—Is die er van-middag al weer geweest?
Zij zeide dit wel op haar gewonen toon van tegenwoordig, waar zoo weinig belangstelling in was, maar ze zeide het toch.
—Ja, andwoordde Jozef, zij kwam een boek te-rug-brengen.
—Wat komt ze dikwijls! zei Mathilde, nog onverschillig.
—Och, ze leest graag, en ze heeft weinig konversatie in de stad …
Dien avond zat Mathilde weer te droomen achter het ouderwetsche theeblad, terwijl het zaaltje zich in duisternis dompelde en Jozef op de kanapee een cigaar rookte, Maar nu en dan, terwijl zij zich onbewegelijk hield, richtte Mathilde de oogen naar den kant, waar hij zat, naar de gloeyende punt van de cigaar. Zij scheen dan over iets na te denken, dat buiten haar droefheid was. Jozef zag het wel, maar hij gaf er zich geen rekenschap van.
—Hoe lang is vader nu al dood? vroeg Mathilde eens, als wist zij dat zelf niet het beste.
—Vier, vijf weken, kind, vijf en een halve week.
's Avonds, bij het goeye-nacht-zeggen, zei Jozef.
—Willen wij morgen nu niet eens een wandelingetje gaan maken, Thilde, het zou zoo goed voor je zijn …
—Och nee, nog niet, ik blijf maar liever thuis, ik ben bang voor de straat …
—Kom! zei hij, maar er was niets aan te doen.
Eenige dagen later kwam Mathilde eens om drie uur 's middags beneden en, voorbij het zaaltje gaande, hoorde zij daar spreken.
Stilletjes ging zij naar de keuken.
—Wie is er bij meneer Jans? vroeg zij.
—Jufvrouw Hartse, mevrouw.
Zij vond 't onaangenaam. Haar doffe, wanhopige rust in de eenzaamheid van haar vaders slaapkamer was verstoord. Zij kon vooreerst nog niet scheiden van die kamer, maar zij was niet meer zoo onophoudelijk verdiept in het denken aan haar vader. Zij zat als naar gewoonte voor het bureau, maar betrapte er zich op somwijlen, dat haar blik van het voor haar liggend brievenblad was wechgeweken en langs den rand van den bovenkant van het bureau dwaalde en dat zij dacht aan Jozef en aan Emilie, die misschien beneden samen zaten te praten. Maar dan, als ware zij van haar plicht afgeweken ging zij weer door met lezen met dubbelen ijver.
Een week later,—de deur van de dooden-kamer stond open—hoorde Mathilde de huisdeurschel gaan. Zij herkende de bizondere trilling van het geluid. Als was zij dat al lang van plan geweest, stond zij op en ging, haar zakdoek in haar hand naar beneden. Jans deed juist open. 't Was Emilie. Mathilde ging op haar toe en, met een eersten glimlach na zes weken.
—Wel jufvrouw, het doet me toch plezier u eindelijk eens te ontmoeten.
Emilie zei te gelijker tijd, met een meewarig lachje, iets, dat niet gehoord werd onder de woorden van Mathilde heen.
—Ja, mevrouw, mag ik u nog wel kondoleeren …
—Dank u, u begrijpt …
Zij gingen de zijkamer binnen.
—Ja, mevrouw, dat hoor ik …
Zij spraken voort. Mathilde verontschuldigde zich, dat zij zoo dikwijls op zich had laten wachten. Zij sprak van haar groote droefheid, sprak voords over het leenen van de boeken van Jozef, dat zij zeide heel aardig te vinden, om toch vooral niet den schijn te hebben daar niets van te weten. Toen kwam ook Jozef binnen. Het verraste hem Mathilde daar te vinden. Het deed hem pleizier.
Dien avond zaten Jozef en Mathilde onder de thee als gewoonlijk zwijgend bij-mekaar. Zij hadden heel weinig gesproken sinds Emilies vertrek, een half uur voor den eten. Jozef dacht juist aan niets anders dan aan de geur van zijn cigaar en aan het ongelijk dat hij gehad had met een vrouw als Mathilde, die zoo lang bedroefd bleef, te trouwen, toen hij een snik hoorde en het lichtje onder de theepot hevig zag waggelen en deinen. Mathilde stond op, ging naar hem toe en zei met een bevenden mond:
—Och toe, ontvang d'r niet meer alleen, die Emilie. wees niet meer met haar alleen!
Zij drukte haar gezicht tegen het zijne, terwijl zij haar armen om zijn schouders hield en zij morste een traan van haar wang op zijn snor. Maar eer hij tijd had van zijn verwondering te bekomen en te-rug te zoenen, was zij al van hem van-daan. Zij vluchtte de kamer uit, de trap op, als riep een onweerstaanbare stem haar naar boven, en sloot zich op in haar vaders kamer. Daar bleef zij in donker boven het bureau huilen.
Jozef wist niet wat te doen. Eerst wilde hij haar nagaan, maar hij bedacht zich, hij bleef zitten, en ging weer alleen naar bed.
De dagen daarna leefde Mathilde in een veelkleurig peinzen en in een wonderlijken tweestrijd. Langzaam, met groote macht, daalde de liefde voor het leven, voor het jonge genietende leven in haar hart. Zij was verschrikkelijk zenuwachtig. Het eene oogenblik zat zij voor het oude bureautje, en wilde er niet van-daan gaan. Maar het volgende oogenblik kon zij 't zoo niet langer houden. Zij stond op, liep naar de deur, maar bedacht zich weer, en viel af in lange droomerijen. En terwijl de tijd verliep en de eene dag den anderen volgde, doemden daar voor haar geest, midden-in de treurige verlatenheid om haar heen, al de indrukken te-rug van haar liefdesgeschiedenis met Jozef, droomde zij dat leven over, van den eersten avond van zijn verklaring en valt nog lang voor dien tijd af tot aan den laatsten avond van hun huwelijksreis. De tijd van haar treuren kwam als vreeselijk lang voor haar. Was dat dan zoo lang geweest, dat zij haar man, beneden vergeten had. Hoeveel gedachteloze zoenen hadden zij mekaar in dien tijd gegeven, wat een tijd was het geleden, sinds zij mekaar zoenden den heelen dag! Al de gezichten van haar huwelijksreis kwamen op in haar verbeelding, en het kwam uit dat zij maar gewaand had zich ongelukkig te voelen toen. Het was was niet waar geweest, de bedwelming van dat schokkende nieuwe leven was er geen verdoovende geweest, zoo als zij het zich toen gedacht had. Mathilde kreeg een kleur van aandoening en begeerte, zij sloot het bureau dicht, al de laden een voor een. Zij liep door de kamer heen en weer, een glans over haar voorhoofd. Dat was liet geluk geweest, die huwelijksreis, dat de jeugd, dat het genot. Zij streek haar handen over haar wangen en over haar zwarte japon, om zich alles goed te herinneren. Er ging een prikkeling door haar leden. Een levensgloed schemerde door de doode-kamer. Een rijkdom van kleuren, een vloed van onbegrepen genietingen dwarrelden er door Mathildes hersens. Haar hoofd bonsde, een drift naar nieuw genot, naar meerdere vreugde nog, vulde haar. O, vader, prevelde zij, o, Jozef, Jozef, Jozef!
Dien middag aan tafel merkte Jozef nog niets van de verandering in Mathilde. Wel zag zij hem voortdurend aan en trachtte nu en dan zijn blik op te vangen, om zich er eens rekenschap van te geven of zijn oog nog 't zelfde stond als vroeger, als hij naar haar keek, wel waren haar gebaren minder loom, maar hij zag 't niet. 's Avonds ook nog niet, maar den volgenden morgen, na hun ontbijt van negen uur, waaraan Mathilde hem verteld had, dat zij zoo heerlijk had geslapen, als in geen tijden, vroeg zij:
—Als je van-middag na de beurs thuis komt, gaan we dan een wandelingetje doen?
—Meen je 't wezenlijk?
—Ik verlang er na, zei ze, ik ben in zoo lang niet uitgeweest!
Jozef bracht er, werkelijk waar, een heden blijden ochtend om door op het kantoor. Hij was er gelukkig mee.
Om drie uur gingen ze uit. Voor 't eerst had Mathilde haar rouwhoed op met de lange kaper. Toen zij buiten kwam in het groote licht, in de levende straat, duizelde haar hoofd. Maar zij nam Jozefs arm, die zoo heerlijk steunde. Stil gingen zij voort. Mathilde keek naar haar voeten, haar zwart-stoffen laarsjes, om te zien of zij wel precies gelijken pas met Jozef hield. Maar het ging niet. Hij maakte te groote stappen. Zij wandelden de Hoogstraat door, daarna langs den Kloveniersburgwal tot aan den Amstel, tot aan de Hooge Sluis. Hier voelde Mathilde zich moe worden. Zij wandelden denzelfden weg te-rug, nog langzamer.
—He, zei Mathilde, die goeye vader, wat hield hij ook van zoo'n loopje!
Maar er klonk alleen nog maar melankolie in haar stem, de hartstochtelijke droefheid was overgegaan in het smartelijk-plezierige van de herinnering. Toen zij bij hun stoep te-ruggekeerd waren, drukte zij Jozefs arm innig met den haren. En zij brachten een avond door zoo als vroeger. Hun levens naderden elkaar weer zeer.
Nu begonnen er dagen voor Mathilde, zoo gelukkig als zij ze nog niet had gekend. Langzamerhand begon ze er vrede mee te krijgen haar vader niet meer in haar nabijheid te zien. Zij verbeeldde zich, dat hij nu in een hemel, in een soort bovenaardsche sfeer verkeerde en hij van omhoog op haar neder glimlachte, als hij zag, dat zij niet zoo mistroostig meer was. Haar gevoel dat altijd behoefte aan iets geheimzinnigs bovenaardsch had, gaf haar volzinnen in over het nog bestaan en de zaligheid van haar vader, die zij zich zelve herhaalde als de gedachte daaraan haar hinderde, en die haar te vrede stelden zonder dat zij verder behoefte had er meer over na te denken en er zich onophoudelijk mee bezig te houden.
