EEN SCHAFTUUR.

EEN SCHAFTUUR.De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen, toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas, die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken, verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie, in een doek gewikkeld.»Zeg, Leentje, ik wou, datikhet brood mocht dragen.« Het meisje keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.»Waarom?«»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van die lekkere diepe!«»Nou, als je wilt« … Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door zelfzucht laten leiden:»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De enkele parapluie’s dreven snel over de straat en ook de lieden zonder regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast elkaar. Ze hadden sinds ’s morgens niet gegeten. »Het laatste stuk brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet, mochten ze ’t opeten« was hun zuchtend gezegd.Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes kekenspleenzieknaar buiten.—Tot tijdverdrijf maten de kinderen met schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett’en. De straat was zeer modderig en waar de steenen door de sleeperswagensverzakt waren, hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje gretig opvingen en weerkaatsten.Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren.Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen, dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje, zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking, stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige, vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou kunnen worden.»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten.Of je vader honger lijdt kan je niet …. Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid, en de borst van den jongen piepte en knerpte.—De man ging hun met vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek, het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien, die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de machines, dan op de kombuis.De vader had onderwijl plaats genomen.»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen toon en met een blomzoet lachje.Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.»De jongeheer schijnt boos te zijn.«»Dát moest er waarachtig nog bij komen.Ikheb reden«….»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er zenuwachtig van.»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij met Jan Rap en zijn maat«….»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude drukte van belang, net als de burgemeester van ’t afgebrande dorp. Ik kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op zijn zang!«..»Nu ja, maar ik doe als de vader van ’t dolhuis: Ik stoor me aan geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en ’k denk ondertusschen: »’k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen aangenomen werk!«»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek benul.«….»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee maal twee.«»Haha! daar heb je ze, die ’t Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in de steel.«En de mannen lachten.»En dat is nog al van ’t hondje gebeten.»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet koestem is, dan …. dan weet ik het niet.«»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de schuld … Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. ’t Is makkelijk genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken, en ’s Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald, volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten en stooten.»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo’n schop zoudenwijeen dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden, inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij.De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was—ze had een lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef voor de kombuis staan. Dadelijk werd voorhemingeschoven. Ze zaten nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen« zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen: de keel was haar als toegesnoerd.De boterhammen waren op een na verdwenen.»Dáár, eet jullie ’m maar op, holle Gijzen.«»Ik lust niet« zei Leentje.»Hier Frans!«»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed als vreemden.«Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak slaag. Elk woord was een vloek.»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten, dat de nagels in het vleesch drongen.»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij opde steenkolen geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop vuur weg.Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »’k Zal je leeren, op den poot te spelen.«Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van machtelooze woede.»Zoo’n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit, dat beroerde koppen.«Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg had gehad.»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart fleschje. »Medicijnen«lachtehij. Leentje keek toe. Ze zag den stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een gedienstig lachje: »’t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.« En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te pas, alsje kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, Hottentot! Maar allà, wat kan ’t mij schelen. Ze zullen den negenden dag wel boven water komen. ’t Is tuig van Laban!«De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken aan: »o vader, o vader, kom t’huis.«Daar begon de dronkaard:»Als ’t kermis is, als ’t kermis is,Dan slacht mijn vaêr een bok,Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,Al in haar blauwen rok!«Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden, vond roode Jan.Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis, als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat deanderen ook zoo moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij ’t eten wilde.Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij ’t vierkant in het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de verdommenis niet. Naarzijnpijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten, dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel, dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking verdween dan ook van het bleeke gezichtje.Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden weg. Nu was het Jan’s beurt en gedachtig aan het »van andermans leer is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen, van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen.Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om ’s mans hals en trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laathijhet toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?« Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid bracht hem opnieuw tot woede.»Ik wou, dat«… De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan zei sarrend: »Het komt niet van ’t wenschen,« zei de boer: »dat mijn kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos, het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was, o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.« Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een uil in doodsnood!«Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd: toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei: »Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.« En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet vóór de ander buiten gehoor was.Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan haalde de schouders open ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik, dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen beproefden, de balken en planken te doen wippen, op gevaar af, ze te breken. Het licht van den lantaarn bij het huisje scheen Frans rooder dan straks. Vurige stralen schoten heen en weer als bliksemflitsen. De balen katoen schenen aan te rukken om hem op de borst te vallen. De lichtjes, die hem anders van de overkant toepinkten, waren nu niet te zien …Hier en daar was men weer aan ’t werk begonnen. De steekwagens en de stoomlieren ratelden van verre. Mannen schreeuwden. Enkele sleepersknollen stonden nog als in de aarde geplant; andere werden reeds onbarmhartig voortgezweept.De kinderen liepen voort, naast elkaar en toch als door eene muur van elkaar gescheiden. Op de haven was het doodstil en donker. De boomen schenen met lange vingers dreigend naar den hemel te wijzen … Het was droog, maar zwarte wolken dreven pijlsnel voort, alsof ze het oord wilden ontvluchten ….Een dienstmeid wierp eten achter een boom. Een havelooze, schokschouderende kerel, die zeker in een der wagens had gelegen, welke daar stonden, raapte heteten op, eer de meid, wier lichte kleeding scherp afstak tegen den donkeren achtergrond, in de deur was verdwenen.De kinderen gingen bij stilzwijgende overeenkomst eenige schreden terug en een steeg door, die hen op den Dijk bracht. Voorbij het armhuis, een grooten, grijzen klomp zonder licht, somber en dreigend. En slechts eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit, schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat, eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf, in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompettenwerd geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde, toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten, had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«

