XII.

Jozefs verveling vermeerderde met den dag. Zij steeg tot in zijn keel. Zijn eetlust zelfs verloor hij bijna. Dat was een geslenter en geslof over de trappen, een even stilstaan in de gang en weer in de binnenkamer en er weer uit, dat niet langer duren kon. Hij kreeg een zekere matheid door zijn leden. Hij dacht aan zijn mijmerijen over huwelijksgeluk, die zich een voor een hadden opgelost in de eentonigheid der witte muren van den gang en in de donkerte van de ziekekamer. Een groote spijt over zijn verloren vrijheid drong zoetjes bij hem binnen. Wat had hij toch begonnen? Zou zijn leven nu zoo voortgaan tot aan het einde? Zijn armen hingen loom langs zijn lijf. Hij pruilde in eenzaamheid. 's Avonds voor dat hij naar bed ging en 's nachts in zijn slaap spookte Marie door zijn geest. Langzamerhand won de grijze verveling al de kleine dingen, waarin hij, behalve in Mathilde, tot nu toe belang had gesteld. De geillustreerde tijdschriften, waarop hij zich geabonneerd had, bleven onopengesneden liggen. Hij wilde zich dwingen met aandacht boeken over natuurkunde, werken van dichters en romans te lezen, maar het ging niet. Een ijlheid, een walging voer door zijn leden. Op die manier was het leven onmogelijk. Alleen verdiepte hij zich nog in de aan zijn toilet besteedde zorgen. Aan zich zelf overgelaten, groeide zijn ijdelheid. Hij bestelde nieuwe pakken hij den kleermaker, stond zich voor zijn spiegel te verstrooyen met het aanpassen van overhemden en boorden, bracht een half uur door met de kleur van een das te overwegen. Eens kwam hij 's middags op Mathildes kamer, en vond haar geknield liggen bidden. Toen zij ophield om hem aan te kunnen hooren, zeide hij:

—Ik dacht, dat je God vergeten was.

—Zeg dat niet, Jozef, ik bid voor Felix.

Hij was gaan zitten en keek, of de velletjes onderaan zijn nagels wel genoeg naar beneden gedrukt waren. Toen sprak hij zijn voorhoofd fronsend en zijn kin achteruit drukkend, half uit gekheid:

—Ben-je nu van plan altijd ziek te blijven, lieve kind?

—Dat weet ik immers niet, andwoordde zij, laten we het beste hopen.

Naarmate Mathilde zich wendde aan haar ziekte, verlevendigde de gedachte aan God zich in haar. Zij voelde zich langzaam, meer en meer zacht-vroom gestemd worden. Zij voelde in haar wezen, terwijl zij haar pijnen doorstond, dat God er was om haar te troosten. Hij was daar, achter haar, boven haar hoofd, in de gordijnen en in den hemel van het ledikant. Maar het was geen wezen, geen omlijnde persoonlijkheid meer zoo als de God van haar jeugd. Het was iets onzichtbaars, iets als een wolk, een trilling van eindeloze goedheid en opperste troost, die zachtjes, bij kleine vermeerderingen, tot haar nederdaalde. Wanneer, met een heftigen sprong, het denkbeeld in haar hersenen stootte om terstond order te geven, dat Marie heen zou gaan, was die God daar voor een beletsel, onoverkomelijk. Marie moest blijven, Marie was goed voor Felix, Jozef zou geen kwaad meer doen. Wanneer zij in haar verbeelding Jozef en Marie samen zag elkaar liefkozend, en zij bij die samenkomst heel vergeten werd, en zij zag hem haar aanpakken, haar zoenen, dan straalde van dien God een ontkenning uit, voor de gestalten van Jozef en Marie heen. Hoorde zij 's nachts in haar verbeelding iets als zachte mannenstappen naar boven gaan over de trap, dan moest zij zich vergissen. Jozef was alleen, Marie was alleen. Een troost, die van links en rechts zachtjes aanwoei maakte haar kalm. Dan sprak zij die wezenlooze beschermende macht aan met de woorden, die haar van vroeger waren bij gebleven: O God, o Heer, o Jezus, ik dank u.

Mathilde besloot het verdriet, dat zich door geen nieuwe vermoedens verlevendigde en dat zich verkleinde, te verdragen. Zij zou wachten tot zij beter werd, om weer op nieuw gelukkig te zijn.

Het zou langzamerhand lente worden. Dokter Hansen hield nu lange gesprekken met Jozef over het naar buiten gaan van Mathilde. Na dat de dokter, met zijn kort hondenneusje en rimpelig in-een-geduwde handjes, allerlei raadgevende en verklarende bewegingen had gemaakt, was er besloten, dat de zieke in Hilversum zou gaan herstellen. Het dorp lag hoog, de lucht was er fijn. In den omtrek waren wel geschikte huizen, ook villaas, te koop of te huur. Dokter Hansen schreef aan den dokter in Hilversum om naar een geschikte woning voor Jozef uit te zien.

Mathilde wou eerst niet. Zij zou 't nooit doen, nooit, of Jozef moest zijn zaken aan kant doen en ook voorgoed daar komen wonen. Want, zich van Jozef scheiden nooit! Jozef, die zich er altijd iets op voor liet staan uitmuntend met vrouwen over weg te kunnen, had een heel krijgsplan gevormd, om Mathilde over te halen. Hij begon met alles toe te geven, wat zij wou. Neen, zij zouden samen voor goed daar gaan wonen, winter en zomer. Hij sprak zelfs, al schertsend, van op die manier heelemaal een landedelman te worden. Maar tegelijk, terwijl de tijd vorderde, kwam hij minder geregeld thuis om een uur 's middags: de zaken breidden zich zoo uit; hij moest noodzakelijk langer op het kantoor blijven zeide hij. In Mathilde was gedurende haar ziekte een oude herinnering, een van haar vader overgenomen belangstelling in geld, in aangelegenheden waarbij rekenen te pas kwam, opgeleefd, en zij stelde meer dan vroeger belang in de zaken van haar man. Zij vroeg wel: hoe gaat 'et op 't kantoor? Zijn er vandaag weer nieuwe kommissies gekomen? Toen het nog veertien dagen was voor zij naar buiten zou gaan, stemde zij er in toe, dat Jozef zijn zaak aanhield. Zij zou dan probeeren een zomer alleen in Hilversum door te brengen, Jozef zou elken dag met den Rhijnspoor-trein van drie uur naar Vreeland komen, zoo dat hij voor vijven in Hilversum kon zijn en zou elken ochtend om half acht met de diligence, die direct van Hilversum op Amsterdam reed in een groote twee uur, weer te-ruggaan. Heel goed, uitstekend! ja, zoo zou het gaan.

In dien tijd maakte Jozef, met een netjes ingepakt boek in den binnenzak van zijn overjas, een visite hij Emilie Berlage. Hij gaf haar het boek te leen: een fraayen roman, waarvan de handeling in Egypte voorviel. Zij moest in lektuur wat afleiding zoeken. Emilie was, terwijl zij hem zoo in haar huis ontving, veel meer op haar gemak dan gedurende het dejeuner. Zij las een brief voor, dien zij van den ouden heer van Riet, haar voormaligen voogd, die na haar huwelijk met zijn vrouw in een duitsche badplaats was gaan wonen, had gekregen en door de beide oude lui van Riet onderteekend was. Jozef maakte de opmerking, dat 't wel jammer was, dat zij hen nu ook miste, die haar in de gegeven omstandigheden anders van zooveel troost had kunnen zijn. Emilie liet aan Jozef haar hondje zien: een prachtig zij-harig wit en rose beest, dat dadelijk Jozefs handen likte. Terwijl dit gebeurde kwam er een warmte tusschen Jozef en Emilie. Zij zagen beiden naar den hond met verliefde blikken.

—Een aardig dier! zei Emilie, en hij kan Louis maar niet vergeten. Zij riep "Kastor" en aaide zijn rug, met een mooye buiging van haar hand.

Dezer dagen kwam de tijding, dat door den dokter van Hilversum, een buitentje voor Jozef gekocht was, heel aardig, gelegen aan den 's-Gravelandschen weg, voor veertien duizend gulden. Jozef reisde nu verscheiden malen heen en weer, tot dat alles daar buiten in orde was, altijd met de spoor naar het station Loenen-Vreeland, waar hem dan een wagentje uit Hilversum kwam afhalen. Daar dokter Hansen altijd nadrukkelijker verzekerde, dat Mathilde in de fijne hooge lucht van het Gooi gauw herstellen zou, bepaald spoedig, begon zij met een koortsige drift naar dat buiten-zijn te verlangen. Voor ze ging, kwam Emilie Berlage haar een afscheidsvisite maken. De dag van het vertrek was een van de eerste wezenlijke lentedagen.

Om dat Mathilde te zwak was om de vermoeyenis van het gejaagde en het schokken van de spoor te verdragen, was er besloten, dat zij de heele reis van Amsterdam naar Hilversum per rijtuig zou doen. Alleen Marie en Felix gingen met haar mee. Jozef zou wel denzelfden dag ook komen, maar zij wilde volstrekt niet dat hij dien vervelenden langen tocht in het rammelende rijtuig mee zou maken.

Om elf uur in den ochtend kwam het rijtuig voor. Het was een oude barouchet, een van de weinige, die er nog in Amsterdam waren, maar volgens den stalhouder was dit het zachtst rijdende van al zijn rijtuigen. Mathilde, die in zoo lang niet in de frissche lucht was geweest, kreeg op de stoep bijna een duizeling. Zij zag de heele omgeving, de huizen aan d'overkant, het zwart-groene water van de gracht, de boomen langs den wallekant met hun groote verwarring van pas uitbottende aarzelend groene sprietjes, en het rijtuig met de twee schonkige paarden, dat een leelijken donkeren prop scheen te midden van de wasemende wit-en blauwheid van de lucht, zij zag alles in breede lijnen golven, zoo als men over een erg warme kachel heen het de voorwerpen in de kamer ziet doen. Het geruisch van de straat hier en het doffe geraas van de drukke buurt uit de verte scheen door alle porien van haar huid te dringen, alsof het uit een emmer over haar heen werd gestort.

