechtuit op het witte tafellaken liggen, terwijl haar oogen er over heen droomden. Het kwam zelfs niet in Jozef op dan haar hand aan te raken, die in de zijne te nemen of te aayen. Zij vertelde hem alles en zag hem daarbij aan als een vriend, een vertrouweling, een broeder. In geen tien dagen hadden zij van hun liefde gesproken. Het leek wel alsof zij al tien jaar getrouwd waren.

Zoo doorleefden zij de dagen. Telkens na het ontbijt en telkens na de koffie ging Mathilde zachtjes naar boven. Zonder leven te maken was zij al boven gekomen zonder dat Jozef of Jans het merkten. De tijd van de kondolatievisites en van de visitekaartjes was voorbij. Het waren rustige, doodelijk stille dagen, die gauw achter mekaar kwamen. En Mathilde maakte de uren, die zij met Jozef moest samen zijn, altijd nog korter. Zij sprak op 't laatst weinig meer van haar dagelijksche vondsten en gedachten. Het laatste had zij verteld van de intieme brieven van haar vader, die zij allemaal, naar tijdsorde gerangschikt, in het bureautje op de slaapkamer had vinden liggen. Jozef was eens met haar meegegaan, hij had haar tegenwoordig leven willen deden, zich aansluiten bij haar bezigheden. Maar na dat zij eenmaal samen waren bovengekomen, was zij aan het bureau gaan zitten, zoo in 't midden dat er geen plaats meer voor hem overbleef, en had al wat er onder haar handen lag in beslag genomen. Hij, werkeloos, lusteloos en verlegen, bleef er naast staan, niet wetende hoe zich te houden; hij had gebaren gemaakt om iets aan te vatten of in te zien, die gebroken werden door dat zij toevallig haar arm tusschen hem en het ding heen bewoog; hij had met belangstelling iets gevraagd, waarop zij geen andwoord gaf, heelemaal verdiept in haar studie. Hij was dus maar te-ruggeslopen naar het zaaltje, waar hij gemakkelijk ging zitten, zijn beenen uitgestrekt, en kranten las, en zich verveelde.

Mathilde maakte ook haar nachten langer. Zij ging 's avonds vroeg naar bed en stond laat op. Zij zeide zoo'n moeite te hebben om in slaap te komen, door haar vermoeidheid en haar verdriet. Zij had zelfs ook na den eten, gedurende den avond, haar napluizingen willen voortzetten en Jans om een lamp gevraagd, maar daartegen had Jozef zich ten stelligste verzet, zeggende, dat dat haar nog meer afmatten zou en haar slaap nog meer bemoeilijken.

