HOOFDSTUK XI.

HOOFDSTUK XI.MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG.Chester is er de man niet naar, om enkel naar Alva’s schatten te haken, en geen middelen in het werk te stellen, om ze in zijn bezit te krijgen. Zoo spoedig mogelijk begeeft hij zich weer aan boord van deDover Lassen sluit zich terstond op in zijn hut, om het pakje te onderzoeken, dat hij van Paciotto heeft ontvangen; nu hangt deze ongelukkige man als voedsel voor de raven op de markt te Vlissingen.Nadat hij het zorgvuldig in perkament gewikkelde pakje heeft geopend, komen er drie teekeningen uit te voorschijn van drie groote sleutels in hun natuurlijke grootte en afmeting, genummerd met de cijfers 1, 2 en 3. Buitendien bevat het pakje een aanwijzing voor hun gebruik. Deze luidt:“Gebruik voor de eerste deur achtereenvolgens de sleutels 1, 2 en 3.“Voor de tweede deur de sleutels 3, 2 en 1.“Voor de derde deur eerst nº. 2, daarna nº. 1 en ten slotte nº. 3.“Gebruik ze precies in de genoemde volgorde. Elke willekeurige verandering daarin kan de sloten onbruikbaar maken.”Behalve dit, is er nog een schets van de gang naar de Citadel, waarop eveneens is aangegeven de sluis, die in verbinding staat met het standbeeld van Alva, en hoe het mechanisme van de sluis onbeweegbaar kan gemaakt worden, zoodat, al wordt het standbeeld vernield, het water van de Schelde toch niet in de gang kan stroomen, om hen, die daar aan het werk zijn, te doen verdrinken.Deze teekeningen en aanwijzingen zijn op het lichtste en fijnste Italiaansche papier geteekend, zoodat haar volume zeer klein is en zij gemakkelijk geborgen kunnen worden.Guy maakt van alles een nauwkeurige kopie en bergt deze weg in zijn stevige kist in de hut van deDover Lass. Het oorspronkelijke document steekt hij bij zich.Daarna gaat hij overleggen, wat hem te doen staat. Het is niet alleen noodig, dat hij eenigen tijd naar Antwerpen gaat, om de sleutels te laten maken bij een bekwamen slotenmaker, maar hij moet ook een schip met bemanning bij zich hebben, dat in staat is, den buit weg te voeren, nadat hij er zich van heeft meester gemaakt. Een bezoek aan Antwerpen op zichzelf is reeds gevaarlijk. Een gedeelte van zijn bemanning mee te nemen op een schip en daar in de haven te gaan liggen, schijnt hem niet raadzaam.Hij komt eindelijk, nadat hij de onderneming van alle kanten heeft bekeken (want hij wil er zelfs nietmet Dalton over spreken, die anders geheel te vertrouwen is), tot het volgende vindingrijke besluit. Hij wil zich met behulp van deDover Lassmeester maken van eenige Spaansche koopvaardijschepen, totdat hij er een aantreft met een kapitein, die nooit in Antwerpen is geweest, maar nu op weg is naar die stad. Als hij van het schip bezit heeft genomen, zal hij den kapitein en de bemanning wel zóó doen verdwijnen, dat zij nooit weer te voorschijn komen. Hijzelf wil zich vermommen en den naam van den kapitein van het schip aannemen. Uit zijn bemanning zal hij slechts diegenen kiezen, die het meest op Spaansche en Vlaamsche pikbroeken gelijken, en daarna met het schip naar Antwerpen zeilen, hiertoe de papieren en de stukken van de Spaansche haven gebruikend, en zijn lading afleveren aan haar bestemming, alsof hij de kapitein van het schip was. Terwijl zijn schip wordt gelost, kan hij zich waarschijnlijk (met behulp van Antony Oliver, als deze tenminste in de stad is) meester maken van den schat van den Hertog, zijn schip er mee bevrachten en tegelijkertijd lading innemen voor een haven, waarheen hij door Antwerpsche kooplieden zal gezonden worden.En als hij dan opnieuw in de open zee zal zijn gekomen, is hij van plan naar Engeland te zeilen en zijn schat met hetzelfde recht aan land te brengen, als waarmee Drake, Hawkins en andere Engelsche vrijbuiters hun buitgemaakte staven goud uit Spaansch-Indië daarheen voeren. Daar zal hij zeggen, dat Alva’s goud afkomstig is van een prijsverklaard galjoen en Elizabeth de tien percent, waarop zijaanspraak maakt, betalen, de gebruikelijke belasting op zulk een buit.Een uur, nadat hij dit besluit heeft genomen, is deDover Lassonder zeil naar den open oceaan, en gedurende de volgende dagen neemt het kleine schip twee of drie schepen, die op weg waren naar Antwerpen. Doch geen van alle zijn geschikt voor zijn doel. Hij hoort de kapiteins van die schepen uit en verneemt, dat zij reeds vroeger te Antwerpen zijn geweest, of dat sommige hunner matrozen familie of vrienden in die stad hebben, of er is iets in de scheepspapieren, dat ze onbruikbaar voor hem maakt.Daarom brengt hij deze schepen naar Vlissingen en verkoopt schepen en lading voor een appel en een ei in die stad, welke nu goed bewaard is in de handen van den prins van Oranje; de vlag van dezen prins wappert nu reeds van verscheidene torens in de Nederlandsche steden, doch sommige van deze worden daarvoor later wreed gestraft, en hun inwoners allen over de kling gejaagd,—mannen, vrouwen en kinderen.Het geld, dat hij ontvangt voor den gedwongen verkoop van deze gestolen goederen, is nauwelijks een tiende van hun waarde, want het geld is zeer schaarsch in de Nederlanden, sinds de invoering van den tienden penning, maar het is voldoende voor hetgeen Chester zich voorstelt in Antwerpen te doen.Dit alles rooft echter tijd en reeds is er een maand verloopen, sedert hij in het bezit is van Paciotto’s geheim, eer hij het karveelEsperanzabuitmaakt, kapitein Andrea Blanco, wiens journaalaanwijst, dat hij nooit te voren in Antwerpen is geweest, maar bijna altijd op West-Indië gevaren heeft. Het gelukt hem na veel moeite van kapitein Blanco te weten te komen, dat hij geboortig is uit Hispaniola en dat de geheele bemanning nog nooit te voren in Vlaamsche wateren is geweest.Het schip is zeer geschikt voor zijn doel, daar het een stevige bark is van ongeveer driehonderd ton, ofschoon niet te vergelijken met deDover Lass, en gewapend met zeven stukken geschut aan iedere zijde. Het heeft zich dan ook eenigen tijd verdedigd tegen deDover Lass, wat in die bloedige tijden in den regel ten gevolge zou hebben gehad, dat de bemanning meedoogenloos werd afgemaakt,—vooral wanneer het belang van den veroveraar meebracht, zooals nu, om ze allen daarheen te helpen, waar zij nooit iets over de Antwerpsche haven zouden kunnen vertellen.Hoe rationeel hem dat ook toeschijnt, kan Chester er toch niet toe besluiten, ze in koelen bloede te vermoorden.Hij roept daarom Dalton en zegt: “Het is noodzakelijk, dat ik persoonlijk het bevel op mij neem over ons prijsgemaakt schip, deEsperanza, mij uitgeef voor haar kapitein en met dertig mijner manschappen naar Antwerpen zeil.”“Naar Antwerpen gaan?” roept Dalton verbaasd uit. “Naar den duivel gaan? En wie zal u daarheen willen volgen?”“Gij, als ik het u vroeg, Dalton,” antwoordt zijn commandant. “Roep de bemanning.”En als zij allen vóór de groote mast staan, overzietChester de honderd vijf en twintig matrozen van deDover Lass, brutale vechtersbazen, tot den kok en den kajuitsjongen incluis, en spreekt hen kort en bondig toe: “Nu, jongens, heb ik een karreweitje voor je, iets dat je zal aanstaan—waarbij heel wat buit is te behalen. Daarvoor moet ik dertig man hebben, die met mij op deEsperanzanaar Antwerpen willen zeilen. Als wij niet slagen, weet gij vooruit, wat Alva met ons zal doen. Dat zal niet malsch zijn. Als ik slaag, krijgt ieder van de matrozen van deDover Lasstwintig goudstukken, gij, Dalton, tweehonderd en de andere officieren naar verhouding. Doch ieder, die met mij op deEsperanzagaat, krijgt er twintig extra voor het waagstuk, en het gaat op leven en dood, daarom dwing ik niemand. Zij, die lust hebben met mij dat avontuur te wagen, moeten op het halfdek gaan staan.”En in een oogwenk staan al de matrozen om hem heen op het halfdek, terwijl Dalton uitroept: “Neem mij in ’s hemels naam mee, commandant. Ik laat u niet alleen gaan.”Doch Chester antwoordt: “Het is noodzakelijk, dat gij het bevel over deDover Lassop u neemt,” en hij kiest die mannen uit, die het meest op matrozen van een koopvaardij schip lijken; hij is zoo gelukkig, er zeven en twintig te vinden, die Spaansch spreken, daar zij hier en daar, in West-Indië en in de Middellandsche zee, wat van die taal hebben opgevangen.Daarom neemt hij deze zeven en twintig, onder aanvoering van Martin Corker, die beweert, dat hij genoeg Spaansche halzen heeft afgesneden, om het Spaansch vlot te kunnen spreken.Nadat dit geregeld is, neemt Chester Dalton mee in zijn hut en zegt tot hem op ernstigen toon: “Luister naar mijn bevelen. Sla de geheele bemanning van deEsperanzain boeien. Zorg, dat niemand ontsnapt.Ga dan spoedig onder zeil en zet ze aan land op de westkust van Ierland.”“Wat! onder die bloeddorstige barbaren? Dan mag ik wel oppassen, dat wij er het hachje ook niet bij inschieten,” zegt Dalton. Want in dien tijd was de Westkust eenUltima Thule, door iedere pikbroek gevreesd, want geen schipbreukeling kwam er ooit van terug.“Keer terstond naar Vlissingen terug,” vervolgt Guy, “zoodra gij u van uw opdracht hebt gekweten. Wacht mij daar.”“Doch als gij niet terugkomt?”“Dan zijt gij commandant van deDover Lass. Maar ik kom wel terug. Als gij echter iets om mijn leven geeft en om dat van de arme drommels, die ik met mij neem, zorg dan dat niemand van de Spaansche bemanning, het allerminst de kapitein, uit uw handen loskomt, totdat gij hen hebt afgeleverd aan de O’Brien’s, O’Toole’s of een of ander bloeddorstig Iersch opperhoofd, die hen tot zijn slaven zal maken en uit wiens wilde klauwen zij evenmin zullen kunnen ontsnappen, als de negers, die in Afrika werden gestolen, dit in West-Indië kunnen doen!”“Verlaat u op mij. Geen der knoflooketende Dons ziet zijn moeder ooit terug. Als ik gevaar mocht loopen, dat een Spaansch oorlogsschip mijn schip nam, dan overboord met hen,” zegt Dalton en laat zijn woorden vergezeld gaan van een welsprekend gebaar.Daarna zet deDover Lasskoers naar de Hebriden, de noordelijke route naar Ierland nemend, om iedere ontmoeting met een Spaansch oorlogsschip te vermijden.En Guy Chester, vermomd als kapitein Andrea Blanco, zeilt met zijn zeven en twintig vrijwilligers, die al het mogelijke hebben gedaan, om hun Engelsche afkomst te verbergen, op het schip de Esperanza onder de Spaansche vlag, met Martin Corker aan het roer, naar den Scheldemond.Hij bereikt dien in den morgen, ontsnapt bij Vlissingen ternauwernood aan de vervolging van zijn collega’s, de Watergeuzen, en is in den namiddag tot Fort Lillo genaderd. Hier vindt hij drie Spaansche oorlogsschepen en veel bedrijvigheid; als hij wordt aangehouden door een Spaansche patrouilleboot, vertoont hij zijn charterpapieren en cognossement, aan de firma Jakobszoon en Olins, die hun kantoor hebben in de Wolstraat, dicht bij de Engelsche kade te Antwerpen.Zijn stukken blijken in orde te zijn, en partij trekkende van den vloed, laat Chester op een mooien dag in Mei, terwijl de ondergaande zon den fraaien toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk verguldt, het anker vallen voor Antwerpen, passeert ongemoeid het douanekantoor en gaat met zijn cognossement en charterpapieren naar het huis van Jakobszoon en Olins.“Hoezee! Gij zijt aan de plunderende Geuzen ontsnapt, mijn waarde kapitein Blanco,” roept de oudste firmant Jakobszoon uit, een blozend, zwaarlijvig persoon.Jan Olins, een man met een net geschoren gelaat en deftige manieren, merkt op: “Gij hebt er uw schip netjes doorheen gebracht. Als het gouvernement deze Hollandsche vrijbuiters niet weet te verdelgen, is het gedaan met den handel van Antwerpen.”Daarop noodigen de twee heeren hun kapitein, die zich zoo flink gehouden heeft, uit, om met hen te soupeeren. “Ga met ons mede,” zegt Jakobszoon, “het is juist de avond, waarop ik uitga. Wij zullen een flesch drinken inDe Geschilderde Herberg.”Doch Guy heeft niet veel lust, omDe Geschilderde Herbergte bezoeken, daar hij liever naar Antony Oliver gaat, en hij verontschuldigt zich dus, onder voorwendsel dat hij naar zijn schip moet terugkeeren.“Zoo, gij wilt dus aan boord slapen?” zegt de jongste firmant.“Waarschijnlijk wel,” antwoordt de kapitein, “totdat ik mijn schip veilig aan de kade heb liggen.”“Nu, deEngelentorenis anders een zeer goede herberg en niet ver van hier,” zegt Jakobszoon. “Zij ligt ook in de buurt van uw schip.”“Dank u, ik zal het onthouden,” en afscheid nemend van de twee heeren, die zeer in hun nopjes schijnen te zijn over de aankomst van hun schip en zich dientengevolge zeer gastvrij betoonen, staat Chester weldra voor het geschilderde uithangbord van den barbier.Het is reeds avond, er brandt geen lamp in het voorhuis en hij wordt niet herkend door Touraine, die hem binnenlaat. Hij vliegt de trappen op en wordt, als hij aanklopt, tot zijn onuitsprekelijke vreugde,terstond binnengelaten door Oliver. En tot zijn even groote vreugde herkennen de scherpe oogen van den schilder hem niet. Antony is bezig aan zijn altaarstuk. De ondergaande zon schijnt door het venster en geeft leven en bezieling aan het gelaat en de goddelijke oogen van Hermoine de Alva. Met de haast van den minnaar gaat de Engelschman op het schilderij af. Op Oliver’s angstige opmerking: “Wat is er van uw dienst?” antwoordt hij niets, geheel verdiept als hij is in de beschouwing van zijn beminde!“Wat is er van uw dienst, senor?”“O—ja! Hebt gij den laatsten tijd dikwijls duivenpastei gegeten?” fluistert Chester ontwakend.“Morbleu!” roept de Vlaamsche artist uit. “Kapitein—neen, majoor Guido Amati!”“Nu niet,” zegt de ander kortaf, de deur sluitend, “maar Andrea Blanco, kapitein van een Spaansch koopvaardijschip met huiden, talk en Spaanschen wijn in cognossement aan Jakobszoon en Olins, zijn lading lossende aan de Engelsche kade.”“Maar toch mijn Guido,” fluistert de schilder, en de levendige Fransche Vlaming slaat zijn armen om Guy’s hals en geeft hem naar ’s lands wijs twee hartelijke zoenen, op iedere wang één.“Is uw factotum hier?” vraagt de Engelschman een weinig brusk, want hij is niet gesteld op zulk een teedere begroeting.“O, ik heb Achille vandaag vrijaf gegeven. Hij is beneden bij zijn familie,” zegt Oliver. “Doch wat brengt u hier? Mademoiselle Hermoine?”“Is zij hier—in Antwerpen?” roept Guy opgewonden uit, terwijl zijn hart onstuimig begint tekloppen en zijn oogen schitteren van verlangen.“Neen, zij is gelukkig in Brussel.”“Gelukkig?”“Ja, omdat het u is aan te zien, dat gij alles zoudt trotseeren om haar te spreken te krijgen, en dat met vijf duizend kronen op uw hoofd.”“Vijf duizend?”“Ja—gij zijt onlangs in prijs gestegen. Alva heeft gehoord, hoe gij de Geuzen op hem hebt afgezonden met kruit en kogels, om zich met geweld te verschaffen, wat zij voor hun levensonderhoud noodig hebben. Geen proviand, geen water, maar overvloed van kruit, hè? Dat was een mooie poets, die ge hem hebt gespeeld. Doch koningin Elizabeth heeft u opnieuw vogelvrij verklaard en Alva heeft laten afkondigen, dat uw hoofd vijf duizend kronen waard is. Parbleu! wat haat hij u! Als hij eens wist—” en de schilder barst in lachen uit en vervolgt daarna ernstig:“Wat is de reden, dat gij dit geduchte waagstuk opnieuw onderneemt, Guido?”“Grendel de deur en luister,” fluistert de Engelschman. Als dit gedaan is, begint hij op halfluiden toon: “Bij mijn laatste bezoek hier maakte ik mij meester van de liefde van Alva’s dochter. Bij dit bezoek zal ik mij meester maken van al het goud, dat Alva door zijn tienden penning heeft bijeengebracht.”“Diable! gij zijt dol!”“Luister en oordeel of ik het ben,” en een stoel krijgend, vertelt Chester de vreemde geschiedenis van Paciotto’s biecht enpost-mortem-wraak op den dictator der Nederlanden.Antony luistert vol aandacht naar zijn wonderbaarlijk verhaal en kan zoo nu en dan een uitroep van verbazing niet onderdrukken. Aan het einde gekomen, laat Guy de teekeningen van de sleutels zien en het plan van de onderaardsche gang onder het bastion, en zegt: “Gelooft gij het nu?”“Ja,” antwoordt de schilder langzaam, “ik geloof u! Alva heeft zijn troepen in den waan gebracht, dat het standbeeld dienst doet als zijn schatkamer. Alva wist, dat Vlissingen het drie dagen zou uithouden, alvorens zich over te geven. Hij heeft dus Paciotto opzettelijk daarheen gezonden. Ik geloof u!”“Dan,” zegt Guy, “krijgt gij een derde gedeelte van Alva’s geld, als gij het mij helpt buitmaken.”