X.

Later zou het jongetje, want, neen, nu zonder gek-heid, het moest een zoon wezen, zij was er zeker van, later dan zou hij vooral het liefste zijn—en over dezen tijd sprak zij het graagst met Jozef—als hij zou kunnen spreken en zij, de ouders, zijn verstand langzamerhand voor den dag zouden zien komen. Dan zou Jozef hem, och heer, met allerlei nietsjes, maar die een heele wereld in zich sluiten voor kinderooren, inwijden in het begrip van de dingen van het dagelijksch leven, van zijn omgeving. Zij zag hem al van hier aan Jozefs knieen staan, met groote oogen aandachtig luisterend. Zij zou hoofdzakelijk zorgen voor dat hij braaf werd en gezond. Voor alles zou zij hem de liefde leeren voor zijn vader. Zij zou hem zeggen, hoe goed en lief Jozef is, hoe haar, zijn moeder, niemant dierbaarder was, hoe hij alles aan zijn vader te danken had, wat pleizierig voor hem was. Zij zou vooral van haar zoon een tweeden mensch vol liefde voor Jozef maken.

De vraagstukken van opvoeding kwamen op in Jozef en Mathildes gesprekken. Mathilde was bepaald en onveranderlijk voor een strenge opvoeding. Zij was daar tegenwoordig 's avonds druk over aan 't lezen. Op haar verlangen kocht Jozef, die daarmee lachte, een paar nieuwe boekwerken over opvoeding. Jozef was voor de zachte, toegeeflijke methode. Hij vond, dat pakken slaag te geven en in een hoek te zetten een kind niet beter maakte. Maar hij wou zich wel onderwerpen, zei hij, hij liet haar de beslissing over. "Zachte chirurgijns maken stinkende wonden", zei Mathilde iederen keer, waarop Jozef dan altijd begon met te andwoorden, dat een gewonde en een chirurgijn in een heel andere verhouding tot mekaar staan als een ouder tot zijn kindje, dat alleen het zooveel mogelijk vrijheid laten en het door redeneering fouten onder het oog brengen een kind tot een waren man maakte, maar daartegen had zij bizonder veel dingen te zeggen: dat een kind voor geen redeneering vatbaar was, dat men zijn kind niet liefhad, zoo men het niet strafte, dat alleen hij, die eens zelf door kastijding had leeren gehoorzamen, later in staat was goed op te voeden, dat men anders onmogelijk een kind braaf kon maken, onmogelijk, dat men, strafte men niet, de liefde en eerbied voor de ouders zelf uit het gemoed van liet kind bande, dat men op die manier zijn gezach verloor, en nog duizend redenen meer, zoo dat hij ten laatste haar maar een zoen gaf, om er een einde aan te maken. Maar zij hield niet op voor hij zei: je hebt gelijk. En dan was zij eigenlijk nog niet te vrede, dan moest hij haar beloven, bepaald plechtig beloven, dat hij streng zou wezen. Hij begon te lachen, maar zij bleef hoogst ernstig; ten slotte beloofde hij alles.

Van God de Heer was weinig sprake als Mathilde dacht en sprak over haar kind. Het was zonderling, maar alleen bij de gedachte aan haar vader kwam er een God, haar God, te pas. Met haar laatste groote droefheid, verflauwde ook haar godsdienstzin. Wanneer zij gelukkig was scheen zij geen andere behoefte te hebben, dan die door het haar omgevende aardsche werden vervuld.

De laatste maand voor haar bevalling was Mathilde in een hijgende, zenuwachtige afwachting. Haar kind, haar eerste kind zou geboren worden. O, wat ging die tijd langzaam!

Jozef vond, dat het nu waarachtig langzamerhand lang genoeg begon te duren. Hij wou maar, dat Mathilde gauw weer elegant en slank zou zijn, dat hij zich weer in 't publiek met haar zou kunnen vertoonen, in de komedie en op koncerten, en dat iedereen dan weer zou zeggen: wie is toch die man, die heer daar, met die prachtige vrouw aan zijn arm. Hij vond, stil voor zich, den toestand toch eigenlijk zoo lammelendig. Intusschen hield hij haar trouw gezelschap tot het einde toe. Hij was altijd op kantoor en thuis. Hij kocht een wieg voor haar. 's Avonds las hij haar voor; zij gingen vroeg naar bed.

't Was in 't midden van een nacht, dat de bevalling gebeurde. De dokter had Jozef, die zenuwachtig was, uit de slaapkamer laten gaan. Hij zou den vader wel komen waarschuwen, als het zoo ver was, had hij gezegd. Jozef was, in zijn sjamberloek, beneden naar de zaal gegaan. Waarom juist daar-na toe, dat wist hij zelf niet. Hij had een gaspit opgestoken en drentelde in het zwakke licht heen en weer over het dikke tapijt. Nu eigenlijk scheen hij pas goed over hetgeen er boven ging gebeuren na te denken. Hij vroeg zich af, wat er het gevolg van zou wezen. Zijn blikken gingen langs de lambrizeeringen, langs de zoldering en den vloer, over de schilderijen, alsof dat nieuwigheden waren. Eigenlijk keek hij naar niets, maar luisterde naar de geruchten die van boven kwamen. Die lieve, goede Mathilde, wat stond zij misschien nu een pijn uit. Maar hij kon haar niet helpen, men moest afwachten de dingen, die komen zouden. 't Was een elllendig iets, dat kinderen krijgen! Hoe jammer, dat het niet gemakkelijker kon en zonder zooveel schade! Hij hoopte nu maar in Godsnaam, dat Mathildes lichaam er niet te veel onder lijden zou. De tijd ruischte in de nacht-stilte om hem heen voorbij. Daar dacht hij aan de namen, die hij met Mathilde afgesproken had, dat het kind zou krijgen. Was het een meisje, dan zou zij Agnes heeten, naar zijn moeder, die nu al vijftien jaar dood was. Werd er een jongen geboren, dan zou 't Bernard zijn, met nog een paar onverschillige namen er achter, naar haar vader. Maar weer schudde hij voor zelf neen! Hij had er zich niet mee kunnen vereenigen. Bernard was veel te burgerlijk. Hij wilde zijn zoon een voornamer, een buitengewonen naam geven. Iets van Felix of zoo. Felix, dat was mooi, dat klonk. Kreeg de jongen later zijn eigen visite-kaartjes, dan zou daarop gegraveerd staan: Felix van Wilden, of in 't fransch, nog beter: Mr. Felix, met den klemtoon op ix, Mr. Felix van Wilden! Jozef zag zijn zoon al voor zich, in een elegant jasje, een jonge man van twintig jaar, naast hem, ook nog jong, ook in een elegant pak, misschien met enkele grijze haren, samen op straat, samen op reis … En hij vergat Mathilde voor een oogenblik.

De dokter stapte door den gang, maakte de deur van de zaal open; op zijn eenen voet vooroverbuigend, zijn hoofd door de opening, riep hij luid naar binnen, opgewonden: Vadertje, geluk met je zoon, hoor! Hij sloot de deur en ging gauw naar boven terug; Jozef hem na.

De slaapkamer was langwerpig, met twee ramen naar de binnenplaats, tegenover de deur. Het was er donker-groen: de venster-en bedgordijnen, het tafelkleed en de stoelbekleeding waren donker-groen, ook de ondergrond van het tapijt. Er stonden twee groote en twee kleinere antieke kasten tegen de wanden. Een olielamp brandde nu op de tafel in 't midden; voor het bed grilde de schaduw van den ovalen kapspiegel op de tafel. Twee kaarsen tongevlamden op de latafel tegenover het ledikant, voor het apotheek-kastje. Toen Jozef binnenkwam, was de baker voor de tafel geknield. Zij hield het kind er boven in haar linkerhand en wond hem met haar andere in witte en gele doekjes. Met haar zeer klein hoofd, als geklonken in haar stijve kornet, leunde zij met haar eene hand op de tafel, boven het kind gebogen, wiens hoofdje nu nog alleen zichtbaar bleef. De baker stak haar vinger in den mond van het kind, en, zeer op de hoogte met haar kleine grijze oogen, zeide zij, dat er al een tand in het mondje zat en het kind dus met een tand was geboren. Dit scheen den dokter, die, tegenover de vrouwen aan de tafel, aan 't uitzoeken van het linnen-goed was, dat Mathilde nu eenigen tijd moest dragen, niet te verwonderen.

Na het kind even bekeken en bevoeld en zijn wangentjes gezoend te hebben, ging Jozef zachtjes naar het bed, en draaide zich in de dichtgeschoven gordijnen. Mathilde lag in de groene duisternis, stijf in de schoone witte lakens. Zij hijgde zachtjes, haar haren, als een kronkelende zwarte plas, veel en verward over het kussen. Zij zag erg wit.

—Mathilde, ik dank je wel, fluisterde hij en hij kuste haar.

Maar haar lippen beefden en waren koud, en hij dacht in-eens, hij wist niet waarom, dat ze er wel eens van dood zou kunnen gaan. Hij lei zijn hand in haar haar op het kussen en vroeg:

—Hoe voel-je je?

—Uitgeput, erg uitgeput …

Zij bleef roerloos liggen en zei daarna, hartelijk, angstig, langzaam, de zeurige woorden, die pas bevallen vrouwen spreken:

—Jos, ik weet niet hoe 't af zal loopen, maar mocht ik dood gaan, zorg dan goed voor ons kind! Als ik kon, dan zou ik het je knielend vragen. Maar beloof 't me, Jozef, maak, dat hij godsdienst heeft … Be-loof 't me …

—Hoe kan je nu zoo spreken?, vroeg hij, ons leven begint nu pas goed en je denkt om te sterven!

