HOOFDSTUK IX.

HOOFDSTUK IX.“GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT.”Op den morgen van den tweeden dag na het zooeven vermelde, landt Chester te Sandwich en reist met postpaarden, zoo vlug als hij kan, naar Londen.Als hij in de hoofdstad aankomt, hoort hij dat zijn vorstin en haar hof zich te Hampton bevinden, en verneemt hij tevens tot zijn groote vreugde, dat de Koningin in blakenden welstand verkeert. Hij is dus tijdig genoeg gekomen, om tot Engelands heil elken aanslag van het Borgia-complot te verijdelen.Want in die dagen vreesde iedere ware Engelschman, Katholiek of Protestant, dat Elizabeth op de een of andere wijze door Italiaansche sluipmoordenaars uit den weg zou worden geruimd en de kroon zou overgaan op haar wettige troonopvolgster, Maria, koningin van Schotland, die nu de gevangene van Elizabeth was; men wist dat de hertog van Norfolk, een geloovig Katholiek, niet alleen den toeleg had, de schoone Maria op den troon van Engeland te zetten, maar ook haar te huwen en naast haar te regeeren als prins-gemaal. Dit zou Brittannië geheelonder den invloed van Philips II van Spanje hebben gebracht en den weg hebben gebaand voor zijn lievelingsplan, de vestiging der Inquisitie in Engeland, met al haar verschrikkingen van brandstapels, geeselingen en martelingen, zooals die in Nederland in practijk werden gebracht, onder soortgelijke omstandigheden, door Alva, zijn onderkoning.Al is hij een goed Katholiek, zoo is Guy toch ook een goed Engelschman en uitermate bezorgd voor de veiligheid van zijn Protestantsche koningin.Dit alles maakt, dat Guy rust noch duur heeft, zoolang zij niet is gewaarschuwd voor het gevaar, dat haar dreigt van de zijde van Ridolfi, Alva’s agent te Londen.Hij zet zich dus opnieuw te paard, ofschoon hij doodelijk vermoeid is door zijn langen rit van Sandwich, en komt vroeg in den avond aan het paleis te Hampton Court aan. Het gelukt hem, onmiddellijk toegelaten te worden bij Cecil, Lord Burleigh, en hij geeft hem de brieven in cijferschrift van Vitelli aan Ridolfi en ook den sleutel, dien Oliver hem heeft verschaft.Als Guy haastig de strekking van deze brieven vermeldt, zegt de Lord met een ernstig gelaat: “Gij hebt den staat een grooten dienst bewezen. Maar gij hebt zeker den geheelen dag gereden; ik zal er voor zorgen, dat gij iets te eten en te drinken krijgt en u eenigszins verfrisschen kunt,” en een lakei roepend, geeft hij daarvoor zijn bevelen. “Terwijl gij wat uitrust, zal ik met mijn ondersecretaris de brieven ontcijferen en overschrijven voor de Koningin. Gij kunt ze haar dan persoonlijk overhandigen, daar hebt gij recht op.”De jonge man is met deze schikking zeer ingenomen, want hij heeft twaalf uren in den zadel gezeten en onderweg maar weinig voedsel tot zich genomen.Een uur later vergezelt Guy, die door het gebruik van een stevig maal en een flesch wijn weer geheel bekomen is, Lord Burleigh,—thans Elizabeths eerste minister en de machtigste man in Engeland,—naar de audiëntie-kamer van Hare Majesteit, waar deze hen zonder ceremonieel ontvangt. De Koningin is in groot toilet, het keurslijf, dat de ivoorwitte schouders onbedekt laat, fonkelt van juweelen, en de hals is versierd met een snoer van paarlen en diamanten. Elizabeth is zeer ijdel, waartoe zij ook het recht heeft, als de dochter van Anna Boleyn, de beauté van haar vaders hof, en zij staat daar vóór hen in een opzichtig sleepgewaad, bezaaid met edelgesteenten, de voeten gestoken in Spaansche schoenen met hooge hakken,—een beeld van ijdelheid, geest, waardigheid en heerschers-bewustzijn. Kortom, zij is de goede “Queen Bess”, in den bloei des levens, vijf en dertig jaren, en behoeft den ouderdom nog niet te duchten, die haar schoonheid zal doen verwelken en haar van haar goed humeur zal berooven.“Mijn goede Burleigh,” zegt zij, “wat zijt ge toch altijd haastig! Ik heb juist uw mededeeling ontvangen en daar gij mij liet weten, dat er veel van spoedig handelen afhangt, heb ik vijf gerechten van mijn souper voorbij laten gaan en mijn kameniers naar een plaats gezonden, waar haar nieuwsgierige ooren geen vertrouwelijk gesprek kunnen afluisteren. En gij, Master Chester, mijn zeeroover, hebt gij opnieuwachthonderd duizend kronen van Alva binnen het rechtsgebied van mijn koninkrijk ontdekt?”“Neen,” antwoordt Burleigh, terwijl de twee mannen diep voor haar buigen. “Master Chester heeft enkel een complot van den hertog van Alva tegen uw leven ontdekt. Deze brieven van Vitelli, zijn veldmaarschalk en vertrouwde, aan Ridolfi, den Italiaanschen bankier te Londen, zijn er het bewijs van.”“O! in cijferschrift,” zegt de Koningin, ze inkijkend.“Ja, maar dank zij Master Chester’s bereidvaardigheid om zijn leven opnieuw voor Uwe Majesteit te wagen, heeft hij den sleutel in Antwerpen weten te krijgen. De brieven zijn nu overgebracht in het Engelsch.”“Gauw—geef ze hier!” En Elizabeth gaat zitten en kijkt ze haastig door, waarna zij uitroept: “Zij wilden mij dus vergiftigen en dien verrader Norfolk op den troon zetten als prins-gemaal van de vrouw, die mijn gevangene is.Dat beslist het lot van Norfolk! Hij is gisteren door de Lords veroordeeld wegens hoogverraad. Deze brieven, Burleigh, zijn zijn doodvonnis. Met de dame zal ik later afrekenen, en wat Ridolfi betreft—”“Er zijn reeds orders gegeven, om Ridolfi gevangen te nemen, Uwe Majesteit,” valt Burleigh haar in de rede.“Zeer goed,” antwoordt Elizabeth, “dan is er voor het oogenblik niets meer te doen dan van kok te veranderen; en”—hier komt er een vriendelijke uitdrukking in de oogen van Hare Majesteit—“en dezen jongen man te beloonen, dien wij, uit politieke overwegingen, vogelvrij verklaard hebben; maar metdat al hebben wij toch veel met zeeroovers op! Denk maar aan onzen Francis Drake, die niet meer geeft om te eten of te drinken dan om een Spanjaard te berooven en tien percent van zijn buit in te palmen. En aan den ouden John Hawkins, die negers gaat vangen op de kust van Afrika, om ze aan de Dons te verkoopen en dezen den hals afsnijdt, terwijl hij met hen handelt,—alles voor de glorie van Engeland! Inderdaad, Burleigh,—ik zeg het met overtuiging,—kapers zijn mijn beste onderdanen. Daar ik echter mijn potsenmakers vanavond om uwentwil heb weggezonden, Master Chester, zijt gij verplicht, mij daarvoor een kleine vergoeding te schenken. Vertel mij eens wat van uw avonturen in de Nederlanden.”Guy voldoet aan dit verlangen en Hare Majesteit luistert met beide ooren; af en toe kost het haar moeite, een lach te onderdrukken en geeft zij Burleigh een paar tikjes met haar waaier, maar vooral is zij een en al aandacht, als Chester haar vertelt van Dona Hermoine de Alva en van de herhaalde ontmoetingen, die hij met die jonge dame heeft gehad. En Guy, die door zijn onderwerp in vuur geraakt, beschrijft met schitterende oogen de schoonheid van het meisje.“Gij drommelsche kerel!” roept Elizabeth uit, als hij geëindigd heeft. “Dat is een geschiedenis, even romantisch als de troubadours verhalen van Amadi de Gaule, die meisjes redde uit de handen van reuzen, evenals gij het die nuffige miss Alva deed uit de handen der Watergeuzen. Waarachtig, Burleigh, ik ben bang, dat zijn loyauteit er onder geleden heeft.“Terwijl hij over die kleine Spaansche heks spreekt, ziet Master Chester zijn Engelsche vorstin aan op een wijze, waarvoor de Lords hem zouden kunnen veroordeelen als schuldig aan hoogverraad.”“O, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, evenzeer hoveling als zeeroover, “als liefde hoogverraad is, dan is iedere jonge Engelschman, die zijn koningin aankijkt, een verrader.”Zijn vurige blik zet kracht aan zijn woorden bij, en dat kost hem ook geen moeite, want Elizabeth is in den vollen bloei van haar schoonheid,—een schoonheid, waarvan men zich thans kwalijk meer een voorstelling kan maken, daar haar meeste portretten zijn gemaakt, toen zij vijftig jaren en daarboven was. Maar nu Chester haar bewonderend aanziet, is zij pas vijf en dertig.“En ik wil dien vermetelen vleier straffen,” zegt zij lachend, “ofschoon hij geen verrader is. Geef mij uw zwaard, Guy Chester.”De jonge man wil zijn zwaard afgespen. “Neen, bloot, zooals gij het tegen uw vijanden gebruikt.”Terwijl Guy het uit de scheede trekt, zich op één knie nederlaat en het aan zijn koningin overhandigt, vervult hem eensklaps de hoop op een onverwachte, roemvolle onderscheiding.“Hij is, naar ik hoor, van goede geboorte, Burleigh?”“Uwe Majesteit,” antwoordt Cecil, buigend, “van moeders zijde heeft hij het bloed van Lord Stanhope van Harrington in zijn aderen. Zijn vader is een neef van de Stanleys en high sheriff van Cheshire. Zijn grootvader werd tot ridder geslagen.”“Dan,” zegt de koningin van Engeland, “zal hij eveneens ridder zijn!” En zij geeft hem met haar kleine hand den ridderslag, zeggende: “Sta op, Sir Guy Chester!”Maar Sir Guy staat niet op, eer hij hulde heeft bewezen aan de schoone hand, die hem heeft geridderd, en hij doet dit met zooveel geestdrift, dat Hare Majesteit rood wordt in het aangezicht en uitroept: “Het schijnt wel, dat dit Spaansche meisje hem een nieuwe manier heeft geleerd, om de hand te kussen.”En als de jonge man weer vóór haar staat, reikt zij hem het zwaard over, het bij het lemmet vasthoudend en hem het gevest toestekend, en zegt: “Moogt gij dit, nu gij tot ridder zijt geslagen, evenals vroeger gebruiken tot schrik van Engelands vijanden; vooral tot schrik van Alva,—spaar hem niet ter wille van zijn dochter.”“Neen,” antwoordt Guy, “want iedere slag, dien ik tegen den vader richt, brengt mij nader tot de dochter.”“Wel heb ik van mijn leven!” spot Hare Majesteit, “wat denkt deze nieuwbakken ridder Chester dan te doen met de dochter van een vorst?”“Haar tetrouwen, als God het wil en Uwe Majesteit het genadig veroorlooft,” roept Guy uit en trekt zich terug met Lord Burleigh, de koningin van Engeland in een opgewekte stemming achterlatend, daar zij recht in haar schik is met haar nieuwen ridder.Doch niettegenstaande Chester’s waarschuwing hoogstwaarschijnlijk haar leven heeft gered, slaatElizabeth—die, hoe groot zij ook is als Koningin, waar het staatszaken geldt, een zonderlinge zuinigheid in practijk brengt,—volstrekt geen acht op Chester’s herhaald verzoek om geld, teneinde zijn schip te kunnen repareeren en zijn bemanning te betalen. En daar hij brandt van verlangen, om opnieuw naar de Nederlanden over te steken, gebruikt hij de honderd goudstukken, het geschenk van zijn beminde, om zijn schip uit te rusten tegen haar vader, de helft er van bestedende voor de verfraaiing en versiering van de hutten derDover Lassen haar salons zoo rijk stoffeerende, dat Harry Dalton, zijn eerste luitenant, uitroept: “Bij alle mooie meisjes van Plymouth, men zou haast denken, dat hij ter kaapvaart uitgaat op een vrouw!”Maar ondanks de honderd goudstukken, is Chester spoedig weer zonder voldoende middelen om zijn schip zeilklaar te maken, en hij gaat dus weer van Sandwich naar Londen, om zijn gierige vorstin opnieuw om geld te verzoeken.Meenende beter te zullen slagen, als hij Burleigh in den arm neemt, die den meesten invloed op de Koningin heeft en altijd getoond heeft, zijn vriend te zijn, treedt Chester op zekeren namiddag in het laatst van Maart het kabinet van dien edelman binnen, die in gepeins verzonken zit.“Gij zijt juist de man, dien ik moet hebben, Sir Guy,” zegt hij levendig. “Vertel mij eens alles, wat gij weet van de Watergeuzen, die Nederlandsche zeeschuimers.”“Dat, Mylord, kan ik in weinige woorden doen,”antwoordt Chester. “Het zijn mannen uit alle standen, van Brabant, Vlaanderen, Friesland, Holland—kortom uit alle provinciën, waar Alva gebiedt; door wreedheid en vervolging worden zij gedwongen, hun heil te zoeken op de zee, want op het land te blijven, staat voor hen gelijk met den dood op den brandstapel, na voorafgaande foltering. Zij zijn buiten de wet gesteld wegens hun verzet tegen de Spaansche dwingelandij. Onder hen bevinden zich mannen, hoog in aanzien bij den prins van Oranje, die aan hun bedrijf eenigermate een wettig karakter heeft trachten te geven, door hun lastbrieven uit te reiken, waarvan ik de eer heb er ook een te bezitten, met den penning, die er bij behoort,” en hij vertoont zijn Geuzenpenning, dien hij altijd bij zich draagt, aan Lord Burleigh. “Tot hen behoort zoowel de ridder Bloys van Treslong en Willem van der Marck, baron van Lumey, als Dirk Duyvel, wiens naam hem reeds kenmerkt als een echten vrijbuiter. Maar waarom stelt gij zooveel belang in de Watergeuzen?”“Om deze reden. Vijf en twintig schepen, met dat volkje bemand, zijn te Dover binnengeloopen. Zij roepen onze bescherming in en verzoeken om proviand en water. Van Treslong en hun admiraal Van der Marck zijn te Londen, om hulp te vragen. Wij zijn, zooals het heet, op voet van vrede met Spanje en Alva, maar ik zou hun toch niet gaarne gastvrijheid weigeren.”“Vijf en twintig schepen—dat is een vloot! Gij moet hun gastvrijheid weigeren,” antwoordt Guy.“Waarom?”“Laat mij dit aan de Koningin uitleggen. Breng mij bij haar; ik moet geld voor mijn schip hebben.”“Dat zal Hare Majesteit, naar ik vrees, u niet zoo grif toestaan. Zij heeft zich deze maand een half dozijn nieuwe costumes aangeschaft—en modemaakstersrekeningen genieten in het oog eener vrouw de voorkeur boven de benoodigdheden voor de uitrusting van een schip,” lacht Cecil, maar bestelt toch zijn rijtuig.En zoo rijden zij dan naar Westminster, waarheen de Koningin Burleigh ontboden heeft, om zijn raad in te winnen, voordat zij de afgezanten der Geuzen ontvangt.“Groote goden!” roept Hare Majesteit uit, “ik zie, Mylord Burleigh, dat gij ook een Geus hebt meegebracht. Is dat misschien ook al een afgezant?”Dit zeggende, kijkt zij Guy alles behalve vriendelijk aan, want de Geuzen hebben koningin Elizabeth de laatste dagen veel hoofdbreken gekost. Zij zijn hongerig, en zij is er niet van thuis, hen te spijzigen; zij zijn dorstig, en zij heeft geen lust, haar kas aan te spreken, om dien dorst te stillen; het zijn echter vijanden van Alva, en om die reden zou zij hen willen ondersteunen.“Neen, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, die plotseling een ingeving krijgt. “Ik kom geen hulp voor de Watergeuzen vragen, ik zeg integendeel:verleen ze hun niet.”“Waarom niet?” vraagt de Koningin, die niet gewoon is, dat iemand buiten haar geheimen raad haar zoo openhartig zijn meening zegt.“Om deze reden: als Uwe Majesteit hen vaneten en drinken voorziet, zullen zij hier blijven en uw gasten en kostgangers zijn, zoolang als uw gastvrijheid duurt.”“Weg met die luie schobbejakken, die hier op mijn kosten goede sier willen maken,” gromt Hare Majesteit.“Vijf en twintig schepen zijn een formeele vloot. Zij hebben de Nederlanden verlaten en nu heeft Alva zijn handen vrij, om ze tegen u te gebruiken.”