HOOFDSTUK XV.

HOOFDSTUK XV.HET GEVECHT OP SCHAATSEN.Oliver komt zenuwachtig uit den mast naar beneden en fluistert: “Ik kan den toren van de Groote Kerk in Haarlem zien. Wij zijn nog slechts twintig mijlen gescheiden—van—de vrouw, die ik liefheb,—haast u.”“Als het blijft doorvriezen,” mompelt Guy, “zullen wij zeker eerder in de andere wereld komen dan in Haarlem. Er rest ons niets dan hier te blijven en op onze schepen te sterven. De Spanjaarden zullen over het ijs komen, om ons aan te vallen. Wij zullen moeten bezwijken voor hun overmacht.”“Wij moeten met de andere Geuzen overleggen, wat ons te doen staat,” zegt ’t Hoen. “Kunt gij schaatsenrijden, ‘Eerste der Engelschen’ ga dan mee.”“Goed,” antwoordt Guy, “is het ijs sterk genoeg?”“Ja, nu reeds voor voetvolk, en dezen nacht ook wel voor de Spaansche kanonnen.”De mannen binden hun schaatsen onder, vliegen over de spiegelgladde Zuiderzee en zijn na eenige oogenblikken bij de schepen der Geuzen.Na een korte beraadslaging besluiten de gezagvoerders, om zich tot het uiterste te verdedigen, onverschillig hoe groot de overmacht van de Spaansche zijde ook moge zijn; overgave staat gelijk met zelfmoord.Vervolgens overleggen zij, hoe zij zullen vechten, en als zij Guy tot hun opperbevelhebber hebben gekozen, neemt deze terstond zijn maatregelen. Binnen vijf minuten is niet alleen de bemanning van deDover Lassop het ijs, doch ook de bemanning van de andere Geuzenschepen, alles en allen vijfhonderd man, en zij werken zoo hard als zij kunnen, omdat zij weten, dat hun leven er van afhangt, met ijshaken, breekijzers, ijszagen, met elk werktuig, dat zij slechts kunnen gebruiken, en hakken een geul open van de drie Geuzenschepen naar deDover Lassom deze bij de andere te kunnen brengen.Met bijna bovenmenschelijke inspanning gelukt het hun binnen drie uren, niet alleen deDover Lasseen veiliger ligplaats bij de andere schepen te verschaffen, maar ook om het ijs om de schepen geheel weg te hakken, zoodat zij als in een klein meer liggen, omringd door ijs.Vervolgens brengen zij de schepen in den vorm van een parallelogram, binden ze aan elkaar vast en maken van de naar den buitenkant gekeerde zijden een drijvende citadel. Daarna slaan zij kleine ankers in het ijs en sjorren de schepen vast met kabeltouwen om te beletten, dat zij tegen het ijs drijven en den vijand in de gelegenheid stellen, aan boord te komen.“Pardieu!” roept Oliver uit. “Dat is een nieuw idee. Dat kan ons redden.”“Geen vijandelijk soldaat kan aan boord komen, als de kabels sterk genoeg zijn en wij het water open kunnen houden,” antwoordt Guy.Zij werken nu met vereende krachten, om het ijs te verbrijzelen; het is een zwaar werk, want de koude wordt heviger en het ijs dikker.Groote vreugde wekt dan ook het bericht van den man op den uitkijk: “Zij komen!” en werkelijk zien zij nu ook allen ongeveer vijftienhonderd man Spaansche en Waalsche voetknechten over het gladde pad aankomen, om hen af te maken.Dit schijnt geen moeilijke taak voor de aanvallende partij—schepen, vastgevroren in het ijs!—Zij stellen zich blijkbaar voor, de weerlooze bemanning in koelen bloede over de kling te jagen. En zij rukken voorwaarts met het zelfvertrouwen, waarmee het Spaansche voetvolk de Hollanders altijd te gemoet gaat, totdat dezen zich in een harden strijd van tien jaren gevormd hebben tot even goede soldaten, als die van een ander land in Europa. En met hun vuurwapenen—halve achttienponders en falconets—tot aan den mond geladen met geweerkogels, spijkers en schroot, met hun pieken en strijdbijlen onder hun bereik, wachten zij met rustig vertrouwen de komst hunner vijanden af op hun houten citadel, drijvende in het kleine, door ijs omringde meer.Deze gracht van ijskoud water zal Alva’s veteranen bij het enteren meer moeielijkheid veroorzaken dan de diepste gracht van eenige ommuurde stad, die zij in de Nederlanden hebben bestormd. Doch niet gissende, wat er vóór hen ligt, komen de Spaansche busschutters, onder het aanheffen van eenluiden strijdkreet, nader, terwijl hun aanvoerder hen blijkbaar tot spoed aanzet.“Goddank, deze knapen schijnen niet van plan te zijn, ons lang te laten wachten,” lacht Guy, zijn met staal bekleede handen tegen elkander slaande, “een stalen wambuis en een metalen broek zijn juist niet aangenaam in dit Decemberweer.”Het is Sir Guy Chester’s eerste gevecht sedert hij tot ridder geslagen is, en hij is in volle wapenrusting: helm, pluimen en vizier, borstkuras en rugbedekking; zelfs ontbreken de gouden sporen, het insigne van zijn orde, niet. Dit van het ijs glibberig geworden dek is niet zoo geschikt voor het pronken met zijn Italiaansche wapenrusting als de rug van een vurig strijdros op een slagveld, doch het tijdperk van de ridderschap is nog niet voorbij—ridderschap beteekent nog militaire adel, de gouden sporen duiden nog blauw bloed en vermetelheid aan—welke jonge man zou de verleiding kunnen weerstaan om de insignes daarvan te dragen? Guy Chester tenminste niet. Zijn bemanning ontvangt hem met gejuich, zij weten het, dat in deze Milaneesche wapenrusting een aanvoerder steekt, dien zij kunnen vertrouwen en volgen.“Oho!” schreeuwt Oliver met een hartelijken lach. “Kijk! De Spaansche honden vallen door de gladheid over en door elkaar. Dat zal een vermakelijke geschiedenis worden.”“Ja, en ook een bloedige—voor hen,” roept Dalton woest, met het zwaard in de hand.En zoo is het.De bemanning der kleine vloot vuurt geen geweeraf en laat den vijand vlak bij zich komen. Doch als het Spaansche voetvolk chargeert, komen de eerste gelederen eensklaps tot de ontdekking, dat zij in het water vechten inplaats van op het ijs. En zij moeten, om hun leven te redden, hun armen uitslaan en zwemmen, wat een koud werkje in December is.“Wij zullen ze wat opwarmen,” roept Guy, en deDover Lassopent het vuur met haar geschut aan stuurboord en schiet op de verdrinkende soldaten. De Hollandsche schepen volgen haar voorbeeld.Doch Alva’s Spaansch voetvolk is te land noch ter zee zoo gemakkelijk aan het wijken te brengen. De bevelvoerende officier deployeert een gedeelte van zijn manschappen als tirailleurs en dezen leggen met hun haakbussen op de schepen aan. Weldra fluiten de kogels over de verschansingen en door het want van deDover Lass, zoowel in salvo’s als bij enkele schoten.Een ander gedeelte van de Spanjaarden kruipt over het ijs en tracht bij de kabels te komen, die de schepen vasthouden, om hun kabeltouwen af te snijden, opdat zij naar de een of andere zijde van het meertje zullen drijven, waardoor het mogelijk wordt, ze te enteren. Als Guy dit bemerkt, gaat hij vooruit naar den bak, om zijn manschappen te bevelen, hun dit met hun haakbussen te beletten, en hij ondervindt daarbij het voordeel van zijn ridderlijke wapenrusting. Zonder zijn stalen borstkuras zouden de Spaansche scherpschutters hem spoedig het licht hebben uitgeblazen. Twee kogels stuiten af op zijn wapenrusting en één strijkt langs de pluim van zijn helm.Maar de kabels blijven ongedeerd, en zij, die zich opnieuw wagen aan de wanhopige poging om ze af te snijden, worden allen neergeschoten, en de stuurboord-batterij van deDover Lassdondert nog voort, het ijs met kogels overdekkend.Aan de andere zijde van het drijvend fort gaat het niet zoo goed; met groote inspanning en veel verliezen slagen de Spanjaarden er ten laatste in, een der Geuzenkabels af te snijden; niet in staat de sterkere spanning uit te houden, laat een ander anker los, en de houten citadel drijft tegen de sterke ijsmassa aan.Nu zijn de Spanjaarden in het voordeel; in een oogwenk hebben zij hun stormladders tegen het schip gezet, van welks dek men over den boeg van deDover Lassheenziet, want zij is een veel kleiner vaartuig.Terwijl de Spanjaarden de ladders opstormen, om zich al vechtende een weg te banen op het dek van den Hollander, roept Guy zijn enterafdeeling, en zij snellen hun bedreigden kameraden te hulp, terwijl de andere Geuzenschepen eveneens manschappen naar het dek van dit schip zenden, dat nu het middelpunt van den strijd wordt.Een oogenblik gelukt het den Spanjaarden door hun overmacht, het halfdek van het Hollandsche schip te veroveren en zij denken, terwijl zij luide triumfkreten aanheffen, reeds gewonnen spel te hebben, doch de moorddadige stukken van den bak van het schip en twee van den boeg van deDover Lassoverstemmen dezen kreet met hun gebulder, bressen schietende in de juichende massa. Daarna wordt hetdek heroverd met een flank-aanval van de andere schepen, doch slechts gedeeltelijk, daar Alva’s veteranen vechten, alsof zij nooit verslagen konden worden, en alsof hun aanvoerder betooverd en onkwetsbaar was.Tweemaal hebben Guy en hij hun zwaarden gekruist, doch zij zijn weer van elkaar geraakt door het gedrang.De kanonnen van het besprongen schip zijn nu van weinig nut, en de vuurmonden van de andere schepen kunnen aan deze zijde niet deelnemen aan het gevecht—het ziet er kwaad uit voor de Watergeuzen.Doch al vechtende denkt Guy na, en eensklaps naar zijn eigen schip terugkeerend, roept hij uit: “Laadt twee achttienponders met zware kogels en brengt ze naar den bak.”Als dit door Corker en eenige anderen gedaan is, richt Chester dezekanonnenniet op de Spanjaarden, maar op het ijs, waarop de Spaansche stormladders steunen.De eerste losbranding werpt vijftig man en hun ladders in het water. “Wij zullen ze gauwer verdrinken, dan doodschieten!” gillen de Engelsche matrozen—en een paar andere losbrandingen beslissen de zaak, het ijs is vernield onder de voeten van de Spanjaarden en in het ijskoude water spartelen een honderdtal veteranen.De anderen geven het op. De door ijs omringde citadel geeft hun een te harde noot te kraken.Daar hij wel begrijpt, dat hij de zaak slechts erger kan maken door vol te houden, geeft deSpaansche bevelhebber, oogenschijnlijk nog niet gewond, bevel om terug te trekken en zijn veteranen voldoen hieraan langzaam en maken rechtsomkeert in de richting van Amsterdam, hun lichtgewonden meenemend.Als ’t Hoen bemerkt dat vele zijner vijanden uitglijden op het ijs, begint hij te lachen en roept plotseling uit: “Wij moeten geen enkel man van hen laten ontsnappen. Hen na, op schaatsen!” schreeuwt hij tot de bevelhebbers van de andere Hollandsche schepen.Dit voorstel wordt door alle Hollanders gretig aangenomen; de Engelschen, die in staat zijn zich vlug op het ijs te bewegen, voegen zich bij hen, en in minder dan vijf minuten stelt Guy op het gladde terrein bij zijn schip een vijf en twintig man van deDover Lassop, ieder gewapend met haakbus en zwaard of piek en strijdbijl en ieder met Friesche schaatsen onder de voeten.Zelfs Oliver, die op schaatsen nauwelijks overeind kan blijven, vergezelt hen. De Hollandsche bevelhebbers hebben over een grooter aantal te beschikken, daar al hun mannen bedreven zijn in de nationale liefhebberij van Holland.De Spanjaarden, die er volstrekt niet op bedacht zijn, vervolgd te zullen worden, gaan langzaam naar de stad terug en kijken zelfs niet om, want het gezicht achter hen van verdronken of gedoode en gewonde kameraden, die voortkrabbelen en bevriezen op het ijs, is niet aangenaam.“De gekwetsten kunnen ons niet ontsnappen,” roept Maarten Merens, een van de Hollandsche bevelhebbers,“wij zullen ze later wel op ons gemak afmaken. Voorwaarts, hen achterna, die nog ongedeerd zijn,” en de Geuzen spoeden zich voort, als zwaluwen in haar vlucht.En zoo gebeurt het, dat de Spaansche bevelhebber plotseling achter zich een krassend geluid hoort, veroorzaakt door de schaatsen op het ijs, en omkijkend ziet hij vier- of vijfhonderd Hollanders en Engelschen, niet de helft van het aantal krijgslieden, dat hij terugvoert, als een zwerm vogels op hem afkomen.Hij beveelt zijn manschappen zich om te wenden en zich op te stellen teneinde den aanval af te wachten, doch zij doen dit niet snel genoeg. Met hun vlugge schaatsen stormen de Hollanders en Engelschen op hen in alsof het een charge van ruiterij was, het gladde ijs beneemt hun hun kalmte en in een oogenblik is de Spaansche slagorde uit elkaar gedreven, en het ijs wordt het tooneel van honderd afzonderlijke gevechten, waarbij de Hollanders en Engelschen in het voordeel zijn, daar zij aanvallen wien zij willen en zich terug kunnen trekken, zoodra het hun behaagt.Het is een kluchtig tooneel, ofschoon het bloed als water vloeit, en mannen sterven schuddend van het lachen, hun lach met doodskreten vermengd. Guy zelf moet, terwijl hij een man neervelt, lachen, als het lichaam zonder hoofd een bokkesprong op het gladde ijs maakt. Een Spanjaard, die vervolgd wordt door een Hollander, werpt zich in zijn wanhoop plat op het ijs, en de Hollander rolt languit over hem heen, doch vlug ter been als hij is,geeft hij zijn vijand een goed gemikten trap in het oog met zijn Friesche schaats, en de Spanjaard is dood, eer de Hollander weer goed op zijn beenen staat.Nu de eerste woede van den strijd wat bedaard is, zoekt Guy den aanvoerder op; deze ziet wederkeerig naar hem rond.Tot op dit oogenblik heeft de Castiliaan zwijgend gevochten, elkeen doodend, die onder zijn bereik kwam; ofschoon hij niet gewoon is, zich op het ijs te bewegen, is zijn bedrevenheid in het schermen zoo groot, dat twee of drie Hollanders gewond zijn neergezonken en een Engelsch matroos zijn moeder nooit zal weerzien, door toedoen van zijn Toledaansch zwaard.De Spanjaard roept nu uit: “Kom op, ik ken u. Gij zijt de ‘Eerste der Engelschen’. Kom op, en al hebt gij vleugels, toch zal ik u wel kortwieken!”Op deze wijze van uitdaging is de Engelsche ridder wel verplicht acht te slaan. Het is een manier, die in zwang was in de dagen van de ridderschap en nog niet geheel verdwenen is in Engeland, en Guy neemt haar aan.En de twee strijders gaan op elkaar af; het reusachtig zwaard van den Engelschman kan niet halen bij de veel scherper gepunte Toledosche kling, en was Guy niet bekleed met zijn harnas, dan zou deze dag zijn laatste zijn geweest.De Spanjaard heeft een stalen polsgewricht en hij hanteert zijn zwaard volgens de regels der beste Italiaansche school, maar Guy redt telkens door de vlugheid zijner voeten zijn hoofd. Dit verbittert denSpanjaard en hij knarst op zijn tanden—terwijl Guy een schaatsenrijderskunstje in practijk brengt, dat hem in staat stelt, om den Castiliaan heen te draaien en hem een paar houwen te geven, die zelfs diens bekwaamheid in het schermen niet kan pareeren.Den volgenden keer, dat hij een halven cirkel om zijn vijand beschrijft, verwondt Guy hem licht. Doch vooruitschietend, terwijl hij een houw doet, blijft een van Sir Guy’s riddersporen in zijn schaatsen haken, en hij zou verloren zijn geweest, als hij niet door een vlugge beweging op zijn hurken was gaan zitten en zich op zijn beide schaatsen uit de nabijheid van zijn tegenstander had laten wegglijden.Hij is wel een vijftig el van hem af, eer hij zich omkeert, en bevindt zich nu vlak tegenover den kleinen vaandrig De Busaco, die het hard te verantwoorden heeft gehad en reeds gewond is; zijn hooge laarzen belemmeren zijn bewegingen op het ijs.Chester komt juist bijtijds om den kleinenSpaanschenvaandrig in bescherming te nemen en zijn leven te redden, daar twee of drie Watergeuzen hem bijna bereikt hebben, en De Busaco er in het volgende oogenblik om koud zou zijn geweest.Guy herinnert zich, dat zij in Antwerpen goede vrienden waren, en het zou hem onmogelijk zijn, den vaandrig nu aan zijn lot over te laten; met zijn rechterarm slaat hij dan ook twee pieken naar beneden, die op den vaandrig gericht zijn, en hij roept hem toe: “Geef u aan mij over; geef u aan mij over, dwaas!” Want de kleine Spanjaard verweert zich, met getrokken zwaard, al wat hij kan.Doch op hetzelfde oogenblik, terwijl hij weer eeneen uitval doet, glijden de beenen onder den armen jongen weg en bonst zijn hoofd met een geweldigen smak op het ijs, waardoor hij het bewustzijn zou verloren hebben, als hij geen stalen helm op had gehad.