EEN SCHAFTUUR.De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen, toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas, die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken, verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie, in een doek gewikkeld.»Zeg, Leentje, ik wou, datikhet brood mocht dragen.« Het meisje keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.»Waarom?«»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van die lekkere diepe!«»Nou, als je wilt« … Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door zelfzucht laten leiden:»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De enkele parapluie’s dreven snel over de straat en ook de lieden zonder regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast elkaar. Ze hadden sinds ’s morgens niet gegeten. »Het laatste stuk brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet, mochten ze ’t opeten« was hun zuchtend gezegd.Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes kekenspleenzieknaar buiten.—Tot tijdverdrijf maten de kinderen met schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett’en. De straat was zeer modderig en waar de steenen door de sleeperswagensverzakt waren, hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje gretig opvingen en weerkaatsten.Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren.Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen, dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje, zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking, stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige, vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou kunnen worden.»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten.Of je vader honger lijdt kan je niet …. Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid, en de borst van den jongen piepte en knerpte.—De man ging hun met vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek, het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien, die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de machines, dan op de kombuis.De vader had onderwijl plaats genomen.»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen toon en met een blomzoet lachje.Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.»De jongeheer schijnt boos te zijn.«»Dát moest er waarachtig nog bij komen.Ikheb reden«….»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er zenuwachtig van.»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij met Jan Rap en zijn maat«….»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude drukte van belang, net als de burgemeester van ’t afgebrande dorp. Ik kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op zijn zang!«..»Nu ja, maar ik doe als de vader van ’t dolhuis: Ik stoor me aan geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en ’k denk ondertusschen: »’k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen aangenomen werk!«»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek benul.«….»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee maal twee.«»Haha! daar heb je ze, die ’t Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in de steel.«En de mannen lachten.»En dat is nog al van ’t hondje gebeten.»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet koestem is, dan …. dan weet ik het niet.«»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de schuld … Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. ’t Is makkelijk genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken, en ’s Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald, volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten en stooten.»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo’n schop zoudenwijeen dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden, inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij.De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was—ze had een lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef voor de kombuis staan. Dadelijk werd voorhemingeschoven. Ze zaten nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen« zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen: de keel was haar als toegesnoerd.De boterhammen waren op een na verdwenen.»Dáár, eet jullie ’m maar op, holle Gijzen.«»Ik lust niet« zei Leentje.»Hier Frans!«»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed als vreemden.«Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak slaag. Elk woord was een vloek.»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten, dat de nagels in het vleesch drongen.»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij opde steenkolen geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop vuur weg.Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »’k Zal je leeren, op den poot te spelen.«Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van machtelooze woede.»Zoo’n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit, dat beroerde koppen.«Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg had gehad.»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart fleschje. »Medicijnen«lachtehij. Leentje keek toe. Ze zag den stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een gedienstig lachje: »’t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.« En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te pas, alsje kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, Hottentot! Maar allà, wat kan ’t mij schelen. Ze zullen den negenden dag wel boven water komen. ’t Is tuig van Laban!«De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken aan: »o vader, o vader, kom t’huis.«Daar begon de dronkaard:»Als ’t kermis is, als ’t kermis is,Dan slacht mijn vaêr een bok,Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,Al in haar blauwen rok!«Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden, vond roode Jan.Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis, als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat deanderen ook zoo moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij ’t eten wilde.Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij ’t vierkant in het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de verdommenis niet. Naarzijnpijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten, dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel, dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking verdween dan ook van het bleeke gezichtje.Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden weg. Nu was het Jan’s beurt en gedachtig aan het »van andermans leer is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen, van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen.Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om ’s mans hals en trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laathijhet toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?« Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid bracht hem opnieuw tot woede.»Ik wou, dat«… De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan zei sarrend: »Het komt niet van ’t wenschen,« zei de boer: »dat mijn kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos, het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was, o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.« Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een uil in doodsnood!«Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd: toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei: »Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.« En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet vóór de ander buiten gehoor was.Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan haalde de schouders open ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik, dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen beproefden, de balken en planken te doen wippen, op gevaar af, ze te breken. Het licht van den lantaarn bij het huisje scheen Frans rooder dan straks. Vurige stralen schoten heen en weer als bliksemflitsen. De balen katoen schenen aan te rukken om hem op de borst te vallen. De lichtjes, die hem anders van de overkant toepinkten, waren nu niet te zien …Hier en daar was men weer aan ’t werk begonnen. De steekwagens en de stoomlieren ratelden van verre. Mannen schreeuwden. Enkele sleepersknollen stonden nog als in de aarde geplant; andere werden reeds onbarmhartig voortgezweept.De kinderen liepen voort, naast elkaar en toch als door eene muur van elkaar gescheiden. Op de haven was het doodstil en donker. De boomen schenen met lange vingers dreigend naar den hemel te wijzen … Het was droog, maar zwarte wolken dreven pijlsnel voort, alsof ze het oord wilden ontvluchten ….Een dienstmeid wierp eten achter een boom. Een havelooze, schokschouderende kerel, die zeker in een der wagens had gelegen, welke daar stonden, raapte heteten op, eer de meid, wier lichte kleeding scherp afstak tegen den donkeren achtergrond, in de deur was verdwenen.De kinderen gingen bij stilzwijgende overeenkomst eenige schreden terug en een steeg door, die hen op den Dijk bracht. Voorbij het armhuis, een grooten, grijzen klomp zonder licht, somber en dreigend. En slechts eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit, schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat, eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf, in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompettenwerd geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde, toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten, had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«

EEN SCHAFTUUR.