“Van harte gaarne!” antwoordt Oliver vol vuur. “Mijn deel zal voor mijn vaderland bestemd zijn, niet voor mijzelven. Ik zal Alva beoorlogen met zijn eigen tienden penning. Maar gij hebt zeker honger.”“Neen, ik heb aan boord gegeten.”“Oho, verliefden hebben geen honger!”“Zoo is het. Maar hoe gaat het haar? Gij zijt in Brussel geweest—hoe maakt zij het?”“Ja, ik ben eerst twee dagen geleden weer thuis gekomen,” antwoordt de schilder zuchtend. “Ik wilde nog de laatste hand leggen aan mijn altaarstuk, eer ik ten strijde ga.”“Gij ten strijde?”“Ik moet. Kan ik, nu al de Nederlandsche gewesten naar de wapenen grijpen, rustig thuis blijven? En buitendien, mijn positie wordt met den dag gevaarlijker. Ik zal weldra moeten vluchten. Nom deDieu, het ging laatst bij het walletje langs,” vervolgt Oliver, “het was op den dag, toen de tijding kwam, dat de Watergeuzen den Briel hadden ingenomen.”“Hoe? Waart gij in gevaar?”“Oordeel zelf. Gij weet, dat deze belasting iedereen te gronde richt. De bakkers willen niet meer bakken, de slagers niet meer slachten, het volk wil geen handel meer drijven. Dit beviel Zijne Hoogheid Alva slecht; hij zond dus om zijn beul en beval hem, achttien stroppen en evenveel ladders van twaalf voet lengte te maken en de achttien voornaamste bakkers van Brussel in hun eigen deurpost op te knoopen, als een waarschuwend voorbeeld voor de anderen, om terstond met bakken te beginnen. Dienzelfden avond kwam het nieuws van de inneming van den Briel en redde hen, want die tijding bracht de hoofdstad in opschudding en Alva’s gedachten werden er zoo geheel door in beslag genomen, dat hij de bakkers vergat. ’s Morgens zond hij dadelijk om mij. ‘Oliver,’ zeide Zijne Hoogheid, ‘zoek mij den kerel, die dat heeft vervaardigd.’ En hij duwde mij een caricatuur van zichzelven, waarop hij gejaagd naar zijn bril zoekt, onder den neus, met het onderschrift:‘Op den eersten van AprilVerloor duc d’Alf zijn bril.’‘Deze schandelijke en brutale caricatuur,’ vervolgde Zijne Hoogheid, ‘heeft men aangeplakt gevonden tegen mijn paleis. Gij moet den verwenschten kladschilder zoeken.’ ‘Hoe kan ik dat, Uwe Hoogheid?’ stamelde ik. ‘Dat kunt gij beter dan iemand anders. Gij zijt een kunstenaar,’ snauwde de Hertog.‘Ik laat mij hangen, als de schurk niet denzelfden stijl van teekenen heeft als gij. Hij moet onder denzelfden meester gewerkt hebben. Gij moet dien oproerling, dien kladschilder vinden!’ Zoo ging ik heen, doch mijn knieën knikten, want die schilder was ikzelf! Maar ik zit op gloeiende kolen, ik kan dat niet langer uithouden, ik ben van plan te gaan vechten—en misschien te sterven, maar als een man, met het zwaard in de vuist, niet als een misdadiger op de pijnbank.”“En Dona Hermoine,” viel Guy hem in de rede, “wat zeide zij er van?”“Waarvan?”“Van het nieuws van de inneming van den Briel?”“Ik geloof, dat zij daar in het geheel geen notitie van genomen heeft. Die jonge dame denkt aan niets anders dan aan raouts en feesten,” antwoordt de schilder, “en bemoeit zich niet met politiek. En dan heeft zij een vurigen aanbidder in generaal Noircarmes—”“Alle duivels!—heeft zij mij vergeten?” buldert de Engelschman.“Neen, ik denk eer, omdat zij veel aan u denkt.”“Hoezoo?”“Wel, de eerste weken, nadat gij weg waart, was zij altijd zeer opgeruimd; er was aan Alva’s hof geen tweede gelaat, dat zoo straalde, geen tweede paar oogen, dat zoo schitterde, niemand, die zooveel geest ten toon spreidde, en er zijn vele schoone vrouwen in Brussel. En toen—”“Nu, wat toen?”“Toen werd zij treurig en had blijkbaar verdriet.”“Wat was de reden daarvan? Weet gij het niet?”“Ja, ik vermoed het.”“Wat dan?”“Gij!”“Ik?”“Ja. Er kwam bericht uit Middelburg, dat uw gedrag veel te wenschen overliet, mijn jongen,” zegt Oliver, inwendig lachend.“Mijn gedrag veel te wenschen overliet?”“Zeer veel,” lacht Oliver. “Het rapport luidde, dat bij de ontvangst van zijn bevordering, majoor Guido Amati eenige dagen aan den rol ging en zich bezondigde aan allerlei uitspattingen.”“Goede hemel! Die ellendige schurk!”“Dat is hij,” stemt Oliver toe.“Hij—hij zal mij nog in het verderf storten! Zij zal mij voor een ondankbaren ellendeling houden! Vervl....! dat mijn goede naam moet afhangen van dien dronkaard, dat verloopen sujet!” roept Guy woedend uit. “Wat zal ik doen? Geef mij raad, Oliver. Ik moet naar Middelburg en hem naar de andere wereld zenden, eer hij mij van alle hoop op geluk berooft.”“Dat zou ik niet doen,” lacht Oliver, “want als gij majoor Guido Amati doodt, zal Hermoine de Alva in den rouw gaan.”“In den rouw over hem?”“Neen, over u. Als ik mij niet vergis, heeft zij u innig lief. Doch uw gedrag, mijn beste jongen, maakt haar diep ongelukkig.” En de schilder kan zich niet meer inhouden, maar barst in lachen uit en zegt op spottenden toon: “Diable, ik zie u al,boete doende voor de zonden van majoor Guido Amati aan de voeten van uw beminde! Kom, laten wij nu gaan soupeeren.”“Ik kan niet eten. Lach mij niet uit.”“Waarom niet? Als Hermoine zich het gedrag van den wilden majoor Guido Amati niet aantrok, dan was er reden, om uw eetlust te verliezen. Als Dona Hermoine de Alva ophoudt belang te stellen in het doen en laten van majoor Guido Amati, dan eerst is het tijd voor Guy Chester om wanhopig te worden.”“Als gij de zaak van dien kant beschouwt, hebt gij gelijk, en ik zal dus maar met u gaan soupeeren,” antwoordt Guy, weer moed scheppend.En het tweetal verlaat Oliver’s woning, niet om naar een der groote herbergen van Antwerpen te gaan, maar naar den dichtbijgelegenEngelentoren, waar hun niet veel bijzonders wordt voorgezet, ofschoon Guy nu eensklaps een goeden eetlust krijgt—ondanks de slechte keuken en den zuren wijn.In Oliver’s woning teruggekeerd, gaan zij beraadslagen over de zaak, die Guy in de stad zijner vijanden heeft gebracht, en maken het volgende plan. Chester zal op de gewone wijze zijn schip gaan lossen, terwijl Oliver de noodige inlichtingen zal zien te verkrijgen en de sleutels zal laten maken.“Het is niet raadzaam, ze alle drie bij denzelfden slotenmaker te laten vervaardigen. Ik zal een kopie van deze teekeningen maken, en wel van iederen sleutel op een afzonderlijk stuk papier. Gij bewaart de oorspronkelijke teekeningen. Ik breng de teekening van nº. 1 naar een slotenmaker, dien ikken, de teekening van nº. 2 naar een in een ander gedeelte der stad. Neen, het is nog beter, dat ik de twee andere sleutels elders laat maken, daar de verschillende slotenmakers in de stad er met elkaar over zouden kunnen spreken, want het zijn vreemde sleutels en zij zullen veel geld kosten.”“Dat komt er niet op aan,” zegt Guy, “ik heb geld genoeg.”Zij spreken dus af, dat een van de sleutels in Antwerpen, een in Mechelen en een in Brussel zal worden gemaakt. Antony zal ook onderzoek doen naar het huis bij de Esplanade en zien, of het er uitziet, zooals het beschreven is en of de oude doofstomme Spaansche vrouw er nog woont. “Ik vertrek onmiddellijk naar Brussel, om een der sleutels te laten maken en den tweeden geef ik in Mechelen,” zegt Oliver.“Laat mij naar Brussel gaan,” zegt Guy levendig. “Gij hebt hier genoeg te doen.”“En gij dan niet?—moet uw schip niet gelost worden? En buitendien,” antwoordt Antony, “is het niet om den sleutel, dat gij naar Brussel wenscht te gaan. Het is om Hermoine de Alva.” En hij vervolgt op ernstigen toon: “Laat zij doen wat zij wil, of denken wat zij wil, maar zoek haar in Godsnaam niet op, eer wij dit zaakje hebben opgeknapt. Als men argwaan tegen u opvat, is alles verloren. Vergeet, dat gij majoor Guido Amati de Medina zijt, een lichtzinnig soldaat en de minnaar van de dochter van den Onderkoning; wees enkel Andrea Blanco, een eenvoudig koopvaardij-kapitein, die alleen belang stelt in grog en chartergeld; begin morgen vroeg uw schip te lossen.”“Vooruit dan maar,” zucht Guy, die moet erkennen, dat de raad van den schilder verstandig is, al is hij ook niet naar zijn smaak. “Ik zal terstond aan boord gaan.”“Dat kunt gij niet. Gij moet vannacht bij mij blijven. De poorten zijn gesloten, en er is geen jonge dame bij de hand, om u het wachtwoord te geven of u een gouvernements-barge aan te bieden, om u veilig buiten Antwerpen te brengen!” lacht Oliver en voegt er ernstiger aan toe: “Tête Dieu! gij zijt toen den dans nog maar even ontsprongen. Het was bekend geworden, dat gij hier waart. Alleen Alva’s dochter kon u nog redden. Onthoud, dat Hermoine de Alva u, en misschien ook mij, dien nacht behoed heeft voor den brandstapel of de galg. En nu vijf duizend kronen op uw hoofd,”—de schilder zucht.Maar ondanks deze sombere herinneringen, brengen de beide jonge mannen een genoeglijken avond door bij een flesch wijn in het atelier van den schilder, en spreken over Antony’s altaarstuk, dat zoo goed als af is. De mooie oogen van Hermoine de Alva kijken haar Engelschen minnaar aan, alsof zij hem opnieuw welkom heeten in de stad zijner vijanden—maar toch ook de stad zijner liefde.HOOFDSTUK XII.“BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN.”Den volgenden morgen gaat ieder aan zijn werk.Chester is reeds vroegtijdig aan de kade, daar hij de een of andere onbescheidenheid zijner matrozen vreest, die niet bekend zijn met de manieren van een koopvaarder, en begint zijn lading te lossen met een spoed, die zijn geconsigneerden best aanstaat.Jan Olins komt persoonlijk aan boord om toezicht te houden en klopt Guy op den schouder, zeggende: “Wij zijn zeer over u tevreden,” vervolgens gaat hij in het ruim en onderzoekt zorgvuldig de geheele lading, tot groote verbazing van Guy, die geen koopvaardij-kapitein is, maar hij breekt er zich toch niet lang het hoofd mee, in de onderstelling, dat dit zoo de gewoonte van de kooplieden is.’s Middags ziet hij tot zijn verwondering Olins met Niklaas Bodé Volckers op het schip afkomen, en uit vrees, dat de vader van de schoone Mina, die hem eens gastvrijheid verleende, hem zal herkennen, neemt hij de vlucht in zijn hut en grendelt de deur.Gelukkig komen zij niet aan boord, zij kijkenenkel naar het schip, en gaan spoedig weer heen.Een oogenblik later wandelt Chester de stad in, om Oliver op te zoeken.Deze heeft hem het volgende mede te deelen:“Er bestaat een huis, zooals Paciotto heeft beschreven, een oud kavalje in een beruchte buurt. Het wordt bewoond door een doofstomme oude Spaansche vrouw, senora Sebastian geheeten, maar door de zeelieden, wien zij huisvesting verleent (haar huis is vlak bij de dokken), in de wandeling ‘de Stomme Duivelin’ genaamd, bekend wegens haar boosaardig karakter.”“Dat komt uit, ik wil er terstond eenige mijner manschappen heensturen, om ze er te laten logeeren,” zegt Guy.“Nog niet, niet voordat wij de sleutels hebben. Laat uw mannen haast maken met het lossen. De sleutel nº. 1 is reeds besteld. Nº. 3 breng ik morgen naar Brussel en ik laat nº. 2 onderweg te Mechelen. Zie intusschen zoo spoedig mogelijk uw lading aan wal te brengen.”“Hoe lang moet gij in Brussel blijven?”“Totdat de sleutel klaar is, waarschijnlijk vijf dagen,” antwoordt Oliver.“Zoo lang? Gij weet, dat spoed een eerste vereischte is. Ik zal zorgen, dat mijn schip tegen dien tijd gelost is.”“Het zal niet eerder gaan. De slotenmaker hier zegt, dat hij vier dagen noodig heeft. Dientengevolge duurt het vijf dagen eer ik uit Brussel met de andere terug ben. En buitendien,” zegt de schilder, “heb ik heden met een postduif een brief van Lodewijk van Nassau gekregen,die het noodig maakt, dat ik eenige inlichtingen tracht in te winnen in de hoofdstad. Alle steden in Holland, behalve Amsterdam, zijn opgestaan—en nu tracht Lodewijk van Nassau tegelijk een aanval in den rug te doen. Het zou een schande zijn, als al de Nederlanden naar de wapenen grepen en Bergen, mijn geboorteplaats, nog aan Alva’s zijde bleef.”“Meent gij, dat Antwerpen dus ook zal opstaan?”“Neen, noch Antwerpen, noch Brussel; het Spaansche garnizoen is in beide steden te sterk, doch het wordt van dag tot dag zwakker. Wat ik zeggen wilde, ik zag onzen vriend, den kleinen Busaco, dezen middag met zijn compagnie naar het Noorden trekken.”“Dan wordt voor Antwerpen de kans toch ook gunstig.””’t Mocht wat! Antwerpen denkt slechts aan zijn handel. Handel is de dood voor vaderlandsliefde. De burgers verlangen niets anders dan met rust gelaten te worden in het belang van hun handel. Maar geloof mij, deze stad zal meer lijden dan iedere andere stad in de Nederlanden. Antwerpen wil onzijdig blijven en zal dientengevolge van beide kanten worden aangevallen. Maar ik moet naar de familie Bodé Volckers.”“Ah! De schoone Wilhelmina!” lacht Guy. “Ik zou gaarne met u gaan, maar de losbol Guido Amati, verschijnende in de gedaante van Andrea Blanco, kapitein van een koopvaardijschip, zou Niklaas Bodé Volckers de oogen wel eens kunnen openen. Maar gij staat op heete kolen. Dus goedennacht en—vaarwel.”“Ja, ik moet Mina spreken. God weet, wat mij in Brussel kan overkomen. Ik moet echter ook voor u zorgen. Beloof mij, Guido,” en er klinkt angst uit zijn stem, “dat indien gij hier niet kunt slapen, gij tenminste iederen avond en iederen morgen zult komen, om te zien, of de postduiven bericht van mij hebben gebracht. Ik zal zes duiven meenemen. Gij weet, dat het schelletje het teeken geeft, als de duiven de til binnen zijn gevlogen. Zij kunnen u nog van dienst zijn voor uw veiligheid—voor uw leven, want God weet, hoe spoedig Alva’s wantrouwen tegen mij wordt opgewekt.”Zij nemen nu afscheid, na elkaar hartelijk de hand geschud te hebben.Den volgenden morgen verlaat de schilder de stad, Achille met zich nemend, om de zes duiven te dragen, en Guy haast zich met het lossen van het schip.Hij is daar drie dagen mee bezig en neemt alle mogelijke voorzorgsmaatregelen. Niemand mag het schip ’s nachts verlaten. Niemand mag een droppel sterken drank, wijn of bier drinken, want allen weten, dat hun leven gevaar loopt bij de minste onvoorzichtigheid, en de koelbloedigste huivert, als hij denkt aan den dood, die hem van Alva wacht. Zelfs Corker, die de onverschrokkenheid in persoon is, vertelt zijn commandant, dat hij zenuwachtig is en niet kan slapen.“Het heeft er veel van,” zegt de oude zeerob, “alsof iemand mij de keel dichtknijpt. Soms heb ik een gevoel, alsof ik zou stikken, en Bill Chucksin deed ons den vorigen nacht wakker schrikken door te schreeuwen: ‘In Godsnaam, verbrand mij nietlevend!’ Het heeft een slechte uitwerking op de equipage.”“Neen, een goede,” zegt Guy. “Ik heb opgemerkt, dat zij allen vandaag zeer voorzichtig zijn geweest.”Vervolgens wendt hij zich tot den bootsman en beveelt: “Zeg den jongens, dat zij, als ik slaag, ieder twee horloges mogen koopen, voor ieder horlogezakje één—wat voor de kooplui een fortuintje zal zijn. Schiet gij goed op met het lossen, José?”“Dat gaat best, senor capitan Blanco,” antwoordt de aangesprokene met een blik van verstandhouding. “Het ruim komt morgen vroeg geheel leeg, en dan moeten wij het dek nog schoonmaken. Daar komt een van uw geconsigneerden aan, senor capitan Blanco,” en met een paar Spaansche woorden verdwijnt de bootsman, want hij is er niet op gesteld, bezoekers te ontmoeten.Guy ontvangt met gefronste wenkbrauwen zijn geconsigneerde, die de loopplank overstapt. Het is de vierde dag, hij heeft niets van Oliver gehoord en hij maakt zich dus zeer ongerust.“Slaapt gij gewoonlijk aan boord?” vraagt Jan Olins, na de gebruikelijke begroeting, aan zijn kapitein.“Neen, aan land. Soms in de herberg, die gij mij hebt aanbevolen, en soms bij een vriend, een schilder.”“Welnu gij zult mij zeer verplichten, als gij vannacht aan boord wilt blijven. Gij kunt de stad niet verlaten, nadat de poorten gesloten zijn.”“Het is goed. Wat kan ik voor u doen?”“Ga met mij mee naar uw hut en ik zal het uzeggen,” antwoordt de Vlaming. En als zij de deur van de hut gesloten hebben, fluistert Olins: “Onder den dubbelen vloer van deze hut, hebt gij, zooals gij weet, twaalf kisten met goederen, die niet in de factuur zijn aangegeven.”Dit weet Guyniet, maar hij houdt zich alsof hij het weet.“Deze kisten moeten vanavond laat aan wal worden gebracht en niet naar ons pakhuis vervoerd, maar naar een plaats, die ik u zelf zal aanwijzen.”“Vanavond, als het donker is?”“Ja, laat in den avond. De maan gaat om tien uur onder. Elf uur is de geschiktste tijd. Zeg uw mannen, dat zij per hoofd twee gulden extra krijgen en gij het gewone tarief.”“Wat is het tarief voor smokkelen hier in de haven van Antwerpen?” vraagt Guy.