“Hij is de mijne!” zegt Guy, de zwaarden terugduwend. “Hij is mijn gevangene. Geef u over, gij stijfkop van een Busaco!”“Ik verklaar mij overwonnen,” zegt Busaco somber. Maar eensklaps glimlacht hij en roept uit: “Mon Dieu! Kapitein Guido Amati! Ja, ik geef mij aan u over. Welk losgeld verlangt gij van me?Gij wilt mij immers niet dooden, wel?”“Neen, Busaco, gij zijt veilig. Tweemaal hebt gij mijn leven gered, al wist gij het niet. Nu red ik het uwe.”“Ja,” zegt de ander, “dat was vreemd, nietwaar,kapitein Guido Amati? Naar de vlag te oordeelen, die van uw mast waait, wordt gij nu den ‘Eerste der Engelschen’ genoemd.”Het zijn dwaze woorden en zij komen hem bijna duur te staan, want de Engelschman weet, dat als zijn gevangene dit overbrengt aan het Spaansche hoofdkwartier, hij geen kans meer heeft, om als Guido Amati samenkomsten te hebben met Alva’s dochter. Hij zegt: “Ja, de ‘Eerste der Engelschen’, maar geen losgeld voor u.”“Geen losgeld,” mompelt De Busaco, “dus wilt gij mij dooden, omdat ik uw geheim ken?”“Neen! Zweer mij bij alles wat u op aarde dierbaar is, dat gij mij nooit zult herkennen als den ‘Eerste der Engelschen’, al stond ik ook in Alva’s eigenpaleis voor u. Er staan vijf duizend kronen op mijn hoofd; zweer echter, dat gij mij nooit zult kennen als den ‘Eerste der Engelschen’, doch enkel als Guido Amati.”“Ik zweer het bij dit kruis, dat mijn moeder mij gaf,” zegt de kleine vaandrig, het crucifix aan zijn lippen brengend. Daarna lacht hij en voegt er aan toe: “De eed was overbodig. Ik wist het reeds.”“Wanneer—hoelang?”“Sedert drie weken, toen ik denwerkelijkenkolonel Guido Amati zag. Gij zijt bevorderd, zooals gij misschien weet.”“En gij hebt er nooit over gesproken, zelfs niet tegen Amati zelf?”“Neen—tegen niemand!”“Waarom niet?”“Santos! het was een geheim van een dame.”“God zegene u,” zegt Guy, zijn gevangene aan het hart drukkend. “Het zou misschien den goeden naam, maar niet de eer van een dame kunnen schaden.”“O, iedereen weet, dat Dona de Alva een heilige is. Dwaas, dat zij juist u moet beminnen. Zonderling—”Doch zij hebben geen tijd, om verder over de zaak te spreken. Chester neemt den jongen man bij de hand, trekt hem met zich mede over het ijs en vergezelt hem voor meerdere veiligheid tot dicht bij Amsterdam. Daardoor brengt Guy bijna zijn eigen leven in gevaar, want er komen hun reeds Spaansche troepen te gemoet, hij verlaat dus den vaandrig met een handdruk en een: “God zegene u. Denk er aan!”“Vertrouw op mij. Ik heb gezien, hoe zij u aankeek. Ik weet, dat zij u bemint en niemand zou haar verdriet kunnen aandoen—maar pas op, daar komen mijn kameraden!” roept De Busaco.Zich omkeerend, rijdt Guy naar zijn schip terug, waar hij Antony en een paar anderen vindt, gebogen over het lijk van den Spaanschen officier, met wien Guy het tweegevecht heeft gehad, dat zoo plotseling werd afgebroken.“Zij hebben hem gedood, nadat gij waart weggegaan,” zegt Oliver. “Ik heb hen terwille van u van zijn lijk afgehouden. Hij was een dapper soldaat.”“Terwille van mij?” roept Guy uit. “Denkt gij soms, dat ik zal treuren over een gevallen held? Als ik geen kleinen tegenspoed had gehad, zou ik hem vermoedelijk zelf het licht hebben uitgeblazen, ofschoon hij meesterlijk met het zwaard wist om te gaan.”“Dat zou verschrikkelijk zijn geweest,” zegt de schilder.“Waarom?”“Gij zoudtzelfmoordgepleegd hebben.”“Zelfmoord! Wat bedoelt gij daarmee?”“Ik bedoel, dat de oogen van haar, die gij liefhebt, weldra zullen weenen, als de dood van dezen man haar wordt bericht.”“Kerel, wat bedoelt gij toch?”“Ik bedoel, dat dit kolonel Guido Amati is, de man, voor wien Hermoine de Alva u houdt.”“Goede hemel!” zegt Chester, zich over den dooden man heenbuigend.“Ik heb zijn kleederen onderzocht en hem zijn kostbaarheden afgenomen; niet voor mijzelven, maar om ze op de een of andere manier aan zijn familie ter hand te stellen,” voegt de schilder er bij; “deze brief echter komt u toe.”Als hij het document bekijkt bij het licht van de zon, die in het Westen neerdaalt, ontstelt Chester hevig. Het is het handschrift, dat hij kent en waarmee hij dweept, en dat hij zoo weinig onder de oogen krijgt, ofschoon hij het niet vergeet, en hij leest:“God zegene u, mijn dappere; gij zijt nu kolonel. Die bevordering is spoedig gekomen, niet waar? Dat hebt gij aan mij te danken. Een goede raad aan u, mijn held. Neem den ‘Eerste der Engelschen’ gevangen of dood hem en gij kunt er zeker van zijn, dat gij generaal wordt, en dat brengt u aan de kerkdeur, waar Hermoine u wacht.”“Groote God! Dat is afschuwelijk,” mompelt Guy. “Gezonden door de vrouw, die ik bemin, om mij te dooden! En nu zal zij hem beweenen.”“Ja, en hoe meer zij hem beweent, hoe teederder zij u bemint. Gij zijt nog niet dood. O, wonderbare gedaanteverwisseling! Stel u de oogen van Hermoine voor, als zij ziet, dat gij leeft. O God! kon ik slechts mijn beminde in de oogen zien, die zich dáár bevindt,” en Oliver wijst in de richting van Haarlem. “Guido, help mij, om haar te redden.”Een oogenblik later roept Antony verschrikt uit: “Mon Dieu, wat scheelt u?” want de Engelschman leunt zwaar tegen hem aan en brengt met moeite uit: “Een—een kogel moet door mijn kuras heen zijn gedrongen!”Als de schilder het staal heeft afgerukt, ziet hij, dat dit werkelijk het geval is, ofschoon de woonde niet diep blijkt te zijn.Aanhoudend bloedverlies gedurende al dien tijd, dat hij zich zoo druk heeft geweerd, maakt hem nu zwak en mat, en Chester wordt op zijn schip gedragen.De Hollandsche bevelhebbers zijn volstrekt niet op hun gemak; als deze koude aanhoudt, zal het ijs hun schepen opnieuw insluiten en zullen zij aangevallen worden door het gansche garnizoen van Amsterdam, dat hun nooit zal vergeven, vierhonderd van de beste Spaansche soldaten verslagen te hebben.“Er moet een wonder gebeuren, om ons nu te redden!” merkt ’t Hoen op. “Het tij moet wassen—de wind moet opzetten—het ijs moet smelten, alles tegelijkertijd. Het is zeker wel eens gebeurd, doch niemand heeft het ooit gezien, en ik veronderstel dus, dat Jan Veeder, onze dominee, het een wonder zou noemen,—Jan Veeder, die de volgende week een lijkpredikatie voor mij zal houden!”Doch dienzelfden nacht geeft de Voorzienigheid, die de koude heeft gezonden, hun een kans om te ontsnappen, de laatste in dien winter,—want het wonder gebeurt. Een hevige wind en de vloed en de dooi komen tegelijk, en de vloed is hoog genoeg, dat zij de Pampus kunnen passeeren. De wind stuwt de zee hoog op, jaagt het broze ijs uiteen, blaast de zeilen op, en de vier schepen zetten, met alle zeilen bij, koers naar het Noorden en komen den volgenden morgen behouden in de haven van Enkhuizen aan.Doch Chester bemerkt van dat alles niets. Hij ligt buiten kennis, daar hij wondkoorts heeft gekregen.HOOFDSTUK XVI.DE BERSERKER EED.Na eenigen tijd herstelt Chester van de wonde, hem door een Spaanschen kogel toegebracht, ofschoon het niet heel spoedig gaat, daar de heelkunde in die dagen ruw en onwetenschappelijk was en zelfs dikwijls den dood veroorzaakte. Als hij weer op krachten komt, verneemt hij, dat deDover Lassis ingevroren in de haven van Enkhuizen.Guy vindt echter, dat zij een grove fout hebben begaan, met naar het Noorden te zeilen. Als zij in Delft gebleven waren, zouden zij waarschijnlijk nu het meisje over het bevroren meer uit Haarlem hebben kunnen redden.Nu ligt tusschen hen en de bedreigde stad de dijk langs het IJ, bewaakt door Alva’s troepen, beschermd door Alva’s forten, die Noord-Holland zoodanig afsluiten, dat het onmogelijk is, den belegerden hulp te verleenen.Hij zal zijn schip verscheidene maanden niet kunnen gebruiken vanwege het ijs, en overgehaald door Oliver, die zijn tijd heeft verdeeld tusschen hetverplegen van zijn gewonden kameraad en het doen van wanhopige pogingen, om de waakzaamheid van Alva’s troepen te verschalken en Haarlem te bereiken, begeeft Chester zich eindelijk op weg door Waterland naar Egmond. Hier tracht Diederik Sonoy, die in Noord-Holland voor den prins van Oranje het bevel voert, krijgslieden bijeen te brengen, om den Diemerdijk op het een of andere zwakke punt aan te tasten en dat te versterken, teneinde voor Amsterdam en de Spanjaarden elken toevoer af te snijden, zooals zij dit voor Haarlem hebben gedaan.“Pardieu!” merkt Oliver op, als zij hun weg vervolgen over half bevroren meren en door dorpen, haast bedolven onder de sneeuw, “als ik mijn altaarstuk bij mij had gehad, zou ik het hebben kunnen afmaken tusschen twee schermutselingen in. Ik heb niets voor mijn kunst gedaan, niets—en zelfs niets voor mijn liefde.” Hij wringt wanhopig de handen.“En wat heb ik voor de mijne gedaan?” zucht Guy.“Diable!” zegt de schilder, die vermoedt, wat er omgaat in zijn vriends binnenste, “Alva’s schat zal onaangeroerd blijven, totdat de Hertog de Nederlanden verlaat. Zelfs een oproer van zijn niet betaalde troepen zal hem niet kunnen noodzaken, dien af te geven. Hij is goed opgezouten voor den winter.”“Zijt gij er zeker van, dat de Hertog er niets van vermoedt, dat gij de sleutels hebt laten maken?” vorscht Guy, die niet geheel en al gerust is.“Dat kan hij onmogelijk—want ik heb ze niet laten maken—ik vreesde reeds, eer ik Mechelen had bereikt, dat men mij verdacht—daarom gaf ik er geen last toe en vernietigde ik de teekeningen,eer ik Brussel verliet,” antwoordt Oliver. Een oogenblik later vervolgt hij met een glimlach: “En wat Alva’s dochter betreft, zij treurt zeker over kolonel Guido Amati de Medina.”Het denkbeeld, dat zij treurt om zijn dood, maakt Guy wanhopig en hij zou er alles voor over hebben gehad, om haar even in de schoone oogen te kunnen kijken. Maar dat is zoo goed als onmogelijk, zoolang zijn schip in het ijs ligt vastgevroren.Om den tijd te dooden, slaat hij Spanjaarden dood en hij voegt zich bij den troep, dien Sonoy bij het eerste teeken van de lente bij elkaar brengt voor den aanval op den Diemer dijk.Deze, bestaande uit achthonderd man, wordt ingescheept op een aantal galeien en platboomde vaartuigen, die zich in beweging stellen zoodra de winter voorbij is en de binnenwateren bevaarbaar worden.Het punt van aanval is zorgvuldig uitgekozen, en wel daar waar de dijk op zijn smalst is en het meest geschikt ter verdediging tegen van Amsterdam komende troepen. Aan de eene zijde wordt de smalle weg begrensd door het IJ, aan de andere door het Diemer meer, zoodat Amsterdam van Muiden—en daarmee de weg voor proviand en versterkingen van uit Utrecht—wordt afgesneden.De aanval is plotseling en onverwacht. De Spaansche patrouilles, die overrompeld worden, worden gemakkelijk teruggedreven en Sonoy versterkt zich op den smallen weg, waarna hij, denkende, dat de zaak hiermee in orde is, recht in zijn schik naar Edam gaat, om versterkingen te halen.Wat Oliver betreft, hij is een en al vreugde. Hij kan den toren van de Groote Kerk te Haarlem zien, nog geen twintig mijlen van hen verwijderd, en hij meent dus, dat het oogenblik niet meer verre is, waarop hij zijn beminde weer in zijn armen zal sluiten.Doch de Spaansche gouverneur van Amsterdam kan natuurlijk niet gedoogen, dat hem alle toevoer wordt afgesneden. Hij zendt onmiddellijk een groote macht voetvolk met een paar kanonnen naar den dijk en de seigneur De Billy, een beproefd veteraan van vele veldslagen, bevelhebber te Muiden, zendt vierhonderd man Walen om de Geuzen van de andere zijde aan te tasten.In vereeniging met een menigte gewapende Spaansche galeien, doen zij ongelukkig den aanval gedurende de afwezigheid van Sonoy. Diens troepen, hoe dapper ook, zijn nu zonder oppersten aanvoerder. Zij zijn voornamelijk samengesteld uit de bemanning van de Geuzenschepen, waarvan iedere bevelhebber over de anderen wil commandeeren. Steeds twistend onder elkander, wachten zij den aanval af, zonder discipline en wederzijdschen steun.Het gevolg is, dat zij niet gereed zijn, als het geschut tegen hen begint te spelen en de eerste welgerichte schoten reeds de haastig opgeworpen verdedigingswerken van de Hollanders vernielen. Reeds hebben eenige der Geuzen den dijk verlaten en de wijk genomen naar hun vaartuigen, om deze tegen de Spaansche galeien te verdedigen, en ook om gereed te zijn tot vluchten.“Wij moeten een aanval doen op de kanonnen,”roept Chester uit. En hij en Oliver, gevolgd door vijftig anderen, beproeven dit. Zij trachten door de Spaansche speerdragers heen te komen, en banen zich een weg met speer en piek naar een kanon, en had men hen krachtig bijgestaan, dan zou het hun misschien zijn gelukt, ofschoon elke stap voorwaarts een der hunnen het leven kost. Doch men laat hen in den steek en zij worden eindelijk teruggedreven, bij ieder voetbreed grond een man verliezend, terwijl de Spanjaarden de gewonden onbarmhartig afmaken.Met moeite slaat Guy er zich doorheen en hij moet zijn vriend, den schilder, die doodelijk gewond is, nog meesleepen. Maar als hij binnen de versterking terugkeert, vindt hij deze verlaten; alle manschappen, die ze moesten verdedigen, zijn naar de booten gevlucht—behalve één, Jan Haring van Hoorn. Deze held heeft post gevat op het smalste gedeelte van den dijk en verdedigt zich met zwaard en schild tegen een duizendtal veteranen van Alva’s leger. Gelukkig voor hem, kunnen zij hem slechts één voor één bevechten, daar de dijk zeer smal is, het diepe Diemer meer aan de eene zijde ligt, en het snelstroomend water van het IJ aan de andere.Haring’s verdediging geeft Guy tijd, om een oogenblik adem te scheppen.Zich over zijn vriend heenbuigend, mompelt hij tusschen zijn vast opeengeklemde tanden: “Vrees niet! Die Spaansche honden zullen u niet levend in handen krijgen.” Dan veegt hij het doodszweet van zijn vriends voorhoofd en ziet smartelijk in hethem zoo dierbaar gelaat, dat reeds met een doodskleur overtogen is.Met moeite brengt de stervende uit: “Red uzelf!”