HOOFDSTUK XIX.DE BRUIDSSCHAT VAN DE DOCHTER.Chester heeft ongelukkig maar heel weinig tijd, om zijn toebereidselen te treffen. Het rooven van Alva’s schat moet zoo vlug mogelijk in zijn werk gaan; bovendien wil hij zorgvuldig waken voor den goeden naam van deze vrouw, die hem door alles haar groote liefde bewijst.Daarom staat de Engelschman dan ook na een half uur, waarin het meisje hem menigen blik heeft gegund in haar liefelijk, rein gemoed, op, om heen te gaan; het kost hem een geweldige inspanning, maar hij is vast besloten, om haar te verlaten.“O, ga nog niet,” vleit Hermoine. “Gij zijt—gij zijt zoolang weg geweest.”“Maar ik kom morgen terug.”“Hoe laat?””’s Avonds.””’s Avonds? Ach! Dat duurt nog zoo vele seconden.”“Ik kan niet eerder komen, maar ik zal zoo vroeg mogelijk hier zijn.”“Waar houdt gij verblijf?”“Aan boord van het schip, dat mij hierheen bracht uit het Noorden, deEsperanza.”“DeEsperanza? Het fort Lillo is hier dichter bij.”“Op Lillo zou de bevelhebber misschien denken, dat ik reeds in staat was, weer dienst te doen. Ik zou mij naar zijn orders hebben te gedragen en niet meer vrij zijn om u te komen bezoeken wanneer ik wil.”“Ja, gij hebt gelijk. Mijn gewonde held, die den opzienbarenden marsch over de overstroomde landen maakte, heeft wel verdiend, om eenige maanden uit te rusten. Geheel Brabant, Vlaanderen en Spanje weerklonken van den roem van dien marsch.” En het meisje slaat haar armen om zijn hals en fluistert hem woorden van lof toe, die hem overgelukkig zouden maken, als hij niet wist, dat zij bestemd waren voor den dooden Guido Amati. En als zij ziet, dat hij bij zijn besluit volhardt, voegt zij er aan toe: “Als gij dan toch moet gaan, wil ik tenminste nog drie minuten langer van u profiteeren.”“Op welke manier?”“Door u naar uw boot te brengen.”En, haar hand door zijn arm gestoken, slenteren zij langs het smalle paadje, waar het hier en daar geheel donker is onder het dichte loof der populieren. Telkens als zij zulk een donker plekje bereiken, staan zij stil om afscheid te nemen—en hoe meer zij de boot naderen, hoe meer tijd ieder afscheid vergt, zoodat het lang duurt, eer zij het laatste donkere plekje bereikt hebben, en daar staan zij stil en luisteren naar de stemmen der matrozen, die huntegenklinken van de landingsplaats. De mannen zijn zeer vroolijk en doen zich te goed aan den wijn en de eetwaren, die zij hebben meegebracht. En eensklaps slaat het meisje haar armen om den verloren gewaande en fluistert opgewonden: “O, mijn Guido, dat wij toch nooit weer behoefden te scheiden!”“Die tijd is zeer nabij.”“Nabij? En Papa weet nog van niets!”“Toch is die tijd zeer nabij. Ik zweer het bijdit!” En Chester springt, Hermoine met gloeiende wangen achterlatend, de trap aan de landingsplaats af met het vaste besluit, om zijn woorden tot waarheid te maken.Vreemd genoeg gaat zijn boot de Schelde niet op, maar juist naar den anderen kant en bereikt na twee uren met veel moeite, daar het tij tegen is, deDover Lass, waar Chester in zijn verliefde bezorgdheid in zijn hut een lange beraadslaging houdt met Dalton.Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de groote sloep wordt uitgezet, geheel bewapend en uitgerust, en dat hij dien nacht en den volgenden de wacht houdt op de Schelde vlak tegenover Dona Hermoine’s landhuis, om den slaap van Alva’s dochter te bewaken. Want Chester heeft niet zooveel vertrouwen als zijn beminde in de afwezigheid van stroopende Geuzen en is vast besloten, dat geen andere zeeroover zijn schat zal wegvoeren.Geholpen door het tij, stevent Guy’s schip de Schelde op, en hij bereikt de Antwerpsche dokken vroeg genoeg, om een paar uren slaap voor het aanbreken van den dag te genieten. Bij het gloren van den ochtend is hij weer op.Als hij zijn orders aan Martin Corker geeft, die in last heeft het lossen van de carga, voornamelijk bestaande uit zijde, te bespoedigen, geeft deze hem een antwoord, dat hem met verbazing vervult.“Wij hebben geen handen genoeg meer om het vlug te doen,” moppert de bootsman.“Hoezoo? Gij hebt toch dertig man!”“Dertig gisteren—maar Bodé Volckers, wien gij mij hebt gelast te gehoorzamen, kwam hier gisteravond voor zonsondergang en nam twaalf man met hun plunje en beddegoed mee, om in de stad te slapen.”“Het is goed,” antwoordt de kapitein, doch begeeft zich haastig naar het huis van den burgemeester, om hem naar de reden van zijn handelwijze te vragen.Het gelukt hem met Bodé Volckers onmiddellijk een onderhoud te krijgen, daar deze reeds op zijn kantoor is, en daar verneemt hij, dat de koopman dit zaakje van schat-stelen heeft aangepakt op een echte koopmansmanier.“Wij hebben al een begin gemaakt,” zegt Niklaas. “Laat nu alles maar aan mij over. Het is beter, dat gij niet veel in de zaak wordt gemoeid. Ik ben gemakkelijk genoeg te weten gekomen van werklieden aan de dokken, dat de oude senora Sebastian, die ‘de Stomme Duivelin’ wordt genoemd, tengevolge van haar boos humeur en omdat zij het vermogen mist, dit met haar tong te uiten,—een herberg voor zeelieden houdt en haar tijd verdeelt tusschen rumdrinken en slapen. Zij heeft echter niet veel meer te doen, daar het verkeer in de haven veel minder is geworden sinds dien vervloekten tienden penning.”“Ja,” antwoordt Guy, “de dokken zijn niet half zoo vol schepen. Maar wat heeft dit met onze zaak te maken?”“Dit: als er weinig schepen zijn, zijn er ook weinig matrozen, en ‘de Stomme Duivelin’ had er den vorigen nacht maar twee, een Noor en een Franschman. Nu heeft zij er veertien, twaalf van uw schip, die nu de meerderheid uitmaken en hun bagage en hun stroozakken hebben meegenomen.”“Wat is uw plan?”“Wij maken den Noor en den Franschman dronken—stomdronken; brengen hen dronken naar een van mijn schepen, en morgen vroeg ontwaken zij in open zee, buiten de Schelde, op weg naar het andere einde der wereld. Dan maken wij ‘de Stomme Duivelin’ ook dronken en bewusteloos; laten de twee ledige slaapplaatsen door nog twee van uw matrozen innemen—gij hebt immers vertrouwde lieden?”“Zeker. Zij weten, dat hun leven afhangt van hun voorzichtigheid.”“Daarna kunnen er geen logeergasten meer in het huis worden opgenomen, omdat er geen plaats meer is, en wij hebben er eenige uren de vrije beschikking over; gedurende dien tijd kunnen wij onderzoeken, of niets ons meer in den weg staat, om ons van Alva’s schat meester te maken. Vervolgens kunnen uw matrozen het geld overdag wegbrengen in hun bedden—zij vullen daartoe de stroozakken met dubloenen, in plaats van met stroo—en worden vervangen door nieuwe matrozen, die eveneens hun bedden medebrengen.”“Dat is een goed plan,” antwoordt Guy, nadenkend, “een beter zou ik niet weten. Er dreigt echter misschien nog een gevaar. Wordt het huis bewaakt door een van Alva’s agenten?”“Daar heb ik onderzoek naar gedaan, en ik meen te weten, dat niemand, die in betrekking staat tot Alva en het Spaansche gouvernement, ooit in de buurt van het huis is geweest, sinds het verhuurd is aan senora Sebastian. Maar,” voegt de koopman er aan toe, het hoofd schuddend, “daarop ben ik toch volstrekt niet gerust! Denkt gij, dat zulk een sluw man geen voorzorgen zou nemen, om zich voortdurend op de hoogte te stellen van de veiligheid van zijn schat? Let op mijn woorden, er is iets in Alva’s standbeeld, waarvan wij niets weten.”“Als gij bang zijt het waagstuk te beproeven, ik niet,” zegt Guy op vastbesloten toon. “Laat het dan maar aan mij over.”“Nu, misschien is het ook beter, dat gij er het eerst ingaat,” antwoordt Bodé Volckers. “Gij hebt het grootste belang bij de zaak. En als het tot vechten mocht komen, dan hebt gij duizend kansen tegen ik geen enkele.”Zoo wordt het dus afgesproken, en Bodé Volckers kwijt zich met grooten ijver van zijn taak. Vier uur later zijn de Noor en de Franschman dronken; den volgenden morgen worden zij wakker, zwalkend op den oceaan, aan boord van een schip naar Indië, een reis, die drie jaren zal duren. Als het duister wordt, gaat de koopman naar Chester, die in zijn kantoor heeft zitten wachten en fluistert:“‘De Stomme Duivelin’ is stomdronken; sla nu uw slag.”“Wijs mij den weg.” En Guy neemt Corker mede en wordt door Niklaas gebracht in een straat dicht bij de Esplanade, waar te midden van andere bouwvallige en vuile woningen het huis van senora Sebastian staat. Een van Guy’s matrozen laat hen binnen, daar de koopman hem niet verder heeft durven vergezellen dan tot aan de deur.“Waar is de meesteres van het huis?”“Stomdronken boven, commandant,” fluistert de man. “Een uur geleden tierde zij nog, maar nu zal zij den geheelen nacht wel snorken,—zij is stom maar snorkt toch als Neptunus.”Chester overtuigt zich hiervan, en een rumflesch onder haar bereik leggende, om te zorgen, dat als zij mocht wakker worden, zij hen toch niet zal storen, komt hij weer haastig naar beneden en roept uit: “Aan het werk!”En Guy en Corker gaan den kelder in en aan den arbeid bij het licht van een flikkerende olielamp.Tot groote vreugde van Chester, vindt hij, nadat hij de vier zware steenen in het midden heeft opgenomen, een luik, met een ring om het op te trekken in het midden. Het is echter niet te bewegen, en bezwijkt niet voor hun vereende krachten, voordat zij een ijzeren bout hebben gebruikt. Na een haastig onderzoek komen zij tot het besluit, dat het klaarblijkelijk gedurende twee of drie jaren niet van de plaats is geweest en dat de tijd het er zoo vast in heeft gemetseld. Als zij er eindelijk in zijn geslaagd, het op te lichten, zien zij een nauwe schacht voor zich met een ladder, die naar beneden leidt.De schacht is nauwelijks tien voet diep, en als zijde flikkerende lantaarn omlaag houden, ontdekken zij een gang, die in de juiste richting leidt.“Houd gij,” fluistert Guy tot Corker, “nu hier de wacht. Indien gij wordt aangevallen, verdedig u dan zoo goed als gij kunt, en waarschuw en red mij als het mogelijk is. Zoo niet, blijf dan waar gij zijt.”“Het was beter, dat gij mij met u mee liet gaan, commandant!”“Neen, ik wil mijn eigen leven eerst wagen. Ik heb de teekeningen, ik heb het licht, ik heb de sleutels.”Terwijl hij de lantaarn eerst tot op den bodem houdt, om er zich van te overtuigen, dat er in de gang geen bedorven lucht is, die hem zou kunnen doen stikken, daalt Chester omlaag en vindt een geplaveide gang, nauwelijks breed genoeg voor twee menschen om elkaar voorbij te gaan, met een gewelfde zoldering. Hij loopt de gang ten einde, volkomen kalm van hoofd, al klopt zijn hart ook iets sneller.Na tweehonderd voet stuit hij op de eerste ijzeren deuren. Deze zijn buitengewoon sterk en zouden voor niets bezwijken, behalve voor een ontploffing. Hij leest de verklaring van het gebruik der sleutels nog eens na bij het licht van de lantaarn, ofschoon hij ze reeds uit het hoofd kent, daarna smeert hij den eersten sleutel in met de fijnste olijvenolie en steekt hem in het slot.De sloten zijn blijkbaar in goeden staat en verzekerd tegen vocht en roest. De sleutel draait met gemak rond. Daarna wordt de tweede geprobeerd—weer springt de schoot terug—daarna de derde, eveneens met goeden uitslag. Als hij den laatstensleutel er uittrekt, ziet Chester, hoe bewonderenswaardig het mechanisme van den Italiaan is, want de twee zware ijzeren deuren zouden bij de aanraking van een kind op hun hengsels draaien.Tot zoover heeft Paciotto hem de waarheid verteld.Hij gaat nu met meer vertrouwen verder. Het tweede paar deuren is onder de gracht, zooals hij kan hooren aan het klotsen van het water boven hem. Zij worden met hetzelfde gemak geopend door den talisman, dien Guy in zijn bezit heeft, zoodat de machinerie zichtbaar wordt, waarvan de ingenieur heeft gesproken, en waarvan hij de teekening in zijn hand houdt, namelijk die, welke de vleugeldeuren reguleert, en die hem zullen doen omkomen door het water van de gracht, als Alva’s standbeeld wordt vernield.Terwijl hij de aanwijzingen op het papier volgt, neemt hij zijn maatregelen om dit te beletten door de verbinding met de gracht af te sluiten, en brengt, teneinde de zaak dubbel veilig te maken, de dubbele deuren weer op haar plaats.Daarna gaat hij verder naar het derde paar deuren. Dit moet hem den toegang tot Alva’s schatkamer verschaffen. Zijn hart bonst, terwijl hij de sleutels nauwkeurig naar volgorde gebruikt—bijna aarzelend, alsof hij bang was voor hetgeen hij daarbinnen zal zien.Eindelijk springen de schooten driemaal terug, hij duwt de deur open en de lantaarn omhoog houdend, wil hij verder gaan, maar hij struikelt plotseling, hij hoort een rinkelend geluid en valt neer te midden van zakken met goud, en zijn lantaarn opheffend, roept hij uit: “Bij den hemel, wat een aanblik vooreen gierigaard!” en daarbij lacht hij, doch zeer zacht, alsof hij vreesde, dat het solide metselwerk van twintig voet dik en het groote bastion van den Hertog, dat zich er boven bevindt, van vloeipapier zijn en alles zullen doorlaten, zelfs een zucht.Zich herstellend, overziet hij vlug den schat en meent hem op minstens vier of vijf millioen te mogen schatten.Daarna gaat hij naar Corker terug, die hem ontvangt met: “Gij zijt niet geslaagd?”“Zeker, alles is in orde. Haal de manschappen.” Hij neemt ze met zich mede en maakt een berekening van den schat; er zijn, voor zoover hij kan zien—hij moge een kleine vergissing begaan—omstreeks honderd negen en zeventig zakken met goud, alle gestempeld met Alva’s wapen, en blijkens het strookje, dat er aan bevestigd is, inhoudende twintig duizend kronen, en ongeveer vierhonderd duizend Spaansche zilveren dollars in ongeveer tweehonderd vijftig zakken. Buitendien is er een sterke kist, die Chester niet opent, maar waarvan hij vermoedt, dat zij juweelen en andere kostbare steenen bevat.Corker als bewaker achterlatend, beveelt hij de mannen, ieder zooveel zakken als zij kunnen in den kelder te dragen en met dit werk voort te gaan, totdat hij terugkomt. Hij zet vier zwaar gewapende mannen bij den ingang op post, om het huis voor een plotselingen aanval te beschermen.En daarna gaat hij met haastigen tred door de duistere straten naar het kantoor van Bodé Volckers die hem ontvangt met—want Chester is niet lang bezig geweest: “Geen succes—wel?—alles gekkenpraat?”“Gekkenpraat,—die vijf millioen waard is!”“Hel en duivel! Vijf millioen! God zegene u, mijn brave jongen. Laat ons er dan aanstonds beslag op gaan leggen.”“Neen, niemand heeft ons gestoord,” spot Guy. “Daarom juist is het gevaarlijk, Bodé Volckers.”Bodé Volckers is er nu evenmin van terug te houden, Alva’s schat te gaan zien, als men hem vroeger daartoe zou hebben kunnen overhalen; en hij gaat met Guy naar het huis van “de Stomme Duivelin”.Hier gekomen, zegt hij: “Laat nu alles aan mij over. Ik zal het er wel uit krijgen; iedere dollar zal u worden voorgeteld, op mijn eer van koopman.” Waarop Chester antwoordt: “Dat zou mij voldoende waarborg zijn, maar volgens de manier van ons vrijbuiters, heb ik Corker gelast, elken zak te schatten en elk muntstuk op deEsperanzate brengen. Wij zullen in Vlissingen deelen. Maar gij moet het er uit laten halen. Gij zijt beter voor dat werk geschikt dan ik.”En dat is ook zoo, want Bodé Volckers is met hart en ziel bij het werk, terwijl Guy’s gedachten meer in Sandvliet zijn, bij Alva’s dochter.Zoo wordt de zaak dus geschikt; de matrozen zullen ’s nachts al het goud in den kelder dragen, daarna zullen de ijzeren deuren weer gesloten worden en overdag zal Bodé Volckers den schat in de bedden van de matrozen aan boord brengen. Als koopman kan hij dit gemakkelijk doen zonder argwaan te wekken. Den volgenden nacht zal een ander gedeelte der matrozen het zilver uit het gewelf naarden kelder brengen en het overdag op dezelfde wijze vervoeren, alsmede de kist met juweelen.“Als wij het goud hebben ingepalmd, zal het voornaamste van den buit wel binnen zijn,” zegt Bodé Volckers. “Onderwijl zal ik carga in deEsperanzabrengen, om het schip in staat te stellen, Antwerpen weer te verlaten.”“Gij zijt op alles verdacht,” zegt Guy. En hij beveelt Corker, het goud, als het aan boord komt, te bergen onder de hut, daar waar de gesmokkelde haakbussen verstopt zijn geweest, op hun vorige reis naar Antwerpen. Maar op zijn horloge ziende, mompelt hij verschrikt: “Hemel, het is al acht uur! Nu zijn de poorten gesloten, en kan ik niet meer voldoen aan mijn afspraak.”“Ah! Te Sandvliet?” grinnikt de koopman.“Ja.”“Dat dacht ik al. Maar ik kan u nu door de poorten brengen. Zij worden niet meer bewaakt door de Spaansche troepen. Onze burgerwacht doet nu dienst. Luitenant Karloo aan de hoofdpoort is een vriend van mij. Ik zal u bij hem brengen.”Zoo ondervindt Guy weinig belemmering, als Bodé Volckers doorgang voor hem vraagt. Het Spaansche garnizoen is wegens den oorlog in Holland langzamerhand zóó verminderd, dat het nog enkel voldoende is, om de Citadel zelf te bewaken.Chester merkt dit alles met genoegen op en hij begrijpt, dat het hem nu gemakkelijker zal vallen, het goud door de poorten te brengen en in zijn schip te laden, daar er onder de burgerwacht niet die discipline heerscht als onder Alva’s veteranen. Enmet een verruimd hart zeilt Chester nu opnieuw naar Sandvliet, bij zichzelven overleggend: “Nu ik in het bezit ben van haar bruidsschat, is het oogenblik gekomen, om Dona Hermoine zelve tot de mijne te maken!”HOOFDSTUK XX.“PAPA KOMT! NU ZAL IK HET DOEN!”