De mengeling van geluiden, die, hij het opengaan van de voordeur, haar in-eens bedwelmde, verdoofde haar eene oor, zoo dat zij een inwendig aanhoudend schel gefluit hoorde, als of; wel in haar hoofd, maar toch in de verte, een lokomotief floot. Daarbij scheen 't als kwam er een zegening uit de hooge lucht over haar, als ging zij een nieuw leven tegemoet, als wuifde, in onzichtbare luchtdelen van den grond een gelukstoestand naar haar op, onder haar rokken in haar lichaam dringend, en uitwendig haar bekruipend tot aan haar hals, tot over haar gezicht. Maar de lucht was sterk en zij moest haar oogen neerdoen, waaronder nu het bleeke blauw van de stoepsteenen, met zijn vele krijtige witte vlekjes, scheen te dalen en te rijzen. Marie was vlak achter haar en maakte, de armen vooruitstekende, bijna volvoerde gebaren, om haar te steunen. Terwijl Mathilde haar dof-stoffen schoen zonder hakje op het treetje van het rijtuig zette, vroeg de koetsier, die het portier vasthield, met zijn groven, aan den toestand vreemden, toon, Mathilde met zijn hand onder haar elleboog helpend, of de tollen nu of op zijn te-rugrit betaald moesten worden Dientje had een kanapeekussen tegen den rug van het rijtuig gelegd, op de achterbank. Hiertegen zeeg Mathilde neer, haar oogen dicht, om even te bekomen. Daarna tilde Dientje Felix op de voorbank, waar Marie naast hem ging zitten. De witte schoenen van het kind staken vooruit op de bank. Dientje zeide:

—Nou, mevrouw, goeye reis, hoor, goeye reis!

Zij bleef met haar stijf glimmend witte boezelaar, onbewegelijk glimlachend, als een pop tegen de bruin-groene deur staan, tot dat de barouchet wechreed. Hobbelend en kletterend ging het rijtuig voort. De venstertjes in de portieren dansten in de schommeling van de rijtuigkast op en neer. De voordeuren, onderste vensters en reepen muur van de huizen schoven in voortdurende opvolging voorbij als een reeks aaneengevoegde tooneel-achtergronddoeken, van boven afgebroken door de zoldering van het rijtuig. Op den hoek van het Koningsplein zag Mathilde de versleten hoog-ronde hoed van Marinus de Beer, die erg keek en diep groette; in de speling van het glas weekten de vormen van zijn haar ineen, alsof het vloeibaar was. Toen deed Mathilde haar oogen weer dicht in de krachteloosheid, die haar beving en, mijmerend over Jozef, die van-avond komen moest, sluimerde zij half.

Buiten de Muiderpoort, over den weg naar Diemerbrug, hoste het rijtuig vreeselijk. De boomstammen sprongen telkens te voren, aan weerszijde. Marie poogde Felix, op haar schoot, zoet en rustig te houden. De oogen van het kind stonden wijd open, als begrepen zij de zaken, waarop Marie, met een ter eere van de gelegenheid, heel helder, bijna feestelijk geplooid gezicht, zijn aandacht vestigde. Zoo duurde het twee uur, tot men door Weesp en door 's Gravenland gereden was, tot in de Leeuwelaan. Om dat Mathilde geen kou zou vatten, waren de raampjes toegelaten, maar door de reten suizelde de lente binnen, een wordend met de lauwe, doffe lucht in het rijtuig. Mathilde, die het onbekende gras, de vijvers en de bijna groenloze doorzichtige tuinen van de buitens van Six bekeek, links en rechts, en, voor haar uit, naast het zakachtig lichaam van den koetsier, een stuk hooge, tintelend-witte, over de samenbuigende groengeknopte karkassen der groote boomen-opvolging als de zilverige zoldering van een tooverpaleis zich uitstrekkenden hemel bestaarde, voelde bij iedere reeks schokken van het rijtuig, zich ver van haar verleden leven wechvoeren. Zij had in zoo lang zoo'n nieuwen, zich over alles heenspreidenden zonnedag niet gezien. Door de vermoeyenis heen, waarin zij ieder oogenblik, haar kin naar haar borst gedrukt, tegen den rug van het rijtuig schokte, vulde haar een zucht om Jozef te vergeven en een weder ontstaand vertrouwen. Maar tegelijk was 't haar, of zij voor altijd van hem henen reed, naar een ver, vreemd land. De onbekende stukken natuur, die van weerszijden en van voren, door de vierkante glazen vakken van het rijtuig, in haar oogen drongen, telkens verdwijnend, zich telkens vernieuwend, met grijzig-blauwe, lila en goud-witte tinten, waartegen de lage en hooge boomen en struiken, met hun magere, kale, draayend-kronkelende armen en talloze akelig-spichtige vingers, telkens dichter samengestoken, als de overgebleven geraamten van een daar plotseling verkoold soldatenleger, zich roerloosdreigend verhieven, schenen haar in een gelukloze toekomst te voeren, op den maatgang van de trappelende paarden.

Dan weer sprongen de groene knopjes overal op, schoten overal te voren, als jonge stemmen van een koor, dat hoop verkondigde, tusschen het onverschillig hobbelen van het rijtuig en de vaalheid, het grijs-bruine van het bosch. Een scheut zon geelde over het bloeyende hout heen en kleurde de groene propjes teeder en verzilver-blauwde de stammen en takken. Dan weer verduisterde de zon, wolken schoven aan en weken. In snelle overgangen werd alles grijs en alles weder glansend. Ten laatste bleef alleen de glans over. Het was een voorjaars-middag.

Het lage witte hek van een buiten, in de verte als een recht-opstaande streep bevroren sneeuw, kroop nader. Eindelijk stootte het voorbij, langzaam, met rukken, door het portierraampje, terwijl het grasveld en het hooge zware gelig-witte heerenhuis, met duidelijk omlijnde groezelige zonneplekken er achter bleven liggen voor altijd daar bevestigd.

Toen het rijtuig een eind voorbij den tol, den dalenden weg afreed, van den molen tot aan haar nieuwe woning, zag Mathilde voor zich uit als in een groot vreeselijk diep prieel. Door de vermoeyenis van het lange rijden was zij in een uitputtende koortsige stemming geraakt en voelde zij zich als of er ieder oogenblik iets in haar breken zou. Zij kon niet goed meer denken of zich rekenschap geven van de omgeving. Zij liet zich gaan in de sussende beweging van het rollende rijtuig, terwijl door deze gewaarwording de herinnering aan dien rijtoer van eenige jaren her, langs den Amstel, toen haar vader nog leefde, werd opgewekt. En plotseling zag zij, in de altijd wijdgeopende oogen van Felix op den schoot van Marie tegenover haar, Jozef weer, zoo als zij hem dien vorigen avond in zich had opgenomen. De herinnering aan het verdriet week, week al in een ver verschiet en daalde door haar achterhoofd naar beneden. Zij zag Jozef in Felix en om hem heen schemerden met schitteringen de boomen en huizen en alles in de rondte haar tegen.

De weg had zich, bij den molen, plotseling verbreed.

De straatweg vloeide nu, laag, in het midden vooruit, zoetjes naar beneden; aan weerszijden waren de breede hellende voetpaden van hard donkergrijs zand. Verder nog er naast waren de strepen wintergras, als de kortgeknipte schedel van een onderaardsche reus, afwisselend van een tot tien meter breed, waarbinnen de dikke stammen van de overgroote iepen zich als knoestige zuilen in wijde rijen paalden. Achter de boomen stonden, schraal, de ijzeren en houten hekken van de zes, zeven buitens aan elken kant, tot aan het eigenlijke dorp. Rechts was eerst een vergezicht opengegaan, hel wit over leege akkers, te-ruggestooten door de verheffingen van nieuw lichtgekleurde huizen, met platte en schuine daken en van vaalroode huisjes in aanbouw, die ophardden tegen het wit en blauw van den rondenden hemel.

Maar het vergezicht werd dadelijk gesloten door tot aan den weg tredende buitens aan beide zijden, met hun samengrenzende nog winterende tuinen, dofglinsterend in hun door de nevel heen licht van boven vergoudde grijsheid. Maar, dichter bij liet rijtuig, hoog boven de aarzelend ontbottende beplanting van de tuinen, boogden de tegen den glooyend- blauwen hemel opwassende iepen hun machtige groen herlevende twijgen samen als de bedaking van den weg. Door hun uitgebreide, bladerloze, ledige, buigende lichamen wemelde en tintelde het witte goud van de lucht over de duizende in verwarring uitspruitende zacht-groene knopjes. In den zwakken wind rilden en negen de twijgjes, en nog koele zonnevonken dansten af in helle spartelingen.

Mathilde was met moeite een beetje recht-op gaan zitten. Zij wilde den omtrek goed zien.

Er was bijna niemant over den weg te bekennen.

De vensters van de villaas waren gesloten; de menschen waren nog niet aangekomen. Hier en daar in de verte gingen de flodderige, plompe gestalten van een man, van een vrouw. Voor Mathilde alleen was de eerste lentedag van het Gooi. Een welkom suizelde haar nu tegen, toewemelend uit alle lichten, links en rechts en overal. Zij kwam hier om weer haar geluk te-rug te krijgen. Jozef kwam van-avond. Zij vestigden zich hier met hun tweeen. Al moest hij ook alle dagen voor de zaken naar de stad, Hilversum werd zijn ware woonplaats. Zoo dacht zij voort.

Mathilde was zoo uitgeput van de reis, dat zij achterover tegen het kussen samenzakte, toen het rijtuig het als een dubbele deur geopende hek binnenreed, waardoor men in de smalle achter het huis omliggende oprijlaan kwam. Met een laatsten flauwen blik had zij het nieuwe huis gezien. Bij het indraayen van de laan kraakten de wielen van het rijtuig scherp, een van de wielen sjorde even kritterend over het uiteinde van een met kiezelsteenen bevloerd pad, dat van voren langs het huis heen liep, heuvelopwaards. Daarna reden ze langzaam, met een kort gekraak van de kast en lange klachten van de wielen, tot midden achter het huis, voor een oude stoep met door den regen versleten treden.

Van den straatweg afgezien, stond Bagatelle, zoo heette het buitentje, daar, van binnen en van buiten schoongemaakt en hersteld, dof wit, blauwig-blank, met zijn vier spiegelende raamdeuren, zijn acht opengestooten smalle lange jaloezien, van zijn schuin-opgaand grasveld gescheiden door het kiezelsteenenpad langs den voorgevel, met zijn dicht blauw-bruin rieten dak tot even boven de raamdeuren neerhangend, door twee ronde in vooruitstekend omkastingen gesloten dakvensters gebroken, en van boven vastgehouden door een schoorsteen aan elk der twee uiteinden, gelukkig en kalm, te vrede in den zwakken zonneglans.

Aan elke zijde hing aan het lijf van het huis een in zwart-groen houtwerk getimmerde warande. Maar uit de verte zag men ze niet, bijna niets van het heele huis; want een groep boomen, waarachter het kiezelpad opslingerde, schaarde zich links en rechts, alleen het grasveld, van ovale bloemperken doorstoken, tusschen hen in openlatend. Uit de verte was alleen het lage hek zichtbaar: drie smalle strooken loodkleurig hout, bij iedere meter lengte door paaltjes opgehouden, en in drie afdeelingen gesplitst door de hoogere glimmend-groene, puntige hekdeuren, die ieder tusschen twee lila hoekige palen, met ronde witte bollen er op, zich door ijzeren schrenieren bewogen en zich konden openen voor de oprijlaan.