—Ik voel dat ik heel goed van-nacht kan sterven, andwoordde zij.

Toen werd ook hij vreeselijk zenuwachtig, beiden in de kinderlijke aandoening van den hevigen toestand: nee, nee, dat kan niet! zei hij hard, en hij zoende fel haar gezicht, haar aan haar schouders vattende. De dokter en de baker kwamen er bij. De dokter had het gordijn wechgeschoven, hij trok Jozef bij zijn arm bedaard van het bed te-rug. Maar Jozef rukte zich los en riep, huilend:

—Maar, ze sterft! waarom heeft u me dat niet gezeid? O, God, o, God, wat moet ik doen? Ze is koud, dokter, zoo koud als ijs, zeg ik u, en kijkt u d'r oogen eens!

—Maar, 't is niets, hoegenaamd niets, zei de dokter, dat hebben bevallen vrouwen altijd!

—O, ja, zei de baker, dat wil de natuur zoo.

Zij stond op en hield het kind voor zich uit.

—Hier, moedertje, kijk maar eens naar je jongen.

Zij tilde het kind in bed, voor Mathildes gezicht. Maar Mathilde scheen er niets van te merken.

—Is het wezenlijk zoo? vroeg Jozef, zal ze beter worden? U moet me niet foppen, meneer!

—Absolute rust en kalmte om haar heen is noodzakelijk, zei de dokter, dan zal zij gauw weer heelemaal in orde zijn.

Jozef ging naar de baker, nam het kind op zijn handen en bekeek het nauwkeurig. Mijn gezicht! zei hij zachtjes, ofschoon daar nog volstrekt niets van te zien was. Hij zoende het kind, en gaf het aan de baker te-rug. Daarna ging hij naar de logeerkamer, waar hij nu de eerste nachten zou slapen. Hij was erg moei, maar hij kon toch niet in slaap komen. Na een uur van onrust, toen zijn zenuwen een beetje tot bedaren kwamen, ging hij nog toch eens op zijn kousen kijken, of Mathilde sliep.

De lamp en een van de kaarsen waren uit in de kraamkamer en de andere kaars stond op tafel, vanwaar zij een vaal licht door de kamer verspreidde. Naast het ledikant stond het wiegje, waarin het kind sliep. De vroedvrouw, die eigenlijk bij de verlossing niet geholpen had, en die Jozef, ongewend aan bevallingsmaatregelen, er maar voor alle sekuriteit bij genomen had, en ook om dat zij zoo goed waken kon met-een, zat in een hoekje met strak open oogen, roer-loos-wakker. Jozef kwam aan het bed, en, stil de gordijnen een beetje wechschuivende, boog hij zich over de wieg heen en bespiedde Mathildes gezicht. Zij lag nog altijd onbewegelijk in dezelfde houding, met dichte oogen; zij sliep. Hij luisterde oplettend … Haar ademhaling ging zachtjes en regelmatig. Noch even bleef hij staan en bezag haar, teeder.

Toen hij weer in bed lag, gaf hij zich pas rekenschap van zijn aandoeningen. Hij had Mathilde dan toch wel lief. Hij bracht een nacht vol angsten door. Neen, maar wat ging er nu gebeuren! Daar had hij allerminst op gerekend, een zieke vrouw in huis! Hij sliep eindelijk vermoeid in, om weer met hoofdpijn wakker te worden, laat in den volgenden morgen.

* * * * *

Gedurende den kraamtijd en nog weken daarna verveelde Jozef zich gruwelijk in zijn huis. Mathilde was eenvoudig ziek en herstelde maar niet. Dokter Hansen had om een konsult met professoren gevraagd, dat gebeurd was. De uitslag was: Mathilde had een hart-ziekte opgedaan, misschien voor altijd. Zij moest die al onder haar leden hebben gehad en misschien van een van haar ouders of grootouders hebben overgeerfd. Daarbij hadden hevige koortsen haar vreeselijk verzwakt. Zij had kongesties naar haar hoofd, en duizelingen. Tweemaal daags werden er ijskompressen boven op haar schedel gedrukt, om de gloeyingen te bekoelen. Zij was zoo uitgeput, dat zij alleen heel zachtjes praten kon en dadelijk weer moest zwijgen na dat men begrepen had, wat zij verlangde. In de ziekenkamer was een volte en een drukte. In de eerste week had Mathilde volstrekt geweigerd het wiegje uit haar kamer te laten wechnemen. Zij wilde haar kind onophoudelijk bij zich hebben. Het moest liggen onder het bereik van haar blikken. Het kind schreeuwde nu dikwijls lang achter mekaar, als het niet sliep. Dan kwam Marie, het boeren-meisje, dat als min aangenomen was, hief het kind op in haar armen, drukte het aan haar borsten, suste en zoogde het. En telkens zei Mathilde, in de halsstarrigheid van haar koortsige gedachten, dat men haar Felix, zoo was het kind toch genoemd, zou geven, dat hij dan wel dadelijk stil zou zijn. Maar in de duisternis van het ledikant huilde het kind zoo erg, dat Mathilde het aan haar ooren niet uit kon houden en het dadelijk aan Marie te-ruggaf. Tweemaal per dag kwam de dokter, die altijd heel veel leven maakte, allerlei raad gaf en stadsnieuwtjes zonder einde te vertellen had. Jozef ging 's ochtends voor een paar uur naar 't kantoor, maar was overigens zijn meeste uren in de ziekenkamer, tusschen de wieg en het ledikant zittend, angstige blikken over Mathilde gooyend, ongeduldig en mis-moedig, haar zoo dikwijls vragende of zij nog geen beterschap voelde, dat het scheen, als wilde hij daar-door de ziekte doen wijken. Hij had zelf Mathilde met de medicijnen willen helpen, inschenkend en aangevend. Elk half uur hoorde men hem het fleschje en den lepel bewegen. Hoeveel druppels ook weer, mompelde hij, en noemde dan het aantal. Na dat zij den medicijn had ingenomen, staarde hij Mathilde aan soms, over het bed gebogen, als moest er een onmiddellijk uitwerking zichtbaar worden.

Maar al gauw werd het Jozef te bar uren achtereen in de duffe atmosfeer van de ziekenkamer onbewegelijk, stilzwijgend, hoorend allerlei vieze geluiden, met die doffe drukte om hem heen, te wezen. En hij ging wandelingetjes doen buiten, over de grachten, in de frissche lucht. Eens kwam hij Hasman tegen, die hem toch al een visite had gemaakt. Hasman wist hem mee te krijgen naar de club. Maar Jozef was de oude niet meer. Hij kon niet meer zoo lachen, niet meer van die geestigheden zeggen, zoo als vroeger. Eindelijk hield hij zich heelemaal stil aan het tafeltje, waarom zij zaten, en wilde heen. Hij moest naar zijn vrouw, hij moest naar de ziekenkamer. Wie weet wat er gebeurd kon, zijn, juist nu hij wech was. Jozef had geen rust, als hij niet bij 't ledikant zat, en, daar eenmaal zijnde, verveelde hij zich onbegrijpelijk erg. In een middag, dat hij weer zijn gapen moest onderdrukken, slenterde hij de trap af naar beneden en ging zitten lezen. De glazen kast stond daar, vol boeken, en zijn glansende schrijftafel, nog bijna ongebruikt. Eens hield hij het zoo een vol uur uit. Toen kwam Marie:

—Meneer, mevrouw heeft zoo'n pijn. Zij laat vragen, of u even boven wil komen.

In een zucht sloeg hij het boek dicht.

—Och … Jozef … Jozef … kom hier … zei Mathilde.

—Maar wat is 'et dan? vroeg hij.

—Zoo'n pijn, zoo'n pijn! hier …

—Waar? in je rug?

—Nee hier,…. overal … onder mijn borst … en dan zoo'n akelig gevoel in mijn hoofd … Net of er allemaal geronnen bloed in mijn achterhoofd zit … En dan zoo'n pijn in mijn beenen. Mijn beenen zwellen op … Ik weet 't niet, wat 't is. Mijn heele lichaam is ziek. Kom eens hier, buig je nog eens naar me toe.

—Wat dan? Wat wou je dan?

—Ik wou je een zoen geven. Och toe, och toe, blijf bij me zitten.

Voor een halfuur was Jozef er weer aan vast. Eindelijk besloot hij daar een boek mee te brengen en de kranten.

Jozef wende er zich weer aan, van een uur 's middags af, voortdurend thuis te zijn. Hij deed zijn schoenen uit en schoof door het huis op pantoffels, als een ziekenoppasser.

Een paar weken later, mocht Mathilde uit haar bed komen en in de slaapkamer opzitten.

