BESMETTELIJKE ZIEKTE.

BESMETTELIJKE ZIEKTE.In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevelszweettende besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die ’s morgens voor den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken, hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg, als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees.In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot den middag in zijn goor ledekantje naarde vlammen te kijken en liep de andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z’n moeder, met een taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd, en die op een vuilniskar reed, bracht ’s morgens de theestoven weg, terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. ’s Avonds zat hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z’n vrouw bij het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.»In godsnaam, d’r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor!Ikzou je danken! Dan krijg je zoo’n verrekt briefje op je deur en je klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en ’t is hier toch al niet opgeschept!«»Enfin, we zullen afwachten!«»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgendedagen telkens in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg het op, om het wat »op te monteren.« »’t Was altijd zoo’n oud ventje, maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest wat op ’t plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude valwinden, die op z’n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de liefkozingen van het monster, de pokken.Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit bed wou nemen.»Daar heb je ’t gedonder, zie je wel?«»’k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar ’n dokter komt hier niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een jankende vent, ’t is wat lekkers! Meteen zal ’k een bedje in de keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we worden bekend als de bonte hond.«»Ik heb er ’n zwaar hoofd in, anders zeg ’k niets.«»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, ’t is ook wat! En ’t is maar ’n kind. Erger zou ’t zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan liep de heele boel in ’t honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er meê optrekken doe ’k niet. ’k Mot den heelen dag genoeg vort met m’n donder!«»Ik zal wel waken, als ’t noodig is.«Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun dekentje, vol gaten en tot den naadversleten. Daar lag het te turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts, naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, ’k ben zoo bang!«Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de doffetrillingensneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees ineenkrinkelde.De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige, gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op ’n mesthoop!En ’s avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting, vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging, dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap, alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het zwakke lichaampje deedschudden, met ijskouden tocht het levensvonkje beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes in de zijne.»M’n lief, arm ventje. M’n lief, arm ventje.«De derde dag, ’s Zaterdagsavonds, zei de man:»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m’n hart me in de keel.« Hij liet z’n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z’n bezige handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z’n versuft brein. Hij gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van ingehouden tranen zeggend: »M’n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z’n handen.Tot z’n verwondering spoorde z’n vrouw hem aan, om een dokter te gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was ’n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er niets van in, meende ze.De geneesheer voer hevig uit.»’t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen op veere bedde kunne legge. Weet uwát een schandaal is? Dat we met al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z’n pet in de handen rond.»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er toch op de wereld.«Toen hij weg was, ging de vrouw op ’n vreeselijke manier te keer. Ze vervloekte hemel en aarde. ’t Briefje, dat op de deurpost geplakt werd, scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel, het er weêr af te scheuren.Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen dag met den tang rond zichte slaan, leelijk vloekend. In het huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar lijden, dat ’t gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar, zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »’t Is dood!«»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? ’t Hangt me de keel uit.«De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord, dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in z’n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den dood van ’t kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was ’t zeker gaan vervelen en daarom had hij ’t maar kapot gemaakt. En hij balde de vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek van twee vrouwen had gehoord. ’s Dokters naam was genoemd:»Die? ’t Is ’n knap man, daar zal ’k niks van zegge,maar van pokke heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal, allemaal! Maar ’t is ’n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een voor, die de rijke niet hebbe wille.«»Zoo is ’t,« juichte de man in z’n binnenst. »De armen motten er onder, wat dondert het, of er ’n paar krepeeren? Er zijn er genog.«Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders motten er an.« En hij vloekte ruw.Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke, weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend, op elkaar opstapelend, samensmeltend tot ’n afgrijselijk koor, waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er ’n opening in gemaakt, die ’n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde, langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de rechtbank, zóó, dat ieder ’t goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z’n bed, trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.»De pokstof in m’n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja, dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te werken. ’t Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had ingezien. Bah!«Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. ’s Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat ’t kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken, present te zijn.»Vooruit ezel! werk! werk!«Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z’n eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d’r eigen vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen, dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep hier. Als ’k noumijn kind eens wou opzoeken, zou ’k niet eens weten, waar ’k ’t kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor menschen op de wereld. Bah! Allemaal in ’n put en ’n zwaren steen er op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het werktuig om zich.»’n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de eer, den overledene bewezen en ze gingenterug.Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.»Neen.«De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i, op den bok. Heb je ooit?«Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.’s Morgens ging hij naar z’n werk, ontevreden en knorrig.Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteurmet ’n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken, kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek ….»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van ’n broek.«»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als ’n nieuwe. Als die weg is, motten we ’n nieuwe koopen.«De taxatie viel nog al meê. Wat kon ’t haar schelen, dat de inspekteur iets mompelde van: »Lamme lui, die ’t onderste uit de kan willen hebben?« Het geld is er immers voor?Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. ’t Vuile, berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent, ’n klein, bol, mottig ventje, zat midden in ’t vertrek op een stoel, toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z’n beurt een rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt.Toen ze ’s avonds heen gingen, lieten ze een akeligelucht na van jenever, vuile tabak, carbol en chloor.Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken zou krijgen.»Toen z’n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen ’t kind dood was en ’t huis geredderd was, kwam hij weer naar z’n vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem zien. ’n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou ’t niet gebeurd zijn,« meenden de mannen.»Wierook, wierook!«Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed ’n paar stukken in ’n test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt te hebben.Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken, verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart naar toe vlogen, als opgezogen.Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch ’t kwam haar vóor, dat daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar teomwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op ’n stoel en hield de test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van ’t hoesten en was als bezeten van ’n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder, omhuifd door ’n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden.

