HOOFDSTUKXIII.

HOOFDSTUKXIII.“GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!”“Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva,” antwoordt de oude man, buigend tot op den grond. “Waarom wenscht gij, dat mijn dochter Antwerpen zal verlaten?”“Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en naar het Spinhuis te brengen.”“Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne geen kwaad doen,” zegt de oude man op gestrengen toon. “Zij is den laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis, Dona de Alva.”“Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet.”“Groote God, gij bedoelt toch niet—het gedeelte voor slechte vrouwen—het uitvaagsel van de stad?” stamelt Bodé Volckers.“Ja.”“Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en afscheid, die zij dezen armen schepels geven?”“Ja.”“Mijn Mina!” gilt de oude man. “Mijn Mina!” zijn handen wanhopig wringend. Dan roept hij uit:“Voor welke misdaad?—voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar de ergste misdadigsters—voor welke misdaad?”“Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader.”“Oliver, de onder-secretaris van uw vader?”“Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo diep vernederd en verlaagd zal worden,” vervolgt Hermoine, bijna even wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen en schijnt niet in staat tot handelen.Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man, die zijn kind wil vernederen, en sist: “Maar uw vader, van wien dit uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker—”“Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn dochter,”—haar toon is bevelend, doch weemoedig. “Ik vergeef u uw verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn vaders staatkunde te critiseeren. Daarin mengikmijzelfs niet, ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter moge stemmen. Iederen avond bid ik: ‘Geen bloed meer.’ God alleen weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt, zal ik het doen.”En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks kan loopen, roept zij ongeduldig uit: “Zorg voor een boot—een schip,spoedig! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land, naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen.”Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt: “God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt—God zegene u! Ik weet iemand,die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht.”“Op wien?”“Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,—die in de kamer hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier—majoor Guido Amati.”“Groote goden, wat een aanbeveling!” mompelt Guy, rillend, terwijl hij doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion, die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen.Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter gegaan.Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart, er onder dreigt te bezwijken.God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is?Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een verklaring,—voor zijn liefde.Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt, springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: “Is dit het besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?” en zij voegt er spottend aan toe: “Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het aangezicht van den vijand, is desertie—”“Zonder verlof,” valt Chester haar in de rede, “waarom denkt gij dat?”“Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor Guido Amati.”“Dan heb ik het aan uw invloed te danken,” zegt Guy op treurigen toon, “aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen.”“Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart.”“Dat was een leugen!”“Een leugen?”“Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeftverteld, evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden vertelde,—dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?”Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht voor haar en zij roept uit: “Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles, wat een vrouw u zou kunnen verzoeken.”“Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was, zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?” en hij gaat voor haar staan. “Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?” En naar haar vinger kijkend, schrikt hij en roept uit: “Groote God, de ring is weg!” en hij barst uit: “Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?”En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer, maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen, maar de zielvolle, hartstochtelijke,werkelijkeoogen van Hermoine de Alva.Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed en beweeglijke vrouwelijkheid.“Nu ben ik de rechter, niet gij!” roept hij uit. “Antwoord mij!” want zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige: “Vergeef mij!”Maar het jaloersche hart antwoordt: “Neen.”En zij zegt: “Gijmoet!”“En waarom?”“Om deze reden.” Zij spreekt nu op smeekenden, weemoedigen toon. “Ik meende—ik stem nu toe, mijn Guido, ten onrechte—dat gij mijner niet waardig waart. Als ik, de dochter van den Viceroy—”“Boete!” roept Guy uit, bijna werktuiglijk, en in een oogwenk verdwijnt de trots van de dochter van den Viceroy en van het gewonde hart van Hermoine de Alva voor het liefdebevel. Hij drukt zijn lippen weer op de hare, de lippen, waarnaar hij zoo heeft gehunkerd, haar zachte armen omklemmen hem,—de armen, waarnaar hij heeft gesmacht. En op dit oogenblik gevoelt Chester, dat hij, ofschoon hij omringd is door zijn vijanden, zal overwinnen, en hij vreest den haat van den vader niet meer, nu hij zeker is van de liefde der dochter.“Foei,” roept het meisje uit, moeite doende om zich vrij te maken. “Wat houdt gij er een mooie logica op na! Gij noemt mij trouweloos en gij wilt mij niet toestaan mijn mond te openen, om mij te verdedigen.”“Wat is logica vergeleken bij uw trouwe oogen?” fluistert Guy, “ik verlang kussen van deze lippen, geen woorden.”“Geen kus meer, eer ik mij verdedigd heb.”“Waarom niet?”“Omdat, ofschoon gij mij kust, alsof—gij mij liefhadt,” antwoordt het meisje, vuurrood wordend, “er toch nog jaloezie in uw oogen te lezen is en ik niet wil, dat gij jaloersch zijt, mijn Guido, want daarvoor hebt gij geen reden. Gij zijt heengegaan en hebt mijn hart meegenomen. Mijn geschenk, mijn portret was in uw handen. Ik was nog geen week in Brussel, of men vertelde in de stad, op zulk een wijze, dat het mij ook wel ter oore moest komen, dat in plaats van zóó te leven, dat gij spoedig den rang zoudt verwerven, die u tot den mijne zou maken, gij vergeten waart dat—ik u mijn hart had gegeven, en dat gij leefdet—niet als—als een edelman, maar als een losbol, nog erger dan dat, als iemand, die niet om mijn liefde gaf. Hetgeen iedereen zeide,—ik kende u niet langer dan twee dagen,—bracht mij aan het twijfelen. Toen informeerde ik naar u,—in zoover als een jonge dame naar een jongen man kan informeeren, van wien men veronderstelt, dat hij haar onverschillig is,—en ik kreeg hetzelfde antwoord.—‘Gij waart dapper, zelfs roekeloos—maar uw leven was een beleediging voor mijn liefde.’”Zij kijkt hem treurig aan. “Toen wist ik door mijn invloed bij den gouverneur van Middelburg te bewerken, dat aan majoor Guido Amati geen verlof zou verleend worden, om naar Brussel te gaan, zoodat hij mij niet meer zou kunnen bepraten en maken, dat ik hem vergaf,—zooals gij nu hebt gedaan! Heilige Maagd, Guido! als gij mij bedrogen hebt, dan—”“Verdien ik, dat gij nooit de mijne wordt,” roept Guy uit. “Maar ik ben u trouw, ben u altijd trouw geweest. Goede hemel! denkt gij, dat ik zooveel lieftalligheid binnen een week zou kunnen vergeten, binnen een maand, binnen een jaar—mijn geheele leven? Gij zijt de dochter van den Viceroy—”“Boete!” lacht het meisje, bloost echter terstond en tracht weg te loopen.“O, ik zal ze betalen, zelfs tienvoudig.” Hij neemt haar weer in zijn armen.Plotseling zegt zij, verbleekend: “Gij zijt weer afwezig zonder verlof.”“Ja, dat is uw schuld!” Hij zegt dit op achteloozen toon, doch schrikt, als hij ziet, hoe zij het zich aantrekt.Zij fluistert met witte lippen: “Desertie uit het leger, terwijl Middelburg omringd is door vijanden,—dat wordt niet gestraft met het verlies van uw rang—maar met het verlies van uw hoofd. Mijn vader handhaaft streng de tucht.”“Wat geef ik daarom!” antwoordt Chester, “het was immers mijn eenige kans, om u te zien.”Dit grieft haar geducht, doch toont tevens, hoeveel zij van hem houdt, want zij wordt bleek en stamelt: “Gij hebt uw leven dus gewaagd om mijnentwille. Beloof mij, dat gij dit niet weer zult doen. Beloof mij, dat gij vandaag naar uw post zult terugkeeren. Ik heb u een verzoek te doen. Terwijl gij voor uw eigen veiligheid zorgt, kunt gij meteen die arme koopmansdochter in veiligheid brengen. Haar vader zegt mij, dat gij een schip te uwer beschikking hebt.”“Zooals ook mijn leven te uwer beschikking staat!” antwoordt Chester. “Laat deze zaak geheel aan mij over. Al hadt gij het mij niet verzocht, dan zou ik toch de beminde van mijn vriend voor die vernedering hebben bewaard.”Hij begrijpt eensklaps, dat het beter is, niet verder met Hermoine over Oliver te spreken, doch zij zegt: “Ja, die verrader was uw vriend!” en zij vraagt met angstige lippen: “Hoe was het mogelijk, dat gij zoo bevriend waart met een vijand van Spanje?”“Uw vader vertrouwde hem, waarom zou ik het dan niet hebben gedaan?” antwoordt de Engelschman, die altijd terstond met een antwoord gereed is; maar hij voegt er treurig aan toe: “Het spijt mij, dat ik na het gebeurde genoodzaakt zal zijn, dezen Oliver overhoop te steken.”En met deze leugen op zijn lippen, keert Guy zich om, want Bodé Volckers klopt aan de deur. Als hij ze heeft geopend, spreekt hij op zulk een kalmen toon den burgemeester aan, dat de oude man hem verwonderd aankijkt en niet weet, wat hij er van moet denken.“Op verzoek van Dona de Alva heb ik op mij genomen, uw dochter in veiligheid te brengen. Geef bevel, dat uw twaalf kisten met goederen terstond aan boord van deEsperanzaworden gebracht.”“Dat is reeds geschied,” mompelt Bodé Volckers, Guy met verbaasde oogen aanstarend; en hij stamelt: “Gij zijt toch—gij zijt immers wel nuchter genoeg voor deze zaak?”“Diablo! Nuchter genoeg om u aan te durven,” snauwt Guy, zich eensklaps zijn rol van dronkenlosbol herinnerend. “Stuur een voldoende som geld aan boord, om de uitgaven van uw dochter te kunnen bestrijden—en de mijne ook!”Deze woorden zijn typisch voor den Spaanschen officier Amati, en Niklaas slaat, aan diens beruchtheid als doordraaier denkende, zijn handen ineen en smeekt: “Ik ben genoodzaakt haar aan uw hoede toe te vertrouwen. Zij is mijn lievelingskind. Gij kunt alles van mij krijgen, mijn geld, mijn leven, doch spaar mijn kind. Als het water mij niet aan de lippen stond, denkt gij dan, dat ik mijn lam onder de hoede van den wolf zou stellen?”Bij deze vleiende opmerking klemt Guy zijn tanden op elkaar, slaat hooghartig als een hidalgo, zijn hand aan het zwaard en sist:“Maldito! Heb ik haar, de dochter van den Onderkoning, niet gezworen, de kleine heks in veiligheid te brengen, waarheen gij haar wenscht te zenden? Naar welke stad, die zich voor Oranje heeft verklaard en waar een Hollandsche bezetting ligt, moet uw dochter gezonden worden? Noem de plaats, en het zal geschieden.”“Haarlem!” antwoordt de oude man, “ik heb vrienden in Haarlem,”—later had hij zich om dat gezegde de tong wel willen afbijten.“Goed,” zegt Guy. “Breng uw dochter terstond hier.”“Zoo aanstonds. Mina pakt.”“Pakt? Idioot! Meent gij, dat zij fraaie kleeren zal noodig hebben in het Spinhuis? Haast u en behoed den blanken rug van uw dochter voor de geeseling. Vlug!”Vol ontzetting over dit beeld, snelt de burgemeester heen en Guy bijt half en half ontevreden op zijn knevel, want hij voelt, dat het zijn plicht is, den ouden man tot spoed aan te zetten, maar hij weet ook, dat hij daardoor een onderhoud bekort, waarvoor hij zijn leven zou willen geven, om het te rekken. Nu keert hij zich om en kijkt naar Hermoine de Alva.Deze heeft hem den rug toegekeerd en schijnt met haar hand in haar boezem ijverig naar iets te zoeken.Als Guy de deur sluit, slaakt zij een zucht van verlichting, alsof zij heeft gevonden wat zij zoekt, en als hij zijn armen om haar heen slaat, fluistert zij: “Die arme Bodé Volckers zal dadelijk terugkomen en dan moet gij gaan. Ay de mi! de tijd is kort. Maar aan mijn vinger heb ik weer den ring, die mij aan u zal doen denken.”Tot zijn onuitsprekelijke vreugde ziet Guy, dat zij den ring met den brillant opnieuw aan haar ringvinger heeft.“Zweer nu, steeds aan mij te denken als uw trouwen ridder, wat men ook van mij moge uitstrooien,” fluistert hij.“Ja,” antwoordt het meisje, “als men mij zegt, dat gij mij ontrouw zijt, zal ik tot mijzelve zeggen: het is een leugen. Als men mij zegt, dat gij een dronkaard zijt, zooals die oude, onnoozele Bodé Volckers mij vertelde,” zij kijkt met oogen, vlammend van verontwaardiging, naar de deur, waarachter de burgemeester verdwenen is, “zal ik zeggen: mijn Guido heeft mij eens bewezen dat het een leugen was, nu weet ik, dat het altijd een leugen is.—Maar zult gijwel ooit tot mij terugkeeren?” vervolgt zij nu op treurigen toon. “Ik weet, dat gij nu naar uw post terug moet. Er is slechts één plaats, als er oorlog is tegen de vlag van Spanje, waar de verloofde van Alva’s dochter zich behoort te bevinden, en dat is op het oorlogsveld! Slechts daar kunt gij roem en glorie verwerven, groot genoeg om naar mijn hand te dingen.”“Twijfel daaraan niet, ik zal dáár te vinden zijn, waar de strijd het hevigst is,” mompelt Guy grimmig, “en het is voor u, dat ik vecht, al waardeert Alva ook misschien mijn streven niet.”“Mijn vader beloont steeds dapperheid en goed gedrag, onthoud dat, majoor Guido Amati de Medina,—dapperheid en goed gedrag. Gij moogt den moed van een paladijn hebben, het zal u niet in rang doen stijgen, als gij geen hersens bezit. Mij dunkt, gij hebt overvloed van beide,” lacht zij, de krullen van Guy’s hoog voorhoofd wegstrijkend, en roept opeens opgewonden uit: “Wel, gij hebt het voorhoofd van een schaakspeler!”“Ja, het spel waarin de ridder1de koningin neemt,” fluistert Guy.“Dan moet hij zeer galant en teeder en bescheiden voor zijn gevangen koningin zijn,” roept het meisje blozend uit, met een teederen blik in haar oogen. Want de ridder heeft naar zijn woord bezit genomen van de koningin van zijn hart, en wel op een buitengewoon hartstochtelijke wijze, en voor een oogenblik komt de verzoeking bij hem op, haar met geweld te ontvoeren.Het volgend oogenblik begrijpt hij echter, dat het nu de tijd niet is, om dit voornemen uit te voeren of moeite te doen, om Hermoine over te halen, hem vrijwillig te volgen, want hij zou voor niets ter wereld den goeden naam van haar, die hij zoo hoog stelt, in gevaar willen brengen, en buitendien klopt de burgemeester ook reeds aan de deur.“Herinner u—”Zij spreken het gelijktijdig uit en met een kus beletten zij elkaar, den zin aan te vullen. Het is hun laatste omhelzing, eer Guy met een kloek besluit de deur opent en Niklaas binnenlaat, gevolgd door juffrouwWilhelmina, die er beklagenswaardig uitziet in haar meer dan eenvoudige kleeding, zonder iets van de luxe, die zij vroeger in haar toilet ten toon spreidde.De sporen van tranen zijn nog op haar wangen aanwezig, zij ziet zeer bleek, doch haar oogen schitteren zenuwachtig en verleenen een vreemde schoonheid aan haar gelaat.“Haast u! er staat een rijtuig voor de deur,” mompelt de burgemeester. “Ik heb zooveel bagage, als ik kon vinden, naar het schip gezonden. Uw kamenier gaat mee.”Mina valt hem echter in de rede en gaat op Hermoine de Alva af, die haar treurig aanziet, als zij vraagt:“Vertel mij wat van hem!”“Hem—van wien?”“Mijn Oliver. Is hij in veiligheid?”“Voor het oogenblik, ja.”“Goddank!”“Ja, de verrader Oliver is den vorigen nacht uit Brussel gevlucht. Dezen morgen kregen wij bericht dat hij Bergen had ingenomen met acht man.”“Acht man! Ah! Dat was een heldendaad! Acht man een bezetting verrassen! Maar Lodewijk van Nassau zal ongetwijfeld zoo vlug mogelijk uit Frankrijk de stad binnentrekken. Uw held is veilig, kleine Mina!” roept Guy uit, geheel zijn rol van Spaansch officier vergetend in zijn geestdrift over de dapperheid en den roem van zijn vriend.“Ja, hij is veilig,voor het oogenblik,” laat nu Hermoine zich hooren. “Hij is een dapper man en een groot schilder. Ik wil voor zijn altaarstuk zorgen. Máar, o misericordia!”—zij slaat haar oogen ten hemel en zegt op angstigen toon: “Ik smeek God, dat mijn vader hem nooit levend in handen moge krijgen.” En zich tot Mina wendend, vervolgt zij zeer ernstig: “Als gij uw beminde ooit weer moogt spreken, smeek hem dan, zoo hij tenminste de verschrikkingen van de hel vreest,zich nooit levend te laten gevangennemen! Het is jammer, dat zulk een dapper en talentvol man mijn vaders brood at en hem verraadde. Toch, majoor Guido Amati, draag ik, vertrouwende op uw woord van edelman, u op, dit arme meisje te beveiligen voor mijn vaders toorn.”“Gauw dan, breng haar in het rijtuig,” zoo haast Guy den koopman.En als de burgemeester zijn dochter naar buiten brengt, fluistert Hermoine de Alva: “Gij ziet nu, dat ik vertrouwen in u stel en hoe weinig ik geloof,dat gij een losbol zoudt zijn. Dit meisje is mooi en toch stel ik haar onder uw hoede, want ik geloof in u, evenals de meisjes uit den ouden tijd het in haar ridders deden.”“Bij Sint George en den draak! gij kunt mij vertrouwen.” En zich bukkende, drukt Chester zijn lippen op den mond, die hem wordt toegestoken, want hij hoort Bodé Volckers roepen: “Kom dan toch!”Chester vertrekt en de laatste blik, dien hij opvangt uit de schoone oogen van zijn beminde, spreekt van onwankelbare trouw, en hij neemt het bewustzijn met zich, dat, al moge hetgeen men van hem vertelt gunstig of ongunstig luiden, Hermoine de Alva zal blijven gelooven in majoor Guido Amati de Medina van Romero’s voetvolk, als haar ridder en haar kampioen.Bij het rijtuig gekomen, drukt de burgemeester de hand van den Engelschman en fluistert: “Alles is in orde, rijd rechtstreeks naar het schip,” en voegt er aan toe: “Gij hebt haar in uw handen. Zooals gij met mijn Mina doet, moge God met u doen. Haast u, het tij is u gunstig.”Het gaat nu in snellen draf naar deEsperanza, en aan boord vindt Chester Olins met de verlangde papieren. Hij vertoont deze aan een douane-beambte, die reeds wacht, en als alles in orde blijkt te zijn, verlaat het schip de haven.Ongeveer anderhalf uur later is deEsperanzaFort Lillo gepasseerd en op weg naar den open oceaan, waar de Hollandsche zeelieden thans Alva’s gehuurden krijgsknechten de baas zijn.Terwijl hij nog een blik achterwaarts werpt, naar Fort Lillo met zijn grimmig geschut, slaakt Chester een zucht van verlichting. Hij is opnieuw uit Antwerpen ontsnapt; de schat van den Hertog is nog onaangeroerd, maar hij heeft honderd kussen veroverd,—waarvoor hij honderdmaal zijn leven zou gewaagd hebben. Doch zijn manschappen hebben niets gekregen, en zij toonen lust om te mopperen.En nu komt de koopmansdochter op Chester af en fluistert: “God zegene u, dat gij mij gered hebt voor vernedering en de geeselroede.”“Gij stelt, hoop ik, volkomen vertrouwen in mij?” antwoordt Guy en kijkt het schoone meisje aan, op wier wangen de frissche zeewind een blosje heeft getooverd.“Ja! Gij zijt de vriend van Oliver, gij zoudt hem niet verraden. Gij zijt”—hier begint juffrouw Wilhelmina te stamelen, doch glimlacht daarbij—“de beminde van iemand, wien niemand ontrouw zou kunnen worden.”“Par Dios! Wie is dat?” vraagt Guy, op zijn lippen bijtend.“Dona Hermoine de Alva. Gij herinnert u immers nog wel de koopjes, die ik haar duena bezorgde, majoor Guido Amati de Medina?” En het meisje lacht vroolijk, ofschoon zij niet aan de zee gewend is, en het lachen haar moeielijk begint te vallen.1Knight = ridder, paard in het schaakspel.HOOFDSTUK XIV.GODS VOORZIENIGHEID.Eenige uren later is Chester te Vlissingen, waar ’t Zeraerts nu bevel voert in naam van den prins van Oranje.Hij verlaat de haven weer spoedig, als hij bemerkt dat deDover Lassnog niet is teruggekeerd van Ierland,—echter eerst na eenige moeielijkheden te hebben gehad met de auroriteiten, die deEsperanzawilden bemachtigen, totdat Guy zich bekend maakte als den “Eerste der Engelschen” en broeder-Geus.Hij haast zich nu, zijn belofte aan Dona Hermoine te vervullen en het aan zijn zorgen toevertrouwde meisje naar Haarlem te brengen. Allereerst hijscht hij de Oranjevlag en werpt in den loop van den volgenden dag het anker te Zandvoort uit. Nadat hij zich met de sloep aan land heeft laten zetten, neemt hij tien van zijn matrozen mee en heeft een voorspoedigen tocht van vijf mijlen door de met bosschen bedekte duinen naar het Spaarne en verder naar Haarlem; de zon beschijnt vroolijk de stratenen de burgers, die zich bedrijvig voorwaarts spoeden; de klokken van de Groote Kerk luiden, als om triumfantelijk de zegepraal van het protestantisme te verkondigen; de vrouwen lachen, de kinderen spelen voor de nette woningen met hun helder gekleurde gevels.Als zij de St.