EENZAAM.’t Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord, dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne, nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten, een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes schudden weemoedig ’t hoofd en lieten groote droppels als tranen neervallen. ’t Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen, ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een vrouwestem zong:»Slaap, kindje, slaap!Daarbuiten loopt een schaap.Het schaap heeft witte voetjes,Het drinkt zijn melkje zoetjes.«—op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend huilde. De tranen sprongen Door inde oogen. Door de overspanning, waarin ze verkeerde en de inspanning van het loopen waren haar zenuwen geheel van streek. Ze gevoelde zich krachteloos en geheel passief en kwam in een melancholische, weeke stemming.Eindelijk naderde ze de fabriek. Achter de heg van vlierstruiken, daar tegenover, op een plek, waar ’s zomers een lang, spichtig gras en lischdodden groeiden, stond eene oude, donkere kermiswagen. Een groote bandrekel, die er onder lag, huilde telkens, als de wind met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe armen omhoog, als in vertwijfeling.Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend verlicht. De vlammen stonden soms eenige oogenblikken stil en wierpen dan lange strepen geel licht op de glimmende asch, om ze bij een windvlaag uit te vegen, in te krimpen en tot cirkels te ronden, in wild gewoel.—Achter de matglazen ruiten van het gebouw zweefden telkens donkere schaduwen als chineesche schimmen voorbij. Eentonig droppelde het vocht van de uitstekende lijsten op de koolasch. Regelmatige slagen als van een pompzwengel bonsden naar buiten.Door verschool zich achter het hondehok, tegenover een klein deurtje met ijzeren tralies. Naast deze uitgangbevond zich een ruwe, houten trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den hond, bij tusschenpozen herhaald, maakte haar zenuwachtig. En het gezang der vrouw, die het kindje stil zong, klonk haar aanhoudend in de ooren, nu flauwer, dan sterker. Dezelfde moedeloosheid als straks maakte zich van haar meester; een dierlijke vrees, ze wist nietvoor wienof waarvoor. Als de hond jankte, scheen het gevaar te genaken. Haar keel werd dan als toegesnoerd en ze hapte naar adem. Op zoo’n avond moest het geweest zijn, dat haar melancholische vader zich had verdronken. Als de omtrek lichter geweest was, had ze de plek kunnen zien, waar hij was opgehaald, tusschen de palen gekneld, met kroos bedekt, bij de lange spookachtige brug, waaronder het bruine, opgezweepte water heenrolde, ver weg, ver weg, in het dikke duister zich verliezende ….. Een drukking op de borst, door geslaakte zuchten niet afgewenteld, verpletterde haar. Maar als de hond zweeg, liet ze zich zachtjes afdrijven op de murmelende golfjes en de breede windvlagen schenen haar op te voeren en in een onmetelijke ruimte neer te werpen, vol rust en stilte. Eenstille, namelooze smart overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep, als ze ’s avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte, overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond.Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid, hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende, want de treden waren zeer glibberig.»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij belazerd!«»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is de zjooze!«De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in ’t midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,« want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou hij hem, almoest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel voor de deur liggen.—De andere gingen door, want ze wilden niet in moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!« Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer.De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen vielen tegen den glinsterenden muur, metlichtspikkelsbezaaid. De man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert jou niet. De weg is vrij; ’k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? ’k Verdom ze lekker!« De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal je wel eens op je verdommenis komen, wachtmaar!« Maar de kleine deur was reeds achter hen dichtgevallen.Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij op, zette met een versuft gezicht zijn pet op, veegde het bloedend gelaat af en begon te vloeken, zijn magere armen naar de gesloten deur uitstrekkend met zoo’n kracht dat zijn geheele lijf schudde. De andere kerel, die aanvankelijk met een levenloos dom gelaat had toegekeken, legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi; de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien, dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je zou je eigen aan den galg helpen!«De jonge man, met zijn mager, bleekgeel gelaaten zijn brandende oogen, in diepe kassen en onder de borstelige wenkbrouwen weggezonken, was haar zoon. En toch was het, of hij haar vreemd was, zoodat ze geen moed had, hem toe te spreken. Ze zag hem zelden, want van zijn twaalfde jaar af bijna, zat hij tot diep in den nacht te kaartspelen, terwijl zijn ruwe stem boven de andere uitklonk. En later werd hij een trouw bezoeker van danshuizen. Soms kwam hij ’s nachts in het geheel niet t’huis en sliep dan op een brits in een politiebureau of op andere plaatsen. Zijn luttel kostgeld legde hij altijd op den schoorsteen in een kopje, zonder iets te zeggen. ’s Morgens ging hij naar de fabriek, het brood meenemend, dat ze voor hem had klaargezet. Hij was geheel verdierlijkt en alleen op zijn gemak bij het kaartspel en gemeene meiden. Zoo kwam het dat ze in hem een vreemde zag.De teederheid van een wijfjesdier, die haar een oogwenk van afgunstig, hunkerend verlangen vervulde, trok zich terug. Het was haar of het namelooze, waarnaar ze verlangde, een eind weggeslingerd werd. Het wijfje kende haar welp niet meer.De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten, zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.—Het eenige lichtvenster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend.Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf over, fluitende met een schril geluid.»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«Ze klappertandde.»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. ’t Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor hem in de bres springen? Morgen brengen.«Door ging sloffend heen.»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft, al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat hem dat gezegd zijn!«Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid meêdragende.De man bleef een poos nadenkend staan.»