“Stil! wij noemen dat zoo niet, wij noemen dat eenvoudig den tienden penning ontduiken,” antwoordt de koopman op halfluiden toon. “Gij krijgt honderd gulden voor uw deel in de zaak.”“Geef mij dan uw hand op die honderd gulden, mijn waarde heer,” antwoordt Guy, die wel weet, dat, als hij niet op het voorstel ingaat, men terstond zal merken dat hij geen koopvaardijkapitein is.“Zeer goed, die zaak is dus in orde,” fluistert Olins en slaat zijn hand in Guy’s uitgestrekte vingers, waarna hij weer aan land gaat.Als hij alleen is, begint Guy te lachen: “Ik wil toch weten, wat ik smokkel,” en een man van de daad zijnde, beurt hij terstond een plank in den vloer van zijn hut op en maakt een der kisten open.Als hij den inhoud heeft onderzocht en de kist weer secuur heeft weggeborgen, begint de Engelschman zacht te fluiten,—mijnheer Jan Olins is in zijn achting gerezen.Daarna begeeft hij zich naar Oliver’s atelier; hij komt onopgemerkt binnen, want de schilder heeft hem de sleutels gelaten, en trekt het gordijn weg van Antony’s altaarstuk om het gelaat te beschouwen van haar, die hij zoo vurig verlangt te zien. Doch nauwelijks vestigt hij zijn blikken op de schoone oogen van Madonna Hermoine, of het geklapwiek van vleugels boven hem, herinnert hem aan het eigenlijke doel van zijn komst.Hij klimt haastig naar boven en als hij de til onderzoekt, vindt hij er tot zijn verwondering alle zes duiven, doch zonder brieven.Op den terugweg naar het schip, houden zijn gedachten zich hiermee voortdurend bezig, en hij kan het niet anders verklaren, dan dat de vogels bij ongeluk moeten zijn ontsnapt en naar huis teruggevlogen.Dien avond brengt Guy, met behulp van Corker en eenige zijner matrozen, op persoonlijke aanwijzing van Jan Olins, de twaalf kisten, waarvoor geen belasting is betaald, in het geheim en ongehinderd naar een groot pakhuis.Alles gaat tot zoover goed, maar als zij het pakhuis verlaten, kijkt Guy bij toeval rond en ziet bij de lantaarn, die Olins draagt, om hen bij te lichten, den naam van Niklaas Bodé Volckers in groote letters boven den ingang en bemerkt nu ook diens zoon, Jakob, die blijkbaar op de goederenheeft staan wachten en in gesprek is met Jan Olins.“Zoo, zoo!” denkt de Engelschman. “Als ik Bodé Volckers eens mocht noodig hebben, dan heb ik hem dus in mijn macht, ofschoon ik nu nog niet weet, hoe hij mij zou kunnen helpen.”Daarna keeren zij behoedzaam naar deEsperanzaterug, onopgemerkt en ongehinderd, ofschoon de patrouille-booten op haar post zijn, maar de nacht is zeer donker en zoo worden zij niet gezien. Olins gaat mee aan boord, om daar te overnachten, daar hij niet voor het aanbreken van den dag de stad kan binnenkomen.Hij vertrekt den volgenden morgen vroeg, terwijl Chester nog slaapt, ofschoon wat onrustig wegens het leven, dat de matrozen maken, als zij het dek wasschen.Een oogenblik later ontwaakt Guy, om tot de ontdekking te komen, dat hij terstond de hulp van een inwoner van Antwerpen noodig heeft, om zijn leven te redden.“Er is een jongen aan boord gekomen, commandant. Hij zegt, dat hij een brief voor u heeft,” fluistert de bootsman hem in het oor, “daarom nam ik de vrijheid, u te wekken.”“Hm!”“Hij zegt, dat er haast bij is.”“Wat voor een jongen?”“Een Fransche.”“Achille!” en Chester, geheel wakker, springt op van zijn legerstede, en beveelt: “Zend hem terstond hier!”Het is Achille met een brief van Oliver.“Gij zijt kapitein Andrea Blanco?” vraagt de jongen.“Ja.”“Dan moet gij dit terstond lezen,” zegt de jongen en overhandigt hem het briefje, dat de sporen draagt van in groote haast te zijn geschreven. Het heeft geen adres, maar is van Oliver’s hand en luidt:“Vlucht! vlucht spoedig!—in Godsnaam!—Red uw leven en dat van den jongen, die u dit brengt. Hij is mijn leerling,—zij zullen hem op de pijnbank brengen. Het zwaard valt neer op mijn hoofd. Ik heb slechts tijd om te zeggen: God zegene u. Vaarwel.”“Wie gelastte u, mij dit te brengen?” vraagt Guy, met bevende lippen en doodsbleek gelaat.“Hij zeide mij—”“Hij!—Wie?”“Monsieur Oliver; hij zeide mij, dat ik een duif moest krijgen,” vertelt de jongen, “en ik ging naar het hok, en op de een of andere manier—want ik haastte mij—liet ik de deur open, en zij vlogen alle weg. Ik ging dadelijk naar hem toe, om het hem te vertellen.”“En hij?”“Ik denk, dat hij ziek was. Want hij schreeuwde: ‘Mon Dieu, wat hebt gij gedaan?’ En toen zeide hij: ‘Gij hebt de duiven laten vliegen, nu moet gij een brief wegbrengen—Miséricorde! mijn vriend!’ Daarna gaf hij mij geld voor een paard en beval mij, zoo hard te rijden als ik kon, om gisteravond vroeg genoeg hier te zijn, teneinde de stad binnen te komen, eer de poorten gesloten werden, en ditte geven aan kapitein Andrea Blanco op het schipEsperanza. En dan te doen, wat hij mij zou zeggen.”“Als dat zoo is, waarom zijt gij dan vannacht niet hier gekomen?” vraagt Guy op barschen toon.“De stalhouder had mij met het paard bedrogen, die verwenschte kerel!—het beest was kreupel en ik kwam zoodoende eerst aan de Keizerpoort, toen zij juist gesloten werd, en ik heb den geheelen nacht thuis moeten wachten, maar ik heb den brief hier gebracht, zoodra de poorten weer open waren. Doch gij zijt niet kapitein Andrea Blanco, gij zijt kapitein Guido Amati,” voegt Achille er aan toe, die Guy met nieuwsgierige blikken heeft aangekeken, al den tijd, dat hij in de hut was.“Beiden.”“Dat is zonderling.”“Breek er u het hoofd maar niet mee, of het zonderling is of niet,” zegt Chester op zulk een brusken toon, dat de Fransche jongen er geheel door overbluft is. “Ga zitten!”“Ik—ik zou liever naar huis gaan om te ontbijten,” brengt Achille zenuwachtig uit.“Blijf hier, gij kunt met mij ontbijten, doe slechts, wat ik u zeg. Dat is wat u meester u gelastte.”Achille durft niet anders dan gehoorzamen en dit wordt hem gemakkelijk gemaakt door een overvloedig ontbijt, dat hem wordt voorgezet; hij begint dan ook te eten, ofschoon Guy hem geen gezelschap houdt, want hij heeft al zijn denkkracht noodig, om te overleggen, wat hij zal doen.Hij zou alleen kunnen vluchten, maar hij wil zijnequipage niet blootstellen aan het gevaar, vermoord te worden. Hij wil haar niet in den steek laten, na haar eerst in den val te hebben gelokt. En dan die arme Fransche jongen, die zonder het te weten zijn leven heeft gewaagd, om hem te waarschuwen! Er is slechts één ding, dat hen allen kan redden, en dat is, te trachten met deEsperanzazoo spoedig mogelijk de open zee te bereiken. Hij heeft een geheelen nacht verloren door de kreupelheid van Achille’s paard, maar hij veronderstelt, dat men hem de eerste uren nog wel met rust zal laten. Brussel is dertig mijlen ver, en zelfs al heeft men bericht hierheen gezonden, dan duurt het nog eenigen tijd, eer de Spaansche spionnen er achter zijn gekomen, dat Andrea Blanco driemaal met Oliver den verrader in denEngelentorenheeft gegeten. Hij kan de eerste zes uren nog niets te vreezen hebben. Hij geeft zijn manschappen dus bevel, om de rest van de goederen zoo gauw mogelijk te lossen, verzoekt Achille, de hut niet te verlaten en gaat haastig naar het kantoor van zijn geconsigneerden, dat juist geopend wordt.Hij vraagt en krijgt een onderhoud met den oudsten firmant in diens particulier kantoor en zegt: “Ik ben met lossen klaar. Kunt gij mij geen cognossement geven voor ballast voor een andere plaats?”“Wat een dwaasheid!” antwoordt de welgedane Jakobszoon. “Waarom zouden wij u met ballast laten gaan, wanneer wij u goede lading kunnen bezorgen? Wacht hier totdat er lading te krijgen is.”“Gij moet mij een cognossement voor ballast geven.”“Waarom?”“Omdat de douanen op mijn schip loeren.”“Verwenscht! gij hebt gesmokkeld!” roept de koopman uit. “Als ge er u hebt ingewerkt met uw infame zeemanspractijken en ons daardoor ook hebt gecompromitteerd, dan kunt gij ook hier blijven en de gevolgen dragen, kapitein Blanco. Ik help u niet.”Dat antwoord is ontmoedigend. Het bewijst Chester, dat Jakobszoon niets weet van de twaalf kisten met goederen, die Olins in ontvangst heeft genomen.Guy verlaat het kantoor, doch blijft in de buurt wachten op Olins.Deze heer komt altijd vroeg aan het kantoor, zoo ook nu, niettegenstaande hij gisteravond laat naar bed is gegaan, en hij ontmoet hem bij de Wolstraat.“Ik moet u spreken, mijnheer Olins,” zegt hij.“Goed, ga mee naar het kantoor.”“Neen, alleen en niet op uw kantoor.”“Nu, dan in dit wijnhuis,” antwoordt Olins, Guy oplettend aankijkend, en gaat hem voor naar een wijnhuis, waar hij goed bekend schijnt te zijn, want hij krijgt dadelijk een afzonderlijke kamer.“Nu,” zegt hij, “is het soms om het geld voor die smokkelgeschiedenis, kapitein Blanco? Gij kunt het terstond krijgen, als uw bemanning ongeduldig is.”“Neen, ik wilde u vragen, mij aanstonds een cognossement voor ballast te geven, om uit de haven weg te komen.”“Onmogelijk!” roept Olins, en fluistert dan: “Waarom hebt gij dat noodig?”“Omdat men mij verdenkt te hebben gesmokkeld.”“Wat? Om die kisten met kant van gisteravond?” vraagt de Vlaming op halfluiden toon, terwijl zijn gelaat betrekt.“Het was geen kant,” zegt Chester kortaf.“O—o! Gij moet Antwerpen met den vloed verlaten,” fluistert Olins, terwijl hem het zweet aan alle kanten uitbreekt. “Doch waar zal ik u heenzenden?”“Geef mij papieren op Amsterdam.” Guy noemt de eerste de beste plaats, die hem invalt.“Dat is goed, gij zult ze hebben. Maar,” voegt de koopman er zenuwachtig aan toe, “zonder ladingspapieren zou het verdacht lijken!”“Ik zal u de ladingspapieren bezorgen,” roept Guy uit, terwijl hij plotseling op een idee komt.“Van wien?”“Van uwmede-patriot, Bodé Volckers.” Dit in zijn oor.“Groote God! Gij weet—”“Ja, haakbussen, in kant gepakt, dat is geen geldboete—maar de dood,” fluistert Guy. “Vul een order in voor lading op Amsterdam.”En Guy bewondert den koopman, terwijl hij dit schrijft,—want het handschrift van den patriot Jan Olins is zoo ferm en gelijkmatig, alsof het gedrukt was.“Zend de papieren terstond naar het douanekantoor,” fluistert Guy.Daarna begeeft hij zich haastig naar zijn schip en verdwijnt in zijn hut, om er eenige oogenblikken later weer uit te voorschijn te komen, niet als Andrea Blanco, koopvaardijkapitein, maar als Guido Amati, de beruchte Spaansche soldaat, want hij isvan meening, dat dit de beste vermomming is, om een onderhoud te hebben met den oud-burgemeester Bodé Volckers.Tot zijn teleurstelling hoort hij, als hij aan het pakhuis van Niklaas gekomen is, dat deze zich nog bevindt in zijn huis aan de Meir. Onderweg komt hij op het denkbeeld, dit zaakje op te knappen in de rol van verloopen sujet, in de hoop, zoodoende beter te slagen. Hij wil den schijn aannemen, alsof hij geld wil hebben als spion; hij wil goud vragen, maar ladingspapieren ontvangen.Om zijn leelijke rol goed te spelen, brengt hij zijn haren in wanorde en trekt zijn hoed in de oogen, en den schijn aannemend, alsof hij volslagen dronken was, vervolgt hij zijn weg naar het huis van Bodé Volckers en treedt dit binnen.Een aantal klerken zijn aan het werk, alles is druk bezig. Hij wordt ontvangen door een onderdanig buigenden klerk, die angstig vraagt naar zijn naam en naar hetgeen hij verlangt,—want deze bandelooze Spaansche soldaten bedachten zich tegenover de Vlaamsche burgers niet lang, om naar mes of sabel te grijpen. Als hij vraagt, om Bodé Volckers te spreken, wordt hij dadelijk in diens particulier kantoor gelaten.Hij gaat binnen, sluit, met goed nagebootste dronkemansgebaren, al hikkend, de deur en grendelt ze, terwijl de koopman met de grootste verbazing naar hem kijkt, misschien ook wel met vrees, want Guy’s verwilderde haren en woest rollende oogen geven hem het aanzien, alsof hij regelrecht van een drinkgelag komt.“Gij kent mij—gij kent mij—ik ben—ik ben majoor Guido A—Amati, v—an—Romero’s voetvolk,” begint de pseudo-doordraaier, zijn woorden door hikken afgebroken.“Ja, ik—ik heb de eer gehad u eens in mijn huis te zien, kapitein Amati!”“Majoor—majoorAmati de Medina!—vergeet niet het—de Medina.—Ga—ga zitten en—hik—teeken dit!” En Guy duwt den koopman in zijn stoel terug, waaruit hij half is opgestaan, en houdt hem het charterpapier onder den neus.“Wat—wat is dat?” stamelt Bodé Volckers.“Het is een charterbrief—van de firma Jakobszoon en Olins, voor capitan Andrea Blanco.—Gij kent capitan Andrea—Andrea Blanco?”—hij knikt hem veelbeteekenend toe,—“van het schipEsperanza?”“Ballast gecharterd?” roept Niklaas uit, wederom geheel koopman. “Wat dronken zottepraat is dat? Er zit immers geen geld in ballast.”“Geen ballast, maar een charter—ter begeleiding van twaalf kisten goed—die gisteravond in uw pakhuis—ongeveer twaalf uur—Begrepen,—Bodé Vol—Volckers?”En als aan deze woorden kracht wordt bijgezet, vat Bodé Volckers met schrik en ontzetting zijn bedoeling en stamelt: “Gij—gij beschuldigt mij van smokkelen; daar—daar staat slechts een boete op!”“Ja,—boete vanuw hoofd!”“Smokkelen van kant—boete van mijn hoofd—gij zijt dronken!” antwoordt de koopman, moed scheppende.“Smokkelen van haakbussen—gepakt in kant—in oorlogstijd—beteekent depijnbank.”“Groote God!” roept Niklaas uit, “haakbussen! Ik zou haakbussen—Die gemeene Olins!—haakbussen!” En deze woorden bewijzen Guy, dat Bodé Volckers geen patriot is, maar enkel een smokkelaar.“Juist—het—kost—u—uw hoofd,” hikt Guy. En hij vervolgt met een dronkemansblik:“Ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn aanstaande bankier—de man, die mij al het geld, dat ik voor het dobbelen noodig heb—hik—voortaan zal geven, naar de andere wereld werd geholpen. Begrepen—Bodé Volckers?”“Hoeveel geld verlangt gij? Ik ben—ik ben een arme man!”“Gij zult binnenkort nog wel armer worden! Begrepen—Bodé Volckers?” en hij kijkt hem met inhalige blikken aan.“Hoeveel verlangt gij?” smeekt de koopman.“Een slomp;—maar daar zullen wij later wel eens over spreken,” hikt Chester. “Teeken dit charter—maak eerst, dat het schip kan wegkomen, dan zullen wij een paar flesschen samen drinken en ik zal een verduiveld grooten wissel op u trekken.”“Gij bedriegt mij niet—gij zijt erzekervan, dat het haakbussen zijn?”“Roep de douanen—open ze en zie zelf!” roept Guy uit.Doch dat voorstel is geheel en al onaannemelijk. Bodé Volckers teekent met bevende hand het chartervan deEsperanzaom Antwerpen terstond te verlaten voor Amsterdam en andere havens.“Als gij uzelven lief hebt, Bodé Volckers—mijn beste bankier, Bodé Volckers—laat dan de goederen terstond aan boord brengen,” fluistert Guy, het charter wegbergend, “en—breng mij een flesch wijn.”“Ja, ik zal mijn orders oogenblikkelijk geven,” stamelt de koopman.Maar juist als hij dit zal doen, hoort men buiten het geraas van wielen, het klappen van een zweep en het getrappel van paarden, en een postsjees rijdt, klaarblijkelijk in groote haast, het binnenplein op.Een oogenblik later vergeet de Engelschman zijn voorgewende dronkenschap. Een gebiedende en toch liefelijke stem, een stem, die Guy’s hart sneller doet kloppen dan het gevaar van ontdekking, zelfs nog meer dan de verschrikking van den dood, zegt buiten de deur: “Dien bij uw meester aan Hermoine de Alva!”“Goede hemel! Alva’s dochter!” mompelt de burgemeester. “Zij moet u niet zien. Ga de achterdeur uit!”Doch Chester zou niet heengaan, al moest het hem ook het leven kosten.“Oho! jij bent me een mooie, Bodé Volckers! Dames,” hikt Guy, met een zwakke poging, om zijn rol vol te houden, “ik ga nooit voor dames loopen.”“Gauw!” fluistert de oude heer. “Gij moet blijven, totdat wij de zaak geregeld hebben en ik u orders voor de goederen heb gegeven”, en hij duwtChester haastig in een klein spreekkamertje naast het particulier kantoor, mompelend: “Een mooie geschiedenis—in handen van een verloopen sujet—een ellendigen dronkaard, een speler. Hoe red ik mij daar nog weer uit!”En Guy’s hart begint nog sneller te kloppen. In de deur van het kamertje is een klein luikje, dat in het kantoor uitkomt en waardoor men alles kan hooren, wat daar gebeurt. Het schijnt opzettelijk daarvoor te zijn gemaakt en gebruikt te worden, om meer voordeel van de klanten te kunnen behalen.De eerste woorden, die Guy uit de aangrenzende kamer hoort, doen hem schrikken. Want de liefelijke stem, die nu zeer ernstig klinkt, spreekt deze vreemde woorden: “Senor Bodé Volckers, ik ben zoo vlug, als ik kon, van Brussel komen rijden, om u den raad te geven, als gij uw dochter lief hebt,haar onverwijld buiten Antwerpen te brengen!”