Het buitentje was niet weelderig. Marcheerden de zaken, zoo dacht Jozef, dan kon men later zien iets meer chics te krijgen; maar, met zijn uiterlijk van half Zwitschers landhuis, was het toch niet onaardig.

Toen het rijtuig stilhield, was Jans, die met de vrouw uit het dorp, waarmede zij de boel in orde had gemaakt, mevrouw wachtte, het stoepje afgegaan en had het portier open gemaakt. Bij het te-rugzien van Mathilde, ontstelde zij. Haar weeke wangen bibberden, een beetje bleek.

—Is u daar, mevrouw? vroeg zij bezorgd, haar ruwe bloote voorarmen uitstekend om Mathilde behulpzaam te zijn.

Mathilde knikte, met een flauwe vriendelijkheid. Nauwelijks liet Jans haar grijze blikken heel even over Felix rollen, maar, terwijl zij Mathilde stutte, toen deze op het treetje zonk met haar een voet, waardoor haar japon in het rijtuig haperde en een plek witte rok bloot kwam, en Marie zich bukte om met haar hand de japon goed te doen, keek Jans wrevelig naar Marie. Zij hielden niet van mekaar.

Mathilde zei tot Jans, met een afwezige stem, alleen dit:

—Meneer komt ook nog vandaag. Heb-je daarop gerekend?

Mathilde werd dadelijk naar bed geholpen. De door Jans gedekte tafel in de groote kamer bleef alleen staan, met zijn hard wit servet, stijf geplooid, verlaten, afwachtend in de nieuwige en naar politoer riekende frischheid van de pas schoongemaakte kamer.

Tegen den avond kwam Jozef aan en at, eenzaam, midden in de onverschilligheid van de vreemde kamer, als in een hotel, het half koude eten, na dat door de vrouw uit het dorp de lamp opgestoken was en de jaloezien dicht gemaakt waren met een geluid als van valsche lage toonen van een harmonika.

Mathilde sliep voortdurend. Na zijn eten keek Jozef, aan iets denkend, in de lampe-vlam en over de schaduwen en witte plekken van het tafellaken. Op de vlakte van donker-wit lagen de tegen den draad in door het linnen heen gestikte glimmend witte figuren. Hun helheid schitterde zoo naar boven, dat al de overige deden van het laken er donker-grijs bij werden. Het waren vierkante blokjes, met vier kleine vierkante gaten in 't midden, als korte breede kruisbalkjes samengevoegd. Jozef, zijn armen op zijn knieen, zijn borst tegen den tafelrand, staarde zonder te zien over de figuren, terwijl door zijn neus regelmatig hijgend zijn adem over het wit blies, als van iemant die wakend slaapt.

Het was dood-stil in het huis. Jozef voelde een leegheid door zijn leden, om zijn armen, die er met koude kracht over heenzonk. Hij keek eerst, een stukje melodie uit een operette van vier jaar geleden, die hij zich nauwelijks herinnerde, tusschen zijn lippen blazend, bijna fluitend, naar de zoldering, vanwaar, in de alles overvlekkende schaduw der lampekap, het wit aarzelend nederschemerde. Hij hoorde daarboven loopen, met schoffelende stappen, en stoelen verzetten met dreuningen, waarvan het geluid ruw door de rustige schaduwen heendaalde. Hij stond op om alles eens te bekijken, zoo als het nu geschikt was en voor het hier te leiden leven pasklaar gemaakt. Hij zag het lichte nauwelijks met groene en gele ruikertje bestrooide behangselpatroon, de oude uit een dorpsboedel gekochte piano, verder de twee groene kanapeetjes van glad leder, de stoelen aan de tafel en langs de wanden, rieten en leeren, het buffetkastje, de drie deuren, waarvan die op den achtergrond in den korten gang, de twee aan weerszijden in kleinere aangrenzende vertrekjes uitkwamen. Dunne, doorschijnende neteldoeksche gordijnen stonden, in een zwevende houding gestolten, stijf van het strijken, van boven tot beneden voor de vensterdeuren, hun onderste helft door magere witte koordjes met kwastjes opgehouden. De donkere lattenopklimmingen der jaloezien hingen met wrevel tegen de ruiten aangedrukt.

Jozef trad in het kamertje links, een kubus met een raam van voren een in de warande. De vorige eigenaar noemde dit vertrek "het rieten kabinetje". De tafels en stoelen waren van bruin-geel riet. Op het tafelplat liep het riet uit een, de biezen uitstralend uit het middenpunt als een ingelegde ster. De leuningen der stoelen waren ovaal, peervormig, rijen omgebogen biezen samengebonden door touw-dunne soepele rieten lintjes. Het kabinetje was vooral nuttig om een kast, diep als een kamertje, in de muur, en die tot den kelder toegang gaf. Door het donkere kamertje stapte Jozef, twee treetjes op, een deur door, in een hokkerig gedeelte van het huis links de luttele houten trap met een dunnen looper belegd naar boven, rechts voor hem uit een kamertje met een alkoof, links voor hem uit de keuken, onder hem het gesloten kelderluik, met een ijzeren ring om het luik op te heffen, plat getrapt in een zwartige voor. Alles was hier donker; een vage lucht van timmer- en metselwerk en van werklui die daar geweest waren geurde van rechts. De reet van de keukendeur werd bezet door een smalle lijn rossig licht. Bij tusschenpoozen suizelden deelen reuk van gebraden eten en van gekookt hebbend aardappelenwater er door heen, vervuld met stukken van kalme volzinnen van een oude meid, die, met een na het eten smeujige stem, babbelt.

Jozef ging in het kamertje rechts. Hij had het voor logeerkamer laten inrichten, maar een logeerkamer minder in rang dan de twee op de zolderverdieping, wier vensters door het rieten dak heen op den breeden weg uitzagen. Hij voelde naar lucifers in zijn zakken, toen, met een ruk en een gewaai van vrouwenkleeren, de keukendeur openging, het portaaltje plotseling donkerrossig verlichtende, en weer dicht ging. Het was Marie, die de trap opliep, om boven te zien of Felix wel sliep. Jozef had haar gezien, zoo als haar lichaam zich donker afbeeldde op den achtergrond van rossig keukenlicht, en in de duistere rondheid van haar hoofd had hij haar lippen, donkerrood, de warm-blanke plekken van haar wangen en kin, het glad-glansend-blauw van haar oogen zien schemeren. Zij had hem niet gemerkt; maar nog, nadat het stappen van haar voeten al lang boven was wechgebleekt, zag hij, in de duisternis kijkende, daar lichtende vlekken dansen, waarin mollige stukken van Marie spookten, haar schouders, haar hoofd, en enkele door het lamplicht verbruin-goude halshaartjes. Jozef stond daar, de lucifers vergeten, die hij, met zijn eene hand half in zijn broekzak, aan 't zoeken was, de duisternis vergeten, zijn oogen bewegingloos, met een krampig gevoel er in, zonder gedachte.

Even later was hij weer bij zijn zinnen. Hij vond in-eens dat hij in een verschrikkelijk verlaten duisternis stond. Het was toch nog koud al was het voorjaar! De gedachte viel over hem, dat hij weer een kleurloos leven ging beginnen, vernietigend, onmogelijk. Mathilde lag daar ginds, voor hem verloren. Het was of hij haar van hier hoorde slapen, in een vasten slaap, waaruit zij voor hem nooit weer zou ontwaken.

Een paar uren later gleed hij, zijn lot verwenschend, onder zijn eenzame, kille, bijna vochtige lakens.

De volgende weken was het dag in dag uit hetzelfde eentonige leven. Mathilde bleef hetzelfde, koortsen verzwakten haar onophoudelijk; een paar uur per dag maar zat zij op.

* * * * *

Den eersten tijd, dat hij alleen in Amsterdam was, gedurende de kantooruren, merkte Jozef weinig van de verandering in zijn toestand. Hij mocht nu met zijn ziel onder zijn arm in het stille huis buiten rondwandelen in plaats van in Amsterdam, dat was het heele verschil. Maar langzamerhand, daar hij toch vastgesteld had nooit 's avonds voor zeven uur buiten te zullen komen omdat hij 's middags nog wel eens iets op het kantoor te doen had, begon hij gedurende zijn vrijen tijd visites bij Emilie Berlage te maken, altijd geregelder.

De lente ging voort. Jozef zeide tot zich zelf dat het jaargetijde dezen keer een buitengewoon merkbaren invloed op hem oefende. Zette hij zijn raam open op het kantoor of buiten, over-dag of 's nachts, en de lentelucht drong in zijn neus en in zijn ooren, dan voelde hij de herinneringen aan zijn vroegere, zijn ongetrouwde leven met een zoetheid in zich opleven, die hij vroeger van de werkelijkheid nooit had ondervonden. Hij kon wel, zijn blik in de verre lucht, aan den tijd van voor zijn trouwen met weemoed te-rugdenken, als een droomer, zich niet heugende hoe diezelfde tijd hem toen gewalgd had.

In een zachten overgang, zonder den minsten strijd, zonder dat hij er een besluit voor hoefde te nemen, maakte hij een middag het voornemen, dien avond niet naar buiten, maar naar de club en daarna naar de opera of zoo te gaan. De gelegenheid was nu beter dan ooit. Mathilde was er niet om hem, door haar zwijgen of door een aanmoediging, die hij meende averechtsch te moeten opvatten, te-rug te houden. Hij telegrafeerde om vier uur twintig aan zijn vrouw: "Ben verhinderd, kom morgen". Daarna ging hij bitteren in de club, waarvan hij nog altijd lid was gebleven, en dineerde met drie vrienden, Hasman, d'Ablaincourt en een officier, die hij, zoo als altijd, ook nu weer in de club gevonden had, in het blauwe bovenzaaltje van cafe Suisse.