BESMETTELIJKE ZIEKTE.In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevelszweettende besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die ’s morgens voor den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken, hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg, als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees.In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot den middag in zijn goor ledekantje naarde vlammen te kijken en liep de andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z’n moeder, met een taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd, en die op een vuilniskar reed, bracht ’s morgens de theestoven weg, terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. ’s Avonds zat hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z’n vrouw bij het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.»In godsnaam, d’r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor!Ikzou je danken! Dan krijg je zoo’n verrekt briefje op je deur en je klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en ’t is hier toch al niet opgeschept!«»Enfin, we zullen afwachten!«»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgendedagen telkens in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg het op, om het wat »op te monteren.« »’t Was altijd zoo’n oud ventje, maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest wat op ’t plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude valwinden, die op z’n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de liefkozingen van het monster, de pokken.Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit bed wou nemen.»Daar heb je ’t gedonder, zie je wel?«»’k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar ’n dokter komt hier niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een jankende vent, ’t is wat lekkers! Meteen zal ’k een bedje in de keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we worden bekend als de bonte hond.«»Ik heb er ’n zwaar hoofd in, anders zeg ’k niets.«»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, ’t is ook wat! En ’t is maar ’n kind. Erger zou ’t zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan liep de heele boel in ’t honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er meê optrekken doe ’k niet. ’k Mot den heelen dag genoeg vort met m’n donder!«»Ik zal wel waken, als ’t noodig is.«Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun dekentje, vol gaten en tot den naadversleten. Daar lag het te turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts, naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, ’k ben zoo bang!«Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de doffetrillingensneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees ineenkrinkelde.De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige, gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op ’n mesthoop!En ’s avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting, vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging, dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap, alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het zwakke lichaampje deedschudden, met ijskouden tocht het levensvonkje beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes in de zijne.»M’n lief, arm ventje. M’n lief, arm ventje.«De derde dag, ’s Zaterdagsavonds, zei de man:»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m’n hart me in de keel.« Hij liet z’n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z’n bezige handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z’n versuft brein. Hij gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van ingehouden tranen zeggend: »M’n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z’n handen.Tot z’n verwondering spoorde z’n vrouw hem aan, om een dokter te gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was ’n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er niets van in, meende ze.De geneesheer voer hevig uit.»’t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen op veere bedde kunne legge. Weet uwát een schandaal is? Dat we met al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z’n pet in de handen rond.»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er toch op de wereld.«Toen hij weg was, ging de vrouw op ’n vreeselijke manier te keer. Ze vervloekte hemel en aarde. ’t Briefje, dat op de deurpost geplakt werd, scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel, het er weêr af te scheuren.Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen dag met den tang rond zichte slaan, leelijk vloekend. In het huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar lijden, dat ’t gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar, zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »’t Is dood!«»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? ’t Hangt me de keel uit.«De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord, dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in z’n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den dood van ’t kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was ’t zeker gaan vervelen en daarom had hij ’t maar kapot gemaakt. En hij balde de vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek van twee vrouwen had gehoord. ’s Dokters naam was genoemd:»Die? ’t Is ’n knap man, daar zal ’k niks van zegge,maar van pokke heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal, allemaal! Maar ’t is ’n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een voor, die de rijke niet hebbe wille.«»Zoo is ’t,« juichte de man in z’n binnenst. »De armen motten er onder, wat dondert het, of er ’n paar krepeeren? Er zijn er genog.«Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders motten er an.« En hij vloekte ruw.Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke, weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend, op elkaar opstapelend, samensmeltend tot ’n afgrijselijk koor, waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er ’n opening in gemaakt, die ’n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde, langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de rechtbank, zóó, dat ieder ’t goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z’n bed, trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.»De pokstof in m’n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja, dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te werken. ’t Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had ingezien. Bah!«Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. ’s Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat ’t kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken, present te zijn.»Vooruit ezel! werk! werk!«Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z’n eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d’r eigen vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen, dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep hier. Als ’k noumijn kind eens wou opzoeken, zou ’k niet eens weten, waar ’k ’t kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor menschen op de wereld. Bah! Allemaal in ’n put en ’n zwaren steen er op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het werktuig om zich.»’n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de eer, den overledene bewezen en ze gingenterug.Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.»Neen.«De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i, op den bok. Heb je ooit?«Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.’s Morgens ging hij naar z’n werk, ontevreden en knorrig.Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteurmet ’n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken, kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek ….»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van ’n broek.«»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als ’n nieuwe. Als die weg is, motten we ’n nieuwe koopen.«De taxatie viel nog al meê. Wat kon ’t haar schelen, dat de inspekteur iets mompelde van: »Lamme lui, die ’t onderste uit de kan willen hebben?« Het geld is er immers voor?Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. ’t Vuile, berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent, ’n klein, bol, mottig ventje, zat midden in ’t vertrek op een stoel, toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z’n beurt een rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt.Toen ze ’s avonds heen gingen, lieten ze een akeligelucht na van jenever, vuile tabak, carbol en chloor.Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken zou krijgen.»Toen z’n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen ’t kind dood was en ’t huis geredderd was, kwam hij weer naar z’n vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem zien. ’n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou ’t niet gebeurd zijn,« meenden de mannen.»Wierook, wierook!«Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed ’n paar stukken in ’n test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt te hebben.Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken, verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart naar toe vlogen, als opgezogen.Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch ’t kwam haar vóor, dat daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar teomwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op ’n stoel en hield de test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van ’t hoesten en was als bezeten van ’n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder, omhuifd door ’n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden.

