HAAGSCHE LEEN.

HAAGSCHE LEEN.I.Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, hol vertrek. ’s Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de andere dagen vroeg uit moest. ’s Winters zat ze reeds vóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot warmde.Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er ’s morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der schepen, die op stroomlagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost bij Leen of in de herberg ….Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.»Wat donder.. dag—de Heer vergeve me de zondeben jij het, Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.»Ik dacht, dat ze vergeten en …. vergeven zouden. Mijn God, zouden de menschen nog strenger zijn dan God?«»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige zaken praten.«»Een dief!«»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen, ’t is één moers kind …. En wat deê je in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«»God Almachtig hoort me« ….»Gij en zult niet zweren.«»Ik heb honger« … zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie vingers laten zakken.»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het was maar de kwestie ’t zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren het niet, die riepen:»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in de wagen doen?« »Is ’t waar of niet?«De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«»Viseteeren, viseteeren!«De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«Nu floot de man: »Turf in je ransel!«Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen.Hijzei maar altijd, »laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: »die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den baas wel als een god om werk willen bidden.«»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder de markt werken. Op ’t laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát blief je?«»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van de daad.»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker.Hij toonde zich laf, maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord wil worden? Om den bliksem niet.«Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t’ avond of te morgen opwachten en tegen zoo’n reus kan ik niet op!« besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een pootje helpen.«»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en klappertandend.»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in den dikken mist, die indwarlendemassa’s vóór de wind uiteen stoof, om zich dan weêr samen te pakken.»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij hetAmsterdammer? En wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar je uitsteken!«En Leen keek uitdagend rond.»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, zat hij er nog en iemand die ’s Konings livrei heeft gedragen, gaat niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. ’k Heb een groot huishouwen.«»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, moeten we het nemen,« merkte Leen aan.»Aannemen!«»Die is secuur raak!«»Hij heeft zijn bekomst!«Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om weer aan den slag te gaan.Toch waren niet allen op de hand van Leen.»Wil je er je liefde van maken?«»Een rijtuig halen voor de trouw?«»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan last van.«Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade af. Hij droeg den koffieketel.»Een lieve geleijonker!«»Ja, eengeleijonker, zeg dat wel!« zei de»uienboer.« Het fluitje riep hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey’s en de steekwagens op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam hij toen thuis.Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, een lik om de ooren gaf—want hij was in den laatsten tijd wat minder bedeesd geworden—barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigenoogen gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de moeder op.»’t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo’n lamzak!«»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen als hij?«»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op de deur.»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« »Broerling!« »Ludeman!«Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans allen riepen:»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, had er zich reeds op gespitst. ’s Middags schoof ze de geplooide ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje van de kous moesten weten. Niemandin de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.’s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«Het hoofd van dit gezin was ’s morgens eerst naar de kerk geweest, Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d’r tellen te passen!«Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op de deur van Leen en vroegwieer smeerlappen waren. Hij was een groote vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riephij: »Neen, verdommeling, jij bent een smeerlap!«»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en ging daartoe achteruit.»Ik ben een … toe dan: een … een!«Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.Daar stond hij nu.»En nu wil ik weten,wieer een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De oude juffrouw vond het »ijselijk!«»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge snuiter, die zich kostelijk vermaakte.»Je … je … kostganger heb ik bedoeld!«»Mijn wát?«»Die man, die bij je t’huis is!«»Bedoel je mijn man?«»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Jeman is het niet; hij hokt maar met je« riep men.Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« vroeg Leen.»Die heb je niet.«»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven«(aan het adres van vrouw Vis) »je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi oud en knapjes leelijk!«Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.Allenlachten.»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn eigen« moest kijken en dathijook niet verkoos, dat men zich met zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede familie was, maar ze had geen»puf« ruzie te maken, om dit door de anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest maar zoet!« enkustehem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerelsapplaudiseerden; maar de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, dat het »meer als schandalig« was.Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de bewoners der gang te bemoeien«…..Als Leen uitging, sloot ze den man op.In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen de plantjeskonden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, morsige steegje te zien.De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van algeheele verteedering.Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er een meisje geboren.In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles zag er toen geheel anders uit.Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, want dekleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.’s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. ’s Morgens vroeg maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een kleine zon.De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes—en dan tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo’n wandeling den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.’s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen liep hij dan langs de modderige straten naar huis.Zijn ochtendwandeling mocht hij ’s winters na laten, ’s avonds ging hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de wijde wereld.Hoewel hij alleen ’s Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, in de week.En ’s zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een parasietenleven leidde. Soms,vooral tegen het voor- en het najaar, gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig bestaan droegen. Hij riep dan ’s Hemels wraak over hen af.Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo lief een klap in d’r smoel.«Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het niet—want het kind was bang voor haar—maaralshet eens gebeurde, dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zeize ruw: »Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong schijnt verloren te hebben.«Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, had hij bijzonder veel van een idioot.Eens op een winteravond was Leen vroeg t’ huis gekomen. De man zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«—hoewel hij beweerde, ze gekregen te hebben—waaruit hij eene verzameling dieren boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen derevuein het paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze deden als de vader van ’t dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«»Maar Leen« …»Maar Leen« … bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«»Maar Leen! je hebt gezien …«»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; maar Leen hoorde hem niet.»Berg die bullen op. Denk je dat ik ’s nachts nog voor jou aan ’t redderen wil komen? ’k Zie je eenszoolief in … in de bestekamer zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te drukken. »’t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten werken om jou aan ’t vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«»Nu moet het uit zijn. Ikkanhier niet blijven!«»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, waar zij met de kinderen sliep.Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in de effen zwarte schaduwder zoldering, alleen afgebroken door een licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij verkneukelde zich.»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf meisje worden!«Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t’huis, mokkend en zwijgend en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld was.De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in slaap. In den nanachthad hij een naar jenever en tabak stinkende kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«II.Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst begaf ze zich dan naarde Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis—waarin en waarboven het kantoor was gevestigd—uit- en in-stroomden. Ze praat’ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar als ’t koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood op stelten.«Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het minste geld gaven. De onderwerpen,die de jongeren bezig hielden, waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei men van hem dat hij »bakker aan« was.Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, met een houding als de groote Mogol zelf.Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: er waren er ook, dieaan een haarlok trokken of met den wijsvinger aan hun slaap kwamen.Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, die in vaders plaats geld kwamen beuren.Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, dat er iets aan ’t handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en kon zijn keel wel aan den kapstok hangen—geen droppel kreeg hij meer op krediet—dat alles was waar; doch—hij maande niet. En dat deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het eergevoelvan den eengekwetst door op beschermenden toon tot hemte zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze t’huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En eerlijk!—nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg wijdde ze Lou—met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was—in de geheimen van haarbedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, als ze broodjes van den vorigen dag kregen—die Leen heel goedkoop inkocht—al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste niet als de kippen bij was.Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen.Alleen in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het oord iets ruïneachtigs.Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar een deel der sjouwers betaald werd.Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men ietste gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.—Als de baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En …. hoeveel vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet verleiden—ik weet niet, of er ooit zoo iemand was—door de vraag des waards bezweek.Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was geen genade, wisten ze. En doorsnappen—daartoe bestond geen kans, nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van een trompet, die geblazenwerd in een danshuis, een paar honderd schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat het de vrouw van den plakker zou zijn.Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd geen aangenomen werk!« Maar zoo’n vent, die den godganschelijken avond achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak zou kunnen worden van gebroken ruiten—»wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje« floot de waard—zoo’n vent zou de kastelein wel dood willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.—Met dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, verschikte het een en ander, en … Maar zijn herbergiersgevoel veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te jagen. Men konnooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul—een half ei is beter dan een leegen dop.Allichthad ook hij zijn rojale buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.»Woon je ver weg?«»Neen.«»Stik« dachten ze gelijktijdig …..»Wou je nog een glas?«»Neen, ik heb nog!«»Barst!« dachten ze.De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige waard begreep—hij kende het klappen van de zweep—dat zijn gast in de rats zat.De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen hoorde haar zeggen:»Jan kom nu meê! ’k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn zoo koud.«»Meegaan! ’k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, nooit meer zou gebeuren.«De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen. ’k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder geld op zak te loopen, net als arremie. ’k Heb muizenissen genoeg!«De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem ….»Loop naar den bliksem!«Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«De vrouw keerde zich om.»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »’t Spijt me erg, maar je zult moeten wachten. ’t Komt me niet gelegen!«»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor zoo’n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen!«»Nou, maak maar zoo’n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, flikkersteen! En nu, ik ga!«Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de twistenden hadden gevormd.»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je opendoen!«»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« riep Jan’s vrouw onder algemeene hilariteit.»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) »Zet hem onder een stolp.«Onder een homerisch gelach beval Jan statig:»Ga heen, Jo, je past hier niet.«»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het zeerebeenenhuis.«Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« Jan antwoordde op dit ultimatum:»Neen, voor den donder! neen, neen!«»Maak plaats, jongens!« beval Leen.Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle bewegingen goed zichtbaar waren.De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.Zijbeproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij kokhalsde en liet los.»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.»Neen, verdomme!«Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan’s vrouw zich op haar en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne vijandin.—Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, onder haar.Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van zijn bemodderde, gescheurde jas.Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, als ze eene arm voelde naderen.Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De toeschouwers gingen geheel in den strijdop. Hun oogen puilden uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat en boezem—geheel ontbloot—waren met lange krabben bedekt. Wild golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar succes, begaf zich op zij.Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader aan zijn haar te trekken.«»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«»Ja, maar dat ’s iets anders.Hijheeft gelijk!«Lou haalde hare schouders op.»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? ’t Isme wat moois, dat eene vrouw vecht. Bah!«Lou zocht een ander plaatsje.Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«Maar dat gebeurde niet. Door Leen’s slagen en zijne vergeefsche pogingen om zich aan Leen’s ijzeren knieën te ontworstelen, raakte hij bekaf.Zijwas letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand agent?« antwoordde hij norsch: »Inde hel!« De oude juffrouw vond dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van Leen had gekregen.»Ja, Jan, maar …..«»Hier of ik spring in ’t water.«»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«»En nu, opgerukt, marsch!«En ze ging.»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »’t Lijkt wel eten van de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te hoog hingen.Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«Men verspreidde zich.Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«De haven werd stil en ledig.