HOOFDSTUK XI.MAJOOR GUIDO AMATI HEEFT EEN STUK IN DEN KRAAG.Chester is er de man niet naar, om enkel naar Alva’s schatten te haken, en geen middelen in het werk te stellen, om ze in zijn bezit te krijgen. Zoo spoedig mogelijk begeeft hij zich weer aan boord van deDover Lassen sluit zich terstond op in zijn hut, om het pakje te onderzoeken, dat hij van Paciotto heeft ontvangen; nu hangt deze ongelukkige man als voedsel voor de raven op de markt te Vlissingen.Nadat hij het zorgvuldig in perkament gewikkelde pakje heeft geopend, komen er drie teekeningen uit te voorschijn van drie groote sleutels in hun natuurlijke grootte en afmeting, genummerd met de cijfers 1, 2 en 3. Buitendien bevat het pakje een aanwijzing voor hun gebruik. Deze luidt:“Gebruik voor de eerste deur achtereenvolgens de sleutels 1, 2 en 3.“Voor de tweede deur de sleutels 3, 2 en 1.“Voor de derde deur eerst nº. 2, daarna nº. 1 en ten slotte nº. 3.“Gebruik ze precies in de genoemde volgorde. Elke willekeurige verandering daarin kan de sloten onbruikbaar maken.”Behalve dit, is er nog een schets van de gang naar de Citadel, waarop eveneens is aangegeven de sluis, die in verbinding staat met het standbeeld van Alva, en hoe het mechanisme van de sluis onbeweegbaar kan gemaakt worden, zoodat, al wordt het standbeeld vernield, het water van de Schelde toch niet in de gang kan stroomen, om hen, die daar aan het werk zijn, te doen verdrinken.Deze teekeningen en aanwijzingen zijn op het lichtste en fijnste Italiaansche papier geteekend, zoodat haar volume zeer klein is en zij gemakkelijk geborgen kunnen worden.Guy maakt van alles een nauwkeurige kopie en bergt deze weg in zijn stevige kist in de hut van deDover Lass. Het oorspronkelijke document steekt hij bij zich.Daarna gaat hij overleggen, wat hem te doen staat. Het is niet alleen noodig, dat hij eenigen tijd naar Antwerpen gaat, om de sleutels te laten maken bij een bekwamen slotenmaker, maar hij moet ook een schip met bemanning bij zich hebben, dat in staat is, den buit weg te voeren, nadat hij er zich van heeft meester gemaakt. Een bezoek aan Antwerpen op zichzelf is reeds gevaarlijk. Een gedeelte van zijn bemanning mee te nemen op een schip en daar in de haven te gaan liggen, schijnt hem niet raadzaam.Hij komt eindelijk, nadat hij de onderneming van alle kanten heeft bekeken (want hij wil er zelfs nietmet Dalton over spreken, die anders geheel te vertrouwen is), tot het volgende vindingrijke besluit. Hij wil zich met behulp van deDover Lassmeester maken van eenige Spaansche koopvaardijschepen, totdat hij er een aantreft met een kapitein, die nooit in Antwerpen is geweest, maar nu op weg is naar die stad. Als hij van het schip bezit heeft genomen, zal hij den kapitein en de bemanning wel zóó doen verdwijnen, dat zij nooit weer te voorschijn komen. Hijzelf wil zich vermommen en den naam van den kapitein van het schip aannemen. Uit zijn bemanning zal hij slechts diegenen kiezen, die het meest op Spaansche en Vlaamsche pikbroeken gelijken, en daarna met het schip naar Antwerpen zeilen, hiertoe de papieren en de stukken van de Spaansche haven gebruikend, en zijn lading afleveren aan haar bestemming, alsof hij de kapitein van het schip was. Terwijl zijn schip wordt gelost, kan hij zich waarschijnlijk (met behulp van Antony Oliver, als deze tenminste in de stad is) meester maken van den schat van den Hertog, zijn schip er mee bevrachten en tegelijkertijd lading innemen voor een haven, waarheen hij door Antwerpsche kooplieden zal gezonden worden.En als hij dan opnieuw in de open zee zal zijn gekomen, is hij van plan naar Engeland te zeilen en zijn schat met hetzelfde recht aan land te brengen, als waarmee Drake, Hawkins en andere Engelsche vrijbuiters hun buitgemaakte staven goud uit Spaansch-Indië daarheen voeren. Daar zal hij zeggen, dat Alva’s goud afkomstig is van een prijsverklaard galjoen en Elizabeth de tien percent, waarop zijaanspraak maakt, betalen, de gebruikelijke belasting op zulk een buit.Een uur, nadat hij dit besluit heeft genomen, is deDover Lassonder zeil naar den open oceaan, en gedurende de volgende dagen neemt het kleine schip twee of drie schepen, die op weg waren naar Antwerpen. Doch geen van alle zijn geschikt voor zijn doel. Hij hoort de kapiteins van die schepen uit en verneemt, dat zij reeds vroeger te Antwerpen zijn geweest, of dat sommige hunner matrozen familie of vrienden in die stad hebben, of er is iets in de scheepspapieren, dat ze onbruikbaar voor hem maakt.Daarom brengt hij deze schepen naar Vlissingen en verkoopt schepen en lading voor een appel en een ei in die stad, welke nu goed bewaard is in de handen van den prins van Oranje; de vlag van dezen prins wappert nu reeds van verscheidene torens in de Nederlandsche steden, doch sommige van deze worden daarvoor later wreed gestraft, en hun inwoners allen over de kling gejaagd,—mannen, vrouwen en kinderen.Het geld, dat hij ontvangt voor den gedwongen verkoop van deze gestolen goederen, is nauwelijks een tiende van hun waarde, want het geld is zeer schaarsch in de Nederlanden, sinds de invoering van den tienden penning, maar het is voldoende voor hetgeen Chester zich voorstelt in Antwerpen te doen.Dit alles rooft echter tijd en reeds is er een maand verloopen, sedert hij in het bezit is van Paciotto’s geheim, eer hij het karveelEsperanzabuitmaakt, kapitein Andrea Blanco, wiens journaalaanwijst, dat hij nooit te voren in Antwerpen is geweest, maar bijna altijd op West-Indië gevaren heeft. Het gelukt hem na veel moeite van kapitein Blanco te weten te komen, dat hij geboortig is uit Hispaniola en dat de geheele bemanning nog nooit te voren in Vlaamsche wateren is geweest.Het schip is zeer geschikt voor zijn doel, daar het een stevige bark is van ongeveer driehonderd ton, ofschoon niet te vergelijken met deDover Lass, en gewapend met zeven stukken geschut aan iedere zijde. Het heeft zich dan ook eenigen tijd verdedigd tegen deDover Lass, wat in die bloedige tijden in den regel ten gevolge zou hebben gehad, dat de bemanning meedoogenloos werd afgemaakt,—vooral wanneer het belang van den veroveraar meebracht, zooals nu, om ze allen daarheen te helpen, waar zij nooit iets over de Antwerpsche haven zouden kunnen vertellen.Hoe rationeel hem dat ook toeschijnt, kan Chester er toch niet toe besluiten, ze in koelen bloede te vermoorden.Hij roept daarom Dalton en zegt: “Het is noodzakelijk, dat ik persoonlijk het bevel op mij neem over ons prijsgemaakt schip, deEsperanza, mij uitgeef voor haar kapitein en met dertig mijner manschappen naar Antwerpen zeil.”“Naar Antwerpen gaan?” roept Dalton verbaasd uit. “Naar den duivel gaan? En wie zal u daarheen willen volgen?”“Gij, als ik het u vroeg, Dalton,” antwoordt zijn commandant. “Roep de bemanning.”En als zij allen vóór de groote mast staan, overzietChester de honderd vijf en twintig matrozen van deDover Lass, brutale vechtersbazen, tot den kok en den kajuitsjongen incluis, en spreekt hen kort en bondig toe: “Nu, jongens, heb ik een karreweitje voor je, iets dat je zal aanstaan—waarbij heel wat buit is te behalen. Daarvoor moet ik dertig man hebben, die met mij op deEsperanzanaar Antwerpen willen zeilen. Als wij niet slagen, weet gij vooruit, wat Alva met ons zal doen. Dat zal niet malsch zijn. Als ik slaag, krijgt ieder van de matrozen van deDover Lasstwintig goudstukken, gij, Dalton, tweehonderd en de andere officieren naar verhouding. Doch ieder, die met mij op deEsperanzagaat, krijgt er twintig extra voor het waagstuk, en het gaat op leven en dood, daarom dwing ik niemand. Zij, die lust hebben met mij dat avontuur te wagen, moeten op het halfdek gaan staan.”En in een oogwenk staan al de matrozen om hem heen op het halfdek, terwijl Dalton uitroept: “Neem mij in ’s hemels naam mee, commandant. Ik laat u niet alleen gaan.”Doch Chester antwoordt: “Het is noodzakelijk, dat gij het bevel over deDover Lassop u neemt,” en hij kiest die mannen uit, die het meest op matrozen van een koopvaardij schip lijken; hij is zoo gelukkig, er zeven en twintig te vinden, die Spaansch spreken, daar zij hier en daar, in West-Indië en in de Middellandsche zee, wat van die taal hebben opgevangen.Daarom neemt hij deze zeven en twintig, onder aanvoering van Martin Corker, die beweert, dat hij genoeg Spaansche halzen heeft afgesneden, om het Spaansch vlot te kunnen spreken.Nadat dit geregeld is, neemt Chester Dalton mee in zijn hut en zegt tot hem op ernstigen toon: “Luister naar mijn bevelen. Sla de geheele bemanning van deEsperanzain boeien. Zorg, dat niemand ontsnapt.Ga dan spoedig onder zeil en zet ze aan land op de westkust van Ierland.”“Wat! onder die bloeddorstige barbaren? Dan mag ik wel oppassen, dat wij er het hachje ook niet bij inschieten,” zegt Dalton. Want in dien tijd was de Westkust eenUltima Thule, door iedere pikbroek gevreesd, want geen schipbreukeling kwam er ooit van terug.“Keer terstond naar Vlissingen terug,” vervolgt Guy, “zoodra gij u van uw opdracht hebt gekweten. Wacht mij daar.”“Doch als gij niet terugkomt?”“Dan zijt gij commandant van deDover Lass. Maar ik kom wel terug. Als gij echter iets om mijn leven geeft en om dat van de arme drommels, die ik met mij neem, zorg dan dat niemand van de Spaansche bemanning, het allerminst de kapitein, uit uw handen loskomt, totdat gij hen hebt afgeleverd aan de O’Brien’s, O’Toole’s of een of ander bloeddorstig Iersch opperhoofd, die hen tot zijn slaven zal maken en uit wiens wilde klauwen zij evenmin zullen kunnen ontsnappen, als de negers, die in Afrika werden gestolen, dit in West-Indië kunnen doen!”“Verlaat u op mij. Geen der knoflooketende Dons ziet zijn moeder ooit terug. Als ik gevaar mocht loopen, dat een Spaansch oorlogsschip mijn schip nam, dan overboord met hen,” zegt Dalton en laat zijn woorden vergezeld gaan van een welsprekend gebaar.Daarna zet deDover Lasskoers naar de Hebriden, de noordelijke route naar Ierland nemend, om iedere ontmoeting met een Spaansch oorlogsschip te vermijden.En Guy Chester, vermomd als kapitein Andrea Blanco, zeilt met zijn zeven en twintig vrijwilligers, die al het mogelijke hebben gedaan, om hun Engelsche afkomst te verbergen, op het schip de Esperanza onder de Spaansche vlag, met Martin Corker aan het roer, naar den Scheldemond.Hij bereikt dien in den morgen, ontsnapt bij Vlissingen ternauwernood aan de vervolging van zijn collega’s, de Watergeuzen, en is in den namiddag tot Fort Lillo genaderd. Hier vindt hij drie Spaansche oorlogsschepen en veel bedrijvigheid; als hij wordt aangehouden door een Spaansche patrouilleboot, vertoont hij zijn charterpapieren en cognossement, aan de firma Jakobszoon en Olins, die hun kantoor hebben in de Wolstraat, dicht bij de Engelsche kade te Antwerpen.Zijn stukken blijken in orde te zijn, en partij trekkende van den vloed, laat Chester op een mooien dag in Mei, terwijl de ondergaande zon den fraaien toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk verguldt, het anker vallen voor Antwerpen, passeert ongemoeid het douanekantoor en gaat met zijn cognossement en charterpapieren naar het huis van Jakobszoon en Olins.“Hoezee! Gij zijt aan de plunderende Geuzen ontsnapt, mijn waarde kapitein Blanco,” roept de oudste firmant Jakobszoon uit, een blozend, zwaarlijvig persoon.Jan Olins, een man met een net geschoren gelaat en deftige manieren, merkt op: “Gij hebt er uw schip netjes doorheen gebracht. Als het gouvernement deze Hollandsche vrijbuiters niet weet te verdelgen, is het gedaan met den handel van Antwerpen.”Daarop noodigen de twee heeren hun kapitein, die zich zoo flink gehouden heeft, uit, om met hen te soupeeren. “Ga met ons mede,” zegt Jakobszoon, “het is juist de avond, waarop ik uitga. Wij zullen een flesch drinken inDe Geschilderde Herberg.”Doch Guy heeft niet veel lust, omDe Geschilderde Herbergte bezoeken, daar hij liever naar Antony Oliver gaat, en hij verontschuldigt zich dus, onder voorwendsel dat hij naar zijn schip moet terugkeeren.“Zoo, gij wilt dus aan boord slapen?” zegt de jongste firmant.“Waarschijnlijk wel,” antwoordt de kapitein, “totdat ik mijn schip veilig aan de kade heb liggen.”“Nu, deEngelentorenis anders een zeer goede herberg en niet ver van hier,” zegt Jakobszoon. “Zij ligt ook in de buurt van uw schip.”“Dank u, ik zal het onthouden,” en afscheid nemend van de twee heeren, die zeer in hun nopjes schijnen te zijn over de aankomst van hun schip en zich dientengevolge zeer gastvrij betoonen, staat Chester weldra voor het geschilderde uithangbord van den barbier.Het is reeds avond, er brandt geen lamp in het voorhuis en hij wordt niet herkend door Touraine, die hem binnenlaat. Hij vliegt de trappen op en wordt, als hij aanklopt, tot zijn onuitsprekelijke vreugde,terstond binnengelaten door Oliver. En tot zijn even groote vreugde herkennen de scherpe oogen van den schilder hem niet. Antony is bezig aan zijn altaarstuk. De ondergaande zon schijnt door het venster en geeft leven en bezieling aan het gelaat en de goddelijke oogen van Hermoine de Alva. Met de haast van den minnaar gaat de Engelschman op het schilderij af. Op Oliver’s angstige opmerking: “Wat is er van uw dienst?” antwoordt hij niets, geheel verdiept als hij is in de beschouwing van zijn beminde!“Wat is er van uw dienst, senor?”“O—ja! Hebt gij den laatsten tijd dikwijls duivenpastei gegeten?” fluistert Chester ontwakend.“Morbleu!” roept de Vlaamsche artist uit. “Kapitein—neen, majoor Guido Amati!”“Nu niet,” zegt de ander kortaf, de deur sluitend, “maar Andrea Blanco, kapitein van een Spaansch koopvaardijschip met huiden, talk en Spaanschen wijn in cognossement aan Jakobszoon en Olins, zijn lading lossende aan de Engelsche kade.”“Maar toch mijn Guido,” fluistert de schilder, en de levendige Fransche Vlaming slaat zijn armen om Guy’s hals en geeft hem naar ’s lands wijs twee hartelijke zoenen, op iedere wang één.“Is uw factotum hier?” vraagt de Engelschman een weinig brusk, want hij is niet gesteld op zulk een teedere begroeting.“O, ik heb Achille vandaag vrijaf gegeven. Hij is beneden bij zijn familie,” zegt Oliver. “Doch wat brengt u hier? Mademoiselle Hermoine?”“Is zij hier—in Antwerpen?” roept Guy opgewonden uit, terwijl zijn hart onstuimig begint tekloppen en zijn oogen schitteren van verlangen.“Neen, zij is gelukkig in Brussel.”“Gelukkig?”“Ja, omdat het u is aan te zien, dat gij alles zoudt trotseeren om haar te spreken te krijgen, en dat met vijf duizend kronen op uw hoofd.”“Vijf duizend?”“Ja—gij zijt onlangs in prijs gestegen. Alva heeft gehoord, hoe gij de Geuzen op hem hebt afgezonden met kruit en kogels, om zich met geweld te verschaffen, wat zij voor hun levensonderhoud noodig hebben. Geen proviand, geen water, maar overvloed van kruit, hè? Dat was een mooie poets, die ge hem hebt gespeeld. Doch koningin Elizabeth heeft u opnieuw vogelvrij verklaard en Alva heeft laten afkondigen, dat uw hoofd vijf duizend kronen waard is. Parbleu! wat haat hij u! Als hij eens wist—” en de schilder barst in lachen uit en vervolgt daarna ernstig:“Wat is de reden, dat gij dit geduchte waagstuk opnieuw onderneemt, Guido?”“Grendel de deur en luister,” fluistert de Engelschman. Als dit gedaan is, begint hij op halfluiden toon: “Bij mijn laatste bezoek hier maakte ik mij meester van de liefde van Alva’s dochter. Bij dit bezoek zal ik mij meester maken van al het goud, dat Alva door zijn tienden penning heeft bijeengebracht.”“Diable! gij zijt dol!”“Luister en oordeel of ik het ben,” en een stoel krijgend, vertelt Chester de vreemde geschiedenis van Paciotto’s biecht enpost-mortem-wraak op den dictator der Nederlanden.Antony luistert vol aandacht naar zijn wonderbaarlijk verhaal en kan zoo nu en dan een uitroep van verbazing niet onderdrukken. Aan het einde gekomen, laat Guy de teekeningen van de sleutels zien en het plan van de onderaardsche gang onder het bastion, en zegt: “Gelooft gij het nu?”“Ja,” antwoordt de schilder langzaam, “ik geloof u! Alva heeft zijn troepen in den waan gebracht, dat het standbeeld dienst doet als zijn schatkamer. Alva wist, dat Vlissingen het drie dagen zou uithouden, alvorens zich over te geven. Hij heeft dus Paciotto opzettelijk daarheen gezonden. Ik geloof u!”“Dan,” zegt Guy, “krijgt gij een derde gedeelte van Alva’s geld, als gij het mij helpt buitmaken.”“Van harte gaarne!” antwoordt Oliver vol vuur. “Mijn deel zal voor mijn vaderland bestemd zijn, niet voor mijzelven. Ik zal Alva beoorlogen met zijn eigen tienden penning. Maar gij hebt zeker honger.”“Neen, ik heb aan boord gegeten.”“Oho, verliefden hebben geen honger!”“Zoo is het. Maar hoe gaat het haar? Gij zijt in Brussel geweest—hoe maakt zij het?”“Ja, ik ben eerst twee dagen geleden weer thuis gekomen,” antwoordt de schilder zuchtend. “Ik wilde nog de laatste hand leggen aan mijn altaarstuk, eer ik ten strijde ga.”“Gij ten strijde?”“Ik moet. Kan ik, nu al de Nederlandsche gewesten naar de wapenen grijpen, rustig thuis blijven? En buitendien, mijn positie wordt met den dag gevaarlijker. Ik zal weldra moeten vluchten. Nom deDieu, het ging laatst bij het walletje langs,” vervolgt Oliver, “het was op den dag, toen de tijding kwam, dat de Watergeuzen den Briel hadden ingenomen.”“Hoe? Waart gij in gevaar?”“Oordeel zelf. Gij weet, dat deze belasting iedereen te gronde richt. De bakkers willen niet meer bakken, de slagers niet meer slachten, het volk wil geen handel meer drijven. Dit beviel Zijne Hoogheid Alva slecht; hij zond dus om zijn beul en beval hem, achttien stroppen en evenveel ladders van twaalf voet lengte te maken en de achttien voornaamste bakkers van Brussel in hun eigen deurpost op te knoopen, als een waarschuwend voorbeeld voor de anderen, om terstond met bakken te beginnen. Dienzelfden avond kwam het nieuws van de inneming van den Briel en redde hen, want die tijding bracht de hoofdstad in opschudding en Alva’s gedachten werden er zoo geheel door in beslag genomen, dat hij de bakkers vergat. ’s Morgens zond hij dadelijk om mij. ‘Oliver,’ zeide Zijne Hoogheid, ‘zoek mij den kerel, die dat heeft vervaardigd.’ En hij duwde mij een caricatuur van zichzelven, waarop hij gejaagd naar zijn bril zoekt, onder den neus, met het onderschrift:‘Op den eersten van AprilVerloor duc d’Alf zijn bril.’‘Deze schandelijke en brutale caricatuur,’ vervolgde Zijne Hoogheid, ‘heeft men aangeplakt gevonden tegen mijn paleis. Gij moet den verwenschten kladschilder zoeken.’ ‘Hoe kan ik dat, Uwe Hoogheid?’ stamelde ik. ‘Dat kunt gij beter dan iemand anders. Gij zijt een kunstenaar,’ snauwde de Hertog.‘Ik laat mij hangen, als de schurk niet denzelfden stijl van teekenen heeft als gij. Hij moet onder denzelfden meester gewerkt hebben. Gij moet dien oproerling, dien kladschilder vinden!’ Zoo ging ik heen, doch mijn knieën knikten, want die schilder was ikzelf! Maar ik zit op gloeiende kolen, ik kan dat niet langer uithouden, ik ben van plan te gaan vechten—en misschien te sterven, maar als een man, met het zwaard in de vuist, niet als een misdadiger op de pijnbank.”“En Dona Hermoine,” viel Guy hem in de rede, “wat zeide zij er van?”“Waarvan?”“Van het nieuws van de inneming van den Briel?”“Ik geloof, dat zij daar in het geheel geen notitie van genomen heeft. Die jonge dame denkt aan niets anders dan aan raouts en feesten,” antwoordt de schilder, “en bemoeit zich niet met politiek. En dan heeft zij een vurigen aanbidder in generaal Noircarmes—”“Alle duivels!—heeft zij mij vergeten?” buldert de Engelschman.“Neen, ik denk eer, omdat zij veel aan u denkt.”“Hoezoo?”“Wel, de eerste weken, nadat gij weg waart, was zij altijd zeer opgeruimd; er was aan Alva’s hof geen tweede gelaat, dat zoo straalde, geen tweede paar oogen, dat zoo schitterde, niemand, die zooveel geest ten toon spreidde, en er zijn vele schoone vrouwen in Brussel. En toen—”“Nu, wat toen?”“Toen werd zij treurig en had blijkbaar verdriet.”“Wat was de reden daarvan? Weet gij het niet?”“Ja, ik vermoed het.”“Wat dan?”“Gij!”“Ik?”“Ja. Er kwam bericht uit Middelburg, dat uw gedrag veel te wenschen overliet, mijn jongen,” zegt Oliver, inwendig lachend.“Mijn gedrag veel te wenschen overliet?”“Zeer veel,” lacht Oliver. “Het rapport luidde, dat bij de ontvangst van zijn bevordering, majoor Guido Amati eenige dagen aan den rol ging en zich bezondigde aan allerlei uitspattingen.”“Goede hemel! Die ellendige schurk!”“Dat is hij,” stemt Oliver toe.“Hij—hij zal mij nog in het verderf storten! Zij zal mij voor een ondankbaren ellendeling houden! Vervl....! dat mijn goede naam moet afhangen van dien dronkaard, dat verloopen sujet!” roept Guy woedend uit. “Wat zal ik doen? Geef mij raad, Oliver. Ik moet naar Middelburg en hem naar de andere wereld zenden, eer hij mij van alle hoop op geluk berooft.”“Dat zou ik niet doen,” lacht Oliver, “want als gij majoor Guido Amati doodt, zal Hermoine de Alva in den rouw gaan.”“In den rouw over hem?”“Neen, over u. Als ik mij niet vergis, heeft zij u innig lief. Doch uw gedrag, mijn beste jongen, maakt haar diep ongelukkig.” En de schilder kan zich niet meer inhouden, maar barst in lachen uit en zegt op spottenden toon: “Diable, ik zie u al,boete doende voor de zonden van majoor Guido Amati aan de voeten van uw beminde! Kom, laten wij nu gaan soupeeren.”“Ik kan niet eten. Lach mij niet uit.”“Waarom niet? Als Hermoine zich het gedrag van den wilden majoor Guido Amati niet aantrok, dan was er reden, om uw eetlust te verliezen. Als Dona Hermoine de Alva ophoudt belang te stellen in het doen en laten van majoor Guido Amati, dan eerst is het tijd voor Guy Chester om wanhopig te worden.”“Als gij de zaak van dien kant beschouwt, hebt gij gelijk, en ik zal dus maar met u gaan soupeeren,” antwoordt Guy, weer moed scheppend.En het tweetal verlaat Oliver’s woning, niet om naar een der groote herbergen van Antwerpen te gaan, maar naar den dichtbijgelegenEngelentoren, waar hun niet veel bijzonders wordt voorgezet, ofschoon Guy nu eensklaps een goeden eetlust krijgt—ondanks de slechte keuken en den zuren wijn.In Oliver’s woning teruggekeerd, gaan zij beraadslagen over de zaak, die Guy in de stad zijner vijanden heeft gebracht, en maken het volgende plan. Chester zal op de gewone wijze zijn schip gaan lossen, terwijl Oliver de noodige inlichtingen zal zien te verkrijgen en de sleutels zal laten maken.“Het is niet raadzaam, ze alle drie bij denzelfden slotenmaker te laten vervaardigen. Ik zal een kopie van deze teekeningen maken, en wel van iederen sleutel op een afzonderlijk stuk papier. Gij bewaart de oorspronkelijke teekeningen. Ik breng de teekening van nº. 1 naar een slotenmaker, dien ikken, de teekening van nº. 2 naar een in een ander gedeelte der stad. Neen, het is nog beter, dat ik de twee andere sleutels elders laat maken, daar de verschillende slotenmakers in de stad er met elkaar over zouden kunnen spreken, want het zijn vreemde sleutels en zij zullen veel geld kosten.”“Dat komt er niet op aan,” zegt Guy, “ik heb geld genoeg.”Zij spreken dus af, dat een van de sleutels in Antwerpen, een in Mechelen en een in Brussel zal worden gemaakt. Antony zal ook onderzoek doen naar het huis bij de Esplanade en zien, of het er uitziet, zooals het beschreven is en of de oude doofstomme Spaansche vrouw er nog woont. “Ik vertrek onmiddellijk naar Brussel, om een der sleutels te laten maken en den tweeden geef ik in Mechelen,” zegt Oliver.“Laat mij naar Brussel gaan,” zegt Guy levendig. “Gij hebt hier genoeg te doen.”“En gij dan niet?—moet uw schip niet gelost worden? En buitendien,” antwoordt Antony, “is het niet om den sleutel, dat gij naar Brussel wenscht te gaan. Het is om Hermoine de Alva.” En hij vervolgt op ernstigen toon: “Laat zij doen wat zij wil, of denken wat zij wil, maar zoek haar in Godsnaam niet op, eer wij dit zaakje hebben opgeknapt. Als men argwaan tegen u opvat, is alles verloren. Vergeet, dat gij majoor Guido Amati de Medina zijt, een lichtzinnig soldaat en de minnaar van de dochter van den Onderkoning; wees enkel Andrea Blanco, een eenvoudig koopvaardij-kapitein, die alleen belang stelt in grog en chartergeld; begin morgen vroeg uw schip te lossen.”“Vooruit dan maar,” zucht Guy, die moet erkennen, dat de raad van den schilder verstandig is, al is hij ook niet naar zijn smaak. “Ik zal terstond aan boord gaan.”“Dat kunt gij niet. Gij moet vannacht bij mij blijven. De poorten zijn gesloten, en er is geen jonge dame bij de hand, om u het wachtwoord te geven of u een gouvernements-barge aan te bieden, om u veilig buiten Antwerpen te brengen!” lacht Oliver en voegt er ernstiger aan toe: “Tête Dieu! gij zijt toen den dans nog maar even ontsprongen. Het was bekend geworden, dat gij hier waart. Alleen Alva’s dochter kon u nog redden. Onthoud, dat Hermoine de Alva u, en misschien ook mij, dien nacht behoed heeft voor den brandstapel of de galg. En nu vijf duizend kronen op uw hoofd,”—de schilder zucht.Maar ondanks deze sombere herinneringen, brengen de beide jonge mannen een genoeglijken avond door bij een flesch wijn in het atelier van den schilder, en spreken over Antony’s altaarstuk, dat zoo goed als af is. De mooie oogen van Hermoine de Alva kijken haar Engelschen minnaar aan, alsof zij hem opnieuw welkom heeten in de stad zijner vijanden—maar toch ook de stad zijner liefde.