De anderhalf jaar van hun rouwtijd gingen Jozef en Mathilde kalm, zonder gebeurtenissen, in altijd weer vermeerderende liefde, voorbij. In den eersten tijd, als Jozef van de Beurs thuis kwam en Mathilde zag hem dan zijn boeken opzoeken en gaan zitten lezen en studeeren als een werkzaam man, dan deed haar dat een onuitsprekelijk genoegen en had ze hem er nog liever om. Zij kwam dan wel naast hem staan, lei haar hand op zijn schouder en boog zich over hem heen om ook in het boek te kijken. Zij las een paar zinnen met hem mee en vroeg dan, om zijnentwille, wat of dit of dat beteekende. Wanneer hij 't haar verklaarde, begon zij tegen hem aan te leunen en vroeg meer uitleggingen. Eindelijk zat zij op zijn schoot, en het gebeurde dikwijls, dat zij zijn zinnen afbrak, door hem, midden in hun ernstig gesprek, zoo te zoenen, dat hij niet verder spreken kon. En dan vroeg zij zoenen te-rug, dan bleven zij zoo'n heelen middag zitten vrijen als waren zij heel pas getrouwd.
Jozef begon te voelen, dat hij dol veel hield van zijn vrouw, Als zij niet bij hem was, was hij zoo gehoorzaam, dat hij 't niet harden kon. Kwam zij een oogenblik te laat beneden aan 't ontbijt, een vijf minuten, dan was hij ongerust, dan ging hij kijken. Had zij hoofdpijn, dan werd hij bezorgd, dacht over middeltjes na, ging zelf naar den apteker. Hij was gelukkig in deze afzondering met Mathilde, die zooveel van hem hield. Hij verveelde zich niet meer. Hij dacht er den heelen dag aan om zijn vrouwtje allerlei kleine pleizieren te doen. Hij had een prachtige eikenhouten kist laten maken, met veel beeldhouwwerk er aan, em haar die kadoo gemaakt, om er in de volgorde, die zij zelf zou willen, den inhoud van de latafel en van het bureau haars vaders in te verzamelen en te schikken. Wat een stille blijdschap voor Mathilde, toen zij op een morgen de kist vond staan in het zaaltje, en Jozef haar zei wat er mee gebeuren moest en haar vroeg, waar zij hem gezet wilde hebben, boven op de slaapkamer of hier in het zaaltje. Zij verkoos het zaaltje. En, samen met Jozef, besteedde zij er nu een paar dagen aan om de zaakjes over te pakken, samen met Jozef besprak zij de volgorde, waarin zij de voorwerpjes en papieren nu zouden bergen. Hij hielp haar nu met alles. Al het egoisme, de te-ruggetrokkenheid van haar droefheid was verdwenen. Zij liet Jozef meedoen in al de droevige vreugde, die zij van deze nieuwe schikking had; telkens vertelde zij zachtjes van de gedachten, die er door haar geest gingen onder deze bezigheden. Des ochtends raakte zij zelfs niet aan de kist of aan de reliquien; zij vond er een zoet genoegen in, hem te laten merken, dat zij op hem gewacht had, om samen alles te doen, en hem over alles raad te vragen. De kist werd het dierbaarste meubelstuk van het zaaltje en van het huis. In de morgenuren deed Mathilde het huishouden, wat gedurende haar afzondering heelemaal aan Jans was overgelaten geweest. Dan breide en borduurde zij ook. Zij maakte een beurs voor Jozef, zij zag het linnengoed na en bemoeide zich met zijn kleeren. Hierin vooral begon zij een bizondere liefhebberij te krijgen: zich langzamerhand en hoe langer hoe inniger in de bizonderheden en uitwendige eigenaardigheden van zijn persoon in te wijden; zich er erkenschap van te geven, wat hij al zoo aan zijn lijf had, den vorm van zijn boven-en van zijn onderkleeren na te gaan, zijn kleine gewoonten te bespieden, uit te vorschen wat hij liever had dan wat anders, wat hij verkoos voor hemdsknoopjes, voor halsboorden en manchetten, hoe hij zijn jassen droeg, hoe zijn broek en zijn schoenen waren ingericht en werden gebruikt.
Zijn persoon werd het voorwerp van haar beoefening. Hem zoo volledig mogelijk en in alle onderdeelen te kennen, werd haar doel. Zij wilde zijn goede trouwe vrouw zijn en blijven, zij wilde alleen denken om zijn geluk en hem gelukkig maken. Zijn mooye lichaam kende zij nu heelemaal; zij had al die vormen en de manier, waarop zij zich bewogen, in haar verstand opgenomen. Zij wist hoe zijn haar was, waar er rimpels waren op zijn gezicht, wanneer hij naar zijn zin geschoren was en wanneer niet. Zij wist wanneer en waar zijn wangen rood werden; al de schakeeringen van schaduw en licht, van rood en wit en blauwig en grijzig, het geaderde, het gladde van zijn gezicht had zij nagegaan, onwillekeurig en toch om dat zij het wilde. Hoe kende zij zijn lach en het fronsen van zijn voorhoofd; zij kende zijn tanden, groot en wit, zij kende de verschillende glansen van zijn oogen, en hun kinderlijke goedige uitdrukking als hij blij was, en hun doffen gloed als hij nadacht. Zij kende de aardige manier, waarop hij zijn eene wenkbrauw optrok, als er een besluit genomen moest worden. Zij kende zijn weinig behaarde armen, zijn zachte borst, zijn middel, dat zij altijd met het hare vergeleek, zijn beenen, veel langer dan de hare, zijn voeten met hun hooge wreef. En zij had dat alles zoo lief, zij vermeide er zich in het als haar heilig eigendom te beschouwen. Zijn flanellen verstelde zij zelf met een uiterste zorg. Hij raadpleegde haar als er een vest versteld moest worden of een nieuwe das gekocht, en over het strijken van zijn overhemden.
Zij snuffelde in zijn kleerenkast. Hij had op hun reis bijna alleen zijn grijze reispak gedragen en was na hun te-rugkomst natuurlijk altijd in 't zwart en donker-blauw gekleed geweest. Zijn vele andere kleeren kende zij alleen, om dat zij ze hem aan had zien hebben voor hun huwelijk. Maar ze nu zoo van-dichter-bij te kunnen beschouwen, ze te betasten, al die kleedingstukken en die toiletzaken, die hij als ongetrouwd heer had gebruikt en die nu allemaal in haar oude huis waren overgebracht dat deed haar een groot pleizier.
Maar zij wilde hem-zelf, zijn binnenste, nog beter kennen. Wanneer zij zijn handen half dicht gehouden, voor haar, op het kantje van de tafel zag liggen, met den zegelring aan zijn pink, dan wilde zij weten, wat die handen al deden en aanraakten buiten haar tegenwoordigheid, en wat, toen zij haar nog niet mochten omhelzen en streden. Wanneer hij 's avonds, wat hij dikwijls deed, in het zaaltje op en neer liep, zijn handen op zijn rug, en hij zijn hoofd zoo recht-op droeg, en hij, van de hoogte van zijn oogen tot haar nederzag, terwijl zij achter 't theeblad zat of aan de tafel te lezen, en dat gezicht hem ernstig en vol liefde over haar na scheen te doen denken, dan wilde zij weten naar wat of naar wien die blikken zoo gingen en die gedachten zich richtten in haar afwezigheid, voor en tijdens hun huwelijk, toen hij niets aan haar had gehad. Zoo kwam zij hem over alles te ondervragen. Zij stelde belang in zijn kantoorzaken, in de Beurs. Hij moest van-alles vertellen, om haar te vrede te stellen: hoe zijn bedienden er uitzagen, hoe de boeken werden gehouden, of hij pleizier had in de zaken, of het personeel hem eerbiedig behandelde, of hij in zijn appart kabinet zat en van daaruit de zaken bestuurde of hij een mooyen lessenaar bezat, of hij veel visites kreeg op het kantoor, of er wel eens vrouwen kwamen. O, stellig, als hun rouwtijd om was, zou zij hem stellig daar komen opzoeken en zijn omgeving eens goed bekijken. Emilie Hartse kwam er toch nooit, nietwaar, nooit? Wel neen, andwoordde hij, hoe kon ze er aan denken, er kwam nooit een vrouw Ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, verzekerde ze hem wel, ik weet niet hoe het komt, maar ik heb zoo'n groot vertrouwen in je, dat ik eigenlijk maar weinig jaloersch ben. Hierna ondervroeg zij hem, met een ontzachlijke nieuwsgierigheid, naar zijn levens-inrichting van voor hun huwelijk. Ja, zij wist er wel veel van, want, daar zij zooveel omgang met elkaar hadden gehad, altijd, had hij natuurlijk veel verhaald, maar was alles wel waar geweest, wat hij vertelde? wat had hij verzwegen? Och, hij kon nu gerust alles zeggen, nu waren zij toch getrouwd! En hij zoende haar en deed de verlangde verhalen, tot in de minste onderdeden, en telkens vroeg zij meer, telkens nadere bizonderheden tot dat zij het zich volledig kon voorstellen.
* * * * *
Emilie Hartse kwam af en toe visites maken bij Jozef en Mathilde, en Mathilde doorleefde een aangenaam kwartiertje, toen Emilie eens een heer meebracht, Louis Berlage met wien zij geengageerd was. Mathilde was toen bizonder hartelijk tegen Emilie en zij schenen groote vriendinnen.