-Janspoort zijn doorgegaan, die streng bewaakt wordt door een burgerwacht, bewapend met haakbussen en bogen, laat Guy zich brengen bij den commandant van de stad, Ripperda, en als hij zijn naam noemt, doet hij de ervaring op, dat de “Eerste der Engelschen” goed bekendstaat in deze Hollandsche stad en als vriend wordt beschouwd. Het wordt Guy dan ook dadelijk toegestaan, juffrouw Bodé Volckers naar de familie van haar oom, zekeren Pieter Kies, te geleiden, die zijn fortuin heeft gemaakt met zijn bleekerij.Na den avond in den kring van de rijke, gastvrije Hollandsche familie te hebben doorgebracht, laat hij de schoone Mina gelukkig en tevreden achter, ofschoon zij vol zorg is over het lot van den man, dien zij liefheeft.“Als gij iets van Oliver hoort, laat het mij dan weten, indien gij tenminste kunt,” smeekt zij, en vervolgt met een trillende stem: “God zegene u, dat gij mij in uw hoede hebt genomen. Oliver zal u voor zichzelven dankzeggen, als hij tenminste nog leeft, en u wederziet,” en daarna glimlacht zij: “Gij zijt niet, wat gij schijnt te zijn. Gij zijt niet de Spaansche kapitein, gij zijt een patriot, zooals mijn aanstaande echtgenoot, en toch,”—zij kijkt hem vlak in de oogen,—“zijt gij de verloofde van Alva’s dochter!” En alszij bemerkt, dat Guy schrikt, voegt zij er op geruststellenden toon aan toe: “Vertrouw mij, ik zal uw geheim bewaren, want ik weet, dat gij voor iederen kus van Dona Hermoine uw leven op het spel zet.”Het staat Guy volstrekt niet aan, dat een ander achter zijn geheim is, en eenigszins ontstemd begeeft hij zich naar de nette kleine herbergDe Zwaan. Daar brengt hij een aangenamen nacht door tusschen schoone lakens (want de Hollandsche herbergen waren veel beter dan die te Antwerpen) en is zeer tevreden over den jongen waard, Hasselaer genaamd. Deze en zijn moeder, een weduwe van ongeveer veertig jaar, wetenDe Zwaanflink in orde te houden.Den volgenden morgen gaat Chester, na een smakelijk ontbijt, opnieuw naar Ripperda en vraagt een pas voor zichzelven en zijn tien volgelingen.“Zeker,” antwoordt de forsche Hollandsche commandant, “het verheugt mij iemand van dienst te kunnen zijn, die zooveel voor onze zaak heeft gedaan. Ik hoop, dat gij hier nog eens terug zult keeren, als wij gelukkiger dagen beleven.”“Wat kan meer van geluk getuigen dan dit?” antwoordt Guy, terwijl hij kijkt naar het aardige schouwspel, dat de drukte van nering en hanteering aanbiedt.“O, zeker, het ziet er aardig genoeg uit,” zegt de Hollander, “maar God weet, wat ons de oorlog zal brengen. Het is hier in de noordelijke gewesten op het oogenblik overal rustig, maar het is de kalmte vóór den storm. Alle steden van Holland, behalve Amsterdam, zijn tegen Alva opgestaan, en met dien aanval in zijn rug door Oliver in Bergen, waarvanhet bericht juist tot ons is gekomen, en met de hulp van Fransche Hugenoten, die Condé en Coligny ons hebben toegezegd, zal alles misschien nog goed afloopen—maar God alleen weet het!”En God weet, wat Ripperda niet weet, want als de dappere Hollander had kunnen vermoeden, wat hem en den zijnen boven het hoofd hangt, dat zij weldra het gras uit de straten zullen eten, om ziel en lichaam bij elkander te houden, en dat zij zich al die ontberingen enkel hebben getroost, om door Alva’s beulen ellendig te worden omgebracht, zou hij en iedereen, man, vrouw of kind, die nu in de straten van het gelukkige Haarlem loopt, vluchten, hun bezittingen en de woningen waaraan zij gehecht zijn verlatende, alsof zij door God vervloekt waren.Doch alles heeft nu een lachend en gelukkig aanzien, als Chester de stad door de St.-Janspoort verlaat en naar Zandvoort terugkeert, waar een sloep op hem ligt te wachten; daarop zet hij met deEsperanzaweer koers naar Vlissingen, waar deDover Lassreeds is aangekomen.“Gij hebt de Spanjaarden allen veilig en wel in Ierland achtergelaten?” vraagt Guy aan Dalton.“Ja, iedere Don is veilig onder dak gebracht bij een O’Toole. Zij kunnen nu zeker reeds Iersch spreken,” antwoordt de gevraagde.Chester wordt begroet met drie luide hoezee’s van de bemanning van deDover Lass—uit vreugde over de behouden terugkomst van hun commandant, want als hij er het leven heeft afgebracht, heeft hij natuurlijk ook geld.“En nu de schat!” roept Dalton levendig uit,doch zijn verweerd gelaat betrekt, als Guy antwoordt: “Voor het oogenblik nog geen schat.”Ook de manschappen zijn zeer teleurgesteld, want allen meenden, toen zij zagen, dat hun commandant nog leefde, de twintig beloofde gouden dubloenen reeds in handen te hebben.Buitendien is Guy nog genoodzaakt, eerst weer naar Engeland te zeilen, om geld voor zijn bemanning te halen, en om er de sleutels te laten maken.Ofschoon hij te Londen de sleutels der schatkamer van den Onderkoning bij drie verschillende bekwame slotenmakers gemaakt krijgt, om ze daarna zorgvuldig weg te bergen in de hut van deDover Lass, blijven de geldkisten van zijn eigen land voor hem gesloten.Het gelukt hem niet, een leening te sluiten met bankiers en zilversmeden, want hij wil niet zeggen, waar de buit, waarvan hij spreekt, zich bevindt, en de meeste denken, dat het in West-Indië is,—dat de onderneming dus een langdurige zeereis zal vereischen, gepaard gaande met groot gevaar voor schipbreuk en gevangenschap.Hij kan geen hulp van Elizabeth krijgen, die haar hand toornig tegen haar zak slaat, als hij om geld vraagt, en zegt: “Sir Guy Chester, gij moogt van geluk spreken, dat gij er uw hoofd afbrengt! Wie beroofde mijn arsenalen van kruit? Wie anders dan gij en die zwakhoofdige Burleigh? Als die Hollanders het mijn vriend Alva nu niet zoo lastig maakten, dan had het, dunkt mij, veel van hoogverraad.”Guy, die de geschiedenis van den schat van den Hertog niet durft vertellen, zit dus erg in de klem,temeer daar eenige zijner matrozen hem gaan verlaten voor kapiteins van andere schepen, die vooruit kunnen betalen. Hij begeeft zich op zekeren dag vol wanhoop naar Lord Burleigh en zegt tot hem: “Evenmin als ieder ander, versmaadt gij het geld.”“Dat is zoo,” antwoordt Burleigh, zich in de handen wrijvend.“Ik kan u niet vertellen, waar ik dat geld vandaan haal, maar er is een schatkamer te plunderen door iemand, die bereid is, er zijn leven voor te wagen. Die man ben ik. Ik weet, waar die schat is.”“Waar dan?”“Dat zal ik nooit zeggen. Doch gij weet, dat, als ik eens mijn woord heb gegeven, ik het ook houd. Buitendien heb ik uw naam als staatsman gevestigd.”“Gij hebt mijn naam als staatsman gevestigd?”“Ja, door mijn raad met betrekking tot de Geuzen, men noemt u nu den wijzen, den vèrzienden, den loozen vos Burleigh.”“Ja, en ik loop er gevaar door, mijn hoofd te verliezen,” antwoordt de Lord norsch. “Gij wildet mij echter over geld spreken?”“Ja! Schiet mij zes duizend kronen voor en als ik levend terugkom, zal ik u zestig duizend teruggeven—tien voor één. Nog beter, geef mij tien duizend en gij krijgt honderd duizend terug. Het is als een dobbelspel. Ik waag mijn leven, gij uw geld.”“Ik stel mijn tien duizend kronen op hooger prijs dan gij uw leven,” antwoordt de Lord en zendt hem weg.Doch juist in die dagen komt Francis Drake terug uit de Spaansche wateren, zijn schip zwaar beladenmet staven goud van een buitgemaakt galjoen, en daar Guy heeft uitgestrooid, dat zijn schat ook uit West-Indië moet komen, ontbiedt Zijn Lordschap hem en zegt, dat hij het geld niet persoonlijk kan voorschieten, maar dat hij wel eenige Londensche kooplieden kan bewegen, de tien duizend kronen te leenen op de voorwaarden van afbetaling, die Guy heeft aangeboden.De jonge man neemt het aanbod onmiddellijk aan en als hij het geld in handen heeft, tuigt hij zijn schip opnieuw op, vult zijn bemanning tot een voldoende sterkte aan, hetgeen niet moeilijk is, omdat de beste zijner manschappen, met Dalton en Corker aan het hoofd, hem niet hebben verlaten, en gaat onder zeil naar de Nederlanden, niettegenstaande het winter is, en komt vroeg in December te Vlissingen aan. Nauwelijks heeft hij het anker laten vallen, of hij wordt op een aangename wijze verrast.Er nadert een sloep van den wal en Achille, die nu als kajuitsjongen fungeert, komt schreeuwend door het luik naar beneden: “Monsieur Oliver! Mijn meester, de schilder Oliver!”Met één sprong en met een kreet van blijdschap is Chester op het dek, en laat toe, hoezeer het hem als Engelschman ook stuit, dat hij omhelsd en gekust wordt, nog wel ten aanschouwe van zijn grinnekende matrozen, want de man, die hem zoo teeder begroet, is Oliver, de als uit den dood herrezene,—immers Alva heeft Bergen heroverd en een groot gedeelte van de verdedigers dier stad doen ombrengen.“Kom in mijn hut en vertel mij uw lotgevallen. Gij zijt nu geen schilder meer, gij zijt enkel soldaat,”zegt Guy, de hand van den schilder krachtigdrukkenden met iets als een traan in zijn oog, als hij Antony aankijkt.“Vertel gij eerst;—wat weet gij van de vrouw die ik liefheb?” roept de schilder uit.“Veilig.”“Goddank!”“Ga nu mee naar beneden, ik zal u alles vertellen.”Als zij in de hut zijn gekomen, brengen zij elkander beurtelings in verbazing door het nieuws, dat zij beiden hebben mee te deelen. Oliver verhaalt van de verrassing van Bergen, hoe hijzelf bij het aanbreken van den dag den poortwachter neerstiet, terwijl zijn acht metgezellen, in marktkarren onder groenten verborgen, de stad werden binnengebracht; hoe Lodewijk van Nassau, die buiten in het bosch wachtte met vijfhonderd ruiters, ieder met één voetknecht achter zich, daarna de stad binnentrok, terwijl Oliver en zijn acht helden de poort zoolang tegen het Spaansche garnizoen verdedigden, tot zij de ophaalbrug waren overgetrokken. Vervolgens de bijzonderheden van de belegering door Alva; hoe zij op ontzet hoopten, daar hun hulp uit Frankrijk was beloofd; toen het bericht van het feest van Catharina de Medicis, de afgrijselijke slachting in den St.-Bartholomeusnacht, die het bloed der edelste Hugenoten door de straten van Parijs deed stroomen en waardoor hun geen hulp meer kon geworden van den vermoorden Coligny; hoe Oranje’s poging om hen te ontzetten, mislukte; hoe ten slotte hij, Oliver, Lodewijk van Nassau en eenige anderen aan Alva’s klauwen ontsnapten, en hoe nu de Onderkoning, daar hij niets meer van Frankrijkheeft te vreezen, een groot leger verzamelt, om Holland te heroveren, Amsterdam daarbij tot centrum kiezend, als de eenige stad, die nog in zijn handen is.“Apropos,” zegt Guy, “nu wij toch over Spanjaarden spreken: hebt gij soms ook iets gehoord van onzen vriend, majoor Guido Amati?”“KolonelGuido Amati.”“Te drommel,—alweer bevorderd?”“Ja, gij zijt de dochter van den Onderkoning alweer een stap nader gekomen,” lacht Antony. “Hebt gij het niet gehoord? Toen Mondragon een maand geleden het beleg van Goes ophief, trok majoor Guido Amati ’s nachts aan het hoofd van het Spaansche voetvolk over de verdronken gronden van Zuid-Beveland, waar het zetten van één schrede naast den weg gelijkstond met verdrinken, waar een uur vertraging in den overtocht van vier uren gelijkstond met verzwolgen te worden door het wassend tij, en zoo verraste hij, als uit de lucht gevallen, in den vroegen morgen ’t Zeraets’ soldaten, nadat hij een plaats was overgetrokken, die, naar men meende, enkel voor de visschen en de vogels toegankelijk was. Ter belooning droeg Mondragon majoor Guido Amati ter bevordering voor. Op zijn aanbeveling werd dadelijk beschikt, terwijl het anders gewoonlijk een jaar duurt. Gij ziet dus, dat gij u loffelijk gedragen hebt. Mij dunkt, dat Dona de Alva zeer trotsch op u kan zijn.”“Goddank,” lacht Guy, “dat mijn bandelooze naamgenoot weer aan het vechten is gegaan, en ik mij dus goed zal gedragen; hebt gij niets van haar gehoord?”“Neen, behalve dat zij nog altijd even schoon is, doch veel hooghartiger en kouder. Zelfs Noircarmes, vertelt men, fronst het voorhoofd en bijt op zijn knevel, als de naam van Dona de Alva genoemd wordt. Vertel mij nu van mijn beminde.”Hierop geeft Guy een verslag van dien merkwaardigen morgen in Antwerpen en hoe hij Mina Bodé Volckers op bevel van Dona de Alva heeft bewaard voor geeseling en vernedering, waarop Oliver met tranen in de oogen uitroept: “God zegene haar en vervloeke haar vader! Hoe kan zulk een edel meisje een dochter van Alva zijn?”En dan vraagt hij een weinig angstig: “Waar hebt gij Mina heengebracht?”“Naar Haarlem.”“Haarlem?” Het klinkt als een kreet van ontzetting. “Groote God, waarom deedt gij dat?”“Haar vader zond haar daarheen naar haar oom, Pieter Kies.”“Haarlem!” De schilder is verstijfd van schrik. “Het is bijna ingesloten!” kermt hij. “Haarlem! en Alva heeft gezworen, dat hij geen man, vrouw of kind levend uit die stad zal laten ontsnappen. Haarlem! Haarlem! Mijn God! Is zij daar nog?”“Dat weet ik niet. Ik verliet haar daar veilig en weltevreden, wachtend op u,—haar laatste woorden waren voor u.”“Haarlem! Wij moeten er heen. Wij moeten beproeven haar te redden. Het is bijzonderlijk voorgeschreven, dat alle uitgewekenen, die zich in de stad bevinden, niet alleen ter dood gebracht maar ook gepijnigd moeten worden. Mina is een uitgewekene.Help mij, Engelschman,—gij hebt mijn beminde den dood in de kaken gevoerd—help mij er haar weder uit verlossen!” kreunt Oliver, die in zijn angst bijna geen rede meer verstaat.“Verwijt het mij niet,” antwoordt Guy. “Ik heb voor haar gedaan, wat ik meende, dat het beste was. Doch ik zal u helpen, om haar te bevrijden—ik zal er mijn leven voor wagen.”“God zegene u,” roept Oliver uit. “En uw bemanning?”“Zij volgt mij.”“God zegene hen!”En zijn schat vergetende en nog eens zijn zielsbeminde, naar wier bijzijn hij hunkert, den rug toekeerend, vertrekt Guy met zijn vriend, die nu geen schilder meer is, doch geheel en al krijgsman is geworden, om het waagstuk te beproeven, dat, zal het slagen, geen uitstel kan lijden.Dalton waagt de opmerking, als hij orders ontvangt, om het anker binnen te halen en naar het Noorden te zeilen: “Dat is eigenlijk niet mooi tegenover hen, die u met geld geholpen hebben, commandant.”“Vriendschap vóór handel—het geluk van mijn vriend vóór het geld van Engelsche bankiers en woekeraars!” antwoordt zijn commandant. “Dalton, gij hebt een meisje in Engeland; wat zoudt gij doen, om haar te beveiligen voor Alva’s troepen?”“Vechten, tot ik dood neerviel.”“Nu, man, mijn vriend heeft het zijne in Haarlem!”“Dan zal ik ook voor zijn meisje vechten,” roept de ruwe zeeman uit; en de manschappen wettenhun hartsvangers en strijdbijlen en zingen daarbij Britsche liederen, ter eere van hun liefjes thuis.Den volgenden dag bereiken zij Delft en vernemen daar, dat zij Haarlem niet over Leiden kunnen bereiken. Hier hooren zij ook van het afgrijselijke bloedbad te Naarden—vijfhonderd burgers vermoord in de kerk, de rest van de inwoners eveneens grootendeels omgebracht. Bijzonderheden ontbreken, daar de verschrikte boeren de plaats niet durven binnengaan, waaruit het gekerm van vrouwen en kinderen opstijgt, dat men mijlen ver kan hooren. Het is de Hollandsche stad overgeleverd aan de genade van Spaansche soldaten, prijsgegeven aan plundering, moord en vernieling; het is hetzelfde verhaal als van Mechelen en Zutfen, hetzelfde verhaal als van iedere stad, waar Alva’s veteranen als overwinnaars binnendringen.Oliver is de wanhoop nabij. Hij huivert bij hetgeen hij hoort en fluistert Guy met bleeke lippen toe: “Er blijft ons niets anders over dan te zien, of wij de Zuiderzee kunnen bereiken en vandaar uit het IJ, zoodat wij van den noordkant binnen Haarlem kunnen komen. Die weg is nog vrij.”“Misschien!”antwoordt Guy, twijfelend. “Doch het is een wanhopige onderneming. Wij moeten beide keeren Amsterdam passeeren, waar Alva’s geheele legermacht zich bevindt en misschien nog oorlogsschepen bovendien.”“Mon Dieu! Gij wilt haar toch niet aan haar lot overlaten?” roept de Fransche Vlaming woest uit.“Neen, maar ik moet zekerheid hebben, dat zij in Haarlem is, eer ik het leven mijner mannen voorzulk een dolzinnig waagstuk op het spel zet. Het is December, er zal spoedig ijs komen.”Chester tracht nu berichten in te winnen en treft toevallig den laatsten man, die uit Haarlem ontsnapt is, aan, een man, half krankzinnig van angst, want hij is slechts met moeite ontkomen aan de Spaansche patrouilles, die met gruwzame wreedheid iedereen ophangen of doodslaan, dien zij ontmoeten.Als zij hem ondervragen, antwoordt hij: “Ja, ik kom uit Haarlem—ik redde ternauwernood mijn leven—Ik heb den rook van het brandende Naarden gezien, het gekerm gehoord—”“Maar Haarlem, wat weet gij van Haarlem?” valt Guy hem in de rede. “Beantwoord vlug mijn vragen en ik zal u geld geven.” Want de arme man is van alles beroofd en moet leven van aalmoezen. “Kent gij een zekeren Pieter Kies?”“Natuurlijk, lid van den gemeenteraad.”“Is hij nog in de stad?”“Ja.”“Woont er bij hem in huis een blond meisje met groote blauwe oogen?”“O, gij bedoelt de beminde van den patriotschen schilder, die nu den eerenaam heeft gekregen van Oliver van Bergen?”Nu hebben zij zekerheid. Oliver begint op zijn luidruchtige Fransche wijze te jammeren: “Nom de Dieu! Mina is reddeloos verloren, zij zal gefolterd worden, omdat ik haar liefheb,” en op heeschen toon smeekt hij Guy: “Red haar, Engelschman! Als gij u mijn vriend noemt, red haar dan.”“Ik zal alles doen, wat een man vermag.”“Gezwind dan! Licht het anker en zet koers naar de Zuiderzee! Spoed is haar eenige redding.”“Ik moet voor deze zaak toch eenige voorbereidingen treffen,” antwoordt Chester, die ernstig twijfelt aan den goeden afloop van dit avontuur.“Voorbereidingen? Hebben wij dan geen wapenen en kruit? Haast u, doe het voor mij, haast u!” smeekt Oliver.Aangespoord door de wanhopige woorden van zijn vriend, doet Guy in allerijl proviand op voor den tocht. Hij ziet eerst om naar een loods, die bekend is met de binnenwateren, welke hij moet bevaren, en is zoo gelukkig er spoedig een te vinden in den persoon van den Frieschen vrijbuiter ’t Hoen. Deze geeft aanstonds order, deDover Lasszooveel mogelijk te lichten.“Zes duim meer of minder diepgang, daar kan in de Zuiderzee met haar ondiepten ons leven van afhangen,” zegt ’t Hoen, die bij al zijn woestheid een ervaren zeeman is.Deover Lasswordt nu ontlast van al het overtollige; zij bergt nog alleen proviand, water en ammunitie.Daarna vraagt ’t Hoen, zich niet storende aan de spotternijen der zeelieden: “Hoevelen van u kunnen schaatsenrijden?”“Welzoo, het wordt dus een winterbuitenpartij met dames en vuurwerk op het ijs?” lacht de bootsman.Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, gaat ’t Hoen heen en koopt voor iederen man, die er mee weet om te gaan, een paar Friesche schaatsen. Als hij ze aan boord heeft gebracht, zegt hij totChester: “Commandant, wij zullen die moeten gebruiken om weg te loopen, als wij al te zeer in de klem geraken,” waarop Corker een leelijk gezicht trekt, daar het denkbeeld, zijn schip te verlaten, al is het om zijn leven te redden, hem tegen de borst stuit.Deze voorbereidselen zijn door Chester en zijn manschappen met zooveel spoed gemaakt, dat zij zich nauwelijks vier uren in Delft hebben opgehouden.Den volgenden dag bereiken zij reeds de Zuiderzee en vernemen te Enkhuizen, dat de Spaansche bevelhebber bezig is, Haarlem aan alle kanten in te sluiten.Tegen den avond in de buurt van Amsterdam aangekomen, blijven zij daar op en neer varen, gereed om over het IJ de stad voorbij te zeilen, als de duisternis zal zijn gevallen, en om den volgenden morgen Haarlem te bereiken vóór het geheel is omsingeld, en het meisje voor het gevaar van een beleg te bewaren.Doch de Voorzienigheid is dien nacht niet met hen. Er komt een koude wind uit het Noorden, die vorst meebrengt en het water met een ijslaag bedekt. En toch is de wind niet sterk genoeg, om hun een weg door het bevriezende water te banen.Den volgenden morgen zitten zij vast in het ijs en met hen drie andere Geuzenschepen, gelukkig alle vlak bij elkaar en misschien met een zelfde doel hier. Zij zijn nu hulpeloos, zij kunnen noch voor-, noch achteruit.De stad Amsterdam, met Alva’s leger binnen zijn muren,is slechts vier mijlen van hen verwijderd.