De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen, toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas, die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken, verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie, in een doek gewikkeld.»Zeg, Leentje, ik wou, datikhet brood mocht dragen.« Het meisje keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.»Waarom?«»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van die lekkere diepe!«»Nou, als je wilt« … Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door zelfzucht laten leiden:»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De enkele parapluie’s dreven snel over de straat en ook de lieden zonder regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast elkaar. Ze hadden sinds ’s morgens niet gegeten. »Het laatste stuk brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet, mochten ze ’t opeten« was hun zuchtend gezegd.Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes kekenspleenzieknaar buiten.—Tot tijdverdrijf maten de kinderen met schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett’en. De straat was zeer modderig en waar de steenen door de sleeperswagensverzakt waren, hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje gretig opvingen en weerkaatsten.Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren.Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen, dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje, zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking, stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige, vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou kunnen worden.»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten.Of je vader honger lijdt kan je niet …. Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid, en de borst van den jongen piepte en knerpte.—De man ging hun met vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek, het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien, die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de machines, dan op de kombuis.De vader had onderwijl plaats genomen.»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen toon en met een blomzoet lachje.Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.»De jongeheer schijnt boos te zijn.«»Dát moest er waarachtig nog bij komen.Ikheb reden«….»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er zenuwachtig van.»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij met Jan Rap en zijn maat«….»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude drukte van belang, net als de burgemeester van ’t afgebrande dorp. Ik kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op zijn zang!«..»Nu ja, maar ik doe als de vader van ’t dolhuis: Ik stoor me aan geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en ’k denk ondertusschen: »’k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen aangenomen werk!«»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek benul.«….»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee maal twee.«»Haha! daar heb je ze, die ’t Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in de steel.«En de mannen lachten.»En dat is nog al van ’t hondje gebeten.»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet koestem is, dan …. dan weet ik het niet.«»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de schuld … Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. ’t Is makkelijk genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken, en ’s Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald, volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten en stooten.»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo’n schop zoudenwijeen dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden, inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij.De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was—ze had een lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef voor de kombuis staan. Dadelijk werd voorhemingeschoven. Ze zaten nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen« zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen: de keel was haar als toegesnoerd.De boterhammen waren op een na verdwenen.»Dáár, eet jullie ’m maar op, holle Gijzen.«»Ik lust niet« zei Leentje.»Hier Frans!«»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed als vreemden.«Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak slaag. Elk woord was een vloek.»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten, dat de nagels in het vleesch drongen.»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij opde steenkolen geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop vuur weg.Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »’k Zal je leeren, op den poot te spelen.«Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van machtelooze woede.»Zoo’n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit, dat beroerde koppen.«Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg had gehad.»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart fleschje. »Medicijnen«lachtehij. Leentje keek toe. Ze zag den stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een gedienstig lachje: »’t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.« En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te pas, alsje kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, Hottentot! Maar allà, wat kan ’t mij schelen. Ze zullen den negenden dag wel boven water komen. ’t Is tuig van Laban!«De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken aan: »o vader, o vader, kom t’huis.«Daar begon de dronkaard:»Als ’t kermis is, als ’t kermis is,Dan slacht mijn vaêr een bok,Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,Al in haar blauwen rok!«Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden, vond roode Jan.Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis, als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat deanderen ook zoo moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij ’t eten wilde.Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij ’t vierkant in het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de verdommenis niet. Naarzijnpijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten, dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel, dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking verdween dan ook van het bleeke gezichtje.Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden weg. Nu was het Jan’s beurt en gedachtig aan het »van andermans leer is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen, van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen.Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om ’s mans hals en trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laathijhet toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?« Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid bracht hem opnieuw tot woede.»Ik wou, dat«… De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan zei sarrend: »Het komt niet van ’t wenschen,« zei de boer: »dat mijn kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos, het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was, o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.« Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een uil in doodsnood!«Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd: toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei: »Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.« En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet vóór de ander buiten gehoor was.Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan haalde de schouders open ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik, dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen beproefden, de balken en planken te doen wippen, op gevaar af, ze te breken. Het licht van den lantaarn bij het huisje scheen Frans rooder dan straks. Vurige stralen schoten heen en weer als bliksemflitsen. De balen katoen schenen aan te rukken om hem op de borst te vallen. De lichtjes, die hem anders van de overkant toepinkten, waren nu niet te zien …Hier en daar was men weer aan ’t werk begonnen. De steekwagens en de stoomlieren ratelden van verre. Mannen schreeuwden. Enkele sleepersknollen stonden nog als in de aarde geplant; andere werden reeds onbarmhartig voortgezweept.De kinderen liepen voort, naast elkaar en toch als door eene muur van elkaar gescheiden. Op de haven was het doodstil en donker. De boomen schenen met lange vingers dreigend naar den hemel te wijzen … Het was droog, maar zwarte wolken dreven pijlsnel voort, alsof ze het oord wilden ontvluchten ….Een dienstmeid wierp eten achter een boom. Een havelooze, schokschouderende kerel, die zeker in een der wagens had gelegen, welke daar stonden, raapte heteten op, eer de meid, wier lichte kleeding scherp afstak tegen den donkeren achtergrond, in de deur was verdwenen.De kinderen gingen bij stilzwijgende overeenkomst eenige schreden terug en een steeg door, die hen op den Dijk bracht. Voorbij het armhuis, een grooten, grijzen klomp zonder licht, somber en dreigend. En slechts eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit, schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat, eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf, in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompettenwerd geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde, toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten, had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«