Maar het gelukkigste voelde zich Mathilde als zij en Jozef alleen waren. En dat duurde maar voort, dag in dag uit. Mathilde was dronken van geluk. Zij voelde het stijgen van haar hart tot in haar keel en zij kon 't niet uitspreken, zoo overstelpte het haar. Al de warme liefde van hun engagementstijd en al het onbeschrijfelijk genot van de huwelijksreis schenen zich te vermengen en haar in een tweede natuur om te scheppen. Zij had hem eindeloos lief! Zoo zou 't altijd blijven bij haar, dat voelde zij wel en zij schrok te-rug voor de macht van haar eigen gevoel. Alleen maar als hij naderde, schoot er als een vlam naar haar hoofd, en nam hij haar in zijn armen, dan leunde haar hoofd achterover tegen zijn schouder en weende van zaligheid. Ze zou altijd bij hem hebben willen zijn, zij wilde altijd weten wat er in hem omging. Soms vroeg ze hem in-eens, half bedroefd: waar denk-je aan?, als ze een tijdje zwijgend bij elkaar waren geweest. Dan deed 't haar verdriet van-zelf niet te weten wat hij dacht. En 's nachts, als zij te slapen lag tegen zijn borst, hief ze haar hoofd naar hem heen en fluisterde zoo zacht, zoo zacht als de gedachte: hou-je van me? Hij moest het vijf maal, zes maal zeggen, dan vroeg ze hem om een zoen en sliep gerust in. En 's morgens, als zij was opgestaan en hij nog doorsliep, en ze ging even voor het venster kijken in de eerste frischheid van het ontwaken, dan, met de herinnering van den vorigen avond en het vooruitzicht van een daggelijk aan dien van gisteren, dan werd het haar te benauwd in haar gelukkig hart, dan moest het venster open al was het koud, dan moest ze ruim kunnen ademhalen, en de liefdevreugde, die blonk uit haar oogen, doen uitstralen in de open lucht.
Was zij vol kleine oplettendheden, zocht hij op allerlei manieren haar pleizieren te doen, haar liefde was vindingrijker. Zij dacht over alles, zij wist alles te raden en zijn wenschen te voorkomen. Zij ging 's middags nu dikwijls wandelingetjes doen, door de Damstraat en den Nieuwendijk en bracht iets voor hem mee, dat hij dan onder zijn servet vond liggen, aan het eten. Zoo had hij allang verlangd naar een horlogeketting. Zijn gouden had hij voor de rouw afgelegd. Nu had hij er nog wel een van platina, maar die besloeg, en beviel hem niet. Hij vergat maar altijd er zelf een te koopen of wel hij zag er alleen, die niet van zijn smaak waren. Na lang rondkijken had zij er eindelijk een uitgestald gezien en die gekocht: een breed zwart geribt lint, met enkele dofzilveren versierselen. Thuisgekomen, bevestigde zij het met haar slanke handjes aan zijn vest, en hij was er erg gelukkig mee.
—Telkens als je nu op je horloge kijkt, zeide Mathilde, moet-je nog eens speciaal aan mij denken, … natuurlijk moet je altijd om mij denken, om dat ik zooveel, zooveel van je hou, maar dan nog eens bizonder. Hij beloofde het.
Mathilde had ook een uitgebreide studie gemaakt van zijn gelief-koosde spijzen en dranken. Hij had niet graag, dat zij zelf veel in de keuken kwam. Van zulke duitsche zeden hield hij niet, beweerde hij, die zaken moesten aan de keukenmeid overgelaten blijven. Maar zij deed 't toch 's morgens, als zij wist, dat hij niet thuis komen zou, en onder beurstijd. Hoorde zij dan maar even zijn huissleutel ritselen aan de voordeur, dan haastte zij zich de keuken uit en liet Jans verder begaan. Er waren twee soorten van pudding en een manier om met kruiden ossevleesch te braden, daar hij erg op gesteld was; dit had zij gemerkt, om dat hij dat op reis zoo dikwijls had besteld. Telkens als deze spijzen nu op tafel kwamen, zag zij duidelijk aan Jozef, dat hij haar verdacht van weer in de keuken te zijn geweest, maar zij ontkende ten stelligste, en na den eten kreeg zij er toch een zoen voor.
Zoo leefden zij, bijna onophoudelijk met hun tweeen alleen, het najaar en den winter en daarna weer den zomer door. Intieme kennissen hadden zij niet; alleen van den ouden heer Berlage, den ingenieur Ster, mevrouw van Borselen en Emilie Hartse kregen zij een paar visites. Maar Jozef, die Mathilde zoo mooi vond en zoo dikwijls tegen haar zei: wat ben je toch mooi!, Jozef, die ijdel was en van vertoon hield, begon langzamerhand naar meer menschen-zien te verlangen, om benijd te kunnen zijn.
Al dikwijls hadden Jozef en Mathilde over het nieuwe huis gesproken, dat zij in een niet al te verwijderde toekomst zouden betrekken, over dat huis, dat eigenlijk pas wezenlijk hun huis zou zijn, heelemaal naar hun idee ingericht en gemeubeld. Telkens werd er weer over gesproken en weer. Mathilde volgde in alles Jozefs meening en Jozefs smaak, of wel zij had een nieuwe opmerking, die hij met geestdrift aannam. Maar er was nog niets besloten. Vooreerst werd de vraag behandeld, of men in de Vondelstraat-buurten een huis zoude zoeken of aan een van de mooye grachten, Heeren-of Keizersgracht. Mathilde, die verliefd was op alles wat "buiten" en "vrije" natuur heette, was wel eerst voor de nabijheid van het Vondelpark, maar, om dat Jozef van die meening was, vond ook zij ten laatste de hoofdgrachten nog deftiger, stiller, rijker, aangenamer.
Zij waren in de laatste zes weken van hun rouwtijd, in de lichte rouw, toen er op een goeden dag besloten werd, dat Jans een rijtuig zou bestellen, waarmede Jozef en Mathilde huizen zouden gaan zien. Mathilde had dagelijks uit de koerant opgeteekend waar er huizen te huur of te koop stonden in de buurt, die zij hadden verkozen. Zij had dit lijstje in haar zak gestoken. Vier, vijf dagen achter-mekaar werd er gereden en drentelden zij zich moe door vertrekken en portalen, trap op trap af in die ontmeubelde en verlaten woningen, met hun kale trappen en kale vensters en hier en daar vlekken op de vloer, die zoo een weemoedig aanzien hadden en aan het leven deden denken, wat er voor altijd uit wech was. Het gaf een heele beroering in hun stille samenleven. Mathilde dacht meer dan gewoonlijk aan haar vader gedurende dezen tijd.
Eindelijk was er een uitmundend huis gevonden op de Heerengracht bij de Spiegelstraat. Jozef huurde het voor acht-en twintig honderd gulden. Van toen af aan werd week aan week de drukte grooter. Dat waren maar van den eenen dag op den anderen dag bezoeken van den makelaar, van den timmerman, van den schilder, van den stucadoor, van den loodgieter. Dan moest Mathilde, op Jozefs verlangen, zich plotseling gauw aankleeden om mee te gaan overleggen over de veranderingen, die gemaakt zouden worden, of over nieuwigheden in den gang, of in de verdeeling der kamers, in de plafonds. Dan troonde hij haar weer mee naar den behanger, naar den meubelmaker, waar zij vooral haar oordeel moest zeggen en zij alleen besluiten te nemen had. Dan weer wandelden zij naar den winkel van schoorsteen-ornamenten, naar het magazijn van keukengerei. Mathilde had maar te bevelen en zij koos en koos. Vroeg zij thuis aan Jozef eenigszins bedeesd, of ze niet te duur gekozen had, dan legde hij haar het zwijgen op. Over geldzaken zouden zij spreken, als ze eens goed en wel een paar gepozeerde getrouwde menschen waren geworden en in hun huis hun gezin hadden gevormd.
Met kleine bevingen van hoop zag Mathilde, wanneer zij dagelijks dien kant uitwandelde, de nieuwe woning zich in-en uitwendig voltooyen tot een mooi huis, tot een gebouw, dat in alles, in de minste bizonderheden, het huis van Jozef en haar zou zijn, het huis van hun geluk. Zoo stelde zij het zich voor. En als zij opmerkte hoe de versche kleuren blonken en de spiegelruiten schitterden in de zon, dan zag zij er tegen op met een onuitsprekelijk verlangen. Zij telde de dagen, die haar nog van het nieuwe huis scheidden. Het was haar of zij Jozef nog niet genoeg liefhad, of het heerlijkste nog komen moest. Haar hoop en haar verlangen vermeerderden met den dag.
Zoo ging weer de tijd voorbij. Zij waren al een paar maanden uit de rouw, toen eindelijk, eindelijk! het nieuwe huis werd betrokken.
Een flink huis. Dat was me een drukte geweest, dat metselen en timmeren en schilderen en behangen en meubelen! Jozef vond, dat alles er recht goed in orde was, Mathilde vond het ook. Achter de hooge, zij 't ook niet dubbele stoep, kwam men binnen in den breeden marmeren gang, waar een gaslantaarn van matglas en koper nu een getemperd licht verspreidde. Daar vond men terstond aan zijn linker hand, de deur van den salon, Mathilde zei "voorkamer", die op de straat uitzag.
Deze kamer, met de fijn geschilderde wandvlakken en de gedekoreerde zoldering, in lichte kleuren, met geelgouden randen, was vol frischheid en jeugdig leven. De schoorsteen, juist tegenover de deur, was hoog van dooraderd zwart marmer, met een rijkomlijste, uitstekend geslepen spiegel, vast aan den muur, er boven. Op den mantel stonden twee dunne pompadoer-vaasjes; in 't midden was er een half naakt herdertje in roode klei, wiens fraai gebogen rug en zware lange lokken door den spiegel werden weerkaatst. Dunne lichtelijk versierde koperen gasarmen, die door porseleinen kaarsen vlammetjes uitwierpen, en een zwierige rankgetakte, aan een blauw satijnen strop hangende gaskroon van uit het hart der zoldering dalend, gaf dezen avond lachende glansen door de kamer. Poeffen, kleine divans en lage heelemaal gekapitonneerde leuningstoeltjes waren in een behagelijke wanorde over het rozig-blauwe tapijt gezet. Er waren stoelenzittingen van grijs-blauw satijn, met teedergetintte ruikertjes. Een zwart ebbenhouten tafeltje was op glazen rolletjes tot nog al dicht bij de ramen geschoven. Een koperen bloemvaasje dat zich delikaat en statig naar de hoogte ontplooide met een theerozen-ruiker er in, stond op die tafel. Breede dunne witte kanten strooken waren langs de ruiten ontrold. Hier achter drapeerden zich kanten overgordijnen, op de helft wechgeheven door zachtgouden banden en kwasten. Men zag op straat door een netwerk van vreemde figuren heen.
