EENE DOODE MUSCH.

EENE DOODE MUSCH.»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens weder terug.»Anneke, tanneke, tooverheks!«»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis, zoodat het sarrende deuntje ophield.Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed.Dat ze niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen.Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden, maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel, wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur, van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche stem: »’k Zal je leeren te zeggen: »’k doe het niet.«Pakaan!« Dit laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, ’k zal het aan vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen, geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans, ze riep:»Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«»’k Moet op straat.«»Neen!«»Ja, ik moet!«»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent netzoo’n drein als je vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen hebben!«Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk scheen aan te trekken—riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?« Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist eens opzoeken.«»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel voordeeliger uit, zie je!«»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen medicijnflesch … Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts feest is bij kaartlegsters.Dan komt Heintje Pik ook. Dat ’s waar, ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d’r poot zuigen! Weet je wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat te vertrekken.De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het zuiverste water.«De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen, die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend, balkte hij op eens:»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En in zijn kommetjeturende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel omgaat. Je bent ook eene mooie!«»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.« Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat niets als een kipje!« balktebuurvrouws spruitaan de trap.»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.»Ik ga paaltje springen.«De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na het intermezzo zegt ze:»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is ’t waar of niet?« Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd: »Piet Bartelsz.«»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar boven, vader!«»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,« mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer in en zei:»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw, de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk rijk. Hij bulkt van het geld.«»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven. Een mooi vak, een best vak!«»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger …. Vet zal het je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den man aan met een kritischen blik.»Wie is die brombeer?«»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je er af. Mijn principaal«….»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze móeten me uitstel geven:het is winterdag. Anders zullen ze me het huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al een vette acht gulden!«»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«»Bloedzuiger,« bromde oom.Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,« zei vrouw Helms.»Ja, bij ons arme donders …. Binnen!«»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan rammelen …. Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen, die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. ’t Was een gloeiend schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op eensteenen vloer rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je vader en je moeder je aan ’t werk zetten.«»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!« Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik ze het inpeperen!«Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei: Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed om te halen.«Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren bleekblauwe gaten gekomen en hetgrijze gordijn rolde zich op tot grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant enlachtezichzelf weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen zeer deed.Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. ’t Is een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft ze rijksdaalders in d’r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij eneen ander de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt ’s Zondags maar op laarsjes met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad, stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen zitten »te stikken van ’t lachen.«»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d’r aan komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. ’t Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat ik zeggen wil, ’t is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij haar om …. om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet, dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men heeft. ’s Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan ’s Maandagsweêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen, ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide, weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! ’k Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen, heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«»Maar je zei:….«»Ja, ’t is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een kleine jongen. In ’t voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd, over één oog heen.O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d’r slasmoel,»d’r is iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«»Gisteravond was ze ook al op den snor.«»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef heel bedaard zitten. Wat kan ’t mij schelen? Maak je maar niet dik, dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica, er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en met d’r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel wegkijken. En mensch«…. (spreekster slaat de handen in elkaar en zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie) »als je dat gezien had. In een oogenblikhad ze haast al d’r meubelen weggestopt, tot d’r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg, gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of ’t mij kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d’r man ziek was—het is notabene d’r man niet eens—en dat hij versterkende middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d’r oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is ’t niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »’t wordt tóch gegeven, of ik of een ander ’t inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,« zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat ’t zoo onrechtvaardig gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van ’s nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden dag geendraad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen, men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard, we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »’k Heb geld genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in ’t zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen; maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik was aan ’t kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar opmijn hoofd aan den armenbezoeker dacht. Als ’t niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen gezond uur meer heb«…. Zoover was ze gevorderd, toen het kleine hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje, maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien gulden onkosten op gevallen.Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken, dat is gauw klaar!«De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op ’s mans demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die ze van een groot stuk vol maden afsneed. ’s Zaterdags ging ze altijd de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden.Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van ’t maal. Dit bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen, kwam bij vrouwHelms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder belofte van spoedige teruggaaf.Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle tint. Dedonkeredaken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen, zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen op en op den lichten achtergrond bewogenzich nog slechts eenige purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend, welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen.Het westen had nu een kleur als messing …..Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman van zijn ambacht.Onder het genot van nog een kopje—het was nu »grondsop voor de goddeloozen,« zei de gastvrouw—hervatte ze na een lange inleiding haar verhaal.»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had: »Nu, nu, ’t zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,« of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel aardig. Eerstzeihij: »Ja, ja, we kennen dat. Zekereen weduwvrouw, hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,« zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt alles niet vooruit weten, is ’t waar of niet? Nu dan, of ik al hoog of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het nog geen doodwond. ’t Kan beter van een stad dan van een dorp.«»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze een broertje dood.Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen.Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen door het gordijntje te zitten koekeloeren.»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met een prijsje uit de loterijkwam. Hein zou er met zijn doode vingers afblijven, dat geef ik je op een briefje. ’k Zou wel zalig oppassen, dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur; zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje thee naast zich en haar kat aan haar voeten ……»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D’r is niemand op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »’t Ga je goed, hoor!«»Wat zou er nu aan ’t handje zijn?« mompelde Neel.»Open, of ik trap de deur in.«»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:»Atju we moeten, elkander groeten.«Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan, als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!« Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men op het portaal.»We hebben hem verleid.«En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders« de trap af.»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de dampen aan!«Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten: de honderdduizend is op ons lot gevallen.«»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.« Haar gelaat klaarde wat op.»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende: »Zeker en zeker is twee.Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.« En toch heb ik hem zelf naar ’t kerkhof gebracht en ik heb zelf de briefjes gezien waarop stond: »Rust in ’t Putje.« Maar je ziet zooveel gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je het zeker van het lot?«»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand: »Ik heb er nog al hoop op!…. Nu zullen we het er van nemen!«»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld gekocht!«»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, ’k Zou me schamen om er over te spreken.«»Je schaamt je niet om er van te vreten.«»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden, maar dat is ook op en al.«Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan »de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij: »D’rmoestwat op vallen. Vier staarten, heb je ’t ooit mooier gezien?« Hij begon te deklameren:»’t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo’n verrekt blad, die je altijd voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haarschotel met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande deur van ’t keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween, als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende oogenblik er weer op toe te springen.Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier bezitster de kaart wou laten leggen—het gekef van Fidel waarschuwde, dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn hart te kunnenophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in ’t vat ligt, dat en zuurt niet.«Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt, doe ik het jullie.«»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie meêgegeten, toen ik klein was?«»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?« zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader op zee voer.Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat; maar hij zei:»Vergeten? Het is daarom dat ik jeditbezoek breng.«»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkigebeeldspraak. »Maar veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht, om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je zult zien!«»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel keek hem leelijk aan.»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit, versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven, je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje doe je heel wat!« meende Helms.Neel knikte ontkennend.»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt al je levensdagen in een gangetje gewoond«….»Hohó!«»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c’est egal, zegt de Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter niet …. niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooitsprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven, laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef elk een kleinigheid«….»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening, vóór ik je het geld op deze zelfde tafel—of bij mij aan huis—kan uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.« Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was toch maar eerst gewoonbosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo wat en nu woont hij in een villa!«»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«»Ja! en?«….»Maar dan moeten ze toch maar niet op d’r gemak zijn. Ik ga maar bij me zelven na: ’k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t’huis zijn.«»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende … Weet je, waar ik over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo rijk als Kresus.«»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«»Ja.«»Heeft ze kinderen?«»Niets als een meid eneenkat, kind noch kraai. Ja, erven doen we vast of …. ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d’r graf meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was, want je bent nu tusschen hangen en worgen.«»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De aardappelen werden geteld. D’r man zaliger had geen lor in te brengen, hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zoumijmoeten overkomen,« (zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d’r man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk, zei ze. Bocht kon ze niet velen.«»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. ’k Zal straks eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«»Een kwartje?«»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.»Nou, omdat het zoo’n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met koffie en vertrok.»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte, om eens een kijkje in dat hok te nemen.Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«»Neen, alleen wat brood met kaas!«»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk van het dier.Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door den vuurgloed heenen eindigden in een zwarten stapel, aan de randen verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa’s uit, die een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem, om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten leken groote vonken, in de duisternis verspreid ….Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende kachel.»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur wel gesloten.«»Zou je denken?«»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou, het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die kachel eens: de mijne is er heilig bij.«»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen niet om te halen, wel?«Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen neerliet en de lamp opstak, zei ze: »’kZalde lamp maar opsteken, al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend: »Wat kom jullie doen?«»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement wat brengen. Heb je iets warms?«»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is ’t niet stief, het is warm in ’t lief. Ik houdanderswel van iets hartigs. Als ’k zei, dat ’t niet waar was, zou ’k liegen.« Ze slurpten langzaam haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:»Je weet, dat je moeder van d’r eerste man Halen heette. ’t Was een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen—Kalen; want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor aardappelenbak.—Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man, een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen tegen«…. »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,« zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.« »Toch was hij neef.«»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijnberoerdeklauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig gulden en«…. »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is Godgeklaagd: we zijn rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo iets«…. »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«….Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd:»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.Men besloot, de kwestie open te laten.»Nou dan, zoo’n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. ’t Zou al casueel zijn, als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest opaudiëntie«…. »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar ….. daar hoor ik Hein.«»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet: Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze over een erfenis kwam malen.»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier, ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.« Boven gekomen,riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.»Dronken? ’k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja …. één borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.»Eens in je leven? Wel, wel?«»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«»Van Piehiet? Je bent stapel. Hebikdat gezegd? Dat kan ik niet gezegd hebben, want het is niet waar.Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde …. de dwarsdrijver! En nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo’n verrot end. En dat zit nog met zijn sliksporen op mijn sporten.«»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. ’k Heb kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«»Wat is er van het prijsje?«»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige streek. Wat scheelt je oude?«»Wat zeg je daar? Is er niets«….»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We hebben pret genoeg gehad. Ik ben«….»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.