Voor een van de kleinere kastjes, dat naar de logeer kamer was gebracht, was een boeken-en teekenkast voor Mathilde, in de plaats gekomen. Een van de dingen van haar ziekte was een lammerigheid van haar beenen, waardoor zij niet kon loopen. Een uur per dag maar ging zij uit haar kamer, dan werd die gelucht. Het sombere licht dat door de binnenplaats hier binnen-stootte was het eenige waar haar oogen nog tegen konden. Uur aan uur zat zij daar dan te lezen of wel te teekenen. Voor de groene tafel in een donker-grijzen, met donker-rood afgezetten peignoir, heur haren tot een zware vlecht samengebonden onder een donker-grijs, met donker-rood afgezet mutsje, haar slanke linkerhand waarvan alleen de duimtop door het porceleinen palet zichtbaar was op de tafel, met drie penseelen er dwars uitstekend. In haar rechterhand had zij een penceel of potlood en ze teekende en kleurde. Haar gezicht was erg vermagerd en als de grove hand van de goedige Marie niet een zilveren lepel vol licht-geel vocht, van het, nu overvolle, apotheekkastje naar haar toekwam en ze haar hoofd in de hoogte deed, dan zag men hoe haar oogen waren ingevallen, hoe de eerste eigenlijke rimpels op haar jong gezicht waren, hoe in-mekaar gezakt ze zat. Ze ging meestal om acht uur naar bed, en stond om elf uur 's morgens op. Vooral 's nachts had zij veel pijn en benauwdheden, zoo dat zij niet kon blijven liggen en de kussens hoog achter haar werden opgestapeld.

Toen Jozef haar voor 't eerst weer eens vlak bij het venster, onder vel daglicht zag, schrok hij. Zij merkte 't aan zijn oogen.

—Ben ik zoo veranderd? vroeg zij.

Hij vatte haar teeder bij haar schouders en zoende haar bleeke wangen. Maar dien zoen voelde hij als op doode wangen. Onmerkbaar trilde er iets in zijn oogen; er ging een kou door hem heen.

—Je zult bepaald heel gauw weer beter zijn, zei hij.

Zij gingen samen even zitten voor het venster, op twee stoelen vlak bij elkaar. Mathilde was nog in haar witte nachtgoed; haar gezicht was nog witter. Er was een verlegen stilte. Jozef zat, een beetje naar haar toe voorovergebogen, zijn eene elleboog op zijn been geleund, de handen loshangend tusschen zijn beenen. Hij keek haar medelijdend en lief aan. Haar blikken, vanachter een doffen glans van uitputting, zwierven door de ruiten heen, over de zonnige plekken op de binnen-plaats, zonder gedachten, in afwachting van wat hij zeggen zou. Hij had iets:

—Wil-je nu wezenlijk niet liever op de logeerkamer gaan en mij hier laten slapen? vroeg hij, dan heb je ten minste nog een beetje afleiding door het leven en alles wat er te zien is op straat.

—Och nee, zei ze, daar ben ik te zwak voor. Ik wil liever maar niets zien … het bevalt me hier 't best.

Zij kuchtte stilletjes. Na een poosje, bewoog zij langzaam haar rechter hand, streek er zachtjes mee over Jozets groote blanke hand, heen en weer, met haar dunne vingertopjes over het zachte vel, nauwelijks er aan rakende. Toen zei zij, met een bedaarde, klagendzachte stem, waar een te-vredenheid in klonk, dat zij zoo met hem alleen was in haar ziekte:

—Wat heb jij toch mooye handen! Eigenlijk veel te mooi voor een man.

Daarna dacht ze weer een tijdje.

—Zie-je, zei ze toen, als zei zij het besluit van een lange inwendige redeneering, het is onmogelijk, dat ik altijd zoo zou blijven als ik nu ben … Een geluk, dat zoo groot is, kan niet in-eens uit zijn … Ik zal stellig weer beter worden, heel zeker, ik weet 'et natuurlijk niet, maar zie-je, ik voel 'et zoo, ik voel 'et. En je begrijpt wel, dat ik nu nog vreeselijk veel meer van je hou als vroeger, om … hem, om Felix.

Ze had dit gezegd, zonder Jozet aan te kijken, haar blikken mijmerig voor zich uit; nu knipte zij haar oogen even snel dicht en deed ze naar zijn kant weer open, hem zoo vragend, hoe hij wel vond, wat ze daar gezegd had.

—Ja, andwoordde hij, stellig! Ik geloof 'et ook, bepaald. En, als had hij zich nog niet krachtig genoeg uitgesproken: Daar is zelfs geen sprake van, dat je niet beter zou worden. Ik twijfel er geen oogenblik aan.

Mathilde zat achter in haar stoel, haar oogen neer. Zij wreef met haar rechter duim over haar linkerhand.

—En Emilie Hartse is met Berlage getrouwd he? vroeg zij, de woorden als uit haar mond slepend.

—Ja, ze zijn d'r gisteren geweest; ik heb hun kaartje beneden: meneer en mevrouw Berlage-Hartse.

—He, 't is een kokette, akelige vrouw, die Emilie, ik hou niets van d'r!

—Och! zei Jozef verontschuldigend.

Toen Mathilde dien avond om negen uur al lang in bed lag en alles rust was in de kamer, terwijl het buiten onhoorbaar sneeuwde en de wind over de binnenplaats aan de ruiten ritselde, zat Jozef daar nog altijd, voor de tafel. De koeranten van den avond, een paar tijdschrift-afleveringen, een boek, lagen voor hem. Hij las het Buitenlandsch Nieuws. Die Emilie Hartse, mevrouw Berlage, was wel een aardig vrouwtje! Hij lei het blad plat op tafel en streek de kreukels er uit om beter te kunnen lezen. Zij was zoo vroolijk, zij was ook mooi, hij mocht haar wel. Hij las van de onaangenaam-heden, die tusschen De Duitsche en Fransche regeeringen aanhangig waren. Zij zouden nu in lang wel geen partijtjes kunnen geven, waarop mevrouw Berlage zou komen. Bismarck en Gambetta konfereerden door bemiddeling van de ambassadeurs over de belangen van Europa. Hoe was het mogelijk, dat zij dien dommen Berlage genomen had! In Rusland werd dagelijks de vrees grooter voor uitbarstingen tusschen de joden en de boeren. Zij had mooie rooye lippen, die Emilie. Het jonge Italie, dat …

—Ben je daar nog, Jos? kreunde fluisterend uit het bed.

Jozef stond op.

—Ja, wat wou-je, kind?

—Mag ik een glas water asjeblieft!

Hij gaf het en zoende haar klamme voorhoofd.

—Probeer nou weer te slapen, zei hij, dat zal je goed doen. Ik ga nu maar naar beneden nog wat lezen, dan heb je 't rustiger, en dan ga ik ook naar bed. Wel te ruste! Tot morgen, misschien ben-je morgen wel veel beter.

—Ja, misschien; laat Marie met Felix nog eens hier komen, wil-je?

Driemaal per dag kwam Marie, met het kind op haar arm, bij Mathilde; Jozef ontmoette haar nu op de trap. Hij hield haar staande nam het kind even van haar over, zoende het en ging verder. Alles was doodstil in huis; alleen hoorde Jozef, toen hij in den gang kwam, eentonig de keukenklok tikken. Hij veegde met zijn zakdoek zijn lippen af. Hij zoende niet graag zulke jonge kinderen. Die Marie is eigenlijk volstrekt niet kwaad, dacht Jozef, een aardige meid!

Toen Jozef het licht had opgestoken in de achter-kamer, en een boek, een roman in een kalfslederen band gebonden, uit de kast wilde nemen, steeg er plotseling een woede, de uitbarsting van een lang onderdrukt ongeduld, in hem op. Hij maakte groote stappen door de kamer.

—Dat duurt nu al maanden, zei hij luid, het gaat niet meer, ik weet niet, wat ik doen zal.

Hij stak een zwaren cigaar op en bleef beweging-loos en dommelend den heelen avond zitten. Een verzet was in zijn hart ontstaan. Hij verveelde zich onhoudbaar. Het ging toch ook werkelijk niet op den duur!

Gedurende de volgende dagen, dacht Jozef, koud, met zijn rede en zijn gevoel van wereldsch mensch, na over zijn vrouw en zijn kind. Zij ging erg achteruit. Wat moest er in Gods naam van komen? 't Was wel aardig geweest, even na de geboorte, het denkbeeld van zijn eigen kind te hebben, een voortbrengsel van zijn liefde, maar nu, een klein leelijk rood, onooglijk, schreeuwend wicht, neen! 't was alles behalve pleizierig.