HOOFDSTUKXIII.“GOEDE HEMEL! WAT EEN AANBEVELING!”“Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva,” antwoordt de oude man, buigend tot op den grond. “Waarom wenscht gij, dat mijn dochter Antwerpen zal verlaten?”“Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en naar het Spinhuis te brengen.”“Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne geen kwaad doen,” zegt de oude man op gestrengen toon. “Zij is den laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis, Dona de Alva.”“Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet.”“Groote God, gij bedoelt toch niet—het gedeelte voor slechte vrouwen—het uitvaagsel van de stad?” stamelt Bodé Volckers.“Ja.”“Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en afscheid, die zij dezen armen schepels geven?”“Ja.”“Mijn Mina!” gilt de oude man. “Mijn Mina!” zijn handen wanhopig wringend. Dan roept hij uit:“Voor welke misdaad?—voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar de ergste misdadigsters—voor welke misdaad?”“Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader.”“Oliver, de onder-secretaris van uw vader?”“Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo diep vernederd en verlaagd zal worden,” vervolgt Hermoine, bijna even wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen en schijnt niet in staat tot handelen.Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man, die zijn kind wil vernederen, en sist: “Maar uw vader, van wien dit uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker—”“Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn dochter,”—haar toon is bevelend, doch weemoedig. “Ik vergeef u uw verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn vaders staatkunde te critiseeren. Daarin mengikmijzelfs niet, ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter moge stemmen. Iederen avond bid ik: ‘Geen bloed meer.’ God alleen weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt, zal ik het doen.”En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks kan loopen, roept zij ongeduldig uit: “Zorg voor een boot—een schip,spoedig! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land, naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen.”Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt: “God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt—God zegene u! Ik weet iemand,die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht.”“Op wien?”“Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,—die in de kamer hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier—majoor Guido Amati.”“Groote goden, wat een aanbeveling!” mompelt Guy, rillend, terwijl hij doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion, die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen.Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter gegaan.Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart, er onder dreigt te bezwijken.God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is?Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een verklaring,—voor zijn liefde.Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt, springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: “Is dit het besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?” en zij voegt er spottend aan toe: “Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het aangezicht van den vijand, is desertie—”“Zonder verlof,” valt Chester haar in de rede, “waarom denkt gij dat?”“Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor Guido Amati.”“Dan heb ik het aan uw invloed te danken,” zegt Guy op treurigen toon, “aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen.”“Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart.”“Dat was een leugen!”“Een leugen?”“Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeftverteld, evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden vertelde,—dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?”Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht voor haar en zij roept uit: “Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles, wat een vrouw u zou kunnen verzoeken.”“Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was, zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?” en hij gaat voor haar staan. “Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?” En naar haar vinger kijkend, schrikt hij en roept uit: “Groote God, de ring is weg!” en hij barst uit: “Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?”En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer, maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen, maar de zielvolle, hartstochtelijke,werkelijkeoogen van Hermoine de Alva.Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed en beweeglijke vrouwelijkheid.“Nu ben ik de rechter, niet gij!” roept hij uit. “Antwoord mij!” want zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige: “Vergeef mij!”Maar het jaloersche hart antwoordt: “Neen.”En zij zegt: “Gijmoet!”“En waarom?”“Om deze reden.” Zij spreekt nu op smeekenden, weemoedigen toon. “Ik meende—ik stem nu toe, mijn Guido, ten onrechte—dat gij mijner niet waardig waart. Als ik, de dochter van den Viceroy—”“Boete!” roept Guy uit, bijna werktuiglijk, en in een oogwenk verdwijnt de trots van de dochter van den Viceroy en van het gewonde hart van Hermoine de Alva voor het liefdebevel. Hij drukt zijn lippen weer op de hare, de lippen, waarnaar hij zoo heeft gehunkerd, haar zachte armen omklemmen hem,—de armen, waarnaar hij heeft gesmacht. En op dit oogenblik gevoelt Chester, dat hij, ofschoon hij omringd is door zijn vijanden, zal overwinnen, en hij vreest den haat van den vader niet meer, nu hij zeker is van de liefde der dochter.“Foei,” roept het meisje uit, moeite doende om zich vrij te maken. “Wat houdt gij er een mooie logica op na! Gij noemt mij trouweloos en gij wilt mij niet toestaan mijn mond te openen, om mij te verdedigen.”“Wat is logica vergeleken bij uw trouwe oogen?” fluistert Guy, “ik verlang kussen van deze lippen, geen woorden.”“Geen kus meer, eer ik mij verdedigd heb.”“Waarom niet?”“Omdat, ofschoon gij mij kust, alsof—gij mij liefhadt,” antwoordt het meisje, vuurrood wordend, “er toch nog jaloezie in uw oogen te lezen is en ik niet wil, dat gij jaloersch zijt, mijn Guido, want daarvoor hebt gij geen reden. Gij zijt heengegaan en hebt mijn hart meegenomen. Mijn geschenk, mijn portret was in uw handen. Ik was nog geen week in Brussel, of men vertelde in de stad, op zulk een wijze, dat het mij ook wel ter oore moest komen, dat in plaats van zóó te leven, dat gij spoedig den rang zoudt verwerven, die u tot den mijne zou maken, gij vergeten waart dat—ik u mijn hart had gegeven, en dat gij leefdet—niet als—als een edelman, maar als een losbol, nog erger dan dat, als iemand, die niet om mijn liefde gaf. Hetgeen iedereen zeide,—ik kende u niet langer dan twee dagen,—bracht mij aan het twijfelen. Toen informeerde ik naar u,—in zoover als een jonge dame naar een jongen man kan informeeren, van wien men veronderstelt, dat hij haar onverschillig is,—en ik kreeg hetzelfde antwoord.—‘Gij waart dapper, zelfs roekeloos—maar uw leven was een beleediging voor mijn liefde.’”Zij kijkt hem treurig aan. “Toen wist ik door mijn invloed bij den gouverneur van Middelburg te bewerken, dat aan majoor Guido Amati geen verlof zou verleend worden, om naar Brussel te gaan, zoodat hij mij niet meer zou kunnen bepraten en maken, dat ik hem vergaf,—zooals gij nu hebt gedaan! Heilige Maagd, Guido! als gij mij bedrogen hebt, dan—”“Verdien ik, dat gij nooit de mijne wordt,” roept Guy uit. “Maar ik ben u trouw, ben u altijd trouw geweest. Goede hemel! denkt gij, dat ik zooveel lieftalligheid binnen een week zou kunnen vergeten, binnen een maand, binnen een jaar—mijn geheele leven? Gij zijt de dochter van den Viceroy—”“Boete!” lacht het meisje, bloost echter terstond en tracht weg te loopen.“O, ik zal ze betalen, zelfs tienvoudig.” Hij neemt haar weer in zijn armen.Plotseling zegt zij, verbleekend: “Gij zijt weer afwezig zonder verlof.”“Ja, dat is uw schuld!” Hij zegt dit op achteloozen toon, doch schrikt, als hij ziet, hoe zij het zich aantrekt.Zij fluistert met witte lippen: “Desertie uit het leger, terwijl Middelburg omringd is door vijanden,—dat wordt niet gestraft met het verlies van uw rang—maar met het verlies van uw hoofd. Mijn vader handhaaft streng de tucht.”“Wat geef ik daarom!” antwoordt Chester, “het was immers mijn eenige kans, om u te zien.”Dit grieft haar geducht, doch toont tevens, hoeveel zij van hem houdt, want zij wordt bleek en stamelt: “Gij hebt uw leven dus gewaagd om mijnentwille. Beloof mij, dat gij dit niet weer zult doen. Beloof mij, dat gij vandaag naar uw post zult terugkeeren. Ik heb u een verzoek te doen. Terwijl gij voor uw eigen veiligheid zorgt, kunt gij meteen die arme koopmansdochter in veiligheid brengen. Haar vader zegt mij, dat gij een schip te uwer beschikking hebt.”“Zooals ook mijn leven te uwer beschikking staat!” antwoordt Chester. “Laat deze zaak geheel aan mij over. Al hadt gij het mij niet verzocht, dan zou ik toch de beminde van mijn vriend voor die vernedering hebben bewaard.”Hij begrijpt eensklaps, dat het beter is, niet verder met Hermoine over Oliver te spreken, doch zij zegt: “Ja, die verrader was uw vriend!” en zij vraagt met angstige lippen: “Hoe was het mogelijk, dat gij zoo bevriend waart met een vijand van Spanje?”“Uw vader vertrouwde hem, waarom zou ik het dan niet hebben gedaan?” antwoordt de Engelschman, die altijd terstond met een antwoord gereed is; maar hij voegt er treurig aan toe: “Het spijt mij, dat ik na het gebeurde genoodzaakt zal zijn, dezen Oliver overhoop te steken.”En met deze leugen op zijn lippen, keert Guy zich om, want Bodé Volckers klopt aan de deur. Als hij ze heeft geopend, spreekt hij op zulk een kalmen toon den burgemeester aan, dat de oude man hem verwonderd aankijkt en niet weet, wat hij er van moet denken.“Op verzoek van Dona de Alva heb ik op mij genomen, uw dochter in veiligheid te brengen. Geef bevel, dat uw twaalf kisten met goederen terstond aan boord van deEsperanzaworden gebracht.”“Dat is reeds geschied,” mompelt Bodé Volckers, Guy met verbaasde oogen aanstarend; en hij stamelt: “Gij zijt toch—gij zijt immers wel nuchter genoeg voor deze zaak?”“Diablo! Nuchter genoeg om u aan te durven,” snauwt Guy, zich eensklaps zijn rol van dronkenlosbol herinnerend. “Stuur een voldoende som geld aan boord, om de uitgaven van uw dochter te kunnen bestrijden—en de mijne ook!”Deze woorden zijn typisch voor den Spaanschen officier Amati, en Niklaas slaat, aan diens beruchtheid als doordraaier denkende, zijn handen ineen en smeekt: “Ik ben genoodzaakt haar aan uw hoede toe te vertrouwen. Zij is mijn lievelingskind. Gij kunt alles van mij krijgen, mijn geld, mijn leven, doch spaar mijn kind. Als het water mij niet aan de lippen stond, denkt gij dan, dat ik mijn lam onder de hoede van den wolf zou stellen?”Bij deze vleiende opmerking klemt Guy zijn tanden op elkaar, slaat hooghartig als een hidalgo, zijn hand aan het zwaard en sist:“Maldito! Heb ik haar, de dochter van den Onderkoning, niet gezworen, de kleine heks in veiligheid te brengen, waarheen gij haar wenscht te zenden? Naar welke stad, die zich voor Oranje heeft verklaard en waar een Hollandsche bezetting ligt, moet uw dochter gezonden worden? Noem de plaats, en het zal geschieden.”“Haarlem!” antwoordt de oude man, “ik heb vrienden in Haarlem,”—later had hij zich om dat gezegde de tong wel willen afbijten.“Goed,” zegt Guy. “Breng uw dochter terstond hier.”“Zoo aanstonds. Mina pakt.”“Pakt? Idioot! Meent gij, dat zij fraaie kleeren zal noodig hebben in het Spinhuis? Haast u en behoed den blanken rug van uw dochter voor de geeseling. Vlug!”Vol ontzetting over dit beeld, snelt de burgemeester heen en Guy bijt half en half ontevreden op zijn knevel, want hij voelt, dat het zijn plicht is, den ouden man tot spoed aan te zetten, maar hij weet ook, dat hij daardoor een onderhoud bekort, waarvoor hij zijn leven zou willen geven, om het te rekken. Nu keert hij zich om en kijkt naar Hermoine de Alva.Deze heeft hem den rug toegekeerd en schijnt met haar hand in haar boezem ijverig naar iets te zoeken.Als Guy de deur sluit, slaakt zij een zucht van verlichting, alsof zij heeft gevonden wat zij zoekt, en als hij zijn armen om haar heen slaat, fluistert zij: “Die arme Bodé Volckers zal dadelijk terugkomen en dan moet gij gaan. Ay de mi! de tijd is kort. Maar aan mijn vinger heb ik weer den ring, die mij aan u zal doen denken.”Tot zijn onuitsprekelijke vreugde ziet Guy, dat zij den ring met den brillant opnieuw aan haar ringvinger heeft.“Zweer nu, steeds aan mij te denken als uw trouwen ridder, wat men ook van mij moge uitstrooien,” fluistert hij.“Ja,” antwoordt het meisje, “als men mij zegt, dat gij mij ontrouw zijt, zal ik tot mijzelve zeggen: het is een leugen. Als men mij zegt, dat gij een dronkaard zijt, zooals die oude, onnoozele Bodé Volckers mij vertelde,” zij kijkt met oogen, vlammend van verontwaardiging, naar de deur, waarachter de burgemeester verdwenen is, “zal ik zeggen: mijn Guido heeft mij eens bewezen dat het een leugen was, nu weet ik, dat het altijd een leugen is.—Maar zult gijwel ooit tot mij terugkeeren?” vervolgt zij nu op treurigen toon. “Ik weet, dat gij nu naar uw post terug moet. Er is slechts één plaats, als er oorlog is tegen de vlag van Spanje, waar de verloofde van Alva’s dochter zich behoort te bevinden, en dat is op het oorlogsveld! Slechts daar kunt gij roem en glorie verwerven, groot genoeg om naar mijn hand te dingen.”“Twijfel daaraan niet, ik zal dáár te vinden zijn, waar de strijd het hevigst is,” mompelt Guy grimmig, “en het is voor u, dat ik vecht, al waardeert Alva ook misschien mijn streven niet.”“Mijn vader beloont steeds dapperheid en goed gedrag, onthoud dat, majoor Guido Amati de Medina,—dapperheid en goed gedrag. Gij moogt den moed van een paladijn hebben, het zal u niet in rang doen stijgen, als gij geen hersens bezit. Mij dunkt, gij hebt overvloed van beide,” lacht zij, de krullen van Guy’s hoog voorhoofd wegstrijkend, en roept opeens opgewonden uit: “Wel, gij hebt het voorhoofd van een schaakspeler!”“Ja, het spel waarin de ridder1de koningin neemt,” fluistert Guy.“Dan moet hij zeer galant en teeder en bescheiden voor zijn gevangen koningin zijn,” roept het meisje blozend uit, met een teederen blik in haar oogen. Want de ridder heeft naar zijn woord bezit genomen van de koningin van zijn hart, en wel op een buitengewoon hartstochtelijke wijze, en voor een oogenblik komt de verzoeking bij hem op, haar met geweld te ontvoeren.Het volgend oogenblik begrijpt hij echter, dat het nu de tijd niet is, om dit voornemen uit te voeren of moeite te doen, om Hermoine over te halen, hem vrijwillig te volgen, want hij zou voor niets ter wereld den goeden naam van haar, die hij zoo hoog stelt, in gevaar willen brengen, en buitendien klopt de burgemeester ook reeds aan de deur.“Herinner u—”Zij spreken het gelijktijdig uit en met een kus beletten zij elkaar, den zin aan te vullen. Het is hun laatste omhelzing, eer Guy met een kloek besluit de deur opent en Niklaas binnenlaat, gevolgd door juffrouwWilhelmina, die er beklagenswaardig uitziet in haar meer dan eenvoudige kleeding, zonder iets van de luxe, die zij vroeger in haar toilet ten toon spreidde.De sporen van tranen zijn nog op haar wangen aanwezig, zij ziet zeer bleek, doch haar oogen schitteren zenuwachtig en verleenen een vreemde schoonheid aan haar gelaat.“Haast u! er staat een rijtuig voor de deur,” mompelt de burgemeester. “Ik heb zooveel bagage, als ik kon vinden, naar het schip gezonden. Uw kamenier gaat mee.”Mina valt hem echter in de rede en gaat op Hermoine de Alva af, die haar treurig aanziet, als zij vraagt:“Vertel mij wat van hem!”“Hem—van wien?”“Mijn Oliver. Is hij in veiligheid?”“Voor het oogenblik, ja.”“Goddank!”“Ja, de verrader Oliver is den vorigen nacht uit Brussel gevlucht. Dezen morgen kregen wij bericht dat hij Bergen had ingenomen met acht man.”“Acht man! Ah! Dat was een heldendaad! Acht man een bezetting verrassen! Maar Lodewijk van Nassau zal ongetwijfeld zoo vlug mogelijk uit Frankrijk de stad binnentrekken. Uw held is veilig, kleine Mina!” roept Guy uit, geheel zijn rol van Spaansch officier vergetend in zijn geestdrift over de dapperheid en den roem van zijn vriend.“Ja, hij is veilig,voor het oogenblik,” laat nu Hermoine zich hooren. “Hij is een dapper man en een groot schilder. Ik wil voor zijn altaarstuk zorgen. Máar, o misericordia!”—zij slaat haar oogen ten hemel en zegt op angstigen toon: “Ik smeek God, dat mijn vader hem nooit levend in handen moge krijgen.” En zich tot Mina wendend, vervolgt zij zeer ernstig: “Als gij uw beminde ooit weer moogt spreken, smeek hem dan, zoo hij tenminste de verschrikkingen van de hel vreest,zich nooit levend te laten gevangennemen! Het is jammer, dat zulk een dapper en talentvol man mijn vaders brood at en hem verraadde. Toch, majoor Guido Amati, draag ik, vertrouwende op uw woord van edelman, u op, dit arme meisje te beveiligen voor mijn vaders toorn.”“Gauw dan, breng haar in het rijtuig,” zoo haast Guy den koopman.En als de burgemeester zijn dochter naar buiten brengt, fluistert Hermoine de Alva: “Gij ziet nu, dat ik vertrouwen in u stel en hoe weinig ik geloof,dat gij een losbol zoudt zijn. Dit meisje is mooi en toch stel ik haar onder uw hoede, want ik geloof in u, evenals de meisjes uit den ouden tijd het in haar ridders deden.”“Bij Sint George en den draak! gij kunt mij vertrouwen.” En zich bukkende, drukt Chester zijn lippen op den mond, die hem wordt toegestoken, want hij hoort Bodé Volckers roepen: “Kom dan toch!”Chester vertrekt en de laatste blik, dien hij opvangt uit de schoone oogen van zijn beminde, spreekt van onwankelbare trouw, en hij neemt het bewustzijn met zich, dat, al moge hetgeen men van hem vertelt gunstig of ongunstig luiden, Hermoine de Alva zal blijven gelooven in majoor Guido Amati de Medina van Romero’s voetvolk, als haar ridder en haar kampioen.Bij het rijtuig gekomen, drukt de burgemeester de hand van den Engelschman en fluistert: “Alles is in orde, rijd rechtstreeks naar het schip,” en voegt er aan toe: “Gij hebt haar in uw handen. Zooals gij met mijn Mina doet, moge God met u doen. Haast u, het tij is u gunstig.”Het gaat nu in snellen draf naar deEsperanza, en aan boord vindt Chester Olins met de verlangde papieren. Hij vertoont deze aan een douane-beambte, die reeds wacht, en als alles in orde blijkt te zijn, verlaat het schip de haven.Ongeveer anderhalf uur later is deEsperanzaFort Lillo gepasseerd en op weg naar den open oceaan, waar de Hollandsche zeelieden thans Alva’s gehuurden krijgsknechten de baas zijn.Terwijl hij nog een blik achterwaarts werpt, naar Fort Lillo met zijn grimmig geschut, slaakt Chester een zucht van verlichting. Hij is opnieuw uit Antwerpen ontsnapt; de schat van den Hertog is nog onaangeroerd, maar hij heeft honderd kussen veroverd,—waarvoor hij honderdmaal zijn leven zou gewaagd hebben. Doch zijn manschappen hebben niets gekregen, en zij toonen lust om te mopperen.En nu komt de koopmansdochter op Chester af en fluistert: “God zegene u, dat gij mij gered hebt voor vernedering en de geeselroede.”“Gij stelt, hoop ik, volkomen vertrouwen in mij?” antwoordt Guy en kijkt het schoone meisje aan, op wier wangen de frissche zeewind een blosje heeft getooverd.“Ja! Gij zijt de vriend van Oliver, gij zoudt hem niet verraden. Gij zijt”—hier begint juffrouw Wilhelmina te stamelen, doch glimlacht daarbij—“de beminde van iemand, wien niemand ontrouw zou kunnen worden.”“Par Dios! Wie is dat?” vraagt Guy, op zijn lippen bijtend.“Dona Hermoine de Alva. Gij herinnert u immers nog wel de koopjes, die ik haar duena bezorgde, majoor Guido Amati de Medina?” En het meisje lacht vroolijk, ofschoon zij niet aan de zee gewend is, en het lachen haar moeielijk begint te vallen.1Knight = ridder, paard in het schaakspel.