De klok bij den bakker stond op veertien minuten over negenen, toen Frans en zijn zusje Leentje zich op weg begaven. Het was een herfstavond en de bij vlagen nêervallende regendroppels veroorzaakten dezelfde tinteling in het gelaat als hagelkorrels. De elfjarige knaap was tegen de kou beschermd door een pet met oorkleppen en een jas, die te groot was en pasklaar gemaakt door de knoopen achteruit te zetten en de slippen wat in te korten; het meisje door een dikken, verschoten grijze doek, over het hoofd geslagen, eenige malen om het lijf gewonden en met een dikken, dubbelen knoop op den rug vastgemaakt. Toch bibberden ze. Frans merkte spoedig, dat het verkleumde vuistje van zijn achtjarig zusje ternauwernood het zakje brood kon vasthouden. Hij-zelf droeg een kruik met heete koffie, in een doek gewikkeld.

»Zeg, Leentje, ik wou, datikhet brood mocht dragen.« Het meisje keek hem met hare groote, blauwe oogen wantrouwend en ongeloovig aan.

»Waarom?«

»Wel, dan kon ik mijn handen in mijne zakken houden. Het zijn van die lekkere diepe!«

»Nou, als je wilt« … Maar ze wilde eerlijk zijn en zich niet door zelfzucht laten leiden:

»Je kunt anders je handen zoo lekker aan de kruik warmen,« merkte ze op, doch in haar toon kon men haar geheim verlangen hooren. Frans had niet veel woorden noodig, om haar over te halen. Spoedig kon ze met innig genot haar koude knuistjes tegen de warme kruik drukken.

De ramen der winkels waren beslagen. Kijkers waren er trouwens niet. De enkele parapluie’s dreven snel over de straat en ook de lieden zonder regenscherm liepen ineengedoken haastig voort. Treurig staarden de gasvlammen in hun verlatenheid de kinderen na. Deze gingen dicht naast elkaar. Ze hadden sinds ’s morgens niet gegeten. »Het laatste stuk brood moest voor vader bewaard worden. Maar als hij wat overliet, mochten ze ’t opeten« was hun zuchtend gezegd.

Ze kwamen op de L. haven, die zich eindeloos voor hen uitstrekte en zich in het duister verloor: een vormlooze klomp kale boomen en huizen. Geen mensch was er te zien. De schepen schenen geen bewoners te hebben. De huizen keken bedroefd op hen neer. Een mantelmagazijn en een ijzerwinkel hadden het licht nog op en de vlammetjes kekenspleenzieknaar buiten.—Tot tijdverdrijf maten de kinderen met schreden de afstanden tusschen de lantarens. Het water sieperde uit hun schoenen, telkens als ze de voet neerzett’en. De straat was zeer modderig en waar de steenen door de sleeperswagensverzakt waren, hadden zich donkere plassen gevormd, die het geringste lichtstraaltje gretig opvingen en weerkaatsten.

Ze gingen voorbij de zeetijdingen, die door een lamp achter traliewerk verlicht waren. Een man stond ze te bestudeeren.

Eindelijk kregen zij hun doel in het oog. De boot, waaraan hun vader werkte, lag bij een blauwen lantaren. Ze renden een donkere rij pakhuizen voorbij en eene brug over; want het schoot hun te binnen, dat het te laat moest zijn. Anders hadden ze wel kinderen met brood en koffie gezien. Het wás ook te laat. Reeds tien minuten geleden was het sein tot schaften gegeven. Achter het groene houten huisje, zooals er bij elke boot een is, zaten op omgeworpen balen katoen of op planken en balken etende mannen en snappende kinderen. Het licht van een lantaarn, die op den grond bij het huisje stond, viel op de grove gezichten, zwart van kolenstof; gezichten zonder eenige uitdrukking, stomp en wezenloos; en deed het wit der oogen glinsteren, als bij negers. Men had aan den kant vanwaar de wind kwam, balen katoen gezet.

Daar kwam een groote, zware man de stelling af. Hij hield de hand boven de oogen om ze tegen het licht te beschutten. Zijn gelaat had het opgezwollene, dronkaards eigen. Eene zwarte, havelooze baard hing om de breede kin, die getuigde van grof egoïsme. Hij was een stevige, vierkante kerel, die niet gemakkelijk door den tijd gesloopt zou kunnen worden.