HAAGSCHE LEEN.I.Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, hol vertrek. ’s Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de andere dagen vroeg uit moest. ’s Winters zat ze reeds vóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot warmde.Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er ’s morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der schepen, die op stroomlagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost bij Leen of in de herberg ….Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.»Wat donder.. dag—de Heer vergeve me de zondeben jij het, Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.»Ik dacht, dat ze vergeten en …. vergeven zouden. Mijn God, zouden de menschen nog strenger zijn dan God?«»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige zaken praten.«»Een dief!«»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen, ’t is één moers kind …. En wat deê je in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«»God Almachtig hoort me« ….»Gij en zult niet zweren.«»Ik heb honger« … zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie vingers laten zakken.»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het was maar de kwestie ’t zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren het niet, die riepen:»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in de wagen doen?« »Is ’t waar of niet?«De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«»Viseteeren, viseteeren!«De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«Nu floot de man: »Turf in je ransel!«Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen.Hijzei maar altijd, »laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: »die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den baas wel als een god om werk willen bidden.«»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder de markt werken. Op ’t laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát blief je?«»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van de daad.»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker.Hij toonde zich laf, maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord wil worden? Om den bliksem niet.«Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t’ avond of te morgen opwachten en tegen zoo’n reus kan ik niet op!« besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een pootje helpen.«»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en klappertandend.»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in den dikken mist, die indwarlendemassa’s vóór de wind uiteen stoof, om zich dan weêr samen te pakken.»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij hetAmsterdammer? En wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar je uitsteken!«En Leen keek uitdagend rond.»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, zat hij er nog en iemand die ’s Konings livrei heeft gedragen, gaat niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. ’k Heb een groot huishouwen.«»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, moeten we het nemen,« merkte Leen aan.»Aannemen!«»Die is secuur raak!«»Hij heeft zijn bekomst!«Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om weer aan den slag te gaan.Toch waren niet allen op de hand van Leen.»Wil je er je liefde van maken?«»Een rijtuig halen voor de trouw?«»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan last van.«Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade af. Hij droeg den koffieketel.»Een lieve geleijonker!«»Ja, eengeleijonker, zeg dat wel!« zei de»uienboer.« Het fluitje riep hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey’s en de steekwagens op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam hij toen thuis.Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, een lik om de ooren gaf—want hij was in den laatsten tijd wat minder bedeesd geworden—barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigenoogen gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de moeder op.»’t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo’n lamzak!«»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen als hij?«»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op de deur.»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« »Broerling!« »Ludeman!«Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans allen riepen:»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, had er zich reeds op gespitst. ’s Middags schoof ze de geplooide ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje van de kous moesten weten. Niemandin de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.’s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«Het hoofd van dit gezin was ’s morgens eerst naar de kerk geweest, Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d’r tellen te passen!«Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op de deur van Leen en vroegwieer smeerlappen waren. Hij was een groote vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riephij: »Neen, verdommeling, jij bent een smeerlap!«»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en ging daartoe achteruit.»Ik ben een … toe dan: een … een!«Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.Daar stond hij nu.»En nu wil ik weten,wieer een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De oude juffrouw vond het »ijselijk!«»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge snuiter, die zich kostelijk vermaakte.»Je … je … kostganger heb ik bedoeld!«»Mijn wát?«»Die man, die bij je t’huis is!«»Bedoel je mijn man?«»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Jeman is het niet; hij hokt maar met je« riep men.Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« vroeg Leen.»Die heb je niet.«»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven«(aan het adres van vrouw Vis) »je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi oud en knapjes leelijk!«Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.Allenlachten.»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn eigen« moest kijken en dathijook niet verkoos, dat men zich met zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede familie was, maar ze had geen»puf« ruzie te maken, om dit door de anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest maar zoet!« enkustehem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerelsapplaudiseerden; maar de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, dat het »meer als schandalig« was.Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de bewoners der gang te bemoeien«…..Als Leen uitging, sloot ze den man op.In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen de plantjeskonden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, morsige steegje te zien.De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van algeheele verteedering.Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er een meisje geboren.In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles zag er toen geheel anders uit.Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, want dekleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.’s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. ’s Morgens vroeg maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een kleine zon.De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes—en dan tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo’n wandeling den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.’s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen liep hij dan langs de modderige straten naar huis.Zijn ochtendwandeling mocht hij ’s winters na laten, ’s avonds ging hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de wijde wereld.Hoewel hij alleen ’s Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, in de week.En ’s zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een parasietenleven leidde. Soms,vooral tegen het voor- en het najaar, gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig bestaan droegen. Hij riep dan ’s Hemels wraak over hen af.Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo lief een klap in d’r smoel.«Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het niet—want het kind was bang voor haar—maaralshet eens gebeurde, dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zeize ruw: »Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong schijnt verloren te hebben.«Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, had hij bijzonder veel van een idioot.Eens op een winteravond was Leen vroeg t’ huis gekomen. De man zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«—hoewel hij beweerde, ze gekregen te hebben—waaruit hij eene verzameling dieren boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen derevuein het paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze deden als de vader van ’t dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«»Maar Leen« …»Maar Leen« … bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«»Maar Leen! je hebt gezien …«»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; maar Leen hoorde hem niet.»Berg die bullen op. Denk je dat ik ’s nachts nog voor jou aan ’t redderen wil komen? ’k Zie je eenszoolief in … in de bestekamer zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te drukken. »’t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten werken om jou aan ’t vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«»Nu moet het uit zijn. Ikkanhier niet blijven!«»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, waar zij met de kinderen sliep.Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in de effen zwarte schaduwder zoldering, alleen afgebroken door een licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij verkneukelde zich.»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf meisje worden!«Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t’huis, mokkend en zwijgend en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld was.De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in slaap. In den nanachthad hij een naar jenever en tabak stinkende kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«II.Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst begaf ze zich dan naarde Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis—waarin en waarboven het kantoor was gevestigd—uit- en in-stroomden. Ze praat’ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar als ’t koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood op stelten.«Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het minste geld gaven. De onderwerpen,die de jongeren bezig hielden, waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei men van hem dat hij »bakker aan« was.Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, met een houding als de groote Mogol zelf.Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: er waren er ook, dieaan een haarlok trokken of met den wijsvinger aan hun slaap kwamen.Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, die in vaders plaats geld kwamen beuren.Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, dat er iets aan ’t handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en kon zijn keel wel aan den kapstok hangen—geen droppel kreeg hij meer op krediet—dat alles was waar; doch—hij maande niet. En dat deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het eergevoelvan den eengekwetst door op beschermenden toon tot hemte zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze t’huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En eerlijk!—nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg wijdde ze Lou—met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was—in de geheimen van haarbedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, als ze broodjes van den vorigen dag kregen—die Leen heel goedkoop inkocht—al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste niet als de kippen bij was.Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen.Alleen in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het oord iets ruïneachtigs.Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar een deel der sjouwers betaald werd.Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men ietste gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.—Als de baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En …. hoeveel vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet verleiden—ik weet niet, of er ooit zoo iemand was—door de vraag des waards bezweek.Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was geen genade, wisten ze. En doorsnappen—daartoe bestond geen kans, nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van een trompet, die geblazenwerd in een danshuis, een paar honderd schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat het de vrouw van den plakker zou zijn.Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd geen aangenomen werk!« Maar zoo’n vent, die den godganschelijken avond achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak zou kunnen worden van gebroken ruiten—»wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje« floot de waard—zoo’n vent zou de kastelein wel dood willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.—Met dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, verschikte het een en ander, en … Maar zijn herbergiersgevoel veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te jagen. Men konnooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul—een half ei is beter dan een leegen dop.Allichthad ook hij zijn rojale buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.»Woon je ver weg?«»Neen.«»Stik« dachten ze gelijktijdig …..»Wou je nog een glas?«»Neen, ik heb nog!«»Barst!« dachten ze.De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige waard begreep—hij kende het klappen van de zweep—dat zijn gast in de rats zat.De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen hoorde haar zeggen:»Jan kom nu meê! ’k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn zoo koud.«»Meegaan! ’k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, nooit meer zou gebeuren.«De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen. ’k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder geld op zak te loopen, net als arremie. ’k Heb muizenissen genoeg!«De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem ….»Loop naar den bliksem!«Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«De vrouw keerde zich om.»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »’t Spijt me erg, maar je zult moeten wachten. ’t Komt me niet gelegen!«»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor zoo’n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen!«»Nou, maak maar zoo’n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, flikkersteen! En nu, ik ga!«Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de twistenden hadden gevormd.»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je opendoen!«»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« riep Jan’s vrouw onder algemeene hilariteit.»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) »Zet hem onder een stolp.«Onder een homerisch gelach beval Jan statig:»Ga heen, Jo, je past hier niet.«»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het zeerebeenenhuis.«Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« Jan antwoordde op dit ultimatum:»Neen, voor den donder! neen, neen!«»Maak plaats, jongens!« beval Leen.Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle bewegingen goed zichtbaar waren.De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.Zijbeproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij kokhalsde en liet los.»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.»Neen, verdomme!«Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan’s vrouw zich op haar en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne vijandin.—Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, onder haar.Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van zijn bemodderde, gescheurde jas.Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, als ze eene arm voelde naderen.Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De toeschouwers gingen geheel in den strijdop. Hun oogen puilden uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat en boezem—geheel ontbloot—waren met lange krabben bedekt. Wild golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar succes, begaf zich op zij.Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader aan zijn haar te trekken.«»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«»Ja, maar dat ’s iets anders.Hijheeft gelijk!«Lou haalde hare schouders op.»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? ’t Isme wat moois, dat eene vrouw vecht. Bah!«Lou zocht een ander plaatsje.Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«Maar dat gebeurde niet. Door Leen’s slagen en zijne vergeefsche pogingen om zich aan Leen’s ijzeren knieën te ontworstelen, raakte hij bekaf.Zijwas letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand agent?« antwoordde hij norsch: »Inde hel!« De oude juffrouw vond dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van Leen had gekregen.»Ja, Jan, maar …..«»Hier of ik spring in ’t water.«»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«»En nu, opgerukt, marsch!«En ze ging.»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »’t Lijkt wel eten van de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te hoog hingen.Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«Men verspreidde zich.Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«De haven werd stil en ledig.

HAAGSCHE LEEN.

I.Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, hol vertrek. ’s Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de andere dagen vroeg uit moest. ’s Winters zat ze reeds vóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot warmde.Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er ’s morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der schepen, die op stroomlagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost bij Leen of in de herberg ….Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.»Wat donder.. dag—de Heer vergeve me de zondeben jij het, Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.»Ik dacht, dat ze vergeten en …. vergeven zouden. Mijn God, zouden de menschen nog strenger zijn dan God?«»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige zaken praten.«»Een dief!«»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen, ’t is één moers kind …. En wat deê je in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«»God Almachtig hoort me« ….»Gij en zult niet zweren.«»Ik heb honger« … zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie vingers laten zakken.»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het was maar de kwestie ’t zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren het niet, die riepen:»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in de wagen doen?« »Is ’t waar of niet?«De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«»Viseteeren, viseteeren!«De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«Nu floot de man: »Turf in je ransel!«Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen.Hijzei maar altijd, »laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: »die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den baas wel als een god om werk willen bidden.«»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder de markt werken. Op ’t laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát blief je?«»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van de daad.»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker.Hij toonde zich laf, maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord wil worden? Om den bliksem niet.«Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t’ avond of te morgen opwachten en tegen zoo’n reus kan ik niet op!« besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een pootje helpen.«»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en klappertandend.»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in den dikken mist, die indwarlendemassa’s vóór de wind uiteen stoof, om zich dan weêr samen te pakken.»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij hetAmsterdammer? En wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar je uitsteken!«En Leen keek uitdagend rond.»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, zat hij er nog en iemand die ’s Konings livrei heeft gedragen, gaat niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. ’k Heb een groot huishouwen.«»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, moeten we het nemen,« merkte Leen aan.»Aannemen!«»Die is secuur raak!«»Hij heeft zijn bekomst!«Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om weer aan den slag te gaan.Toch waren niet allen op de hand van Leen.»Wil je er je liefde van maken?«»Een rijtuig halen voor de trouw?«»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan last van.«Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade af. Hij droeg den koffieketel.»Een lieve geleijonker!«»Ja, eengeleijonker, zeg dat wel!« zei de»uienboer.« Het fluitje riep hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey’s en de steekwagens op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam hij toen thuis.Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, een lik om de ooren gaf—want hij was in den laatsten tijd wat minder bedeesd geworden—barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigenoogen gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de moeder op.»’t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo’n lamzak!«»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen als hij?«»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op de deur.»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« »Broerling!« »Ludeman!«Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans allen riepen:»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, had er zich reeds op gespitst. ’s Middags schoof ze de geplooide ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje van de kous moesten weten. Niemandin de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.’s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«Het hoofd van dit gezin was ’s morgens eerst naar de kerk geweest, Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d’r tellen te passen!«Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op de deur van Leen en vroegwieer smeerlappen waren. Hij was een groote vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riephij: »Neen, verdommeling, jij bent een smeerlap!«»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en ging daartoe achteruit.»Ik ben een … toe dan: een … een!«Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.Daar stond hij nu.»En nu wil ik weten,wieer een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De oude juffrouw vond het »ijselijk!«»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge snuiter, die zich kostelijk vermaakte.»Je … je … kostganger heb ik bedoeld!«»Mijn wát?«»Die man, die bij je t’huis is!«»Bedoel je mijn man?«»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Jeman is het niet; hij hokt maar met je« riep men.Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« vroeg Leen.»Die heb je niet.«»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven«(aan het adres van vrouw Vis) »je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi oud en knapjes leelijk!«Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.Allenlachten.»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn eigen« moest kijken en dathijook niet verkoos, dat men zich met zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede familie was, maar ze had geen»puf« ruzie te maken, om dit door de anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest maar zoet!« enkustehem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerelsapplaudiseerden; maar de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, dat het »meer als schandalig« was.Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de bewoners der gang te bemoeien«…..Als Leen uitging, sloot ze den man op.In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen de plantjeskonden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, morsige steegje te zien.De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van algeheele verteedering.Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er een meisje geboren.In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles zag er toen geheel anders uit.Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, want dekleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.’s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. ’s Morgens vroeg maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een kleine zon.De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes—en dan tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo’n wandeling den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.’s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen liep hij dan langs de modderige straten naar huis.Zijn ochtendwandeling mocht hij ’s winters na laten, ’s avonds ging hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de wijde wereld.Hoewel hij alleen ’s Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, in de week.En ’s zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een parasietenleven leidde. Soms,vooral tegen het voor- en het najaar, gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig bestaan droegen. Hij riep dan ’s Hemels wraak over hen af.Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo lief een klap in d’r smoel.«Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het niet—want het kind was bang voor haar—maaralshet eens gebeurde, dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zeize ruw: »Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong schijnt verloren te hebben.«Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, had hij bijzonder veel van een idioot.Eens op een winteravond was Leen vroeg t’ huis gekomen. De man zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«—hoewel hij beweerde, ze gekregen te hebben—waaruit hij eene verzameling dieren boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen derevuein het paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze deden als de vader van ’t dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«»Maar Leen« …»Maar Leen« … bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«»Maar Leen! je hebt gezien …«»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; maar Leen hoorde hem niet.»Berg die bullen op. Denk je dat ik ’s nachts nog voor jou aan ’t redderen wil komen? ’k Zie je eenszoolief in … in de bestekamer zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te drukken. »’t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten werken om jou aan ’t vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«»Nu moet het uit zijn. Ikkanhier niet blijven!«»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, waar zij met de kinderen sliep.Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in de effen zwarte schaduwder zoldering, alleen afgebroken door een licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij verkneukelde zich.»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf meisje worden!«Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t’huis, mokkend en zwijgend en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld was.De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in slaap. In den nanachthad hij een naar jenever en tabak stinkende kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«II.Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst begaf ze zich dan naarde Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis—waarin en waarboven het kantoor was gevestigd—uit- en in-stroomden. Ze praat’ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar als ’t koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood op stelten.«Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het minste geld gaven. De onderwerpen,die de jongeren bezig hielden, waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei men van hem dat hij »bakker aan« was.Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, met een houding als de groote Mogol zelf.Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: er waren er ook, dieaan een haarlok trokken of met den wijsvinger aan hun slaap kwamen.Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, die in vaders plaats geld kwamen beuren.Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, dat er iets aan ’t handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en kon zijn keel wel aan den kapstok hangen—geen droppel kreeg hij meer op krediet—dat alles was waar; doch—hij maande niet. En dat deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het eergevoelvan den eengekwetst door op beschermenden toon tot hemte zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze t’huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En eerlijk!—nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg wijdde ze Lou—met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was—in de geheimen van haarbedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, als ze broodjes van den vorigen dag kregen—die Leen heel goedkoop inkocht—al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste niet als de kippen bij was.Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen.Alleen in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het oord iets ruïneachtigs.Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar een deel der sjouwers betaald werd.Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men ietste gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.—Als de baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En …. hoeveel vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet verleiden—ik weet niet, of er ooit zoo iemand was—door de vraag des waards bezweek.Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was geen genade, wisten ze. En doorsnappen—daartoe bestond geen kans, nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van een trompet, die geblazenwerd in een danshuis, een paar honderd schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat het de vrouw van den plakker zou zijn.Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd geen aangenomen werk!« Maar zoo’n vent, die den godganschelijken avond achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak zou kunnen worden van gebroken ruiten—»wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje« floot de waard—zoo’n vent zou de kastelein wel dood willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.—Met dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, verschikte het een en ander, en … Maar zijn herbergiersgevoel veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te jagen. Men konnooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul—een half ei is beter dan een leegen dop.Allichthad ook hij zijn rojale buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.»Woon je ver weg?«»Neen.«»Stik« dachten ze gelijktijdig …..»Wou je nog een glas?«»Neen, ik heb nog!«»Barst!« dachten ze.De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige waard begreep—hij kende het klappen van de zweep—dat zijn gast in de rats zat.De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen hoorde haar zeggen:»Jan kom nu meê! ’k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn zoo koud.«»Meegaan! ’k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, nooit meer zou gebeuren.«De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen. ’k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder geld op zak te loopen, net als arremie. ’k Heb muizenissen genoeg!«De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem ….»Loop naar den bliksem!«Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«De vrouw keerde zich om.»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »’t Spijt me erg, maar je zult moeten wachten. ’t Komt me niet gelegen!«»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor zoo’n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen!«»Nou, maak maar zoo’n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, flikkersteen! En nu, ik ga!«Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de twistenden hadden gevormd.»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je opendoen!«»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« riep Jan’s vrouw onder algemeene hilariteit.»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) »Zet hem onder een stolp.«Onder een homerisch gelach beval Jan statig:»Ga heen, Jo, je past hier niet.«»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het zeerebeenenhuis.«Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« Jan antwoordde op dit ultimatum:»Neen, voor den donder! neen, neen!«»Maak plaats, jongens!« beval Leen.Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle bewegingen goed zichtbaar waren.De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.Zijbeproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij kokhalsde en liet los.»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.»Neen, verdomme!«Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan’s vrouw zich op haar en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne vijandin.—Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, onder haar.Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van zijn bemodderde, gescheurde jas.Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, als ze eene arm voelde naderen.Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De toeschouwers gingen geheel in den strijdop. Hun oogen puilden uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat en boezem—geheel ontbloot—waren met lange krabben bedekt. Wild golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar succes, begaf zich op zij.Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader aan zijn haar te trekken.«»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«»Ja, maar dat ’s iets anders.Hijheeft gelijk!«Lou haalde hare schouders op.»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? ’t Isme wat moois, dat eene vrouw vecht. Bah!«Lou zocht een ander plaatsje.Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«Maar dat gebeurde niet. Door Leen’s slagen en zijne vergeefsche pogingen om zich aan Leen’s ijzeren knieën te ontworstelen, raakte hij bekaf.Zijwas letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand agent?« antwoordde hij norsch: »Inde hel!« De oude juffrouw vond dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van Leen had gekregen.»Ja, Jan, maar …..«»Hier of ik spring in ’t water.«»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«»En nu, opgerukt, marsch!«En ze ging.»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »’t Lijkt wel eten van de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te hoog hingen.Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«Men verspreidde zich.Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«De haven werd stil en ledig.