Voor het oude bureautje gezeten, leefde dan Mathilde het leven der herinneringen voort. Zij deed het met een altijd vermeerderende liefde, met een inspanning, een drift en een volharding, die tot halsstarrigheid werden en uit een onwrikbaar genomen besluit schenen voort te komen. Dit besluit bestond dan ook. Het had zich langzaam, voetje voor voetje, in haar ziel gedrongen en zich daar vastgehecht, zonder dat zij 't zich zelf goed bewust was. Zij had besloten toch zooveel voor haar vader te doen als zij zich voor haar huwelijk had ingeprent. Zij had zich eenmaal, eer zij met Jozef op reis ging, voorgenomen, dat, bij hun te-rugkomst, de innige verstandhouding tusschen haar vader en haar zou voort duren, ja nog inniger worden zou. En zij wilde haar plan getrouw blijven. Gedurende haar afwezigheid had zich zooveel teederheid en zorg in haar hart opgestapeld, dat zij zich van dien voorraad, van die kracht, niet ineens kon ontdoen of haar geheel in tranen kon laten wechvloeyen. Zij had zich-zelf eenmaal beloofd dat, als zij eens wezenlijk getrouwd, wezenlijk vrouw zou zijn, zij beter dan ooit en nu voor-goed aan haar vader vergelden zou, wat zij voor het geluk van haar heele jeugd aan hem te danken had. En nu gebeurde dat, buiten haar eigen weten om. De eenzame ruimte van deze verlaten kamer trok haar meer en meer aan. Hier ademde zij de gedachten en gemoedsbewegingen in, die uit het oude verleden hier waren blijven hangen. Haar liefde sliep, zij vergat zich zelve, zij vergat Jozef die beneden alleen zat. Als zij de brieven van haar vader las en al die kleine zaakjes, die hij achter gelaten had, hanteerde met een innige teederheid en behoedzaamheid, dan was 't alsof zij zijn lotgevallen van vroeger deelde en als dochter hem vereerde in deze geheime en bizondere kenteekenen van zijn goedhartig en haar zoo dierbaar bestaan, dat nu op gehouden had voor altijd. Haar jeugd verdoofde. Zij dacht niet meer aan het tegen woordige. Koud, als een beeld, ging ze op en neer door het huis, terwijl het warm was in haar hoofd en de figuur van haar vader onophoudelijk door haar verbeelding dwaalde. Uit al de woeligheid, de koortsige opvolging van indrukken en gezichten, den rijkdom van de voortdurend wisselende omgeving en den aandoeningenstorm van de huwelijksreis plotseling in de grijze stilte, in de sombere kilheid en eentonigheid van het huis, waar de doodslucht door heen had gewaaid, verplaatst, scheen ze zich er in te zullen ziek-suffen en de diepe ontsteltenis, door het kontrast veroorzaakt, niet te boven te kunnen komen. Het was te gauw gegaan, het was te hevig geweest. Zij voelde nog voortdurend den eersten schrik. Alle begoocheling was wech, wech de vrolijkheid, wech het brandende leven. Terwijl de scherpte van het leed langzaam week, bleef ze ongevoelig voor elke nieuwe levensprikkeling ook.

Zoo kropen onder Jozefs voeten heen de dagen voorbij. In zijn altijd sierlijk, nu donker-blauw pak, stapte hij 's morgens met een verveeld gezicht de deur uit, en, daar hij nu anders niets te doen, aan niets anders te denken had, lei hij zich met de borst op de kantoorzaken toe, zich dieper naar zijn lessenaar buigende, werd ijverig, zocht zijn inkomsten te vermeerderen. Hij droeg nu voortdurend, in plaats van zijn gekleurde een eenvoudige, breede zwarte strikdas en een hoogen rouwband om zijn hoed. Hij was er toe gekomen eenige studieboeken van vroeger, die op zijn kantoor in de stof lagen en daar vergeten werden, naar zijn huis te laten brengen. Hij had daar vroeger een tijd lang nog al pleizier in gehad en, daar hij zich onmogelijk bij publieke vermakelijkheden kon vertoonen en anders niets had om zijn ledige uren mee door te brengen, kwam het genoegen te-rug en zette hij zich 's middags en 's avonds aan de studie. Toch deed hij niet veel meer dan lezen, met belangstelling. Hij maakte geen aanteekeningen. Het waren werken van Quack, Heemskerk, de Pinto, staathuishoudkundige en populair-rechtsgeleerde boeken. Nu ging hij ook nieuwe uitgaven over dezelfde onderwerpen koopen, waar hij zich nu eenmaal mee bezig hield. Verder las hij het Handelsblad, den Figaro en de Fransche romans van George Sand en Feuillet. Dit alles in afwachting, dat Mathildes droefheid en ziekelijke afgetrokkenheid zou verdwijnen. Ook kreeg hij 's middags wel eens bezoek van een club-vriend, D'Ablaincourt of Hasman, die een uurtje bleef praten en een glaasje port met hem drinken. Een enkele maal verscheen er een kantoorklerk, die iets te vragen had. Overigens kwam er niemant.