“Dus gij zoudt hun voedsel weigeren?”“Ja,” antwoordt Guy, “voor geen halven cent proviand.”“Maar zij hebben ook geen water.”“Geen druppel water. Als gij hen van proviand en water voorziet, zullen zij niet teruggaan naar de Nederlanden, al beveelt gij hen ook, Engeland te verlaten. Zij zullen eerder hun fortuin gaan zoeken in de Spaansche wateren, waar buit in overvloed is te vinden, dan zich aan Alva’s ijzeren vuisten te wagen.Geef hun niets dan kruit en lood. Dan moeten zij koers zetten naar een naburige haven. Zij durven niet naar Frankrijk gaan, zij moeten rechtstreeks den strijd tegen Alva aanbinden, en vijf en twintig schepen zijn een macht, die aan den loop van zaken in de Nederlanden een andere wending kan geven. Zij waren tot nu toe zwak, omdat zij hun kracht verbrokkelden. Nu vormen zij een geheel. Geef hun kruit, Majesteit, geef hun kruit en kogels, om Alva te bestrijden.”“O! Gij wilt hen laten vechten voor de kost! Een kostelijke inval!” roept Hare Majesteit uit. “Sir Guy Chester gebruikt niet alleen zijn zwaard,hij gebruikt ook zijn hoofd. Wat zegt gij er van, Burleigh?”“Ik?” antwoordt de staatsman, die groot en ook edelmoedig genoeg is, om de wijsheid van een ander te erkennen, “ik zeg, dat hij u den verstandigsten raad heeft gegeven, dien gij ooit ontvangen hebt. Gij maakt den Spaanschen gezant gelukkig, door hem te zeggen, dat gij den Geuzen uw land hebt ontzegd en hun hulp hebt geweigerd, en tegelijk doet gij een bliksemstraal uit helderen hemel op Alva en Spanje neerschieten en berokkent hun oneindig meer schade dan door u aan een openlijken oorlog met hen te wagen, waarvoor wij niet gereed zijn—”“Maar die dan toch niet lang meer zal uitblijven, Mylord,” merkt Elizabeth op. Vervolgens roept zij een page en zegt: “Laat de afgezanten van de Geuzen binnenkomen.”En Treslong en Van der Mark komen nu binnen, om een mededeeling te ontvangen, die hen voor het oogenblik met wanhoop vervult, maar later zal blijken, hun den weg te hebben gebaand tot onvergankelijken roem.Hare Majesteit ontvangt, onder een troonhemel staande, zeer uit de hoogte de twee avonturiers; dezen zien er haveloos uit, maar hebben flinke rapieren opzij, en hun bleeke gezichten getuigen van kommer en gebrek.“Gij zijt hier gekomen, heeren,” zegt zij, “om mij een verzoek te doen. Wat is dat?”“Mondvoorraad om ons voor den hongerdood te bewaren,” antwoordt de admiraal.“Geen mondvoorraad!”“Goede hemel! In naam der barmhartigheid! Wij hielden u voor Alva’s vijandin.”“Ik ben Alva’svriendin.Geen mondvoorraad!Wat nog meer?”“En water,—wij hebben nog slechts voor drie dagen water in onze schepen. Sta ons tenminste toe, wat de menschelijkheid nog nooit aan een dorstig zeeman geweigerd heeft—water!”“Geenwater! Hebt het hart, aan land te komen, om water uit meer of rivier te scheppen, en ik zal mijn soldaten op u afzenden.”“En dit heet een Christelijk land?”“Ja, Christelijk genoeg, om zijn woord te houden jegens Spanje, een bevriende mogendheid. Zoo gij binnen vier en twintig uren onze haven niet hebt verlaten, zullen onze batterijen haar vuur op u openen.”“En ons terugdrijven naar den open oceaan, zonder water, zonder voedsel?”“Ja!”“Dan,” zegt Van Treslong, “moge God u uw onmenschelijkheid vergeven! Wij hebben alles opgeofferd voor onzen godsdienst, die de uwe is; voor ons land, dat gij zegt, lief te hebben, alles—behalve ons leven. Als de tijd gekomen is, zullen wij er dat ook voor laten. Die tijd schijnt nu te zijn aangebroken. Het is nu om ons leven te doen. Wij moeten terug naar de Nederlanden, om te vallen in den ongelijken strijd tegen Alva!”“De hemel helpe ons,” zucht de admiraal. “Wij hebben zelfs geen kruit om ons te verdedigen,” en de beide mannen verwijderen zich buigende, met wanhoop in het hart.De Koningin doet een stap voorwaarts, alsof zij hen terug wilde houden, en roept: “God vergeve mij! Men zal mij een hardvochtige vrouw noemen. Ik zal vannacht stellig droomen van deze arme, verhongerende Geuzen. Zij zullen echter niet naar hun land teruggaan zonderkruitenlood!” En zij zegt tot Chester: “Is uw schip reeds uitgezeild?”“Neen, Uwe Majesteit.”“Dan moet gij hen volgen. Hier is een bevelschrift, waarop men u zooveel kruit, wapenen en kogels zal uitreiken als gij kunt bergen. Laat het aan boord brengen en zeil vanavond nog weg uit de haven van Sandwich. Zoek de vrijbuitersvloot in Dover op. Wapen de Geuzen, voorzie hen van ammunitie, geef hun ruimschoots genoeg om te kunnen vechten.”“Maar, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, die nu weet, dat hij zal krijgen, wat hij behoeft, “ik heb geen geld om mijn bemanning te betalen.”“Hier is een order op mijn schatkist voor twintig duizend kronen.” En Elizabeth gaat zitten om te schrijven, doch zegt plotseling: “Uw bemanning telt, naar ik meen, slechts honderd vijf en twintig koppen. Vijftien duizend kronen zal dus voldoende zijn om uw knorrende honden koest te houden,” en zij teekent de order, maar heeft er aanstonds weer berouw over en mompelt: “Mij dunkt,tienduizend is ook wel genoeg.”“Neen, Uwe Majesteit, dat is niet genoeg, en met vijftien duizend kronen betaalt gij de expeditie volstrekt niet te duur, want gij zendt op Alva een bende wanhopigen af, die tot alles in staat zijn,die, al verwenschen zij u om uw hardvochtigheid, veel beter voor u zullen vechten dan uw eigen krijgslieden, want zij zullen vechten, niet voor hun land, niet voor hun godsdienst, maar voor datgene, wat ieder mensch het naast aan het hart ligt—hun bestaan! Bovendien doen zij het geheel buiten u om!”“Drommels, Cecil, wat een redenaar,” lacht Hare Majesteit. “Een echte zeeman-advocaat. Misschien kan hij het mettertijd nog wel brengen tot ondersecretaris van staat—wat dunkt u, lord Burleigh?”“Best mogelijk, Uwe Majesteit. Gij hebt er wel gehad met minder hersens in het hoofd.”“En ook wel, die minder goed wisten te praten,” antwoordt Elizabeth, die niet kan vergeten, dat zij vijftien duizend kronen minder in haar schatkist heeft. “Hij heeft mij het geld leelijk afgetroggeld, hij trok partij van mijn zwakheid, Lord Burleigh. Voer hem spoedig weg van hier, eer ik de order terugneem. Tracht gij echter die twee arme Nederlandsche edellieden in te halen en noodig ze bij u ten eten. Laat hun zien, dat gij tenminste een hart hebt, als uw Koningin het niet heeft.” En de twee mannen vertrekken, terwijl Guy tot spoed aanmaant. Hij vreest, dat Hare Majesteit de order op haar schatkist zal terugverlangen en verscheuren.Burleigh vergezelt hem naar de thesaurie, daar hij blijkbaar zelf de zaak nog niet vertrouwt. Maar als het geld aan Guy is uitbetaald, vraagt hij dezen: “Hare Majesteit zeide, dat de Geuzen goed van wapenen en ammunitie moesten voorzien worden. Kan uw schip zooveel bergen?”“Voor een veldtocht?—Neen!”“Dan,” zegt Burleigh, “geef ik u hier een order van mijn hand, Sir Guy Chester. Neem vier schepen, laad ze met kruit, wapenen en ammunitie, waarvoor ik u een koninklijke aanwijzing zal geven op het arsenaal van de Koningin te Sandwich, Harwich of elk ander, waar gij u maar zult vervoegen. Wij zonden deze mannen uit, niet slechts voor een gevecht, maar voor een langdurigen en hardnekkigen oorlog met Alva, want nu geldt het zijn hoofd of dat der van gebrek omkomende Watergeuzen. Hier is eveneens een volmacht, waardoor ge u de schepen kunt verschaffen, die gij noodig hebt voor uw doel. Maar dit alles blijft natuurlijk geheel tusschen ons. Engeland leeft in vrede met Spanje. En nu, God zij met u.”En zoo krijgt Guy, krachtens zijn volmacht, in de haven van Sandwich vier groote karveelen tot zijn beschikking en laadt ze met al de wapenen en ammunitie, die hij kan machtig worden, kruit in overvloed voor menigen strijd en menig beleg, en daarna zeilt hij den volgenden morgen met die vaartuigen naar Duins en blijft heen en weer kruisen tusschen de Goodwin Sands en de kust van Frankrijk. Hier moeten de Geuzen, als zij uit Dover komen, hem wel in het oog krijgen, en het duurt dan ook niet lang, of zijn schepen worden gevisiteerd en prijsverklaard door dit tot wanhoop gedreven volkje.“Elizabeth van Engeland wilde u geen proviand geven, maar hier zijn wapenen en ammunitie, waarmede gij ze bij Alva kunt gaan halen,” lacht Chester, als Treslong’s schip deDover Lasslangszij komt.En de Geuzen begrijpen hem zoo goed, dat zijde vier schepen geheel leeg plunderen en deDover Lasszelve nauwelijks genoeg kruit laten om zich te verdedigen, waardoor Guy zich genoodzaakt ziet, naar Dover terug te keeren om voor zichzelven ammunitie te halen.Als dit de Koningin ter oore komt, roept zij woedend haar raadsman, Lord Burleigh, toe: “Wel vervloekt, wat een onbeschaamdheid! Gij hebt mijn koninkrijk geruïneerd. Gij hebt uit mijn arsenaal te Sandwich zooveel ammunitie geroofd, als voldoende was om het geheele Engelsche koninkrijk te verdedigen. Gij zijt een lage verrader!”“Met uw verlof, Majesteit,” merkt Cecil op, “gij hebt mij bevolen, de Geuzen behoorlijk te wapenen. Dat heb ik gedaan. Hoe meer kruit en kogels ik hun geef, des te harder zal uw vriend Alva het te verantwoorden hebben.”“Nu, het zal u vergeven zijn,” antwoordt Hare Majesteit, “indien gij die arme, hongerige officieren van de Geuzen, Treslong en Van der Mark, tenminste goed van spijs en drank hebt voorzien.”“Ook daarin heb ik aan Uwer Majesteits orders voldaan,” antwoordt Burleigh. “Ik heb ze onthaald op de lekkerste schotels en den fijnsten wijn. Ik zie hen nog eten. Er is zeker na de dagen van den reus Glutton1nooit door iemand zulk een woesten aanval op spijs en drank gedaan. Uwe Majesteit zal daarover kunnen oordeelen, als zij de rekening ontvangt, die ik reeds bij de thesaurie heb ingeleverd.”“De rekening ingeleverd bij de thesaurie!” krijschtElizabeth. “Uit mijn oogen, ellendige dief! Burleigh, gij besteelt mij; gij besteelt uw vorstin, lage, inhalige schurk,—en de rekeningen van mijn naaisters en modistes zijn nog niet betaald! Bij God! ik zal u het hoofd voor de voeten laten leggen, als de Geuzen niet triumfeeren over Alva!”Dit zeggende, stapt de Koningin de kamer uit, in de hoogste mate ontstemd en verbolgen.1Glutton = gulzigaard.HOOFDSTUK X.HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD.Daar hij thans zelf gebrek aan ammunitie heeft, is Guy genoodzaakt, zich nog eenige dagen in Engeland op te houden. Doch de vlugge kleineDover Lassheeft niet lang werk, om naar Nederland over te steken, zij zet alle zeilen bij en vroeg in April bevindt Chester zich opnieuw aan den mond van de Schelde. Als hij Vlissingen in zicht krijgt, heeft hij redenen om zich te verwonderen maar ook om zich te verheugen, want de oranje-blauw-witte vlag van den prins van Oranje wappert van den toren.“Wel verd....!” roept hij zijn eersten officier toe, “de Geuzen zijn in Vlissingen geland en hebben er bezit van genomen! Voor ons uit zeilen twee schepen met de Oranjevlag in top. Haal ze in en zie er eens alles van te weten te komen, Dalton.”In een halfuur heeft deDover Lassde schepen ingehaald, die onder het commando staan van kapitein De Rijk van Amsterdam. Van hem verneemt Guy, dat de Geuzen niet alleen Vlissingen hebben ingenomen, maar ook den Briel. Hun succes is devonk geweest, die de vaderlandsliefde in Holland en al de Noordelijke Nederlanden heeft doen ontbranden. De eene stad vóór, de andere na verklaart zich voor den prins van Oranje als den stadhouder van Philips II en tegen Alva, want zoo groot was de eerbied, dien men in die dagen voor het koningschap koesterde, dat Oranje zich nog altijd den vazal van den Spaanschen koning noemde, ofschoon hij tegen hem streed met alle wapenen, die hem ten dienste stonden.Tot groote verbazing van Guy, heeft De Rijk, die Engeland een weinig later heeft verlaten dan de andere Geuzenschepen, vijfhonderd Engelsche vrijwilligers aan boord, die Guy op echt Engelsche wijze begroeten. Want Burleigh is door Elizabeth’s liefelijke opmerkingen wel een weinig bang geworden voor zijn hoofd en helpt de Watergeuzen op alle mogelijke manieren.DeDover Lassen de twee Geuzenschepen stevenen nu te zamen, door een zacht koeltje voortgedreven, naar de haven van Vlissingen. Juist als zij daar landen, bemerken zij, dat er iets ongewoons gaande is in de stad. Een kwartier geleden hebben zij een kleine pinas met een enkelen mast gezien, die van den kant van Antwerpen kwam en de haven even vóór hen binnenliep. Drie heeren in een zwierige kleedij, naar het uiterlijk Spanjaarden, zijn uit dit vaartuigje lachend aan land gestapt en de stad ingewandeld.Juist als De Rijk en Chester aan wal gaan, komen deze drie zelfde heeren haastig de stad weer uitsnellen in de richting van de haven, achtervolgd door zulkeen joelende en tierende menigte, als Vlissingen nooit te voren zag. Het is een troep Watergeuzen, dronken van bloed, met hun aanvoerder, den grommigen Dirk Duyvel, tot de tanden gewapend met pistolen en pieken, zwaarden en haakbussen.“Weg met de Spaansche bloedhonden!” schreeuwen sommigen. “Hangt ze op, aan de hoogste galg, gezwind!” krijschen anderen. “In de zee met Alva’s beulen!” gilt de rest,—dit alles gekruid met Hollandsche vloeken van de krachtigste soort.Als zij bemerken, dat hun de terugtocht naar het schip door de manschappen van De Rijk wordt afgesneden, komt de voornaamste van de drie Spanjaarden haastig op De Rijk af, en een buiging voor hem makend, trekt hij van zijn vinger een prachtigen zegelring en laat dien den aanvoerder der Geuzen zien, hijgend uitroepend: “Ik—ik geef mij aan u over.—Ik—ik wist niet, dat de stad in handen was van de—de oproerlingen. Laat deze ring mij behoeden voor een overhaasten dood. Ik ben een edelman. Ik kan een groot losgeld betalen. Ik ben Alva’s ingenieur.” Hij stoot deze woorden in den grootsten angst, naar adem hijgend, uit, want de menigte zit hem dicht op de hielen.Guy herkent met verbazing in den man Paciotto, den grooten militairen ingenieur van Alva, dien hij te Antwerpen aan diens zijde heeft gezien.“Gij kent mij?” brengt Paciotto met moeite uit.“Maar al te goed!” schreeuwt de menigte, die nu de hand aan hem slaat.“Maar al te goed!” herhaalt De Rijk. “Ik zal u echter voor een onmiddellijke executie bewaren,” enhij en Guy en nog een paar andere officieren beschermen met getrokken zwaard de drie mannen, die anders het volgend oogenblik in stukken gehakt zouden zijn door de Watergeuzen. Want dezen zijn, nadat zij den Briel hebben ingenomen, dronken van bloed en dorsten naar wraak op de Spanjaarden, voor al de wreedheden, die door hen de vijf laatste jaren gepleegd zijn. Ieder heeft een familielid te wreken, deze een vader, die wreed vermoord is, een tweede een broeder, die den brandstapel beklommen heeft, een derde de beleediging, zijn vrouw aangedaan, en dit alles maakt hen even onmenschelijk als hun vijanden. Welke kans op lijfsbehoud heeft een officier van Alva bij zulke mannen? Guy heeft spoedig begrepen, dat Paciotto niet eens de keus zal worden gelaten, hoe hij ter dood zal worden gebracht.Terwijl De Rijk en hij den Italiaan behoeden voor onmiddellijke geweldpleging, hebben een aantal Geuzen het kleine Spaansche schip, waarmee Paciotto is gekomen, bestormd, en de weerlooze bemanning om hals gebracht, onder woeste kreten van vreugde en triomf.Een oogenblik later wordt de Italiaan naar het Raadhuis gesleept, waar Treslong, die het bevel voert, beraadslaagt met den burgemeester en andere overheidspersonen, in tegenwoordigheid van zijn meeste kapiteins.