BESMETTELIJKE ZIEKTE.

In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevelszweettende besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die ’s morgens voor den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken, hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg, als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees.In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot den middag in zijn goor ledekantje naarde vlammen te kijken en liep de andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z’n moeder, met een taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd, en die op een vuilniskar reed, bracht ’s morgens de theestoven weg, terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. ’s Avonds zat hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z’n vrouw bij het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.»In godsnaam, d’r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor!Ikzou je danken! Dan krijg je zoo’n verrekt briefje op je deur en je klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en ’t is hier toch al niet opgeschept!«»Enfin, we zullen afwachten!«»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgendedagen telkens in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg het op, om het wat »op te monteren.« »’t Was altijd zoo’n oud ventje, maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest wat op ’t plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude valwinden, die op z’n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de liefkozingen van het monster, de pokken.Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit bed wou nemen.»Daar heb je ’t gedonder, zie je wel?«»’k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar ’n dokter komt hier niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een jankende vent, ’t is wat lekkers! Meteen zal ’k een bedje in de keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we worden bekend als de bonte hond.«»Ik heb er ’n zwaar hoofd in, anders zeg ’k niets.«»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, ’t is ook wat! En ’t is maar ’n kind. Erger zou ’t zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan liep de heele boel in ’t honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er meê optrekken doe ’k niet. ’k Mot den heelen dag genoeg vort met m’n donder!«»Ik zal wel waken, als ’t noodig is.«Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun dekentje, vol gaten en tot den naadversleten. Daar lag het te turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts, naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, ’k ben zoo bang!«Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de doffetrillingensneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees ineenkrinkelde.De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige, gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op ’n mesthoop!En ’s avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting, vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging, dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap, alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het zwakke lichaampje deedschudden, met ijskouden tocht het levensvonkje beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes in de zijne.»M’n lief, arm ventje. M’n lief, arm ventje.«De derde dag, ’s Zaterdagsavonds, zei de man:»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m’n hart me in de keel.« Hij liet z’n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z’n bezige handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z’n versuft brein. Hij gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van ingehouden tranen zeggend: »M’n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z’n handen.Tot z’n verwondering spoorde z’n vrouw hem aan, om een dokter te gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was ’n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er niets van in, meende ze.De geneesheer voer hevig uit.»’t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen op veere bedde kunne legge. Weet uwát een schandaal is? Dat we met al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z’n pet in de handen rond.»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er toch op de wereld.«Toen hij weg was, ging de vrouw op ’n vreeselijke manier te keer. Ze vervloekte hemel en aarde. ’t Briefje, dat op de deurpost geplakt werd, scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel, het er weêr af te scheuren.Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen dag met den tang rond zichte slaan, leelijk vloekend. In het huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar lijden, dat ’t gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar, zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »’t Is dood!«»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? ’t Hangt me de keel uit.«De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord, dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in z’n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den dood van ’t kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was ’t zeker gaan vervelen en daarom had hij ’t maar kapot gemaakt. En hij balde de vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek van twee vrouwen had gehoord. ’s Dokters naam was genoemd:»Die? ’t Is ’n knap man, daar zal ’k niks van zegge,maar van pokke heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal, allemaal! Maar ’t is ’n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een voor, die de rijke niet hebbe wille.«»Zoo is ’t,« juichte de man in z’n binnenst. »De armen motten er onder, wat dondert het, of er ’n paar krepeeren? Er zijn er genog.«Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders motten er an.