Een geur van feestelijke blijdschap en jonge hoop zwierde er door de kamer, een vreugde straalde van al het huisraad. 't Was 16 April, Jozefs verjaardag. Voor 't eerst dat Mathilde een partijtje gaf. Daar stond zij nu, haar eene hand aan de tafel geleund; haar rechtervoet durfde zij niet vast neerzetten op de vloer, scheen 't, als knelde het schoentje haar, ten minste zij wiebelde er zoo wat mee heen en weer. Daar stond zij nu, van licht-blauw satijn en witte kant omwikkeld, in het kostuum, dat overeenkwam met de kleuren van de kamer, meesteresse in haar eigen buis. Zoo als het satijn om haar lijf was gegleden waren er glansplekjes op als schenen de zoenen er door die Jozef, met zijn minnaarsliefde, op haar lichaam had gedrukt, en plooyen vol schaduw, die donker-blauw, haar hals-en armen-kleur mooyer maakten.
Jozef drentelde achter in de kamer, waar de piano stond, heen en weer op zijn hielen, langzaam het hoofd naar voren buigend, zijn tong tusschen de lippen van pleizier. Hij was in zijn zwarten rok en witte das, uitstekend in orde. Hij had aan zijn snor gelikt en zei:
—Nee, Thilde, als je zoo'n pijn hebt, dan dansen we maar niet.
—Maar, man, zie je dan niet, dat ik hier expres blijf staan en niet ga zitten, om je te laten zien dat mijn pijn heelemaal over is …
—Hou-je van me, Thilde? laten we dan niet dansen, want je voet zou er stellig erger door worden …
—Gut, ik voel niets meer … wezenlijk niet … je moet bepaald proponeeren om te dansen … zal je 't nu doen?
Neen, knikte Jozef. Toen moest Mathilde iets verzinnen. Zij leunde plotseling niet meer op de tafel, en liep recht als een kaars, zonder verwikken of verwegen, naar Jozef toe. Vlak voor hem, bleef zij staan:
—Ah, zoo! zie je 't?
—Lieve kind, zonder jouw wil ik niet dansen, en zelf dansen kun-jij toch niet, al loop je nu ook even door de kamer, met nog zooveel schijnbaar gemak.
Jozef hield ontzaglijk veel van dansen, dit wist zij. De laatste woorden waren hem nog niet uit den mond, of ze was om hem heen aan 't springen en huppelen over 't tapijt, zoo vlug als ze maar kon. Haar pijnlijke voet raakte geweldig de vloer en dan rilde het heele been en ruischte de satijn met een smartelijk gesis om haar leden. Hij bleef weigeren; maar zij, hijgend nog van de beweging, lei ze haar handen op zijn borst, en terwijl een wolkje van den boschviolen-geur, dien zij op haar zakdoek had, tegen zijn gezicht zweefde, en van haar oogen uit scheen te waayen, die als donkere violen waren, zweeg zij glimlachend.
—Kindlief, wat ben ik trotsch op je, zei Jozef! we zullen dansen als razenden, want jij wilt 't om mij, en van-avond, als de menschen wech zijn, zal ik je voeten zoenen, tot je niets geen pijn meer voelt.
—Je bent goed … ik hou van je, ik hou van je, andwoordde ze, en dadelijk hierna: daar zijn ze eindelijk! Zij hoorde de gasten aankomen.
In den gang wandelde een gehuurde knecht. Hij had een baard om zijn kin en een gewoon burgermans-geen knechtenkapsel. Hij droeg katoenen witte handschoenen, waarvan de knoopjes los hingen, om zijn boodschaphanden. Zijn schoenen waren niet puntig, meer breed, van voren. Dientje, de knappe werkmeid, was druk in de weer. In de zaal, achter, stonden groote blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarin kleine gebakjes in witte papiertjes met uitgeschulpte randjes, op de tafel zonder kleed. Hiernaast blauwe schotels met zilveren handvatsels, waarop stapeltjes boterhammetjes deels met galantine, deels met pate de foie gras belegd; een vijf-en-twintigtal laage, wijde champagneglazen, een 40-tal gewone, mooi geslepen roode-wijn-en een 30-tal groene, antieke Rhijnwijn-glazen. Verder flesschen, lange en korte, met zilveren papieren om den hals en goud beletterde etiketten. Dientje met een helder voorschoot, in een katoentje, en een paars feestmutsje op, liet zich door Frits den knecht, terwijl hij in zijn te lange en lubbige vingertoppen kneep, verschillende ongepaste aardigheden zeggen, wanneer ze van de keukentrap naar de zaal ging en omgekeerd. Dan zorgde hij, dat hij bij de trap was, en als ze in de zaal verdween, bleef hij haar, zijn hoofd naar den linker schouder gebogen, met zijn kleine oogen glimlachend nastaren. Hij plukte dan eens aan zijn baard en kuyerde naar zijn standplaats te-rug om het "volk" af te wachten.
Drie rijtuigen hielden bijna te-gelijk voor de deur stil. De menschen verschenen met heele hoopjes bij mekaar, als hadden zij 't afgesproken. Met giegelend-gefluisterde groeten en beleefdheidsbetuigingen schoven de dames, in sneeuwige mantels over de koude schouders en met hunne versierde hoofden naar de achterkamer om hun mantels af te doen. Frits wees den weg, na dat hij met zijn hoofd buiten de deur den koetsiers "twee uur" als tijd om te-rug te komen had toegeroepen. De heeren wipten achter hun dames snel de stoep op; hun glimmende schoenen kletsten en kraakten piepend over de steenen treden.
De heele achterkamer was in-eens vol beweging. Een gezwaai en geslinger van schoudermanteltjes, wollen doeken en halsdasjes voor 't kou vatten en een gegolf van sleepen, een bloeyen van ronde schouders en een geflikker van goud en juweelen en een somber samenzinken van overjassen, omwalmd door den reuk van versche, sterke haar-en zakdoekwatertjes, die Frits en Dientje naar 't hoofd steeg. De dames bekeken elkaars japonnen, ze verheven zich, de eene achter de andere, voor den spiegel om hun haar goed te doen of een roode bloem aan hun borst te verschikken. De heeren klopten langs hun mouwen, spatten met den vinger een pluisje van hun breede roklapellen. Een trok er zijn broek meer onder zijn vest. Frits keek maar al naar Dientje, greep haar eens bij den schouder, voorwendende achter haar heen te dringen zonder haar te hinderen, om daar een heer te helpen, die zijn overjas niet uit kon krijgen.
Weer door den gang, brachten nu de heeren hunne dames naar voren. Een warme pasteilucht kwam onbescheiden door de reet van een deur beneden, want de oude Jans was nieuwsgierig naar de toiletten en keek om een hoekje.
Mathilde stond bij den ingang van de voorkamer. Het eerst kwam binnen: de heer en mevrouw Berlage. Na hen Louis Berlage, hun zoon, die aan zijn arm had mevrouw de weduwe van Borselen. Dan volgden de heer Ster, met mejufvrouw Emilie Hartse. Hier achter kwamen glimlachend een viertal jeugdige heeren, waarbij Hasman en d'Ablaincourt van de club …
—O, mevrouw, dank u, ik ben zoo gelukkig van uw invitatie gebruik te kunnen maken.
—'t Doet me heel veel pleizier, mevrouw meneer …
—Mevrouw van Wilden …
—Mevrouw …
—Meneer …
—Dag, van Wilden, gefeliciteerd niet je verjaardag.
—Hoe gaat 't meneer Ster?
—Jozef, nog vele jaren hoor.
De heer Berlage was lang en mager en bleek: een spitse, stekelige kin en neus, kleine flikkerende groene oogen en een doffe, logge wrat boven het linker oog. Hij was rijk en aanzienlijk geworden door zijn huwelijk met mejufvrouw van Wilvliet, nu een vijftigjarige vrouw, vriendelijk uiterlijk, met hagelwitte tanden die voortdurend zichtbaar bleven, en een ter neer gebogen neusje. Ze droeg haar haar nog in fladderende bochten afhangende op het voorhoofd tot maar heel even boven de oogen: donkerbruin haar. Zij ging naast Mathilde zitten en gebruikte al dadelijk haar groenen waayer.
—Wel mevrouwtje, wat is u hier allerliefst geinstalleerd …
—Ja, mevrouw, zei Mathilde, het huis bevalt mij wel. 't Was een heel gelukje voor ons dat het juist te koop was en zoo heelemaal naar onzen smaak. Mijn man heeft ook erg zijn best gedaan om alles netjes te krijgen, en nu is 't zoo geworden, ziet u … maar u, mevrouw, dat is waar ook, hoe gaat 't u toch sinds uw laatste ongesteldheid … daar men 't eerst aan denken moest, … maar hoe gaat 't u? En ze glimlachte.
—Och, 't gaat nog al, dank u, langzaam maar zeker vooruit, zegt het spreekwoord, en zoo hoop ik nu maar dat het met mijn persoontje ook gaan zal.
—En, zoo als ik zie, maakt meneer Louis het ook nog heel goed.
—Ja, mevrouwtje, dat zou ik u niet durven toegeven, de goeye jongen heeft het zoo druk, zoo druk, u kunt er u geen idee van maken … En dat werkt wel een beetje op zijn gestel. Nu is hij weer zijn zaak aan 't uitbreiden door Parijsche relaties. 's Morgens voor dag en voor dauw opstaan en dan nog in de dikke donkerte soms naar 't kantoor, welk weer het ook is …
—Maar als men de verwezenlijking van zijn illuzien in 't vooruitzicht heeft …
—Ja, ja, u heeft wel gelijk, het aanstaande huwelijksbootje doet al heel wat over 't hoofd zien, niet waar, Emilie? vroeg ze aan jufvrouw Hartse.