“Bij onze martelaren,” roept de Hollandsche vice-admiraal uit, “wij hebben geluk. Daar is ons een van Alva’s voornaamste gunstelingen in handen gevallen.—Een krijgsraad voor den Italiaanschen edelman!”“Ik roep het krijgsrecht in, Willem van Bloys, graaf van Treslong,” zegt Paciotto op hoogen toon, ofschoon de wanhoop op zijn gelaat te lezen staat.“Hetzelfde krijgsrecht, dat Alva toepaste, toen hij mijn broeder met zeventien andere edellieden liet terechtstellen op de markt te Brussel,” antwoordt de Hollander.“Ja, gerechtigheid en barmhartigheid,” spot een der andereofficieren. “Dezelfde gerechtigheid, die Alva mijn vader deed wedervaren, toen hij om genade smeekte te Jemmingen. Dezelfde barmhartigheid, die Bossu nu twee dagen geleden te Rotterdam in practijk bracht.”“Met zulke rechters ben ik vooruit veroordeeld,” zucht de Italiaan, als Van Treslong en zijn officieren plaats nemen rondom een groote trom.Als de krijgsraad den eed heeft afgelegd, merkt de Hollandsche vice-admiraal, die veel doorzicht heeft, op: “Wij moeten den burgemeester in onzen krijgsraad opnemen. Dat zal hem voorgoed aan onze zaak verbinden. Hij zal Vlissingen tot het uiterste verdedigen, omdat hij daarmee zijn eigen hoofd tegenover Alva verdedigt.”Zoo wordt de burgemeester, tegen wil en dank, lid van den krijgsraad en wordt er over Paciotto gerecht gehouden.“Waarvan beschuldigt gij mij?” vraagt de ongelukkige man. “Dat ik een goed onderdaan ben van uw koning, Philips van Spanje? Welnu, aan die misdaad verklaar ik mij schuldig.”“Bah!” antwoordt Van Treslong, “gij zijt derechterhand en de vertrouweling van Alva, onzen beul. Daarom begeeren wij uw leven. En ook, omdat gij voor hem zijn geduchte sterkte, de Citadel van Antwerpen, hebt gebouwd.”“Als ik daarom den dood heb verdiend, executeer mij dan,” mompelt de Italiaan met heesche stem. “Maar ik smeek u, laat mij dan sterven door het zwaard.”“Halt!” roept Guy, wiens ridderlijk gemoed medelijden krijgt met de onderliggende partij. “Ik zal u als uw militaire advocaat voor deze rechtbank verdedigen.”“Verspil uw woorden niet voor mij, senor,” zegt de Italiaan op treurigen toon. “Deze Vlaamsche honden lekken hun baard reeds om mijn bloed.”Guy stoort zich echter niet aan die tegenwerping, maar begint voor den ongelukkigen Spaanschen officier te pleiten, op zijn hartstochtelijke manier, in het vuur zijner rede zulke weinig vleiende woorden voor Paciotto’s rechters bezigende, dat de Engelschman, als hij niet zelf den Geuzenpenning had gedragen en, wat nog meer zegt, als hij niet de man was geweest, die hun de vier schepen met kruit en ammunitie had bezorgd, het er zelf wel eens niet zonder kleerscheuren had kunnen afbrengen voor dezen krijgsraad van de Watergeuzen.Ondanks Chester’s warm pleidooi, maken de Geuzen korte metten, en in minder dan vijf minuten op de tikkende hangklok aan den muur, veroordeelen zij den Italiaanschen ingenieur niet tot den dood door het zwaard, maar tot den dood door den—strop.Als het vonnis is uitgesproken, roept de Italiaanplotseling uit: “Hoe lang is het geleden dat uw vloot zich voor Vlissingen heeft vertoond?”“Ongeveer drie dagen,” antwoordt een Geuzen-aanvoerder. “Doch wat kan dat u schelen, daar gij binnen drie minuten zult sterven?”Het antwoord van Paciotto klinkt vreemd en wonderlijk; hij slaat zijn handen in elkaar en toorn vlamt er in zijn oogen, zijn wanhoop maakt plaats voor verontwaardiging en hij roept uit:“Mijn God! Opgeofferd! Heilige Maagd! Gedood ter wille van mijn geheim!” En zich tot Guy wendend, fluistert hij: “Zijt gij de ‘Eerste der Engelschen’?”“Ja.”“Vraag dan aan de Hollandsche officieren, of zij mij nog tien minuten willen toestaan, om mij met God te verzoenen; alleen in uw tegenwoordigheid, want aan den rozenkrans, dien gij om uw hals draagt, zie ik, dat gij van mijn geloof zijt.”Dit verzoek wordt door Treslong met een norsch: “Ja!” beantwoord.Hierop wordt Paciotto, nadat zijn handen gebonden zijn, in een aangrenzend vertrek gebracht, waaruit hij onmogelijk kan ontvluchten en waarin Chester, bewogen door de smeekende oogen van den Italiaan en misschien ook door nieuwsgierigheid gedreven, hem volgt.“Sluit de deur,” fluistert de Italiaan. En hij vervolgt gejaagd: “Gij zijt de eenige, die goed voor mij is geweest in het laatste uur van mijn leven. Ik ben in staat u dit te vergelden! Ik kan u den weg wijzen om in rijkdom gelijk te worden aan de vorsten dezer aarde.”“Hoe dan?”Doch de Italiaan geeft daarop geen antwoord, doch mompelt: “Opgeofferd! Ik ben een kind des doods,—door toedoen van Alva die nooit iemand spaart, als zijn belang meebrengt, hem uit den weg te ruimen. Deze stad werd reeds drie dagen door den vijand bedreigd! Hij wist dus van den aanval der Geuzen,—hij wist dat Vlissingen een hoogst gevaarlijke plaats zou zijn en hij zond mij hier kwansuis heen om de vestingwerken na te zien, maar inderdaad opdat zijn geheim met mij zou sterven. Want ik ben de eenige man in de Nederlanden, die het kent.” En op hartstochtelijken toon vervolgt hij, heesch fluisterend: “Men heeft mij verteld, dat gij er weinig om geeft, uw leven te wagen. Zoudt gij, met de kans om enorme schatten te verwerven, een stout waagstuk willen ondernemen, om mij op mijn vijand te wreken?”“Voor die schatten zou ik mijn leven willen wagen—ja, haast mijn zaligheid op het spel willen zetten,” antwoordt Guy levendig, want sinds hij de liefde van Alva’s dochter heeft gewonnen, is het zijn eenige gedachte, aanzien, macht en geld genoeg te verwerven, om haar den staat en den luister te kunnen verschaffen, die toekomen aan de dochter van een onderkoning.“Dan, ‘Eerste der Engelschen’, zijt gij de man, dien ik noodig heb voor mijnpost-mortem-afrekening met Alva, gij, die den moed hadt, Antwerpen te bezoeken; ik herinner mij, u daar gezien te hebben, den Onderkoning vrij in het aangezicht kijkend, zijn proclamatie met den prijs op uw hoofdbijna vlak boven u aan den muur. Gij zijt de man om mij te wreken. Luister, en ik zal u het geheim van het standbeeld meedeelen.”“Alva’s standbeeld!” roept Guy uit, terwijl Oliver’s woorden hem weer te binnen schieten.“Stil! Val mij niet in de rede. Mijn tijd is zeer kort. Dit groote standbeeld, dat de Hertog heeft opgericht tot zijn verheerlijking, is gedeeltelijk bestemd voor een ander doel! Om den schat te beschermen, dien hij heeft verzameld met zijn tienden penning en dien hij naar Spanje denkt mee te nemen voor zijn eigen gebruik en voordeel. Het voetstuk—”“O, ik herinner het mij. Het voetstuk is van buitengewonen omvang,—het bevat den buit van de Nederlanden,” fluistert Chester.“Bah! Neen, daarvoor is Alva veel te slim. Het standbeeld en het voetstuk bevattenniets.”“Niets?”“En toch,” zegt de Italiaan, “ishet standbeeldde bewaarplaats van Alva’s schat.”“Hoe dan?”“Luister. Terwijl ik als hoofdingenieur bezig was de Citadel van Antwerpen te veranderen en te verbouwen, ontdekte ik een onderaardsche gang, aangelegd om uitvallen te kunnen doen. Zij liep van het groote bastion van den Hertog onder de gracht door naar een plaats van uitgang in de stad zelve, een huis, vlak achter de Esplanade gelegen. Volgens geheime aanwijzingen van den Onderkoning zelf, liet ik aan het einde van de gang aan de zijde van de Citadel dertig voet onder den grond een vertrekuithouwen. Dit vertrekt dient tot bergplaats van Alva’s schatten. Het soliede metselwerk van het groote bastion van den Hertog staat er vlak boven. Men zou weken lang moeten graven, om er van de Citadel in door te dringen, en men zou om het te laten springen, zooveel kruit noodig hebben, dat het geheele bastion in de lucht zou vliegen. Dus kan men het vertrek van uit de Citadel niet bereiken. Maar van de stadszijde is het toegankelijk, hoewel alleen voor hem, die het geheim kent, want het is op de meest vernuftige wijze voorzien van ieder mechanisme, dat Giovanni Alfriedo, een vindingrijk Italiaan uit Venetië, tot bescherming er van heeft kunnen uitdenken. En toch is het gemakkelijk en spoedig te bereiken voor hen, die in het bezit zijn van het geheim, en ik ben de eenige man, behalve Alva, die dat nu kent—daar Giovanni op zijn terugreis naar Venetië vermoord is geworden door zeeroovers, misschien wel op last van iemand en met een geheime bedoeling.”“Uw tijd is om!” roept Van Treslong uit, op de deur bonzende.“Nog tien minuten voor de ziel van een stervende,” smeekt Paciotto.“Ja, tijd, opdat hij in de vertroostingen zijner kerk moge sterven,” roept Guy uit, die nu brandt van nieuwsgierigheid om achter Alva’s geheim te komen.Men staat hem nog vijf minuten toe, niet uit barmhartigheid, maar om een beul te zoeken. Want de stadsbeul is naar Middelburg, en daar Treslong dit nu eerst verneemt, verheft hij zijn stemtot de menigte vóór het stadhuis en looft een vrij aanzienlijke som uit voor hem, die het beulswerk wil verrichten.Doch niemand wil zich met dit vernederend werk belasten,—tot er zich eindelijk iemand voor aanbiedt, die, hoorende, dat Paciotto een Spanjaard is, uitroept: “Ik durf dat karreweitje wel aan! Ik zal den Spanjaard wel netjes ophangen! Ik moet echter permissie hebben, iedereen van kant te maken, die mij uitjouwt, omdat ik de beul van een Spanjaard ben geweest,” en hij maakt zijn toebereidselen met touw en ladder.Terwijl men een beul voor hem zoekt, fluistert Paciotto haastig Guy in het oor: “De ingang bevindt zich in een huis, nu bewoond door een oude doofstomme vrouw, senora Sebastian. Zij weet van niets, men heeft haar het huisje tegen een lagen prijs verhuurd, toen het werk was afgeloopen. Gij neemt vier steenen op, midden in den kelder, en gij hebt den ingang voor u. Maar deze gewelfde gang wordt op twee plaatsen, voordat ge aan de gracht komt, afgesloten door ijzeren deuren, zóó sterk, dat zij alles kunnen weerstaan, behalve kruit. Elke deur wordt geopend door vernuftig uitgedachte sloten. Overeenkomstig het eigenaardige systeem van dezen bekwamen ingenieur, heeft men voor elk slot drie sleutels noodig, die in een bepaalde volgorde moeten gebruikt worden. Wijkt men af van die volgorde, dan weigeren de sloten. Elke poging om de ijzeren deuren te laten springen, zou de gang zelf vernielen en het Scheldewater naar binnen doen stroomen en hem, die het beproefde, doen verdrinken.”“Maar hoe staat het standbeeld daar nu mee in verband?” fluistert Guy.“Ah! Dat is Alva’s list om zijn muitzieke soldaten te verschalken. Door de geheimzinnigheid van den Onderkoning met betrekking tot dit standbeeld, beschouwt het halve Antwerpensche garnizoen het als uitgemaakt, dat het standbeeld zelf de bewaarplaats is van Alva’s goud. Dit was zijn bedoeling. Hij vreest niet dat de burgers zijn schat stelen zullen, maar wel dat zijn eigen soldaten, die in jaren niet betaald zijn, in opstand zullen komen. Het eerste, waar zij de hand naar zouden uitsteken, zou de buit van hun bevelhebber zijn. Daarom zouden zij het allereerst, om zijn goud te vinden, het voetstuk van het standbeeld openbreken. Maar als zij dat gedaan hadden, werd de gewelfde gang, die naar de stad leidt, voor iedereen ontoegankelijk, behalve voor de visschen, want het standbeeld is zóó ingericht, dat als het beschadigd wordt, zich vanzelf een sluis opent, en de eenige weg naar Alva’s schat door het water van de gracht wordt overstroomd. En al ontdekten zij daarna ook de bergplaats van het goud, dan zou het zeker nog een maand duren, eer zij het konden bemachtigen, daarvoor zou men het bastion van den Hertog in de lucht moeten laten vliegen. In die maand zou het oproer zeker reeds gedempt en de schat beveiligd zijn.”“Maar de sleutels?” fluistert Guy ongeduldig, want het steeds luider wordend rumoer van de menigte buiten, waarschuwt hem, dat de tijd kostbaar is.“Ik heb hier,—maak mijn wambuis los en snijdde voering open,” fluistert Paciotto, “want mijn handen zijn vastgebonden,—teekeningen van elk der drie sleutels met hun nommer, waarnaar gij ze kunt laten maken, en bovendien een beschrijving van de manier, waarop zij gebruikt moeten worden; eveneens een teekening van de onderaardsche gang, die naar den schat van den Hertog voert. Wreek mij op hem. Gij wilt het beproeven, ik zie het aan uw gelaat,—als gij slaagt, zal het een merkwaardige verrassing voor Alva zijn. Wat zal hij aangaan, als hij in zijn leege schatkamer zijn roofgeld niet meer vindt! De geheele tiende penning verdwenen, waarvoor hij de gunst van zijn koning op het spel heeft gezet, waarvoor hij de Nederlanden al die jaren heeft onderdrukt. Geen goud voor Alva—geen goud—ho! ho!—ha! ha!—hi! hi!” en hij barst uit in een afschuwelijk wanhopig gelach,—zijn laatsten lach op aarde.Juist op het oogenblik, dat Guy een klein pakje van hem aanneemt, zorgvuldig in perkament gewikkeld, wordt de deur opengeworpen en komen Treslong, De Rijk en eenige andere Geuzen het vertrek binnen.“Het is tijd!” roept de admiraal.“En gij kent dus geen genade?” zegt de Italiaan.“Niet, als het een gunsteling van Alva betreft. Wij behandelen u met dezelfde genade, die uw meester ons heeft betoond.”En zij grijpen hem aan en sleepen hem naar buiten, terwijl hij wanhopend uitroept: “Gun mij den dood van een edelman,—niet de galg, maar het zwaard. Ik ben evengoed edelman als Egmonten Hoorne,—ik wil sterven door het zwaard, waarop een edelman recht heeft.”Maar het noemen van de namen van Egmont en Hoorne heeft juist een verkeerde uitwerking; het vermeerdert nog de woede tegen Paciotto en men duwt hem naar buiten op het plein voor het stadhuis. Daar staat de ladder tegen de galg, waaraan reeds de twee officieren, die hem vergezelden, bengelen; hij werpt wanhopige blikken op Chester en mompelt: “Vergeet niet mij te wreken.”En zoo beklimt Paciotto, de bekwame ingenieur, onder het gelach van de spottende bende Watergeuzen, de ladder, met het kruis aan zijn lippen, en al hangt men hem op als een hond, toch sterft hij als een edelman en een goed Katholiek.Doch Guy heeft nauwelijks oogen voor den doodsstrijd van den ongelukkige. Hij ziet enkel Alva’s schatten, alles wat de Hertog aan belastingen den Nederlanders heeft afgekneveld,—de onmetelijke rijkdommen van den vader, die hij wil veroveren als bruidsschat van de dochter.