“En u eveneens!”“Red uzelf!” Uit Oliver’s oogen spreekt een angst, die geen doodsangst is. “Red uzelf, om mijn Mina te redden. Zweer mij, Guido, mijn vriend, dat gij haar zult redden!”“Dat heb ik reeds gedaan,” fluistert Guy haastig. “Wenscht gij nog iets anders?”“Enkel dit—doch gij zijt—geen—kunstenaar. Ik zou zoo gaarne—mijn altaarstuk—hebben afgemaakt. Ik—zie—nu—werkelijkeengelen—”De laatste woorden klinken als een zucht, en Antony wendt zijn oogen naar den blauwen hemel, en de ziel van den patriot gaat daarheen, waar dewerkelijkeengelen en dewareMadonna zich bevinden.Daarna kijkt Chester in het rond, om tot de ontdekking te komen, dat hij er weinig beter aan toe is dan zijn doode vriend. De Spanjaarden bestoken hem van voren en van achteren. De Hollandsche schepen zijn alle een halve mijl ver weggedreven; aan de IJ-zijde snijden Spaansche schepen den terugtocht af.Guy werpt een snellen blik om zich heen, om een uitweg te zoeken en vindt dien in het Diemer meer. Ongeveer vijftig el van land ligt een kleine sloep, behoord hebbende aan de Spaansche wacht, die op deze plaats werd verrast, en waarvan de touwen gedurende het gevecht zijn losgesneden; het is de eenige sloep op het Diemer meer.Ras besloten, snelt hij op Haring toe, uitroepende: “Dat is onze eenige kans!”Samen hakken zij nog eens op de Spanjaarden in, om tijd te winnen, en springen daarna in het meer. Als zij verdwijnen, stijgt er een kreet van woede op uit de Spaansche huurlingen, die hun een kogelregen nazenden. Doch zij bereiken, elkander hulp verleenend, gelukkig de sloep, klimmen er in, nemen de riemen en zijn weldra buiten schot.En als hij toevallig naar den dijk kijkt, huivert Guy en wendt zijn hoofd af.“Zij snijden hem het hoofd af,” fluistert Haring. “Het is Alva twee duizend Carolusguldens waard.”Guy weet, wiens hoofd de Hollander bedoelt, en zijn hart wordt nog meer vervuld met haat en verbittering tegen de Spanjaarden. Hij wordt er opnieuw door versterkt in zijn besluit, om zijn gelofte aan zijn dooden kameraad te houden, al zou het hem ook het leven kosten.“Het was een Berserker eed,” mompelt hij, “doch ik zal hem houden.” En hij kijkt naar zijn vijanden, die zijn vriend hebben omgebracht, met iets van dien nobelen waanzin, die in de aderen der Berserkers gloeide, namelijk de woede om zijn vijanden te verslaan, zonder zich te bekommeren om zijn eigen leven, dat welbehagen in het dooden, onverschillig of men er zelf bij te gronde gaat, zoolang men nog niet verzadigd is van doodslag en wraak.Maar de stem van den Hollandschen zeeman doet hem van de romantiek tot de werkelijkheid terugkeeren. Deze zegt: “Sir Chester, het ziet er slechtmet ons uit. Wij zijn aan de verkeerde zijde van den Diemer dijk—en hebben geen wapens. Wij kunnen den dijk niet weer oversteken, om te trachten onze vrienden te bereiken, want hij is nu over zijn geheele lengte ingenomen door die helsche Spaansche troepen. Wij hebben vandaag echter eenige hunner overhoop gestoken en wij zullen er nog meer naar de andere wereld zenden, eer zij het ons doen, ofschoon wij geen andere wapenen hebben dan onze tanden en nagels,”—want de beide mannen zijn genoodzaakt geweest, hun wapens weg te werpen, om naar de sloep te zwemmen.“Wij zijn niet aan den verkeerden kant van den Diemer dijk,” antwoordt Guy op beslisten toon. “Tenminste, ik niet.”“Hoezoo?” vraagt Haring, zijn oogen wijd opensperrend.“Omdat ik naar Haarlem ga, en gij de man zijt, om mij er heen te brengen. Gij kent immers het land?”“Iederen drop water en iederen korrel zand, die er in is, en daarvoor vecht ik.”“Dan kent gij misschien een weg, om van hier in het Haarlemmer meer te komen?”“Zonder wapens?” vraagt de Hollander. “Dat zal moeilijk gaan; wij kunnen niet vechten en—het stuit mij tegen de borst, voor de Spanjaarden te gaan loopen!”“Wij moeten eerst vluchten om later te kunnen vechten,” mompelt Guy, “en spoedig ook.” Want de Spanjaarden zijn bezig, een boot over den dijk te dragen, om hen te vervolgen. Gelukkig zijn ertwee paar riemen in de sloep, die licht is, en Haring en Chester roeien al wat zij kunnen over het Zuidwestelijk gedeelte van den nauwelijks twee mijlen langen Diemer plas.Zij zijn nu voor het oogenblik in veiligheid, want als de Spanjaarden bemerken, dat zij zoo snel als zij kunnen wegroeien, zien zij er van af, om een boot over den dijk te sleepen. De beide mannen overleggen nu haastig, wat hun verder te doen staat.“Het is onmogelijk, langs dien weg te ontkomen,” verklaart Haring, naar het Oosten wijzend, waar de weg naar Utrecht het meer begrenst. “Die is te goed bewaakt. Mogelijk dat wij aan de Westzijde aan land kunnen komen, waar het meer en de Amstel samenvloeien. Het is slechts een mijl bezuiden Amsterdam; er kruisen wachtbooten.”Dat is de richting, die Guy wenscht te nemen, en hij stemt gretig met het voorstel in, vragend: “Is er in de plassen en meren, waarmee dit land overdekt is, niet een weg, waarlangs wij naar het Haarlemmer meer kunnen roeien?”“Ja, er is een weg,” antwoordt Haring. “Doch de eerste zes mijlen zullen wij moeten afleggen onder aanhoudend gevaar voor ons leven. De laatste twaalf mijlen gaan over het terrein, dat men elkander betwist, waar wij dus zoowel vijanden kunnen ontmoeten, met wie wij zullen moeten vechten, als vrienden, die ons kunnen helpen. Hadden wij maar wapens,” zucht de Hollander, “dan hadden wij kans, al vechtende Haarlem te bereiken, en Alva’s schepen te ontloopen.”“Wapens!” merkt Guy op, “gij hebt uw zeemans mes en ik mijn ponjaard.”“Voor den duivel! Dat zaakje zullen wij dan opknappen met ponjaard en mes,” zegt Haring, grimmig lachend. “Ik heb er altijd schik in, een Spanjaard te pakken te krijgen.”Zij onderzoeken de sloep nu nauwkeurig en vinden een mast en een zeil, die vóóruit zijn opgeborgen, wat hun goed te stade komt, want er waait een lichte bries, die hun gunstig is. Zij plaatsen den mast en hijschen het zeil.Eensklaps slaakt Haring, die bezig was de kastjes te onderzoeken, een vreugdekreet.“Wat is er?” vraagt Guy.“Mondvoorraad! Deze schurken van Spanjaarden meenen het goed met ons. Hier is een flesch Spaansche wijn, waarvan ik evenveel houd, als ik den man haat, van wien hij afkomstig is, en overvloed van roggebrood en gezouten haring, met olie om ze te bakken. Het zal heerlijk naar binnen glijden. Dat is een buitenkansje.”“Ja, en hier is nog iets beters,” roept Guy uit.“Wat kan nog beter zijn dan eten?” vraagt de Hollander.“Wapens!”In het kastje aan de andere zijde van de sloep heeft Chester vier Spaansche haakbussen gevonden met ammunitie, een zwaard en een strijdbijl. Zij wenschen elkander wederkeerig geluk met hun vondst, want zij zijn nu goed toegerust voor hun avontuur.Een kwartier later naderen zij de plaats, waar het Diemer meer samenvloeit met het aardige riviertje de Amstel, dat van het Zuiden komt. Er staat een wachthuis bij het punt van samenvloeiïng, met deSpaansche vlag wapperende op het dak. Een paar Spaansche voetknechten staan er voor op post; maar het is een zoele dag, die hen slaperig maakt, de boot onder zeil glijdt onhoorbaar langs hen heen, en eer Alva’s veteranen recht wakker zijn geworden, is de kleine sloep hen reeds een vijftig voeten voorbij.“Nu,” fluistert Guy, “ter gedachtenis aan Oliver!”Dit zeggende, schieten zij beiden, en de veteranen vallen neer met de kogels tusschen hun ribben, terwijl de sloep den Amstel opzeilt.Doch de twee gewonde Spanjaarden, die voor het wachthuis liggen te kermen, hebben vijf kameraden. Dezen springen snel in een boot en onder wilde kreten van woede en wraak hebben zij weldra de vervolging van de moordenaars hunner makkers begonnen.“Dat hebben wij hem eens netjes gelapt,” merkt de Hollander op. “Ik had gedacht, dat wij hier drie of vier patrouille-booten zouden vinden, doch alles schijnt samengetrokken te zijn bij den Diemer dijk. En nu vooruit, daar komen zij!” De beide mannen grijpen de riemen, maar het is een hard werk, tegen den stroom in te roeien, en vier man hanteeren de riemen in de Spaansche boot, die op hen wint.“Haal op, Haring, terwijl ik de haakbussen laad. Ik kan dit vlugger dan gij,” zegt Chester. En een oogenblik later voegt hij er aan toe: “Laat ze nu maar komen, wij hebben vier geladen geweren, twee voor ieder van ons.”Haring laat nu ook de riemen rusten en beiden wachten de vijanden af, die snel naderen, denkende,dat zij gemakkelijk spel zullen hebben, daar zij met hun vijven zijn, van wie er nu twee roeien, terwijl de andere drie de geweren laden.Maar dat staat den Hollander en den Engelschman volstrekt niet aan.Als een van hen gewond wordt, is de andere ook reddeloos verloren. Zij grijpen opnieuw de riemen en draaien snel om een uitstekende punt, beplant met wilgen, die juist hun bladeren beginnen te ontplooien en hun eenigermate een schuilplaats bieden.Zoo vlug als zij kunnen, landen zij, ieder met twee geweren, en kruipen dwars over de smalle landtong, om de Spanjaarden aan te vallen, als zij de punt willen omroeien. Uit hun hinderlaag vuren zij op hun vervolgers, dooden er één en wonden twee anderen doodelijk.Op zulk een moorddadige wijze begroet, wenden de Spanjaarden, met een kreet van verrassing en schrik, hun boot en laten zich de rivier afdrijven.“Niet één hunner moet kunnen terugkeeren, om ons paardenvolk achterna te zenden!” fluistert Haring.“Vooruit dan, dan zullen wij ook met de twee anderen afrekenen,” antwoordt Guy. En hun geweren opnieuw ladend, snellen zij weer naar hun sloep en halen met de uiterste inspanning de Spanjaarden in, die roeien wat zij kunnen, maar niet zijn opgewassen tegen zulke waterrotten als de Geuzen.Een paar schoten, daarna een van Alva’s veteranen het hoofd tot aan zijn kin gekloofd met de strijdbijl en de Spaansche patrouille-boot drijft de rivier af, slechts gevuld met lijken.“Dat was een gelukje,” zegt de Hollander. “Nu kan niemand van hen alarm maken. Totdat wij aan het wachthuis te Ouderkerk komen, zullen wij wel geen Spanjaarden meer ontmoeten. Maar daar ligt soms een heele compagnie. We moeten trachten, de bezetting in de duisternis te verschalken.”Zij roeien het riviertje nu verder op, dat kalm en langzaam verder stroomt, en om zes uur ’s avonds verschuilen zij zich tusschen de wilgen, er zooveel mogelijk voor zorgende, dat niemand er hen kan vinden. De boeren, die zij tegenkwamen, zijn voor hen gevlucht. Zij durven geen vuur aan te maken, maar eten hun gezouten haring en brood met olie en wachten de naderende duisternis af.Weldra daalt deze neder; het wordt een stikdonkere nacht, zonder maan. Haring en Guy roeien behoedzaam den stroom op en zien binnen een half uur de lichten van Ouderkerk. Zij houden zich nu aan den anderen kant van de rivier, terwijl de Hollander als loods dienst doet, daar hij blijkbaar iedere ondiepte in de rivier kent, en zij zouden de plaats, een klein dorpje, ongemerkt voorbij zijn gekomen, als een paar honden niet waren beginnen te blaffen, wat ten gevolge heeft, dat de Spaansche schildwacht op den oever hen aanroept.Zonder te antwoorden, roeien de beide mannen uit al hun macht, doch zoo zacht mogelijk, voort, en weldra houden de honden op met blaffen en hervat ook de schildwacht zijn geregelden gang, zeker denkend, dat er, daar hij niets heeft gezien, ook niets isvoorbijgegaan. Zij meenen dan ook, als zij de plaats voorbij zijn, uit het gehuil van de honden op temerken, dat de Spanjaard hen schopt, omdat zij een valsch alarm hebben gemaakt.Bijna den geheelen nacht roeien zij door en bemerken tot hun vreugde, als de dag aanbreekt, dat zij in het Legmeer zijn, een lange, smalle strook water, die zich bijna tot aan het Haarlemmer meer uitstrekt. In den vroegen morgen worden zij echter achtervolgd en ingehaald, en dat zou waarschijnlijk hun dood zijn geweest, als hun vermeende vijanden niet waren gebleken, vrienden te zijn.Het is een kleine patrouille-boot, die dit onveilige water bevaart in dienst van den prins van Oranje.Van den bevelhebber vernemen zij, dat De Bossu pas nog meer galeien op het Haarlemmer meer heeft gebracht, en dat zij een harden dobber zullen hebben, om door de Spanjaarden heen te komen, daar de Hollandsche vloot zich aan de Kaag bevindt, aan het Zuidelijk gedeelte van het meer, om gekalfaterd te worden. “Ik zou u afraden, te gaan,” zoo besluit de Hollandsche bevelhebber.Guy echter begrijpt, dat het gevaar elken dag grooter zal worden, dat Alva steeds meer schepen naar het Haarlemmer meer zal zenden, en hij dringt er dus op aan, om verder te gaan, en Haring is niet de man om hem in den steek te laten.“Nu, als gij er dan op staat,” antwoordt de Hollandsche bevelhebber, “zullen wij u helpen.”Zijn matrozen helpen Guy en Haring nu om hun sloep van het Legmeer door de polders te brengen, over een sloot, die langs een dijk loopt en in het Haarlemmer meer uitkomt.“Nu,” zegt Chester, “hoeveel levensmiddelen kuntgij missen? Het zou tegen alle menschelijkheid in zijn, als wij in die uitgehongerde stad kwamen en geen enkelen zak meel voor hun hongerige monden meebrachten.”“Gij hebt gelijk,” antwoordt de bevelhebber der boot. “Wij zullen u driehonderd pond meel meegeven, meer kan uw boot niet dragen. Gij zet uw leven op het spel,” vervolgt hij. “Ga liever vannacht. Op het Zuidelijk gedeelte zijt gij veiliger. Zoodra gij in de nabijheid van Haarlem komt, pas dan op! De Spanjaarden hebben altijd twee of drie galeien bij de Fuik.”Den raad hunner vrienden opvolgend, gaan Haring en Chester weer onder zeil, nadat zij een flesch brandewijn hebben gekregen, die hen geheel verkwikt, en spoeden zich over het Haarlemmer meer naar twee kleine eilanden aan de Westzijde, ongeveer vier mijlen ten Zuiden van de stad.Daar blijven zij liggen, totdat het weer nacht is en bereiken in de duisternis, ofschoon zij slechts ternauwernood ontkomen aan een patrouille-boot, de Fuik en landen aan een der kleine forten, daar gebouwd om de gemeenschap open te houden tusschen het meer en de belegerde stad.Hier worden zij verwelkomd door een menigte uitgehongerde, uitgeteerde, doch vastbesloten burgers, die, dank zij den ontberingen van het beleg, meer gehard zijn dan veteranen. Want steeds leert de geschiedenis, dat als de burger opstaat om huis, vrouw en kinderen te verdedigen, geen krijgsman zoo goed honger, dorst, wonden en folteringen kan verdragen, als hij, die vecht met het oog op zijn dakgericht en die iederen nacht terugkeert van de verschrikkingen van den oorlog, om zijn vrouw en kinderen te omhelzen, wier aanblik hem nog vastberadener weer doet vertrekken, terwijl hun kussen en tranen hem nog heldhaftiger doen strijden.