“Het is al over tienen—maar beter laat dan nooit,” denkt Guy, als hij uit de boot springt, de trap opvliegt en met haastige schreden het smalle pad naar Sandvliet opsnelt. “Drommels! Zij is nog niet naar bed gegaan,” lacht hij, ziende, dat de vertrekken, waarin Hermoine hem gisteren heeft ontvangen, nog helder verlicht zijn. Hij laat den koperen klopper op de deur vallen.Deze wordt terstond geopend door Alida, die reeds op hem schijnt te wachten. Zij fluistert haastig: “Excellentissima wacht u.”“Is zij alleen?”“Ja, senor coronel.”Chester licht de draperieën van de deur op, en een blik slaande in het vertrek, geraakt hij geheel en al in verrukking over het schoone tooneel, dat zich aan zijn oogen vertoont.De kamer is verlicht door hanglampen, gevuld met welriekende olie, en versierd met bloemen van Venetiaansch glas, doch te midden van die prachtstaat met een pruilend mondje de godin van dit feeënverblijf. Zij is gekleed in een licht gazen avondtoilet van het bleekste amber. De golvende souple stof omgeeft haar als een wolk, waaruit haar ronde armen, haar fraaie hals en schouders te voorschijn komen—blinkende in het stralende licht als een lichte zomerwolk, die even gekleurd is door de zonnestralen. Op haar sierlijken hals rust een even schoon gelaat, omlijst door het zachte en golvende zwarte haar, getooid met bloemen, en in het gelaat schitteren twee verontwaardigde oogen. Zóó staat zij daar, als een fee in een sprookje.Zij is, zooals het schijnt, geducht uit haar humeur, want een klein voetje, dat onder haar rok van Mechelsche kant komt uitgluren, trappelt ongeduldig op den vloer, en haar oogen, ofschoon zij toornig vlammen, staan vol tranen als Guy binnenkomt. Maar in het volgende oogenblik komt er een uitdrukking van geluk over haar gelaat en is zij aan zijn zijde, om hem een welkom toe te fluisteren. “Ik dacht, dat gij nooit zoudt komen. Gij scheent geen groot verlangen naar mij te hebben!”“Ik werd opgehouden door zaken.”“Zaken? Welke zaken heeft een luierende dandy?” en Dona Hermoine steekt haar neusje in de lucht.“Ja, door zaken, namelijk om mijn vermogen in zulk een staat te brengen, dat ik er flink mee voor den dag kan komen bij uw vader, als ik hem om uw hand vraag,” antwoordt Guy, voor een enkelen keer de waarheid sprekend.“O, daaraan hadt gij niet behoeven te denken,” roept het meisje uit, “ik heb geld genoeg voor onsbeiden. Denkt gij misschien, dat ik u om uw geld trouw, Guido, als ik vorstelijke bezittingen in Italië heb, die alle de uwe zullen worden, mijn meester en heer?” En zij maakt een buiging voor hem en vleit: “Gij hebt mij nog maar eens gekust!”“Hoe kan ik anders, als gij uw neus in de lucht steekt?”“Dat bracht mijn lippen nader tot de uwe,” lacht zij.Doch het verdere gedeelte van den avond heeft zij geen reden, om zich opnieuw over zijn verwaarloozing te beklagen; want Guy is geheel en al betooverd door haar schoonheid, die hem heerlijker dan ooit toeschijnt, en hij drinkt haar in, zooals een man den zwaren wijn drinkt, die hem het hoofd doet verliezen.“Gij hebt toilet gemaakt als voor een feest,” fluistert hij in het rose oortje, dat dicht bij hem is.“Doch enkel voor u; gij herinnert u, mijn heer, dat gij mij hebt bevolen, geen gasten uit te noodigen.”“En gij hebt mij gehoorzaamd?”“Ja—wordt gij dan niet mijn heer?”“Gij zoudt mij dus evengoed gehoorzamen als een vader?” lacht Chester.“O, veel beter! Papa zegt, dat ik zijn tyran ben en de ware viceroy der Nederlanden, doch dat is niet waar,” zegt het meisje met overtuiging; daarna zucht zij: “Als dat zoo was, was dit land een ander,”—en daarna roept zij op haar ouden toon uit: “Maar laten wij daarvan niet spreken, verjaag uit mijn gedachten wat mij zoovele tranen heeftveroorzaakt. Laat mij er slechts aan denken, dat wij bij elkaar zijn—gelukkig! En ik heb mij voorgenomen, u dezen avond heel gelukkig te maken, mijn Guido.”“Het is onmogelijk mij nog gelukkiger te maken, dan ik reeds ben,” fluistert Guy, in verrukking het schoone meisje beschouwend, dat hij zoo spoedig de zijne hoopt te nemen.“En toch kan ik dat nog. Gij weet niet, welke verrassing ik voor u heb weggelegd. Het kwam mij voor, dat wij u den vorigen avond niet aangenaam genoeg bezighielden. Ik had met de gravin De Pariza willen spreken, als zij vandaag hier was gekomen, en speellieden uit Antwerpen willen ontbieden, om muziek voor ons te maken op het water voor de vensters. Dat zou romantisch geweest zijn, zooals in den tijd der troubadours, en geleken hebben op een Venetiaanschen nacht, nietwaar, mijn Guido?”“Daar zal ik een volgenden keer voor zorgen,” fluistert de verrukte Chester.“Maar toch heb ik voor u gedaan, wat ik kon. Mijn Moorsche meisjes zullen later voor u spelen en dansen—voor het oogenblik wil ikzelve trachten u te amuseeren. Ik meende uit een opmerking van gisteravond te moeten opmaken, dat gij denkt, dat ik geen talenten bezit. Luister!” En ondanks Guy’s protest, die niets anders verlangt, dan zijn meisje het hof te maken, neemt de jonge dame van een stoel een mandoline, waarmee zij blijkbaar den tijd heeft gedood, totdat hij kwam, gaat zitten en begint, hem aankijkend, een liefelijk preludium te tokkelen. En daarna zingt de stem, waarvan de HollandscheWatergeus zeide, dat zij gelijk was aan de engelenstem van het orgel in Amsterdam, een Moorsch lied voor hem, zoet, tropisch, zwaarmoedig, met die gratie en zoetvloeiendheid, die alleen eigen zijn aan het zonnig Italië en Spanje. Het schoone en betooverende van dit alles wordt nog verhoogd door de teedere blikken, waarvan de zangeres haar gezang doet vergezeld gaan, en het lied eindigt dan ook met een verrassing; want de laatste toon, ofschoon bestemd voor zijn oor, wordt regelrecht gericht op de lange snor van haar verloofde en afgebroken op een wijze, die in de muziekgeschiedenis onbekend is.“Madre mia!” lacht het meisje, “men zou denken dat gij de componist van het stuk waart. Gij hebt mijn mooie hooge noot wreedaardig vermoord.”“Laat mij haar vervolgen!” Dit komt van een ruwe, snerpende stem achter hen.En als het paar opschrikt, zien zij Hermoine’s duena voor zich, de gravin De Pariza, die hen ontsteld aanstaart, en het opnemend voor de beleedigde etiquette, uitbarst:“Ik was van plan geweest, Dona de Alva, vanmiddag terug te komen, doch werd opgehouden door boodschappen in de stad. En nu ik terugkeer, kom ik tot de ontdekking, dat ik niet had moeten heengaan. Ik ben verbaasd, dat iemand, die door mij is opgevoed,alleeneen cavalier ontvangt.”“Niet als die cavalier mijn toekomstige echtgenoot is, kolonel Guido Amati. Gij hebt hem, zooals gij u wel zult herinneren, reeds vroeger gezien, bij den koopman Bodé Volckers. Gij—”Doch op dit oogenblik gilt haar duena met rollende oogen:“Guido Amati! De man, die gesneuveld is! O hemel, een geest! Heilige Maagd, bewaar mij voor den geest!” en zij zinkt neer, Latijnsche gebeden prevelend.Hermoine begint echter te lachen: “Neen, niet dood! Gij behoeft hem niet te bezweren! Dit is vleesch en bloed, laat hij u maar eens aanraken met zijn lippen!”Waarop Chester protesteert: “Neen, neen!”“Ja, ja, kus haar de hand. Zij is zeer gesteld op een ridderlijk huldebetoon, kus haar de hand! Ik geef u verlof. Ik zal niet jaloersch zijn, Guido mio.”En toegevende, drukt Guy lachend een kus op de dorre handen, die zijn opgeheven tot een gebed.Deze aanraking schijnt haar te kalmeeren, en bemerkende, dat hij geen geest is, staat de gravin De Pariza op en wordt weer geheel duena, terwijl zij op hoogen toon zegt: “Als kolonel Guido Amati dan geen geest is, moet ik dien edelman verzoeken, zijn bezoeken hier te staken, totdat ik den hertog van Alva heb ingelicht aangaande zijn bedoelingen.”“De edelman zal zijn bezoeken in mijn huis niet staken!” antwoordt Hermoine met een verontwaardigde flikkering in haar oogen.“Gij vergeet, dat gij tot uw duena spreekt!”“Bedenk, dat ik Dona de Alva ben!”“Goed, in dat geval schrijf ik terstond aan uw vader.”“Gij zult van dit alles geen woord aan mijn vader overbrengen. Ik zal hem alles vertellen op mijneigen manier en als ik den tijd daartoe gekomen acht.”“Zal ik niet!” krijt de duena. “Zal ik niet! Meent gij, dat ik uw vaders toorn op mij wil laden?”“Laad dan den mijne op u!” roept het meisje uit, en terwijl zij vlak voor haar duena gaat staan, vervolgt zij met vlammende oogen: “Waag het, een woord van dit alles aan wien ook te zeggen, voordat ik het u beveel, en ik vertel mijn vader, dat vier jaren geleden, toen gij meendet, dat ik nog te jong was, om op staatszaken acht te slaan, gij, voor twee duizend kronen, den jongen Brederode hebt gewaarschuwd, zoodat hij Brussel kon ontsnappen om gevangenneming en terechtstelling te ontgaan!”“Welke bewijzen hebt gij daarvoor?” stamelt de gravin.“Geen andere dan Brederode’s brief, waarin hij u dankzegt voor uw waarschuwing en verklaart, dat hij u genoeg had gegeven en niet van plan is, meer te geven. Ik heb dien brief zorgvuldig bewaard. Hebt gij u misschien verbeeld, dat ik u hier bij mij had laten blijven, indien ik u niet naar mijn hand kon zetten, wanneer ik het verkoos?” spot Hermoine.“Ik—ik was in zulk een groote geldverlegenheid,” stamelt La Pariza.“Meent gij, dat dit u zal vrijwaren voor straf? Gij weet, welk vonnis mijn vader doet vellen over een ieder, die behulpzaam is bij een ontvluchting—eerst de pijnbank—en daarna de brandstapel!” Deze vreeselijke bedreiging komt zoo koel over de lippen van het meisje alsof zij een ijsberg ware, enals Chester haar aankijkt, behoeft hij niet te twijfelen dat zijn verloofde Alva’s dochter is.“Neen—neen! Genade!” snikt de gravin.“Dan voor mij op uw knieën, en zweer mij bij het kruis van Christus, dat gij tegen niemand over mijn verloofde zult spreken. Zweer het—op uw knieën en zweer het!” roept Hermoine dreigend uit.“Ik—ik zweer het,” stamelt de duena.“Op uw knieën en met het kruis op uw lippen. Op uw knieën! Zweer het bij de Zeven Heiligen van het Christendom, bij de Twaalf Evangelisten, bij de Vier Apostelen, bij al de sacramenten van de kerk, bij het lichaam van onzen Heer, spijt anathema en dispensatie beide—zweer!”En zich op de knieën werpend, zweert de ontstelde gravin De Pariza den eed, haar voorgezegd door Alva’s dochter, die haar het crucifix tegen de lippen drukt.“Waartoe dat heele relaas?” vraagt Guy, die in verbazing het tooneel heeft aanschouwd, waarin Dona Hermoine hem een nieuwen blik op haar karakter geeft.“Omdat ik haar niet vertrouw,” antwoordt het meisje. “Het moet een sluwe priester zijn, die het nu uit haar krijgt. Breek dien eed en uw ziel vliegt rechtstreeks door het vagevuur naar de eindelooze hellepijn, gravin De Pariza.”“Ik—ik meende altijd, dat gij van mij hieldt,” stamelt de duena opstaande.“Vanuhouden?” herhaalt het meisje met een vreemde flikkering in haar oogen. “Denkt gij, dat ik ben vergeten, dat gij mij, toen ik twaalf jaar was,om de ooren hebt geslagen? Denk niet, dat ik bang voor u ben! Dat is goed voor uw Moorsche slavin, die naar uw kleedkamer gaat als naar de pijnbank. Ik hoorde haar gistermorgen nog gillen onder uw kastijding. Maar heb niet het hart, met uw lafhartige natuur, u op haar te wreken. Neem u in acht voor mij, ik haat wreedheid!Ik ben Alva’s dochter!”Bij deze laatste woorden bijt Guy zich op zijn lippen, om een glimlach te verbergen, en Dona De Pariza laat een half onderdrukten spotlach hooren.Het meisje gaat op haar af en roept uit: “Waag het niet, den schijn aan te nemen alsof gij mijns vaders naam bespot, waag het niet, hem van wreedheid te beschuldigen. Hij is voor mij altijd zoo goed geweest als een engel. Ik wil het niet van uw lippen hooren—noch vaniemandslippen!” want Guy heeft zijn glimlach toch niet geheel kunnen verbergen en zij gaat nu voor hem staan met een hooghartige uitdrukking op haar gelaat, zeggende: “Vergeet niet, dat ik de dochter van den Viceroy ben.”“Boete!” lacht Chester.“O ja—o—o—ik vergat het! Ja, mijn heer!” zegt zij, een buiging voor hem makend. En als hij de boete opeischt, fluistert zij: “O santos! wat zijt gij een kwelgeest—gij kust mij, zoo vaak als gij er de kans schoon toe ziet.”Dit tooneel beschouwt de duena in de uiterste verbazing, terwijl zij in zichzelve mompelt: “God zij geloofd, juffertje-driftkop heeft eindelijk haar meester gevonden! Die verloopen doordraaier Guido Amati zal haar naar zijn pijpen doen dansen, daarvoorsta ik borg!” en daarna gaat zij naar haar kamer, het paartje alleen latend,—waarom het volstrekt niet rouwig is.Als La Pariza hen een oogenblik later had kunnen beluisteren, zou zij nog meer verbaasd zijn geweest, want zij zou dan hebben bemerkt, dat kolonel Guido Amati Dona Hermoine een boetpredikatie houdt over de noodzakelijkheid, zijn gevoel en zijn tong te beheerschen.Hiernaar luistert het meisje oplettend, met neergeslagen oogen, op een wijze, die Guy wel verwondert maar hem tevens hoogst welgevallig is; want hij heeft de vaste overtuiging, dat er slechts één middel is om dit meisje te veroveren—namelijk haar te ontvoeren, en hij beseft, dat hij, om dat te kunnen doen, haar volkomen moet beheerschen.Maar hij maakt zijn predikatie een weinig te lang en zij roept eensklaps plagend uit: “Bullebak! Bullebak! Ik ben de dochter van den Viceroy!” en danst dan lachend weg. En hij zet haar achterna, om de boete te innen, over tafels en stoelen en divans; Hermoine neemt haar langen sleep op en ontsnapt hem telkens weer op haar vlugge voetjes, totdat hij haar vangt bij de derde portière in de kamer, waarachter hij nog geen blik heeft mogen werpen.Hier wordt zij, terwijl hij haar in zijn armen houdt, eensklaps zeer ernstig en fluistert: “Beknor mij niet; als gij het wilt, zal ik boete doen, mijn Guido, omdat ik u wat uit de hoogte heb behandeld, maar niet omdat ik het haar deed. Hier binnen zal ik vannacht tien Ave Maria’s voor ubidden.” En de gordijnen ter zijde trekkend, toont zij hem de verlichte kapel van het huis; achter de brandende kaarsen staat het schilderij van zijn dooden vriend, het meesterstuk van Oliver, en zij fluistert: “Hier op deze plaats bid ik voor u!”“Ja,” antwoordt Guy met een blik op de liefelijke Madonna, “ik offer zelf aan dat altaar.”“St, niet spotten,” antwoordt het meisje plechtig. “Dit is de kapel, waarin wij getrouwd zullen worden.”Dit denkbeeld verplaatst Guy in den zevenden hemel en hij begaat een groote fout, waarover zij hun eerste werkelijke kibbelpartij hebben, want hij komt zeer handig met het plan van een geheim huwelijk voor den dag.Daarop zegt zij zeer uit de hoogte: “Buiten weten van mijn vader, zonder zijn toestemming, hij, die mij zoo liefheeft? Nooit!” en vier of vijf minuten lang is zij ongenaakbaar voor haar Guido.Hij stapt echter weer even handig van de zaak af en verschoont er zich mee, dat het enkel zijn vurige liefde voor haar is, en dan vergeeft Hermoine hem en zendt hem eindelijk weg, overgelukkig, hartstochtelijker dan ooit, maar met het bewustzijn, dat hij een lastig werk voor zich heeft—om de jonge dame te schaken en toch haar liefde te behouden.Het onderhoud met de gravin De Pariza toont hem, dat spoed een vereischte is voor zijn welslagen en dat elk eenigszins lang uitstel in deze zaak waarschijnlijk noodlottig zal zijn voor zijn voornemen en misschien ook voor zijn leven.Maar het meisje heeft eveneens haar plan van handelen gemaakt, en als er den volgenden morgeneen koerier met brieven uit Holland komt, klapt zij in haar handen vol vreugde over een idee, dat in haar levendig brein plotseling is opgekomen, en zij zegt bij zichzelven: “Papa komt, nu—nu zal ik het doen! Hoera! Ik zal het doen!”HOOFDSTUK XXI.“DE HERTOG VAN ALVA!”Onbekend met Dona de Alva’s plannen voor zijn welzijn, gaat haar verloofde als een voorzichtig man voort, om het kleine fortuin te verzamelen, waarmee hij zijn huishouden denkt te beginnen en hij blijft den geheelen volgenden dag op zijn schip, om de zakken met goud in ontvangst te nemen, die eenige uren te voren toebehoorden aan zijn toekomstigen schoonvader en nu in zijn bezit zijn.Zij worden aan boord gebracht, veilig verborgen in de bedden van de matrozen, en als zij niet zoo zwaar waren geweest, zou men nooit hebben kunnen vermoeden, dat het geen gewone bedden waren. Zij worden alle aan boord gebracht door Chester’s eigen matrozen, en hoe zwaarder de zak is, des te meer in zijn nopjes is de zeeman, die hem draagt. Het is dan ook slechts door strenge bevelen en door de bedreiging, den eerste den beste te zullen dooden, die zijn vreugd laat blijken, dat Chester de uitgelatenheid van zijn pikbroeken, waardoor de opmerkzaamheid van de andere schepen op hen gevestigd zou kunnen worden, intoomt.Corker zelf brengt de eerste lading naar beneden.“Bodé Volckers is een zeeroover van beroep,” fluistert de zeeman als hij Chester verslag geeft. “Hij zou vechten voor het goud, totdat hij geen droppel bloed meer in de aderen had. Hij heeft moeder Sebastian al tweemaal Jamaica gegeven, en de duivel mag haar met rust laten, als zij niet aan de rum sterft, eer wij den laatsten zak uit het huis hebben. Bodé heeft touwen meegebracht om haar te binden, als het moet; dat zij niet kan janken is voor ons van groot voordeel. Geen prop noodig, men knoopt haar eenvoudig even aan den beddestijl op en zij is onschadelijk gemaakt.”Den geheelen dag komt het goud geregeld aan boord en tegen den avond, want de mannen werken hard, telt Chester, dat hij onder den vloer van de hut van deEsperanzahonderd negen en zeventig zakken met goud heeft, verzegeld met Alva’s wapen; en als hij ze schat op twintig duizend kronen elk, heeft hij drie millioen, vijfhonderd en tachtig duizend kronen in zijn bezit. Dit stemt volmaakt overeen met de opgave van Corker.En nu laat hij de matrozen onder toezicht van Niklaas, om het zilver en de kist met onbekende preciosa uit de schatkamer te halen, en draagt Martin Corker de bewaking op van het schip met zijn kostbare vracht, terwijl hijzelf een boot neemt en de Schelde afzakt naar Sandvliet, brandend van verlangen om zijn beminde te zien.In dit opzicht doet Dona Hermoine niet voor hem onder. Zij staat reeds op den uitkijk naar de boot en snelt hem verheugd tot aan de landingsplaatste gemoet, opgewonden uitroepend: “Goed nieuws! Goed nieuws!”