HOOFDSTUK IX.“GEEN PROVIAND, GEEN WATER, MAAR OVERVLOED VAN KRUIT.”Op den morgen van den tweeden dag na het zooeven vermelde, landt Chester te Sandwich en reist met postpaarden, zoo vlug als hij kan, naar Londen.Als hij in de hoofdstad aankomt, hoort hij dat zijn vorstin en haar hof zich te Hampton bevinden, en verneemt hij tevens tot zijn groote vreugde, dat de Koningin in blakenden welstand verkeert. Hij is dus tijdig genoeg gekomen, om tot Engelands heil elken aanslag van het Borgia-complot te verijdelen.Want in die dagen vreesde iedere ware Engelschman, Katholiek of Protestant, dat Elizabeth op de een of andere wijze door Italiaansche sluipmoordenaars uit den weg zou worden geruimd en de kroon zou overgaan op haar wettige troonopvolgster, Maria, koningin van Schotland, die nu de gevangene van Elizabeth was; men wist dat de hertog van Norfolk, een geloovig Katholiek, niet alleen den toeleg had, de schoone Maria op den troon van Engeland te zetten, maar ook haar te huwen en naast haar te regeeren als prins-gemaal. Dit zou Brittannië geheelonder den invloed van Philips II van Spanje hebben gebracht en den weg hebben gebaand voor zijn lievelingsplan, de vestiging der Inquisitie in Engeland, met al haar verschrikkingen van brandstapels, geeselingen en martelingen, zooals die in Nederland in practijk werden gebracht, onder soortgelijke omstandigheden, door Alva, zijn onderkoning.Al is hij een goed Katholiek, zoo is Guy toch ook een goed Engelschman en uitermate bezorgd voor de veiligheid van zijn Protestantsche koningin.Dit alles maakt, dat Guy rust noch duur heeft, zoolang zij niet is gewaarschuwd voor het gevaar, dat haar dreigt van de zijde van Ridolfi, Alva’s agent te Londen.Hij zet zich dus opnieuw te paard, ofschoon hij doodelijk vermoeid is door zijn langen rit van Sandwich, en komt vroeg in den avond aan het paleis te Hampton Court aan. Het gelukt hem, onmiddellijk toegelaten te worden bij Cecil, Lord Burleigh, en hij geeft hem de brieven in cijferschrift van Vitelli aan Ridolfi en ook den sleutel, dien Oliver hem heeft verschaft.Als Guy haastig de strekking van deze brieven vermeldt, zegt de Lord met een ernstig gelaat: “Gij hebt den staat een grooten dienst bewezen. Maar gij hebt zeker den geheelen dag gereden; ik zal er voor zorgen, dat gij iets te eten en te drinken krijgt en u eenigszins verfrisschen kunt,” en een lakei roepend, geeft hij daarvoor zijn bevelen. “Terwijl gij wat uitrust, zal ik met mijn ondersecretaris de brieven ontcijferen en overschrijven voor de Koningin. Gij kunt ze haar dan persoonlijk overhandigen, daar hebt gij recht op.”De jonge man is met deze schikking zeer ingenomen, want hij heeft twaalf uren in den zadel gezeten en onderweg maar weinig voedsel tot zich genomen.Een uur later vergezelt Guy, die door het gebruik van een stevig maal en een flesch wijn weer geheel bekomen is, Lord Burleigh,—thans Elizabeths eerste minister en de machtigste man in Engeland,—naar de audiëntie-kamer van Hare Majesteit, waar deze hen zonder ceremonieel ontvangt. De Koningin is in groot toilet, het keurslijf, dat de ivoorwitte schouders onbedekt laat, fonkelt van juweelen, en de hals is versierd met een snoer van paarlen en diamanten. Elizabeth is zeer ijdel, waartoe zij ook het recht heeft, als de dochter van Anna Boleyn, de beauté van haar vaders hof, en zij staat daar vóór hen in een opzichtig sleepgewaad, bezaaid met edelgesteenten, de voeten gestoken in Spaansche schoenen met hooge hakken,—een beeld van ijdelheid, geest, waardigheid en heerschers-bewustzijn. Kortom, zij is de goede “Queen Bess”, in den bloei des levens, vijf en dertig jaren, en behoeft den ouderdom nog niet te duchten, die haar schoonheid zal doen verwelken en haar van haar goed humeur zal berooven.“Mijn goede Burleigh,” zegt zij, “wat zijt ge toch altijd haastig! Ik heb juist uw mededeeling ontvangen en daar gij mij liet weten, dat er veel van spoedig handelen afhangt, heb ik vijf gerechten van mijn souper voorbij laten gaan en mijn kameniers naar een plaats gezonden, waar haar nieuwsgierige ooren geen vertrouwelijk gesprek kunnen afluisteren. En gij, Master Chester, mijn zeeroover, hebt gij opnieuwachthonderd duizend kronen van Alva binnen het rechtsgebied van mijn koninkrijk ontdekt?”“Neen,” antwoordt Burleigh, terwijl de twee mannen diep voor haar buigen. “Master Chester heeft enkel een complot van den hertog van Alva tegen uw leven ontdekt. Deze brieven van Vitelli, zijn veldmaarschalk en vertrouwde, aan Ridolfi, den Italiaanschen bankier te Londen, zijn er het bewijs van.”“O! in cijferschrift,” zegt de Koningin, ze inkijkend.“Ja, maar dank zij Master Chester’s bereidvaardigheid om zijn leven opnieuw voor Uwe Majesteit te wagen, heeft hij den sleutel in Antwerpen weten te krijgen. De brieven zijn nu overgebracht in het Engelsch.”“Gauw—geef ze hier!” En Elizabeth gaat zitten en kijkt ze haastig door, waarna zij uitroept: “Zij wilden mij dus vergiftigen en dien verrader Norfolk op den troon zetten als prins-gemaal van de vrouw, die mijn gevangene is.Dat beslist het lot van Norfolk! Hij is gisteren door de Lords veroordeeld wegens hoogverraad. Deze brieven, Burleigh, zijn zijn doodvonnis. Met de dame zal ik later afrekenen, en wat Ridolfi betreft—”“Er zijn reeds orders gegeven, om Ridolfi gevangen te nemen, Uwe Majesteit,” valt Burleigh haar in de rede.“Zeer goed,” antwoordt Elizabeth, “dan is er voor het oogenblik niets meer te doen dan van kok te veranderen; en”—hier komt er een vriendelijke uitdrukking in de oogen van Hare Majesteit—“en dezen jongen man te beloonen, dien wij, uit politieke overwegingen, vogelvrij verklaard hebben; maar metdat al hebben wij toch veel met zeeroovers op! Denk maar aan onzen Francis Drake, die niet meer geeft om te eten of te drinken dan om een Spanjaard te berooven en tien percent van zijn buit in te palmen. En aan den ouden John Hawkins, die negers gaat vangen op de kust van Afrika, om ze aan de Dons te verkoopen en dezen den hals afsnijdt, terwijl hij met hen handelt,—alles voor de glorie van Engeland! Inderdaad, Burleigh,—ik zeg het met overtuiging,—kapers zijn mijn beste onderdanen. Daar ik echter mijn potsenmakers vanavond om uwentwil heb weggezonden, Master Chester, zijt gij verplicht, mij daarvoor een kleine vergoeding te schenken. Vertel mij eens wat van uw avonturen in de Nederlanden.”Guy voldoet aan dit verlangen en Hare Majesteit luistert met beide ooren; af en toe kost het haar moeite, een lach te onderdrukken en geeft zij Burleigh een paar tikjes met haar waaier, maar vooral is zij een en al aandacht, als Chester haar vertelt van Dona Hermoine de Alva en van de herhaalde ontmoetingen, die hij met die jonge dame heeft gehad. En Guy, die door zijn onderwerp in vuur geraakt, beschrijft met schitterende oogen de schoonheid van het meisje.“Gij drommelsche kerel!” roept Elizabeth uit, als hij geëindigd heeft. “Dat is een geschiedenis, even romantisch als de troubadours verhalen van Amadi de Gaule, die meisjes redde uit de handen van reuzen, evenals gij het die nuffige miss Alva deed uit de handen der Watergeuzen. Waarachtig, Burleigh, ik ben bang, dat zijn loyauteit er onder geleden heeft.“Terwijl hij over die kleine Spaansche heks spreekt, ziet Master Chester zijn Engelsche vorstin aan op een wijze, waarvoor de Lords hem zouden kunnen veroordeelen als schuldig aan hoogverraad.”“O, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, evenzeer hoveling als zeeroover, “als liefde hoogverraad is, dan is iedere jonge Engelschman, die zijn koningin aankijkt, een verrader.”Zijn vurige blik zet kracht aan zijn woorden bij, en dat kost hem ook geen moeite, want Elizabeth is in den vollen bloei van haar schoonheid,—een schoonheid, waarvan men zich thans kwalijk meer een voorstelling kan maken, daar haar meeste portretten zijn gemaakt, toen zij vijftig jaren en daarboven was. Maar nu Chester haar bewonderend aanziet, is zij pas vijf en dertig.“En ik wil dien vermetelen vleier straffen,” zegt zij lachend, “ofschoon hij geen verrader is. Geef mij uw zwaard, Guy Chester.”De jonge man wil zijn zwaard afgespen. “Neen, bloot, zooals gij het tegen uw vijanden gebruikt.”Terwijl Guy het uit de scheede trekt, zich op één knie nederlaat en het aan zijn koningin overhandigt, vervult hem eensklaps de hoop op een onverwachte, roemvolle onderscheiding.“Hij is, naar ik hoor, van goede geboorte, Burleigh?”“Uwe Majesteit,” antwoordt Cecil, buigend, “van moeders zijde heeft hij het bloed van Lord Stanhope van Harrington in zijn aderen. Zijn vader is een neef van de Stanleys en high sheriff van Cheshire. Zijn grootvader werd tot ridder geslagen.”“Dan,” zegt de koningin van Engeland, “zal hij eveneens ridder zijn!” En zij geeft hem met haar kleine hand den ridderslag, zeggende: “Sta op, Sir Guy Chester!”Maar Sir Guy staat niet op, eer hij hulde heeft bewezen aan de schoone hand, die hem heeft geridderd, en hij doet dit met zooveel geestdrift, dat Hare Majesteit rood wordt in het aangezicht en uitroept: “Het schijnt wel, dat dit Spaansche meisje hem een nieuwe manier heeft geleerd, om de hand te kussen.”En als de jonge man weer vóór haar staat, reikt zij hem het zwaard over, het bij het lemmet vasthoudend en hem het gevest toestekend, en zegt: “Moogt gij dit, nu gij tot ridder zijt geslagen, evenals vroeger gebruiken tot schrik van Engelands vijanden; vooral tot schrik van Alva,—spaar hem niet ter wille van zijn dochter.”“Neen,” antwoordt Guy, “want iedere slag, dien ik tegen den vader richt, brengt mij nader tot de dochter.”“Wel heb ik van mijn leven!” spot Hare Majesteit, “wat denkt deze nieuwbakken ridder Chester dan te doen met de dochter van een vorst?”“Haar tetrouwen, als God het wil en Uwe Majesteit het genadig veroorlooft,” roept Guy uit en trekt zich terug met Lord Burleigh, de koningin van Engeland in een opgewekte stemming achterlatend, daar zij recht in haar schik is met haar nieuwen ridder.Doch niettegenstaande Chester’s waarschuwing hoogstwaarschijnlijk haar leven heeft gered, slaatElizabeth—die, hoe groot zij ook is als Koningin, waar het staatszaken geldt, een zonderlinge zuinigheid in practijk brengt,—volstrekt geen acht op Chester’s herhaald verzoek om geld, teneinde zijn schip te kunnen repareeren en zijn bemanning te betalen. En daar hij brandt van verlangen, om opnieuw naar de Nederlanden over te steken, gebruikt hij de honderd goudstukken, het geschenk van zijn beminde, om zijn schip uit te rusten tegen haar vader, de helft er van bestedende voor de verfraaiing en versiering van de hutten derDover Lassen haar salons zoo rijk stoffeerende, dat Harry Dalton, zijn eerste luitenant, uitroept: “Bij alle mooie meisjes van Plymouth, men zou haast denken, dat hij ter kaapvaart uitgaat op een vrouw!”Maar ondanks de honderd goudstukken, is Chester spoedig weer zonder voldoende middelen om zijn schip zeilklaar te maken, en hij gaat dus weer van Sandwich naar Londen, om zijn gierige vorstin opnieuw om geld te verzoeken.Meenende beter te zullen slagen, als hij Burleigh in den arm neemt, die den meesten invloed op de Koningin heeft en altijd getoond heeft, zijn vriend te zijn, treedt Chester op zekeren namiddag in het laatst van Maart het kabinet van dien edelman binnen, die in gepeins verzonken zit.“Gij zijt juist de man, dien ik moet hebben, Sir Guy,” zegt hij levendig. “Vertel mij eens alles, wat gij weet van de Watergeuzen, die Nederlandsche zeeschuimers.”“Dat, Mylord, kan ik in weinige woorden doen,”antwoordt Chester. “Het zijn mannen uit alle standen, van Brabant, Vlaanderen, Friesland, Holland—kortom uit alle provinciën, waar Alva gebiedt; door wreedheid en vervolging worden zij gedwongen, hun heil te zoeken op de zee, want op het land te blijven, staat voor hen gelijk met den dood op den brandstapel, na voorafgaande foltering. Zij zijn buiten de wet gesteld wegens hun verzet tegen de Spaansche dwingelandij. Onder hen bevinden zich mannen, hoog in aanzien bij den prins van Oranje, die aan hun bedrijf eenigermate een wettig karakter heeft trachten te geven, door hun lastbrieven uit te reiken, waarvan ik de eer heb er ook een te bezitten, met den penning, die er bij behoort,” en hij vertoont zijn Geuzenpenning, dien hij altijd bij zich draagt, aan Lord Burleigh. “Tot hen behoort zoowel de ridder Bloys van Treslong en Willem van der Marck, baron van Lumey, als Dirk Duyvel, wiens naam hem reeds kenmerkt als een echten vrijbuiter. Maar waarom stelt gij zooveel belang in de Watergeuzen?”“Om deze reden. Vijf en twintig schepen, met dat volkje bemand, zijn te Dover binnengeloopen. Zij roepen onze bescherming in en verzoeken om proviand en water. Van Treslong en hun admiraal Van der Marck zijn te Londen, om hulp te vragen. Wij zijn, zooals het heet, op voet van vrede met Spanje en Alva, maar ik zou hun toch niet gaarne gastvrijheid weigeren.”“Vijf en twintig schepen—dat is een vloot! Gij moet hun gastvrijheid weigeren,” antwoordt Guy.“Waarom?”“Laat mij dit aan de Koningin uitleggen. Breng mij bij haar; ik moet geld voor mijn schip hebben.”“Dat zal Hare Majesteit, naar ik vrees, u niet zoo grif toestaan. Zij heeft zich deze maand een half dozijn nieuwe costumes aangeschaft—en modemaakstersrekeningen genieten in het oog eener vrouw de voorkeur boven de benoodigdheden voor de uitrusting van een schip,” lacht Cecil, maar bestelt toch zijn rijtuig.En zoo rijden zij dan naar Westminster, waarheen de Koningin Burleigh ontboden heeft, om zijn raad in te winnen, voordat zij de afgezanten der Geuzen ontvangt.“Groote goden!” roept Hare Majesteit uit, “ik zie, Mylord Burleigh, dat gij ook een Geus hebt meegebracht. Is dat misschien ook al een afgezant?”Dit zeggende, kijkt zij Guy alles behalve vriendelijk aan, want de Geuzen hebben koningin Elizabeth de laatste dagen veel hoofdbreken gekost. Zij zijn hongerig, en zij is er niet van thuis, hen te spijzigen; zij zijn dorstig, en zij heeft geen lust, haar kas aan te spreken, om dien dorst te stillen; het zijn echter vijanden van Alva, en om die reden zou zij hen willen ondersteunen.“Neen, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, die plotseling een ingeving krijgt. “Ik kom geen hulp voor de Watergeuzen vragen, ik zeg integendeel:verleen ze hun niet.”“Waarom niet?” vraagt de Koningin, die niet gewoon is, dat iemand buiten haar geheimen raad haar zoo openhartig zijn meening zegt.“Om deze reden: als Uwe Majesteit hen vaneten en drinken voorziet, zullen zij hier blijven en uw gasten en kostgangers zijn, zoolang als uw gastvrijheid duurt.”“Weg met die luie schobbejakken, die hier op mijn kosten goede sier willen maken,” gromt Hare Majesteit.“Vijf en twintig schepen zijn een formeele vloot. Zij hebben de Nederlanden verlaten en nu heeft Alva zijn handen vrij, om ze tegen u te gebruiken.”“Dus gij zoudt hun voedsel weigeren?”“Ja,” antwoordt Guy, “voor geen halven cent proviand.”“Maar zij hebben ook geen water.”“Geen druppel water. Als gij hen van proviand en water voorziet, zullen zij niet teruggaan naar de Nederlanden, al beveelt gij hen ook, Engeland te verlaten. Zij zullen eerder hun fortuin gaan zoeken in de Spaansche wateren, waar buit in overvloed is te vinden, dan zich aan Alva’s ijzeren vuisten te wagen.Geef hun niets dan kruit en lood. Dan moeten zij koers zetten naar een naburige haven. Zij durven niet naar Frankrijk gaan, zij moeten rechtstreeks den strijd tegen Alva aanbinden, en vijf en twintig schepen zijn een macht, die aan den loop van zaken in de Nederlanden een andere wending kan geven. Zij waren tot nu toe zwak, omdat zij hun kracht verbrokkelden. Nu vormen zij een geheel. Geef hun kruit, Majesteit, geef hun kruit en kogels, om Alva te bestrijden.”“O! Gij wilt hen laten vechten voor de kost! Een kostelijke inval!” roept Hare Majesteit uit. “Sir Guy Chester gebruikt niet alleen zijn zwaard,hij gebruikt ook zijn hoofd. Wat zegt gij er van, Burleigh?”“Ik?” antwoordt de staatsman, die groot en ook edelmoedig genoeg is, om de wijsheid van een ander te erkennen, “ik zeg, dat hij u den verstandigsten raad heeft gegeven, dien gij ooit ontvangen hebt. Gij maakt den Spaanschen gezant gelukkig, door hem te zeggen, dat gij den Geuzen uw land hebt ontzegd en hun hulp hebt geweigerd, en tegelijk doet gij een bliksemstraal uit helderen hemel op Alva en Spanje neerschieten en berokkent hun oneindig meer schade dan door u aan een openlijken oorlog met hen te wagen, waarvoor wij niet gereed zijn—”“Maar die dan toch niet lang meer zal uitblijven, Mylord,” merkt Elizabeth op. Vervolgens roept zij een page en zegt: “Laat de afgezanten van de Geuzen binnenkomen.”En Treslong en Van der Mark komen nu binnen, om een mededeeling te ontvangen, die hen voor het oogenblik met wanhoop vervult, maar later zal blijken, hun den weg te hebben gebaand tot onvergankelijken roem.Hare Majesteit ontvangt, onder een troonhemel staande, zeer uit de hoogte de twee avonturiers; dezen zien er haveloos uit, maar hebben flinke rapieren opzij, en hun bleeke gezichten getuigen van kommer en gebrek.“Gij zijt hier gekomen, heeren,” zegt zij, “om mij een verzoek te doen. Wat is dat?”“Mondvoorraad om ons voor den hongerdood te bewaren,” antwoordt de admiraal.“Geen mondvoorraad!”“Goede hemel! In naam der barmhartigheid! Wij hielden u voor Alva’s vijandin.”“Ik ben Alva’svriendin.Geen mondvoorraad!Wat nog meer?”“En water,—wij hebben nog slechts voor drie dagen water in onze schepen. Sta ons tenminste toe, wat de menschelijkheid nog nooit aan een dorstig zeeman geweigerd heeft—water!”“Geenwater! Hebt het hart, aan land te komen, om water uit meer of rivier te scheppen, en ik zal mijn soldaten op u afzenden.”“En dit heet een Christelijk land?”“Ja, Christelijk genoeg, om zijn woord te houden jegens Spanje, een bevriende mogendheid. Zoo gij binnen vier en twintig uren onze haven niet hebt verlaten, zullen onze batterijen haar vuur op u openen.”“En ons terugdrijven naar den open oceaan, zonder water, zonder voedsel?”“Ja!”“Dan,” zegt Van Treslong, “moge God u uw onmenschelijkheid vergeven! Wij hebben alles opgeofferd voor onzen godsdienst, die de uwe is; voor ons land, dat gij zegt, lief te hebben, alles—behalve ons leven. Als de tijd gekomen is, zullen wij er dat ook voor laten. Die tijd schijnt nu te zijn aangebroken. Het is nu om ons leven te doen. Wij moeten terug naar de Nederlanden, om te vallen in den ongelijken strijd tegen Alva!”“De hemel helpe ons,” zucht de admiraal. “Wij hebben zelfs geen kruit om ons te verdedigen,” en de beide mannen verwijderen zich buigende, met wanhoop in het hart.De Koningin doet een stap voorwaarts, alsof zij hen terug wilde houden, en roept: “God vergeve mij! Men zal mij een hardvochtige vrouw noemen. Ik zal vannacht stellig droomen van deze arme, verhongerende Geuzen. Zij zullen echter niet naar hun land teruggaan zonderkruitenlood!” En zij zegt tot Chester: “Is uw schip reeds uitgezeild?”“Neen, Uwe Majesteit.”“Dan moet gij hen volgen. Hier is een bevelschrift, waarop men u zooveel kruit, wapenen en kogels zal uitreiken als gij kunt bergen. Laat het aan boord brengen en zeil vanavond nog weg uit de haven van Sandwich. Zoek de vrijbuitersvloot in Dover op. Wapen de Geuzen, voorzie hen van ammunitie, geef hun ruimschoots genoeg om te kunnen vechten.”“Maar, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, die nu weet, dat hij zal krijgen, wat hij behoeft, “ik heb geen geld om mijn bemanning te betalen.”“Hier is een order op mijn schatkist voor twintig duizend kronen.” En Elizabeth gaat zitten om te schrijven, doch zegt plotseling: “Uw bemanning telt, naar ik meen, slechts honderd vijf en twintig koppen. Vijftien duizend kronen zal dus voldoende zijn om uw knorrende honden koest te houden,” en zij teekent de order, maar heeft er aanstonds weer berouw over en mompelt: “Mij dunkt,tienduizend is ook wel genoeg.”“Neen, Uwe Majesteit, dat is niet genoeg, en met vijftien duizend kronen betaalt gij de expeditie volstrekt niet te duur, want gij zendt op Alva een bende wanhopigen af, die tot alles in staat zijn,die, al verwenschen zij u om uw hardvochtigheid, veel beter voor u zullen vechten dan uw eigen krijgslieden, want zij zullen vechten, niet voor hun land, niet voor hun godsdienst, maar voor datgene, wat ieder mensch het naast aan het hart ligt—hun bestaan! Bovendien doen zij het geheel buiten u om!”“Drommels, Cecil, wat een redenaar,” lacht Hare Majesteit. “Een echte zeeman-advocaat. Misschien kan hij het mettertijd nog wel brengen tot ondersecretaris van staat—wat dunkt u, lord Burleigh?”“Best mogelijk, Uwe Majesteit. Gij hebt er wel gehad met minder hersens in het hoofd.”“En ook wel, die minder goed wisten te praten,” antwoordt Elizabeth, die niet kan vergeten, dat zij vijftien duizend kronen minder in haar schatkist heeft. “Hij heeft mij het geld leelijk afgetroggeld, hij trok partij van mijn zwakheid, Lord Burleigh. Voer hem spoedig weg van hier, eer ik de order terugneem. Tracht gij echter die twee arme Nederlandsche edellieden in te halen en noodig ze bij u ten eten. Laat hun zien, dat gij tenminste een hart hebt, als uw Koningin het niet heeft.” En de twee mannen vertrekken, terwijl Guy tot spoed aanmaant. Hij vreest, dat Hare Majesteit de order op haar schatkist zal terugverlangen en verscheuren.Burleigh vergezelt hem naar de thesaurie, daar hij blijkbaar zelf de zaak nog niet vertrouwt. Maar als het geld aan Guy is uitbetaald, vraagt hij dezen: “Hare Majesteit zeide, dat de Geuzen goed van wapenen en ammunitie moesten voorzien worden. Kan uw schip zooveel bergen?”“Voor een veldtocht?—Neen!”“Dan,” zegt Burleigh, “geef ik u hier een order van mijn hand, Sir Guy Chester. Neem vier schepen, laad ze met kruit, wapenen en ammunitie, waarvoor ik u een koninklijke aanwijzing zal geven op het arsenaal van de Koningin te Sandwich, Harwich of elk ander, waar gij u maar zult vervoegen. Wij zonden deze mannen uit, niet slechts voor een gevecht, maar voor een langdurigen en hardnekkigen oorlog met Alva, want nu geldt het zijn hoofd of dat der van gebrek omkomende Watergeuzen. Hier is eveneens een volmacht, waardoor ge u de schepen kunt verschaffen, die gij noodig hebt voor uw doel. Maar dit alles blijft natuurlijk geheel tusschen ons. Engeland leeft in vrede met Spanje. En nu, God zij met u.”En zoo krijgt Guy, krachtens zijn volmacht, in de haven van Sandwich vier groote karveelen tot zijn beschikking en laadt ze met al de wapenen en ammunitie, die hij kan machtig worden, kruit in overvloed voor menigen strijd en menig beleg, en daarna zeilt hij den volgenden morgen met die vaartuigen naar Duins en blijft heen en weer kruisen tusschen de Goodwin Sands en de kust van Frankrijk. Hier moeten de Geuzen, als zij uit Dover komen, hem wel in het oog krijgen, en het duurt dan ook niet lang, of zijn schepen worden gevisiteerd en prijsverklaard door dit tot wanhoop gedreven volkje.“Elizabeth van Engeland wilde u geen proviand geven, maar hier zijn wapenen en ammunitie, waarmede gij ze bij Alva kunt gaan halen,” lacht Chester, als Treslong’s schip deDover Lasslangszij komt.En de Geuzen begrijpen hem zoo goed, dat zijde vier schepen geheel leeg plunderen en deDover Lasszelve nauwelijks genoeg kruit laten om zich te verdedigen, waardoor Guy zich genoodzaakt ziet, naar Dover terug te keeren om voor zichzelven ammunitie te halen.Als dit de Koningin ter oore komt, roept zij woedend haar raadsman, Lord Burleigh, toe: “Wel vervloekt, wat een onbeschaamdheid! Gij hebt mijn koninkrijk geruïneerd. Gij hebt uit mijn arsenaal te Sandwich zooveel ammunitie geroofd, als voldoende was om het geheele Engelsche koninkrijk te verdedigen. Gij zijt een lage verrader!”“Met uw verlof, Majesteit,” merkt Cecil op, “gij hebt mij bevolen, de Geuzen behoorlijk te wapenen. Dat heb ik gedaan. Hoe meer kruit en kogels ik hun geef, des te harder zal uw vriend Alva het te verantwoorden hebben.”“Nu, het zal u vergeven zijn,” antwoordt Hare Majesteit, “indien gij die arme, hongerige officieren van de Geuzen, Treslong en Van der Mark, tenminste goed van spijs en drank hebt voorzien.”“Ook daarin heb ik aan Uwer Majesteits orders voldaan,” antwoordt Burleigh. “Ik heb ze onthaald op de lekkerste schotels en den fijnsten wijn. Ik zie hen nog eten. Er is zeker na de dagen van den reus Glutton1nooit door iemand zulk een woesten aanval op spijs en drank gedaan. Uwe Majesteit zal daarover kunnen oordeelen, als zij de rekening ontvangt, die ik reeds bij de thesaurie heb ingeleverd.”“De rekening ingeleverd bij de thesaurie!” krijschtElizabeth. “Uit mijn oogen, ellendige dief! Burleigh, gij besteelt mij; gij besteelt uw vorstin, lage, inhalige schurk,—en de rekeningen van mijn naaisters en modistes zijn nog niet betaald! Bij God! ik zal u het hoofd voor de voeten laten leggen, als de Geuzen niet triumfeeren over Alva!”Dit zeggende, stapt de Koningin de kamer uit, in de hoogste mate ontstemd en verbolgen.1Glutton = gulzigaard.