* * * * *

Langzaam verstreken maanden. Mathilde bleef 't zelfde. In dezen tijd, kon zij eens 's avonds niet in slaap komen. Zij had dien middag onwillekeurig een paar uur gedommeld, en lag daarom nu wakker. Zij dacht dat zij een beetje de koorts had. Haar oogen, wijd open, staarden naar boven, naar den groenen hemel van het ledikant, zwartgroen in de zwakke schemering van het nachtlicht, en die in stijve plooyen zich in een middenpunt, een rozet, samentrok, waaruit een beddekwast nederdaalde, roerloos als de slinger van een stilstaande klok. Het felle wit van het dek, dat zich als harde sneeuw, over en om haar heen spreidde, schreeuwde tegen de duisternis, scheen naar boven te dringen en stapelde zich op, als een koude massa, midden in de zwarte tinten. Mathilde dacht … en bewoog haar lippen of streek er met haar tong tusschendoor, van pleizier van zoo te liggen denken. Het suisde door haar hoofd; er was een ijlheid in haar hersens. Haar zieke gestel gaf haar gedachten een bizondere scherpte en levendigheid. Terwijl een nattigheid door haar oogen sprankte lispte zij, en er ging iets droogs, iets kramperigs door haar verhemelte … O Jozef! … o Jozef! … Zij bewoog haar eene voet even en schikte haar armen in een gemakkelijker rust op het bed, om nog inniger en uitsluitender aan dat eene onderwerp te kunnen denken. Zij dacht er over, wat zij allemaal zouden doen, als zij weer beter was. Heerlijk! Heerlijke jaren zouden er komen! Wat een gelukkig en benijd drietal zouden zij zijn! Zij had dat al zoo dikwijls gedacht, maar nooit zoo hevig als nu. Zoolang zij alleen jonggetrouwden waren geweest, had zij nog altijd iets gevoeld, zij wist niet precies hoe, maar als of zij nog half en half niet getrouwd was, als of die man wel elk oogenblik heen kon gaan, niet dat dat gebeuren zou, maar dat 't ten minste mogelijk was. En ook zoo voor de menschen. Als zij en Jozef menschen ontmoetten, bij hun aan huis of op straat of bij anderen, dan was er in 't "dag, meneer, dag, mevrouw" of in het "dag, Jozef, dag, Mathilde" iets als of de menschen op dat oogenblik den indruk kregen van twee alleenstaande wezens te ontmoeten, twee op zich zelf staande menschen, die wel innig aan mekaar verbonden waren, maar toch maar met hun tweeen waren en elk oogenblik ieder een anderen weg konden gaan. Maar nu niets van dat alles meer. Nu was zij niet alleen heelemaal vrouw, een jonge en gepozeerde vrouw tegelijk, maar nu waren ze, zoo dacht zij, nog meer een samen, zij hoorde nog veel meer dan vroeger, ook voor de menschen, onafscheidelijk bij mekaar. Zij waren niet meer jonggetrouwden, neen, hij was de vader, zij was de moeder. En wat een vreeselijke heerlijkheid, op straat en overal in 't openbaar met elkaar te zijn en dan de menschen te zien of te hooren zeggen: "dat is de jonge mijnheer en mevrouw van Wilden, ze zijn drie jaar getrouwd zoo wat, zij hebben een kindje, een allerliefste jongen". Maar, dat alles daargelaten, wat zouden zij een stil en heimelijk geluk met hun drieen hebben in huis! Hij daar, zij hier, en Felix in 't midden! Neen, maar 't was waar ook, zij had volstrekt, na de geboorte niet al die ellende, over dit groote geluk nog niet in onderdeelen nagedacht. En, terwijl de koude, als een vale nevel, door de kamer, door het ledikant en over haar heen zweefde en haar gezicht doortrok, bleef dat gezicht maar liggen staren naar boven, en voelde Mathilde een warmte in haar oogen en in haar mond als stroomde het geluk over en wilde naar buiten, dat, als een eindeloos zacht zilveren vocht, door haar heele lichaam vloeide. Een enkele maal wreef zij, onder het dek, haar handen tegen mekaar van de eenzame zaligheid, die haar zoo vervulde. Heerlijk! zij zag zich al weer, genezen en gezond, beneden in de huiskamer zitten, Jozef tegenover haar, Felix op een hoogen kinderstoel, een rood puntje aan zijn neusje, twee heele groote oogen, lachend, juichend, met zijn handjes bewegingen van vreugde makend, tusschen hen in. Jozef aaide de wangetjes van het kind, sneed het voor hem bestemde sneetje brood zonder korst aan kleine stukjes, gemakkelijk om in de melk te soppen. En Jozef keek dan glimlachend naar haar, om te vragen, of ze het zoo niet goed vond, en om dan samen van liefde te lachen, samen begeesterd door het jongetje, die nog niet spreken kon. Liet Felixje iets op den grond vallen of morstte hij, dan stond zij op om hem te helpen, en stopte hem met haar vinger een stukje geweekt brood in zijn mond. Daarna zou ze bij voorbeeld aan Jozef vragen, of hij nog een kopje thee wou hebben. Hij zou haar zijn kopje overreiken en hun vingers zouden elkaar aanraken boven de tafel, voor het kind heen. Die kleine aanraking, hoe onuitsprekelijk gelukkig zou dat zijn! Zij die hem zoo goed kende, zij, die alle dag in de innigste aanrakingen met hem geleefd had, verheugde zich nu al als op iets buitengewoons, in het vooruitzicht van die aanraking van hun handen boven de ontbijttafel. Ja, want dat zou daar dan haar familie, haar familie zijn. In haar huis, met haar man, met haar kind, zou zij daar zitten, aan haar levensdoel, tot het leven gekomen voor altijd.

Er kraakte iets in de kamer. Het woei buiten. Een huivering ging door het behangsel, het nachtlichtje bewoog, spatte even, langzaam verroerden zich de zwarte schaduwen; een ritseling ruischte over de vloer laag langs de kasten en stoelen.

Was er iets? neen, er was niets. Mathilde kuchte van gerustheid. Zij kuchte nog eens, langzaam, in haperende schorre tikjes. En het was of zegenend de duisternis, in een dikken vlokken-mantel en de koude, als oneindig veel scherpe sprietjes, haar naderde, om haar heen viel, haar aaide en met haar geluk samen was. Toen dacht Mathilde aan dien eenen, dien eersten grooten nacht, waarin zij, voor haar open venster in het oude huis, over Jozef had gedacht, na dat hij 's avonds van zijn liefde had gesproken. In de verte, als een bevende, bleeke herinnering, zag zij nu inwendig haar vader voorbij gaan, voorbij … voorbij. Zij merkte dat zij hem vergeten was.

De koorts werd erger, en Mathilde sliep in, met droge lippen, dronken van het denken.

Den volgenden Zondagmorgen, heel in de vroegte, was de min met Felix in de kinderkamer, boven de logeerkamer, voor het venster gaan zitten en liet het kind naar den dag kijken. Zij hield hem vlak voor de ruiten. Langzamerhand was het acht uur, half negen geworden, en Marie keek met een groote belangstelling op de stille gracht, waar na enkele melkboeren, die er met hun witblaauwe emmers aan de versch geschuurde koperen haken langs de huizen waren gegaan, om hard aan te schellen en de meiden, in hun nachtjakken en met halfdichte oogen, te helpen, de haastige en ingetogen kerkgangers liepen. Het waren burger-mannen met bloote handen, dik en grof, met schoenen glimmende in de morgenzon op de droge straat, met glimmende heele hooge hoeden op het glimmende van achteren heel dikke en kort in den hals afgesneden haar als geplakt; met borstelige nekken; met lange, zwarte jassen waaraan een dikke en bengelende achterzak en de andere dof gevuld; met wijde broeken van effen zwart laken of heele dikke met bruine strepen. Dan meiden met leelijke gezichten, helder gewasschen. Enkele met kornetten onder hun hoeden, die de meesten met bruine of zwarte banden onder hun kinnen hadden gestrikt. Andere hadden verouderde dameshoeden op, met veren en pluimen en linten in donkere kleuren.

Maar vooral had Marie schik in de oogen van het kind op haar schoot. Zoo groot, zoo bruin, zoo zuiver vond zij ze, en zoo verstandig al. Zijn wenkbrauwtjes kwamen al aan, donkere streepen boven de oogen. Wat zag hij er mooi uit in zijn zondagspakje, met rokjes met kantjes, met die fijne kousjes met dat lieve blauw en witte doekje waar zijn bovenlijfje in gewikkeld was!

Juist hield Marie het kind weer voor de ruiten en liet het dansen op haar knie, een zacht liedje neuriend toen de deur openging, en Jozefs lichaam, hoog in den klaren ochtend, binnenstapte. Marie bewonderde hem, met zijn lichtbruin haar, altijd zoo mooi geschoren, zoo mooi gekleed, en zoo vriendelijk.

—Goeye morgen, Marie …

Zij andwoorde hem niet rechtstreeks. Zij vond hem haar weldoener, om dat hij haar, als ongetrouwde min, wel had willen nemen, toen zij juist niet wist wat er van haar worden zou. Zij was erg verlegen tegenover hem.

—Fik, Fik, daar is vader en ze liet Fik, zoo als zij hem het eerst had genoemd, dansen op haar schoot; maar zij zag Jozef niet aan. Het kind lachte tegen vader en kraaide 't uit van de pret en bewoog zijn heele lichaampje zoo als kleine honden tegen hun meester doen.

—Zoo jonge heer! en hoe maakt onze jonge heer 'et? vroeg Jozef. Hij boog zich over het kind heen en gaf hem met zijn mooyen wijsvinger op de bolle wangetjes een tikje. Marie, die nu rood werd, keek maar al naar het kind en lachte tegen hem en schikte zijn mutsje en zijn kleertjes eens goed met haar rechterhand:

—O, heel goed, vader … niet waar, Fik? … Heel goed!, en ze zoende het kind gauw en zachtjes en hield haar oogen maar neer. Jozef nam een fauteuil en ging vlak bij hen zitten.

—Hebben jullie al ontbeten? zei hij en keek in Maries oogen.

—O ja, meneer, … voor zevenen al … en ze knipte met haar oogen, keek hem even aan en toen weer gauw uit 't venster en trommelde met twee vingers op de voetjes van het kind.

—Kom, geef hem nou eens hier … Nu moet vader em eens hebben …

Nu wist Marie met haar armen en met haar heele houding geen weg. Zij vouwde haar handen samen en drukte ze tusschen haar knieen; dan weer lei ze op iedere knie een hand; maar toen zij haar bruine bij Jozefs blanke handen zag, deed zij ze onder haar boezelaar. Nu keek zij Jozef wat meer aan, die heelemaal met het kind bezig scheen. Maar als hij haar dan weer aankeek, gingen haar blikken langs de staalgravures aan den wand en van de staalgravures op de stoelen en van de stoelen op het tapijt en van het tapijt op haar schoot en van haar schoot door 't venster op de gracht. Ze wist niet hoe 't kwam, maar nu stond in-eens het huilen haar nader dan het lachen.