“Welk nieuws?” vraagt Chester angstig—daar bijna elk nieuws nu voor hem gelijkstaat met slecht nieuws.“Papa komt—hij zal spoedig hier zijn. Dan kunt gij het hem vragen.”“Wanneer zal de Hertog hier zijn?”“Binnen drie of vier dagen, volgens zijn brief.”“A—ah!” laat Guy hooren met een diepe zucht van verlichting, want den volgenden avond moet het op de een of andere manier tot een beslissing zijn gekomen tusschen hem en zijn meisje, dat schoone wezentje, dat aan zijn arm hangt, terwijl hij het pad naar het huis opwandelt; haar kleine voeten maken twee stappen tegen de zijne een.Het staat bij hem vast, dat de volgende avond moet beslissen, of zij zijn vrouw zal worden en hem gelukkig zal maken voor zijn geheele leven, of dat hij haar dan voor het laatst zal zien. De gedachte hieraan maakt dat hij teederder dan ooit voor haar is, hij weet toch, dat, al zijn de omstandigheden hem ook ongunstig, zij hem toch liefheeft.Daarna een tête-à-tête in het vooruitstekende venster aan de Schelde en zij zitten gezellig te babbelen, totdat hij haar zegt, dat hij vandaag geen tijd heeft, om lang te blijven.“Waarom?” pruilt zij.“Omdat ik schikkingen tref aangaande mijn vermogen, om daarmee behoorlijk voor den dag te kunnen komen bij uw vader.”“O ja, dat heb ik al vroeger gehoord! De hertogvan Alva is jegens mij altijd heel goed en toegevend geweest, en hij zal ook nu mijn verzoek niet weigeren. Ik heb hem over u hooren spreken, mijn Guido, als den dappersten man van het Spaansche leger; dat zegt veel, daar er zoovele dapperen zijn. Die beroemde tocht, dien gij hebt gemaakt, heeft u bij hem evenzeer in de gunst gebracht als bij mij.”De lof van den doode, in wiens schoenen hij staat, belet Guy een bekentenis te doen, die hij in de beide laatste dagen telkens op de lippen heeft gehad: “God helpe mij, als zij slechts mijn naam liefheeft en niet mij!” denkt hij telkens huiverend bij zichzelven.Hij zou misschien later op den avond alles aan Hermoine hebben verteld, want hij begrijpt, dat zij er nu recht op heeft, de waarheid te vernemen, maar er komt iets tusschenbeide, dat hun van weinig beteekenis toeschijnt, doch grooter invloed op hun leven heeft, dan zij vermoeden.Guy heeft lachend geïnformeerd naar de gravin De Pariza.“Sedert gisteravond heeft zij geen woord tegen mij gezegd. Zij blijft in haar eigen vertrekken,” antwoordt de jonge dame. “Die vrouw zou mij verraden, als zij durfde, en na hetgeen gisteren is voorgevallen, beklaag ik haar Moorsche slavinnen. Gij weet, dat toen Papa mij Zora schonk, hij Alida ten geschenke gaf aan de gravin De Pariza. Ik hield echter meer van Alida, en om haar te bevrijden uit de handen van haar tyran, want dat is mijn duena—gij behoeft mij met uw kussen niet telkens in de rede te vallen, Guido mio—ben ik er in geslaagd, Zorategen Alida te ruilen en nu is Alida bij mij in dienst en Zora bij de Gravin. Het was een overeenkomst, doch geen schriftelijke. Maar vanmorgen eischte zij Alida terug. Zou het zijn om haar wraak te koelen op het arme meisje?” vervolgt zij levendig. “Als dat zoo is, als zij haar durft slaan, laat zij zich dan in acht nemen voor Hermoine de Alva.”Terwijl zij spreekt, springt zij, zich losrukkend uit Guy’s armen, op en fluistert: “Wat is dat? Luister! Mijn hemel, het is Alida!”Want men hoort nu duidelijk een verwijderd gekerm. “Het is Alida! Die laffe vrouw heeft haar geslagen!” roept zij uit.En snel als de wind, met vlammende oogen en een uitdrukking van wraak op haar gelaat, vliegt Hermoine de Alva de kamer uit, terwijl Guy haar volgt, doch haar nauwelijks kan bijhouden. Aan het eind van een gang duwt het meisje haastig een deur open en aan hun oogen vertoont zich een zonderling schouwspel.Het is de kamer van de duena; in het midden staat de gravin De Pariza met opgeheven zweep en voor haar op den grond hurkt Alida, de Moorsche slavin. Doch de zweep daalt niet neer. Met den sprong van een jonge tijgerin rukt Hermoine haar uit de hand van de onthutste gravin.“Hoe durft gij mijn kamer binnentreden?” schreeuwt deze.“Hoe durft gij iemand slaan, die mij toebehoort?”“Pardon, Dona de Alva,” zegt de gravin op snijdenden toon. “Het meisje is een geschenk van uw vader aan mij. Geef mij mijn zweep, opdat ik haar een bestraffing kan toedienen.”“Nooit! Alida behoort mij toe, gij hebt haar aan mij overgedaan; zij is van mij, ik houd van haar en zij staat onder mijn bescherming, zij is mijn Alida. Wreed schepsel! Gij hebt uw zweep terugverlangd?Gij zult ze hebben!” En als een wrekende godin gaat zij op de sidderende duena af, die, hevig ontsteld, begint te gillen.Maar Guy houdt den blanken opgeheven arm tegen.“Ik doe het, als zij het waagt haar aan te raken!” zegt Hermoine op woesten toon tot Guy; en daarna vriendelijker tegen Alida: “Ga naar mijn kamer en blijf daar; daar zijt gij veilig,” en weer in den vorigen toon vervallend: “Laat zij het hart hebben u weer aan te raken en ik eerbiedig haar grijze haren zelfs niet!”“Groote God, mijn pruik!” krijscht La Pariza en zij laten haar staan, heur dunne haren uitrukkend. De Gravin, zonder valsch haar en andere kunstmiddelen om de sporen van verval te verbergen, vertoont een leelijk, ja zelfs een terugstootend beeld, want op haar gelaat is, behalve de verwoesting van den tijd, nu ook nog een uitdrukking van duivelschen haat te lezen.Terwijl Guy zijn meisje wegvoert fluistert hij: “Hebt gij opgemerkt, hoe zij u aanzag? Zij is nu levenslang uw vijandin.”“Daar geef ik niets om!” lacht Dona de Alva fier. En zij vervolgt zacht: “Ik ben blij, dat gij mij belet hebt, tot haar laag peil af te dalen. Had ik haar aangeraakt, ik zou mij over mijzelve geschaamd hebben. Als ik de uwe ben door den zegen van deMoederkerk, gebruik dan als echtgenoot al uw lankmoedigheid om mijn vrouwelijke zwakheden te verdragen.”Guy voelt zich door die woorden beschaamd, want hij is, als hij in twist geraakt met zijn gelijken, dikwijls wreed en bloeddorstig en te midden van zijn matrozen grijpt hij al heel spoedig naar het eindje touw, als de discipline van het schip zulks vereischt.Hij aarzelt nu weer opnieuw om Hermoine te zeggen, dat hij een ander is, dan de Guido Amati, voor wien zij hem houdt en dien zij bemint. Maar aan den anderen kant zou hij haar voor niets ter wereld willen verliezen en hij wil zelfs het gevaar loopen, haar verwijten te moeten hooren en haar toorn op zich te laden, als zij maar de zijne wordt door den zegen van de kerk, voor de menschen en voor God.Om dit mogelijk te maken, moet hij nog veel toebereidselen treffen. En afscheid van haar nemend, zegt hij: “Morgenavond precies om negen uur. Onthoud het, ik ben van plan een klein waterfeest voor u te arrangeeren. De maan is er dan nog niet, maar zij zal opgaan eer wij terugkomen. Wilt gij morgenavond een zeiltochtje met mij op het water maken, mijn lieveling?”“Ja, en zelfs vanavond wel, als gij het mij hadt gevraagd,” lacht het meisje. Daarna zegt zij peinzend: “Was Papa maar hier, dan konden wij hem meenemen.”“Ik—ik smeek den hemel van niet,” antwoordt haar beminde ontsteld.“O, vrees niets, ik ben almachtig tegenover den hertog van Alva!”Met een laatste kushand, snelt Dona Hermoine, vervuld van dit denkbeeld, naar huis terug.Dit vertrouwen in haar macht over Philips’ onderkoning, brengt onverwachts een verandering in dien droom van jonge liefde.Den volgenden dag reeds in den namiddag galoppeert de hertog van Alva met rinkelende sporen en overdekt met het stof van de reis, begeleid door dertig ruiters, voor Hermoine’s landhuis, om daar door zijn dochter met vreugde verwelkomd te worden.Het meisje snelt hem verheugd te gemoet, uitroepend: “Ik dacht niet, dat gij zoo spoedig hier zoudt zijn; uw brief sprak eerst van over vier dagen, hertog van Alva!” En zij maakt een dienaresse voor hem, maar hij springt van zijn strijdros, terwijl zijn slangenoogen schitteren als hij de eenige vreugde van zijn ouderdom ziet, en zijn mooi kind aan zijn hart drukkend, fluistert hij: “Dus, mijn Hermoine, zijt gij teleurgesteld?”“Teleurgesteld dat gij zijt gekomen? Integendeel—verrukt!”“Gij moet weten,” merkt de Hertog op, nadat hij met haar het huis is binnengetreden, “dat ik, nadat ik u had geschreven, een koerier van Antwerpen ontving, die mij een tijding bracht van D’Avila, den commandant, waardoor het noodzakelijk werd, dat ik voor een paar dagen terugkeer naar de Citadel.”Dit is de waarheid; want onder een lang rapport over militaire aangelegenheden, over versterkingen, wapenen en oorlogsammunitie en verschillende bijzonderheden aangaande de garnizoenen van Brabant enVlaanderen, heeft Sancho d’Avila bij wijze van postscriptum geschreven: “Wat ik nog zeggen wilde, het zal Uwe Hoogheid niet onverschillig zijn te vernemen, dat uw oude veteraan, de eerwaardige Roderigo, vier dagen geleden stierf.”Juist dit oogenschijnlijk zoo onbeduidend postscriptum heeft den hertog van Alva zoo plotseling herwaarts gebracht van Nijmegen, waar hij bezig was te zorgen dat de belegeraars rondom Haarlem van ammunitie werden voorzien. Binnen een uur na de ontvangst bestelde Alva, met eenige half ingehouden verwenschingen, zijn paard en verliet de stad aan de Waal met zijn lijfgarde, van paarden verwisselend te ’s-Hertogen-bosch, Breda en Bergen-op-Zoom en zoo snel als hij kon langs de Schelde naar Antwerpen trekkend. Daar de weg langs Sandvliet liep en het hem slechts een omweg van vijf minuten kostte om haar te bezoeken, die hem het liefste op aarde is, heeft de Hertog dien omweg genomen, en hij houdt thans zijn dochter in zijn armen.“Ik kan niet lang blijven,” merkt hij haastig op; “ik moet nog vanavond in Antwerpen zijn.”“Morgen vroeg is veel beter. Uw kamer is altijd voor u in gereedheid. Zij wordt nooit door iemand anders gebruikt.” Bij deze woorden bloost het meisje eensklaps, want het schiet haar te binnen, dat Guido er, al is het slechts een kwartier, gebruik van heeft gemaakt. “Gij moet met mij soupeeren!”“Onmogelijk, ik moet verder gaan.”“Gij moogt niet, papa,gij moogt niet! Gij zijt zoo lang onder mijn contrôle weg geweest, dat gij weerspannig en ongedisciplineerd zijt geworden.”Dit is de manier om haar zin bij Alva door te drijven, een manier, die hij niemand anders zou veroorloven, man noch vrouw. Terwijl zij tot hem spreekt, neemt zij ondanks zijn tegenwerpingen den helm van zijn hoofd, streelt zijn grijze haren en trekt aan de twee punten van zijn langen zilveren baard, uitroepend: “Nu zijt gij mijn gevangene! Tien kussen als losgeld!”“Santos y demonios! gij zijt de ergste rebel in de Nederlanden,” lacht de Hertog.“Ja, de meest uittartende en de eenige die u zal bedwingen.”Dat bevalt den hertog van Alva, die voor zijn doen uitstekend geluimd is, en hij zegt: “Gij hebt gelijk; ik heb Haarlem nu zoo goed als zeker in mijn macht. De Bossu heeft Marinus Brandt op het meer verslagen, de stad is geheel afgesneden—zij moet de mijne worden. En als ik dan met deze rebellen heb afgerekend en dit land, geheel van oproerlingen gezuiverd, aan mijn heer, koning Philips, heb overgegeven, verlaten wij voor altijd dit mistige land en gaan terug naar het Zuiden met zijn granaatappelen, druiven en olijven, en zullen wij vergeten, dat er ooit oorlog was.”“Ja,” roept het meisje uit, “en wij nemen hem met ons.”“Hem? Wien?”“Mijn toekomstigen echtgenoot.”“Uw toekomstigen echtgenoot! Van wien spreekt gij, kind?” vraagt Alva, ten hoogste verbaasd. “Nooit zag ik een vrouw, die zoo ontoegankelijk was voor aardsche liefde!” Dan lacht hij: “Dat iseen zeldzame ommekeer. Den laatsten keer waart gij een en al ernst. Gij hieldt een gebedenboek in uw hand en spraakt er van, de bruid der Moederkerk te worden.”“Maar dat is alles voorbij.”“Daar ben ik blij om, ofschoon ik het u niet zou geweigerd hebben. Mijn Hermoine zou al een heel curieuse non geweest zijn.”“Ja, zij zal een betere bruid zijn,” lacht het meisje, tot haar onderwerp terugkeerend. “Maar ik vertel er u niets van, tenzij gij met mij dineert, en dan nog pas na het diner. Zie! Uw geleide is afgestegen. Zij hebben een langen rit achter den rug. Zij gaan ook eten en drinken. Wil mijn vader jegens zichzelf niet even barmhartig zijn als jegens zijn soldaten? Bovendien ziet gij er afgemat en ziek uit!”“Volstrekt niet. Ik ben alleen maar vervuld van de tijding, die mij herwaarts riep, maar hoe dringend mijn komst ook is, ik zal haar uitstellen tot morgen.”“Blijf dan dineeren. Ik heb mijn bevelen al gegeven, toen ik u zag aankomen.” Dit zeggende, worden de gordijnen weggetrokken en begeeft de Hertog, den arm zijner dochter nemend, zich naar de eetzaal. Hier ziet Hermoine voor den eersten keer sinds den vorigen avond, de gravin De Pariza, en als zij haar blik opvangt, weet zij, dat deze, ondanks haar eed, op de een of andere wijze alles wat er gebeurd is aan den Hertog zal overbrengen.Doch tot Hermoine’s groote vreugde verlangt Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva enhertog van Huesca, gedreven door nieuwsgierigheid, een tête-à-tête met zijn aanminnig kind en zegt, tot verbazing en bittere teleurstelling van haar duena, kortaf: “Gravin, ik verheug mij, dat ik u, zooals gewoonlijk, gezond zie. Mijn dochter en ik hebben het een en ander te bespreken en wenschen alleen te zijn. Goedenmiddag, Dona De Pariza, ik kus u de hand,” en hij doet haar al buigend uitgeleide naar de deur met deftige Spaansche etiquette. “Nu uw verhaal, Hermoine. Is het een aardigheid, wat gij daareven zeidet van een minnaar, kind?”“Geen aardigheid.”“Vertel het mij dan.”“Na den eten, papa; niet voordat de wijn uw hart een weinig zachter heeft gestemd. Het is verhard in Holland.”“Niet te uwen opzichte,” zegt de Hertog. “Vertel het mij, mijn schat.”“Niet voordat gij mij op uw doorluchtige knie laat zitten.”Dit zeggende is zij reeds op zijn knie en vertelt hem onder liefkoozingen en vleierijen en kussen van haar beminde.Waarop hij zijn oogen van verbazing wijd opent en zegt: “Uw Guido Amati? Ik meende, dat hij als gesneuveld was vermeld na het gevecht op het ijs.”“Neen, hij is hersteld van zijn wonden. O, het zou niet zoo gemakkelijk gaan, hem te dooden! Herinner u maar zijn tocht over de verdronken landen. Gij zijt vandaag die plaats voorbijgekomen,” zij wijst de richting aan met haar hand.“Ja, ik herinner het mij. Dat was een stout stuk, een Cid waardig,” zegt Alva, die boven alles strateeg is.“Ah! geef mij dan aan den Cid. De Cid zou zeker de dochter van Alva waardig zijn. Als Guido de gelijke is van den Cid, is hij ook mijner waardig!” En met smeeken en vleien perst Hermoine den man, van wien zij denkt, dat hij haar niets kan weigeren, de belofte af, haar hand te zullen schenken aan kolonel Guido Amati de Medina.“Nu moet gij vooral niet heengaan,” smeekt zij. “Hij komt vanavond hier. Gij moet hem zien. Gij moet hem even gelukkig maken als mij. Vader, ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu.”“Oho!—Als ik het had geweigerd, dan zoudt gij mij dus waarschijnlijk gehaat hebben.”“Daartoe zou ik nooit kunnen komen, maar gij weigert mij ook niets. En daar gij nooit ‘neen’ tegen mij zegt, moet gij hier blijven en hem zien. Geef hem uw zegen; vader, beloof mij, als gij mij liefhebt, dat gij Guido Amati, als mijn aanstaanden echtgenoot, uw zegen zult geven.”“Als ik het dan moet doen, en gij zegt, dat ik het moet,” mompelt de Hertog, terwijl zijn lippen beven en zijn oogleden trillen, “moet ik eerst even naar Lillo rijden, om vandaar een boodschap naar Sancho d’Avila te zenden.”“Gij komt dus terug? Hij zal hier om negen uur zijn. Gij zult terugkomen—beloof het, zweer het!”“Ik beloof het bij dezen kus!”“Neem er dan twee, voor meerdere zekerheid,” juicht Hermoine met van geluk stralende oogen.Als zijn escorte een oogenblik later gereedstaat, bestijgt de Hertog zijn ros en draaft weg van de villa zijner dochter, die hem kushanden nazendt en hem nastaart met oogen vol tranen van geluk, terwijl zij mompelt: “Mijn vader en mijn aanstaande echtgenoot bij elkaar! Wat zal dat een heerlijke avond worden!”Alva rijdt naar Lillo en draagt Mondragon, den commandant, op, terstond een brief te verzenden naar Sancho d’Avila, commandant van de Citadel van Antwerpen. En daarna ondervraagt Don Fernando met een begrijpelijke nieuwsgierigheid Mondragon, die een zijner gunstelingen is, omtrent zijn aanstaanden schoonzoon: “Mondragon, kent gij een zekeren Guido Amati, kolonel in Romero’s legioen?”“Zeker, Uwe Excellentie, hij stond onder mij, eer hij naar Holland ging.”“Zoo! Vertel mij eens alles wat gij van hem weet.”“Ik kan u weinig goeds van hem vertellen, behalve, dat hij de dapperste onder de dapperen was en zulk een behendig schermer als er ooit een een Toledosche kling hanteerde; doch iemand die zóó bandeloos was, zulk een lichtmis en zóó aan het spel verslaafd, heb ik nog nooit ontmoet, en ik ben een oud soldaat.”