EENE DOODE MUSCH.»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens weder terug.»Anneke, tanneke, tooverheks!«»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis, zoodat het sarrende deuntje ophield.Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed.Dat ze niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen.Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden, maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel, wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur, van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche stem: »’k Zal je leeren te zeggen: »’k doe het niet.«Pakaan!« Dit laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, ’k zal het aan vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen, geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans, ze riep:»Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«»’k Moet op straat.«»Neen!«»Ja, ik moet!«»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent netzoo’n drein als je vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen hebben!«Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk scheen aan te trekken—riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?« Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist eens opzoeken.«»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel voordeeliger uit, zie je!«»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen medicijnflesch … Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts feest is bij kaartlegsters.Dan komt Heintje Pik ook. Dat ’s waar, ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d’r poot zuigen! Weet je wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat te vertrekken.De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het zuiverste water.«De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen, die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend, balkte hij op eens:»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En in zijn kommetjeturende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel omgaat. Je bent ook eene mooie!«»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.« Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat niets als een kipje!« balktebuurvrouws spruitaan de trap.»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.»Ik ga paaltje springen.«De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na het intermezzo zegt ze:»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is ’t waar of niet?« Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd: »Piet Bartelsz.«»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar boven, vader!«»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,« mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer in en zei:»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw, de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk rijk. Hij bulkt van het geld.«»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven. Een mooi vak, een best vak!«»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger …. Vet zal het je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den man aan met een kritischen blik.»Wie is die brombeer?«»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je er af. Mijn principaal«….»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze móeten me uitstel geven:het is winterdag. Anders zullen ze me het huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al een vette acht gulden!«»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«»Bloedzuiger,« bromde oom.Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,« zei vrouw Helms.»Ja, bij ons arme donders …. Binnen!«»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan rammelen …. Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen, die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. ’t Was een gloeiend schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op eensteenen vloer rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je vader en je moeder je aan ’t werk zetten.«»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!« Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik ze het inpeperen!«Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei: Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed om te halen.«Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren bleekblauwe gaten gekomen en hetgrijze gordijn rolde zich op tot grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant enlachtezichzelf weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen zeer deed.Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. ’t Is een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft ze rijksdaalders in d’r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij eneen ander de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt ’s Zondags maar op laarsjes met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad, stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen zitten »te stikken van ’t lachen.«»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d’r aan komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. ’t Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat ik zeggen wil, ’t is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij haar om …. om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet, dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men heeft. ’s Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan ’s Maandagsweêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen, ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide, weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! ’k Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen, heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«»Maar je zei:….«»Ja, ’t is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een kleine jongen. In ’t voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd, over één oog heen.O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d’r slasmoel,»d’r is iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«»Gisteravond was ze ook al op den snor.«»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef heel bedaard zitten. Wat kan ’t mij schelen? Maak je maar niet dik, dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica, er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en met d’r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel wegkijken. En mensch«…. (spreekster slaat de handen in elkaar en zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie) »als je dat gezien had. In een oogenblikhad ze haast al d’r meubelen weggestopt, tot d’r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg, gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of ’t mij kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d’r man ziek was—het is notabene d’r man niet eens—en dat hij versterkende middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d’r oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is ’t niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »’t wordt tóch gegeven, of ik of een ander ’t inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,« zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat ’t zoo onrechtvaardig gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van ’s nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden dag geendraad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen, men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard, we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »’k Heb geld genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in ’t zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen; maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik was aan ’t kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar opmijn hoofd aan den armenbezoeker dacht. Als ’t niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen gezond uur meer heb«…. Zoover was ze gevorderd, toen het kleine hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje, maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien gulden onkosten op gevallen.Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken, dat is gauw klaar!«De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op ’s mans demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die ze van een groot stuk vol maden afsneed. ’s Zaterdags ging ze altijd de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden.Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van ’t maal. Dit bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen, kwam bij vrouwHelms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder belofte van spoedige teruggaaf.Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle tint. Dedonkeredaken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen, zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen op en op den lichten achtergrond bewogenzich nog slechts eenige purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend, welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen.Het westen had nu een kleur als messing …..Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman van zijn ambacht.Onder het genot van nog een kopje—het was nu »grondsop voor de goddeloozen,« zei de gastvrouw—hervatte ze na een lange inleiding haar verhaal.»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had: »Nu, nu, ’t zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,« of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel aardig. Eerstzeihij: »Ja, ja, we kennen dat. Zekereen weduwvrouw, hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,« zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt alles niet vooruit weten, is ’t waar of niet? Nu dan, of ik al hoog of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het nog geen doodwond. ’t Kan beter van een stad dan van een dorp.«»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze een broertje dood.Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen.Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen door het gordijntje te zitten koekeloeren.»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met een prijsje uit de loterijkwam. Hein zou er met zijn doode vingers afblijven, dat geef ik je op een briefje. ’k Zou wel zalig oppassen, dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur; zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje thee naast zich en haar kat aan haar voeten ……»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D’r is niemand op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »’t Ga je goed, hoor!«»Wat zou er nu aan ’t handje zijn?« mompelde Neel.»Open, of ik trap de deur in.«»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:»Atju we moeten, elkander groeten.«Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan, als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!« Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men op het portaal.»We hebben hem verleid.«En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders« de trap af.»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de dampen aan!«Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten: de honderdduizend is op ons lot gevallen.«»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.« Haar gelaat klaarde wat op.»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende: »Zeker en zeker is twee.Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.« En toch heb ik hem zelf naar ’t kerkhof gebracht en ik heb zelf de briefjes gezien waarop stond: »Rust in ’t Putje.« Maar je ziet zooveel gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je het zeker van het lot?«»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand: »Ik heb er nog al hoop op!…. Nu zullen we het er van nemen!«»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld gekocht!«»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, ’k Zou me schamen om er over te spreken.«»Je schaamt je niet om er van te vreten.«»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden, maar dat is ook op en al.«Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan »de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij: »D’rmoestwat op vallen. Vier staarten, heb je ’t ooit mooier gezien?« Hij begon te deklameren:»’t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo’n verrekt blad, die je altijd voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haarschotel met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande deur van ’t keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween, als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende oogenblik er weer op toe te springen.Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier bezitster de kaart wou laten leggen—het gekef van Fidel waarschuwde, dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn hart te kunnenophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in ’t vat ligt, dat en zuurt niet.«Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt, doe ik het jullie.«»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie meêgegeten, toen ik klein was?«»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?« zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader op zee voer.Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat; maar hij zei:»Vergeten? Het is daarom dat ik jeditbezoek breng.«»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkigebeeldspraak. »Maar veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht, om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je zult zien!«»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel keek hem leelijk aan.»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit, versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven, je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje doe je heel wat!« meende Helms.Neel knikte ontkennend.»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt al je levensdagen in een gangetje gewoond«….»Hohó!«»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c’est egal, zegt de Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter niet …. niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooitsprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven, laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef elk een kleinigheid«….»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening, vóór ik je het geld op deze zelfde tafel—of bij mij aan huis—kan uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.« Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was toch maar eerst gewoonbosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo wat en nu woont hij in een villa!«»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«»Ja! en?«….»Maar dan moeten ze toch maar niet op d’r gemak zijn. Ik ga maar bij me zelven na: ’k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t’huis zijn.«»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende … Weet je, waar ik over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo rijk als Kresus.«»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«»Ja.«»Heeft ze kinderen?«»Niets als een meid eneenkat, kind noch kraai. Ja, erven doen we vast of …. ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d’r graf meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was, want je bent nu tusschen hangen en worgen.«»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De aardappelen werden geteld. D’r man zaliger had geen lor in te brengen, hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zoumijmoeten overkomen,« (zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d’r man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk, zei ze. Bocht kon ze niet velen.«»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. ’k Zal straks eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«»Een kwartje?«»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.»Nou, omdat het zoo’n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met koffie en vertrok.»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte, om eens een kijkje in dat hok te nemen.Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«»Neen, alleen wat brood met kaas!«»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk van het dier.Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door den vuurgloed heenen eindigden in een zwarten stapel, aan de randen verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa’s uit, die een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem, om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten leken groote vonken, in de duisternis verspreid ….Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende kachel.»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur wel gesloten.«»Zou je denken?«»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou, het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die kachel eens: de mijne is er heilig bij.«»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen niet om te halen, wel?«Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen neerliet en de lamp opstak, zei ze: »’kZalde lamp maar opsteken, al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend: »Wat kom jullie doen?«»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement wat brengen. Heb je iets warms?«»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is ’t niet stief, het is warm in ’t lief. Ik houdanderswel van iets hartigs. Als ’k zei, dat ’t niet waar was, zou ’k liegen.« Ze slurpten langzaam haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:»Je weet, dat je moeder van d’r eerste man Halen heette. ’t Was een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen—Kalen; want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor aardappelenbak.—Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man, een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen tegen«…. »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,« zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.« »Toch was hij neef.«»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijnberoerdeklauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig gulden en«…. »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is Godgeklaagd: we zijn rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo iets«…. »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«….Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd:»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.Men besloot, de kwestie open te laten.»Nou dan, zoo’n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. ’t Zou al casueel zijn, als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest opaudiëntie«…. »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar ….. daar hoor ik Hein.«»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet: Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze over een erfenis kwam malen.»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier, ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.« Boven gekomen,riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.»Dronken? ’k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja …. één borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.»Eens in je leven? Wel, wel?«»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«»Van Piehiet? Je bent stapel. Hebikdat gezegd? Dat kan ik niet gezegd hebben, want het is niet waar.Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde …. de dwarsdrijver! En nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo’n verrot end. En dat zit nog met zijn sliksporen op mijn sporten.«»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. ’k Heb kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«»Wat is er van het prijsje?«»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige streek. Wat scheelt je oude?«»Wat zeg je daar? Is er niets«….»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We hebben pret genoeg gehad. Ik ben«….»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.

EENE DOODE MUSCH.

