HOOFDSTUK III.DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL.Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift, komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform, met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman zegt op levendigen toon: “Ik ben de officier, die is aangewezen, om u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon’s busschutters.”“En ik,” antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande, zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, “en ik neem wederkeerig de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero’s musketiers.”“Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg,” merkt de vaandrig op, als zij samen het huis verlaten. “Gij zijt zeker naar Antwerpen gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is eenonmogelijk doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden,” voegt de knaap er trotsch en blufferig bij.“Diablo! Gij zijt een vechtersbaas,” meesmuilt Guy.”’t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen,” antwoordt de vaandrig. “Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te danken aan Alva’s veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het,” zegt het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan, op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde.Met zijn oogen de aangewezen richting volgend, kan Chester het voetstuk zien van het groote standbeeld, vervaardigd van de te Jemmingen buit gemaakte kanonnen, dat de overheerscher en de verdrukker der Nederlanden bezig is op te richten tot zijn eigen verheerlijking en glorie, zeer tegen den zin van Philips van Spanje, die naijverig is op zijn generaals en altijd vreest, dat zij al te beroemd zullen worden.“Jake Yongling heeft een groot afbeeldsel van den Hertog gemaakt. Het is zestien voet hoog en met het voetstuk bijna dertig. Daar is de laatste van zijn armen!” vervolgt de jongensachtige krijgsman, eenoneerbiedigen schop gevend tegen dit onderdeel van de ijzeren beeltenis van zijn generaal, dat op den grond ligt. Daarna fluistert hij geheimzinnig: “Men zegt, dat het standbeeld een geheim verbergt. Wat doet de Hertog met den tienden penning; waar laat hij dat geld?”Thans komen zij weldra op den grooten militairen straatweg, eindigend bij de ophaalbrug over de gracht, die toegang geeft tot de Esplanade der stad. Boven de massieve poort is een schild gebeiteld, waarop een koninklijk kasteel met drie torens; op elken toren een raaf, en elke toren bewaakt door een wolf—het wapen van Alva; daaronder de keten van het Gulden Vlies, waaraan, als ter bespotting van dit land, dat veroverd is door bloed en vuur, een voorstelling hangt van het Lam Gods. Dit alles kan Guy gemakkelijk onderscheiden bij het licht der brandende toortsen, waarvan eenige door de wachten worden vastgehouden en andere bevestigd zijn in de nissen van den muur.De militaire voorschriften eischen, dat Guy’s geleider rapport doet aan den officier van den dag.Te dien einde treden zij een wachtkamer binnen, helder verlicht door een dozijn brandende kaarsen, en terwijl de jonge vaandrig zijn rapport doet en de order ontvangt voor het neerlaten van de ophaalbrug, kijkt Chester voor tijdverdrijf naar de menigte militaire plakkaten aan den vuilen muur; eensklaps valt zijn oog op één er van, dat, hoe sterk zijn zenuwen anders ook zijn, hem een rilling aanjaagt, want het luidt aldus:UITGELOOFD!Drie duizend Carolus-guldens.Nademaal zekere Engelschman, genaamdGuy Stanhope Chester, en nog beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als deEerste der Engelschen, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres, koningin Elizabeth van Engeland, op den 21stenMaart van het jaar 1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoenSanta Cruzen sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene, die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij verklaren. Op last vanALVA,Onderkoning.JUAN DE VARGAS,President van den Raad van Beroerten.Dit is aangeplakt tusschen verschillende militaire orders, betrekking hebbende op de Citadel, en een paar andere bevelschriften tot het aanhouden van oproerlingen of het opleggen van belastingen. Na de eerste ontsteltenis kan Guy het plakkaat kalm lezen en hij krijgt een gevoel van verlichting, als hij bemerkt, dat de beschrijving van zijn persoon, die bij de afkondiging is gevoegd, in vele bijzonderheden onjuist is.“Al klaar, kapitein Guido! Ik heb de order gekregen!” zegt de jonge vaandrig, hem op den schouder kloppend. Daarna vervolgt hij: “Ah! gij waart bezig het plakkaat tegen den ‘Eerste der Engelschen’ te lezen,” en onder het heengaan vervolgt hij levendig: “Drie duizend Carolus-guldens! Dat zou een aardig extraatje bij mijn soldij zijn! Kon ik hem maar te pakken krijgen! Drie duizend gulden! Wij zouden een festijn aanrichten, niet waar, senor capitan, betaald met het hoofd van den zeeroover!”Hier wordt de jonge Spanjaard gestuit in zijn ontboezeming, want de schildwacht vraagt hem het contrasigne, en als hij dat gegeven heeft, gaat hij met zijn metgezel door de poort, nadat de ophaalbrug is neergelaten. Daarmee is niet veel tijd gemoeid, want een sterk detachement van het garnizoen is onder de wapenen, en een gedeelte der troepen is juist uitgerukt om de wachtposten in de stad te versterken en zooveel mogelijk hulp te verleenen bij het beschermen der eigendommen van het gouvernement, die op de werven en de kaden van Antwerpen in gevaar verkeeren door het getij, dat nog onophoudelijk wast; de stad is dan ook nog verlicht en de alarmklokken luiden voortdurend.“Hier moet ik u verlaten,” zegt De Busaco, nadat zij de ophaalbrug zijn overgegaan en de laatste schildwachten gepasseerd zijn. “In welke herberg wilt gij uw intrek nemen? InDe Roode Leeuw? Die heeft, dunkt mij, den besten wijn.”“Neen,” antwoordt Guy, want hij heeft hier reeds over nagedacht; “ik ga naarHet Geschilderde Huis. Het is daar rustiger.”“Zoo?” lacht de jonge man. “Dus gij weet niet, wat daar morgen zal gebeuren? Par Dios! de helft van de burgers van Antwerpen zullen daar komen, om het te zien, en ook tal van officieren van het garnizoen. Gij hebt het nieuws niet gehoord? De groote schilder, de Raphael der Nederlanden, Frans Floris, heeft de uitdaging aangenomen van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, om ze allen op één avond onder de tafel te drinken. Sapristi! naar wat men van hem vertelt, geloof ik zeker, dat hij het ook zal doen. Ik ben van plan er ook naar te gaan kijken; ik hoop u daar te ontmoeten!”“Zeer goed, kom vooral en drink een roemer wijn met mij!” zegt Chester, die meent, dat gezien te worden met een Spaanschen officier een soort van paspoort voor hem zal zijn, in een stad, waar men een prijs op zijn hoofd heeft gezet. Hierop zegt de jonge De Busaco,—want de twee hebben onder weg heel joviaal samen gebabbeld en zijn reeds goede kameraden geworden: “Uw weg ligt recht vóór u, de Esplanade dwars over naar de Bagijnenstraat,” en hij keert met een vriendelijken groet naar de Citadel terug.Een oogenblik denkt de Engelschman er aan, hem terug te roepen, om hem een vraag te doen, die hem voortdurend op de lippen heeft gezweefd, sinds hij haar heeft verlaten. Maar hij komt daarvan terug. “Neen—om aan een officier, dien zij mij als geleide heeft meegegeven, den naam en stand te vragen van mijn—mijn beminde—” hij herhaalt welbehaaglijk dat woord eenige keeren in zijn geest—“zou te gevaarlijk zijn. Ik allereerst diendede dame te kennen, die ik naar Antwerpen heb gebracht.”Hij steekt dus de Esplanade over, die vrij is gehouden van boomen en van alles wat verder een belemmering kon zijn voor het vuur van de Spaansche Citadel, die deze Vlaamsche stad beheerscht. En nog altijd geheel vervuld met de gedachte aan zijn schoone, mompelt hij: “Die schilder zal mij kunnen zeggen, wie zij is, hij weet het,” en hij versnelt zijn pas.Een oogenblik later bevindt de Engelschman zich aan den ingang van de Bagijnenstraat, die tot in het hart der stad voert. Hij klapt eenige malen in zijn handen en roept: “Heidaar, jongen! Hier met de toorts. Licht mij voor!” wat weldra een dreumes van een straatjongen tot hem brengt, die een brandende fakkel draagt.“Waarheen, Uwe Edelheid?” vraagt de jongen, want Guy’s manieren en uiterlijk zijn die van een man van geboorte.“Naar de Wolstraat! Het huis van Jacques Touraine.”“O! De wondheeler en barbier,” antwoordt de jongen. “Ik ken zijn uithangbord.”Zij loopen nu—de jongen vóór den Engelschman uitdravende, die vlug voortstapt—de Bagijnenstraat door, waar thans wegens den storm lantarens branden, die aan de gevels der huizen hangen, en gaan voorbij de grootsche kerk van Onze Lieve Vrouwe van Antwerpen, nu bekend als de kathedraal Notre Dame, welker klokkenspel ieder kwartier zijn zilveren geluid doet hooren. Vervolgensduiken zij weg in den doolhof van nauwe straten, vol middeneeuwsch vuil, dat haar zelfs nu nog verontreinigt, om het noordelijk einde van de stad te bereiken.Na zich eenige minuten met moeite een weg te hebben gebaand door deze nauwe stegen, houden zij stil bij een groot uithangbord, geschilderd met roode, blauwe en witte strepen, dat als onderscheidingsteeken dient van het huis van monsieur Jacques Touraine, den kleinen Franschen wondheeler, artsenijmenger, chirurgijn en barbier.Hoe laat het ook reeds is, toch behoeven zij hem niet op te kloppen en te wekken, want deze heer staat voor zijn deur, op zijn Fransche manier levendig sprekend met eenigen zijner buren. Hij houdt een klein kind van ongeveer zeven jaar bij de hand en zegt zenuwachtig: “Mon Dieu! Als de vloed eens tot hier kwam!”“Drommels!” antwoordt een van de anderen, “de duivel zelf zou den vloed dezen heuvel niet op kunnen stuwen! Het teeken van den grooten vloed van 1300 is nog vijftig voet beneden ons.” Hij lacht verachtelijk en spot: “Wat zijt gij Franschen toch bang voor water!”De mannen in hun gesprek storend, wenkt Guy den barbier tot zich en vraagt hem: “Is de schilder, die bij u woont, Antony Oliver, thuis?”Het antwoord is ontmoedigend: “Neen, hij is in Brussel.”“Zoo!” bromt Guy half binnensmonds, blijkbaar zeer teleurgesteld, want enkel om dezen Oliver te spreken, heeft hij zooveel gevaren getrotseerd, enhij durft niet lang in Antwerpen blijven. Dan vraagt hij eenigszins angstig: “Weet gij, wanneer hij denkt terug te komen?”“Morgen. Hij komt met zijn heer, den hertog van Alva. Hij is heraut en onder-secretaris van den Onderkoning.”“Ja!” roept het kereltje uit, “ik ben er zoo blij om; als monsieur Oliver komt, krijgen wij altijd duivenpastei. Ik houd zooveel van duivenpastei—gij ook?”“Nu, of ik!” lacht Guy, gerustgesteld door het bericht, dat de schilder spoedig terug wordt verwacht.“Dan hoop ik, dat gij monsieur Oliver niet zult vragen om mijn portie van de duivenpastei,” snapt het kind voort; “maar misschien krijgen wij er in het geheel geen—een man heeft vandaag zooveel duiven weggehaald.”“Daar is een stuiver voor je, om duivenpastei voor te koopen, mijn kleine baas,” lacht Chester, terwijl hij het kind een geldstukje geeft. Vervolgens wendt hij zich tot den vader en vraagt: “Zijt gij zeker van hetgeen gij mij gezegd hebt?”“Ik geloof het wel. Maar gij kunt het nog nader onderzoeken bij zijn beste vrienden, de familie Bodé Volckers. Daar is het zeker bekend. Het is een hupsche man, die Oliver, en een groot schilder—tenminste, hij houdt zichzelf voor een groot schilder. Hij heeft mijn zoon Achille als leerling—mijn jongste is de kleine Marvédie, die zoo verzot is op duivenpastei,” babbelt de Franschman, die blijkbaar van zijn angst voor den vloed is bevrijd en wienshart Guy heeft gestolen door zijn gift aan het kind. Dan vraagt hij eensklaps: “Heb ik u niet reeds eerder gezien? Mij dunkt, gij hebt monsieur Antony zes maanden geleden ook reeds bezocht.”“Ja,” antwoordt de Engelschman kortaf, en om verdere vragen te voorkomen: “Kunt gij mij zeggen, waar de familie Bodé Volckers woont?”“Och, iedereen weet dat; hij is onze oud-burgemeester, de vorst-koopman van Antwerpen, Niklaas Bodé Volckers, die op de Place de Meir woont.”“O, de Place de Meir, dank u, senor,” antwoordt Guy, en den toortsjongen terugroepend, zegt hij: “Bodé Volckers!”“Dat is twee stuivers meer,” zegt de knaap; iemand, denkt hij, die een burgemeester gaat opzoeken, kaa ook wel twee stuivers meer geven.“Vier, als gij er mij spoedig brengt.”“Vier? Pots dit en dat! gij moet een graaf zijn,” roept het kind in verrukking uit, en opnieuw voor Guy uitdravende, geleidt hij hem, weer langs de kathedraal, naar de prachtige woning, waar de oude Bodé Volckers, de vorst-koopman uit die dagen, wiens koopvaardijschepen naar de Indiën, de Oostzee en de Middellandsche zee zeilen, woont, in groote praal en pracht, maar ondanks dat alles slechts een koopman, handelaar en burger blijft; in de oogen der trotsche edellieden van dien tijd niets meer beteekenende dan het stof der aarde—tenzij zij zijn geld wenschen te leenen. Maar zooals het altijd gaat, groot financieel succes roept maatschappelijke eerzucht wakker. De familie van Niklaas Bodé Volckers klopt nu aan de deuren van de aristocratie.Dit wordt Guy ook gewaar, als hij de woning van den koopman heeft bereikt.Het huis is imposant gebouwd, van gehouwen steen, met een ruim binnenplein; de hoofdingang is zoo breed en hoog, dat een rijtuig er met gemak door kan; het huis is overal verlicht, het eene gedeelte echter nog helderder dan het andere. Daar bevindt zich blijkbaar de kantoor- en monsterkamer van den heer Niklaas Bodé Volckers. Door de openstaande deuren gaan eenige klerken en lastdragers in en uit, en groote goederenwagens komen aanrijden, beladen met zijden en satijnen stoffen, die van de overstroomde kaden in veiligheid worden gebracht. Iedereen schijnt druk in de weer te zijn.“Ik moet mijnheer Bodé Volckers een oogenblik spreken,” zegt Guy tot een hem voorbij spoedenden bediende.“Moet gij mijnheer Bodé Volckers van nacht spreken?” herhaalt de knaap ten hoogste verbaasd; “nu, terwijl zijn pakhuizen zijn ondergeloopen?”“Ik moet hem spreken. Hoort gij mij, knaap? Vlug wat!” roept Chester ongeduldig, want daar hij edelman is, is hij gewoon om kooplieden, burgers, handelaars, enzoovoort te bevelen.“Dat is onmogelijk, tenzij gij naar de kaden gaat,” antwoordt de leerling. “Mijnheer Bodé Volckers houdt daar het toezicht op het vervoer van de goederen, die gevaar loopen te bederven in zijn groot pakhuis op de Engelsche kade.”Teleurgesteld maakt onze held rechtsomkeert en begeeft zich naar den hoofdingang van het huis, waar hij een woordenrijk dienstmeisje vindt, in gesprekmet een man, die naar alle waarschijnlijkheid de koetsier is van de familie, want de paarden en de equipage staan vóór het huis te wachten. Zij schijnen het te hebben over de overstrooming in de stad, daar het meisje zichzelve telkens in de rede valt met opgewonden uit te roepen: “Die arme menschen!” en: “Goede hemel!”Daar de vensters in den voorgevel van het huis eveneens verlicht zijn, wendt Guy zich aanstonds tot het meisje, zeggende: “Zou ik ook even iemand van de familie van den heer Niklaas Bodé Volckers kunnen spreken?”“Ik weet het niet,” is het antwoord. “Als mijnheer maar binnen wil gaan, dan zal ik het vragen.”Zij maakt tegelijk een eerbiedige dienaresse, want Guy stopt haar een zilverstuk in de hand. Zijn optreden is gebiedend, zijn voorkomen aristocratisch, zijn hand mild, en het meisje is dus gaarne bereid, hem van dienst te zijn; zij leidt hem naar een groot, gewelfd vertrek, bekleed met Spaansch leder, welks stoffeering van weelde getuigt, ja zelfs van pracht; de vloer is met kleeden en tapijten belegd en sommige stukken van het ameublement zijn ingevoerd uit Italië, Spanje en zelfs uit Turkije, en men heeft er zelfs kleedjes, vervaardigd op de weefgetouwen van Ispahan en Bokhara. Het vertrek is verlicht door een mooie kroon vol brandende waskaarsen. Uit deze kamer leidt een gesneden eikenhouten trap naar de bovenvertrekken van het huis.“Wiarda Schwartz!” roept het meisje, in haar handen klappend. “Wiarda!” Daar zij geen antwoord krijgt, zegt zij: “Ik ben dadelijk terug,” en de trapvlug oploopend, komt zij een oogenblik later weer naar beneden, gevolgd door een aardig, donkeroogig kameniertje, wier kleeding verraadt, dat zij de lieveling van haar meesteres is, en wier korte gesteven rokjes en hooge Friesche muts haar doen kennen als een behaagziek ding.In antwoord op haar min of meer nonchalante neiging, zegt Chester: “Ik ben kapitein Guido Amati van Romero’s voetvolk. Kan ik vrouw Bodé Volckers een oogenblik spreken?”“Niet, tenzij gij naar de andere wereld gaat,” antwoordt het dametje vrijpostig. “Vrouw Bodé Volckers is al drie jaren dood.”“Dan zou ik nog verder moeten loopen dan naar de pakhuizen van haar weduwnaar,” herneemt Guy glimlachend. Daarna vraagt hij: “Kan ik dan de meesteres van het huis spreken?”“O, gij bedoelt freule Wilhelmina Bodé Volckers,” zegt het meisje, en een hooge borst zettend, voegt zij er bij: “Freule Wilhelmina Bodé Volckers is heden op het feest van de gravin van Mansfeld.”Chester herinnert zich, hoe minachtend de lakei van de gravin van Mansfeld zich heeft uitgelaten over de dochter van den oud-burgemeester, die tot vermaak van het gezelschap danst in de kostbaarste zijden stoffen van haar vader, en het kost hem moeite, een glimlach te onderdrukken. Daar hij er echter te veel belang bij heeft, om de gewenschte inlichting te krijgen, herneemt hij: “Misschien kunt gij dan deze vraag beantwoorden: weet gij ook wanneer Antony Oliver, de heraut van den hertog van Alva, uit Brussel terugkomt?”Maar dit doet kapitein Guido Amati in de achting van juffer Wiarda Schwartz aanmerkelijk dalen. Zij zegt met onbeschaamde gemeenzaamheid: “Ik? Wel neen! Die kladschilder, die bedelaar! Ik weet niets van hem. Ik dacht, dat mijnheer de kapitein zijn kennissen had onder den adel!”Nu Guy het huis even wijs verlaat, als hij het is binnengegaan, ziet hij nog, dat juffer Schwartz haar neusje in de lucht steekt en met haar klein voetje, met een roode kous en een nuffig schoentje bekleed, spottend op den grond stampt.“Er schiet mij niets over, dan kalm af te wachten en tot morgen te slapen. Ik heb daar ook wel behoefte aan,” overlegt de Engelschman bij zichzelven. “God alleen weet, wat de dag van morgen mij zal brengen.”Hij roept opnieuw den toortsjongen, die blijkbaar opzettelijk in de buurt is gebleven, in de hoop, dat Guy’s bezoek aan de familie Bodé Volckers van korten duur zal zijn, en gelast dezen, hem te brengen naar de herbergHet Geschilderde Huis, die beroemd is om haar wijn en bier en aan de Schoenmarkt ligt, tegenover de Place de Meir. Zij is slechts een paar stappen van de woning van den koopman verwijderd, en niet moeilijk te vinden, zooals Guy opmerkt, als hij haar nadert, daar zij haar naam draagt naar de hooge, geschilderde gevels.In de benedenvertrekken brandt overal licht; onder den luifel, versierd met dennetakken en verlicht door heen en weer schommelende lampen, staan tafels en stoelen, waaraan verscheidene gegoede burgers hebben plaats genomen, eenige Spaansche officieren en eenhalf dozijn reizigers. Hoe laat het ook reeds moge zijn, toch dringt het geluid van een drinkgelag nog uit het groote binnenvertrek naar buiten.Hij wordt aan de deur verwelkomd door den waard, den onderdanig buigenden Herman van Oncle, die bezig is een fortuin te verdienen met zijn beroemde soupers en bruiloftpartijen, want dit is in de stad het huis voor feestelijkheden bij uitnemendheid.De Roode Leeuwmag aristocratischer zijn, wat den wijn en het bier betreft, in het regelen van schitterende trouwpartijen, die drie dagen duren, staatHet Geschilderde Huisin Antwerpen verreweg het gunstigst bekend.“Welkom inHet Geschilderde Huis!” roept de spraakzame herbergier uit. “Welkom, senor—kolonel!”“Neen, kapitein,” zegt Guy.“Welkom is hier iedereen, die in dienst van den Staat is, civiel of militair.”“Ik zou gaarne een kamer met een bed willen hebben.”“Onmogelijk!”“Onmogelijk?!”“Ja; alles is bezet.”“Gij moet mij toch een hokje geven.”“Nu, als gij daar genoegen mee wilt nemen, dan een hokje boven den stal. Mijn huis is geheel vol—gij hebt het nieuws toch zeker gehoord? Morgen heeft hier het groote drinkgelag plaats tusschen onzen beroemden artist Frans Floris, en ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’. Men is van alle naburige plaatsen toegestroomd om het te zien. Er is zelfseen deputatie uit Brussel aangekomen. Men spreekt er van, dat de Hertog in eigen persoon morgen wil komen. Misschien wil hij mij de eer bewijzen—misschien is hij van plan te komen, om het grootste drinkgelag bij te wonen, dat ooit heeft plaats gehad in Vlaanderen, Brabant of Holland! Ik zal niet minder dan twintig vaten Rijnwijn moeten aansteken.”