“Bandeloos, een lichtmis en een speler,” herhaalt Zijne Hoogheid langzaam, terwijl zijn gelaat nog valer wordt dan gewoonlijk. “Zijt gij zeker van hetgeen gij daar zegt, Mondragon?”“Welzeker, ik heb hem goed gekend. Maar wat maakt het uit? Guido Amati is dood.”“Onmogelijk; ofschoon het mij ook verteld is.”“Het staat vermeld op de monsterrollen van Romero’s afdeeling.”“Is dat werkelijk zoo?”“Ja, inderdaad.”“Dus als hij leefde, zou zijn naam zeker voorkomen op de lijst van zijn regiment?”“Even zeker, als dat er een betaalmeester in het leger is. Guido Amati is er de man niet naar, om zijn soldij te laten staan; maar hij is stellig dood. Ik geloof zelfs, dat er hier in het garnizoen mannen zijn, die hem zagen vallen.”“Ah! in het gevecht op het ijs?”“Ja. De jonge De Busaco, een luitenant met verlof, en de sergeant Gomez.”“Laat hen terstond hier komen,” zegt Alva, verbaasd en geschokt door die onbegrijpelijke mededeelingen.En De Busaco, het vertrek binnentredend, salueert.“Luitenant De Busaco, nietwaar?” zegt Don Fernando.“Ja, Uwe Hoogheid, pas bevorderd.”“Waart gij bij het gevecht op het ijs?”“Ja, Uwe Hoogheid.”“Wie voerde daar het bevel?”“Kolonel Guido Amati.”“Werd hij gedood?”“Ik denk het wel, Uwe Hoogheid; ik zag hem vallen.”“Dat is zeer vreemd, terwijl mijn dochter zegt, dat hij leeft!” mompelt de Onderkoning, hoe langer hoe meer verbaasd. Mondragon en De Busaco zettengroote oogen op en de laatste weet, dat de catastrophe, waarvoor hij reeds lang heeft gevreesd, nu is gekomen.“Gij zaagt hem vallen?” vraagt Don Fernando nog eens, alsof hij zijn ooren niet kan gelooven.“Ja, Uwe Hoogheid.”“En gij denkt, dat hij dood is?”“Ja, Uwe Hoogheid, de Hollanders maakten al onze gewonden af.”“Zooals zij altijd doen,” antwoordt Alva. “Ik vrees, dat ik hun dat kunstje heb geleerd. Zij zijn goed van aannemen. Is Gomez ook al hier?”“Ja, Uwe Hoogheid,”En de vrijpostige sergeant komt binnen, salueert den hertog van Alva en geeft hem de volgende inlichtingen:“Ja, ik zag Guido Amati vallen. Ik trachtte hem nog te redden, maar ik gleed uit op het ijs, ontsnapte echter met Gods hulp.”“Gij weet dus, dat hij dood is.”“Ja,—tien heiligen zouden hem niet hebben kunnen redden.”“Spreek met wat meer eerbied van de kerk! Hoe weet gij dat?”“Omdat ik zag, dat drie pieken door zijn lichaam werden gestoken.”“Dat is voldoende,” mompelt Alva, die hoe langer hoe minder van de zaak begrijpt. “Gij kunt gaan, Gomez.”“En drie pieken door het lichaam zouden zelfs voldoende zijn, om iemand, die zoo taai is als Guido Amati, te dooden,” merkt Mondragon op; doch alsde sergeant is heengegaan, vraagt de commandant plotseling: “Wat scheelt er aan, Uwe Hoogheid? Hebt gij slechte berichten van Haarlem ontvangen?”“O, neen, zeer goede. Zij eten daar nu reeds het gras uit de straten. Wij hebben Oranje op het meer verslagen en zijn er nu meester van. Het is niet over Haarlem.” En plotseling beveelt hij: “Laat mijn escorte terstond voorkomen. Kan Gomez paard rijden?”“Ja, Uwe Excellentie.”“Laat hij mij dan vergezellen.”En gevolgd door dertig man, gewapend met lansen en haakbussen, rijdt de hertog van Alva terug naar het landhuis van zijn dochter. Onderweg roept hij den vrijpostigen Gomez aan zijn zijde en vraagt hem: “Hoe zag die Guido Amati er uit?”“Groot, welgebouwd, met kort, donker, krullend haar, zwarte, onverschrokken oogen en een huid zoo bruin als van een bleeken Morisco.”“Hij had natuurlijk de manieren van een edelman,” vervolgt de Onderkoning.“Voor zoover een krijgsman als ik er over kan oordeelen, ja, Uwe Hoogheid, en den beschaafden tongval. Men zei, dat hij even zuiver Castiliaansch sprak als een priester.”“Het is goed, ik weet genoeg, sergeant,” zegt de Onderkoning. En zij zijn weldra het landhuis genaderd.Daar hij echter een geslepen oude staatsman is, laat de hertog van Alva niets merken van de zonderlinge ontdekking, die hij in het fort te Lillo heeft gedaan, doch zegt slechts, de vertrekken van Hermoinebinnentredend: “Mijn dochter, wij zijn teruggekomen, zooals wij beloofd hebben, om dien edelman te zien, dien gij bemint, Guido Amati; deze man schijnt een verwonderlijk sterk gestel te hebben.”“Hoezoo?” vraagt het meisje.“Hij werd doodelijk gewond in het gevecht op het ijs.”“Zeker, dat is zoo! Ik heb immers zelf zijn wonden gezien! Zij zijn vreeselijk!” Dit laatste huiverend.“Geziende wonden, die de pieken dwars door zijn lichaam hebben gemaakt?”“Neen, maar hij had een houw over het hoofd, die iedereen van het leven zou hebben beroofd,behalveeen Paladijn.”“Hm! men zegt, dat uw Paladijn een los heer is.”“Dat is laster! Deze of gene mededinger strooit dat praatje telkens weer uit. Ja, zelfs Bodé Volckers,” vervolgt Hermoine, “die leugenachtige koopman, vertelde mij, dat hij dronken was, en twee minuten later komt Guido, even nuchter als gij zijt, naar mij toe, en met een veel vroolijker gezicht dan gij op het oogenblik zet; uw oud, lief gezicht staat zoo donker als de nacht.” En het meisje kust hem.“Vertel mij, hoe gij hem het eerst ontmoet hebt.”Aldus aangemoedigd, gaat Dona Hermoine, die zooals alle verliefden haar beminde gaarne verheerlijkt, zitten en biecht haar vader alles op; nu en dan doet deze haar een paar vragen, die zij heel dwaas, maar die hij heel belangrijk vindt.“Gij zegt, dat gij hem het eerst hebt ontmoet op den dag van den springvloed in 1572?”“Ja, papa; dat was, zooals ik u vertelde, de avond, dat hij mij redde uit de handen der Geuzen.”“A—ah—ah. De krijgsman, dien gij lief hebt, heeft donker haar en donkere oogen, nietwaar?”“Neen, helderblauwe oogen en zijn haar is voor een Spanjaard heel blond.—Heb ik u dat dan al niet gezegd, dom vadertje?”“O ja; ik bedoel helderblauwe oogen, ik was het vergeten. Licht kastanjebruin haar, zegt gij, en vrije en losse manieren. Is zijn gang niet die van een zeeman?”“Die van een ruiter.”“O ja; zij hebben beiden een zwaaienden gang. De dag, dat gij hem hebt ontmoet, was dezelfde, waarop ik zoo haastig van Brussel terugkwam?”“Ja, gij kwaamt heel onverwachts. Het was de dag van het drinkgelag van Floris den schilder, waarbij hij een van zijn tegenstanders dooddronk.”“Ja, dat herinner ik mij,” zegt Zijne Hoogheid langzaam. “De dag, dat De Guerra mij een onthulling wilde doen, maar stierf. Deze edelman, dien gij zegt, dat gij bemint,” de hertog van Alva doet moeite, om den ongedwongen toon vol te houden, “spreekt het patois van Hispaniola?”“Ja, het is alles behalve keurig Spaansch, maar het klinkt mij toch als muziek in de ooren.”“Hm! als hij komt, kunt gij hem bij mij brengen.” En als hij het vertrek heeft verlaten, geeft Alva eenige bevelen aan den luitenant, die het bevel voert over zijn escorte.Vervolgens keert hij naar de eetzaal terug en laat zich, daar het reeds bijna acht uur is, het avondeten voordienen.En om hem gezelschap te houden, komt zijn dochter binnen, stralend van vergenoegdheid. Zij, die er vroeger als een lelie uitzag, bloost nu als een roos.Op het gelaat van den hertog van Alva ligt een vreemde uitdrukking, en als hij drinkt, is het, alsof hij een prop in zijn keel heeft, die hem dreigt te doen stikken, ofschoon hij vanavond de matigheid zelve is, zooals zijn dochter beweert, terwijl zij haar papa met liefderijke handen van alles bedient.“Gij—gij zijt er toch niet bedroefd over, dat gij mij moet missen?” fluistert zij, terwijl haar gelaat betrekt.“Neen, dat—dat is het niet.” Zijn gelaat heeft een uitdrukking, die Hermoine niet begrijpt.“Maar à propos,” zegt zij, “aangebeden papa, nog een belofte.”“Welke?”“Neem den prijs weg van het hoofd van dien Engelschman. Zooals gij u zult herinneren, redde hij het leven van mijn Guido.”“Misschien morgen, dan zal het wel niet meer noodig zijn,” mompelt Zijne Hoogheid, ofschoon hij vermijdt, het meisje aan te zien, en de oogen op zijn beker gericht houdt.“Dank u, lieve, beste papa,” antwoordt zijn dochter. Dan zegt zij plotseling: “Maar nu moet ik gaan.”“Waarom?”“Om toilet te maken voor mijn aanstaanden echtgenoot.”“Hm!”“Ik zal mij kleeden als een bruid.”“Gij hebt dien man dus wel zeer lief, mijn Hermoine?” En er klinkt weemoed in zijn stem.“Met mijn gansche hart,” antwoordt zij; en plotseling roept zij uit: “Misschien heb ik vanavond nog een andere verrassing voor u, als gij het tenminste toestaat, maar gij staat mij alles toe, nietwaar, papaatje!—gij lieve oude papa, die uw dochter vanavond innig gelukkig wilt maken.”En zij kust hem teeder op het voorhoofd en snelt dan heen, haar vader alleen latende, in gespannen verwachting, of zijn vermoedens al dan niet juist zullen blijken te zijn.Maar met dat al staan er tranen in zijn oogen, in die oogen, die ze nooit hebben vergoten, en een paar maal neemt zijn gelaat een pijnlijke uitdrukking aan, als hij de stem van zijn dochter hoort, die in het aangrenzend vertrek haar bevelen geeft voor haar toilet en voor de ontvangst van den man, dien zij bemint. Doch in het volgende oogenblik schieten er stralen uit zijn slangenoogen en zijn lange handen ballen zich krampachtig, alsof zij een lang gezochten, moeilijk te vatten vijand grepen, in wiens doodsstrijd hij zich reeds verlustigt, en hij mompelt: “Als hij het is, die mijn goud stal voor die Jezebel Elizabeth; als hij het is, op wiens raad de Geuzen uit Engeland verdreven werden met: ‘Geen proviand, geen water, maar slechts kogels en kruit,’ om rebellie in dit land te stoken, dan zou ik hem zelfs nog liever in mijn macht willen hebben dan Willem den Zwijger.”
HOOFDSTUK XIX.DE BRUIDSSCHAT VAN DE DOCHTER.Chester heeft ongelukkig maar heel weinig tijd, om zijn toebereidselen te treffen. Het rooven van Alva’s schat moet zoo vlug mogelijk in zijn werk gaan; bovendien wil hij zorgvuldig waken voor den goeden naam van deze vrouw, die hem door alles haar groote liefde bewijst.Daarom staat de Engelschman dan ook na een half uur, waarin het meisje hem menigen blik heeft gegund in haar liefelijk, rein gemoed, op, om heen te gaan; het kost hem een geweldige inspanning, maar hij is vast besloten, om haar te verlaten.“O, ga nog niet,” vleit Hermoine. “Gij zijt—gij zijt zoolang weg geweest.”“Maar ik kom morgen terug.”“Hoe laat?””’s Avonds.””’s Avonds? Ach! Dat duurt nog zoo vele seconden.”“Ik kan niet eerder komen, maar ik zal zoo vroeg mogelijk hier zijn.”“Waar houdt gij verblijf?”“Aan boord van het schip, dat mij hierheen bracht uit het Noorden, deEsperanza.”“DeEsperanza? Het fort Lillo is hier dichter bij.”“Op Lillo zou de bevelhebber misschien denken, dat ik reeds in staat was, weer dienst te doen. Ik zou mij naar zijn orders hebben te gedragen en niet meer vrij zijn om u te komen bezoeken wanneer ik wil.”“Ja, gij hebt gelijk. Mijn gewonde held, die den opzienbarenden marsch over de overstroomde landen maakte, heeft wel verdiend, om eenige maanden uit te rusten. Geheel Brabant, Vlaanderen en Spanje weerklonken van den roem van dien marsch.” En het meisje slaat haar armen om zijn hals en fluistert hem woorden van lof toe, die hem overgelukkig zouden maken, als hij niet wist, dat zij bestemd waren voor den dooden Guido Amati. En als zij ziet, dat hij bij zijn besluit volhardt, voegt zij er aan toe: “Als gij dan toch moet gaan, wil ik tenminste nog drie minuten langer van u profiteeren.”“Op welke manier?”“Door u naar uw boot te brengen.”En, haar hand door zijn arm gestoken, slenteren zij langs het smalle paadje, waar het hier en daar geheel donker is onder het dichte loof der populieren. Telkens als zij zulk een donker plekje bereiken, staan zij stil om afscheid te nemen—en hoe meer zij de boot naderen, hoe meer tijd ieder afscheid vergt, zoodat het lang duurt, eer zij het laatste donkere plekje bereikt hebben, en daar staan zij stil en luisteren naar de stemmen der matrozen, die huntegenklinken van de landingsplaats. De mannen zijn zeer vroolijk en doen zich te goed aan den wijn en de eetwaren, die zij hebben meegebracht. En eensklaps slaat het meisje haar armen om den verloren gewaande en fluistert opgewonden: “O, mijn Guido, dat wij toch nooit weer behoefden te scheiden!”“Die tijd is zeer nabij.”“Nabij? En Papa weet nog van niets!”“Toch is die tijd zeer nabij. Ik zweer het bijdit!” En Chester springt, Hermoine met gloeiende wangen achterlatend, de trap aan de landingsplaats af met het vaste besluit, om zijn woorden tot waarheid te maken.Vreemd genoeg gaat zijn boot de Schelde niet op, maar juist naar den anderen kant en bereikt na twee uren met veel moeite, daar het tij tegen is, deDover Lass, waar Chester in zijn verliefde bezorgdheid in zijn hut een lange beraadslaging houdt met Dalton.Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de groote sloep wordt uitgezet, geheel bewapend en uitgerust, en dat hij dien nacht en den volgenden de wacht houdt op de Schelde vlak tegenover Dona Hermoine’s landhuis, om den slaap van Alva’s dochter te bewaken. Want Chester heeft niet zooveel vertrouwen als zijn beminde in de afwezigheid van stroopende Geuzen en is vast besloten, dat geen andere zeeroover zijn schat zal wegvoeren.Geholpen door het tij, stevent Guy’s schip de Schelde op, en hij bereikt de Antwerpsche dokken vroeg genoeg, om een paar uren slaap voor het aanbreken van den dag te genieten. Bij het gloren van den ochtend is hij weer op.Als hij zijn orders aan Martin Corker geeft, die in last heeft het lossen van de carga, voornamelijk bestaande uit zijde, te bespoedigen, geeft deze hem een antwoord, dat hem met verbazing vervult.“Wij hebben geen handen genoeg meer om het vlug te doen,” moppert de bootsman.“Hoezoo? Gij hebt toch dertig man!”“Dertig gisteren—maar Bodé Volckers, wien gij mij hebt gelast te gehoorzamen, kwam hier gisteravond voor zonsondergang en nam twaalf man met hun plunje en beddegoed mee, om in de stad te slapen.”“Het is goed,” antwoordt de kapitein, doch begeeft zich haastig naar het huis van den burgemeester, om hem naar de reden van zijn handelwijze te vragen.Het gelukt hem met Bodé Volckers onmiddellijk een onderhoud te krijgen, daar deze reeds op zijn kantoor is, en daar verneemt hij, dat de koopman dit zaakje van schat-stelen heeft aangepakt op een echte koopmansmanier.“Wij hebben al een begin gemaakt,” zegt Niklaas. “Laat nu alles maar aan mij over. Het is beter, dat gij niet veel in de zaak wordt gemoeid. Ik ben gemakkelijk genoeg te weten gekomen van werklieden aan de dokken, dat de oude senora Sebastian, die ‘de Stomme Duivelin’ wordt genoemd, tengevolge van haar boos humeur en omdat zij het vermogen mist, dit met haar tong te uiten,—een herberg voor zeelieden houdt en haar tijd verdeelt tusschen rumdrinken en slapen. Zij heeft echter niet veel meer te doen, daar het verkeer in de haven veel minder is geworden sinds dien vervloekten tienden penning.”“Ja,” antwoordt Guy, “de dokken zijn niet half zoo vol schepen. Maar wat heeft dit met onze zaak te maken?”“Dit: als er weinig schepen zijn, zijn er ook weinig matrozen, en ‘de Stomme Duivelin’ had er den vorigen nacht maar twee, een Noor en een Franschman. Nu heeft zij er veertien, twaalf van uw schip, die nu de meerderheid uitmaken en hun bagage en hun stroozakken hebben meegenomen.”“Wat is uw plan?”“Wij maken den Noor en den Franschman dronken—stomdronken; brengen hen dronken naar een van mijn schepen, en morgen vroeg ontwaken zij in open zee, buiten de Schelde, op weg naar het andere einde der wereld. Dan maken wij ‘de Stomme Duivelin’ ook dronken en bewusteloos; laten de twee ledige slaapplaatsen door nog twee van uw matrozen innemen—gij hebt immers vertrouwde lieden?”“Zeker. Zij weten, dat hun leven afhangt van hun voorzichtigheid.”“Daarna kunnen er geen logeergasten meer in het huis worden opgenomen, omdat er geen plaats meer is, en wij hebben er eenige uren de vrije beschikking over; gedurende dien tijd kunnen wij onderzoeken, of niets ons meer in den weg staat, om ons van Alva’s schat meester te maken. Vervolgens kunnen uw matrozen het geld overdag wegbrengen in hun bedden—zij vullen daartoe de stroozakken met dubloenen, in plaats van met stroo—en worden vervangen door nieuwe matrozen, die eveneens hun bedden medebrengen.”“Dat is een goed plan,” antwoordt Guy, nadenkend, “een beter zou ik niet weten. Er dreigt echter misschien nog een gevaar. Wordt het huis bewaakt door een van Alva’s agenten?”“Daar heb ik onderzoek naar gedaan, en ik meen te weten, dat niemand, die in betrekking staat tot Alva en het Spaansche gouvernement, ooit in de buurt van het huis is geweest, sinds het verhuurd is aan senora Sebastian. Maar,” voegt de koopman er aan toe, het hoofd schuddend, “daarop ben ik toch volstrekt niet gerust! Denkt gij, dat zulk een sluw man geen voorzorgen zou nemen, om zich voortdurend op de hoogte te stellen van de veiligheid van zijn schat? Let op mijn woorden, er is iets in Alva’s standbeeld, waarvan wij niets weten.”“Als gij bang zijt het waagstuk te beproeven, ik niet,” zegt Guy op vastbesloten toon. “Laat het dan maar aan mij over.”“Nu, misschien is het ook beter, dat gij er het eerst ingaat,” antwoordt Bodé Volckers. “Gij hebt het grootste belang bij de zaak. En als het tot vechten mocht komen, dan hebt gij duizend kansen tegen ik geen enkele.”Zoo wordt het dus afgesproken, en Bodé Volckers kwijt zich met grooten ijver van zijn taak. Vier uur later zijn de Noor en de Franschman dronken; den volgenden morgen worden zij wakker, zwalkend op den oceaan, aan boord van een schip naar Indië, een reis, die drie jaren zal duren. Als het duister wordt, gaat de koopman naar Chester, die in zijn kantoor heeft zitten wachten en fluistert:“‘De Stomme Duivelin’ is stomdronken; sla nu uw slag.”