Een gevoel van verlatenheid, bevreemding, van afwijking van gewoonte, loste zich over zijn schouders op in een blijde te-rugkeerende vrijheid. Hij dronk zooveel wijn tot hij in een vroolijke stemming was; hij lachte met zijn groote tanden, terwijl zijn breede snor dan telkens naar boven sprong. Gewaarwordingen als van vier jaar her vulden hem. De huwelijksjaren krompen samen, verdwenen. Hij was de oude. Hij had weer pleizier. De kellners schenen met de gewone eerbiediggemeenzame oogen toe te zien, maar verrast en met kleine herkennings-glimlachjes onderling. Tegen het dessert dronk hij veel achter mekaar, om zich op te winden, want het hanteeren van het hem vreemd geworden leelijke nare restauratie-tafelzilver, de oppervlakkige koude feestelijkheid van de witte gladheden der borden, de glazen, het gas, de gebaarde heerengezichten, in dit alles scheen even een verwijt te trillen, 't gezin, dat naar hem wenkte, ziek en jong, uit de verte. Hij voelde het verwijt onder zijn haar opstijgen. Hij deed even zijn hand aan zijn hoofd om het te verdrijven, in een verdoovenden glimlach, rondziende of iemant ook iets over hem dacht. En hij, die gedacht had een gelukkig echtgenoot te zijn en van het regelmatige en bedaarde genot van den huiselijken haard! Hij voelde, dat hij veeleer op deze manier gelukkig was. Hier was zijn plaats. Hij kon niet anders verlangen. Het andere was onmogelijk voor hem gebleken. Hij merkte, dat hij weer met het oude gemak het stugge, weerspannige, veel te stijf gestreken restaurant-servet behandelde. Hij voelde zich achter tegen den rug van zijn stoel zitten, zijn leden meer in mekaar, terwijl zijn vleesch en geest zich heelemaal overgaf in een neerbuigen van zijn kin over zijn hals, terwijl van onder zijn gladde voorhoofd, flikkerende in den gas-schijn, zijn oogen lachten met de grappen van de vrienden.

Toen Jozef, na het diner, weer op den trottoir stond, ruischte het verwijt weer tegen hem aan uit de onverschillige grommeling van de straat. En Mathilde? … Mathilde? … Zij moest den telegram al lang gekregen hebben, Jozef zag naar den grijzen trottoir, waarover de gasvloed uit de winkelkasten spoelde; zijn breede, wijde manchetten vielen over zijn handen, de wijde pijpen van zijn lila-broek stonden, als olifantspooten, tot bij de punten van de schoenen. Hij dacht aan Mathilde en aan buiten, een angst klom in zijn keel en hij voelde zijn hoed zijn hoofd als een klemmende ring omvatten. Daarna keek hij op, zijn vrienden wachtend, die hij met stappen, kletsend in den gang van Suisse, hoorde aankomen. De menschen, donker bewegende beelden, hoog en laag, liepen schoffelend voorbij door het praatgesuis heen. De zwarte lucht walmde neer over de huizen. Een minuut was 't Jozef als of al die menschen in hun ruischend gebrom, met hun bewegende monden achter hun haarden, allen over hetzelfde onderwerp spraken, een belangrijk, aangrijpend onderwerp, dat allen bezighield. Allen waren ernstig, afgemeten, hij ving schuinsche blikken op, in zijne richting gestuurd. Zij spraken van hem, zij spraken van Mathilde, hoe ongelukkig zij was.

Nu begreep hij plotseling, dat zij naar hem moest verlangen, dat zij aan de waarheid van zijn telegram twijfelen zou. Hij zag haar van hier voor op haar ziekestoel zittend, onrustig, zonder te leunen, haar blikken zoo vreemd, naar voren, zooals zij kijken kon in uren, dat zij een verdriet voorzag en wel zeide dat te voelen naderen als een aankomende krankzinnigheid. Zoo als hij haar gezien had na den dood van den ouden de Stuwen, zoo moest zij nu dezen avond zijn, daar ver van hem verwijderd, alleen in het ontbottende Gooi.

Maar Jozef vermande zich. Gekheid! Hij zou haar nooit ongelukkig maken. Hoe kwam hij aan die gedachte? En hij beloofde aan zich zelf, dat, zoo hij het vervelende eenzame leven al niet langer verdragen kon, zoo hij zijn vrijheid in 't vervolg weer wat minder opgesloten zou houden hij toch vooral zorgen zou, dat Mathilde er niets van merkte en zij er in 't minst niet onder leed.

De heeren gingen nu naar de fransche opera in den Stadsschouwburg. In de pauze zei een van hen, bij die gedachte gebracht door het hooren van de muziek, dat die muzikale avondjes nu wel gedaan zouden zijn bij Jozef.

—Ja, andwoordde hij, zoolang als Mathilde niet beter is, dat begrijp-je.

Er werd verder weer over Mathilde gesproken; een lichte ironie trilde in de rooyige gezichten.

Toen Jozef om halt drie dien nacht met zijn kalmen regelmatigen tred naar huis stapte, dacht hij voortdurend aan Mathilde. Een spijt sarde hem, telkens opkomende, hij vlagen. Het scheen hem, dat hij haar een groot leed had gedaan. Hij verzon nu, wat hij haar opgeven zou als de reden, waarom hij niet buiten was gekomen. De zaken natuurlijk. Dat was het eeuwige voorwendsel, onweersprekelijk, Met de zaken bemoeide zij zich zoo weinig, van de zaken wist zij eigenlijk niets af.

En, den volgenden dag buiten, zittend vlak bij Mathilde, zijn knieen aan haar knieen, de telegram open op tafel met het koude blauwe schrift van den telegrafist, vertelde hij haar een heele geschiedenis. Hij had weer veel meer pleizier in de zaken gekregen dan vroeger, hij begon een nieuwe onderneming, waar hij veel aan dacht en waarvoor hij veel werken moest. En zij, met haar vage zieke oogen, geloofde hem als een kind, nu zijn hand zoo vertrouwelijk lag op haar knie, bijna bloot onder de dunne witte nachtjapon.

Nu gleed Jozef zoetjes-aan heelemaal tot zijn vorige leven te-rug. Hij vond het erg aangenaam met zijn gepozeerdheid van jong elegant getrouwd man in zonnige middagen over den Dam, door de Kalverstraat, door de Reguliersbreestraat te wandelen, terwijl zijn vrouw op hun villa, buiten was. Een anderen keer ging hij weer eens over het Koningsplein, door de Leidsche straten, naar het Vondelspark. Hij vond de oude manieren weer te-rug om zijn lichaam te bewegen en voor zich uit te zien, zoo dat de dames hem bekeken met belanghebbende blikken. Zijn oude koketterie steunde nu op een zekere hoogheid en te-ruggetrokkenheid, nu hij zich als getrouwde door de nieuwsgierige oogen beschouwd voelde van de juffertjes en de zusters van zijn kennissen. Hij deed weer minder in Emilie Berlage. Hij had een paar maal de ouders van den overleden echtgenoot bij haar ontmoet, die hem op onaangenaam aandringende manier naar Mathilde vroegen. Een buitendien maakte Emilie hem driftig, om dat hij dacht, dat zij hem alleen maar zoo'n beetje voor den gek hield.

Er openbaarde zich in hem een heftige reaktie tegen de jaren van ingetogen huwelijkstrouw. Als iemant, die een vroeger geliefd huis, waar hij in lang niet kwam, de trap opgaat, ging hij weer heelemaal op in het pleizier van matig uitgaan. De heele stad was nogmaals zijn terrein. De beminnende onrustige vrouw was er niet meer als een spaak in het wiel. Het was wel een aardige roman geweest, die enkele jaren van geheele kalmte en maatschappelijke geregeldheid, met altijd dat zelfde lichaam en die wijde donkere oogen, die zoo weinig wisten, om mee te zijn. En nu, met de ziekte, zoo opgescheept als hij eerst met die nutteloze, onbruikbare vrouw was geweest in de stad, zooveel genoegen, deed 't hem nu te kunnen zeggen, dat hij zijn vrouw naar een villa in het Gooi had gebracht, om van een bedroevende kwaal te herstellen. Hij had het nu voortdurend over "zijn optrekje" en "ons optrekje". Hij sprak over "Bagatelle" in een toon van: "Je weet wel, mijn buitentje, waar mijn zieke vrouw woont".

Jozef bleef nu herhaaldelijk 's nachts in Amsterdam. De maanden April en Mei ontrolden zich met onafgebroken mooi weer. Jozef die tegenwoordig bijna geregeld naar de Beurs ging, betrapte zich, bij het uitgaan dagelijks op wankelingen in zijn besluit om dien dag toch naar buiten te gaan. Als hij 's morgens in het te breede ledikant in Amsterdam wakker werd, het gemakkelijke huwelijksbed, dat hij, na Mathildes vertrek, met schoone lakens weer in gebruik had genomen, en hij hoorde en zag de stille leegheid, die alle verdiepingen, alle kamers en vooral hier hun slaapkamer, vervulde, dan kwam er altijd een golf van teederheid over hem. Hij stond op en in de frischheid van het aankleeden, in de bleeke zonneschemering door de neergelaten gordijnen, op zijn kousen met dolle stappen door de kamer loopend, zich bukkend om uit de la zijn boord en zijn das te krijgen, alleen zijn eigen bewegingen hoorende, het geruisch van zijn overhemd, het smakken van zijn ontwakenden mond, zijn kriegelig gapen, zijn eerste stijvere stappen met de aangetrokken schoenen over de vloer,—dan miste hij Mathilde. De nasmaak van de pleizieren van den vorigen avond was bitter, was hij dan weer een groen losbolletje geworden? Gedurende het wasschen nam hij zich onherroepelijk voor in 't vervolg geregeld naar buiten te gaan. Gedurende het afdroogen, achter de klammerige sijpeligheid van zijn gezicht in den nieuwen dag, herinnerde hij zich, hoe ze gister-avond gelachen hadden, en hij lachte, bij het herdenken van de kleine overwinningen zijner ijdelheid, nog eens stilletjes over, tegen den spiegel ziend om zijn haar, dun en zijig, te kappen. Daarna tikte de barbier aan de deur. Hij maakte een praatje over het weer en Jozef dacht met genoegen aan de straat, waarop hij zich zoo meteen weer vertoonen zou. Als hij geschoren en gekleed was, krulde hij voor 't laatst zijn snor voor den spiegel, beschouwde zich met een kalm-tevreden blik, en zijn voornemen om naar buiten te gaan werd minder.

Als hij beneden ontbeet, had de dikke Dientje altijd een reden om in de kamer te zijn. Dan vroeg zij of zij van-avond weer op hem rekenen moest met de deur, waar dan de ketting niet werd op gedaan. Hij andwoordde onzeker. Dientje verzocht wel de komplimenten aan mevrouw. Daar had zij altijd den mond vol van. Zij kon, dik en medelijdend, met een welgedaan, gezond hart, onder de strakke paarse jurk, niet hebben, dat mijnheer niet elken avond naar buiten ging. Telkens als hij van buiten te-rug-kwam, en zij hem voor kantoortijd even te spreken kreeg, vroeg zij met drijvende oogappels en een deelnemende trek om den mond, hoe 't ging met mevrouw.