Chester is er de man niet naar, om enkel naar Alva’s schatten te haken, en geen middelen in het werk te stellen, om ze in zijn bezit te krijgen. Zoo spoedig mogelijk begeeft hij zich weer aan boord van deDover Lassen sluit zich terstond op in zijn hut, om het pakje te onderzoeken, dat hij van Paciotto heeft ontvangen; nu hangt deze ongelukkige man als voedsel voor de raven op de markt te Vlissingen.

Nadat hij het zorgvuldig in perkament gewikkelde pakje heeft geopend, komen er drie teekeningen uit te voorschijn van drie groote sleutels in hun natuurlijke grootte en afmeting, genummerd met de cijfers 1, 2 en 3. Buitendien bevat het pakje een aanwijzing voor hun gebruik. Deze luidt:

“Gebruik voor de eerste deur achtereenvolgens de sleutels 1, 2 en 3.

“Voor de tweede deur de sleutels 3, 2 en 1.

“Voor de derde deur eerst nº. 2, daarna nº. 1 en ten slotte nº. 3.

“Gebruik ze precies in de genoemde volgorde. Elke willekeurige verandering daarin kan de sloten onbruikbaar maken.”

Behalve dit, is er nog een schets van de gang naar de Citadel, waarop eveneens is aangegeven de sluis, die in verbinding staat met het standbeeld van Alva, en hoe het mechanisme van de sluis onbeweegbaar kan gemaakt worden, zoodat, al wordt het standbeeld vernield, het water van de Schelde toch niet in de gang kan stroomen, om hen, die daar aan het werk zijn, te doen verdrinken.

Deze teekeningen en aanwijzingen zijn op het lichtste en fijnste Italiaansche papier geteekend, zoodat haar volume zeer klein is en zij gemakkelijk geborgen kunnen worden.

Guy maakt van alles een nauwkeurige kopie en bergt deze weg in zijn stevige kist in de hut van deDover Lass. Het oorspronkelijke document steekt hij bij zich.

Daarna gaat hij overleggen, wat hem te doen staat. Het is niet alleen noodig, dat hij eenigen tijd naar Antwerpen gaat, om de sleutels te laten maken bij een bekwamen slotenmaker, maar hij moet ook een schip met bemanning bij zich hebben, dat in staat is, den buit weg te voeren, nadat hij er zich van heeft meester gemaakt. Een bezoek aan Antwerpen op zichzelf is reeds gevaarlijk. Een gedeelte van zijn bemanning mee te nemen op een schip en daar in de haven te gaan liggen, schijnt hem niet raadzaam.

Hij komt eindelijk, nadat hij de onderneming van alle kanten heeft bekeken (want hij wil er zelfs nietmet Dalton over spreken, die anders geheel te vertrouwen is), tot het volgende vindingrijke besluit. Hij wil zich met behulp van deDover Lassmeester maken van eenige Spaansche koopvaardijschepen, totdat hij er een aantreft met een kapitein, die nooit in Antwerpen is geweest, maar nu op weg is naar die stad. Als hij van het schip bezit heeft genomen, zal hij den kapitein en de bemanning wel zóó doen verdwijnen, dat zij nooit weer te voorschijn komen. Hijzelf wil zich vermommen en den naam van den kapitein van het schip aannemen. Uit zijn bemanning zal hij slechts diegenen kiezen, die het meest op Spaansche en Vlaamsche pikbroeken gelijken, en daarna met het schip naar Antwerpen zeilen, hiertoe de papieren en de stukken van de Spaansche haven gebruikend, en zijn lading afleveren aan haar bestemming, alsof hij de kapitein van het schip was. Terwijl zijn schip wordt gelost, kan hij zich waarschijnlijk (met behulp van Antony Oliver, als deze tenminste in de stad is) meester maken van den schat van den Hertog, zijn schip er mee bevrachten en tegelijkertijd lading innemen voor een haven, waarheen hij door Antwerpsche kooplieden zal gezonden worden.

En als hij dan opnieuw in de open zee zal zijn gekomen, is hij van plan naar Engeland te zeilen en zijn schat met hetzelfde recht aan land te brengen, als waarmee Drake, Hawkins en andere Engelsche vrijbuiters hun buitgemaakte staven goud uit Spaansch-Indië daarheen voeren. Daar zal hij zeggen, dat Alva’s goud afkomstig is van een prijsverklaard galjoen en Elizabeth de tien percent, waarop zijaanspraak maakt, betalen, de gebruikelijke belasting op zulk een buit.

Een uur, nadat hij dit besluit heeft genomen, is deDover Lassonder zeil naar den open oceaan, en gedurende de volgende dagen neemt het kleine schip twee of drie schepen, die op weg waren naar Antwerpen. Doch geen van alle zijn geschikt voor zijn doel. Hij hoort de kapiteins van die schepen uit en verneemt, dat zij reeds vroeger te Antwerpen zijn geweest, of dat sommige hunner matrozen familie of vrienden in die stad hebben, of er is iets in de scheepspapieren, dat ze onbruikbaar voor hem maakt.

Daarom brengt hij deze schepen naar Vlissingen en verkoopt schepen en lading voor een appel en een ei in die stad, welke nu goed bewaard is in de handen van den prins van Oranje; de vlag van dezen prins wappert nu reeds van verscheidene torens in de Nederlandsche steden, doch sommige van deze worden daarvoor later wreed gestraft, en hun inwoners allen over de kling gejaagd,—mannen, vrouwen en kinderen.

Het geld, dat hij ontvangt voor den gedwongen verkoop van deze gestolen goederen, is nauwelijks een tiende van hun waarde, want het geld is zeer schaarsch in de Nederlanden, sinds de invoering van den tienden penning, maar het is voldoende voor hetgeen Chester zich voorstelt in Antwerpen te doen.

Dit alles rooft echter tijd en reeds is er een maand verloopen, sedert hij in het bezit is van Paciotto’s geheim, eer hij het karveelEsperanzabuitmaakt, kapitein Andrea Blanco, wiens journaalaanwijst, dat hij nooit te voren in Antwerpen is geweest, maar bijna altijd op West-Indië gevaren heeft. Het gelukt hem na veel moeite van kapitein Blanco te weten te komen, dat hij geboortig is uit Hispaniola en dat de geheele bemanning nog nooit te voren in Vlaamsche wateren is geweest.

Het schip is zeer geschikt voor zijn doel, daar het een stevige bark is van ongeveer driehonderd ton, ofschoon niet te vergelijken met deDover Lass, en gewapend met zeven stukken geschut aan iedere zijde. Het heeft zich dan ook eenigen tijd verdedigd tegen deDover Lass, wat in die bloedige tijden in den regel ten gevolge zou hebben gehad, dat de bemanning meedoogenloos werd afgemaakt,—vooral wanneer het belang van den veroveraar meebracht, zooals nu, om ze allen daarheen te helpen, waar zij nooit iets over de Antwerpsche haven zouden kunnen vertellen.

Hoe rationeel hem dat ook toeschijnt, kan Chester er toch niet toe besluiten, ze in koelen bloede te vermoorden.

Hij roept daarom Dalton en zegt: “Het is noodzakelijk, dat ik persoonlijk het bevel op mij neem over ons prijsgemaakt schip, deEsperanza, mij uitgeef voor haar kapitein en met dertig mijner manschappen naar Antwerpen zeil.”

“Naar Antwerpen gaan?” roept Dalton verbaasd uit. “Naar den duivel gaan? En wie zal u daarheen willen volgen?”

“Gij, als ik het u vroeg, Dalton,” antwoordt zijn commandant. “Roep de bemanning.”

En als zij allen vóór de groote mast staan, overzietChester de honderd vijf en twintig matrozen van deDover Lass, brutale vechtersbazen, tot den kok en den kajuitsjongen incluis, en spreekt hen kort en bondig toe: “Nu, jongens, heb ik een karreweitje voor je, iets dat je zal aanstaan—waarbij heel wat buit is te behalen. Daarvoor moet ik dertig man hebben, die met mij op deEsperanzanaar Antwerpen willen zeilen. Als wij niet slagen, weet gij vooruit, wat Alva met ons zal doen. Dat zal niet malsch zijn. Als ik slaag, krijgt ieder van de matrozen van deDover Lasstwintig goudstukken, gij, Dalton, tweehonderd en de andere officieren naar verhouding. Doch ieder, die met mij op deEsperanzagaat, krijgt er twintig extra voor het waagstuk, en het gaat op leven en dood, daarom dwing ik niemand. Zij, die lust hebben met mij dat avontuur te wagen, moeten op het halfdek gaan staan.”

En in een oogwenk staan al de matrozen om hem heen op het halfdek, terwijl Dalton uitroept: “Neem mij in ’s hemels naam mee, commandant. Ik laat u niet alleen gaan.”

Doch Chester antwoordt: “Het is noodzakelijk, dat gij het bevel over deDover Lassop u neemt,” en hij kiest die mannen uit, die het meest op matrozen van een koopvaardij schip lijken; hij is zoo gelukkig, er zeven en twintig te vinden, die Spaansch spreken, daar zij hier en daar, in West-Indië en in de Middellandsche zee, wat van die taal hebben opgevangen.

Daarom neemt hij deze zeven en twintig, onder aanvoering van Martin Corker, die beweert, dat hij genoeg Spaansche halzen heeft afgesneden, om het Spaansch vlot te kunnen spreken.

Nadat dit geregeld is, neemt Chester Dalton mee in zijn hut en zegt tot hem op ernstigen toon: “Luister naar mijn bevelen. Sla de geheele bemanning van deEsperanzain boeien. Zorg, dat niemand ontsnapt.Ga dan spoedig onder zeil en zet ze aan land op de westkust van Ierland.”

“Wat! onder die bloeddorstige barbaren? Dan mag ik wel oppassen, dat wij er het hachje ook niet bij inschieten,” zegt Dalton. Want in dien tijd was de Westkust eenUltima Thule, door iedere pikbroek gevreesd, want geen schipbreukeling kwam er ooit van terug.

“Keer terstond naar Vlissingen terug,” vervolgt Guy, “zoodra gij u van uw opdracht hebt gekweten. Wacht mij daar.”

“Doch als gij niet terugkomt?”

“Dan zijt gij commandant van deDover Lass. Maar ik kom wel terug. Als gij echter iets om mijn leven geeft en om dat van de arme drommels, die ik met mij neem, zorg dan dat niemand van de Spaansche bemanning, het allerminst de kapitein, uit uw handen loskomt, totdat gij hen hebt afgeleverd aan de O’Brien’s, O’Toole’s of een of ander bloeddorstig Iersch opperhoofd, die hen tot zijn slaven zal maken en uit wiens wilde klauwen zij evenmin zullen kunnen ontsnappen, als de negers, die in Afrika werden gestolen, dit in West-Indië kunnen doen!”

“Verlaat u op mij. Geen der knoflooketende Dons ziet zijn moeder ooit terug. Als ik gevaar mocht loopen, dat een Spaansch oorlogsschip mijn schip nam, dan overboord met hen,” zegt Dalton en laat zijn woorden vergezeld gaan van een welsprekend gebaar.

Daarna zet deDover Lasskoers naar de Hebriden, de noordelijke route naar Ierland nemend, om iedere ontmoeting met een Spaansch oorlogsschip te vermijden.

En Guy Chester, vermomd als kapitein Andrea Blanco, zeilt met zijn zeven en twintig vrijwilligers, die al het mogelijke hebben gedaan, om hun Engelsche afkomst te verbergen, op het schip de Esperanza onder de Spaansche vlag, met Martin Corker aan het roer, naar den Scheldemond.

Hij bereikt dien in den morgen, ontsnapt bij Vlissingen ternauwernood aan de vervolging van zijn collega’s, de Watergeuzen, en is in den namiddag tot Fort Lillo genaderd. Hier vindt hij drie Spaansche oorlogsschepen en veel bedrijvigheid; als hij wordt aangehouden door een Spaansche patrouilleboot, vertoont hij zijn charterpapieren en cognossement, aan de firma Jakobszoon en Olins, die hun kantoor hebben in de Wolstraat, dicht bij de Engelsche kade te Antwerpen.

Zijn stukken blijken in orde te zijn, en partij trekkende van den vloed, laat Chester op een mooien dag in Mei, terwijl de ondergaande zon den fraaien toren van de Onze-Lieve-Vrouwekerk verguldt, het anker vallen voor Antwerpen, passeert ongemoeid het douanekantoor en gaat met zijn cognossement en charterpapieren naar het huis van Jakobszoon en Olins.

“Hoezee! Gij zijt aan de plunderende Geuzen ontsnapt, mijn waarde kapitein Blanco,” roept de oudste firmant Jakobszoon uit, een blozend, zwaarlijvig persoon.

Jan Olins, een man met een net geschoren gelaat en deftige manieren, merkt op: “Gij hebt er uw schip netjes doorheen gebracht. Als het gouvernement deze Hollandsche vrijbuiters niet weet te verdelgen, is het gedaan met den handel van Antwerpen.”

Daarop noodigen de twee heeren hun kapitein, die zich zoo flink gehouden heeft, uit, om met hen te soupeeren. “Ga met ons mede,” zegt Jakobszoon, “het is juist de avond, waarop ik uitga. Wij zullen een flesch drinken inDe Geschilderde Herberg.”

Doch Guy heeft niet veel lust, omDe Geschilderde Herbergte bezoeken, daar hij liever naar Antony Oliver gaat, en hij verontschuldigt zich dus, onder voorwendsel dat hij naar zijn schip moet terugkeeren.

“Zoo, gij wilt dus aan boord slapen?” zegt de jongste firmant.

“Waarschijnlijk wel,” antwoordt de kapitein, “totdat ik mijn schip veilig aan de kade heb liggen.”

“Nu, deEngelentorenis anders een zeer goede herberg en niet ver van hier,” zegt Jakobszoon. “Zij ligt ook in de buurt van uw schip.”

“Dank u, ik zal het onthouden,” en afscheid nemend van de twee heeren, die zeer in hun nopjes schijnen te zijn over de aankomst van hun schip en zich dientengevolge zeer gastvrij betoonen, staat Chester weldra voor het geschilderde uithangbord van den barbier.

Het is reeds avond, er brandt geen lamp in het voorhuis en hij wordt niet herkend door Touraine, die hem binnenlaat. Hij vliegt de trappen op en wordt, als hij aanklopt, tot zijn onuitsprekelijke vreugde,terstond binnengelaten door Oliver. En tot zijn even groote vreugde herkennen de scherpe oogen van den schilder hem niet. Antony is bezig aan zijn altaarstuk. De ondergaande zon schijnt door het venster en geeft leven en bezieling aan het gelaat en de goddelijke oogen van Hermoine de Alva. Met de haast van den minnaar gaat de Engelschman op het schilderij af. Op Oliver’s angstige opmerking: “Wat is er van uw dienst?” antwoordt hij niets, geheel verdiept als hij is in de beschouwing van zijn beminde!

“Wat is er van uw dienst, senor?”

“O—ja! Hebt gij den laatsten tijd dikwijls duivenpastei gegeten?” fluistert Chester ontwakend.

“Morbleu!” roept de Vlaamsche artist uit. “Kapitein—neen, majoor Guido Amati!”

“Nu niet,” zegt de ander kortaf, de deur sluitend, “maar Andrea Blanco, kapitein van een Spaansch koopvaardijschip met huiden, talk en Spaanschen wijn in cognossement aan Jakobszoon en Olins, zijn lading lossende aan de Engelsche kade.”

“Maar toch mijn Guido,” fluistert de schilder, en de levendige Fransche Vlaming slaat zijn armen om Guy’s hals en geeft hem naar ’s lands wijs twee hartelijke zoenen, op iedere wang één.

“Is uw factotum hier?” vraagt de Engelschman een weinig brusk, want hij is niet gesteld op zulk een teedere begroeting.

“O, ik heb Achille vandaag vrijaf gegeven. Hij is beneden bij zijn familie,” zegt Oliver. “Doch wat brengt u hier? Mademoiselle Hermoine?”

“Is zij hier—in Antwerpen?” roept Guy opgewonden uit, terwijl zijn hart onstuimig begint tekloppen en zijn oogen schitteren van verlangen.

“Neen, zij is gelukkig in Brussel.”

“Gelukkig?”

“Ja, omdat het u is aan te zien, dat gij alles zoudt trotseeren om haar te spreken te krijgen, en dat met vijf duizend kronen op uw hoofd.”

“Vijf duizend?”

“Ja—gij zijt onlangs in prijs gestegen. Alva heeft gehoord, hoe gij de Geuzen op hem hebt afgezonden met kruit en kogels, om zich met geweld te verschaffen, wat zij voor hun levensonderhoud noodig hebben. Geen proviand, geen water, maar overvloed van kruit, hè? Dat was een mooie poets, die ge hem hebt gespeeld. Doch koningin Elizabeth heeft u opnieuw vogelvrij verklaard en Alva heeft laten afkondigen, dat uw hoofd vijf duizend kronen waard is. Parbleu! wat haat hij u! Als hij eens wist—” en de schilder barst in lachen uit en vervolgt daarna ernstig:

“Wat is de reden, dat gij dit geduchte waagstuk opnieuw onderneemt, Guido?”

“Grendel de deur en luister,” fluistert de Engelschman. Als dit gedaan is, begint hij op halfluiden toon: “Bij mijn laatste bezoek hier maakte ik mij meester van de liefde van Alva’s dochter. Bij dit bezoek zal ik mij meester maken van al het goud, dat Alva door zijn tienden penning heeft bijeengebracht.”

“Diable! gij zijt dol!”

“Luister en oordeel of ik het ben,” en een stoel krijgend, vertelt Chester de vreemde geschiedenis van Paciotto’s biecht enpost-mortem-wraak op den dictator der Nederlanden.

Antony luistert vol aandacht naar zijn wonderbaarlijk verhaal en kan zoo nu en dan een uitroep van verbazing niet onderdrukken. Aan het einde gekomen, laat Guy de teekeningen van de sleutels zien en het plan van de onderaardsche gang onder het bastion, en zegt: “Gelooft gij het nu?”

“Ja,” antwoordt de schilder langzaam, “ik geloof u! Alva heeft zijn troepen in den waan gebracht, dat het standbeeld dienst doet als zijn schatkamer. Alva wist, dat Vlissingen het drie dagen zou uithouden, alvorens zich over te geven. Hij heeft dus Paciotto opzettelijk daarheen gezonden. Ik geloof u!”

“Dan,” zegt Guy, “krijgt gij een derde gedeelte van Alva’s geld, als gij het mij helpt buitmaken.”

“Van harte gaarne!” antwoordt Oliver vol vuur. “Mijn deel zal voor mijn vaderland bestemd zijn, niet voor mijzelven. Ik zal Alva beoorlogen met zijn eigen tienden penning. Maar gij hebt zeker honger.”

“Neen, ik heb aan boord gegeten.”

“Oho, verliefden hebben geen honger!”

“Zoo is het. Maar hoe gaat het haar? Gij zijt in Brussel geweest—hoe maakt zij het?”

“Ja, ik ben eerst twee dagen geleden weer thuis gekomen,” antwoordt de schilder zuchtend. “Ik wilde nog de laatste hand leggen aan mijn altaarstuk, eer ik ten strijde ga.”

“Gij ten strijde?”

“Ik moet. Kan ik, nu al de Nederlandsche gewesten naar de wapenen grijpen, rustig thuis blijven? En buitendien, mijn positie wordt met den dag gevaarlijker. Ik zal weldra moeten vluchten. Nom deDieu, het ging laatst bij het walletje langs,” vervolgt Oliver, “het was op den dag, toen de tijding kwam, dat de Watergeuzen den Briel hadden ingenomen.”

“Hoe? Waart gij in gevaar?”

“Oordeel zelf. Gij weet, dat deze belasting iedereen te gronde richt. De bakkers willen niet meer bakken, de slagers niet meer slachten, het volk wil geen handel meer drijven. Dit beviel Zijne Hoogheid Alva slecht; hij zond dus om zijn beul en beval hem, achttien stroppen en evenveel ladders van twaalf voet lengte te maken en de achttien voornaamste bakkers van Brussel in hun eigen deurpost op te knoopen, als een waarschuwend voorbeeld voor de anderen, om terstond met bakken te beginnen. Dienzelfden avond kwam het nieuws van de inneming van den Briel en redde hen, want die tijding bracht de hoofdstad in opschudding en Alva’s gedachten werden er zoo geheel door in beslag genomen, dat hij de bakkers vergat. ’s Morgens zond hij dadelijk om mij. ‘Oliver,’ zeide Zijne Hoogheid, ‘zoek mij den kerel, die dat heeft vervaardigd.’ En hij duwde mij een caricatuur van zichzelven, waarop hij gejaagd naar zijn bril zoekt, onder den neus, met het onderschrift:

‘Op den eersten van AprilVerloor duc d’Alf zijn bril.’

‘Op den eersten van AprilVerloor duc d’Alf zijn bril.’

‘Op den eersten van April

Verloor duc d’Alf zijn bril.’