“Wijs mij den weg.” En Guy neemt Corker mede en wordt door Niklaas gebracht in een straat dicht bij de Esplanade, waar te midden van andere bouwvallige en vuile woningen het huis van senora Sebastian staat. Een van Guy’s matrozen laat hen binnen, daar de koopman hem niet verder heeft durven vergezellen dan tot aan de deur.“Waar is de meesteres van het huis?”“Stomdronken boven, commandant,” fluistert de man. “Een uur geleden tierde zij nog, maar nu zal zij den geheelen nacht wel snorken,—zij is stom maar snorkt toch als Neptunus.”Chester overtuigt zich hiervan, en een rumflesch onder haar bereik leggende, om te zorgen, dat als zij mocht wakker worden, zij hen toch niet zal storen, komt hij weer haastig naar beneden en roept uit: “Aan het werk!”En Guy en Corker gaan den kelder in en aan den arbeid bij het licht van een flikkerende olielamp.Tot groote vreugde van Chester, vindt hij, nadat hij de vier zware steenen in het midden heeft opgenomen, een luik, met een ring om het op te trekken in het midden. Het is echter niet te bewegen, en bezwijkt niet voor hun vereende krachten, voordat zij een ijzeren bout hebben gebruikt. Na een haastig onderzoek komen zij tot het besluit, dat het klaarblijkelijk gedurende twee of drie jaren niet van de plaats is geweest en dat de tijd het er zoo vast in heeft gemetseld. Als zij er eindelijk in zijn geslaagd, het op te lichten, zien zij een nauwe schacht voor zich met een ladder, die naar beneden leidt.De schacht is nauwelijks tien voet diep, en als zijde flikkerende lantaarn omlaag houden, ontdekken zij een gang, die in de juiste richting leidt.“Houd gij,” fluistert Guy tot Corker, “nu hier de wacht. Indien gij wordt aangevallen, verdedig u dan zoo goed als gij kunt, en waarschuw en red mij als het mogelijk is. Zoo niet, blijf dan waar gij zijt.”“Het was beter, dat gij mij met u mee liet gaan, commandant!”“Neen, ik wil mijn eigen leven eerst wagen. Ik heb de teekeningen, ik heb het licht, ik heb de sleutels.”Terwijl hij de lantaarn eerst tot op den bodem houdt, om er zich van te overtuigen, dat er in de gang geen bedorven lucht is, die hem zou kunnen doen stikken, daalt Chester omlaag en vindt een geplaveide gang, nauwelijks breed genoeg voor twee menschen om elkaar voorbij te gaan, met een gewelfde zoldering. Hij loopt de gang ten einde, volkomen kalm van hoofd, al klopt zijn hart ook iets sneller.Na tweehonderd voet stuit hij op de eerste ijzeren deuren. Deze zijn buitengewoon sterk en zouden voor niets bezwijken, behalve voor een ontploffing. Hij leest de verklaring van het gebruik der sleutels nog eens na bij het licht van de lantaarn, ofschoon hij ze reeds uit het hoofd kent, daarna smeert hij den eersten sleutel in met de fijnste olijvenolie en steekt hem in het slot.De sloten zijn blijkbaar in goeden staat en verzekerd tegen vocht en roest. De sleutel draait met gemak rond. Daarna wordt de tweede geprobeerd—weer springt de schoot terug—daarna de derde, eveneens met goeden uitslag. Als hij den laatstensleutel er uittrekt, ziet Chester, hoe bewonderenswaardig het mechanisme van den Italiaan is, want de twee zware ijzeren deuren zouden bij de aanraking van een kind op hun hengsels draaien.Tot zoover heeft Paciotto hem de waarheid verteld.Hij gaat nu met meer vertrouwen verder. Het tweede paar deuren is onder de gracht, zooals hij kan hooren aan het klotsen van het water boven hem. Zij worden met hetzelfde gemak geopend door den talisman, dien Guy in zijn bezit heeft, zoodat de machinerie zichtbaar wordt, waarvan de ingenieur heeft gesproken, en waarvan hij de teekening in zijn hand houdt, namelijk die, welke de vleugeldeuren reguleert, en die hem zullen doen omkomen door het water van de gracht, als Alva’s standbeeld wordt vernield.Terwijl hij de aanwijzingen op het papier volgt, neemt hij zijn maatregelen om dit te beletten door de verbinding met de gracht af te sluiten, en brengt, teneinde de zaak dubbel veilig te maken, de dubbele deuren weer op haar plaats.Daarna gaat hij verder naar het derde paar deuren. Dit moet hem den toegang tot Alva’s schatkamer verschaffen. Zijn hart bonst, terwijl hij de sleutels nauwkeurig naar volgorde gebruikt—bijna aarzelend, alsof hij bang was voor hetgeen hij daarbinnen zal zien.Eindelijk springen de schooten driemaal terug, hij duwt de deur open en de lantaarn omhoog houdend, wil hij verder gaan, maar hij struikelt plotseling, hij hoort een rinkelend geluid en valt neer te midden van zakken met goud, en zijn lantaarn opheffend, roept hij uit: “Bij den hemel, wat een aanblik vooreen gierigaard!” en daarbij lacht hij, doch zeer zacht, alsof hij vreesde, dat het solide metselwerk van twintig voet dik en het groote bastion van den Hertog, dat zich er boven bevindt, van vloeipapier zijn en alles zullen doorlaten, zelfs een zucht.Zich herstellend, overziet hij vlug den schat en meent hem op minstens vier of vijf millioen te mogen schatten.Daarna gaat hij naar Corker terug, die hem ontvangt met: “Gij zijt niet geslaagd?”“Zeker, alles is in orde. Haal de manschappen.” Hij neemt ze met zich mede en maakt een berekening van den schat; er zijn, voor zoover hij kan zien—hij moge een kleine vergissing begaan—omstreeks honderd negen en zeventig zakken met goud, alle gestempeld met Alva’s wapen, en blijkens het strookje, dat er aan bevestigd is, inhoudende twintig duizend kronen, en ongeveer vierhonderd duizend Spaansche zilveren dollars in ongeveer tweehonderd vijftig zakken. Buitendien is er een sterke kist, die Chester niet opent, maar waarvan hij vermoedt, dat zij juweelen en andere kostbare steenen bevat.Corker als bewaker achterlatend, beveelt hij de mannen, ieder zooveel zakken als zij kunnen in den kelder te dragen en met dit werk voort te gaan, totdat hij terugkomt. Hij zet vier zwaar gewapende mannen bij den ingang op post, om het huis voor een plotselingen aanval te beschermen.En daarna gaat hij met haastigen tred door de duistere straten naar het kantoor van Bodé Volckers die hem ontvangt met—want Chester is niet lang bezig geweest: “Geen succes—wel?—alles gekkenpraat?”“Gekkenpraat,—die vijf millioen waard is!”“Hel en duivel! Vijf millioen! God zegene u, mijn brave jongen. Laat ons er dan aanstonds beslag op gaan leggen.”“Neen, niemand heeft ons gestoord,” spot Guy. “Daarom juist is het gevaarlijk, Bodé Volckers.”Bodé Volckers is er nu evenmin van terug te houden, Alva’s schat te gaan zien, als men hem vroeger daartoe zou hebben kunnen overhalen; en hij gaat met Guy naar het huis van “de Stomme Duivelin”.Hier gekomen, zegt hij: “Laat nu alles aan mij over. Ik zal het er wel uit krijgen; iedere dollar zal u worden voorgeteld, op mijn eer van koopman.” Waarop Chester antwoordt: “Dat zou mij voldoende waarborg zijn, maar volgens de manier van ons vrijbuiters, heb ik Corker gelast, elken zak te schatten en elk muntstuk op deEsperanzate brengen. Wij zullen in Vlissingen deelen. Maar gij moet het er uit laten halen. Gij zijt beter voor dat werk geschikt dan ik.”En dat is ook zoo, want Bodé Volckers is met hart en ziel bij het werk, terwijl Guy’s gedachten meer in Sandvliet zijn, bij Alva’s dochter.Zoo wordt de zaak dus geschikt; de matrozen zullen ’s nachts al het goud in den kelder dragen, daarna zullen de ijzeren deuren weer gesloten worden en overdag zal Bodé Volckers den schat in de bedden van de matrozen aan boord brengen. Als koopman kan hij dit gemakkelijk doen zonder argwaan te wekken. Den volgenden nacht zal een ander gedeelte der matrozen het zilver uit het gewelf naarden kelder brengen en het overdag op dezelfde wijze vervoeren, alsmede de kist met juweelen.“Als wij het goud hebben ingepalmd, zal het voornaamste van den buit wel binnen zijn,” zegt Bodé Volckers. “Onderwijl zal ik carga in deEsperanzabrengen, om het schip in staat te stellen, Antwerpen weer te verlaten.”“Gij zijt op alles verdacht,” zegt Guy. En hij beveelt Corker, het goud, als het aan boord komt, te bergen onder de hut, daar waar de gesmokkelde haakbussen verstopt zijn geweest, op hun vorige reis naar Antwerpen. Maar op zijn horloge ziende, mompelt hij verschrikt: “Hemel, het is al acht uur! Nu zijn de poorten gesloten, en kan ik niet meer voldoen aan mijn afspraak.”“Ah! Te Sandvliet?” grinnikt de koopman.“Ja.”“Dat dacht ik al. Maar ik kan u nu door de poorten brengen. Zij worden niet meer bewaakt door de Spaansche troepen. Onze burgerwacht doet nu dienst. Luitenant Karloo aan de hoofdpoort is een vriend van mij. Ik zal u bij hem brengen.”Zoo ondervindt Guy weinig belemmering, als Bodé Volckers doorgang voor hem vraagt. Het Spaansche garnizoen is wegens den oorlog in Holland langzamerhand zóó verminderd, dat het nog enkel voldoende is, om de Citadel zelf te bewaken.Chester merkt dit alles met genoegen op en hij begrijpt, dat het hem nu gemakkelijker zal vallen, het goud door de poorten te brengen en in zijn schip te laden, daar er onder de burgerwacht niet die discipline heerscht als onder Alva’s veteranen. Enmet een verruimd hart zeilt Chester nu opnieuw naar Sandvliet, bij zichzelven overleggend: “Nu ik in het bezit ben van haar bruidsschat, is het oogenblik gekomen, om Dona Hermoine zelve tot de mijne te maken!”
Chester heeft ongelukkig maar heel weinig tijd, om zijn toebereidselen te treffen. Het rooven van Alva’s schat moet zoo vlug mogelijk in zijn werk gaan; bovendien wil hij zorgvuldig waken voor den goeden naam van deze vrouw, die hem door alles haar groote liefde bewijst.
Daarom staat de Engelschman dan ook na een half uur, waarin het meisje hem menigen blik heeft gegund in haar liefelijk, rein gemoed, op, om heen te gaan; het kost hem een geweldige inspanning, maar hij is vast besloten, om haar te verlaten.
“O, ga nog niet,” vleit Hermoine. “Gij zijt—gij zijt zoolang weg geweest.”
“Maar ik kom morgen terug.”
“Hoe laat?”
”’s Avonds.”
”’s Avonds? Ach! Dat duurt nog zoo vele seconden.”
“Ik kan niet eerder komen, maar ik zal zoo vroeg mogelijk hier zijn.”
“Waar houdt gij verblijf?”
“Aan boord van het schip, dat mij hierheen bracht uit het Noorden, deEsperanza.”
“DeEsperanza? Het fort Lillo is hier dichter bij.”
“Op Lillo zou de bevelhebber misschien denken, dat ik reeds in staat was, weer dienst te doen. Ik zou mij naar zijn orders hebben te gedragen en niet meer vrij zijn om u te komen bezoeken wanneer ik wil.”
“Ja, gij hebt gelijk. Mijn gewonde held, die den opzienbarenden marsch over de overstroomde landen maakte, heeft wel verdiend, om eenige maanden uit te rusten. Geheel Brabant, Vlaanderen en Spanje weerklonken van den roem van dien marsch.” En het meisje slaat haar armen om zijn hals en fluistert hem woorden van lof toe, die hem overgelukkig zouden maken, als hij niet wist, dat zij bestemd waren voor den dooden Guido Amati. En als zij ziet, dat hij bij zijn besluit volhardt, voegt zij er aan toe: “Als gij dan toch moet gaan, wil ik tenminste nog drie minuten langer van u profiteeren.”
“Op welke manier?”
“Door u naar uw boot te brengen.”
En, haar hand door zijn arm gestoken, slenteren zij langs het smalle paadje, waar het hier en daar geheel donker is onder het dichte loof der populieren. Telkens als zij zulk een donker plekje bereiken, staan zij stil om afscheid te nemen—en hoe meer zij de boot naderen, hoe meer tijd ieder afscheid vergt, zoodat het lang duurt, eer zij het laatste donkere plekje bereikt hebben, en daar staan zij stil en luisteren naar de stemmen der matrozen, die huntegenklinken van de landingsplaats. De mannen zijn zeer vroolijk en doen zich te goed aan den wijn en de eetwaren, die zij hebben meegebracht. En eensklaps slaat het meisje haar armen om den verloren gewaande en fluistert opgewonden: “O, mijn Guido, dat wij toch nooit weer behoefden te scheiden!”
“Die tijd is zeer nabij.”
“Nabij? En Papa weet nog van niets!”
“Toch is die tijd zeer nabij. Ik zweer het bijdit!” En Chester springt, Hermoine met gloeiende wangen achterlatend, de trap aan de landingsplaats af met het vaste besluit, om zijn woorden tot waarheid te maken.
Vreemd genoeg gaat zijn boot de Schelde niet op, maar juist naar den anderen kant en bereikt na twee uren met veel moeite, daar het tij tegen is, deDover Lass, waar Chester in zijn verliefde bezorgdheid in zijn hut een lange beraadslaging houdt met Dalton.
Het onmiddellijk resultaat hiervan is, dat de groote sloep wordt uitgezet, geheel bewapend en uitgerust, en dat hij dien nacht en den volgenden de wacht houdt op de Schelde vlak tegenover Dona Hermoine’s landhuis, om den slaap van Alva’s dochter te bewaken. Want Chester heeft niet zooveel vertrouwen als zijn beminde in de afwezigheid van stroopende Geuzen en is vast besloten, dat geen andere zeeroover zijn schat zal wegvoeren.
Geholpen door het tij, stevent Guy’s schip de Schelde op, en hij bereikt de Antwerpsche dokken vroeg genoeg, om een paar uren slaap voor het aanbreken van den dag te genieten. Bij het gloren van den ochtend is hij weer op.
Als hij zijn orders aan Martin Corker geeft, die in last heeft het lossen van de carga, voornamelijk bestaande uit zijde, te bespoedigen, geeft deze hem een antwoord, dat hem met verbazing vervult.
“Wij hebben geen handen genoeg meer om het vlug te doen,” moppert de bootsman.
“Hoezoo? Gij hebt toch dertig man!”
“Dertig gisteren—maar Bodé Volckers, wien gij mij hebt gelast te gehoorzamen, kwam hier gisteravond voor zonsondergang en nam twaalf man met hun plunje en beddegoed mee, om in de stad te slapen.”
“Het is goed,” antwoordt de kapitein, doch begeeft zich haastig naar het huis van den burgemeester, om hem naar de reden van zijn handelwijze te vragen.
Het gelukt hem met Bodé Volckers onmiddellijk een onderhoud te krijgen, daar deze reeds op zijn kantoor is, en daar verneemt hij, dat de koopman dit zaakje van schat-stelen heeft aangepakt op een echte koopmansmanier.
“Wij hebben al een begin gemaakt,” zegt Niklaas. “Laat nu alles maar aan mij over. Het is beter, dat gij niet veel in de zaak wordt gemoeid. Ik ben gemakkelijk genoeg te weten gekomen van werklieden aan de dokken, dat de oude senora Sebastian, die ‘de Stomme Duivelin’ wordt genoemd, tengevolge van haar boos humeur en omdat zij het vermogen mist, dit met haar tong te uiten,—een herberg voor zeelieden houdt en haar tijd verdeelt tusschen rumdrinken en slapen. Zij heeft echter niet veel meer te doen, daar het verkeer in de haven veel minder is geworden sinds dien vervloekten tienden penning.”
“Ja,” antwoordt Guy, “de dokken zijn niet half zoo vol schepen. Maar wat heeft dit met onze zaak te maken?”
“Dit: als er weinig schepen zijn, zijn er ook weinig matrozen, en ‘de Stomme Duivelin’ had er den vorigen nacht maar twee, een Noor en een Franschman. Nu heeft zij er veertien, twaalf van uw schip, die nu de meerderheid uitmaken en hun bagage en hun stroozakken hebben meegenomen.”
“Wat is uw plan?”
“Wij maken den Noor en den Franschman dronken—stomdronken; brengen hen dronken naar een van mijn schepen, en morgen vroeg ontwaken zij in open zee, buiten de Schelde, op weg naar het andere einde der wereld. Dan maken wij ‘de Stomme Duivelin’ ook dronken en bewusteloos; laten de twee ledige slaapplaatsen door nog twee van uw matrozen innemen—gij hebt immers vertrouwde lieden?”
“Zeker. Zij weten, dat hun leven afhangt van hun voorzichtigheid.”
“Daarna kunnen er geen logeergasten meer in het huis worden opgenomen, omdat er geen plaats meer is, en wij hebben er eenige uren de vrije beschikking over; gedurende dien tijd kunnen wij onderzoeken, of niets ons meer in den weg staat, om ons van Alva’s schat meester te maken. Vervolgens kunnen uw matrozen het geld overdag wegbrengen in hun bedden—zij vullen daartoe de stroozakken met dubloenen, in plaats van met stroo—en worden vervangen door nieuwe matrozen, die eveneens hun bedden medebrengen.”
“Dat is een goed plan,” antwoordt Guy, nadenkend, “een beter zou ik niet weten. Er dreigt echter misschien nog een gevaar. Wordt het huis bewaakt door een van Alva’s agenten?”
“Daar heb ik onderzoek naar gedaan, en ik meen te weten, dat niemand, die in betrekking staat tot Alva en het Spaansche gouvernement, ooit in de buurt van het huis is geweest, sinds het verhuurd is aan senora Sebastian. Maar,” voegt de koopman er aan toe, het hoofd schuddend, “daarop ben ik toch volstrekt niet gerust! Denkt gij, dat zulk een sluw man geen voorzorgen zou nemen, om zich voortdurend op de hoogte te stellen van de veiligheid van zijn schat? Let op mijn woorden, er is iets in Alva’s standbeeld, waarvan wij niets weten.”
“Als gij bang zijt het waagstuk te beproeven, ik niet,” zegt Guy op vastbesloten toon. “Laat het dan maar aan mij over.”
“Nu, misschien is het ook beter, dat gij er het eerst ingaat,” antwoordt Bodé Volckers. “Gij hebt het grootste belang bij de zaak. En als het tot vechten mocht komen, dan hebt gij duizend kansen tegen ik geen enkele.”
Zoo wordt het dus afgesproken, en Bodé Volckers kwijt zich met grooten ijver van zijn taak. Vier uur later zijn de Noor en de Franschman dronken; den volgenden morgen worden zij wakker, zwalkend op den oceaan, aan boord van een schip naar Indië, een reis, die drie jaren zal duren. Als het duister wordt, gaat de koopman naar Chester, die in zijn kantoor heeft zitten wachten en fluistert:“‘De Stomme Duivelin’ is stomdronken; sla nu uw slag.”