“Twintig vaten voor zes drinkebroers?” lacht Chester.“Wel neen—maar de gansche stad zal hier komen, de gansche stad zal ook dronken zijn!”“Ik wenschte, dat de stad wat kalmer was,” zegt Guy, die vreest, dat hij niet veel zal slapen, te oordeelen naar het feestrumoer, dat tot hem komt uit het binnenvertrek.“St!” fluistert de kastelein zenuwachtig, als zij binnentreden. “Stoor hen niet. Het zijn,” en hierbij spalkt hij vol bewondering zijn oogen open, “het zijn ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, die hun avondeten gebruiken!”“Het schijnt, dat ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’,”zegt Guy, op wien die klinkende titel geen indruk maakt, “zich weinig sparen voor morgen. Zij zijn nu al aardig aan den gang.”“Ja, dat is juist het mooie van de zaak,” zegt de waard, zich in de handen wrijvend. “Daarom worden zij juist drinkebroers genoemd; niemand en niets is in staat, hen ooit dronken te maken. Zij hebben ieder reeds acht pinten wijn gedronken en beginnen nog pas. Zij hebben een duivenpastei voor zich staan. Ik heb die eigenhandig gemaakt van vogels, mij door senor Vasco de Guerra zelf verschaft. Hij is de opperstevan de zes drinkebroers, ofschoon de weddenschappen nog altijd twee tegen één staan ten gunste van onzen Nederlandschen schilder, den grootsten kunstenaar van onzen tijd—den Raphael van deze lage landen, onze eer, onzen roem, onzen schuldenaar (want hij staat bij mij voor vier duizend Carolus guldens in het krijt), maar toch de trots van Antwerpen! Wilt gij niet het een en ander gebruiken, senor capitan, eer gij uw slaapplaats boven den stal opzoekt?”“Ja, een halve pint wijn zal voor mij wel genoeg zijn,” zegt Guy. “Maar, gij zijt immers beroemd om uw bier—laat mij daarvan dus liever een kan nemen,” gaat hij voort, als een echt Engelschman zijn nationaal brouwsel getrouw blijvend.“Het beste in geheel Vlaanderen. En dan hebben wij ook nog mout uit Londen.”“Juist, dát is het ware!” roept Guy uit, zijn rol van Spanjaard vergetend. “Breng mij Engelsche mout!” En dan, zijn onvoorzichtigheid bemerkend, voegt hij er aan toe: “Ik heb den geheelen dag reeds Rijnwijn gedronken.”Als de waard vertrokken is, trekt hij, in afwachting van zijn maaltijd, figuren met zijn voet in het witte zand, waarmee de vloer is bestrooid en leest onder andere aanplakbiljetten aan de muren van de gelagkamer, de aankondiging van het groote drinkgelag tusschen Frans de Vriendt, bijgenaamd Floris, en de zes grootste drinkebroers van Brussel. En naast die aankondiging hangt Alva’s edelmoedig aanbod van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman.Weldra brengt men hem het verlangde, en hijneemt plaats aan een tafeltje naast dat van de zes kampioenen van Brussel. Onwillekeurig begint hij belang in hen te stellen, want het zijn zes van de merkwaardigste typen, die hij ooit heeft gezien.Hun namen vangt hij successievelijk op uit hun gesprek.Vasco de Guerra, blijkbaar de aanvoerder van de club, Tomasito, een vaandrig van De Billy’s Walen, die door de anderen den eenoogige wordt genoemd, omdat hij een oog heeft verloren bij Aremberg’s nederlaag, en Pablo Mendez, zijn alle drie Spaansche officieren, die zich, zooals men uit hun gesprekken kan opmaken, houden voor edellieden van rang en aanzien. De overige drie kampioenen treden meer bescheiden op, behalve in het drinken; daarin doen zij niet voor de anderen onder. Twee van hen worden aangesproken als Alphanse de la Noel en Conrad de Rijk, beiden Nederlanders, de een uit Brabant, de andere uit Holland; de laatste van het zestal is een gluiperige kleine Italiaan, Guisseppi Pisa geheeten, een koopman in parfumerieën en andere toiletartikelen, uit de hoofdstad.Daar Guy onder het nuttigen van zijn maal en het drinken van zijn bier niets beters heeft te doen, luistert hij verstrooid en slaperig,—want hij is doodmoe geworden van zijn nachtelijken tocht,—naar hun gesprekken.“Par Dios!” zoo laat Vasco de Guerra zich hooren,—een groote man met ronde, vischachtige oogen en een langen knevel, met een enkele grijze vlok er in, die men algemeen beschouwt als een gevolg van zijn groote losbandigheid,—“ik verneem,dat onze tegenstander Floris een caricatuur van ons heeft geteekend.”“Diablo! Is het beleedigend?” roept Tomasito, de eenoogige, een kleine Spanjaard met een duivelachtigen aard, berucht zoowel om zijn wreedheid op het slagveld als om zijn uitspattingen in de feestzaal.“Neen,” zegt Mendez lachend, “hij heeft ons alleen maaronder de tafelgeschilderd.”“Sapristi!” grijnst de Italiaan Pisa. “Hij mag ons voor mijn part onder de tafelschilderen, maar hij kan ons toch niet onder de tafeldrinken!” Daarna roept hij: “Hei, jongen! Een nieuwe kan zwaren Rijnwijn. Ik moet mij oefenen voor morgen. Mariëtta komt van Brussel over om eer te bewijzen aan mijn drinktalent.” Dit gaat vergezeld van een blik van verstandhouding op zijn kameraden, die uitroepen: “Bravo! de gezondheid van Mariëtta, het zoetste lief uit Brussel!”Terwijl er nieuwe Rijnwijn wordt gebracht, roept Mendez uit: “Caramba! er zijn geen duiven meer in de pastei,” en trekt zijn mes terug, waarmee hij de voor hem staande pastei heeft onderzocht, zijn vingers, bij gebrek aan een servet, aflikkende. “Gij hebt ons maar zes duiven gegeven, kapitein Vasco.”“Het was alles, wat ik onder schot kon krijgen!” antwoordt De Guerra.“Gij zoudt duiven geschoten hebben?” spot De Rijk.“Zeker!—vandaag—hier!”“Bah! Uw hand beeft, Vasco, alsof gij de vijfhonderd gulden neerteldet, die wij tegen den schilder verwed hebben!” sart De la Noel.“Toch heb ik ze geschoten,” antwoordt Vasco,terwijl er een vreemde uitdrukking in zijn vischachtige oogen komt, “en ik doodde nietalleende zes duiven, maar ik zal ook—een ander dooden. Wij zullen een banket hebben, als ik de belooning krijg voor zijn hoofd!” Hij grijnst bij deze woorden, zoodat men zijn tanden kan zien.“Zijnhoofd?” roept er een.“De belooning van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman?” schreeuwt een ander, naar het plakkaat wijzende, wat Guy onwillekeurig naar zijn zwaard doet grijpen.“Bah!” lacht Vasco. “Denkt gij, dat ik mij op het zilte nat waag, om zeeziek te worden en mij door dien Engelschman den hals te laten afsnijden? Neen, ik kan mijn geld gemakkelijker verdienen; als ik mijn zevende duif schiet, zullen wij meer duivenpastei hebben en een feestgelag, dat ons niets kost.”Deze geheimzinnige belofte wordt begroet door een luid gelach en een gerinkinkel van bekers en kannen. “De Zes Drinkebroers van Brussel” houden al evenveel van duivenpastei als het zoontje van den barbier Jacques Touraine.Doch nu wordt Guy’s aandacht afgeleid van het drinkend zestal naast hem. De waard komt namelijk nederig buigend naar hem toe en zegt:“Senor capitan, uw bed is klaar, de lakens zijn schoon, niemand heeft er de laatste drie dagen in geslapen.”Chester volgt Van Oncle, die een waskaars draagt, naar een klein vertrek boven den stal, dat tenminste goed gelucht is, daar het verscheidene open vensters heeft, die niemand de moeite heeft genomen te sluiten.Een oogenblik later is hij feitelijk alleen—de eenige van zijn buren in de belendende kamertjes, die reeds thuis is, slaapt zijn roes uit, en de anderen moeten nog komen. Hij bergt zijn dingen van waarde op een veilige plaats en verbergt het zorgvuldigst, wat hij het kostbaarst acht—het miniatuur-portret van de dame, wier naam hij niet weet; maar wat hij wél weet is, dat hij haar met hart en ziel bemint; vervolgens onderzoekt hij zijn wapenen en gaat naar bed, vervuld met de gedachte aan zijn onbekende schoone, die hij eens heeft gekust, maar die hij heeft gezworen, weer te zullen kussen; daarna slaapt hij kalm in, in de stad zijner vijanden, onder de vlag van Spanje en Alva, terwijl in de kamer beneden, in de straten rondom hem en op de muren van elk wachthuis in Brabant en Vlaanderen biljetten zijn aangeplakt, waarbij drie duizend Carolus-guldens worden uitgeloofd voor het hoofd van den “Eerste der Engelschen”.HOOFDSTUK IV.DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD.De zon staat reeds hoog aan den hemel, als Guy de oogen opent. De storm van den vorigen avond is bedaard, en de zon schijnt vroolijk, als om den spot te drijven met de arme boeren en landlieden in de naburige polders, die nog altijd in wanhoop verkeeren over hun vee, dat verdrinkt, en over het water, dat nog altijd niet valt. Chester kan, onder het kleeden, zich eenigszins een denkbeeld maken van de aangerichte verwoesting; want zijn kamer ziet uit op de rivier, en daarin drijven nog steeds doode schapen, koeien en varkens, en zelfs lijken van menschen.Doch in de stad schijnt men zich daar weinig om te bekommeren. De storm heeft uitgewoed en nu maken de schepen zich gereed, om de Schelde af te zakken naar de Indiën en de Middellandsche zee; de kooplieden hebben hun waren in veiligheid gebracht; de handel van die dagen, zoo min als dievan heden, laat zich door den strijd van het menschdom ophouden.Het geraas en rumoer dringt door tot in Guy’s kamertje van de Schoenmarkt en Eierstraten. Al de gilden van Antwerpen zijn heden druk in de weer en zien er tevreden uit, behalve dat van de slagers; dezen toch hebben menigen vetten os verloren, die graasde op de uitgestrekte weiden aan den Kowensteinschen dijk.Daar het niet vroeg meer is, zijn de gasten, die de belendende kamertjes in gebruik hadden, reeds vertrokken. Guy, die, op zeemanswijze, halfgekleed te bed is gegaan, kan zich dus ongestoord verder aankleeden; alleen naast hem snorkt nog een dronkaard zijn roes uit.Vervolgens begeeft hij zich naar het waschhuis van het logement in de benedenverdieping, waar hij kort proces maakt en voor een stuiver een ongebruikten handdoek machtig wordt.Als hij zich heeft gewasschen, gaat Chester uit; hij voelt zich luchtig en opgewekt, niettegenstaande hem opnieuw het plakkaat onder de oogen komt, waarin men een prijs voor zijn hoofd uitlooft, en vervolgt haastig zijn weg door de vuile stegen van het lage gedeelte der stad naar de Wolstraat. Daar hij zich bij de familie Bodé Volckers tevergeefs om inlichtingen heeft aangemeld, en hij onderstelt, dat een herhaald bezoek hem niets verder zal brengen, besluit hij nogmaals naar den Franschen barbier te gaan, om te beproeven, of hij van dezen iets naders omtrent zijn huurder kan te weten komen. Want het is zaak, spoed te maken, daar een langer verblijf inde klauwen van zijn vijanden hem noodlottig kan worden; hij loopt toch ieder oogenblik gevaar, herkend te worden, want er houden zich altijd vele Vlaamsche handelaars uit Zeeland en Holland in de groote koopstad op, van wie eenigen den “Eerste der Engelschen” misschien van aanzien kennen en sommigen zeker niet te goed zouden zijn, om voor drie duizend Carolus-guldens alles ter wereld te verkoopen, zichzelven inbegrepen.Als hij het huis van Jacques Touraine bereikt, wacht hem daar een aangename verrassing. De woordenrijke kleine Franschman komt hem reeds tegemoet en roept uit: “Hij verlangt al naar u, ik heb hem verteld, dat gij naar hem hebt gevraagd!”“Hij—wie?” vraagt Guy.“Wel, de schilder Antony Oliver. Hij is van morgen uit Brussel gekomen. Hij verlangt even sterk naar u, als gij naar hem.”Maar de laatste woorden gaan verloren voor den Engelschman, die de twee steile trappen opsnelt naar het bovengedeelte van het huis, waar zich onder de dakpannen, tusschen de zwaluwnesten, de woonkamer, die tevens dienst doet als atelier, bevindt van Antonius Oliver, in de wandeling Antony genoemd, vervaardiger van geographische kaarten, heraut en bij wijlen tweeden secretaris van Alva, onderkoning der Nederlanden. Het inkomen van Antony is niet groot, zijn betrekking, al is het een post van vertrouwen, niet zeer hoog, ofschoon hij daardoor dikwijls in directe aanraking komt met den grooten Hertog. Want Oliver heeft er met al zijn vermogen naar gestreefd, het vertrouwen van zijn meester te winnen.Hij is geboortig uit Bergen, dicht bij de Fransche grenzen, en heeft gedeeltelijk Fransch, gedeeltelijk Vlaamsch bloed in de aderen. Op het oogenblik is hij bezig het stof der reis van zijn gezicht te wasschen; Chester vindt hem zonder zijn wambuis en met een handdoek in de hand, als hij, na te hebben aangeklopt, binnentreedt.“Ah!” roept hij, met een glimlach van vreugde op het gelaat, “ik ben blij u te zien, mijn vriend, mijn Guido.”“En ik niet minder, dat ik u thuis vind, Antony, mijn jongen,” antwoordt Guy, hartelijk zijn hand uitstekend. Want enkele weken van samen doorgestaan gevaar hebben tusschen deze twee mannen een hechten vriendschapsband geknoopt.“Ik ben blij u te zien,” vervolgt de Vlaming, “en toch ook weer niet.” Dan fluistert hij: “Gij weet van den prijs op uw hoofd?”“Ja, ik heb het gezien,” antwoordt Guy kortweg.“O, misschien in uw herberg?”“Neen, in de wachtkamer van de Citadel.”“Mon Dieu! Zijt gij dan gearresteerd en ondervraagd?” brengt de schilder angstig uit.“Neen, ik kwam er als cavalier van een hooggeplaatste dame!” lacht de Engelsche zeeman. “Daarvoor ben ik bevorderd tot kolonel bij Romero’s musketiers!”“Onmogelijk! Vertel mij uw avontuur!”“Natuurlijk,” zegt Guy, “hangt het samen met de zaak, die mij in Antwerpen brengt.”“Ja,” antwoordt de ander nadenkend, “die zaak moet wel hoogst belangrijk zijn, dat gij u weer zoo waagt.”“Het is als altijd voor mijn Koningin!” fluistert Guy; “is er niemand in de buurt?”“Neen, ik heb mijn leerling, Achille, uitgezonden met een verre boodschap, daar ik u verwachtte en u alleen wenschte te spreken.”“Welke verre boodschap?”“Ik zond hem uit om wijn, brood, kaas en vleeschop crediette koopen. Achille is een wakkere jongen, en als ik hem het geld had meegegeven, zou hij in een half uur terug zijn.” Vervolgens de deur grendelend en er een zwaar gordijn vóór schuivende, zegt Oliver: “Vertel mij nu alles.”“Kunt gij deze brieven ontcijferen, waaraan, naar ik vermoed, het welzijn, ja zelfs het leven van mijn Koningin hangt?” fluistert de Engelschman. En terwijl hij het pakje voor den dag haalt, dat hij den vorigen avond aan het lijk van den verdronken Italiaan heeft ontnomen, vertelt Guy den schilder zijn zonderling wedervaren. Zijn verhaal wordt afgebroken door uitroepen van verwondering en levendige belangstelling, zelfs nu en dan door een luid gelach van zijn Vlaamschen toehoorder.Als de Engelschman geëindigd heeft, neemt de schilder het woord.“Ei!” roept hij uit, de documenten nauwkeurig bekijkend, “hebt gij deze gevonden op het lijk van den secretaris Chiapin Vitelli?” Dan voegt hij er aan toe: “Ik ben een der weinige personen, die ze zou kunnen lezen. Zij zijn geschreven in het bijzondere cijferschrift, dat op het geheime correspondentiebureau van mijn meester, mijn weldoener, in gebruik is; van hem, die mij mijn jaargeld betaalt, den man, wiens handik kus,—den Hertog van Alva!” Er komt een vreemd licht in zijn oogen, als hij spreekt van zijn weldoener. “Het is heel gemakkelijk te ontcijferen, als gij den sleutel hebt, dien ik van buiten heb geleerd en in mijn hoofd heb—ik durf hem nergens anders bewaren.”“Deel mij dan den inhoud van deze brieven mee!”“Zeker,” zegt de artist. “Gij kunt u intusschen onledig houden met het bekijken van mijn schetsen.”Haastig begint hij aan zijn werk, terwijl Guy zijn tijd doorbrengt met het bezien van een aantal studiën in houtskool op doek en paneelen, blijkbaar het werk van den jongen Vlaming. Aan de eene zijde van het vertrek bevindt zich een marmeren plaat om verven te wrijven, waarop een aantal penseelen, een palet en eenige kleine blazen met grondverf, zooals de artisten in dien tijd gebruikten. Op een ezel staat het onvoltooide portret van een blondharig, blauwoogig Vlaamsch meisje, een werkelijke schoonheid, ofschoon van een iet of wat boersch type. Dit is geteekend in den trant der Venetiaansche school, op wat men toen noemde: een rooden grond. Op den achtergrond van het vertrek hangt een groot gordijn, dat een meer belangrijk werk schijnt te verbergen, het is tenminste even breed als de geheele muur der kamer.“Schuif het niet weg,” zegt de schilder opkijkende, als hij hoort, dat Guy het gordijn nadert. “Ik heb nog een aardige verrassing voor u in petto,” en ophoudende met lezen, kijkt hij den Engelschman snaaks aan. “Iets, wat u bijzonder zal interesseeren, naar ik meen; gij kondt het gelaat van de schooneuit de barge niet onderscheiden?” Want Guy heeft in zijn beschrijving van het avontuur van den vorigen nacht, met de aangeboren kieschheid van den edelman en den minnaar, opzettelijk geen woord gesproken over de ontmoeting in het huis van de gravin van Mansfeld met de dame, die hij bevrijdde.“Wat bedoelt gij?” vraagt Guy levendig. “Wacht een oogenblik,” en een half onderdrukte kreet van verbazing roept Guy aan de zijde van den schilder, die blijkbaar in hevige gemoedsbeweging is gebracht door het ontcijferen van het geheimschrift.Ongeduldig staat Guy daar te wachten op den uitslag van het onderzoek der documenten.Een oogenblik later kijkt Oliver op en zegt: “Ik kan u nu in hoofdzaak zeggen, wat de inhoud der brieven is.”“En wat behelzen zij dan?” vraagt Guy ongeduldig.“Het zijn twee brieven, geschreven door Chiapin Vitelli, Alva’s vertrouwde, en waarschijnlijk aan zijn secretaris gegeven—zoo groot is hun waarde—om ze persoonlijk te overhandigen aan een zekeren Ridolfi, een Italiaan, die bankier is in Londen.”“Ridolfi? Ja, ik heb wel van hem gehoord. Hij moet groote zaken doen met Italië; hij is goudsmid zoowel als bankier en woont op Cheapside,” zegt Guy. “Maar wat heeft hij er mee te maken?”“Wel, dit is blijkbaar één brief uit een reeks van brieven, van welke eenige beantwoord moeten zijn, waarin Alva onderhandelingen voert met Ridolfi, waarschijnlijk de agent van den hertog van Norfolk, den man, die plannen maakte voor een huwelijk met de Koningin van Schotland en die zich nu in Elizabethshanden bevindt—onderhandelingen, welke betrekking hebben op het vergiftigen der Koningin van Engeland.”“Mijn vorstin vergiftigen! Groote God!” brengt Guy met moeite uit. Een oogenblik later vervolgt hij, zich tot kalmte dwingend: “Ja, geruchten van dit of een dergelijk complot zijn reeds ter oore gekomen van Lord Burleigh, den eersten minister. Gij weet, dat ik, juist om dit nader te onderzoeken, hierheen ben gezonden, ofschoon verloochend door mijn Koningin, die voor het oogenblik schijnbaar met Alva vrede wenscht, maar die op haar beurt afrekening zal houden,—een Engelsche afrekening, dat kan ik u verzekeren,—met uw Spaanschen tyran!”“Dat weet ik. Daarom juist help ik u,” mompelt de schilder. “Op Elizabeth alleen is de hoop der Nederlanders gevestigd. Wij zijn verslagen en vernietigd te Jemmingen, de prins van Oranje, naar Duitschland gevlucht, leeft in ballingschap; Frankrijk wordt geheel in beslag genomen door zijn eigen zaken, Coligny en Condé kunnen ieder oogenblik slaags raken met de Ligue, en op hun bijstand valt dus niet te rekenen,—van Engeland alleen kan nog redding komen. Als zoodanig heb ik u verwelkomd als den ‘Eerste der Engelschen’, om de Nederlanders bij te staan. Gij zult niet delaatstezijn—ik weet het! Maar,”—en het gelaat van den schilder wordt bezield door een patriotisch vuur,—“wijzelven moeten ook handelen. Daarom heb ik mij veroordeeld, om te leven onder de vreeselijkste onrust, waarin iemand kan verkeeren,—een verraderin de naaste omgeving, in het bureau van den Spaanschen onderkoning, om Lodewijk van Nassau en Willem den Zwijger op de hoogte te kunnen houden van zijn plannen. Ontdekking staat gelijk met—nu, dat weet gij!”Hij lacht, maar het is een akelige lach, en hij vervolgt fluisterend: “Wat zou Alva, die menschen levend roostert, omdat zij op Vrijdag vleesch eten; die vrouwen onthoofdt, omdat zij haar eigen mannen een schuilplaats verleenen; die zijn troepen veroorlooft om te branden, te rooven en te plunderen; wat zou hij doen met een ontmaskerd spion in zijn eigen omgeving? Zijn er wel genoeg pijnbanken, duimschroeven en takkenbossen voor zoo iemand te vinden?” Hij huivert, doch voegt er daarna vastberaden bij: “Maar ik trotseer alles voor mijn vaderland!”“En ik voor het mijne,” antwoordt Guy. “Op mijn hoofd is een prijs gezet als zeeroover, maar ik waag het voor mijn Koningin. Elizabeth schenkt mij haar glimlachjes, als ik aan haar hof verschijn, noemt mij haar dapperen vrijbuiter en vertelt toch aan den ambassadeur van Philips van Spanje, dat ik hier voor mijn eigen rekening ben; zij verloochent mij, ofschoon zij weet, dat het om harentwille is, om haar leven te beschermen, om zulke verfoeilijke samenzweringen als deze te ontdekken, dat ik mijn leven waag! Buitendien,” vervolgt hij met een onheilspellende flikkering in zijn oogen, “houd ik niet van Spanjaarden.”