»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens weder terug.»Anneke, tanneke, tooverheks!«»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis, zoodat het sarrende deuntje ophield.Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed.Dat ze niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen.Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden, maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel, wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur, van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche stem: »’k Zal je leeren te zeggen: »’k doe het niet.«Pakaan!« Dit laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, ’k zal het aan vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen, geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans, ze riep:»Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«»’k Moet op straat.«»Neen!«»Ja, ik moet!«»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent netzoo’n drein als je vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen hebben!«Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk scheen aan te trekken—riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?« Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist eens opzoeken.«»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel voordeeliger uit, zie je!«»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen medicijnflesch … Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts feest is bij kaartlegsters.Dan komt Heintje Pik ook. Dat ’s waar, ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d’r poot zuigen! Weet je wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat te vertrekken.De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het zuiverste water.«De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen, die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend, balkte hij op eens:»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En in zijn kommetjeturende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel omgaat. Je bent ook eene mooie!«»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.« Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat niets als een kipje!« balktebuurvrouws spruitaan de trap.»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.»Ik ga paaltje springen.«De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na het intermezzo zegt ze:»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is ’t waar of niet?« Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd: »Piet Bartelsz.«»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar boven, vader!«»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,« mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer in en zei:»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw, de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk rijk. Hij bulkt van het geld.«»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven. Een mooi vak, een best vak!«»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger …. Vet zal het je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den man aan met een kritischen blik.»Wie is die brombeer?«»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je er af. Mijn principaal«….»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze móeten me uitstel geven:het is winterdag. Anders zullen ze me het huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al een vette acht gulden!«»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«»Bloedzuiger,« bromde oom.Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,« zei vrouw Helms.»Ja, bij ons arme donders …. Binnen!«»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan rammelen …. Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen, die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. ’t Was een gloeiend schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op eensteenen vloer rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je vader en je moeder je aan ’t werk zetten.«»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!« Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik ze het inpeperen!«Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei: Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed om te halen.«Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren bleekblauwe gaten gekomen en hetgrijze gordijn rolde zich op tot grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant enlachtezichzelf weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen zeer deed.Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. ’t Is een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft ze rijksdaalders in d’r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij eneen ander de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt ’s Zondags maar op laarsjes met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad, stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen zitten »te stikken van ’t lachen.«»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d’r aan komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. ’t Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat ik zeggen wil, ’t is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij haar om …. om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet, dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men heeft. ’s Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan ’s Maandagsweêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen, ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide, weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! ’k Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen, heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«»Maar je zei:….«»Ja, ’t is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een kleine jongen. In ’t voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd, over één oog heen.O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d’r slasmoel,»d’r is iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«»Gisteravond was ze ook al op den snor.«»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef heel bedaard zitten. Wat kan ’t mij schelen? Maak je maar niet dik, dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica, er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en met d’r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel wegkijken. En mensch«…. (spreekster slaat de handen in elkaar en zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie) »als je dat gezien had. In een oogenblikhad ze haast al d’r meubelen weggestopt, tot d’r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg, gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of ’t mij kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d’r man ziek was—het is notabene d’r man niet eens—en dat hij versterkende middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d’r oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is ’t niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »’t wordt tóch gegeven, of ik of een ander ’t inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,« zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat ’t zoo onrechtvaardig gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van ’s nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden dag geendraad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen, men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard, we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »’k Heb geld genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in ’t zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen; maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik was aan ’t kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar opmijn hoofd aan den armenbezoeker dacht. Als ’t niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen gezond uur meer heb«…. Zoover was ze gevorderd, toen het kleine hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje, maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien gulden onkosten op gevallen.Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken, dat is gauw klaar!«De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op ’s mans demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die ze van een groot stuk vol maden afsneed. ’s Zaterdags ging ze altijd de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden.Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van ’t maal. Dit bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen, kwam bij vrouwHelms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder belofte van spoedige teruggaaf.Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle tint. Dedonkeredaken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen, zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen op en op den lichten achtergrond bewogenzich nog slechts eenige purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend, welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen.Het westen had nu een kleur als messing …..Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman van zijn ambacht.Onder het genot van nog een kopje—het was nu »grondsop voor de goddeloozen,« zei de gastvrouw—hervatte ze na een lange inleiding haar verhaal.»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had: »Nu, nu, ’t zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,« of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel aardig. Eerstzeihij: »Ja, ja, we kennen dat. Zekereen weduwvrouw, hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,« zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt alles niet vooruit weten, is ’t waar of niet? Nu dan, of ik al hoog of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het nog geen doodwond. ’t Kan beter van een stad dan van een dorp.«»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze een broertje dood.Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen.Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen door het gordijntje te zitten koekeloeren.»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met een prijsje uit de loterijkwam. Hein zou er met zijn doode vingers afblijven, dat geef ik je op een briefje. ’k Zou wel zalig oppassen, dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur; zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje thee naast zich en haar kat aan haar voeten ……»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D’r is niemand op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »’t Ga je goed, hoor!«»Wat zou er nu aan ’t handje zijn?« mompelde Neel.»Open, of ik trap de deur in.«»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:»Atju we moeten, elkander groeten.«Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan, als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!« Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men op het portaal.»We hebben hem verleid.«En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders« de trap af.»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de dampen aan!«Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten: de honderdduizend is op ons lot gevallen.«»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.« Haar gelaat klaarde wat op.»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende: »Zeker en zeker is twee.Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.« En toch heb ik hem zelf naar ’t kerkhof gebracht en ik heb zelf de briefjes gezien waarop stond: »Rust in ’t Putje.« Maar je ziet zooveel gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je het zeker van het lot?«»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand: »Ik heb er nog al hoop op!…. Nu zullen we het er van nemen!«»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld gekocht!«»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, ’k Zou me schamen om er over te spreken.«»Je schaamt je niet om er van te vreten.«»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden, maar dat is ook op en al.«Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan »de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij: »D’rmoestwat op vallen. Vier staarten, heb je ’t ooit mooier gezien?« Hij begon te deklameren:»’t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo’n verrekt blad, die je altijd voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haarschotel met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande deur van ’t keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween, als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende oogenblik er weer op toe te springen.Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier bezitster de kaart wou laten leggen—het gekef van Fidel waarschuwde, dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn hart te kunnenophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in ’t vat ligt, dat en zuurt niet.«Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt, doe ik het jullie.«»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie meêgegeten, toen ik klein was?«»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?« zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader op zee voer.Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat; maar hij zei:»Vergeten? Het is daarom dat ik jeditbezoek breng.«»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkigebeeldspraak. »Maar veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht, om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je zult zien!«»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel keek hem leelijk aan.»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit, versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven, je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje doe je heel wat!« meende Helms.Neel knikte ontkennend.»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt al je levensdagen in een gangetje gewoond«….»Hohó!«»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c’est egal, zegt de Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter niet …. niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooitsprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven, laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef elk een kleinigheid«….»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening, vóór ik je het geld op deze zelfde tafel—of bij mij aan huis—kan uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.« Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was toch maar eerst gewoonbosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo wat en nu woont hij in een villa!«»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«»Ja! en?«….»Maar dan moeten ze toch maar niet op d’r gemak zijn. Ik ga maar bij me zelven na: ’k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t’huis zijn.«»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende … Weet je, waar ik over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo rijk als Kresus.«»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«»Ja.«»Heeft ze kinderen?«»Niets als een meid eneenkat, kind noch kraai. Ja, erven doen we vast of …. ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d’r graf meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was, want je bent nu tusschen hangen en worgen.«»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De aardappelen werden geteld. D’r man zaliger had geen lor in te brengen, hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zoumijmoeten overkomen,« (zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d’r man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk, zei ze. Bocht kon ze niet velen.«»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. ’k Zal straks eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«»Een kwartje?«»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.»Nou, omdat het zoo’n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met koffie en vertrok.»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte, om eens een kijkje in dat hok te nemen.Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«»Neen, alleen wat brood met kaas!«»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk van het dier.Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door den vuurgloed heenen eindigden in een zwarten stapel, aan de randen verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa’s uit, die een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem, om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten leken groote vonken, in de duisternis verspreid ….Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende kachel.»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur wel gesloten.«»Zou je denken?«»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou, het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die kachel eens: de mijne is er heilig bij.«»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen niet om te halen, wel?«Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen neerliet en de lamp opstak, zei ze: »’kZalde lamp maar opsteken, al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend: »Wat kom jullie doen?«»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement wat brengen. Heb je iets warms?«»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is ’t niet stief, het is warm in ’t lief. Ik houdanderswel van iets hartigs. Als ’k zei, dat ’t niet waar was, zou ’k liegen.« Ze slurpten langzaam haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:»Je weet, dat je moeder van d’r eerste man Halen heette. ’t Was een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen—Kalen; want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor aardappelenbak.—Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man, een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen tegen«…. »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,« zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.« »Toch was hij neef.«»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijnberoerdeklauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig gulden en«…. »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is Godgeklaagd: we zijn rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo iets«…. »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«….Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd:»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.Men besloot, de kwestie open te laten.»Nou dan, zoo’n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. ’t Zou al casueel zijn, als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest opaudiëntie«…. »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar ….. daar hoor ik Hein.«»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet: Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze over een erfenis kwam malen.»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier, ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.« Boven gekomen,riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.»Dronken? ’k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja …. één borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.»Eens in je leven? Wel, wel?«»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«»Van Piehiet? Je bent stapel. Hebikdat gezegd? Dat kan ik niet gezegd hebben, want het is niet waar.Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde …. de dwarsdrijver! En nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo’n verrot end. En dat zit nog met zijn sliksporen op mijn sporten.«»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. ’k Heb kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«»Wat is er van het prijsje?«»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige streek. Wat scheelt je oude?«»Wat zeg je daar? Is er niets«….»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We hebben pret genoeg gehad. Ik ben«….»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.

»Anneke, tanneke, tooverheks! Anneke, tanneke, tooverheks!«

Zoo joelde een troepje kinderen in een nauwe, vuile straat, ze zagen op naar twee openslaande raampjes op de tweede verdieping en liepen telkens gillende weg, als ze eenig gerucht op de trap hoorden. Daar er echter geen vervolgster te voorschijn kwam, keerden ze ook telkens weder terug.

»Anneke, tanneke, tooverheks!«

»Tuig van Laban, beroerde kwajongens!« bromde de tooverheks op hare kamer, met de voet stampende: »je gal loopt over!«

Gelukkig voor haar gal dreef een sneeuwbui de schreeuwers in huis, zoodat het sarrende deuntje ophield.

Vrouw Helms, aldus was de burgerlijken naam der heks, zag er wel naar uit, om kinderen schrik aan te jagen. Haar geel, perkamentachtig gelaat was omlijst door een neepjeskapje en bezet met eene neus, die neiging had, in haar kin te pikken. Ze was zindelijk gekleed.Dat ze niet vuil was, bewees ook hare kamer, van de blinkende koperen rand om de kachel tot de witte geplooide gordijntjes voor de ramen.

Ze was nu bezig koffie te zetten in een wit aarden pot met bruin deksel. Een zwart-grijze poes zat met knippende oogen in den wasem te turen en ontving de vleiende namen met een air, of het zoo behoorde. Soms keek ze peinzend door de ramen, waardoor ze echter niets kon zien. De waterdroppels, die langs de ruiten biggelden, maakte het onmogelijk, zooals anders het oog te laten weiden over de bewaarplaats van afbraak, aan den overkant.