« En hij vloekte ruw.Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke, weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend, op elkaar opstapelend, samensmeltend tot ’n afgrijselijk koor, waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er ’n opening in gemaakt, die ’n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde, langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de rechtbank, zóó, dat ieder ’t goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z’n bed, trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.»De pokstof in m’n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja, dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te werken. ’t Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had ingezien. Bah!«Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. ’s Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat ’t kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken, present te zijn.»Vooruit ezel! werk! werk!«Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z’n eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d’r eigen vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen, dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep hier. Als ’k noumijn kind eens wou opzoeken, zou ’k niet eens weten, waar ’k ’t kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor menschen op de wereld. Bah! Allemaal in ’n put en ’n zwaren steen er op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het werktuig om zich.»’n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de eer, den overledene bewezen en ze gingenterug.Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.»Neen.«De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i, op den bok. Heb je ooit?«Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.’s Morgens ging hij naar z’n werk, ontevreden en knorrig.Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteurmet ’n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken, kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek ….»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van ’n broek.«»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als ’n nieuwe. Als die weg is, motten we ’n nieuwe koopen.«De taxatie viel nog al meê. Wat kon ’t haar schelen, dat de inspekteur iets mompelde van: »Lamme lui, die ’t onderste uit de kan willen hebben?« Het geld is er immers voor?Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. ’t Vuile, berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent, ’n klein, bol, mottig ventje, zat midden in ’t vertrek op een stoel, toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z’n beurt een rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt.Toen ze ’s avonds heen gingen, lieten ze een akeligelucht na van jenever, vuile tabak, carbol en chloor.Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken zou krijgen.»Toen z’n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen ’t kind dood was en ’t huis geredderd was, kwam hij weer naar z’n vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem zien. ’n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou ’t niet gebeurd zijn,« meenden de mannen.»Wierook, wierook!«Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed ’n paar stukken in ’n test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt te hebben.Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken, verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart naar toe vlogen, als opgezogen.Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch ’t kwam haar vóor, dat daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar teomwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op ’n stoel en hield de test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van ’t hoesten en was als bezeten van ’n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder, omhuifd door ’n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden.

In de stad heerschten de pokken. De namen van die er aan bezweken vormden in de couranten heele lijsten. Een vunzige lucht, doortrokken van carbol en chloor, hing in de nauwe straat, waarover zich dag aan dag een naargeestige, vuil-grijze hemel uitstrekte. De zwarte gevelszweettende besmetting uit, die zich bijeentrok om de witte repen papier, op deuren en kozijnen geplakt. De vrouwen, die ’s morgens voor den haard van de water- en vuurnering de hoofden bij elkaar staken, hadden het over niets anders als nieuwe sterfgevallen en nieuwe grepen van de gevreesde ziekte, die zijn klauwen links en rechts uitsloeg, als een grimmig roofdier, overal tegenwoordig, niets ontziende. De huizen stonden te rillen, deemoedig vol angst en vrees.

In de nering hing een vuile nevel, die zich voor het vuur bijeentrok in gelige klampen, met een stank van vuile eieren. Het was een vuil gezin. De weinige meubelen waren bedekt met een dikke laag vuil en doortrokken met een zwaveligen turfdamp. Het kleine jongetje lag tot den middag in zijn goor ledekantje naarde vlammen te kijken en liep de andere helft van den dag in een vuile hanssop, met ongewassen gezicht en steil rechtopstaand, geel haar. Even vuil was z’n moeder, met een taankleurig, gemeen gezicht en een rok, waar de flarden bij hingen. De man, een verschrompeld, nietig ventje, door het vuur uitgedroogd, en die op een vuilniskar reed, bracht ’s morgens de theestoven weg, terwijl etende, en was den heelen dag niet te zien. ’s Avonds zat hij zwijgend bij het vuur, de klanten helpend, terwijl z’n vrouw bij het walmende lampje aan de kleêren zat te prutsen, omgeven door een stinkenden kwalm. Van tijd tot tijd lichtte ze het hoofd op om met deze of gene een praatje te maken. De kleine zat op een groot blok hout, met knippende oogen naar de lichtdansingen te kijken, zwaar leunende tegen den grooten, zwarten doofpot.