HOOFDSTUK XV.HET GEVECHT OP SCHAATSEN.Oliver komt zenuwachtig uit den mast naar beneden en fluistert: “Ik kan den toren van de Groote Kerk in Haarlem zien. Wij zijn nog slechts twintig mijlen gescheiden—van—de vrouw, die ik liefheb,—haast u.”“Als het blijft doorvriezen,” mompelt Guy, “zullen wij zeker eerder in de andere wereld komen dan in Haarlem. Er rest ons niets dan hier te blijven en op onze schepen te sterven. De Spanjaarden zullen over het ijs komen, om ons aan te vallen. Wij zullen moeten bezwijken voor hun overmacht.”“Wij moeten met de andere Geuzen overleggen, wat ons te doen staat,” zegt ’t Hoen. “Kunt gij schaatsenrijden, ‘Eerste der Engelschen’ ga dan mee.”“Goed,” antwoordt Guy, “is het ijs sterk genoeg?”“Ja, nu reeds voor voetvolk, en dezen nacht ook wel voor de Spaansche kanonnen.”De mannen binden hun schaatsen onder, vliegen over de spiegelgladde Zuiderzee en zijn na eenige oogenblikken bij de schepen der Geuzen.Na een korte beraadslaging besluiten de gezagvoerders, om zich tot het uiterste te verdedigen, onverschillig hoe groot de overmacht van de Spaansche zijde ook moge zijn; overgave staat gelijk met zelfmoord.Vervolgens overleggen zij, hoe zij zullen vechten, en als zij Guy tot hun opperbevelhebber hebben gekozen, neemt deze terstond zijn maatregelen. Binnen vijf minuten is niet alleen de bemanning van deDover Lassop het ijs, doch ook de bemanning van de andere Geuzenschepen, alles en allen vijfhonderd man, en zij werken zoo hard als zij kunnen, omdat zij weten, dat hun leven er van afhangt, met ijshaken, breekijzers, ijszagen, met elk werktuig, dat zij slechts kunnen gebruiken, en hakken een geul open van de drie Geuzenschepen naar deDover Lassom deze bij de andere te kunnen brengen.Met bijna bovenmenschelijke inspanning gelukt het hun binnen drie uren, niet alleen deDover Lasseen veiliger ligplaats bij de andere schepen te verschaffen, maar ook om het ijs om de schepen geheel weg te hakken, zoodat zij als in een klein meer liggen, omringd door ijs.Vervolgens brengen zij de schepen in den vorm van een parallelogram, binden ze aan elkaar vast en maken van de naar den buitenkant gekeerde zijden een drijvende citadel. Daarna slaan zij kleine ankers in het ijs en sjorren de schepen vast met kabeltouwen om te beletten, dat zij tegen het ijs drijven en den vijand in de gelegenheid stellen, aan boord te komen.“Pardieu!” roept Oliver uit. “Dat is een nieuw idee. Dat kan ons redden.”“Geen vijandelijk soldaat kan aan boord komen, als de kabels sterk genoeg zijn en wij het water open kunnen houden,” antwoordt Guy.Zij werken nu met vereende krachten, om het ijs te verbrijzelen; het is een zwaar werk, want de koude wordt heviger en het ijs dikker.Groote vreugde wekt dan ook het bericht van den man op den uitkijk: “Zij komen!” en werkelijk zien zij nu ook allen ongeveer vijftienhonderd man Spaansche en Waalsche voetknechten over het gladde pad aankomen, om hen af te maken.Dit schijnt geen moeilijke taak voor de aanvallende partij—schepen, vastgevroren in het ijs!—Zij stellen zich blijkbaar voor, de weerlooze bemanning in koelen bloede over de kling te jagen. En zij rukken voorwaarts met het zelfvertrouwen, waarmee het Spaansche voetvolk de Hollanders altijd te gemoet gaat, totdat dezen zich in een harden strijd van tien jaren gevormd hebben tot even goede soldaten, als die van een ander land in Europa. En met hun vuurwapenen—halve achttienponders en falconets—tot aan den mond geladen met geweerkogels, spijkers en schroot, met hun pieken en strijdbijlen onder hun bereik, wachten zij met rustig vertrouwen de komst hunner vijanden af op hun houten citadel, drijvende in het kleine, door ijs omringde meer.Deze gracht van ijskoud water zal Alva’s veteranen bij het enteren meer moeielijkheid veroorzaken dan de diepste gracht van eenige ommuurde stad, die zij in de Nederlanden hebben bestormd. Doch niet gissende, wat er vóór hen ligt, komen de Spaansche busschutters, onder het aanheffen van eenluiden strijdkreet, nader, terwijl hun aanvoerder hen blijkbaar tot spoed aanzet.“Goddank, deze knapen schijnen niet van plan te zijn, ons lang te laten wachten,” lacht Guy, zijn met staal bekleede handen tegen elkander slaande, “een stalen wambuis en een metalen broek zijn juist niet aangenaam in dit Decemberweer.”Het is Sir Guy Chester’s eerste gevecht sedert hij tot ridder geslagen is, en hij is in volle wapenrusting: helm, pluimen en vizier, borstkuras en rugbedekking; zelfs ontbreken de gouden sporen, het insigne van zijn orde, niet. Dit van het ijs glibberig geworden dek is niet zoo geschikt voor het pronken met zijn Italiaansche wapenrusting als de rug van een vurig strijdros op een slagveld, doch het tijdperk van de ridderschap is nog niet voorbij—ridderschap beteekent nog militaire adel, de gouden sporen duiden nog blauw bloed en vermetelheid aan—welke jonge man zou de verleiding kunnen weerstaan om de insignes daarvan te dragen? Guy Chester tenminste niet. Zijn bemanning ontvangt hem met gejuich, zij weten het, dat in deze Milaneesche wapenrusting een aanvoerder steekt, dien zij kunnen vertrouwen en volgen.“Oho!” schreeuwt Oliver met een hartelijken lach. “Kijk! De Spaansche honden vallen door de gladheid over en door elkaar. Dat zal een vermakelijke geschiedenis worden.”“Ja, en ook een bloedige—voor hen,” roept Dalton woest, met het zwaard in de hand.En zoo is het.De bemanning der kleine vloot vuurt geen geweeraf en laat den vijand vlak bij zich komen. Doch als het Spaansche voetvolk chargeert, komen de eerste gelederen eensklaps tot de ontdekking, dat zij in het water vechten inplaats van op het ijs. En zij moeten, om hun leven te redden, hun armen uitslaan en zwemmen, wat een koud werkje in December is.“Wij zullen ze wat opwarmen,” roept Guy, en deDover Lassopent het vuur met haar geschut aan stuurboord en schiet op de verdrinkende soldaten. De Hollandsche schepen volgen haar voorbeeld.Doch Alva’s Spaansch voetvolk is te land noch ter zee zoo gemakkelijk aan het wijken te brengen. De bevelvoerende officier deployeert een gedeelte van zijn manschappen als tirailleurs en dezen leggen met hun haakbussen op de schepen aan. Weldra fluiten de kogels over de verschansingen en door het want van deDover Lass, zoowel in salvo’s als bij enkele schoten.Een ander gedeelte van de Spanjaarden kruipt over het ijs en tracht bij de kabels te komen, die de schepen vasthouden, om hun kabeltouwen af te snijden, opdat zij naar de een of andere zijde van het meertje zullen drijven, waardoor het mogelijk wordt, ze te enteren. Als Guy dit bemerkt, gaat hij vooruit naar den bak, om zijn manschappen te bevelen, hun dit met hun haakbussen te beletten, en hij ondervindt daarbij het voordeel van zijn ridderlijke wapenrusting. Zonder zijn stalen borstkuras zouden de Spaansche scherpschutters hem spoedig het licht hebben uitgeblazen. Twee kogels stuiten af op zijn wapenrusting en één strijkt langs de pluim van zijn helm.Maar de kabels blijven ongedeerd, en zij, die zich opnieuw wagen aan de wanhopige poging om ze af te snijden, worden allen neergeschoten, en de stuurboord-batterij van deDover Lassdondert nog voort, het ijs met kogels overdekkend.Aan de andere zijde van het drijvend fort gaat het niet zoo goed; met groote inspanning en veel verliezen slagen de Spanjaarden er ten laatste in, een der Geuzenkabels af te snijden; niet in staat de sterkere spanning uit te houden, laat een ander anker los, en de houten citadel drijft tegen de sterke ijsmassa aan.Nu zijn de Spanjaarden in het voordeel; in een oogwenk hebben zij hun stormladders tegen het schip gezet, van welks dek men over den boeg van deDover Lassheenziet, want zij is een veel kleiner vaartuig.Terwijl de Spanjaarden de ladders opstormen, om zich al vechtende een weg te banen op het dek van den Hollander, roept Guy zijn enterafdeeling, en zij snellen hun bedreigden kameraden te hulp, terwijl de andere Geuzenschepen eveneens manschappen naar het dek van dit schip zenden, dat nu het middelpunt van den strijd wordt.Een oogenblik gelukt het den Spanjaarden door hun overmacht, het halfdek van het Hollandsche schip te veroveren en zij denken, terwijl zij luide triumfkreten aanheffen, reeds gewonnen spel te hebben, doch de moorddadige stukken van den bak van het schip en twee van den boeg van deDover Lassoverstemmen dezen kreet met hun gebulder, bressen schietende in de juichende massa. Daarna wordt hetdek heroverd met een flank-aanval van de andere schepen, doch slechts gedeeltelijk, daar Alva’s veteranen vechten, alsof zij nooit verslagen konden worden, en alsof hun aanvoerder betooverd en onkwetsbaar was.Tweemaal hebben Guy en hij hun zwaarden gekruist, doch zij zijn weer van elkaar geraakt door het gedrang.De kanonnen van het besprongen schip zijn nu van weinig nut, en de vuurmonden van de andere schepen kunnen aan deze zijde niet deelnemen aan het gevecht—het ziet er kwaad uit voor de Watergeuzen.Doch al vechtende denkt Guy na, en eensklaps naar zijn eigen schip terugkeerend, roept hij uit: “Laadt twee achttienponders met zware kogels en brengt ze naar den bak.”Als dit door Corker en eenige anderen gedaan is, richt Chester dezekanonnenniet op de Spanjaarden, maar op het ijs, waarop de Spaansche stormladders steunen.De eerste losbranding werpt vijftig man en hun ladders in het water. “Wij zullen ze gauwer verdrinken, dan doodschieten!” gillen de Engelsche matrozen—en een paar andere losbrandingen beslissen de zaak, het ijs is vernield onder de voeten van de Spanjaarden en in het ijskoude water spartelen een honderdtal veteranen.De anderen geven het op. De door ijs omringde citadel geeft hun een te harde noot te kraken.Daar hij wel begrijpt, dat hij de zaak slechts erger kan maken door vol te houden, geeft deSpaansche bevelhebber, oogenschijnlijk nog niet gewond, bevel om terug te trekken en zijn veteranen voldoen hieraan langzaam en maken rechtsomkeert in de richting van Amsterdam, hun lichtgewonden meenemend.Als ’t Hoen bemerkt dat vele zijner vijanden uitglijden op het ijs, begint hij te lachen en roept plotseling uit: “Wij moeten geen enkel man van hen laten ontsnappen. Hen na, op schaatsen!” schreeuwt hij tot de bevelhebbers van de andere Hollandsche schepen.Dit voorstel wordt door alle Hollanders gretig aangenomen; de Engelschen, die in staat zijn zich vlug op het ijs te bewegen, voegen zich bij hen, en in minder dan vijf minuten stelt Guy op het gladde terrein bij zijn schip een vijf en twintig man van deDover Lassop, ieder gewapend met haakbus en zwaard of piek en strijdbijl en ieder met Friesche schaatsen onder de voeten.Zelfs Oliver, die op schaatsen nauwelijks overeind kan blijven, vergezelt hen. De Hollandsche bevelhebbers hebben over een grooter aantal te beschikken, daar al hun mannen bedreven zijn in de nationale liefhebberij van Holland.De Spanjaarden, die er volstrekt niet op bedacht zijn, vervolgd te zullen worden, gaan langzaam naar de stad terug en kijken zelfs niet om, want het gezicht achter hen van verdronken of gedoode en gewonde kameraden, die voortkrabbelen en bevriezen op het ijs, is niet aangenaam.“De gekwetsten kunnen ons niet ontsnappen,” roept Maarten Merens, een van de Hollandsche bevelhebbers,“wij zullen ze later wel op ons gemak afmaken. Voorwaarts, hen achterna, die nog ongedeerd zijn,” en de Geuzen spoeden zich voort, als zwaluwen in haar vlucht.En zoo gebeurt het, dat de Spaansche bevelhebber plotseling achter zich een krassend geluid hoort, veroorzaakt door de schaatsen op het ijs, en omkijkend ziet hij vier- of vijfhonderd Hollanders en Engelschen, niet de helft van het aantal krijgslieden, dat hij terugvoert, als een zwerm vogels op hem afkomen.Hij beveelt zijn manschappen zich om te wenden en zich op te stellen teneinde den aanval af te wachten, doch zij doen dit niet snel genoeg. Met hun vlugge schaatsen stormen de Hollanders en Engelschen op hen in alsof het een charge van ruiterij was, het gladde ijs beneemt hun hun kalmte en in een oogenblik is de Spaansche slagorde uit elkaar gedreven, en het ijs wordt het tooneel van honderd afzonderlijke gevechten, waarbij de Hollanders en Engelschen in het voordeel zijn, daar zij aanvallen wien zij willen en zich terug kunnen trekken, zoodra het hun behaagt.Het is een kluchtig tooneel, ofschoon het bloed als water vloeit, en mannen sterven schuddend van het lachen, hun lach met doodskreten vermengd. Guy zelf moet, terwijl hij een man neervelt, lachen, als het lichaam zonder hoofd een bokkesprong op het gladde ijs maakt. Een Spanjaard, die vervolgd wordt door een Hollander, werpt zich in zijn wanhoop plat op het ijs, en de Hollander rolt languit over hem heen, doch vlug ter been als hij is,geeft hij zijn vijand een goed gemikten trap in het oog met zijn Friesche schaats, en de Spanjaard is dood, eer de Hollander weer goed op zijn beenen staat.Nu de eerste woede van den strijd wat bedaard is, zoekt Guy den aanvoerder op; deze ziet wederkeerig naar hem rond.Tot op dit oogenblik heeft de Castiliaan zwijgend gevochten, elkeen doodend, die onder zijn bereik kwam; ofschoon hij niet gewoon is, zich op het ijs te bewegen, is zijn bedrevenheid in het schermen zoo groot, dat twee of drie Hollanders gewond zijn neergezonken en een Engelsch matroos zijn moeder nooit zal weerzien, door toedoen van zijn Toledaansch zwaard.De Spanjaard roept nu uit: “Kom op, ik ken u. Gij zijt de ‘Eerste der Engelschen’. Kom op, en al hebt gij vleugels, toch zal ik u wel kortwieken!”Op deze wijze van uitdaging is de Engelsche ridder wel verplicht acht te slaan. Het is een manier, die in zwang was in de dagen van de ridderschap en nog niet geheel verdwenen is in Engeland, en Guy neemt haar aan.En de twee strijders gaan op elkaar af; het reusachtig zwaard van den Engelschman kan niet halen bij de veel scherper gepunte Toledosche kling, en was Guy niet bekleed met zijn harnas, dan zou deze dag zijn laatste zijn geweest.De Spanjaard heeft een stalen polsgewricht en hij hanteert zijn zwaard volgens de regels der beste Italiaansche school, maar Guy redt telkens door de vlugheid zijner voeten zijn hoofd. Dit verbittert denSpanjaard en hij knarst op zijn tanden—terwijl Guy een schaatsenrijderskunstje in practijk brengt, dat hem in staat stelt, om den Castiliaan heen te draaien en hem een paar houwen te geven, die zelfs diens bekwaamheid in het schermen niet kan pareeren.Den volgenden keer, dat hij een halven cirkel om zijn vijand beschrijft, verwondt Guy hem licht. Doch vooruitschietend, terwijl hij een houw doet, blijft een van Sir Guy’s riddersporen in zijn schaatsen haken, en hij zou verloren zijn geweest, als hij niet door een vlugge beweging op zijn hurken was gaan zitten en zich op zijn beide schaatsen uit de nabijheid van zijn tegenstander had laten wegglijden.Hij is wel een vijftig el van hem af, eer hij zich omkeert, en bevindt zich nu vlak tegenover den kleinen vaandrig De Busaco, die het hard te verantwoorden heeft gehad en reeds gewond is; zijn hooge laarzen belemmeren zijn bewegingen op het ijs.Chester komt juist bijtijds om den kleinenSpaanschenvaandrig in bescherming te nemen en zijn leven te redden, daar twee of drie Watergeuzen hem bijna bereikt hebben, en De Busaco er in het volgende oogenblik om koud zou zijn geweest.Guy herinnert zich, dat zij in Antwerpen goede vrienden waren, en het zou hem onmogelijk zijn, den vaandrig nu aan zijn lot over te laten; met zijn rechterarm slaat hij dan ook twee pieken naar beneden, die op den vaandrig gericht zijn, en hij roept hem toe: “Geef u aan mij over; geef u aan mij over, dwaas!” Want de kleine Spanjaard verweert zich, met getrokken zwaard, al wat hij kan.Doch op hetzelfde oogenblik, terwijl hij weer eeneen uitval doet, glijden de beenen onder den armen jongen weg en bonst zijn hoofd met een geweldigen smak op het ijs, waardoor hij het bewustzijn zou verloren hebben, als hij geen stalen helm op had gehad.“Hij is de mijne!” zegt Guy, de zwaarden terugduwend. “Hij is mijn gevangene. Geef u over, gij stijfkop van een Busaco!”“Ik verklaar mij overwonnen,” zegt Busaco somber. Maar eensklaps glimlacht hij en roept uit: “Mon Dieu! Kapitein Guido Amati! Ja, ik geef mij aan u over. Welk losgeld verlangt gij van me?Gij wilt mij immers niet dooden, wel?”“Neen, Busaco, gij zijt veilig. Tweemaal hebt gij mijn leven gered, al wist gij het niet. Nu red ik het uwe.”“Ja,” zegt de ander, “dat was vreemd, nietwaar,kapitein Guido Amati? Naar de vlag te oordeelen, die van uw mast waait, wordt gij nu den ‘Eerste der Engelschen’ genoemd.”Het zijn dwaze woorden en zij komen hem bijna duur te staan, want de Engelschman weet, dat als zijn gevangene dit overbrengt aan het Spaansche hoofdkwartier, hij geen kans meer heeft, om als Guido Amati samenkomsten te hebben met Alva’s dochter. Hij zegt: “Ja, de ‘Eerste der Engelschen’, maar geen losgeld voor u.”“Geen losgeld,” mompelt De Busaco, “dus wilt gij mij dooden, omdat ik uw geheim ken?”“Neen! Zweer mij bij alles wat u op aarde dierbaar is, dat gij mij nooit zult herkennen als den ‘Eerste der Engelschen’, al stond ik ook in Alva’s eigenpaleis voor u. Er staan vijf duizend kronen op mijn hoofd; zweer echter, dat gij mij nooit zult kennen als den ‘Eerste der Engelschen’, doch enkel als Guido Amati.”“Ik zweer het bij dit kruis, dat mijn moeder mij gaf,” zegt de kleine vaandrig, het crucifix aan zijn lippen brengend. Daarna lacht hij en voegt er aan toe: “De eed was overbodig. Ik wist het reeds.”“Wanneer—hoelang?”“Sedert drie weken, toen ik denwerkelijkenkolonel Guido Amati zag. Gij zijt bevorderd, zooals gij misschien weet.”“En gij hebt er nooit over gesproken, zelfs niet tegen Amati zelf?”“Neen—tegen niemand!”“Waarom niet?”“Santos! het was een geheim van een dame.”“God zegene u,” zegt Guy, zijn gevangene aan het hart drukkend. “Het zou misschien den goeden naam, maar niet de eer van een dame kunnen schaden.”“O, iedereen weet, dat Dona de Alva een heilige is. Dwaas, dat zij juist u moet beminnen. Zonderling—”Doch zij hebben geen tijd, om verder over de zaak te spreken. Chester neemt den jongen man bij de hand, trekt hem met zich mede over het ijs en vergezelt hem voor meerdere veiligheid tot dicht bij Amsterdam. Daardoor brengt Guy bijna zijn eigen leven in gevaar, want er komen hun reeds Spaansche troepen te gemoet, hij verlaat dus den vaandrig met een handdruk en een: “God zegene u. Denk er aan!”“Vertrouw op mij. Ik heb gezien, hoe zij u aankeek. Ik weet, dat zij u bemint en niemand zou haar verdriet kunnen aandoen—maar pas op, daar komen mijn kameraden!” roept De Busaco.Zich omkeerend, rijdt Guy naar zijn schip terug, waar hij Antony en een paar anderen vindt, gebogen over het lijk van den Spaanschen officier, met wien Guy het tweegevecht heeft gehad, dat zoo plotseling werd afgebroken.“Zij hebben hem gedood, nadat gij waart weggegaan,” zegt Oliver. “Ik heb hen terwille van u van zijn lijk afgehouden. Hij was een dapper soldaat.”“Terwille van mij?” roept Guy uit. “Denkt gij soms, dat ik zal treuren over een gevallen held? Als ik geen kleinen tegenspoed had gehad, zou ik hem vermoedelijk zelf het licht hebben uitgeblazen, ofschoon hij meesterlijk met het zwaard wist om te gaan.”“Dat zou verschrikkelijk zijn geweest,” zegt de schilder.“Waarom?”“Gij zoudtzelfmoordgepleegd hebben.”“Zelfmoord! Wat bedoelt gij daarmee?”“Ik bedoel, dat de oogen van haar, die gij liefhebt, weldra zullen weenen, als de dood van dezen man haar wordt bericht.”“Kerel, wat bedoelt gij toch?”“Ik bedoel, dat dit kolonel Guido Amati is, de man, voor wien Hermoine de Alva u houdt.”“Goede hemel!” zegt Chester, zich over den dooden man heenbuigend.“Ik heb zijn kleederen onderzocht en hem zijn kostbaarheden afgenomen; niet voor mijzelven, maar om ze op de een of andere manier aan zijn familie ter hand te stellen,” voegt de schilder er bij; “deze brief echter komt u toe.”Als hij het document bekijkt bij het licht van de zon, die in het Westen neerdaalt, ontstelt Chester hevig. Het is het handschrift, dat hij kent en waarmee hij dweept, en dat hij zoo weinig onder de oogen krijgt, ofschoon hij het niet vergeet, en hij leest:“God zegene u, mijn dappere; gij zijt nu kolonel. Die bevordering is spoedig gekomen, niet waar? Dat hebt gij aan mij te danken. Een goede raad aan u, mijn held. Neem den ‘Eerste der Engelschen’ gevangen of dood hem en gij kunt er zeker van zijn, dat gij generaal wordt, en dat brengt u aan de kerkdeur, waar Hermoine u wacht.”“Groote God! Dat is afschuwelijk,” mompelt Guy. “Gezonden door de vrouw, die ik bemin, om mij te dooden! En nu zal zij hem beweenen.”“Ja, en hoe meer zij hem beweent, hoe teederder zij u bemint. Gij zijt nog niet dood. O, wonderbare gedaanteverwisseling! Stel u de oogen van Hermoine voor, als zij ziet, dat gij leeft. O God! kon ik slechts mijn beminde in de oogen zien, die zich dáár bevindt,” en Oliver wijst in de richting van Haarlem. “Guido, help mij, om haar te redden.”Een oogenblik later roept Antony verschrikt uit: “Mon Dieu, wat scheelt u?” want de Engelschman leunt zwaar tegen hem aan en brengt met moeite uit: “Een—een kogel moet door mijn kuras heen zijn gedrongen!”Als de schilder het staal heeft afgerukt, ziet hij, dat dit werkelijk het geval is, ofschoon de woonde niet diep blijkt te zijn.Aanhoudend bloedverlies gedurende al dien tijd, dat hij zich zoo druk heeft geweerd, maakt hem nu zwak en mat, en Chester wordt op zijn schip gedragen.De Hollandsche bevelhebbers zijn volstrekt niet op hun gemak; als deze koude aanhoudt, zal het ijs hun schepen opnieuw insluiten en zullen zij aangevallen worden door het gansche garnizoen van Amsterdam, dat hun nooit zal vergeven, vierhonderd van de beste Spaansche soldaten verslagen te hebben.“Er moet een wonder gebeuren, om ons nu te redden!” merkt ’t Hoen op. “Het tij moet wassen—de wind moet opzetten—het ijs moet smelten, alles tegelijkertijd. Het is zeker wel eens gebeurd, doch niemand heeft het ooit gezien, en ik veronderstel dus, dat Jan Veeder, onze dominee, het een wonder zou noemen,—Jan Veeder, die de volgende week een lijkpredikatie voor mij zal houden!”Doch dienzelfden nacht geeft de Voorzienigheid, die de koude heeft gezonden, hun een kans om te ontsnappen, de laatste in dien winter,—want het wonder gebeurt. Een hevige wind en de vloed en de dooi komen tegelijk, en de vloed is hoog genoeg, dat zij de Pampus kunnen passeeren. De wind stuwt de zee hoog op, jaagt het broze ijs uiteen, blaast de zeilen op, en de vier schepen zetten, met alle zeilen bij, koers naar het Noorden en komen den volgenden morgen behouden in de haven van Enkhuizen aan.Doch Chester bemerkt van dat alles niets. Hij ligt buiten kennis, daar hij wondkoorts heeft gekregen.