“Persoonlijk,” merkt de Vlaamsche schilder op, “heb ik eenige zeer aangename menschen onder hen aangetroffen; ofschoon er in Alva’s leger een ontelbaaraantal schurken zijn. Maar het is voor mijn vaderland, dat ik een leven vol onrust leid, met het zwaard van Damocles steeds boven mijn hoofd.”Guy behoeft den schilder slechts aan te zien, om te weten, dat hij de waarheid spreekt. De man is klein van persoon en ziet er nietig uit, al is hij ook welgebouwd en vlug en veerkrachtig; maar hij heeft zachte, denkende oogen, bijzonder fijn gevormde, beweeglijke lippen en een hoog, schrander voorhoofd. Chester is er van overtuigd, dat Antony Oliver een moedig man is. En hij weet nu tevens, dat diens zenuwgestel is aangedaan door de vrees voor ontdekking, waarin hij aanhoudend verkeert.Toch komt hij rond voor zijn meening uit.“Ik haat iederen Spanjaard, edelman of boer, omdat ik een broeder heb, die in de gevangenis van de Inquisitie op Hispaniola zit.“Arme jongen!” mompelt de schilder met een lichte huivering. “Op Hispaniola! dat is een heel eind weg!”“Niet voor een Engelschen zeeman. Zeven jaren geleden zeilden Dick en ik, beiden vol jeugdig vuur, met kapitein Ned Lovell naar de Spaansche bezittingen en dreven daar handel met de Dons van Hispaniola en woonden daar, omdat wij katholiek waren, ongemoeid in de stad Haytien en verwierven rijkdommen. Toen keerde ik met onze klinkende munt naar mijn geliefd Engeland terug, Dick achterlatend, om de rest van onze koopwaren in goud om te zetten, en mij daarna te volgen. Een jaar verliep. Geen Dick, maar Hawkins bracht bij de thuiskomst van zijn derde reis het bericht mede, dat Dick verliefdwas geworden op een Spaansch meisje, dat zijn medeminnaars hem hadden aangeklaagd als een Engelschen ketter, en de—Inquisitie—” Hier begeeft hem de stem, er staan tranen in zijn oogen, ofschoon zij gloeien van een wild vuur. “Dat was voor mij genoeg, om de Spanjaarden te haten en mij ter beschikking van Koningin Elizabeth te stellen,” zegt Guy, na een pauze op somberen toon, “en als vrijbuiter in haar dienst, kwam ik ook in het bezit van dit miniatuur.”“Kunt gij mij ook zeggen,” vraagt hij plotseling, het miniatuurportret op ivoor, in diamanten gevat, te voorschijn halend, “wie de dame is, die hierop staat afgebeeld?”“Oho!” lacht de schilder met een ondeugende flikkering in zijn oogen. “Die vraag had ik verwacht, sinds gij mij verhaald hebt van de dame in de barge. Gaf zij u dit? Is zij ook getroffen door Cupido’s pijlen?”“Wat bedoelt gij daarmee?” bromt de Engelschman, terwijl hij verraderlijk bloost onder zijn verbrande huid.“Ik bedoel,” lacht Antony, “dat gij een man zijt, die tot over de ooren verliefd is. In uw verhaal over de gebeurtenissen van gisternacht werd telkens door u gewag gemaakt van de ‘godin in de barge’, de ‘schoone onbekende’, het ‘bevallige wezen in het nachtelijk donker’, de ‘feeachtige vormen, die de duisternis niet geheel kon verbergen’, de ‘stem zoo zoet als die van een engel’, uw gansche wijze van doen verried, dat zelfs de duisternis geen beletsel voor u geweest is, om verliefd te worden op de dame, die gij gered hebt uit de handen der Watergeuzen;en dat, ofschoon zij eigenlijk uw gevangene was, gij de hare waart. Ging het haar als u? Is zij ook verliefd, dat zij u haar portret gaf?”“Neen,” antwoordt Guy, “ik geloof, dat ik verliefd ben geweest op deze beeltenis, sinds ik die drie jaar geleden op zee veroverde.”Dit antwoord brengt den schilder geheel en al in verbazing. Hij mompelt: “Ik hield de Engelschen nooit voor een romantisch volk, maar gij leert mij, dat de Italianen slechts stumperds zijn, vergeleken met de eilandbewoners, waar het hartstocht betreft.Verliefd op een portret?”“Ja; het kwam in mijn handen onder vreemde omstandigheden,” antwoordt de Engelschman, een weinig gemelijk, want de artist spreekt op een schertsenden toon. “Op het eind van ’68 speelde ik tennis in Londen, toen de Koningin en haar eerste minister, Sir William Cecil, nu Lord Burleigh, mij lieten roepen. De schatkist der Koningin was leeg. Vijf Italiaansche schepen, die een leening van de Genueesche bankiers aan Alva overbrachten, ten bedrage van achthonderd duizend zilveren kronen, waren op weg naar Antwerpen—”“Ja,” valt de ander hem glimlachend in de rede, “ik weet het—het geld, waarmee de Hertog zijn troepen dacht te betalen—”“En waren in de haven van Southampton gedreven door kapers, afgezonden door den prins van Condé, die op den uitkijk had gestaan, om den schat te bemachtigen. De Spaansche ambassadeur had zich tot de Koningin gewend en schepen gevraagd ter bescherming. Daar men met Spanje in vrede verkeerde,moest men hem wel ter wille zijn, maar Elizabeths schatkist was leeg, en zij werd geplaagd door rekeningen van haar modiste en meer dergelijke vrouwenschulden en besloot dus, zich den schat toe te eigenen. Cecil had om mij gezonden, omdat hij wist, dat ik Spaansch sprak, en dacht dat ik de rechte man zou zijn, om dat zaakje te beredderen. Men had den Spaanschen gezant reeds verzocht, maatregelen te nemen voor het vervoer van den schat van Southampton naar Dover over land, waar zich schepen der Koningin ter bescherming zouden bevinden. Doch terwijl hij zijn toebereidselen maakte, ontving ik de volgende opdracht: ik moest naar Southampton gaan en den Franschen kapers tien duizend kronen aanbieden, als zij hun positie voor de haven niet verlieten, zoodat de Genueesche schepen niet durfden uitzeilen. Onderwijl won de Koningin inlichtingen in en vernam, dat het geld geleend was door Italiaansche kooplieden. ‘Als zij Alva kunnen leenen, kunnen zij het mij ook doen,’ dacht zij. Volgens de persoonlijke aanwijzingen van de Koningin van Engeland maakte ik mij meester van de achthonderd duizend zilveren kronen.”“En dat maakte Alva bijna razend! Ik zie hem nog voor mij,” lacht de schilder, “op den morgen, dat hij het bericht ontving, in blinde woede aan de beide punten van zijn baard rukkende. En van dat oogenblik af, heeft hij uw Koningin gehaat en u niet minder, die hem dwong, den Nederlanders zijn tienden penning op te leggen, om zijn troepen te kunnen betalen. Doch wat heeft de diefstal der Koningin van Engeland te maken met uw miniatuur-portret, zeg, vrijbuiter?”“Slechts dit,” antwoordt Guy. “Het eenige, wat ik van het Genueesche schip, toen ik het prijs maakte, voor mijzelven hield, was deze beeltenis. Te oordeelen naar de aanwijzing op het pakje, waarin het portret zich bevond, moest de dame, die het voorstelt, in de Nederlanden wonen. Hoogst aangenaam was mij dus de persoonlijke opdracht van Koningin Elizabeth, om naar hier over te steken en in haar belang zeeroover te worden; wel wist ik, dat ik daardoor mijn leven in de waagschaal stelde, maar ik wist ook, dat het mijn eenige kans was, om ooit in werkelijkheid het gelaat te aanschouwen, dat ik heb liefgehad van dien dag tot op heden. Noemt gij dat romantisme? Mij goed! Maar zeg nu, wie zij is.”“Wel,” antwoordt de schilder, “mag ik u als antwoord een ander portret laten zien?”“Van wien? Wat geef ik om portretten, behalve dit eene? Gij kunstenaars denkt altijd aan kunst—ik denk aan vleesch en bloed, die winnen het van kunst.”“Winnen zij het ook van dit?” lacht Oliver, en het gordijn op den achtergrond wegtrekkend, onthult hij een kolossaal altaarstuk, onafgewerkt behalve de hoofdfiguur, de Madonna. Guy is een en al verbazing, want het is de beeltenis van de vrouw, wier lippen hij den nacht tevoren heeft gekust, wier miniatuur-portret hij in de hand houdt; beurtelings staart hij nu van dit naar het prachtige altaarstuk, op de figuur van de Moeder Gods. Het moet een werk zijn, dat door de liefde geïnspireerd is.De Engelschman wordt vuurrood, daarna doodsbleek,en mompelt: “Gij bemint haar dus ook!” terwijl hij zijn vermeenden medeminnaar afgunstig aanziet.“Neen,” antwoordt Antony, “ik bemin de dame niet, al bemin ik mijn schilderij. Gij behoeft niet jaloersch te zijn, mijn waarde Engelschman, de vrouw, die ik bemin, is veel meer dan deze een wezen van vleesch en bloed—juffer Wilhelmina, dochter van den oud-burgemeester Bodé Volckers. Haar blonde beeltenis staat op dien ezel. Ik aarzel niet u mijn geheim toe te vertrouwen, zooals gij mij het uwe deedt. Maardit,” hij kijkt teeder naar het doek, “is een werk van liefde, liefde voor mijn kunst. Hierop heb ik al mijn hoop gebouwd, om een naam in de wereld achter te laten. Als ik mijn altaarstuk kan voltooien, eer de tijd komt, dat de hand, die mij bedreigt, mij in haar ijzeren greep vermorzelt, hoop ik in de herinnering te blijven voortleven—niet als de patriot, maar als de kunstenaar!”“En, bij den hemel! dat zult gij,” roept Guy uit, die natuurlijk niets liever wenscht, dan aan de beeltenis van de vrouw, die hij liefheeft, een onvergankelijken roem beschoren te zien, “want gij hebt niet alleen een Madonna geschilderd, maar een godin, waardig de Moeder Gods te zijn.” Hier maakt hij eerbiedig het teeken des kruises en beschouwt opnieuw het schilderstuk, dat zijn bewondering voorzeker ten volle verdient, niet alleen om de liefelijkheid van het model, maar ook om de oorspronkelijkheid van opvatting en den rijkdom van koloriet.In tegenstelling met het schilderstuk op den ezel, is dit altaarstuk geschetst op een parelgrijzen achtergrond,de Madonna is de eenige afgewerkte figuur, de beeltenis van Guy’s beminde.Het meisje staat daar in maagdelijke schoonheid; haar blanke, blauwgeaderde voeten rusten licht als die eener fee op een regenboog van het zachtste zonlicht; de lijnen van haar lichaam bezitten reeds de schoonheid der vrouw, maar zijn nog maagdelijk bevallig en teer; zij is gehuld in een eng sluitend wit gewaad, waarover een lange azuren mantel hangt. Op den blanken hals rust het gelaat van ongemeene schoonheid, welks zachte en toch schitterende oogen, koraalroode lippen, wangen, waarop rozen en leliën bloeien, Guy’s hart ook nu weer zoo onstuimig doen kloppen.Het geheel, vergoddelijkt door de groote ziel, die uit het aanminnig gelaat straalt, verlicht door zonnestralen en vol van die wonderschoone effecten van gouden licht en diepe, warme schaduwen, eigen aan de school van den Venetiaan Tintoretto, is wel geschikt om Guy halfgek van opgewondenheid te maken; want het is het levend, sprekend portret van de vrouw, die hij liefheeft, maar toch weer niet geheel en al aan haar gelijk.Want het schilderij geeft haar wisselende schoonheid slechts op een enkel moment te aanschouwen, en den vorigen nacht heeft hij telkens, als hij haar veranderlijke, beweeglijke, maar altijd edele trekken beschouwde, een verschillenden indruk van haar gekregen, heeft hij telkens een nieuwe bekoring in haar ontdekt.Hij roept ongeduldig den schilder toe: “Gij beantwoordt mijn vraag niet. Gij laat mij alleen ietszien, dat mijn verlangen, om haar naam te vernemen, nog meer moet prikkelen. Zeg mij, wie zij is!”Het antwoord, dat volgt, doet hem ontstellen en ontstemt hem tevens. “Zij is,” zegt Oliver langzaam, “het eenige wezen op aarde, dat Alva liefheeft!”“Neen, neen, dat wil ik niet gelooven,” brengt Chester met moeite uit.“Gij moet! Zij is het eenige wezen, dat hij aanbidt, het eenige wezen, dat de onderkoning van Spanje ooit met een liefkoozenden naam toespreekt.”“Ik kan u niet gelooven,” roept de Engelschman uit, zijn handen als in doodsangst wringend. “Zij is te rein, om de beminde te zijn van wien ook en het allerminst van dien duivel.”“Zij is niet te rein,” zegt de schilder langzaam, “om zijn dochter te zijn.”“Zijndochter?! Alle heiligen in den hemel!”“Ja, Hermoine de Alva is de dochter van den Hertog. Haar moeder, de gravin De Perugia, een Italiaansche dame van groote schoonheid, stierf vier jaren geleden. Sedert dien tijd heeft de Hertog Dona Hermoine bij zich genomen. Zij is de reinste, liefelijkste, edelste bloem, die Spanje ooit naar de Nederlanden heeft gezonden. Zij bezit even groote geestesgaven als haar vader, doch haar hart is even teeder als het zijne wreed is. Toch is zij de dochter van Alva en daarom, mijn Engelschman, vrees ik, dat uw liefde hopeloos is! Neem u in acht! Uw broeder beminde een Spaansch meisje!”Guy antwoordt hierop niets. Hij is diep doordrongen van de waarheid der laatste vernietigende opmerking van den schilder. Doch weldra komt deEngelsche onversaagdheid weer bij hem boven en hij roept uit:“Bij den hemel! Welk een triumf, om datgene, wat hij het meest liefheeft, aan Alva te ontrooven, om zijn eigen dochter, die hem dierbaarder is dan iets anders ter wereld, tot de bruid te maken, de geëerde en gevierde bruid van den man, op wiens hoofd hij drie duizend Carolus-guldens heeft gezet,—den vrijbuiter,—den ‘Eerste der Engelschen’!” en hij barst uit in een spottenden, triumfeerenden, maar hartelijken lach.
HOOFDSTUK III.DE ZES DRINKEBROERS VAN BRUSSEL.Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift, komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform, met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman zegt op levendigen toon: “Ik ben de officier, die is aangewezen, om u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon’s busschutters.”“En ik,” antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande, zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, “en ik neem wederkeerig de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero’s musketiers.”“Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg,” merkt de vaandrig op, als zij samen het huis verlaten. “Gij zijt zeker naar Antwerpen gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is eenonmogelijk doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden,” voegt de knaap er trotsch en blufferig bij.“Diablo! Gij zijt een vechtersbaas,” meesmuilt Guy.”’t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen,” antwoordt de vaandrig. “Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te danken aan Alva’s veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het,” zegt het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan, op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde.Met zijn oogen de aangewezen richting volgend, kan Chester het voetstuk zien van het groote standbeeld, vervaardigd van de te Jemmingen buit gemaakte kanonnen, dat de overheerscher en de verdrukker der Nederlanden bezig is op te richten tot zijn eigen verheerlijking en glorie, zeer tegen den zin van Philips van Spanje, die naijverig is op zijn generaals en altijd vreest, dat zij al te beroemd zullen worden.“Jake Yongling heeft een groot afbeeldsel van den Hertog gemaakt. Het is zestien voet hoog en met het voetstuk bijna dertig. Daar is de laatste van zijn armen!” vervolgt de jongensachtige krijgsman, eenoneerbiedigen schop gevend tegen dit onderdeel van de ijzeren beeltenis van zijn generaal, dat op den grond ligt. Daarna fluistert hij geheimzinnig: “Men zegt, dat het standbeeld een geheim verbergt. Wat doet de Hertog met den tienden penning; waar laat hij dat geld?”Thans komen zij weldra op den grooten militairen straatweg, eindigend bij de ophaalbrug over de gracht, die toegang geeft tot de Esplanade der stad. Boven de massieve poort is een schild gebeiteld, waarop een koninklijk kasteel met drie torens; op elken toren een raaf, en elke toren bewaakt door een wolf—het wapen van Alva; daaronder de keten van het Gulden Vlies, waaraan, als ter bespotting van dit land, dat veroverd is door bloed en vuur, een voorstelling hangt van het Lam Gods. Dit alles kan Guy gemakkelijk onderscheiden bij het licht der brandende toortsen, waarvan eenige door de wachten worden vastgehouden en andere bevestigd zijn in de nissen van den muur.De militaire voorschriften eischen, dat Guy’s geleider rapport doet aan den officier van den dag.Te dien einde treden zij een wachtkamer binnen, helder verlicht door een dozijn brandende kaarsen, en terwijl de jonge vaandrig zijn rapport doet en de order ontvangt voor het neerlaten van de ophaalbrug, kijkt Chester voor tijdverdrijf naar de menigte militaire plakkaten aan den vuilen muur; eensklaps valt zijn oog op één er van, dat, hoe sterk zijn zenuwen anders ook zijn, hem een rilling aanjaagt, want het luidt aldus:UITGELOOFD!Drie duizend Carolus-guldens.Nademaal zekere Engelschman, genaamdGuy Stanhope Chester, en nog beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als deEerste der Engelschen, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres, koningin Elizabeth van Engeland, op den 21stenMaart van het jaar 1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoenSanta Cruzen sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene, die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij verklaren. Op last vanALVA,Onderkoning.JUAN DE VARGAS,President van den Raad van Beroerten.Dit is aangeplakt tusschen verschillende militaire orders, betrekking hebbende op de Citadel, en een paar andere bevelschriften tot het aanhouden van oproerlingen of het opleggen van belastingen. Na de eerste ontsteltenis kan Guy het plakkaat kalm lezen en hij krijgt een gevoel van verlichting, als hij bemerkt, dat de beschrijving van zijn persoon, die bij de afkondiging is gevoegd, in vele bijzonderheden onjuist is.“Al klaar, kapitein Guido! Ik heb de order gekregen!” zegt de jonge vaandrig, hem op den schouder kloppend. Daarna vervolgt hij: “Ah! gij waart bezig het plakkaat tegen den ‘Eerste der Engelschen’ te lezen,” en onder het heengaan vervolgt hij levendig: “Drie duizend Carolus-guldens! Dat zou een aardig extraatje bij mijn soldij zijn! Kon ik hem maar te pakken krijgen! Drie duizend gulden! Wij zouden een festijn aanrichten, niet waar, senor capitan, betaald met het hoofd van den zeeroover!”Hier wordt de jonge Spanjaard gestuit in zijn ontboezeming, want de schildwacht vraagt hem het contrasigne, en als hij dat gegeven heeft, gaat hij met zijn metgezel door de poort, nadat de ophaalbrug is neergelaten. Daarmee is niet veel tijd gemoeid, want een sterk detachement van het garnizoen is onder de wapenen, en een gedeelte der troepen is juist uitgerukt om de wachtposten in de stad te versterken en zooveel mogelijk hulp te verleenen bij het beschermen der eigendommen van het gouvernement, die op de werven en de kaden van Antwerpen in gevaar verkeeren door het getij, dat nog onophoudelijk wast; de stad is dan ook nog verlicht en de alarmklokken luiden voortdurend.“Hier moet ik u verlaten,” zegt De Busaco, nadat zij de ophaalbrug zijn overgegaan en de laatste schildwachten gepasseerd zijn. “In welke herberg wilt gij uw intrek nemen? InDe Roode Leeuw? Die heeft, dunkt mij, den besten wijn.”“Neen,” antwoordt Guy, want hij heeft hier reeds over nagedacht; “ik ga naarHet Geschilderde Huis. Het is daar rustiger.”“Zoo?” lacht de jonge man. “Dus gij weet niet, wat daar morgen zal gebeuren? Par Dios! de helft van de burgers van Antwerpen zullen daar komen, om het te zien, en ook tal van officieren van het garnizoen. Gij hebt het nieuws niet gehoord? De groote schilder, de Raphael der Nederlanden, Frans Floris, heeft de uitdaging aangenomen van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, om ze allen op één avond onder de tafel te drinken. Sapristi! naar wat men van hem vertelt, geloof ik zeker, dat hij het ook zal doen. Ik ben van plan er ook naar te gaan kijken; ik hoop u daar te ontmoeten!”“Zeer goed, kom vooral en drink een roemer wijn met mij!” zegt Chester, die meent, dat gezien te worden met een Spaanschen officier een soort van paspoort voor hem zal zijn, in een stad, waar men een prijs op zijn hoofd heeft gezet. Hierop zegt de jonge De Busaco,—want de twee hebben onder weg heel joviaal samen gebabbeld en zijn reeds goede kameraden geworden: “Uw weg ligt recht vóór u, de Esplanade dwars over naar de Bagijnenstraat,” en hij keert met een vriendelijken groet naar de Citadel terug.Een oogenblik denkt de Engelschman er aan, hem terug te roepen, om hem een vraag te doen, die hem voortdurend op de lippen heeft gezweefd, sinds hij haar heeft verlaten. Maar hij komt daarvan terug. “Neen—om aan een officier, dien zij mij als geleide heeft meegegeven, den naam en stand te vragen van mijn—mijn beminde—” hij herhaalt welbehaaglijk dat woord eenige keeren in zijn geest—“zou te gevaarlijk zijn. Ik allereerst diendede dame te kennen, die ik naar Antwerpen heb gebracht.”Hij steekt dus de Esplanade over, die vrij is gehouden van boomen en van alles wat verder een belemmering kon zijn voor het vuur van de Spaansche Citadel, die deze Vlaamsche stad beheerscht. En nog altijd geheel vervuld met de gedachte aan zijn schoone, mompelt hij: “Die schilder zal mij kunnen zeggen, wie zij is, hij weet het,” en hij versnelt zijn pas.Een oogenblik later bevindt de Engelschman zich aan den ingang van de Bagijnenstraat, die tot in het hart der stad voert. Hij klapt eenige malen in zijn handen en roept: “Heidaar, jongen! Hier met de toorts. Licht mij voor!” wat weldra een dreumes van een straatjongen tot hem brengt, die een brandende fakkel draagt.