De kantoortijd was gauw voorbij. De bedaarde zaak ging haar geregeld gangetje, zoo als zij het nu al veertig jaar lang had gedaan. Jozef zat daar, krabbelde met zijn gouden potloodje over het korrekte koele papier, kontroleerde eenige geschriften, dronk koffie en ging naar de Beurs of dejeuneerde ergens anders en ging daar vandaan naar de Beurs. Bij kleine buyen was te midden zijner verveling een lust door hem heen getrokken, om zaakjes, kleine ondernemingen, te doen. Hij deed 't, maar 't bleef bij het onbeduidende, eenige honderden gewonnen, eenige honderden verloren, verder bleef de zaak op de oude klandizie drijven.

Na de Beurs, als het in de jonge zon oplevend witte kleinen steenen veld van den Dam zich om hem heen uitstrekte, terwijl zijn zintuigen links en rechts door de glinsteringen en het gedruisch van de omgeving werden aangedaan, gebeurde zijn groote aarzeling. Hij had een eigenlijk zwak karakter. Hij wilde en bepaalde nooit vooruit wat hij zou doen, zonder dat hij op 't oogenblik van handelen er nog eens over dacht liever het tegenovergestelde te doen. Dikwijls tusschen half drie en kwart voor drieen op den Dam, werd hij dan woedend-driftig en werd zijn hals rood. Nog eens was dus zijn levensinrichting vernietigd! Hoe had hij gehoopt en gemeend nu het kalme fatsoenlijke genot-volle leven te hebben, tot aan zijn dood. En daar stond hij op den Dam, als vijf, zes jaar geleden, met zijn leege handen, zonder houvast. De gevangen vogel was door zijn vingers wechgevlogen. Hij was weer alleen. Zijn rustige vriend de Stuwen bestond zelfs niet meer, met wien hij over gewone levenszaken zoo graag op burgerlijke manier zat te praten. En de Stuwens dochter was daar buiten, ook alleen, half dood eigenlijk voor haar man. Rechts voor hem, voor van Gend & Loos, vertrok de omnibus naar de Rhijnspoor. De klok boven aan het Paleis wees aan, dat hij zich zou moeten haasten. Maar hij wilde niet, hij wilde zich niet haasten. Hij haastte zich nooit. Een groot gedeelte van het gentlemanlike in zijn persoon, in zijn houding, in alles was hij deed en naliet, bestond uit dat zich altijd meester schijnen, uit dat voortdurend leven met ingehouden kracht, uit dat zich nooit haasten.

Wanneer de omnibus, het Rokin over, eenmaal uit 't gezicht was met zijn op-en neergaanden kondukteur in het kader van de opening naar binnen, viel er een drukkende lust uit Jozefs leden en scheen over de vierkante gladde keyen wech te wolken, onwaarneembaar. Hij had dan niet langer te wikken en te wegen en de langzame gewaarwording van het zich aan zijn luiheid in de zelfregeering overgeven, verdrong zoetjes de geestesspanning van zoo straks. Hij deed een paar stappen over den harden stadsgrond, waar men ten minste over gaan kon zonder zijn schoenen en broekspijpen te bestoffen zoo als in het zand, buiten. De flauwe laatste openbaringen van zijn inwendigen twee-strijd waren de gedachten aan de volgende treinen, waarmee hij nog zou kunnen vertrekken, aan de rijtuigen, die dicht bij hem klaar stonden, waarmee hij dezen trein nog kon halen, die even door zijn hersenen glipten, maar die verdampten in de onberedeneerde valsche zekerheid van dat dat onmogelijk was. Hij liet zich gaan, drong zich gemakkelijk de overtuiging op, dat het laatste middel om vandaag buiten te komen, niet meer bestond. En hij had weer een dag en een avond om zijn genietingen van vroeger te herleven.

Hij vond, zacht en weldoend in hun verbleektheid van herinnering, de vroegere sensaties te-rug. Het bitteren in de club, de banale eeuwige jeugd der vrienden, het eenigszins fijn dineeren, de altijd kittelende herhalingen der zelfde gesprekken over rijke meisjes die onvermoede huwelijken deden, over bankiersfaljieten, over wijnmerken, over spijzen, over paard-rijden, over bals van den verloopen winter en bad-reisjes voor den aanstaanden, zomer, vooral over de aanstaande van die en de weduwe van die, over de allergewoonste zangeressen en over de eigenaars van cafe-chantants, hij maakte ze weer en weer door, de oude verveling was geweken, hij hoorde ze aan en sprak mee met zijn mooi bloeyend gezicht, en lachende onder zijn prachtige snor. Hij ondervond, tot overmaat van pleizierige bevreemding, weer het genot van zoo gemeenzaam, met het wijsheids-gemak, en de goedige onverschilligheid van den ondervindingrijken man, die zijn wereldje kent, al die zaken te behandelen.

Voor het diner maakte hij een enkele maal een toertje te paard, maar zelden, heel veel hield hij er niet van. Na het dinee was het weer een komedie, een koncert in het Volkspaleis, een avondje doorgebracht bij een oude vriendin. Maar kalm, alles bedaard, alles met de bedaardheid van vroeger, vermeerderd en versterkt door zijn telkens meerdere rijpheid.

Den volgenden dag reisde hij trouw naar buiten. Hij vond Mathilde altijd dezelfde, zwijgend, met haar zieke stem hem naar de zaken vragend, met de eindeloze hoop op herstel. "Begrijp je, als ik weer beter ben, dan, … begrijp je, als ik weer beter ben" Altijd had zij andere plannetjes voor de toekomst, allerlei kleine gelukjes, die zij samen zouden hebben. Als hij twee, drie dagen achter-mekaar buiten kwam, vond hij haar vroolijker dan gewoonlijk. Maar als hij daarentegen eens wechgebleven was, scheen ze dat toch niet zoo erg naar te vinden. En dit stelde hem veel te vrede. Eene berustende, lijdende, gelijkmatige kalmte was over haar gekomen. Een ding was wel eens op hem gevallen. Was hij in haar bijzijn, dan stonden haar blikken in zijn oogen, volgden zijn minste bewegingen, drongen over zijn lichaam, met een vreemde volharding. Dan vroeg hij haar bijvoorbeeld iets en andwoordde zij niet, zij scheen hem niet te hooren, hem drinkende in haar starende, groeyende, zwijgende oogen. Eens had hij gezegd, een beetje gedwongen: "Wat kijk je me raar aan …", zij zeide: "ik? … ik? … wat bedoel je? … Wel neen, dat verbeel-je je maar".

Een andere keer als hij weer, na de Beurs, op den Dam stond, van-zelf naar de dommelende paarden van den omnibus kijkend, en hij was gisteren pas buiten geweest, was het de last en het hinderlijke van de reis, die hem deed besluiten in de stad te blijven. Onophoudelijk dat heen en weer trekken, in de stofterigheid of de smerigheid van de spoor en zoo, het vervelende eentonige hossen, een paar uur lang, in zijn eentje, om als belooning van zijn moeite in denzelfden afmattenden vreugdelozen doodschen dampkring, buiten aan te komen, dat was heel onaangenaam. Als hij den omnibus maar zag, voelde hij zich al hobbelen tusschen allerlei burgermenschen in, met een door het dansen veroorzaakte tergende jeuk, die hem noodzaakte aan zijn neus te wrijven elke vijf minuten, hij liep al in de gedrongen haasterigheid van het stationsperron, hij voelde zich het onbeduidende grijze landschap doorstoomen, verder de eenzame rit van Vreeland, Kortenhoef en 's Gravenland in het gemeene tentwagentje, met den viezen koetsiersjongen voor hem en den ouden hit, en dat alles om zijn naren dag door een nog naarder avond te laten volgen, zonder zelfs altijd bij Mathilde te kunnen zitten, korte woorden over het weer en de huishouding met de meiden wisselend,—neen, het was te akelig. Zijn eenig genoegen was dan Marie te zien, zwaar en warmblank. Maar haar verschijning prikkelde hem minder dan eerst, haar onnoozele landelijkheid drong op den achtergrond zijner verbeelding, nu hij zijn steedsche pleizieren juist weer herleefde.

Als Jozef naar buiten ging, zoo in een paar uur, uit het midden van Amsterdam overgeplaats naar Hilyersum, steeg hij als uit een lauw bad van geurend water in de koude ijzige lucht. Uit al de kleuren van huizen, van winkelkasten met hun spiegelende ruiten, van de roepende advertentieborden aan de muren, van de door gevellijsten afgelijnde luchtvakken, waartegen het gerij, en gestap en geschreeuw opsteeg, van het grommelend en witschitterende leven, waar hij met een stille genot der gewoonte door heen wandelde, was hij ineens midden in de wezenloze stilheid van het buitentje, waarvan de grijsheid en droefheid niet opbloeiden in de lentezon, die het met vonken besprenkelde.