“Wijs mij den weg.” En Guy neemt Corker mede en wordt door Niklaas gebracht in een straat dicht bij de Esplanade, waar te midden van andere bouwvallige en vuile woningen het huis van senora Sebastian staat. Een van Guy’s matrozen laat hen binnen, daar de koopman hem niet verder heeft durven vergezellen dan tot aan de deur.
“Waar is de meesteres van het huis?”
“Stomdronken boven, commandant,” fluistert de man. “Een uur geleden tierde zij nog, maar nu zal zij den geheelen nacht wel snorken,—zij is stom maar snorkt toch als Neptunus.”
Chester overtuigt zich hiervan, en een rumflesch onder haar bereik leggende, om te zorgen, dat als zij mocht wakker worden, zij hen toch niet zal storen, komt hij weer haastig naar beneden en roept uit: “Aan het werk!”
En Guy en Corker gaan den kelder in en aan den arbeid bij het licht van een flikkerende olielamp.
Tot groote vreugde van Chester, vindt hij, nadat hij de vier zware steenen in het midden heeft opgenomen, een luik, met een ring om het op te trekken in het midden. Het is echter niet te bewegen, en bezwijkt niet voor hun vereende krachten, voordat zij een ijzeren bout hebben gebruikt. Na een haastig onderzoek komen zij tot het besluit, dat het klaarblijkelijk gedurende twee of drie jaren niet van de plaats is geweest en dat de tijd het er zoo vast in heeft gemetseld. Als zij er eindelijk in zijn geslaagd, het op te lichten, zien zij een nauwe schacht voor zich met een ladder, die naar beneden leidt.
De schacht is nauwelijks tien voet diep, en als zijde flikkerende lantaarn omlaag houden, ontdekken zij een gang, die in de juiste richting leidt.
“Houd gij,” fluistert Guy tot Corker, “nu hier de wacht. Indien gij wordt aangevallen, verdedig u dan zoo goed als gij kunt, en waarschuw en red mij als het mogelijk is. Zoo niet, blijf dan waar gij zijt.”
“Het was beter, dat gij mij met u mee liet gaan, commandant!”
“Neen, ik wil mijn eigen leven eerst wagen. Ik heb de teekeningen, ik heb het licht, ik heb de sleutels.”
Terwijl hij de lantaarn eerst tot op den bodem houdt, om er zich van te overtuigen, dat er in de gang geen bedorven lucht is, die hem zou kunnen doen stikken, daalt Chester omlaag en vindt een geplaveide gang, nauwelijks breed genoeg voor twee menschen om elkaar voorbij te gaan, met een gewelfde zoldering. Hij loopt de gang ten einde, volkomen kalm van hoofd, al klopt zijn hart ook iets sneller.
Na tweehonderd voet stuit hij op de eerste ijzeren deuren. Deze zijn buitengewoon sterk en zouden voor niets bezwijken, behalve voor een ontploffing. Hij leest de verklaring van het gebruik der sleutels nog eens na bij het licht van de lantaarn, ofschoon hij ze reeds uit het hoofd kent, daarna smeert hij den eersten sleutel in met de fijnste olijvenolie en steekt hem in het slot.
De sloten zijn blijkbaar in goeden staat en verzekerd tegen vocht en roest. De sleutel draait met gemak rond. Daarna wordt de tweede geprobeerd—weer springt de schoot terug—daarna de derde, eveneens met goeden uitslag. Als hij den laatstensleutel er uittrekt, ziet Chester, hoe bewonderenswaardig het mechanisme van den Italiaan is, want de twee zware ijzeren deuren zouden bij de aanraking van een kind op hun hengsels draaien.
Tot zoover heeft Paciotto hem de waarheid verteld.
Hij gaat nu met meer vertrouwen verder. Het tweede paar deuren is onder de gracht, zooals hij kan hooren aan het klotsen van het water boven hem. Zij worden met hetzelfde gemak geopend door den talisman, dien Guy in zijn bezit heeft, zoodat de machinerie zichtbaar wordt, waarvan de ingenieur heeft gesproken, en waarvan hij de teekening in zijn hand houdt, namelijk die, welke de vleugeldeuren reguleert, en die hem zullen doen omkomen door het water van de gracht, als Alva’s standbeeld wordt vernield.
Terwijl hij de aanwijzingen op het papier volgt, neemt hij zijn maatregelen om dit te beletten door de verbinding met de gracht af te sluiten, en brengt, teneinde de zaak dubbel veilig te maken, de dubbele deuren weer op haar plaats.
Daarna gaat hij verder naar het derde paar deuren. Dit moet hem den toegang tot Alva’s schatkamer verschaffen. Zijn hart bonst, terwijl hij de sleutels nauwkeurig naar volgorde gebruikt—bijna aarzelend, alsof hij bang was voor hetgeen hij daarbinnen zal zien.
Eindelijk springen de schooten driemaal terug, hij duwt de deur open en de lantaarn omhoog houdend, wil hij verder gaan, maar hij struikelt plotseling, hij hoort een rinkelend geluid en valt neer te midden van zakken met goud, en zijn lantaarn opheffend, roept hij uit: “Bij den hemel, wat een aanblik vooreen gierigaard!” en daarbij lacht hij, doch zeer zacht, alsof hij vreesde, dat het solide metselwerk van twintig voet dik en het groote bastion van den Hertog, dat zich er boven bevindt, van vloeipapier zijn en alles zullen doorlaten, zelfs een zucht.
Zich herstellend, overziet hij vlug den schat en meent hem op minstens vier of vijf millioen te mogen schatten.
Daarna gaat hij naar Corker terug, die hem ontvangt met: “Gij zijt niet geslaagd?”
“Zeker, alles is in orde. Haal de manschappen.” Hij neemt ze met zich mede en maakt een berekening van den schat; er zijn, voor zoover hij kan zien—hij moge een kleine vergissing begaan—omstreeks honderd negen en zeventig zakken met goud, alle gestempeld met Alva’s wapen, en blijkens het strookje, dat er aan bevestigd is, inhoudende twintig duizend kronen, en ongeveer vierhonderd duizend Spaansche zilveren dollars in ongeveer tweehonderd vijftig zakken. Buitendien is er een sterke kist, die Chester niet opent, maar waarvan hij vermoedt, dat zij juweelen en andere kostbare steenen bevat.
Corker als bewaker achterlatend, beveelt hij de mannen, ieder zooveel zakken als zij kunnen in den kelder te dragen en met dit werk voort te gaan, totdat hij terugkomt. Hij zet vier zwaar gewapende mannen bij den ingang op post, om het huis voor een plotselingen aanval te beschermen.
En daarna gaat hij met haastigen tred door de duistere straten naar het kantoor van Bodé Volckers die hem ontvangt met—want Chester is niet lang bezig geweest: “Geen succes—wel?—alles gekkenpraat?”
“Gekkenpraat,—die vijf millioen waard is!”
“Hel en duivel! Vijf millioen! God zegene u, mijn brave jongen. Laat ons er dan aanstonds beslag op gaan leggen.”
“Neen, niemand heeft ons gestoord,” spot Guy. “Daarom juist is het gevaarlijk, Bodé Volckers.”
Bodé Volckers is er nu evenmin van terug te houden, Alva’s schat te gaan zien, als men hem vroeger daartoe zou hebben kunnen overhalen; en hij gaat met Guy naar het huis van “de Stomme Duivelin”.
Hier gekomen, zegt hij: “Laat nu alles aan mij over. Ik zal het er wel uit krijgen; iedere dollar zal u worden voorgeteld, op mijn eer van koopman.” Waarop Chester antwoordt: “Dat zou mij voldoende waarborg zijn, maar volgens de manier van ons vrijbuiters, heb ik Corker gelast, elken zak te schatten en elk muntstuk op deEsperanzate brengen. Wij zullen in Vlissingen deelen. Maar gij moet het er uit laten halen. Gij zijt beter voor dat werk geschikt dan ik.”
En dat is ook zoo, want Bodé Volckers is met hart en ziel bij het werk, terwijl Guy’s gedachten meer in Sandvliet zijn, bij Alva’s dochter.
Zoo wordt de zaak dus geschikt; de matrozen zullen ’s nachts al het goud in den kelder dragen, daarna zullen de ijzeren deuren weer gesloten worden en overdag zal Bodé Volckers den schat in de bedden van de matrozen aan boord brengen. Als koopman kan hij dit gemakkelijk doen zonder argwaan te wekken. Den volgenden nacht zal een ander gedeelte der matrozen het zilver uit het gewelf naarden kelder brengen en het overdag op dezelfde wijze vervoeren, alsmede de kist met juweelen.
“Als wij het goud hebben ingepalmd, zal het voornaamste van den buit wel binnen zijn,” zegt Bodé Volckers. “Onderwijl zal ik carga in deEsperanzabrengen, om het schip in staat te stellen, Antwerpen weer te verlaten.”
“Gij zijt op alles verdacht,” zegt Guy. En hij beveelt Corker, het goud, als het aan boord komt, te bergen onder de hut, daar waar de gesmokkelde haakbussen verstopt zijn geweest, op hun vorige reis naar Antwerpen. Maar op zijn horloge ziende, mompelt hij verschrikt: “Hemel, het is al acht uur! Nu zijn de poorten gesloten, en kan ik niet meer voldoen aan mijn afspraak.”
“Ah! Te Sandvliet?” grinnikt de koopman.
“Ja.”
“Dat dacht ik al. Maar ik kan u nu door de poorten brengen. Zij worden niet meer bewaakt door de Spaansche troepen. Onze burgerwacht doet nu dienst. Luitenant Karloo aan de hoofdpoort is een vriend van mij. Ik zal u bij hem brengen.”
Zoo ondervindt Guy weinig belemmering, als Bodé Volckers doorgang voor hem vraagt. Het Spaansche garnizoen is wegens den oorlog in Holland langzamerhand zóó verminderd, dat het nog enkel voldoende is, om de Citadel zelf te bewaken.
Chester merkt dit alles met genoegen op en hij begrijpt, dat het hem nu gemakkelijker zal vallen, het goud door de poorten te brengen en in zijn schip te laden, daar er onder de burgerwacht niet die discipline heerscht als onder Alva’s veteranen. Enmet een verruimd hart zeilt Chester nu opnieuw naar Sandvliet, bij zichzelven overleggend: “Nu ik in het bezit ben van haar bruidsschat, is het oogenblik gekomen, om Dona Hermoine zelve tot de mijne te maken!”
HOOFDSTUK XX.“PAPA KOMT! NU ZAL IK HET DOEN!”“Het is al over tienen—maar beter laat dan nooit,” denkt Guy, als hij uit de boot springt, de trap opvliegt en met haastige schreden het smalle pad naar Sandvliet opsnelt. “Drommels! Zij is nog niet naar bed gegaan,” lacht hij, ziende, dat de vertrekken, waarin Hermoine hem gisteren heeft ontvangen, nog helder verlicht zijn. Hij laat den koperen klopper op de deur vallen.Deze wordt terstond geopend door Alida, die reeds op hem schijnt te wachten. Zij fluistert haastig: “Excellentissima wacht u.”“Is zij alleen?”“Ja, senor coronel.”Chester licht de draperieën van de deur op, en een blik slaande in het vertrek, geraakt hij geheel en al in verrukking over het schoone tooneel, dat zich aan zijn oogen vertoont.De kamer is verlicht door hanglampen, gevuld met welriekende olie, en versierd met bloemen van Venetiaansch glas, doch te midden van die prachtstaat met een pruilend mondje de godin van dit feeënverblijf. Zij is gekleed in een licht gazen avondtoilet van het bleekste amber. De golvende souple stof omgeeft haar als een wolk, waaruit haar ronde armen, haar fraaie hals en schouders te voorschijn komen—blinkende in het stralende licht als een lichte zomerwolk, die even gekleurd is door de zonnestralen. Op haar sierlijken hals rust een even schoon gelaat, omlijst door het zachte en golvende zwarte haar, getooid met bloemen, en in het gelaat schitteren twee verontwaardigde oogen. Zóó staat zij daar, als een fee in een sprookje.Zij is, zooals het schijnt, geducht uit haar humeur, want een klein voetje, dat onder haar rok van Mechelsche kant komt uitgluren, trappelt ongeduldig op den vloer, en haar oogen, ofschoon zij toornig vlammen, staan vol tranen als Guy binnenkomt. Maar in het volgende oogenblik komt er een uitdrukking van geluk over haar gelaat en is zij aan zijn zijde, om hem een welkom toe te fluisteren. “Ik dacht, dat gij nooit zoudt komen. Gij scheent geen groot verlangen naar mij te hebben!”“Ik werd opgehouden door zaken.”“Zaken? Welke zaken heeft een luierende dandy?” en Dona Hermoine steekt haar neusje in de lucht.“Ja, door zaken, namelijk om mijn vermogen in zulk een staat te brengen, dat ik er flink mee voor den dag kan komen bij uw vader, als ik hem om uw hand vraag,” antwoordt Guy, voor een enkelen keer de waarheid sprekend.“O, daaraan hadt gij niet behoeven te denken,” roept het meisje uit, “ik heb geld genoeg voor onsbeiden. Denkt gij misschien, dat ik u om uw geld trouw, Guido, als ik vorstelijke bezittingen in Italië heb, die alle de uwe zullen worden, mijn meester en heer?” En zij maakt een buiging voor hem en vleit: “Gij hebt mij nog maar eens gekust!”“Hoe kan ik anders, als gij uw neus in de lucht steekt?”“Dat bracht mijn lippen nader tot de uwe,” lacht zij.Doch het verdere gedeelte van den avond heeft zij geen reden, om zich opnieuw over zijn verwaarloozing te beklagen; want Guy is geheel en al betooverd door haar schoonheid, die hem heerlijker dan ooit toeschijnt, en hij drinkt haar in, zooals een man den zwaren wijn drinkt, die hem het hoofd doet verliezen.“Gij hebt toilet gemaakt als voor een feest,” fluistert hij in het rose oortje, dat dicht bij hem is.“Doch enkel voor u; gij herinnert u, mijn heer, dat gij mij hebt bevolen, geen gasten uit te noodigen.”“En gij hebt mij gehoorzaamd?”“Ja—wordt gij dan niet mijn heer?”“Gij zoudt mij dus evengoed gehoorzamen als een vader?” lacht Chester.“O, veel beter! Papa zegt, dat ik zijn tyran ben en de ware viceroy der Nederlanden, doch dat is niet waar,” zegt het meisje met overtuiging; daarna zucht zij: “Als dat zoo was, was dit land een ander,”—en daarna roept zij op haar ouden toon uit: “Maar laten wij daarvan niet spreken, verjaag uit mijn gedachten wat mij zoovele tranen heeftveroorzaakt. Laat mij er slechts aan denken, dat wij bij elkaar zijn—gelukkig! En ik heb mij voorgenomen, u dezen avond heel gelukkig te maken, mijn Guido.”“Het is onmogelijk mij nog gelukkiger te maken, dan ik reeds ben,” fluistert Guy, in verrukking het schoone meisje beschouwend, dat hij zoo spoedig de zijne hoopt te nemen.“En toch kan ik dat nog. Gij weet niet, welke verrassing ik voor u heb weggelegd. Het kwam mij voor, dat wij u den vorigen avond niet aangenaam genoeg bezighielden. Ik had met de gravin De Pariza willen spreken, als zij vandaag hier was gekomen, en speellieden uit Antwerpen willen ontbieden, om muziek voor ons te maken op het water voor de vensters. Dat zou romantisch geweest zijn, zooals in den tijd der troubadours, en geleken hebben op een Venetiaanschen nacht, nietwaar, mijn Guido?”“Daar zal ik een volgenden keer voor zorgen,” fluistert de verrukte Chester.“Maar toch heb ik voor u gedaan, wat ik kon. Mijn Moorsche meisjes zullen later voor u spelen en dansen—voor het oogenblik wil ikzelve trachten u te amuseeren. Ik meende uit een opmerking van gisteravond te moeten opmaken, dat gij denkt, dat ik geen talenten bezit. Luister!” En ondanks Guy’s protest, die niets anders verlangt, dan zijn meisje het hof te maken, neemt de jonge dame van een stoel een mandoline, waarmee zij blijkbaar den tijd heeft gedood, totdat hij kwam, gaat zitten en begint, hem aankijkend, een liefelijk preludium te tokkelen. En daarna zingt de stem, waarvan de HollandscheWatergeus zeide, dat zij gelijk was aan de engelenstem van het orgel in Amsterdam, een Moorsch lied voor hem, zoet, tropisch, zwaarmoedig, met die gratie en zoetvloeiendheid, die alleen eigen zijn aan het zonnig Italië en Spanje. Het schoone en betooverende van dit alles wordt nog verhoogd door de teedere blikken, waarvan de zangeres haar gezang doet vergezeld gaan, en het lied eindigt dan ook met een verrassing; want de laatste toon, ofschoon bestemd voor zijn oor, wordt regelrecht gericht op de lange snor van haar verloofde en afgebroken op een wijze, die in de muziekgeschiedenis onbekend is.“Madre mia!” lacht het meisje, “men zou denken dat gij de componist van het stuk waart. Gij hebt mijn mooie hooge noot wreedaardig vermoord.”“Laat mij haar vervolgen!” Dit komt van een ruwe, snerpende stem achter hen.En als het paar opschrikt, zien zij Hermoine’s duena voor zich, de gravin De Pariza, die hen ontsteld aanstaart, en het opnemend voor de beleedigde etiquette, uitbarst:“Ik was van plan geweest, Dona de Alva, vanmiddag terug te komen, doch werd opgehouden door boodschappen in de stad. En nu ik terugkeer, kom ik tot de ontdekking, dat ik niet had moeten heengaan. Ik ben verbaasd, dat iemand, die door mij is opgevoed,alleeneen cavalier ontvangt.”“Niet als die cavalier mijn toekomstige echtgenoot is, kolonel Guido Amati. Gij hebt hem, zooals gij u wel zult herinneren, reeds vroeger gezien, bij den koopman Bodé Volckers. Gij—”Doch op dit oogenblik gilt haar duena met rollende oogen:“Guido Amati! De man, die gesneuveld is! O hemel, een geest! Heilige Maagd, bewaar mij voor den geest!” en zij zinkt neer, Latijnsche gebeden prevelend.Hermoine begint echter te lachen: “Neen, niet dood! Gij behoeft hem niet te bezweren! Dit is vleesch en bloed, laat hij u maar eens aanraken met zijn lippen!”Waarop Chester protesteert: “Neen, neen!”“Ja, ja, kus haar de hand. Zij is zeer gesteld op een ridderlijk huldebetoon, kus haar de hand! Ik geef u verlof. Ik zal niet jaloersch zijn, Guido mio.”En toegevende, drukt Guy lachend een kus op de dorre handen, die zijn opgeheven tot een gebed.Deze aanraking schijnt haar te kalmeeren, en bemerkende, dat hij geen geest is, staat de gravin De Pariza op en wordt weer geheel duena, terwijl zij op hoogen toon zegt: “Als kolonel Guido Amati dan geen geest is, moet ik dien edelman verzoeken, zijn bezoeken hier te staken, totdat ik den hertog van Alva heb ingelicht aangaande zijn bedoelingen.”“De edelman zal zijn bezoeken in mijn huis niet staken!” antwoordt Hermoine met een verontwaardigde flikkering in haar oogen.“Gij vergeet, dat gij tot uw duena spreekt!”“Bedenk, dat ik Dona de Alva ben!”“Goed, in dat geval schrijf ik terstond aan uw vader.”“Gij zult van dit alles geen woord aan mijn vader overbrengen. Ik zal hem alles vertellen op mijneigen manier en als ik den tijd daartoe gekomen acht.”“Zal ik niet!” krijt de duena. “Zal ik niet! Meent gij, dat ik uw vaders toorn op mij wil laden?”