“Waarheen, Uwe Edelheid?” vraagt de jongen, want Guy’s manieren en uiterlijk zijn die van een man van geboorte.“Naar de Wolstraat! Het huis van Jacques Touraine.”“O! De wondheeler en barbier,” antwoordt de jongen. “Ik ken zijn uithangbord.”Zij loopen nu—de jongen vóór den Engelschman uitdravende, die vlug voortstapt—de Bagijnenstraat door, waar thans wegens den storm lantarens branden, die aan de gevels der huizen hangen, en gaan voorbij de grootsche kerk van Onze Lieve Vrouwe van Antwerpen, nu bekend als de kathedraal Notre Dame, welker klokkenspel ieder kwartier zijn zilveren geluid doet hooren. Vervolgensduiken zij weg in den doolhof van nauwe straten, vol middeneeuwsch vuil, dat haar zelfs nu nog verontreinigt, om het noordelijk einde van de stad te bereiken.Na zich eenige minuten met moeite een weg te hebben gebaand door deze nauwe stegen, houden zij stil bij een groot uithangbord, geschilderd met roode, blauwe en witte strepen, dat als onderscheidingsteeken dient van het huis van monsieur Jacques Touraine, den kleinen Franschen wondheeler, artsenijmenger, chirurgijn en barbier.Hoe laat het ook reeds is, toch behoeven zij hem niet op te kloppen en te wekken, want deze heer staat voor zijn deur, op zijn Fransche manier levendig sprekend met eenigen zijner buren. Hij houdt een klein kind van ongeveer zeven jaar bij de hand en zegt zenuwachtig: “Mon Dieu! Als de vloed eens tot hier kwam!”“Drommels!” antwoordt een van de anderen, “de duivel zelf zou den vloed dezen heuvel niet op kunnen stuwen! Het teeken van den grooten vloed van 1300 is nog vijftig voet beneden ons.” Hij lacht verachtelijk en spot: “Wat zijt gij Franschen toch bang voor water!”De mannen in hun gesprek storend, wenkt Guy den barbier tot zich en vraagt hem: “Is de schilder, die bij u woont, Antony Oliver, thuis?”Het antwoord is ontmoedigend: “Neen, hij is in Brussel.”“Zoo!” bromt Guy half binnensmonds, blijkbaar zeer teleurgesteld, want enkel om dezen Oliver te spreken, heeft hij zooveel gevaren getrotseerd, enhij durft niet lang in Antwerpen blijven. Dan vraagt hij eenigszins angstig: “Weet gij, wanneer hij denkt terug te komen?”“Morgen. Hij komt met zijn heer, den hertog van Alva. Hij is heraut en onder-secretaris van den Onderkoning.”“Ja!” roept het kereltje uit, “ik ben er zoo blij om; als monsieur Oliver komt, krijgen wij altijd duivenpastei. Ik houd zooveel van duivenpastei—gij ook?”“Nu, of ik!” lacht Guy, gerustgesteld door het bericht, dat de schilder spoedig terug wordt verwacht.“Dan hoop ik, dat gij monsieur Oliver niet zult vragen om mijn portie van de duivenpastei,” snapt het kind voort; “maar misschien krijgen wij er in het geheel geen—een man heeft vandaag zooveel duiven weggehaald.”“Daar is een stuiver voor je, om duivenpastei voor te koopen, mijn kleine baas,” lacht Chester, terwijl hij het kind een geldstukje geeft. Vervolgens wendt hij zich tot den vader en vraagt: “Zijt gij zeker van hetgeen gij mij gezegd hebt?”“Ik geloof het wel. Maar gij kunt het nog nader onderzoeken bij zijn beste vrienden, de familie Bodé Volckers. Daar is het zeker bekend. Het is een hupsche man, die Oliver, en een groot schilder—tenminste, hij houdt zichzelf voor een groot schilder. Hij heeft mijn zoon Achille als leerling—mijn jongste is de kleine Marvédie, die zoo verzot is op duivenpastei,” babbelt de Franschman, die blijkbaar van zijn angst voor den vloed is bevrijd en wienshart Guy heeft gestolen door zijn gift aan het kind. Dan vraagt hij eensklaps: “Heb ik u niet reeds eerder gezien? Mij dunkt, gij hebt monsieur Antony zes maanden geleden ook reeds bezocht.”“Ja,” antwoordt de Engelschman kortaf, en om verdere vragen te voorkomen: “Kunt gij mij zeggen, waar de familie Bodé Volckers woont?”“Och, iedereen weet dat; hij is onze oud-burgemeester, de vorst-koopman van Antwerpen, Niklaas Bodé Volckers, die op de Place de Meir woont.”“O, de Place de Meir, dank u, senor,” antwoordt Guy, en den toortsjongen terugroepend, zegt hij: “Bodé Volckers!”“Dat is twee stuivers meer,” zegt de knaap; iemand, denkt hij, die een burgemeester gaat opzoeken, kaa ook wel twee stuivers meer geven.“Vier, als gij er mij spoedig brengt.”“Vier? Pots dit en dat! gij moet een graaf zijn,” roept het kind in verrukking uit, en opnieuw voor Guy uitdravende, geleidt hij hem, weer langs de kathedraal, naar de prachtige woning, waar de oude Bodé Volckers, de vorst-koopman uit die dagen, wiens koopvaardijschepen naar de Indiën, de Oostzee en de Middellandsche zee zeilen, woont, in groote praal en pracht, maar ondanks dat alles slechts een koopman, handelaar en burger blijft; in de oogen der trotsche edellieden van dien tijd niets meer beteekenende dan het stof der aarde—tenzij zij zijn geld wenschen te leenen. Maar zooals het altijd gaat, groot financieel succes roept maatschappelijke eerzucht wakker. De familie van Niklaas Bodé Volckers klopt nu aan de deuren van de aristocratie.Dit wordt Guy ook gewaar, als hij de woning van den koopman heeft bereikt.Het huis is imposant gebouwd, van gehouwen steen, met een ruim binnenplein; de hoofdingang is zoo breed en hoog, dat een rijtuig er met gemak door kan; het huis is overal verlicht, het eene gedeelte echter nog helderder dan het andere. Daar bevindt zich blijkbaar de kantoor- en monsterkamer van den heer Niklaas Bodé Volckers. Door de openstaande deuren gaan eenige klerken en lastdragers in en uit, en groote goederenwagens komen aanrijden, beladen met zijden en satijnen stoffen, die van de overstroomde kaden in veiligheid worden gebracht. Iedereen schijnt druk in de weer te zijn.“Ik moet mijnheer Bodé Volckers een oogenblik spreken,” zegt Guy tot een hem voorbij spoedenden bediende.“Moet gij mijnheer Bodé Volckers van nacht spreken?” herhaalt de knaap ten hoogste verbaasd; “nu, terwijl zijn pakhuizen zijn ondergeloopen?”“Ik moet hem spreken. Hoort gij mij, knaap? Vlug wat!” roept Chester ongeduldig, want daar hij edelman is, is hij gewoon om kooplieden, burgers, handelaars, enzoovoort te bevelen.“Dat is onmogelijk, tenzij gij naar de kaden gaat,” antwoordt de leerling. “Mijnheer Bodé Volckers houdt daar het toezicht op het vervoer van de goederen, die gevaar loopen te bederven in zijn groot pakhuis op de Engelsche kade.”Teleurgesteld maakt onze held rechtsomkeert en begeeft zich naar den hoofdingang van het huis, waar hij een woordenrijk dienstmeisje vindt, in gesprekmet een man, die naar alle waarschijnlijkheid de koetsier is van de familie, want de paarden en de equipage staan vóór het huis te wachten. Zij schijnen het te hebben over de overstrooming in de stad, daar het meisje zichzelve telkens in de rede valt met opgewonden uit te roepen: “Die arme menschen!” en: “Goede hemel!”Daar de vensters in den voorgevel van het huis eveneens verlicht zijn, wendt Guy zich aanstonds tot het meisje, zeggende: “Zou ik ook even iemand van de familie van den heer Niklaas Bodé Volckers kunnen spreken?”“Ik weet het niet,” is het antwoord. “Als mijnheer maar binnen wil gaan, dan zal ik het vragen.”Zij maakt tegelijk een eerbiedige dienaresse, want Guy stopt haar een zilverstuk in de hand. Zijn optreden is gebiedend, zijn voorkomen aristocratisch, zijn hand mild, en het meisje is dus gaarne bereid, hem van dienst te zijn; zij leidt hem naar een groot, gewelfd vertrek, bekleed met Spaansch leder, welks stoffeering van weelde getuigt, ja zelfs van pracht; de vloer is met kleeden en tapijten belegd en sommige stukken van het ameublement zijn ingevoerd uit Italië, Spanje en zelfs uit Turkije, en men heeft er zelfs kleedjes, vervaardigd op de weefgetouwen van Ispahan en Bokhara. Het vertrek is verlicht door een mooie kroon vol brandende waskaarsen. Uit deze kamer leidt een gesneden eikenhouten trap naar de bovenvertrekken van het huis.“Wiarda Schwartz!” roept het meisje, in haar handen klappend. “Wiarda!” Daar zij geen antwoord krijgt, zegt zij: “Ik ben dadelijk terug,” en de trapvlug oploopend, komt zij een oogenblik later weer naar beneden, gevolgd door een aardig, donkeroogig kameniertje, wier kleeding verraadt, dat zij de lieveling van haar meesteres is, en wier korte gesteven rokjes en hooge Friesche muts haar doen kennen als een behaagziek ding.In antwoord op haar min of meer nonchalante neiging, zegt Chester: “Ik ben kapitein Guido Amati van Romero’s voetvolk. Kan ik vrouw Bodé Volckers een oogenblik spreken?”“Niet, tenzij gij naar de andere wereld gaat,” antwoordt het dametje vrijpostig. “Vrouw Bodé Volckers is al drie jaren dood.”“Dan zou ik nog verder moeten loopen dan naar de pakhuizen van haar weduwnaar,” herneemt Guy glimlachend. Daarna vraagt hij: “Kan ik dan de meesteres van het huis spreken?”“O, gij bedoelt freule Wilhelmina Bodé Volckers,” zegt het meisje, en een hooge borst zettend, voegt zij er bij: “Freule Wilhelmina Bodé Volckers is heden op het feest van de gravin van Mansfeld.”Chester herinnert zich, hoe minachtend de lakei van de gravin van Mansfeld zich heeft uitgelaten over de dochter van den oud-burgemeester, die tot vermaak van het gezelschap danst in de kostbaarste zijden stoffen van haar vader, en het kost hem moeite, een glimlach te onderdrukken. Daar hij er echter te veel belang bij heeft, om de gewenschte inlichting te krijgen, herneemt hij: “Misschien kunt gij dan deze vraag beantwoorden: weet gij ook wanneer Antony Oliver, de heraut van den hertog van Alva, uit Brussel terugkomt?”Maar dit doet kapitein Guido Amati in de achting van juffer Wiarda Schwartz aanmerkelijk dalen. Zij zegt met onbeschaamde gemeenzaamheid: “Ik? Wel neen! Die kladschilder, die bedelaar! Ik weet niets van hem. Ik dacht, dat mijnheer de kapitein zijn kennissen had onder den adel!”Nu Guy het huis even wijs verlaat, als hij het is binnengegaan, ziet hij nog, dat juffer Schwartz haar neusje in de lucht steekt en met haar klein voetje, met een roode kous en een nuffig schoentje bekleed, spottend op den grond stampt.“Er schiet mij niets over, dan kalm af te wachten en tot morgen te slapen. Ik heb daar ook wel behoefte aan,” overlegt de Engelschman bij zichzelven. “God alleen weet, wat de dag van morgen mij zal brengen.”Hij roept opnieuw den toortsjongen, die blijkbaar opzettelijk in de buurt is gebleven, in de hoop, dat Guy’s bezoek aan de familie Bodé Volckers van korten duur zal zijn, en gelast dezen, hem te brengen naar de herbergHet Geschilderde Huis, die beroemd is om haar wijn en bier en aan de Schoenmarkt ligt, tegenover de Place de Meir. Zij is slechts een paar stappen van de woning van den koopman verwijderd, en niet moeilijk te vinden, zooals Guy opmerkt, als hij haar nadert, daar zij haar naam draagt naar de hooge, geschilderde gevels.In de benedenvertrekken brandt overal licht; onder den luifel, versierd met dennetakken en verlicht door heen en weer schommelende lampen, staan tafels en stoelen, waaraan verscheidene gegoede burgers hebben plaats genomen, eenige Spaansche officieren en eenhalf dozijn reizigers. Hoe laat het ook reeds moge zijn, toch dringt het geluid van een drinkgelag nog uit het groote binnenvertrek naar buiten.Hij wordt aan de deur verwelkomd door den waard, den onderdanig buigenden Herman van Oncle, die bezig is een fortuin te verdienen met zijn beroemde soupers en bruiloftpartijen, want dit is in de stad het huis voor feestelijkheden bij uitnemendheid.De Roode Leeuwmag aristocratischer zijn, wat den wijn en het bier betreft, in het regelen van schitterende trouwpartijen, die drie dagen duren, staatHet Geschilderde Huisin Antwerpen verreweg het gunstigst bekend.“Welkom inHet Geschilderde Huis!” roept de spraakzame herbergier uit. “Welkom, senor—kolonel!”“Neen, kapitein,” zegt Guy.“Welkom is hier iedereen, die in dienst van den Staat is, civiel of militair.”“Ik zou gaarne een kamer met een bed willen hebben.”“Onmogelijk!”“Onmogelijk?!”“Ja; alles is bezet.”“Gij moet mij toch een hokje geven.”“Nu, als gij daar genoegen mee wilt nemen, dan een hokje boven den stal. Mijn huis is geheel vol—gij hebt het nieuws toch zeker gehoord? Morgen heeft hier het groote drinkgelag plaats tusschen onzen beroemden artist Frans Floris, en ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’. Men is van alle naburige plaatsen toegestroomd om het te zien. Er is zelfseen deputatie uit Brussel aangekomen. Men spreekt er van, dat de Hertog in eigen persoon morgen wil komen. Misschien wil hij mij de eer bewijzen—misschien is hij van plan te komen, om het grootste drinkgelag bij te wonen, dat ooit heeft plaats gehad in Vlaanderen, Brabant of Holland! Ik zal niet minder dan twintig vaten Rijnwijn moeten aansteken.”“Twintig vaten voor zes drinkebroers?” lacht Chester.“Wel neen—maar de gansche stad zal hier komen, de gansche stad zal ook dronken zijn!”“Ik wenschte, dat de stad wat kalmer was,” zegt Guy, die vreest, dat hij niet veel zal slapen, te oordeelen naar het feestrumoer, dat tot hem komt uit het binnenvertrek.“St!” fluistert de kastelein zenuwachtig, als zij binnentreden. “Stoor hen niet. Het zijn,” en hierbij spalkt hij vol bewondering zijn oogen open, “het zijn ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, die hun avondeten gebruiken!”“Het schijnt, dat ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’,”zegt Guy, op wien die klinkende titel geen indruk maakt, “zich weinig sparen voor morgen. Zij zijn nu al aardig aan den gang.”“Ja, dat is juist het mooie van de zaak,” zegt de waard, zich in de handen wrijvend. “Daarom worden zij juist drinkebroers genoemd; niemand en niets is in staat, hen ooit dronken te maken. Zij hebben ieder reeds acht pinten wijn gedronken en beginnen nog pas. Zij hebben een duivenpastei voor zich staan. Ik heb die eigenhandig gemaakt van vogels, mij door senor Vasco de Guerra zelf verschaft. Hij is de opperstevan de zes drinkebroers, ofschoon de weddenschappen nog altijd twee tegen één staan ten gunste van onzen Nederlandschen schilder, den grootsten kunstenaar van onzen tijd—den Raphael van deze lage landen, onze eer, onzen roem, onzen schuldenaar (want hij staat bij mij voor vier duizend Carolus guldens in het krijt), maar toch de trots van Antwerpen! Wilt gij niet het een en ander gebruiken, senor capitan, eer gij uw slaapplaats boven den stal opzoekt?”“Ja, een halve pint wijn zal voor mij wel genoeg zijn,” zegt Guy. “Maar, gij zijt immers beroemd om uw bier—laat mij daarvan dus liever een kan nemen,” gaat hij voort, als een echt Engelschman zijn nationaal brouwsel getrouw blijvend.“Het beste in geheel Vlaanderen. En dan hebben wij ook nog mout uit Londen.”“Juist, dát is het ware!” roept Guy uit, zijn rol van Spanjaard vergetend. “Breng mij Engelsche mout!” En dan, zijn onvoorzichtigheid bemerkend, voegt hij er aan toe: “Ik heb den geheelen dag reeds Rijnwijn gedronken.”Als de waard vertrokken is, trekt hij, in afwachting van zijn maaltijd, figuren met zijn voet in het witte zand, waarmee de vloer is bestrooid en leest onder andere aanplakbiljetten aan de muren van de gelagkamer, de aankondiging van het groote drinkgelag tusschen Frans de Vriendt, bijgenaamd Floris, en de zes grootste drinkebroers van Brussel. En naast die aankondiging hangt Alva’s edelmoedig aanbod van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman.Weldra brengt men hem het verlangde, en hijneemt plaats aan een tafeltje naast dat van de zes kampioenen van Brussel. Onwillekeurig begint hij belang in hen te stellen, want het zijn zes van de merkwaardigste typen, die hij ooit heeft gezien.Hun namen vangt hij successievelijk op uit hun gesprek.Vasco de Guerra, blijkbaar de aanvoerder van de club, Tomasito, een vaandrig van De Billy’s Walen, die door de anderen den eenoogige wordt genoemd, omdat hij een oog heeft verloren bij Aremberg’s nederlaag, en Pablo Mendez, zijn alle drie Spaansche officieren, die zich, zooals men uit hun gesprekken kan opmaken, houden voor edellieden van rang en aanzien. De overige drie kampioenen treden meer bescheiden op, behalve in het drinken; daarin doen zij niet voor de anderen onder. Twee van hen worden aangesproken als Alphanse de la Noel en Conrad de Rijk, beiden Nederlanders, de een uit Brabant, de andere uit Holland; de laatste van het zestal is een gluiperige kleine Italiaan, Guisseppi Pisa geheeten, een koopman in parfumerieën en andere toiletartikelen, uit de hoofdstad.Daar Guy onder het nuttigen van zijn maal en het drinken van zijn bier niets beters heeft te doen, luistert hij verstrooid en slaperig,—want hij is doodmoe geworden van zijn nachtelijken tocht,—naar hun gesprekken.“Par Dios!” zoo laat Vasco de Guerra zich hooren,—een groote man met ronde, vischachtige oogen en een langen knevel, met een enkele grijze vlok er in, die men algemeen beschouwt als een gevolg van zijn groote losbandigheid,—“ik verneem,dat onze tegenstander Floris een caricatuur van ons heeft geteekend.”“Diablo! Is het beleedigend?” roept Tomasito, de eenoogige, een kleine Spanjaard met een duivelachtigen aard, berucht zoowel om zijn wreedheid op het slagveld als om zijn uitspattingen in de feestzaal.“Neen,” zegt Mendez lachend, “hij heeft ons alleen maaronder de tafelgeschilderd.”“Sapristi!” grijnst de Italiaan Pisa. “Hij mag ons voor mijn part onder de tafelschilderen, maar hij kan ons toch niet onder de tafeldrinken!” Daarna roept hij: “Hei, jongen! Een nieuwe kan zwaren Rijnwijn. Ik moet mij oefenen voor morgen. Mariëtta komt van Brussel over om eer te bewijzen aan mijn drinktalent.” Dit gaat vergezeld van een blik van verstandhouding op zijn kameraden, die uitroepen: “Bravo! de gezondheid van Mariëtta, het zoetste lief uit Brussel!”Terwijl er nieuwe Rijnwijn wordt gebracht, roept Mendez uit: “Caramba! er zijn geen duiven meer in de pastei,” en trekt zijn mes terug, waarmee hij de voor hem staande pastei heeft onderzocht, zijn vingers, bij gebrek aan een servet, aflikkende. “Gij hebt ons maar zes duiven gegeven, kapitein Vasco.”“Het was alles, wat ik onder schot kon krijgen!” antwoordt De Guerra.“Gij zoudt duiven geschoten hebben?” spot De Rijk.“Zeker!—vandaag—hier!”“Bah! Uw hand beeft, Vasco, alsof gij de vijfhonderd gulden neerteldet, die wij tegen den schilder verwed hebben!” sart De la Noel.“Toch heb ik ze geschoten,” antwoordt Vasco,terwijl er een vreemde uitdrukking in zijn vischachtige oogen komt, “en ik doodde nietalleende zes duiven, maar ik zal ook—een ander dooden. Wij zullen een banket hebben, als ik de belooning krijg voor zijn hoofd!” Hij grijnst bij deze woorden, zoodat men zijn tanden kan zien.“Zijnhoofd?” roept er een.“De belooning van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman?” schreeuwt een ander, naar het plakkaat wijzende, wat Guy onwillekeurig naar zijn zwaard doet grijpen.“Bah!” lacht Vasco. “Denkt gij, dat ik mij op het zilte nat waag, om zeeziek te worden en mij door dien Engelschman den hals te laten afsnijden? Neen, ik kan mijn geld gemakkelijker verdienen; als ik mijn zevende duif schiet, zullen wij meer duivenpastei hebben en een feestgelag, dat ons niets kost.”Deze geheimzinnige belofte wordt begroet door een luid gelach en een gerinkinkel van bekers en kannen. “De Zes Drinkebroers van Brussel” houden al evenveel van duivenpastei als het zoontje van den barbier Jacques Touraine.Doch nu wordt Guy’s aandacht afgeleid van het drinkend zestal naast hem. De waard komt namelijk nederig buigend naar hem toe en zegt:“Senor capitan, uw bed is klaar, de lakens zijn schoon, niemand heeft er de laatste drie dagen in geslapen.”Chester volgt Van Oncle, die een waskaars draagt, naar een klein vertrek boven den stal, dat tenminste goed gelucht is, daar het verscheidene open vensters heeft, die niemand de moeite heeft genomen te sluiten.Een oogenblik later is hij feitelijk alleen—de eenige van zijn buren in de belendende kamertjes, die reeds thuis is, slaapt zijn roes uit, en de anderen moeten nog komen. Hij bergt zijn dingen van waarde op een veilige plaats en verbergt het zorgvuldigst, wat hij het kostbaarst acht—het miniatuur-portret van de dame, wier naam hij niet weet; maar wat hij wél weet is, dat hij haar met hart en ziel bemint; vervolgens onderzoekt hij zijn wapenen en gaat naar bed, vervuld met de gedachte aan zijn onbekende schoone, die hij eens heeft gekust, maar die hij heeft gezworen, weer te zullen kussen; daarna slaapt hij kalm in, in de stad zijner vijanden, onder de vlag van Spanje en Alva, terwijl in de kamer beneden, in de straten rondom hem en op de muren van elk wachthuis in Brabant en Vlaanderen biljetten zijn aangeplakt, waarbij drie duizend Carolus-guldens worden uitgeloofd voor het hoofd van den “Eerste der Engelschen”.