‘Deze schandelijke en brutale caricatuur,’ vervolgde Zijne Hoogheid, ‘heeft men aangeplakt gevonden tegen mijn paleis. Gij moet den verwenschten kladschilder zoeken.’ ‘Hoe kan ik dat, Uwe Hoogheid?’ stamelde ik. ‘Dat kunt gij beter dan iemand anders. Gij zijt een kunstenaar,’ snauwde de Hertog.‘Ik laat mij hangen, als de schurk niet denzelfden stijl van teekenen heeft als gij. Hij moet onder denzelfden meester gewerkt hebben. Gij moet dien oproerling, dien kladschilder vinden!’ Zoo ging ik heen, doch mijn knieën knikten, want die schilder was ikzelf! Maar ik zit op gloeiende kolen, ik kan dat niet langer uithouden, ik ben van plan te gaan vechten—en misschien te sterven, maar als een man, met het zwaard in de vuist, niet als een misdadiger op de pijnbank.”

“En Dona Hermoine,” viel Guy hem in de rede, “wat zeide zij er van?”

“Waarvan?”

“Van het nieuws van de inneming van den Briel?”

“Ik geloof, dat zij daar in het geheel geen notitie van genomen heeft. Die jonge dame denkt aan niets anders dan aan raouts en feesten,” antwoordt de schilder, “en bemoeit zich niet met politiek. En dan heeft zij een vurigen aanbidder in generaal Noircarmes—”

“Alle duivels!—heeft zij mij vergeten?” buldert de Engelschman.

“Neen, ik denk eer, omdat zij veel aan u denkt.”

“Hoezoo?”

“Wel, de eerste weken, nadat gij weg waart, was zij altijd zeer opgeruimd; er was aan Alva’s hof geen tweede gelaat, dat zoo straalde, geen tweede paar oogen, dat zoo schitterde, niemand, die zooveel geest ten toon spreidde, en er zijn vele schoone vrouwen in Brussel. En toen—”

“Nu, wat toen?”

“Toen werd zij treurig en had blijkbaar verdriet.”

“Wat was de reden daarvan? Weet gij het niet?”

“Ja, ik vermoed het.”

“Wat dan?”

“Gij!”

“Ik?”

“Ja. Er kwam bericht uit Middelburg, dat uw gedrag veel te wenschen overliet, mijn jongen,” zegt Oliver, inwendig lachend.

“Mijn gedrag veel te wenschen overliet?”

“Zeer veel,” lacht Oliver. “Het rapport luidde, dat bij de ontvangst van zijn bevordering, majoor Guido Amati eenige dagen aan den rol ging en zich bezondigde aan allerlei uitspattingen.”

“Goede hemel! Die ellendige schurk!”

“Dat is hij,” stemt Oliver toe.

“Hij—hij zal mij nog in het verderf storten! Zij zal mij voor een ondankbaren ellendeling houden! Vervl....! dat mijn goede naam moet afhangen van dien dronkaard, dat verloopen sujet!” roept Guy woedend uit. “Wat zal ik doen? Geef mij raad, Oliver. Ik moet naar Middelburg en hem naar de andere wereld zenden, eer hij mij van alle hoop op geluk berooft.”

“Dat zou ik niet doen,” lacht Oliver, “want als gij majoor Guido Amati doodt, zal Hermoine de Alva in den rouw gaan.”

“In den rouw over hem?”

“Neen, over u. Als ik mij niet vergis, heeft zij u innig lief. Doch uw gedrag, mijn beste jongen, maakt haar diep ongelukkig.” En de schilder kan zich niet meer inhouden, maar barst in lachen uit en zegt op spottenden toon: “Diable, ik zie u al,boete doende voor de zonden van majoor Guido Amati aan de voeten van uw beminde! Kom, laten wij nu gaan soupeeren.”

“Ik kan niet eten. Lach mij niet uit.”

“Waarom niet? Als Hermoine zich het gedrag van den wilden majoor Guido Amati niet aantrok, dan was er reden, om uw eetlust te verliezen. Als Dona Hermoine de Alva ophoudt belang te stellen in het doen en laten van majoor Guido Amati, dan eerst is het tijd voor Guy Chester om wanhopig te worden.”

“Als gij de zaak van dien kant beschouwt, hebt gij gelijk, en ik zal dus maar met u gaan soupeeren,” antwoordt Guy, weer moed scheppend.

En het tweetal verlaat Oliver’s woning, niet om naar een der groote herbergen van Antwerpen te gaan, maar naar den dichtbijgelegenEngelentoren, waar hun niet veel bijzonders wordt voorgezet, ofschoon Guy nu eensklaps een goeden eetlust krijgt—ondanks de slechte keuken en den zuren wijn.

In Oliver’s woning teruggekeerd, gaan zij beraadslagen over de zaak, die Guy in de stad zijner vijanden heeft gebracht, en maken het volgende plan. Chester zal op de gewone wijze zijn schip gaan lossen, terwijl Oliver de noodige inlichtingen zal zien te verkrijgen en de sleutels zal laten maken.

“Het is niet raadzaam, ze alle drie bij denzelfden slotenmaker te laten vervaardigen. Ik zal een kopie van deze teekeningen maken, en wel van iederen sleutel op een afzonderlijk stuk papier. Gij bewaart de oorspronkelijke teekeningen. Ik breng de teekening van nº. 1 naar een slotenmaker, dien ikken, de teekening van nº. 2 naar een in een ander gedeelte der stad. Neen, het is nog beter, dat ik de twee andere sleutels elders laat maken, daar de verschillende slotenmakers in de stad er met elkaar over zouden kunnen spreken, want het zijn vreemde sleutels en zij zullen veel geld kosten.”

“Dat komt er niet op aan,” zegt Guy, “ik heb geld genoeg.”

Zij spreken dus af, dat een van de sleutels in Antwerpen, een in Mechelen en een in Brussel zal worden gemaakt. Antony zal ook onderzoek doen naar het huis bij de Esplanade en zien, of het er uitziet, zooals het beschreven is en of de oude doofstomme Spaansche vrouw er nog woont. “Ik vertrek onmiddellijk naar Brussel, om een der sleutels te laten maken en den tweeden geef ik in Mechelen,” zegt Oliver.

“Laat mij naar Brussel gaan,” zegt Guy levendig. “Gij hebt hier genoeg te doen.”

“En gij dan niet?—moet uw schip niet gelost worden? En buitendien,” antwoordt Antony, “is het niet om den sleutel, dat gij naar Brussel wenscht te gaan. Het is om Hermoine de Alva.” En hij vervolgt op ernstigen toon: “Laat zij doen wat zij wil, of denken wat zij wil, maar zoek haar in Godsnaam niet op, eer wij dit zaakje hebben opgeknapt. Als men argwaan tegen u opvat, is alles verloren. Vergeet, dat gij majoor Guido Amati de Medina zijt, een lichtzinnig soldaat en de minnaar van de dochter van den Onderkoning; wees enkel Andrea Blanco, een eenvoudig koopvaardij-kapitein, die alleen belang stelt in grog en chartergeld; begin morgen vroeg uw schip te lossen.”

“Vooruit dan maar,” zucht Guy, die moet erkennen, dat de raad van den schilder verstandig is, al is hij ook niet naar zijn smaak. “Ik zal terstond aan boord gaan.”

“Dat kunt gij niet. Gij moet vannacht bij mij blijven. De poorten zijn gesloten, en er is geen jonge dame bij de hand, om u het wachtwoord te geven of u een gouvernements-barge aan te bieden, om u veilig buiten Antwerpen te brengen!” lacht Oliver en voegt er ernstiger aan toe: “Tête Dieu! gij zijt toen den dans nog maar even ontsprongen. Het was bekend geworden, dat gij hier waart. Alleen Alva’s dochter kon u nog redden. Onthoud, dat Hermoine de Alva u, en misschien ook mij, dien nacht behoed heeft voor den brandstapel of de galg. En nu vijf duizend kronen op uw hoofd,”—de schilder zucht.

Maar ondanks deze sombere herinneringen, brengen de beide jonge mannen een genoeglijken avond door bij een flesch wijn in het atelier van den schilder, en spreken over Antony’s altaarstuk, dat zoo goed als af is. De mooie oogen van Hermoine de Alva kijken haar Engelschen minnaar aan, alsof zij hem opnieuw welkom heeten in de stad zijner vijanden—maar toch ook de stad zijner liefde.