—En hoe bevalt je nu op den duur je nieuwe baantje, Marie?

—Ik dank u d'r nog altijd wel voor, meneer …; 't bevalt me heel best, meneer …

—Nou, nou, je hoeft er niet om te huilen … hoor eens Marie … Hij had haar het kind te-ruggegeven, was opgestaan en had zijn linkerhand in zijn broekzak gestoken, met de rechter gestikuleerende … zal je nu goed voor mijn jongen zorgen? … zal je? … Kijk me eens goed aan … beloof je 't me? …

—Ja, meneer, zeker, zeker, … ik beloof 'et u …

Toen ging Jozef langzaam wech.

't Was negen uur geworden.

Nu kwam Dientje de werkmeid binnen met een dampende kop koffie voor Marie. Dientje had een breeden mond, dikke lippen en alles verder in haar gezicht was dik en klein; zij was leelijk maar goedig.

—Hier, Mietje, zei ze, koffie, ze is sterk, hoor, … Pas op, bran je niet.

Het kind lag in Maries rechter arm en met den linker slurpte ze de heete koffie.

—Doet je dat nou geen goed, mensch? Ja, koffie, dat is altijd een heerlijke drank …

—Hoe laat drinken we koffie? vroeg Marie, terwijl ze den leegen kop aanDientje te-ruggaf.

—Om twalef uur; … je moet tegen 'n uur of ellef maar 'es met Fik naar mevrouw gaan … 't arme mensch.

—Ja, wat is ze toch ongelukkig, he?

—Ze het wat uit te staan, hoor mensch, 'n ongeneesselijke kwaal, het de dokter gezeid … Nou, nou, 't is voor meneer ook een slag geweest hoor!

Dientje was met haar handen haar boezelaar aan 't verfrommelen. Zij had een groen japonnetje aan en een geur van schoon linnen bij zich.

—Ja, zei Marie, dat kan j'em dan ook nog wel aanzien …

—Och, hij houdt zooveel van mevrouw … 't kon zoo'n best huwelijk geweest hebben! Maar wat zal je d'r an doen, de mensch wikt, maar God beschikt, zoo as ze zeggen …

—Ik zal nou maar eens naar mevrouw toe gaan, zei Marie.

Mathilde zat op een leuningstoel aan de tafel, bij het raam. Haar teekengerei stond voor haar. Zij steunde haar hoofd op haar hand en tuurde.

—Binnen!, zei ze, … zoo, Mietje, …

—Hier is Fik, mevrouw … Hij is al-door heel zoet geweest.

—Geef 'em maar 'es hier, ik hoop dat ik 'm zal kunnen houden. Mathilde schoof zich met een voet wat van de tafel en met een inspanning zette zij het kind op haar schoot en gaf hem flauwe zoenen. Zij hield hem lang tegen zich aan gedrukt, in een stilte, en had hem lief, met groote starre oogen. Zij had juist nu het gevoel van den dood, zoo als zij het dikwijls had tegenwoordig. Haar gezicht, in een ernst die het verouderde, dacht aan de toekomst. Zij had smartelijke gedachten, die zij aangenaam vond als mooye liedjes. Zoo zag zij altijd tegenwoordig op de binnenplaats vogels, die hun jongen verzorgden en voedden in den winter, in muurgaten, en zij vond pijnlijk dat zij dat haar kind niet ook kon doen. Zij dacht, of Jozef Felix wel goed zou opvoeden en er een braaf en flink man van maken na haar dood. Toen werd ze moe, leunde meer in haar stoel, gaf het kind aan Marie te-rug.

—Zie zoo, dag mevrouw …

—Kom je dan om een uur of vier van middag nog eens te-rug, Marie?

—Ja zeker mevrouw, zeker.

Mathilde hield er niet van in haar tegenwoordigheid door de menschen beklaagd en achter haar rug bepraat te worden. Daarom wilde zij geen visites hebben. Altijd werden de kennissen wechgestuurd met de boodschap, dat mevrouw belet had, dat mevrouw te ziek was. Mathilde wilde alleen zijn met haar ziekte. Later, als ze weer gezond en flink zou zijn, zouden de menschen haar wel weer zien. De kennissen deden dan vergeefsche pogingen en bleven ten laatste van zelf wech. Alleen Marius, de kantoorbediende van Jozef, die anderhalf jaar geleden toen ook op hun feestje was geweest en dat gedicht op het huwelijk had voorgedragen, liet zich niet ontmoedigen, maar drong er onophoudelijk bij Jozef op aan toch eens het voorrecht te mogen hebben mevrouw in haar ongesteldheid te bezoeken. Jozef sprak er Mathilde een paar maal over. Eerst wou zij niet. Waarom die jongen eerder dan een ander? Jozef verhaalde dan, dat Marius gezegd had, dat hij hoopte mevrouw, die zich wel erg moest vervelen, misschien wat afleiding te kunnen bezorgen. Hij meende gemerkt te hebben, dat het in der tijd door hem voorgedragen gedicht mevrouw wel een beetje bevallen had; nu kon hij haar misschien nog iets voorlezen, of zoo. Mathilde lachte hij dat idee. Waarom hield die Marius toch zoo aan? Wat had hij toch? Had hij dan zoo'n medelijden met haar? Goeye jongen!

Een dinsdag-middag na de Beurs werd Marius toegelaten. Onhoorbaar, als met een vinger van was, werd er op de deur van de ziekenkamer geklopt. Binnen! De kruk van de deur bewoog aarzelend en opende zich zoetjes met het geluid van een haastig, herhaald voeten-vegen. Zijn blonde hoofd een beetje gebogen, in zijn daagsch jasje, een breede versleten zwarten das onder een schoonen aan den hals rafelenden boord, kwam Marius met een linkschen stap binnen.

Mevr … hij kuchte, … mevrouw, ik ben zoo vrij, om …

—Ik dank u wel voor uw belangstelling, meneer Marius, gaat u even zitten.

—O, … mevrouw …

Uit verlegenheid ging hij, langzaam neerzijgend op een stoel, zich schamend en rood wordend over een gaatje in zijn schoenen, vlak bij Mathilde zitten.

—Ja, mevrouw, ik wou eens komen vragen, hoe het met u gaat … u is altijd zoo lief en goed voor ons geweest, mijn zuster zou ook wel komen, als zij mocht …

—Ja, meneer, u begrijpt, ik heb veel rust noodig, en …

Hij viel haar in de rede:

—O, mevrouw, maar ik zal heel zacht spreken, ziet u, ik begrijp heel goed, dat u het anders … als men ziek is, niet waar, dan hindert de minste kleinigheid.

De zin was er uit. Hij werd gloeyend rood om dat hij dat alles zoo juist achter elkaar had gezegd. Hij wist niet wat hem overkwam om zoo plotseling met haar alleen te zijn. Hij trok zijn, van versletenheid aan de randen scherpe, manchetten over zijn handen tot aan den ondersten duimknokkel, dat hem pijn deed, om dat zijn handen daar ruw-rood waren van den winter. Met zijn groote, wijde, licht-blauwe oogen, met in 't midden van de appels een goud rontetje, iets als een verren vonk, bekeek hij haar verwonderd, terwijl de verlegenheid van zijn voorhoofd tot onder zijn haar steeg. Zij zag hem rustig aan en keek dan weer naar het handwerkje, waarmee zij bezig was.

—U is erg vermagerd, u moet veel hebben uitgestaan, zei hij snel en lachte bedeesd.

—Ja, meneer, maar ik hoop, dat het nu gauw beter zal gaan.

Hij keek om zich heen door de kamer, zonder iets te zien, als om zich te bedenken. Daarna zei hij luid:

—Kan ik niets voor u doen?

—Ik dank u wel, meneer, u is wel goed, maar nee, ik dank u … ik heb eigenlijk weinig noodig.

Zij hielden zich allebei stil. Mathilde begreep, dat zij nog iets zeggen moest. Zij liet haar werkje even op haar schoot liggen en zei, met een welwillenden trek in haar gezicht:

—Mijn man is erg te vrede over de bezigheden op het kantoor, … ook erg over u …

—O, mevrouw, andwoordde Marinus verontschuldigend.

—Ja, zeker, hij zegt, dat u het beste werkt van allemaal.

—U zit hier zoo zonder veel zon en 't is zoo stil op de binnenplaats, … mevrouw.

—Ja, meneer, maar dat is juist het eenige, waarbij ik het kan uithouden. Veel licht en veel leven hindert me.

—Kan ik niets voor u doen? vroeg Marinus weer, iets voorlezen, bijvoorbeeld?

—Ik wil zelf heel graag iets lezen, als u mij iets leenen wil; voorlezen zou mij wezenlijk wat te veel vermoeyen.

—Mag ik u dan nog eens iets komen brengen?

—Heel graag … maar, wil u ook iets drinken, een glaasje port of zoo, het is hier wel een treurig verblijf, waar als u wil …

Marinus stond op en, denkend te doen zoo als het hoort, bracht hij zijn stoel een eindje verder tegen den wand, waar die nooit stond.

—Nee, mevrouw, ik dank u wel, zei hij, maar ik moet weer wech, … u heeft ook rust noodig.

—Nou, meneer, dan hou ik me aanbevolen voor als u eens te-rug wil komen. Troost en medelijden doen altijd goed.