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als ’t mij te doenstond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te worden!… Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in.Een uurtje later lag hij in het eenzame huisje, bleek en bewusteloos. Door perste haar verwilderd gezicht stijf tegen de ruiten, op gevaar af van ze te breken. Een zacht kermende vrouw hield een met bloed doortrokken doek tegen zijn hoofd en had oog nog oor voor het jongetje, dat, haastig neergelegd, zich had bloot gewoeld en nu, huilend met de roze, harde armpjes en beentjes lag te spartelen. Het had verdriet: de tranen biggelden langs zijn wangen, maar toen het de lamp in het oog kreeg, hield het er de verduisterde oogjes opgericht enknipte de traantjes weg, die tusschen de wimpers hingen.En de vrouw keek radeloos rond, of er niemand was om naar den dokter te zenden. Misschien was haar man, die langzaam doodbloedde, nog te redden.Eerst na een poos bekwam Door uit hare verdoving. Ze kreeg een gevoel van voldaanheid: de tijgerin zag bloed. Nu ze wist, Hein verloren te hebben, scheen ze door nieuwe banden aan hem verbonden. Een tijgerachtige wreedheid kwam over haar en doortrok haar gansche wezen en schudde haar op uit de nevelige soezigheid. Ze haatte op dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed.De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte om haar—daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen; stijf in de lucht starend. Ze moest vernielen en haar vuisten knepenflardenvan den doek. De tanden knarsten. T’huis wierp ze verschillende voorwerpen met kracht tegen den grond. Toen ze was uitgewoed, hoosde ze eerst wat koud water naar binnen en dronk daarna een donkergroen fleschje leeg, meer dan half gevuld met jenever. Dat fleschje hield haar steeds op de tafel gezelschap, door lappen en papieren aan de oogen van vreemden onttrokken.—Ze vloekte, schopte de kat en beet op de vuisten, haar mutsverscheurende, heur haren los trekkende, tot ze in eene doffe sluimering viel. Met een flauw, mat gevoel van onvoldaanheid en ontevredenheid ontwaakte ze en slechts na opnieuw jenever gedronken te hebben, herinnerde ze zich, wat er gebeurd was. De eerste dagen was ze aanhoudend in eene roes.II.Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit te hooren, als vroeger.—Het was eenzaam. In de verte klonk alleen het wegstervende, melodieusgeroep van den venter met Engelsche bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauwtwintelendestippen bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de scherpe lijnen uitdoezelde.—De schaduwen krompen in en een wit, koud licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid’den zich uit, de punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens de verschillende verdiepingenmet een dun floers overtrekkend, dat dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de lichte gevels afbeet.Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met sloffende schreden—ze had het water—verdween ze in de nauwe gang, waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende schreeuwender kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met de handenom zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte een oogwenk op de zwartgroene flesch—toen nam ze alle licht meê.Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.
EENZAAM.’t Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord, dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne, nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten, een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes schudden weemoedig ’t hoofd en lieten groote droppels als tranen neervallen. ’t Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen, ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een vrouwestem zong:»Slaap, kindje, slaap!Daarbuiten loopt een schaap.Het schaap heeft witte voetjes,Het drinkt zijn melkje zoetjes.«—op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend huilde. De tranen sprongen Door inde oogen. Door de overspanning, waarin ze verkeerde en de inspanning van het loopen waren haar zenuwen geheel van streek. Ze gevoelde zich krachteloos en geheel passief en kwam in een melancholische, weeke stemming.Eindelijk naderde ze de fabriek. Achter de heg van vlierstruiken, daar tegenover, op een plek, waar ’s zomers een lang, spichtig gras en lischdodden groeiden, stond eene oude, donkere kermiswagen. Een groote bandrekel, die er onder lag, huilde telkens, als de wind met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe armen omhoog, als in vertwijfeling.Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend verlicht. De vlammen stonden soms eenige oogenblikken stil en wierpen dan lange strepen geel licht op de glimmende asch, om ze bij een windvlaag uit te vegen, in te krimpen en tot cirkels te ronden, in wild gewoel.—Achter de matglazen ruiten van het gebouw zweefden telkens donkere schaduwen als chineesche schimmen voorbij. Eentonig droppelde het vocht van de uitstekende lijsten op de koolasch. Regelmatige slagen als van een pompzwengel bonsden naar buiten.Door verschool zich achter het hondehok, tegenover een klein deurtje met ijzeren tralies. Naast deze uitgangbevond zich een ruwe, houten trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den hond, bij tusschenpozen herhaald, maakte haar zenuwachtig. En het gezang der vrouw, die het kindje stil zong, klonk haar aanhoudend in de ooren, nu flauwer, dan sterker. Dezelfde moedeloosheid als straks maakte zich van haar meester; een dierlijke vrees, ze wist nietvoor wienof waarvoor. Als de hond jankte, scheen het gevaar te genaken. Haar keel werd dan als toegesnoerd en ze hapte naar adem. Op zoo’n avond moest het geweest zijn, dat haar melancholische vader zich had verdronken. Als de omtrek lichter geweest was, had ze de plek kunnen zien, waar hij was opgehaald, tusschen de palen gekneld, met kroos bedekt, bij de lange spookachtige brug, waaronder het bruine, opgezweepte water heenrolde, ver weg, ver weg, in het dikke duister zich verliezende ….. Een drukking op de borst, door geslaakte zuchten niet afgewenteld, verpletterde haar. Maar als de hond zweeg, liet ze zich zachtjes afdrijven op de murmelende golfjes en de breede windvlagen schenen haar op te voeren en in een onmetelijke ruimte neer te werpen, vol rust en stilte. Eenstille, namelooze smart overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep, als ze ’s avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte, overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond.Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid, hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende, want de treden waren zeer glibberig.»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij belazerd!