“Laad dan den mijne op u!” roept het meisje uit, en terwijl zij vlak voor haar duena gaat staan, vervolgt zij met vlammende oogen: “Waag het, een woord van dit alles aan wien ook te zeggen, voordat ik het u beveel, en ik vertel mijn vader, dat vier jaren geleden, toen gij meendet, dat ik nog te jong was, om op staatszaken acht te slaan, gij, voor twee duizend kronen, den jongen Brederode hebt gewaarschuwd, zoodat hij Brussel kon ontsnappen om gevangenneming en terechtstelling te ontgaan!”“Welke bewijzen hebt gij daarvoor?” stamelt de gravin.“Geen andere dan Brederode’s brief, waarin hij u dankzegt voor uw waarschuwing en verklaart, dat hij u genoeg had gegeven en niet van plan is, meer te geven. Ik heb dien brief zorgvuldig bewaard. Hebt gij u misschien verbeeld, dat ik u hier bij mij had laten blijven, indien ik u niet naar mijn hand kon zetten, wanneer ik het verkoos?” spot Hermoine.“Ik—ik was in zulk een groote geldverlegenheid,” stamelt La Pariza.“Meent gij, dat dit u zal vrijwaren voor straf? Gij weet, welk vonnis mijn vader doet vellen over een ieder, die behulpzaam is bij een ontvluchting—eerst de pijnbank—en daarna de brandstapel!” Deze vreeselijke bedreiging komt zoo koel over de lippen van het meisje alsof zij een ijsberg ware, enals Chester haar aankijkt, behoeft hij niet te twijfelen dat zijn verloofde Alva’s dochter is.“Neen—neen! Genade!” snikt de gravin.“Dan voor mij op uw knieën, en zweer mij bij het kruis van Christus, dat gij tegen niemand over mijn verloofde zult spreken. Zweer het—op uw knieën en zweer het!” roept Hermoine dreigend uit.“Ik—ik zweer het,” stamelt de duena.“Op uw knieën en met het kruis op uw lippen. Op uw knieën! Zweer het bij de Zeven Heiligen van het Christendom, bij de Twaalf Evangelisten, bij de Vier Apostelen, bij al de sacramenten van de kerk, bij het lichaam van onzen Heer, spijt anathema en dispensatie beide—zweer!”En zich op de knieën werpend, zweert de ontstelde gravin De Pariza den eed, haar voorgezegd door Alva’s dochter, die haar het crucifix tegen de lippen drukt.“Waartoe dat heele relaas?” vraagt Guy, die in verbazing het tooneel heeft aanschouwd, waarin Dona Hermoine hem een nieuwen blik op haar karakter geeft.“Omdat ik haar niet vertrouw,” antwoordt het meisje. “Het moet een sluwe priester zijn, die het nu uit haar krijgt. Breek dien eed en uw ziel vliegt rechtstreeks door het vagevuur naar de eindelooze hellepijn, gravin De Pariza.”“Ik—ik meende altijd, dat gij van mij hieldt,” stamelt de duena opstaande.“Vanuhouden?” herhaalt het meisje met een vreemde flikkering in haar oogen. “Denkt gij, dat ik ben vergeten, dat gij mij, toen ik twaalf jaar was,om de ooren hebt geslagen? Denk niet, dat ik bang voor u ben! Dat is goed voor uw Moorsche slavin, die naar uw kleedkamer gaat als naar de pijnbank. Ik hoorde haar gistermorgen nog gillen onder uw kastijding. Maar heb niet het hart, met uw lafhartige natuur, u op haar te wreken. Neem u in acht voor mij, ik haat wreedheid!Ik ben Alva’s dochter!”Bij deze laatste woorden bijt Guy zich op zijn lippen, om een glimlach te verbergen, en Dona De Pariza laat een half onderdrukten spotlach hooren.Het meisje gaat op haar af en roept uit: “Waag het niet, den schijn aan te nemen alsof gij mijns vaders naam bespot, waag het niet, hem van wreedheid te beschuldigen. Hij is voor mij altijd zoo goed geweest als een engel. Ik wil het niet van uw lippen hooren—noch vaniemandslippen!” want Guy heeft zijn glimlach toch niet geheel kunnen verbergen en zij gaat nu voor hem staan met een hooghartige uitdrukking op haar gelaat, zeggende: “Vergeet niet, dat ik de dochter van den Viceroy ben.”“Boete!” lacht Chester.“O ja—o—o—ik vergat het! Ja, mijn heer!” zegt zij, een buiging voor hem makend. En als hij de boete opeischt, fluistert zij: “O santos! wat zijt gij een kwelgeest—gij kust mij, zoo vaak als gij er de kans schoon toe ziet.”Dit tooneel beschouwt de duena in de uiterste verbazing, terwijl zij in zichzelve mompelt: “God zij geloofd, juffertje-driftkop heeft eindelijk haar meester gevonden! Die verloopen doordraaier Guido Amati zal haar naar zijn pijpen doen dansen, daarvoorsta ik borg!” en daarna gaat zij naar haar kamer, het paartje alleen latend,—waarom het volstrekt niet rouwig is.Als La Pariza hen een oogenblik later had kunnen beluisteren, zou zij nog meer verbaasd zijn geweest, want zij zou dan hebben bemerkt, dat kolonel Guido Amati Dona Hermoine een boetpredikatie houdt over de noodzakelijkheid, zijn gevoel en zijn tong te beheerschen.Hiernaar luistert het meisje oplettend, met neergeslagen oogen, op een wijze, die Guy wel verwondert maar hem tevens hoogst welgevallig is; want hij heeft de vaste overtuiging, dat er slechts één middel is om dit meisje te veroveren—namelijk haar te ontvoeren, en hij beseft, dat hij, om dat te kunnen doen, haar volkomen moet beheerschen.Maar hij maakt zijn predikatie een weinig te lang en zij roept eensklaps plagend uit: “Bullebak! Bullebak! Ik ben de dochter van den Viceroy!” en danst dan lachend weg. En hij zet haar achterna, om de boete te innen, over tafels en stoelen en divans; Hermoine neemt haar langen sleep op en ontsnapt hem telkens weer op haar vlugge voetjes, totdat hij haar vangt bij de derde portière in de kamer, waarachter hij nog geen blik heeft mogen werpen.Hier wordt zij, terwijl hij haar in zijn armen houdt, eensklaps zeer ernstig en fluistert: “Beknor mij niet; als gij het wilt, zal ik boete doen, mijn Guido, omdat ik u wat uit de hoogte heb behandeld, maar niet omdat ik het haar deed. Hier binnen zal ik vannacht tien Ave Maria’s voor ubidden.” En de gordijnen ter zijde trekkend, toont zij hem de verlichte kapel van het huis; achter de brandende kaarsen staat het schilderij van zijn dooden vriend, het meesterstuk van Oliver, en zij fluistert: “Hier op deze plaats bid ik voor u!”“Ja,” antwoordt Guy met een blik op de liefelijke Madonna, “ik offer zelf aan dat altaar.”“St, niet spotten,” antwoordt het meisje plechtig. “Dit is de kapel, waarin wij getrouwd zullen worden.”Dit denkbeeld verplaatst Guy in den zevenden hemel en hij begaat een groote fout, waarover zij hun eerste werkelijke kibbelpartij hebben, want hij komt zeer handig met het plan van een geheim huwelijk voor den dag.Daarop zegt zij zeer uit de hoogte: “Buiten weten van mijn vader, zonder zijn toestemming, hij, die mij zoo liefheeft? Nooit!” en vier of vijf minuten lang is zij ongenaakbaar voor haar Guido.Hij stapt echter weer even handig van de zaak af en verschoont er zich mee, dat het enkel zijn vurige liefde voor haar is, en dan vergeeft Hermoine hem en zendt hem eindelijk weg, overgelukkig, hartstochtelijker dan ooit, maar met het bewustzijn, dat hij een lastig werk voor zich heeft—om de jonge dame te schaken en toch haar liefde te behouden.Het onderhoud met de gravin De Pariza toont hem, dat spoed een vereischte is voor zijn welslagen en dat elk eenigszins lang uitstel in deze zaak waarschijnlijk noodlottig zal zijn voor zijn voornemen en misschien ook voor zijn leven.Maar het meisje heeft eveneens haar plan van handelen gemaakt, en als er den volgenden morgeneen koerier met brieven uit Holland komt, klapt zij in haar handen vol vreugde over een idee, dat in haar levendig brein plotseling is opgekomen, en zij zegt bij zichzelven: “Papa komt, nu—nu zal ik het doen! Hoera! Ik zal het doen!”
“Het is al over tienen—maar beter laat dan nooit,” denkt Guy, als hij uit de boot springt, de trap opvliegt en met haastige schreden het smalle pad naar Sandvliet opsnelt. “Drommels! Zij is nog niet naar bed gegaan,” lacht hij, ziende, dat de vertrekken, waarin Hermoine hem gisteren heeft ontvangen, nog helder verlicht zijn. Hij laat den koperen klopper op de deur vallen.
Deze wordt terstond geopend door Alida, die reeds op hem schijnt te wachten. Zij fluistert haastig: “Excellentissima wacht u.”
“Is zij alleen?”
“Ja, senor coronel.”
Chester licht de draperieën van de deur op, en een blik slaande in het vertrek, geraakt hij geheel en al in verrukking over het schoone tooneel, dat zich aan zijn oogen vertoont.
De kamer is verlicht door hanglampen, gevuld met welriekende olie, en versierd met bloemen van Venetiaansch glas, doch te midden van die prachtstaat met een pruilend mondje de godin van dit feeënverblijf. Zij is gekleed in een licht gazen avondtoilet van het bleekste amber. De golvende souple stof omgeeft haar als een wolk, waaruit haar ronde armen, haar fraaie hals en schouders te voorschijn komen—blinkende in het stralende licht als een lichte zomerwolk, die even gekleurd is door de zonnestralen. Op haar sierlijken hals rust een even schoon gelaat, omlijst door het zachte en golvende zwarte haar, getooid met bloemen, en in het gelaat schitteren twee verontwaardigde oogen. Zóó staat zij daar, als een fee in een sprookje.
Zij is, zooals het schijnt, geducht uit haar humeur, want een klein voetje, dat onder haar rok van Mechelsche kant komt uitgluren, trappelt ongeduldig op den vloer, en haar oogen, ofschoon zij toornig vlammen, staan vol tranen als Guy binnenkomt. Maar in het volgende oogenblik komt er een uitdrukking van geluk over haar gelaat en is zij aan zijn zijde, om hem een welkom toe te fluisteren. “Ik dacht, dat gij nooit zoudt komen. Gij scheent geen groot verlangen naar mij te hebben!”
“Ik werd opgehouden door zaken.”
“Zaken? Welke zaken heeft een luierende dandy?” en Dona Hermoine steekt haar neusje in de lucht.
“Ja, door zaken, namelijk om mijn vermogen in zulk een staat te brengen, dat ik er flink mee voor den dag kan komen bij uw vader, als ik hem om uw hand vraag,” antwoordt Guy, voor een enkelen keer de waarheid sprekend.
“O, daaraan hadt gij niet behoeven te denken,” roept het meisje uit, “ik heb geld genoeg voor onsbeiden. Denkt gij misschien, dat ik u om uw geld trouw, Guido, als ik vorstelijke bezittingen in Italië heb, die alle de uwe zullen worden, mijn meester en heer?” En zij maakt een buiging voor hem en vleit: “Gij hebt mij nog maar eens gekust!”
“Hoe kan ik anders, als gij uw neus in de lucht steekt?”
“Dat bracht mijn lippen nader tot de uwe,” lacht zij.
Doch het verdere gedeelte van den avond heeft zij geen reden, om zich opnieuw over zijn verwaarloozing te beklagen; want Guy is geheel en al betooverd door haar schoonheid, die hem heerlijker dan ooit toeschijnt, en hij drinkt haar in, zooals een man den zwaren wijn drinkt, die hem het hoofd doet verliezen.
“Gij hebt toilet gemaakt als voor een feest,” fluistert hij in het rose oortje, dat dicht bij hem is.
“Doch enkel voor u; gij herinnert u, mijn heer, dat gij mij hebt bevolen, geen gasten uit te noodigen.”
“En gij hebt mij gehoorzaamd?”
“Ja—wordt gij dan niet mijn heer?”
“Gij zoudt mij dus evengoed gehoorzamen als een vader?” lacht Chester.
“O, veel beter! Papa zegt, dat ik zijn tyran ben en de ware viceroy der Nederlanden, doch dat is niet waar,” zegt het meisje met overtuiging; daarna zucht zij: “Als dat zoo was, was dit land een ander,”—en daarna roept zij op haar ouden toon uit: “Maar laten wij daarvan niet spreken, verjaag uit mijn gedachten wat mij zoovele tranen heeftveroorzaakt. Laat mij er slechts aan denken, dat wij bij elkaar zijn—gelukkig! En ik heb mij voorgenomen, u dezen avond heel gelukkig te maken, mijn Guido.”
“Het is onmogelijk mij nog gelukkiger te maken, dan ik reeds ben,” fluistert Guy, in verrukking het schoone meisje beschouwend, dat hij zoo spoedig de zijne hoopt te nemen.
“En toch kan ik dat nog. Gij weet niet, welke verrassing ik voor u heb weggelegd. Het kwam mij voor, dat wij u den vorigen avond niet aangenaam genoeg bezighielden. Ik had met de gravin De Pariza willen spreken, als zij vandaag hier was gekomen, en speellieden uit Antwerpen willen ontbieden, om muziek voor ons te maken op het water voor de vensters. Dat zou romantisch geweest zijn, zooals in den tijd der troubadours, en geleken hebben op een Venetiaanschen nacht, nietwaar, mijn Guido?”
“Daar zal ik een volgenden keer voor zorgen,” fluistert de verrukte Chester.
“Maar toch heb ik voor u gedaan, wat ik kon. Mijn Moorsche meisjes zullen later voor u spelen en dansen—voor het oogenblik wil ikzelve trachten u te amuseeren. Ik meende uit een opmerking van gisteravond te moeten opmaken, dat gij denkt, dat ik geen talenten bezit. Luister!” En ondanks Guy’s protest, die niets anders verlangt, dan zijn meisje het hof te maken, neemt de jonge dame van een stoel een mandoline, waarmee zij blijkbaar den tijd heeft gedood, totdat hij kwam, gaat zitten en begint, hem aankijkend, een liefelijk preludium te tokkelen. En daarna zingt de stem, waarvan de HollandscheWatergeus zeide, dat zij gelijk was aan de engelenstem van het orgel in Amsterdam, een Moorsch lied voor hem, zoet, tropisch, zwaarmoedig, met die gratie en zoetvloeiendheid, die alleen eigen zijn aan het zonnig Italië en Spanje. Het schoone en betooverende van dit alles wordt nog verhoogd door de teedere blikken, waarvan de zangeres haar gezang doet vergezeld gaan, en het lied eindigt dan ook met een verrassing; want de laatste toon, ofschoon bestemd voor zijn oor, wordt regelrecht gericht op de lange snor van haar verloofde en afgebroken op een wijze, die in de muziekgeschiedenis onbekend is.
“Madre mia!” lacht het meisje, “men zou denken dat gij de componist van het stuk waart. Gij hebt mijn mooie hooge noot wreedaardig vermoord.”
“Laat mij haar vervolgen!” Dit komt van een ruwe, snerpende stem achter hen.
En als het paar opschrikt, zien zij Hermoine’s duena voor zich, de gravin De Pariza, die hen ontsteld aanstaart, en het opnemend voor de beleedigde etiquette, uitbarst:
“Ik was van plan geweest, Dona de Alva, vanmiddag terug te komen, doch werd opgehouden door boodschappen in de stad. En nu ik terugkeer, kom ik tot de ontdekking, dat ik niet had moeten heengaan. Ik ben verbaasd, dat iemand, die door mij is opgevoed,alleeneen cavalier ontvangt.”
“Niet als die cavalier mijn toekomstige echtgenoot is, kolonel Guido Amati. Gij hebt hem, zooals gij u wel zult herinneren, reeds vroeger gezien, bij den koopman Bodé Volckers. Gij—”
Doch op dit oogenblik gilt haar duena met rollende oogen:
“Guido Amati! De man, die gesneuveld is! O hemel, een geest! Heilige Maagd, bewaar mij voor den geest!” en zij zinkt neer, Latijnsche gebeden prevelend.
Hermoine begint echter te lachen: “Neen, niet dood! Gij behoeft hem niet te bezweren! Dit is vleesch en bloed, laat hij u maar eens aanraken met zijn lippen!”
Waarop Chester protesteert: “Neen, neen!”
“Ja, ja, kus haar de hand. Zij is zeer gesteld op een ridderlijk huldebetoon, kus haar de hand! Ik geef u verlof. Ik zal niet jaloersch zijn, Guido mio.”
En toegevende, drukt Guy lachend een kus op de dorre handen, die zijn opgeheven tot een gebed.
Deze aanraking schijnt haar te kalmeeren, en bemerkende, dat hij geen geest is, staat de gravin De Pariza op en wordt weer geheel duena, terwijl zij op hoogen toon zegt: “Als kolonel Guido Amati dan geen geest is, moet ik dien edelman verzoeken, zijn bezoeken hier te staken, totdat ik den hertog van Alva heb ingelicht aangaande zijn bedoelingen.”
“De edelman zal zijn bezoeken in mijn huis niet staken!” antwoordt Hermoine met een verontwaardigde flikkering in haar oogen.
“Gij vergeet, dat gij tot uw duena spreekt!”
“Bedenk, dat ik Dona de Alva ben!”
“Goed, in dat geval schrijf ik terstond aan uw vader.”
“Gij zult van dit alles geen woord aan mijn vader overbrengen. Ik zal hem alles vertellen op mijneigen manier en als ik den tijd daartoe gekomen acht.”
“Zal ik niet!” krijt de duena. “Zal ik niet! Meent gij, dat ik uw vaders toorn op mij wil laden?”
“Laad dan den mijne op u!” roept het meisje uit, en terwijl zij vlak voor haar duena gaat staan, vervolgt zij met vlammende oogen: “Waag het, een woord van dit alles aan wien ook te zeggen, voordat ik het u beveel, en ik vertel mijn vader, dat vier jaren geleden, toen gij meendet, dat ik nog te jong was, om op staatszaken acht te slaan, gij, voor twee duizend kronen, den jongen Brederode hebt gewaarschuwd, zoodat hij Brussel kon ontsnappen om gevangenneming en terechtstelling te ontgaan!”
“Welke bewijzen hebt gij daarvoor?” stamelt de gravin.
“Geen andere dan Brederode’s brief, waarin hij u dankzegt voor uw waarschuwing en verklaart, dat hij u genoeg had gegeven en niet van plan is, meer te geven. Ik heb dien brief zorgvuldig bewaard. Hebt gij u misschien verbeeld, dat ik u hier bij mij had laten blijven, indien ik u niet naar mijn hand kon zetten, wanneer ik het verkoos?” spot Hermoine.
“Ik—ik was in zulk een groote geldverlegenheid,” stamelt La Pariza.
“Meent gij, dat dit u zal vrijwaren voor straf? Gij weet, welk vonnis mijn vader doet vellen over een ieder, die behulpzaam is bij een ontvluchting—eerst de pijnbank—en daarna de brandstapel!” Deze vreeselijke bedreiging komt zoo koel over de lippen van het meisje alsof zij een ijsberg ware, enals Chester haar aankijkt, behoeft hij niet te twijfelen dat zijn verloofde Alva’s dochter is.
“Neen—neen! Genade!” snikt de gravin.
“Dan voor mij op uw knieën, en zweer mij bij het kruis van Christus, dat gij tegen niemand over mijn verloofde zult spreken. Zweer het—op uw knieën en zweer het!” roept Hermoine dreigend uit.
“Ik—ik zweer het,” stamelt de duena.
“Op uw knieën en met het kruis op uw lippen. Op uw knieën! Zweer het bij de Zeven Heiligen van het Christendom, bij de Twaalf Evangelisten, bij de Vier Apostelen, bij al de sacramenten van de kerk, bij het lichaam van onzen Heer, spijt anathema en dispensatie beide—zweer!”