“Dat is een vreemde boodschap, Dona de Alva,” antwoordt de oude man, buigend tot op den grond. “Waarom wenscht gij, dat mijn dochter Antwerpen zal verlaten?”

“Omdat het bevel onderweg is van Brussel, uw dochter te vatten en naar het Spinhuis te brengen.”

“Het Spinhuis! Lieve hemel! Een fatsoenlijke opsluiting zou de deerne geen kwaad doen,” zegt de oude man op gestrengen toon. “Zij is den laatsten tijd koppig en onhandelbaar. Heeft zij een stadsverordening lichtzinnig overtreden? Misschien draagt zij haar sleep langer, dan een burgermeisje veroorloofd is. Wij zenden onze koppige dochters en zelfs onze vrouwen wel eens naar de heilzame stilte van het Spinhuis, Dona de Alva.”

“Dat gedeelte van het Spinhuis bedoel ik niet.”

“Groote God, gij bedoelt toch niet—het gedeelte voor slechte vrouwen—het uitvaagsel van de stad?” stamelt Bodé Volckers.

“Ja.”

“Barmhartige God! Met de afgrijselijke geeseling tot welkom en afscheid, die zij dezen armen schepels geven?”

“Ja.”

“Mijn Mina!” gilt de oude man. “Mijn Mina!” zijn handen wanhopig wringend. Dan roept hij uit:

“Voor welke misdaad?—voor welke misdaad zendt men mijn dochter naar de ergste misdadigsters—voor welke misdaad?”

“Zij is de verloofde van Antony Oliver, den verrader.”

“Oliver, de onder-secretaris van uw vader?”

“Ja. Men veronderstelt, dat zij bekend was met zijn verraad. Oliver is gisteren uit Brussel gevlucht. Zend uw dochter uit Antwerpen. Ik kan het niet verdragen, dat een vrouw, onschuldig of schuldig, zoo diep vernederd en verlaagd zal worden,” vervolgt Hermoine, bijna even wanhopig, want de oude man staat maar steeds zijn handen te wringen en schijnt niet in staat tot handelen.

Doch nu wordt de woede van den Vlaamschen vader wakker. Zijn tranen houden op te vloeien. Zijn oogen nemen een dreigende uitdrukking aan. Hij plaatst zich vlak voor de schoone dochter van den man, die zijn kind wil vernederen, en sist: “Maar uw vader, van wien dit uitgaat, Alva, de tyran, de lafaard, de verdrukker—”

“Gij vergeet, burger, dat gij over den Viceroy spreekt tegen zijn dochter,”—haar toon is bevelend, doch weemoedig. “Ik vergeef u uw verraad, want gij weet niet, wat gij zegt. Maar waag het niet, mijn vaders staatkunde te critiseeren. Daarin mengikmijzelfs niet, ofschoon ik walg van al dat bloed, walg van de terechtstellingen op de markt en de wreede moorden, die het leger bedrijft. Iederen dag smeek ik de Heilige Maagd, dat zij het hart van mijn vader zachter moge stemmen. Iederen avond bid ik: ‘Geen bloed meer.’ God alleen weet, hoe ik hem tot barmhartigheid heb aangespoord, maar hij wil niet luisteren. Hij zegt, dat het staatkunde is, en dat hij zoo genadig is, als God, de kerk en zijn koning het hem veroorloven, en hij gaat voort met de terechtstellingen. Telkens als ik een vrouw in het zwart zie, vrees ik, dat het door mijn vaders toedoen is. Ik ben hier om uw dochter te redden. Breng haar weg! Als gij het niet kunt, zal ik het doen.”

En als zij ziet, dat de oude man zóó ontsteld is, dat hij nauwelijks kan loopen, roept zij ongeduldig uit: “Zorg voor een boot—een schip,spoedig! Het is haar eenige kans. Breng haar naar een ander land, naar een andere stad, waar mijn vader niet regeert. Denkt gij, dat hij iemand vergeven zal, die door liefde of bloed verbonden is met dezen Oliver, die zijn vertrouwen bezat, die zijn brood at en die hem heeft verraden? Haast u, breng haar buiten Antwerpen! Maar blijf, het is beter, dat ik het doe. Ik heb niets te vreezen, gij zoudt gestraft kunnen worden, omdat gij uw eigen kind hadt gered. Breng uw dochter hier. Daar gij niet in staat zijt te handelen, zal ik het u voor doen.”

Haar beslist optreden schijnt den ouden man te imponeeren. Hij snikt: “God zegene u! Ofschoon gij uw vaders dochter zijt—God zegene u! Ik weet iemand,die het kan doen. Er is een schip, dat op hem wacht.”

“Op wien?”

“Een verloopen sujet, een dobbelaar, een doordraaier,—die in de kamer hiernaast is. Als hij niet al te dronken is, kan hij mijn dochter buiten Antwerpen brengen. Spreek met hem, beveel hem, hij zal de dochter van Alva gehoorzamen. Het is een Spaansch officier—majoor Guido Amati.”

“Groote goden, wat een aanbeveling!” mompelt Guy, rillend, terwijl hij doodsbleek wordt, zijn haren te berge rijzen en hij eenige vloeken uitstoot. Als Bodé Volckers wraak verlangde te nemen op den spion, die hem schrik wilde aanjagen door hem te bedreigen met het verlies van leven en geld, had hij zijn doel bereikt, hij behoefde daarvoor op den doordraaier Guido Amati slechts een blik te werpen.

Men hoort een deur sluiten; Niklaas is blijkbaar naar zijn dochter gegaan.

Daarop verneemt hij een zwakken zucht, als van wanhoop, en het geruisch van kant en zijde, alsof een vrouw, overweldigd door haar smart, er onder dreigt te bezwijken.