«»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is de zjooze!«De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in ’t midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,« want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou hij hem, almoest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel voor de deur liggen.—De andere gingen door, want ze wilden niet in moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!« Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer.De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen vielen tegen den glinsterenden muur, metlichtspikkelsbezaaid. De man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert jou niet. De weg is vrij; ’k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? ’k Verdom ze lekker!« De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal je wel eens op je verdommenis komen, wachtmaar!« Maar de kleine deur was reeds achter hen dichtgevallen.Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij op, zette met een versuft gezicht zijn pet op, veegde het bloedend gelaat af en begon te vloeken, zijn magere armen naar de gesloten deur uitstrekkend met zoo’n kracht dat zijn geheele lijf schudde. De andere kerel, die aanvankelijk met een levenloos dom gelaat had toegekeken, legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi; de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien, dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je zou je eigen aan den galg helpen!«De jonge man, met zijn mager, bleekgeel gelaaten zijn brandende oogen, in diepe kassen en onder de borstelige wenkbrouwen weggezonken, was haar zoon. En toch was het, of hij haar vreemd was, zoodat ze geen moed had, hem toe te spreken. Ze zag hem zelden, want van zijn twaalfde jaar af bijna, zat hij tot diep in den nacht te kaartspelen, terwijl zijn ruwe stem boven de andere uitklonk. En later werd hij een trouw bezoeker van danshuizen. Soms kwam hij ’s nachts in het geheel niet t’huis en sliep dan op een brits in een politiebureau of op andere plaatsen. Zijn luttel kostgeld legde hij altijd op den schoorsteen in een kopje, zonder iets te zeggen. ’s Morgens ging hij naar de fabriek, het brood meenemend, dat ze voor hem had klaargezet. Hij was geheel verdierlijkt en alleen op zijn gemak bij het kaartspel en gemeene meiden. Zoo kwam het dat ze in hem een vreemde zag.De teederheid van een wijfjesdier, die haar een oogwenk van afgunstig, hunkerend verlangen vervulde, trok zich terug. Het was haar of het namelooze, waarnaar ze verlangde, een eind weggeslingerd werd. Het wijfje kende haar welp niet meer.De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten, zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.—Het eenige lichtvenster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend.Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf over, fluitende met een schril geluid.»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«Ze klappertandde.»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. ’t Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor hem in de bres springen? Morgen brengen.«Door ging sloffend heen.»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft, al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat hem dat gezegd zijn!«Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid meêdragende.De man bleef een poos nadenkend staan.»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als ’t mij te doenstond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te worden!… Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in.Een uurtje later lag hij in het eenzame huisje, bleek en bewusteloos. Door perste haar verwilderd gezicht stijf tegen de ruiten, op gevaar af van ze te breken. Een zacht kermende vrouw hield een met bloed doortrokken doek tegen zijn hoofd en had oog nog oor voor het jongetje, dat, haastig neergelegd, zich had bloot gewoeld en nu, huilend met de roze, harde armpjes en beentjes lag te spartelen. Het had verdriet: de tranen biggelden langs zijn wangen, maar toen het de lamp in het oog kreeg, hield het er de verduisterde oogjes opgericht enknipte de traantjes weg, die tusschen de wimpers hingen.En de vrouw keek radeloos rond, of er niemand was om naar den dokter te zenden. Misschien was haar man, die langzaam doodbloedde, nog te redden.Eerst na een poos bekwam Door uit hare verdoving. Ze kreeg een gevoel van voldaanheid: de tijgerin zag bloed. Nu ze wist, Hein verloren te hebben, scheen ze door nieuwe banden aan hem verbonden. Een tijgerachtige wreedheid kwam over haar en doortrok haar gansche wezen en schudde haar op uit de nevelige soezigheid. Ze haatte op dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed.De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte om haar—daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen; stijf in de lucht starend. Ze moest vernielen en haar vuisten knepenflardenvan den doek. De tanden knarsten. T’huis wierp ze verschillende voorwerpen met kracht tegen den grond. Toen ze was uitgewoed, hoosde ze eerst wat koud water naar binnen en dronk daarna een donkergroen fleschje leeg, meer dan half gevuld met jenever. Dat fleschje hield haar steeds op de tafel gezelschap, door lappen en papieren aan de oogen van vreemden onttrokken.—Ze vloekte, schopte de kat en beet op de vuisten, haar mutsverscheurende, heur haren los trekkende, tot ze in eene doffe sluimering viel. Met een flauw, mat gevoel van onvoldaanheid en ontevredenheid ontwaakte ze en slechts na opnieuw jenever gedronken te hebben, herinnerde ze zich, wat er gebeurd was. De eerste dagen was ze aanhoudend in eene roes.II.Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit te hooren, als vroeger.—Het was eenzaam. In de verte klonk alleen het wegstervende, melodieusgeroep van den venter met Engelsche bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauwtwintelendestippen bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de scherpe lijnen uitdoezelde.—De schaduwen krompen in en een wit, koud licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid’den zich uit, de punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens de verschillende verdiepingenmet een dun floers overtrekkend, dat dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de lichte gevels afbeet.Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met sloffende schreden—ze had het water—verdween ze in de nauwe gang, waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende schreeuwender kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met de handenom zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte een oogwenk op de zwartgroene flesch—toen nam ze alle licht meê.Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.
EENZAAM.