Mevrouw van Borselen was een beetje van de andere dames af in een fauteuil gaan zitten. Meneer Ster kwam bij haar staan, om een praatje te maken; hij hield zijn gibus op zijn rug en klepte er mee heen en weer.
Intusschen hoorde men weer het geratel van rijtuigen over de straatsteenen, dat op eens koud en hard werd als zij de Spiegelstraat uitdraaiden en dan voor van Wildens deur staakte, terwijl de koetsier ho! riep, als de wielen nog even langzaam voortgingen, en, zijn neus ophalend, klak! van de bok sprong om zachtjes het portier te openen. De andere menschen kwamen aan en de kamer was al gauw gevuld: een makelaar met zijn vrouw en twee officieren, kennissen van Mathildes vader zaliger, leden van de club met hun vrouwen, beurskollegaas van Jozef, waarbij een, die zijn dochters, twee roode meisjes, meebracht, en zo verder. Toch waren alle menschen er nog niet.
Jozef verontschuldigde zich bij de heeren, die een druk brommend gesprek hadden aangegaan, en ging naar Mathilde bij de dames.
—Ik begrijp niet, zei hij, dat Karel Rietwijk en de dames Huf er nog niet zijn. Als zij het maar begrepen hebben.
—Misschien heeft uw bediende de andere invitaties vergeten te … te … te doen, zei meneer Ster, die juist naast mevrouw van Borselen stond, verlegen, daar zij geen van beiden een woord spraken.
—Maar, meneer Ster, andwoordde Mathilde, u schijnt geen groote gedachte van ons dienstpersoneel te hebben. Frits heeft de briefjes rond gebracht nietwaar Jo?
—Ja, Frits, ik zal 'm toch 's even gaan vragen …
Na eenige minuten kwam Jozef weer binnen:
—Frits heeft doodeenvoudig de andere invitaties nog in zijn zak. Op den laten avond zegt hij, heeft hij er wat van afgedaan, den volgenden morgen werd hij voor een rijpartij (hij is koetsier en van alles) vroeg opgescheld den heelen dag met studenten uit geweest, den volgenden dag een begrafenis … enfin, hij had de andere briefjes glad vergeten … Nu kunnen we, dunkt me, niet beter doen dan de vrinden wel ons exkuus te maken, voor de te-leurstelling, en ons, zoo als we nu zijn, toch zoo goed mogelijk te amuseeren … wat dunkt u?
Gemompel, lachjes, kwinkslagen, verschuiven van stoelen, opstaan, een geruisch en geschommel.
Toen alles weer een beetje tot rust was gekomen en Dientje ten tweeden male met de japansche theekopjes was rondgegaan, terwijl ze bloosde en verbleekte, glimlachte en heel ernstig keek, ging Emilie Hartse in-eens naar Jozef, die toevallig alleen stond. Zij was groot en rond.
—Doet u nog aan de muziek, meneer van Wilden?
—Nee, jufvrouw, dat is er met het huwelijksleven wel een beetje bij ingeschoten … Wat zal ik u zeggen … Maar wat u daar vraagt brengt me op een uitstekend denkbeeld. Zou u ons niet eens op een lied willen onthalen? … ja, ja, dat moest u doen …
—O, meneer! …
—Jozef, zullen misschien de heeren daar (ze doelde op de oude heeren) nu ook een partijtje willen gaan maken in de achterkamer, Whist of Quadrille? vroeg Mathilde luid.
—Ja, of zullen we eerst een beetje muziek maken en onze piano inwijden?Ik proponeerde daar juist aan jufvrouw Emilie …
—Heel graag, heel graag, wat dunk u, mevrouw, en u, en u …?
Dit werd algemeen goedgekeurd, en zoo hevig, dat Louis Berlage bedremmeld werd over het suukses dat Emilie hebben zou, en om dit te verbergen, met de grootste kalmte zijn kopje van den schoorsteenmantel nam om eens te drinken en de helft van de thee over zijn overhemd, broek en vest liet vallen. Mathilde en Jozef kwamen naar hem toe om hem te helpen. Emilie begon hard te lachen en de anderen praatten luider, met schuine blikken naar Louis.
Emilie ging gauw naar de piano en juist was zij in een trillenden hoogen toon een lied van Schubert begonnen te zingen, toen Louis van de keuken te-rug-kwam, met een groote bruine vlek op zijn overhemd en verslagen gezicht. Hij zag haar daar hel verlicht bij de piano. Wat is ze toch lief! dacht hij. Wat is hij toch ordinair! dacht zij. Jozef akkompanieerde en zij bekeek tusschenbeide zijn profiel en zij dacht dat haar stem om dat profiel zoo goed was van-avond, en ze dacht al na, en o! wat een verschil tusschen die mannen, Jozef en Louis! En toch was Louis zoo kwaad niet. Een jongensneus en in 't algemeen iets kinderlijks kenmerkte hem, hoe knap hij ook zijn mocht in zijn vak. Maar dit was 't juist, waarom zijn moeder hem zoo mocht lijden. Zoo onschuldig en zoo knap!
Het lied was uit en de menschen klapten een beetje in hun handen. Emilie was gaan zitten naast Jozef. Toevallig zat Louis aan haar anderen kant. Haar gezicht bleef naar Jozef gekeerd, die haar ook wel aardig vond, en waagde Louis het even tegen haar te spreken, dan andwoordde zij kort en stuursch, en dat vond hij heel lief van haar. Waarom, dat wist hij niet.
De menschen waren nu weer aan 't praten. Hasman en D'Ablaincourt hadden een kennis aan mevrouw van Borselen voorgesteld, en deze drie vormden nu een kringetje om haar heen. Eenige anderen hadden zich bij den schoorsteen geschaard. Twee leunden met hun ellebogen op den mantel en hadden hun handschoenen uitgetrokken. Een zeer jong een bedeesde menheer, de jongste bediende van Jozefs kantoor, dien hij poesseeren wilde maar nu zelfs nog had vergeten te groeten, had zich, bijna zonder dat iemant het merkte, bij het gezelschap gevoegd. Hij was zonder rok, maar droeg een gekleedde jas en zwarte das. Hij stond midden in de kamer met een soort van droefheid voor zich uit te staren en wreef zijn roode heete handen op zijn rug zachtjes tegen mekaar. Mathilde had hem al lang in het oog en wou hem een beetje uit de verlegenheid helpen. Zij stond op en ging, midden door de gasten, naar hem toe. Met glansjes van welwillendheid in haar gezicht sprak ze hem aan. Hij nam een hand van zijn rug en begon die aan zijn kin te houden, er kwam iets roods in zijn oogen. Hij had blond haar, voor deze gelegenheid met bizondere zorg naar de hoogte en achteren gestreken.
De menschen spraken nu zachter in allerlei afzonderlijke gesprekken; verscheiden heeren keken naar Mathilde in haar lange satijnen japon, blinkend midden in de kamer, hel onder het gele licht. Jozef kwam ook bij zijn vrouw en den bediende staan:
—Hee, Marinus, ik had je nog niet eens opgemerkt, je bent ook zoo stil, jongen.
—Och, meneer!
Mevrouw Berlage fluisterde tot mevrouw van Borselen achter haar waayer:Wie toch Mathildes naaister is?
Juist kwam Frits binnen, een groot blad vol glazen wijn en punch op zijn handen, waar hij, ernstig en zorgzaam, mee rond ging. Mevrouw van Borselen nam een glaasje rooden wijn.
—Zullen we u nu niet eens genieten, mevrouw, vroeg Jozef hoffelijk.
—Meneer, u weet niet, hoe 't me spijt, maar ik ben te verkouden.
—Kom, kom, het zal toch wel gaan, probeert u maar eens.
—Nee, wezenlijk! … O, ik vind het zelf onaangenamer dan u denken zoudt.
—Kom, mevrouw, zei mevrouw Berlage, doet u 't maar! en er kwamen van achteren verscheiden heeren en dames die de blonde weduwe van Borselen met smeekingen om toch iets te zingen overlaadden.
—Dat mooie lied van Heine door Schubert gekomponeerd, dat u zoo heerlijk voordraagt!
—Toe mevrouwtje, laat u niet zoo bidden.
Mevrouw van Borselen bleef weigeren. Zij kuchtte in haar neteldoekschen zakdoek, bewoog haar waayer zenuwachtig.
Een jonge dame, een bleek mager meisje, heel in 't zwart gekleed, zou nu iets doen. Deze maakte geen enkel exkuus, maar, na een paar heeren verzocht te hebben een eindje op-zij te gaan staan, om dat ze dan vrijer was in haar gebaren, begon ze met een hel stemmetje een burgerlijk deuntje:
Wat is de liefde?Ik weet 't niet, mijn kind.Wat zegt de liefde?Zij spreekt niet, zij bemint!
Zonder de minste hapering bracht zij 't er af. Iedereen vond 'et bepaald leelijk. Toen het laatste koeplet gedaan was zei niemant een woord. De dames, die in Jetjes, zoo heette het meisje, nabijheid zaten, prezen haar zeer: O, jufvrouw, wat was dat allerliefst! Hasman, die als een grappenmaker bekend stond, sprak zeer luid, een traan in zijn stem, van den anderen kant van de kamer, waar hij op een kanapee zat: Jongen, ja, jufvrouw, 't was heerlijk! U heeft me daar diep geroerd! Hasman was een eenigszins dikke heer, met een rooden snor. De blonde jongeling snapte zijn grap en wierp hem in al zijn verlegenheid een woedenden blik toe. Jetje was de zuster van den blonden jongeling. Terwijl men hier en daar een slokje wijn of limonade dronk en dan het glaasje weer voorzichtig op de tafel, den schoorsteen of op de piano neerzette, droegen nu twee officieren een samenspraak voor uit een fransch treurspel. Na hen kwam Hasman aan het woord, die, met behulp van twee stoelen, vertoonde hoe het in de Sint Anthonie-breestraat toeging, wanneer een joodsche familie uit rijden ging en ze met zen achten in een vigelant gingen.