»Waar kom jullie vandaan? Zeker loopen lanterfanten.Of je vader honger lijdt kan je niet …. Alla!« viel hij zichzelf in de reden. »Het is toch boter tegen de galg gekletst! Maar te laat is het, dat wascht al het water van de zee niet af.« De kinderen hijgden van vermoeidheid, en de borst van den jongen piepte en knerpte.—De man ging hun met vasten stap vóór langs stapels balen, gedekt door zwart, nat zeildoek, het licht van verwijderde lantarens afschampend; de glibberige stelling op, een levensgevaarlijk trapje af, zonder naar de kinderen om te zien, die veel gevaar liepen in de donkere, koude rivier te vallen. Hij wendde zich rechts en kwam in een lange gang, slechts aan den ingang verlicht door het olielicht bij den stoomlier. Bij een kleine kombuis hield hij stil. Het was een klein vertrekje, voor de helft ingenomen door een groot fornuis, vol stof en roet. Een meter ongeveer daarboven stond op een plank een petroleumlicht zonder glas. De walm sloeg tegen den zolder en kooldeeltjes zweefden rond. Vóór het fornuis stond eene bloedroode bank, waarop reeds iemand zat. Alles was vol stof en roet en in de hoeken hingen draden spinrag en vuil, onophoudelijk heen-en-weêr zwevend. Engelschen zijn gewoonlijk zindelijker op de machines, dan op de kombuis.

De vader had onderwijl plaats genomen.

»Zoo, zijn de verloren schapen terecht?« zei de ander op teemerigen toon en met een blomzoet lachje.

Het klonk Frans sarrend en dit verhoogde zijn prikkelbaarheid.

»De jongeheer schijnt boos te zijn.«

»Dát moest er waarachtig nog bij komen.Ikheb reden«….

»Wil jullie hier zitten? Ik wil wel opstaan.«

»Ben je een beetje bedonderd, rooie? Ze voeren geen donderdag uit en ze hebben jonge beenen. Als ze moe zijn, moeten ze maar op hun duim gaan zitten.« Beide mannen schaterden het uit. Frans werd er zenuwachtig van.

»Ja, rooie, om op ons aprepro terug te komen, het is een rare scharrelaar. Zoo nu en dan gaat hij een week of wat op den rol en komt pas boven water, als hij al zijn plunje verpast heeft. Dan loopt hij met Jan Rap en zijn maat«….

»Met den duivel en zijn moer,« verbeterde de roode.

»Maar gewikst is hij, dát moet gezegd worden.«

»Maar het is een beroerde kale jakhals en hij heeft toch een koude drukte van belang, net als de burgemeester van ’t afgebrande dorp. Ik kan die windhappers niet luchten of zien. Zoo beroerd veel noten op zijn zang!«..

»Nu ja, maar ik doe als de vader van ’t dolhuis: Ik stoor me aan geen gekken. Ik zeg maar: »Ja baas!« en ’k denk ondertusschen: »’k zal je scheren, baard of geen! Verrek maar, hoor. Het is geen aangenomen werk!«

»Hoe hij baas geworden is, mag Joost weten. Hij heeft geen steek benul.«….

»Wel, zijn vrouw loopt op de baan, dat weet ik zoo goed als twee maal twee.«

»Haha! daar heb je ze, die ’t Wilhelmus blazen. Zit de vork zóó in de steel.«

En de mannen lachten.

»En dat is nog al van ’t hondje gebeten.

»Nu ja, als ze oud worden, zitten ze onder de preekstoel. Als de zaakjes niet meer gaan, worden ze fijn.«

»Hij wou me gisteren een uitbrander geven, maar ik gaf hem zijn vet weerom. Hij kreeg zijn bekomst. Als hij me weer een stroobreed in de weg legt, zal ik hem dit op zijn brood geven. En als hij dan nog niet koestem is, dan …. dan weet ik het niet.«

»Hij moet vroeger rijk geweest zijn.«

»Hadden was een rijk man, maar hebben is er beter an. Nu lijdt hij armoe, dat hij zwart wordt. Tot over de ooren zitten ze in de schuld … Ik wou dat ik ook maar baas kon worden. ’t Is makkelijk genoeg, het te zijn. Met de handen op de rug loopt men wat te vloeken, en ’s Zaterdags betaalt men, klaar is Kees.«

»Ja heksenwerk is het niet,« zei de vader van Frans.

Onderwijl had hij op zijn elfendertigst het brood uit den zak gehaald en naast zich op de bank gelegd, de kruik ontkurkt en een groote kom van wit aardewerk, door Leentje uit haar zak gehaald, volgeschonken. »Niet veel eêls!« beoordeelde hij de koffie, »van het achtenveertigste treksel. Lauw Loenen met de klep dicht.« Ook de boterhammen ontgingen zijne kritiek niet. »Jongen, jongen, wat een vracht boter. En wat een lekkere kaas, hé rooie?« Deze lachte. Zijn lach klonk als het gesjierp van de wielen eener boerekar, met horten en stooten.

»Moeder had geen geld want u hebt in den laatsten tijd zoo weinig gewerkt,« merkte Leentje schuchter aan.