’t Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord, dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne, nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten, een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes schudden weemoedig ’t hoofd en lieten groote droppels als tranen neervallen. ’t Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen, ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een vrouwestem zong:»Slaap, kindje, slaap!Daarbuiten loopt een schaap.Het schaap heeft witte voetjes,Het drinkt zijn melkje zoetjes.«—op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend huilde. De tranen sprongen Door inde oogen. Door de overspanning, waarin ze verkeerde en de inspanning van het loopen waren haar zenuwen geheel van streek. Ze gevoelde zich krachteloos en geheel passief en kwam in een melancholische, weeke stemming.Eindelijk naderde ze de fabriek. Achter de heg van vlierstruiken, daar tegenover, op een plek, waar ’s zomers een lang, spichtig gras en lischdodden groeiden, stond eene oude, donkere kermiswagen. Een groote bandrekel, die er onder lag, huilde telkens, als de wind met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe armen omhoog, als in vertwijfeling.Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend verlicht. De vlammen stonden soms eenige oogenblikken stil en wierpen dan lange strepen geel licht op de glimmende asch, om ze bij een windvlaag uit te vegen, in te krimpen en tot cirkels te ronden, in wild gewoel.—Achter de matglazen ruiten van het gebouw zweefden telkens donkere schaduwen als chineesche schimmen voorbij. Eentonig droppelde het vocht van de uitstekende lijsten op de koolasch. Regelmatige slagen als van een pompzwengel bonsden naar buiten.Door verschool zich achter het hondehok, tegenover een klein deurtje met ijzeren tralies. Naast deze uitgangbevond zich een ruwe, houten trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den hond, bij tusschenpozen herhaald, maakte haar zenuwachtig. En het gezang der vrouw, die het kindje stil zong, klonk haar aanhoudend in de ooren, nu flauwer, dan sterker. Dezelfde moedeloosheid als straks maakte zich van haar meester; een dierlijke vrees, ze wist nietvoor wienof waarvoor. Als de hond jankte, scheen het gevaar te genaken. Haar keel werd dan als toegesnoerd en ze hapte naar adem. Op zoo’n avond moest het geweest zijn, dat haar melancholische vader zich had verdronken. Als de omtrek lichter geweest was, had ze de plek kunnen zien, waar hij was opgehaald, tusschen de palen gekneld, met kroos bedekt, bij de lange spookachtige brug, waaronder het bruine, opgezweepte water heenrolde, ver weg, ver weg, in het dikke duister zich verliezende ….. Een drukking op de borst, door geslaakte zuchten niet afgewenteld, verpletterde haar. Maar als de hond zweeg, liet ze zich zachtjes afdrijven op de murmelende golfjes en de breede windvlagen schenen haar op te voeren en in een onmetelijke ruimte neer te werpen, vol rust en stilte. Eenstille, namelooze smart overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep, als ze ’s avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte, overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond.Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid, hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende, want de treden waren zeer glibberig.»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij belazerd!«»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is de zjooze!«De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in ’t midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,« want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou hij hem, almoest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel voor de deur liggen.—De andere gingen door, want ze wilden niet in moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!« Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer.De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen vielen tegen den glinsterenden muur, metlichtspikkelsbezaaid. De man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert jou niet. De weg is vrij; ’k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? ’k Verdom ze lekker!« De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal je wel eens op je verdommenis komen, wachtmaar!« Maar de kleine deur was reeds achter hen dichtgevallen.Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij op, zette met een versuft gezicht zijn pet op, veegde het bloedend gelaat af en begon te vloeken, zijn magere armen naar de gesloten deur uitstrekkend met zoo’n kracht dat zijn geheele lijf schudde. De andere kerel, die aanvankelijk met een levenloos dom gelaat had toegekeken, legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi; de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien, dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je zou je eigen aan den galg helpen!«De jonge man, met zijn mager, bleekgeel gelaaten zijn brandende oogen, in diepe kassen en onder de borstelige wenkbrouwen weggezonken, was haar zoon. En toch was het, of hij haar vreemd was, zoodat ze geen moed had, hem toe te spreken. Ze zag hem zelden, want van zijn twaalfde jaar af bijna, zat hij tot diep in den nacht te kaartspelen, terwijl zijn ruwe stem boven de andere uitklonk. En later werd hij een trouw bezoeker van danshuizen. Soms kwam hij ’s nachts in het geheel niet t’huis en sliep dan op een brits in een politiebureau of op andere plaatsen. Zijn luttel kostgeld legde hij altijd op den schoorsteen in een kopje, zonder iets te zeggen. ’s Morgens ging hij naar de fabriek, het brood meenemend, dat ze voor hem had klaargezet. Hij was geheel verdierlijkt en alleen op zijn gemak bij het kaartspel en gemeene meiden. Zoo kwam het dat ze in hem een vreemde zag.De teederheid van een wijfjesdier, die haar een oogwenk van afgunstig, hunkerend verlangen vervulde, trok zich terug. Het was haar of het namelooze, waarnaar ze verlangde, een eind weggeslingerd werd. Het wijfje kende haar welp niet meer.De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten, zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.—Het eenige lichtvenster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend.Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf over, fluitende met een schril geluid.»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«Ze klappertandde.»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. ’t Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor hem in de bres springen? Morgen brengen.«Door ging sloffend heen.»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft, al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat hem dat gezegd zijn!«Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid meêdragende.De man bleef een poos nadenkend staan.»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als ’t mij te doenstond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te worden!… Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in.Een uurtje later lag hij in het eenzame huisje, bleek en bewusteloos. Door perste haar verwilderd gezicht stijf tegen de ruiten, op gevaar af van ze te breken. Een zacht kermende vrouw hield een met bloed doortrokken doek tegen zijn hoofd en had oog nog oor voor het jongetje, dat, haastig neergelegd, zich had bloot gewoeld en nu, huilend met de roze, harde armpjes en beentjes lag te spartelen. Het had verdriet: de tranen biggelden langs zijn wangen, maar toen het de lamp in het oog kreeg, hield het er de verduisterde oogjes opgericht enknipte de traantjes weg, die tusschen de wimpers hingen.En de vrouw keek radeloos rond, of er niemand was om naar den dokter te zenden. Misschien was haar man, die langzaam doodbloedde, nog te redden.Eerst na een poos bekwam Door uit hare verdoving. Ze kreeg een gevoel van voldaanheid: de tijgerin zag bloed. Nu ze wist, Hein verloren te hebben, scheen ze door nieuwe banden aan hem verbonden. Een tijgerachtige wreedheid kwam over haar en doortrok haar gansche wezen en schudde haar op uit de nevelige soezigheid. Ze haatte op dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed.De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte om haar—daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen; stijf in de lucht starend. Ze moest vernielen en haar vuisten knepenflardenvan den doek. De tanden knarsten. T’huis wierp ze verschillende voorwerpen met kracht tegen den grond. Toen ze was uitgewoed, hoosde ze eerst wat koud water naar binnen en dronk daarna een donkergroen fleschje leeg, meer dan half gevuld met jenever. Dat fleschje hield haar steeds op de tafel gezelschap, door lappen en papieren aan de oogen van vreemden onttrokken.—Ze vloekte, schopte de kat en beet op de vuisten, haar mutsverscheurende, heur haren los trekkende, tot ze in eene doffe sluimering viel. Met een flauw, mat gevoel van onvoldaanheid en ontevredenheid ontwaakte ze en slechts na opnieuw jenever gedronken te hebben, herinnerde ze zich, wat er gebeurd was. De eerste dagen was ze aanhoudend in eene roes.II.Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit te hooren, als vroeger.—Het was eenzaam. In de verte klonk alleen het wegstervende, melodieusgeroep van den venter met Engelsche bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauwtwintelendestippen bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de scherpe lijnen uitdoezelde.—De schaduwen krompen in en een wit, koud licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid’den zich uit, de punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens de verschillende verdiepingenmet een dun floers overtrekkend, dat dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de lichte gevels afbeet.Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met sloffende schreden—ze had het water—verdween ze in de nauwe gang, waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende schreeuwender kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met de handenom zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte een oogwenk op de zwartgroene flesch—toen nam ze alle licht meê.Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.