Een oogenblik later, terwijl Chester den ring aan zijn pink schuift, komt een jonge Spanjaard het vertrek binnen, niet veel meer dan een knaap, een mannetje met donkere, vurige oogen en een aankomende snor, die hij krijgshaftig tracht op te strijken, in volle uniform, met borstkuras en gepluimden stormhoed, en deze jeugdige krijgsman zegt op levendigen toon: “Ik ben de officier, die is aangewezen, om u uit de Citadel te geleiden, senor. Veroorloof mij, dat ik mij aan u voorstel als vaandrig José de Busaco, van Mondragon’s busschutters.”
“En ik,” antwoordt Guy, terwijl hij, zijn langen mantel omslaande, zich gereed maakt, om den jongen man te volgen, “en ik neem wederkeerig de vrijheid, mij voor te stellen als kapitein Guido Amati van Romero’s musketiers.”
“Vermoedelijk van het garnizoen te Middelburg,” merkt de vaandrig op, als zij samen het huis verlaten. “Gij zijt zeker naar Antwerpen gekomen, om eens een beetje pret te maken. Middelburg is eenonmogelijk doodsch nest; ik was daar drie jaar geleden in garnizoen. In Brabant is het nu ook duf, sinds wij Lodewijk van Nassau te Jemmingen hebben geklopt. Ik heb daar tien Duitschers naar de andere wereld gezonden,” voegt de knaap er trotsch en blufferig bij.
“Diablo! Gij zijt een vechtersbaas,” meesmuilt Guy.
”’t Had anders niet veel om het lijf! Die Duitsche burger-avonturiers waren lang niet opgewassen tegen ons, Spaansche veteranen,” antwoordt de vaandrig. “Wij hebben acht duizend man gedood, zooals gij u zult herinneren, en verloren niet meer dan acht man. Dat hadden wij te danken aan Alva’s veldheerstalent. Hij heeft ter eere daarvan voor zichzelf een kolossaal gedenkteeken gesticht. Ginds staat het,” zegt het mannetje, naar links wijzende, terwijl zij den wal overgaan, op hun weg naar de hoofdpoort aan de stadszijde.
Met zijn oogen de aangewezen richting volgend, kan Chester het voetstuk zien van het groote standbeeld, vervaardigd van de te Jemmingen buit gemaakte kanonnen, dat de overheerscher en de verdrukker der Nederlanden bezig is op te richten tot zijn eigen verheerlijking en glorie, zeer tegen den zin van Philips van Spanje, die naijverig is op zijn generaals en altijd vreest, dat zij al te beroemd zullen worden.
“Jake Yongling heeft een groot afbeeldsel van den Hertog gemaakt. Het is zestien voet hoog en met het voetstuk bijna dertig. Daar is de laatste van zijn armen!” vervolgt de jongensachtige krijgsman, eenoneerbiedigen schop gevend tegen dit onderdeel van de ijzeren beeltenis van zijn generaal, dat op den grond ligt. Daarna fluistert hij geheimzinnig: “Men zegt, dat het standbeeld een geheim verbergt. Wat doet de Hertog met den tienden penning; waar laat hij dat geld?”
Thans komen zij weldra op den grooten militairen straatweg, eindigend bij de ophaalbrug over de gracht, die toegang geeft tot de Esplanade der stad. Boven de massieve poort is een schild gebeiteld, waarop een koninklijk kasteel met drie torens; op elken toren een raaf, en elke toren bewaakt door een wolf—het wapen van Alva; daaronder de keten van het Gulden Vlies, waaraan, als ter bespotting van dit land, dat veroverd is door bloed en vuur, een voorstelling hangt van het Lam Gods. Dit alles kan Guy gemakkelijk onderscheiden bij het licht der brandende toortsen, waarvan eenige door de wachten worden vastgehouden en andere bevestigd zijn in de nissen van den muur.
De militaire voorschriften eischen, dat Guy’s geleider rapport doet aan den officier van den dag.
Te dien einde treden zij een wachtkamer binnen, helder verlicht door een dozijn brandende kaarsen, en terwijl de jonge vaandrig zijn rapport doet en de order ontvangt voor het neerlaten van de ophaalbrug, kijkt Chester voor tijdverdrijf naar de menigte militaire plakkaten aan den vuilen muur; eensklaps valt zijn oog op één er van, dat, hoe sterk zijn zenuwen anders ook zijn, hem een rilling aanjaagt, want het luidt aldus:
UITGELOOFD!Drie duizend Carolus-guldens.Nademaal zekere Engelschman, genaamdGuy Stanhope Chester, en nog beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als deEerste der Engelschen, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres, koningin Elizabeth van Engeland, op den 21stenMaart van het jaar 1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoenSanta Cruzen sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene, die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij verklaren. Op last vanALVA,Onderkoning.JUAN DE VARGAS,President van den Raad van Beroerten.
UITGELOOFD!
Drie duizend Carolus-guldens.
Nademaal zekere Engelschman, genaamdGuy Stanhope Chester, en nog beter bekend bij de inwoners van de Nederlanden als deEerste der Engelschen, die gedesavoueerd en verloochend is door zijn meesteres, koningin Elizabeth van Engeland, op den 21stenMaart van het jaar 1571 zich gewapenderhand heeft verzet tegen ons oorlogsgaljoenSanta Cruzen sedert steeds heeft gehandeld tegen het welzijn van deze Spaansche provinciën, doodende en vermoordende de zeelieden en soldaten van koning Philips, worden de burgerlijke en militaire overheden gemachtigd, bovengenoemde som uit te betalen aan dengene, die het lichaam of het hoofd uitlevert van genoemden Guy Stanhope Chester, dien wij hierbij signaleeren als een zeeroover en vogelvrij verklaren. Op last van
ALVA,Onderkoning.JUAN DE VARGAS,President van den Raad van Beroerten.
Dit is aangeplakt tusschen verschillende militaire orders, betrekking hebbende op de Citadel, en een paar andere bevelschriften tot het aanhouden van oproerlingen of het opleggen van belastingen. Na de eerste ontsteltenis kan Guy het plakkaat kalm lezen en hij krijgt een gevoel van verlichting, als hij bemerkt, dat de beschrijving van zijn persoon, die bij de afkondiging is gevoegd, in vele bijzonderheden onjuist is.
“Al klaar, kapitein Guido! Ik heb de order gekregen!” zegt de jonge vaandrig, hem op den schouder kloppend. Daarna vervolgt hij: “Ah! gij waart bezig het plakkaat tegen den ‘Eerste der Engelschen’ te lezen,” en onder het heengaan vervolgt hij levendig: “Drie duizend Carolus-guldens! Dat zou een aardig extraatje bij mijn soldij zijn! Kon ik hem maar te pakken krijgen! Drie duizend gulden! Wij zouden een festijn aanrichten, niet waar, senor capitan, betaald met het hoofd van den zeeroover!”
Hier wordt de jonge Spanjaard gestuit in zijn ontboezeming, want de schildwacht vraagt hem het contrasigne, en als hij dat gegeven heeft, gaat hij met zijn metgezel door de poort, nadat de ophaalbrug is neergelaten. Daarmee is niet veel tijd gemoeid, want een sterk detachement van het garnizoen is onder de wapenen, en een gedeelte der troepen is juist uitgerukt om de wachtposten in de stad te versterken en zooveel mogelijk hulp te verleenen bij het beschermen der eigendommen van het gouvernement, die op de werven en de kaden van Antwerpen in gevaar verkeeren door het getij, dat nog onophoudelijk wast; de stad is dan ook nog verlicht en de alarmklokken luiden voortdurend.
“Hier moet ik u verlaten,” zegt De Busaco, nadat zij de ophaalbrug zijn overgegaan en de laatste schildwachten gepasseerd zijn. “In welke herberg wilt gij uw intrek nemen? InDe Roode Leeuw? Die heeft, dunkt mij, den besten wijn.”
“Neen,” antwoordt Guy, want hij heeft hier reeds over nagedacht; “ik ga naarHet Geschilderde Huis. Het is daar rustiger.”
“Zoo?” lacht de jonge man. “Dus gij weet niet, wat daar morgen zal gebeuren? Par Dios! de helft van de burgers van Antwerpen zullen daar komen, om het te zien, en ook tal van officieren van het garnizoen. Gij hebt het nieuws niet gehoord? De groote schilder, de Raphael der Nederlanden, Frans Floris, heeft de uitdaging aangenomen van ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, om ze allen op één avond onder de tafel te drinken. Sapristi! naar wat men van hem vertelt, geloof ik zeker, dat hij het ook zal doen. Ik ben van plan er ook naar te gaan kijken; ik hoop u daar te ontmoeten!”
“Zeer goed, kom vooral en drink een roemer wijn met mij!” zegt Chester, die meent, dat gezien te worden met een Spaanschen officier een soort van paspoort voor hem zal zijn, in een stad, waar men een prijs op zijn hoofd heeft gezet. Hierop zegt de jonge De Busaco,—want de twee hebben onder weg heel joviaal samen gebabbeld en zijn reeds goede kameraden geworden: “Uw weg ligt recht vóór u, de Esplanade dwars over naar de Bagijnenstraat,” en hij keert met een vriendelijken groet naar de Citadel terug.
Een oogenblik denkt de Engelschman er aan, hem terug te roepen, om hem een vraag te doen, die hem voortdurend op de lippen heeft gezweefd, sinds hij haar heeft verlaten. Maar hij komt daarvan terug. “Neen—om aan een officier, dien zij mij als geleide heeft meegegeven, den naam en stand te vragen van mijn—mijn beminde—” hij herhaalt welbehaaglijk dat woord eenige keeren in zijn geest—“zou te gevaarlijk zijn. Ik allereerst diendede dame te kennen, die ik naar Antwerpen heb gebracht.”
Hij steekt dus de Esplanade over, die vrij is gehouden van boomen en van alles wat verder een belemmering kon zijn voor het vuur van de Spaansche Citadel, die deze Vlaamsche stad beheerscht. En nog altijd geheel vervuld met de gedachte aan zijn schoone, mompelt hij: “Die schilder zal mij kunnen zeggen, wie zij is, hij weet het,” en hij versnelt zijn pas.
Een oogenblik later bevindt de Engelschman zich aan den ingang van de Bagijnenstraat, die tot in het hart der stad voert. Hij klapt eenige malen in zijn handen en roept: “Heidaar, jongen! Hier met de toorts. Licht mij voor!” wat weldra een dreumes van een straatjongen tot hem brengt, die een brandende fakkel draagt.
“Waarheen, Uwe Edelheid?” vraagt de jongen, want Guy’s manieren en uiterlijk zijn die van een man van geboorte.
“Naar de Wolstraat! Het huis van Jacques Touraine.”
“O! De wondheeler en barbier,” antwoordt de jongen. “Ik ken zijn uithangbord.”
Zij loopen nu—de jongen vóór den Engelschman uitdravende, die vlug voortstapt—de Bagijnenstraat door, waar thans wegens den storm lantarens branden, die aan de gevels der huizen hangen, en gaan voorbij de grootsche kerk van Onze Lieve Vrouwe van Antwerpen, nu bekend als de kathedraal Notre Dame, welker klokkenspel ieder kwartier zijn zilveren geluid doet hooren. Vervolgensduiken zij weg in den doolhof van nauwe straten, vol middeneeuwsch vuil, dat haar zelfs nu nog verontreinigt, om het noordelijk einde van de stad te bereiken.
Na zich eenige minuten met moeite een weg te hebben gebaand door deze nauwe stegen, houden zij stil bij een groot uithangbord, geschilderd met roode, blauwe en witte strepen, dat als onderscheidingsteeken dient van het huis van monsieur Jacques Touraine, den kleinen Franschen wondheeler, artsenijmenger, chirurgijn en barbier.
Hoe laat het ook reeds is, toch behoeven zij hem niet op te kloppen en te wekken, want deze heer staat voor zijn deur, op zijn Fransche manier levendig sprekend met eenigen zijner buren. Hij houdt een klein kind van ongeveer zeven jaar bij de hand en zegt zenuwachtig: “Mon Dieu! Als de vloed eens tot hier kwam!”
“Drommels!” antwoordt een van de anderen, “de duivel zelf zou den vloed dezen heuvel niet op kunnen stuwen! Het teeken van den grooten vloed van 1300 is nog vijftig voet beneden ons.” Hij lacht verachtelijk en spot: “Wat zijt gij Franschen toch bang voor water!”
De mannen in hun gesprek storend, wenkt Guy den barbier tot zich en vraagt hem: “Is de schilder, die bij u woont, Antony Oliver, thuis?”
Het antwoord is ontmoedigend: “Neen, hij is in Brussel.”
“Zoo!” bromt Guy half binnensmonds, blijkbaar zeer teleurgesteld, want enkel om dezen Oliver te spreken, heeft hij zooveel gevaren getrotseerd, enhij durft niet lang in Antwerpen blijven. Dan vraagt hij eenigszins angstig: “Weet gij, wanneer hij denkt terug te komen?”
“Morgen. Hij komt met zijn heer, den hertog van Alva. Hij is heraut en onder-secretaris van den Onderkoning.”
“Ja!” roept het kereltje uit, “ik ben er zoo blij om; als monsieur Oliver komt, krijgen wij altijd duivenpastei. Ik houd zooveel van duivenpastei—gij ook?”
“Nu, of ik!” lacht Guy, gerustgesteld door het bericht, dat de schilder spoedig terug wordt verwacht.
“Dan hoop ik, dat gij monsieur Oliver niet zult vragen om mijn portie van de duivenpastei,” snapt het kind voort; “maar misschien krijgen wij er in het geheel geen—een man heeft vandaag zooveel duiven weggehaald.”
“Daar is een stuiver voor je, om duivenpastei voor te koopen, mijn kleine baas,” lacht Chester, terwijl hij het kind een geldstukje geeft. Vervolgens wendt hij zich tot den vader en vraagt: “Zijt gij zeker van hetgeen gij mij gezegd hebt?”
“Ik geloof het wel. Maar gij kunt het nog nader onderzoeken bij zijn beste vrienden, de familie Bodé Volckers. Daar is het zeker bekend. Het is een hupsche man, die Oliver, en een groot schilder—tenminste, hij houdt zichzelf voor een groot schilder. Hij heeft mijn zoon Achille als leerling—mijn jongste is de kleine Marvédie, die zoo verzot is op duivenpastei,” babbelt de Franschman, die blijkbaar van zijn angst voor den vloed is bevrijd en wienshart Guy heeft gestolen door zijn gift aan het kind. Dan vraagt hij eensklaps: “Heb ik u niet reeds eerder gezien? Mij dunkt, gij hebt monsieur Antony zes maanden geleden ook reeds bezocht.”
“Ja,” antwoordt de Engelschman kortaf, en om verdere vragen te voorkomen: “Kunt gij mij zeggen, waar de familie Bodé Volckers woont?”
“Och, iedereen weet dat; hij is onze oud-burgemeester, de vorst-koopman van Antwerpen, Niklaas Bodé Volckers, die op de Place de Meir woont.”
“O, de Place de Meir, dank u, senor,” antwoordt Guy, en den toortsjongen terugroepend, zegt hij: “Bodé Volckers!”
“Dat is twee stuivers meer,” zegt de knaap; iemand, denkt hij, die een burgemeester gaat opzoeken, kaa ook wel twee stuivers meer geven.
“Vier, als gij er mij spoedig brengt.”
“Vier? Pots dit en dat! gij moet een graaf zijn,” roept het kind in verrukking uit, en opnieuw voor Guy uitdravende, geleidt hij hem, weer langs de kathedraal, naar de prachtige woning, waar de oude Bodé Volckers, de vorst-koopman uit die dagen, wiens koopvaardijschepen naar de Indiën, de Oostzee en de Middellandsche zee zeilen, woont, in groote praal en pracht, maar ondanks dat alles slechts een koopman, handelaar en burger blijft; in de oogen der trotsche edellieden van dien tijd niets meer beteekenende dan het stof der aarde—tenzij zij zijn geld wenschen te leenen. Maar zooals het altijd gaat, groot financieel succes roept maatschappelijke eerzucht wakker. De familie van Niklaas Bodé Volckers klopt nu aan de deuren van de aristocratie.
Dit wordt Guy ook gewaar, als hij de woning van den koopman heeft bereikt.
Het huis is imposant gebouwd, van gehouwen steen, met een ruim binnenplein; de hoofdingang is zoo breed en hoog, dat een rijtuig er met gemak door kan; het huis is overal verlicht, het eene gedeelte echter nog helderder dan het andere. Daar bevindt zich blijkbaar de kantoor- en monsterkamer van den heer Niklaas Bodé Volckers. Door de openstaande deuren gaan eenige klerken en lastdragers in en uit, en groote goederenwagens komen aanrijden, beladen met zijden en satijnen stoffen, die van de overstroomde kaden in veiligheid worden gebracht. Iedereen schijnt druk in de weer te zijn.
“Ik moet mijnheer Bodé Volckers een oogenblik spreken,” zegt Guy tot een hem voorbij spoedenden bediende.
“Moet gij mijnheer Bodé Volckers van nacht spreken?” herhaalt de knaap ten hoogste verbaasd; “nu, terwijl zijn pakhuizen zijn ondergeloopen?”
“Ik moet hem spreken. Hoort gij mij, knaap? Vlug wat!” roept Chester ongeduldig, want daar hij edelman is, is hij gewoon om kooplieden, burgers, handelaars, enzoovoort te bevelen.
“Dat is onmogelijk, tenzij gij naar de kaden gaat,” antwoordt de leerling. “Mijnheer Bodé Volckers houdt daar het toezicht op het vervoer van de goederen, die gevaar loopen te bederven in zijn groot pakhuis op de Engelsche kade.”
Teleurgesteld maakt onze held rechtsomkeert en begeeft zich naar den hoofdingang van het huis, waar hij een woordenrijk dienstmeisje vindt, in gesprekmet een man, die naar alle waarschijnlijkheid de koetsier is van de familie, want de paarden en de equipage staan vóór het huis te wachten. Zij schijnen het te hebben over de overstrooming in de stad, daar het meisje zichzelve telkens in de rede valt met opgewonden uit te roepen: “Die arme menschen!” en: “Goede hemel!”
Daar de vensters in den voorgevel van het huis eveneens verlicht zijn, wendt Guy zich aanstonds tot het meisje, zeggende: “Zou ik ook even iemand van de familie van den heer Niklaas Bodé Volckers kunnen spreken?”
“Ik weet het niet,” is het antwoord. “Als mijnheer maar binnen wil gaan, dan zal ik het vragen.”
Zij maakt tegelijk een eerbiedige dienaresse, want Guy stopt haar een zilverstuk in de hand. Zijn optreden is gebiedend, zijn voorkomen aristocratisch, zijn hand mild, en het meisje is dus gaarne bereid, hem van dienst te zijn; zij leidt hem naar een groot, gewelfd vertrek, bekleed met Spaansch leder, welks stoffeering van weelde getuigt, ja zelfs van pracht; de vloer is met kleeden en tapijten belegd en sommige stukken van het ameublement zijn ingevoerd uit Italië, Spanje en zelfs uit Turkije, en men heeft er zelfs kleedjes, vervaardigd op de weefgetouwen van Ispahan en Bokhara. Het vertrek is verlicht door een mooie kroon vol brandende waskaarsen. Uit deze kamer leidt een gesneden eikenhouten trap naar de bovenvertrekken van het huis.
“Wiarda Schwartz!” roept het meisje, in haar handen klappend. “Wiarda!” Daar zij geen antwoord krijgt, zegt zij: “Ik ben dadelijk terug,” en de trapvlug oploopend, komt zij een oogenblik later weer naar beneden, gevolgd door een aardig, donkeroogig kameniertje, wier kleeding verraadt, dat zij de lieveling van haar meesteres is, en wier korte gesteven rokjes en hooge Friesche muts haar doen kennen als een behaagziek ding.
In antwoord op haar min of meer nonchalante neiging, zegt Chester: “Ik ben kapitein Guido Amati van Romero’s voetvolk. Kan ik vrouw Bodé Volckers een oogenblik spreken?”
“Niet, tenzij gij naar de andere wereld gaat,” antwoordt het dametje vrijpostig. “Vrouw Bodé Volckers is al drie jaren dood.”
“Dan zou ik nog verder moeten loopen dan naar de pakhuizen van haar weduwnaar,” herneemt Guy glimlachend. Daarna vraagt hij: “Kan ik dan de meesteres van het huis spreken?”
“O, gij bedoelt freule Wilhelmina Bodé Volckers,” zegt het meisje, en een hooge borst zettend, voegt zij er bij: “Freule Wilhelmina Bodé Volckers is heden op het feest van de gravin van Mansfeld.”
Chester herinnert zich, hoe minachtend de lakei van de gravin van Mansfeld zich heeft uitgelaten over de dochter van den oud-burgemeester, die tot vermaak van het gezelschap danst in de kostbaarste zijden stoffen van haar vader, en het kost hem moeite, een glimlach te onderdrukken. Daar hij er echter te veel belang bij heeft, om de gewenschte inlichting te krijgen, herneemt hij: “Misschien kunt gij dan deze vraag beantwoorden: weet gij ook wanneer Antony Oliver, de heraut van den hertog van Alva, uit Brussel terugkomt?”
Maar dit doet kapitein Guido Amati in de achting van juffer Wiarda Schwartz aanmerkelijk dalen. Zij zegt met onbeschaamde gemeenzaamheid: “Ik? Wel neen! Die kladschilder, die bedelaar! Ik weet niets van hem. Ik dacht, dat mijnheer de kapitein zijn kennissen had onder den adel!”
Nu Guy het huis even wijs verlaat, als hij het is binnengegaan, ziet hij nog, dat juffer Schwartz haar neusje in de lucht steekt en met haar klein voetje, met een roode kous en een nuffig schoentje bekleed, spottend op den grond stampt.
“Er schiet mij niets over, dan kalm af te wachten en tot morgen te slapen. Ik heb daar ook wel behoefte aan,” overlegt de Engelschman bij zichzelven. “God alleen weet, wat de dag van morgen mij zal brengen.”
Hij roept opnieuw den toortsjongen, die blijkbaar opzettelijk in de buurt is gebleven, in de hoop, dat Guy’s bezoek aan de familie Bodé Volckers van korten duur zal zijn, en gelast dezen, hem te brengen naar de herbergHet Geschilderde Huis, die beroemd is om haar wijn en bier en aan de Schoenmarkt ligt, tegenover de Place de Meir. Zij is slechts een paar stappen van de woning van den koopman verwijderd, en niet moeilijk te vinden, zooals Guy opmerkt, als hij haar nadert, daar zij haar naam draagt naar de hooge, geschilderde gevels.
In de benedenvertrekken brandt overal licht; onder den luifel, versierd met dennetakken en verlicht door heen en weer schommelende lampen, staan tafels en stoelen, waaraan verscheidene gegoede burgers hebben plaats genomen, eenige Spaansche officieren en eenhalf dozijn reizigers. Hoe laat het ook reeds moge zijn, toch dringt het geluid van een drinkgelag nog uit het groote binnenvertrek naar buiten.