Frans had niets gehoord. Hij keek naar het vuur, dat eenige passen verder brandde. De stoker wierp er kolen op. »Van één zoo’n schop zoudenwijeen dag kunnen stoken,« prevelde de jongen. Het vuur wierp zijn gloed op de groote stukken steenkool in den hoek en op het houtwerk en deed de slagschaduwen donkerder en lichter worden, inkrimpen of zich uitbreiden. De forsche kop van den stoker viel geheel in het licht. De vlammen oefenden op Frans een merkwaardige aantrekkingskracht uit. Hij kwam naderbij.

De mannen aten samen de boterhammen op. Leentje hield met moeite een zucht binnen. Ze zag er ouwelijk uit. Haar groote oogen hadden eene vermoeide, schuwe uitdrukking. Een scherpe lijn om den dichtgeknepen mond sprak van diepgevoelden kommer. Hoe jong zij ook was—ze had een lang verleden achter zich; lang, omdat het rijk was aan ervaring. Dat is de vloek der ontbering, dat ze over distelen leidt en zegt: »Een woestenij is de aarde.« Ze raakt aan de bloesems en ze verdorren; aan het warme hart en het verstijft. Der jeugd slaat ze het rozenkleurig glas van het oog om haar door een zwart te laten kijken. In haar spiegel Argwaan grijnzen den arme toe: Leugen, Bedrog en Zelfzucht.

De roode kon Frans van zijn plaats af niet zien. »O, de Nero Niemandsvriend zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen,« stelde de vader hem gerust. Daar kwam een dronkaard aanslenteren, bleef voor de kombuis staan. Dadelijk werd voorhemingeschoven. Ze zaten nu schouder aan schouder, elboog aan elboog.

»Alló, sta recht op je lijf.« Dit gold Leentje, die tegen de deurpost stond te leunen. Het was om zijn vaderlijk gezag te toonen. Stilzwijgend ging ze rechtop staan, »Vrindelijke mosschen« zei de dronkaard. Dat hoorde Frans. »We hebben ook geen spraakwater in,« zei hij. Het zou Leentje onmogelijk geweest zijn, wat te zeggen: de keel was haar als toegesnoerd.

De boterhammen waren op een na verdwenen.

»Dáár, eet jullie ’m maar op, holle Gijzen.«

»Ik lust niet« zei Leentje.

»Hier Frans!«

»Overgeschoten brokken geeft men aan honden en bedelaars.«

Ruw werd de boterham door den man in een hoek gesmeten. »Leen, schenk in« klonk het kort. Bevend deed ze het. »Geef het aan dien oome!« en hij wees op den laatstgekomene. De jeneverlucht kwam haar tegemoet toen ze den man naderde. Eer ze den kop kon overreiken, had Frans haar dien ontnomen en omgekeerd. Toen nam hij een teug uit de kruik.

»Daar, als ik niets krijg, zal ik het nemen. Ik lust net zoo goed als vreemden.«

Zijn vader stond op en gaf hem onder veel vloeken een geducht pak slaag. Elk woord was een vloek.

»Sla me maar in eens dood, dan ben ik van alles af. Dát is toch zoo geen leven.« En de knaap knarstte op de tanden en balde de vuisten, dat de nagels in het vleesch drongen.

»Lig daar mormel!« en met een smak werd hij opde steenkolen geworpen. De stoker haalde de schouders op en bracht een schop vuur weg.

Jan zei smalend: »Daar ligt Oom Kool,« en de vader bromde: »’k Zal je leeren, op den poot te spelen.«

Frans kon niet nalaten te mompelen: »Dat mag hij alleen, als hij dronken is.« Hij zat zichzelf op te winden en kromp ineen van machtelooze woede.

»Zoo’n dooie diender!« merkte Jan aan. »Ik geloof, dat hij nog lacht.«

»Ja, als een bok, die palm vreet. Het hangt me al lang de keel uit, dat beroerde koppen.«

Frans gevoelde neiging een moord te begaan, als hij maar kracht genoeg had gehad.

»Leen, een andere kop!« Ze deed het; maar haar lichaam trilde en ze was zeer bleek. »Ze moet manieren leeren,« was haars vaders motief.

Toen de koffie op was, tracteerde de »oome« uit een zwart fleschje. »Medicijnen«lachtehij. Leentje keek toe. Ze zag den stoker niet, die een tweede schop gloeiende kolen kwam halen. De steel kwam haar met zulk een kracht tegen het lijf, dat ze omviel en naar adem hapte. Haar vader nam bedaard een slok, het was zijne beurt. Op de vraag van den stoker of ze zich had bezeerd, knikte ze van ja. De tranen stonden haar in de oogen. Haar vader zei met een gedienstig lachje: »’t Is niets! Dan moet ze maar beter uit haar oogen kijken. Kom, simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, houd je stil.« En tot den stoker: »Jobs geduld en Salomons wijsheid komen er aan te pas, alsje kinderen hebt.« De jonge man keek hem zuur aan en wenkte de kinderen, hem te volgen. De vader was verontwaardigd. »Loop naar de Mookerhei, Jan Jurk met je verrekrok. Ik heb je al lang in den zak, Hottentot! Maar allà, wat kan ’t mij schelen. Ze zullen den negenden dag wel boven water komen. ’t Is tuig van Laban!«