Zij stak haar hand naar hem uit. Hij nam die half, daar hij er niet te ver in durfde gaan. Hierop boog hij tweemaal telkens op grooter afstand van Mathilde. Hij schopte in zijn verwarring tegen de deur, waar een klein butsje in kwam, en zeide: O, neem mij niet kwalijk, vaar wel, beterschap, mevrouw, beterschap … dag, … mevrouw.

En zijn blonde, hoog stijgende haar verdween plotseling uit de kamer.

De dokter en de twee professoren hadden gezegd, dat zij niet goed wisten, wat eigenlijk de ziekte van Mathilde was. De geluiden, het suizen in haar ooren, de opvloeyingen van het bloed naar het achterhoofd en de hartkloppingen, waaraan zij leed, bewezen, dat zij iets aan het hart had, waarschijnlijk een vergrooting, waarmede zij geboren was, maar die na de bevalling zich pas ernstig openbaarde. Maar zij scheen ook een kwaal in het ruggemerg te hebben; zij had hevige pijn in den rug en zakte dan in-een, zonder recht te kunnen zitten. Er deed zich nog een derde verschijnsel voor: soms, tegen het einde van haar korte daagjes, als het weinige opzitten haar al zoo vermoeid had, vertoonden er zich zwellingen in haar beenen, tusschen de knie en de enkels. Dit was het water.

—Waar zijn uw ouders aan gestorven? had de dokter eens, brutaal-wech, gevraagd.

—Mijn moeder had iets aan haar hart, heeft mijn vader mij altijd verteld; waar hij-zelf aan gestorven is, weet ik niet precies.

Mathilde werd zoo zwak, dat zij dikwijls weder dagen achter-een in bed bleef, zonder kracht, zonder lust om op te staan. Zij steunde zich met een appart hard kussentje in den rug, als zij overeind kwam om een beetje te eten. De dokter had gezegd, dat zij den aanstaanden zomer maar naar Scheveningen moest gaan; daarna had hij weer van een hooge, een fijne lucht, het Gooi, gesproken. Jozef hield niet veel van buiten. Tegen den zomer, had hij gezegd, zouden ze er nog wel eens over spreken.

Maar de kongesties naar het hoofd werden erger; zij veroorzaakten een bedwelming, met allerlei schemeringen, Nauwe en groene en gele kringen en vlekken voor Mathildes oogen. Als middel daartegen werden onder anderen eerst kompressen met karbol, later met ijs gevulde blazen, die verkoelden, gebruikt. Als het akelige stijgen van het bloed haar al te veel overweldigde, greep Mathilde zelf een brok druipend ijs uit het koperen emmertje, dat bij het ledikant stond, en drukte het stuk op haar haren, dat haar vingertoppen rood en blauw werden van koude tinteling en het water tappelings haar hoofd af in haar hals sijpelde. Maar Jozef was hier een ware hulp in den nood. Heel handig wist hij haar te helpen. Met zijn slanke, mooye vingers, kon hij de kompressen hanteeren, of haar met zijn eene hand recht-overeind houden en met de andere het ijs op het hoofd drukken. Hij wist heel precies hoe hij haar moest behandelen, waar hij haar moest aanraken, om haar geen pijn te doen.

Eens op een ochtend kwam hij binnen. Mathilde lag nog in bed. Hij hield een kleinen al opengemaakten brief in zijn hand.

—Thilde, ben-je wakker?

—Ja, wat is 'et?

—Groot nieuws.

—Wat dan?

—Berlage is gister-avond gestorven.

—De ouwe heer?

—Nee, nee, Louis.

-Och, heer, hoe is 't mogelijk! … Hoe is dat zoo gekomen … Nu isEmilie ook gauw weduwe.

—Ja, hij moet een ongeluk hebben gehad. Ik heb hier een briefje vanEmilie; waaraan hij gestorven is, zegt zij niet.

—Ga dan maar dadelijk een visite maken …

—Ja, vin-je ook niet? Dat had ik ook gedacht.

—Doe mijn komplimenten, hoor! Zeg, dat ik erg medelijden met d'r heb.

—Ja. Wil ik je nog eerst even helpen?

En hij verzorgde haar nog even voor hij wechging, schikte de kussens goed, gaf haar in, deed alles met ijver.

Mathilde was dien ochtend als lam wakker geworden. Zij had een onbegrijpelijk moe gevoel door haar hele lichaam. Toen Jozef te-rug was, zeide hij:

—Ze is nog al niet erg gedrukt onder haar verlies. Er is hem op straat iets overkomen, een beroerte. Na den eten was ie gaan wandelen in het Vondelpark … en ze hebben zijn lijk thuis gebracht.

—He, God, dat is verschrikkelijk! … En ze is niet eens erg bedroefd? He, ik ijs er van als ik er aan denk.. 't Is toch een vreeselijke vrouw, die Emilie … Ik geloof, dat ze niets geen hart heeft.

—Ja, maar hij, denk eens aan hem. Hij is er 't minst pleizierig an toe.Zoo jong te sterven. 't Is wel erg.

—Ja, maar je weet niet hoe of me dat hindert, dat je zeit dat ze nog al gelaten is … Ik vin 'et onmenschelijk! He, ik ril er van … Kom eens even hier.

Zij sloeg haar zwakke armen om zijn hals:

—Jij zou heel anders zijn als ik stierf, he?

—Wat een vraag … En wat een gedachte!

Gedurende eenige minuten omhelsden zij mekaar.

* * * * *

Drie dagen later zat Jozef, nadat hij alleen op het zaaltje gegeten had, in de binnenkamer, waar de groote glazen boekenkast stond, te rooken. Hij leefde nu al maanden akelig en naar. Dat kon niet langer. De trek naar al zijn jongeheeren-pleizieren van vroeger kwam dagelijks weer meer in hem op. Wat had hij er in 's hemelsnaam aan gehad om te trouwen! Ja, hij had een geregelder en maatschappelijker leven willen gaan leiden. Zijn te lang durende jeugd had hem verveeld, hij was verliefd geweest, ja, en toen was hij getrouwd. En nu, daar zat hij nu, verlaten als een kluizenaar in een woestijn in zijn huis! Wat had hij nu? Een waarschijnlijk voor-goed zieke vrouw, van wier zuchtende en machteloze liefde hij nu al meer dan genoeg had, een klein schreeuwerig wicht, dat hem niet eens nog kende, met niets dan last en geen-een genoegen. Zijn hersens dorstten naar het rumoer van de straat, naar hel verlichte zalen, naar onverschillig eeuwig-grijns-lachende vrienden-gezichten. Hij had een gevoel alsof het tegenwoordige leven hem langzamerhand heel uitpompte en verdoofde. Hij maakte er zich driftig over. Hij was toch waarachtig niet van plan als een oud stil heertje nu verder door te leven tot alles gedaan zou zijn! Hij keek denkend, zich bezinnend, in de rondte, en zag alles leeg en levenloos in de kamer. Het gas wilde niet eens branden. Dat was ook een ellende met die gasfabriek tegenwoordig! Hij zou morgen weer reklameeren.

Wat zou hij nu doen? Hij nam in Gods naam maar een boek: een geillustreerd werk over China. Het verveelde hem. Hij sloot het dicht.

Een week later, toen hij in de ziekenkamer de koerant zat te lezen, zeide hij:

—Zou je 't naar vinden, als ik weer eens uitging?

—Wat bedoel-je?

—Zoo 's avonds naar de opera of zo…. een enkele keer … zie-je.

—Welnee, Jos, ik heb 't je immers zelf wel 'es gevraagd, dat te doen, ga gerust, dan heb je een beetje afleiding.

Hij ging. Gedurende zijn afwezigheid was Mathilde bedroefd en bang, om dat zij zoo alleen in huis was. Maar zij wilde er zich met kracht en geweld tegen verzetten. Wel was 't haar goed, terwijl zij daar machteloos en ziek lag, te weten dat hij daar was, daar haar liefhebbende, hem daar onophoudelijk en vlak bij haar te voelen, altijd. Maar zoo kon 't niet altijd blijven, zij wist 'et wel. En daarom was 't maar goed, dat hij gegaan was, heel goed. Hij had wezenlijk niet aan haar verdiend, dat ze hem zich nu zoo liet dood kniezen in den duffen dampkring van haar slaapkamer. Een bewustzijn sloop nu haastig bij haar binnen, dat zij schuld had aan haar ziekte. Zij verweet zich-zelve hun beider ellendig bestaan van nu. Waarom was ze ook ziek geworden? Waarom was zij ook in bed gaan liggen? Kom, het was misschien maar gekheid, maar inbeelding. Wanneer zij zich er toe dwong, zou ze misschien op kunnen staan en in eenige dagen weer gezond zijn, door dat sterk te willen. Hij zou dan niet alleen uit hoeven te gaan. Zij zou altijd en overal hij hem zijn, hem altijd, altijd vergezellen, zoo als het hoorde. Zij wilde het dadelijk probeeren. Kom, het ging al. En, aan haar dwazen inval toegevend, richtte zij zich met geweld op, door den steun van haar armen. Krachteloos viel zij weer neer en lag van zwakte half te slapen toen Jozef thuis kwam om twaalf uur.