Nadat de koffie behoorlijk aan het pruttelen was gegaan en de kachel, wier ijver verflauwde, »opgepord,« begaf vrouw Helms zich naar de deur, van zins hare buurvrouw op de koffie te inviteeren. Ze deed de deur open en hoorde een verschrikkelijk standje. Buurvrouw riep met heesche stem: »’k Zal je leeren te zeggen: »’k doe het niet.«Pakaan!« Dit laatste werd onmiddellijk gevolgd door een gegil: »Moord, moord! help buren, help!« En toen dreigend: »Wacht maar, hoor, ’k zal het aan vader zeggen!« De moeder wist, om haar wankelend gezag te bevestigen, geen beter middel, dan dat van den vader te verzwakken. Althans, ze riep:»Dien luien slampamper? Die niets kan doen dan eten?«

»’k Moet op straat.«

»Neen!«

»Ja, ik moet!«

»Nu, ga dan maar, kwajongen. Judas! Je bent netzoo’n drein als je vader. Ik wil je vandaag niet meer onder het licht van mijn oogen hebben!«

Een geklots van klompen, dat de trap afkwam, bewees dat de knaap aan het verlangen zijner moeder ging voldoen. Zachtjes mompelde hij: »Lekker toch!« Vrouw Helms had de reeds geopende deur weder gesloten; want ze had reden om een botsing met het jongmensch liever te vermijden. Nadat het gevaar was geweken, blijkens het gejank van haar Fidel die volgens gewoonte beneden aan de deur naar het weer stond te kijken en wiens kop de klompen van den jongen wonderbaarlijk scheen aan te trekken—riep ze naar boven: »Buurvrouw, ben je er op?« Op deze tamelijk overbodige vraag kwam een bevestigend antwoord en een sloffende tred naderde van boven, terwijl zware stappen van beneden kwamen. Vrouw Helms schonk vast in.

»Zoo, nichtje,« hoorde ze een mansstem zeggen: »Ik wou je juist eens opzoeken.«

»Ja, zie je, oom! ik ben beneden op de koffie verzocht. Ik geef water-en-vuur en melk, en zij de koffie en suiker. Dat komt veel voordeeliger uit, zie je!«

»Zeg, is dat bij die tooverheks?« (De eigenaar van het basgeluid fluisterde op zijn manier.) »Ik heb voor waar hooren vertellen, dat ze met den duivel omging. Zeg, trap niet zoo op mijn eksteroogen. Heb je ze al eens voor je in de koffiedik laten kijken? Dat moet anders sekuur uitkomen. Je hoeft mijn arm niet zoo te schudden, het is geen medicijnflesch … Ze hebben me wel eens verteld, dat het Vrijdagsnachts feest is bij kaartlegsters.Dan komt Heintje Pik ook. Dat ’s waar, ik zou wel eens willen weten of hij nu paardepooten of boksvoeten heeft. Je hoort allebei vertellen. Wat van aan is er zeker, want ik zeg maar, ze kunnen het toch niet uit d’r poot zuigen! Weet je wat? Ik ga met je meê. Denk je verdomme, dat ik bang ben?«

Vrouw Helms had alles gehoord, zonder een spier van haar gelaat te vertrekken.

De deur werd geopend, en men zag een grooten, zwaren kerel, die zich trachtte te verschuilen achter een klein, tenger, zenuwachtig vrouwtje met een kleur als een boei. Kwasie luchtig zei ze: »Ik heb mijn oom maar op sleeptouw genomen. Het is een lolmaker van het zuiverste water.«

De »lolmaker« zag er op het oogenblik uit als een schooljongen, die straf verwacht. Behoedzaam zette hij zich neêr, op een puntje van een stoel, als ware hij bevreesd, dat deze hem op een of andere verraderlijke manier zou gevangen houden. Eenmaal gezeten, legde hij de handen op de knieën, terwijl op zijn gelaat angst en verbaasdheid met elkaar worstelden. De laatste won het. Toen de koffie was rondgediend, balkte hij op eens:

»Wel verdomme! Ben je het of ben je het niet, Neeltje Spikkel?«

Vrouw Helms keek op en zei: »Ken je me?«

»Ik ben Klaas Brouwer, je buurvrijer!«

En nu gingen ze de levenspaden na hunner gemeenschappelijke kennissen en ze bevonden, dat het spoor van de meesten op zeker punt ophield. En in zijn kommetjeturende, vertelde Klaas, dat hij deze en gene nog onlangs had gesproken, en wat ze zeiden, en wat ze deden. Eensklaps plaatste hij zich voor zijn nicht, die vriendelijk lachend alles had aangehoord, en zei: »Je moet me weer wijsmaken, dat ze met den duivel omgaat. Je bent ook eene mooie!«

»Ik?« Het mensch was waarlijk bleek.

»Ja, zeker, jij! Houd je maar niet voor den domme. Het mensch mag koffiedikkijkster zijn, alla, dat is tot daaraantoe. Steekt daarin nu zooveel kwaad? Zeg, Neel, brengt het zaakje anders nog al wat op.« Hij wees in zijn kopje. »Ik wil naar boven, hihi. Ik zie op straat niets als een kipje!« balktebuurvrouws spruitaan de trap.

»Loop naar de Mookerhei,« wenschte de moeder.

»Ik ga paaltje springen.«

De gastvrouw maakt veel geweld met de kopjes, wellevendheidshalve. Na het intermezzo zegt ze:

»We gaan zoo zachtjesaan de nachtschuit weer in.«

»De donkere dagen voor Kerstmis,« meent de man.

»Ja, de dagen korten verschrikkelijk. Die winter breekt je den nek. Vuur en licht meer en die ongelukkige huur, die weet wat. Een week is er zoo gauw geweest en opdokken is de boodschap. Maar wat zal je er aan doen? Als je er wordt uitgezet, ben je in den aap gelogeerd want je kunt toch maar niet op straat wonen. Is ’t waar of niet?« Zoover was ze met haar philippica gevorderd, toen er geroepen werd: »Piet Bartelsz.«

»Wat zullen we nu eten?« Ze roept om den hoek der deur: »Kom maar boven, vader!«

»Pas op, breek je nek niet, hij is te kort om aan te knoopen,« mompelde ze, toen ze op den trap hoorde stommelen.

Een kaal heer met een »krullebol« en brutale oogen, stapte de kamer in en zei:

»Wie is hier Piet Bartelsz?« Hij geeft een dagvaarding aan buurvrouw, de rechthebbende daarop. »Als je niet betaalt, moet je er af.«

»Hangen heeft geen haast. Een kopje?«

»Dank je, vrouwtje, ik heb pas koffie gedronken bij M. A. Waren, je weet wel, die groote banketbakker. Mijn bloedeigen neef. Onnoemelijk rijk. Hij bulkt van het geld.«

»Dan had hij je wel aan een ander baantje mogen helpen,« meende de oom.

»o, Louter liefhebberij. Een mensch zijn zin, een mensch zijn leven. Een mooi vak, een best vak!«

»Nu, enfin, de smaken verschillen. Ik vind het een bedonderd baantje. Ik verrekte nog veel liever van den honger …. Vet zal het je anders ook niet maken,« zei de oom en keek de kleeding van den man aan met een kritischen blik.

»Wie is die brombeer?«

»Zooveel als mijn bloedeigen oom,« zei het vrouwtje.

»Vrouwtje, ik kan geen week geduld hebben. Uiterlijk morgen moet je er af. Mijn principaal«….

»Zeg aan je principaal, dat ik geen donderdag om hem geef, vader! Er afgaan doe ik niet. Ik zal ze eerst een kluit aansmeren, want ze móeten me uitstel geven:het is winterdag. Anders zullen ze me het huis moeten uitdragen. Wil de huisbaas het schikken, dan wil ik alle weken een dubbeltje of een stuiver afdoen. Het is me ook op en al een vette acht gulden!«

»Groot gelijk, ik zou het ook verdommen!« zei oom.

»Jelui bent gemeen tuig!« meende de heer.

»Dank je wel. Bonjour, vadertje, wel thuis hoor! Complement aan je neef A. B. C. Waren. Weet ik het?«

»Bloedzuiger,« bromde oom.

Na het vertrek van den man werd het gesprek hervat.

»En er is haast geen werk ook! En als er nog wat is, moet mijn man en een ander achterstaan bij een zustermansbroer, of bij den man van de kantoorschoonmaakster, die er ingedraaid moeten worden.«

»Nu, van je familie moet je het anders ook al niet hebben. Die is goed in de soep maar taai in de kook. Ja, als er wat te halen valt,« zei vrouw Helms.

»Ja, bij ons arme donders …. Binnen!«

»Daar heb je het gedonder door de glazen. Spreek je van den duivel, dan rammelen …. Wat kom jullie doen?« zei Neel. Het gold twee kinderen, die nu schuchter bij de deur bleven staan, met gebogen hoofdjes. Het jongetje keek tersluiks naar den vreemden man.

»Je denkt zeker, dat tante een boompje heeft, waar ze het van afschudt. Het geld groeit me ook al niet op den rug. Blijf daar maar staan en kom niet met je sliksporen op mijn matjes. Verleden week hebben ze mijn gordijntjes verfonfaaid. ’t Was een gloeiend schandaal! Je kunt wel zien dat ze gewoon zijn op eensteenen vloer rond te baggeren. Ze komen me maar opeten. Als Onze Lieve Heer me voor armoe bewaart, jullie zult me wel voor weelde bewaren. Laten je vader en je moeder je aan ’t werk zetten.«

»Ze zijn nog zoo jong!« merkte buurvrouw op.

»Wat, jong? Ik was ook pas elf jaar, toen ik op mijn eigen stond. Ik vond het ook geen appelepap. Maar je krijgt er geen blauwe leden van. Een mensch gaat zoo gauw niet dood.«

De jongen zei: »Ik wil wel werken,« en keek fier rond.

Het meisje fluisterde: »Kom maar meê, ze heeft den bokkepruik op!« Ze gingen heen, zonder groeten; doch op het portaal hoorde men het knaapje zeggen: »Wacht maar, als ik maar eens rijk ben, dan zal ik ze het inpeperen!«

Vrouw Helms zag haar gasten vragende aan, haalde haar schouders op en zei: »Heb je ooit zoo iets beleefd?«

»Daar heb ik geen hoogte van. Zulke kruidjes-roer-me-niet, dadelijk zijn ze op de teenen getrapt en ze zijn thuis zoo arm als Job. Zoo zie je, aangeboden diensten zijn zelden aangenaam. Net wat ik zei: Van je familie moet je het ook al niet hebben. Die zijn alleen goed om te halen.«

Buurvrouw beaamde dit; maar haar toon was wat gedwongen.

Het weer was intusschen veranderd. In de donkergrijze lucht waren bleekblauwe gaten gekomen en hetgrijze gordijn rolde zich op tot grillig afgebrokkelde wolken, aan de randen verzilverd met gouden weerschijn, die statig zuidoostwaarts dreven. In het westen hingen echter nog een massa opeengestapelde zwarte koppen. Een weenend zonnetje bescheen de afbraak aan de overkant enlachtezichzelf weemoedig toe in de gebroken ruiten van de vervelooze ramen, die tusschen deuren en oude planken tegen de ruwe heining stonden te leunen. Alles was overgoten met een valsch, schel licht, dat de oogen zeer deed.