Oliver komt zenuwachtig uit den mast naar beneden en fluistert: “Ik kan den toren van de Groote Kerk in Haarlem zien. Wij zijn nog slechts twintig mijlen gescheiden—van—de vrouw, die ik liefheb,—haast u.”

“Als het blijft doorvriezen,” mompelt Guy, “zullen wij zeker eerder in de andere wereld komen dan in Haarlem. Er rest ons niets dan hier te blijven en op onze schepen te sterven. De Spanjaarden zullen over het ijs komen, om ons aan te vallen. Wij zullen moeten bezwijken voor hun overmacht.”

“Wij moeten met de andere Geuzen overleggen, wat ons te doen staat,” zegt ’t Hoen. “Kunt gij schaatsenrijden, ‘Eerste der Engelschen’ ga dan mee.”

“Goed,” antwoordt Guy, “is het ijs sterk genoeg?”

“Ja, nu reeds voor voetvolk, en dezen nacht ook wel voor de Spaansche kanonnen.”

De mannen binden hun schaatsen onder, vliegen over de spiegelgladde Zuiderzee en zijn na eenige oogenblikken bij de schepen der Geuzen.Na een korte beraadslaging besluiten de gezagvoerders, om zich tot het uiterste te verdedigen, onverschillig hoe groot de overmacht van de Spaansche zijde ook moge zijn; overgave staat gelijk met zelfmoord.

Vervolgens overleggen zij, hoe zij zullen vechten, en als zij Guy tot hun opperbevelhebber hebben gekozen, neemt deze terstond zijn maatregelen. Binnen vijf minuten is niet alleen de bemanning van deDover Lassop het ijs, doch ook de bemanning van de andere Geuzenschepen, alles en allen vijfhonderd man, en zij werken zoo hard als zij kunnen, omdat zij weten, dat hun leven er van afhangt, met ijshaken, breekijzers, ijszagen, met elk werktuig, dat zij slechts kunnen gebruiken, en hakken een geul open van de drie Geuzenschepen naar deDover Lassom deze bij de andere te kunnen brengen.

Met bijna bovenmenschelijke inspanning gelukt het hun binnen drie uren, niet alleen deDover Lasseen veiliger ligplaats bij de andere schepen te verschaffen, maar ook om het ijs om de schepen geheel weg te hakken, zoodat zij als in een klein meer liggen, omringd door ijs.

Vervolgens brengen zij de schepen in den vorm van een parallelogram, binden ze aan elkaar vast en maken van de naar den buitenkant gekeerde zijden een drijvende citadel. Daarna slaan zij kleine ankers in het ijs en sjorren de schepen vast met kabeltouwen om te beletten, dat zij tegen het ijs drijven en den vijand in de gelegenheid stellen, aan boord te komen.

“Pardieu!” roept Oliver uit. “Dat is een nieuw idee. Dat kan ons redden.”

“Geen vijandelijk soldaat kan aan boord komen, als de kabels sterk genoeg zijn en wij het water open kunnen houden,” antwoordt Guy.

Zij werken nu met vereende krachten, om het ijs te verbrijzelen; het is een zwaar werk, want de koude wordt heviger en het ijs dikker.

Groote vreugde wekt dan ook het bericht van den man op den uitkijk: “Zij komen!” en werkelijk zien zij nu ook allen ongeveer vijftienhonderd man Spaansche en Waalsche voetknechten over het gladde pad aankomen, om hen af te maken.

Dit schijnt geen moeilijke taak voor de aanvallende partij—schepen, vastgevroren in het ijs!—Zij stellen zich blijkbaar voor, de weerlooze bemanning in koelen bloede over de kling te jagen. En zij rukken voorwaarts met het zelfvertrouwen, waarmee het Spaansche voetvolk de Hollanders altijd te gemoet gaat, totdat dezen zich in een harden strijd van tien jaren gevormd hebben tot even goede soldaten, als die van een ander land in Europa. En met hun vuurwapenen—halve achttienponders en falconets—tot aan den mond geladen met geweerkogels, spijkers en schroot, met hun pieken en strijdbijlen onder hun bereik, wachten zij met rustig vertrouwen de komst hunner vijanden af op hun houten citadel, drijvende in het kleine, door ijs omringde meer.

Deze gracht van ijskoud water zal Alva’s veteranen bij het enteren meer moeielijkheid veroorzaken dan de diepste gracht van eenige ommuurde stad, die zij in de Nederlanden hebben bestormd. Doch niet gissende, wat er vóór hen ligt, komen de Spaansche busschutters, onder het aanheffen van eenluiden strijdkreet, nader, terwijl hun aanvoerder hen blijkbaar tot spoed aanzet.

“Goddank, deze knapen schijnen niet van plan te zijn, ons lang te laten wachten,” lacht Guy, zijn met staal bekleede handen tegen elkander slaande, “een stalen wambuis en een metalen broek zijn juist niet aangenaam in dit Decemberweer.”

Het is Sir Guy Chester’s eerste gevecht sedert hij tot ridder geslagen is, en hij is in volle wapenrusting: helm, pluimen en vizier, borstkuras en rugbedekking; zelfs ontbreken de gouden sporen, het insigne van zijn orde, niet. Dit van het ijs glibberig geworden dek is niet zoo geschikt voor het pronken met zijn Italiaansche wapenrusting als de rug van een vurig strijdros op een slagveld, doch het tijdperk van de ridderschap is nog niet voorbij—ridderschap beteekent nog militaire adel, de gouden sporen duiden nog blauw bloed en vermetelheid aan—welke jonge man zou de verleiding kunnen weerstaan om de insignes daarvan te dragen? Guy Chester tenminste niet. Zijn bemanning ontvangt hem met gejuich, zij weten het, dat in deze Milaneesche wapenrusting een aanvoerder steekt, dien zij kunnen vertrouwen en volgen.

“Oho!” schreeuwt Oliver met een hartelijken lach. “Kijk! De Spaansche honden vallen door de gladheid over en door elkaar. Dat zal een vermakelijke geschiedenis worden.”

“Ja, en ook een bloedige—voor hen,” roept Dalton woest, met het zwaard in de hand.

En zoo is het.

De bemanning der kleine vloot vuurt geen geweeraf en laat den vijand vlak bij zich komen. Doch als het Spaansche voetvolk chargeert, komen de eerste gelederen eensklaps tot de ontdekking, dat zij in het water vechten inplaats van op het ijs. En zij moeten, om hun leven te redden, hun armen uitslaan en zwemmen, wat een koud werkje in December is.

“Wij zullen ze wat opwarmen,” roept Guy, en deDover Lassopent het vuur met haar geschut aan stuurboord en schiet op de verdrinkende soldaten. De Hollandsche schepen volgen haar voorbeeld.

Doch Alva’s Spaansch voetvolk is te land noch ter zee zoo gemakkelijk aan het wijken te brengen. De bevelvoerende officier deployeert een gedeelte van zijn manschappen als tirailleurs en dezen leggen met hun haakbussen op de schepen aan. Weldra fluiten de kogels over de verschansingen en door het want van deDover Lass, zoowel in salvo’s als bij enkele schoten.

Een ander gedeelte van de Spanjaarden kruipt over het ijs en tracht bij de kabels te komen, die de schepen vasthouden, om hun kabeltouwen af te snijden, opdat zij naar de een of andere zijde van het meertje zullen drijven, waardoor het mogelijk wordt, ze te enteren. Als Guy dit bemerkt, gaat hij vooruit naar den bak, om zijn manschappen te bevelen, hun dit met hun haakbussen te beletten, en hij ondervindt daarbij het voordeel van zijn ridderlijke wapenrusting. Zonder zijn stalen borstkuras zouden de Spaansche scherpschutters hem spoedig het licht hebben uitgeblazen. Twee kogels stuiten af op zijn wapenrusting en één strijkt langs de pluim van zijn helm.

Maar de kabels blijven ongedeerd, en zij, die zich opnieuw wagen aan de wanhopige poging om ze af te snijden, worden allen neergeschoten, en de stuurboord-batterij van deDover Lassdondert nog voort, het ijs met kogels overdekkend.

Aan de andere zijde van het drijvend fort gaat het niet zoo goed; met groote inspanning en veel verliezen slagen de Spanjaarden er ten laatste in, een der Geuzenkabels af te snijden; niet in staat de sterkere spanning uit te houden, laat een ander anker los, en de houten citadel drijft tegen de sterke ijsmassa aan.

Nu zijn de Spanjaarden in het voordeel; in een oogwenk hebben zij hun stormladders tegen het schip gezet, van welks dek men over den boeg van deDover Lassheenziet, want zij is een veel kleiner vaartuig.

Terwijl de Spanjaarden de ladders opstormen, om zich al vechtende een weg te banen op het dek van den Hollander, roept Guy zijn enterafdeeling, en zij snellen hun bedreigden kameraden te hulp, terwijl de andere Geuzenschepen eveneens manschappen naar het dek van dit schip zenden, dat nu het middelpunt van den strijd wordt.

Een oogenblik gelukt het den Spanjaarden door hun overmacht, het halfdek van het Hollandsche schip te veroveren en zij denken, terwijl zij luide triumfkreten aanheffen, reeds gewonnen spel te hebben, doch de moorddadige stukken van den bak van het schip en twee van den boeg van deDover Lassoverstemmen dezen kreet met hun gebulder, bressen schietende in de juichende massa. Daarna wordt hetdek heroverd met een flank-aanval van de andere schepen, doch slechts gedeeltelijk, daar Alva’s veteranen vechten, alsof zij nooit verslagen konden worden, en alsof hun aanvoerder betooverd en onkwetsbaar was.

Tweemaal hebben Guy en hij hun zwaarden gekruist, doch zij zijn weer van elkaar geraakt door het gedrang.

De kanonnen van het besprongen schip zijn nu van weinig nut, en de vuurmonden van de andere schepen kunnen aan deze zijde niet deelnemen aan het gevecht—het ziet er kwaad uit voor de Watergeuzen.

Doch al vechtende denkt Guy na, en eensklaps naar zijn eigen schip terugkeerend, roept hij uit: “Laadt twee achttienponders met zware kogels en brengt ze naar den bak.”

Als dit door Corker en eenige anderen gedaan is, richt Chester dezekanonnenniet op de Spanjaarden, maar op het ijs, waarop de Spaansche stormladders steunen.

De eerste losbranding werpt vijftig man en hun ladders in het water. “Wij zullen ze gauwer verdrinken, dan doodschieten!” gillen de Engelsche matrozen—en een paar andere losbrandingen beslissen de zaak, het ijs is vernield onder de voeten van de Spanjaarden en in het ijskoude water spartelen een honderdtal veteranen.

De anderen geven het op. De door ijs omringde citadel geeft hun een te harde noot te kraken.

Daar hij wel begrijpt, dat hij de zaak slechts erger kan maken door vol te houden, geeft deSpaansche bevelhebber, oogenschijnlijk nog niet gewond, bevel om terug te trekken en zijn veteranen voldoen hieraan langzaam en maken rechtsomkeert in de richting van Amsterdam, hun lichtgewonden meenemend.

Als ’t Hoen bemerkt dat vele zijner vijanden uitglijden op het ijs, begint hij te lachen en roept plotseling uit: “Wij moeten geen enkel man van hen laten ontsnappen. Hen na, op schaatsen!” schreeuwt hij tot de bevelhebbers van de andere Hollandsche schepen.

Dit voorstel wordt door alle Hollanders gretig aangenomen; de Engelschen, die in staat zijn zich vlug op het ijs te bewegen, voegen zich bij hen, en in minder dan vijf minuten stelt Guy op het gladde terrein bij zijn schip een vijf en twintig man van deDover Lassop, ieder gewapend met haakbus en zwaard of piek en strijdbijl en ieder met Friesche schaatsen onder de voeten.

Zelfs Oliver, die op schaatsen nauwelijks overeind kan blijven, vergezelt hen. De Hollandsche bevelhebbers hebben over een grooter aantal te beschikken, daar al hun mannen bedreven zijn in de nationale liefhebberij van Holland.

De Spanjaarden, die er volstrekt niet op bedacht zijn, vervolgd te zullen worden, gaan langzaam naar de stad terug en kijken zelfs niet om, want het gezicht achter hen van verdronken of gedoode en gewonde kameraden, die voortkrabbelen en bevriezen op het ijs, is niet aangenaam.

“De gekwetsten kunnen ons niet ontsnappen,” roept Maarten Merens, een van de Hollandsche bevelhebbers,“wij zullen ze later wel op ons gemak afmaken. Voorwaarts, hen achterna, die nog ongedeerd zijn,” en de Geuzen spoeden zich voort, als zwaluwen in haar vlucht.

En zoo gebeurt het, dat de Spaansche bevelhebber plotseling achter zich een krassend geluid hoort, veroorzaakt door de schaatsen op het ijs, en omkijkend ziet hij vier- of vijfhonderd Hollanders en Engelschen, niet de helft van het aantal krijgslieden, dat hij terugvoert, als een zwerm vogels op hem afkomen.

Hij beveelt zijn manschappen zich om te wenden en zich op te stellen teneinde den aanval af te wachten, doch zij doen dit niet snel genoeg. Met hun vlugge schaatsen stormen de Hollanders en Engelschen op hen in alsof het een charge van ruiterij was, het gladde ijs beneemt hun hun kalmte en in een oogenblik is de Spaansche slagorde uit elkaar gedreven, en het ijs wordt het tooneel van honderd afzonderlijke gevechten, waarbij de Hollanders en Engelschen in het voordeel zijn, daar zij aanvallen wien zij willen en zich terug kunnen trekken, zoodra het hun behaagt.

Het is een kluchtig tooneel, ofschoon het bloed als water vloeit, en mannen sterven schuddend van het lachen, hun lach met doodskreten vermengd. Guy zelf moet, terwijl hij een man neervelt, lachen, als het lichaam zonder hoofd een bokkesprong op het gladde ijs maakt. Een Spanjaard, die vervolgd wordt door een Hollander, werpt zich in zijn wanhoop plat op het ijs, en de Hollander rolt languit over hem heen, doch vlug ter been als hij is,geeft hij zijn vijand een goed gemikten trap in het oog met zijn Friesche schaats, en de Spanjaard is dood, eer de Hollander weer goed op zijn beenen staat.

Nu de eerste woede van den strijd wat bedaard is, zoekt Guy den aanvoerder op; deze ziet wederkeerig naar hem rond.

Tot op dit oogenblik heeft de Castiliaan zwijgend gevochten, elkeen doodend, die onder zijn bereik kwam; ofschoon hij niet gewoon is, zich op het ijs te bewegen, is zijn bedrevenheid in het schermen zoo groot, dat twee of drie Hollanders gewond zijn neergezonken en een Engelsch matroos zijn moeder nooit zal weerzien, door toedoen van zijn Toledaansch zwaard.

De Spanjaard roept nu uit: “Kom op, ik ken u. Gij zijt de ‘Eerste der Engelschen’. Kom op, en al hebt gij vleugels, toch zal ik u wel kortwieken!”

Op deze wijze van uitdaging is de Engelsche ridder wel verplicht acht te slaan. Het is een manier, die in zwang was in de dagen van de ridderschap en nog niet geheel verdwenen is in Engeland, en Guy neemt haar aan.

En de twee strijders gaan op elkaar af; het reusachtig zwaard van den Engelschman kan niet halen bij de veel scherper gepunte Toledosche kling, en was Guy niet bekleed met zijn harnas, dan zou deze dag zijn laatste zijn geweest.

De Spanjaard heeft een stalen polsgewricht en hij hanteert zijn zwaard volgens de regels der beste Italiaansche school, maar Guy redt telkens door de vlugheid zijner voeten zijn hoofd. Dit verbittert denSpanjaard en hij knarst op zijn tanden—terwijl Guy een schaatsenrijderskunstje in practijk brengt, dat hem in staat stelt, om den Castiliaan heen te draaien en hem een paar houwen te geven, die zelfs diens bekwaamheid in het schermen niet kan pareeren.

Den volgenden keer, dat hij een halven cirkel om zijn vijand beschrijft, verwondt Guy hem licht. Doch vooruitschietend, terwijl hij een houw doet, blijft een van Sir Guy’s riddersporen in zijn schaatsen haken, en hij zou verloren zijn geweest, als hij niet door een vlugge beweging op zijn hurken was gaan zitten en zich op zijn beide schaatsen uit de nabijheid van zijn tegenstander had laten wegglijden.

Hij is wel een vijftig el van hem af, eer hij zich omkeert, en bevindt zich nu vlak tegenover den kleinen vaandrig De Busaco, die het hard te verantwoorden heeft gehad en reeds gewond is; zijn hooge laarzen belemmeren zijn bewegingen op het ijs.

Chester komt juist bijtijds om den kleinenSpaanschenvaandrig in bescherming te nemen en zijn leven te redden, daar twee of drie Watergeuzen hem bijna bereikt hebben, en De Busaco er in het volgende oogenblik om koud zou zijn geweest.

Guy herinnert zich, dat zij in Antwerpen goede vrienden waren, en het zou hem onmogelijk zijn, den vaandrig nu aan zijn lot over te laten; met zijn rechterarm slaat hij dan ook twee pieken naar beneden, die op den vaandrig gericht zijn, en hij roept hem toe: “Geef u aan mij over; geef u aan mij over, dwaas!” Want de kleine Spanjaard verweert zich, met getrokken zwaard, al wat hij kan.

Doch op hetzelfde oogenblik, terwijl hij weer eeneen uitval doet, glijden de beenen onder den armen jongen weg en bonst zijn hoofd met een geweldigen smak op het ijs, waardoor hij het bewustzijn zou verloren hebben, als hij geen stalen helm op had gehad.

“Hij is de mijne!” zegt Guy, de zwaarden terugduwend. “Hij is mijn gevangene. Geef u over, gij stijfkop van een Busaco!”

“Ik verklaar mij overwonnen,” zegt Busaco somber. Maar eensklaps glimlacht hij en roept uit: “Mon Dieu! Kapitein Guido Amati! Ja, ik geef mij aan u over. Welk losgeld verlangt gij van me?Gij wilt mij immers niet dooden, wel?”

“Neen, Busaco, gij zijt veilig. Tweemaal hebt gij mijn leven gered, al wist gij het niet. Nu red ik het uwe.”