Maar zijn grootste plaag was de rit 's morgens vroeg van Hilversum naar Amsterdam met de dilligence. Daar hij volstrekt op het vaste uur—half tien uiterlijk—op het kantoor wilde zijn, reden die treinen tusschen Utrecht en Amsterdam, die te Vreeland stopten, allemaal te vroeg of te laat. Ellendig! Dat was eerst een haastig aankleeden in het kleine kamertje, hij sliep daar in een alkoof, waarvan het achterschot in twee deuren geopend kon worden en dan uitkwam in de kamer van Mathilde. Hij had daar willen slapen om vlak bij haar te zijn altijd. Er kon 's nachts iets met haar gebeuren, had hij in het begin tegen den dokter gezegd, nog niet wetende, dat hij niet alle nachten buiten zou zijn. Nauwelijks aangekleed, uit zijn humeur, moest hij ontbijten in de frissche vroegte van de groote kamer. Marie was dan nog boven bij Felix; Jans had alles maar half goed in orde gebracht, met slaperige oogen. Hij had zijn koffie en zijn ei nog niet op, of uit de verte klonk het waarschuwend getoeter van den diligence-kondukteur, snerpend en rauw langs de vensters. Dan moest hij ijlings zijn overjas aantrekken, even, met een gedruisch, in de klamme kalmte van Mathildes kamer dringen haar een afscheidszoen geven op haar vermoeid gekleurde wangen na een pijnlijken nacht, beloven dien middag te-rug te zijn voor het eten en—de oude gele kast wachtte al in 't midden van den breeden grijs-gelen weg in-een-zakkend binnen zijn grove wielen. Binnen-in had hij 't niet uit kunnen houden en maakte dus nu de tochten achter het vooruitspringende bankje van den voerman, in de van voren uitgehouwen nis zittend, waarover de met pakken en kisten beladen houten kap een eind heen stak, tegen den regen. Er waren drie plaatsen op zijn bank, waarvan er twee meestal door een groenteboer of paardenkoopman werden ingenomen En dan begon de schommeling van twee en een half uur, terwijl de eene buurman pruimde, kwijlde en spoog, de andere met den koetsier samen zijn gemeene tabak rookte. Er waren geen gezichten van naderende lente ter wereld, geen stille, bescheiden zonnestralen die zachtjes over zijn knieen kwamen glansen, die hem vrede met zijn lot konden doen hebben. Meestal trachtte hij te slapen, terwijl de ochtendwind zijn snorhaartjes spartelen deed. Hij verachtte de gesprekken zijner buurlieden, trachtte er niet op te letten. Hij vloekte in zich zelf om dat hij geen eigen rijtuig had, dat hem, met twee onvermoeibare paarden, in de helft van den tijd heen en weer gebracht zou hebben. En onbestemde oude lusten om zich rijk te maken, om zaken te doen en zich binnen weinige jaren alle weelde te kunnen veroorloven woei de lentewind door zijn hersenen bij het aankomen in Amsterdam en met kletterend geraas en rollend gehobbel door de Muiderpoort rijden. Hij zou dadelijk beginnen, iets nieuws verzinnen, speculeeren, een jonge onderneming, een maatschappij, een premieleening op touw zetten. Maar op zijn kantoor, achter den kostbaren lessenaar, die zich eeuwig verjeugdigde, eerst onder de ellebogen en mouwen van zijn vader, nu onder de zijne, wolkten de plannen wech. Hij was lui. Hij was bepaald geen man van zaken. Hij stelde zich weer te vrede met het betrekkelijke gemak, het tamelijke welzijn, dat hij nu al genoot. Men mocht niet wagen, houden wat men had, dat was de hoofdzaak. De voorzichtigheids-overtuigingen zijns vaders leefden in hem voort. Hij voelde, in zijn kalme genoegdoening van mooyen man, met welbehagen de beperktheid der cirkels van zijn begeerte en gedachten.

Hetgeen Jozef weer van-zelf zijn versmaad en vergeten leven van vroeger deed beginnen, was de leegheid die van Mathildes kant vermeerderde. Hij voelde Mathildes wezen uit zijn hart en uit zijn zinnen vervreemden, als een stroom van 't een of ander, die daar langzaam uit zou zijn wechgevloeid. In Amsterdam, in huis, was zij niet. Hij liep langs de bloementafel in den gang, langs de meubelen in de kamers, die daar op haar verlangen zoo waren geplaatst. Er was niets, neen niets, noch de looper op de trap, noch dat soort stoven in de binnenkamer, noch het tapijt in de zaal, noch de pendule "voor", of zij hadden er samen over gesproken, het samen uitgekozen. Aan alles was iets van haar en dat hem haar voortdurend herinnerde, hij zag haar gaan, over hun woning te vrede, met glimlachjes hem verzekerende, dat nu alles goed was. Hij kon geen deur voorbijgaan, of hij zag het uiteinde van haar sleep daar verdwijnen, terwijl zij zelve al binnen moest zijn om haar huishoudentje te doen, een visite te ontvangen, hem op te wachten, haar huis, in een woord, te bewonen. En nu! Wech was ze. Zij had het huis alleen gelaten. Het verloor zijn bestemming. Hij herkende zachtjes-aan noch de zolderingen, noch de wanden, noch de vloeren meer. Ja, het was toch wel hetzelfde huis, maar het geen het vroeger maakte tot wat het was, was 'r uit verdwenen. Was alles, al het omringend, de ruimten van den gang, van de trapkast, van de kamers, vroeger dan beschilderd geweest met tooverige voorstellingen, met verrukkelijke kleuren, was overal een donzig en geurig behangsel wechgevallen? Neen, alleen een warme, dof-roode tint moest alles omzweefd hebben en was nu wechgevaagd. Hij scheen nu alle lijnen en hoeken, de afmetingen van den inwendigen bouw van het huis, de grenzen der voorwerpen, beter, duidelijker te onderscheiden. Een koude had de kleuren verminderd om de lijnen en streepen duidelijker te maken. Hij zag alles naar voren komen, zich afteekenen tegen den achtergrond, waarmede het vroeger meer een scheen te zijn. De ziel van het huis, de adem, was er uitgegaan. En hij zocht in de stad het leven, dat hier weigerde zich aan hem voor te doen.

Tusschenbeide, na dat hij weer erg met vrienden in de stad samen was geweest, joeg een dwaze begeerte hem met zekere snelheid naar buiten. Een gejaagdheid sloop dan door zijn leden, die hun kalmte bijna verloren. Zijn hand trilde bijna, als hij zijn kaartje nam aan 't station. Hier stond hij met zijn leege armen, met zijn verlaten borst, voort! daar ginds was zij, die hem weer dwingen zou zijn armen om haar schouders te slaan, zijn handen samen te vouwen over haar rug, haar handen vlak uit tegen zijn borst en zich tegen hem aan drukkend.

Als hij dan buiten kwam, week de waan geheel. Onveranderlijk zat zij daar, eerst voortdurend in haar slaapkamer, later voortdurend in de groote kamer, te zwak om hem bij zijn binnenkomst te gemoet te gaan, met armen lam van uitputting, met beverige lippen, die hem nauwelijks zoenden, hem altijd dezelfde vragen doende over hoe het ging in de stad, over de zaken hem verhalende wat de dokter had gezegd, over het eten sprekende: een geliefkoosde spijs, die gisteren voor hem was klaar gemaakt, waarom hij toch niet gekomen was?, hetzelfde verschiet van hoop in de toekomst openende, maar vager, met te-rugwijkingen van de stem, in 't midden een volzin haar spreken stakende, en hem dan kalm, zonder ontroering, zoo wonderlijk aanziende, dat hij, denkende met een ziekte-verschijnsel te doen te hebben, het venster uitkeek en na een poosje een opmerking maakte over het aangroeyende groen.

Voor den eten kwam Marie geregeld, als het mooi weer was, met Felix van een wandelingetje te-rug; als het slecht weer was, van boven, om het kind aan zijn vader en moeder te laten zien. Jozef vermeed Marie aan te zien; Felix werd met gedwongen liefkozingen behandeld, terwijl er, met dat kind tusschen hen beiden in, zijn blauwe oogen vragende wat de aarde was, beurtelings naar hem en naar haar gericht, een wind van droefheid snel, sidderend, tusschen hen uit heen woei, de glazige ruiten door, ver over den weg naar buiten, en Mathilde wit werd, roerloos. Eens regende het in een voorjaars-storm, voor de komst van den zomer; in sabelende scheuten kletsten de droppelen-massaas tegen het glas. Huiveringen zwiepten langs den grond van kiezelsteenen, over het dunne opschietende gras tot aan het hek. Het woud van kleine blaadjes in iederen machtigen iepenboom, aan den grijzen weg, kromp ineen, fladderde als millioenen vogelenvleugels, samen, buigend en wenkend, warrelend in angst. Het kind kreet 't toen plotseling uit, in lange frissche geluiden uit de jonge keel, zijn gezichtje wrong zich samen, verschrikt voor het naderende leven. Daarna stond 't weer effen, zonder een rimpel in het gladde vel. Als Felix schreeuwde, droeg Marie hem wech, hem sussend, hem dansend in haar armen. Jozef en Mathilde bekeken de lucht, ieder door een andere ruit ziende, zwijgend, met lichte kuchjes en ademhalingen.

Het gebeurde wel eens, dat de dokter zijn bezoek kwam brengen na Jozefs aankomst, ofschoon hij meestal, in zijn tweewielig overkapt dokterswagentje, 's ochtend voor twaalven de ronde deed aan deze zijde van het dorp. De dokter was een dik rooderig mannetje, bestaande uit lagen vleesch en huid die op elkaar zwabberden, een boerenzoon, die gestudeerd had, het examen onder de oude wet had gedaan, en nu niet zijn helle oogjes en mopsneusje zijn bewegelijkheid en bekrompen levenswijsheid in een ruwheidsvoorwending uitstalde. Hij had een paar brieven met zijn Amsterdamschen kollega over Mathilde gewisseld en behandelde haar nu met zijn tergende flinkheid, zich onophoudelijk in zijn verwachtingen bedriegende, onuitkomende voorspellingen doende, deze koppige kwaal niet begrijpende. Wanneer het maar eerst zoo warm werd, dat Mathilde bijna den heden dag in den tuin zou kunnen doorbrengen en wandelingetjes in den omtrek doen, dan zou 't wel gaan. Jozef vond den dokter een onaangenaam kereltje. Tegenover de wereldschheid van Jozefs uiterlijk en manieren verborg hij zijn ergernis van boerenzoon onder wantrouwende oog-opslagen en een soort van stugheid in de stem. Hij vond zich belemmerd in zijn korte vette gebaren en in zijn driftig plattelandsgeneesheers-gezach door de zwierig-bedaarde bewegingen en kalme woorden van Jozef, die een hoofd grooter was dan hij.

Terwijl de dokter dikwijls lang bleef zitten, Mathilde's onderworpenheid, die zijn raadgevingen en gezegden aanvaardde, exploiteerende, stond Jozef, die eerst mee gesproken had, in een hoekje aan den anderen kant van de kamer, bladerend in een prachtwerk, ongeduldig onder zijn kalmte.

Nu Mathilde haar dagen in de groote kamer leefde, dineerden zij daar samen om vijf uur, als Jozef gekomen was. Om negen uur, half tien, ging Mathilde naar bed, Jozef nam afscheid op haar slaapkamer, schoof langzaam door het gangetje naar de groote kamer te-rug, na dat hij, door de reet van de keukendeur, de warm rood blanke Marie gezien had, haar roode vochtige lippen onder den lampeschijn, in den damp der kommetjes koffie, tegenover Jans.

Jozef ging ook vroeg naar bed, niet wetende wat te beginnen. Dan lag hij dikwijls uren wakker en hoorde de stille ziekelijke woelingen van Mathilde achter het schot. Hij hoorde haar hijgen, zacht opstaan, drinken, en heen en weer gaan met schuivende stappen, weer gaan liggen, zonder slaap, alles met de afgematte bewegingen van een eindigend lichaam. Een woede steeg in hem op en maakte zijn hoofd heet, Wie, verdomd, of wat, noodzaakte hem zich hier te liggen vervelen, in dezen ellendigen uithoek van het Gooi! Welk leven had hij zich bereid, vier jaren geleden! Allerlei denkbeelden en verwenschingen stegen op uit de verste hoeken zijner hersens. Er was geen enkel in zijn jeugd wel eens overwogen levensplan of het schoot hem nu weer te binnen. Waarom niet dit gedaan, waarom niet dat gedaan, in plaats van dat huwelijk! Waarom was hij niet in Parijs gaan wonen of ergends in het buitenland, zoo als hij zoo dikwijls had willen doen! Daar lag hij nu, zonder pleizier, zonder iets! In wrevel spalkte hij nu zijn neusvleugels en hoorde het heele losse huis kraken en inslapen om hem heen.