I.Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, hol vertrek. ’s Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de andere dagen vroeg uit moest. ’s Winters zat ze reeds vóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot warmde.Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er ’s morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der schepen, die op stroomlagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost bij Leen of in de herberg ….Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.»Wat donder.. dag—de Heer vergeve me de zondeben jij het, Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.»Ik dacht, dat ze vergeten en …. vergeven zouden. Mijn God, zouden de menschen nog strenger zijn dan God?«»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige zaken praten.«»Een dief!«»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen, ’t is één moers kind …. En wat deê je in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«»God Almachtig hoort me« ….»Gij en zult niet zweren.«»Ik heb honger« … zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie vingers laten zakken.»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het was maar de kwestie ’t zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren het niet, die riepen:»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in de wagen doen?« »Is ’t waar of niet?«De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«»Viseteeren, viseteeren!«De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«Nu floot de man: »Turf in je ransel!«Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen.Hijzei maar altijd, »laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: »die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den baas wel als een god om werk willen bidden.«»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder de markt werken. Op ’t laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát blief je?«»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van de daad.»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker.Hij toonde zich laf, maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord wil worden? Om den bliksem niet.«Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t’ avond of te morgen opwachten en tegen zoo’n reus kan ik niet op!« besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een pootje helpen.«»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en klappertandend.»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in den dikken mist, die indwarlendemassa’s vóór de wind uiteen stoof, om zich dan weêr samen te pakken.»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij hetAmsterdammer? En wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar je uitsteken!«En Leen keek uitdagend rond.»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, zat hij er nog en iemand die ’s Konings livrei heeft gedragen, gaat niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. ’k Heb een groot huishouwen.«»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, moeten we het nemen,« merkte Leen aan.»Aannemen!«»Die is secuur raak!«»Hij heeft zijn bekomst!«Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om weer aan den slag te gaan.Toch waren niet allen op de hand van Leen.»Wil je er je liefde van maken?«»Een rijtuig halen voor de trouw?«»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan last van.«Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade af. Hij droeg den koffieketel.»Een lieve geleijonker!«»Ja, eengeleijonker, zeg dat wel!« zei de»uienboer.« Het fluitje riep hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey’s en de steekwagens op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam hij toen thuis.Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, een lik om de ooren gaf—want hij was in den laatsten tijd wat minder bedeesd geworden—barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigenoogen gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de moeder op.»’t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo’n lamzak!«»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen als hij?«»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op de deur.»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« »Broerling!« »Ludeman!«Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans allen riepen:»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, had er zich reeds op gespitst. ’s Middags schoof ze de geplooide ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje van de kous moesten weten. Niemandin de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.’s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«Het hoofd van dit gezin was ’s morgens eerst naar de kerk geweest, Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d’r tellen te passen!«Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op de deur van Leen en vroegwieer smeerlappen waren. Hij was een groote vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riephij: »Neen, verdommeling, jij bent een smeerlap!«»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en ging daartoe achteruit.»Ik ben een … toe dan: een … een!«Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.Daar stond hij nu.»En nu wil ik weten,wieer een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De oude juffrouw vond het »ijselijk!«»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge snuiter, die zich kostelijk vermaakte.»Je … je … kostganger heb ik bedoeld!«»Mijn wát?«»Die man, die bij je t’huis is!«»Bedoel je mijn man?«»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Jeman is het niet; hij hokt maar met je« riep men.Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« vroeg Leen.»Die heb je niet.«»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven«(aan het adres van vrouw Vis) »je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi oud en knapjes leelijk!«Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.Allenlachten.»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn eigen« moest kijken en dathijook niet verkoos, dat men zich met zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede familie was, maar ze had geen»puf« ruzie te maken, om dit door de anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest maar zoet!« enkustehem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerelsapplaudiseerden; maar de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, dat het »meer als schandalig« was.Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de bewoners der gang te bemoeien«…..Als Leen uitging, sloot ze den man op.In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen de plantjeskonden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, morsige steegje te zien.De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van algeheele verteedering.Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er een meisje geboren.In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles zag er toen geheel anders uit.Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, want dekleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.’s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. ’s Morgens vroeg maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een kleine zon.De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes—en dan tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo’n wandeling den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.’s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen liep hij dan langs de modderige straten naar huis.Zijn ochtendwandeling mocht hij ’s winters na laten, ’s avonds ging hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de wijde wereld.Hoewel hij alleen ’s Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, in de week.En ’s zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een parasietenleven leidde. Soms,vooral tegen het voor- en het najaar, gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig bestaan droegen. Hij riep dan ’s Hemels wraak over hen af.Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo lief een klap in d’r smoel.«Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het niet—want het kind was bang voor haar—maaralshet eens gebeurde, dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zeize ruw: »Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong schijnt verloren te hebben.«Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, had hij bijzonder veel van een idioot.Eens op een winteravond was Leen vroeg t’ huis gekomen. De man zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«—hoewel hij beweerde, ze gekregen te hebben—waaruit hij eene verzameling dieren boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen derevuein het paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze deden als de vader van ’t dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«»Maar Leen« …»Maar Leen« … bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«»Maar Leen! je hebt gezien …«»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; maar Leen hoorde hem niet.»Berg die bullen op. Denk je dat ik ’s nachts nog voor jou aan ’t redderen wil komen? ’k Zie je eenszoolief in … in de bestekamer zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te drukken. »’t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten werken om jou aan ’t vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«»Nu moet het uit zijn. Ikkanhier niet blijven!«»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, waar zij met de kinderen sliep.Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in de effen zwarte schaduwder zoldering, alleen afgebroken door een licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij verkneukelde zich.»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf meisje worden!«Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t’huis, mokkend en zwijgend en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld was.De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in slaap. In den nanachthad hij een naar jenever en tabak stinkende kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«

I.

Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, hol vertrek. ’s Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de andere dagen vroeg uit moest. ’s Winters zat ze reeds vóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot warmde.Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er ’s morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der schepen, die op stroomlagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost bij Leen of in de herberg ….Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.»Wat donder.. dag—de Heer vergeve me de zondeben jij het, Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.»Ik dacht, dat ze vergeten en …. vergeven zouden. Mijn God, zouden de menschen nog strenger zijn dan God?«»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige zaken praten.«»Een dief!«»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen, ’t is één moers kind …. En wat deê je in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«»God Almachtig hoort me« ….»Gij en zult niet zweren.«»Ik heb honger« … zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie vingers laten zakken.»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het was maar de kwestie ’t zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren het niet, die riepen:»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in de wagen doen?« »Is ’t waar of niet?«De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«»Viseteeren, viseteeren!«De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«Nu floot de man: »Turf in je ransel!«Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen.Hijzei maar altijd, »laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: »die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den baas wel als een god om werk willen bidden.«»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder de markt werken. Op ’t laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát blief je?«»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van de daad.»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker.Hij toonde zich laf, maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord wil worden? Om den bliksem niet.«Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t’ avond of te morgen opwachten en tegen zoo’n reus kan ik niet op!« besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een pootje helpen.«»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en klappertandend.»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in den dikken mist, die indwarlendemassa’s vóór de wind uiteen stoof, om zich dan weêr samen te pakken.»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij hetAmsterdammer? En wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar je uitsteken!«En Leen keek uitdagend rond.»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, zat hij er nog en iemand die ’s Konings livrei heeft gedragen, gaat niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. ’k Heb een groot huishouwen.«»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, moeten we het nemen,« merkte Leen aan.»Aannemen!«»Die is secuur raak!«»Hij heeft zijn bekomst!«Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om weer aan den slag te gaan.Toch waren niet allen op de hand van Leen.»Wil je er je liefde van maken?«»Een rijtuig halen voor de trouw?«»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan last van.«Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade af. Hij droeg den koffieketel.»Een lieve geleijonker!«»Ja, eengeleijonker, zeg dat wel!« zei de»uienboer.« Het fluitje riep hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey’s en de steekwagens op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam hij toen thuis.Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, een lik om de ooren gaf—want hij was in den laatsten tijd wat minder bedeesd geworden—barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigenoogen gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de moeder op.»’t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo’n lamzak!«»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen als hij?«»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op de deur.»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« »Broerling!« »Ludeman!«Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans allen riepen:»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, had er zich reeds op gespitst. ’s Middags schoof ze de geplooide ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje van de kous moesten weten. Niemandin de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.’s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«Het hoofd van dit gezin was ’s morgens eerst naar de kerk geweest, Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d’r tellen te passen!«Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op de deur van Leen en vroegwieer smeerlappen waren. Hij was een groote vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riephij: »Neen, verdommeling, jij bent een smeerlap!«»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en ging daartoe achteruit.»Ik ben een … toe dan: een … een!«Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.Daar stond hij nu.»En nu wil ik weten,wieer een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De oude juffrouw vond het »ijselijk!«»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge snuiter, die zich kostelijk vermaakte.»Je … je … kostganger heb ik bedoeld!«»Mijn wát?«»Die man, die bij je t’huis is!«»Bedoel je mijn man?«»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Jeman is het niet; hij hokt maar met je« riep men.Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« vroeg Leen.»Die heb je niet.«»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven«(aan het adres van vrouw Vis) »je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi oud en knapjes leelijk!«Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.Allenlachten.»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn eigen« moest kijken en dathijook niet verkoos, dat men zich met zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede familie was, maar ze had geen»puf« ruzie te maken, om dit door de anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest maar zoet!« enkustehem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerelsapplaudiseerden; maar de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, dat het »meer als schandalig« was.Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de bewoners der gang te bemoeien«…..Als Leen uitging, sloot ze den man op.In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen de plantjeskonden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, morsige steegje te zien.De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van algeheele verteedering.Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er een meisje geboren.In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles zag er toen geheel anders uit.Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, want dekleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.’s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. ’s Morgens vroeg maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een kleine zon.De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes—en dan tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo’n wandeling den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.’s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen liep hij dan langs de modderige straten naar huis.Zijn ochtendwandeling mocht hij ’s winters na laten, ’s avonds ging hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de wijde wereld.Hoewel hij alleen ’s Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, in de week.En ’s zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een parasietenleven leidde. Soms,vooral tegen het voor- en het najaar, gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig bestaan droegen. Hij riep dan ’s Hemels wraak over hen af.Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo lief een klap in d’r smoel.«Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het niet—want het kind was bang voor haar—maaralshet eens gebeurde, dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zeize ruw: »Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong schijnt verloren te hebben.«Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, had hij bijzonder veel van een idioot.Eens op een winteravond was Leen vroeg t’ huis gekomen. De man zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«—hoewel hij beweerde, ze gekregen te hebben—waaruit hij eene verzameling dieren boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen derevuein het paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze deden als de vader van ’t dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«»Maar Leen« …»Maar Leen« … bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«»Maar Leen! je hebt gezien …«»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; maar Leen hoorde hem niet.»Berg die bullen op. Denk je dat ik ’s nachts nog voor jou aan ’t redderen wil komen? ’k Zie je eenszoolief in … in de bestekamer zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te drukken. »’t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten werken om jou aan ’t vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«»Nu moet het uit zijn. Ikkanhier niet blijven!«»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, waar zij met de kinderen sliep.Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in de effen zwarte schaduwder zoldering, alleen afgebroken door een licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij verkneukelde zich.»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf meisje worden!«Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t’huis, mokkend en zwijgend en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld was.De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in slaap. In den nanachthad hij een naar jenever en tabak stinkende kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«

Ze bewoonde een vrij huisje aan het eind der gang, een vrij huisje, doch dat slechts bestond uit één vertrek en een zoldertje. Van buiten zag het er vriendelijk uit. Men had wel het gezicht op de heining; maar daarentegen had het zonnetje gelegenheid van tien tot eene de witgekalkte buitenmuur te doen blikkeren. De volgende huisjes waren in een eeuwigdurenden nacht gedompeld.