God dankende voor dit teeken van zielesmart en liefde, opent Chester de deur en werpt een blik in het kantoor van Bodé Volckers. Zij zit daar met het hoofd in haar slanke witte vingers, het breekt haar het hart, dat hij harer onwaardig is. Het is voor Guy een genot dit te zien, geen marteling. Als zij niet van hem hield, zou zij zich zijn uitspattingen dan zoo aantrekken? Als zij hem niet beminde, zou zij er dan zoo diep onder gebukt gaan, dat Guido Amati zulk een losbol is?

Met deze gedachten vervuld, komt Guy met lichte stappen de kamer binnen en sluit de deur. Hij wil vijf minuten hebben voor een verklaring,—voor zijn liefde.

Overstelpt door haar verdriet, hoort het meisje hem niet, doch door het geluid, dat het omdraaien van het slot van de deur veroorzaakt, springt zij op, en zich fier oprichtend, vraagt zij op hooghartigen en snijdenden toon, ofschoon haar blanke handen beven: “Is dit het besluit van uw tweemaandelijksch feestgelag, waarmee gij uw bevordering hebt gevierd, majoor Guido Amati de Medina?” en zij voegt er spottend aan toe: “Waarschijnlijk zult gij niet lang genieten van uw nieuwen rang. Het verlaten van uw post in Middelburg zonder verlof, in het aangezicht van den vijand, is desertie—”

“Zonder verlof,” valt Chester haar in de rede, “waarom denkt gij dat?”

“Ik weet het! Graaf de Beauvois, gouverneur van Middelburg, heeft mij op zijn woord beloofd, dat hij geen verlof zal geven aan majoor Guido Amati.”

“Dan heb ik het aan uw invloed te danken,” zegt Guy op treurigen toon, “aan den invloed van de vrouw, die ik eens dacht, dat mij liefhad, dat Beauvois mij voortdurend binnen de muren van de stad heeft gehouden en mij heeft belet, daarheen te gaan, waar mijn hart mij heendreef. Gij waart bevreesd dat ik in Brussel zou komen.”

“Eerst nadat ik had vernomen dat gij mij vergeten waart.”

“Dat was een leugen!”

“Een leugen?”

“Ja, een leugen; evenals alles wat men u van mij heeftverteld, evenals hetgeen die laaghartige kerel u nog geen tien minuten geleden vertelde,—dat ik een dronken losbol was, te dronken om te voldoen aan hetgeen gij mij zoudt verzoeken. Zie ik er uit, alsof ik dronken ben?”

Zij kijkt hem aan. Op zijn knap gelaat zijn volstrekt niet de sporen van uitspattingen te lezen. Zijn schitterende oogen kijken haar verontwaardigd en toch verliefd aan. Hij staat hoog opgericht voor haar en zij roept uit: “Neen, neen, gij zijt bekwaam tot alles, wat een vrouw u zou kunnen verzoeken.”

“Evenals ik nu nuchter ben, terwijl hij zeide, dat ik dronken was, zoo was ik ook nuchter in Middelburg, toen men uitstrooide, dat ik een verloopen sujet was. Het was een leugen, een leugen, verzonnen door een medeminnaar. Wie is mijn medeminnaar? Is het Noircarmes?” en hij gaat voor haar staan. “Zeg mij, hebt gij woorden van liefde met hem gewisseld, met mijn ring aan uw vinger?” En naar haar vinger kijkend, schrikt hij en roept uit: “Groote God, de ring is weg!” en hij barst uit: “Ziet gij, dat ik trouwer ben dan gij?”

En als Guy haar den robijn voorhoudt, slaat zij haar oogen neer, maar zij ziet er zoo onbeschrijfelijk lief uit, dat hij haar aan zijn borst had kunnen dooddrukken. Deze oogen, die zij eerst voor hem heeft neergeslagen en waarmee zij hem nu aankijkt, zijn niet de oogen der Madonna op het schilderij, of van het miniatuur, waarmee hij zijn onrustig: hart maandenlang tot bedaren heeft trachten te brengen, maar de zielvolle, hartstochtelijke,werkelijkeoogen van Hermoine de Alva.

Het is niet de onbeweeglijke gedaante op het doek, die daar voor hem staat, maar de levende aanminnigheid van werkelijk vleesch en bloed en beweeglijke vrouwelijkheid.

“Nu ben ik de rechter, niet gij!” roept hij uit. “Antwoord mij!” want zij wordt beurtelings rood en bleek en stamelt als een schuldige: “Vergeef mij!”

Maar het jaloersche hart antwoordt: “Neen.”

En zij zegt: “Gijmoet!”

“En waarom?”

“Om deze reden.” Zij spreekt nu op smeekenden, weemoedigen toon. “Ik meende—ik stem nu toe, mijn Guido, ten onrechte—dat gij mijner niet waardig waart. Als ik, de dochter van den Viceroy—”

“Boete!” roept Guy uit, bijna werktuiglijk, en in een oogwenk verdwijnt de trots van de dochter van den Viceroy en van het gewonde hart van Hermoine de Alva voor het liefdebevel. Hij drukt zijn lippen weer op de hare, de lippen, waarnaar hij zoo heeft gehunkerd, haar zachte armen omklemmen hem,—de armen, waarnaar hij heeft gesmacht. En op dit oogenblik gevoelt Chester, dat hij, ofschoon hij omringd is door zijn vijanden, zal overwinnen, en hij vreest den haat van den vader niet meer, nu hij zeker is van de liefde der dochter.

“Foei,” roept het meisje uit, moeite doende om zich vrij te maken. “Wat houdt gij er een mooie logica op na! Gij noemt mij trouweloos en gij wilt mij niet toestaan mijn mond te openen, om mij te verdedigen.”

“Wat is logica vergeleken bij uw trouwe oogen?” fluistert Guy, “ik verlang kussen van deze lippen, geen woorden.”

“Geen kus meer, eer ik mij verdedigd heb.”

“Waarom niet?”

“Omdat, ofschoon gij mij kust, alsof—gij mij liefhadt,” antwoordt het meisje, vuurrood wordend, “er toch nog jaloezie in uw oogen te lezen is en ik niet wil, dat gij jaloersch zijt, mijn Guido, want daarvoor hebt gij geen reden. Gij zijt heengegaan en hebt mijn hart meegenomen. Mijn geschenk, mijn portret was in uw handen. Ik was nog geen week in Brussel, of men vertelde in de stad, op zulk een wijze, dat het mij ook wel ter oore moest komen, dat in plaats van zóó te leven, dat gij spoedig den rang zoudt verwerven, die u tot den mijne zou maken, gij vergeten waart dat—ik u mijn hart had gegeven, en dat gij leefdet—niet als—als een edelman, maar als een losbol, nog erger dan dat, als iemand, die niet om mijn liefde gaf. Hetgeen iedereen zeide,—ik kende u niet langer dan twee dagen,—bracht mij aan het twijfelen. Toen informeerde ik naar u,—in zoover als een jonge dame naar een jongen man kan informeeren, van wien men veronderstelt, dat hij haar onverschillig is,—en ik kreeg hetzelfde antwoord.—‘Gij waart dapper, zelfs roekeloos—maar uw leven was een beleediging voor mijn liefde.’”Zij kijkt hem treurig aan. “Toen wist ik door mijn invloed bij den gouverneur van Middelburg te bewerken, dat aan majoor Guido Amati geen verlof zou verleend worden, om naar Brussel te gaan, zoodat hij mij niet meer zou kunnen bepraten en maken, dat ik hem vergaf,—zooals gij nu hebt gedaan! Heilige Maagd, Guido! als gij mij bedrogen hebt, dan—”

“Verdien ik, dat gij nooit de mijne wordt,” roept Guy uit. “Maar ik ben u trouw, ben u altijd trouw geweest. Goede hemel! denkt gij, dat ik zooveel lieftalligheid binnen een week zou kunnen vergeten, binnen een maand, binnen een jaar—mijn geheele leven? Gij zijt de dochter van den Viceroy—”

“Boete!” lacht het meisje, bloost echter terstond en tracht weg te loopen.

“O, ik zal ze betalen, zelfs tienvoudig.” Hij neemt haar weer in zijn armen.

Plotseling zegt zij, verbleekend: “Gij zijt weer afwezig zonder verlof.”

“Ja, dat is uw schuld!” Hij zegt dit op achteloozen toon, doch schrikt, als hij ziet, hoe zij het zich aantrekt.

Zij fluistert met witte lippen: “Desertie uit het leger, terwijl Middelburg omringd is door vijanden,—dat wordt niet gestraft met het verlies van uw rang—maar met het verlies van uw hoofd. Mijn vader handhaaft streng de tucht.”

“Wat geef ik daarom!” antwoordt Chester, “het was immers mijn eenige kans, om u te zien.”

Dit grieft haar geducht, doch toont tevens, hoeveel zij van hem houdt, want zij wordt bleek en stamelt: “Gij hebt uw leven dus gewaagd om mijnentwille. Beloof mij, dat gij dit niet weer zult doen. Beloof mij, dat gij vandaag naar uw post zult terugkeeren. Ik heb u een verzoek te doen. Terwijl gij voor uw eigen veiligheid zorgt, kunt gij meteen die arme koopmansdochter in veiligheid brengen. Haar vader zegt mij, dat gij een schip te uwer beschikking hebt.”

“Zooals ook mijn leven te uwer beschikking staat!” antwoordt Chester. “Laat deze zaak geheel aan mij over. Al hadt gij het mij niet verzocht, dan zou ik toch de beminde van mijn vriend voor die vernedering hebben bewaard.”

Hij begrijpt eensklaps, dat het beter is, niet verder met Hermoine over Oliver te spreken, doch zij zegt: “Ja, die verrader was uw vriend!” en zij vraagt met angstige lippen: “Hoe was het mogelijk, dat gij zoo bevriend waart met een vijand van Spanje?”

“Uw vader vertrouwde hem, waarom zou ik het dan niet hebben gedaan?” antwoordt de Engelschman, die altijd terstond met een antwoord gereed is; maar hij voegt er treurig aan toe: “Het spijt mij, dat ik na het gebeurde genoodzaakt zal zijn, dezen Oliver overhoop te steken.”

En met deze leugen op zijn lippen, keert Guy zich om, want Bodé Volckers klopt aan de deur. Als hij ze heeft geopend, spreekt hij op zulk een kalmen toon den burgemeester aan, dat de oude man hem verwonderd aankijkt en niet weet, wat hij er van moet denken.

“Op verzoek van Dona de Alva heb ik op mij genomen, uw dochter in veiligheid te brengen. Geef bevel, dat uw twaalf kisten met goederen terstond aan boord van deEsperanzaworden gebracht.”

“Dat is reeds geschied,” mompelt Bodé Volckers, Guy met verbaasde oogen aanstarend; en hij stamelt: “Gij zijt toch—gij zijt immers wel nuchter genoeg voor deze zaak?”

“Diablo! Nuchter genoeg om u aan te durven,” snauwt Guy, zich eensklaps zijn rol van dronkenlosbol herinnerend. “Stuur een voldoende som geld aan boord, om de uitgaven van uw dochter te kunnen bestrijden—en de mijne ook!”

Deze woorden zijn typisch voor den Spaanschen officier Amati, en Niklaas slaat, aan diens beruchtheid als doordraaier denkende, zijn handen ineen en smeekt: “Ik ben genoodzaakt haar aan uw hoede toe te vertrouwen. Zij is mijn lievelingskind. Gij kunt alles van mij krijgen, mijn geld, mijn leven, doch spaar mijn kind. Als het water mij niet aan de lippen stond, denkt gij dan, dat ik mijn lam onder de hoede van den wolf zou stellen?”

Bij deze vleiende opmerking klemt Guy zijn tanden op elkaar, slaat hooghartig als een hidalgo, zijn hand aan het zwaard en sist:

“Maldito! Heb ik haar, de dochter van den Onderkoning, niet gezworen, de kleine heks in veiligheid te brengen, waarheen gij haar wenscht te zenden? Naar welke stad, die zich voor Oranje heeft verklaard en waar een Hollandsche bezetting ligt, moet uw dochter gezonden worden? Noem de plaats, en het zal geschieden.”

“Haarlem!” antwoordt de oude man, “ik heb vrienden in Haarlem,”—later had hij zich om dat gezegde de tong wel willen afbijten.

“Goed,” zegt Guy. “Breng uw dochter terstond hier.”

“Zoo aanstonds. Mina pakt.”

“Pakt? Idioot! Meent gij, dat zij fraaie kleeren zal noodig hebben in het Spinhuis? Haast u en behoed den blanken rug van uw dochter voor de geeseling. Vlug!”

Vol ontzetting over dit beeld, snelt de burgemeester heen en Guy bijt half en half ontevreden op zijn knevel, want hij voelt, dat het zijn plicht is, den ouden man tot spoed aan te zetten, maar hij weet ook, dat hij daardoor een onderhoud bekort, waarvoor hij zijn leven zou willen geven, om het te rekken. Nu keert hij zich om en kijkt naar Hermoine de Alva.

Deze heeft hem den rug toegekeerd en schijnt met haar hand in haar boezem ijverig naar iets te zoeken.

Als Guy de deur sluit, slaakt zij een zucht van verlichting, alsof zij heeft gevonden wat zij zoekt, en als hij zijn armen om haar heen slaat, fluistert zij: “Die arme Bodé Volckers zal dadelijk terugkomen en dan moet gij gaan. Ay de mi! de tijd is kort. Maar aan mijn vinger heb ik weer den ring, die mij aan u zal doen denken.”

Tot zijn onuitsprekelijke vreugde ziet Guy, dat zij den ring met den brillant opnieuw aan haar ringvinger heeft.

“Zweer nu, steeds aan mij te denken als uw trouwen ridder, wat men ook van mij moge uitstrooien,” fluistert hij.

“Ja,” antwoordt het meisje, “als men mij zegt, dat gij mij ontrouw zijt, zal ik tot mijzelve zeggen: het is een leugen. Als men mij zegt, dat gij een dronkaard zijt, zooals die oude, onnoozele Bodé Volckers mij vertelde,” zij kijkt met oogen, vlammend van verontwaardiging, naar de deur, waarachter de burgemeester verdwenen is, “zal ik zeggen: mijn Guido heeft mij eens bewezen dat het een leugen was, nu weet ik, dat het altijd een leugen is.—Maar zult gijwel ooit tot mij terugkeeren?” vervolgt zij nu op treurigen toon. “Ik weet, dat gij nu naar uw post terug moet. Er is slechts één plaats, als er oorlog is tegen de vlag van Spanje, waar de verloofde van Alva’s dochter zich behoort te bevinden, en dat is op het oorlogsveld! Slechts daar kunt gij roem en glorie verwerven, groot genoeg om naar mijn hand te dingen.”

“Twijfel daaraan niet, ik zal dáár te vinden zijn, waar de strijd het hevigst is,” mompelt Guy grimmig, “en het is voor u, dat ik vecht, al waardeert Alva ook misschien mijn streven niet.”

“Mijn vader beloont steeds dapperheid en goed gedrag, onthoud dat, majoor Guido Amati de Medina,—dapperheid en goed gedrag. Gij moogt den moed van een paladijn hebben, het zal u niet in rang doen stijgen, als gij geen hersens bezit. Mij dunkt, gij hebt overvloed van beide,” lacht zij, de krullen van Guy’s hoog voorhoofd wegstrijkend, en roept opeens opgewonden uit: “Wel, gij hebt het voorhoofd van een schaakspeler!”

“Ja, het spel waarin de ridder1de koningin neemt,” fluistert Guy.

“Dan moet hij zeer galant en teeder en bescheiden voor zijn gevangen koningin zijn,” roept het meisje blozend uit, met een teederen blik in haar oogen. Want de ridder heeft naar zijn woord bezit genomen van de koningin van zijn hart, en wel op een buitengewoon hartstochtelijke wijze, en voor een oogenblik komt de verzoeking bij hem op, haar met geweld te ontvoeren.

Het volgend oogenblik begrijpt hij echter, dat het nu de tijd niet is, om dit voornemen uit te voeren of moeite te doen, om Hermoine over te halen, hem vrijwillig te volgen, want hij zou voor niets ter wereld den goeden naam van haar, die hij zoo hoog stelt, in gevaar willen brengen, en buitendien klopt de burgemeester ook reeds aan de deur.

“Herinner u—”

Zij spreken het gelijktijdig uit en met een kus beletten zij elkaar, den zin aan te vullen. Het is hun laatste omhelzing, eer Guy met een kloek besluit de deur opent en Niklaas binnenlaat, gevolgd door juffrouwWilhelmina, die er beklagenswaardig uitziet in haar meer dan eenvoudige kleeding, zonder iets van de luxe, die zij vroeger in haar toilet ten toon spreidde.

De sporen van tranen zijn nog op haar wangen aanwezig, zij ziet zeer bleek, doch haar oogen schitteren zenuwachtig en verleenen een vreemde schoonheid aan haar gelaat.

“Haast u! er staat een rijtuig voor de deur,” mompelt de burgemeester. “Ik heb zooveel bagage, als ik kon vinden, naar het schip gezonden. Uw kamenier gaat mee.”

Mina valt hem echter in de rede en gaat op Hermoine de Alva af, die haar treurig aanziet, als zij vraagt:

“Vertel mij wat van hem!”

“Hem—van wien?”

“Mijn Oliver. Is hij in veiligheid?”

“Voor het oogenblik, ja.”

“Goddank!”

“Ja, de verrader Oliver is den vorigen nacht uit Brussel gevlucht. Dezen morgen kregen wij bericht dat hij Bergen had ingenomen met acht man.”

“Acht man! Ah! Dat was een heldendaad! Acht man een bezetting verrassen! Maar Lodewijk van Nassau zal ongetwijfeld zoo vlug mogelijk uit Frankrijk de stad binnentrekken. Uw held is veilig, kleine Mina!” roept Guy uit, geheel zijn rol van Spaansch officier vergetend in zijn geestdrift over de dapperheid en den roem van zijn vriend.