Op den morgen van den tweeden dag na het zooeven vermelde, landt Chester te Sandwich en reist met postpaarden, zoo vlug als hij kan, naar Londen.

Als hij in de hoofdstad aankomt, hoort hij dat zijn vorstin en haar hof zich te Hampton bevinden, en verneemt hij tevens tot zijn groote vreugde, dat de Koningin in blakenden welstand verkeert. Hij is dus tijdig genoeg gekomen, om tot Engelands heil elken aanslag van het Borgia-complot te verijdelen.

Want in die dagen vreesde iedere ware Engelschman, Katholiek of Protestant, dat Elizabeth op de een of andere wijze door Italiaansche sluipmoordenaars uit den weg zou worden geruimd en de kroon zou overgaan op haar wettige troonopvolgster, Maria, koningin van Schotland, die nu de gevangene van Elizabeth was; men wist dat de hertog van Norfolk, een geloovig Katholiek, niet alleen den toeleg had, de schoone Maria op den troon van Engeland te zetten, maar ook haar te huwen en naast haar te regeeren als prins-gemaal. Dit zou Brittannië geheelonder den invloed van Philips II van Spanje hebben gebracht en den weg hebben gebaand voor zijn lievelingsplan, de vestiging der Inquisitie in Engeland, met al haar verschrikkingen van brandstapels, geeselingen en martelingen, zooals die in Nederland in practijk werden gebracht, onder soortgelijke omstandigheden, door Alva, zijn onderkoning.

Al is hij een goed Katholiek, zoo is Guy toch ook een goed Engelschman en uitermate bezorgd voor de veiligheid van zijn Protestantsche koningin.

Dit alles maakt, dat Guy rust noch duur heeft, zoolang zij niet is gewaarschuwd voor het gevaar, dat haar dreigt van de zijde van Ridolfi, Alva’s agent te Londen.

Hij zet zich dus opnieuw te paard, ofschoon hij doodelijk vermoeid is door zijn langen rit van Sandwich, en komt vroeg in den avond aan het paleis te Hampton Court aan. Het gelukt hem, onmiddellijk toegelaten te worden bij Cecil, Lord Burleigh, en hij geeft hem de brieven in cijferschrift van Vitelli aan Ridolfi en ook den sleutel, dien Oliver hem heeft verschaft.

Als Guy haastig de strekking van deze brieven vermeldt, zegt de Lord met een ernstig gelaat: “Gij hebt den staat een grooten dienst bewezen. Maar gij hebt zeker den geheelen dag gereden; ik zal er voor zorgen, dat gij iets te eten en te drinken krijgt en u eenigszins verfrisschen kunt,” en een lakei roepend, geeft hij daarvoor zijn bevelen. “Terwijl gij wat uitrust, zal ik met mijn ondersecretaris de brieven ontcijferen en overschrijven voor de Koningin. Gij kunt ze haar dan persoonlijk overhandigen, daar hebt gij recht op.”

De jonge man is met deze schikking zeer ingenomen, want hij heeft twaalf uren in den zadel gezeten en onderweg maar weinig voedsel tot zich genomen.

Een uur later vergezelt Guy, die door het gebruik van een stevig maal en een flesch wijn weer geheel bekomen is, Lord Burleigh,—thans Elizabeths eerste minister en de machtigste man in Engeland,—naar de audiëntie-kamer van Hare Majesteit, waar deze hen zonder ceremonieel ontvangt. De Koningin is in groot toilet, het keurslijf, dat de ivoorwitte schouders onbedekt laat, fonkelt van juweelen, en de hals is versierd met een snoer van paarlen en diamanten. Elizabeth is zeer ijdel, waartoe zij ook het recht heeft, als de dochter van Anna Boleyn, de beauté van haar vaders hof, en zij staat daar vóór hen in een opzichtig sleepgewaad, bezaaid met edelgesteenten, de voeten gestoken in Spaansche schoenen met hooge hakken,—een beeld van ijdelheid, geest, waardigheid en heerschers-bewustzijn. Kortom, zij is de goede “Queen Bess”, in den bloei des levens, vijf en dertig jaren, en behoeft den ouderdom nog niet te duchten, die haar schoonheid zal doen verwelken en haar van haar goed humeur zal berooven.

“Mijn goede Burleigh,” zegt zij, “wat zijt ge toch altijd haastig! Ik heb juist uw mededeeling ontvangen en daar gij mij liet weten, dat er veel van spoedig handelen afhangt, heb ik vijf gerechten van mijn souper voorbij laten gaan en mijn kameniers naar een plaats gezonden, waar haar nieuwsgierige ooren geen vertrouwelijk gesprek kunnen afluisteren. En gij, Master Chester, mijn zeeroover, hebt gij opnieuwachthonderd duizend kronen van Alva binnen het rechtsgebied van mijn koninkrijk ontdekt?”

“Neen,” antwoordt Burleigh, terwijl de twee mannen diep voor haar buigen. “Master Chester heeft enkel een complot van den hertog van Alva tegen uw leven ontdekt. Deze brieven van Vitelli, zijn veldmaarschalk en vertrouwde, aan Ridolfi, den Italiaanschen bankier te Londen, zijn er het bewijs van.”

“O! in cijferschrift,” zegt de Koningin, ze inkijkend.

“Ja, maar dank zij Master Chester’s bereidvaardigheid om zijn leven opnieuw voor Uwe Majesteit te wagen, heeft hij den sleutel in Antwerpen weten te krijgen. De brieven zijn nu overgebracht in het Engelsch.”

“Gauw—geef ze hier!” En Elizabeth gaat zitten en kijkt ze haastig door, waarna zij uitroept: “Zij wilden mij dus vergiftigen en dien verrader Norfolk op den troon zetten als prins-gemaal van de vrouw, die mijn gevangene is.Dat beslist het lot van Norfolk! Hij is gisteren door de Lords veroordeeld wegens hoogverraad. Deze brieven, Burleigh, zijn zijn doodvonnis. Met de dame zal ik later afrekenen, en wat Ridolfi betreft—”

“Er zijn reeds orders gegeven, om Ridolfi gevangen te nemen, Uwe Majesteit,” valt Burleigh haar in de rede.

“Zeer goed,” antwoordt Elizabeth, “dan is er voor het oogenblik niets meer te doen dan van kok te veranderen; en”—hier komt er een vriendelijke uitdrukking in de oogen van Hare Majesteit—“en dezen jongen man te beloonen, dien wij, uit politieke overwegingen, vogelvrij verklaard hebben; maar metdat al hebben wij toch veel met zeeroovers op! Denk maar aan onzen Francis Drake, die niet meer geeft om te eten of te drinken dan om een Spanjaard te berooven en tien percent van zijn buit in te palmen. En aan den ouden John Hawkins, die negers gaat vangen op de kust van Afrika, om ze aan de Dons te verkoopen en dezen den hals afsnijdt, terwijl hij met hen handelt,—alles voor de glorie van Engeland! Inderdaad, Burleigh,—ik zeg het met overtuiging,—kapers zijn mijn beste onderdanen. Daar ik echter mijn potsenmakers vanavond om uwentwil heb weggezonden, Master Chester, zijt gij verplicht, mij daarvoor een kleine vergoeding te schenken. Vertel mij eens wat van uw avonturen in de Nederlanden.”

Guy voldoet aan dit verlangen en Hare Majesteit luistert met beide ooren; af en toe kost het haar moeite, een lach te onderdrukken en geeft zij Burleigh een paar tikjes met haar waaier, maar vooral is zij een en al aandacht, als Chester haar vertelt van Dona Hermoine de Alva en van de herhaalde ontmoetingen, die hij met die jonge dame heeft gehad. En Guy, die door zijn onderwerp in vuur geraakt, beschrijft met schitterende oogen de schoonheid van het meisje.

“Gij drommelsche kerel!” roept Elizabeth uit, als hij geëindigd heeft. “Dat is een geschiedenis, even romantisch als de troubadours verhalen van Amadi de Gaule, die meisjes redde uit de handen van reuzen, evenals gij het die nuffige miss Alva deed uit de handen der Watergeuzen. Waarachtig, Burleigh, ik ben bang, dat zijn loyauteit er onder geleden heeft.

“Terwijl hij over die kleine Spaansche heks spreekt, ziet Master Chester zijn Engelsche vorstin aan op een wijze, waarvoor de Lords hem zouden kunnen veroordeelen als schuldig aan hoogverraad.”

“O, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, evenzeer hoveling als zeeroover, “als liefde hoogverraad is, dan is iedere jonge Engelschman, die zijn koningin aankijkt, een verrader.”

Zijn vurige blik zet kracht aan zijn woorden bij, en dat kost hem ook geen moeite, want Elizabeth is in den vollen bloei van haar schoonheid,—een schoonheid, waarvan men zich thans kwalijk meer een voorstelling kan maken, daar haar meeste portretten zijn gemaakt, toen zij vijftig jaren en daarboven was. Maar nu Chester haar bewonderend aanziet, is zij pas vijf en dertig.

“En ik wil dien vermetelen vleier straffen,” zegt zij lachend, “ofschoon hij geen verrader is. Geef mij uw zwaard, Guy Chester.”

De jonge man wil zijn zwaard afgespen. “Neen, bloot, zooals gij het tegen uw vijanden gebruikt.”

Terwijl Guy het uit de scheede trekt, zich op één knie nederlaat en het aan zijn koningin overhandigt, vervult hem eensklaps de hoop op een onverwachte, roemvolle onderscheiding.

“Hij is, naar ik hoor, van goede geboorte, Burleigh?”

“Uwe Majesteit,” antwoordt Cecil, buigend, “van moeders zijde heeft hij het bloed van Lord Stanhope van Harrington in zijn aderen. Zijn vader is een neef van de Stanleys en high sheriff van Cheshire. Zijn grootvader werd tot ridder geslagen.”

“Dan,” zegt de koningin van Engeland, “zal hij eveneens ridder zijn!” En zij geeft hem met haar kleine hand den ridderslag, zeggende: “Sta op, Sir Guy Chester!”

Maar Sir Guy staat niet op, eer hij hulde heeft bewezen aan de schoone hand, die hem heeft geridderd, en hij doet dit met zooveel geestdrift, dat Hare Majesteit rood wordt in het aangezicht en uitroept: “Het schijnt wel, dat dit Spaansche meisje hem een nieuwe manier heeft geleerd, om de hand te kussen.”

En als de jonge man weer vóór haar staat, reikt zij hem het zwaard over, het bij het lemmet vasthoudend en hem het gevest toestekend, en zegt: “Moogt gij dit, nu gij tot ridder zijt geslagen, evenals vroeger gebruiken tot schrik van Engelands vijanden; vooral tot schrik van Alva,—spaar hem niet ter wille van zijn dochter.”

“Neen,” antwoordt Guy, “want iedere slag, dien ik tegen den vader richt, brengt mij nader tot de dochter.”

“Wel heb ik van mijn leven!” spot Hare Majesteit, “wat denkt deze nieuwbakken ridder Chester dan te doen met de dochter van een vorst?”

“Haar tetrouwen, als God het wil en Uwe Majesteit het genadig veroorlooft,” roept Guy uit en trekt zich terug met Lord Burleigh, de koningin van Engeland in een opgewekte stemming achterlatend, daar zij recht in haar schik is met haar nieuwen ridder.

Doch niettegenstaande Chester’s waarschuwing hoogstwaarschijnlijk haar leven heeft gered, slaatElizabeth—die, hoe groot zij ook is als Koningin, waar het staatszaken geldt, een zonderlinge zuinigheid in practijk brengt,—volstrekt geen acht op Chester’s herhaald verzoek om geld, teneinde zijn schip te kunnen repareeren en zijn bemanning te betalen. En daar hij brandt van verlangen, om opnieuw naar de Nederlanden over te steken, gebruikt hij de honderd goudstukken, het geschenk van zijn beminde, om zijn schip uit te rusten tegen haar vader, de helft er van bestedende voor de verfraaiing en versiering van de hutten derDover Lassen haar salons zoo rijk stoffeerende, dat Harry Dalton, zijn eerste luitenant, uitroept: “Bij alle mooie meisjes van Plymouth, men zou haast denken, dat hij ter kaapvaart uitgaat op een vrouw!”

Maar ondanks de honderd goudstukken, is Chester spoedig weer zonder voldoende middelen om zijn schip zeilklaar te maken, en hij gaat dus weer van Sandwich naar Londen, om zijn gierige vorstin opnieuw om geld te verzoeken.

Meenende beter te zullen slagen, als hij Burleigh in den arm neemt, die den meesten invloed op de Koningin heeft en altijd getoond heeft, zijn vriend te zijn, treedt Chester op zekeren namiddag in het laatst van Maart het kabinet van dien edelman binnen, die in gepeins verzonken zit.

“Gij zijt juist de man, dien ik moet hebben, Sir Guy,” zegt hij levendig. “Vertel mij eens alles, wat gij weet van de Watergeuzen, die Nederlandsche zeeschuimers.”

“Dat, Mylord, kan ik in weinige woorden doen,”antwoordt Chester. “Het zijn mannen uit alle standen, van Brabant, Vlaanderen, Friesland, Holland—kortom uit alle provinciën, waar Alva gebiedt; door wreedheid en vervolging worden zij gedwongen, hun heil te zoeken op de zee, want op het land te blijven, staat voor hen gelijk met den dood op den brandstapel, na voorafgaande foltering. Zij zijn buiten de wet gesteld wegens hun verzet tegen de Spaansche dwingelandij. Onder hen bevinden zich mannen, hoog in aanzien bij den prins van Oranje, die aan hun bedrijf eenigermate een wettig karakter heeft trachten te geven, door hun lastbrieven uit te reiken, waarvan ik de eer heb er ook een te bezitten, met den penning, die er bij behoort,” en hij vertoont zijn Geuzenpenning, dien hij altijd bij zich draagt, aan Lord Burleigh. “Tot hen behoort zoowel de ridder Bloys van Treslong en Willem van der Marck, baron van Lumey, als Dirk Duyvel, wiens naam hem reeds kenmerkt als een echten vrijbuiter. Maar waarom stelt gij zooveel belang in de Watergeuzen?”

“Om deze reden. Vijf en twintig schepen, met dat volkje bemand, zijn te Dover binnengeloopen. Zij roepen onze bescherming in en verzoeken om proviand en water. Van Treslong en hun admiraal Van der Marck zijn te Londen, om hulp te vragen. Wij zijn, zooals het heet, op voet van vrede met Spanje en Alva, maar ik zou hun toch niet gaarne gastvrijheid weigeren.”

“Vijf en twintig schepen—dat is een vloot! Gij moet hun gastvrijheid weigeren,” antwoordt Guy.

“Waarom?”

“Laat mij dit aan de Koningin uitleggen. Breng mij bij haar; ik moet geld voor mijn schip hebben.”

“Dat zal Hare Majesteit, naar ik vrees, u niet zoo grif toestaan. Zij heeft zich deze maand een half dozijn nieuwe costumes aangeschaft—en modemaakstersrekeningen genieten in het oog eener vrouw de voorkeur boven de benoodigdheden voor de uitrusting van een schip,” lacht Cecil, maar bestelt toch zijn rijtuig.

En zoo rijden zij dan naar Westminster, waarheen de Koningin Burleigh ontboden heeft, om zijn raad in te winnen, voordat zij de afgezanten der Geuzen ontvangt.

“Groote goden!” roept Hare Majesteit uit, “ik zie, Mylord Burleigh, dat gij ook een Geus hebt meegebracht. Is dat misschien ook al een afgezant?”

Dit zeggende, kijkt zij Guy alles behalve vriendelijk aan, want de Geuzen hebben koningin Elizabeth de laatste dagen veel hoofdbreken gekost. Zij zijn hongerig, en zij is er niet van thuis, hen te spijzigen; zij zijn dorstig, en zij heeft geen lust, haar kas aan te spreken, om dien dorst te stillen; het zijn echter vijanden van Alva, en om die reden zou zij hen willen ondersteunen.