Er waren weer twee weken voorbij. Het was op een zonnigen Donderdag, vier uur, een uur voor het eten. De deur van het zaaltje stond open. Jozef zat voor de met een rood en zwart tafelkleed overdekte tafel in 't midden van het zaaltje, zijn hoofd over een boek gebogen, gesteund door zijn blanke smalle hand, met een kleinen zegelring aan den pink. Een half-uitgedronken glaasje portwijn stond voor hem. Verder lag er een hoopje papieren. Er was een aangename dagheldere tint. In den gang was alles kalm. Alleen het gekuch van Jans, het sissen van boter of het geklater van borden, die op of van mekaar geschoven, en het geklitter van zilveren lepels en vorken, die bewogen werden, klonken in den gang. Op-eens spande zich met een gepiep de ijzerdraad van de voordeurschel en de klepel klepte, met een gebibber van de ijzerdraad en; de schel klonk luid langs de witte muren met twee, telkens zachtere herhalingen. Jozef zag niet op; alleen knipte hij even snel met zijn oogen. Men kon hem, in de diepte van het zaaltje, van de straat af zien zitten, toen Jans de deur open had gemaakt voor een juffrouw die zij niet kende.

—Is mevrouw thuis? vroeg een hoog stemmetje.

—Jawel, jufvrouw.

—Zou 'k mevrouw ook even kunnen zien?

De oude Jans keerde zich om, en, terwijl zij haar hand om de kruk van de voorkamerdeur schoof, andwoordde zij.

—Och, wil u hier maar even binnenkomen, asjeblieft?

Haar oogen op-zij, om Jozef niet te zien in de verte, stapte de ranke elegante jufvrouw, op haar hooge bottines met verlakte puntjes, in de voorkamer, waar Jans haar volgde.

—Kan ik ook zeggen, wie der is?

De jufvrouw reikte in de roestige hand van de keukenmeid, die deze zoo juist aan haar boezelaar had afgeveegd, een klein dof-geel visitekaartje: Emilie Hartse.

Na een blik tegen de jufvrouw, als had zij dien naam meer gehoord, ging Jans wech. Toen zij voorbij het zaaltje kwam, om Mathilde boven te waarschuwen, riep Jozef haar binnen.

—Laat eens zien, zei hij, en daarna herkennend: o! Hij gaf Jans het kaartje te-rug, waarna zij de trap opslofte. Jozef ging voort met lezen. Na een paar minuten, draalde Jans te-rug, de trap af.

—Zou mevrouw komen?

Ja, meneer.

Maar het duurde vijf minuten; Mathilde kwam niet. Jozef keek eens rond en gaf er zich rekenschap van. Nog gingen er vijf minuten voorbij en Jozef hoorde niets komen. Toen stond hij op en ging zelf naar de voorkamer.

Hij kwam binnen en groette beleefd.

—Jufvrouw ik wou u niet langer laten wachten.

—Dag, meneer van Wilden, hoe maakt u 'et? … En hoe gaat 'et uw vrouw?

Zij stak hem haar arm toe, die tot aan den elleboog in een zwart glace-en handschoen was.

—Dank u, zij zal zoo wel komen … En wat heeft men u in lang niet gezien … Dat zal wel een jaar of vier, vijf zijn!

—Ja, ik ben verleden week pas te-ruggekomen in het land … Er is heel wat gebeurd in dien tijd, zei zij, plotseling ernstig, bijna meewarig.

—Ja, ja, andwoordde Jozef, het is een groot verlies voor ons geweest.Wij hielden zoo veel van hem!

—Hoe houdt uw vrouw er zich onder? … Och, ik begrijp heel goed, dat 't haar een groot verdriet moet doen, maar daartegen is 't al weer gelukkig, dat zij nu zoo'n grooten steun heeft in … in u. 't Zou wat anders geweest zijn om dat alleen te dragen.

—Ja, zei Jozef.

Zij spraken er nog eenigen tijd over door. Toen vroeg hij na een kleine pauze.

—En is u al dien tijd in Parijs geweest?

Bij deze vraag nam hij haar eens goed op. Zij was een lange vrouw, een half hoofd grooter dan Mathilde. Zij droeg haar blond-rossig haar in een doffe warrelend-krullende boeket van onder den hoed, die naar voren open stond, tot even boven haar fijne als geel-gepenceelde wenkbrauwbogen. Zij had erg klare scheIblauwe oogen in ruime kasten. Zij had een dunnen vogelen-neus. Haar vel was erg blank, met een doorschijnend rood plekje onder elk oog.