Maar Leen had niet veel pleizier van het zonnetje. Ze zag het niet, als de lichtbundels de stofjes in de kamer deden dansen en zich spiegelden in den koperen deksel der doofpot of in de oude, donkere, dikbuikige latafel. Ze zag haar woning niet anders dan als een vuil, hol vertrek. ’s Zondags sliep ze tot over twaalven, omdat ze er de andere dagen vroeg uit moest. ’s Winters zat ze reeds vóór half zes bij het schijnsel van een z.g. snotneus haar boterhammen te eten, terwijl ze haar voeten op een stoof, haar handen aan de trekpot warmde.Ze liet zich nooit kloppen; maar werd van zelf wakker en ging dan, na een blauwen rok aangedaan en een doek om het hoofd geslagen te hebben, water en vuur halen. Dan waschte ze zich, op de wijze van een kat, kamde zeer zorgvuldig het haar achterover en versierde het met een lila strik. Luidde het klokje, dat was ongeveer zes uur, dan stond ze op, vulde een blikken cilinder met water en deed er koffie in. Een schuifje van onder nam het vuur op, dat het vocht moest heeten. Bij deze toebereidselen liep ze met het lampje door het vertrek. Het licht viel dan op haar grof bleek gelaat. In de ooren droeg ze bloedroode knopjes, alsof al haar bloed naar de oorbellen was geweken. Het vertrek zag er dan fantastisch uit. De zwartberookte zoldering had zelfs op de lichte plekken dezelfde tint als de slagschaduwen achter de zware balken. Hun oorspronkelijke kleur moest donkergroen geweest zijn. Spinrag en draden stof zweefden heen en weer, als er door het loopen het geringste tochtje ontstond. De blauwe muren, die van het afdruipende vocht glinsterden, waren nergens door schilderijen bedekt. Alleen een klein, verweerd spiegeltje met gebroken lijst hing in een hoek. De grijssteenen vloer scheen nooit met den bezem kennis gemaakt te hebben. Even vuil was de kast, waarin brood, boter, zakken thee en koffie, borden, vorken en lepels, gescheurde en oorlooze kopjes, een bruine melkkan en eenige pannetjes verspreid waren op het geelgeworden papier, dat de planken bedekte en dat door een kunstvaardige hand zóó geknipt was, dat het er uitzag als kant.

Op zekeren kouden wintermorgen knoopte ze als gewoonlijk tegen half zeven de wollen gehaakte doek om de schouders, blies het lampje uit en nadat de gloeiende, rookende pit voor goed was uitgegaan, ging ze de deur uit, welke ze zorgvuldig achter zich sloot. Het was nog pikdonker in het steegje, zoodat ze meer op het gehoor dan op het gezicht moest afgaan. In de verte klonken de opwekkende tonen van een trompet: een diligence reed over den Singel. De tweede! Ging de eerste voorbij, dan koesterde ze zich onder de dekens en genoot dubbel, als ze bedacht, dat daar een harer medeschepselen reeds stond te blauwbekken.

In de straten was het niet veel lichter: de lantarens zien er ’s morgens rood en slaperig uit. Hare met spijkers beslagen schoenen kletterden op de ongelijke straatsteenen. Nu en dan stond ze stil om het vuur wat op te rakelen of om de zware hengselmand, die ze in de eene, en de koffieketel, die ze in de andere hand droeg, te verwisselen. Zoo naderde ze de groote haven, in het zuidwestelijk deel der stad. In de flauwe schemering zag ze de masten der schepen als grijze strepen. Het gedruisch van de booten, die in de verte gelost en geladen werden, was reeds hoorbaar. Kinderen en vrouwen met kruiken koffie en zakken boterhammen volgden denzelfden weg. De kinderen zwegen, de vrouwen waren reeds bezig hare kennissen met de maatstaf harer eigen voortreffelijkheid te meten. Ze naderde de rivier, die door een dikken nevel bedekt was, zoodat men ternauwernood de lichtjes der schepen, die op stroomlagen, kon onderscheiden. Eensklaps zweeg het geraas der stoomlieren, en van de steekwagens, die de stellingen op- en afvlogen, en het geschreeuw der sjouwers op het sein van schrille fluitjes. De steekwagens bleven staan waar ze stonden, de dampende mannen zochten hun vrouwen en kinderen op, die ze naar een beschut plekje brachten, achter de balen of het kommiezenhuisje, waar ze zich op balken of op de straat neerzetten. De anderen zochten hun troost bij Leen of in de herberg ….

Toen de fluitjes voor de tweede maal door den nevel trilden, waren de meeste vrouwen vertrokken. Ook Leen was op haar schreden teruggekeerd, een brug over en eene andere haven op gegaan. Het was lichter geworden en de lichtjes in de verte verdwenen als verschietende sterren.

Op een hoofd stonden eenige wagens met geketende wielen. In een der wagens lag een man, wiens lichaam bedekt was door een gescheurd boezeroen, wiens schoenen door touwtjes bijeen gehouden werden. Niemand der mannen, die in de nabijheid zaten te schaften, bemerkte hem. Door de reten der wagenborden keek hij naar de sneden brood. Met gulzig welgevallen snoof hij de geur der dampende koffie op.

Een man met ronde hoed had met zijn dochtertje de wijk achter een der wagens genomen. Daar gaf hij het kind eenige gestolen stokvisschen, haar op het hart drukkende, ze goed te verbergen. Nadat hij het meisje een wijl had nageöogd, keerde hij zich om en zag den schooier.

»Wat donder.. dag—de Heer vergeve me de zondeben jij het, Amsterdammer? Ik dacht, dat je niet meer onder het licht van onze oogen zou durven komen! Je hoeft niet op werk te rekenen, man! want ze hebben niet graag knechts met lange vingers.«

De man richtte zich op, maar keek deemoedig voor zich.

»Ik dacht, dat ze vergeten en …. vergeven zouden. Mijn God, zouden de menschen nog strenger zijn dan God?«

»Hoor eens Amsterdammer, ik hoor een dief niet graag over heilige zaken praten.«

»Een dief!«

»Wel wis en waarachtig een dief! Laten we het kind bij zijn naam noemen. Wegnemen en stelen, ’t is één moers kind …. En wat deê je in de wagen? Lag je weer te vigeleeren?«

»God Almachtig hoort me« ….

»Gij en zult niet zweren.«

»Ik heb honger« … zei de man aarzelend. Hij had de opgeheven drie vingers laten zakken.

»Jongens, daar is verdomd de Amsterdammer!« Men vormde een kring. Men scheen gezind, de kennismaking te vernieuwen. Aan de meesten hunner mankeerde een ditje of een datje en velen waren geneigd, stelen als een kansspel te beschouwen. Eens liep je zeker tegen de lamp, het was maar de kwestie ’t zoo lang mogelijk uit te houden. Deze waren het niet, die riepen:

»Jongens, Vis heeft gelijk. Een vos verliest wel zijn haren maar niet zijn streken. Hij heeft willen stelen. Wat moest hij anders in de wagen doen?« »Is ’t waar of niet?«

De man poogde achter de wagens om weg te sluipen.

»Zie je wel, dat zijn geweten niet zuiver is.«

»Viseteeren, viseteeren!«

De Amsterdammer maakte een afwerende beweging. Zijn knieën knikten. Eensklaps begon hij te fluiten:

»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«

»Zwavelstokkie, zwavelstokkie,«

»Moeder, daar leit een schutter in de goot.«

Men wierp met straatvuil. »Nommer acht-en-negentig, aannemen!«

Nu floot de man: »Turf in je ransel!«

Ondertusschen stond Vis te betoogen, dat men indringers kon missen als kiespijn. Er was alevel zoo weinig te doen.Hijzei maar altijd, »laat Amsterdam voor de Amsterdammers zorgen, maar laten ze Watersum niet komen opvreten.« »En je weet, hoe het gaat« vervolgde hij: »die vreemde stoethaspels spelen maar sielvoeplè en ze zouwen den baas wel als een god om werk willen bidden.«

»Nu maar, dát verdom ik toch lekker,« viel er een in.

»Ik verdraai het ook« zei Vis met een ernstigen blik op den laatsten spreker. »Maar dan moeten we ook niet toelaten, dat anderen onder de markt werken. Op ’t laatst zou je nog geld moeten toegeven, wát blief je?«

»Verzuipen moeten we ze, de onderkruipers« riepen de mannen van de daad.

»Kijk zijn zakken na, Gerrit!« Een groote vent kwam op den man af.

»Och, laat me maar asjeblieft door, ik zal heengaan.« De toch reeds jongensachtige gestalte werd nog kinderlijker.Hij toonde zich laf, maar die lafheid was niet die van een laf dier, veeleer deed ze denken aan die van een beest zonder verdedigingsmiddelen.

»Doorlaten? Kan je nét begrijpen. Denk je dat ik door jou vermoord wil worden? Om den bliksem niet.«

Men begreep niet, waar hij heen wou en keek hem vol spanning aan; want hij had den naam van een »uienboer« te zijn.

»En dat zou gebeuren, daar kan ik donder op zeggen. Kijk eens, wat een bloeddorstige oogen! Als ik je nu doorliet, zou je me t’ avond of te morgen opwachten en tegen zoo’n reus kan ik niet op!« besloot hij, een grooten pruim achter de kiezen duwend.

Nu begreep men de satire. Teekenen van goedkeuring.

»Daarom, je moet verzopen worden! Een dooie doet geen kwaad en als ik je alleen niet aan kan, zullen de heeren omstaanders wel een pootje helpen.«

»Dat spreekt van zelf!« riep men. »Maar pas op je tellen, Gerrit, hij wil een uitval doen en dan móet je het verliezen!«

Terwijl Gerrit nu naderde, ging de ander achteruit, bibberend en klappertandend.

»Je gaat het water in, zoowaar als Aai leeft,« dreigde Gerrit. De man omklemde de ducdalven aan het eind van het hoofd, of er zijn leven van afhing. Verlangend keek hij achter zich: zijn oog verloor zich in den dikken mist, die indwarlendemassa’s vóór de wind uiteen stoof, om zich dan weêr samen te pakken.

»Wat zullen we nu eten? Wat bliksem, ben jij hetAmsterdammer? En wouwen ze jou verzuipen? Om den donder niet! Laten ze een klauw naar je uitsteken!«

En Leen keek uitdagend rond.

»Dieven en diefjesmaat« bromde de garribaldi. Hij zinspeelde er op, dat ze gestolen koffie opkocht. »Als we hem niet hadden gezien, zat hij er nog en iemand die ’s Konings livrei heeft gedragen, gaat niet voor zijn pleizier in een wagen zitten koekeloeren. Als er wat gestolen wordt, worden we weggejaagd en dat kan ik niet lijën. ’k Heb een groot huishouwen.«

»Hou jij je mond maar. Jij krijgt in de kerk van de engelen veêren bedden en zakken suiker present. Maar wij zijn maar gewone arme donders en als we wat willen hebben en het niet kunnen verdienen, moeten we het nemen,« merkte Leen aan.

»Aannemen!«

»Die is secuur raak!«

»Hij heeft zijn bekomst!«

Dat bleek. Vis was den baas gaan herinneren, dat het tijd was, om weer aan den slag te gaan.

Toch waren niet allen op de hand van Leen.

»Wil je er je liefde van maken?«

»Een rijtuig halen voor de trouw?«

»Trouwen? Als ze gek wordt, niet waar, Leen? Daar heb je niets dan last van.«

Zulke vragen en kennisgevingen raakten haar niet.

Ze fluisterde met den Amsterdammer en weldra gingen ze samen de kade af. Hij droeg den koffieketel.

»Een lieve geleijonker!«

»Ja, eengeleijonker, zeg dat wel!« zei de»uienboer.« Het fluitje riep hen tot het werk. En spoedig ratelden de donkey’s en de steekwagens op nieuw. Aan het eind der haven liet Leen den Amsterdammer op een stoep neerzitten. Hij kreeg koffie en brood.

En van nu af was zij zijn kostwinster en hij haar huisgenoot.

Den geheelen dag liep hij op groene pantoffels met kattekoppen rond. In het eerst waagde hij zich niet buiten de deur en deed niets dan »koken en kokerellen in zijn eentje,« zooals Leen zich uitdrukte. Later waagde hij het, op den drempel zijn pijp te rooken, de kinderen aan te halen en met deze en gene een praatje aan te knoopen. Na eenigen tijd werd hij een autoriteit in de gang en oefende er een soort ruwaardschap uit. Buiten de gang kwam hij niet, daar de agenten hem op een avond, toen hij een luchtje schepte, hadden nagejaagd, in de meening, dat die sluipende, loerende man een erge boosdoener was. Hijgende kwam hij toen thuis.

Maar hij had ook binnenlandsche vijanden, die de eerste de beste gelegenheid zouden aangrijpen, om hem te vernederen. En die gelegenheid kwam. Toen hij weer eens een jongen, die in een plas stond te trappen, een lik om de ooren gaf—want hij was in den laatsten tijd wat minder bedeesd geworden—barstte de bom los. In een oogwenk vormde zich om den huilenden knaap een kring. Sommigen hadden voor hun eigenoogen gezien, dat hij den jongen in den plas had gegooid. Een oud vrouwtje had gezien, dat hij den jongen als een zoutzak door elkaar schudde: Ze had de tanden van den knaap hooren rammelen. Allen hitsten de moeder op.

»’t Is schande! een armen jongen in een plas te gooien, zoo’n lamzak!«

»Zou hij denken, dat we allen zoo makkelijk aan alles kunnen komen als hij?«

»We moeten ons niet langer laten koeieneeren!«

De man, eensklaps weder schuw geworden, had zich in huis teruggetrokken. De buren en de moeder van den jongen trommelden op de deur.