Op een morgen was het kind niet goed en het stonk vreeselijk.

»Dat zijn de pokken, let er op!« zei de man.

»In godsnaam, d’r is toch niks an te doen. Maar geen dokter, hoor!Ikzou je danken! Dan krijg je zoo’n verrekt briefje op je deur en je klanten loopen je uit den weg als de pest. De nering zou verloopen en ’t is hier toch al niet opgeschept!«

»Enfin, we zullen afwachten!«

»Je kent voor mijn part afwachten zoolang als je wilt, maar een dokter komt hier niet over den vloer, al ging de onderste steen boven.«

Het kind dat altijd zeer stil was, kroop de volgendedagen telkens in een hoek. De leedjes waren zwaar en pijnlijk. Doch de vrouw joeg het op, om het wat »op te monteren.« »’t Was altijd zoo’n oud ventje, maar dat gesikkeneur kon ze niet hebben. Ben je bedonderd? Het moest wat op ’t plaatsje gaan.« Het plaatsje was een kleine ruimte, door hooge muren ingesloten, waar een oude, grommige bandrekel kregelig lag rond te kijken en zich krampachtig samenwrong onder de ijskoude valwinden, die op z’n bruine bast vielen. Daar stond het kind uur aan uur met vochtige oogen te klappertanden en te rillen onder de liefkozingen van het monster, de pokken.

Een paar dagen later was het bedekt met kleine blaasjes. Het kon niet opstaan en weende zachtjes, toen de vrouw het hardhandig uit bed wou nemen.

»Daar heb je ’t gedonder, zie je wel?«

»’k Weet bliksems goed, waar je heen wilt, maar ’n dokter komt hier niet. Hou nou maar je bek dicht. Jankende kinderen en dan nog een jankende vent, ’t is wat lekkers! Meteen zal ’k een bedje in de keuken maken, anders steekt Jan en Alleman er zijn neus in en we worden bekend als de bonte hond.«

»Ik heb er ’n zwaar hoofd in, anders zeg ’k niets.«

»Denk je weêr niet an sterrevé? Een beetje pokken, ’t is ook wat! En ’t is maar ’n kind. Erger zou ’t zijn als jij of ik kwam te leggen. Dan liep de heele boel in ’t honderd. Eén ding wil ik je zeggen: Er meê optrekken doe ’k niet. ’k Mot den heelen dag genoeg vort met m’n donder!«

»Ik zal wel waken, als ’t noodig is.«

Het kind werd in de keuken gelegd. Een oud, verrot matrasje op drie stoelen, een paar kleedingstukken voor hoofdkussen, een dun dekentje, vol gaten en tot den naadversleten. Daar lag het te turen, de handjes zenuwachtig bewegende, schuddend van de koorts, naar het smalle streepje grauwe lucht boven den eentonigen muur. De wind joeg de rook der bovenburen naar beneden, waar ze bleef hangen in den zwarten dommel der dikbuikige, ouderwetsche schouw, vreeselijke gezichten vormend, zoodat de kleine riep: »o vader, ’k ben zoo bang!«

Maar dan sloeg de moeder met de vuisten tegen de deur en door de doffetrillingensneden haar ruwe vloeken, zoodat het kind van vrees ineenkrinkelde.

De rukwinden deden de ruiten daveren. De snijdende huilingen van den hond, de verwarde stemmenklateringen der klanten, de zwavelige, gele turflucht doezelden ineen tot een walgelijke massa, waarin de kleine lijder lag te stuiptrekken. Een jong varken op ’n mesthoop!

En ’s avonds keek het naar het dansende vlammetje in het glas olie en water en naar de wemelende repen schaduw, telkens afdwalende naar den donkeren gapenden mond der schoorsteen, vol stille ontzetting, vol stomme doodsangst. En als het vlammetje knetterend uitging, dan sparde de vreeselijke muil zich open en deed een grooten hap, alles verzwelgende. Het kind greep wanhopig het dek, de armpjes langs het lijf, de schouders omhoog getrokken. Tot de koorts weer het zwakke lichaampje deedschudden, met ijskouden tocht het levensvonkje beurtelings aanblazend en bijna uitdoovend.