Vrouw Helms keek in haar spionnetje, na eerst de beslagen ruiten met de hand afgeveegd te hebben. Ze moest daartoe de raampjes even openen. In het eerst zag ze niet veel, de zon stond juist boven de natte straat, die een spiegel leek. Het zilveren licht kaatste tegen de huizen en trilde en tintelde, en deed alles in de verte onzichtbaar worden. Met moeite slechts kon men in de verte silhouetten zich zien voortreppen. Plotseling deed Neel eene ontdekking. »Wat zeg je nu daarvan?« viel ze uit. »Daar komt die Trijn aan, bepakt en gezakt. Die sleept ook wat. Gisteravond was ze ook al belast en beladen. ’t Is een schandaal, dat is het!« Ze was rood van kwaadheid.

»Die Trijn, houd je daarvan stil! Stad en land eet ze op. Ze trekt hiervan, en ze trekt daarvan, ze trekt overal van. En altijd heeft ze rijksdaalders in d’r zak, ik zou het niet willen gelooven, als ik het niet met mijn eigen oogen had gezien. Het is goed riemen snijden van een andermans leer. Maar ondertusschen steekt ze mij eneen ander de oogen uit, dat doet ze. En dat loopt ’s Zondags maar op laarsjes met hooge hakken en met een parasol, als de eerste dame van de stad, stijf van het goud en zilver.« Spreekster loopt eenige malen de kamer op en neer, in de eene hand eene denkbeeldige parasol, met de andere de rokken optillend om plasjes over te stappen. Ze waggelt als eene gans om de aanwezigheid der hooge hakken te doen uitkomen. De anderen zitten »te stikken van ’t lachen.«

»En dan zeggen de menschen nog: Joost mag weten, hoe ze d’r aan komt! Ik weet het bliksems goed, ze loopt op den bedel, nu ze niet meer op de baan kan loopen. Maar ze heeft een bleek gezicht en kan de huik naar den wind hangen en dat legt je geen windeieren, zeg ik maar. ’t Is of ze in de maan gebakken is, net de dood van Ieperen. Maar wat ik zeggen wil, ’t is vast een leugen. o Ja, ik was van morgen bij haar om …. om wat te leenen, want ordinair staat bij me de lamp voorover. Armoe is geen schande; maar beroerd lastig. Het is tobben van den eersten Januari tot den een-en-dertigsten December. Maar wat ik zeggen wil en jokken niet, ik ging dan bij haar leenen, want je weet, dat ze dat doet tegen een dubbeltje van de gulden. Het ongelukkigste is, dat je er als een hollend paard door achteruit gaat. Maar ik zit nu eenmaal in het schuitje en men moet roeien met de riemen die men heeft. ’s Zaterdags moet ik mijn heele weekgeld aan haar geven en ik ben blij, als ze me uit den brand helpt. Dan moet ik op een drafje naar de lommerd om Piet zijn zondagsche jas te halen en die gaat dan ’s Maandagsweêr weg. Enfin, het is makkelijk, je hebt geen kleerenkast noodig. Nu dan! Ik was bij haar, daar wordt geklopt, ze roept binnen, ik zie een sigaar, toen een hoed en toen een gezicht. Ik mag zoo denken, wie komt daar met zijn gebakken peren? Hij ging op een puntje van de stoel zitten met zijn hoed tusschen zijn knieën. Hij haalde een tractaatje voor den dag en ging er meê zitten zwaaien. Wat hij zeide, weet ik niet meer, het kan me niet schelen ook. Op het laatst viel ze hem in de reden: »heb je niets anders voor me?« Nu vind ik dat nog al origineel, want ze wisten niet beter of Trijn had het noodig. En je dan met een tractaatje op te schepen?! Maar dat is tot daartoe. Eer ik van de armen nam, vrat ik liever mijn timp op, dat deed ik! ’k Ging nog liever, waar God me goed land gaf!«

»En ik« verzekert Neel. Klaas zit te gesticuleeren.

»Ik zou die complimenten niet voor zoetekoek willen opeten. En ze kunnen je wat in je murf douwen, nu, daar zal ik straks eens wat van ophalen! Die alles kan aanhooren zonder boe of ba te zeggen, heeft een sjiek leventje, maar ik zeg: »dankje, santjes!«

»Maar je zei:….«

»Ja, ’t is waar ook. Nu dan. Heb je niets anders voor me, vroeg Trijn. Neen, zei hij. Geen spat? vroeg ze weer. Neen, zei hij. Wil je dan wel eens als de bliksem maken, dat je van mijn kamer komt, zei ze en ze pakte hem bij zijn lurven en bracht hem den trap af, net als een kleine jongen. In ’t voorbijgaan duwde ze hem zijn hoed op zijn hoofd, over één oog heen.O, o, hij leek zoo komiek. Totaal verbauwereerd. Je moet er den schrik onder houden, zei Trijn. Als het een van de heeren geweest was, zou ik het hem niet lappen. Maar hij is maar een gewoon armenbezoeker. Als hij durft te reclameeren, zal ik hem wat anders op zijn brood geven, daar kan je donder op zeggen. Toen blerde de mangelvrouw aan de trap. »Trijn,« riep ze met d’r slasmoel,»d’r is iemand voor je. Hij informeert bij de water-en-vuurvrouw.« Trijn ging naar beneden en ze hadden een pret, zij en Wies, ik gaf een dubbeltje aan een arm mensch, als je dat had kunnen hooren. Enfin, ik maakte er dan zooveel uit op, dat Trijn weer op schobberdebonk geweest was.«

»Gisteravond was ze ook al op den snor.«

»Ik dacht zoo, nu moet ik de kat eens uit den boom kijken. Joost mag me halen, als ik weg ga. Trijn zei: »Ik verwacht iemand,« maar ik bleef heel bedaard zitten. Wat kan ’t mij schelen? Maak je maar niet dik, dacht ik, dun is de mode. Haast je maar niet, mijn lieve Veronica, er komt nog een tram. Ze hangt van liegen en bedriegen aan elkaar en met d’r tong, zoo scherp als een scheermes, zou ze Jan en alleman maar op den kop willen zitten. Als ze me voortaan wat in den weg legt, zal ik ze ook eens wat lappen. Maar dat gezegd en gezwegen! Ze had danig het zuur. Ze had het land als een stier. Ze wou me wel wegkijken. En mensch«…. (spreekster slaat de handen in elkaar en zet een gezicht als een »mater dolorosa« op een slechte oleographie) »als je dat gezien had. In een oogenblikhad ze haast al d’r meubelen weggestopt, tot d’r veeren bed toe. Hoe ze het zoo gauw gedaan kreeg, gaat mijn verstand te boven, al heb ik het zelf gezien. Goed. Onder die bedrijven wordt geklopt. Er komt een klein heertje met een neus van komsa. Ik bleef maar stiekem zitten. Ze keek me aan, zoo kwaad als een spin, maar ze kon me kwalijk wegjagen. Ze koos dan eieren voor haar geld. Het heertje hield net of ik er niet was. Of ’t mij kon schelen?! En toen hoorde ik, dat Trijn gezegd had, dat d’r man ziek was—het is notabene d’r man niet eens—en dat hij versterkende middelen moest hebben; je kont hem wel wegblazen en meer vijven en zessen. Ja, dat begreep het heertje. En Trijn zat tegen mij d’r oogen dicht te knijpen en bekken te trekken. Hij zag het niet, want hij zat op zijn vingers te kijken. Het slot is, dat ze krijgt. Is ’t niet ongepermeteerd? Toen hij weg was, zei ze: »’t wordt tóch gegeven, of ik of een ander ’t inslik, dat is hetzelfde.« »En in allen geval,« zei ze, »dan moeten de lui maar beter uit hun oogen kijken en zelf onderzoek doen.« Maar ik kom er maar op, dat ’t zoo onrechtvaardig gegeven wordt. Daar heb je nu die buurvrouw achter me. Reken er op, dat de tobberd gebrek lijdt, dat ze zwart wordt. Af en toe geef ik haar een stuk en een brok; maar veel kan ik ook al niet missen. Enfin. Ze naaide zakken, maar daar was geen droog brood meê te verdienen. Te weinig om te leven, te veel om te sterven. Ze was half blind van ’s nachts-op-zitten en half lam van het pikken. Ze kon op een goeden dag geendraad meer door de naald steken. Toen kwam op hooge beenen de zakkenbaas met een hoop komplementen van belang. Hij moest en hij zou de zakken hebben. En ze behoefde niet meer op werk te rekenen, men kon naaisters krijgen bij de vleet. Ik zei: »man, wees bedaard, we zullen je scheren, baard of geen. Ga jij nou als een man naar huis,« zei ik, »en eer het avond is, heb jij je zakken.« Hij liet zich gezeggen en droop af. Ik leende ze een paar centen voor een wagentje. Eerst wou ze ze niet aanpakken, maar ik zei: »’k Heb geld genoeg, al leef ik geen uur meer!« Ze gaat en ik zou een oogje in ’t zeil houden, want haar kleine jongen was ziek en we verwachtten een armenbezoeker; want ik had haar al vroeger overgehaald, op de klacht te gaan. Maar als ze er op had moeten wachten, tot er wat kwam, dan had ze wel kunnen crepeeren, het was al een week geleden. Nu dan! Toen ik naar den jongen ging kijken, hoorde ik dat hij honger had. Ik keek in de kast, maar jawel, er was geen kruimel te vinden. Het kind zei, dat het al in geen twee dagen eten gehad had. Niet om daar op te roemen; maar ik had van Trijn een zak grutten gekregen en een stuk gortig spek. Ze had het van de diakonie. Grutten lustte ze niet en van spek kreeg ze het zuur, »weggooien was zonde,« zei ze, »al was het maar van de kerk.« Nu dan, ik legde dit in de kast en gaf den jongen een boterham in zijn knuisten. Toen ging ik weer aan mijn werk, want ik was aan ’t kachelpoetsen. En ik kan je op mijn woord van waarachtig verzekeren, mijn lieve mensch, dat geen haar opmijn hoofd aan den armenbezoeker dacht. Als ’t niet waar is, mag ik lijden, dat ik geen gezond uur meer heb«…. Zoover was ze gevorderd, toen het kleine hangklokje twaalf haastige slagen deed. Het klokje was een koopje, maar er waren in den tijd van een goed half jaar om ende bij vijftien gulden onkosten op gevallen.