—Die Hasman is onverbeterlijk, zei Jozef en hij ging naar Hasman toe om hem als bedankje de hand te drukken, toen 't was afgeloopen.
Mathilde was weer bij de dames Berlage en van Borselen gaan zitten. Zij leunde achterover in haar fauteuil en tuurde rond, zij was nog niet heelemaal te vrede. Zij was half en half bang, dat niet alle menschen erg veel pleizier hadden. Ook waren er wel al aardige dingen gezongen en gedeklameerd, maar er ontbrak blijkbaar nog iets, iets schitterends. Er werd in de groeyende hitte, scheen 't haar, algemeen gewacht op het glanspunt van de soiree. Het mooiste scheen zoo nog te moeten komen. Datgene, waarvan de vermelding naderhand als men er over sprak, tot herinneringsmiddel aan dezen avond zou moeten dienen, was er nog niet geweest.
Jozef keek al-door naar Mathilde. Hij verveelde zich niet, hij had zich van den beginne af aan pleizierig bezig gehouden, want hij dacht, naar haar gezicht te oordeelen, dat Mathilde zich amuseerde. Hij merkte dat hij dezen avond bizonder veel van zijn vrouw hield. Hij had haar in langen tijd ook niet zoo mooi gezien, en zoo in 't oogloopend door een elk, door al zijn vrienden bewonderd.
Hij staarde haar aan, en daar kreeg hij de gedachte, dat zij volstrekt ook iets moest doen, dat aan haar nu de beurt was. Hij wilde het zeggen, maar hij begreep, gelukkig bij tijds, vond hij, dat het gepast was, als iemant van de andere menschen, en niet hij zelf, zijn vrouw verzocht iets van haar talent ten beste te geven. En plotseling nam hij het al die heeren kwalijk, dat zij dat nog niet hadden gedaan. Als ze 't eens vergaten! Neen, dat niet! Ze zou, ze moest iets doen. Nu, hij zou 't dan toch zelf maar zeggen. Hij vond, dat het er wel door kon.
—Mathilde, zei hij, wil jij nu niet eens wat spelen?
—Wel zeker, heel graag.
—O, ja! dat is heerlijk! riep Emilie, van uit het hoekje, waar Louis haar nu voor zich alleen hield.
—Zeker iets van Beethoven, mevrouw, vroeg mevrouw van Borselen, de sonnate Pathetique, b.v.?
—Dat heb ik zoo lang niet gespeeld, zei Mathilde, wel in geen twee jaar. Mijn vader leefde nog …
—Och toe, mevrouw, toe, het zal wel gaan …
En midden door de welopgevoede stilte, ging Mathilde naar de piano.
Jozef ging vlak tegenover de piano aan de muur staan, bij de deur, zijn rug tegen het geschilderde behangsel. Jozef gedroeg zich als moest hij Mathilde nog het hof maken om haar te kunnen trouwen. Voortdurend keek hij naar dat lieve zwarte hoofd. Mathilde bladerde een beetje zenuwachtig door het muziekboek en zij keek waar 't begon, terwijl ze het papier vlak bij de kaarsevlam hield. Daar had zij 't gevonden en even keek zij Jozef aan.
Mathilde hield haar vingers al uitgestrekt over de toetsen. De menschen zaten in de rondte. Daar begon zij. Het was haar lievelingsstuk. Zij speelde het graag en goed. Andante was de eerste maat. Langzaam en statig galmden de klanken aan. Klaar en helder tikte elke toets zijn deun, die uit de diepte en van de hoogte samenrolden tot een plechtig akkoord. Het scheen iets als een loflied, als een kerkgezang, als de verheerlijking van iets edels en groots, van iets bovennatuurlijks, iets als een hymne aan de eeuwige kuischheid en eenzaamheid. Mathilde zat kalm en stil. Haar vingers bewogen regelmatig over de toetsen. De muziek werd plotseling breeder, vol majesteit. Mathilde zag bleek en speelde hard. Zij kwam er heelemaal in. In een hoek van de kamer werd nog stilletjes door een paar heeren gefluisterd, en Jozef stond naar de punten van zijn schoenen te staren. De andere menschen waren aandachtig uit beleefdheid. Frits en Dientje waren aan de deur komen staan luisteren.
Toen was er in-eens in het muziekstuk, midden onder het zwaar-ernstig orgelen van de piano, een jeugdige en zoete toon, als een teeder fluitspel. Joedelend danste het een paar toonen ver en herhaalde zich dan en neuriede onder de breedere harmonien door, als een leeuwerik die bij het einde van den nachtdienst, boven de donkere monnikken-hoofden naar het kerkgewelf zou opvliegen. En het zwakke geluid verdubbelde en vermenigvuldigde zich en werd een geluid van groote teederheid en als in de verte verdwenen de laatste zware toonen. Toen overkwam Mathilde iets vreemds in haar hersens. Toen zij nog een kind was verbeeldde zij zich wel van paleizen en prachtige zalen en trappen, waarin allerlei wondermooye menschen in vreemd-rijke kleeren gingen. En als zij muziek speelde en zij was er goed in, zag zij weer altijd zulke zaken. Nu was 't iets, dat als heel uit de verte tot haar naderde, gedragen door de melodien. Zij voelde iets in zich van te moeten huilen en zij wist niet waarom. En het kwam nader en nader, stijgend in haar gedachte. Het was iets, dat uit de diepte van haar herinnering aankwam, zonder toch een gezicht uit de voorbijzijnde werkelijkheid te wezen. Het kwam in haar verbeelding in den vorm van een mensch, omsluyerd, omwolkt, onherkenbaar. Het was een poppetje, dat grooter en grooter werd, eindelijk zoo groot als een mensch, met prachtige, schitterende kleeren aan. Waar had zij zoo iets ooit gezien, in de komedie, gelezen in een boek, zij wist het niet. Het was een ridder, een koning, in oud kostuum, zoo als zij zich als kind altijd een koning had gedacht. Zij zag eerst zijden kousen en een broek van blauw fluweel, toen een degen met diamanten van-boven, toen de borst met gouden knoopen. En de purperen mantel zwaaide nog altijd voor het gezicht. Haar benevelde oogen keken over de muziek heen en in den goud- wasem van de kaarsen zag zij Jozefs gezicht alleen en zijn oogen, die haar liefkoosden. Zij werd bang, vreeselijk bang; het was of haar hersens braken. Zij speelde werktuigelijk voort, zij kende het stuk van buiten. Jozef was de koning, dien zij zag; zij had het al zooveel gehoopt. En een vreemde lach was over zijn gezicht, en over zijn hoofd, daar waren witte veeren. Zacht en licht zuisten de wijsjes door de kamer. Maar zij werden luider en feller in het allegro forte, en Mathilde hoorde de muziek als had zij niet zelf gespeeld. Het was als stroomde jubelend een vloed van zilveren golfjes uit de hoogte op haar neer. De melodie was juichend en sterk als het hoornblazen van groene jagers, zij ging hooger en forscher als het trompetgeschal van de soldaten. Daar was hij dan, haar koning, haar geliefde, en al de dagen van geluk had zij dan vroeger nooit gevoeld en nu voelden zij ze allen samen. En voort, voort, werd het als uit een diamanten prisma op haar neergegoten. Zij wist niet meer, zij voelde zich niet zitten.
De menschen zaten zwijgend in de rondte. Zij hadden niet gedacht, dat het zoo mooi zou zijn. De gashitte zweefde om hen heen. Zij zagen MathiIde en dan weer beurtelings elkaar aan. De heeren knikten goedkeurend. Hasman zei zachtjes, dat Mathilde te opgewonden speelde. De oude heer Berlage kreeg het te kwaad van de warmte en keek naar de gaslichten, die aan zijn ooren sisten en in wier blauw middenpunt hij onophoudelijk nieuwe lichtspatjes zag blikkeren. Louis keek voor zich uit als een wezenloze. Drie heeren stonden als een zwarte versteende groep voor mevrouw Berlage, hun rug naar haar toe gekeerd.
Er was een koorts in Mathilde gekomen, haar hoofd gloeide, haar oogen waren heet. Geen herinneringen waren het meer in haar. Zij voelde het tegenwoordige. Er waren geen vreemde verbeeldingen meer, het geluk was tegenwoordig. Zij zag voor zich uit: hij stond er nog hij was er meer dan ooit en zij staroogden naar elkaar. Haar spel werd sneller, luider, woester, een onbesuisde wind vol liefdewoorden scheen haar om haar heen te waayen. De maat werd impetuoso. Mathilde drukte de zware pedaal neer; de heele pianokast scheen te trillen. Wat was 't toch, wat gebeurde er toch, hier van-avond, in de nieuwe blauwe kamer? Het was een storm van-binnen en een vuur dat haar verbrandde. Zij zag Jozef vlak voor haar staan in een wolk van lichtend blauw. Het was haar als gaf haar geest hem schroeyende kussen van verre. O, haar liefde, o haar liefde, wat deed het geluk een zeer! Maar al de menschen die daar waren, hadden haar gehoord! Had zij niet gezegd, daar zoo-even, hard-op, tegen hen allen, dat zij zooveel van Jozef hield? Ja, zij had het gezegd; zij had het zich hooren zeggen! Maar, was zij dan gek geworden! Haar vingers speelden de melodieen voort, zonder dat zij er bij dacht. Zij hadden de oude geliefde sonnate niet vergeten De melodien trilden voort hoog door den walm der gaslichten, langs de vroolijk beschilderde wanden, en weefden zich in al het lichte blauwe satijn van de kamer. Plotseling hoorde Mathilde niets meer; zij zag haar vingers zonder beweging het stuk was uit.
Jozef vond dat Mathilde uitstekend had gespeeld en klapte in zijn handen, met de anderen mee. Mathilde stond op, de pianokruk viel om, en Jozef niet-eens ziende, wankelde ze hem voorbij en ging heel bleek op haar oude plaats zitten naast de oude mevrouw Berlage. De dames spraken erge komplimenten.