»Kom er uit, vrouwemem! als je het hart in je zielement hebt!« »Broerling!« »Ludeman!«

Dit laatste scheldwoord scheen zeer in de smaak te vallen. Althans allen riepen:

»Bliksemsche Ludeman! Ludeman!«

Van binnen werden stoelen en een tafel aangeschoven ter versterking. Na eenigen tijd werd het echter weêr rustig. Hem kreeg men niet te zien.

Het werd Zondag. Men had gefluisterd, dat er dien dag wat zou te doen zijn. Eene oude vrouw, die alle dagen uit werken ging, had er zich reeds op gespitst. ’s Middags schoof ze de geplooide ondergordijntjes een eindje terug, zoodat ze onder het theedrinken alles kon waarnemen. Een bovenbuurvrouw had zichzelf op de thee en annex geïnviteerd. Het waren twee nieuwsgierige zielen, die het naadje van de kous moesten weten. Niemandin de buurt kon een vinger in de asch steken, of ze waren er met hunne neuzen bij.

’s Morgens reeds waren de vijandelijkheden door Leen begonnen. Telkens als ze de woning der kinderlievende moeder voorbij ging, spuwde ze op den grond en zei verachtend: »smeerlappen!«

Het hoofd van dit gezin was ’s morgens eerst naar de kerk geweest, Tot ieder der buren, die hij in den barbierswinkel ontmoette, had hij gezegd: »wacht maar.« En na kerktijd had hij zich in de herberg nog heviger uitgelaten. »In piesjes zou hij ze snijden, die aan zijn kinderen raakten. Ze zouwen er zelfs niet naar wijzen. Als er wat te beuken viel, was hij zelf mans genoeg. Wat zou die ditendatsche loeder zich verbeelden? Je zou zien, verdomme, je zou zien.«

Eerst deed hij nog zijn middagslaapje. Om vijf uur ging hij op den dorpel een pijp rooken en zitten schelden. Leen kwam telkens over de onderdeur kijken en raadde sommigen aan »op d’r tellen te passen!«

Alle oogen waren intusschen voor de glazen verschenen. Daar klopte de man zijn pijp uit, stond op, schreed plechtstatig voorwaarts, bonsde op de deur van Leen en vroegwieer smeerlappen waren. Hij was een groote vent met zwaren baard, maar deed toch eenige schreden terug. De deur ging open en Leen werd zichtbaar. Als eene kaars stond ze achter de onderdeur, in haar zondagsche kleêren, en met zwaren gouden oorbellen.

»Jij« zei ze en gooide met een smak de bovendeur toe.

Nadat hij van zijn verbazing bekomen was, riephij: »Neen, verdommeling, jij bent een smeerlap!«

»Als een geest,« volgens ooggetuigen, »als een geest« kwam Leen op hem af. Hij zorgde, dat er een betamelijken afstand bleef bestaan en ging daartoe achteruit.

»Ik ben een … toe dan: een … een!«

Maar hij zweeg en verdween in zijne woning. Leen deed hetzelfde. Toen kwam hij weer te voorschijn en trommelde met alle macht weder op de deur. Onverwacht kwam Leen te voorschijn en hij retireerde.

Op dit gedenkwaardig oogenblik werd hij door zijne vrouw verraden. Ze hield de deur gesloten, hetzij om hem tot den strijd te noodzaken, hetzij uit vrees voor het binnendringen van den vijand.

Daar stond hij nu.

»En nu wil ik weten,wieer een smeerlap is!« gilde Leen en ze trok hem aan den baard, dat het hoofd bijna van de schouders rolde. De oude juffrouw vond het »ijselijk!«

»Leen, jou heb ik niet bedoeld, waarachtig als God niet!«

»Neen, dat is een flausie. Je moet niet terugkrabbelen. Kom er voor uit, als een vent!« riep men over een onderdeur. Het was een jonge snuiter, die zich kostelijk vermaakte.

»Je … je … kostganger heb ik bedoeld!«

»Mijn wát?«

»Die man, die bij je t’huis is!«

»Bedoel je mijn man?«

»Neen, Leen, dat moet je de kat wijsmaken. Jeman is het niet; hij hokt maar met je« riep men.

Dat was den Amsterdammer, die achter de deur had staan luisteren en gluren, teveel. Hij kwam voor den dag en riep: »Neen, neen!«

»Zou je willen, dat ik jullie mijn trouwpapieren liet zien?« vroeg Leen.

»Die heb je niet.«

»Toch is het je pol!« riep vrouw Vis uit het raam.

»Neen, neen!« riep de persoon in kwestie.

»Ja, je bent mijn pol. En jij daarboven«(aan het adres van vrouw Vis) »je bent jaloersch, hè. Nu ja, de puntjes zijn er af. Je wordt mooi oud en knapjes leelijk!«

Het raam werd met veel geraas dichtgeschoven.

Allenlachten.

»Jullie hoeft ommers niet voor hem te werken? Waar bemoei je je dan meê?« Dat was tot de omstaanders gericht.

De man met den verplukten baard gaf Leen toe, dat ieder naar »zijn eigen« moest kijken en dathijook niet verkoos, dat men zich met zijn zaken inliet. Hij had het liefst, dat men hem maar in zijn sop gaar liet kooken, anders had hij den duivel in.

Dat was Leen genoeg. Wel beweerde de Amsterdammer dat hij van goede familie was, maar ze had geen»puf« ruzie te maken, om dit door de anderen erkend te zien. Ze nam hem op en riep: »Ja, ja, lieverd, weest maar zoet!« enkustehem, dat het klapte, zoodat hij van schaamte de oogen niet dorst opslaan. De jonge kerelsapplaudiseerden; maar de oude burgervrouw, die uit werken ging, schoof haar gordijntjes dicht en verklaarde haar gast, een snuifje nemende en aanbiedende, dat het »meer als schandalig« was.

Nog een poos, nadat Leen de deur achter zich had gesloten, bleef men overleggen, wat men doen moest, want het stond als een paal boven water, dat men van »dat schepsel met zijne kattekoppen« geen komplimenten meer wilde afwachten. Maar toen Leen eenige emmers koud water over hunne hoofden had uitgestort, achtte men het raadzaam, persoon en zondagsche kleêren in veiligheid te brengen. Alleen werden eenige ruiten bij haar stuk geslagen. Ze riep de hulp der politie in, maar de dader lag op het kerkhof. Intusschen viel men haar niet meer lastig, al schomp en schoot men op »lafaards, die om een haverklap naar de politie liepen; de politie, die geen recht had, zich met de bewoners der gang te bemoeien«…..

Als Leen uitging, sloot ze den man op.

In zijn eentje vermaakte hij zich met het vermaken der vensterblinden tot planken en bloembakken. Leen bezorgde hem bloempotten, die hij meniede en waarin hij pronkboonen, Oost-Indische kers en erwten zaaide. Nog eer de zomer geëindigd was, zag hij groene stengeltjes, die boven de aarde kwamen rondkijken. Sinds was hij elken morgen in de weer, de potten zoo te draaien en te verschuiven, dat de zonnestralen de plantjeskonden omvatten en koesteren. In de dakgoot had hij maïs en boonen gezaaid. De aarde had Leen in haar schort verzameld, toen de bloemenmarkt was afgeloopen. De breede bladeren der maïs krulden sierlijk om, de boonen klommen langs de touwtjes en hekjes en in den nazomer was dit deel van het roode dak bedekt met frisch, levendig groen. Het was verwonderlijk, zoo iets in dit donkere, nauwe, morsige steegje te zien.

De zomer ging voorbij. Leen onderging eene groote verandering. Haar gelaatstrekken werden scherper, haar gemoed scheen verzacht te zijn. Ze had buien van lichtgeraaktheid, maar ook oogenblikken van algeheele verteedering.

Toen hij tegen den winter voor den volgenden zomer een bloemenbak op groote schaal wilde maken, moest hij dat op zolder doen en soms zijn arbeid staken; met het vallen der eerste sneeuwvlokken was er een meisje geboren.

In den eersten tijd kwam Leen thuis, zoo gauw en zoo dikwijls ze kon. Kort voor de geboorte der kleine Lou had ze een werkmanie gekregen. Zoo had ze hare moeder zien doen, een ordentelijke burgervrouw, die uit schoonmaken ging op schepen. Met behulp van den Amsterdammer had ze de kale, blauwe muren met een licht behangseltje beplakt. Ze wreef de latafel tot deze glom als een spiegel. Alles zag er toen geheel anders uit.

Maar spoedig verviel ze weer tot hare gewone bitsheid en slonzige manieren. Lou werd gespeend. Hem werd opgedragen het kind te wiegen en het te verzorgen. Ook hield hij den boel in orde, als hij kon, want dekleine had de gewoonte, hem te dwingen, uren lang met haar het vertrek op en neer te loopen. Zachtjes zong hij dan allerhande liedjes, die ze later beproefde meê te neuriën.

’s Zondags nam hij de wijk op het zoldertje. ’s Morgens vroeg maakte hij dan een kuiertje, buiten de stad, langs een nette kade, door dichte kastanjeboomen beschaduwd. De stralen van de ochtendzon tooverden zilvergouden vlekjes voor zijn voeten en boven hem tjilpten de musschen. Een paar kinderen, of een man, vuil en slordig, die een pakschuit voorttrokken, zag hij dan op het jaagpad aan den overkant, door het heldere water weerkaatst. In de verte, onder een brug door, scheen het water een zilveren, gerimpelden streep, die zich verloor tusschen zaagmolens, met onbewegelijke, bruine wieken. Links werd het gezicht bepaald door een zwartgroen boschje, waartegen het kleine tolhuisje stond te leunen. Het witte tolhek stak aardig af tegen de donkergroene heg. In de zilverachtige, wazige hemel blonk in de verte, over de heg heen, het gouden haantje van een torentje als een kleine zon.

De grijze, eentoonige huizen langs de kade geleken in hun onberispelijke stijfheid op kruideniers in hun zondagskleeren, bevreesd uit hun plooi te komen. Nergens zag men een bewoner. Alleen voor een stalhouderij aan het eind waren stalknechts op klompen fluitende bezig, eene massa water te plengen op en bezijden de wielen van koetsen. Maar dit verstoorde zoo weinig de rust, dat de musschen zich daardoor niet lieten weerhouden in den hoop paardenmest rond te ploeteren.

Bij de brug sloeg de man rechtsom en ging dan eerst voorbij een grooten tuin met ijzeren hek en bloemen, in verschillende kleurschakeeringen tot figuren gegroepeerd, geel op donkerrood en alles omgeven door een rand frisch gras met vergeet-me-nietjes en madeliefjes—en dan tusschen velden met enkele stuks vee, zich in den lichten nevel verliezende. Het gelui der klokken uit de stad, nog, hoewel flauw hoorbaar en het gesjilp der vogeltjes in de boomen, en nu en dan het ratelende hossen van wagens met koperen melkkannen, waren de eenige geluiden. De man werd er stil van en gaf na zoo’n wandeling den geheelen dag »geen pruim voor een rozijn«, zooals Leen zei.

’s Avonds deed hij gewoonlijk dezelfde wandeling; maar ging dan in het terugkomen voorbij de gevangenis, waarvoor hij een poosje bleef staan mijmeren, leunende tegen een houten hek. Als hij zich afkeerde, kon hij een zucht niet weerhouwen. Met loomen tred en slappe armen liep hij dan langs de modderige straten naar huis.

Zijn ochtendwandeling mocht hij ’s winters na laten, ’s avonds ging hij stellig, weêr of geen weêr, langs de gevangenis, hoewel hij zich telkens daarna diep ellendig gevoelde, geheel verlaten op de wijde wereld.

Hoewel hij alleen ’s Zondags zijn lust tot wandelen kon bot vieren, was hij toch het meest in zijn schik, als hij alleen kon »otteren«, in de week.

En ’s zomers, als hij zijn potten schikte en door de geraniums rookte om de bladluis te dooden, dacht hij er niet aan, dat hij een parasietenleven leidde. Soms,vooral tegen het voor- en het najaar, gevoelde hij aandrang om weg te loopen en te gaan zwerven; maar toch bleef hij. Eigenlijk, omdat eten en drinken voor hem klaar stonden; maar hij maakte zich wijs, dat hij uitsluitend bleef, om Lou op te voeden. Met tranen in de oogen dacht hij er over na, dat zijn makkers, die hem tot den diefstal hadden verleid, den schuld van zijn ellendig bestaan droegen. Hij riep dan ’s Hemels wraak over hen af.

Maar zulke tijden daargelaten, over het algemeen was hij niet mannelijk genoeg om te haten. »Hij vergaf zijne vijanden,« zeide hij tot zichzelf, »en dat was braaf.« Op het laatst gevoelde hij zich werkelijk boven anderen verheven. Dat bleek ook uit zijne houding, als Leen hem verweet, dat hij een klaplooper was, waardoor ze, dit instinktmatig gevoelende, nog wreveliger werd.