’t Was een donkere Zaterdagavond in November. Door had gehoord, dat haar zoon bedankt zou worden. Het waaide nog al en een fijne, nijdige motregen viel gestadig neêr. Met het hoofd tegen den wind liep ze voort, huiverend in haar koude omslagsdoek vol gaten, een erfstuk. Ze liep door de natte, huiverige straten, vervuld van beginnende Zaterdagavonddrukte en kwam eindelijk op een glibberige kade, waar haar voeten telkens uitgleden. Enkele dunne kale boompjes schudden weemoedig ’t hoofd en lieten groote droppels als tranen neervallen. ’t Water klotste eentonig voort, langs den kleiïgen, ruw-afgebrokkelden weg. Door de neteldoeken gordijnen van een eenzaam huisje goot een lampje een plas licht in de zwarte duisternis. Een vrouwestem zong:
»Slaap, kindje, slaap!Daarbuiten loopt een schaap.Het schaap heeft witte voetjes,Het drinkt zijn melkje zoetjes.«—
»Slaap, kindje, slaap!
Daarbuiten loopt een schaap.
Het schaap heeft witte voetjes,
Het drinkt zijn melkje zoetjes.«—
op een zeurigen wijs om een kind te doen bedaren, dat eentonig, gillend huilde. De tranen sprongen Door inde oogen. Door de overspanning, waarin ze verkeerde en de inspanning van het loopen waren haar zenuwen geheel van streek. Ze gevoelde zich krachteloos en geheel passief en kwam in een melancholische, weeke stemming.
Eindelijk naderde ze de fabriek. Achter de heg van vlierstruiken, daar tegenover, op een plek, waar ’s zomers een lang, spichtig gras en lischdodden groeiden, stond eene oude, donkere kermiswagen. Een groote bandrekel, die er onder lag, huilde telkens, als de wind met een nijdigen ruk uitschoot en kroop dan in de donkere schaduw terug. Van bewoners geen spoor. Een paar knotwilgen hieven hun stompe armen omhoog, als in vertwijfeling.
Het pad was vóór de fabriek met koolasch bestrooid, evenals het ruime erf, welks eenige stoffeering bestond in een grooten, donkeren hoop sintels, dof glimmend van vochtigheid en een vervallen hondehok. Het erf was door een paar olielichten op nog nieuwe palen weifelend verlicht. De vlammen stonden soms eenige oogenblikken stil en wierpen dan lange strepen geel licht op de glimmende asch, om ze bij een windvlaag uit te vegen, in te krimpen en tot cirkels te ronden, in wild gewoel.—Achter de matglazen ruiten van het gebouw zweefden telkens donkere schaduwen als chineesche schimmen voorbij. Eentonig droppelde het vocht van de uitstekende lijsten op de koolasch. Regelmatige slagen als van een pompzwengel bonsden naar buiten.
Door verschool zich achter het hondehok, tegenover een klein deurtje met ijzeren tralies. Naast deze uitgangbevond zich een ruwe, houten trap, met een halven spiraal de duisternis indringende en waarlangs de bovenverdieping kon ontruimd worden. Daar stond ze met onafgewenden blik naar de fabriek te turen. Door de eentonige, bulderende vlagen en het gestamp daarbinnen werd haar geest weldra zóó stomp, dat ze geheel en al tijd en plaats vergat. Werktuiglijk kromp ze voor de kou ineen. Het gebouw scheen weg te deinzen in de dikke duisternis rondom, die de roodachtige olievlammen oploste. Het gehuil van den hond, bij tusschenpozen herhaald, maakte haar zenuwachtig. En het gezang der vrouw, die het kindje stil zong, klonk haar aanhoudend in de ooren, nu flauwer, dan sterker. Dezelfde moedeloosheid als straks maakte zich van haar meester; een dierlijke vrees, ze wist nietvoor wienof waarvoor. Als de hond jankte, scheen het gevaar te genaken. Haar keel werd dan als toegesnoerd en ze hapte naar adem. Op zoo’n avond moest het geweest zijn, dat haar melancholische vader zich had verdronken. Als de omtrek lichter geweest was, had ze de plek kunnen zien, waar hij was opgehaald, tusschen de palen gekneld, met kroos bedekt, bij de lange spookachtige brug, waaronder het bruine, opgezweepte water heenrolde, ver weg, ver weg, in het dikke duister zich verliezende ….. Een drukking op de borst, door geslaakte zuchten niet afgewenteld, verpletterde haar. Maar als de hond zweeg, liet ze zich zachtjes afdrijven op de murmelende golfjes en de breede windvlagen schenen haar op te voeren en in een onmetelijke ruimte neer te werpen, vol rust en stilte. Eenstille, namelooze smart overweldigde haar, wier planteleven anders zonder groote schokken voorbijging. Het gevoel van een ledig rond haar, dat haar aangreep, als ze ’s avonds alleen zat en het holle vertrek haar aangaapte, overviel haar ook nu. Haar ontbrak iets en ze kon toch niet zeggen wát, of hoe ze de leegte kon aanvullen. Haar zinnelijk gestel kreeg dezelfde heimweeachtige stemming als de regenachtige Novemberavond.