“Ja, hij is veilig,voor het oogenblik,” laat nu Hermoine zich hooren. “Hij is een dapper man en een groot schilder. Ik wil voor zijn altaarstuk zorgen. Máar, o misericordia!”—zij slaat haar oogen ten hemel en zegt op angstigen toon: “Ik smeek God, dat mijn vader hem nooit levend in handen moge krijgen.” En zich tot Mina wendend, vervolgt zij zeer ernstig: “Als gij uw beminde ooit weer moogt spreken, smeek hem dan, zoo hij tenminste de verschrikkingen van de hel vreest,zich nooit levend te laten gevangennemen! Het is jammer, dat zulk een dapper en talentvol man mijn vaders brood at en hem verraadde. Toch, majoor Guido Amati, draag ik, vertrouwende op uw woord van edelman, u op, dit arme meisje te beveiligen voor mijn vaders toorn.”

“Gauw dan, breng haar in het rijtuig,” zoo haast Guy den koopman.

En als de burgemeester zijn dochter naar buiten brengt, fluistert Hermoine de Alva: “Gij ziet nu, dat ik vertrouwen in u stel en hoe weinig ik geloof,dat gij een losbol zoudt zijn. Dit meisje is mooi en toch stel ik haar onder uw hoede, want ik geloof in u, evenals de meisjes uit den ouden tijd het in haar ridders deden.”

“Bij Sint George en den draak! gij kunt mij vertrouwen.” En zich bukkende, drukt Chester zijn lippen op den mond, die hem wordt toegestoken, want hij hoort Bodé Volckers roepen: “Kom dan toch!”

Chester vertrekt en de laatste blik, dien hij opvangt uit de schoone oogen van zijn beminde, spreekt van onwankelbare trouw, en hij neemt het bewustzijn met zich, dat, al moge hetgeen men van hem vertelt gunstig of ongunstig luiden, Hermoine de Alva zal blijven gelooven in majoor Guido Amati de Medina van Romero’s voetvolk, als haar ridder en haar kampioen.

Bij het rijtuig gekomen, drukt de burgemeester de hand van den Engelschman en fluistert: “Alles is in orde, rijd rechtstreeks naar het schip,” en voegt er aan toe: “Gij hebt haar in uw handen. Zooals gij met mijn Mina doet, moge God met u doen. Haast u, het tij is u gunstig.”

Het gaat nu in snellen draf naar deEsperanza, en aan boord vindt Chester Olins met de verlangde papieren. Hij vertoont deze aan een douane-beambte, die reeds wacht, en als alles in orde blijkt te zijn, verlaat het schip de haven.

Ongeveer anderhalf uur later is deEsperanzaFort Lillo gepasseerd en op weg naar den open oceaan, waar de Hollandsche zeelieden thans Alva’s gehuurden krijgsknechten de baas zijn.

Terwijl hij nog een blik achterwaarts werpt, naar Fort Lillo met zijn grimmig geschut, slaakt Chester een zucht van verlichting. Hij is opnieuw uit Antwerpen ontsnapt; de schat van den Hertog is nog onaangeroerd, maar hij heeft honderd kussen veroverd,—waarvoor hij honderdmaal zijn leven zou gewaagd hebben. Doch zijn manschappen hebben niets gekregen, en zij toonen lust om te mopperen.

En nu komt de koopmansdochter op Chester af en fluistert: “God zegene u, dat gij mij gered hebt voor vernedering en de geeselroede.”

“Gij stelt, hoop ik, volkomen vertrouwen in mij?” antwoordt Guy en kijkt het schoone meisje aan, op wier wangen de frissche zeewind een blosje heeft getooverd.

“Ja! Gij zijt de vriend van Oliver, gij zoudt hem niet verraden. Gij zijt”—hier begint juffrouw Wilhelmina te stamelen, doch glimlacht daarbij—“de beminde van iemand, wien niemand ontrouw zou kunnen worden.”

“Par Dios! Wie is dat?” vraagt Guy, op zijn lippen bijtend.

“Dona Hermoine de Alva. Gij herinnert u immers nog wel de koopjes, die ik haar duena bezorgde, majoor Guido Amati de Medina?” En het meisje lacht vroolijk, ofschoon zij niet aan de zee gewend is, en het lachen haar moeielijk begint te vallen.

1Knight = ridder, paard in het schaakspel.

1Knight = ridder, paard in het schaakspel.

HOOFDSTUK XIV.GODS VOORZIENIGHEID.Eenige uren later is Chester te Vlissingen, waar ’t Zeraerts nu bevel voert in naam van den prins van Oranje.Hij verlaat de haven weer spoedig, als hij bemerkt dat deDover Lassnog niet is teruggekeerd van Ierland,—echter eerst na eenige moeielijkheden te hebben gehad met de auroriteiten, die deEsperanzawilden bemachtigen, totdat Guy zich bekend maakte als den “Eerste der Engelschen” en broeder-Geus.Hij haast zich nu, zijn belofte aan Dona Hermoine te vervullen en het aan zijn zorgen toevertrouwde meisje naar Haarlem te brengen. Allereerst hijscht hij de Oranjevlag en werpt in den loop van den volgenden dag het anker te Zandvoort uit. Nadat hij zich met de sloep aan land heeft laten zetten, neemt hij tien van zijn matrozen mee en heeft een voorspoedigen tocht van vijf mijlen door de met bosschen bedekte duinen naar het Spaarne en verder naar Haarlem; de zon beschijnt vroolijk de stratenen de burgers, die zich bedrijvig voorwaarts spoeden; de klokken van de Groote Kerk luiden, als om triumfantelijk de zegepraal van het protestantisme te verkondigen; de vrouwen lachen, de kinderen spelen voor de nette woningen met hun helder gekleurde gevels.Als zij de St.-Janspoort zijn doorgegaan, die streng bewaakt wordt door een burgerwacht, bewapend met haakbussen en bogen, laat Guy zich brengen bij den commandant van de stad, Ripperda, en als hij zijn naam noemt, doet hij de ervaring op, dat de “Eerste der Engelschen” goed bekendstaat in deze Hollandsche stad en als vriend wordt beschouwd. Het wordt Guy dan ook dadelijk toegestaan, juffrouw Bodé Volckers naar de familie van haar oom, zekeren Pieter Kies, te geleiden, die zijn fortuin heeft gemaakt met zijn bleekerij.Na den avond in den kring van de rijke, gastvrije Hollandsche familie te hebben doorgebracht, laat hij de schoone Mina gelukkig en tevreden achter, ofschoon zij vol zorg is over het lot van den man, dien zij liefheeft.“Als gij iets van Oliver hoort, laat het mij dan weten, indien gij tenminste kunt,” smeekt zij, en vervolgt met een trillende stem: “God zegene u, dat gij mij in uw hoede hebt genomen. Oliver zal u voor zichzelven dankzeggen, als hij tenminste nog leeft, en u wederziet,” en daarna glimlacht zij: “Gij zijt niet, wat gij schijnt te zijn. Gij zijt niet de Spaansche kapitein, gij zijt een patriot, zooals mijn aanstaande echtgenoot, en toch,”—zij kijkt hem vlak in de oogen,—“zijt gij de verloofde van Alva’s dochter!” En alszij bemerkt, dat Guy schrikt, voegt zij er op geruststellenden toon aan toe: “Vertrouw mij, ik zal uw geheim bewaren, want ik weet, dat gij voor iederen kus van Dona Hermoine uw leven op het spel zet.”Het staat Guy volstrekt niet aan, dat een ander achter zijn geheim is, en eenigszins ontstemd begeeft hij zich naar de nette kleine herbergDe Zwaan. Daar brengt hij een aangenamen nacht door tusschen schoone lakens (want de Hollandsche herbergen waren veel beter dan die te Antwerpen) en is zeer tevreden over den jongen waard, Hasselaer genaamd. Deze en zijn moeder, een weduwe van ongeveer veertig jaar, wetenDe Zwaanflink in orde te houden.Den volgenden morgen gaat Chester, na een smakelijk ontbijt, opnieuw naar Ripperda en vraagt een pas voor zichzelven en zijn tien volgelingen.“Zeker,” antwoordt de forsche Hollandsche commandant, “het verheugt mij iemand van dienst te kunnen zijn, die zooveel voor onze zaak heeft gedaan. Ik hoop, dat gij hier nog eens terug zult keeren, als wij gelukkiger dagen beleven.”“Wat kan meer van geluk getuigen dan dit?” antwoordt Guy, terwijl hij kijkt naar het aardige schouwspel, dat de drukte van nering en hanteering aanbiedt.“O, zeker, het ziet er aardig genoeg uit,” zegt de Hollander, “maar God weet, wat ons de oorlog zal brengen. Het is hier in de noordelijke gewesten op het oogenblik overal rustig, maar het is de kalmte vóór den storm. Alle steden van Holland, behalve Amsterdam, zijn tegen Alva opgestaan, en met dien aanval in zijn rug door Oliver in Bergen, waarvanhet bericht juist tot ons is gekomen, en met de hulp van Fransche Hugenoten, die Condé en Coligny ons hebben toegezegd, zal alles misschien nog goed afloopen—maar God alleen weet het!”En God weet, wat Ripperda niet weet, want als de dappere Hollander had kunnen vermoeden, wat hem en den zijnen boven het hoofd hangt, dat zij weldra het gras uit de straten zullen eten, om ziel en lichaam bij elkander te houden, en dat zij zich al die ontberingen enkel hebben getroost, om door Alva’s beulen ellendig te worden omgebracht, zou hij en iedereen, man, vrouw of kind, die nu in de straten van het gelukkige Haarlem loopt, vluchten, hun bezittingen en de woningen waaraan zij gehecht zijn verlatende, alsof zij door God vervloekt waren.Doch alles heeft nu een lachend en gelukkig aanzien, als Chester de stad door de St.-Janspoort verlaat en naar Zandvoort terugkeert, waar een sloep op hem ligt te wachten; daarop zet hij met deEsperanzaweer koers naar Vlissingen, waar deDover Lassreeds is aangekomen.“Gij hebt de Spanjaarden allen veilig en wel in Ierland achtergelaten?” vraagt Guy aan Dalton.“Ja, iedere Don is veilig onder dak gebracht bij een O’Toole. Zij kunnen nu zeker reeds Iersch spreken,” antwoordt de gevraagde.Chester wordt begroet met drie luide hoezee’s van de bemanning van deDover Lass—uit vreugde over de behouden terugkomst van hun commandant, want als hij er het leven heeft afgebracht, heeft hij natuurlijk ook geld.“En nu de schat!” roept Dalton levendig uit,doch zijn verweerd gelaat betrekt, als Guy antwoordt: “Voor het oogenblik nog geen schat.”Ook de manschappen zijn zeer teleurgesteld, want allen meenden, toen zij zagen, dat hun commandant nog leefde, de twintig beloofde gouden dubloenen reeds in handen te hebben.Buitendien is Guy nog genoodzaakt, eerst weer naar Engeland te zeilen, om geld voor zijn bemanning te halen, en om er de sleutels te laten maken.Ofschoon hij te Londen de sleutels der schatkamer van den Onderkoning bij drie verschillende bekwame slotenmakers gemaakt krijgt, om ze daarna zorgvuldig weg te bergen in de hut van deDover Lass, blijven de geldkisten van zijn eigen land voor hem gesloten.Het gelukt hem niet, een leening te sluiten met bankiers en zilversmeden, want hij wil niet zeggen, waar de buit, waarvan hij spreekt, zich bevindt, en de meeste denken, dat het in West-Indië is,—dat de onderneming dus een langdurige zeereis zal vereischen, gepaard gaande met groot gevaar voor schipbreuk en gevangenschap.Hij kan geen hulp van Elizabeth krijgen, die haar hand toornig tegen haar zak slaat, als hij om geld vraagt, en zegt: “Sir Guy Chester, gij moogt van geluk spreken, dat gij er uw hoofd afbrengt! Wie beroofde mijn arsenalen van kruit? Wie anders dan gij en die zwakhoofdige Burleigh? Als die Hollanders het mijn vriend Alva nu niet zoo lastig maakten, dan had het, dunkt mij, veel van hoogverraad.”Guy, die de geschiedenis van den schat van den Hertog niet durft vertellen, zit dus erg in de klem,temeer daar eenige zijner matrozen hem gaan verlaten voor kapiteins van andere schepen, die vooruit kunnen betalen. Hij begeeft zich op zekeren dag vol wanhoop naar Lord Burleigh en zegt tot hem: “Evenmin als ieder ander, versmaadt gij het geld.”“Dat is zoo,” antwoordt Burleigh, zich in de handen wrijvend.“Ik kan u niet vertellen, waar ik dat geld vandaan haal, maar er is een schatkamer te plunderen door iemand, die bereid is, er zijn leven voor te wagen. Die man ben ik. Ik weet, waar die schat is.”“Waar dan?”“Dat zal ik nooit zeggen. Doch gij weet, dat, als ik eens mijn woord heb gegeven, ik het ook houd. Buitendien heb ik uw naam als staatsman gevestigd.”“Gij hebt mijn naam als staatsman gevestigd?”“Ja, door mijn raad met betrekking tot de Geuzen, men noemt u nu den wijzen, den vèrzienden, den loozen vos Burleigh.”“Ja, en ik loop er gevaar door, mijn hoofd te verliezen,” antwoordt de Lord norsch. “Gij wildet mij echter over geld spreken?”“Ja! Schiet mij zes duizend kronen voor en als ik levend terugkom, zal ik u zestig duizend teruggeven—tien voor één. Nog beter, geef mij tien duizend en gij krijgt honderd duizend terug. Het is als een dobbelspel. Ik waag mijn leven, gij uw geld.”“Ik stel mijn tien duizend kronen op hooger prijs dan gij uw leven,” antwoordt de Lord en zendt hem weg.Doch juist in die dagen komt Francis Drake terug uit de Spaansche wateren, zijn schip zwaar beladenmet staven goud van een buitgemaakt galjoen, en daar Guy heeft uitgestrooid, dat zijn schat ook uit West-Indië moet komen, ontbiedt Zijn Lordschap hem en zegt, dat hij het geld niet persoonlijk kan voorschieten, maar dat hij wel eenige Londensche kooplieden kan bewegen, de tien duizend kronen te leenen op de voorwaarden van afbetaling, die Guy heeft aangeboden.De jonge man neemt het aanbod onmiddellijk aan en als hij het geld in handen heeft, tuigt hij zijn schip opnieuw op, vult zijn bemanning tot een voldoende sterkte aan, hetgeen niet moeilijk is, omdat de beste zijner manschappen, met Dalton en Corker aan het hoofd, hem niet hebben verlaten, en gaat onder zeil naar de Nederlanden, niettegenstaande het winter is, en komt vroeg in December te Vlissingen aan. Nauwelijks heeft hij het anker laten vallen, of hij wordt op een aangename wijze verrast.Er nadert een sloep van den wal en Achille, die nu als kajuitsjongen fungeert, komt schreeuwend door het luik naar beneden: “Monsieur Oliver! Mijn meester, de schilder Oliver!”Met één sprong en met een kreet van blijdschap is Chester op het dek, en laat toe, hoezeer het hem als Engelschman ook stuit, dat hij omhelsd en gekust wordt, nog wel ten aanschouwe van zijn grinnekende matrozen, want de man, die hem zoo teeder begroet, is Oliver, de als uit den dood herrezene,—immers Alva heeft Bergen heroverd en een groot gedeelte van de verdedigers dier stad doen ombrengen.“Kom in mijn hut en vertel mij uw lotgevallen. Gij zijt nu geen schilder meer, gij zijt enkel soldaat,”zegt Guy, de hand van den schilder krachtigdrukkenden met iets als een traan in zijn oog, als hij Antony aankijkt.“Vertel gij eerst;—wat weet gij van de vrouw die ik liefheb?” roept de schilder uit.“Veilig.”“Goddank!”“Ga nu mee naar beneden, ik zal u alles vertellen.”Als zij in de hut zijn gekomen, brengen zij elkander beurtelings in verbazing door het nieuws, dat zij beiden hebben mee te deelen. Oliver verhaalt van de verrassing van Bergen, hoe hijzelf bij het aanbreken van den dag den poortwachter neerstiet, terwijl zijn acht metgezellen, in marktkarren onder groenten verborgen, de stad werden binnengebracht; hoe Lodewijk van Nassau, die buiten in het bosch wachtte met vijfhonderd ruiters, ieder met één voetknecht achter zich, daarna de stad binnentrok, terwijl Oliver en zijn acht helden de poort zoolang tegen het Spaansche garnizoen verdedigden, tot zij de ophaalbrug waren overgetrokken. Vervolgens de bijzonderheden van de belegering door Alva; hoe zij op ontzet hoopten, daar hun hulp uit Frankrijk was beloofd; toen het bericht van het feest van Catharina de Medicis, de afgrijselijke slachting in den St.-Bartholomeusnacht, die het bloed der edelste Hugenoten door de straten van Parijs deed stroomen en waardoor hun geen hulp meer kon geworden van den vermoorden Coligny; hoe Oranje’s poging om hen te ontzetten, mislukte; hoe ten slotte hij, Oliver, Lodewijk van Nassau en eenige anderen aan Alva’s klauwen ontsnapten, en hoe nu de Onderkoning, daar hij niets meer van Frankrijkheeft te vreezen, een groot leger verzamelt, om Holland te heroveren, Amsterdam daarbij tot centrum kiezend, als de eenige stad, die nog in zijn handen is.“Apropos,” zegt Guy, “nu wij toch over Spanjaarden spreken: hebt gij soms ook iets gehoord van onzen vriend, majoor Guido Amati?”“KolonelGuido Amati.”“Te drommel,—alweer bevorderd?”“Ja, gij zijt de dochter van den Onderkoning alweer een stap nader gekomen,” lacht Antony. “Hebt gij het niet gehoord? Toen Mondragon een maand geleden het beleg van Goes ophief, trok majoor Guido Amati ’s nachts aan het hoofd van het Spaansche voetvolk over de verdronken gronden van Zuid-Beveland, waar het zetten van één schrede naast den weg gelijkstond met verdrinken, waar een uur vertraging in den overtocht van vier uren gelijkstond met verzwolgen te worden door het wassend tij, en zoo verraste hij, als uit de lucht gevallen, in den vroegen morgen ’t Zeraets’ soldaten, nadat hij een plaats was overgetrokken, die, naar men meende, enkel voor de visschen en de vogels toegankelijk was. Ter belooning droeg Mondragon majoor Guido Amati ter bevordering voor. Op zijn aanbeveling werd dadelijk beschikt, terwijl het anders gewoonlijk een jaar duurt. Gij ziet dus, dat gij u loffelijk gedragen hebt. Mij dunkt, dat Dona de Alva zeer trotsch op u kan zijn.”“Goddank,” lacht Guy, “dat mijn bandelooze naamgenoot weer aan het vechten is gegaan, en ik mij dus goed zal gedragen; hebt gij niets van haar gehoord?”“Neen, behalve dat zij nog altijd even schoon is, doch veel hooghartiger en kouder. Zelfs Noircarmes, vertelt men, fronst het voorhoofd en bijt op zijn knevel, als de naam van Dona de Alva genoemd wordt. Vertel mij nu van mijn beminde.”Hierop geeft Guy een verslag van dien merkwaardigen morgen in Antwerpen en hoe hij Mina Bodé Volckers op bevel van Dona de Alva heeft bewaard voor geeseling en vernedering, waarop Oliver met tranen in de oogen uitroept: “God zegene haar en vervloeke haar vader! Hoe kan zulk een edel meisje een dochter van Alva zijn?”En dan vraagt hij een weinig angstig: “Waar hebt gij Mina heengebracht?”“Naar Haarlem.”“Haarlem?” Het klinkt als een kreet van ontzetting. “Groote God, waarom deedt gij dat?”“Haar vader zond haar daarheen naar haar oom, Pieter Kies.”“Haarlem!” De schilder is verstijfd van schrik. “Het is bijna ingesloten!” kermt hij. “Haarlem! en Alva heeft gezworen, dat hij geen man, vrouw of kind levend uit die stad zal laten ontsnappen. Haarlem! Haarlem! Mijn God! Is zij daar nog?”“Dat weet ik niet. Ik verliet haar daar veilig en weltevreden, wachtend op u,—haar laatste woorden waren voor u.”“Haarlem! Wij moeten er heen. Wij moeten beproeven haar te redden. Het is bijzonderlijk voorgeschreven, dat alle uitgewekenen, die zich in de stad bevinden, niet alleen ter dood gebracht maar ook gepijnigd moeten worden. Mina is een uitgewekene.Help mij, Engelschman,—gij hebt mijn beminde den dood in de kaken gevoerd—help mij er haar weder uit verlossen!” kreunt Oliver, die in zijn angst bijna geen rede meer verstaat.“Verwijt het mij niet,” antwoordt Guy. “Ik heb voor haar gedaan, wat ik meende, dat het beste was. Doch ik zal u helpen, om haar te bevrijden—ik zal er mijn leven voor wagen.”“God zegene u,” roept Oliver uit. “En uw bemanning?”“Zij volgt mij.”“God zegene hen!”En zijn schat vergetende en nog eens zijn zielsbeminde, naar wier bijzijn hij hunkert, den rug toekeerend, vertrekt Guy met zijn vriend, die nu geen schilder meer is, doch geheel en al krijgsman is geworden, om het waagstuk te beproeven, dat, zal het slagen, geen uitstel kan lijden.Dalton waagt de opmerking, als hij orders ontvangt, om het anker binnen te halen en naar het Noorden te zeilen: “Dat is eigenlijk niet mooi tegenover hen, die u met geld geholpen hebben, commandant.”“Vriendschap vóór handel—het geluk van mijn vriend vóór het geld van Engelsche bankiers en woekeraars!” antwoordt zijn commandant. “Dalton, gij hebt een meisje in Engeland; wat zoudt gij doen, om haar te beveiligen voor Alva’s troepen?”“Vechten, tot ik dood neerviel.”“Nu, man, mijn vriend heeft het zijne in Haarlem!”“Dan zal ik ook voor zijn meisje vechten,” roept de ruwe zeeman uit; en de manschappen wettenhun hartsvangers en strijdbijlen en zingen daarbij Britsche liederen, ter eere van hun liefjes thuis.Den volgenden dag bereiken zij Delft en vernemen daar, dat zij Haarlem niet over Leiden kunnen bereiken. Hier hooren zij ook van het afgrijselijke bloedbad te Naarden—vijfhonderd burgers vermoord in de kerk, de rest van de inwoners eveneens grootendeels omgebracht. Bijzonderheden ontbreken, daar de verschrikte boeren de plaats niet durven binnengaan, waaruit het gekerm van vrouwen en kinderen opstijgt, dat men mijlen ver kan hooren. Het is de Hollandsche stad overgeleverd aan de genade van Spaansche soldaten, prijsgegeven aan plundering, moord en vernieling; het is hetzelfde verhaal als van Mechelen en Zutfen, hetzelfde verhaal als van iedere stad, waar Alva’s veteranen als overwinnaars binnendringen.Oliver is de wanhoop nabij. Hij huivert bij hetgeen hij hoort en fluistert Guy met bleeke lippen toe: “Er blijft ons niets anders over dan te zien, of wij de Zuiderzee kunnen bereiken en vandaar uit het IJ, zoodat wij van den noordkant binnen Haarlem kunnen komen. Die weg is nog vrij.”“Misschien!”antwoordt Guy, twijfelend. “Doch het is een wanhopige onderneming. Wij moeten beide keeren Amsterdam passeeren, waar Alva’s geheele legermacht zich bevindt en misschien nog oorlogsschepen bovendien.”“Mon Dieu! Gij wilt haar toch niet aan haar lot overlaten?” roept de Fransche Vlaming woest uit.“Neen, maar ik moet zekerheid hebben, dat zij in Haarlem is, eer ik het leven mijner mannen voorzulk een dolzinnig waagstuk op het spel zet. Het is December, er zal spoedig ijs komen.”Chester tracht nu berichten in te winnen en treft toevallig den laatsten man, die uit Haarlem ontsnapt is, aan, een man, half krankzinnig van angst, want hij is slechts met moeite ontkomen aan de Spaansche patrouilles, die met gruwzame wreedheid iedereen ophangen of doodslaan, dien zij ontmoeten.Als zij hem ondervragen, antwoordt hij: “Ja, ik kom uit Haarlem—ik redde ternauwernood mijn leven—Ik heb den rook van het brandende Naarden gezien, het gekerm gehoord—”“Maar Haarlem, wat weet gij van Haarlem?” valt Guy hem in de rede. “Beantwoord vlug mijn vragen en ik zal u geld geven.” Want de arme man is van alles beroofd en moet leven van aalmoezen. “Kent gij een zekeren Pieter Kies?”“Natuurlijk, lid van den gemeenteraad.”“Is hij nog in de stad?”“Ja.”“Woont er bij hem in huis een blond meisje met groote blauwe oogen?”“O, gij bedoelt de beminde van den patriotschen schilder, die nu den eerenaam heeft gekregen van Oliver van Bergen?”Nu hebben zij zekerheid. Oliver begint op zijn luidruchtige Fransche wijze te jammeren: “Nom de Dieu! Mina is reddeloos verloren, zij zal gefolterd worden, omdat ik haar liefheb,” en op heeschen toon smeekt hij Guy: “Red haar, Engelschman! Als gij u mijn vriend noemt, red haar dan.”“Ik zal alles doen, wat een man vermag.”“Gezwind dan! Licht het anker en zet koers naar de Zuiderzee! Spoed is haar eenige redding.”“Ik moet voor deze zaak toch eenige voorbereidingen treffen,” antwoordt Chester, die ernstig twijfelt aan den goeden afloop van dit avontuur.“Voorbereidingen? Hebben wij dan geen wapenen en kruit? Haast u, doe het voor mij, haast u!” smeekt Oliver.Aangespoord door de wanhopige woorden van zijn vriend, doet Guy in allerijl proviand op voor den tocht. Hij ziet eerst om naar een loods, die bekend is met de binnenwateren, welke hij moet bevaren, en is zoo gelukkig er spoedig een te vinden in den persoon van den Frieschen vrijbuiter ’t Hoen. Deze geeft aanstonds order, deDover Lasszooveel mogelijk te lichten.“Zes duim meer of minder diepgang, daar kan in de Zuiderzee met haar ondiepten ons leven van afhangen,” zegt ’t Hoen, die bij al zijn woestheid een ervaren zeeman is.Deover Lasswordt nu ontlast van al het overtollige; zij bergt nog alleen proviand, water en ammunitie.Daarna vraagt ’t Hoen, zich niet storende aan de spotternijen der zeelieden: “Hoevelen van u kunnen schaatsenrijden?”“Welzoo, het wordt dus een winterbuitenpartij met dames en vuurwerk op het ijs?” lacht de bootsman.Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, gaat ’t Hoen heen en koopt voor iederen man, die er mee weet om te gaan, een paar Friesche schaatsen. Als hij ze aan boord heeft gebracht, zegt hij totChester: “Commandant, wij zullen die moeten gebruiken om weg te loopen, als wij al te zeer in de klem geraken,” waarop Corker een leelijk gezicht trekt, daar het denkbeeld, zijn schip te verlaten, al is het om zijn leven te redden, hem tegen de borst stuit.Deze voorbereidselen zijn door Chester en zijn manschappen met zooveel spoed gemaakt, dat zij zich nauwelijks vier uren in Delft hebben opgehouden.Den volgenden dag bereiken zij reeds de Zuiderzee en vernemen te Enkhuizen, dat de Spaansche bevelhebber bezig is, Haarlem aan alle kanten in te sluiten.Tegen den avond in de buurt van Amsterdam aangekomen, blijven zij daar op en neer varen, gereed om over het IJ de stad voorbij te zeilen, als de duisternis zal zijn gevallen, en om den volgenden morgen Haarlem te bereiken vóór het geheel is omsingeld, en het meisje voor het gevaar van een beleg te bewaren.Doch de Voorzienigheid is dien nacht niet met hen. Er komt een koude wind uit het Noorden, die vorst meebrengt en het water met een ijslaag bedekt. En toch is de wind niet sterk genoeg, om hun een weg door het bevriezende water te banen.Den volgenden morgen zitten zij vast in het ijs en met hen drie andere Geuzenschepen, gelukkig alle vlak bij elkaar en misschien met een zelfde doel hier. Zij zijn nu hulpeloos, zij kunnen noch voor-, noch achteruit.De stad Amsterdam, met Alva’s leger binnen zijn muren,is slechts vier mijlen van hen verwijderd.