Buurvrouw dronk haar kopje leeg en zei: »Het is al te laat om aardappels te koken; ik zal maar wat blauwe bliksem klaar maken, dat is gauw klaar!«

De oom had al dien tijd gezeten, of hij het voor en tegen van iets woog. Nu stond hij eensklaps op: »Neel ik kan niet anders zeggen, of het was een verdomd gemeene streek om die kinderen weg te jagen. Ik zou het niet over mijn verdommenis kunnen krijgen en nu ben ik nog maar een kerel!« En hij ging zonder groet heen. Neel antwoordde op ’s mans demonstratie met een schouderophalen. Buurvrouw ging hoofdschuddend heen: ze was geheel confuus en had een kop als een boei. Vrouw Helms zette zich zeer gemakkelijk over de kritiek heen. Op haar gemak dronk ze nog ettelijke kopjes koffie en at boterhammen met hompjes kaas, die ze van een groot stuk vol maden afsneed. ’s Zaterdags ging ze altijd de kaaskraampjes langs en nam van elk een gratis proefje, hoewel ze van te voren wist, wiens beurt het was, om door haar begunstigd te worden.

Intusschen was buurvrouw bezig met het gereedmaken van ’t maal. Dit bleek; want haar veelbelovend zoontje, dat zich door belofte van een paar centen had laten bewegen, iets voor zijne moeder te doen, kwam bij vrouwHelms achtereenvolgens leenen: een beetje blom, een stroopflap, twee borden, twee tinnen lepels, vier centen voor jenever voor zijn vader, een potlepel, een stukje boter en een stoel, onder belofte van spoedige teruggaaf.

Vrouw Helms was onderwijl bezig de kopjes te wasschen. Ze deed dit in een klein keukentje, net om den hoek van een dwarsstraat, die in het westen op een groote vlakte uitliep. Slechts een paar huizen waren daar gebouwd. Toen ze gereed was, ging ze weer voor het raam in de andere kamer zitten. Het liep naar ééne. Uit het westen kwamen groote dotten wolken aanzetten, loodkleurig in het midden, gekoperd aan de voorste randen, in een oogenblik de waterig-blauwe lucht bedekkend. De gevels der huizen in het noorden kregen een schelle tint. Dedonkeredaken staken scherp af tegen de lucht. Waar de zon stond, zag men een groot koperkleurig gat in de wolkenmassa, aan de randen bewasemd; en ook naar het oosten toe behielden ze dien glans van opgepoetst bruin koper. Langzaam, bijna regelmatig, vielen enkele groote vlokken hagelige sneeuw omlaag, een glibberige donkere massa op de straatsteenen vormend. Boven de huizen achter de plaats spoog een zwarte schoorsteen een zware klomperige rook uit, welke eerst door de vochtigheid neêrsloeg en dan, worstelend om omhoog te komen, zich verloor in de loodkleur, welke nu den geheelen hemel overtrok. De dunne, armoedige boompjes tegen de heining stonden zeer stil.

Toen de wolken waren voorbij gedreven, hield het zachte sneeuwen op en op den lichten achtergrond bewogenzich nog slechts eenige purpergrijze koppen, in het oosten zich tot strepen uitbreidend, welke boven de huizen bleven hangen, om zich na een poos op te lossen.

Het westen had nu een kleur als messing …..

Na een uurtje kwam buurvrouw weer beneden met een half gekookt gezicht. Haar man was alweer »opgekrast«. Hij was weêr naar werk gaan zoeken, hetgeen hij deed door ergens over de leuning van een brug te gaan hangen en in het water te staren. Hij was dan ook maar opperman van zijn ambacht.

Onder het genot van nog een kopje—het was nu »grondsop voor de goddeloozen,« zei de gastvrouw—hervatte ze na een lange inleiding haar verhaal.

»Onverwacht hoorde ik den jongen schreeuwen. Ik liep op een drafje naar de achterkamer en nu kwam ik te hooren, dat er een heer, dat was dan de armenbezoeker, was geweest en dat hij in de kast gekeken en gezegd had: »Nu, nu, ’t zit er aan, hoor! Je moeder hoeft nergens op te rekenen,« of zoo iets. Of ik ook kwaad was. Enfin, ik ken hem wel, hij is zoo rood als een schavotdanser en ordinair zie je: »Rood haar en elzehout is nooit op goeden grond gebouwd.« Den volgenden dag trok ik de stoute schoenen aan en ging op de klacht. Daar vertelde ik alles van stukje tot beetje. Maar oele, ze wilden me niet gelooven. En wat geven? Ho maar. De opperste er van is anders geen kwaje vent; hij was heel aardig. Eerstzeihij: »Ja, ja, we kennen dat. Zekereen weduwvrouw, hè? En de vader van het kind is zeker marinier?« »Ekskuseer, mijnheer,« zei ik. »Dan op zee verdronken?« vroeg hij. Maar toen ik alweer neen zei, zette hij een verdrietig gezicht. Maar ik kan toch niet voor niets liegen? Kan ik het helpen, dat de man maar een onnoozel kladder was? Later hoorde ik, dat ik maar ja en amen had moeten zeggen, dan had hij wat uit zijn zak gegeven. Maar ik heb geen hondeneus. Je kunt alles niet vooruit weten, is ’t waar of niet? Nu dan, of ik al hoog of laag sprong, ik kreeg twee vette soepkaartjes. Maar ik dankte er hartelijk voor. Denk je, dat ik daar dankje voor wilde zeggen? Op hun kop getimmerd. Maar de arme donder moest er geen schade bij hebben. Daarom heb ik voor een prikje bij Trijn een heele kaart gekocht. Later zal ik ze wel betalen en al kan ik niet, dan is het nog geen doodwond. ’t Kan beter van een stad dan van een dorp.«

»Ze heeft anders het heft in handen,« zei Neel. Zeer tegen haar gewoonte was ze spreekster niet in de rede gevallen. Ze sympathiseerde niet erg met menschen, die het niet breed hadden. Aan geven had ze een broertje dood.

Na nog eenige nabetrachtingen ging de buurvrouw heen.

Vrouw Helms pookte de kachel op en ging kousen stoppen, want ze had geen lust, den godganschelijken dag met over elkaar geslagen armen door het gordijntje te zitten koekeloeren.

»Als ik rijk was, zou ik het moeten verdommen om wat te geven. Het komt toch altijd in verkeerde handen. Hè, als ik nu maar eens met een prijsje uit de loterijkwam. Hein zou er met zijn doode vingers afblijven, dat geef ik je op een briefje. ’k Zou wel zalig oppassen, dat hij mijn armoedje er niet doorlapte.«

En, gekoesterd door de warmte, die van de gloeiende kachel afstraalde, gaf ze zich aan hare phantasie over. Een huisje op een der buitensingels, met een paar boomen en een houten bank voor de deur; zij zelf op de bank, breiende en op den weg turende, met een kopje thee naast zich en haar kat aan haar voeten ……

»Wel, zou hij nu alweer bezopen zijn?« Op de trap hoorde ze mannenstemmen, voetgestommel en hondegeblaf. Er werd op de deur der leegstaande achterkamer gebonsd en ze hoorde zeggen: »D’r is niemand op!« »Atjuutjes,« riep eene andere stem. »’t Ga je goed, hoor!«

»Wat zou er nu aan ’t handje zijn?« mompelde Neel.

»Open, of ik trap de deur in.«

»Hein, houd je nu maar koestem, of je krijgt van je wijf.«

»Dat zou ik me niet laten zeggen,« stookte een ander.

»Ik wil niet vechten« zei Hein en zette in:

»Atju we moeten, elkander groeten.«

»Atju we moeten, elkander groeten.«

Het was een gebulk van belang. Een der mannen zong faucet.

Neel, die al dien tijd met de hand aan de deurknop had gestaan, als een zoutpilaar, vroeg zichzelf: »Wat doet de stumper in de kou? Hier zit hij, of hij zijn laatste oortje versnoept heeft!« Vastberaden opende ze de deur, scharrelde met de handen rond en trok onder algemeene toejuiching Hein naar binnen. Deze keek leelijk op zijn neus en zette een gezicht, of hij geen tien kon tellen.

»Och, vrouw, straf hem niet, hij zal het nooit weer doen.« riep men op het portaal.

»We hebben hem verleid.«

En onder het maken van allerlei dierengeluiden gingen de »verleiders« de trap af.

»Staat nu maar niet met je mond vol tanden, je jaagt me wát de dampen aan!«

Hein was bij de kachel gaan zitten en zeit vertrouwelijk tegen het ijzeren gevaarte: »Ze zet een gezicht als een oorworm.« En dan tegen de pruttelende koffiepot: »Ze mocht wel een zondagsch gezicht opzetten: de honderdduizend is op ons lot gevallen.«

»Weet je het zeker? Maar zet je vuile pooten van de sporten af.« Haar gelaat klaarde wat op.

»Kijk eens,« biechtte Hein aan de kachel, zijn knieën wrijvende: »Zeker en zeker is twee.Als ze me zeggen: »Hein, ik heb je vader zien loopen,« dan zou ik nog niet durven zeggen: »Je liegt het.« En toch heb ik hem zelf naar ’t kerkhof gebracht en ik heb zelf de briefjes gezien waarop stond: »Rust in ’t Putje.« Maar je ziet zooveel gebeuren. Je bent nooit van iets zeker.«

»Nu ja, met je beroerde geklets. Kom er nu rond voor uit. Weet je het zeker van het lot?«

»Kijk eens, als de honderdduizend op de vier staarten is gevallen en je hebt nu de vier staarten, dan zeg ik met mijn domme verstand: »Ik heb er nog al hoop op!…. Nu zullen we het er van nemen!«

»Geen cent zal je hebben. Ik heb het van mijn zuur verdiend geld gekocht!«

»Nu ja, zuur verdiend, zuur verdiend! Met koffiedikkijken, ’k Zou me schamen om er over te spreken.«

»Je schaamt je niet om er van te vreten.«

»Je wordt personeel!« zei Helms deftig. »Ik ben hoofd van het gezin volgens alle wettelijke en menschelijke wetten en rechten.«

»De mond van het gezin. Je gooit iemand dood met stadhuiswoorden, maar dat is ook op en al.«

Hij speelde met zijn horloge, dat hij gekregen had, toen hij vijfentwintig jaar aan de brandweer was. Aan boeten had hem het ding wel viermaal de waarde gekost; want vooral op het laatst, sinds hij een liefhebber van vergaderingen was geworden, had hij het land aan »de spuit« gekregen. Zoodra hij het horloge had, was hij er af gegaan.

»We zullen de debatten sluiten,« zei hij. En in zichzelf mompelde hij: »D’rmoestwat op vallen. Vier staarten, heb je ’t ooit mooier gezien?« Hij begon te deklameren:

»’t Is nu, o lieve vrouw, al lang genoeg gepot.«

»We hebben geld genoeg: de spaarpot moet kapot,« en bedoelde een groen varken zonder pooten, van aardewerk, met gaatjes in zijn lijf waarin van tijd tot tijd een dubbeltje werd gestoken.