Het geroezem van verwarde stemmen bracht haar weêr tot bewustheid, hoewel ze het droomige gevoel niet van zich kon afschudden. De dierlijke angst beving haar weder. De meeste lichten op de bovenverdieping werden uitgedraaid en na eenige oogenblikken daalden eenige mannen de trap af, zich aan de waggelende leuning vastklampende, want de treden waren zeer glibberig.
»Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan den dijk te zetten! Is hij belazerd!«
»Hou je maar stil. Beneden gaan er nog meer de laan uit.«
»Wat kan mij dat donderen? Daar heb ik geen vreten meê, dat is de zjooze!«
De mannen hadden de jassen met de mouwen om den hals geknoopt. Onder aan den trap vormden ze een kring, den man die bedankt was, in ’t midden. Ze zochten hem over te halen, meê te gaan naar »het Haasje,« want wat deed je met die rompslomp, je kwam er maar door in last. Maar hij verdomde het. Dacht je, dat hij voor dien salamander bang was? Om de verdommenis niet. Negen jaar wilde hij er aan wagen. Krijgen zou hij hem, almoest hij drie dagen en drie nachten als een bandrekel voor de deur liggen.—De andere gingen door, want ze wilden niet in moeielijkheden komen, waarmeê ze niet noodig hadden. Hun voetstappen verwijderden zich kletsend. Nu en dan bleven ze een oogenblikje staan en riepen dan: »Piet, lig nu niet te donderjagen, kom nou!« Vervolgens gingen ze verder en als ze weêr riepen, klonken hun stemmen nog dompiger dan daareven. Eindelijk hoorde men niets meer.
De achtergeblevene sloeg met de armen over elkaar, stak een kort pijpje aan, op den regen en den wind vloekende, en stampte met de klompen op den grond. De laatste lichten boven waren gedoofd. Op het portaal van den trap klonk sleutelgerammel en na eenig getalm vroeg een heesche mansstem: »Alles in orde?« Een andere antwoordde: »All right!« Eenige heeren tippelden de trap af, met zwaren stap voorafgegaan door een man met lakensche pet, die een geldzak, een bos sleutels en een slingerende lantaren droeg, waarmeê hij hen voorlichtte. Hun reusachtige schaduwen vielen tegen den glinsterenden muur, metlichtspikkelsbezaaid. De man met de lantaren gaf den weggejaagde te kennen, dat hij dóór moest gaan, want dat hier toch niets te halen viel. »Dat dondert jou niet. De weg is vrij; ’k zal gaan waar ik wil, al wou ik naar de hel!« Eén der heeren mompelde: »Die smeerkanis! Zou hij willen dat ik ze liet zuipen, tot ze er bij neêrvielen? ’k Verdom ze lekker!« De man op klompen riep dreigend: »Salamandersche bloeddieven, ik zal je wel eens op je verdommenis komen, wachtmaar!« Maar de kleine deur was reeds achter hen dichtgevallen.
Weder hoorde men een geroezem binnen. Het licht achter de matte ruiten verdween. Een enkel raam stond nu als een vierkante gouden vlek, stil tegen de gedeukte, donkere massa. Het geroezem werd een dreigend gemompel, dat overging in een hevige woordenwisseling tusschen eenige personen. Op eens werd de deur opengesmakt en een stem, schor van woede, riep: »Gooi hem er uit, godverdomme!« en door een massa elkaar kruisende armen werd een jonge, bleeke, haveluinige kerel naar buiten gegooid, zoodat hij met zijn gelaat op de scherpe koolasch viel. Zijn pet werd hem nageworpen. Na een oogenblik krabbelde hij op, zette met een versuft gezicht zijn pet op, veegde het bloedend gelaat af en begon te vloeken, zijn magere armen naar de gesloten deur uitstrekkend met zoo’n kracht dat zijn geheele lijf schudde. De andere kerel, die aanvankelijk met een levenloos dom gelaat had toegekeken, legde de hand op zijn schouder en sprak zachtjes met hem. Het zwarte dronkemansgelaat; de roode zakdoek om den hals; de klompen met hooi; de korte, slobberige broek en de klungelige jas gaven hem het voorkomen van een landlooper. Na eenigen tijd kletsten ze heen, de modderige plassen opspattend. De jonge kerel riep: »Nou zal je eens wat zien, dondersteen.« Maar de andere schooier zei: »Ben je bebliksemd? Je zou je eigen aan den galg helpen!«
De jonge man, met zijn mager, bleekgeel gelaaten zijn brandende oogen, in diepe kassen en onder de borstelige wenkbrouwen weggezonken, was haar zoon. En toch was het, of hij haar vreemd was, zoodat ze geen moed had, hem toe te spreken. Ze zag hem zelden, want van zijn twaalfde jaar af bijna, zat hij tot diep in den nacht te kaartspelen, terwijl zijn ruwe stem boven de andere uitklonk. En later werd hij een trouw bezoeker van danshuizen. Soms kwam hij ’s nachts in het geheel niet t’huis en sliep dan op een brits in een politiebureau of op andere plaatsen. Zijn luttel kostgeld legde hij altijd op den schoorsteen in een kopje, zonder iets te zeggen. ’s Morgens ging hij naar de fabriek, het brood meenemend, dat ze voor hem had klaargezet. Hij was geheel verdierlijkt en alleen op zijn gemak bij het kaartspel en gemeene meiden. Zoo kwam het dat ze in hem een vreemde zag.
De teederheid van een wijfjesdier, die haar een oogwenk van afgunstig, hunkerend verlangen vervulde, trok zich terug. Het was haar of het namelooze, waarnaar ze verlangde, een eind weggeslingerd werd. Het wijfje kende haar welp niet meer.