Lou hechtte zich meer en meer aan hem en vervreemdde van hare moeder. Dat was het gevolg gedeeltelijk van dier dagelijksche afwezigheid, gedeeltelijk van hare handelwijze. Om de kleinste vergrijpen, soms zonder reden, sloeg ze het kind. Meestal was ze barsch en als de kleine begon te huilen, stootte ze haar ruw weg. »Ze hield niet van die menschen, die altijd simmen en koppen; ze had eens zoo lief een klap in d’r smoel.«

Soms beproefde ze, de genegenheid van het kind te herwinnen door een hoedje, of een jurkje of iets dergelijks. Dikwijls gebeurde het niet—want het kind was bang voor haar—maaralshet eens gebeurde, dat het vleiend de armpjes om haar hals wilde slaan, dan zeize ruw: »Kom, je weet wel dat ik niet van dat gezoen en gelik houd.« Ging het schaap dan huilen, dan speelde ze op haar poot en gooide en smeet alles neer en bromde: »simmetje gladkop, met verdriet overtrokken, zoek je troost maar bij dien Nero Niemandsvriend, die zijn tong schijnt verloren te hebben.«

Het gezin vermeerderde ondertusschen met een jongetje, een zeer zwak kind. Alle buren hadden er een zwaar hoofd in, of het zou blijven leven. Maar hij blééf leven. Hij werd bij een buurvrouw uitbesteed en was weldra zoo ondeugend als de rest. Op zijn derde jaar schopte hij twee pooten stuk van een geitje, het speelgoed van de kinderen der vrouw, die hem heette te verzorgen. Het beest hinkte allerkoddigst op zijne gelijmde pooten, tot groote pret van Jantje. Hoewel Leen zich met hem meer bemoeide, dan ze met Lou ooit gedaan had, was hij veel alleen en daar de jongens in de buurt nu niet van de welwillendste waren, leerde hij, steeds slagvaardig te zijn. Hij kende geen grooter pleizier, dan het spel van anderen te storen. Hoe ouder hij werd, zooveel te meer bleek, dat hij een tiran was voor jongeren en zwakkeren dan hij, een geniepige verrader, maar een strooplikker, als hij zag, dat hij »op zijn bliksem« kon krijgen. Hoewel hij hierin toonde, wel degelijk te kunnen onderscheiden, zag hij er niet zeer scherpzinnig uit en als zijn lang sluik haar, naar gewoonte, over zijn oogen hing, had hij bijzonder veel van een idioot.

Eens op een winteravond was Leen vroeg t’ huis gekomen. De man zat in een hoek van het vertrek plat op den grond, omgeven van eenige stukken klei, door Jan van een jongen »afgepikt«—hoewel hij beweerde, ze gekregen te hebben—waaruit hij eene verzameling dieren boetseerde. Het meisje zat op een stoof, met de armen over elkaar, naar het werk te kijken. Jan lag plat op zijn buik, met de ellebogen onder het hoofd. Bij de tafel zat Leen op een onhandige manier kousen te stoppen. De kachel snorde vroolijk en de onlangs aangeschafte lamp wierp een vroolijk schijnsel door het vertrek.

Een olifant met zijn slurf, een kameel met twee bulten, een koe en een paard, die alleen van nek verschilden en eenige andere dieren, die iets kenmerkends hadden en die dus gemakkelijk waren na te bootsen, stonden in rijen geschaard. Het moest voorstellen derevuein het paradijs. De man gaf er de uitlegging bij. Jan herhaalde zijn eisch, eenige dieren in particulier eigendom te hebben en stelde daarom eene deeling voor; maar omdat gebleken was, dat hij de beesten dan weer tot kleiballetjes wreef, om deze dan door middel van een stokje naar verschillende plaatsen te slingeren, vonden de anderen goed, geen acht op zijn eischen te slaan. Hij beweerde, dat eigenlijk al de klei van hem was en wilde voor het minst dan toch een deel van de ruwe grondstof hebben; maar de anderen bleven doof aan dat oor. Ze deden als de vader van ’t dolhuis: ze stoorden zich aan geen gek.

Onverwacht slaat Leen op tafel en roept:

»Wel allemachtig, kan het schaap niet eens een diertje krijgen?«

»Maar Leen« …

»Maar Leen« … bauwde ze hem na. »Ja, je kunt me kousen met gaten praten. Je kan praten als Brugman, maar dat is ook het eenige. Nou, weet je wat? Zout de beesten op voor mijn part.«

»Maar Leen! je hebt gezien …«

»Ik heb gezien, dat je den heelen avond als een echte doodvreter zit te slabakken. Diertjes maken, dat kan je, niet waar, slampamper?«

»Laat ze maar kletsen« fluisterde Lou.

»Dat hoor ik eens, dat zal ik moeder zeggen, hoor!« zei Jantje hardop; maar Leen hoorde hem niet.

»Berg die bullen op. Denk je dat ik ’s nachts nog voor jou aan ’t redderen wil komen? ’k Zie je eenszoolief in … in de bestekamer zakken,« zei ze met een poging, om zich ook eens fatsoenlijk uit te drukken. »’t Kan jou ook al niet schelen of anderen zich dood moeten werken om jou aan ’t vreten te helpen. Luie bliksem, salamandert op!«

»Nu moet het uit zijn. Ikkanhier niet blijven!«

»Ik heb niets meer aan je!« zei Leen. Ze stoorde zich niet aan hetgeen hij zei. Ze ging voort, zijn bed op te maken: vóór de bedstede, waar zij met de kinderen sliep.

Ze sloeg de kussens en het bed met vuisten. Lou zat met angst naar de zwarte, reusachtige schim te kijken, wiens hoofd zich verloor in de effen zwarte schaduwder zoldering, alleen afgebroken door een licht kringetje boven de lamp en die telkens zijn vuisten dreigend naar haar vader uitstak. Jan wreef de handen over de knieën; hij verkneukelde zich.

»Ik heb niets aan je en je doet net, of je Hoboken waart.« De man had zijn pet opgezet. Zonder jas, het dunne boezeroen bijna over het bloote lijf, ging hij heen. Hij kuste Lou en zei nog: »Een braaf meisje worden!«

Leen wachtte en wachtte, maar hij kwam niet terug. Ze begon er eenigszins berouw over te krijgen; want ze was aan den man gewoon geraakt. Zelfs dacht ze er over, waar ze hem zou kunnen zoeken; maar, daar ze dit niet wist, bleef ze t’huis, mokkend en zwijgend en drong zich op, dat ze bij geen mogelijkheid anders had kunnen handelen. Welbezien, was het toch het beste maar, dat hij opgehoepeld was.

De man stond een deel van den avond naar de gevangenis te turen. Toen hij geheel neerslachtig en door de neervallende natte sneeuw verkleumd was, baggerde hij droomend de stad in, om het plaatsje op te zoeken, waar hij vroeger zoo dikwijls had geslapen. Hij legde zich neer in eene der overdekte wagens van een expeditiekantoor, op een plein in het midden der stad. Nog een poos lag hij te turen naar de flikkerende vlammen der lantarens, die telkens dreigden uit te waaien; naar de langzaam neervallende vlokken, die zich oplosten in het donkere slijk op de straat en naar de lichte kringen op het donkere plein, telkens van grootte en vorm veranderende. Eindelijk viel hij in slaap. In den nanachthad hij een naar jenever en tabak stinkende kerel naast zich, die in zijn slaap lag te praten, te vloeken, te trappen en te schurken. De Amsterdammer werd er wee van en nog eer de huizen zich uit het grauwe morgenlicht ontwikkelden, verliet hij zijn schuilplaats. Een poos staarde hij half slaperig, naar een oliekoekenkraampje, waar ook heete melk en koffie verkocht werd. Zwarte gestalten drongen zich opeen, voor het vroolijk flikkerende vuurtje onder de pot met olie. Twee vroolijke, heldere zusters bedienden de gasten, die, beide handen om de heete kommetjes geslagen, stonden te blazen en te slurpen, met knikkende knieën en bibberende lichamen.

Een eindje verder strekte een spookachtige wipbrug zijn lange armen uit in den nevel, die daar blauwig was, maar aan de tegenover gestelde kant van het plein als een bruinachtige massa langs de huizen neerviel, zich aan alle uitstekende punten vastklampend. De lantarens waren reeds gedoofd. Een oogenblik bleef de man nog staan dralen, toen slofte hij het plein over. Hij maakte een gat in het bruine gordijn, dat zich zachtjes, onhoorbaar achter hem sloot.

Lou had dien nacht »een stuk van een toeval gehad.«

II.Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst begaf ze zich dan naarde Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis—waarin en waarboven het kantoor was gevestigd—uit- en in-stroomden. Ze praat’ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar als ’t koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood op stelten.«Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het minste geld gaven. De onderwerpen,die de jongeren bezig hielden, waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei men van hem dat hij »bakker aan« was.Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, met een houding als de groote Mogol zelf.Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: er waren er ook, dieaan een haarlok trokken of met den wijsvinger aan hun slaap kwamen.Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, die in vaders plaats geld kwamen beuren.Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, dat er iets aan ’t handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en kon zijn keel wel aan den kapstok hangen—geen droppel kreeg hij meer op krediet—dat alles was waar; doch—hij maande niet. En dat deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het eergevoelvan den eengekwetst door op beschermenden toon tot hemte zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze t’huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En eerlijk!—nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg wijdde ze Lou—met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was—in de geheimen van haarbedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, als ze broodjes van den vorigen dag kregen—die Leen heel goedkoop inkocht—al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste niet als de kippen bij was.Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen.Alleen in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het oord iets ruïneachtigs.Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar een deel der sjouwers betaald werd.Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men ietste gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.—Als de baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En …. hoeveel vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet verleiden—ik weet niet, of er ooit zoo iemand was—door de vraag des waards bezweek.Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was geen genade, wisten ze. En doorsnappen—daartoe bestond geen kans, nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van een trompet, die geblazenwerd in een danshuis, een paar honderd schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat het de vrouw van den plakker zou zijn.Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd geen aangenomen werk!« Maar zoo’n vent, die den godganschelijken avond achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak zou kunnen worden van gebroken ruiten—»wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje« floot de waard—zoo’n vent zou de kastelein wel dood willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.—Met dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, verschikte het een en ander, en … Maar zijn herbergiersgevoel veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te jagen. Men konnooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul—een half ei is beter dan een leegen dop.Allichthad ook hij zijn rojale buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.»Woon je ver weg?«»Neen.«»Stik« dachten ze gelijktijdig …..»Wou je nog een glas?«»Neen, ik heb nog!«»Barst!« dachten ze.De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige waard begreep—hij kende het klappen van de zweep—dat zijn gast in de rats zat.De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen hoorde haar zeggen:»Jan kom nu meê! ’k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn zoo koud.«»Meegaan! ’k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, nooit meer zou gebeuren.«De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen. ’k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder geld op zak te loopen, net als arremie. ’k Heb muizenissen genoeg!«De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem ….»Loop naar den bliksem!«Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«De vrouw keerde zich om.»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »’t Spijt me erg, maar je zult moeten wachten. ’t Komt me niet gelegen!«»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor zoo’n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen!«»Nou, maak maar zoo’n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, flikkersteen! En nu, ik ga!«Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de twistenden hadden gevormd.»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je opendoen!«»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« riep Jan’s vrouw onder algemeene hilariteit.»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) »Zet hem onder een stolp.«Onder een homerisch gelach beval Jan statig:»Ga heen, Jo, je past hier niet.«»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het zeerebeenenhuis.«Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« Jan antwoordde op dit ultimatum:»Neen, voor den donder! neen, neen!«»Maak plaats, jongens!« beval Leen.Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle bewegingen goed zichtbaar waren.De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.Zijbeproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij kokhalsde en liet los.»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.»Neen, verdomme!«Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan’s vrouw zich op haar en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne vijandin.—Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, onder haar.Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van zijn bemodderde, gescheurde jas.Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, als ze eene arm voelde naderen.Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De toeschouwers gingen geheel in den strijdop. Hun oogen puilden uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat en boezem—geheel ontbloot—waren met lange krabben bedekt. Wild golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar succes, begaf zich op zij.Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader aan zijn haar te trekken.«»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«»Ja, maar dat ’s iets anders.Hijheeft gelijk!«Lou haalde hare schouders op.»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? ’t Isme wat moois, dat eene vrouw vecht. Bah!«Lou zocht een ander plaatsje.Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«Maar dat gebeurde niet. Door Leen’s slagen en zijne vergeefsche pogingen om zich aan Leen’s ijzeren knieën te ontworstelen, raakte hij bekaf.Zijwas letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand agent?« antwoordde hij norsch: »Inde hel!« De oude juffrouw vond dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van Leen had gekregen.»Ja, Jan, maar …..«»Hier of ik spring in ’t water.«»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«»En nu, opgerukt, marsch!«En ze ging.»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »’t Lijkt wel eten van de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te hoog hingen.Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«Men verspreidde zich.Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«De haven werd stil en ledig.

II.

Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst begaf ze zich dan naarde Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis—waarin en waarboven het kantoor was gevestigd—uit- en in-stroomden. Ze praat’ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar als ’t koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood op stelten.«Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het minste geld gaven. De onderwerpen,die de jongeren bezig hielden, waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei men van hem dat hij »bakker aan« was.Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, met een houding als de groote Mogol zelf.Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: er waren er ook, dieaan een haarlok trokken of met den wijsvinger aan hun slaap kwamen.Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, die in vaders plaats geld kwamen beuren.Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, dat er iets aan ’t handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en kon zijn keel wel aan den kapstok hangen—geen droppel kreeg hij meer op krediet—dat alles was waar; doch—hij maande niet. En dat deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het eergevoelvan den eengekwetst door op beschermenden toon tot hemte zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze t’huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En eerlijk!—nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg wijdde ze Lou—met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was—in de geheimen van haarbedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, als ze broodjes van den vorigen dag kregen—die Leen heel goedkoop inkocht—al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste niet als de kippen bij was.Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen.Alleen in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het oord iets ruïneachtigs.Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar een deel der sjouwers betaald werd.Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men ietste gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.—Als de baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En …. hoeveel vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet verleiden—ik weet niet, of er ooit zoo iemand was—door de vraag des waards bezweek.Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was geen genade, wisten ze. En doorsnappen—daartoe bestond geen kans, nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van een trompet, die geblazenwerd in een danshuis, een paar honderd schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat het de vrouw van den plakker zou zijn.Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd geen aangenomen werk!« Maar zoo’n vent, die den godganschelijken avond achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak zou kunnen worden van gebroken ruiten—»wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje« floot de waard—zoo’n vent zou de kastelein wel dood willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.—Met dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, verschikte het een en ander, en … Maar zijn herbergiersgevoel veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te jagen. Men konnooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul—een half ei is beter dan een leegen dop.Allichthad ook hij zijn rojale buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.»Woon je ver weg?«»Neen.«»Stik« dachten ze gelijktijdig …..»Wou je nog een glas?«»Neen, ik heb nog!«»Barst!« dachten ze.De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige waard begreep—hij kende het klappen van de zweep—dat zijn gast in de rats zat.De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen hoorde haar zeggen:»Jan kom nu meê! ’k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn zoo koud.«»Meegaan! ’k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, nooit meer zou gebeuren.«De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen. ’k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder geld op zak te loopen, net als arremie. ’k Heb muizenissen genoeg!«De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem ….»Loop naar den bliksem!«Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«De vrouw keerde zich om.»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »’t Spijt me erg, maar je zult moeten wachten. ’t Komt me niet gelegen!«»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor zoo’n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen!«»Nou, maak maar zoo’n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, flikkersteen! En nu, ik ga!«Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de twistenden hadden gevormd.»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je opendoen!«»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« riep Jan’s vrouw onder algemeene hilariteit.»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) »Zet hem onder een stolp.«Onder een homerisch gelach beval Jan statig:»Ga heen, Jo, je past hier niet.«»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het zeerebeenenhuis.«Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« Jan antwoordde op dit ultimatum:»Neen, voor den donder! neen, neen!«»Maak plaats, jongens!« beval Leen.Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle bewegingen goed zichtbaar waren.De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.Zijbeproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij kokhalsde en liet los.»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.»Neen, verdomme!«Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan’s vrouw zich op haar en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne vijandin.—Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, onder haar.Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van zijn bemodderde, gescheurde jas.Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, als ze eene arm voelde naderen.Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De toeschouwers gingen geheel in den strijdop. Hun oogen puilden uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat en boezem—geheel ontbloot—waren met lange krabben bedekt. Wild golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar succes, begaf zich op zij.Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader aan zijn haar te trekken.«»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«»Ja, maar dat ’s iets anders.Hijheeft gelijk!«Lou haalde hare schouders op.»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? ’t Isme wat moois, dat eene vrouw vecht. Bah!«Lou zocht een ander plaatsje.Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«Maar dat gebeurde niet. Door Leen’s slagen en zijne vergeefsche pogingen om zich aan Leen’s ijzeren knieën te ontworstelen, raakte hij bekaf.Zijwas letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand agent?« antwoordde hij norsch: »Inde hel!« De oude juffrouw vond dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van Leen had gekregen.»Ja, Jan, maar …..«»Hier of ik spring in ’t water.«»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«»En nu, opgerukt, marsch!«En ze ging.»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »’t Lijkt wel eten van de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te hoog hingen.Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«Men verspreidde zich.Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«De haven werd stil en ledig.

Haagsche Leen, die met koffie en brood langs de booten liep, maakte altijd, dat ze er bij was, als haar klanten geld beurden. Allereerst begaf ze zich dan naarde Waterstraat, waar reeds tegen zeven uur een massa sjouwerlieden de openstaande deuren van het pakhuis—waarin en waarboven het kantoor was gevestigd—uit- en in-stroomden. Ze praat’ten, stampten met de voeten en sloegen de armen over elkaar als ’t koud was; spuwden, gingen in de herberg om den hoek om hunne rekeningen te laten opmaken en begaven zich dan weer in het pakhuis, waar een flauw gaspitje brandde, zoodat men ternauwernood de reuzige schaduwen der opeengestapelde vaten kon onderscheiden en waar het vreeselijk koud was en tochtte. Hun gesmoezel, hun geroep, hun lachen bij elke ondubbelzinnige ui, hetgeen echter alleen bij de jonge kerels van harte ging, maakten, dat het een leven was als een oordeel.

Leen posteerde zich met haar dochtertje in de verte, als »de dood op stelten.«

Tegen half acht voegden zich andere lieden, met kolenzwarte gezichten of kleêren, rood van de geladen steenen, bij de massa. Ze moesten dien nacht dóórwerken en hadden nu schafttijd. Het gesprek werd levendiger. Men sprak er over, dat de boot zóó tjokvol was, dat ze wel naar den bliksem zou gaan; dat de bazen toch maar bloeddieven en uitzuigers waren, dat de baas te stom was om voor den duivel te dansen. Een groepje huisvaders besprak den naderenden komkommertijd, die eigenlijk het geheele jaar duurde, of voorzagen ijsgang en werkeloosheid. Ook over den prijs der levensmiddelen werd getwist en men gaf elkaar de winkeliers op, die de grootste maat voor het minste geld gaven. De onderwerpen,die de jongeren bezig hielden, waren van eerzuchtiger aard, hoewel gemeene aardigheden bij hen opgeld deden. Men had het er over, dat de ouwetjes opraakten; dat alleen jonge, sterke menschen goed voor het »vak« waren; dat men baas Die op de hand kon krijgen door te tracteeren; baas Deze door een lieve jonge vrouw te hebben en dan een oogje dicht te doen; baas Gene door te pluimstrijken. Omtrent het huwelijk heerschten in dien kring zeer eigenaardige denkbeelden en als er een pas getrouwd was, werd hij knipoogend en lachend gefeliciteerd. Achter zijn rug zei men van hem dat hij »bakker aan« was.

Tegen kwart voor achten kwam er een heer, die door allen zeer onderdanig gegroet werd, schoon men achter zijn rug gebeurde of legendarische galante avonturen van hem vertelde. Hij nam plaats in het kantoortje, trok zijn jas uit, die door een toegeschoten jongste bediende ceremoniëel in ontvangst werd genomen, draaide het licht op, zette een bak met geld op den lessenaar en stak eene sigaar op, met een houding als de groote Mogol zelf.

Een andere klerk legde de betaallijst naast den geldbak. Dan schoof de heer het raampje op, één der sjouwers ging er met ongedekt hoofd voorstaan, zei zijn naam, streek het voor hem neêrgetelde geld met een »dankje mijnheer!« op, zette zijn pet op, trok dan de klep wat dieper in de oogen en ging heen. Zijn plaats werd door zijn buurman ingenomen. Zóó deden ze allen. Alleen de wijze van groeten verschilde: er waren er ook, dieaan een haarlok trokken of met den wijsvinger aan hun slaap kwamen.

Opmerkelijk was, dat, hoe er ook door de ouderen gedrongen werd om vóór te komen, ieder toch plaats maakte voor de magere, bleeke kinderen, die in vaders plaats geld kwamen beuren.

Wie zijn geld had ging allereerst in de herberg schoonschip maken.

De jongere bleven buiten, zoo lang het mogelijk was. Ze waren gewoon, »er hun avond aan te spandeeren.« De meesten zaten dik in de schuld. Konden of wilden ze niet betalen, dan volgde er onvermijdelijk een standje, want Leen posteerde zich vlak voor de deur, als ze merkte dat een harer schuldenaren het pakhuis binnen ging. En dan hielp geen moedertjelief. Om geen noodelooze getuigen te hebben, kwam men liever achteraan. Hadden de anderen echter in de gaten, dat er iets aan ’t handje was, dan »verdomden ze het, weg te gaan.«

Algemeen was het gevoelen, dat de kastelein om den hoek veel liberaler was. Wie niet betaalde, moest hebben wat er op zat en kon zijn keel wel aan den kapstok hangen—geen droppel kreeg hij meer op krediet—dat alles was waar; doch—hij maande niet. En dat deê Leen wel. Gewoonlijk borrelden dan alle grieven, die men tegen Leen had, tegelijk op en elk, die ook al eens een standje met haar had of zeker was, vandaag of morgen in hetzelfde geval te verkeeren, beijverde zich, karakterfeilen van haar aan te toonen. Zoo had ze het eergevoelvan den eengekwetst door op beschermenden toon tot hemte zeggen, bij gelegenheid, dat hij verscheidene broodjes met ham naar de wacht had gesleept: »de kat zal met je leege maag niet wegloopen.« Een ander kwam met het gewetensbezwaar, dat je het geld, waarop ze t’huis met smart zaten te wachten, toch moeielijk door Leen kon laten inslikken. Tegen dit laatste werd wel aangevoerd, dat hij dan geen broodjes moest koopen; maar hij vond, dat ellende met zuur bier ook niet alles was en dat een brutaal mensch de halve wereld heeft. En eerlijk!—nu ja; maar Leen zou ook wel schulden hebben. Dat deed de deur toe en allen schaarden zich aan de zij van den kwaden betaler.

Leen echter beleed de leer, dat praatjes geen gaatjes vullen en liet zich niet paaien met koeien met gouden horens, in den vorm van een kwartje afbetaling per week. Ze was pessimistisch en vertrouwde de lui volstrekt niet verder, dan ze ze zag. Ja, ze was op geld als de duivel op een ziel, maar als ze geen geld kreeg, dan kon ze haar menschen ook niet betalen. Dat klonk als een klok, zou ze meenen.

Gewoonlijk kraaide heur haan victorie.

Eens op een Zaterdagavond, toen ze de lui van de Waterstraat achter de vodden had gezeten, maakte ze zich op, om hare klanten op eene andere plaats aan hunne verplichtingen te gaan herinneren. Onderweg wijdde ze Lou—met wie ze nu geheel verzoend was, hoewel er juist geen teederheid in hare betrekking met het spichtige meisje was—in de geheimen van haarbedrijf in. Lou had gevraagd, waarom ze liet borgen. En Leen leeraarde, dat poffen ook zijn voordeden had, als je maar geen lobbes was. Ze hield niet van de lui, die kontant betaalden. Ten eerste, hadden ze gewoonlijk eene bombarie van belang en zagen tegen een oudbakken broodje op als tegen een berg, net of ze altijd pastijtjes aten. En ten tweede: ze waren ordinair geen vaste klanten, maar gingen soms bij afwisseling in een herberg, waar ze jenever of eieren of gebakken scholletjes kochten, vel over graat. En het was toch maar waar, dat het zoo verteerde geld haar neus voorbij ging. Die poften daarentegen, dorsten niets te zeggen, als ze broodjes van den vorigen dag kregen—die Leen heel goedkoop inkocht—al waren ze zoo droog als Sinterklaas zijn naars, of als voor hun neus water bij de koffie werd gedaan. Een schaduwzijde van borgen was echter, dat ze wel wilden vreten, maar als het op betalen aankwam, ho maar! Dan waren ze niet te spreken, als je er tenminste niet als de kippen bij was.

Dit onderricht werd gegeven op geheimzinnige stem, net als een godsspraak, want Leen had haar doek over het hoofd geslagen. Het was wel een zomeravond, maar er viel eene fijne, kille regen. En die doet net als de fijne lui: ze bedonderen je, waar je bij staat.

Onderwijl had het paar de Loodsstraat bereikt, eene donkere straat met slechts twee lantarens en die gevormd werd aan de eene zijde door den achterkant van donkere pakhuizen, aan de andere door een preutsche grauwe kerk met ijzeren hek en eenige gesloten werkplaatsen.Alleen in de korte dwarsstraat, die op een grooten inktvlek, de donkere haven uitkwam, was een wagenmaker bezig. Zijn gehamer en nu en dan het bassen van een waakhond op een der schepen, door verspreide lichtjes, welke door de duisternis pinkten, te raden, brak de stilte af. Doode boomen, wier vormen bij het licht eener eenzame, flikkerende lantaren een oogenblik als houtskoolstrepen uitkwamen, om dan weer als weggedoezeld te worden, en de oude verwaarloosde loods aan het eind, ter nauwernood tegen den zwarten achtergrond uitkomende, gaven het oord iets ruïneachtigs.

Aan den hoek van de dwarsstraat bevond zich in de Loodsstraat een gesloten smederij, op welks stoep roestige hekken met dikke ketens vastlagen en daar tegenover, aan de andere hoek eene herberg, waar een deel der sjouwers betaald werd.

Het uur van betalen was onzeker. Soms was het acht uur, maar meestal werd het negen. Er was geen peil op te trekken. Die om het geld verlegen waren, begaven er zich reeds tegen zeven uur heen, opgedirkt, als de gewoonte is. Hetzij er legenden omliepen van betaling te zeven uur, hetzij om andere redenen, met zekere koppigheid bleef men der traditie getrouw, lang vóór zevenen present te zijn. De herbergier, familie van den baas, had zijn warm lokaal zeer onbaatzuchtig voor de betaling beschikbaar gesteld. Noodig was het niet, gedwongen was men evenmin; maar het was natuurlijk, dat men de herberg koos boven de straat en om zich eene houding te geven, diende men ietste gebruiken. Duurde het wachten lang, dan gebruikte men meer dan men van plan was. Ook die veel wilskracht hadden kwamen er toe en van dat artikel zijn de sjouwers over het algemeen slecht voorzien. De vriendelijke waard scheen zelfs niet om betaling te denken.—Als de baas binnenkwam met de lijst, werden de namen afgeroepen en de waard, die betaalde vroeg op eigenaardig vriendelijken toon: »En …. hoeveel vertering?« Tien, honderd tegen een, dat iemand, die zich nòch door somberheid en ontevredenheid, nòch door menschelijk opzicht liet verleiden—ik weet niet, of er ooit zoo iemand was—door de vraag des waards bezweek.

Op zulke avonden moest Leen maken, dat ze er bij was. Nu of nooit. Ze posteerde zich met Lou bij de smederij. In de verte stonden vrouwen, die hun echtgenooten niet met geld alleen over de straat dorsten laten gaan. Kapelletjes zijn er meer dan zat, die tot offeren nopen.

Leen klampte hare voorbijkomende klanten aan. Die haar kenden, kwamen gewillig, zij het ook met loode schoenen. Voor dralers was geen genade, wisten ze. En doorsnappen—daartoe bestond geen kans, nooit of nimmer. Ze had er den schrik onder. Eén man bleef dien avond zitten, een man van een jaar of vijf, zesendertig. Met een half glas Beiersch vóór zich, keek hij somber voor zich heen, de hand onder het hoofd. Hij gevoelde, dat Leen door de glazen naar hem keek.