Soms kwam de vader naast het bedje zitten en nam de klamme handjes in de zijne.

»M’n lief, arm ventje. M’n lief, arm ventje.«

De derde dag, ’s Zaterdagsavonds, zei de man:

»Ik blijf thuis. Den heelen dag zit m’n hart me in de keel.« Hij liet z’n vrouw razen en schelden en stopte alle tochtreten zorgvuldig dicht. Den heelen dag zat hij in het keukentje bosjes kachelhout te maken en als hij naar de holle, glazige oogjes zag, op z’n bezige handen gericht, dan kampten hoop en vrees in z’n versuft brein. Hij gunde zich geen rust en begon er ellendig uit te zien. Wakende droomde hij, op een stoel voor het bedje gezeten en met een stem, nat van ingehouden tranen zeggend: »M’n lief, arm ventje.« Het kind, dat niet meer kon praten, streelde hem dan het gelaat en aaide z’n handen.

Tot z’n verwondering spoorde z’n vrouw hem aan, om een dokter te gaan. De zaak was, dat ze van de onteigening had gehoord. Er was ’n slaatje te slaan. En als er geen dokter bij geweest was, kwam er niets van in, meende ze.

De geneesheer voer hevig uit.

»’t Is een schandaal! Moordenaars ben jullie, moordenaars! Zijn jullie ouwers? Je bent niet waard, dat de aarde je draagt.«

»Wat zou u wel wille? We zijn geen rijkelui, dat we onze kinderen op veere bedde kunne legge. Weet uwát een schandaal is? Dat we met al ons harde werken niet eens het noodige kunnen krijge, laat staan weelde. We motten dát ook.« En ze maakte een beweging van eten.

De man stond er bij als een arme zondaar en draaide z’n pet in de handen rond.

»Variolae,« mompelde de dokter. »God, God, wat een menschen zijn er toch op de wereld.«

Toen hij weg was, ging de vrouw op ’n vreeselijke manier te keer. Ze vervloekte hemel en aarde. ’t Briefje, dat op de deurpost geplakt werd, scheurde ze er dadelijk af. Den agent, die na een paar dagen kwam kijken, zei ze, dat het er zeker afgeregend was, wist zij het? Ze had wel wat anders te doen, dan er naar te kijken. Welzeker, ze zou er een besteller bij zetten, om er op te passen. Doch ze wachtte zich wel, het er weêr af te scheuren.

Er kwamen weinig of geen klanten en uit ergernis zat ze den heelen dag met den tang rond zichte slaan, leelijk vloekend. In het huis hing een walgelijke lucht van carbol, waarmee de vloer werd besprenkeld. Zorgvuldig meed ze de keuken en als haar man in haar nabijheid kwam, sloot ze haar rokken eng om haar lijf. Ze mocht maar lijden, dat ’t gezanik gauw gedaan was. Ajakkes, je had toch niets als last van je kinderen. Een beroerde hang-aan-je-lijf, die je overal moest meêslepen. En als ze groot waren, verdomden ze je toch. Nou maar, zij dankte er voor, zich voor hare kinderen op te offeren.

Op een morgen zei de man, bleek van het waken: »’t Is dood!«

»Zoo? En wanneer zal dat verrekte ding van de deur af gaan? ’t Hangt me de keel uit.«

De dokter gaf bevel, goed met carbol te sprenkelen. Het eerste woord, dat de aptheker zei, was: »Je kind is dood, hè?«

»Hoe kan die vent het nou weten?« vroeg de man zich op straat af. Eerst had hij er niet opgelet, maar op straat leefde het op in z’n ooren. Wacht eens! Nou hij het van achter bekeek, de drank van gister was anders als gewoonlijk. Die drank was de oorzaak van den dood van ’t kind, wie weet, had het niet nog blijven leven. Zoo gaat het, een arm mensch is niet in tel. Dien dokter was ’t zeker gaan vervelen en daarom had hij ’t maar kapot gemaakt. En hij balde de vuist. Verdomd, dat hij ook zoo arm was. En hij vloekte alles en allen. Een vernielzucht kwam over hem, met moeite in te toomen.

Nog vóór den avond kwam het kistje. Het kind was moeielijk te hanteeren en daarom werd het er zoo maar ingelegd en met een witten lap bedekt.