De fabriek spuwde de overige werklieden uit. In groepjes gingen ze heen, luid pratend. De oudere lieten zich wel zeer voorzichtig uit, en spraken met gedempten stem; maar de jonge kerels gaven in ruwe woorden hun verontwaardiging te kennen en zeiden: »Als ze het er bij laten, zijn het beroerde lafaards!« Ook hun voetstappen, dreunend als een marcheerende soldatentroep, waren weldra niet meer te hooren.—Het eenige lichtvenster verdween. Toen vertrokken de heeren, door den man met de lantaren onderdanig uitgeleid. Ze droegen hem op, alles nog eens na te gaan en gingen heen, zachtjes pratend.
Hij sloot zorgvuldig de deur en schreed in alle richtingen de werf over, fluitende met een schril geluid.
»Wat voer jij daar uit? Pak je weg, de fabriek is al een uur uit.«
Ze klappertandde.
»Ja, ik begrijp al, je bent zeker de moeder van Hein!«
»Nu maar, als je maar weet, dat ik er niets meê te maken wil hebben. ’t Gaat me niet aan. Ieder moet maar voor zichzelf zorgen. Wat? Ik voor hem in de bres springen? Morgen brengen.«
Door ging sloffend heen.
»Hola, daar! Als je je galgebrok tegen komt, waarschuw hem dan, dat hij me geen hand of vinger aanraakt, want zoo waarachtig als God leeft, al moet ik hemel en aarde bewegen, hij gaat naar Leeuwarden. Laat hem dat gezegd zijn!«
Door had suffend staan luisteren, zonder zich om te keeren. Als een sleepersknol ging ze heen, slobberend door de nog meer dan straks doorweekte klei, een stil gevoel van treurigheid en verlatenheid meêdragende.
De man bleef een poos nadenkend staan.
»Allá! wat donder kan ik er aan doen? Hij heeft het verdiend. De heeren willen nu eenmaal niet gebrutaliseerd zijn, dat weet een kind wel. Wie is ook zoo stom, om zijn eigen glazen in te gooien? Met een zacht woordje krijg je veel meer van ze gedaan. Als ’t mij te doenstond, zou ik me languit op den weg gegooid hebben en ik zou niet opstaan, voor ze me beloofd hadden, dat ik terug mocht komen. Zóó zijn ze nu niet, dat ze over een mensch zouden heenloopen. Maar die dondersche jonge kerels denken er zoo licht over, om weggejaagd te worden!… Nu ja, men noemt me een strooplikker. Dat ben ik en dat moet je wel zijn, als je brood wilt hebben. Ik heb de wereld niet gemaakt. Allà!« en hij maakte een afwerende beweging.
Een paar schrille tonen fluitend, die wanluidend door de stille duisternis klonken, dribbelde hij heen en weer, de donkere hoeken belichtend en de olielampen uitdovend. In zichzelf vloekte hij op het smerige weêr. Toen ging hij naar huis. Een eind kroop de slingerende lantaren langs het pad. Eensklaps viel ze omlaag en doofde uit. Ruwe vloeken en een flauw geschreeuw om hulp drongen tegen den wind in.
Een uurtje later lag hij in het eenzame huisje, bleek en bewusteloos. Door perste haar verwilderd gezicht stijf tegen de ruiten, op gevaar af van ze te breken. Een zacht kermende vrouw hield een met bloed doortrokken doek tegen zijn hoofd en had oog nog oor voor het jongetje, dat, haastig neergelegd, zich had bloot gewoeld en nu, huilend met de roze, harde armpjes en beentjes lag te spartelen. Het had verdriet: de tranen biggelden langs zijn wangen, maar toen het de lamp in het oog kreeg, hield het er de verduisterde oogjes opgericht enknipte de traantjes weg, die tusschen de wimpers hingen.
En de vrouw keek radeloos rond, of er niemand was om naar den dokter te zenden. Misschien was haar man, die langzaam doodbloedde, nog te redden.
Eerst na een poos bekwam Door uit hare verdoving. Ze kreeg een gevoel van voldaanheid: de tijgerin zag bloed. Nu ze wist, Hein verloren te hebben, scheen ze door nieuwe banden aan hem verbonden. Een tijgerachtige wreedheid kwam over haar en doortrok haar gansche wezen en schudde haar op uit de nevelige soezigheid. Ze haatte op dit oogenblik alle menschen met een teugelloozen haat, uit zijn onbewustheid opflikkerend met een verteerenden gloed.
De bulderende wind; het donkere water; de gapende zwijgende ruimte om haar—daarmeê gevoelde ze zich verwant. Een vaag gevoel van zelfbeschuldiging maakte haar behoefte om te haten, nog sterker. Half razend ging ze naar huis, door dik en dun stappend met stevigen, vasten tred; de vuisten dicht geklemd, dat de nagels in het vel drongen; stijf in de lucht starend. Ze moest vernielen en haar vuisten knepenflardenvan den doek. De tanden knarsten. T’huis wierp ze verschillende voorwerpen met kracht tegen den grond. Toen ze was uitgewoed, hoosde ze eerst wat koud water naar binnen en dronk daarna een donkergroen fleschje leeg, meer dan half gevuld met jenever. Dat fleschje hield haar steeds op de tafel gezelschap, door lappen en papieren aan de oogen van vreemden onttrokken.—Ze vloekte, schopte de kat en beet op de vuisten, haar mutsverscheurende, heur haren los trekkende, tot ze in eene doffe sluimering viel. Met een flauw, mat gevoel van onvoldaanheid en ontevredenheid ontwaakte ze en slechts na opnieuw jenever gedronken te hebben, herinnerde ze zich, wat er gebeurd was. De eerste dagen was ze aanhoudend in eene roes.
II.Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit te hooren, als vroeger.—Het was eenzaam. In de verte klonk alleen het wegstervende, melodieusgeroep van den venter met Engelsche bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauwtwintelendestippen bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de scherpe lijnen uitdoezelde.—De schaduwen krompen in en een wit, koud licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid’den zich uit, de punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens de verschillende verdiepingenmet een dun floers overtrekkend, dat dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de lichte gevels afbeet.Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met sloffende schreden—ze had het water—verdween ze in de nauwe gang, waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende schreeuwender kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met de handenom zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte een oogwenk op de zwartgroene flesch—toen nam ze alle licht meê.Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.