“Neen, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, die plotseling een ingeving krijgt. “Ik kom geen hulp voor de Watergeuzen vragen, ik zeg integendeel:verleen ze hun niet.”

“Waarom niet?” vraagt de Koningin, die niet gewoon is, dat iemand buiten haar geheimen raad haar zoo openhartig zijn meening zegt.

“Om deze reden: als Uwe Majesteit hen vaneten en drinken voorziet, zullen zij hier blijven en uw gasten en kostgangers zijn, zoolang als uw gastvrijheid duurt.”

“Weg met die luie schobbejakken, die hier op mijn kosten goede sier willen maken,” gromt Hare Majesteit.

“Vijf en twintig schepen zijn een formeele vloot. Zij hebben de Nederlanden verlaten en nu heeft Alva zijn handen vrij, om ze tegen u te gebruiken.”

“Dus gij zoudt hun voedsel weigeren?”

“Ja,” antwoordt Guy, “voor geen halven cent proviand.”

“Maar zij hebben ook geen water.”

“Geen druppel water. Als gij hen van proviand en water voorziet, zullen zij niet teruggaan naar de Nederlanden, al beveelt gij hen ook, Engeland te verlaten. Zij zullen eerder hun fortuin gaan zoeken in de Spaansche wateren, waar buit in overvloed is te vinden, dan zich aan Alva’s ijzeren vuisten te wagen.Geef hun niets dan kruit en lood. Dan moeten zij koers zetten naar een naburige haven. Zij durven niet naar Frankrijk gaan, zij moeten rechtstreeks den strijd tegen Alva aanbinden, en vijf en twintig schepen zijn een macht, die aan den loop van zaken in de Nederlanden een andere wending kan geven. Zij waren tot nu toe zwak, omdat zij hun kracht verbrokkelden. Nu vormen zij een geheel. Geef hun kruit, Majesteit, geef hun kruit en kogels, om Alva te bestrijden.”

“O! Gij wilt hen laten vechten voor de kost! Een kostelijke inval!” roept Hare Majesteit uit. “Sir Guy Chester gebruikt niet alleen zijn zwaard,hij gebruikt ook zijn hoofd. Wat zegt gij er van, Burleigh?”

“Ik?” antwoordt de staatsman, die groot en ook edelmoedig genoeg is, om de wijsheid van een ander te erkennen, “ik zeg, dat hij u den verstandigsten raad heeft gegeven, dien gij ooit ontvangen hebt. Gij maakt den Spaanschen gezant gelukkig, door hem te zeggen, dat gij den Geuzen uw land hebt ontzegd en hun hulp hebt geweigerd, en tegelijk doet gij een bliksemstraal uit helderen hemel op Alva en Spanje neerschieten en berokkent hun oneindig meer schade dan door u aan een openlijken oorlog met hen te wagen, waarvoor wij niet gereed zijn—”

“Maar die dan toch niet lang meer zal uitblijven, Mylord,” merkt Elizabeth op. Vervolgens roept zij een page en zegt: “Laat de afgezanten van de Geuzen binnenkomen.”

En Treslong en Van der Mark komen nu binnen, om een mededeeling te ontvangen, die hen voor het oogenblik met wanhoop vervult, maar later zal blijken, hun den weg te hebben gebaand tot onvergankelijken roem.

Hare Majesteit ontvangt, onder een troonhemel staande, zeer uit de hoogte de twee avonturiers; dezen zien er haveloos uit, maar hebben flinke rapieren opzij, en hun bleeke gezichten getuigen van kommer en gebrek.

“Gij zijt hier gekomen, heeren,” zegt zij, “om mij een verzoek te doen. Wat is dat?”

“Mondvoorraad om ons voor den hongerdood te bewaren,” antwoordt de admiraal.

“Geen mondvoorraad!”

“Goede hemel! In naam der barmhartigheid! Wij hielden u voor Alva’s vijandin.”

“Ik ben Alva’svriendin.Geen mondvoorraad!Wat nog meer?”

“En water,—wij hebben nog slechts voor drie dagen water in onze schepen. Sta ons tenminste toe, wat de menschelijkheid nog nooit aan een dorstig zeeman geweigerd heeft—water!”

“Geenwater! Hebt het hart, aan land te komen, om water uit meer of rivier te scheppen, en ik zal mijn soldaten op u afzenden.”

“En dit heet een Christelijk land?”

“Ja, Christelijk genoeg, om zijn woord te houden jegens Spanje, een bevriende mogendheid. Zoo gij binnen vier en twintig uren onze haven niet hebt verlaten, zullen onze batterijen haar vuur op u openen.”

“En ons terugdrijven naar den open oceaan, zonder water, zonder voedsel?”

“Ja!”

“Dan,” zegt Van Treslong, “moge God u uw onmenschelijkheid vergeven! Wij hebben alles opgeofferd voor onzen godsdienst, die de uwe is; voor ons land, dat gij zegt, lief te hebben, alles—behalve ons leven. Als de tijd gekomen is, zullen wij er dat ook voor laten. Die tijd schijnt nu te zijn aangebroken. Het is nu om ons leven te doen. Wij moeten terug naar de Nederlanden, om te vallen in den ongelijken strijd tegen Alva!”

“De hemel helpe ons,” zucht de admiraal. “Wij hebben zelfs geen kruit om ons te verdedigen,” en de beide mannen verwijderen zich buigende, met wanhoop in het hart.

De Koningin doet een stap voorwaarts, alsof zij hen terug wilde houden, en roept: “God vergeve mij! Men zal mij een hardvochtige vrouw noemen. Ik zal vannacht stellig droomen van deze arme, verhongerende Geuzen. Zij zullen echter niet naar hun land teruggaan zonderkruitenlood!” En zij zegt tot Chester: “Is uw schip reeds uitgezeild?”

“Neen, Uwe Majesteit.”

“Dan moet gij hen volgen. Hier is een bevelschrift, waarop men u zooveel kruit, wapenen en kogels zal uitreiken als gij kunt bergen. Laat het aan boord brengen en zeil vanavond nog weg uit de haven van Sandwich. Zoek de vrijbuitersvloot in Dover op. Wapen de Geuzen, voorzie hen van ammunitie, geef hun ruimschoots genoeg om te kunnen vechten.”

“Maar, Uwe Majesteit,” antwoordt Guy, die nu weet, dat hij zal krijgen, wat hij behoeft, “ik heb geen geld om mijn bemanning te betalen.”

“Hier is een order op mijn schatkist voor twintig duizend kronen.” En Elizabeth gaat zitten om te schrijven, doch zegt plotseling: “Uw bemanning telt, naar ik meen, slechts honderd vijf en twintig koppen. Vijftien duizend kronen zal dus voldoende zijn om uw knorrende honden koest te houden,” en zij teekent de order, maar heeft er aanstonds weer berouw over en mompelt: “Mij dunkt,tienduizend is ook wel genoeg.”

“Neen, Uwe Majesteit, dat is niet genoeg, en met vijftien duizend kronen betaalt gij de expeditie volstrekt niet te duur, want gij zendt op Alva een bende wanhopigen af, die tot alles in staat zijn,die, al verwenschen zij u om uw hardvochtigheid, veel beter voor u zullen vechten dan uw eigen krijgslieden, want zij zullen vechten, niet voor hun land, niet voor hun godsdienst, maar voor datgene, wat ieder mensch het naast aan het hart ligt—hun bestaan! Bovendien doen zij het geheel buiten u om!”

“Drommels, Cecil, wat een redenaar,” lacht Hare Majesteit. “Een echte zeeman-advocaat. Misschien kan hij het mettertijd nog wel brengen tot ondersecretaris van staat—wat dunkt u, lord Burleigh?”

“Best mogelijk, Uwe Majesteit. Gij hebt er wel gehad met minder hersens in het hoofd.”

“En ook wel, die minder goed wisten te praten,” antwoordt Elizabeth, die niet kan vergeten, dat zij vijftien duizend kronen minder in haar schatkist heeft. “Hij heeft mij het geld leelijk afgetroggeld, hij trok partij van mijn zwakheid, Lord Burleigh. Voer hem spoedig weg van hier, eer ik de order terugneem. Tracht gij echter die twee arme Nederlandsche edellieden in te halen en noodig ze bij u ten eten. Laat hun zien, dat gij tenminste een hart hebt, als uw Koningin het niet heeft.” En de twee mannen vertrekken, terwijl Guy tot spoed aanmaant. Hij vreest, dat Hare Majesteit de order op haar schatkist zal terugverlangen en verscheuren.

Burleigh vergezelt hem naar de thesaurie, daar hij blijkbaar zelf de zaak nog niet vertrouwt. Maar als het geld aan Guy is uitbetaald, vraagt hij dezen: “Hare Majesteit zeide, dat de Geuzen goed van wapenen en ammunitie moesten voorzien worden. Kan uw schip zooveel bergen?”

“Voor een veldtocht?—Neen!”

“Dan,” zegt Burleigh, “geef ik u hier een order van mijn hand, Sir Guy Chester. Neem vier schepen, laad ze met kruit, wapenen en ammunitie, waarvoor ik u een koninklijke aanwijzing zal geven op het arsenaal van de Koningin te Sandwich, Harwich of elk ander, waar gij u maar zult vervoegen. Wij zonden deze mannen uit, niet slechts voor een gevecht, maar voor een langdurigen en hardnekkigen oorlog met Alva, want nu geldt het zijn hoofd of dat der van gebrek omkomende Watergeuzen. Hier is eveneens een volmacht, waardoor ge u de schepen kunt verschaffen, die gij noodig hebt voor uw doel. Maar dit alles blijft natuurlijk geheel tusschen ons. Engeland leeft in vrede met Spanje. En nu, God zij met u.”

En zoo krijgt Guy, krachtens zijn volmacht, in de haven van Sandwich vier groote karveelen tot zijn beschikking en laadt ze met al de wapenen en ammunitie, die hij kan machtig worden, kruit in overvloed voor menigen strijd en menig beleg, en daarna zeilt hij den volgenden morgen met die vaartuigen naar Duins en blijft heen en weer kruisen tusschen de Goodwin Sands en de kust van Frankrijk. Hier moeten de Geuzen, als zij uit Dover komen, hem wel in het oog krijgen, en het duurt dan ook niet lang, of zijn schepen worden gevisiteerd en prijsverklaard door dit tot wanhoop gedreven volkje.

“Elizabeth van Engeland wilde u geen proviand geven, maar hier zijn wapenen en ammunitie, waarmede gij ze bij Alva kunt gaan halen,” lacht Chester, als Treslong’s schip deDover Lasslangszij komt.

En de Geuzen begrijpen hem zoo goed, dat zijde vier schepen geheel leeg plunderen en deDover Lasszelve nauwelijks genoeg kruit laten om zich te verdedigen, waardoor Guy zich genoodzaakt ziet, naar Dover terug te keeren om voor zichzelven ammunitie te halen.

Als dit de Koningin ter oore komt, roept zij woedend haar raadsman, Lord Burleigh, toe: “Wel vervloekt, wat een onbeschaamdheid! Gij hebt mijn koninkrijk geruïneerd. Gij hebt uit mijn arsenaal te Sandwich zooveel ammunitie geroofd, als voldoende was om het geheele Engelsche koninkrijk te verdedigen. Gij zijt een lage verrader!”

“Met uw verlof, Majesteit,” merkt Cecil op, “gij hebt mij bevolen, de Geuzen behoorlijk te wapenen. Dat heb ik gedaan. Hoe meer kruit en kogels ik hun geef, des te harder zal uw vriend Alva het te verantwoorden hebben.”

“Nu, het zal u vergeven zijn,” antwoordt Hare Majesteit, “indien gij die arme, hongerige officieren van de Geuzen, Treslong en Van der Mark, tenminste goed van spijs en drank hebt voorzien.”

“Ook daarin heb ik aan Uwer Majesteits orders voldaan,” antwoordt Burleigh. “Ik heb ze onthaald op de lekkerste schotels en den fijnsten wijn. Ik zie hen nog eten. Er is zeker na de dagen van den reus Glutton1nooit door iemand zulk een woesten aanval op spijs en drank gedaan. Uwe Majesteit zal daarover kunnen oordeelen, als zij de rekening ontvangt, die ik reeds bij de thesaurie heb ingeleverd.”

“De rekening ingeleverd bij de thesaurie!” krijschtElizabeth. “Uit mijn oogen, ellendige dief! Burleigh, gij besteelt mij; gij besteelt uw vorstin, lage, inhalige schurk,—en de rekeningen van mijn naaisters en modistes zijn nog niet betaald! Bij God! ik zal u het hoofd voor de voeten laten leggen, als de Geuzen niet triumfeeren over Alva!”

Dit zeggende, stapt de Koningin de kamer uit, in de hoogste mate ontstemd en verbolgen.

1Glutton = gulzigaard.

1Glutton = gulzigaard.