Hij wordt aan de deur verwelkomd door den waard, den onderdanig buigenden Herman van Oncle, die bezig is een fortuin te verdienen met zijn beroemde soupers en bruiloftpartijen, want dit is in de stad het huis voor feestelijkheden bij uitnemendheid.De Roode Leeuwmag aristocratischer zijn, wat den wijn en het bier betreft, in het regelen van schitterende trouwpartijen, die drie dagen duren, staatHet Geschilderde Huisin Antwerpen verreweg het gunstigst bekend.
“Welkom inHet Geschilderde Huis!” roept de spraakzame herbergier uit. “Welkom, senor—kolonel!”
“Neen, kapitein,” zegt Guy.
“Welkom is hier iedereen, die in dienst van den Staat is, civiel of militair.”
“Ik zou gaarne een kamer met een bed willen hebben.”
“Onmogelijk!”
“Onmogelijk?!”
“Ja; alles is bezet.”
“Gij moet mij toch een hokje geven.”
“Nu, als gij daar genoegen mee wilt nemen, dan een hokje boven den stal. Mijn huis is geheel vol—gij hebt het nieuws toch zeker gehoord? Morgen heeft hier het groote drinkgelag plaats tusschen onzen beroemden artist Frans Floris, en ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’. Men is van alle naburige plaatsen toegestroomd om het te zien. Er is zelfseen deputatie uit Brussel aangekomen. Men spreekt er van, dat de Hertog in eigen persoon morgen wil komen. Misschien wil hij mij de eer bewijzen—misschien is hij van plan te komen, om het grootste drinkgelag bij te wonen, dat ooit heeft plaats gehad in Vlaanderen, Brabant of Holland! Ik zal niet minder dan twintig vaten Rijnwijn moeten aansteken.”
“Twintig vaten voor zes drinkebroers?” lacht Chester.
“Wel neen—maar de gansche stad zal hier komen, de gansche stad zal ook dronken zijn!”
“Ik wenschte, dat de stad wat kalmer was,” zegt Guy, die vreest, dat hij niet veel zal slapen, te oordeelen naar het feestrumoer, dat tot hem komt uit het binnenvertrek.
“St!” fluistert de kastelein zenuwachtig, als zij binnentreden. “Stoor hen niet. Het zijn,” en hierbij spalkt hij vol bewondering zijn oogen open, “het zijn ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’, die hun avondeten gebruiken!”
“Het schijnt, dat ‘de Zes Drinkebroers van Brussel’,”zegt Guy, op wien die klinkende titel geen indruk maakt, “zich weinig sparen voor morgen. Zij zijn nu al aardig aan den gang.”
“Ja, dat is juist het mooie van de zaak,” zegt de waard, zich in de handen wrijvend. “Daarom worden zij juist drinkebroers genoemd; niemand en niets is in staat, hen ooit dronken te maken. Zij hebben ieder reeds acht pinten wijn gedronken en beginnen nog pas. Zij hebben een duivenpastei voor zich staan. Ik heb die eigenhandig gemaakt van vogels, mij door senor Vasco de Guerra zelf verschaft. Hij is de opperstevan de zes drinkebroers, ofschoon de weddenschappen nog altijd twee tegen één staan ten gunste van onzen Nederlandschen schilder, den grootsten kunstenaar van onzen tijd—den Raphael van deze lage landen, onze eer, onzen roem, onzen schuldenaar (want hij staat bij mij voor vier duizend Carolus guldens in het krijt), maar toch de trots van Antwerpen! Wilt gij niet het een en ander gebruiken, senor capitan, eer gij uw slaapplaats boven den stal opzoekt?”
“Ja, een halve pint wijn zal voor mij wel genoeg zijn,” zegt Guy. “Maar, gij zijt immers beroemd om uw bier—laat mij daarvan dus liever een kan nemen,” gaat hij voort, als een echt Engelschman zijn nationaal brouwsel getrouw blijvend.
“Het beste in geheel Vlaanderen. En dan hebben wij ook nog mout uit Londen.”
“Juist, dát is het ware!” roept Guy uit, zijn rol van Spanjaard vergetend. “Breng mij Engelsche mout!” En dan, zijn onvoorzichtigheid bemerkend, voegt hij er aan toe: “Ik heb den geheelen dag reeds Rijnwijn gedronken.”
Als de waard vertrokken is, trekt hij, in afwachting van zijn maaltijd, figuren met zijn voet in het witte zand, waarmee de vloer is bestrooid en leest onder andere aanplakbiljetten aan de muren van de gelagkamer, de aankondiging van het groote drinkgelag tusschen Frans de Vriendt, bijgenaamd Floris, en de zes grootste drinkebroers van Brussel. En naast die aankondiging hangt Alva’s edelmoedig aanbod van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman.
Weldra brengt men hem het verlangde, en hijneemt plaats aan een tafeltje naast dat van de zes kampioenen van Brussel. Onwillekeurig begint hij belang in hen te stellen, want het zijn zes van de merkwaardigste typen, die hij ooit heeft gezien.
Hun namen vangt hij successievelijk op uit hun gesprek.
Vasco de Guerra, blijkbaar de aanvoerder van de club, Tomasito, een vaandrig van De Billy’s Walen, die door de anderen den eenoogige wordt genoemd, omdat hij een oog heeft verloren bij Aremberg’s nederlaag, en Pablo Mendez, zijn alle drie Spaansche officieren, die zich, zooals men uit hun gesprekken kan opmaken, houden voor edellieden van rang en aanzien. De overige drie kampioenen treden meer bescheiden op, behalve in het drinken; daarin doen zij niet voor de anderen onder. Twee van hen worden aangesproken als Alphanse de la Noel en Conrad de Rijk, beiden Nederlanders, de een uit Brabant, de andere uit Holland; de laatste van het zestal is een gluiperige kleine Italiaan, Guisseppi Pisa geheeten, een koopman in parfumerieën en andere toiletartikelen, uit de hoofdstad.
Daar Guy onder het nuttigen van zijn maal en het drinken van zijn bier niets beters heeft te doen, luistert hij verstrooid en slaperig,—want hij is doodmoe geworden van zijn nachtelijken tocht,—naar hun gesprekken.
“Par Dios!” zoo laat Vasco de Guerra zich hooren,—een groote man met ronde, vischachtige oogen en een langen knevel, met een enkele grijze vlok er in, die men algemeen beschouwt als een gevolg van zijn groote losbandigheid,—“ik verneem,dat onze tegenstander Floris een caricatuur van ons heeft geteekend.”
“Diablo! Is het beleedigend?” roept Tomasito, de eenoogige, een kleine Spanjaard met een duivelachtigen aard, berucht zoowel om zijn wreedheid op het slagveld als om zijn uitspattingen in de feestzaal.
“Neen,” zegt Mendez lachend, “hij heeft ons alleen maaronder de tafelgeschilderd.”
“Sapristi!” grijnst de Italiaan Pisa. “Hij mag ons voor mijn part onder de tafelschilderen, maar hij kan ons toch niet onder de tafeldrinken!” Daarna roept hij: “Hei, jongen! Een nieuwe kan zwaren Rijnwijn. Ik moet mij oefenen voor morgen. Mariëtta komt van Brussel over om eer te bewijzen aan mijn drinktalent.” Dit gaat vergezeld van een blik van verstandhouding op zijn kameraden, die uitroepen: “Bravo! de gezondheid van Mariëtta, het zoetste lief uit Brussel!”
Terwijl er nieuwe Rijnwijn wordt gebracht, roept Mendez uit: “Caramba! er zijn geen duiven meer in de pastei,” en trekt zijn mes terug, waarmee hij de voor hem staande pastei heeft onderzocht, zijn vingers, bij gebrek aan een servet, aflikkende. “Gij hebt ons maar zes duiven gegeven, kapitein Vasco.”
“Het was alles, wat ik onder schot kon krijgen!” antwoordt De Guerra.
“Gij zoudt duiven geschoten hebben?” spot De Rijk.
“Zeker!—vandaag—hier!”
“Bah! Uw hand beeft, Vasco, alsof gij de vijfhonderd gulden neerteldet, die wij tegen den schilder verwed hebben!” sart De la Noel.
“Toch heb ik ze geschoten,” antwoordt Vasco,terwijl er een vreemde uitdrukking in zijn vischachtige oogen komt, “en ik doodde nietalleende zes duiven, maar ik zal ook—een ander dooden. Wij zullen een banket hebben, als ik de belooning krijg voor zijn hoofd!” Hij grijnst bij deze woorden, zoodat men zijn tanden kan zien.
“Zijnhoofd?” roept er een.
“De belooning van drie duizend Carolus-guldens voor het hoofd van den Engelschman?” schreeuwt een ander, naar het plakkaat wijzende, wat Guy onwillekeurig naar zijn zwaard doet grijpen.
“Bah!” lacht Vasco. “Denkt gij, dat ik mij op het zilte nat waag, om zeeziek te worden en mij door dien Engelschman den hals te laten afsnijden? Neen, ik kan mijn geld gemakkelijker verdienen; als ik mijn zevende duif schiet, zullen wij meer duivenpastei hebben en een feestgelag, dat ons niets kost.”
Deze geheimzinnige belofte wordt begroet door een luid gelach en een gerinkinkel van bekers en kannen. “De Zes Drinkebroers van Brussel” houden al evenveel van duivenpastei als het zoontje van den barbier Jacques Touraine.
Doch nu wordt Guy’s aandacht afgeleid van het drinkend zestal naast hem. De waard komt namelijk nederig buigend naar hem toe en zegt:
“Senor capitan, uw bed is klaar, de lakens zijn schoon, niemand heeft er de laatste drie dagen in geslapen.”
Chester volgt Van Oncle, die een waskaars draagt, naar een klein vertrek boven den stal, dat tenminste goed gelucht is, daar het verscheidene open vensters heeft, die niemand de moeite heeft genomen te sluiten.
Een oogenblik later is hij feitelijk alleen—de eenige van zijn buren in de belendende kamertjes, die reeds thuis is, slaapt zijn roes uit, en de anderen moeten nog komen. Hij bergt zijn dingen van waarde op een veilige plaats en verbergt het zorgvuldigst, wat hij het kostbaarst acht—het miniatuur-portret van de dame, wier naam hij niet weet; maar wat hij wél weet is, dat hij haar met hart en ziel bemint; vervolgens onderzoekt hij zijn wapenen en gaat naar bed, vervuld met de gedachte aan zijn onbekende schoone, die hij eens heeft gekust, maar die hij heeft gezworen, weer te zullen kussen; daarna slaapt hij kalm in, in de stad zijner vijanden, onder de vlag van Spanje en Alva, terwijl in de kamer beneden, in de straten rondom hem en op de muren van elk wachthuis in Brabant en Vlaanderen biljetten zijn aangeplakt, waarbij drie duizend Carolus-guldens worden uitgeloofd voor het hoofd van den “Eerste der Engelschen”.
HOOFDSTUK IV.DE BEROEMDSTE NEDERLANDSCHE SCHILDER VAN ZIJN TIJD.De zon staat reeds hoog aan den hemel, als Guy de oogen opent. De storm van den vorigen avond is bedaard, en de zon schijnt vroolijk, als om den spot te drijven met de arme boeren en landlieden in de naburige polders, die nog altijd in wanhoop verkeeren over hun vee, dat verdrinkt, en over het water, dat nog altijd niet valt. Chester kan, onder het kleeden, zich eenigszins een denkbeeld maken van de aangerichte verwoesting; want zijn kamer ziet uit op de rivier, en daarin drijven nog steeds doode schapen, koeien en varkens, en zelfs lijken van menschen.Doch in de stad schijnt men zich daar weinig om te bekommeren. De storm heeft uitgewoed en nu maken de schepen zich gereed, om de Schelde af te zakken naar de Indiën en de Middellandsche zee; de kooplieden hebben hun waren in veiligheid gebracht; de handel van die dagen, zoo min als dievan heden, laat zich door den strijd van het menschdom ophouden.Het geraas en rumoer dringt door tot in Guy’s kamertje van de Schoenmarkt en Eierstraten. Al de gilden van Antwerpen zijn heden druk in de weer en zien er tevreden uit, behalve dat van de slagers; dezen toch hebben menigen vetten os verloren, die graasde op de uitgestrekte weiden aan den Kowensteinschen dijk.Daar het niet vroeg meer is, zijn de gasten, die de belendende kamertjes in gebruik hadden, reeds vertrokken. Guy, die, op zeemanswijze, halfgekleed te bed is gegaan, kan zich dus ongestoord verder aankleeden; alleen naast hem snorkt nog een dronkaard zijn roes uit.Vervolgens begeeft hij zich naar het waschhuis van het logement in de benedenverdieping, waar hij kort proces maakt en voor een stuiver een ongebruikten handdoek machtig wordt.Als hij zich heeft gewasschen, gaat Chester uit; hij voelt zich luchtig en opgewekt, niettegenstaande hem opnieuw het plakkaat onder de oogen komt, waarin men een prijs voor zijn hoofd uitlooft, en vervolgt haastig zijn weg door de vuile stegen van het lage gedeelte der stad naar de Wolstraat. Daar hij zich bij de familie Bodé Volckers tevergeefs om inlichtingen heeft aangemeld, en hij onderstelt, dat een herhaald bezoek hem niets verder zal brengen, besluit hij nogmaals naar den Franschen barbier te gaan, om te beproeven, of hij van dezen iets naders omtrent zijn huurder kan te weten komen. Want het is zaak, spoed te maken, daar een langer verblijf inde klauwen van zijn vijanden hem noodlottig kan worden; hij loopt toch ieder oogenblik gevaar, herkend te worden, want er houden zich altijd vele Vlaamsche handelaars uit Zeeland en Holland in de groote koopstad op, van wie eenigen den “Eerste der Engelschen” misschien van aanzien kennen en sommigen zeker niet te goed zouden zijn, om voor drie duizend Carolus-guldens alles ter wereld te verkoopen, zichzelven inbegrepen.Als hij het huis van Jacques Touraine bereikt, wacht hem daar een aangename verrassing. De woordenrijke kleine Franschman komt hem reeds tegemoet en roept uit: “Hij verlangt al naar u, ik heb hem verteld, dat gij naar hem hebt gevraagd!”“Hij—wie?” vraagt Guy.“Wel, de schilder Antony Oliver. Hij is van morgen uit Brussel gekomen. Hij verlangt even sterk naar u, als gij naar hem.”Maar de laatste woorden gaan verloren voor den Engelschman, die de twee steile trappen opsnelt naar het bovengedeelte van het huis, waar zich onder de dakpannen, tusschen de zwaluwnesten, de woonkamer, die tevens dienst doet als atelier, bevindt van Antonius Oliver, in de wandeling Antony genoemd, vervaardiger van geographische kaarten, heraut en bij wijlen tweeden secretaris van Alva, onderkoning der Nederlanden. Het inkomen van Antony is niet groot, zijn betrekking, al is het een post van vertrouwen, niet zeer hoog, ofschoon hij daardoor dikwijls in directe aanraking komt met den grooten Hertog. Want Oliver heeft er met al zijn vermogen naar gestreefd, het vertrouwen van zijn meester te winnen.Hij is geboortig uit Bergen, dicht bij de Fransche grenzen, en heeft gedeeltelijk Fransch, gedeeltelijk Vlaamsch bloed in de aderen. Op het oogenblik is hij bezig het stof der reis van zijn gezicht te wasschen; Chester vindt hem zonder zijn wambuis en met een handdoek in de hand, als hij, na te hebben aangeklopt, binnentreedt.“Ah!” roept hij, met een glimlach van vreugde op het gelaat, “ik ben blij u te zien, mijn vriend, mijn Guido.”“En ik niet minder, dat ik u thuis vind, Antony, mijn jongen,” antwoordt Guy, hartelijk zijn hand uitstekend. Want enkele weken van samen doorgestaan gevaar hebben tusschen deze twee mannen een hechten vriendschapsband geknoopt.“Ik ben blij u te zien,” vervolgt de Vlaming, “en toch ook weer niet.” Dan fluistert hij: “Gij weet van den prijs op uw hoofd?”“Ja, ik heb het gezien,” antwoordt Guy kortweg.“O, misschien in uw herberg?”“Neen, in de wachtkamer van de Citadel.”“Mon Dieu! Zijt gij dan gearresteerd en ondervraagd?” brengt de schilder angstig uit.“Neen, ik kwam er als cavalier van een hooggeplaatste dame!” lacht de Engelsche zeeman. “Daarvoor ben ik bevorderd tot kolonel bij Romero’s musketiers!”“Onmogelijk! Vertel mij uw avontuur!”“Natuurlijk,” zegt Guy, “hangt het samen met de zaak, die mij in Antwerpen brengt.”“Ja,” antwoordt de ander nadenkend, “die zaak moet wel hoogst belangrijk zijn, dat gij u weer zoo waagt.”“Het is als altijd voor mijn Koningin!” fluistert Guy; “is er niemand in de buurt?”“Neen, ik heb mijn leerling, Achille, uitgezonden met een verre boodschap, daar ik u verwachtte en u alleen wenschte te spreken.”“Welke verre boodschap?”“Ik zond hem uit om wijn, brood, kaas en vleeschop crediette koopen. Achille is een wakkere jongen, en als ik hem het geld had meegegeven, zou hij in een half uur terug zijn.” Vervolgens de deur grendelend en er een zwaar gordijn vóór schuivende, zegt Oliver: “Vertel mij nu alles.”“Kunt gij deze brieven ontcijferen, waaraan, naar ik vermoed, het welzijn, ja zelfs het leven van mijn Koningin hangt?” fluistert de Engelschman. En terwijl hij het pakje voor den dag haalt, dat hij den vorigen avond aan het lijk van den verdronken Italiaan heeft ontnomen, vertelt Guy den schilder zijn zonderling wedervaren. Zijn verhaal wordt afgebroken door uitroepen van verwondering en levendige belangstelling, zelfs nu en dan door een luid gelach van zijn Vlaamschen toehoorder.Als de Engelschman geëindigd heeft, neemt de schilder het woord.“Ei!” roept hij uit, de documenten nauwkeurig bekijkend, “hebt gij deze gevonden op het lijk van den secretaris Chiapin Vitelli?” Dan voegt hij er aan toe: “Ik ben een der weinige personen, die ze zou kunnen lezen. Zij zijn geschreven in het bijzondere cijferschrift, dat op het geheime correspondentiebureau van mijn meester, mijn weldoener, in gebruik is; van hem, die mij mijn jaargeld betaalt, den man, wiens handik kus,—den Hertog van Alva!” Er komt een vreemd licht in zijn oogen, als hij spreekt van zijn weldoener. “Het is heel gemakkelijk te ontcijferen, als gij den sleutel hebt, dien ik van buiten heb geleerd en in mijn hoofd heb—ik durf hem nergens anders bewaren.”“Deel mij dan den inhoud van deze brieven mee!”“Zeker,” zegt de artist. “Gij kunt u intusschen onledig houden met het bekijken van mijn schetsen.”Haastig begint hij aan zijn werk, terwijl Guy zijn tijd doorbrengt met het bezien van een aantal studiën in houtskool op doek en paneelen, blijkbaar het werk van den jongen Vlaming. Aan de eene zijde van het vertrek bevindt zich een marmeren plaat om verven te wrijven, waarop een aantal penseelen, een palet en eenige kleine blazen met grondverf, zooals de artisten in dien tijd gebruikten. Op een ezel staat het onvoltooide portret van een blondharig, blauwoogig Vlaamsch meisje, een werkelijke schoonheid, ofschoon van een iet of wat boersch type. Dit is geteekend in den trant der Venetiaansche school, op wat men toen noemde: een rooden grond. Op den achtergrond van het vertrek hangt een groot gordijn, dat een meer belangrijk werk schijnt te verbergen, het is tenminste even breed als de geheele muur der kamer.“Schuif het niet weg,” zegt de schilder opkijkende, als hij hoort, dat Guy het gordijn nadert. “Ik heb nog een aardige verrassing voor u in petto,” en ophoudende met lezen, kijkt hij den Engelschman snaaks aan. “Iets, wat u bijzonder zal interesseeren, naar ik meen; gij kondt het gelaat van de schooneuit de barge niet onderscheiden?” Want Guy heeft in zijn beschrijving van het avontuur van den vorigen nacht, met de aangeboren kieschheid van den edelman en den minnaar, opzettelijk geen woord gesproken over de ontmoeting in het huis van de gravin van Mansfeld met de dame, die hij bevrijdde.“Wat bedoelt gij?” vraagt Guy levendig. “Wacht een oogenblik,” en een half onderdrukte kreet van verbazing roept Guy aan de zijde van den schilder, die blijkbaar in hevige gemoedsbeweging is gebracht door het ontcijferen van het geheimschrift.Ongeduldig staat Guy daar te wachten op den uitslag van het onderzoek der documenten.Een oogenblik later kijkt Oliver op en zegt: “Ik kan u nu in hoofdzaak zeggen, wat de inhoud der brieven is.”“En wat behelzen zij dan?” vraagt Guy ongeduldig.“Het zijn twee brieven, geschreven door Chiapin Vitelli, Alva’s vertrouwde, en waarschijnlijk aan zijn secretaris gegeven—zoo groot is hun waarde—om ze persoonlijk te overhandigen aan een zekeren Ridolfi, een Italiaan, die bankier is in Londen.”“Ridolfi? Ja, ik heb wel van hem gehoord. Hij moet groote zaken doen met Italië; hij is goudsmid zoowel als bankier en woont op Cheapside,” zegt Guy. “Maar wat heeft hij er mee te maken?”“Wel, dit is blijkbaar één brief uit een reeks van brieven, van welke eenige beantwoord moeten zijn, waarin Alva onderhandelingen voert met Ridolfi, waarschijnlijk de agent van den hertog van Norfolk, den man, die plannen maakte voor een huwelijk met de Koningin van Schotland en die zich nu in Elizabethshanden bevindt—onderhandelingen, welke betrekking hebben op het vergiftigen der Koningin van Engeland.”“Mijn vorstin vergiftigen! Groote God!” brengt Guy met moeite uit. Een oogenblik later vervolgt hij, zich tot kalmte dwingend: “Ja, geruchten van dit of een dergelijk complot zijn reeds ter oore gekomen van Lord Burleigh, den eersten minister. Gij weet, dat ik, juist om dit nader te onderzoeken, hierheen ben gezonden, ofschoon verloochend door mijn Koningin, die voor het oogenblik schijnbaar met Alva vrede wenscht, maar die op haar beurt afrekening zal houden,—een Engelsche afrekening, dat kan ik u verzekeren,—met uw Spaanschen tyran!”