Eenige uren later is Chester te Vlissingen, waar ’t Zeraerts nu bevel voert in naam van den prins van Oranje.

Hij verlaat de haven weer spoedig, als hij bemerkt dat deDover Lassnog niet is teruggekeerd van Ierland,—echter eerst na eenige moeielijkheden te hebben gehad met de auroriteiten, die deEsperanzawilden bemachtigen, totdat Guy zich bekend maakte als den “Eerste der Engelschen” en broeder-Geus.

Hij haast zich nu, zijn belofte aan Dona Hermoine te vervullen en het aan zijn zorgen toevertrouwde meisje naar Haarlem te brengen. Allereerst hijscht hij de Oranjevlag en werpt in den loop van den volgenden dag het anker te Zandvoort uit. Nadat hij zich met de sloep aan land heeft laten zetten, neemt hij tien van zijn matrozen mee en heeft een voorspoedigen tocht van vijf mijlen door de met bosschen bedekte duinen naar het Spaarne en verder naar Haarlem; de zon beschijnt vroolijk de stratenen de burgers, die zich bedrijvig voorwaarts spoeden; de klokken van de Groote Kerk luiden, als om triumfantelijk de zegepraal van het protestantisme te verkondigen; de vrouwen lachen, de kinderen spelen voor de nette woningen met hun helder gekleurde gevels.

Als zij de St.-Janspoort zijn doorgegaan, die streng bewaakt wordt door een burgerwacht, bewapend met haakbussen en bogen, laat Guy zich brengen bij den commandant van de stad, Ripperda, en als hij zijn naam noemt, doet hij de ervaring op, dat de “Eerste der Engelschen” goed bekendstaat in deze Hollandsche stad en als vriend wordt beschouwd. Het wordt Guy dan ook dadelijk toegestaan, juffrouw Bodé Volckers naar de familie van haar oom, zekeren Pieter Kies, te geleiden, die zijn fortuin heeft gemaakt met zijn bleekerij.

Na den avond in den kring van de rijke, gastvrije Hollandsche familie te hebben doorgebracht, laat hij de schoone Mina gelukkig en tevreden achter, ofschoon zij vol zorg is over het lot van den man, dien zij liefheeft.

“Als gij iets van Oliver hoort, laat het mij dan weten, indien gij tenminste kunt,” smeekt zij, en vervolgt met een trillende stem: “God zegene u, dat gij mij in uw hoede hebt genomen. Oliver zal u voor zichzelven dankzeggen, als hij tenminste nog leeft, en u wederziet,” en daarna glimlacht zij: “Gij zijt niet, wat gij schijnt te zijn. Gij zijt niet de Spaansche kapitein, gij zijt een patriot, zooals mijn aanstaande echtgenoot, en toch,”—zij kijkt hem vlak in de oogen,—“zijt gij de verloofde van Alva’s dochter!” En alszij bemerkt, dat Guy schrikt, voegt zij er op geruststellenden toon aan toe: “Vertrouw mij, ik zal uw geheim bewaren, want ik weet, dat gij voor iederen kus van Dona Hermoine uw leven op het spel zet.”

Het staat Guy volstrekt niet aan, dat een ander achter zijn geheim is, en eenigszins ontstemd begeeft hij zich naar de nette kleine herbergDe Zwaan. Daar brengt hij een aangenamen nacht door tusschen schoone lakens (want de Hollandsche herbergen waren veel beter dan die te Antwerpen) en is zeer tevreden over den jongen waard, Hasselaer genaamd. Deze en zijn moeder, een weduwe van ongeveer veertig jaar, wetenDe Zwaanflink in orde te houden.

Den volgenden morgen gaat Chester, na een smakelijk ontbijt, opnieuw naar Ripperda en vraagt een pas voor zichzelven en zijn tien volgelingen.

“Zeker,” antwoordt de forsche Hollandsche commandant, “het verheugt mij iemand van dienst te kunnen zijn, die zooveel voor onze zaak heeft gedaan. Ik hoop, dat gij hier nog eens terug zult keeren, als wij gelukkiger dagen beleven.”

“Wat kan meer van geluk getuigen dan dit?” antwoordt Guy, terwijl hij kijkt naar het aardige schouwspel, dat de drukte van nering en hanteering aanbiedt.

“O, zeker, het ziet er aardig genoeg uit,” zegt de Hollander, “maar God weet, wat ons de oorlog zal brengen. Het is hier in de noordelijke gewesten op het oogenblik overal rustig, maar het is de kalmte vóór den storm. Alle steden van Holland, behalve Amsterdam, zijn tegen Alva opgestaan, en met dien aanval in zijn rug door Oliver in Bergen, waarvanhet bericht juist tot ons is gekomen, en met de hulp van Fransche Hugenoten, die Condé en Coligny ons hebben toegezegd, zal alles misschien nog goed afloopen—maar God alleen weet het!”

En God weet, wat Ripperda niet weet, want als de dappere Hollander had kunnen vermoeden, wat hem en den zijnen boven het hoofd hangt, dat zij weldra het gras uit de straten zullen eten, om ziel en lichaam bij elkander te houden, en dat zij zich al die ontberingen enkel hebben getroost, om door Alva’s beulen ellendig te worden omgebracht, zou hij en iedereen, man, vrouw of kind, die nu in de straten van het gelukkige Haarlem loopt, vluchten, hun bezittingen en de woningen waaraan zij gehecht zijn verlatende, alsof zij door God vervloekt waren.

Doch alles heeft nu een lachend en gelukkig aanzien, als Chester de stad door de St.-Janspoort verlaat en naar Zandvoort terugkeert, waar een sloep op hem ligt te wachten; daarop zet hij met deEsperanzaweer koers naar Vlissingen, waar deDover Lassreeds is aangekomen.

“Gij hebt de Spanjaarden allen veilig en wel in Ierland achtergelaten?” vraagt Guy aan Dalton.

“Ja, iedere Don is veilig onder dak gebracht bij een O’Toole. Zij kunnen nu zeker reeds Iersch spreken,” antwoordt de gevraagde.

Chester wordt begroet met drie luide hoezee’s van de bemanning van deDover Lass—uit vreugde over de behouden terugkomst van hun commandant, want als hij er het leven heeft afgebracht, heeft hij natuurlijk ook geld.

“En nu de schat!” roept Dalton levendig uit,doch zijn verweerd gelaat betrekt, als Guy antwoordt: “Voor het oogenblik nog geen schat.”

Ook de manschappen zijn zeer teleurgesteld, want allen meenden, toen zij zagen, dat hun commandant nog leefde, de twintig beloofde gouden dubloenen reeds in handen te hebben.

Buitendien is Guy nog genoodzaakt, eerst weer naar Engeland te zeilen, om geld voor zijn bemanning te halen, en om er de sleutels te laten maken.

Ofschoon hij te Londen de sleutels der schatkamer van den Onderkoning bij drie verschillende bekwame slotenmakers gemaakt krijgt, om ze daarna zorgvuldig weg te bergen in de hut van deDover Lass, blijven de geldkisten van zijn eigen land voor hem gesloten.