“Ja,” zegt de ander, “dat was vreemd, nietwaar,kapitein Guido Amati? Naar de vlag te oordeelen, die van uw mast waait, wordt gij nu den ‘Eerste der Engelschen’ genoemd.”

Het zijn dwaze woorden en zij komen hem bijna duur te staan, want de Engelschman weet, dat als zijn gevangene dit overbrengt aan het Spaansche hoofdkwartier, hij geen kans meer heeft, om als Guido Amati samenkomsten te hebben met Alva’s dochter. Hij zegt: “Ja, de ‘Eerste der Engelschen’, maar geen losgeld voor u.”

“Geen losgeld,” mompelt De Busaco, “dus wilt gij mij dooden, omdat ik uw geheim ken?”

“Neen! Zweer mij bij alles wat u op aarde dierbaar is, dat gij mij nooit zult herkennen als den ‘Eerste der Engelschen’, al stond ik ook in Alva’s eigenpaleis voor u. Er staan vijf duizend kronen op mijn hoofd; zweer echter, dat gij mij nooit zult kennen als den ‘Eerste der Engelschen’, doch enkel als Guido Amati.”

“Ik zweer het bij dit kruis, dat mijn moeder mij gaf,” zegt de kleine vaandrig, het crucifix aan zijn lippen brengend. Daarna lacht hij en voegt er aan toe: “De eed was overbodig. Ik wist het reeds.”

“Wanneer—hoelang?”

“Sedert drie weken, toen ik denwerkelijkenkolonel Guido Amati zag. Gij zijt bevorderd, zooals gij misschien weet.”

“En gij hebt er nooit over gesproken, zelfs niet tegen Amati zelf?”

“Neen—tegen niemand!”

“Waarom niet?”

“Santos! het was een geheim van een dame.”

“God zegene u,” zegt Guy, zijn gevangene aan het hart drukkend. “Het zou misschien den goeden naam, maar niet de eer van een dame kunnen schaden.”

“O, iedereen weet, dat Dona de Alva een heilige is. Dwaas, dat zij juist u moet beminnen. Zonderling—”

Doch zij hebben geen tijd, om verder over de zaak te spreken. Chester neemt den jongen man bij de hand, trekt hem met zich mede over het ijs en vergezelt hem voor meerdere veiligheid tot dicht bij Amsterdam. Daardoor brengt Guy bijna zijn eigen leven in gevaar, want er komen hun reeds Spaansche troepen te gemoet, hij verlaat dus den vaandrig met een handdruk en een: “God zegene u. Denk er aan!”

“Vertrouw op mij. Ik heb gezien, hoe zij u aankeek. Ik weet, dat zij u bemint en niemand zou haar verdriet kunnen aandoen—maar pas op, daar komen mijn kameraden!” roept De Busaco.

Zich omkeerend, rijdt Guy naar zijn schip terug, waar hij Antony en een paar anderen vindt, gebogen over het lijk van den Spaanschen officier, met wien Guy het tweegevecht heeft gehad, dat zoo plotseling werd afgebroken.

“Zij hebben hem gedood, nadat gij waart weggegaan,” zegt Oliver. “Ik heb hen terwille van u van zijn lijk afgehouden. Hij was een dapper soldaat.”

“Terwille van mij?” roept Guy uit. “Denkt gij soms, dat ik zal treuren over een gevallen held? Als ik geen kleinen tegenspoed had gehad, zou ik hem vermoedelijk zelf het licht hebben uitgeblazen, ofschoon hij meesterlijk met het zwaard wist om te gaan.”

“Dat zou verschrikkelijk zijn geweest,” zegt de schilder.

“Waarom?”

“Gij zoudtzelfmoordgepleegd hebben.”

“Zelfmoord! Wat bedoelt gij daarmee?”

“Ik bedoel, dat de oogen van haar, die gij liefhebt, weldra zullen weenen, als de dood van dezen man haar wordt bericht.”

“Kerel, wat bedoelt gij toch?”

“Ik bedoel, dat dit kolonel Guido Amati is, de man, voor wien Hermoine de Alva u houdt.”

“Goede hemel!” zegt Chester, zich over den dooden man heenbuigend.

“Ik heb zijn kleederen onderzocht en hem zijn kostbaarheden afgenomen; niet voor mijzelven, maar om ze op de een of andere manier aan zijn familie ter hand te stellen,” voegt de schilder er bij; “deze brief echter komt u toe.”

Als hij het document bekijkt bij het licht van de zon, die in het Westen neerdaalt, ontstelt Chester hevig. Het is het handschrift, dat hij kent en waarmee hij dweept, en dat hij zoo weinig onder de oogen krijgt, ofschoon hij het niet vergeet, en hij leest:

“God zegene u, mijn dappere; gij zijt nu kolonel. Die bevordering is spoedig gekomen, niet waar? Dat hebt gij aan mij te danken. Een goede raad aan u, mijn held. Neem den ‘Eerste der Engelschen’ gevangen of dood hem en gij kunt er zeker van zijn, dat gij generaal wordt, en dat brengt u aan de kerkdeur, waar Hermoine u wacht.”

“Groote God! Dat is afschuwelijk,” mompelt Guy. “Gezonden door de vrouw, die ik bemin, om mij te dooden! En nu zal zij hem beweenen.”

“Ja, en hoe meer zij hem beweent, hoe teederder zij u bemint. Gij zijt nog niet dood. O, wonderbare gedaanteverwisseling! Stel u de oogen van Hermoine voor, als zij ziet, dat gij leeft. O God! kon ik slechts mijn beminde in de oogen zien, die zich dáár bevindt,” en Oliver wijst in de richting van Haarlem. “Guido, help mij, om haar te redden.”

Een oogenblik later roept Antony verschrikt uit: “Mon Dieu, wat scheelt u?” want de Engelschman leunt zwaar tegen hem aan en brengt met moeite uit: “Een—een kogel moet door mijn kuras heen zijn gedrongen!”

Als de schilder het staal heeft afgerukt, ziet hij, dat dit werkelijk het geval is, ofschoon de woonde niet diep blijkt te zijn.

Aanhoudend bloedverlies gedurende al dien tijd, dat hij zich zoo druk heeft geweerd, maakt hem nu zwak en mat, en Chester wordt op zijn schip gedragen.

De Hollandsche bevelhebbers zijn volstrekt niet op hun gemak; als deze koude aanhoudt, zal het ijs hun schepen opnieuw insluiten en zullen zij aangevallen worden door het gansche garnizoen van Amsterdam, dat hun nooit zal vergeven, vierhonderd van de beste Spaansche soldaten verslagen te hebben.

“Er moet een wonder gebeuren, om ons nu te redden!” merkt ’t Hoen op. “Het tij moet wassen—de wind moet opzetten—het ijs moet smelten, alles tegelijkertijd. Het is zeker wel eens gebeurd, doch niemand heeft het ooit gezien, en ik veronderstel dus, dat Jan Veeder, onze dominee, het een wonder zou noemen,—Jan Veeder, die de volgende week een lijkpredikatie voor mij zal houden!”

Doch dienzelfden nacht geeft de Voorzienigheid, die de koude heeft gezonden, hun een kans om te ontsnappen, de laatste in dien winter,—want het wonder gebeurt. Een hevige wind en de vloed en de dooi komen tegelijk, en de vloed is hoog genoeg, dat zij de Pampus kunnen passeeren. De wind stuwt de zee hoog op, jaagt het broze ijs uiteen, blaast de zeilen op, en de vier schepen zetten, met alle zeilen bij, koers naar het Noorden en komen den volgenden morgen behouden in de haven van Enkhuizen aan.

Doch Chester bemerkt van dat alles niets. Hij ligt buiten kennis, daar hij wondkoorts heeft gekregen.