HOOFDSTUK X.HET GEHEIM VAN HET STANDBEELD.Daar hij thans zelf gebrek aan ammunitie heeft, is Guy genoodzaakt, zich nog eenige dagen in Engeland op te houden. Doch de vlugge kleineDover Lassheeft niet lang werk, om naar Nederland over te steken, zij zet alle zeilen bij en vroeg in April bevindt Chester zich opnieuw aan den mond van de Schelde. Als hij Vlissingen in zicht krijgt, heeft hij redenen om zich te verwonderen maar ook om zich te verheugen, want de oranje-blauw-witte vlag van den prins van Oranje wappert van den toren.“Wel verd....!” roept hij zijn eersten officier toe, “de Geuzen zijn in Vlissingen geland en hebben er bezit van genomen! Voor ons uit zeilen twee schepen met de Oranjevlag in top. Haal ze in en zie er eens alles van te weten te komen, Dalton.”In een halfuur heeft deDover Lassde schepen ingehaald, die onder het commando staan van kapitein De Rijk van Amsterdam. Van hem verneemt Guy, dat de Geuzen niet alleen Vlissingen hebben ingenomen, maar ook den Briel. Hun succes is devonk geweest, die de vaderlandsliefde in Holland en al de Noordelijke Nederlanden heeft doen ontbranden. De eene stad vóór, de andere na verklaart zich voor den prins van Oranje als den stadhouder van Philips II en tegen Alva, want zoo groot was de eerbied, dien men in die dagen voor het koningschap koesterde, dat Oranje zich nog altijd den vazal van den Spaanschen koning noemde, ofschoon hij tegen hem streed met alle wapenen, die hem ten dienste stonden.Tot groote verbazing van Guy, heeft De Rijk, die Engeland een weinig later heeft verlaten dan de andere Geuzenschepen, vijfhonderd Engelsche vrijwilligers aan boord, die Guy op echt Engelsche wijze begroeten. Want Burleigh is door Elizabeth’s liefelijke opmerkingen wel een weinig bang geworden voor zijn hoofd en helpt de Watergeuzen op alle mogelijke manieren.DeDover Lassen de twee Geuzenschepen stevenen nu te zamen, door een zacht koeltje voortgedreven, naar de haven van Vlissingen. Juist als zij daar landen, bemerken zij, dat er iets ongewoons gaande is in de stad. Een kwartier geleden hebben zij een kleine pinas met een enkelen mast gezien, die van den kant van Antwerpen kwam en de haven even vóór hen binnenliep. Drie heeren in een zwierige kleedij, naar het uiterlijk Spanjaarden, zijn uit dit vaartuigje lachend aan land gestapt en de stad ingewandeld.Juist als De Rijk en Chester aan wal gaan, komen deze drie zelfde heeren haastig de stad weer uitsnellen in de richting van de haven, achtervolgd door zulkeen joelende en tierende menigte, als Vlissingen nooit te voren zag. Het is een troep Watergeuzen, dronken van bloed, met hun aanvoerder, den grommigen Dirk Duyvel, tot de tanden gewapend met pistolen en pieken, zwaarden en haakbussen.“Weg met de Spaansche bloedhonden!” schreeuwen sommigen. “Hangt ze op, aan de hoogste galg, gezwind!” krijschen anderen. “In de zee met Alva’s beulen!” gilt de rest,—dit alles gekruid met Hollandsche vloeken van de krachtigste soort.Als zij bemerken, dat hun de terugtocht naar het schip door de manschappen van De Rijk wordt afgesneden, komt de voornaamste van de drie Spanjaarden haastig op De Rijk af, en een buiging voor hem makend, trekt hij van zijn vinger een prachtigen zegelring en laat dien den aanvoerder der Geuzen zien, hijgend uitroepend: “Ik—ik geef mij aan u over.—Ik—ik wist niet, dat de stad in handen was van de—de oproerlingen. Laat deze ring mij behoeden voor een overhaasten dood. Ik ben een edelman. Ik kan een groot losgeld betalen. Ik ben Alva’s ingenieur.” Hij stoot deze woorden in den grootsten angst, naar adem hijgend, uit, want de menigte zit hem dicht op de hielen.Guy herkent met verbazing in den man Paciotto, den grooten militairen ingenieur van Alva, dien hij te Antwerpen aan diens zijde heeft gezien.“Gij kent mij?” brengt Paciotto met moeite uit.“Maar al te goed!” schreeuwt de menigte, die nu de hand aan hem slaat.“Maar al te goed!” herhaalt De Rijk. “Ik zal u echter voor een onmiddellijke executie bewaren,” enhij en Guy en nog een paar andere officieren beschermen met getrokken zwaard de drie mannen, die anders het volgend oogenblik in stukken gehakt zouden zijn door de Watergeuzen. Want dezen zijn, nadat zij den Briel hebben ingenomen, dronken van bloed en dorsten naar wraak op de Spanjaarden, voor al de wreedheden, die door hen de vijf laatste jaren gepleegd zijn. Ieder heeft een familielid te wreken, deze een vader, die wreed vermoord is, een tweede een broeder, die den brandstapel beklommen heeft, een derde de beleediging, zijn vrouw aangedaan, en dit alles maakt hen even onmenschelijk als hun vijanden. Welke kans op lijfsbehoud heeft een officier van Alva bij zulke mannen? Guy heeft spoedig begrepen, dat Paciotto niet eens de keus zal worden gelaten, hoe hij ter dood zal worden gebracht.Terwijl De Rijk en hij den Italiaan behoeden voor onmiddellijke geweldpleging, hebben een aantal Geuzen het kleine Spaansche schip, waarmee Paciotto is gekomen, bestormd, en de weerlooze bemanning om hals gebracht, onder woeste kreten van vreugde en triomf.Een oogenblik later wordt de Italiaan naar het Raadhuis gesleept, waar Treslong, die het bevel voert, beraadslaagt met den burgemeester en andere overheidspersonen, in tegenwoordigheid van zijn meeste kapiteins.“Bij onze martelaren,” roept de Hollandsche vice-admiraal uit, “wij hebben geluk. Daar is ons een van Alva’s voornaamste gunstelingen in handen gevallen.—Een krijgsraad voor den Italiaanschen edelman!”“Ik roep het krijgsrecht in, Willem van Bloys, graaf van Treslong,” zegt Paciotto op hoogen toon, ofschoon de wanhoop op zijn gelaat te lezen staat.“Hetzelfde krijgsrecht, dat Alva toepaste, toen hij mijn broeder met zeventien andere edellieden liet terechtstellen op de markt te Brussel,” antwoordt de Hollander.“Ja, gerechtigheid en barmhartigheid,” spot een der andereofficieren. “Dezelfde gerechtigheid, die Alva mijn vader deed wedervaren, toen hij om genade smeekte te Jemmingen. Dezelfde barmhartigheid, die Bossu nu twee dagen geleden te Rotterdam in practijk bracht.”“Met zulke rechters ben ik vooruit veroordeeld,” zucht de Italiaan, als Van Treslong en zijn officieren plaats nemen rondom een groote trom.Als de krijgsraad den eed heeft afgelegd, merkt de Hollandsche vice-admiraal, die veel doorzicht heeft, op: “Wij moeten den burgemeester in onzen krijgsraad opnemen. Dat zal hem voorgoed aan onze zaak verbinden. Hij zal Vlissingen tot het uiterste verdedigen, omdat hij daarmee zijn eigen hoofd tegenover Alva verdedigt.”Zoo wordt de burgemeester, tegen wil en dank, lid van den krijgsraad en wordt er over Paciotto gerecht gehouden.“Waarvan beschuldigt gij mij?” vraagt de ongelukkige man. “Dat ik een goed onderdaan ben van uw koning, Philips van Spanje? Welnu, aan die misdaad verklaar ik mij schuldig.”“Bah!” antwoordt Van Treslong, “gij zijt derechterhand en de vertrouweling van Alva, onzen beul. Daarom begeeren wij uw leven. En ook, omdat gij voor hem zijn geduchte sterkte, de Citadel van Antwerpen, hebt gebouwd.”“Als ik daarom den dood heb verdiend, executeer mij dan,” mompelt de Italiaan met heesche stem. “Maar ik smeek u, laat mij dan sterven door het zwaard.”“Halt!” roept Guy, wiens ridderlijk gemoed medelijden krijgt met de onderliggende partij. “Ik zal u als uw militaire advocaat voor deze rechtbank verdedigen.”“Verspil uw woorden niet voor mij, senor,” zegt de Italiaan op treurigen toon. “Deze Vlaamsche honden lekken hun baard reeds om mijn bloed.”Guy stoort zich echter niet aan die tegenwerping, maar begint voor den ongelukkigen Spaanschen officier te pleiten, op zijn hartstochtelijke manier, in het vuur zijner rede zulke weinig vleiende woorden voor Paciotto’s rechters bezigende, dat de Engelschman, als hij niet zelf den Geuzenpenning had gedragen en, wat nog meer zegt, als hij niet de man was geweest, die hun de vier schepen met kruit en ammunitie had bezorgd, het er zelf wel eens niet zonder kleerscheuren had kunnen afbrengen voor dezen krijgsraad van de Watergeuzen.Ondanks Chester’s warm pleidooi, maken de Geuzen korte metten, en in minder dan vijf minuten op de tikkende hangklok aan den muur, veroordeelen zij den Italiaanschen ingenieur niet tot den dood door het zwaard, maar tot den dood door den—strop.Als het vonnis is uitgesproken, roept de Italiaanplotseling uit: “Hoe lang is het geleden dat uw vloot zich voor Vlissingen heeft vertoond?”“Ongeveer drie dagen,” antwoordt een Geuzen-aanvoerder. “Doch wat kan dat u schelen, daar gij binnen drie minuten zult sterven?”Het antwoord van Paciotto klinkt vreemd en wonderlijk; hij slaat zijn handen in elkaar en toorn vlamt er in zijn oogen, zijn wanhoop maakt plaats voor verontwaardiging en hij roept uit:“Mijn God! Opgeofferd! Heilige Maagd! Gedood ter wille van mijn geheim!” En zich tot Guy wendend, fluistert hij: “Zijt gij de ‘Eerste der Engelschen’?”“Ja.”“Vraag dan aan de Hollandsche officieren, of zij mij nog tien minuten willen toestaan, om mij met God te verzoenen; alleen in uw tegenwoordigheid, want aan den rozenkrans, dien gij om uw hals draagt, zie ik, dat gij van mijn geloof zijt.”Dit verzoek wordt door Treslong met een norsch: “Ja!” beantwoord.Hierop wordt Paciotto, nadat zijn handen gebonden zijn, in een aangrenzend vertrek gebracht, waaruit hij onmogelijk kan ontvluchten en waarin Chester, bewogen door de smeekende oogen van den Italiaan en misschien ook door nieuwsgierigheid gedreven, hem volgt.“Sluit de deur,” fluistert de Italiaan. En hij vervolgt gejaagd: “Gij zijt de eenige, die goed voor mij is geweest in het laatste uur van mijn leven. Ik ben in staat u dit te vergelden! Ik kan u den weg wijzen om in rijkdom gelijk te worden aan de vorsten dezer aarde.”“Hoe dan?”Doch de Italiaan geeft daarop geen antwoord, doch mompelt: “Opgeofferd! Ik ben een kind des doods,—door toedoen van Alva die nooit iemand spaart, als zijn belang meebrengt, hem uit den weg te ruimen. Deze stad werd reeds drie dagen door den vijand bedreigd! Hij wist dus van den aanval der Geuzen,—hij wist dat Vlissingen een hoogst gevaarlijke plaats zou zijn en hij zond mij hier kwansuis heen om de vestingwerken na te zien, maar inderdaad opdat zijn geheim met mij zou sterven. Want ik ben de eenige man in de Nederlanden, die het kent.” En op hartstochtelijken toon vervolgt hij, heesch fluisterend: “Men heeft mij verteld, dat gij er weinig om geeft, uw leven te wagen. Zoudt gij, met de kans om enorme schatten te verwerven, een stout waagstuk willen ondernemen, om mij op mijn vijand te wreken?”“Voor die schatten zou ik mijn leven willen wagen—ja, haast mijn zaligheid op het spel willen zetten,” antwoordt Guy levendig, want sinds hij de liefde van Alva’s dochter heeft gewonnen, is het zijn eenige gedachte, aanzien, macht en geld genoeg te verwerven, om haar den staat en den luister te kunnen verschaffen, die toekomen aan de dochter van een onderkoning.“Dan, ‘Eerste der Engelschen’, zijt gij de man, dien ik noodig heb voor mijnpost-mortem-afrekening met Alva, gij, die den moed hadt, Antwerpen te bezoeken; ik herinner mij, u daar gezien te hebben, den Onderkoning vrij in het aangezicht kijkend, zijn proclamatie met den prijs op uw hoofdbijna vlak boven u aan den muur. Gij zijt de man om mij te wreken. Luister, en ik zal u het geheim van het standbeeld meedeelen.”“Alva’s standbeeld!” roept Guy uit, terwijl Oliver’s woorden hem weer te binnen schieten.“Stil! Val mij niet in de rede. Mijn tijd is zeer kort. Dit groote standbeeld, dat de Hertog heeft opgericht tot zijn verheerlijking, is gedeeltelijk bestemd voor een ander doel! Om den schat te beschermen, dien hij heeft verzameld met zijn tienden penning en dien hij naar Spanje denkt mee te nemen voor zijn eigen gebruik en voordeel. Het voetstuk—”“O, ik herinner het mij. Het voetstuk is van buitengewonen omvang,—het bevat den buit van de Nederlanden,” fluistert Chester.“Bah! Neen, daarvoor is Alva veel te slim. Het standbeeld en het voetstuk bevattenniets.”“Niets?”“En toch,” zegt de Italiaan, “ishet standbeeldde bewaarplaats van Alva’s schat.”“Hoe dan?”“Luister. Terwijl ik als hoofdingenieur bezig was de Citadel van Antwerpen te veranderen en te verbouwen, ontdekte ik een onderaardsche gang, aangelegd om uitvallen te kunnen doen. Zij liep van het groote bastion van den Hertog onder de gracht door naar een plaats van uitgang in de stad zelve, een huis, vlak achter de Esplanade gelegen. Volgens geheime aanwijzingen van den Onderkoning zelf, liet ik aan het einde van de gang aan de zijde van de Citadel dertig voet onder den grond een vertrekuithouwen. Dit vertrekt dient tot bergplaats van Alva’s schatten. Het soliede metselwerk van het groote bastion van den Hertog staat er vlak boven. Men zou weken lang moeten graven, om er van de Citadel in door te dringen, en men zou om het te laten springen, zooveel kruit noodig hebben, dat het geheele bastion in de lucht zou vliegen. Dus kan men het vertrek van uit de Citadel niet bereiken. Maar van de stadszijde is het toegankelijk, hoewel alleen voor hem, die het geheim kent, want het is op de meest vernuftige wijze voorzien van ieder mechanisme, dat Giovanni Alfriedo, een vindingrijk Italiaan uit Venetië, tot bescherming er van heeft kunnen uitdenken. En toch is het gemakkelijk en spoedig te bereiken voor hen, die in het bezit zijn van het geheim, en ik ben de eenige man, behalve Alva, die dat nu kent—daar Giovanni op zijn terugreis naar Venetië vermoord is geworden door zeeroovers, misschien wel op last van iemand en met een geheime bedoeling.”“Uw tijd is om!” roept Van Treslong uit, op de deur bonzende.“Nog tien minuten voor de ziel van een stervende,” smeekt Paciotto.“Ja, tijd, opdat hij in de vertroostingen zijner kerk moge sterven,” roept Guy uit, die nu brandt van nieuwsgierigheid om achter Alva’s geheim te komen.Men staat hem nog vijf minuten toe, niet uit barmhartigheid, maar om een beul te zoeken. Want de stadsbeul is naar Middelburg, en daar Treslong dit nu eerst verneemt, verheft hij zijn stemtot de menigte vóór het stadhuis en looft een vrij aanzienlijke som uit voor hem, die het beulswerk wil verrichten.Doch niemand wil zich met dit vernederend werk belasten,—tot er zich eindelijk iemand voor aanbiedt, die, hoorende, dat Paciotto een Spanjaard is, uitroept: “Ik durf dat karreweitje wel aan! Ik zal den Spanjaard wel netjes ophangen! Ik moet echter permissie hebben, iedereen van kant te maken, die mij uitjouwt, omdat ik de beul van een Spanjaard ben geweest,” en hij maakt zijn toebereidselen met touw en ladder.Terwijl men een beul voor hem zoekt, fluistert Paciotto haastig Guy in het oor: “De ingang bevindt zich in een huis, nu bewoond door een oude doofstomme vrouw, senora Sebastian. Zij weet van niets, men heeft haar het huisje tegen een lagen prijs verhuurd, toen het werk was afgeloopen. Gij neemt vier steenen op, midden in den kelder, en gij hebt den ingang voor u. Maar deze gewelfde gang wordt op twee plaatsen, voordat ge aan de gracht komt, afgesloten door ijzeren deuren, zóó sterk, dat zij alles kunnen weerstaan, behalve kruit. Elke deur wordt geopend door vernuftig uitgedachte sloten. Overeenkomstig het eigenaardige systeem van dezen bekwamen ingenieur, heeft men voor elk slot drie sleutels noodig, die in een bepaalde volgorde moeten gebruikt worden. Wijkt men af van die volgorde, dan weigeren de sloten. Elke poging om de ijzeren deuren te laten springen, zou de gang zelf vernielen en het Scheldewater naar binnen doen stroomen en hem, die het beproefde, doen verdrinken.”“Maar hoe staat het standbeeld daar nu mee in verband?” fluistert Guy.“Ah! Dat is Alva’s list om zijn muitzieke soldaten te verschalken. Door de geheimzinnigheid van den Onderkoning met betrekking tot dit standbeeld, beschouwt het halve Antwerpensche garnizoen het als uitgemaakt, dat het standbeeld zelf de bewaarplaats is van Alva’s goud. Dit was zijn bedoeling. Hij vreest niet dat de burgers zijn schat stelen zullen, maar wel dat zijn eigen soldaten, die in jaren niet betaald zijn, in opstand zullen komen. Het eerste, waar zij de hand naar zouden uitsteken, zou de buit van hun bevelhebber zijn. Daarom zouden zij het allereerst, om zijn goud te vinden, het voetstuk van het standbeeld openbreken. Maar als zij dat gedaan hadden, werd de gewelfde gang, die naar de stad leidt, voor iedereen ontoegankelijk, behalve voor de visschen, want het standbeeld is zóó ingericht, dat als het beschadigd wordt, zich vanzelf een sluis opent, en de eenige weg naar Alva’s schat door het water van de gracht wordt overstroomd. En al ontdekten zij daarna ook de bergplaats van het goud, dan zou het zeker nog een maand duren, eer zij het konden bemachtigen, daarvoor zou men het bastion van den Hertog in de lucht moeten laten vliegen. In die maand zou het oproer zeker reeds gedempt en de schat beveiligd zijn.”“Maar de sleutels?” fluistert Guy ongeduldig, want het steeds luider wordend rumoer van de menigte buiten, waarschuwt hem, dat de tijd kostbaar is.“Ik heb hier,—maak mijn wambuis los en snijdde voering open,” fluistert Paciotto, “want mijn handen zijn vastgebonden,—teekeningen van elk der drie sleutels met hun nommer, waarnaar gij ze kunt laten maken, en bovendien een beschrijving van de manier, waarop zij gebruikt moeten worden; eveneens een teekening van de onderaardsche gang, die naar den schat van den Hertog voert. Wreek mij op hem. Gij wilt het beproeven, ik zie het aan uw gelaat,—als gij slaagt, zal het een merkwaardige verrassing voor Alva zijn. Wat zal hij aangaan, als hij in zijn leege schatkamer zijn roofgeld niet meer vindt! De geheele tiende penning verdwenen, waarvoor hij de gunst van zijn koning op het spel heeft gezet, waarvoor hij de Nederlanden al die jaren heeft onderdrukt. Geen goud voor Alva—geen goud—ho! ho!—ha! ha!—hi! hi!” en hij barst uit in een afschuwelijk wanhopig gelach,—zijn laatsten lach op aarde.Juist op het oogenblik, dat Guy een klein pakje van hem aanneemt, zorgvuldig in perkament gewikkeld, wordt de deur opengeworpen en komen Treslong, De Rijk en eenige andere Geuzen het vertrek binnen.“Het is tijd!” roept de admiraal.“En gij kent dus geen genade?” zegt de Italiaan.“Niet, als het een gunsteling van Alva betreft. Wij behandelen u met dezelfde genade, die uw meester ons heeft betoond.”En zij grijpen hem aan en sleepen hem naar buiten, terwijl hij wanhopend uitroept: “Gun mij den dood van een edelman,—niet de galg, maar het zwaard. Ik ben evengoed edelman als Egmonten Hoorne,—ik wil sterven door het zwaard, waarop een edelman recht heeft.”Maar het noemen van de namen van Egmont en Hoorne heeft juist een verkeerde uitwerking; het vermeerdert nog de woede tegen Paciotto en men duwt hem naar buiten op het plein voor het stadhuis. Daar staat de ladder tegen de galg, waaraan reeds de twee officieren, die hem vergezelden, bengelen; hij werpt wanhopige blikken op Chester en mompelt: “Vergeet niet mij te wreken.”En zoo beklimt Paciotto, de bekwame ingenieur, onder het gelach van de spottende bende Watergeuzen, de ladder, met het kruis aan zijn lippen, en al hangt men hem op als een hond, toch sterft hij als een edelman en een goed Katholiek.Doch Guy heeft nauwelijks oogen voor den doodsstrijd van den ongelukkige. Hij ziet enkel Alva’s schatten, alles wat de Hertog aan belastingen den Nederlanders heeft afgekneveld,—de onmetelijke rijkdommen van den vader, die hij wil veroveren als bruidsschat van de dochter.

Daar hij thans zelf gebrek aan ammunitie heeft, is Guy genoodzaakt, zich nog eenige dagen in Engeland op te houden. Doch de vlugge kleineDover Lassheeft niet lang werk, om naar Nederland over te steken, zij zet alle zeilen bij en vroeg in April bevindt Chester zich opnieuw aan den mond van de Schelde. Als hij Vlissingen in zicht krijgt, heeft hij redenen om zich te verwonderen maar ook om zich te verheugen, want de oranje-blauw-witte vlag van den prins van Oranje wappert van den toren.

“Wel verd....!” roept hij zijn eersten officier toe, “de Geuzen zijn in Vlissingen geland en hebben er bezit van genomen! Voor ons uit zeilen twee schepen met de Oranjevlag in top. Haal ze in en zie er eens alles van te weten te komen, Dalton.”

In een halfuur heeft deDover Lassde schepen ingehaald, die onder het commando staan van kapitein De Rijk van Amsterdam. Van hem verneemt Guy, dat de Geuzen niet alleen Vlissingen hebben ingenomen, maar ook den Briel. Hun succes is devonk geweest, die de vaderlandsliefde in Holland en al de Noordelijke Nederlanden heeft doen ontbranden. De eene stad vóór, de andere na verklaart zich voor den prins van Oranje als den stadhouder van Philips II en tegen Alva, want zoo groot was de eerbied, dien men in die dagen voor het koningschap koesterde, dat Oranje zich nog altijd den vazal van den Spaanschen koning noemde, ofschoon hij tegen hem streed met alle wapenen, die hem ten dienste stonden.

Tot groote verbazing van Guy, heeft De Rijk, die Engeland een weinig later heeft verlaten dan de andere Geuzenschepen, vijfhonderd Engelsche vrijwilligers aan boord, die Guy op echt Engelsche wijze begroeten. Want Burleigh is door Elizabeth’s liefelijke opmerkingen wel een weinig bang geworden voor zijn hoofd en helpt de Watergeuzen op alle mogelijke manieren.

DeDover Lassen de twee Geuzenschepen stevenen nu te zamen, door een zacht koeltje voortgedreven, naar de haven van Vlissingen. Juist als zij daar landen, bemerken zij, dat er iets ongewoons gaande is in de stad. Een kwartier geleden hebben zij een kleine pinas met een enkelen mast gezien, die van den kant van Antwerpen kwam en de haven even vóór hen binnenliep. Drie heeren in een zwierige kleedij, naar het uiterlijk Spanjaarden, zijn uit dit vaartuigje lachend aan land gestapt en de stad ingewandeld.

Juist als De Rijk en Chester aan wal gaan, komen deze drie zelfde heeren haastig de stad weer uitsnellen in de richting van de haven, achtervolgd door zulkeen joelende en tierende menigte, als Vlissingen nooit te voren zag. Het is een troep Watergeuzen, dronken van bloed, met hun aanvoerder, den grommigen Dirk Duyvel, tot de tanden gewapend met pistolen en pieken, zwaarden en haakbussen.

“Weg met de Spaansche bloedhonden!” schreeuwen sommigen. “Hangt ze op, aan de hoogste galg, gezwind!” krijschen anderen. “In de zee met Alva’s beulen!” gilt de rest,—dit alles gekruid met Hollandsche vloeken van de krachtigste soort.