De mannen werden vroolijk. De roode Jan had beproefd, een lied in te zetten; maar de anderen waren niet gediend van: »een lange wagen, al volgeladen, met oude vrouwen.« Ook konden ze hun bijval niet schenken aan: »o vader, o vader, kom t’huis.«

Daar begon de dronkaard:

»Als ’t kermis is, als ’t kermis is,Dan slacht mijn vaêr een bok,Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,Al in haar blauwen rok!«

»Als ’t kermis is, als ’t kermis is,

Dan slacht mijn vaêr een bok,

Dan danst mijn moeder, dan danst mijn moeder,

Al in haar blauwen rok!«

Dat vond bijval. Misschien, waarschijnlijk zelfs, gold deze echter meer den eigenaar van het fleschje, dan den zanger van het lied.

Het gesprek kwam op de vrouwen. Men moest ze onder den duim houden, vond roode Jan.Zoo nu en dan eens opspelen en ze vlogen voor je. Vroegen ze je wat, dan moest je maar zeggen: »met Sint Juttemis, als de kalven op het ijs dansen.« Waren ze over iets geraakt dan moest je ze raden: »Troost je maar met den apostel Gerrit, die is er toch nooit geweest.« Want deed je zoo niet, dan lag je al heel gauw voor een oortje thuis. Hij wilde echter niet zeggen, dat deanderen ook zoo moesten doen, want ieder moest zijn potje koken, als hij ’t eten wilde.

Frans Sr. betoogde, dat hij zich ook niet op den kop liet zitten. Nog gisteren, toen het eten hem niet beviel, had hij ’t vierkant in het water gesmeten. Dacht je, dat hij zich liet afschepen? Om de verdommenis niet. Naarzijnpijpen zou men dansen. Zijne vrouw maakte wel eene drukte van de andere wereld; maar er kwam wel ander eten, dat gaf hij zijne hoorders op een briefje. Hóe zij er aan kwam, mocht Joost weten, want ze had al den duvel en zijn moer verkocht en naar de lombard gebracht. Maar dat kon hem niet verdommen, het wás er. »Ik weet wel wat ik drijf, als ik varkens drijf,« besloot hij.

Jan scheen hem niet te gelooven. »Een goed geloof en een kurken ziel, dan kan men drijven,« bromde hij. Zoo ging het een poosje voort. Het was een wedstrijd, wie van hen de meeste blankofficiersdeugden bezat. De gastheer kwam echter in een weemoedige stemming. Hij was geheel en al dronkenschap en barmhartigheid. En weldra drukten ze elkaar hartelijk de hand en fluisterden elkaar nietsbeteekenende geheimen toe en zwoeren eeuwige trouw en vriendschap.

De kinderen kwamen terug. Ze hadden van den stoker een stuk pudding gekregen. Het was geen snêe brood, zooals men bedelaars geeft, meende de stoker. Frans kon het gerust aannemen. De hooghartige uitdrukking verdween dan ook van het bleeke gezichtje.

Vader riep hen. Ze pakten de kruik in maar hielden op, toen de man de kom aan stukken gooide, met een gezicht als waarmee een rijke verkwister een banknoot zou verbranden. De leege flesch ging denzelfden weg. Nu was het Jan’s beurt en gedachtig aan het »van andermans leer is het goed riemen snijden,« rukte hij Leentje de kruik uit de handen, van zins, ook de breekbaarheid van deze te bewijzen.

Toen vloog Frans op hem aan, klemde zijn armen om ’s mans hals en trapte hem met alle macht tegen het lijf, zoodat Jan het uitbrulde van pijn. Hij hief de kruik in de hoogte om haar op het hoofd zijns vijands te doen nêervallen. Frans verkeerde in een soort zenuwrazernij. »Wou je den boel kapot gooien, waar moeder zoo hard voor moet werken? Al laathijhet toe, ik vecht me liever dood, dat doe ik!« kwam er stootend uit. Zijn vader was verbluft en keek met open mond toe. Werktuigelijk stak hij de hand uit, om den jongen tegen den grond te kwakken, maar de stoker voorkwam hem. Behoedzaam, maar met kracht rukte hij Frans van zijn vijand af. »Kereltje, bedaard.«

Jan herstelde zich en dreigde sarrend zijn voornemen toch ten uitvoer te brengen. Frans stampte op den grond, klemde de tanden opeen en balde de vuisten. Hij riep: »O, o, o! moet ik dan alles maar toelaten? Moet ik me maar altijd laten treiteren omdat ik klein ben?« Half en half verwachtte hij, evenals Simson, eensklaps krachtig te worden, om zijn vijand te kunnen verslaan. Het gevoel van minderheid bracht hem opnieuw tot woede.