HOOFDSTUK XII.“BRENG UW DOCHTER BUITEN ANTWERPEN.”Den volgenden morgen gaat ieder aan zijn werk.Chester is reeds vroegtijdig aan de kade, daar hij de een of andere onbescheidenheid zijner matrozen vreest, die niet bekend zijn met de manieren van een koopvaarder, en begint zijn lading te lossen met een spoed, die zijn geconsigneerden best aanstaat.Jan Olins komt persoonlijk aan boord om toezicht te houden en klopt Guy op den schouder, zeggende: “Wij zijn zeer over u tevreden,” vervolgens gaat hij in het ruim en onderzoekt zorgvuldig de geheele lading, tot groote verbazing van Guy, die geen koopvaardij-kapitein is, maar hij breekt er zich toch niet lang het hoofd mee, in de onderstelling, dat dit zoo de gewoonte van de kooplieden is.’s Middags ziet hij tot zijn verwondering Olins met Niklaas Bodé Volckers op het schip afkomen, en uit vrees, dat de vader van de schoone Mina, die hem eens gastvrijheid verleende, hem zal herkennen, neemt hij de vlucht in zijn hut en grendelt de deur.Gelukkig komen zij niet aan boord, zij kijkenenkel naar het schip, en gaan spoedig weer heen.Een oogenblik later wandelt Chester de stad in, om Oliver op te zoeken.Deze heeft hem het volgende mede te deelen:“Er bestaat een huis, zooals Paciotto heeft beschreven, een oud kavalje in een beruchte buurt. Het wordt bewoond door een doofstomme oude Spaansche vrouw, senora Sebastian geheeten, maar door de zeelieden, wien zij huisvesting verleent (haar huis is vlak bij de dokken), in de wandeling ‘de Stomme Duivelin’ genaamd, bekend wegens haar boosaardig karakter.”“Dat komt uit, ik wil er terstond eenige mijner manschappen heensturen, om ze er te laten logeeren,” zegt Guy.“Nog niet, niet voordat wij de sleutels hebben. Laat uw mannen haast maken met het lossen. De sleutel nº. 1 is reeds besteld. Nº. 3 breng ik morgen naar Brussel en ik laat nº. 2 onderweg te Mechelen. Zie intusschen zoo spoedig mogelijk uw lading aan wal te brengen.”“Hoe lang moet gij in Brussel blijven?”“Totdat de sleutel klaar is, waarschijnlijk vijf dagen,” antwoordt Oliver.“Zoo lang? Gij weet, dat spoed een eerste vereischte is. Ik zal zorgen, dat mijn schip tegen dien tijd gelost is.”“Het zal niet eerder gaan. De slotenmaker hier zegt, dat hij vier dagen noodig heeft. Dientengevolge duurt het vijf dagen eer ik uit Brussel met de andere terug ben. En buitendien,” zegt de schilder, “heb ik heden met een postduif een brief van Lodewijk van Nassau gekregen,die het noodig maakt, dat ik eenige inlichtingen tracht in te winnen in de hoofdstad. Alle steden in Holland, behalve Amsterdam, zijn opgestaan—en nu tracht Lodewijk van Nassau tegelijk een aanval in den rug te doen. Het zou een schande zijn, als al de Nederlanden naar de wapenen grepen en Bergen, mijn geboorteplaats, nog aan Alva’s zijde bleef.”“Meent gij, dat Antwerpen dus ook zal opstaan?”“Neen, noch Antwerpen, noch Brussel; het Spaansche garnizoen is in beide steden te sterk, doch het wordt van dag tot dag zwakker. Wat ik zeggen wilde, ik zag onzen vriend, den kleinen Busaco, dezen middag met zijn compagnie naar het Noorden trekken.”“Dan wordt voor Antwerpen de kans toch ook gunstig.””’t Mocht wat! Antwerpen denkt slechts aan zijn handel. Handel is de dood voor vaderlandsliefde. De burgers verlangen niets anders dan met rust gelaten te worden in het belang van hun handel. Maar geloof mij, deze stad zal meer lijden dan iedere andere stad in de Nederlanden. Antwerpen wil onzijdig blijven en zal dientengevolge van beide kanten worden aangevallen. Maar ik moet naar de familie Bodé Volckers.”“Ah! De schoone Wilhelmina!” lacht Guy. “Ik zou gaarne met u gaan, maar de losbol Guido Amati, verschijnende in de gedaante van Andrea Blanco, kapitein van een koopvaardijschip, zou Niklaas Bodé Volckers de oogen wel eens kunnen openen. Maar gij staat op heete kolen. Dus goedennacht en—vaarwel.”“Ja, ik moet Mina spreken. God weet, wat mij in Brussel kan overkomen. Ik moet echter ook voor u zorgen. Beloof mij, Guido,” en er klinkt angst uit zijn stem, “dat indien gij hier niet kunt slapen, gij tenminste iederen avond en iederen morgen zult komen, om te zien, of de postduiven bericht van mij hebben gebracht. Ik zal zes duiven meenemen. Gij weet, dat het schelletje het teeken geeft, als de duiven de til binnen zijn gevlogen. Zij kunnen u nog van dienst zijn voor uw veiligheid—voor uw leven, want God weet, hoe spoedig Alva’s wantrouwen tegen mij wordt opgewekt.”Zij nemen nu afscheid, na elkaar hartelijk de hand geschud te hebben.Den volgenden morgen verlaat de schilder de stad, Achille met zich nemend, om de zes duiven te dragen, en Guy haast zich met het lossen van het schip.Hij is daar drie dagen mee bezig en neemt alle mogelijke voorzorgsmaatregelen. Niemand mag het schip ’s nachts verlaten. Niemand mag een droppel sterken drank, wijn of bier drinken, want allen weten, dat hun leven gevaar loopt bij de minste onvoorzichtigheid, en de koelbloedigste huivert, als hij denkt aan den dood, die hem van Alva wacht. Zelfs Corker, die de onverschrokkenheid in persoon is, vertelt zijn commandant, dat hij zenuwachtig is en niet kan slapen.“Het heeft er veel van,” zegt de oude zeerob, “alsof iemand mij de keel dichtknijpt. Soms heb ik een gevoel, alsof ik zou stikken, en Bill Chucksin deed ons den vorigen nacht wakker schrikken door te schreeuwen: ‘In Godsnaam, verbrand mij nietlevend!’ Het heeft een slechte uitwerking op de equipage.”“Neen, een goede,” zegt Guy. “Ik heb opgemerkt, dat zij allen vandaag zeer voorzichtig zijn geweest.”Vervolgens wendt hij zich tot den bootsman en beveelt: “Zeg den jongens, dat zij, als ik slaag, ieder twee horloges mogen koopen, voor ieder horlogezakje één—wat voor de kooplui een fortuintje zal zijn. Schiet gij goed op met het lossen, José?”“Dat gaat best, senor capitan Blanco,” antwoordt de aangesprokene met een blik van verstandhouding. “Het ruim komt morgen vroeg geheel leeg, en dan moeten wij het dek nog schoonmaken. Daar komt een van uw geconsigneerden aan, senor capitan Blanco,” en met een paar Spaansche woorden verdwijnt de bootsman, want hij is er niet op gesteld, bezoekers te ontmoeten.Guy ontvangt met gefronste wenkbrauwen zijn geconsigneerde, die de loopplank overstapt. Het is de vierde dag, hij heeft niets van Oliver gehoord en hij maakt zich dus zeer ongerust.“Slaapt gij gewoonlijk aan boord?” vraagt Jan Olins, na de gebruikelijke begroeting, aan zijn kapitein.“Neen, aan land. Soms in de herberg, die gij mij hebt aanbevolen, en soms bij een vriend, een schilder.”“Welnu gij zult mij zeer verplichten, als gij vannacht aan boord wilt blijven. Gij kunt de stad niet verlaten, nadat de poorten gesloten zijn.”“Het is goed. Wat kan ik voor u doen?”“Ga met mij mee naar uw hut en ik zal het uzeggen,” antwoordt de Vlaming. En als zij de deur van de hut gesloten hebben, fluistert Olins: “Onder den dubbelen vloer van deze hut, hebt gij, zooals gij weet, twaalf kisten met goederen, die niet in de factuur zijn aangegeven.”Dit weet Guyniet, maar hij houdt zich alsof hij het weet.“Deze kisten moeten vanavond laat aan wal worden gebracht en niet naar ons pakhuis vervoerd, maar naar een plaats, die ik u zelf zal aanwijzen.”“Vanavond, als het donker is?”“Ja, laat in den avond. De maan gaat om tien uur onder. Elf uur is de geschiktste tijd. Zeg uw mannen, dat zij per hoofd twee gulden extra krijgen en gij het gewone tarief.”“Wat is het tarief voor smokkelen hier in de haven van Antwerpen?” vraagt Guy.“Stil! wij noemen dat zoo niet, wij noemen dat eenvoudig den tienden penning ontduiken,” antwoordt de koopman op halfluiden toon. “Gij krijgt honderd gulden voor uw deel in de zaak.”“Geef mij dan uw hand op die honderd gulden, mijn waarde heer,” antwoordt Guy, die wel weet, dat, als hij niet op het voorstel ingaat, men terstond zal merken dat hij geen koopvaardijkapitein is.“Zeer goed, die zaak is dus in orde,” fluistert Olins en slaat zijn hand in Guy’s uitgestrekte vingers, waarna hij weer aan land gaat.Als hij alleen is, begint Guy te lachen: “Ik wil toch weten, wat ik smokkel,” en een man van de daad zijnde, beurt hij terstond een plank in den vloer van zijn hut op en maakt een der kisten open.Als hij den inhoud heeft onderzocht en de kist weer secuur heeft weggeborgen, begint de Engelschman zacht te fluiten,—mijnheer Jan Olins is in zijn achting gerezen.Daarna begeeft hij zich naar Oliver’s atelier; hij komt onopgemerkt binnen, want de schilder heeft hem de sleutels gelaten, en trekt het gordijn weg van Antony’s altaarstuk om het gelaat te beschouwen van haar, die hij zoo vurig verlangt te zien. Doch nauwelijks vestigt hij zijn blikken op de schoone oogen van Madonna Hermoine, of het geklapwiek van vleugels boven hem, herinnert hem aan het eigenlijke doel van zijn komst.Hij klimt haastig naar boven en als hij de til onderzoekt, vindt hij er tot zijn verwondering alle zes duiven, doch zonder brieven.Op den terugweg naar het schip, houden zijn gedachten zich hiermee voortdurend bezig, en hij kan het niet anders verklaren, dan dat de vogels bij ongeluk moeten zijn ontsnapt en naar huis teruggevlogen.Dien avond brengt Guy, met behulp van Corker en eenige zijner matrozen, op persoonlijke aanwijzing van Jan Olins, de twaalf kisten, waarvoor geen belasting is betaald, in het geheim en ongehinderd naar een groot pakhuis.Alles gaat tot zoover goed, maar als zij het pakhuis verlaten, kijkt Guy bij toeval rond en ziet bij de lantaarn, die Olins draagt, om hen bij te lichten, den naam van Niklaas Bodé Volckers in groote letters boven den ingang en bemerkt nu ook diens zoon, Jakob, die blijkbaar op de goederenheeft staan wachten en in gesprek is met Jan Olins.“Zoo, zoo!” denkt de Engelschman. “Als ik Bodé Volckers eens mocht noodig hebben, dan heb ik hem dus in mijn macht, ofschoon ik nu nog niet weet, hoe hij mij zou kunnen helpen.”Daarna keeren zij behoedzaam naar deEsperanzaterug, onopgemerkt en ongehinderd, ofschoon de patrouille-booten op haar post zijn, maar de nacht is zeer donker en zoo worden zij niet gezien. Olins gaat mee aan boord, om daar te overnachten, daar hij niet voor het aanbreken van den dag de stad kan binnenkomen.Hij vertrekt den volgenden morgen vroeg, terwijl Chester nog slaapt, ofschoon wat onrustig wegens het leven, dat de matrozen maken, als zij het dek wasschen.Een oogenblik later ontwaakt Guy, om tot de ontdekking te komen, dat hij terstond de hulp van een inwoner van Antwerpen noodig heeft, om zijn leven te redden.“Er is een jongen aan boord gekomen, commandant. Hij zegt, dat hij een brief voor u heeft,” fluistert de bootsman hem in het oor, “daarom nam ik de vrijheid, u te wekken.”“Hm!”“Hij zegt, dat er haast bij is.”“Wat voor een jongen?”“Een Fransche.”“Achille!” en Chester, geheel wakker, springt op van zijn legerstede, en beveelt: “Zend hem terstond hier!”Het is Achille met een brief van Oliver.“Gij zijt kapitein Andrea Blanco?” vraagt de jongen.“Ja.”“Dan moet gij dit terstond lezen,” zegt de jongen en overhandigt hem het briefje, dat de sporen draagt van in groote haast te zijn geschreven. Het heeft geen adres, maar is van Oliver’s hand en luidt:“Vlucht! vlucht spoedig!—in Godsnaam!—Red uw leven en dat van den jongen, die u dit brengt. Hij is mijn leerling,—zij zullen hem op de pijnbank brengen. Het zwaard valt neer op mijn hoofd. Ik heb slechts tijd om te zeggen: God zegene u. Vaarwel.”“Wie gelastte u, mij dit te brengen?” vraagt Guy, met bevende lippen en doodsbleek gelaat.“Hij zeide mij—”“Hij!—Wie?”“Monsieur Oliver; hij zeide mij, dat ik een duif moest krijgen,” vertelt de jongen, “en ik ging naar het hok, en op de een of andere manier—want ik haastte mij—liet ik de deur open, en zij vlogen alle weg. Ik ging dadelijk naar hem toe, om het hem te vertellen.”“En hij?”“Ik denk, dat hij ziek was. Want hij schreeuwde: ‘Mon Dieu, wat hebt gij gedaan?’ En toen zeide hij: ‘Gij hebt de duiven laten vliegen, nu moet gij een brief wegbrengen—Miséricorde! mijn vriend!’ Daarna gaf hij mij geld voor een paard en beval mij, zoo hard te rijden als ik kon, om gisteravond vroeg genoeg hier te zijn, teneinde de stad binnen te komen, eer de poorten gesloten werden, en ditte geven aan kapitein Andrea Blanco op het schipEsperanza. En dan te doen, wat hij mij zou zeggen.”“Als dat zoo is, waarom zijt gij dan vannacht niet hier gekomen?” vraagt Guy op barschen toon.“De stalhouder had mij met het paard bedrogen, die verwenschte kerel!—het beest was kreupel en ik kwam zoodoende eerst aan de Keizerpoort, toen zij juist gesloten werd, en ik heb den geheelen nacht thuis moeten wachten, maar ik heb den brief hier gebracht, zoodra de poorten weer open waren. Doch gij zijt niet kapitein Andrea Blanco, gij zijt kapitein Guido Amati,” voegt Achille er aan toe, die Guy met nieuwsgierige blikken heeft aangekeken, al den tijd, dat hij in de hut was.“Beiden.”“Dat is zonderling.”“Breek er u het hoofd maar niet mee, of het zonderling is of niet,” zegt Chester op zulk een brusken toon, dat de Fransche jongen er geheel door overbluft is. “Ga zitten!”“Ik—ik zou liever naar huis gaan om te ontbijten,” brengt Achille zenuwachtig uit.“Blijf hier, gij kunt met mij ontbijten, doe slechts, wat ik u zeg. Dat is wat u meester u gelastte.”Achille durft niet anders dan gehoorzamen en dit wordt hem gemakkelijk gemaakt door een overvloedig ontbijt, dat hem wordt voorgezet; hij begint dan ook te eten, ofschoon Guy hem geen gezelschap houdt, want hij heeft al zijn denkkracht noodig, om te overleggen, wat hij zal doen.Hij zou alleen kunnen vluchten, maar hij wil zijnequipage niet blootstellen aan het gevaar, vermoord te worden. Hij wil haar niet in den steek laten, na haar eerst in den val te hebben gelokt. En dan die arme Fransche jongen, die zonder het te weten zijn leven heeft gewaagd, om hem te waarschuwen! Er is slechts één ding, dat hen allen kan redden, en dat is, te trachten met deEsperanzazoo spoedig mogelijk de open zee te bereiken. Hij heeft een geheelen nacht verloren door de kreupelheid van Achille’s paard, maar hij veronderstelt, dat men hem de eerste uren nog wel met rust zal laten. Brussel is dertig mijlen ver, en zelfs al heeft men bericht hierheen gezonden, dan duurt het nog eenigen tijd, eer de Spaansche spionnen er achter zijn gekomen, dat Andrea Blanco driemaal met Oliver den verrader in denEngelentorenheeft gegeten. Hij kan de eerste zes uren nog niets te vreezen hebben. Hij geeft zijn manschappen dus bevel, om de rest van de goederen zoo gauw mogelijk te lossen, verzoekt Achille, de hut niet te verlaten en gaat haastig naar het kantoor van zijn geconsigneerden, dat juist geopend wordt.Hij vraagt en krijgt een onderhoud met den oudsten firmant in diens particulier kantoor en zegt: “Ik ben met lossen klaar. Kunt gij mij geen cognossement geven voor ballast voor een andere plaats?”“Wat een dwaasheid!” antwoordt de welgedane Jakobszoon. “Waarom zouden wij u met ballast laten gaan, wanneer wij u goede lading kunnen bezorgen? Wacht hier totdat er lading te krijgen is.”“Gij moet mij een cognossement voor ballast geven.”“Waarom?”“Omdat de douanen op mijn schip loeren.”“Verwenscht! gij hebt gesmokkeld!” roept de koopman uit. “Als ge er u hebt ingewerkt met uw infame zeemanspractijken en ons daardoor ook hebt gecompromitteerd, dan kunt gij ook hier blijven en de gevolgen dragen, kapitein Blanco. Ik help u niet.”Dat antwoord is ontmoedigend. Het bewijst Chester, dat Jakobszoon niets weet van de twaalf kisten met goederen, die Olins in ontvangst heeft genomen.Guy verlaat het kantoor, doch blijft in de buurt wachten op Olins.Deze heer komt altijd vroeg aan het kantoor, zoo ook nu, niettegenstaande hij gisteravond laat naar bed is gegaan, en hij ontmoet hem bij de Wolstraat.“Ik moet u spreken, mijnheer Olins,” zegt hij.“Goed, ga mee naar het kantoor.”“Neen, alleen en niet op uw kantoor.”“Nu, dan in dit wijnhuis,” antwoordt Olins, Guy oplettend aankijkend, en gaat hem voor naar een wijnhuis, waar hij goed bekend schijnt te zijn, want hij krijgt dadelijk een afzonderlijke kamer.“Nu,” zegt hij, “is het soms om het geld voor die smokkelgeschiedenis, kapitein Blanco? Gij kunt het terstond krijgen, als uw bemanning ongeduldig is.”“Neen, ik wilde u vragen, mij aanstonds een cognossement voor ballast te geven, om uit de haven weg te komen.”“Onmogelijk!” roept Olins, en fluistert dan: “Waarom hebt gij dat noodig?”“Omdat men mij verdenkt te hebben gesmokkeld.”“Wat? Om die kisten met kant van gisteravond?” vraagt de Vlaming op halfluiden toon, terwijl zijn gelaat betrekt.“Het was geen kant,” zegt Chester kortaf.“O—o! Gij moet Antwerpen met den vloed verlaten,” fluistert Olins, terwijl hem het zweet aan alle kanten uitbreekt. “Doch waar zal ik u heenzenden?”“Geef mij papieren op Amsterdam.” Guy noemt de eerste de beste plaats, die hem invalt.“Dat is goed, gij zult ze hebben. Maar,” voegt de koopman er zenuwachtig aan toe, “zonder ladingspapieren zou het verdacht lijken!”“Ik zal u de ladingspapieren bezorgen,” roept Guy uit, terwijl hij plotseling op een idee komt.“Van wien?”“Van uwmede-patriot, Bodé Volckers.” Dit in zijn oor.“Groote God! Gij weet—”“Ja, haakbussen, in kant gepakt, dat is geen geldboete—maar de dood,” fluistert Guy. “Vul een order in voor lading op Amsterdam.”En Guy bewondert den koopman, terwijl hij dit schrijft,—want het handschrift van den patriot Jan Olins is zoo ferm en gelijkmatig, alsof het gedrukt was.“Zend de papieren terstond naar het douanekantoor,” fluistert Guy.Daarna begeeft hij zich haastig naar zijn schip en verdwijnt in zijn hut, om er eenige oogenblikken later weer uit te voorschijn te komen, niet als Andrea Blanco, koopvaardijkapitein, maar als Guido Amati, de beruchte Spaansche soldaat, want hij isvan meening, dat dit de beste vermomming is, om een onderhoud te hebben met den oud-burgemeester Bodé Volckers.Tot zijn teleurstelling hoort hij, als hij aan het pakhuis van Niklaas gekomen is, dat deze zich nog bevindt in zijn huis aan de Meir. Onderweg komt hij op het denkbeeld, dit zaakje op te knappen in de rol van verloopen sujet, in de hoop, zoodoende beter te slagen. Hij wil den schijn aannemen, alsof hij geld wil hebben als spion; hij wil goud vragen, maar ladingspapieren ontvangen.Om zijn leelijke rol goed te spelen, brengt hij zijn haren in wanorde en trekt zijn hoed in de oogen, en den schijn aannemend, alsof hij volslagen dronken was, vervolgt hij zijn weg naar het huis van Bodé Volckers en treedt dit binnen.Een aantal klerken zijn aan het werk, alles is druk bezig. Hij wordt ontvangen door een onderdanig buigenden klerk, die angstig vraagt naar zijn naam en naar hetgeen hij verlangt,—want deze bandelooze Spaansche soldaten bedachten zich tegenover de Vlaamsche burgers niet lang, om naar mes of sabel te grijpen. Als hij vraagt, om Bodé Volckers te spreken, wordt hij dadelijk in diens particulier kantoor gelaten.Hij gaat binnen, sluit, met goed nagebootste dronkemansgebaren, al hikkend, de deur en grendelt ze, terwijl de koopman met de grootste verbazing naar hem kijkt, misschien ook wel met vrees, want Guy’s verwilderde haren en woest rollende oogen geven hem het aanzien, alsof hij regelrecht van een drinkgelag komt.“Gij kent mij—gij kent mij—ik ben—ik ben majoor Guido A—Amati, v—an—Romero’s voetvolk,” begint de pseudo-doordraaier, zijn woorden door hikken afgebroken.“Ja, ik—ik heb de eer gehad u eens in mijn huis te zien, kapitein Amati!”“Majoor—majoorAmati de Medina!—vergeet niet het—de Medina.—Ga—ga zitten en—hik—teeken dit!” En Guy duwt den koopman in zijn stoel terug, waaruit hij half is opgestaan, en houdt hem het charterpapier onder den neus.“Wat—wat is dat?” stamelt Bodé Volckers.“Het is een charterbrief—van de firma Jakobszoon en Olins, voor capitan Andrea Blanco.—Gij kent capitan Andrea—Andrea Blanco?”—hij knikt hem veelbeteekenend toe,—“van het schipEsperanza?”“Ballast gecharterd?” roept Niklaas uit, wederom geheel koopman. “Wat dronken zottepraat is dat? Er zit immers geen geld in ballast.”“Geen ballast, maar een charter—ter begeleiding van twaalf kisten goed—die gisteravond in uw pakhuis—ongeveer twaalf uur—Begrepen,—Bodé Vol—Volckers?”En als aan deze woorden kracht wordt bijgezet, vat Bodé Volckers met schrik en ontzetting zijn bedoeling en stamelt: “Gij—gij beschuldigt mij van smokkelen; daar—daar staat slechts een boete op!”“Ja,—boete vanuw hoofd!”“Smokkelen van kant—boete van mijn hoofd—gij zijt dronken!” antwoordt de koopman, moed scheppende.“Smokkelen van haakbussen—gepakt in kant—in oorlogstijd—beteekent depijnbank.”“Groote God!” roept Niklaas uit, “haakbussen! Ik zou haakbussen—Die gemeene Olins!—haakbussen!” En deze woorden bewijzen Guy, dat Bodé Volckers geen patriot is, maar enkel een smokkelaar.“Juist—het—kost—u—uw hoofd,” hikt Guy. En hij vervolgt met een dronkemansblik:“Ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn aanstaande bankier—de man, die mij al het geld, dat ik voor het dobbelen noodig heb—hik—voortaan zal geven, naar de andere wereld werd geholpen. Begrepen—Bodé Volckers?”“Hoeveel geld verlangt gij? Ik ben—ik ben een arme man!”“Gij zult binnenkort nog wel armer worden! Begrepen—Bodé Volckers?” en hij kijkt hem met inhalige blikken aan.“Hoeveel verlangt gij?” smeekt de koopman.“Een slomp;—maar daar zullen wij later wel eens over spreken,” hikt Chester. “Teeken dit charter—maak eerst, dat het schip kan wegkomen, dan zullen wij een paar flesschen samen drinken en ik zal een verduiveld grooten wissel op u trekken.”“Gij bedriegt mij niet—gij zijt erzekervan, dat het haakbussen zijn?”“Roep de douanen—open ze en zie zelf!” roept Guy uit.Doch dat voorstel is geheel en al onaannemelijk. Bodé Volckers teekent met bevende hand het chartervan deEsperanzaom Antwerpen terstond te verlaten voor Amsterdam en andere havens.“Als gij uzelven lief hebt, Bodé Volckers—mijn beste bankier, Bodé Volckers—laat dan de goederen terstond aan boord brengen,” fluistert Guy, het charter wegbergend, “en—breng mij een flesch wijn.”“Ja, ik zal mijn orders oogenblikkelijk geven,” stamelt de koopman.Maar juist als hij dit zal doen, hoort men buiten het geraas van wielen, het klappen van een zweep en het getrappel van paarden, en een postsjees rijdt, klaarblijkelijk in groote haast, het binnenplein op.Een oogenblik later vergeet de Engelschman zijn voorgewende dronkenschap. Een gebiedende en toch liefelijke stem, een stem, die Guy’s hart sneller doet kloppen dan het gevaar van ontdekking, zelfs nog meer dan de verschrikking van den dood, zegt buiten de deur: “Dien bij uw meester aan Hermoine de Alva!”“Goede hemel! Alva’s dochter!” mompelt de burgemeester. “Zij moet u niet zien. Ga de achterdeur uit!”Doch Chester zou niet heengaan, al moest het hem ook het leven kosten.“Oho! jij bent me een mooie, Bodé Volckers! Dames,” hikt Guy, met een zwakke poging, om zijn rol vol te houden, “ik ga nooit voor dames loopen.”“Gauw!” fluistert de oude heer. “Gij moet blijven, totdat wij de zaak geregeld hebben en ik u orders voor de goederen heb gegeven”, en hij duwtChester haastig in een klein spreekkamertje naast het particulier kantoor, mompelend: “Een mooie geschiedenis—in handen van een verloopen sujet—een ellendigen dronkaard, een speler. Hoe red ik mij daar nog weer uit!”En Guy’s hart begint nog sneller te kloppen. In de deur van het kamertje is een klein luikje, dat in het kantoor uitkomt en waardoor men alles kan hooren, wat daar gebeurt. Het schijnt opzettelijk daarvoor te zijn gemaakt en gebruikt te worden, om meer voordeel van de klanten te kunnen behalen.De eerste woorden, die Guy uit de aangrenzende kamer hoort, doen hem schrikken. Want de liefelijke stem, die nu zeer ernstig klinkt, spreekt deze vreemde woorden: “Senor Bodé Volckers, ik ben zoo vlug, als ik kon, van Brussel komen rijden, om u den raad te geven, als gij uw dochter lief hebt,haar onverwijld buiten Antwerpen te brengen!”

Den volgenden morgen gaat ieder aan zijn werk.

Chester is reeds vroegtijdig aan de kade, daar hij de een of andere onbescheidenheid zijner matrozen vreest, die niet bekend zijn met de manieren van een koopvaarder, en begint zijn lading te lossen met een spoed, die zijn geconsigneerden best aanstaat.

Jan Olins komt persoonlijk aan boord om toezicht te houden en klopt Guy op den schouder, zeggende: “Wij zijn zeer over u tevreden,” vervolgens gaat hij in het ruim en onderzoekt zorgvuldig de geheele lading, tot groote verbazing van Guy, die geen koopvaardij-kapitein is, maar hij breekt er zich toch niet lang het hoofd mee, in de onderstelling, dat dit zoo de gewoonte van de kooplieden is.

’s Middags ziet hij tot zijn verwondering Olins met Niklaas Bodé Volckers op het schip afkomen, en uit vrees, dat de vader van de schoone Mina, die hem eens gastvrijheid verleende, hem zal herkennen, neemt hij de vlucht in zijn hut en grendelt de deur.

Gelukkig komen zij niet aan boord, zij kijkenenkel naar het schip, en gaan spoedig weer heen.

Een oogenblik later wandelt Chester de stad in, om Oliver op te zoeken.

Deze heeft hem het volgende mede te deelen:

“Er bestaat een huis, zooals Paciotto heeft beschreven, een oud kavalje in een beruchte buurt. Het wordt bewoond door een doofstomme oude Spaansche vrouw, senora Sebastian geheeten, maar door de zeelieden, wien zij huisvesting verleent (haar huis is vlak bij de dokken), in de wandeling ‘de Stomme Duivelin’ genaamd, bekend wegens haar boosaardig karakter.”

“Dat komt uit, ik wil er terstond eenige mijner manschappen heensturen, om ze er te laten logeeren,” zegt Guy.

“Nog niet, niet voordat wij de sleutels hebben. Laat uw mannen haast maken met het lossen. De sleutel nº. 1 is reeds besteld. Nº. 3 breng ik morgen naar Brussel en ik laat nº. 2 onderweg te Mechelen. Zie intusschen zoo spoedig mogelijk uw lading aan wal te brengen.”

“Hoe lang moet gij in Brussel blijven?”

“Totdat de sleutel klaar is, waarschijnlijk vijf dagen,” antwoordt Oliver.

“Zoo lang? Gij weet, dat spoed een eerste vereischte is. Ik zal zorgen, dat mijn schip tegen dien tijd gelost is.”

“Het zal niet eerder gaan. De slotenmaker hier zegt, dat hij vier dagen noodig heeft. Dientengevolge duurt het vijf dagen eer ik uit Brussel met de andere terug ben. En buitendien,” zegt de schilder, “heb ik heden met een postduif een brief van Lodewijk van Nassau gekregen,die het noodig maakt, dat ik eenige inlichtingen tracht in te winnen in de hoofdstad. Alle steden in Holland, behalve Amsterdam, zijn opgestaan—en nu tracht Lodewijk van Nassau tegelijk een aanval in den rug te doen. Het zou een schande zijn, als al de Nederlanden naar de wapenen grepen en Bergen, mijn geboorteplaats, nog aan Alva’s zijde bleef.”

“Meent gij, dat Antwerpen dus ook zal opstaan?”

“Neen, noch Antwerpen, noch Brussel; het Spaansche garnizoen is in beide steden te sterk, doch het wordt van dag tot dag zwakker. Wat ik zeggen wilde, ik zag onzen vriend, den kleinen Busaco, dezen middag met zijn compagnie naar het Noorden trekken.”

“Dan wordt voor Antwerpen de kans toch ook gunstig.”

”’t Mocht wat! Antwerpen denkt slechts aan zijn handel. Handel is de dood voor vaderlandsliefde. De burgers verlangen niets anders dan met rust gelaten te worden in het belang van hun handel. Maar geloof mij, deze stad zal meer lijden dan iedere andere stad in de Nederlanden. Antwerpen wil onzijdig blijven en zal dientengevolge van beide kanten worden aangevallen. Maar ik moet naar de familie Bodé Volckers.”

“Ah! De schoone Wilhelmina!” lacht Guy. “Ik zou gaarne met u gaan, maar de losbol Guido Amati, verschijnende in de gedaante van Andrea Blanco, kapitein van een koopvaardijschip, zou Niklaas Bodé Volckers de oogen wel eens kunnen openen. Maar gij staat op heete kolen. Dus goedennacht en—vaarwel.”

“Ja, ik moet Mina spreken. God weet, wat mij in Brussel kan overkomen. Ik moet echter ook voor u zorgen. Beloof mij, Guido,” en er klinkt angst uit zijn stem, “dat indien gij hier niet kunt slapen, gij tenminste iederen avond en iederen morgen zult komen, om te zien, of de postduiven bericht van mij hebben gebracht. Ik zal zes duiven meenemen. Gij weet, dat het schelletje het teeken geeft, als de duiven de til binnen zijn gevlogen. Zij kunnen u nog van dienst zijn voor uw veiligheid—voor uw leven, want God weet, hoe spoedig Alva’s wantrouwen tegen mij wordt opgewekt.”

Zij nemen nu afscheid, na elkaar hartelijk de hand geschud te hebben.

Den volgenden morgen verlaat de schilder de stad, Achille met zich nemend, om de zes duiven te dragen, en Guy haast zich met het lossen van het schip.

Hij is daar drie dagen mee bezig en neemt alle mogelijke voorzorgsmaatregelen. Niemand mag het schip ’s nachts verlaten. Niemand mag een droppel sterken drank, wijn of bier drinken, want allen weten, dat hun leven gevaar loopt bij de minste onvoorzichtigheid, en de koelbloedigste huivert, als hij denkt aan den dood, die hem van Alva wacht. Zelfs Corker, die de onverschrokkenheid in persoon is, vertelt zijn commandant, dat hij zenuwachtig is en niet kan slapen.

“Het heeft er veel van,” zegt de oude zeerob, “alsof iemand mij de keel dichtknijpt. Soms heb ik een gevoel, alsof ik zou stikken, en Bill Chucksin deed ons den vorigen nacht wakker schrikken door te schreeuwen: ‘In Godsnaam, verbrand mij nietlevend!’ Het heeft een slechte uitwerking op de equipage.”

“Neen, een goede,” zegt Guy. “Ik heb opgemerkt, dat zij allen vandaag zeer voorzichtig zijn geweest.”

Vervolgens wendt hij zich tot den bootsman en beveelt: “Zeg den jongens, dat zij, als ik slaag, ieder twee horloges mogen koopen, voor ieder horlogezakje één—wat voor de kooplui een fortuintje zal zijn. Schiet gij goed op met het lossen, José?”