Als zij bemerken, dat hun de terugtocht naar het schip door de manschappen van De Rijk wordt afgesneden, komt de voornaamste van de drie Spanjaarden haastig op De Rijk af, en een buiging voor hem makend, trekt hij van zijn vinger een prachtigen zegelring en laat dien den aanvoerder der Geuzen zien, hijgend uitroepend: “Ik—ik geef mij aan u over.—Ik—ik wist niet, dat de stad in handen was van de—de oproerlingen. Laat deze ring mij behoeden voor een overhaasten dood. Ik ben een edelman. Ik kan een groot losgeld betalen. Ik ben Alva’s ingenieur.” Hij stoot deze woorden in den grootsten angst, naar adem hijgend, uit, want de menigte zit hem dicht op de hielen.

Guy herkent met verbazing in den man Paciotto, den grooten militairen ingenieur van Alva, dien hij te Antwerpen aan diens zijde heeft gezien.

“Gij kent mij?” brengt Paciotto met moeite uit.

“Maar al te goed!” schreeuwt de menigte, die nu de hand aan hem slaat.

“Maar al te goed!” herhaalt De Rijk. “Ik zal u echter voor een onmiddellijke executie bewaren,” enhij en Guy en nog een paar andere officieren beschermen met getrokken zwaard de drie mannen, die anders het volgend oogenblik in stukken gehakt zouden zijn door de Watergeuzen. Want dezen zijn, nadat zij den Briel hebben ingenomen, dronken van bloed en dorsten naar wraak op de Spanjaarden, voor al de wreedheden, die door hen de vijf laatste jaren gepleegd zijn. Ieder heeft een familielid te wreken, deze een vader, die wreed vermoord is, een tweede een broeder, die den brandstapel beklommen heeft, een derde de beleediging, zijn vrouw aangedaan, en dit alles maakt hen even onmenschelijk als hun vijanden. Welke kans op lijfsbehoud heeft een officier van Alva bij zulke mannen? Guy heeft spoedig begrepen, dat Paciotto niet eens de keus zal worden gelaten, hoe hij ter dood zal worden gebracht.

Terwijl De Rijk en hij den Italiaan behoeden voor onmiddellijke geweldpleging, hebben een aantal Geuzen het kleine Spaansche schip, waarmee Paciotto is gekomen, bestormd, en de weerlooze bemanning om hals gebracht, onder woeste kreten van vreugde en triomf.

Een oogenblik later wordt de Italiaan naar het Raadhuis gesleept, waar Treslong, die het bevel voert, beraadslaagt met den burgemeester en andere overheidspersonen, in tegenwoordigheid van zijn meeste kapiteins.

“Bij onze martelaren,” roept de Hollandsche vice-admiraal uit, “wij hebben geluk. Daar is ons een van Alva’s voornaamste gunstelingen in handen gevallen.—Een krijgsraad voor den Italiaanschen edelman!”

“Ik roep het krijgsrecht in, Willem van Bloys, graaf van Treslong,” zegt Paciotto op hoogen toon, ofschoon de wanhoop op zijn gelaat te lezen staat.

“Hetzelfde krijgsrecht, dat Alva toepaste, toen hij mijn broeder met zeventien andere edellieden liet terechtstellen op de markt te Brussel,” antwoordt de Hollander.

“Ja, gerechtigheid en barmhartigheid,” spot een der andereofficieren. “Dezelfde gerechtigheid, die Alva mijn vader deed wedervaren, toen hij om genade smeekte te Jemmingen. Dezelfde barmhartigheid, die Bossu nu twee dagen geleden te Rotterdam in practijk bracht.”

“Met zulke rechters ben ik vooruit veroordeeld,” zucht de Italiaan, als Van Treslong en zijn officieren plaats nemen rondom een groote trom.

Als de krijgsraad den eed heeft afgelegd, merkt de Hollandsche vice-admiraal, die veel doorzicht heeft, op: “Wij moeten den burgemeester in onzen krijgsraad opnemen. Dat zal hem voorgoed aan onze zaak verbinden. Hij zal Vlissingen tot het uiterste verdedigen, omdat hij daarmee zijn eigen hoofd tegenover Alva verdedigt.”

Zoo wordt de burgemeester, tegen wil en dank, lid van den krijgsraad en wordt er over Paciotto gerecht gehouden.

“Waarvan beschuldigt gij mij?” vraagt de ongelukkige man. “Dat ik een goed onderdaan ben van uw koning, Philips van Spanje? Welnu, aan die misdaad verklaar ik mij schuldig.”

“Bah!” antwoordt Van Treslong, “gij zijt derechterhand en de vertrouweling van Alva, onzen beul. Daarom begeeren wij uw leven. En ook, omdat gij voor hem zijn geduchte sterkte, de Citadel van Antwerpen, hebt gebouwd.”

“Als ik daarom den dood heb verdiend, executeer mij dan,” mompelt de Italiaan met heesche stem. “Maar ik smeek u, laat mij dan sterven door het zwaard.”

“Halt!” roept Guy, wiens ridderlijk gemoed medelijden krijgt met de onderliggende partij. “Ik zal u als uw militaire advocaat voor deze rechtbank verdedigen.”

“Verspil uw woorden niet voor mij, senor,” zegt de Italiaan op treurigen toon. “Deze Vlaamsche honden lekken hun baard reeds om mijn bloed.”

Guy stoort zich echter niet aan die tegenwerping, maar begint voor den ongelukkigen Spaanschen officier te pleiten, op zijn hartstochtelijke manier, in het vuur zijner rede zulke weinig vleiende woorden voor Paciotto’s rechters bezigende, dat de Engelschman, als hij niet zelf den Geuzenpenning had gedragen en, wat nog meer zegt, als hij niet de man was geweest, die hun de vier schepen met kruit en ammunitie had bezorgd, het er zelf wel eens niet zonder kleerscheuren had kunnen afbrengen voor dezen krijgsraad van de Watergeuzen.

Ondanks Chester’s warm pleidooi, maken de Geuzen korte metten, en in minder dan vijf minuten op de tikkende hangklok aan den muur, veroordeelen zij den Italiaanschen ingenieur niet tot den dood door het zwaard, maar tot den dood door den—strop.

Als het vonnis is uitgesproken, roept de Italiaanplotseling uit: “Hoe lang is het geleden dat uw vloot zich voor Vlissingen heeft vertoond?”

“Ongeveer drie dagen,” antwoordt een Geuzen-aanvoerder. “Doch wat kan dat u schelen, daar gij binnen drie minuten zult sterven?”

Het antwoord van Paciotto klinkt vreemd en wonderlijk; hij slaat zijn handen in elkaar en toorn vlamt er in zijn oogen, zijn wanhoop maakt plaats voor verontwaardiging en hij roept uit:

“Mijn God! Opgeofferd! Heilige Maagd! Gedood ter wille van mijn geheim!” En zich tot Guy wendend, fluistert hij: “Zijt gij de ‘Eerste der Engelschen’?”

“Ja.”

“Vraag dan aan de Hollandsche officieren, of zij mij nog tien minuten willen toestaan, om mij met God te verzoenen; alleen in uw tegenwoordigheid, want aan den rozenkrans, dien gij om uw hals draagt, zie ik, dat gij van mijn geloof zijt.”

Dit verzoek wordt door Treslong met een norsch: “Ja!” beantwoord.

Hierop wordt Paciotto, nadat zijn handen gebonden zijn, in een aangrenzend vertrek gebracht, waaruit hij onmogelijk kan ontvluchten en waarin Chester, bewogen door de smeekende oogen van den Italiaan en misschien ook door nieuwsgierigheid gedreven, hem volgt.

“Sluit de deur,” fluistert de Italiaan. En hij vervolgt gejaagd: “Gij zijt de eenige, die goed voor mij is geweest in het laatste uur van mijn leven. Ik ben in staat u dit te vergelden! Ik kan u den weg wijzen om in rijkdom gelijk te worden aan de vorsten dezer aarde.”

“Hoe dan?”

Doch de Italiaan geeft daarop geen antwoord, doch mompelt: “Opgeofferd! Ik ben een kind des doods,—door toedoen van Alva die nooit iemand spaart, als zijn belang meebrengt, hem uit den weg te ruimen. Deze stad werd reeds drie dagen door den vijand bedreigd! Hij wist dus van den aanval der Geuzen,—hij wist dat Vlissingen een hoogst gevaarlijke plaats zou zijn en hij zond mij hier kwansuis heen om de vestingwerken na te zien, maar inderdaad opdat zijn geheim met mij zou sterven. Want ik ben de eenige man in de Nederlanden, die het kent.” En op hartstochtelijken toon vervolgt hij, heesch fluisterend: “Men heeft mij verteld, dat gij er weinig om geeft, uw leven te wagen. Zoudt gij, met de kans om enorme schatten te verwerven, een stout waagstuk willen ondernemen, om mij op mijn vijand te wreken?”

“Voor die schatten zou ik mijn leven willen wagen—ja, haast mijn zaligheid op het spel willen zetten,” antwoordt Guy levendig, want sinds hij de liefde van Alva’s dochter heeft gewonnen, is het zijn eenige gedachte, aanzien, macht en geld genoeg te verwerven, om haar den staat en den luister te kunnen verschaffen, die toekomen aan de dochter van een onderkoning.

“Dan, ‘Eerste der Engelschen’, zijt gij de man, dien ik noodig heb voor mijnpost-mortem-afrekening met Alva, gij, die den moed hadt, Antwerpen te bezoeken; ik herinner mij, u daar gezien te hebben, den Onderkoning vrij in het aangezicht kijkend, zijn proclamatie met den prijs op uw hoofdbijna vlak boven u aan den muur. Gij zijt de man om mij te wreken. Luister, en ik zal u het geheim van het standbeeld meedeelen.”

“Alva’s standbeeld!” roept Guy uit, terwijl Oliver’s woorden hem weer te binnen schieten.

“Stil! Val mij niet in de rede. Mijn tijd is zeer kort. Dit groote standbeeld, dat de Hertog heeft opgericht tot zijn verheerlijking, is gedeeltelijk bestemd voor een ander doel! Om den schat te beschermen, dien hij heeft verzameld met zijn tienden penning en dien hij naar Spanje denkt mee te nemen voor zijn eigen gebruik en voordeel. Het voetstuk—”

“O, ik herinner het mij. Het voetstuk is van buitengewonen omvang,—het bevat den buit van de Nederlanden,” fluistert Chester.

“Bah! Neen, daarvoor is Alva veel te slim. Het standbeeld en het voetstuk bevattenniets.”

“Niets?”

“En toch,” zegt de Italiaan, “ishet standbeeldde bewaarplaats van Alva’s schat.”

“Hoe dan?”

“Luister. Terwijl ik als hoofdingenieur bezig was de Citadel van Antwerpen te veranderen en te verbouwen, ontdekte ik een onderaardsche gang, aangelegd om uitvallen te kunnen doen. Zij liep van het groote bastion van den Hertog onder de gracht door naar een plaats van uitgang in de stad zelve, een huis, vlak achter de Esplanade gelegen. Volgens geheime aanwijzingen van den Onderkoning zelf, liet ik aan het einde van de gang aan de zijde van de Citadel dertig voet onder den grond een vertrekuithouwen. Dit vertrekt dient tot bergplaats van Alva’s schatten. Het soliede metselwerk van het groote bastion van den Hertog staat er vlak boven. Men zou weken lang moeten graven, om er van de Citadel in door te dringen, en men zou om het te laten springen, zooveel kruit noodig hebben, dat het geheele bastion in de lucht zou vliegen. Dus kan men het vertrek van uit de Citadel niet bereiken. Maar van de stadszijde is het toegankelijk, hoewel alleen voor hem, die het geheim kent, want het is op de meest vernuftige wijze voorzien van ieder mechanisme, dat Giovanni Alfriedo, een vindingrijk Italiaan uit Venetië, tot bescherming er van heeft kunnen uitdenken. En toch is het gemakkelijk en spoedig te bereiken voor hen, die in het bezit zijn van het geheim, en ik ben de eenige man, behalve Alva, die dat nu kent—daar Giovanni op zijn terugreis naar Venetië vermoord is geworden door zeeroovers, misschien wel op last van iemand en met een geheime bedoeling.”

“Uw tijd is om!” roept Van Treslong uit, op de deur bonzende.

“Nog tien minuten voor de ziel van een stervende,” smeekt Paciotto.

“Ja, tijd, opdat hij in de vertroostingen zijner kerk moge sterven,” roept Guy uit, die nu brandt van nieuwsgierigheid om achter Alva’s geheim te komen.

Men staat hem nog vijf minuten toe, niet uit barmhartigheid, maar om een beul te zoeken. Want de stadsbeul is naar Middelburg, en daar Treslong dit nu eerst verneemt, verheft hij zijn stemtot de menigte vóór het stadhuis en looft een vrij aanzienlijke som uit voor hem, die het beulswerk wil verrichten.

Doch niemand wil zich met dit vernederend werk belasten,—tot er zich eindelijk iemand voor aanbiedt, die, hoorende, dat Paciotto een Spanjaard is, uitroept: “Ik durf dat karreweitje wel aan! Ik zal den Spanjaard wel netjes ophangen! Ik moet echter permissie hebben, iedereen van kant te maken, die mij uitjouwt, omdat ik de beul van een Spanjaard ben geweest,” en hij maakt zijn toebereidselen met touw en ladder.

Terwijl men een beul voor hem zoekt, fluistert Paciotto haastig Guy in het oor: “De ingang bevindt zich in een huis, nu bewoond door een oude doofstomme vrouw, senora Sebastian. Zij weet van niets, men heeft haar het huisje tegen een lagen prijs verhuurd, toen het werk was afgeloopen. Gij neemt vier steenen op, midden in den kelder, en gij hebt den ingang voor u. Maar deze gewelfde gang wordt op twee plaatsen, voordat ge aan de gracht komt, afgesloten door ijzeren deuren, zóó sterk, dat zij alles kunnen weerstaan, behalve kruit. Elke deur wordt geopend door vernuftig uitgedachte sloten. Overeenkomstig het eigenaardige systeem van dezen bekwamen ingenieur, heeft men voor elk slot drie sleutels noodig, die in een bepaalde volgorde moeten gebruikt worden. Wijkt men af van die volgorde, dan weigeren de sloten. Elke poging om de ijzeren deuren te laten springen, zou de gang zelf vernielen en het Scheldewater naar binnen doen stroomen en hem, die het beproefde, doen verdrinken.”

“Maar hoe staat het standbeeld daar nu mee in verband?” fluistert Guy.

“Ah! Dat is Alva’s list om zijn muitzieke soldaten te verschalken. Door de geheimzinnigheid van den Onderkoning met betrekking tot dit standbeeld, beschouwt het halve Antwerpensche garnizoen het als uitgemaakt, dat het standbeeld zelf de bewaarplaats is van Alva’s goud. Dit was zijn bedoeling. Hij vreest niet dat de burgers zijn schat stelen zullen, maar wel dat zijn eigen soldaten, die in jaren niet betaald zijn, in opstand zullen komen. Het eerste, waar zij de hand naar zouden uitsteken, zou de buit van hun bevelhebber zijn. Daarom zouden zij het allereerst, om zijn goud te vinden, het voetstuk van het standbeeld openbreken. Maar als zij dat gedaan hadden, werd de gewelfde gang, die naar de stad leidt, voor iedereen ontoegankelijk, behalve voor de visschen, want het standbeeld is zóó ingericht, dat als het beschadigd wordt, zich vanzelf een sluis opent, en de eenige weg naar Alva’s schat door het water van de gracht wordt overstroomd. En al ontdekten zij daarna ook de bergplaats van het goud, dan zou het zeker nog een maand duren, eer zij het konden bemachtigen, daarvoor zou men het bastion van den Hertog in de lucht moeten laten vliegen. In die maand zou het oproer zeker reeds gedempt en de schat beveiligd zijn.”

“Maar de sleutels?” fluistert Guy ongeduldig, want het steeds luider wordend rumoer van de menigte buiten, waarschuwt hem, dat de tijd kostbaar is.

“Ik heb hier,—maak mijn wambuis los en snijdde voering open,” fluistert Paciotto, “want mijn handen zijn vastgebonden,—teekeningen van elk der drie sleutels met hun nommer, waarnaar gij ze kunt laten maken, en bovendien een beschrijving van de manier, waarop zij gebruikt moeten worden; eveneens een teekening van de onderaardsche gang, die naar den schat van den Hertog voert. Wreek mij op hem. Gij wilt het beproeven, ik zie het aan uw gelaat,—als gij slaagt, zal het een merkwaardige verrassing voor Alva zijn. Wat zal hij aangaan, als hij in zijn leege schatkamer zijn roofgeld niet meer vindt! De geheele tiende penning verdwenen, waarvoor hij de gunst van zijn koning op het spel heeft gezet, waarvoor hij de Nederlanden al die jaren heeft onderdrukt. Geen goud voor Alva—geen goud—ho! ho!—ha! ha!—hi! hi!” en hij barst uit in een afschuwelijk wanhopig gelach,—zijn laatsten lach op aarde.

Juist op het oogenblik, dat Guy een klein pakje van hem aanneemt, zorgvuldig in perkament gewikkeld, wordt de deur opengeworpen en komen Treslong, De Rijk en eenige andere Geuzen het vertrek binnen.

“Het is tijd!” roept de admiraal.

“En gij kent dus geen genade?” zegt de Italiaan.

“Niet, als het een gunsteling van Alva betreft. Wij behandelen u met dezelfde genade, die uw meester ons heeft betoond.”

En zij grijpen hem aan en sleepen hem naar buiten, terwijl hij wanhopend uitroept: “Gun mij den dood van een edelman,—niet de galg, maar het zwaard. Ik ben evengoed edelman als Egmonten Hoorne,—ik wil sterven door het zwaard, waarop een edelman recht heeft.”

Maar het noemen van de namen van Egmont en Hoorne heeft juist een verkeerde uitwerking; het vermeerdert nog de woede tegen Paciotto en men duwt hem naar buiten op het plein voor het stadhuis. Daar staat de ladder tegen de galg, waaraan reeds de twee officieren, die hem vergezelden, bengelen; hij werpt wanhopige blikken op Chester en mompelt: “Vergeet niet mij te wreken.”

En zoo beklimt Paciotto, de bekwame ingenieur, onder het gelach van de spottende bende Watergeuzen, de ladder, met het kruis aan zijn lippen, en al hangt men hem op als een hond, toch sterft hij als een edelman en een goed Katholiek.

Doch Guy heeft nauwelijks oogen voor den doodsstrijd van den ongelukkige. Hij ziet enkel Alva’s schatten, alles wat de Hertog aan belastingen den Nederlanders heeft afgekneveld,—de onmetelijke rijkdommen van den vader, die hij wil veroveren als bruidsschat van de dochter.


Back to IndexNext