»Dat heb je zeker weer opgedaan in zoo’n verrekt blad, die je altijd voor de ramen der boekwinkels staat te lezen. Anders voer je zoowat geen bliksem uit« zei Neel nijdig. (Hein maakte altijd jacht op z. g. »humoristische bladen« hoewel hij in de edele leeskunst een brekebeen was.) Poes, die al voor eenige uren zich in haarschotel met turfmolm had teruggetrokken, was door de drukte ontwaakt en zat het echtpaar aan te kijken met knippende oogen. Door de openstaande deur van ’t keukentje tintelde een bundel zonnestralen naar binnen en vormde op den vloer een gouden streep, die telkens verdween, als de deur door een tochtje dicht waaide. Poes maakte er jacht op en trok zich telkens terug, als de streep verdween, om het volgende oogenblik er weer op toe te springen.

Het gekef van Fidel, die, soms maar een praatje makende met andere honden, steeds gewoon was alle bezoekers aan te kondigen en het vooral druk had als er eene equipage voor de deur stil hield, wier bezitster de kaart wou laten leggen—het gekef van Fidel waarschuwde, dat er bezoek was. Toen Neel de deur opende, zag ze een heer, die de slippen van zijn kale jas onder den arm droeg, om ze te beschermen tegen de aanvallen van het keffertje, dat al zijn cynisme had laten varen, toen het duiveltje der klerikalenhaat in hem voer. Het scheen een gloeiende haat tegen zwart te hebben en hoewel hij de rokspanden tot doel gekozen had, besloot hij als bekwaam politikus, zich maar te vergenoegen met de meer bereikbare, en óók zwarte, broekspijpen. Hij beet er in en de heer slaakte een angstkreet, die door merg en been drong. Doodsangst lag op zijn gelaat.

»Geef het mormel een opflikker!« zei Helms en deed, wat men in de gymnastiek »een uitval« noemt, met het gevolg, dat Fidel met den staart tusschen de beenen naar beneden ging, overtuigd, meteen zijn hart te kunnenophalen. »Wat naar boven gaat, moet weder naar beneden komen. Uitstel is geen afstel; borgen is geen kwijtschelden; wat in ’t vat ligt, dat en zuurt niet.«

Op deze empirische wetten bouwde hij zijn wraaktheorie.

De heer, die zijn hoed in zijn nek droeg, als wijlen Gambetta, was onderwijl door het echtpaar herkend als: »neef Gerrit.«

»Ja, luidjes!« had hij gezegd. »Nu ik zie, dat je mij niet opzoekt, doe ik het jullie.«

»Je was in eens zoo voornaam geworden,« verontschuldigde Helms zich.

»U woont zoo deftig,« zijne echtgenoot.

»Wel nu, komaan!« zei neef luchtig. »En heb ik niet met jullie meêgegeten, toen ik klein was?«

»Ik dacht dat u het vergeten was!« zei Neel.

»Vergeten? Nooit, nooit, al word ik zoo oud als Methuzalem.«

»Weet je nog wel van die harde scheepsbeschuit, waar we op knabbelden?« zei Hein, die altijd een buurjongen was geweest van Neel, wier vader op zee voer.

Een oogenblik kwam er een wrevelige uitdrukking op neefs gelaat; maar hij zei:

»Vergeten? Het is daarom dat ik jeditbezoek breng.«

»Je weet,« zei hij vertrouwelijk, een puntje van den aangeboden stoel nemende: »tenminste, je zult wel eens hebben hooren vertellen van eene erfenis, die vast zit. Nu heb ik overal relaties, ook in Parijs. Van daar is me de sleutel geworden om deze beruchte Gordiaansche knoop te ontwarren,« vervolgt hij met min-gelukkigebeeldspraak. »Maar veroorloof me, daaromtrent niet verder uit te weiden. Geef me volmacht, om in je naam te handelen en je zult zien. Meer zeg ik niet, je zult zien!«

»Maar kan ik niet zelf voor mijn recht opkomen?« onderzocht Helms. Neel keek hem leelijk aan.

»Mijn goede vriend, wat zal ik je zeggen? Uit het oogpunt van recht ongetwijfeld. Onnngetwijfeld! Maar uit het oogpunt van utiliteit, versta je, zie je, vat je? uit het oogpunt van utiliteit moet ik een ontkennend antwoord geven. Daar heb je je zegels, je tarieven, je juries, je gezantschapssecretarissen, heb je daar verstand van?«

»Godallemachtig het zijn toch ook maar menschen. Voor een fooitje doe je heel wat!« meende Helms.

Neel knikte ontkennend.

»Daar heb je je kanselarijen, je procureurs, je advokaten, je archieven, je processen enz. enz., dat alles moet gesneden koek voor je zijn, als je zulke zaakjes wilt behandelen. Is het gesneden koek voor je? wou ik maar vragen. Ongetwijfeld neen, herzeg ik. Je hebt al je levensdagen in een gangetje gewoond«….

»Hohó!«

»Nu, in een straatje, egaal, egaal, c’est egal, zegt de Franschman. Maar let op, ik wil je niets opdringen. Doe wat je niet laten kunt, al wou je zelfs een ander praktizijn nemen, wat echter niet …. niet »comme il faut,« niet netjes zou zijn; wat ondankbaar zou heeten, als er bij ons, beoefenaren der rechtswetenschap, ooitsprake was van dankbaarheid of ondankbaarheid. Doch het zal geen casus belli voor me zijn. We zullen de beste vrienden van de wereld blijven, laat je dat gezegd zijn. Slaap er eens op, doe dat! Aanvankelijk heb ik vijfentwintig pop noodig; spreek de andere familie er over en geef elk een kleinigheid«….

»Neen, bliksem!« dacht Helms hardop.

»Ik voor mij zal me ook niet onbetuigd laten. Mijn arbeid, mijn zaakkennis, mijn bekwaamheid, mijn energie breng ik niet in rekening, vóór ik je het geld op deze zelfde tafel—of bij mij aan huis—kan uittellen. Dag luidjes!« En hij stond op. Neel slaakte een zucht van verlichting: ze was als gebiologeerd geweest.

»Wees zoo goed en breng me de trap af: ik ben bang voor den hond.« Hein ging reeds naar de deur. Neef keerde zich naar Neel, van zins haar wat in te fluisteren. Dan Hein was er als de kippen bij, zoodat neef niet meer kon doen, dan zeggen: »Nu dag, nicht!« en zich te gelaten of hij vertrekken wilde. Toch vertrok hij niet, dan nadat hij driemaal de »komedie« (als Hein tot zich zelf zeide) herhaald en hij zijn doel bereikt had. Neel liet hen beiden heengaan, haalde iets uit haar zak en duwde het neef op de donkere trap in de hand.

Neef Gerrit had haar wat te leen gevraagd.

Toen haar man weer boven was, vroeg ze peinzend: »Hoe hij er toch zoo bovenop kwam? Hij is wel altijd een bol geweest, maar hij was toch maar eerst gewoonbosbode. Toen deed hij in assuranties of zoo wat en nu woont hij in een villa!«

»Dat is het krediet« zei Hein. »Hoe meer zwiet je slaat, hoe meer krediet je hebt, hoe meer je kunt borgen, zonder dat ze je manen.«

»Een mooi ding, dat krediet. Had ik dat geweten.«

»Bankroet gaan is nog beter. Daar heb je bakker Jansen. Die woont eerst in een klein huisje en hij was zoo arm als de mieren. Goed. Hij slaat bankroet en laat het vertimmeren. Hij slaat weer bankroet en koopt het huis naast hem en nu heeft hij een winkel van komsa!«

»Bankroet gaan is niet betalen, is niet?«

»Ja! en?«….

»Maar dan moeten ze toch maar niet op d’r gemak zijn. Ik ga maar bij me zelven na: ’k stierf liever van honger dan altijd gemaand te worden!«

»Jongen, zeg dat niet! Dood gaan is ook geen baantje,« zei Hein gemoedelijk. »En wat dat manen betreft, dat gaat goed bij arme lui. Maar bij rijke hanzen? Ze zouden je zien aankomen. Als het die gaat vervelen, laten ze zeggen dat ze niet t’huis zijn.«

»Ja, dat weet ik nog wel, toen ik ook nog diende … Weet je, waar ik over dacht? Nu moest tante Grietje nog dood zijn, dan werden we zoo rijk als Kresus.«

»Ja, die totebel leeft toch voor niets.«

»Je hebt voor twintig jaar eens rusie met haar gehad, hé?«

»Ja.«

»Heeft ze kinderen?«

»Niets als een meid eneenkat, kind noch kraai. Ja, erven doen we vast of …. ze zou alles aan de kerk moeten geven of in d’r graf meênemen! Het kreng is er toe in staat. Maar als ze maar vast dood was, want je bent nu tusschen hangen en worgen.«

»Nou ja, maar als we toch niets krijgen, kan ze voor mijn part nog wel wat blijven leven!« zei de zachtaardiger Neel.

»Gierig dat ze was, nou! Een blind paard kon er geen schade doen. De aardappelen werden geteld. D’r man zaliger had geen lor in te brengen, hij moest alles voor zoetekoek opvreten. Dat zoumijmoeten overkomen,« (zijne vrouw gaf zichzelf een knipoogje). »Ze hielden toen een knecht voor de boerderij en ik heb zelf gezien, dat ze de klokhuizen uit d’r man zijn pijpen haalde, om ze te drogen en dan in de andere tabak te doen; want de knecht moest zijn tabak van haar koopen. Andere stonk, zei ze. Bocht kon ze niet velen.«

»Aprepo, hoe moeten we nou aan het geld van de loterij komen?«

»O, dat zijn wereldsche zaken en die redden zichzelf. ’k Zal straks eens even aanloopen. Heb je een kwartje?«

»Een kwartje?«

»Of een gulden, dat is ook goed« zei hij met galgen-humor.

»Nou, omdat het zoo’n extradag is. Het gebeurt alle dagen niet.«

Hij beloofde, gauw terug te komen, gebruikte eenige sneden brood met koffie en vertrok.

»Wat ga je nou eigenlijk doen?« riep Neel hem na.

»Den aap vlooien,« zei Hein, die nu geld had.

»Nou, vooreerst komt hij niet boven water,« zei Neel tot zichzelf. Ze deed wat koffie bij en liet de pot onder de waterleiding in de keuken vol loopen. De deur liet ze openstaan, waarvan de kat gebruik maakte, om eens een kijkje in dat hok te nemen.