“Dat weet ik. Daarom juist help ik u,” mompelt de schilder. “Op Elizabeth alleen is de hoop der Nederlanders gevestigd. Wij zijn verslagen en vernietigd te Jemmingen, de prins van Oranje, naar Duitschland gevlucht, leeft in ballingschap; Frankrijk wordt geheel in beslag genomen door zijn eigen zaken, Coligny en Condé kunnen ieder oogenblik slaags raken met de Ligue, en op hun bijstand valt dus niet te rekenen,—van Engeland alleen kan nog redding komen. Als zoodanig heb ik u verwelkomd als den ‘Eerste der Engelschen’, om de Nederlanders bij te staan. Gij zult niet delaatstezijn—ik weet het! Maar,”—en het gelaat van den schilder wordt bezield door een patriotisch vuur,—“wijzelven moeten ook handelen. Daarom heb ik mij veroordeeld, om te leven onder de vreeselijkste onrust, waarin iemand kan verkeeren,—een verraderin de naaste omgeving, in het bureau van den Spaanschen onderkoning, om Lodewijk van Nassau en Willem den Zwijger op de hoogte te kunnen houden van zijn plannen. Ontdekking staat gelijk met—nu, dat weet gij!”Hij lacht, maar het is een akelige lach, en hij vervolgt fluisterend: “Wat zou Alva, die menschen levend roostert, omdat zij op Vrijdag vleesch eten; die vrouwen onthoofdt, omdat zij haar eigen mannen een schuilplaats verleenen; die zijn troepen veroorlooft om te branden, te rooven en te plunderen; wat zou hij doen met een ontmaskerd spion in zijn eigen omgeving? Zijn er wel genoeg pijnbanken, duimschroeven en takkenbossen voor zoo iemand te vinden?” Hij huivert, doch voegt er daarna vastberaden bij: “Maar ik trotseer alles voor mijn vaderland!”“En ik voor het mijne,” antwoordt Guy. “Op mijn hoofd is een prijs gezet als zeeroover, maar ik waag het voor mijn Koningin. Elizabeth schenkt mij haar glimlachjes, als ik aan haar hof verschijn, noemt mij haar dapperen vrijbuiter en vertelt toch aan den ambassadeur van Philips van Spanje, dat ik hier voor mijn eigen rekening ben; zij verloochent mij, ofschoon zij weet, dat het om harentwille is, om haar leven te beschermen, om zulke verfoeilijke samenzweringen als deze te ontdekken, dat ik mijn leven waag! Buitendien,” vervolgt hij met een onheilspellende flikkering in zijn oogen, “houd ik niet van Spanjaarden.”“Persoonlijk,” merkt de Vlaamsche schilder op, “heb ik eenige zeer aangename menschen onder hen aangetroffen; ofschoon er in Alva’s leger een ontelbaaraantal schurken zijn. Maar het is voor mijn vaderland, dat ik een leven vol onrust leid, met het zwaard van Damocles steeds boven mijn hoofd.”Guy behoeft den schilder slechts aan te zien, om te weten, dat hij de waarheid spreekt. De man is klein van persoon en ziet er nietig uit, al is hij ook welgebouwd en vlug en veerkrachtig; maar hij heeft zachte, denkende oogen, bijzonder fijn gevormde, beweeglijke lippen en een hoog, schrander voorhoofd. Chester is er van overtuigd, dat Antony Oliver een moedig man is. En hij weet nu tevens, dat diens zenuwgestel is aangedaan door de vrees voor ontdekking, waarin hij aanhoudend verkeert.Toch komt hij rond voor zijn meening uit.“Ik haat iederen Spanjaard, edelman of boer, omdat ik een broeder heb, die in de gevangenis van de Inquisitie op Hispaniola zit.“Arme jongen!” mompelt de schilder met een lichte huivering. “Op Hispaniola! dat is een heel eind weg!”“Niet voor een Engelschen zeeman. Zeven jaren geleden zeilden Dick en ik, beiden vol jeugdig vuur, met kapitein Ned Lovell naar de Spaansche bezittingen en dreven daar handel met de Dons van Hispaniola en woonden daar, omdat wij katholiek waren, ongemoeid in de stad Haytien en verwierven rijkdommen. Toen keerde ik met onze klinkende munt naar mijn geliefd Engeland terug, Dick achterlatend, om de rest van onze koopwaren in goud om te zetten, en mij daarna te volgen. Een jaar verliep. Geen Dick, maar Hawkins bracht bij de thuiskomst van zijn derde reis het bericht mede, dat Dick verliefdwas geworden op een Spaansch meisje, dat zijn medeminnaars hem hadden aangeklaagd als een Engelschen ketter, en de—Inquisitie—” Hier begeeft hem de stem, er staan tranen in zijn oogen, ofschoon zij gloeien van een wild vuur. “Dat was voor mij genoeg, om de Spanjaarden te haten en mij ter beschikking van Koningin Elizabeth te stellen,” zegt Guy, na een pauze op somberen toon, “en als vrijbuiter in haar dienst, kwam ik ook in het bezit van dit miniatuur.”“Kunt gij mij ook zeggen,” vraagt hij plotseling, het miniatuurportret op ivoor, in diamanten gevat, te voorschijn halend, “wie de dame is, die hierop staat afgebeeld?”“Oho!” lacht de schilder met een ondeugende flikkering in zijn oogen. “Die vraag had ik verwacht, sinds gij mij verhaald hebt van de dame in de barge. Gaf zij u dit? Is zij ook getroffen door Cupido’s pijlen?”“Wat bedoelt gij daarmee?” bromt de Engelschman, terwijl hij verraderlijk bloost onder zijn verbrande huid.“Ik bedoel,” lacht Antony, “dat gij een man zijt, die tot over de ooren verliefd is. In uw verhaal over de gebeurtenissen van gisternacht werd telkens door u gewag gemaakt van de ‘godin in de barge’, de ‘schoone onbekende’, het ‘bevallige wezen in het nachtelijk donker’, de ‘feeachtige vormen, die de duisternis niet geheel kon verbergen’, de ‘stem zoo zoet als die van een engel’, uw gansche wijze van doen verried, dat zelfs de duisternis geen beletsel voor u geweest is, om verliefd te worden op de dame, die gij gered hebt uit de handen der Watergeuzen;en dat, ofschoon zij eigenlijk uw gevangene was, gij de hare waart. Ging het haar als u? Is zij ook verliefd, dat zij u haar portret gaf?”“Neen,” antwoordt Guy, “ik geloof, dat ik verliefd ben geweest op deze beeltenis, sinds ik die drie jaar geleden op zee veroverde.”Dit antwoord brengt den schilder geheel en al in verbazing. Hij mompelt: “Ik hield de Engelschen nooit voor een romantisch volk, maar gij leert mij, dat de Italianen slechts stumperds zijn, vergeleken met de eilandbewoners, waar het hartstocht betreft.Verliefd op een portret?”“Ja; het kwam in mijn handen onder vreemde omstandigheden,” antwoordt de Engelschman, een weinig gemelijk, want de artist spreekt op een schertsenden toon. “Op het eind van ’68 speelde ik tennis in Londen, toen de Koningin en haar eerste minister, Sir William Cecil, nu Lord Burleigh, mij lieten roepen. De schatkist der Koningin was leeg. Vijf Italiaansche schepen, die een leening van de Genueesche bankiers aan Alva overbrachten, ten bedrage van achthonderd duizend zilveren kronen, waren op weg naar Antwerpen—”“Ja,” valt de ander hem glimlachend in de rede, “ik weet het—het geld, waarmee de Hertog zijn troepen dacht te betalen—”“En waren in de haven van Southampton gedreven door kapers, afgezonden door den prins van Condé, die op den uitkijk had gestaan, om den schat te bemachtigen. De Spaansche ambassadeur had zich tot de Koningin gewend en schepen gevraagd ter bescherming. Daar men met Spanje in vrede verkeerde,moest men hem wel ter wille zijn, maar Elizabeths schatkist was leeg, en zij werd geplaagd door rekeningen van haar modiste en meer dergelijke vrouwenschulden en besloot dus, zich den schat toe te eigenen. Cecil had om mij gezonden, omdat hij wist, dat ik Spaansch sprak, en dacht dat ik de rechte man zou zijn, om dat zaakje te beredderen. Men had den Spaanschen gezant reeds verzocht, maatregelen te nemen voor het vervoer van den schat van Southampton naar Dover over land, waar zich schepen der Koningin ter bescherming zouden bevinden. Doch terwijl hij zijn toebereidselen maakte, ontving ik de volgende opdracht: ik moest naar Southampton gaan en den Franschen kapers tien duizend kronen aanbieden, als zij hun positie voor de haven niet verlieten, zoodat de Genueesche schepen niet durfden uitzeilen. Onderwijl won de Koningin inlichtingen in en vernam, dat het geld geleend was door Italiaansche kooplieden. ‘Als zij Alva kunnen leenen, kunnen zij het mij ook doen,’ dacht zij. Volgens de persoonlijke aanwijzingen van de Koningin van Engeland maakte ik mij meester van de achthonderd duizend zilveren kronen.”“En dat maakte Alva bijna razend! Ik zie hem nog voor mij,” lacht de schilder, “op den morgen, dat hij het bericht ontving, in blinde woede aan de beide punten van zijn baard rukkende. En van dat oogenblik af, heeft hij uw Koningin gehaat en u niet minder, die hem dwong, den Nederlanders zijn tienden penning op te leggen, om zijn troepen te kunnen betalen. Doch wat heeft de diefstal der Koningin van Engeland te maken met uw miniatuur-portret, zeg, vrijbuiter?”“Slechts dit,” antwoordt Guy. “Het eenige, wat ik van het Genueesche schip, toen ik het prijs maakte, voor mijzelven hield, was deze beeltenis. Te oordeelen naar de aanwijzing op het pakje, waarin het portret zich bevond, moest de dame, die het voorstelt, in de Nederlanden wonen. Hoogst aangenaam was mij dus de persoonlijke opdracht van Koningin Elizabeth, om naar hier over te steken en in haar belang zeeroover te worden; wel wist ik, dat ik daardoor mijn leven in de waagschaal stelde, maar ik wist ook, dat het mijn eenige kans was, om ooit in werkelijkheid het gelaat te aanschouwen, dat ik heb liefgehad van dien dag tot op heden. Noemt gij dat romantisme? Mij goed! Maar zeg nu, wie zij is.”“Wel,” antwoordt de schilder, “mag ik u als antwoord een ander portret laten zien?”“Van wien? Wat geef ik om portretten, behalve dit eene? Gij kunstenaars denkt altijd aan kunst—ik denk aan vleesch en bloed, die winnen het van kunst.”“Winnen zij het ook van dit?” lacht Oliver, en het gordijn op den achtergrond wegtrekkend, onthult hij een kolossaal altaarstuk, onafgewerkt behalve de hoofdfiguur, de Madonna. Guy is een en al verbazing, want het is de beeltenis van de vrouw, wier lippen hij den nacht tevoren heeft gekust, wier miniatuur-portret hij in de hand houdt; beurtelings staart hij nu van dit naar het prachtige altaarstuk, op de figuur van de Moeder Gods. Het moet een werk zijn, dat door de liefde geïnspireerd is.De Engelschman wordt vuurrood, daarna doodsbleek,en mompelt: “Gij bemint haar dus ook!” terwijl hij zijn vermeenden medeminnaar afgunstig aanziet.“Neen,” antwoordt Antony, “ik bemin de dame niet, al bemin ik mijn schilderij. Gij behoeft niet jaloersch te zijn, mijn waarde Engelschman, de vrouw, die ik bemin, is veel meer dan deze een wezen van vleesch en bloed—juffer Wilhelmina, dochter van den oud-burgemeester Bodé Volckers. Haar blonde beeltenis staat op dien ezel. Ik aarzel niet u mijn geheim toe te vertrouwen, zooals gij mij het uwe deedt. Maardit,” hij kijkt teeder naar het doek, “is een werk van liefde, liefde voor mijn kunst. Hierop heb ik al mijn hoop gebouwd, om een naam in de wereld achter te laten. Als ik mijn altaarstuk kan voltooien, eer de tijd komt, dat de hand, die mij bedreigt, mij in haar ijzeren greep vermorzelt, hoop ik in de herinnering te blijven voortleven—niet als de patriot, maar als de kunstenaar!”“En, bij den hemel! dat zult gij,” roept Guy uit, die natuurlijk niets liever wenscht, dan aan de beeltenis van de vrouw, die hij liefheeft, een onvergankelijken roem beschoren te zien, “want gij hebt niet alleen een Madonna geschilderd, maar een godin, waardig de Moeder Gods te zijn.” Hier maakt hij eerbiedig het teeken des kruises en beschouwt opnieuw het schilderstuk, dat zijn bewondering voorzeker ten volle verdient, niet alleen om de liefelijkheid van het model, maar ook om de oorspronkelijkheid van opvatting en den rijkdom van koloriet.In tegenstelling met het schilderstuk op den ezel, is dit altaarstuk geschetst op een parelgrijzen achtergrond,de Madonna is de eenige afgewerkte figuur, de beeltenis van Guy’s beminde.Het meisje staat daar in maagdelijke schoonheid; haar blanke, blauwgeaderde voeten rusten licht als die eener fee op een regenboog van het zachtste zonlicht; de lijnen van haar lichaam bezitten reeds de schoonheid der vrouw, maar zijn nog maagdelijk bevallig en teer; zij is gehuld in een eng sluitend wit gewaad, waarover een lange azuren mantel hangt. Op den blanken hals rust het gelaat van ongemeene schoonheid, welks zachte en toch schitterende oogen, koraalroode lippen, wangen, waarop rozen en leliën bloeien, Guy’s hart ook nu weer zoo onstuimig doen kloppen.Het geheel, vergoddelijkt door de groote ziel, die uit het aanminnig gelaat straalt, verlicht door zonnestralen en vol van die wonderschoone effecten van gouden licht en diepe, warme schaduwen, eigen aan de school van den Venetiaan Tintoretto, is wel geschikt om Guy halfgek van opgewondenheid te maken; want het is het levend, sprekend portret van de vrouw, die hij liefheeft, maar toch weer niet geheel en al aan haar gelijk.Want het schilderij geeft haar wisselende schoonheid slechts op een enkel moment te aanschouwen, en den vorigen nacht heeft hij telkens, als hij haar veranderlijke, beweeglijke, maar altijd edele trekken beschouwde, een verschillenden indruk van haar gekregen, heeft hij telkens een nieuwe bekoring in haar ontdekt.Hij roept ongeduldig den schilder toe: “Gij beantwoordt mijn vraag niet. Gij laat mij alleen ietszien, dat mijn verlangen, om haar naam te vernemen, nog meer moet prikkelen. Zeg mij, wie zij is!”Het antwoord, dat volgt, doet hem ontstellen en ontstemt hem tevens. “Zij is,” zegt Oliver langzaam, “het eenige wezen op aarde, dat Alva liefheeft!”“Neen, neen, dat wil ik niet gelooven,” brengt Chester met moeite uit.“Gij moet! Zij is het eenige wezen, dat hij aanbidt, het eenige wezen, dat de onderkoning van Spanje ooit met een liefkoozenden naam toespreekt.”“Ik kan u niet gelooven,” roept de Engelschman uit, zijn handen als in doodsangst wringend. “Zij is te rein, om de beminde te zijn van wien ook en het allerminst van dien duivel.”“Zij is niet te rein,” zegt de schilder langzaam, “om zijn dochter te zijn.”“Zijndochter?! Alle heiligen in den hemel!”“Ja, Hermoine de Alva is de dochter van den Hertog. Haar moeder, de gravin De Perugia, een Italiaansche dame van groote schoonheid, stierf vier jaren geleden. Sedert dien tijd heeft de Hertog Dona Hermoine bij zich genomen. Zij is de reinste, liefelijkste, edelste bloem, die Spanje ooit naar de Nederlanden heeft gezonden. Zij bezit even groote geestesgaven als haar vader, doch haar hart is even teeder als het zijne wreed is. Toch is zij de dochter van Alva en daarom, mijn Engelschman, vrees ik, dat uw liefde hopeloos is! Neem u in acht! Uw broeder beminde een Spaansch meisje!”Guy antwoordt hierop niets. Hij is diep doordrongen van de waarheid der laatste vernietigende opmerking van den schilder. Doch weldra komt deEngelsche onversaagdheid weer bij hem boven en hij roept uit:“Bij den hemel! Welk een triumf, om datgene, wat hij het meest liefheeft, aan Alva te ontrooven, om zijn eigen dochter, die hem dierbaarder is dan iets anders ter wereld, tot de bruid te maken, de geëerde en gevierde bruid van den man, op wiens hoofd hij drie duizend Carolus-guldens heeft gezet,—den vrijbuiter,—den ‘Eerste der Engelschen’!” en hij barst uit in een spottenden, triumfeerenden, maar hartelijken lach.
De zon staat reeds hoog aan den hemel, als Guy de oogen opent. De storm van den vorigen avond is bedaard, en de zon schijnt vroolijk, als om den spot te drijven met de arme boeren en landlieden in de naburige polders, die nog altijd in wanhoop verkeeren over hun vee, dat verdrinkt, en over het water, dat nog altijd niet valt. Chester kan, onder het kleeden, zich eenigszins een denkbeeld maken van de aangerichte verwoesting; want zijn kamer ziet uit op de rivier, en daarin drijven nog steeds doode schapen, koeien en varkens, en zelfs lijken van menschen.
Doch in de stad schijnt men zich daar weinig om te bekommeren. De storm heeft uitgewoed en nu maken de schepen zich gereed, om de Schelde af te zakken naar de Indiën en de Middellandsche zee; de kooplieden hebben hun waren in veiligheid gebracht; de handel van die dagen, zoo min als dievan heden, laat zich door den strijd van het menschdom ophouden.
Het geraas en rumoer dringt door tot in Guy’s kamertje van de Schoenmarkt en Eierstraten. Al de gilden van Antwerpen zijn heden druk in de weer en zien er tevreden uit, behalve dat van de slagers; dezen toch hebben menigen vetten os verloren, die graasde op de uitgestrekte weiden aan den Kowensteinschen dijk.
Daar het niet vroeg meer is, zijn de gasten, die de belendende kamertjes in gebruik hadden, reeds vertrokken. Guy, die, op zeemanswijze, halfgekleed te bed is gegaan, kan zich dus ongestoord verder aankleeden; alleen naast hem snorkt nog een dronkaard zijn roes uit.
Vervolgens begeeft hij zich naar het waschhuis van het logement in de benedenverdieping, waar hij kort proces maakt en voor een stuiver een ongebruikten handdoek machtig wordt.
Als hij zich heeft gewasschen, gaat Chester uit; hij voelt zich luchtig en opgewekt, niettegenstaande hem opnieuw het plakkaat onder de oogen komt, waarin men een prijs voor zijn hoofd uitlooft, en vervolgt haastig zijn weg door de vuile stegen van het lage gedeelte der stad naar de Wolstraat. Daar hij zich bij de familie Bodé Volckers tevergeefs om inlichtingen heeft aangemeld, en hij onderstelt, dat een herhaald bezoek hem niets verder zal brengen, besluit hij nogmaals naar den Franschen barbier te gaan, om te beproeven, of hij van dezen iets naders omtrent zijn huurder kan te weten komen. Want het is zaak, spoed te maken, daar een langer verblijf inde klauwen van zijn vijanden hem noodlottig kan worden; hij loopt toch ieder oogenblik gevaar, herkend te worden, want er houden zich altijd vele Vlaamsche handelaars uit Zeeland en Holland in de groote koopstad op, van wie eenigen den “Eerste der Engelschen” misschien van aanzien kennen en sommigen zeker niet te goed zouden zijn, om voor drie duizend Carolus-guldens alles ter wereld te verkoopen, zichzelven inbegrepen.
Als hij het huis van Jacques Touraine bereikt, wacht hem daar een aangename verrassing. De woordenrijke kleine Franschman komt hem reeds tegemoet en roept uit: “Hij verlangt al naar u, ik heb hem verteld, dat gij naar hem hebt gevraagd!”
“Hij—wie?” vraagt Guy.
“Wel, de schilder Antony Oliver. Hij is van morgen uit Brussel gekomen. Hij verlangt even sterk naar u, als gij naar hem.”
Maar de laatste woorden gaan verloren voor den Engelschman, die de twee steile trappen opsnelt naar het bovengedeelte van het huis, waar zich onder de dakpannen, tusschen de zwaluwnesten, de woonkamer, die tevens dienst doet als atelier, bevindt van Antonius Oliver, in de wandeling Antony genoemd, vervaardiger van geographische kaarten, heraut en bij wijlen tweeden secretaris van Alva, onderkoning der Nederlanden. Het inkomen van Antony is niet groot, zijn betrekking, al is het een post van vertrouwen, niet zeer hoog, ofschoon hij daardoor dikwijls in directe aanraking komt met den grooten Hertog. Want Oliver heeft er met al zijn vermogen naar gestreefd, het vertrouwen van zijn meester te winnen.
Hij is geboortig uit Bergen, dicht bij de Fransche grenzen, en heeft gedeeltelijk Fransch, gedeeltelijk Vlaamsch bloed in de aderen. Op het oogenblik is hij bezig het stof der reis van zijn gezicht te wasschen; Chester vindt hem zonder zijn wambuis en met een handdoek in de hand, als hij, na te hebben aangeklopt, binnentreedt.
“Ah!” roept hij, met een glimlach van vreugde op het gelaat, “ik ben blij u te zien, mijn vriend, mijn Guido.”
“En ik niet minder, dat ik u thuis vind, Antony, mijn jongen,” antwoordt Guy, hartelijk zijn hand uitstekend. Want enkele weken van samen doorgestaan gevaar hebben tusschen deze twee mannen een hechten vriendschapsband geknoopt.
“Ik ben blij u te zien,” vervolgt de Vlaming, “en toch ook weer niet.” Dan fluistert hij: “Gij weet van den prijs op uw hoofd?”
“Ja, ik heb het gezien,” antwoordt Guy kortweg.
“O, misschien in uw herberg?”
“Neen, in de wachtkamer van de Citadel.”
“Mon Dieu! Zijt gij dan gearresteerd en ondervraagd?” brengt de schilder angstig uit.
“Neen, ik kwam er als cavalier van een hooggeplaatste dame!” lacht de Engelsche zeeman. “Daarvoor ben ik bevorderd tot kolonel bij Romero’s musketiers!”
“Onmogelijk! Vertel mij uw avontuur!”
“Natuurlijk,” zegt Guy, “hangt het samen met de zaak, die mij in Antwerpen brengt.”
“Ja,” antwoordt de ander nadenkend, “die zaak moet wel hoogst belangrijk zijn, dat gij u weer zoo waagt.”