In de straat was het stiller geworden. De wagenmaker had fluitend de blinden voor gezet. Nu en dan hoorde men de zwakke tonen van een trompet, die geblazenwerd in een danshuis, een paar honderd schreden verder. Lou maakte er haar moeder opmerkzaam op, dat aan den overkant, tegen de deur van een pakhuis aangedrukt, eene vrouw stond, met een jongentje en een meisje, die zich tegen haar aanklemden en op medelijdende, troostende stem tegen haar spraken. Leen meende dat het de vrouw van den plakker zou zijn.

Deze zag wel, dat de kastelein, die graag wilde sluiten nu hij toch geen bezoekers meer verwachtte, hem met een scheel oog aankeek; maar hij bromde tusschen de tanden: »hangen heeft geen haast, het is verdomd geen aangenomen werk!« Maar zoo’n vent, die den godganschelijken avond achter één vet glas bier zat te koekeloeren, en bovendien oorzaak zou kunnen worden van gebroken ruiten—»wie zal dat betalen, zoete lieve Gerritje« floot de waard—zoo’n vent zou de kastelein wel dood willen kijken. Dat er gebroken ruiten zouden komen, dat was zoo zeker als Aai leeft. Hij had Leen wel zien staan en hij wist, welk vleesch hij in de kuip had. Hij kende zijn klantjes. Ze was geen kat zonder handschoenen. Een kanjer. Een mannetjesvink. Een »vromes« van heb ik jou daar. Laat die vent naar de maan loopen en sterren plukken.—Met dergelijke gedachten in het hoofd liep hij de holle gelagkamer door, volgde de kronkelingen van het zand, dat door middel eener trekpot in kunstige figuren en krullen op de koraalroode vloer was aangebracht, verschikte het een en ander, en … Maar zijn herbergiersgevoel veroorloofde hem niet, een klant, ook geen kale, onbeleefd weg te jagen. Men konnooit weten. Klanten zijn gemakkelijker te verliezen dan te winnen en al was het me dan ook een klant van het jaar nul—een half ei is beter dan een leegen dop.Allichthad ook hij zijn rojale buien; tijden, waarin het er aan zat en hij eens ferm in de bus blies.

»Woon je ver weg?«

»Neen.«

»Stik« dachten ze gelijktijdig …..

»Wou je nog een glas?«

»Neen, ik heb nog!«

»Barst!« dachten ze.

De woorden kwamen den man onwillig uit de keel. De menschkundige waard begreep—hij kende het klappen van de zweep—dat zijn gast in de rats zat.

De man keek naar een papier achter een glazen ruit in een lijst. Het papier was beschreven met de woorden: »Loterijvereeniging onder de zinspreuk: Deelen zij ons doel!« Dat opschrift was met grootletters geschreven. Het reglement of de statuten, in kleinletters, kon men op een afstand niet lezen. De waard, die zijn oog had gevolgd, onderrichtte hem, dat hij gouden horloges en vette ganzen verlootte, navenant. Later, later zou de gast ook wel eens een lot nemen.

Plotseling dronk hij zijn reeds betaald glas leeg en liep, heb ik jou daar, de straat uit. Zijn vrouw volgde hem. Het jongetje haalde hem in, trok hem aan de slip van zijn jas en hijgde: »Vader dan, wij zijn er. Moeder roept je!« De vrouw was hem nu genaderd. Leen hoorde haar zeggen:

»Jan kom nu meê! ’k Heb al zoo lang staan wachten en de kinderen zijn zoo koud.«

»Meegaan! ’k Zou verdomme niet weten, waarvoor.«

»Ja, Jan, dat weet je wel. Anders heb je morgen weer berouw, net als verleden week. Je hebt me Zondag heilig beloofd, dat het nooit, nooit meer zou gebeuren.«

De man had telkens schichtig omgezien, of geen zijner kameraden het kon hooren en hem later bespotten. Leen hield zich schuil.

»Nu, daar heb je een paar gulden, maar ik wil niet als een klein kind achterna gezeten worden, hoor! Ik zal naar geen zeven slooten tegelijk loopen. ’k Ben mans genoeg om op mezelven te passen. Wel allemachtig, sta je daar nu weer te grienen? Wàt de huur! Breekt die huur je den nek? Nu maar, de huisbaas behoeft er geen brood voor te koopen. Later zullen wij wel eens wat meer betalen. Ik verdom het om altijd zonder geld op zak te loopen, net als arremie. ’k Heb muizenissen genoeg!«

De kinderen huilden en de vrouw bezwoer hem ….

»Loop naar den bliksem!«

Hij-zelf liep de Loodsstraat uit. Leen volgde het viertal. Op de haven scheen Jan bevreesd te worden door de sjouwers bemerkt te worden, die aan de leuning der brug nabetrachtingen hielden.

Ruw zeide hij: »Maar nu moet het voor den donder uit zijn. Denk je, dat ik me aan wijvegesin zal storen? Dan had ik wel dagwerk. Alló, marsch of ik schop je weg. En die huilebalken ook!«

De vrouw keerde zich om.

»Je hebt groot gelijk, dat je mijn geld bewaart,« zei Leen, die nu op de proppen kwam. Lou dacht: »Hoe kan ze dat nu zeggen.« De man, slechts even van zijn stuk gebracht, zei: »’t Spijt me erg, maar je zult moeten wachten. ’t Komt me niet gelegen!«

»Morgen brengen. Ik verdom je lekker. Waarvoor zie je me aan. Voor zoo’n mem als je malle vrouw? Om den bliksem niet, daar kan je donder op zeggen!«

»Nou, maak maar zoo’n drukte niet. Het zou geen doodwond zijn. Je zal je geld krijgen, houd je maar aan de wolken vast, de andere week. Je verdient je geld gemakkelijk genoeg. Ons zweet en bloed vreet je, flikkersteen! En nu, ik ga!«

Hij wuifde met de hand; de audiëntie was geëindigd.

»Ga met God, dan heb je een goeden leidsman! Maar eerst zullen we leien bakken. Ik laat me zoo niet afschepen!«

Ze beriep zich op de sjouwers, die natuurlijk reeds een kring om de twistenden hadden gevormd.

»Ze heeft gelijk, eerlijk is eerlijk!« wijsde die jurie.

»Bliksemt op. Ze kan het toch niet van mijn zielement afsnijden?« wenschte Jan te weten. »Jullie bent twee handen op een buik!«

»Hou jij je mond maar, baron! Anders zullen we een boekje van je opendoen!«

»Dát is gelogen. Mijn Jan mag wezen wat hij wil, hij is niet slecht,« riep Jan’s vrouw onder algemeene hilariteit.

»Godallemachtig, vrouwtje, we zeggen niets van je Jan. Je Jan is een braaf jongetje. Hij is goed door zijn heele donderement heen, als je maar naar mijn hoofdje kijkt.« (Spreker schudde »neen.«) »Zet hem onder een stolp.«

Onder een homerisch gelach beval Jan statig:

»Ga heen, Jo, je past hier niet.«

»Meneer de baron« spotte men. »Edelachtbaar lid van het zeerebeenenhuis.«

Velen boden aan, de jonge vrouw naar huis te brengen en haar dien nacht te troosten. Ze bedekte de oogen met de handen, want sommige kerels naderden haar gelaat met hun uitpuilende oogen, waaruit haar wellust en dronkenschap toe gloeiden. Ze stonken naar jenever en vuile tabak.

De kinderen kropen verschrikt tegen haar aan.

»Alle gekheid op een stokje« schetterde Leen. »Betaal je, ja of neen!« Jan antwoordde op dit ultimatum:

»Neen, voor den donder! neen, neen!«

»Maak plaats, jongens!« beval Leen.

Er vormde zich een open. Leen stroopte de mouwen op. Men stond nu bij de brug, vlak onder een lantaren met grooten vlam, zoodat alle bewegingen goed zichtbaar waren.

De strijders namen elkaar op. De aderen aan de slapen zwollen tot dikke koorden, de tanden knarsten. Met stijf opeen geperste lippen vlogen ze op elkaar aan. Jan greep Leen om het midden en poogde haar op te tillen, om ze dan op den grond te kwakken.

Zijbeproefde, hem beentje te lichten; tegelijk kneep ze hem den gorgel dicht. Door haar rokken werd ze zeer in hare bewegingen belemmerd. Hij kokhalsde en liet los.

»Geef mijn geld« klonk het stootend en snerpend.

»Neen, verdomme!«

Eer Leen den aanval kon beginnen, wierp Jan’s vrouw zich op haar en begon haar te krabben, terwijl de kinderen zich aan Leens rokken vasthechtten, die weldra in flarden langs haar beenen slierden. Men wilde wel eens zien, hoe ze zich zou houden. Lou wilde haar te hulp komen, maar Jan wierp zich met zijn volle gewicht op zijne vijandin.—Ze kwam met een doffen smak neêr; het jongentje, dat nog van achter aan haar rokken hing en daardoor haar aandacht had afgeleid, onder haar.

Jan ging op haar zitten en sloeg haar met beide vuisten. Leen greep een haarspeld en doorkerfde hem het gelaat op verscheiden plaatsen, zoodat de man van pijn met een ruwen vloek opsprong. Hij veegde het bloed, dat zijn oogen verduisterde, van het gelaat, met een slip van zijn bemodderde, gescheurde jas.

Nu eerst gelukte het Jo, haar zoontje onder Leen weg te trekken. Met de hand op het hoofd van het knaapje, dat stuipachtig weende, keek ze bleek en ontroerd toe, van tijd tot tijd een andere plaats kiezende, als ze eene arm voelde naderen.

Een donderend bravo had Leen toegeklonken, toen ze opstond. De toeschouwers gingen geheel in den strijdop. Hun oogen puilden uit en een harde, bloeddorstige uitdrukking kwam op der meesten gelaat. Leen geleek eene furie. Hare lange haren, glanzig en vettig van de lampolie, hingen in bosjes rond haar hoofd. Gelaat en boezem—geheel ontbloot—waren met lange krabben bedekt. Wild golfde de borst, want ze was buiten adem. Eer ze zich had hersteld, wist Jan met vluggen sprong op haar rug te komen. Ze viel plat op het gelaat. Hare rokken sloegen over haar hoofd, Jan, die even had losgelaten, was haar onmiddellijk op den rug en beukte haar op het achterhoofd, op de half ontblootte rug, waar hij haar maar raken kon. Een schok voer door de omstanders. Hun oogen vlamden en waren door een rooden rand omgeven. Hun gelaat gloeide. Zoo staarden ze toe, den adem inhoudend en dan weer met een zucht latende glippen.

Daar schoot Lou vooruit, schikte haars moeders rokken zoo goed het ging en trok den man aan de haren. Daardoor gelukte het Leen, met een flinken draai de rollen te verwisselen. Lou, tevreden over haar succes, begaf zich op zij.

Het zoontje van Jan schopte haar tegen de beenen.

»Leelijke meid, dat was gemeen! Je bent een valsche kat. Mijn vader aan zijn haar te trekken.«

»Een mooi vadertje! Maar jij hebt hem straks immers ook geholpen?«

»Ja, maar dat ’s iets anders.Hijheeft gelijk!«

Lou haalde hare schouders op.

»Waarom is jou vader niet hier om te vechten? ’t Isme wat moois, dat eene vrouw vecht. Bah!«

Lou zocht een ander plaatsje.

Zoo kwam het, dat ze niet hoorde, wat Jan van haar moeders lichaamsgesteldheid had gezegd. Nu hoorde ze hem met verstikte stem zeggen: »Als ik mijn handen vrij krijg, zal ik ze overtuigen.«

Maar dat gebeurde niet. Door Leen’s slagen en zijne vergeefsche pogingen om zich aan Leen’s ijzeren knieën te ontworstelen, raakte hij bekaf.Zijwas letterlijk blind en doof en hoorde dus niet, dat sommigen haar aanhitsten. Anderen riepen: »Je hoeft ze waarachtig niet op te warmen. Ze is mans genoeg!«

Leen haalde haar geld uit zijn zak en wierp der vrouw de rest toe.

»Heb je je bekomst?« Daar hij het stilzwijgen bewaarde, gaf ze geen gehoor aan de aansporing: »Geef den baron de rest.«

Ze schikte haar kleederen goed, bedekte den boezem met de doek, die in het begin van haar hoofd gevallen was, veegde het gelaat af en ging met Lou heen, nagestaard met ontzag en bewondering.

Nu eerst gelukte het een agent, zich een weg door den volkshoop te banen. Doch hij bleef steeds te midden van een groepje, dat hem kwasie nieuwsgierig aanstaarde. Ieder riep om het hardst: »Maak plaats voor den agent!« maar onttrok Jan ondertusschen aan zijn blikken. Hij was echter geheel niet overtuigd, dat er niets te doen was en toen eene oude juffrouw met een bult vroeg: »Waar is de brand agent?« antwoordde hij norsch: »Inde hel!« De oude juffrouw vond dat goddeloos. Ze keek hem met open mond na en begon toen met een oud heertje te philosopheeren over »de hondschheid der beambten.« Spoedig echter moest ze haar ontboezemingen staken, want een troep jonge kerels riepen: »Een hazelaar. Zzz! Zzzz! Ik heb er een!«

Onderwijl was Jan bekomen. Hij eischte het geld terug, dat Jo van Leen had gekregen.

»Ja, Jan, maar …..«

»Hier of ik spring in ’t water.«

»o Neen, lieve Jan, daar heb je het.«

»En nu, opgerukt, marsch!«

En ze ging.

»Een lief wijfje« zeiden sommigen. Maar: »’t Lijkt wel eten van de wacht!« zeiden de kieskeurigen. Misschien, omdat de druiven te hoog hingen.

Jan zocht met eenige makkers eene herberg op. Onder een bittertje deed hij er een duren eed op, dat hij »den dondersteen later zou spreken!«

Men verspreidde zich.

Het gerucht van brand, dat gewoonlijk onder een Watersumschen troep ontstaat, deed de menschen spoedig naar Oost en West hollen. De spuiten rukten uit en weldra was men druk bezig, »den brand te zoeken.«

De haven werd stil en ledig.


Back to IndexNext