De man had rust noch duur. Den ganschen dag liep hij rond, zich pijnigende met de gedachte: »Als ik nou eens een andere dokter had kunnen nemen? Als de vent er eens geen verstand van had?«

Deze laatste gedachte liet hem niet meer los, nadat hij een gesprek van twee vrouwen had gehoord. ’s Dokters naam was genoemd:

»Die? ’t Is ’n knap man, daar zal ’k niks van zegge,maar van pokke heeft hij geen steek verstand. Allemaal sterve ze bij hem, allemaal, allemaal! Maar ’t is ’n armendokter en daar nemen ze er ordinèr een voor, die de rijke niet hebbe wille.«

»Zoo is ’t,« juichte de man in z’n binnenst. »De armen motten er onder, wat dondert het, of er ’n paar krepeeren? Er zijn er genog.«

Zoo hitste hij zich op. In de rijkeluibuurten zag hij slechts een enkel briefje. »Zie je wel? Die krijgen ze niet. Wij arme donders motten er an.« En hij vloekte ruw.

Thuis wierp hij zich afgemat op bed. De paar vragen, die hij zich den ganschen dag gesteld had, lieten hem niet los. Hij hoorde ze, hij hoorde ze spottend, ernstig, klagend, met schaterlachen, met bleeke, weemoedige glimlachjes, op allerlei toonhoogten, elkaar verdringend, op elkaar opstapelend, samensmeltend tot ’n afgrijselijk koor, waarin de schaterlachen domineerden. Eensklaps werd er ’n opening in gemaakt, die ’n bleeke, woeste, moordzuchtige gedachte weder vulde, langzaam opklarend en zich binnen scherpe grenzen terugtrekkend. Hij zou den dokter vermoorden. En dan zou hij zichzelf aangeven en voor de rechtbank, zóó, dat ieder ’t goed, duidelijk zou kunnen hooren, zou hij zeggen: »Ja, ik heb hem vermoord. Wij armen hebben ook ons gevoel. We willen niet langer beesten zijn, die zich laten trappen. We laten ons niet langer vermoorden, zonder wat terug te doen.« Hij lag op z’n bed, trillende en kokende van machtelooze woede. Toen hij ontwaakte, wist hij niet eens, dat hij geslapen had. Hij voelde zich ziek en ellendig.

»De pokstof in m’n lichaam, die werkt,« dacht hij. En hij wenschte, dat hij maar gauw mocht opkrassen. »Wat had je eigenlijk aan je leven? Ja, dat zou hij wel eens willen weten. Werken om te leven en leven om te werken. ’t Was de moeite niet waard. Dat hij dat nog nooit zoo had ingezien. Bah!«

Langzaam liep hij over de straat te slenteren, als in een droom. ’s Avonds kwam een kameraad zeggen, dat de baas gehoord had, dat ’t kindje dood was. En of hij maar uiterlijk overmorgen wou maken, present te zijn.

»Vooruit ezel! werk! werk!«

Hadden de menschen een hart? Ben je gek, ieder zorgt voor z’n eigen. Maar hij verdomde het, dáár! Geen poot zou hij meer verzetten.

In de begrafeniskoets, den volgenden dag, had hij dezelfde giftige stemming. Strak tuurde hij op het kistje vóór hem, op den voorbank. »Die beroerde bidder had zijn glaasje lekker opgedronken. En zijn vrouw? Voor jenever had het kreng wel gezorgd. En naar d’r eigen vleesch en bloed had ze niet omgekeken.«

Het kerkhof zag er triestig uit. De schrale boompjes, gevoed door de arme lichamen, die er onder lagen te rotten, lieten hun tranen vallen op de groote, blauwe zerken en stonden te bibberen in den killen, dunnen motregen. De doodgraver stootte het kistje bij ongeluk tegen het hek. De vader keek hem aan, of hij op het punt was, hem aan te vliegen en met zijn vuist den hersenpan in te slaan. Met geweld, traag keerde hij zich af. Ze liepen langs de graven. »Hè, wat een beroerde troep hier. Als ’k noumijn kind eens wou opzoeken, zou ’k niet eens weten, waar ’k ’t kon vinden. Kijk me daar eens an! Die krans is heelemaal verlept. Er is in geen jaren naar gekeken. Bah! wat zijn er toch voor menschen op de wereld. Bah! Allemaal in ’n put en ’n zwaren steen er op. Verdomme! En dan den heelen boel onderste boven keeren!«

Toen de doodgraver hem den schop in handen gaf, had hij heel veel lust, er die beroerde lui mee te lijf te gaan. Hij zwaaide met het werktuig om zich.

»’n Schop zand,« fluisterde de bidder, die achter hem stond. Dof viel de plons nattig zand omlaag. De leider der begrafenis dankte voor de eer, den overledene bewezen en ze gingenterug.