»Ik wou, dat«… De stoker sloot den tandenknarsenden mond. Jan zei sarrend: »Het komt niet van ’t wenschen,« zei de boer: »dat mijn kalven sterven.« Het verschil van klein en groot was weggevallen. Hier stonden twee vijandige dieren tegenover elkaar: het eene machteloos, het andere zich daardoor veilig gevoelend. »Als ik maar groot was, o, o, o!« snikte Frans. De reactie kwam even spoedig als de actie. Er schoot hem een gezegde te binnen, dat hij op school gehoord had. »Die zichzelf kan beheerschen, is even groot als de machtigste koning.« Hij begon zich te schamen. De armen vielen hem slap langs het lijf. De stoker duwde hen zachtjes voort om hen naar boven te brengen. Jan fluisterde hardop, op het voorkomen van den jongen doelend: »net een uil in doodsnood!«

Nadat de stoker de kinderen de stelling had afgeholpen, bracht hij Jan onder het oog, dat hij een flauwe kerel was en zich behoorde te schamen; Jan antwoordde: »Ik heb me maar eens in mijn leven geschaamd: toen men keek of ik een jongentje of een meisje was. Nu draag ik een bord voor mijn hoofd.« Zijne makkers lachten. De stoker zei: »Je bent nu zoo vet als een slak, maar als je nuchter was zou ik je tegen de wereld schoppen. We zullen mekaar nog wel eens spreken.« En vol verachting ging hij heen. Jan bromde: »Je doe maar!« maar niet vóór de ander buiten gehoor was.

Frans Sr. tuurde op de gebroken jeneverflesch. Eensklaps brak hij in tranen uit en snikte: »Je hebt mijn goeden jongen mishandeld.« Jan haalde de schouders open ging heen, terwijl hij zei: »Nu begrijp ik, dat de jongen half gek is: zijn vader loopt met molentjes.«

Wél mocht Leentje met een wijs gezichtje zeggen: »Ik houd mijn hart vast. Hij is zoo vet als een slak. Als hij maar geen ongeluk krijgt.«

Ze waren de stelling afgeloopen. De mannen, die met eten klaar waren, zaten te schertsen met hunne of andermans vrouw. De kinderen beproefden, de balken en planken te doen wippen, op gevaar af, ze te breken. Het licht van den lantaarn bij het huisje scheen Frans rooder dan straks. Vurige stralen schoten heen en weer als bliksemflitsen. De balen katoen schenen aan te rukken om hem op de borst te vallen. De lichtjes, die hem anders van de overkant toepinkten, waren nu niet te zien …

Hier en daar was men weer aan ’t werk begonnen. De steekwagens en de stoomlieren ratelden van verre. Mannen schreeuwden. Enkele sleepersknollen stonden nog als in de aarde geplant; andere werden reeds onbarmhartig voortgezweept.

De kinderen liepen voort, naast elkaar en toch als door eene muur van elkaar gescheiden. Op de haven was het doodstil en donker. De boomen schenen met lange vingers dreigend naar den hemel te wijzen … Het was droog, maar zwarte wolken dreven pijlsnel voort, alsof ze het oord wilden ontvluchten ….

Een dienstmeid wierp eten achter een boom. Een havelooze, schokschouderende kerel, die zeker in een der wagens had gelegen, welke daar stonden, raapte heteten op, eer de meid, wier lichte kleeding scherp afstak tegen den donkeren achtergrond, in de deur was verdwenen.

De kinderen gingen bij stilzwijgende overeenkomst eenige schreden terug en een steeg door, die hen op den Dijk bracht. Voorbij het armhuis, een grooten, grijzen klomp zonder licht, somber en dreigend. En slechts eenige huizen verder klonk dansmuziek. De triangel klonk boven uit, schril als de roode bol boven de deur afstak tegen het duister in de verte en rondom. Opgeschoten jongens stonden eene vrouw aan te gapen, die in een witte verlepte jurk met zilveren loovertjes voor de deur stond te bibberen. »Het spek in den muizenval!« zei een der bewonderaars. Leentje fluisterde Frans toe: »Net een princes,« maar kreeg geen antwoord. Rood, bloed. »Die tegen zijn ouders opstaat, eindigt als moordenaar,« klonk het Frans in de ooren. Hij liep haastig voort. De torenklok sloeg elf uur. De herbergen waren natuurlijk nog druk bezocht. Even voorbij »de Oranjeboom« moest Frans gaan zitten op den rand van het trottoir, dat bij een pakhuis ophield. Het zweet brak hem uit, de knieën knikten, rillingen deden hem klappertanden. De lantarens geleken op groote, vurige oogen, die stralen uitschoten. Het was of de straat een berg vormde, die eenige meters van hem af veranderde in een afgrond, langs welks wanden alles, ook hijzelf, in duizelingwekkende vaart afgleed. Dan weder golfde de bodem in de breedte. Hij rolde om en om met huizen en al. Rondom was het licht als bij brand en hij hoorde sterke geluiden, alsof er op trompettenwerd geblazen. Eindelijk rolde de straat zóó snel, dat ze veranderde in een grooten, grijzen bol, die vervolgens zichzelf in het midden uitholde, toen dubbelviel, weder een bol werd en zich splitste in donkergrijze en zwarte balletjes, die op een paars veld ronddwarrelden. Frans stond op en ging wankelend verder. De bollen draaiden van hem af en naar hem toe, tot lang, nadat hij reeds te bed lag. Hijzelf zag in hetgeen hem overkwam de straf voor het gebeurde op de boot. Leentje scheen dat gevoelen te deelen; althans, toen ze nog op den stoep zaten, had ze zachtjes gejammerd: »zoo komt onze lieve Heer!«


Back to IndexNext