Buurvrouw riep om een hoekje: »Heb je al gegeten?«

»Neen, alleen wat brood met kaas!«

»Nou, kom dan. Ik heb pannekoekjes gebakken. Ik ben er nog wel druk aan bezig; maar we kunnen er wel vast wat in de wacht sleepen. Een paar zal ik er voor mijn Judas bewaren; want de lucht van het bakken gaat er zoo gauw niet uit. Kom je?«

»Niks vaster!« Ze ging en bleef geruimen tijd weg.

De kat was op de »rechtbank« gesprongen en zoo op het kozijn. De raampjes konden niet gesloten worden dan door een touwtje en daar dit sluitingsmiddel nu niet was aangebracht, weken ze voor den druk van het dier.

Een zee van lage pannendaken lag omlaag, want het huis was nog al hoog en Neel woonde op de tweede verdieping. Hier en daar strekte zich een dak wat hooger op; maar omdat men bezig was daar eene straat door te breken, bleef een groot vak van de lucht open. Ver weg, over de huizen heen, was de lucht rood gloeiend. Een paar grijze strepen liepen door den vuurgloed heenen eindigden in een zwarten stapel, aan de randen verguld. Het noordwesten spuwde nog steeds grijze massa’s uit, die een oogenblikje de geheele lucht overtrokken als een grijze wasem, om dan weer door den wind weggeblazen te worden. Enkele gaspitten stonden stil tegen den horizon, die al grijzer en grijzer werd. Maar er vertoonde zich eindelijk een open vak, doorloeid van kronkelende vlammen, als door den wind allen naar denzelfden kant gebogen. Toen kreeg het noordwesten een kleur als geel koper, dat doffer en doffer werd. Een mat licht doortrok den ganschen atmospheer. In de verte schenen zich de zwarte huizen uit te rekken en de lantaarnpitten leken groote vonken, in de duisternis verspreid ….

Binnen in de kamer was het al geheel donker. Het knerpen van de keukendeur, door de tocht bewogen; het getiktak van den klokslinger en het gepruttel van den koffiepot op de kachel braken de hoorbare stilte af. Een groote lichte plek werd door het kachelgat op den vloer geworpen. Telkens als er stukjes asch omlaag vielen, was dit ook op den grond te zien. Op den gloeienden pot speelden sprankelende vonken krijgertje. Telkens als de vlammen opflikkerden, waren menigvuldige gaatjes en scheuren in de kachel zichtbaar, evenals de stukken waschgoed, die in het duister hun nevelige armen en beenen uitstrekten en waartegen de spelende vlammen gedempt uitkwamen. Ze bewogen zich zachtjes heen en weer. Het was in de kamer dompig en broeierig warm.

De deur werd geopend en twee gestalten bewogen zich naar de gloeiende kachel.

»Ze is er niet, maar ze zal zóó wel komen, anders had ze de deur wel gesloten.«

»Zou je denken?«

»Niks vaster. Maar neem een stoel, mensch en blijf daar niet staan als een bedelaar. We zullen eens een lekker bakje koffie inschenken. Nou, het is hier armoe-troef. En dat legt nog al de kaart. Kijk me die kachel eens: de mijne is er heilig bij.«

»Alles goed en wel Mie, als ze het maar niet kwalijk neemt.«

»En wat dan nog? Als ze begint, scheld ik haar de huid vol, we komen niet om te halen, wel?«

Vrouw Helms had wat gehoord en trad nu binnen. Terwijl ze de gordijnen neerliet en de lamp opstak, zei ze: »’kZalde lamp maar opsteken, al kan ik mijn geld nog wel zien te tellen. Je wilt zeker, dat ik de kaart leg?« Ze ziet haar bezoeksters aan, de oogen met de hand beschermende. Verbaasd klinkt het: »Pietje en Miet?« En de in schoudermantels gehulde gestalten opnemend, zei ze wantrouwend: »Wat kom jullie doen?«

»Gut mensch! je kijkt zoo kwaad als een spin, we komen je juistement wat brengen. Heb je iets warms?«

»Koffie? Je hebt je al bediend, merk ik!«

»Als je niets anders hebt, allá, geef maar op! Is ’t niet stief, het is warm in ’t lief. Ik houdanderswel van iets hartigs. Als ’k zei, dat ’t niet waar was, zou ’k liegen.« Ze slurpten langzaam haar kopje leeg. Vrouw Helms nam eene afwachtende houding aan, met de eene hand op de tafel leunende. Miet begon heel langzaam:

»Je weet, dat je moeder van d’r eerste man Halen heette. ’t Was een broer van mijn man zaliger. Eigenlijk heette ze Halen—Kalen; want ze waren van adel. Hun moeder gebruikte hun wapenschild voor aardappelenbak.—Nou was die oudste Halen, je moeders eerste man, een stiefbroer van zekeren van Aronskerke, die weer oom moest zeggen tegen«…. »Oom? ben je belazerd of wat mankeert je? Hij was een neef,« zei Pietje. »Wat neef?« en Miet keek haar vernietigend aan. »Ja, je zult me wat van de familie vertellen! Dan moet je vroeger opstaan.« »Toch was hij neef.«

»Kom, mensch! laat naar je kijken. Je grootje is je neef.«

»Ik zeg, hij moest oom zeggen tegen den ridder van Achten tot en met den Steendijke, die ergens goederen had in Brabant. En wie dat niet bevalt, bliksemt maar op! Door versterf zijn die goederen aan ons gekomen, als ik maar wist, wie ze had. We hebben een praktizijn gesproken en die vond het een mooi zaakje, niet waar Pietje? Zit nu maar niet te donderjagen: hij moest oom zeggen. Nu is er één moeielijkheid, het is al zoo lang geleden, van anno 1500 en nog wat. En dan was de ridder Roomsch of doleerend of zoo iets. En toen hebben ze hem zijn goederen afgetrocheld. En Nap met zijnberoerdeklauwen heeft de stukken verdonkeremaand, enfin het is een heele konkelarij. De prakkezijn zei: »Geef me ééne onnoozele vijfentwintig gulden en«…. »Schudt nou niet als een gek neen,« (dit was aan het adres van Neel) »Je bent het verplicht. Het is Godgeklaagd: we zijn rijk en ik moet op een halve roode cent doodblijven. En als ik het nou nog op lossen voet wou hebben, dan zou ik zeggen: allá. Maar nou is het zoo sekuur als iets; als het loskomt, hou je het voor onze neus af.«

»Ja,« zei Pietje, »en dan moeten we nog een doode generaal of zoo iets«…. »Hahá,« barst Miet los, »die is mooi. Een generaal! Houd mijn jas vast, dat ik eens uitlach.«

»Word je gek of ben je het?« vroeg Pietje barsch.

»Och, gek mensch, je bedoelt een korporaal!«….

Dat stemde Pietje niet toe. Als men een korporaal zag, zei men altijd:»anderhalven man en een paardekop.« Een korporaal? Die was de knecht van de soldaten. Het was een hondebaantje. Een jongen van haar buurvrouw wou het niet eens worden, alhoewel ze hem gesoebat hebben.

Men besloot, de kwestie open te laten.

»Nou dan, zoo’n hooge van de soldaten,« zei Pietje en deze formule voldeed beide partijen. »En die laat ordinair wat na.«

»Dat er een erfenis op ons ligt te wachten, is zoo zeker als iets. Mijn moeder vertelde, dat er een grootvader van haar naar de Oost was gegaan, of naar de West, daar wil ik af wezen. Al licht is hij daar getrouwd met eene rijke zwarte. ’t Zou al casueel zijn, als hij niets had nagelaten. Ik ben er voor naar den Haag geweest opaudiëntie«…. »Op klompen,« zei Pietje. »Maar die minister vroeg namen en die wist ik niet,« vervolgde Miet. »Jij moet in de bres springen.«

»Hoor eens, geld heb ik ook niet, maar ….. daar hoor ik Hein.«

»Zoo? Ik moei me niet met andermans zaken, anders zou ik zeggen: »Die is ook mooi in de olie!« »Ieder huisje heeft zijn kruisje. Laten we later eens terugkomen,« zei Pietje. De stokoude wijfjes, met bevende handen en lippen, gingen. Hein gaven ze geen antwoord op zijn groet: Pietje omdat ze »dronkelui niet kon luchten of zien,« Miet, omdat ze voor vijftien jaren door Hein van de trappen was gegooid, toen ze over een erfenis kwam malen.

»Wat een Bokkeneezen, wat een Hottentotten,« mompelde de gekrenkte Hein. »Als jullie groeten, zal ik ook niet spreken. Kun je niet groeten?« »Kommandeer je honden en blaf zelf,« zei Miet. »Hier, ouwe doerak!« Maar Hein had moeite om zich staande te houden. Hij was zeer aangedaan. Zijn tong sloeg dubbel en telkens viel hij »met zijn stem van de trappen. En dan was het ordinair donderen met hem.« Boven gekomen,riep hij, bijna weenend: »Ik zal het nooit meer doen!«

»Dronkenschap en barmhartigheid,« constateerde Neel.

»Dronken? ’k Ben zoo nuchter als een pasgeboren kind. Nou ja …. één borrel. Mag een mensch dan eens nooit foudeeren?« repliceerde Hein.

»Eens in je leven? Wel, wel?«

»Van Piehiet gekregen, neen, van een kahapitehein.«

»Je liegt. Eerst zeg je van Piet!«

»Van Piehiet? Je bent stapel. Hebikdat gezegd? Dat kan ik niet gezegd hebben, want het is niet waar.Denk je, dat ik rusie met zijn vrouw wil hebben? Dat zou je wel willen, hè, beroerde …. de dwarsdrijver! En nu basta!« Hij beproefde vergeefs, een eind sigaar aan te steken.

»Kijk eens, zes lucifers maar voor zoo’n verrot end. En dat zit nog met zijn sliksporen op mijn sporten.«

»Wees maar stil, ouwe, ik zal wel zorgen, dat we rijk worden. ’k Heb kameraden ontmoet, en die willen alle arme donders rijk maken. Je hebt niks anders te doen, dan je naam te laten opschrijven en van tijd tot tijd eens een liedje te komen zingen!«

»Wat is er van het prijsje?«

»Het prehijsje? Wat? o Ja. Dat was een aardige streek. Die Piet is een verneukbroer. Ze hebben het me maar wijs gemaakt. Er was geen lor van aan. We hebben een niet. Maar ik vind het toch een echt grappige streek. Wat scheelt je oude?«

»Wat zeg je daar? Is er niets«….

»Ja, maar Piet heeft zich rojaal gehouden, dat moet ik zeggen. We hebben pret genoeg gehad. Ik ben«….

»Je bent Lazerus!« zei de gloeiend verontwaardigde Neel.


Back to IndexNext