Buiten de poort fluisterden de bidders een oogenblik en verspreidden zich toen. Eén vroeg, of hij bij den man in de koets mocht zitten.

»Neen.«

De paarden renden over de hobbelige keien, óp en neer, óp en neer. »Daar is me die verdommeling toch meê gegaan. Daar zit-i, op den bok. Heb je ooit?«

Doch het rijtuig hield spoedig stil en de bidder steeg af. Een paar woorden wisselde hij nog met den koetsier en voort ging het weêr.

Hij voelde zich als lamgeslagen. Den heelen dag lag hij op bed.

’s Morgens ging hij naar z’n werk, ontevreden en knorrig.

Het huis stond dien dag overeind. Een inspekteurmet ’n »burgermannetje« waren gekomen en de vrouw moest alles aanwijzen, wat met het kind in aanraking was geweest: bed, deken, kleedingstukken. Eindelijk kwam ze aandragen met oude hemden, een paar dekens, een hoop ouwe kousen, een ouwe broek ….

»Wat mot dat?« zei de inspekteur. »We kunnen je niet allemaal een nieuwe uitrusting geven. Wat hebben we hier? Een lor van ’n broek.«

»Ja, maar, die voor ons zoo goed is als ’n nieuwe. Als die weg is, motten we ’n nieuwe koopen.«

De taxatie viel nog al meê. Wat kon ’t haar schelen, dat de inspekteur iets mompelde van: »Lamme lui, die ’t onderste uit de kan willen hebben?« Het geld is er immers voor?

Alles werd gedragen in een kar, die voor de deur stond en waaromheen de kinderen krijgertje speelden, hoe dikwijls ook weggejaagd.

Na een poosje kwamen mannen den vloer schrobben met carbol. ’t Vuile, berookte behangsel trokken ze af en de muren werden gewit. Een agent, ’n klein, bol, mottig ventje, zat midden in ’t vertrek op een stoel, toe te kijken en te praten. De vrouw trakteerde eerst op jenever en toen deden de mannen het zichzelf. Ieder gaf op z’n beurt een rondje. Ze verdienden grof geld. De vrouw meende te verstaan een riksdaalder per dag. Onder ruwe scherts deden ze hun werk, de mouwen van hun pilow kielen en de pijpen van hun broeken opgestroopt.

Toen ze ’s avonds heen gingen, lieten ze een akeligelucht na van jenever, vuile tabak, carbol en chloor.

Opeens bekroop haar de vrees, dat de besmetting ergens was blijven hangen. Ze had geen rust of duur. De mannen hadden verteld van een metselaar uit de buurt, die óók bang was, dat hij de pokken zou krijgen.

»Toen z’n zoontje ze kreeg, ging hij in een logement. En eerst toen ’t kind dood was en ’t huis geredderd was, kwam hij weer naar z’n vrouw. Maar de besmetting was ieuwers blijven hangen en hij werd aangetast. En nou was hij niet toonbaar. Mensch, mensch, je moest hem zien. ’n Monster! Als hij wierook gebruikt had, zou ’t niet gebeurd zijn,« meenden de mannen.

»Wierook, wierook!«

Ze haalde wat wierook bij een drogist en deed ’n paar stukken in ’n test met vuur, na de deur goed gesloten en alle reten dichtgestopt te hebben.

Langzaam werd het vertrek gevuld met een gelen, dikken, verstikkenden walm, die haar op de hersenen drukte en de vlam der lamp verdonkerde. Langzaam klampten ze op tegen de wanden, naar den zolder en kringelden er langs en daalden af en klommen weer op, de eene rookkring over den ander, door elkaar, in elkaar. Ze schoven over de meubels naar den uitgedoofden haard, waar ze met een vaart naar toe vlogen, als opgezogen.

Een poosje zat ze op een stoel hen na te turen, de armen over de borst gekruist, met inwendig genoegen. Doch ’t kwam haar vóor, dat daar, in die donkere hoeken bij den zolder, de besmetting zich had samengetrokken en haar aangrijnsde, gereed óp haar te vallen, haar teomwikkelen, haar te dooden. Ze sprong op, klom op ’n stoel en hield de test omhoog, haar voortschuivende langs den zolder, een oogenblik of wat wijlend in de hoeken. Ze stikte van ’t hoesten en was als bezeten van ’n geheime angst. Haar verwarde, losgevallen, drooge haren slierden langs haar gezicht, als kronkelende slangen. Het licht werd donkerder, omhuifd door ’n vuil gelen nevel. De rookwolken vormden allerlei dreigende gezichten, die haar uit de donkere hoeken toegrijnsden.


Back to IndexNext