HOOFDSTUK XVI.DE BERSERKER EED.Na eenigen tijd herstelt Chester van de wonde, hem door een Spaanschen kogel toegebracht, ofschoon het niet heel spoedig gaat, daar de heelkunde in die dagen ruw en onwetenschappelijk was en zelfs dikwijls den dood veroorzaakte. Als hij weer op krachten komt, verneemt hij, dat deDover Lassis ingevroren in de haven van Enkhuizen.Guy vindt echter, dat zij een grove fout hebben begaan, met naar het Noorden te zeilen. Als zij in Delft gebleven waren, zouden zij waarschijnlijk nu het meisje over het bevroren meer uit Haarlem hebben kunnen redden.Nu ligt tusschen hen en de bedreigde stad de dijk langs het IJ, bewaakt door Alva’s troepen, beschermd door Alva’s forten, die Noord-Holland zoodanig afsluiten, dat het onmogelijk is, den belegerden hulp te verleenen.Hij zal zijn schip verscheidene maanden niet kunnen gebruiken vanwege het ijs, en overgehaald door Oliver, die zijn tijd heeft verdeeld tusschen hetverplegen van zijn gewonden kameraad en het doen van wanhopige pogingen, om de waakzaamheid van Alva’s troepen te verschalken en Haarlem te bereiken, begeeft Chester zich eindelijk op weg door Waterland naar Egmond. Hier tracht Diederik Sonoy, die in Noord-Holland voor den prins van Oranje het bevel voert, krijgslieden bijeen te brengen, om den Diemerdijk op het een of andere zwakke punt aan te tasten en dat te versterken, teneinde voor Amsterdam en de Spanjaarden elken toevoer af te snijden, zooals zij dit voor Haarlem hebben gedaan.“Pardieu!” merkt Oliver op, als zij hun weg vervolgen over half bevroren meren en door dorpen, haast bedolven onder de sneeuw, “als ik mijn altaarstuk bij mij had gehad, zou ik het hebben kunnen afmaken tusschen twee schermutselingen in. Ik heb niets voor mijn kunst gedaan, niets—en zelfs niets voor mijn liefde.” Hij wringt wanhopig de handen.“En wat heb ik voor de mijne gedaan?” zucht Guy.“Diable!” zegt de schilder, die vermoedt, wat er omgaat in zijn vriends binnenste, “Alva’s schat zal onaangeroerd blijven, totdat de Hertog de Nederlanden verlaat. Zelfs een oproer van zijn niet betaalde troepen zal hem niet kunnen noodzaken, dien af te geven. Hij is goed opgezouten voor den winter.”“Zijt gij er zeker van, dat de Hertog er niets van vermoedt, dat gij de sleutels hebt laten maken?” vorscht Guy, die niet geheel en al gerust is.“Dat kan hij onmogelijk—want ik heb ze niet laten maken—ik vreesde reeds, eer ik Mechelen had bereikt, dat men mij verdacht—daarom gaf ik er geen last toe en vernietigde ik de teekeningen,eer ik Brussel verliet,” antwoordt Oliver. Een oogenblik later vervolgt hij met een glimlach: “En wat Alva’s dochter betreft, zij treurt zeker over kolonel Guido Amati de Medina.”Het denkbeeld, dat zij treurt om zijn dood, maakt Guy wanhopig en hij zou er alles voor over hebben gehad, om haar even in de schoone oogen te kunnen kijken. Maar dat is zoo goed als onmogelijk, zoolang zijn schip in het ijs ligt vastgevroren.Om den tijd te dooden, slaat hij Spanjaarden dood en hij voegt zich bij den troep, dien Sonoy bij het eerste teeken van de lente bij elkaar brengt voor den aanval op den Diemer dijk.Deze, bestaande uit achthonderd man, wordt ingescheept op een aantal galeien en platboomde vaartuigen, die zich in beweging stellen zoodra de winter voorbij is en de binnenwateren bevaarbaar worden.Het punt van aanval is zorgvuldig uitgekozen, en wel daar waar de dijk op zijn smalst is en het meest geschikt ter verdediging tegen van Amsterdam komende troepen. Aan de eene zijde wordt de smalle weg begrensd door het IJ, aan de andere door het Diemer meer, zoodat Amsterdam van Muiden—en daarmee de weg voor proviand en versterkingen van uit Utrecht—wordt afgesneden.De aanval is plotseling en onverwacht. De Spaansche patrouilles, die overrompeld worden, worden gemakkelijk teruggedreven en Sonoy versterkt zich op den smallen weg, waarna hij, denkende, dat de zaak hiermee in orde is, recht in zijn schik naar Edam gaat, om versterkingen te halen.Wat Oliver betreft, hij is een en al vreugde. Hij kan den toren van de Groote Kerk te Haarlem zien, nog geen twintig mijlen van hen verwijderd, en hij meent dus, dat het oogenblik niet meer verre is, waarop hij zijn beminde weer in zijn armen zal sluiten.Doch de Spaansche gouverneur van Amsterdam kan natuurlijk niet gedoogen, dat hem alle toevoer wordt afgesneden. Hij zendt onmiddellijk een groote macht voetvolk met een paar kanonnen naar den dijk en de seigneur De Billy, een beproefd veteraan van vele veldslagen, bevelhebber te Muiden, zendt vierhonderd man Walen om de Geuzen van de andere zijde aan te tasten.In vereeniging met een menigte gewapende Spaansche galeien, doen zij ongelukkig den aanval gedurende de afwezigheid van Sonoy. Diens troepen, hoe dapper ook, zijn nu zonder oppersten aanvoerder. Zij zijn voornamelijk samengesteld uit de bemanning van de Geuzenschepen, waarvan iedere bevelhebber over de anderen wil commandeeren. Steeds twistend onder elkander, wachten zij den aanval af, zonder discipline en wederzijdschen steun.Het gevolg is, dat zij niet gereed zijn, als het geschut tegen hen begint te spelen en de eerste welgerichte schoten reeds de haastig opgeworpen verdedigingswerken van de Hollanders vernielen. Reeds hebben eenige der Geuzen den dijk verlaten en de wijk genomen naar hun vaartuigen, om deze tegen de Spaansche galeien te verdedigen, en ook om gereed te zijn tot vluchten.“Wij moeten een aanval doen op de kanonnen,”roept Chester uit. En hij en Oliver, gevolgd door vijftig anderen, beproeven dit. Zij trachten door de Spaansche speerdragers heen te komen, en banen zich een weg met speer en piek naar een kanon, en had men hen krachtig bijgestaan, dan zou het hun misschien zijn gelukt, ofschoon elke stap voorwaarts een der hunnen het leven kost. Doch men laat hen in den steek en zij worden eindelijk teruggedreven, bij ieder voetbreed grond een man verliezend, terwijl de Spanjaarden de gewonden onbarmhartig afmaken.Met moeite slaat Guy er zich doorheen en hij moet zijn vriend, den schilder, die doodelijk gewond is, nog meesleepen. Maar als hij binnen de versterking terugkeert, vindt hij deze verlaten; alle manschappen, die ze moesten verdedigen, zijn naar de booten gevlucht—behalve één, Jan Haring van Hoorn. Deze held heeft post gevat op het smalste gedeelte van den dijk en verdedigt zich met zwaard en schild tegen een duizendtal veteranen van Alva’s leger. Gelukkig voor hem, kunnen zij hem slechts één voor één bevechten, daar de dijk zeer smal is, het diepe Diemer meer aan de eene zijde ligt, en het snelstroomend water van het IJ aan de andere.Haring’s verdediging geeft Guy tijd, om een oogenblik adem te scheppen.Zich over zijn vriend heenbuigend, mompelt hij tusschen zijn vast opeengeklemde tanden: “Vrees niet! Die Spaansche honden zullen u niet levend in handen krijgen.” Dan veegt hij het doodszweet van zijn vriends voorhoofd en ziet smartelijk in hethem zoo dierbaar gelaat, dat reeds met een doodskleur overtogen is.Met moeite brengt de stervende uit: “Red uzelf!”“En u eveneens!”“Red uzelf!” Uit Oliver’s oogen spreekt een angst, die geen doodsangst is. “Red uzelf, om mijn Mina te redden. Zweer mij, Guido, mijn vriend, dat gij haar zult redden!”“Dat heb ik reeds gedaan,” fluistert Guy haastig. “Wenscht gij nog iets anders?”“Enkel dit—doch gij zijt—geen—kunstenaar. Ik zou zoo gaarne—mijn altaarstuk—hebben afgemaakt. Ik—zie—nu—werkelijkeengelen—”De laatste woorden klinken als een zucht, en Antony wendt zijn oogen naar den blauwen hemel, en de ziel van den patriot gaat daarheen, waar dewerkelijkeengelen en dewareMadonna zich bevinden.Daarna kijkt Chester in het rond, om tot de ontdekking te komen, dat hij er weinig beter aan toe is dan zijn doode vriend. De Spanjaarden bestoken hem van voren en van achteren. De Hollandsche schepen zijn alle een halve mijl ver weggedreven; aan de IJ-zijde snijden Spaansche schepen den terugtocht af.Guy werpt een snellen blik om zich heen, om een uitweg te zoeken en vindt dien in het Diemer meer. Ongeveer vijftig el van land ligt een kleine sloep, behoord hebbende aan de Spaansche wacht, die op deze plaats werd verrast, en waarvan de touwen gedurende het gevecht zijn losgesneden; het is de eenige sloep op het Diemer meer.Ras besloten, snelt hij op Haring toe, uitroepende: “Dat is onze eenige kans!”Samen hakken zij nog eens op de Spanjaarden in, om tijd te winnen, en springen daarna in het meer. Als zij verdwijnen, stijgt er een kreet van woede op uit de Spaansche huurlingen, die hun een kogelregen nazenden. Doch zij bereiken, elkander hulp verleenend, gelukkig de sloep, klimmen er in, nemen de riemen en zijn weldra buiten schot.En als hij toevallig naar den dijk kijkt, huivert Guy en wendt zijn hoofd af.“Zij snijden hem het hoofd af,” fluistert Haring. “Het is Alva twee duizend Carolusguldens waard.”Guy weet, wiens hoofd de Hollander bedoelt, en zijn hart wordt nog meer vervuld met haat en verbittering tegen de Spanjaarden. Hij wordt er opnieuw door versterkt in zijn besluit, om zijn gelofte aan zijn dooden kameraad te houden, al zou het hem ook het leven kosten.“Het was een Berserker eed,” mompelt hij, “doch ik zal hem houden.” En hij kijkt naar zijn vijanden, die zijn vriend hebben omgebracht, met iets van dien nobelen waanzin, die in de aderen der Berserkers gloeide, namelijk de woede om zijn vijanden te verslaan, zonder zich te bekommeren om zijn eigen leven, dat welbehagen in het dooden, onverschillig of men er zelf bij te gronde gaat, zoolang men nog niet verzadigd is van doodslag en wraak.Maar de stem van den Hollandschen zeeman doet hem van de romantiek tot de werkelijkheid terugkeeren. Deze zegt: “Sir Chester, het ziet er slechtmet ons uit. Wij zijn aan de verkeerde zijde van den Diemer dijk—en hebben geen wapens. Wij kunnen den dijk niet weer oversteken, om te trachten onze vrienden te bereiken, want hij is nu over zijn geheele lengte ingenomen door die helsche Spaansche troepen. Wij hebben vandaag echter eenige hunner overhoop gestoken en wij zullen er nog meer naar de andere wereld zenden, eer zij het ons doen, ofschoon wij geen andere wapenen hebben dan onze tanden en nagels,”—want de beide mannen zijn genoodzaakt geweest, hun wapens weg te werpen, om naar de sloep te zwemmen.“Wij zijn niet aan den verkeerden kant van den Diemer dijk,” antwoordt Guy op beslisten toon. “Tenminste, ik niet.”“Hoezoo?” vraagt Haring, zijn oogen wijd opensperrend.“Omdat ik naar Haarlem ga, en gij de man zijt, om mij er heen te brengen. Gij kent immers het land?”“Iederen drop water en iederen korrel zand, die er in is, en daarvoor vecht ik.”“Dan kent gij misschien een weg, om van hier in het Haarlemmer meer te komen?”“Zonder wapens?” vraagt de Hollander. “Dat zal moeilijk gaan; wij kunnen niet vechten en—het stuit mij tegen de borst, voor de Spanjaarden te gaan loopen!”“Wij moeten eerst vluchten om later te kunnen vechten,” mompelt Guy, “en spoedig ook.” Want de Spanjaarden zijn bezig, een boot over den dijk te dragen, om hen te vervolgen. Gelukkig zijn ertwee paar riemen in de sloep, die licht is, en Haring en Chester roeien al wat zij kunnen over het Zuidwestelijk gedeelte van den nauwelijks twee mijlen langen Diemer plas.Zij zijn nu voor het oogenblik in veiligheid, want als de Spanjaarden bemerken, dat zij zoo snel als zij kunnen wegroeien, zien zij er van af, om een boot over den dijk te sleepen. De beide mannen overleggen nu haastig, wat hun verder te doen staat.“Het is onmogelijk, langs dien weg te ontkomen,” verklaart Haring, naar het Oosten wijzend, waar de weg naar Utrecht het meer begrenst. “Die is te goed bewaakt. Mogelijk dat wij aan de Westzijde aan land kunnen komen, waar het meer en de Amstel samenvloeien. Het is slechts een mijl bezuiden Amsterdam; er kruisen wachtbooten.”Dat is de richting, die Guy wenscht te nemen, en hij stemt gretig met het voorstel in, vragend: “Is er in de plassen en meren, waarmee dit land overdekt is, niet een weg, waarlangs wij naar het Haarlemmer meer kunnen roeien?”“Ja, er is een weg,” antwoordt Haring. “Doch de eerste zes mijlen zullen wij moeten afleggen onder aanhoudend gevaar voor ons leven. De laatste twaalf mijlen gaan over het terrein, dat men elkander betwist, waar wij dus zoowel vijanden kunnen ontmoeten, met wie wij zullen moeten vechten, als vrienden, die ons kunnen helpen. Hadden wij maar wapens,” zucht de Hollander, “dan hadden wij kans, al vechtende Haarlem te bereiken, en Alva’s schepen te ontloopen.”“Wapens!” merkt Guy op, “gij hebt uw zeemans mes en ik mijn ponjaard.”“Voor den duivel! Dat zaakje zullen wij dan opknappen met ponjaard en mes,” zegt Haring, grimmig lachend. “Ik heb er altijd schik in, een Spanjaard te pakken te krijgen.”Zij onderzoeken de sloep nu nauwkeurig en vinden een mast en een zeil, die vóóruit zijn opgeborgen, wat hun goed te stade komt, want er waait een lichte bries, die hun gunstig is. Zij plaatsen den mast en hijschen het zeil.Eensklaps slaakt Haring, die bezig was de kastjes te onderzoeken, een vreugdekreet.“Wat is er?” vraagt Guy.“Mondvoorraad! Deze schurken van Spanjaarden meenen het goed met ons. Hier is een flesch Spaansche wijn, waarvan ik evenveel houd, als ik den man haat, van wien hij afkomstig is, en overvloed van roggebrood en gezouten haring, met olie om ze te bakken. Het zal heerlijk naar binnen glijden. Dat is een buitenkansje.”“Ja, en hier is nog iets beters,” roept Guy uit.“Wat kan nog beter zijn dan eten?” vraagt de Hollander.“Wapens!”In het kastje aan de andere zijde van de sloep heeft Chester vier Spaansche haakbussen gevonden met ammunitie, een zwaard en een strijdbijl. Zij wenschen elkander wederkeerig geluk met hun vondst, want zij zijn nu goed toegerust voor hun avontuur.Een kwartier later naderen zij de plaats, waar het Diemer meer samenvloeit met het aardige riviertje de Amstel, dat van het Zuiden komt. Er staat een wachthuis bij het punt van samenvloeiïng, met deSpaansche vlag wapperende op het dak. Een paar Spaansche voetknechten staan er voor op post; maar het is een zoele dag, die hen slaperig maakt, de boot onder zeil glijdt onhoorbaar langs hen heen, en eer Alva’s veteranen recht wakker zijn geworden, is de kleine sloep hen reeds een vijftig voeten voorbij.“Nu,” fluistert Guy, “ter gedachtenis aan Oliver!”Dit zeggende, schieten zij beiden, en de veteranen vallen neer met de kogels tusschen hun ribben, terwijl de sloep den Amstel opzeilt.Doch de twee gewonde Spanjaarden, die voor het wachthuis liggen te kermen, hebben vijf kameraden. Dezen springen snel in een boot en onder wilde kreten van woede en wraak hebben zij weldra de vervolging van de moordenaars hunner makkers begonnen.“Dat hebben wij hem eens netjes gelapt,” merkt de Hollander op. “Ik had gedacht, dat wij hier drie of vier patrouille-booten zouden vinden, doch alles schijnt samengetrokken te zijn bij den Diemer dijk. En nu vooruit, daar komen zij!” De beide mannen grijpen de riemen, maar het is een hard werk, tegen den stroom in te roeien, en vier man hanteeren de riemen in de Spaansche boot, die op hen wint.“Haal op, Haring, terwijl ik de haakbussen laad. Ik kan dit vlugger dan gij,” zegt Chester. En een oogenblik later voegt hij er aan toe: “Laat ze nu maar komen, wij hebben vier geladen geweren, twee voor ieder van ons.”Haring laat nu ook de riemen rusten en beiden wachten de vijanden af, die snel naderen, denkende,dat zij gemakkelijk spel zullen hebben, daar zij met hun vijven zijn, van wie er nu twee roeien, terwijl de andere drie de geweren laden.Maar dat staat den Hollander en den Engelschman volstrekt niet aan.Als een van hen gewond wordt, is de andere ook reddeloos verloren. Zij grijpen opnieuw de riemen en draaien snel om een uitstekende punt, beplant met wilgen, die juist hun bladeren beginnen te ontplooien en hun eenigermate een schuilplaats bieden.Zoo vlug als zij kunnen, landen zij, ieder met twee geweren, en kruipen dwars over de smalle landtong, om de Spanjaarden aan te vallen, als zij de punt willen omroeien. Uit hun hinderlaag vuren zij op hun vervolgers, dooden er één en wonden twee anderen doodelijk.Op zulk een moorddadige wijze begroet, wenden de Spanjaarden, met een kreet van verrassing en schrik, hun boot en laten zich de rivier afdrijven.“Niet één hunner moet kunnen terugkeeren, om ons paardenvolk achterna te zenden!” fluistert Haring.“Vooruit dan, dan zullen wij ook met de twee anderen afrekenen,” antwoordt Guy. En hun geweren opnieuw ladend, snellen zij weer naar hun sloep en halen met de uiterste inspanning de Spanjaarden in, die roeien wat zij kunnen, maar niet zijn opgewassen tegen zulke waterrotten als de Geuzen.Een paar schoten, daarna een van Alva’s veteranen het hoofd tot aan zijn kin gekloofd met de strijdbijl en de Spaansche patrouille-boot drijft de rivier af, slechts gevuld met lijken.“Dat was een gelukje,” zegt de Hollander. “Nu kan niemand van hen alarm maken. Totdat wij aan het wachthuis te Ouderkerk komen, zullen wij wel geen Spanjaarden meer ontmoeten. Maar daar ligt soms een heele compagnie. We moeten trachten, de bezetting in de duisternis te verschalken.”Zij roeien het riviertje nu verder op, dat kalm en langzaam verder stroomt, en om zes uur ’s avonds verschuilen zij zich tusschen de wilgen, er zooveel mogelijk voor zorgende, dat niemand er hen kan vinden. De boeren, die zij tegenkwamen, zijn voor hen gevlucht. Zij durven geen vuur aan te maken, maar eten hun gezouten haring en brood met olie en wachten de naderende duisternis af.Weldra daalt deze neder; het wordt een stikdonkere nacht, zonder maan. Haring en Guy roeien behoedzaam den stroom op en zien binnen een half uur de lichten van Ouderkerk. Zij houden zich nu aan den anderen kant van de rivier, terwijl de Hollander als loods dienst doet, daar hij blijkbaar iedere ondiepte in de rivier kent, en zij zouden de plaats, een klein dorpje, ongemerkt voorbij zijn gekomen, als een paar honden niet waren beginnen te blaffen, wat ten gevolge heeft, dat de Spaansche schildwacht op den oever hen aanroept.Zonder te antwoorden, roeien de beide mannen uit al hun macht, doch zoo zacht mogelijk, voort, en weldra houden de honden op met blaffen en hervat ook de schildwacht zijn geregelden gang, zeker denkend, dat er, daar hij niets heeft gezien, ook niets isvoorbijgegaan. Zij meenen dan ook, als zij de plaats voorbij zijn, uit het gehuil van de honden op temerken, dat de Spanjaard hen schopt, omdat zij een valsch alarm hebben gemaakt.Bijna den geheelen nacht roeien zij door en bemerken tot hun vreugde, als de dag aanbreekt, dat zij in het Legmeer zijn, een lange, smalle strook water, die zich bijna tot aan het Haarlemmer meer uitstrekt. In den vroegen morgen worden zij echter achtervolgd en ingehaald, en dat zou waarschijnlijk hun dood zijn geweest, als hun vermeende vijanden niet waren gebleken, vrienden te zijn.Het is een kleine patrouille-boot, die dit onveilige water bevaart in dienst van den prins van Oranje.Van den bevelhebber vernemen zij, dat De Bossu pas nog meer galeien op het Haarlemmer meer heeft gebracht, en dat zij een harden dobber zullen hebben, om door de Spanjaarden heen te komen, daar de Hollandsche vloot zich aan de Kaag bevindt, aan het Zuidelijk gedeelte van het meer, om gekalfaterd te worden. “Ik zou u afraden, te gaan,” zoo besluit de Hollandsche bevelhebber.Guy echter begrijpt, dat het gevaar elken dag grooter zal worden, dat Alva steeds meer schepen naar het Haarlemmer meer zal zenden, en hij dringt er dus op aan, om verder te gaan, en Haring is niet de man om hem in den steek te laten.“Nu, als gij er dan op staat,” antwoordt de Hollandsche bevelhebber, “zullen wij u helpen.”Zijn matrozen helpen Guy en Haring nu om hun sloep van het Legmeer door de polders te brengen, over een sloot, die langs een dijk loopt en in het Haarlemmer meer uitkomt.“Nu,” zegt Chester, “hoeveel levensmiddelen kuntgij missen? Het zou tegen alle menschelijkheid in zijn, als wij in die uitgehongerde stad kwamen en geen enkelen zak meel voor hun hongerige monden meebrachten.”“Gij hebt gelijk,” antwoordt de bevelhebber der boot. “Wij zullen u driehonderd pond meel meegeven, meer kan uw boot niet dragen. Gij zet uw leven op het spel,” vervolgt hij. “Ga liever vannacht. Op het Zuidelijk gedeelte zijt gij veiliger. Zoodra gij in de nabijheid van Haarlem komt, pas dan op! De Spanjaarden hebben altijd twee of drie galeien bij de Fuik.”Den raad hunner vrienden opvolgend, gaan Haring en Chester weer onder zeil, nadat zij een flesch brandewijn hebben gekregen, die hen geheel verkwikt, en spoeden zich over het Haarlemmer meer naar twee kleine eilanden aan de Westzijde, ongeveer vier mijlen ten Zuiden van de stad.Daar blijven zij liggen, totdat het weer nacht is en bereiken in de duisternis, ofschoon zij slechts ternauwernood ontkomen aan een patrouille-boot, de Fuik en landen aan een der kleine forten, daar gebouwd om de gemeenschap open te houden tusschen het meer en de belegerde stad.Hier worden zij verwelkomd door een menigte uitgehongerde, uitgeteerde, doch vastbesloten burgers, die, dank zij den ontberingen van het beleg, meer gehard zijn dan veteranen. Want steeds leert de geschiedenis, dat als de burger opstaat om huis, vrouw en kinderen te verdedigen, geen krijgsman zoo goed honger, dorst, wonden en folteringen kan verdragen, als hij, die vecht met het oog op zijn dakgericht en die iederen nacht terugkeert van de verschrikkingen van den oorlog, om zijn vrouw en kinderen te omhelzen, wier aanblik hem nog vastberadener weer doet vertrekken, terwijl hun kussen en tranen hem nog heldhaftiger doen strijden.

Na eenigen tijd herstelt Chester van de wonde, hem door een Spaanschen kogel toegebracht, ofschoon het niet heel spoedig gaat, daar de heelkunde in die dagen ruw en onwetenschappelijk was en zelfs dikwijls den dood veroorzaakte. Als hij weer op krachten komt, verneemt hij, dat deDover Lassis ingevroren in de haven van Enkhuizen.

Guy vindt echter, dat zij een grove fout hebben begaan, met naar het Noorden te zeilen. Als zij in Delft gebleven waren, zouden zij waarschijnlijk nu het meisje over het bevroren meer uit Haarlem hebben kunnen redden.

Nu ligt tusschen hen en de bedreigde stad de dijk langs het IJ, bewaakt door Alva’s troepen, beschermd door Alva’s forten, die Noord-Holland zoodanig afsluiten, dat het onmogelijk is, den belegerden hulp te verleenen.

Hij zal zijn schip verscheidene maanden niet kunnen gebruiken vanwege het ijs, en overgehaald door Oliver, die zijn tijd heeft verdeeld tusschen hetverplegen van zijn gewonden kameraad en het doen van wanhopige pogingen, om de waakzaamheid van Alva’s troepen te verschalken en Haarlem te bereiken, begeeft Chester zich eindelijk op weg door Waterland naar Egmond. Hier tracht Diederik Sonoy, die in Noord-Holland voor den prins van Oranje het bevel voert, krijgslieden bijeen te brengen, om den Diemerdijk op het een of andere zwakke punt aan te tasten en dat te versterken, teneinde voor Amsterdam en de Spanjaarden elken toevoer af te snijden, zooals zij dit voor Haarlem hebben gedaan.

“Pardieu!” merkt Oliver op, als zij hun weg vervolgen over half bevroren meren en door dorpen, haast bedolven onder de sneeuw, “als ik mijn altaarstuk bij mij had gehad, zou ik het hebben kunnen afmaken tusschen twee schermutselingen in. Ik heb niets voor mijn kunst gedaan, niets—en zelfs niets voor mijn liefde.” Hij wringt wanhopig de handen.

“En wat heb ik voor de mijne gedaan?” zucht Guy.

“Diable!” zegt de schilder, die vermoedt, wat er omgaat in zijn vriends binnenste, “Alva’s schat zal onaangeroerd blijven, totdat de Hertog de Nederlanden verlaat. Zelfs een oproer van zijn niet betaalde troepen zal hem niet kunnen noodzaken, dien af te geven. Hij is goed opgezouten voor den winter.”

“Zijt gij er zeker van, dat de Hertog er niets van vermoedt, dat gij de sleutels hebt laten maken?” vorscht Guy, die niet geheel en al gerust is.

“Dat kan hij onmogelijk—want ik heb ze niet laten maken—ik vreesde reeds, eer ik Mechelen had bereikt, dat men mij verdacht—daarom gaf ik er geen last toe en vernietigde ik de teekeningen,eer ik Brussel verliet,” antwoordt Oliver. Een oogenblik later vervolgt hij met een glimlach: “En wat Alva’s dochter betreft, zij treurt zeker over kolonel Guido Amati de Medina.”

Het denkbeeld, dat zij treurt om zijn dood, maakt Guy wanhopig en hij zou er alles voor over hebben gehad, om haar even in de schoone oogen te kunnen kijken. Maar dat is zoo goed als onmogelijk, zoolang zijn schip in het ijs ligt vastgevroren.

Om den tijd te dooden, slaat hij Spanjaarden dood en hij voegt zich bij den troep, dien Sonoy bij het eerste teeken van de lente bij elkaar brengt voor den aanval op den Diemer dijk.

Deze, bestaande uit achthonderd man, wordt ingescheept op een aantal galeien en platboomde vaartuigen, die zich in beweging stellen zoodra de winter voorbij is en de binnenwateren bevaarbaar worden.

Het punt van aanval is zorgvuldig uitgekozen, en wel daar waar de dijk op zijn smalst is en het meest geschikt ter verdediging tegen van Amsterdam komende troepen. Aan de eene zijde wordt de smalle weg begrensd door het IJ, aan de andere door het Diemer meer, zoodat Amsterdam van Muiden—en daarmee de weg voor proviand en versterkingen van uit Utrecht—wordt afgesneden.

De aanval is plotseling en onverwacht. De Spaansche patrouilles, die overrompeld worden, worden gemakkelijk teruggedreven en Sonoy versterkt zich op den smallen weg, waarna hij, denkende, dat de zaak hiermee in orde is, recht in zijn schik naar Edam gaat, om versterkingen te halen.

Wat Oliver betreft, hij is een en al vreugde. Hij kan den toren van de Groote Kerk te Haarlem zien, nog geen twintig mijlen van hen verwijderd, en hij meent dus, dat het oogenblik niet meer verre is, waarop hij zijn beminde weer in zijn armen zal sluiten.

Doch de Spaansche gouverneur van Amsterdam kan natuurlijk niet gedoogen, dat hem alle toevoer wordt afgesneden. Hij zendt onmiddellijk een groote macht voetvolk met een paar kanonnen naar den dijk en de seigneur De Billy, een beproefd veteraan van vele veldslagen, bevelhebber te Muiden, zendt vierhonderd man Walen om de Geuzen van de andere zijde aan te tasten.

In vereeniging met een menigte gewapende Spaansche galeien, doen zij ongelukkig den aanval gedurende de afwezigheid van Sonoy. Diens troepen, hoe dapper ook, zijn nu zonder oppersten aanvoerder. Zij zijn voornamelijk samengesteld uit de bemanning van de Geuzenschepen, waarvan iedere bevelhebber over de anderen wil commandeeren. Steeds twistend onder elkander, wachten zij den aanval af, zonder discipline en wederzijdschen steun.