De kongesties, die naar Mathildes hoofd stegen, hielden nu zoo aan, dat er soms een half uur achter mekaar telkens nieuwe ijskompressen op gebonden werden. Den eersten avond dat 'et gebeurde, deed de heftige reaktie Mathilde zoo'n pijn en had zij zoo'n duizeling, dat zij met haar handen de kompres naar beneden rukte, die Jozef voorzichtig op haar hoofd had gelegd. In 't vervolg lieten zij nu Marie er ook bij komen, om te helpen.

Het was zeven uur in den avond. Jozef had, om zich van zijn groeyende verveling te verstrooyen, aan tafel twee halve fleschjes fijnen, zwaren wijn gedronken in plaats van een. Mathilde zat op in bed, in een hevigen aanval van hartklopping en koortsige bloedstijging. Haar gezicht was lichtelijk rood gekleurd, haar oogen gloeiden, zij beefde sterk. Marie stond rechts van het breede ledikant, aan den deurkant, Jozef stond links, in het doorgangetje, tusschen het ledikant en het behangsel. Zij hielpen Mathilde, schikten het beddegoed, deden haar nachtjapon goed, werkten met de kompressen. Het lamplicht schoot telkens over Marie heen, als zij weer recht op ging staan en haar armen naar zich toenam, na over het bed heengebogen te hebben, bewegingen makende, tastende om mevrouw bij te staan. Jozef keek naar Marie, zoo als zij dan telkens in blank-gele en licht-roode tinten door de lamp beschenen werd en zich dan weder in de groenige duisternis van het ledikant bewoog. Een vreemde lust beving hem. Hij voelde een komende stormwind opruischen door zijn leden. Hij opende breed zijn oogen en staarde, werktuigelijk doorgaand met het strikken van de doek, waaronder de kompres boven Mathildes hoofd vastgemaakt werd. Marie hield met haar twee handen het hoofd stil en de kompres er op. Jozef maakte den strik. Dan raakten zijn vingers Maries pols. Een sekonde bezat hij zich zelf niet meer. De strik viel los. Hij had met zijn hand Marie aangevat. Hij drukte zijn vingertoppen tegen Maries arm. Marie schrok hijgend, verrast, wilde haar hand te-rugtrekken.

—O, God, ik kan niet meer! zuchtte Mathilde, die in haar kussen te-rugzonk.

Oogenblikkelijk was Jozef weer bij zijn zinnen.

—Wat doe je nu toch, Marie? zei hij, je houdt de kompres niet goed vast.

Marie liet niets merken en de kompres werd vastgestrikt. Marie had niets begrepen; zij had zich zeker vergist, dacht zij.

Mathilde had alles begrepen. Toen zij alleen was, bekende zij het zichzelf. Haar gemoed was verbrijzeld. Zij begon met wezenloos rond te zien en met haar handen haar hoofd te betasten. Hierop moest zij zich langzaam, zoetjes aan, rekenschap probeeren te geven van wat er gebeurd was … Jozef stond daar, Marie daar, er was iets tusschen hen gebeurd. Hij had haar aangeraakt. Hij was haar, Mathilde, ontrouw geweest. Ontrouw? Ontrouw? Ja, dat was het woord, waarmede zij dikwijls in boeken de handeling had genoemd gevonden, die Jozef nu daar-zoo tegen haar had gepleegd. Neen, hoe was het ook weer gegaan? Die man, wat toch "die man"? Het was toch Jozef geweest! … Jozef! … Jozef! … Een man had daar gestaan, was met zijn hand over haar heen gegaan … Een man … O, God, o, God, waar ben ik? wat is er! … Ik word gek!… Wat was dat toch? Een vreemde wind uit de hel, die voorbij is gegaan … Er is iets wech, er is iets van me wechgegaan! O, God, waar is 'et, waar is 't gebleven? Er is iets leeg geworden, hier, van binnen in me, in-eens, heelemaal, 't is wech, wech, mijn leven is wech … voor altijd wech …

Als een krankzinnige sprak Mathilde luid in de eenzaamheid. Zij was zonder het te weten uit haar bed opgestaan, en rilde over de vloer, op haar bloote voeten. Zij wandelde door de kamer en bevoelde de voorwerpen, om te weten of zij bestond. Zij ging zitten op een stoel, als om bedaard over de een of andere zaak na te denken, die haar bezig-hield. Zij stond weer op en deed allerlei onverschillige dingen, alles vergeten hebbende, als of zij plotseling, in een minuut, in een andere vrouw was overgegaan, een gewone vrouw, die niets deerde, en die de zaken van haar huis in orde schikte. Haar angst was volkomen; daarom lei ze haar peignoir goed, die van den rug van een stoel was afgevallen, bekeek de kleine dingetjes, die zij, als zij naar bed ging, altijd uit de zakken van haar japon nam en op de tafel lei: een notitieboekje, een goud potloodje, een speldekussen, bekeek ze een voor een, alsof het geheimzinnige onbekende zaken waren, voorwerpen uit een andere wereld, bekeek ze met een koel-opmerkzaam gezicht. Hierna ging zij bij de tafel zitten, haar eene hand in haar haar, de andere onbewegelijk op haar schoot. Als een van mensch tot beeld bevroren wezen, bleef zij roerloos. Haar oogen knipten snel heen en weer. Zij herkende de plaats niet, waar zij was. Het scheen haar, als was ze daar plotseling in een kamer neergegooid van een pas nieuw getimmerd huis, dat nog wrak stond, waarin de wind vrij speling had, dat elk oogenblik in kon storten. Zij was alleen, heel alleen. Zij sprak een taal, die niemant verstond. Zij huilde tranen, en niemant wist waarom. Iedereen was haar vreemd; zij was vreemd aan iedereen. Daar waren een massa menschen in de rondte, ver beneden haar, die lachten en praatten, maar niemant, die haar zag. Die man, die eene man, ging ook voorbij … zij zag zijn achterhoofd … hij keek niet naar haar om.

Nu begon Mathilde zachtjes te hijgen. Haar oogen draaiden dan naar rechts, dan naar links over de tafel. Zij luisterde. Alles was stil. Niet het minste gerucht steeg op over de trappen, naar boven. Allen waren dus wechgeloopen en hadden haar alleen gelaten. Zij zag in haar verbeelding Jozef de trap afgaan, hij keek niet, hij daalde altijd lager de trap af, hij keek niet om; daar waren andere, onbekende trappen, die, naar de laagte, voortdurend elkaar opvolgden. Jozef daalde altijd dieper, het werd klein, eng om hem heen; die trappen schenen in een eindelozen koker in het diepste van de aarde uit te komen. De muren, die om de trappen heen waren, werden grijs; een mist hing om Jozef heen. Hij daalde voortdurend met denzelfden kalmen tred, zonder eens naar haar om te zien, hij daalde, daalde altijd, Hij verdween in een ver-vreemd oord, voor altijd van haar wech. Mathilde zag 't zoo duidelijk; daar, vlak voor zich, in haar onmiddellijke nabijheid. Zij had haar hand uit haar haar genomen, en hield, met de elleboog op tafel steunend, haar hand, de vingers wijd van-een, op eenigen afstand van haar over de figuren van het tafelkleed brandende oogen, om haar verdriet te genieten; zoo als een prentenliefhebber, die nauwkeurig een zeldzame plaat bekijkt. Daarna stond zij op, ging bedaard weer naar bed en sliep vast tien uur lang, zonder eens wakker te worden.

Mathilde zei aan Jozef geen woord van haar ontdekking. Dat zij zoo verbazend stilzwijgend werd, dacht hij dat van haar ziekte kwam.

Mathilde beterde nu hoe langer hoe meer. De kwaal bleef, maar zij mocht opzitten den heden dag, en kwam ten laatste zelfs beneden; maar den eersten keer deed zij er vijf minuten over, om van de slaapkamer naar de binnenkamer te komen.

* * * * *

In het begin van Maart was op verzoek van Jozef Emilie Berlage-Hartse op de koffie gevraagd. Emilie voelde zich tegenwoordig zoo verlaten! In haar rouwtijd kon zij niet uitgaan, zij, die zooveel hield van zich overal in het publiek te vertoonen. Nu moest men haar zoo'n klein pleiziertje aandoen, trachten haar een beetje te verstrooyen. Zooveel praatte zij ook niet. Haar tegenwoordigheid zou Mathilde niet vermoeyen.

Jozef was weer een tijd trouw thuis gebleven. Geregeld, als een liefdezuster, stond hij Mathilde ter zijde. Hij had zich-zelf verwenscht om dien eenen keer, dat hij Marie zoo had aangeraakt. Hij wilde het boeten, en deed het. En vooral in deze dagen voelde Mathilde hoe vol haar hart van hem was en wat zij leed. Het was twaalf uur. Tegen half een werd Emilie Berlage verwacht. Over de tafel lag een damasten servet met franje. Twee karaffen, de eene met rooden wijn, de andere met blauw en bleek water, stonden op zwarte flesschenbakjes met randen van nagemaakt zilver, op de tafel. Een verlakte broodbak, met dof-gouden ingedrukte bloemen en bladen, uit liet huis-houden van Mathildes vader afkomstig, stond in 't midden. Verder zouden door Dientje twee warme schotels op komforen worden binnengebracht; er stonden ook nog twee schoteltjes met koud vleesch, een met beschuitjes en een met kaas. De burgerlijkheid van de familie de Stuwen loste zich zoo op in de meerdere voornaamheid, die door Jozef in het huishouden was gebracht. Mathilde zat in haar ochtendjapon, haar haar zoo'n beetje opgemaakt, voor de tafel, botrammetjes te smeren. Jozef zou zoo met-een van 't kantoor komen. Dientje, met een ernstig opmerkzaam gezicht, kwam binnen om nog 't een en ander in orde te brengen, te schikken: een vork, die zij naast een bordje vergeten had, een vingerdoekje, dat scheef lag. Ook trok zij herhaaldelijk, met een krachtige getemperde beweging van haar vingers, aan den rand van de tafel, het servet naar zich naar zich toe, om de rimpels er uit te krijgen.