—Altijd in Parijs, andwoordde zij, ja!

En zij ging voort met over Parijs uit te weiden. Zij was er eerst op 't pensionaat geweest, toen even te-ruggekeerd in Holland en daarna weer voor eenige jaren bij de familie van Riet, den holllandschen konsul in Parijs, een broer van den heer van Riet van Amsterdam. Een wees, zoo als zij, vloog als een vogeltje dat geen eigen nest heeft, van den hak op den tak, zeide zij.

—En denkt u nu voorloopig in Amsterdam te blijven? vroeg Jozef.

—Ja, zei ze, tante wordt oud, ik kan haar nu goed gezelschap houden, en buitendien, men verlangt toch altijd naar zijn eigen vaderland te-rug.

Zoo zette zich het gesprek voort, maar Mathilde kwam maar niet.

Eindelijk zei Jozef:

—Mathilde komt maar niet. Ik zal eens gaan hooren wat het is.

—Och, doet u 'et niet, mevrouw kan misschien niet van haar bezigheden af.

—Ik begrijp 't wel half, andwoordde Jozef, waarom zij niet komt. U moet het haar niet kwalijk nemen. Zij heeft zich het verlies van haar vader vreeselijk aangetrokken, al te erg, vind ik. Zij is in een soort van doffen geestes-toestand geraakt, die ik mij niet goed begrijpen kan. Zij zit den heelen-dag maar boven, op zijn kamer, om haar vader te treuren. Ik laat haar maar stil haar gang gaan. De tijd zal het verdriet van-zelf slijten. U zal haar dus exkuzeeren. En Jozef ging Mathilde maar niet halen. Hij dacht dat zij misschien roodgehuilde oogen had en liever geen vreemde menschen wilde ontmoeten.

Emilie Hartse bleef uit beleefdheid, om niet dadelijk heen te gaan, nog even. Haar betrekking tot Jozef bestond eigenlijk hierin, dat zij, die een kennisje van Mathilde op de Amsterdamsche school was geweest en daarna een jaar op de zelfde kostschool met haar was geweest, later, bij de Stuwen aan huis, waar die kennis voortgezet werd, Jozef nu en dan had ontmoet.

Toen Jozef haar nu, na wederzijdsche beleefdheids-betuigingen, uitgelaten had, was hij verwonderd in den gang Jans te ontmoeten, die, beladen met tafelborden en zilver, bezig was voor het eten te dekken.

—Is het al zoo laat? vroeg zij.

—Ja, meneer, zei Jans, verwonderd over die vraag, kwart voor vijven.

Toen Mathilde met haar bleeke droevig-droomende gezicht en strakke wangen, aan tafel kwam, verweet Jozef haar zachtjes haar menschenschuwheid.

—Waarom ben-je niet even gekomen, lieve kind? Emilie Hartse was er. Ze was erg verlangend je eens weer te zien na zoo'n langen tijd.

—Och, ik ben haar al haast vergeten, en ik was boven zoo druk bezig. Ik was niet gestemd. Ik zou niet weten wat ik met haar zou hebben moeten spreken … Blijft ze lang?

—Ja, ik heb een heel tijdje met haar zitten praten. Ze is al door inParijs geweest, maar blijft nu voor goed hier.

—Zoo! zei Mathilde flauwtjes. En zij spraken nog enkele woorden over andere onderwerpen.

Na het eten ging Mathilde in het zaaltje zitten voor het op de binnenplaats uitziend raam, aan het lezen van een oud dik met vette lettertjes volgekrabd schrijfboek. Het was het dagboek, door haar vader in zijn jeugd gehouden, waarin hij al zijn zorgen en zijn vreugden op nogal droge manier had neergeschreven, door Mathilde in een hoekje van het bureau boven ontdekt, en dat ze nu geregeld 's avonds met warme tranen beschreide.