Het gelukt hem niet, een leening te sluiten met bankiers en zilversmeden, want hij wil niet zeggen, waar de buit, waarvan hij spreekt, zich bevindt, en de meeste denken, dat het in West-Indië is,—dat de onderneming dus een langdurige zeereis zal vereischen, gepaard gaande met groot gevaar voor schipbreuk en gevangenschap.

Hij kan geen hulp van Elizabeth krijgen, die haar hand toornig tegen haar zak slaat, als hij om geld vraagt, en zegt: “Sir Guy Chester, gij moogt van geluk spreken, dat gij er uw hoofd afbrengt! Wie beroofde mijn arsenalen van kruit? Wie anders dan gij en die zwakhoofdige Burleigh? Als die Hollanders het mijn vriend Alva nu niet zoo lastig maakten, dan had het, dunkt mij, veel van hoogverraad.”

Guy, die de geschiedenis van den schat van den Hertog niet durft vertellen, zit dus erg in de klem,temeer daar eenige zijner matrozen hem gaan verlaten voor kapiteins van andere schepen, die vooruit kunnen betalen. Hij begeeft zich op zekeren dag vol wanhoop naar Lord Burleigh en zegt tot hem: “Evenmin als ieder ander, versmaadt gij het geld.”

“Dat is zoo,” antwoordt Burleigh, zich in de handen wrijvend.

“Ik kan u niet vertellen, waar ik dat geld vandaan haal, maar er is een schatkamer te plunderen door iemand, die bereid is, er zijn leven voor te wagen. Die man ben ik. Ik weet, waar die schat is.”

“Waar dan?”

“Dat zal ik nooit zeggen. Doch gij weet, dat, als ik eens mijn woord heb gegeven, ik het ook houd. Buitendien heb ik uw naam als staatsman gevestigd.”

“Gij hebt mijn naam als staatsman gevestigd?”

“Ja, door mijn raad met betrekking tot de Geuzen, men noemt u nu den wijzen, den vèrzienden, den loozen vos Burleigh.”

“Ja, en ik loop er gevaar door, mijn hoofd te verliezen,” antwoordt de Lord norsch. “Gij wildet mij echter over geld spreken?”

“Ja! Schiet mij zes duizend kronen voor en als ik levend terugkom, zal ik u zestig duizend teruggeven—tien voor één. Nog beter, geef mij tien duizend en gij krijgt honderd duizend terug. Het is als een dobbelspel. Ik waag mijn leven, gij uw geld.”

“Ik stel mijn tien duizend kronen op hooger prijs dan gij uw leven,” antwoordt de Lord en zendt hem weg.

Doch juist in die dagen komt Francis Drake terug uit de Spaansche wateren, zijn schip zwaar beladenmet staven goud van een buitgemaakt galjoen, en daar Guy heeft uitgestrooid, dat zijn schat ook uit West-Indië moet komen, ontbiedt Zijn Lordschap hem en zegt, dat hij het geld niet persoonlijk kan voorschieten, maar dat hij wel eenige Londensche kooplieden kan bewegen, de tien duizend kronen te leenen op de voorwaarden van afbetaling, die Guy heeft aangeboden.

De jonge man neemt het aanbod onmiddellijk aan en als hij het geld in handen heeft, tuigt hij zijn schip opnieuw op, vult zijn bemanning tot een voldoende sterkte aan, hetgeen niet moeilijk is, omdat de beste zijner manschappen, met Dalton en Corker aan het hoofd, hem niet hebben verlaten, en gaat onder zeil naar de Nederlanden, niettegenstaande het winter is, en komt vroeg in December te Vlissingen aan. Nauwelijks heeft hij het anker laten vallen, of hij wordt op een aangename wijze verrast.

Er nadert een sloep van den wal en Achille, die nu als kajuitsjongen fungeert, komt schreeuwend door het luik naar beneden: “Monsieur Oliver! Mijn meester, de schilder Oliver!”

Met één sprong en met een kreet van blijdschap is Chester op het dek, en laat toe, hoezeer het hem als Engelschman ook stuit, dat hij omhelsd en gekust wordt, nog wel ten aanschouwe van zijn grinnekende matrozen, want de man, die hem zoo teeder begroet, is Oliver, de als uit den dood herrezene,—immers Alva heeft Bergen heroverd en een groot gedeelte van de verdedigers dier stad doen ombrengen.

“Kom in mijn hut en vertel mij uw lotgevallen. Gij zijt nu geen schilder meer, gij zijt enkel soldaat,”zegt Guy, de hand van den schilder krachtigdrukkenden met iets als een traan in zijn oog, als hij Antony aankijkt.

“Vertel gij eerst;—wat weet gij van de vrouw die ik liefheb?” roept de schilder uit.

“Veilig.”

“Goddank!”

“Ga nu mee naar beneden, ik zal u alles vertellen.”

Als zij in de hut zijn gekomen, brengen zij elkander beurtelings in verbazing door het nieuws, dat zij beiden hebben mee te deelen. Oliver verhaalt van de verrassing van Bergen, hoe hijzelf bij het aanbreken van den dag den poortwachter neerstiet, terwijl zijn acht metgezellen, in marktkarren onder groenten verborgen, de stad werden binnengebracht; hoe Lodewijk van Nassau, die buiten in het bosch wachtte met vijfhonderd ruiters, ieder met één voetknecht achter zich, daarna de stad binnentrok, terwijl Oliver en zijn acht helden de poort zoolang tegen het Spaansche garnizoen verdedigden, tot zij de ophaalbrug waren overgetrokken. Vervolgens de bijzonderheden van de belegering door Alva; hoe zij op ontzet hoopten, daar hun hulp uit Frankrijk was beloofd; toen het bericht van het feest van Catharina de Medicis, de afgrijselijke slachting in den St.-Bartholomeusnacht, die het bloed der edelste Hugenoten door de straten van Parijs deed stroomen en waardoor hun geen hulp meer kon geworden van den vermoorden Coligny; hoe Oranje’s poging om hen te ontzetten, mislukte; hoe ten slotte hij, Oliver, Lodewijk van Nassau en eenige anderen aan Alva’s klauwen ontsnapten, en hoe nu de Onderkoning, daar hij niets meer van Frankrijkheeft te vreezen, een groot leger verzamelt, om Holland te heroveren, Amsterdam daarbij tot centrum kiezend, als de eenige stad, die nog in zijn handen is.

“Apropos,” zegt Guy, “nu wij toch over Spanjaarden spreken: hebt gij soms ook iets gehoord van onzen vriend, majoor Guido Amati?”

“KolonelGuido Amati.”

“Te drommel,—alweer bevorderd?”

“Ja, gij zijt de dochter van den Onderkoning alweer een stap nader gekomen,” lacht Antony. “Hebt gij het niet gehoord? Toen Mondragon een maand geleden het beleg van Goes ophief, trok majoor Guido Amati ’s nachts aan het hoofd van het Spaansche voetvolk over de verdronken gronden van Zuid-Beveland, waar het zetten van één schrede naast den weg gelijkstond met verdrinken, waar een uur vertraging in den overtocht van vier uren gelijkstond met verzwolgen te worden door het wassend tij, en zoo verraste hij, als uit de lucht gevallen, in den vroegen morgen ’t Zeraets’ soldaten, nadat hij een plaats was overgetrokken, die, naar men meende, enkel voor de visschen en de vogels toegankelijk was. Ter belooning droeg Mondragon majoor Guido Amati ter bevordering voor. Op zijn aanbeveling werd dadelijk beschikt, terwijl het anders gewoonlijk een jaar duurt. Gij ziet dus, dat gij u loffelijk gedragen hebt. Mij dunkt, dat Dona de Alva zeer trotsch op u kan zijn.”

“Goddank,” lacht Guy, “dat mijn bandelooze naamgenoot weer aan het vechten is gegaan, en ik mij dus goed zal gedragen; hebt gij niets van haar gehoord?”

“Neen, behalve dat zij nog altijd even schoon is, doch veel hooghartiger en kouder. Zelfs Noircarmes, vertelt men, fronst het voorhoofd en bijt op zijn knevel, als de naam van Dona de Alva genoemd wordt. Vertel mij nu van mijn beminde.”

Hierop geeft Guy een verslag van dien merkwaardigen morgen in Antwerpen en hoe hij Mina Bodé Volckers op bevel van Dona de Alva heeft bewaard voor geeseling en vernedering, waarop Oliver met tranen in de oogen uitroept: “God zegene haar en vervloeke haar vader! Hoe kan zulk een edel meisje een dochter van Alva zijn?”

En dan vraagt hij een weinig angstig: “Waar hebt gij Mina heengebracht?”

“Naar Haarlem.”

“Haarlem?” Het klinkt als een kreet van ontzetting. “Groote God, waarom deedt gij dat?”

“Haar vader zond haar daarheen naar haar oom, Pieter Kies.”

“Haarlem!” De schilder is verstijfd van schrik. “Het is bijna ingesloten!” kermt hij. “Haarlem! en Alva heeft gezworen, dat hij geen man, vrouw of kind levend uit die stad zal laten ontsnappen. Haarlem! Haarlem! Mijn God! Is zij daar nog?”

“Dat weet ik niet. Ik verliet haar daar veilig en weltevreden, wachtend op u,—haar laatste woorden waren voor u.”

“Haarlem! Wij moeten er heen. Wij moeten beproeven haar te redden. Het is bijzonderlijk voorgeschreven, dat alle uitgewekenen, die zich in de stad bevinden, niet alleen ter dood gebracht maar ook gepijnigd moeten worden. Mina is een uitgewekene.Help mij, Engelschman,—gij hebt mijn beminde den dood in de kaken gevoerd—help mij er haar weder uit verlossen!” kreunt Oliver, die in zijn angst bijna geen rede meer verstaat.

“Verwijt het mij niet,” antwoordt Guy. “Ik heb voor haar gedaan, wat ik meende, dat het beste was. Doch ik zal u helpen, om haar te bevrijden—ik zal er mijn leven voor wagen.”

“God zegene u,” roept Oliver uit. “En uw bemanning?”

“Zij volgt mij.”

“God zegene hen!”

En zijn schat vergetende en nog eens zijn zielsbeminde, naar wier bijzijn hij hunkert, den rug toekeerend, vertrekt Guy met zijn vriend, die nu geen schilder meer is, doch geheel en al krijgsman is geworden, om het waagstuk te beproeven, dat, zal het slagen, geen uitstel kan lijden.

Dalton waagt de opmerking, als hij orders ontvangt, om het anker binnen te halen en naar het Noorden te zeilen: “Dat is eigenlijk niet mooi tegenover hen, die u met geld geholpen hebben, commandant.”

“Vriendschap vóór handel—het geluk van mijn vriend vóór het geld van Engelsche bankiers en woekeraars!” antwoordt zijn commandant. “Dalton, gij hebt een meisje in Engeland; wat zoudt gij doen, om haar te beveiligen voor Alva’s troepen?”

“Vechten, tot ik dood neerviel.”

“Nu, man, mijn vriend heeft het zijne in Haarlem!”

“Dan zal ik ook voor zijn meisje vechten,” roept de ruwe zeeman uit; en de manschappen wettenhun hartsvangers en strijdbijlen en zingen daarbij Britsche liederen, ter eere van hun liefjes thuis.

Den volgenden dag bereiken zij Delft en vernemen daar, dat zij Haarlem niet over Leiden kunnen bereiken. Hier hooren zij ook van het afgrijselijke bloedbad te Naarden—vijfhonderd burgers vermoord in de kerk, de rest van de inwoners eveneens grootendeels omgebracht. Bijzonderheden ontbreken, daar de verschrikte boeren de plaats niet durven binnengaan, waaruit het gekerm van vrouwen en kinderen opstijgt, dat men mijlen ver kan hooren. Het is de Hollandsche stad overgeleverd aan de genade van Spaansche soldaten, prijsgegeven aan plundering, moord en vernieling; het is hetzelfde verhaal als van Mechelen en Zutfen, hetzelfde verhaal als van iedere stad, waar Alva’s veteranen als overwinnaars binnendringen.

Oliver is de wanhoop nabij. Hij huivert bij hetgeen hij hoort en fluistert Guy met bleeke lippen toe: “Er blijft ons niets anders over dan te zien, of wij de Zuiderzee kunnen bereiken en vandaar uit het IJ, zoodat wij van den noordkant binnen Haarlem kunnen komen. Die weg is nog vrij.”

“Misschien!”antwoordt Guy, twijfelend. “Doch het is een wanhopige onderneming. Wij moeten beide keeren Amsterdam passeeren, waar Alva’s geheele legermacht zich bevindt en misschien nog oorlogsschepen bovendien.”

“Mon Dieu! Gij wilt haar toch niet aan haar lot overlaten?” roept de Fransche Vlaming woest uit.

“Neen, maar ik moet zekerheid hebben, dat zij in Haarlem is, eer ik het leven mijner mannen voorzulk een dolzinnig waagstuk op het spel zet. Het is December, er zal spoedig ijs komen.”

Chester tracht nu berichten in te winnen en treft toevallig den laatsten man, die uit Haarlem ontsnapt is, aan, een man, half krankzinnig van angst, want hij is slechts met moeite ontkomen aan de Spaansche patrouilles, die met gruwzame wreedheid iedereen ophangen of doodslaan, dien zij ontmoeten.

Als zij hem ondervragen, antwoordt hij: “Ja, ik kom uit Haarlem—ik redde ternauwernood mijn leven—Ik heb den rook van het brandende Naarden gezien, het gekerm gehoord—”

“Maar Haarlem, wat weet gij van Haarlem?” valt Guy hem in de rede. “Beantwoord vlug mijn vragen en ik zal u geld geven.” Want de arme man is van alles beroofd en moet leven van aalmoezen. “Kent gij een zekeren Pieter Kies?”

“Natuurlijk, lid van den gemeenteraad.”

“Is hij nog in de stad?”

“Ja.”

“Woont er bij hem in huis een blond meisje met groote blauwe oogen?”

“O, gij bedoelt de beminde van den patriotschen schilder, die nu den eerenaam heeft gekregen van Oliver van Bergen?”

Nu hebben zij zekerheid. Oliver begint op zijn luidruchtige Fransche wijze te jammeren: “Nom de Dieu! Mina is reddeloos verloren, zij zal gefolterd worden, omdat ik haar liefheb,” en op heeschen toon smeekt hij Guy: “Red haar, Engelschman! Als gij u mijn vriend noemt, red haar dan.”

“Ik zal alles doen, wat een man vermag.”

“Gezwind dan! Licht het anker en zet koers naar de Zuiderzee! Spoed is haar eenige redding.”

“Ik moet voor deze zaak toch eenige voorbereidingen treffen,” antwoordt Chester, die ernstig twijfelt aan den goeden afloop van dit avontuur.

“Voorbereidingen? Hebben wij dan geen wapenen en kruit? Haast u, doe het voor mij, haast u!” smeekt Oliver.

Aangespoord door de wanhopige woorden van zijn vriend, doet Guy in allerijl proviand op voor den tocht. Hij ziet eerst om naar een loods, die bekend is met de binnenwateren, welke hij moet bevaren, en is zoo gelukkig er spoedig een te vinden in den persoon van den Frieschen vrijbuiter ’t Hoen. Deze geeft aanstonds order, deDover Lasszooveel mogelijk te lichten.

“Zes duim meer of minder diepgang, daar kan in de Zuiderzee met haar ondiepten ons leven van afhangen,” zegt ’t Hoen, die bij al zijn woestheid een ervaren zeeman is.

Deover Lasswordt nu ontlast van al het overtollige; zij bergt nog alleen proviand, water en ammunitie.

Daarna vraagt ’t Hoen, zich niet storende aan de spotternijen der zeelieden: “Hoevelen van u kunnen schaatsenrijden?”

“Welzoo, het wordt dus een winterbuitenpartij met dames en vuurwerk op het ijs?” lacht de bootsman.

Zonder hem met een antwoord te verwaardigen, gaat ’t Hoen heen en koopt voor iederen man, die er mee weet om te gaan, een paar Friesche schaatsen. Als hij ze aan boord heeft gebracht, zegt hij totChester: “Commandant, wij zullen die moeten gebruiken om weg te loopen, als wij al te zeer in de klem geraken,” waarop Corker een leelijk gezicht trekt, daar het denkbeeld, zijn schip te verlaten, al is het om zijn leven te redden, hem tegen de borst stuit.

Deze voorbereidselen zijn door Chester en zijn manschappen met zooveel spoed gemaakt, dat zij zich nauwelijks vier uren in Delft hebben opgehouden.

Den volgenden dag bereiken zij reeds de Zuiderzee en vernemen te Enkhuizen, dat de Spaansche bevelhebber bezig is, Haarlem aan alle kanten in te sluiten.

Tegen den avond in de buurt van Amsterdam aangekomen, blijven zij daar op en neer varen, gereed om over het IJ de stad voorbij te zeilen, als de duisternis zal zijn gevallen, en om den volgenden morgen Haarlem te bereiken vóór het geheel is omsingeld, en het meisje voor het gevaar van een beleg te bewaren.

Doch de Voorzienigheid is dien nacht niet met hen. Er komt een koude wind uit het Noorden, die vorst meebrengt en het water met een ijslaag bedekt. En toch is de wind niet sterk genoeg, om hun een weg door het bevriezende water te banen.

Den volgenden morgen zitten zij vast in het ijs en met hen drie andere Geuzenschepen, gelukkig alle vlak bij elkaar en misschien met een zelfde doel hier. Zij zijn nu hulpeloos, zij kunnen noch voor-, noch achteruit.

De stad Amsterdam, met Alva’s leger binnen zijn muren,is slechts vier mijlen van hen verwijderd.


Back to IndexNext