* * * * *
Van het kaartspelen van de heeren was niets gekomen. De oude heer Berlage had zich verveeld en drentelde op en neer, door niemant aangesproken. De jonge blonde bediende, Marinus de Beer heette hij, voelde zich heelemaal overbluft, en zat met als opengespalkte oogen naar de piano te turen, als was daar iets heel bizonders mee gebeurd.
Nu begon liet gezelschap te kuchen en zachtjes-aan weer te praten. Het was nu bepaald heet geworden. Er werd ijs gepresenteerd: wit vanielje-ijs, als natte sneeuwballen in de ronde kelken gedrukt, rood framboze-ijs, wat meer koekiger en zoetiger. In de zomerige stilte, tusschen de kwijnende konversatie door, hoorde men het bescheiden happen van de monden. Hasman kneep zijn oogen dicht om dat het ijs zoo koud was. Links en rechts werden kleine zinnen gezegd over het ijs en over het muziekstuk, als het eerste en schuchtere getjilp van musschen door de boomen na storm en regen.
* * * * *
Mathilde werd zich zelve weer. Zij keek naar Jozef, die nog bij de muur stond, en glimlachte, en veegde met haar zakdoek haar mond af. Zij keek daarna om zich heen naar al die vreemde menschen, die verwonderd naar haar zagen om dat zij zoo bleek was.
De avond verstreek, eenige heeren waren in de gang gaan staan om de warmte en lachten daar, terwijl er een iets vertelde met luidruchtige gestikulatie. Dientje schoof voorbij en werd opgemerkt. De deur van de kamer bleef voortdurend open en de luidruchtigheid uit de gang ging langzamerhand ook naar de kamer over.
De dames dreven hun waayers, die ritselden en hijgden, voorbij hun verhitte gezichten. Algemeen kwam de muziek ter sprake. Men misprees Mathildes overdreven bescheidenheid, die de komplimenten afwees. Men verhaalde kwinkslagen uit de loopbaan van virtuosen en allerhande kunstenaars. Zoo kwam men weer op de deklamatie. Het heele gezelschap nam aan het gesprek deel. De meesten waren gaan zitten en vormden een ovalen kring, Jozef was daar stilletjes tusschen gaan zitten.
—Apropos, Marinus, vroeg hij aan den blonden bediende, heb je niets meegebracht?
—Och, kom, er zal wel iets in uw overjas steken, zei Mathilde van d'overkant. Mag ik de knecht niet eens laten kijken?
Marinus werd zenuwachtig. Hij keek naar Jetje, om te weten, wat zij er van dacht. Deze, die nog verrukt was over de uitnemende ontvangst van haar bijdrage, knikte goedkeurend en aanmoedigend.
—Dan zal ik het zelf wel eventjes halen, meneer, zei hij.
Hij bleef even wech. Zoo'n goede jongen, mompelde men, maar hij is een beetje bedeesd. Men maakte, dat Jetje het niet hoorde.
Marinus trad binnen en, dadelijk, maakte een buiging na aan 't einde van den kring te zijn gaan staan, en las iets voor. Hij hield een folio regelmatig beschreven stuk papier in zijn hand, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Het was een vers van hem zelf, dat hij voorlas. Het onderwerp was de huwelijksmin van zijn patroon en dat het pad met rozen bestrooid, hetwelk hij thans met mevrouw bewandelde, nimmer in een dorre woestenij mocht veranderen, maar steeds bloeyender en geuriger mocht worden tot aan het einde huns levens.
De heeren leden van de club, met hun gepommadeerde snorren, kwamen luisteren van uit de gang, en posteerden zich in zwierig-achteloze houding bij elkaar aan de deur. Zij glimlachten tegen mekaar over de onbedreven onnoozelheid van den dichter.
Zoo eindigde Mathildes partijtje. Een kwartiertje na Marinus' voordracht kwamen de rijtuigen voor, en nog een kwartiertje later gingen de menschen, eentonig-vriendelijk afscheid-nemend, wech.
Frits en Dientje kregen samen 17.75 aan fooyen. Marinus en zijn zuster hadden samen vijftien stuivers gegeven.
Vier dagen na het soireetje, zat Jozef om half negen 's ochtends in hun ruime binnenkamer aan de ontbijttafel het Handelsblad te lezen. Het was er hoog van verdieping en een reine, onbenauwde warmte werd door de donker-porceleinen kachel verspreid. Jozef had uitstekend geslapen, was heerlijk zacht geschoren, had een lauw bad genomen, zijn mond gespoeld met Eau Botot, en was, in zijn gestreepte sjamberloek, op zijn dofblauwe stijf-leeren, van korte hakken voorziene huis-schoenen naar beneden gegaan, waar hij op Mathilde wachtte. Hij had zijn snor voor den spiegel nog even zwierig opgedraaid en was nu aandachtig de koerant aan 't lezen, zijn eene hand op het krakend-witte dekkertje, de andere voor zich uit over de leuning van zijn stoel, waar hij een beetje schuin op zat. Nu en dan dwaalde zijn blik ter zijde van de politieke artikelen of van de telegrammen af, om met te-vredenheid de toppen van zijn duim en wijsvinger te bekijken, met hun gladde licht-roode puntig-blank versneden nagels. Hij was opgeruimd. Hij voelde zich doordrongen van een aangename levenswarmte. Versche broodjes, kaas, melk stonden dicht-bij hem klaar. De thee was gezet, een bleek-blauw doorzichtig dun kolommetje stoom rees naar boven uit de tuit van de theepot en werd een mistslangetje of wolkte wech in de kamer, als Jozef zijn koerant bewoog of diep ademhaalde. In een hoek neuriede het theewater. Alles om hem heen was nieuw, frisch, jeugdig en vol komfort: de gelakte kolen-en turfbakken, de donker-bruine dubbele deur, waardoor men in de voorkamer kwam, met haar gevlamde paneelen, de schrijftafel van Jozef, in den hoek bij 't venster, een kadoo op zijn verjaardag van Mathilde, de glazen boekenkast, die er naast stond, de zwarte pendule op den schoorsteen, met een bronzen ruitertje er op. Jozef keek naar de kachel, lei de krant even op de tafel over het brood en het theeservies heen, stond op; de kwasten van zijn sjamberloek bengelden langs zijn beenen, en hij stookte het vuur aan. Vier nog heelemaal heele koolen, van achteren zwarterig, vormden het vuur in de kom van de kachel en wat korsterige stukjes verbrokkelde kool lagen er om heen. Er knapperden vonken naar boven, in den rossen gloed hoorde hij een blakerend getik. Jozef bleef, even, aangenaam in het vuur kijken. Daarna stootte hij met den pook de knersende koolen tot gruis en gooide een vollen schep vettige inktige steenkolen er op neer, die knetterend een dichten zwarten rook door de kachel verspreidden. Daarna ging Jozef weer zitten. Hij had er een gloed van op zijn gezicht gekregen, die stil wechkoelde. Achter hem schenen koude winterzonnestralen over de muren van de binnenplaats. Beneden, door een venster dat daar uitkwam, zag hij Dientje bezig in de keuken met het glimmend kopergoed. Er kwam geen enkel geluid van buiten. Er reed op dit uur geen enkel rijtuig over dit gedeelte van de Heerengracht.
Daar bewoog de kruk van de deur, die zich met een licht gekraak opende. Mathilde kwam binnen in haar licht-grijze huisjapon, met de breede zwart-fluweelen hals-en handboorden.
—He, hier is 't heerlijk, zei ze en wreef haar handen tegen mekaar, waaraan toen de ringen schitterden, die zij van Jozef had gekregen.
—Ja, vin-je niet? andwoordde hij, Mathilde zoende Jozefs voorhoofd, terwijl hij zijn hand naar boven stak om de hare te vatten. Mathilde bleef even staan achter het theeblad, om te zien of alles voor het ontbijt in orde was. Zij schikte de kopjes op de schoteltjes en begon er, het hoofd naar voren gebogen, suiker in te scheppen. Maar er waren onrustige trekjes om haar mond en haar oogleden knipten ongewoon. Zij had iets te zeggen, maar het kon er nog niet goed uit. Zij schonk voor Jozef een van de witte kopjes met hun smal vergulden randjes vol thee, daarna een wolkje melk er door heen, en gaf het hem aan. Maar, toen hij het aannam en voor zijn bord neerzette, deed zij schielijk een stap naar hem toe. Zij ging naast hem staan en lei haar handen op zijn schouders. Zij boog tot aan zijn oor en fluisterde:
—Ik moet je nog altijd iets zeggen.
—Zoo, wat dan, vroeg hij vriendelijk en belangstellend, en stuurde aandachtig zijn oogen schuin langs haar heen naar den wand, om goed op te letten.
Haar haren, die nog niet heelemaal opgemaakt waren, maar slapjes over haar voorhoofd hingen, raakten zijn wang.
—Ja, maar ik durf niet goed … zal je niet boos worden?
—Wel nee, lieve kind, zeg 't maar gerust, heel hard-op!
—Nou, zei ze met een verlegen lachje, als om zich zelve te verontschuldigen, en zij aarzelde nog, … eindelijk, nog zachter: ik geloof, dat we niet meer alleen met ons tweeen zullen blijven in 't leven … Zij keek hem aan, haar oogen dicht bij de zijnen, om te zien of hij 't begreep, daarna sloeg zij ze neer, dicht over haar hand die op zijn schouder lag, als wilde zij haar vel nauwkeurig bekijken.
—Wat bedoel-je? vroeg hij, maar, zich plotseling herinnerende: zou 't wezenlijk waar zijn?
Hij stond op om haar eens goed te bekijken. Zij klapte in haar handen, zich verlicht voelende, dat die tijding er uit was. Zij lachte.
—Je weet wel, een jaar geleden hebben we d'r al over gesproken!Heerlijk! Heerlijk!
Zij danste haast van blijdschap.