II.
Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit te hooren, als vroeger.—Het was eenzaam. In de verte klonk alleen het wegstervende, melodieusgeroep van den venter met Engelsche bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauwtwintelendestippen bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de scherpe lijnen uitdoezelde.—De schaduwen krompen in en een wit, koud licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid’den zich uit, de punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens de verschillende verdiepingenmet een dun floers overtrekkend, dat dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de lichte gevels afbeet.Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met sloffende schreden—ze had het water—verdween ze in de nauwe gang, waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende schreeuwender kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met de handenom zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte een oogwenk op de zwartgroene flesch—toen nam ze alle licht meê.Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.
Als zoovaak stond ze aan de gang te mijmeren, hare handen beurtelings warmende boven een test vuur, voor hare laatste centen gekocht. Ze staarde naar de herberg en meende den stem van haar zoon bovenuit te hooren, als vroeger.—Het was eenzaam. In de verte klonk alleen het wegstervende, melodieusgeroep van den venter met Engelsche bokking. Op de door het maanlicht verzilverde straatsteenen vielen de zwarte schaduwen der donkere gevels, welke een langen reep van de doorschijnende, lichte lucht afsneden, met flauwtwintelendestippen bezaaid. Tusschen de gevels wemelde een weifelend schijnsel, dat de scherpe lijnen uitdoezelde.—De schaduwen krompen in en een wit, koud licht klom tegen de zwarte huizen aan den overkant langzaam op. De witte vensterkozijnen stonden strak en onbeweeglijk. Eindelijk stond de maan in het Zenith, een glimlicht werpend op sommige ruiten. De schoorsteenen drongen de fijne lucht in, zich uitrekkend.
Maar de schaduwen van de andere rij huizen breid’den zich uit, de punten der schoorsteenen vooruitstekend, en overtrokken de geheele straat. Langzaam klommen ze op tegen de gevels, achtereenvolgens de verschillende verdiepingenmet een dun floers overtrekkend, dat dikker werd en met zijn ruwe, hoekige vormen groote plekken van de lichte gevels afbeet.
Het was lang na twaalven, toen ze daar nog stond, stil tegen den donkeren achtergrond. Koude rillingen brachten haar tot bewustheid. Met sloffende schreden—ze had het water—verdween ze in de nauwe gang, waar een donkere stilte zich had opeengepakt, tusschen de huizen. Alles lag in diepen rust. Een wit schamplicht viel op de watervlakte met breede rimpels aan het eind. Tegen den voet der huizen, die in het koude water stonden te huiveren, spatte een spelend, mat licht. Op de blauwe stoepsteenen aan den kant lag een glinsterend ijslaagje. En van boven daalde een intens licht neêr, zich vermengend met het weifelend omlaag. De witgekalkte muur van het laatste huisje leek met een ijslaag bedekt, koud glinsterend.
Door zette zich in de leuningstoel, oud en wrak, met stukjes kleed in plaats van zitting. De eene helft van het vuur deed ze in de stoof onder haar wier vijf gaten, broederlijk vereenigd als een groot oog in het donker gloeiden; de andere helft in het komfoor onder het eeuwig-pruttelend potje koffie op de glanzige, vettige tafel voor het raam. Poes kroop er zoo dicht mogelijk bij en koesterde zich welbehaaglijk, de voorpooten uitgestrekt.
Daar zat Door en tuurde naar de groote maanschijf, eenzaam drijvende langs de flauw-blauwe lucht over de huizen wegvloeiende, en luisterde naar het zoete gemurmel van het water en naar de schrille flitsende schreeuwender kommiezen, die moesten zorgen, dat er uit de naburige branderijen niet gesmokkeld werd, sinds ze onlangs een vangst gedaan hadden. Maar al die geluiden stierven weg in de fijne winterkou.
Ze huiverde en haalde uit de donkere schaduw aan het eind der tafel, tegen het donkere tochtschut, een groen fleschje te voorschijn en zoog er de laatste droppels uit. Toen zette ze het vóór zich neer en begon te soezen zich dicht in haar doek wikkelende, de schouders opgetrokken, het hoofd leunende tegen den harden muur achter haar, van tijd tot tijd kreunende en hoestende. Het vuur op de tafel, dat eerst door de gaatjes van het komfoor haar met glimmende oogjes aanzag, begon te lodderoogen en stierf langzaam weg. Het licht, dat eerst door de vuile ruiten tot voorbij den schoorsteen in het vertrek gegoten werd en den achtergrond ineendommelde en de kopjes op den schoorsteenrand deed glimmen, trok zich naar het raam terug, terwijl de zwarte, opgestapelde schaduw naar vóór rukte en eindelijk dreigend tegen de tafel stond, het hoofd tegen de zoldering, de armen uitstrekkende. Nog slechts een klein stuk muur werd verlicht, waartegen haar opgezwollen hoofd als een donkere vlek uitkwam. De dikke, gezwollen oogleden openden zich en de witte glimmende oogappels staarden strak voor zich uit. Buiten klonk over het water een schrille schreeuw, tusschen de huizen voort klaterend, neêrdalend, en dan weêr opspattend en zich in de ijle lucht verliezend. Ze kreunde hard, maakte eene plotselinge beweging van opstaan, greep krampachtig met de handenom zich en viel toen loodzwaar neêr. Haar doek gleed af, op den grond. De oogen staarden strak naar de maan; het hoofd leunde zwaar tegen den muur. Alle geluid stierf weg. Alleen het water kabbelde nog zijn treurige melodie. De maan dreef verder; haar licht schampte een oogwenk op de zwartgroene flesch—toen nam ze alle licht meê.
Eene eenzame, verschietende ster trok een flauwe streep op het blauwe vlak. De andere sterren bleven vreedzaam blikkeren in de dunne lucht.