“Het is als altijd voor mijn Koningin!” fluistert Guy; “is er niemand in de buurt?”
“Neen, ik heb mijn leerling, Achille, uitgezonden met een verre boodschap, daar ik u verwachtte en u alleen wenschte te spreken.”
“Welke verre boodschap?”
“Ik zond hem uit om wijn, brood, kaas en vleeschop crediette koopen. Achille is een wakkere jongen, en als ik hem het geld had meegegeven, zou hij in een half uur terug zijn.” Vervolgens de deur grendelend en er een zwaar gordijn vóór schuivende, zegt Oliver: “Vertel mij nu alles.”
“Kunt gij deze brieven ontcijferen, waaraan, naar ik vermoed, het welzijn, ja zelfs het leven van mijn Koningin hangt?” fluistert de Engelschman. En terwijl hij het pakje voor den dag haalt, dat hij den vorigen avond aan het lijk van den verdronken Italiaan heeft ontnomen, vertelt Guy den schilder zijn zonderling wedervaren. Zijn verhaal wordt afgebroken door uitroepen van verwondering en levendige belangstelling, zelfs nu en dan door een luid gelach van zijn Vlaamschen toehoorder.
Als de Engelschman geëindigd heeft, neemt de schilder het woord.
“Ei!” roept hij uit, de documenten nauwkeurig bekijkend, “hebt gij deze gevonden op het lijk van den secretaris Chiapin Vitelli?” Dan voegt hij er aan toe: “Ik ben een der weinige personen, die ze zou kunnen lezen. Zij zijn geschreven in het bijzondere cijferschrift, dat op het geheime correspondentiebureau van mijn meester, mijn weldoener, in gebruik is; van hem, die mij mijn jaargeld betaalt, den man, wiens handik kus,—den Hertog van Alva!” Er komt een vreemd licht in zijn oogen, als hij spreekt van zijn weldoener. “Het is heel gemakkelijk te ontcijferen, als gij den sleutel hebt, dien ik van buiten heb geleerd en in mijn hoofd heb—ik durf hem nergens anders bewaren.”
“Deel mij dan den inhoud van deze brieven mee!”
“Zeker,” zegt de artist. “Gij kunt u intusschen onledig houden met het bekijken van mijn schetsen.”
Haastig begint hij aan zijn werk, terwijl Guy zijn tijd doorbrengt met het bezien van een aantal studiën in houtskool op doek en paneelen, blijkbaar het werk van den jongen Vlaming. Aan de eene zijde van het vertrek bevindt zich een marmeren plaat om verven te wrijven, waarop een aantal penseelen, een palet en eenige kleine blazen met grondverf, zooals de artisten in dien tijd gebruikten. Op een ezel staat het onvoltooide portret van een blondharig, blauwoogig Vlaamsch meisje, een werkelijke schoonheid, ofschoon van een iet of wat boersch type. Dit is geteekend in den trant der Venetiaansche school, op wat men toen noemde: een rooden grond. Op den achtergrond van het vertrek hangt een groot gordijn, dat een meer belangrijk werk schijnt te verbergen, het is tenminste even breed als de geheele muur der kamer.
“Schuif het niet weg,” zegt de schilder opkijkende, als hij hoort, dat Guy het gordijn nadert. “Ik heb nog een aardige verrassing voor u in petto,” en ophoudende met lezen, kijkt hij den Engelschman snaaks aan. “Iets, wat u bijzonder zal interesseeren, naar ik meen; gij kondt het gelaat van de schooneuit de barge niet onderscheiden?” Want Guy heeft in zijn beschrijving van het avontuur van den vorigen nacht, met de aangeboren kieschheid van den edelman en den minnaar, opzettelijk geen woord gesproken over de ontmoeting in het huis van de gravin van Mansfeld met de dame, die hij bevrijdde.
“Wat bedoelt gij?” vraagt Guy levendig. “Wacht een oogenblik,” en een half onderdrukte kreet van verbazing roept Guy aan de zijde van den schilder, die blijkbaar in hevige gemoedsbeweging is gebracht door het ontcijferen van het geheimschrift.
Ongeduldig staat Guy daar te wachten op den uitslag van het onderzoek der documenten.
Een oogenblik later kijkt Oliver op en zegt: “Ik kan u nu in hoofdzaak zeggen, wat de inhoud der brieven is.”
“En wat behelzen zij dan?” vraagt Guy ongeduldig.
“Het zijn twee brieven, geschreven door Chiapin Vitelli, Alva’s vertrouwde, en waarschijnlijk aan zijn secretaris gegeven—zoo groot is hun waarde—om ze persoonlijk te overhandigen aan een zekeren Ridolfi, een Italiaan, die bankier is in Londen.”
“Ridolfi? Ja, ik heb wel van hem gehoord. Hij moet groote zaken doen met Italië; hij is goudsmid zoowel als bankier en woont op Cheapside,” zegt Guy. “Maar wat heeft hij er mee te maken?”
“Wel, dit is blijkbaar één brief uit een reeks van brieven, van welke eenige beantwoord moeten zijn, waarin Alva onderhandelingen voert met Ridolfi, waarschijnlijk de agent van den hertog van Norfolk, den man, die plannen maakte voor een huwelijk met de Koningin van Schotland en die zich nu in Elizabethshanden bevindt—onderhandelingen, welke betrekking hebben op het vergiftigen der Koningin van Engeland.”
“Mijn vorstin vergiftigen! Groote God!” brengt Guy met moeite uit. Een oogenblik later vervolgt hij, zich tot kalmte dwingend: “Ja, geruchten van dit of een dergelijk complot zijn reeds ter oore gekomen van Lord Burleigh, den eersten minister. Gij weet, dat ik, juist om dit nader te onderzoeken, hierheen ben gezonden, ofschoon verloochend door mijn Koningin, die voor het oogenblik schijnbaar met Alva vrede wenscht, maar die op haar beurt afrekening zal houden,—een Engelsche afrekening, dat kan ik u verzekeren,—met uw Spaanschen tyran!”
“Dat weet ik. Daarom juist help ik u,” mompelt de schilder. “Op Elizabeth alleen is de hoop der Nederlanders gevestigd. Wij zijn verslagen en vernietigd te Jemmingen, de prins van Oranje, naar Duitschland gevlucht, leeft in ballingschap; Frankrijk wordt geheel in beslag genomen door zijn eigen zaken, Coligny en Condé kunnen ieder oogenblik slaags raken met de Ligue, en op hun bijstand valt dus niet te rekenen,—van Engeland alleen kan nog redding komen. Als zoodanig heb ik u verwelkomd als den ‘Eerste der Engelschen’, om de Nederlanders bij te staan. Gij zult niet delaatstezijn—ik weet het! Maar,”—en het gelaat van den schilder wordt bezield door een patriotisch vuur,—“wijzelven moeten ook handelen. Daarom heb ik mij veroordeeld, om te leven onder de vreeselijkste onrust, waarin iemand kan verkeeren,—een verraderin de naaste omgeving, in het bureau van den Spaanschen onderkoning, om Lodewijk van Nassau en Willem den Zwijger op de hoogte te kunnen houden van zijn plannen. Ontdekking staat gelijk met—nu, dat weet gij!”
Hij lacht, maar het is een akelige lach, en hij vervolgt fluisterend: “Wat zou Alva, die menschen levend roostert, omdat zij op Vrijdag vleesch eten; die vrouwen onthoofdt, omdat zij haar eigen mannen een schuilplaats verleenen; die zijn troepen veroorlooft om te branden, te rooven en te plunderen; wat zou hij doen met een ontmaskerd spion in zijn eigen omgeving? Zijn er wel genoeg pijnbanken, duimschroeven en takkenbossen voor zoo iemand te vinden?” Hij huivert, doch voegt er daarna vastberaden bij: “Maar ik trotseer alles voor mijn vaderland!”
“En ik voor het mijne,” antwoordt Guy. “Op mijn hoofd is een prijs gezet als zeeroover, maar ik waag het voor mijn Koningin. Elizabeth schenkt mij haar glimlachjes, als ik aan haar hof verschijn, noemt mij haar dapperen vrijbuiter en vertelt toch aan den ambassadeur van Philips van Spanje, dat ik hier voor mijn eigen rekening ben; zij verloochent mij, ofschoon zij weet, dat het om harentwille is, om haar leven te beschermen, om zulke verfoeilijke samenzweringen als deze te ontdekken, dat ik mijn leven waag! Buitendien,” vervolgt hij met een onheilspellende flikkering in zijn oogen, “houd ik niet van Spanjaarden.”
“Persoonlijk,” merkt de Vlaamsche schilder op, “heb ik eenige zeer aangename menschen onder hen aangetroffen; ofschoon er in Alva’s leger een ontelbaaraantal schurken zijn. Maar het is voor mijn vaderland, dat ik een leven vol onrust leid, met het zwaard van Damocles steeds boven mijn hoofd.”
Guy behoeft den schilder slechts aan te zien, om te weten, dat hij de waarheid spreekt. De man is klein van persoon en ziet er nietig uit, al is hij ook welgebouwd en vlug en veerkrachtig; maar hij heeft zachte, denkende oogen, bijzonder fijn gevormde, beweeglijke lippen en een hoog, schrander voorhoofd. Chester is er van overtuigd, dat Antony Oliver een moedig man is. En hij weet nu tevens, dat diens zenuwgestel is aangedaan door de vrees voor ontdekking, waarin hij aanhoudend verkeert.
Toch komt hij rond voor zijn meening uit.
“Ik haat iederen Spanjaard, edelman of boer, omdat ik een broeder heb, die in de gevangenis van de Inquisitie op Hispaniola zit.
“Arme jongen!” mompelt de schilder met een lichte huivering. “Op Hispaniola! dat is een heel eind weg!”
“Niet voor een Engelschen zeeman. Zeven jaren geleden zeilden Dick en ik, beiden vol jeugdig vuur, met kapitein Ned Lovell naar de Spaansche bezittingen en dreven daar handel met de Dons van Hispaniola en woonden daar, omdat wij katholiek waren, ongemoeid in de stad Haytien en verwierven rijkdommen. Toen keerde ik met onze klinkende munt naar mijn geliefd Engeland terug, Dick achterlatend, om de rest van onze koopwaren in goud om te zetten, en mij daarna te volgen. Een jaar verliep. Geen Dick, maar Hawkins bracht bij de thuiskomst van zijn derde reis het bericht mede, dat Dick verliefdwas geworden op een Spaansch meisje, dat zijn medeminnaars hem hadden aangeklaagd als een Engelschen ketter, en de—Inquisitie—” Hier begeeft hem de stem, er staan tranen in zijn oogen, ofschoon zij gloeien van een wild vuur. “Dat was voor mij genoeg, om de Spanjaarden te haten en mij ter beschikking van Koningin Elizabeth te stellen,” zegt Guy, na een pauze op somberen toon, “en als vrijbuiter in haar dienst, kwam ik ook in het bezit van dit miniatuur.”
“Kunt gij mij ook zeggen,” vraagt hij plotseling, het miniatuurportret op ivoor, in diamanten gevat, te voorschijn halend, “wie de dame is, die hierop staat afgebeeld?”
“Oho!” lacht de schilder met een ondeugende flikkering in zijn oogen. “Die vraag had ik verwacht, sinds gij mij verhaald hebt van de dame in de barge. Gaf zij u dit? Is zij ook getroffen door Cupido’s pijlen?”
“Wat bedoelt gij daarmee?” bromt de Engelschman, terwijl hij verraderlijk bloost onder zijn verbrande huid.
“Ik bedoel,” lacht Antony, “dat gij een man zijt, die tot over de ooren verliefd is. In uw verhaal over de gebeurtenissen van gisternacht werd telkens door u gewag gemaakt van de ‘godin in de barge’, de ‘schoone onbekende’, het ‘bevallige wezen in het nachtelijk donker’, de ‘feeachtige vormen, die de duisternis niet geheel kon verbergen’, de ‘stem zoo zoet als die van een engel’, uw gansche wijze van doen verried, dat zelfs de duisternis geen beletsel voor u geweest is, om verliefd te worden op de dame, die gij gered hebt uit de handen der Watergeuzen;en dat, ofschoon zij eigenlijk uw gevangene was, gij de hare waart. Ging het haar als u? Is zij ook verliefd, dat zij u haar portret gaf?”
“Neen,” antwoordt Guy, “ik geloof, dat ik verliefd ben geweest op deze beeltenis, sinds ik die drie jaar geleden op zee veroverde.”
Dit antwoord brengt den schilder geheel en al in verbazing. Hij mompelt: “Ik hield de Engelschen nooit voor een romantisch volk, maar gij leert mij, dat de Italianen slechts stumperds zijn, vergeleken met de eilandbewoners, waar het hartstocht betreft.Verliefd op een portret?”
“Ja; het kwam in mijn handen onder vreemde omstandigheden,” antwoordt de Engelschman, een weinig gemelijk, want de artist spreekt op een schertsenden toon. “Op het eind van ’68 speelde ik tennis in Londen, toen de Koningin en haar eerste minister, Sir William Cecil, nu Lord Burleigh, mij lieten roepen. De schatkist der Koningin was leeg. Vijf Italiaansche schepen, die een leening van de Genueesche bankiers aan Alva overbrachten, ten bedrage van achthonderd duizend zilveren kronen, waren op weg naar Antwerpen—”
“Ja,” valt de ander hem glimlachend in de rede, “ik weet het—het geld, waarmee de Hertog zijn troepen dacht te betalen—”
“En waren in de haven van Southampton gedreven door kapers, afgezonden door den prins van Condé, die op den uitkijk had gestaan, om den schat te bemachtigen. De Spaansche ambassadeur had zich tot de Koningin gewend en schepen gevraagd ter bescherming. Daar men met Spanje in vrede verkeerde,moest men hem wel ter wille zijn, maar Elizabeths schatkist was leeg, en zij werd geplaagd door rekeningen van haar modiste en meer dergelijke vrouwenschulden en besloot dus, zich den schat toe te eigenen. Cecil had om mij gezonden, omdat hij wist, dat ik Spaansch sprak, en dacht dat ik de rechte man zou zijn, om dat zaakje te beredderen. Men had den Spaanschen gezant reeds verzocht, maatregelen te nemen voor het vervoer van den schat van Southampton naar Dover over land, waar zich schepen der Koningin ter bescherming zouden bevinden. Doch terwijl hij zijn toebereidselen maakte, ontving ik de volgende opdracht: ik moest naar Southampton gaan en den Franschen kapers tien duizend kronen aanbieden, als zij hun positie voor de haven niet verlieten, zoodat de Genueesche schepen niet durfden uitzeilen. Onderwijl won de Koningin inlichtingen in en vernam, dat het geld geleend was door Italiaansche kooplieden. ‘Als zij Alva kunnen leenen, kunnen zij het mij ook doen,’ dacht zij. Volgens de persoonlijke aanwijzingen van de Koningin van Engeland maakte ik mij meester van de achthonderd duizend zilveren kronen.”
“En dat maakte Alva bijna razend! Ik zie hem nog voor mij,” lacht de schilder, “op den morgen, dat hij het bericht ontving, in blinde woede aan de beide punten van zijn baard rukkende. En van dat oogenblik af, heeft hij uw Koningin gehaat en u niet minder, die hem dwong, den Nederlanders zijn tienden penning op te leggen, om zijn troepen te kunnen betalen. Doch wat heeft de diefstal der Koningin van Engeland te maken met uw miniatuur-portret, zeg, vrijbuiter?”
“Slechts dit,” antwoordt Guy. “Het eenige, wat ik van het Genueesche schip, toen ik het prijs maakte, voor mijzelven hield, was deze beeltenis. Te oordeelen naar de aanwijzing op het pakje, waarin het portret zich bevond, moest de dame, die het voorstelt, in de Nederlanden wonen. Hoogst aangenaam was mij dus de persoonlijke opdracht van Koningin Elizabeth, om naar hier over te steken en in haar belang zeeroover te worden; wel wist ik, dat ik daardoor mijn leven in de waagschaal stelde, maar ik wist ook, dat het mijn eenige kans was, om ooit in werkelijkheid het gelaat te aanschouwen, dat ik heb liefgehad van dien dag tot op heden. Noemt gij dat romantisme? Mij goed! Maar zeg nu, wie zij is.”
“Wel,” antwoordt de schilder, “mag ik u als antwoord een ander portret laten zien?”
“Van wien? Wat geef ik om portretten, behalve dit eene? Gij kunstenaars denkt altijd aan kunst—ik denk aan vleesch en bloed, die winnen het van kunst.”
“Winnen zij het ook van dit?” lacht Oliver, en het gordijn op den achtergrond wegtrekkend, onthult hij een kolossaal altaarstuk, onafgewerkt behalve de hoofdfiguur, de Madonna. Guy is een en al verbazing, want het is de beeltenis van de vrouw, wier lippen hij den nacht tevoren heeft gekust, wier miniatuur-portret hij in de hand houdt; beurtelings staart hij nu van dit naar het prachtige altaarstuk, op de figuur van de Moeder Gods. Het moet een werk zijn, dat door de liefde geïnspireerd is.
De Engelschman wordt vuurrood, daarna doodsbleek,en mompelt: “Gij bemint haar dus ook!” terwijl hij zijn vermeenden medeminnaar afgunstig aanziet.
“Neen,” antwoordt Antony, “ik bemin de dame niet, al bemin ik mijn schilderij. Gij behoeft niet jaloersch te zijn, mijn waarde Engelschman, de vrouw, die ik bemin, is veel meer dan deze een wezen van vleesch en bloed—juffer Wilhelmina, dochter van den oud-burgemeester Bodé Volckers. Haar blonde beeltenis staat op dien ezel. Ik aarzel niet u mijn geheim toe te vertrouwen, zooals gij mij het uwe deedt. Maardit,” hij kijkt teeder naar het doek, “is een werk van liefde, liefde voor mijn kunst. Hierop heb ik al mijn hoop gebouwd, om een naam in de wereld achter te laten. Als ik mijn altaarstuk kan voltooien, eer de tijd komt, dat de hand, die mij bedreigt, mij in haar ijzeren greep vermorzelt, hoop ik in de herinnering te blijven voortleven—niet als de patriot, maar als de kunstenaar!”
“En, bij den hemel! dat zult gij,” roept Guy uit, die natuurlijk niets liever wenscht, dan aan de beeltenis van de vrouw, die hij liefheeft, een onvergankelijken roem beschoren te zien, “want gij hebt niet alleen een Madonna geschilderd, maar een godin, waardig de Moeder Gods te zijn.” Hier maakt hij eerbiedig het teeken des kruises en beschouwt opnieuw het schilderstuk, dat zijn bewondering voorzeker ten volle verdient, niet alleen om de liefelijkheid van het model, maar ook om de oorspronkelijkheid van opvatting en den rijkdom van koloriet.
In tegenstelling met het schilderstuk op den ezel, is dit altaarstuk geschetst op een parelgrijzen achtergrond,de Madonna is de eenige afgewerkte figuur, de beeltenis van Guy’s beminde.
Het meisje staat daar in maagdelijke schoonheid; haar blanke, blauwgeaderde voeten rusten licht als die eener fee op een regenboog van het zachtste zonlicht; de lijnen van haar lichaam bezitten reeds de schoonheid der vrouw, maar zijn nog maagdelijk bevallig en teer; zij is gehuld in een eng sluitend wit gewaad, waarover een lange azuren mantel hangt. Op den blanken hals rust het gelaat van ongemeene schoonheid, welks zachte en toch schitterende oogen, koraalroode lippen, wangen, waarop rozen en leliën bloeien, Guy’s hart ook nu weer zoo onstuimig doen kloppen.
Het geheel, vergoddelijkt door de groote ziel, die uit het aanminnig gelaat straalt, verlicht door zonnestralen en vol van die wonderschoone effecten van gouden licht en diepe, warme schaduwen, eigen aan de school van den Venetiaan Tintoretto, is wel geschikt om Guy halfgek van opgewondenheid te maken; want het is het levend, sprekend portret van de vrouw, die hij liefheeft, maar toch weer niet geheel en al aan haar gelijk.
Want het schilderij geeft haar wisselende schoonheid slechts op een enkel moment te aanschouwen, en den vorigen nacht heeft hij telkens, als hij haar veranderlijke, beweeglijke, maar altijd edele trekken beschouwde, een verschillenden indruk van haar gekregen, heeft hij telkens een nieuwe bekoring in haar ontdekt.
Hij roept ongeduldig den schilder toe: “Gij beantwoordt mijn vraag niet. Gij laat mij alleen ietszien, dat mijn verlangen, om haar naam te vernemen, nog meer moet prikkelen. Zeg mij, wie zij is!”
Het antwoord, dat volgt, doet hem ontstellen en ontstemt hem tevens. “Zij is,” zegt Oliver langzaam, “het eenige wezen op aarde, dat Alva liefheeft!”
“Neen, neen, dat wil ik niet gelooven,” brengt Chester met moeite uit.
“Gij moet! Zij is het eenige wezen, dat hij aanbidt, het eenige wezen, dat de onderkoning van Spanje ooit met een liefkoozenden naam toespreekt.”
“Ik kan u niet gelooven,” roept de Engelschman uit, zijn handen als in doodsangst wringend. “Zij is te rein, om de beminde te zijn van wien ook en het allerminst van dien duivel.”
“Zij is niet te rein,” zegt de schilder langzaam, “om zijn dochter te zijn.”
“Zijndochter?! Alle heiligen in den hemel!”
“Ja, Hermoine de Alva is de dochter van den Hertog. Haar moeder, de gravin De Perugia, een Italiaansche dame van groote schoonheid, stierf vier jaren geleden. Sedert dien tijd heeft de Hertog Dona Hermoine bij zich genomen. Zij is de reinste, liefelijkste, edelste bloem, die Spanje ooit naar de Nederlanden heeft gezonden. Zij bezit even groote geestesgaven als haar vader, doch haar hart is even teeder als het zijne wreed is. Toch is zij de dochter van Alva en daarom, mijn Engelschman, vrees ik, dat uw liefde hopeloos is! Neem u in acht! Uw broeder beminde een Spaansch meisje!”
Guy antwoordt hierop niets. Hij is diep doordrongen van de waarheid der laatste vernietigende opmerking van den schilder. Doch weldra komt deEngelsche onversaagdheid weer bij hem boven en hij roept uit:
“Bij den hemel! Welk een triumf, om datgene, wat hij het meest liefheeft, aan Alva te ontrooven, om zijn eigen dochter, die hem dierbaarder is dan iets anders ter wereld, tot de bruid te maken, de geëerde en gevierde bruid van den man, op wiens hoofd hij drie duizend Carolus-guldens heeft gezet,—den vrijbuiter,—den ‘Eerste der Engelschen’!” en hij barst uit in een spottenden, triumfeerenden, maar hartelijken lach.