Het gevolg is, dat zij niet gereed zijn, als het geschut tegen hen begint te spelen en de eerste welgerichte schoten reeds de haastig opgeworpen verdedigingswerken van de Hollanders vernielen. Reeds hebben eenige der Geuzen den dijk verlaten en de wijk genomen naar hun vaartuigen, om deze tegen de Spaansche galeien te verdedigen, en ook om gereed te zijn tot vluchten.

“Wij moeten een aanval doen op de kanonnen,”roept Chester uit. En hij en Oliver, gevolgd door vijftig anderen, beproeven dit. Zij trachten door de Spaansche speerdragers heen te komen, en banen zich een weg met speer en piek naar een kanon, en had men hen krachtig bijgestaan, dan zou het hun misschien zijn gelukt, ofschoon elke stap voorwaarts een der hunnen het leven kost. Doch men laat hen in den steek en zij worden eindelijk teruggedreven, bij ieder voetbreed grond een man verliezend, terwijl de Spanjaarden de gewonden onbarmhartig afmaken.

Met moeite slaat Guy er zich doorheen en hij moet zijn vriend, den schilder, die doodelijk gewond is, nog meesleepen. Maar als hij binnen de versterking terugkeert, vindt hij deze verlaten; alle manschappen, die ze moesten verdedigen, zijn naar de booten gevlucht—behalve één, Jan Haring van Hoorn. Deze held heeft post gevat op het smalste gedeelte van den dijk en verdedigt zich met zwaard en schild tegen een duizendtal veteranen van Alva’s leger. Gelukkig voor hem, kunnen zij hem slechts één voor één bevechten, daar de dijk zeer smal is, het diepe Diemer meer aan de eene zijde ligt, en het snelstroomend water van het IJ aan de andere.

Haring’s verdediging geeft Guy tijd, om een oogenblik adem te scheppen.

Zich over zijn vriend heenbuigend, mompelt hij tusschen zijn vast opeengeklemde tanden: “Vrees niet! Die Spaansche honden zullen u niet levend in handen krijgen.” Dan veegt hij het doodszweet van zijn vriends voorhoofd en ziet smartelijk in hethem zoo dierbaar gelaat, dat reeds met een doodskleur overtogen is.

Met moeite brengt de stervende uit: “Red uzelf!”

“En u eveneens!”

“Red uzelf!” Uit Oliver’s oogen spreekt een angst, die geen doodsangst is. “Red uzelf, om mijn Mina te redden. Zweer mij, Guido, mijn vriend, dat gij haar zult redden!”

“Dat heb ik reeds gedaan,” fluistert Guy haastig. “Wenscht gij nog iets anders?”

“Enkel dit—doch gij zijt—geen—kunstenaar. Ik zou zoo gaarne—mijn altaarstuk—hebben afgemaakt. Ik—zie—nu—werkelijkeengelen—”

De laatste woorden klinken als een zucht, en Antony wendt zijn oogen naar den blauwen hemel, en de ziel van den patriot gaat daarheen, waar dewerkelijkeengelen en dewareMadonna zich bevinden.

Daarna kijkt Chester in het rond, om tot de ontdekking te komen, dat hij er weinig beter aan toe is dan zijn doode vriend. De Spanjaarden bestoken hem van voren en van achteren. De Hollandsche schepen zijn alle een halve mijl ver weggedreven; aan de IJ-zijde snijden Spaansche schepen den terugtocht af.

Guy werpt een snellen blik om zich heen, om een uitweg te zoeken en vindt dien in het Diemer meer. Ongeveer vijftig el van land ligt een kleine sloep, behoord hebbende aan de Spaansche wacht, die op deze plaats werd verrast, en waarvan de touwen gedurende het gevecht zijn losgesneden; het is de eenige sloep op het Diemer meer.

Ras besloten, snelt hij op Haring toe, uitroepende: “Dat is onze eenige kans!”

Samen hakken zij nog eens op de Spanjaarden in, om tijd te winnen, en springen daarna in het meer. Als zij verdwijnen, stijgt er een kreet van woede op uit de Spaansche huurlingen, die hun een kogelregen nazenden. Doch zij bereiken, elkander hulp verleenend, gelukkig de sloep, klimmen er in, nemen de riemen en zijn weldra buiten schot.

En als hij toevallig naar den dijk kijkt, huivert Guy en wendt zijn hoofd af.

“Zij snijden hem het hoofd af,” fluistert Haring. “Het is Alva twee duizend Carolusguldens waard.”

Guy weet, wiens hoofd de Hollander bedoelt, en zijn hart wordt nog meer vervuld met haat en verbittering tegen de Spanjaarden. Hij wordt er opnieuw door versterkt in zijn besluit, om zijn gelofte aan zijn dooden kameraad te houden, al zou het hem ook het leven kosten.

“Het was een Berserker eed,” mompelt hij, “doch ik zal hem houden.” En hij kijkt naar zijn vijanden, die zijn vriend hebben omgebracht, met iets van dien nobelen waanzin, die in de aderen der Berserkers gloeide, namelijk de woede om zijn vijanden te verslaan, zonder zich te bekommeren om zijn eigen leven, dat welbehagen in het dooden, onverschillig of men er zelf bij te gronde gaat, zoolang men nog niet verzadigd is van doodslag en wraak.

Maar de stem van den Hollandschen zeeman doet hem van de romantiek tot de werkelijkheid terugkeeren. Deze zegt: “Sir Chester, het ziet er slechtmet ons uit. Wij zijn aan de verkeerde zijde van den Diemer dijk—en hebben geen wapens. Wij kunnen den dijk niet weer oversteken, om te trachten onze vrienden te bereiken, want hij is nu over zijn geheele lengte ingenomen door die helsche Spaansche troepen. Wij hebben vandaag echter eenige hunner overhoop gestoken en wij zullen er nog meer naar de andere wereld zenden, eer zij het ons doen, ofschoon wij geen andere wapenen hebben dan onze tanden en nagels,”—want de beide mannen zijn genoodzaakt geweest, hun wapens weg te werpen, om naar de sloep te zwemmen.

“Wij zijn niet aan den verkeerden kant van den Diemer dijk,” antwoordt Guy op beslisten toon. “Tenminste, ik niet.”

“Hoezoo?” vraagt Haring, zijn oogen wijd opensperrend.

“Omdat ik naar Haarlem ga, en gij de man zijt, om mij er heen te brengen. Gij kent immers het land?”

“Iederen drop water en iederen korrel zand, die er in is, en daarvoor vecht ik.”

“Dan kent gij misschien een weg, om van hier in het Haarlemmer meer te komen?”

“Zonder wapens?” vraagt de Hollander. “Dat zal moeilijk gaan; wij kunnen niet vechten en—het stuit mij tegen de borst, voor de Spanjaarden te gaan loopen!”

“Wij moeten eerst vluchten om later te kunnen vechten,” mompelt Guy, “en spoedig ook.” Want de Spanjaarden zijn bezig, een boot over den dijk te dragen, om hen te vervolgen. Gelukkig zijn ertwee paar riemen in de sloep, die licht is, en Haring en Chester roeien al wat zij kunnen over het Zuidwestelijk gedeelte van den nauwelijks twee mijlen langen Diemer plas.

Zij zijn nu voor het oogenblik in veiligheid, want als de Spanjaarden bemerken, dat zij zoo snel als zij kunnen wegroeien, zien zij er van af, om een boot over den dijk te sleepen. De beide mannen overleggen nu haastig, wat hun verder te doen staat.

“Het is onmogelijk, langs dien weg te ontkomen,” verklaart Haring, naar het Oosten wijzend, waar de weg naar Utrecht het meer begrenst. “Die is te goed bewaakt. Mogelijk dat wij aan de Westzijde aan land kunnen komen, waar het meer en de Amstel samenvloeien. Het is slechts een mijl bezuiden Amsterdam; er kruisen wachtbooten.”

Dat is de richting, die Guy wenscht te nemen, en hij stemt gretig met het voorstel in, vragend: “Is er in de plassen en meren, waarmee dit land overdekt is, niet een weg, waarlangs wij naar het Haarlemmer meer kunnen roeien?”

“Ja, er is een weg,” antwoordt Haring. “Doch de eerste zes mijlen zullen wij moeten afleggen onder aanhoudend gevaar voor ons leven. De laatste twaalf mijlen gaan over het terrein, dat men elkander betwist, waar wij dus zoowel vijanden kunnen ontmoeten, met wie wij zullen moeten vechten, als vrienden, die ons kunnen helpen. Hadden wij maar wapens,” zucht de Hollander, “dan hadden wij kans, al vechtende Haarlem te bereiken, en Alva’s schepen te ontloopen.”

“Wapens!” merkt Guy op, “gij hebt uw zeemans mes en ik mijn ponjaard.”

“Voor den duivel! Dat zaakje zullen wij dan opknappen met ponjaard en mes,” zegt Haring, grimmig lachend. “Ik heb er altijd schik in, een Spanjaard te pakken te krijgen.”

Zij onderzoeken de sloep nu nauwkeurig en vinden een mast en een zeil, die vóóruit zijn opgeborgen, wat hun goed te stade komt, want er waait een lichte bries, die hun gunstig is. Zij plaatsen den mast en hijschen het zeil.

Eensklaps slaakt Haring, die bezig was de kastjes te onderzoeken, een vreugdekreet.

“Wat is er?” vraagt Guy.

“Mondvoorraad! Deze schurken van Spanjaarden meenen het goed met ons. Hier is een flesch Spaansche wijn, waarvan ik evenveel houd, als ik den man haat, van wien hij afkomstig is, en overvloed van roggebrood en gezouten haring, met olie om ze te bakken. Het zal heerlijk naar binnen glijden. Dat is een buitenkansje.”

“Ja, en hier is nog iets beters,” roept Guy uit.

“Wat kan nog beter zijn dan eten?” vraagt de Hollander.

“Wapens!”

In het kastje aan de andere zijde van de sloep heeft Chester vier Spaansche haakbussen gevonden met ammunitie, een zwaard en een strijdbijl. Zij wenschen elkander wederkeerig geluk met hun vondst, want zij zijn nu goed toegerust voor hun avontuur.

Een kwartier later naderen zij de plaats, waar het Diemer meer samenvloeit met het aardige riviertje de Amstel, dat van het Zuiden komt. Er staat een wachthuis bij het punt van samenvloeiïng, met deSpaansche vlag wapperende op het dak. Een paar Spaansche voetknechten staan er voor op post; maar het is een zoele dag, die hen slaperig maakt, de boot onder zeil glijdt onhoorbaar langs hen heen, en eer Alva’s veteranen recht wakker zijn geworden, is de kleine sloep hen reeds een vijftig voeten voorbij.

“Nu,” fluistert Guy, “ter gedachtenis aan Oliver!”

Dit zeggende, schieten zij beiden, en de veteranen vallen neer met de kogels tusschen hun ribben, terwijl de sloep den Amstel opzeilt.

Doch de twee gewonde Spanjaarden, die voor het wachthuis liggen te kermen, hebben vijf kameraden. Dezen springen snel in een boot en onder wilde kreten van woede en wraak hebben zij weldra de vervolging van de moordenaars hunner makkers begonnen.

“Dat hebben wij hem eens netjes gelapt,” merkt de Hollander op. “Ik had gedacht, dat wij hier drie of vier patrouille-booten zouden vinden, doch alles schijnt samengetrokken te zijn bij den Diemer dijk. En nu vooruit, daar komen zij!” De beide mannen grijpen de riemen, maar het is een hard werk, tegen den stroom in te roeien, en vier man hanteeren de riemen in de Spaansche boot, die op hen wint.

“Haal op, Haring, terwijl ik de haakbussen laad. Ik kan dit vlugger dan gij,” zegt Chester. En een oogenblik later voegt hij er aan toe: “Laat ze nu maar komen, wij hebben vier geladen geweren, twee voor ieder van ons.”

Haring laat nu ook de riemen rusten en beiden wachten de vijanden af, die snel naderen, denkende,dat zij gemakkelijk spel zullen hebben, daar zij met hun vijven zijn, van wie er nu twee roeien, terwijl de andere drie de geweren laden.

Maar dat staat den Hollander en den Engelschman volstrekt niet aan.

Als een van hen gewond wordt, is de andere ook reddeloos verloren. Zij grijpen opnieuw de riemen en draaien snel om een uitstekende punt, beplant met wilgen, die juist hun bladeren beginnen te ontplooien en hun eenigermate een schuilplaats bieden.

Zoo vlug als zij kunnen, landen zij, ieder met twee geweren, en kruipen dwars over de smalle landtong, om de Spanjaarden aan te vallen, als zij de punt willen omroeien. Uit hun hinderlaag vuren zij op hun vervolgers, dooden er één en wonden twee anderen doodelijk.

Op zulk een moorddadige wijze begroet, wenden de Spanjaarden, met een kreet van verrassing en schrik, hun boot en laten zich de rivier afdrijven.

“Niet één hunner moet kunnen terugkeeren, om ons paardenvolk achterna te zenden!” fluistert Haring.

“Vooruit dan, dan zullen wij ook met de twee anderen afrekenen,” antwoordt Guy. En hun geweren opnieuw ladend, snellen zij weer naar hun sloep en halen met de uiterste inspanning de Spanjaarden in, die roeien wat zij kunnen, maar niet zijn opgewassen tegen zulke waterrotten als de Geuzen.

Een paar schoten, daarna een van Alva’s veteranen het hoofd tot aan zijn kin gekloofd met de strijdbijl en de Spaansche patrouille-boot drijft de rivier af, slechts gevuld met lijken.

“Dat was een gelukje,” zegt de Hollander. “Nu kan niemand van hen alarm maken. Totdat wij aan het wachthuis te Ouderkerk komen, zullen wij wel geen Spanjaarden meer ontmoeten. Maar daar ligt soms een heele compagnie. We moeten trachten, de bezetting in de duisternis te verschalken.”

Zij roeien het riviertje nu verder op, dat kalm en langzaam verder stroomt, en om zes uur ’s avonds verschuilen zij zich tusschen de wilgen, er zooveel mogelijk voor zorgende, dat niemand er hen kan vinden. De boeren, die zij tegenkwamen, zijn voor hen gevlucht. Zij durven geen vuur aan te maken, maar eten hun gezouten haring en brood met olie en wachten de naderende duisternis af.

Weldra daalt deze neder; het wordt een stikdonkere nacht, zonder maan. Haring en Guy roeien behoedzaam den stroom op en zien binnen een half uur de lichten van Ouderkerk. Zij houden zich nu aan den anderen kant van de rivier, terwijl de Hollander als loods dienst doet, daar hij blijkbaar iedere ondiepte in de rivier kent, en zij zouden de plaats, een klein dorpje, ongemerkt voorbij zijn gekomen, als een paar honden niet waren beginnen te blaffen, wat ten gevolge heeft, dat de Spaansche schildwacht op den oever hen aanroept.

Zonder te antwoorden, roeien de beide mannen uit al hun macht, doch zoo zacht mogelijk, voort, en weldra houden de honden op met blaffen en hervat ook de schildwacht zijn geregelden gang, zeker denkend, dat er, daar hij niets heeft gezien, ook niets isvoorbijgegaan. Zij meenen dan ook, als zij de plaats voorbij zijn, uit het gehuil van de honden op temerken, dat de Spanjaard hen schopt, omdat zij een valsch alarm hebben gemaakt.

Bijna den geheelen nacht roeien zij door en bemerken tot hun vreugde, als de dag aanbreekt, dat zij in het Legmeer zijn, een lange, smalle strook water, die zich bijna tot aan het Haarlemmer meer uitstrekt. In den vroegen morgen worden zij echter achtervolgd en ingehaald, en dat zou waarschijnlijk hun dood zijn geweest, als hun vermeende vijanden niet waren gebleken, vrienden te zijn.

Het is een kleine patrouille-boot, die dit onveilige water bevaart in dienst van den prins van Oranje.

Van den bevelhebber vernemen zij, dat De Bossu pas nog meer galeien op het Haarlemmer meer heeft gebracht, en dat zij een harden dobber zullen hebben, om door de Spanjaarden heen te komen, daar de Hollandsche vloot zich aan de Kaag bevindt, aan het Zuidelijk gedeelte van het meer, om gekalfaterd te worden. “Ik zou u afraden, te gaan,” zoo besluit de Hollandsche bevelhebber.

Guy echter begrijpt, dat het gevaar elken dag grooter zal worden, dat Alva steeds meer schepen naar het Haarlemmer meer zal zenden, en hij dringt er dus op aan, om verder te gaan, en Haring is niet de man om hem in den steek te laten.

“Nu, als gij er dan op staat,” antwoordt de Hollandsche bevelhebber, “zullen wij u helpen.”

Zijn matrozen helpen Guy en Haring nu om hun sloep van het Legmeer door de polders te brengen, over een sloot, die langs een dijk loopt en in het Haarlemmer meer uitkomt.

“Nu,” zegt Chester, “hoeveel levensmiddelen kuntgij missen? Het zou tegen alle menschelijkheid in zijn, als wij in die uitgehongerde stad kwamen en geen enkelen zak meel voor hun hongerige monden meebrachten.”

“Gij hebt gelijk,” antwoordt de bevelhebber der boot. “Wij zullen u driehonderd pond meel meegeven, meer kan uw boot niet dragen. Gij zet uw leven op het spel,” vervolgt hij. “Ga liever vannacht. Op het Zuidelijk gedeelte zijt gij veiliger. Zoodra gij in de nabijheid van Haarlem komt, pas dan op! De Spanjaarden hebben altijd twee of drie galeien bij de Fuik.”

Den raad hunner vrienden opvolgend, gaan Haring en Chester weer onder zeil, nadat zij een flesch brandewijn hebben gekregen, die hen geheel verkwikt, en spoeden zich over het Haarlemmer meer naar twee kleine eilanden aan de Westzijde, ongeveer vier mijlen ten Zuiden van de stad.

Daar blijven zij liggen, totdat het weer nacht is en bereiken in de duisternis, ofschoon zij slechts ternauwernood ontkomen aan een patrouille-boot, de Fuik en landen aan een der kleine forten, daar gebouwd om de gemeenschap open te houden tusschen het meer en de belegerde stad.

Hier worden zij verwelkomd door een menigte uitgehongerde, uitgeteerde, doch vastbesloten burgers, die, dank zij den ontberingen van het beleg, meer gehard zijn dan veteranen. Want steeds leert de geschiedenis, dat als de burger opstaat om huis, vrouw en kinderen te verdedigen, geen krijgsman zoo goed honger, dorst, wonden en folteringen kan verdragen, als hij, die vecht met het oog op zijn dakgericht en die iederen nacht terugkeert van de verschrikkingen van den oorlog, om zijn vrouw en kinderen te omhelzen, wier aanblik hem nog vastberadener weer doet vertrekken, terwijl hun kussen en tranen hem nog heldhaftiger doen strijden.


Back to IndexNext