—O, heerlijk! zei ze nog eens.
Zij zag hem sterk aan, met van vreugde vochtige oogen:
—We krijgen een kindje, wat zullen we gelukkig zijn, he?
Hij beaamde goedig wat zij zeide en zoende haar wangen met roode en witte verdwijnende vlekjes.
Dat was een pleizierige dag voor Mathilde! Zij bleef van den ochtend tot het eten in de achterkamer lezen over opvoeding. Nu was 't dubbel jammer, dat vader niet meer leefde! En wat haar zelf aanging, zij wist het eigenlijk al lang, ten minste het vermoeden was zoo goed als weten geweest, maar nu voelde zij zich pas heel gelukkig, nu Jozef het ook wist.
* * * * *
Intusschen scheen het gedurende den tijd van haar zwangerschap, dat haar liefde voor Jozef groeide, groeide, groeide, samen met het kind onder haar hart. Had zij Jozef niet lief, meer dan alles wat zij hoorde en zag en ondervond, meer dan haar leven-zelf? Maar zij voelde zoo iets, als was zij nu pas bezig het groote bewijs van haar liefde te geven, als zou dat wezentje, dat, zonder haar wil, zonder haar toestemming maar toch door haar werd gemaakt, de levende getuigenis er van zijn, dat zij zich voor altijd aan hem had wech gegeven. Ook beijverde zij zich om hem uren achtereen sterk aan te zien en altijd zijn uiterlijk voor haar verbeelding te hebben, als hij er niet was over-dag of 's nachts als het donker was. Want zij wilde, dat het kind, het mocht dan een jongen of een meisje worden, zoo veel mogelijk op hem lijken zou. Als zij mekaar aan 't liefkozen waren, schoof Mathilde zich wel zachtjes op Jozefs schoot, drukte haar voorhoofd tegen het zijne en liet zijn blikken langen tijd in haar oogen rusten. Zij dacht, dat zij, zoo, veel van zijn leven in zich op zou nemen. Jozef trachtte hun leven in deze omstandigheden zoo in te richten, dat Mathilde nooit het minste verdriet, of zorg of inspanning, had. Toen zij in de vierde maand van haar zwangerschap was, en de vijfde, en de zesde, zonderden zij zich met hun tweeen heelemaal af. Jozefs bekommering werd overdreven; het begon met dat hij volstrekt niet wilde, dat zij menschen bij hun vroegen; later veroorloofde hij haar nog alleen kleine wandelingetjes te doen, eindelijk verlangde hij, dat zij absolute rust nam. Tusschenbeide 's avonds maakten zij nog een klein loopje samen, maar eindelijk dat ook niet eens meer. Hij dreef het tot in het kinderachtige door. Als er iets te krijgen was buiten de kamer waar zij zaten, dan deed hij het. Wou zij iets hebben waar zij niet bij kon met haar handen, dan stond hij op, om 't haar aan te geven. Om een haverklap werd de meid gescheld, en de stal-houder had gedurende wel een negen weken een bizonder goeden klant aan de Van Wildens.
De aanstaande geboorte van zijn kind maakte Jozef niet blij. Hij gaf daar weinig om, 't deed hem alleen een beetje pleizier, om dat hij zag, hoe gelukkig het Mathilde maakte. Ondertusschen, al bekende hij 't zich zelf nauwelijks, vond hij heel naar, dat er zoo'n verandering in zijn huishouden zou komen. Hij keurde het af, hij vond het vreemd, maar 't was waar, dat hij, voor hij wist niet hoeveel niet, gedurende dezen tijd een van zijn vrienden in het gezelschap van Mathilde zou gebracht hebben. Als hij met haar samen was, in een van die oogenblikken, dat zij in zijn arm stond met haar hoofd achterover, haar mond half open en hij haar kuste eenmaal, tweemaal, tienmaal, vijftigmaal, en zij, half bedwelmd, zich dan tegen hem aan liet vallen, dan schrikte hij, dan was 't of plotseling zijn liefde hem ontzonk, of hij maar gezoend had om te spelen. En dan kon hij haar nog alleen maar met een gemaakte zachtheid van zich wechduwen en zelf de kamer uitgaan om ergens in een andere kamer, boos, te gaan zitten en zich af te vragen, wat hem toch scheelde, dat Mathilde toch lief en mooi was altijd, dat hij haar juist dankbaar moest zijn, heel dankbaar, voor zoo veel goedheid, zoo veel toewijding, zoo veel liefde, en voor de pijn, die zij waarschijnlijk nog te lijden zou hebben. Soms wist hij zich te overwinnen, dan gaf hij zich moeite om al de liefde, die hij voor haar voelde, zijn denken te doen vullen en dat andere gevoel te doen verdringen. Dan zag hij alleen haar oogen, haar mond, hield van haar als altijd. Ook merkte zij niets van die weerzinbewegingen in zijn gemoed. Voor haar bleef hij dezelfde, dag in dag uit, Vol voorkomendheid, vol zorg, vol teederheid.
Mathilde hield in zich zelf eindelooze beschouwingen over de waarschijnlijkheid van dat haar kind, naar liet uiterlijk of het innerlijk, zus of zoo zou wezen. Ook sprak zij er met Jozef over. Dan waren dat gesprekken, die een, twee uren achter elkaar duurden, vervuld van illuzies, van lachende droomen, van rozige gedachten, van hemelsblauwe veronderstellingen en schitterende voorspellingen. Zij wilde bepaald een jongen hebben, een zoon, die heelemaal een kleine Jozef zou wezen, die haar van twee Jozeffen omgeven zou doen zijn; de eene groot, forsch, breed, in den bloei en de kracht van zijn leven, de andere klein, teer, tenger, met den bloesem van de jeugd op zijn gezichtje, en die beiden toch maar een Jozef zouden zijn, daar de eene den anderen had gemaakt alleen in liefde voor haar. Hij zeide meer naar een meisje te verlangen, nu al pleizier te hebben hij het idee van eens te zullen kunnen zeggen: "mijn dochter doet dit, mijn dochter doet dat, mag ik u mijn dochter voorstellen?" Maar hij verlangde lang zoo vurig niet naar dat kind als zij; ook was zij, bij zulke gesprekken, bijna voortdurend alleen aan 't woord, haar mond stond niet stil, en Jozef werd eindelijk alleen verzocht telkens toe te stemmen, als zij hem iets vroeg: niet waar?, he?, vin-je ook niet? Hij knikte maar glimlachend ja en gaf haar het grootste gelijk van de wereld. Hij vond het niet vervelend haar zoo aan te hooren en verder niets te doen, maar om het onderwerp van haar gesprek gaf hij minder dan om haar zelve. Hij nam met genoegen waar, hoe vol zij was van het leven, hoe gezond en zacht gelkeurd haar wangen er uitzagen, hoe zeer hij en zijn kindje, dat zou geboren worden, de eenige dingen waren, waarmee haar lieve hoofd zich bezighield, en hij dacht telkens: jongen, wat heb ik het toch goed getroffen ik heb een allerliefste vrouw! Ondertusschen praatte zij voort: de jongen zou dus groote blauwe oogen hebben en bruin haar, misschien een krullebol. Hij zou stellig den mooyen neus en ooren krijgen van zijn vader, maar vooreerst zou daar nog wel weinig van te bespeuren zijn. Hier kwam nu het gesprek op den toestand van een pasgeboren kind. Mathilde had zoo iets nog nooit gezien; nu beduidde Jozef haar, dat zij zich daarvan geen illuzies moest maken. Hij vertelde haar hoe zoo'n wezentje was, met zijn rood rimpelig vel, zijn vreemde oogjes, meestal gesloten, zijn hoofd zonder haar, zijn mondje zonder tanden, bibberend en schreeuwend in de wereld komende. Maar zij wilde hier eerst liever niet van hooren. Maar later verzekerde ze, dat, hoe het kindje er ook uit mocht zien, zij er toch dadelijk vreeselijk veel van zou houden. Eens voelde zij den schrik voor het viezige, het wezenloze, het dierlijke van zoo'n pasgeboren kindje, maar zij was al gauw weer vol vertrouwen; als zij Jozef onophoudelijk en met zoo-veel liefde aankeek en zijn uiterlijk voortdurend op nieuw in zich opnam, dan zou, dan moest het kindje mooi wezen van het eerste uur van zijn geboorte af. Wat een heerlijke jaren zouden er nu voor haar komen! Door het leven te gaan tusschen haar man en haar kind! Aan den eenen kant een knappe, lieve man, die haar in alles steunde en beschermde, en raad gaf, aan den anderen een blond jongetje, dat om haar heen dartelde en haar zijn lieve moeder noemde. Wat zou het goed staan tegenover de menschen, zoo'n familie te zijn Eerst zou het kindje, natuurlijk in de lange witte kleeren worden gekleed. Zij was al bezig daarvoor te zorgen. Heele middagen zat zij er aan te werken, en telkens klonk de vermanende stem van Jozef er door heen, dat zij het zich niet te druk mocht maken. Terwijl zij, een zilveren vingerhoedje om den middel-vinger van haar rechter hand, de slanke glimmende naald tusschen haar wijsvinger en duim gedrukt hield, naaide zij met regelmatige steken, op en neer met haar hand, op en neer. Wanneer zij het linnen en batist, de wol en de kanten op die wijze hanteerde en fatsoeneerde, stelde zij zich voor hoe, in een niet ver verschiet, die dingen om de poezele blanke leedjes van haar kindje heen zouden gewikkeld zijn, en zat zij met een heelen stapel wit goed op haar schoot, dat, door elkaar, in een berg van plooyen, tot aan haar kin kwam, dan verbeeldde zij zich, daar al een rond ventje onder te hebben liggen, een huidje te voelen, met een jonge, reine warmte. Jozef was er eerst tegen geweest, dat zij- zelf al die kleertjes maken zou, maar als hij haar nu, na dat zij het toch doorgedreven had, aan den gang zag, en haar lieve gezicht boven al die zuivere witheid uit zag komen, vond hij 't toch wel aardig.