“Dat gaat best, senor capitan Blanco,” antwoordt de aangesprokene met een blik van verstandhouding. “Het ruim komt morgen vroeg geheel leeg, en dan moeten wij het dek nog schoonmaken. Daar komt een van uw geconsigneerden aan, senor capitan Blanco,” en met een paar Spaansche woorden verdwijnt de bootsman, want hij is er niet op gesteld, bezoekers te ontmoeten.

Guy ontvangt met gefronste wenkbrauwen zijn geconsigneerde, die de loopplank overstapt. Het is de vierde dag, hij heeft niets van Oliver gehoord en hij maakt zich dus zeer ongerust.

“Slaapt gij gewoonlijk aan boord?” vraagt Jan Olins, na de gebruikelijke begroeting, aan zijn kapitein.

“Neen, aan land. Soms in de herberg, die gij mij hebt aanbevolen, en soms bij een vriend, een schilder.”

“Welnu gij zult mij zeer verplichten, als gij vannacht aan boord wilt blijven. Gij kunt de stad niet verlaten, nadat de poorten gesloten zijn.”

“Het is goed. Wat kan ik voor u doen?”

“Ga met mij mee naar uw hut en ik zal het uzeggen,” antwoordt de Vlaming. En als zij de deur van de hut gesloten hebben, fluistert Olins: “Onder den dubbelen vloer van deze hut, hebt gij, zooals gij weet, twaalf kisten met goederen, die niet in de factuur zijn aangegeven.”

Dit weet Guyniet, maar hij houdt zich alsof hij het weet.

“Deze kisten moeten vanavond laat aan wal worden gebracht en niet naar ons pakhuis vervoerd, maar naar een plaats, die ik u zelf zal aanwijzen.”

“Vanavond, als het donker is?”

“Ja, laat in den avond. De maan gaat om tien uur onder. Elf uur is de geschiktste tijd. Zeg uw mannen, dat zij per hoofd twee gulden extra krijgen en gij het gewone tarief.”

“Wat is het tarief voor smokkelen hier in de haven van Antwerpen?” vraagt Guy.

“Stil! wij noemen dat zoo niet, wij noemen dat eenvoudig den tienden penning ontduiken,” antwoordt de koopman op halfluiden toon. “Gij krijgt honderd gulden voor uw deel in de zaak.”

“Geef mij dan uw hand op die honderd gulden, mijn waarde heer,” antwoordt Guy, die wel weet, dat, als hij niet op het voorstel ingaat, men terstond zal merken dat hij geen koopvaardijkapitein is.

“Zeer goed, die zaak is dus in orde,” fluistert Olins en slaat zijn hand in Guy’s uitgestrekte vingers, waarna hij weer aan land gaat.

Als hij alleen is, begint Guy te lachen: “Ik wil toch weten, wat ik smokkel,” en een man van de daad zijnde, beurt hij terstond een plank in den vloer van zijn hut op en maakt een der kisten open.

Als hij den inhoud heeft onderzocht en de kist weer secuur heeft weggeborgen, begint de Engelschman zacht te fluiten,—mijnheer Jan Olins is in zijn achting gerezen.

Daarna begeeft hij zich naar Oliver’s atelier; hij komt onopgemerkt binnen, want de schilder heeft hem de sleutels gelaten, en trekt het gordijn weg van Antony’s altaarstuk om het gelaat te beschouwen van haar, die hij zoo vurig verlangt te zien. Doch nauwelijks vestigt hij zijn blikken op de schoone oogen van Madonna Hermoine, of het geklapwiek van vleugels boven hem, herinnert hem aan het eigenlijke doel van zijn komst.

Hij klimt haastig naar boven en als hij de til onderzoekt, vindt hij er tot zijn verwondering alle zes duiven, doch zonder brieven.

Op den terugweg naar het schip, houden zijn gedachten zich hiermee voortdurend bezig, en hij kan het niet anders verklaren, dan dat de vogels bij ongeluk moeten zijn ontsnapt en naar huis teruggevlogen.

Dien avond brengt Guy, met behulp van Corker en eenige zijner matrozen, op persoonlijke aanwijzing van Jan Olins, de twaalf kisten, waarvoor geen belasting is betaald, in het geheim en ongehinderd naar een groot pakhuis.

Alles gaat tot zoover goed, maar als zij het pakhuis verlaten, kijkt Guy bij toeval rond en ziet bij de lantaarn, die Olins draagt, om hen bij te lichten, den naam van Niklaas Bodé Volckers in groote letters boven den ingang en bemerkt nu ook diens zoon, Jakob, die blijkbaar op de goederenheeft staan wachten en in gesprek is met Jan Olins.

“Zoo, zoo!” denkt de Engelschman. “Als ik Bodé Volckers eens mocht noodig hebben, dan heb ik hem dus in mijn macht, ofschoon ik nu nog niet weet, hoe hij mij zou kunnen helpen.”

Daarna keeren zij behoedzaam naar deEsperanzaterug, onopgemerkt en ongehinderd, ofschoon de patrouille-booten op haar post zijn, maar de nacht is zeer donker en zoo worden zij niet gezien. Olins gaat mee aan boord, om daar te overnachten, daar hij niet voor het aanbreken van den dag de stad kan binnenkomen.

Hij vertrekt den volgenden morgen vroeg, terwijl Chester nog slaapt, ofschoon wat onrustig wegens het leven, dat de matrozen maken, als zij het dek wasschen.

Een oogenblik later ontwaakt Guy, om tot de ontdekking te komen, dat hij terstond de hulp van een inwoner van Antwerpen noodig heeft, om zijn leven te redden.

“Er is een jongen aan boord gekomen, commandant. Hij zegt, dat hij een brief voor u heeft,” fluistert de bootsman hem in het oor, “daarom nam ik de vrijheid, u te wekken.”

“Hm!”

“Hij zegt, dat er haast bij is.”

“Wat voor een jongen?”

“Een Fransche.”

“Achille!” en Chester, geheel wakker, springt op van zijn legerstede, en beveelt: “Zend hem terstond hier!”

Het is Achille met een brief van Oliver.

“Gij zijt kapitein Andrea Blanco?” vraagt de jongen.

“Ja.”

“Dan moet gij dit terstond lezen,” zegt de jongen en overhandigt hem het briefje, dat de sporen draagt van in groote haast te zijn geschreven. Het heeft geen adres, maar is van Oliver’s hand en luidt:

“Vlucht! vlucht spoedig!—in Godsnaam!—Red uw leven en dat van den jongen, die u dit brengt. Hij is mijn leerling,—zij zullen hem op de pijnbank brengen. Het zwaard valt neer op mijn hoofd. Ik heb slechts tijd om te zeggen: God zegene u. Vaarwel.”

“Wie gelastte u, mij dit te brengen?” vraagt Guy, met bevende lippen en doodsbleek gelaat.

“Hij zeide mij—”

“Hij!—Wie?”

“Monsieur Oliver; hij zeide mij, dat ik een duif moest krijgen,” vertelt de jongen, “en ik ging naar het hok, en op de een of andere manier—want ik haastte mij—liet ik de deur open, en zij vlogen alle weg. Ik ging dadelijk naar hem toe, om het hem te vertellen.”

“En hij?”

“Ik denk, dat hij ziek was. Want hij schreeuwde: ‘Mon Dieu, wat hebt gij gedaan?’ En toen zeide hij: ‘Gij hebt de duiven laten vliegen, nu moet gij een brief wegbrengen—Miséricorde! mijn vriend!’ Daarna gaf hij mij geld voor een paard en beval mij, zoo hard te rijden als ik kon, om gisteravond vroeg genoeg hier te zijn, teneinde de stad binnen te komen, eer de poorten gesloten werden, en ditte geven aan kapitein Andrea Blanco op het schipEsperanza. En dan te doen, wat hij mij zou zeggen.”

“Als dat zoo is, waarom zijt gij dan vannacht niet hier gekomen?” vraagt Guy op barschen toon.

“De stalhouder had mij met het paard bedrogen, die verwenschte kerel!—het beest was kreupel en ik kwam zoodoende eerst aan de Keizerpoort, toen zij juist gesloten werd, en ik heb den geheelen nacht thuis moeten wachten, maar ik heb den brief hier gebracht, zoodra de poorten weer open waren. Doch gij zijt niet kapitein Andrea Blanco, gij zijt kapitein Guido Amati,” voegt Achille er aan toe, die Guy met nieuwsgierige blikken heeft aangekeken, al den tijd, dat hij in de hut was.

“Beiden.”

“Dat is zonderling.”

“Breek er u het hoofd maar niet mee, of het zonderling is of niet,” zegt Chester op zulk een brusken toon, dat de Fransche jongen er geheel door overbluft is. “Ga zitten!”

“Ik—ik zou liever naar huis gaan om te ontbijten,” brengt Achille zenuwachtig uit.

“Blijf hier, gij kunt met mij ontbijten, doe slechts, wat ik u zeg. Dat is wat u meester u gelastte.”

Achille durft niet anders dan gehoorzamen en dit wordt hem gemakkelijk gemaakt door een overvloedig ontbijt, dat hem wordt voorgezet; hij begint dan ook te eten, ofschoon Guy hem geen gezelschap houdt, want hij heeft al zijn denkkracht noodig, om te overleggen, wat hij zal doen.

Hij zou alleen kunnen vluchten, maar hij wil zijnequipage niet blootstellen aan het gevaar, vermoord te worden. Hij wil haar niet in den steek laten, na haar eerst in den val te hebben gelokt. En dan die arme Fransche jongen, die zonder het te weten zijn leven heeft gewaagd, om hem te waarschuwen! Er is slechts één ding, dat hen allen kan redden, en dat is, te trachten met deEsperanzazoo spoedig mogelijk de open zee te bereiken. Hij heeft een geheelen nacht verloren door de kreupelheid van Achille’s paard, maar hij veronderstelt, dat men hem de eerste uren nog wel met rust zal laten. Brussel is dertig mijlen ver, en zelfs al heeft men bericht hierheen gezonden, dan duurt het nog eenigen tijd, eer de Spaansche spionnen er achter zijn gekomen, dat Andrea Blanco driemaal met Oliver den verrader in denEngelentorenheeft gegeten. Hij kan de eerste zes uren nog niets te vreezen hebben. Hij geeft zijn manschappen dus bevel, om de rest van de goederen zoo gauw mogelijk te lossen, verzoekt Achille, de hut niet te verlaten en gaat haastig naar het kantoor van zijn geconsigneerden, dat juist geopend wordt.

Hij vraagt en krijgt een onderhoud met den oudsten firmant in diens particulier kantoor en zegt: “Ik ben met lossen klaar. Kunt gij mij geen cognossement geven voor ballast voor een andere plaats?”

“Wat een dwaasheid!” antwoordt de welgedane Jakobszoon. “Waarom zouden wij u met ballast laten gaan, wanneer wij u goede lading kunnen bezorgen? Wacht hier totdat er lading te krijgen is.”

“Gij moet mij een cognossement voor ballast geven.”

“Waarom?”

“Omdat de douanen op mijn schip loeren.”

“Verwenscht! gij hebt gesmokkeld!” roept de koopman uit. “Als ge er u hebt ingewerkt met uw infame zeemanspractijken en ons daardoor ook hebt gecompromitteerd, dan kunt gij ook hier blijven en de gevolgen dragen, kapitein Blanco. Ik help u niet.”

Dat antwoord is ontmoedigend. Het bewijst Chester, dat Jakobszoon niets weet van de twaalf kisten met goederen, die Olins in ontvangst heeft genomen.

Guy verlaat het kantoor, doch blijft in de buurt wachten op Olins.

Deze heer komt altijd vroeg aan het kantoor, zoo ook nu, niettegenstaande hij gisteravond laat naar bed is gegaan, en hij ontmoet hem bij de Wolstraat.

“Ik moet u spreken, mijnheer Olins,” zegt hij.

“Goed, ga mee naar het kantoor.”

“Neen, alleen en niet op uw kantoor.”

“Nu, dan in dit wijnhuis,” antwoordt Olins, Guy oplettend aankijkend, en gaat hem voor naar een wijnhuis, waar hij goed bekend schijnt te zijn, want hij krijgt dadelijk een afzonderlijke kamer.

“Nu,” zegt hij, “is het soms om het geld voor die smokkelgeschiedenis, kapitein Blanco? Gij kunt het terstond krijgen, als uw bemanning ongeduldig is.”

“Neen, ik wilde u vragen, mij aanstonds een cognossement voor ballast te geven, om uit de haven weg te komen.”

“Onmogelijk!” roept Olins, en fluistert dan: “Waarom hebt gij dat noodig?”

“Omdat men mij verdenkt te hebben gesmokkeld.”

“Wat? Om die kisten met kant van gisteravond?” vraagt de Vlaming op halfluiden toon, terwijl zijn gelaat betrekt.

“Het was geen kant,” zegt Chester kortaf.

“O—o! Gij moet Antwerpen met den vloed verlaten,” fluistert Olins, terwijl hem het zweet aan alle kanten uitbreekt. “Doch waar zal ik u heenzenden?”

“Geef mij papieren op Amsterdam.” Guy noemt de eerste de beste plaats, die hem invalt.

“Dat is goed, gij zult ze hebben. Maar,” voegt de koopman er zenuwachtig aan toe, “zonder ladingspapieren zou het verdacht lijken!”

“Ik zal u de ladingspapieren bezorgen,” roept Guy uit, terwijl hij plotseling op een idee komt.

“Van wien?”

“Van uwmede-patriot, Bodé Volckers.” Dit in zijn oor.

“Groote God! Gij weet—”

“Ja, haakbussen, in kant gepakt, dat is geen geldboete—maar de dood,” fluistert Guy. “Vul een order in voor lading op Amsterdam.”

En Guy bewondert den koopman, terwijl hij dit schrijft,—want het handschrift van den patriot Jan Olins is zoo ferm en gelijkmatig, alsof het gedrukt was.

“Zend de papieren terstond naar het douanekantoor,” fluistert Guy.

Daarna begeeft hij zich haastig naar zijn schip en verdwijnt in zijn hut, om er eenige oogenblikken later weer uit te voorschijn te komen, niet als Andrea Blanco, koopvaardijkapitein, maar als Guido Amati, de beruchte Spaansche soldaat, want hij isvan meening, dat dit de beste vermomming is, om een onderhoud te hebben met den oud-burgemeester Bodé Volckers.

Tot zijn teleurstelling hoort hij, als hij aan het pakhuis van Niklaas gekomen is, dat deze zich nog bevindt in zijn huis aan de Meir. Onderweg komt hij op het denkbeeld, dit zaakje op te knappen in de rol van verloopen sujet, in de hoop, zoodoende beter te slagen. Hij wil den schijn aannemen, alsof hij geld wil hebben als spion; hij wil goud vragen, maar ladingspapieren ontvangen.

Om zijn leelijke rol goed te spelen, brengt hij zijn haren in wanorde en trekt zijn hoed in de oogen, en den schijn aannemend, alsof hij volslagen dronken was, vervolgt hij zijn weg naar het huis van Bodé Volckers en treedt dit binnen.

Een aantal klerken zijn aan het werk, alles is druk bezig. Hij wordt ontvangen door een onderdanig buigenden klerk, die angstig vraagt naar zijn naam en naar hetgeen hij verlangt,—want deze bandelooze Spaansche soldaten bedachten zich tegenover de Vlaamsche burgers niet lang, om naar mes of sabel te grijpen. Als hij vraagt, om Bodé Volckers te spreken, wordt hij dadelijk in diens particulier kantoor gelaten.

Hij gaat binnen, sluit, met goed nagebootste dronkemansgebaren, al hikkend, de deur en grendelt ze, terwijl de koopman met de grootste verbazing naar hem kijkt, misschien ook wel met vrees, want Guy’s verwilderde haren en woest rollende oogen geven hem het aanzien, alsof hij regelrecht van een drinkgelag komt.

“Gij kent mij—gij kent mij—ik ben—ik ben majoor Guido A—Amati, v—an—Romero’s voetvolk,” begint de pseudo-doordraaier, zijn woorden door hikken afgebroken.

“Ja, ik—ik heb de eer gehad u eens in mijn huis te zien, kapitein Amati!”

“Majoor—majoorAmati de Medina!—vergeet niet het—de Medina.—Ga—ga zitten en—hik—teeken dit!” En Guy duwt den koopman in zijn stoel terug, waaruit hij half is opgestaan, en houdt hem het charterpapier onder den neus.

“Wat—wat is dat?” stamelt Bodé Volckers.

“Het is een charterbrief—van de firma Jakobszoon en Olins, voor capitan Andrea Blanco.—Gij kent capitan Andrea—Andrea Blanco?”—hij knikt hem veelbeteekenend toe,—“van het schipEsperanza?”

“Ballast gecharterd?” roept Niklaas uit, wederom geheel koopman. “Wat dronken zottepraat is dat? Er zit immers geen geld in ballast.”

“Geen ballast, maar een charter—ter begeleiding van twaalf kisten goed—die gisteravond in uw pakhuis—ongeveer twaalf uur—Begrepen,—Bodé Vol—Volckers?”

En als aan deze woorden kracht wordt bijgezet, vat Bodé Volckers met schrik en ontzetting zijn bedoeling en stamelt: “Gij—gij beschuldigt mij van smokkelen; daar—daar staat slechts een boete op!”

“Ja,—boete vanuw hoofd!”

“Smokkelen van kant—boete van mijn hoofd—gij zijt dronken!” antwoordt de koopman, moed scheppende.

“Smokkelen van haakbussen—gepakt in kant—in oorlogstijd—beteekent depijnbank.”

“Groote God!” roept Niklaas uit, “haakbussen! Ik zou haakbussen—Die gemeene Olins!—haakbussen!” En deze woorden bewijzen Guy, dat Bodé Volckers geen patriot is, maar enkel een smokkelaar.

“Juist—het—kost—u—uw hoofd,” hikt Guy. En hij vervolgt met een dronkemansblik:

“Ik kon de gedachte niet verdragen, dat mijn aanstaande bankier—de man, die mij al het geld, dat ik voor het dobbelen noodig heb—hik—voortaan zal geven, naar de andere wereld werd geholpen. Begrepen—Bodé Volckers?”

“Hoeveel geld verlangt gij? Ik ben—ik ben een arme man!”

“Gij zult binnenkort nog wel armer worden! Begrepen—Bodé Volckers?” en hij kijkt hem met inhalige blikken aan.

“Hoeveel verlangt gij?” smeekt de koopman.

“Een slomp;—maar daar zullen wij later wel eens over spreken,” hikt Chester. “Teeken dit charter—maak eerst, dat het schip kan wegkomen, dan zullen wij een paar flesschen samen drinken en ik zal een verduiveld grooten wissel op u trekken.”

“Gij bedriegt mij niet—gij zijt erzekervan, dat het haakbussen zijn?”

“Roep de douanen—open ze en zie zelf!” roept Guy uit.

Doch dat voorstel is geheel en al onaannemelijk. Bodé Volckers teekent met bevende hand het chartervan deEsperanzaom Antwerpen terstond te verlaten voor Amsterdam en andere havens.

“Als gij uzelven lief hebt, Bodé Volckers—mijn beste bankier, Bodé Volckers—laat dan de goederen terstond aan boord brengen,” fluistert Guy, het charter wegbergend, “en—breng mij een flesch wijn.”

“Ja, ik zal mijn orders oogenblikkelijk geven,” stamelt de koopman.

Maar juist als hij dit zal doen, hoort men buiten het geraas van wielen, het klappen van een zweep en het getrappel van paarden, en een postsjees rijdt, klaarblijkelijk in groote haast, het binnenplein op.

Een oogenblik later vergeet de Engelschman zijn voorgewende dronkenschap. Een gebiedende en toch liefelijke stem, een stem, die Guy’s hart sneller doet kloppen dan het gevaar van ontdekking, zelfs nog meer dan de verschrikking van den dood, zegt buiten de deur: “Dien bij uw meester aan Hermoine de Alva!”

“Goede hemel! Alva’s dochter!” mompelt de burgemeester. “Zij moet u niet zien. Ga de achterdeur uit!”

Doch Chester zou niet heengaan, al moest het hem ook het leven kosten.

“Oho! jij bent me een mooie, Bodé Volckers! Dames,” hikt Guy, met een zwakke poging, om zijn rol vol te houden, “ik ga nooit voor dames loopen.”

“Gauw!” fluistert de oude heer. “Gij moet blijven, totdat wij de zaak geregeld hebben en ik u orders voor de goederen heb gegeven”, en hij duwtChester haastig in een klein spreekkamertje naast het particulier kantoor, mompelend: “Een mooie geschiedenis—in handen van een verloopen sujet—een ellendigen dronkaard, een speler. Hoe red ik mij daar nog weer uit!”

En Guy’s hart begint nog sneller te kloppen. In de deur van het kamertje is een klein luikje, dat in het kantoor uitkomt en waardoor men alles kan hooren, wat daar gebeurt. Het schijnt opzettelijk daarvoor te zijn gemaakt en gebruikt te worden, om meer voordeel van de klanten te kunnen behalen.

De eerste woorden, die Guy uit de aangrenzende kamer hoort, doen hem schrikken. Want de liefelijke stem, die nu zeer ernstig klinkt, spreekt deze vreemde woorden: “Senor Bodé Volckers, ik ben zoo vlug, als ik kon, van Brussel komen rijden, om u den raad te geven, als gij uw dochter lief hebt,haar onverwijld buiten Antwerpen te brengen!”


Back to IndexNext