Meestal in deze nachten, lag hij te luisteren naar de geruchten van de eenige verdieping, boven zijn hoofd. Eerst hoorde hij de trap kreunen, als Jans en Marie naar boven gingen. Jans sliep in een alkoof, van den kleinen zolder uitgespaard, door een dun schot er van gescheiden, boven Mathilde; Marie sliep op het tweede der logeerkamertjes, aan de voorzijde van liet huis, juist boven Jozefs hoofd. Het huis was zoo dun-netjes gebouwd, dat Jozef elke stap van de pantoffels der meiden hoorde. Jans stapte licht, met haar magere oude beenen, Marie met zware voeten, meer klotsend. Hij hoorde haar stilstaan, met een gespatter der zolen, voor Felix ledikantje. Daarna verder gaan, het getikker van haar zaakjes, die zij op tafel lei, daarna een dof gemorrel, zij moest zich uitkleeden, daarna: "nacht Jans, wel te ruste" en het bromde te-rug, van achteren, veel verder af, als van iemant, die buikspreekt: "nacht, kind, slaap wel"; hierop hoorde hij het zware liggen-gaan van Marie in bed. Hierna was alles stil. Alleen een muis kraste achter het behangsel, en sarde Jozef uit den slaap, tot hij herhaaldelijk was opgestaan, om hevig te kloppen.

Eens bleef hij vier dagen achter-mekaar in Amsterdam, elken dag telegrafeerende, dat hij te veel op het kantoor te doen had, om te komen. Mathilde scheen niet verwonderd bij zijn te-rugkomst. Zij zoende hem alleen flauwer, meende hij, en zag hem nog langer, nog wondelijker aan, met haar wijde oogen, waar een vreemd iets in sprankte. Zij ging een beetje beter, zeide zij. De heele beterschap zou zoetjes naderen.

Eens op een anderen nacht, tegen den ochtend, werd Jozef wakker. Hij wist eerst niet wat hem wakker deed worden, wilde weer inslapen, zijn gezicht tegen den wand. Toen hoorde hij iets als blazen, ademen, iets dat leefde vlak bij zijn hoofd, een wezen, een dier misschien. Hij sprong op tot een zittende houding, draaide zijn hoofd boven zijn schouders rechtsom, keek in de wemelende donkerte, luisterend, onderzoekend. Het moest van achter het schot komen, uit Mathildes kamer. Hij hield zijn oor tegen het-hout. Nu hoorde hij hijgen, iets als een onhoorbaar schreyen, iets als een regelmatig kloppen van ver af, als op een aanbeeld van uren afstands onder den grond.

—Mathilde, riep hij, wat is dat? Is er iets in je kamer? Ben je wakker?

Het geluid hield op. Hij kreeg geen andwoord. Hij hoorde zachte voeten, wijkend, met het geruisch van een kleed er over heen.

—Mathilde, ben je wakker?

Nu sprak uit haar ledekant haar stem, zacht, gejaagd:

—Ja, is er ies?

—Hoor je niets in je kamer?

—Ik? …nee, nies …

—Is je licht aan?

—Ja … ik was zelf op, zoo met-een, om te drinken.

—Zie je dan nies?

—Ik? nee, nies …

—O, dan heb ik 't me zeker verbeeld, wel te ruste.

Jozef sliep weer in, zonder denken, niet begrijpend. De muis ratelde voort achter het behangsel.

Toen er anderhalve maand om was en Mathilde zich heelemaal aan het leven buiten gewend had, bleef Jozef herhaaldelijk vijf, zes dagen achter- mekaar, eindelijk een week wech, eindelijk kwam hij drie keer na mekaar maar eens in de week over.

Hij leefde weer in het gemakkelijk leven van dadelijk genot. Mathilde werd een voorwerp, waarmee hij gedwongen was zich nu en dan bezig te houden; een dame, die het lot nu eenmaal tot zijn verwante had gemaakt en die hij genoodzaakt was tusschenbeide met beleefdheid, met hartelijkheid te gaan bejegenen gedurende eenige uren.

Jozef dacht er ook met ingenomenheid aan, dat men bezig was een spoorbaan tusschen Amsterdam en Utrecht en Amsterdam-Amersfoort te leggen, via Hilversum. Dat zou de overtocht veel vergemakkelijken, Intusschen dacht hij: als 't maar niet te laat is, dan! maar dit idee verschrok hem niet veel: een levend of een dood lijk, daar was weinig onderscheid tusschen.

Twee maanden gingen voorbij. Het was het begin van Juni. Bagatelle scheen, van den straatweg af gezien, hooger te zijn gestegen en rustte nu, glansend bruin en wit in het zonnelicht, op zijn hellend voetstuk van donker-groen zijig gras, dat de bloemperken, licht en zwaar roode, omlijstte; de groote iepen langs den weg hadden van boom tot boom aan weerszijde hun bladeren saamgevlochten, die in groote verwarde trossen laag neerhingen, voor het huis. Alles bloeide, leefde, kwam tot rijpheid. Zachte, goud-trillende windjes streelden de bladen, ruischten rond met den zang van een vogel, heenstervend boven de schuinte van het dak. De zon was overal. Bij de groep boomen, links van het huis, stond een purper-bruine beuk, waarvan de bladen zich tintten als donker paarlemoer, door den wind in de zon op en neer wuivend. De sparren, in boschjes, in de achterhelft van den tuin, aan weerszijde, doften, morden samen, zwart van groenheid. Vlak achter het huis, waar kastanjes, langs de oprijlaan, hun pluimen van gedweee, over elkaar neervallende veeren verhieven, mengde zich een strook droger, lichter groen tusschen de donkere sparren. De vloer van den tuin was van streepen gras en kleine grasvlakten tusschen de zwarte zandpaden en de witte kiezelsteenen. En alom, over den grond en van de ruimten uit, hoog en laag, zag Mathilde zich door een leven van groen omgeven, van goudgestraal doorschroeid of uitgelegen in den zacht-gelenden glans.

In dien tijd waren er in de meeste villaas in de rondte ook menschen gekomen. Aan de eene zijde had Mathilde nu een oude dame, die daar een leelijk vierkant geel huis, als een kast, bewoonde met een nicht; zij waren streng protestant; zij hielden rijtuig. Als Mathilde 's nachts niet slapen kon, hoorde zij het paard trappen op de steenen van mevrouw Arlewijns stal, die door een gemeente-voetpad, van een meter van Bagatelles tuin gescheiden was. Aan de andere zijde dook tusschen het gebladerte van zijn tuin, een nog lager huis wech, half herbergiers-woning en oud, half societeit en nieuw. Achter Mathilde, van haar tuin gescheiden door den nauwen, vies-klam-hobbeligen. Vaarderweg, van vale aarde en stukjes steen, die altijd stil was, stumperde een buitentje uit den grond, hokkerig, heelemaal van hout, ook met een kleinen stal, op den hoek van den Vaarderweg en het melkpad met zijn wijde akkers en verren gezichteinder, dat achterom, naar het dorp streepte. Schuin tegenover Mathilde, aan de andere zijde van den breeden straatweg, ijselijk wit, het andwoord gevend op de lachjes van Bagatelles gevel, was de woning van mevrouw Rim, oude dame met groote grijze krullen als klosjes garen aan haar slapen, met twee kleine kinderen, en daarnaast, vlak tegenover Mathilde, bromden, vaal-grijs en blauw, de hooge naakte muren tegen de lucht, van zweetend vlekkerige steen gebouwd, van het eenige huis van twee verdiepingen in de onmiddellijke nabijheid, vijf stokstijve vensters breed, de kostschool der dames Streelink, die met hun vader, kreupel gepensionneerd officier, daar hun brood verdienden. En verder volgden de villaas elkaar op, tusschen hun nu vol groen gewassen tuinen door, hun lichtgekleurde voorgevels naar de zoo hoog groen bedaakte ruimten van den breeden weg duwend. En niets dan boomen, planten en bloemen in de rondte.

Als Mathilde voor het raam zat, in de groote kamer, reden er eigen-rijtuigen, met opdampende stofwolken, den weg af naar het dorp en omgekeerd; jonge meisjes in blauwe, witte en rose toiletjes, met parasols, gingen voorbij. Oude dames, in het zwart, wandelden. Het was een beweging en een stuk stadsleven door den zomer hier overgeplant.

Mathilde had dien zomer langzaam zoo zien komen zoo zien worden om haar heen, Als zij 's morgens opstond en de gordijnen voor de vensters ophaalde, bloeiden er een lage lindeboom, links, dof, bleekgroen, en de kastanjes voor haar uit. Links op den achtergrond, onder een groote plek open hemel, schuilde een oud-Flora-borstbeeld, op een blauwsteenen voetstuk, in een uitgebreide nis van bloemende boompjes, seringen, jasmijnen, een gouden regen, wech. Twee seringenboompjes trosten hun takken violette, licht-paarse ruikertjes over het Flora-beeld, met zijn leege oogen, heen, en te midden van de groene heesters bloeiden aan weerszijde de gouden regen, met zijn uitstorting van innig-gele bloemetjes, en de lage jasmijnen, met groenige warm-witte klokjes. Daarboven, tusschen het netwerk der hoogste takjes en sprietjes uit, daakte, heel ver en heel hoog, de tintelende blauwheid van den hemel. Het was bijna aldoor mooi weer; bijna elken ochtend had Mathilde dat gezicht. Gedurende haar lange dagen, in de groote kamer, woonde zij de wording van haar tuin verder bij, het gras, dat zich verdonsde en naar boven schoof, de magere foksia-en geraniumplantjes, in de diep in het zwarte zand gezonken vuiligroode potjes der bloembedden, eerst nog bibberend van naaktheid in de voorjaarsbuyen, maar die later ontloken, de geraniums met rood-stijf-fluweele blaadjes, als een regenscherm op groene steeltjes uitgestoken, de foksiaas met gladde knoppen, scherp gepunt als vogelsnavels. Voords de boomengroepen, waaraan aan beide kanten het grasveld grensde, sparren en beuken met een berk, waarvan de krijtwitte stam als een lange gewrongen paal stond, en, als een magere witte gedaante, Felix 's avonds bang maakte. En verder had Mathilde de machtige iepen van den weg, en heel de overige natuur zien groeyen, de bladen zich uitbreidend, zich aaneen-sluitend tot een dichte, wilde grenzeloze massa, vol warmte en levensrommelende beweging, in ongelijke samenhoopingen en bochten, met plotselinge openingen hier, dichte samenknoopingen daar, onbeheerd, overal uitspattend en zich verdringend, een onbeperkte warreling van groen.