Zes dagen later werd er, zoo-wat op hetzelfde uur, op dezelfde manier gescheld als dien dag. Het was Emilie Hartse, die vroeg of mevrouw nu toch misschien te spreken was. Maar Jozef had Mathilde in zoo een droefheid en dofheid na de koffie zien wech gaan, dat hij Jans zeide Mathilde maar niet eens te gaan waarschuwen, en zelf weer een half uurtje met jufvrouw Hartse ging praten. Deze verzekerde dat 't haar nu verbazend speet, dat zij Mathilde zoo graag had gezien om te probeeren haar een beetje te troosten. Daarbij zei ze ook, dat 't zoo'n groot geluk voor haar zijn zou de kennis met Mathilde, de vriendschap liever, te vernieuwen. De menschen waren haar hier zoo vreemd geworden na haar verblijf in het buitenland! Zij hield met bijna niemant omgang. En Mathilde en zij hadden elkaar vroeger toch zoo goed gekend! Hierna kwam het gesprek op de familie van Riet, waar Emilie aan huis woonde. Jozef vertelde, dat de heer en mevrouw van Riet, ongeveer een maand voor Mathilde en hij op reis waren gegaan, nog een avondje bij de Stuwen hadden doorgebracht. Toen kwam van-zelf de muziek en de literatuur ter sprake. Emilie kende veel fransche romans, van Feuillet, van George Sand, enz. Maar Jozef verzekerde, dat er ook mooye nieuwe Duitsche romans bestonden en Engelsche. Hier wist Emilie bijna niets van en zij liet zich door hem een paar van die boeken leenen, om ze te lezen.

's Middags aan tafel vertelde Jozef, dat Emilie Hartse er weer was geweest, dat hij haar een boek geleend had.

—Zoo! zei Mathilde, glimlachte heel even, goedig, flauwtjes, en sprak weer over iets anders.

De zomer verstreek. Tien dagen na haar vorige visite, kwam Emilie zelf de boeken terugbrengen. Ze had nog wel nu en dan een woord in de dictionnaire op moeten zoeken, maar overigens hadden de romans haar wel bevallen. Nu bleef zij wel een uur praten. Jozef leende haar weer andere boeken en nog eens en nog eens, die zij telkens te-rug kwam brengen, dan na een veertien dagen, dan na een week. Iedere keer werd er eerst veel over boeken gesproken, daarna had Emilie heel wat te vertellen over de familie van Riet, van de hoofdpijn en het water in de beenen, waaraan mevrouw sukkelde en van de gezelligheid en de gemoedelijkheid van mijnheer, maar die wel eens tot vervelendheid oversloeg in den omgang zonder einde van het dagelijksche leven. Voorts deelde zij aan Jozef haar indrukken over Amsterdam en de Amsterdamsche wereld mede, vergeleek die bij de wereld van Parijs, sprak eindelijk over Jozef-zelf, over Mathilde en over hun plannen. Jozef vond haar wel een aardig … ja, hij wist niet goed hoe hij haar voor zich-zelf noemen zou. Emilie was een jaar of vier-en-twintig en nog ongetrouwd, dus een meisje. Maar zij was ontwikkeld en op de hoogte als een vrouw. Het waren Jozefs aangenaamste uren, en die zijn onverdragelijke eenzaamheid het genoegelijkst afwisselden, die hij met haar doorbracht. Oh 't laatst vergat hij wel eens aan Mathilde verslag te doen, wanneer Emilie hem weer een visite had gemaakt. Te midden van de beleefde troostwoorden die hij dagelijks nog tegen haar zei, kon hij niet goed van zijn vroolijker gesprekken met Emilie vertellen.

Eens op een avond, dat zij het theegoed binnendroeg zei Jans:

—Der staat 'n parasol in den gang, menheer, die heeft zeker jufvrouwHartse vergeten?

Nu trof het Mathilde voor het eerst. Toen Jans wech was, zeide zij


Back to IndexNext