—Heeft u nou alles, mevrouw? vroeg zij.

—Ja … dan breng je het vleesch binnen, als wij beginnen, he?

—Jawel, mevrouw.

Eer Jozef nog thuis was, kwam Emilie. Zij had wat borduursel beneden aan den rok van haar effen zwarte japon. Zij was erg druk en erg lief. Al de woorden, die zij gedurende de dagen van haar eenzaamheid niet had kunnen spreken, daar zij niemant had ontmoet, stroomden nu uit haar mond. Hoe aardig, hoe recht vriendelijk was 't van Mathilde, er aan gedacht te hebben haar in haar droefheid een afleiding te bezorgen! En Mathilde-zelf, hoe maakte zij het toch? Emilie had zooveel onrustbarende tijdingen over haar gehoord, dat 't haar bepaald goed deed Mathilde eens in eigen persoon te kunnen ontmoeten. Ging zij wezenlijk beter? Zoo, zoo! dat deed haar ontzachlijk veel pleizier. Ja, de dood van den goeden Louis, Emilies man, was als een plotselinge donderslag op haar neer gekomen. Zij had zooveel geschreid, dat zij geen tranen meer over had. 't Was iets verschrikkelijks in den waren zin van het woord, zoo vroeg weduwe te worden Zij was bepaald overstelpt geweest. Die goede Louis. och, die goede Louis! Wat bleef haar nu over? Niets. Zij was alleen op de wereld. Dat was ook de titel van een roman: "Alleen op de wereld!" had Mathilde dien wel eens gelezen? Zoo, nooit? het was toch werkelijk een mooi boek. Wel de moeite waard. Och, maar, aan zulke zaken dacht zij nu waarlijk in 't geheel niet. Zij herinnerde zich het werk alleen van vroeger. Maar Jozef zou het wel kennen. Die beste meneer Jozef! Waar was hij? Zeker op 't kantoor? Ja, zoo'n ijverig man. Altijd was hij in de weer, van alles op de hoogte, voor alles te vinden. Altijd tot dienst bereid. Iedereen hield veel van hem. Zij had ook zeer geapprecieerd, dat hij haar zoo dadelijk na haar verlies een visite was komen maken. Wat een mooi tafellaken had Mathilde hier! Zeker nog uit den boedel van den ouden heer. Hoe aardig, van 't zelfde patroon als de vingerdoekjes! Zij bleef voorloopig maar wonen in het tot nu toe door haar man en haar bewoonde huis. Och, waarom ook niet? Het was wel wat groot voor haar alleen, maar op die manier kon zij het meest en het best in gedachte nog met den dierbaren afgestorvene verkeeren.

Mathilde hoorde Emilie aan, zonder er iets tusschen te mengen, met bleeke glimlachjes van bevestiging en deelneming, de ringen van haar vingers op en neer schuivend om Emilie niet bewegingloos aan te kijken. Deze eerste rollende woordenroffel aan haar oor, na al de maanden van stilte en afzondering, deden een hinderlijk gesuis in haar hoofd ontstaan. Tusschenbeide voelde zij aan haar slapen iets kloppen, met lichte tikjes.

Toen Mathilde geen andwoord vond, wilde Emilie doorgaan. Zij had nog duizenderlei dingen op haar hart, die zij behoefte had uit te storten, maar juist kwam Dientje binnen, met het vleesch.

Er was even onaangename stilte tusschen de dames, terwijl Emilie Dientje bekeek. Mathilde zeide:

—Je had 'et nog niet binnen moeten brengen, niet voor meneer er was, meende ik.

Toen Dientje de deur open deed om weer wech te gaan, hoorden de vrouwen het sleuteltje van Jozef in het voordeur-slot bewegen. Met een slag en een dreun, een lichte rilling van het voordeurglas en een kuch van Jozef, trad hij door den gang. Zij hoorden nog het gemoffel van zijn overjas, dien hij aan den kleerenstandaard hing, den stamp van zijn paraplui dien hij daaronder zette.

Emilies bovenlip en de gedeelten van haar gezicht om haar neus heen, trilden onmerkbaar, zij keek, afwachtend, naar de kachel, die begon te gloeyen, terwijl haar handen met haar zakdoek speelden. Een hoog zongeschitter schoot van de binnenplaats af door het vertrek. Een verfrissching huiverde door de kamer; langzaam, kalm, koel, verscheen Jozef.

—Kom ik te laat?

—Juist bij tijds, zeide Mathilde.

Jozef had nu een lichten lach. "Mevrouw!" zei hij tegen Emilie en boog even met zijn hoofd, met een voorwending van ernst om de droefheid van Emilie. Daarna ging hij tot vlak bij Emilie, terwijl zijn voet stootte tegen den poot van een stoel en Emilie half opstond om zijn hand te drukken, warm van de pas uitgetrokken handschoen. Hij ging naar Mathilde en zoende flauwtjes haar voorhoofd.

—Hoe gaat 'et? vroeg hij met een lieve erg gemeenzame-stem.

Nu dejeuneerden ze. Mathilde at bijna niets. Emilie vertelde wat een last zij had van een kleinen hond, die Louis maar niet vergeten kon en overal zijn meester zocht. Mathilde lei snel haar vork, met de tanden naar beneden, op haar bord boven het plasje vettig-bruine saus, waaromheen zich een dun rondje geel vet kringde, en te midden waarvan een stukje hoog gezwollen roode biefstuk zich verhief. Zij stond op, zij was onwel. Zij was nog te zwak, zeide zij. Emilie moet het niet kwalijk nemen. Zij wilde naar haar slaapkamer te-rug.

Jozef stond op, zijn handen aan de tafel, met zijn vingers zijn vingerdoekje tot een knoest drukkend, aarzelend zonder besluit.

—Drink 'es, zei hij eindelijk.

—Nee, dat is 'et niet. Ik heb alleen maar rust noodig.

—Nee, mevrouw, maar, blijft u … ik moest toch vroeg naar huis, zeideEmilie.

—Nee, nee, ik verzoek u te blijven, houd u mijn man nog een beetje gezelschap.

Mathilde was bleek van opkomende benauwdheid. Haar blikken dwaalden, alsof zij ergens zocht, wat er nu met haar gebeuren zou.

Jozef bedacht zich, hij keek Emilie aan als om haar te vragen, wat zij dacht, dat hij nu moest doen. Daarop wilde hij, dat Mathilde zijn arm zou nemen.

—Steun op me, dan zal ik je naar boven brengen.

Vijf minuten later was Jozef te-rug. Emilie gaf haar ontsteltenis te kennen. Het was dan zoo erg! Dat had zij nooit kunnen denken. En zij verhaalde, haar oogen op den biefstuk op haar bord, van een van haar ooms, die twintig jaar lang heelemaal in afzondering had moeten leven, om dat het minste geluid, het kalmste gesprek hem benauwde. Telkens had zij een zweem van een onderdrukt lachje om haar mond, als zij haar oogen opdeed en Jozefs blik ontmoette, die uit beleefdheid roerloos luisterde, om hem met een gebaar iets duidelijk te maken in haar verhaal.

Mathildes stoel stond scheef, een eindje van de tafel, geschoven, haar vingerdoekje lag er verkreukeld op. Haar glas water en wijn stond half vol voor haar bord; zachtjes lekten kringetjes vocht in het glas van den rand naar onderen, omdat zij pas gedronken had. Er was een leegte tusschen Mathildes plaats en de deur, alsof zij maar even was heengegaan, om terstond te-rug te komen. De hitte van de kachel werd erger. Er beefde een onvolledigheid door de kamer, die maakte, dat Jozef en Emilie zich niet op hun gemak voelden. Als Jozef haar nog van de spijzen aanbood en zij aannam of bedankte, als hij haar een schotel overreikte of haar nog inschonk, was er iets kils, een haperende zachtheid in hunne stemmen. Eens vatte zij een schotel niet handig genoeg aan, waardoor er bijna iets gevallen was. Dit veroorzaakte een verlegenheid tusschen hen beiden. Haar rouwkleed vervreemde hem eenigszins van haar. Hij zag niet graag dat zwarte achter zijn glansend witte tafellaken.

Toen zij eindelijk, in de wasemende stilte van het gedane dejeuner, met een gekraak van haar stoel over de vloer, opstond om heen te gaan, zeide hij zijn eerste beleefdheid:

—Zou ik u nog eens mogen komen opzoeken?

—O, dat zou ik zoo graag zien, andwoordde zij gemaakt luchtig, ik ben zoo alleen.

Haar rijtuig wachte al voor de stoep. Zij hield er niet van met dien langen kaper te voet over straat te gaan. Zij reed ratelend wech. Jozef stak zijn hoofd even in de kamer, waar zij zoo even gedejeuneerd hadden, als om te zien of zij niets vergeten had. Er was een geur van zwarte glace handschoenen en een doffe zakdoekreuk gebleven. Daarna ging hij langzaam de trappen, op naar Mathilde. Hij dacht er over, dat Emilie volstrekt niet naar Felix had gevraagd.


Back to IndexNext