Mathildes uiterlijk eentonige leven van in de stad sloop hier verder voort. Aan haar verminderende pijnen raakte zij eenigszins gewoon, zoo dat die ook daardoor nog lichter schenen, zij voelde zich sterker worden. Zij voelde de krampen in haar lendenen bij het oprichten zich lenigen, maar de toestand van herstelling, waarvan de eerste teekenen zich schenen te vertoonen, bracht met zich mede, verdovingen van haar heele wezen, die uren duurden. Dan kende zij zich zelf niet en was als schijndood, zoo als ze daar in bed lag of achterover in de luye stoel geleund. Zij voelde niet, zij dacht niet. En anders, gedurende den tijd, dat ze wel leefde, had zij maar een bezigheid, die haar hersens en haar hart deed werken: te denken aan Jozef, hem altijd, altijd, bij haar te begeeren, hem altijd ver af te weten.

Zij stond tegenwoordig om negen uur, half tien, op, in 't begin elken morgen, in de nevelende ontwaking harer oogen, weder verwonderd over de felle frischheid der witte schemering van haar slaapkamer, vreemd en akelig verschillend van de zachte donkerte, waaraan haar blikken in Amsterdam gewoon waren. Eerst werd geregeld haar kacheltje aangelegd, voor zij opstond, met de harde tikkende en grommelende ijzergeluiden, maar later, toen de zomer vorderde, gleed zij in de stilte der luwe atmosfeer uit het ledikant, schelde Marie, deed haar peignoir aan, en ging, een beetje moe, voor haar toilettafel zitten. Dan, met haar nuchtere maag, overviel haar 't meest haar alleenheid, als zij zich te binnen bracht, dat Jozef gisteren niet gekomen was. Een griezeling, een klamheid streek, onder de kleeren, over haar huid tot aan haar voeten. Marie kwam binnen en hielp haar wasschen, kappen en aankleeden. Mathilde was toch nog zoo zwak, dat, als zij, haar hoofd naar voren buigend, haar armen in de hoogte deed, driehoekig gebogen, de ellebogen naar buiten gestrekt, om zelf een haarspeld te bevestigen of een propje te glijerig binnen den vorm der chignon te dringen, er een tintelende vuurstroom van lamheid door haar armen tot aan haar handen, tot door haar vingers klom, en haar armen machteloos neerzonken, in de witte kreukels van haar schoot. Marie, wier armen bij het kappen links en rechts in de hoeken van Mathildes half gesloten oogen stukken van verschrikkende gebaren schenen te maken en wier stem met een hard-smartelijke klaarheid tegen Mathildes schedel woei, vertelde altijd eerst van Felix, hoe hij geslapen had, wat hij had gezegd, hoe hij hardop had gedroomd van de heks uit het sprookje, dat zij hem den vorigen avond had verteld. Daarna van Jans; Jans was wel zindelijk en verzorgde de keuken wel goed, maar ze was een beetje ongeduldig van aard, zij knorde dadelijk als Marie maar een paar minuten te laat beneden kwam, voor het eten of zoo. Verder van een onaangenaamheid tusschen Jans en den slager; Jans beschuldigde hem van niet het volle gewicht van het ossenvleesch gegeven te hebben. Ja Mathilde had ook, nog half in slaap, dien morgen al luide stemmen gehoord aan de deur. Dat was dat zeker geweest. Marie zeide daarna, dat de melkvrouw altijd zoo vroeg kwam, en dat Jans hierom altijd zoo boos was. De groenteboer was een beste man. Om nadruk op iets te leggen, sprak Marie ook vlak in Mathildes gezicht, met de pas gedronken koffie in haar stem. Mathilde nam in dien tijd, af en toe, met haar ziek-bleeke, stilletjes bevende hand, het glas melk, dat voor haar stond, het langzaam op en neer bewegend, met kleine teugjes, die zij in haar maag voelde killen, drinkend. Hoe was 't mogelijk, niet waar, nu was men hier toch "buiten" en toch was de melk veel waterachtiger als in de stad, zei Marie.

Aangekleed, ging Mathilde op een ochtend, zoo als gewoonlijk, bleek, haar knieen bij elken stap de dunne wol van de peignoir in dadelijk weer verdwijnende sporen bol uitdrukkend, door het gangetje naar de groote kamer. Als zij de deur van de slaapkamer open deed, om in den gang te gaan, warrelden, van door de voordeur, die dikwijls openstond, of door de keuken, waar de vensters hoog opgeschoven waren, wemelingen zomerlucht over haar schouders, om haar hoofd, om haar handen, met lichte streelingen, als zacht getinte geuren, en, als of zij haar borst tegen een onzichtbaren balk stootte, die daar zou zweven midden-in den gang, dreunde een schok door haar lichaam, het plotselinge bewustzijn van haar alleenheid, dat zich door alle zintuigen aan haar opdrong. Het wrong zich door haar neusgaten, door haar ooren, door haar mond naar binnen, naar haar keel, naar haar maag, het suizelde met de deeltjes zomerlucht door de porien van haar huid. Elken morgen schrok zij er van en werd er nog moeyer van. De gesloten deur van de groote kamer, met het eene glad-gele gevlamde stugge paneel, gaf haar daarop een gewaarwording, die haar bijbleef tot zij de deur met de stroef-gillende kruk had opengedraaid: Jozef was daar, achter die deur, achter dat stugge gele houten vlak, dat den toegang versperde, nietwaar? Het was donker, hij moest daar zijn. Hij zat daar als gewoonlijk in de groote kamer, hij wachtte haar om haar mond aan den zijnen te drukken, zij zou nu dadelijk weer een oogenblik staan met haar heele lichaam tegen hem aangedrukt, haar beenen tegen zijn beenen, haar borst tegen zijn borst. Hij was gekomen, gister-avond, van morgen, hij was gekomen om haar te verrassen. Er was geen twijfel aan. Dat heele denkbeeld van zijn wechblijven, van zijn verkoeling, was maar een akelige, benauwende droom geweest, een pijn, die zij bij het wakker worden had kunnen afschudden. En zij zag de omlijning van de deurpost, de hoeken, de duidelijke afmeting van de gang-zoldering daar boven die neerdeinde en opklom, met zwaar-blanke trillingen. Hoorde zij hem daar niet hoesten? Hoorde zij niet het kalm gefrommel van zijn koerant, het regelmatig gekraak van zijn schoenen op de vloer? … Van den gang, die van gedempter licht was om het dikke hooge groen van den tuin er achter, kwam Mathilde, met koele huivering over haar voorhoofd, de groote kamer binnen. Stroomen helle blankheid, een algemeene siddering van glimmend, blakend wit; het behangsel danste, de groote ruiten van de raamdeuren spiegelden, het witgekalkte plafond steeg hooger, een witte zwakke luchtige jeugd was in de rondte, eerst begrensd door de donkere kanten van de half opene deur, daarna, toen Mathilde heelemaal binnengekomen was en de deur achter zich dicht had gemaakt, alom, van, alle kanten, haar als ontvangend in een bad van witheid.

Mathilde liet zich op het effen glad groene kanapeetje zijgen, bevangen door de helheid van de ochtendige kamer. Buiten, door de blauwig spiegelende ruiten, bloeiden de roode bloemen van het groene grasveld in haar oogen als heftig-roode stekende punten. En, daar achter, onder de iepen door, strekte de breede geel-stoffige streep van den straatweg zich voorbij, waarover gaauw, met een licht geraas, rijtuigen regelmatig heen en weer raderden in zwarte groepen bewegingen, bij langdurige tusschenpoozen. Zoo bleef Mathilde langen tijd zonder gedachte staren.

Zoodra zij zich sterk genoeg had gevoeld, had zij zelf 's morgens weer het huishoudentje willen doen, zoo als voor haar ziekte in de stad. Dit gebeurde om half elf, elf uur. Jans hield twee boekjes, dat van den slager en het keukenboekje, dat zij nu binnenbracht met een mopperig goeye morgen, knorrig in de drukte der eerste morgenuren. Jans ging dadelijk weer wech en Mathilde bleef alleen, over haar schrijfmap gebogen, de witte schijn van haar gezicht met aarzelende rooderige wolkjes er onder, bedolven onder het pak zwart vlossig haar. De peignoir plooide zich op haar borst door het vooroverbukken. De velletjes papier schoven tusschen haar kouwige vingers door, met zacht gefriemel en schenen haar onvoelbaar dun. Zij las het keukenboekje. Over en door de blauwe lijntjes van het papier stond geschreven in het doezelige waggelende potloodschrift van de keukenmeid: brood zestien cent, aardappelen dertig cent, arme vrouw twee cent, sleeper voor mijnheer een gulden vijftig … Nu sprongen er in eens tranen uit Mathildes oogen op het schrift en bleven er in biggelende druppels op liggen, zoo doorschijnend, dat de letters van Jans er doorheen nog herkenbaar waren: brood, zooveel, aardappelen zooveel, arme vrouw … En plotseling scheeuwde alles in de rondte aan Mathilde de nutteloosheid van haar leven tegen. Daar deed zij nu haar huishouden. En voor wie? Voor wie zorgde zij eigenlijk zoo? Waar bleven de droomen van vroeger, de heerlijke genoegdoening van alles zoo in orde te houden als bijdrage tot zijn geluk! Een ontzetbaar verdriet, als een nog ongekende kracht van haar binnenste, als een opperste bedreiging, die zich voltrok, rees op, steeg naar Mathildes hoofd, daalde weer neer, vervulde haar, hing zwaar over haar oogen, deed haar gezicht zwellen. Zij leunde tegen den rug van haar stoel, wilde de smart doen wijken, en langzaam zien wechdrijven aan den binnenwand van haar oogleden. Maar heete snikken bruisten op door haar keel, een gloed van lijden vervulde haar wezen. Zij slikte nu herhaaldelijk het water van haar mond in, om langzaam de smart te kunnen genieten. Zij wilde zich herinneren, die heele geschiedenis van Jozefs onverschilligheid nog eens in gedachten doorleven. En zij woonde weer alles bij, van het oogenblik af, toen hij Marie boven haar hoofd had aangeraakt en zij hem had zien dalen, dalen langs den eindeloos grijzigen trap. Zijn liefde was geweken in het verloop van den tijd, telkens minder, telkens minder. En nu, nu was de liefde wech. Hij had de blikken verloren, waarmee hij haar kon aanzien, die zekere kracht en buiging zijner armen, waarmee hij haar kon omvatten.


Back to IndexNext