En zich op de knieën werpend, zweert de ontstelde gravin De Pariza den eed, haar voorgezegd door Alva’s dochter, die haar het crucifix tegen de lippen drukt.
“Waartoe dat heele relaas?” vraagt Guy, die in verbazing het tooneel heeft aanschouwd, waarin Dona Hermoine hem een nieuwen blik op haar karakter geeft.
“Omdat ik haar niet vertrouw,” antwoordt het meisje. “Het moet een sluwe priester zijn, die het nu uit haar krijgt. Breek dien eed en uw ziel vliegt rechtstreeks door het vagevuur naar de eindelooze hellepijn, gravin De Pariza.”
“Ik—ik meende altijd, dat gij van mij hieldt,” stamelt de duena opstaande.
“Vanuhouden?” herhaalt het meisje met een vreemde flikkering in haar oogen. “Denkt gij, dat ik ben vergeten, dat gij mij, toen ik twaalf jaar was,om de ooren hebt geslagen? Denk niet, dat ik bang voor u ben! Dat is goed voor uw Moorsche slavin, die naar uw kleedkamer gaat als naar de pijnbank. Ik hoorde haar gistermorgen nog gillen onder uw kastijding. Maar heb niet het hart, met uw lafhartige natuur, u op haar te wreken. Neem u in acht voor mij, ik haat wreedheid!Ik ben Alva’s dochter!”
Bij deze laatste woorden bijt Guy zich op zijn lippen, om een glimlach te verbergen, en Dona De Pariza laat een half onderdrukten spotlach hooren.
Het meisje gaat op haar af en roept uit: “Waag het niet, den schijn aan te nemen alsof gij mijns vaders naam bespot, waag het niet, hem van wreedheid te beschuldigen. Hij is voor mij altijd zoo goed geweest als een engel. Ik wil het niet van uw lippen hooren—noch vaniemandslippen!” want Guy heeft zijn glimlach toch niet geheel kunnen verbergen en zij gaat nu voor hem staan met een hooghartige uitdrukking op haar gelaat, zeggende: “Vergeet niet, dat ik de dochter van den Viceroy ben.”
“Boete!” lacht Chester.
“O ja—o—o—ik vergat het! Ja, mijn heer!” zegt zij, een buiging voor hem makend. En als hij de boete opeischt, fluistert zij: “O santos! wat zijt gij een kwelgeest—gij kust mij, zoo vaak als gij er de kans schoon toe ziet.”
Dit tooneel beschouwt de duena in de uiterste verbazing, terwijl zij in zichzelve mompelt: “God zij geloofd, juffertje-driftkop heeft eindelijk haar meester gevonden! Die verloopen doordraaier Guido Amati zal haar naar zijn pijpen doen dansen, daarvoorsta ik borg!” en daarna gaat zij naar haar kamer, het paartje alleen latend,—waarom het volstrekt niet rouwig is.
Als La Pariza hen een oogenblik later had kunnen beluisteren, zou zij nog meer verbaasd zijn geweest, want zij zou dan hebben bemerkt, dat kolonel Guido Amati Dona Hermoine een boetpredikatie houdt over de noodzakelijkheid, zijn gevoel en zijn tong te beheerschen.
Hiernaar luistert het meisje oplettend, met neergeslagen oogen, op een wijze, die Guy wel verwondert maar hem tevens hoogst welgevallig is; want hij heeft de vaste overtuiging, dat er slechts één middel is om dit meisje te veroveren—namelijk haar te ontvoeren, en hij beseft, dat hij, om dat te kunnen doen, haar volkomen moet beheerschen.
Maar hij maakt zijn predikatie een weinig te lang en zij roept eensklaps plagend uit: “Bullebak! Bullebak! Ik ben de dochter van den Viceroy!” en danst dan lachend weg. En hij zet haar achterna, om de boete te innen, over tafels en stoelen en divans; Hermoine neemt haar langen sleep op en ontsnapt hem telkens weer op haar vlugge voetjes, totdat hij haar vangt bij de derde portière in de kamer, waarachter hij nog geen blik heeft mogen werpen.
Hier wordt zij, terwijl hij haar in zijn armen houdt, eensklaps zeer ernstig en fluistert: “Beknor mij niet; als gij het wilt, zal ik boete doen, mijn Guido, omdat ik u wat uit de hoogte heb behandeld, maar niet omdat ik het haar deed. Hier binnen zal ik vannacht tien Ave Maria’s voor ubidden.” En de gordijnen ter zijde trekkend, toont zij hem de verlichte kapel van het huis; achter de brandende kaarsen staat het schilderij van zijn dooden vriend, het meesterstuk van Oliver, en zij fluistert: “Hier op deze plaats bid ik voor u!”
“Ja,” antwoordt Guy met een blik op de liefelijke Madonna, “ik offer zelf aan dat altaar.”
“St, niet spotten,” antwoordt het meisje plechtig. “Dit is de kapel, waarin wij getrouwd zullen worden.”
Dit denkbeeld verplaatst Guy in den zevenden hemel en hij begaat een groote fout, waarover zij hun eerste werkelijke kibbelpartij hebben, want hij komt zeer handig met het plan van een geheim huwelijk voor den dag.
Daarop zegt zij zeer uit de hoogte: “Buiten weten van mijn vader, zonder zijn toestemming, hij, die mij zoo liefheeft? Nooit!” en vier of vijf minuten lang is zij ongenaakbaar voor haar Guido.
Hij stapt echter weer even handig van de zaak af en verschoont er zich mee, dat het enkel zijn vurige liefde voor haar is, en dan vergeeft Hermoine hem en zendt hem eindelijk weg, overgelukkig, hartstochtelijker dan ooit, maar met het bewustzijn, dat hij een lastig werk voor zich heeft—om de jonge dame te schaken en toch haar liefde te behouden.
Het onderhoud met de gravin De Pariza toont hem, dat spoed een vereischte is voor zijn welslagen en dat elk eenigszins lang uitstel in deze zaak waarschijnlijk noodlottig zal zijn voor zijn voornemen en misschien ook voor zijn leven.
Maar het meisje heeft eveneens haar plan van handelen gemaakt, en als er den volgenden morgeneen koerier met brieven uit Holland komt, klapt zij in haar handen vol vreugde over een idee, dat in haar levendig brein plotseling is opgekomen, en zij zegt bij zichzelven: “Papa komt, nu—nu zal ik het doen! Hoera! Ik zal het doen!”
HOOFDSTUK XXI.“DE HERTOG VAN ALVA!”Onbekend met Dona de Alva’s plannen voor zijn welzijn, gaat haar verloofde als een voorzichtig man voort, om het kleine fortuin te verzamelen, waarmee hij zijn huishouden denkt te beginnen en hij blijft den geheelen volgenden dag op zijn schip, om de zakken met goud in ontvangst te nemen, die eenige uren te voren toebehoorden aan zijn toekomstigen schoonvader en nu in zijn bezit zijn.Zij worden aan boord gebracht, veilig verborgen in de bedden van de matrozen, en als zij niet zoo zwaar waren geweest, zou men nooit hebben kunnen vermoeden, dat het geen gewone bedden waren. Zij worden alle aan boord gebracht door Chester’s eigen matrozen, en hoe zwaarder de zak is, des te meer in zijn nopjes is de zeeman, die hem draagt. Het is dan ook slechts door strenge bevelen en door de bedreiging, den eerste den beste te zullen dooden, die zijn vreugd laat blijken, dat Chester de uitgelatenheid van zijn pikbroeken, waardoor de opmerkzaamheid van de andere schepen op hen gevestigd zou kunnen worden, intoomt.Corker zelf brengt de eerste lading naar beneden.“Bodé Volckers is een zeeroover van beroep,” fluistert de zeeman als hij Chester verslag geeft. “Hij zou vechten voor het goud, totdat hij geen droppel bloed meer in de aderen had. Hij heeft moeder Sebastian al tweemaal Jamaica gegeven, en de duivel mag haar met rust laten, als zij niet aan de rum sterft, eer wij den laatsten zak uit het huis hebben. Bodé heeft touwen meegebracht om haar te binden, als het moet; dat zij niet kan janken is voor ons van groot voordeel. Geen prop noodig, men knoopt haar eenvoudig even aan den beddestijl op en zij is onschadelijk gemaakt.”Den geheelen dag komt het goud geregeld aan boord en tegen den avond, want de mannen werken hard, telt Chester, dat hij onder den vloer van de hut van deEsperanzahonderd negen en zeventig zakken met goud heeft, verzegeld met Alva’s wapen; en als hij ze schat op twintig duizend kronen elk, heeft hij drie millioen, vijfhonderd en tachtig duizend kronen in zijn bezit. Dit stemt volmaakt overeen met de opgave van Corker.En nu laat hij de matrozen onder toezicht van Niklaas, om het zilver en de kist met onbekende preciosa uit de schatkamer te halen, en draagt Martin Corker de bewaking op van het schip met zijn kostbare vracht, terwijl hijzelf een boot neemt en de Schelde afzakt naar Sandvliet, brandend van verlangen om zijn beminde te zien.In dit opzicht doet Dona Hermoine niet voor hem onder. Zij staat reeds op den uitkijk naar de boot en snelt hem verheugd tot aan de landingsplaatste gemoet, opgewonden uitroepend: “Goed nieuws! Goed nieuws!”“Welk nieuws?” vraagt Chester angstig—daar bijna elk nieuws nu voor hem gelijkstaat met slecht nieuws.“Papa komt—hij zal spoedig hier zijn. Dan kunt gij het hem vragen.”“Wanneer zal de Hertog hier zijn?”“Binnen drie of vier dagen, volgens zijn brief.”“A—ah!” laat Guy hooren met een diepe zucht van verlichting, want den volgenden avond moet het op de een of andere manier tot een beslissing zijn gekomen tusschen hem en zijn meisje, dat schoone wezentje, dat aan zijn arm hangt, terwijl hij het pad naar het huis opwandelt; haar kleine voeten maken twee stappen tegen de zijne een.Het staat bij hem vast, dat de volgende avond moet beslissen, of zij zijn vrouw zal worden en hem gelukkig zal maken voor zijn geheele leven, of dat hij haar dan voor het laatst zal zien. De gedachte hieraan maakt dat hij teederder dan ooit voor haar is, hij weet toch, dat, al zijn de omstandigheden hem ook ongunstig, zij hem toch liefheeft.Daarna een tête-à-tête in het vooruitstekende venster aan de Schelde en zij zitten gezellig te babbelen, totdat hij haar zegt, dat hij vandaag geen tijd heeft, om lang te blijven.“Waarom?” pruilt zij.“Omdat ik schikkingen tref aangaande mijn vermogen, om daarmee behoorlijk voor den dag te kunnen komen bij uw vader.”“O ja, dat heb ik al vroeger gehoord! De hertogvan Alva is jegens mij altijd heel goed en toegevend geweest, en hij zal ook nu mijn verzoek niet weigeren. Ik heb hem over u hooren spreken, mijn Guido, als den dappersten man van het Spaansche leger; dat zegt veel, daar er zoovele dapperen zijn. Die beroemde tocht, dien gij hebt gemaakt, heeft u bij hem evenzeer in de gunst gebracht als bij mij.”De lof van den doode, in wiens schoenen hij staat, belet Guy een bekentenis te doen, die hij in de beide laatste dagen telkens op de lippen heeft gehad: “God helpe mij, als zij slechts mijn naam liefheeft en niet mij!” denkt hij telkens huiverend bij zichzelven.Hij zou misschien later op den avond alles aan Hermoine hebben verteld, want hij begrijpt, dat zij er nu recht op heeft, de waarheid te vernemen, maar er komt iets tusschenbeide, dat hun van weinig beteekenis toeschijnt, doch grooter invloed op hun leven heeft, dan zij vermoeden.Guy heeft lachend geïnformeerd naar de gravin De Pariza.“Sedert gisteravond heeft zij geen woord tegen mij gezegd. Zij blijft in haar eigen vertrekken,” antwoordt de jonge dame. “Die vrouw zou mij verraden, als zij durfde, en na hetgeen gisteren is voorgevallen, beklaag ik haar Moorsche slavinnen. Gij weet, dat toen Papa mij Zora schonk, hij Alida ten geschenke gaf aan de gravin De Pariza. Ik hield echter meer van Alida, en om haar te bevrijden uit de handen van haar tyran, want dat is mijn duena—gij behoeft mij met uw kussen niet telkens in de rede te vallen, Guido mio—ben ik er in geslaagd, Zorategen Alida te ruilen en nu is Alida bij mij in dienst en Zora bij de Gravin. Het was een overeenkomst, doch geen schriftelijke. Maar vanmorgen eischte zij Alida terug. Zou het zijn om haar wraak te koelen op het arme meisje?” vervolgt zij levendig. “Als dat zoo is, als zij haar durft slaan, laat zij zich dan in acht nemen voor Hermoine de Alva.”Terwijl zij spreekt, springt zij, zich losrukkend uit Guy’s armen, op en fluistert: “Wat is dat? Luister! Mijn hemel, het is Alida!”Want men hoort nu duidelijk een verwijderd gekerm. “Het is Alida! Die laffe vrouw heeft haar geslagen!” roept zij uit.En snel als de wind, met vlammende oogen en een uitdrukking van wraak op haar gelaat, vliegt Hermoine de Alva de kamer uit, terwijl Guy haar volgt, doch haar nauwelijks kan bijhouden. Aan het eind van een gang duwt het meisje haastig een deur open en aan hun oogen vertoont zich een zonderling schouwspel.Het is de kamer van de duena; in het midden staat de gravin De Pariza met opgeheven zweep en voor haar op den grond hurkt Alida, de Moorsche slavin. Doch de zweep daalt niet neer. Met den sprong van een jonge tijgerin rukt Hermoine haar uit de hand van de onthutste gravin.“Hoe durft gij mijn kamer binnentreden?” schreeuwt deze.“Hoe durft gij iemand slaan, die mij toebehoort?”“Pardon, Dona de Alva,” zegt de gravin op snijdenden toon. “Het meisje is een geschenk van uw vader aan mij. Geef mij mijn zweep, opdat ik haar een bestraffing kan toedienen.”“Nooit! Alida behoort mij toe, gij hebt haar aan mij overgedaan; zij is van mij, ik houd van haar en zij staat onder mijn bescherming, zij is mijn Alida. Wreed schepsel! Gij hebt uw zweep terugverlangd?Gij zult ze hebben!” En als een wrekende godin gaat zij op de sidderende duena af, die, hevig ontsteld, begint te gillen.Maar Guy houdt den blanken opgeheven arm tegen.“Ik doe het, als zij het waagt haar aan te raken!” zegt Hermoine op woesten toon tot Guy; en daarna vriendelijker tegen Alida: “Ga naar mijn kamer en blijf daar; daar zijt gij veilig,” en weer in den vorigen toon vervallend: “Laat zij het hart hebben u weer aan te raken en ik eerbiedig haar grijze haren zelfs niet!”“Groote God, mijn pruik!” krijscht La Pariza en zij laten haar staan, heur dunne haren uitrukkend. De Gravin, zonder valsch haar en andere kunstmiddelen om de sporen van verval te verbergen, vertoont een leelijk, ja zelfs een terugstootend beeld, want op haar gelaat is, behalve de verwoesting van den tijd, nu ook nog een uitdrukking van duivelschen haat te lezen.Terwijl Guy zijn meisje wegvoert fluistert hij: “Hebt gij opgemerkt, hoe zij u aanzag? Zij is nu levenslang uw vijandin.”“Daar geef ik niets om!” lacht Dona de Alva fier. En zij vervolgt zacht: “Ik ben blij, dat gij mij belet hebt, tot haar laag peil af te dalen. Had ik haar aangeraakt, ik zou mij over mijzelve geschaamd hebben. Als ik de uwe ben door den zegen van deMoederkerk, gebruik dan als echtgenoot al uw lankmoedigheid om mijn vrouwelijke zwakheden te verdragen.”Guy voelt zich door die woorden beschaamd, want hij is, als hij in twist geraakt met zijn gelijken, dikwijls wreed en bloeddorstig en te midden van zijn matrozen grijpt hij al heel spoedig naar het eindje touw, als de discipline van het schip zulks vereischt.Hij aarzelt nu weer opnieuw om Hermoine te zeggen, dat hij een ander is, dan de Guido Amati, voor wien zij hem houdt en dien zij bemint. Maar aan den anderen kant zou hij haar voor niets ter wereld willen verliezen en hij wil zelfs het gevaar loopen, haar verwijten te moeten hooren en haar toorn op zich te laden, als zij maar de zijne wordt door den zegen van de kerk, voor de menschen en voor God.Om dit mogelijk te maken, moet hij nog veel toebereidselen treffen. En afscheid van haar nemend, zegt hij: “Morgenavond precies om negen uur. Onthoud het, ik ben van plan een klein waterfeest voor u te arrangeeren. De maan is er dan nog niet, maar zij zal opgaan eer wij terugkomen. Wilt gij morgenavond een zeiltochtje met mij op het water maken, mijn lieveling?”“Ja, en zelfs vanavond wel, als gij het mij hadt gevraagd,” lacht het meisje. Daarna zegt zij peinzend: “Was Papa maar hier, dan konden wij hem meenemen.”“Ik—ik smeek den hemel van niet,” antwoordt haar beminde ontsteld.“O, vrees niets, ik ben almachtig tegenover den hertog van Alva!”Met een laatste kushand, snelt Dona Hermoine, vervuld van dit denkbeeld, naar huis terug.Dit vertrouwen in haar macht over Philips’ onderkoning, brengt onverwachts een verandering in dien droom van jonge liefde.Den volgenden dag reeds in den namiddag galoppeert de hertog van Alva met rinkelende sporen en overdekt met het stof van de reis, begeleid door dertig ruiters, voor Hermoine’s landhuis, om daar door zijn dochter met vreugde verwelkomd te worden.Het meisje snelt hem verheugd te gemoet, uitroepend: “Ik dacht niet, dat gij zoo spoedig hier zoudt zijn; uw brief sprak eerst van over vier dagen, hertog van Alva!” En zij maakt een dienaresse voor hem, maar hij springt van zijn strijdros, terwijl zijn slangenoogen schitteren als hij de eenige vreugde van zijn ouderdom ziet, en zijn mooi kind aan zijn hart drukkend, fluistert hij: “Dus, mijn Hermoine, zijt gij teleurgesteld?”“Teleurgesteld dat gij zijt gekomen? Integendeel—verrukt!”“Gij moet weten,” merkt de Hertog op, nadat hij met haar het huis is binnengetreden, “dat ik, nadat ik u had geschreven, een koerier van Antwerpen ontving, die mij een tijding bracht van D’Avila, den commandant, waardoor het noodzakelijk werd, dat ik voor een paar dagen terugkeer naar de Citadel.”Dit is de waarheid; want onder een lang rapport over militaire aangelegenheden, over versterkingen, wapenen en oorlogsammunitie en verschillende bijzonderheden aangaande de garnizoenen van Brabant enVlaanderen, heeft Sancho d’Avila bij wijze van postscriptum geschreven: “Wat ik nog zeggen wilde, het zal Uwe Hoogheid niet onverschillig zijn te vernemen, dat uw oude veteraan, de eerwaardige Roderigo, vier dagen geleden stierf.”Juist dit oogenschijnlijk zoo onbeduidend postscriptum heeft den hertog van Alva zoo plotseling herwaarts gebracht van Nijmegen, waar hij bezig was te zorgen dat de belegeraars rondom Haarlem van ammunitie werden voorzien. Binnen een uur na de ontvangst bestelde Alva, met eenige half ingehouden verwenschingen, zijn paard en verliet de stad aan de Waal met zijn lijfgarde, van paarden verwisselend te ’s-Hertogen-bosch, Breda en Bergen-op-Zoom en zoo snel als hij kon langs de Schelde naar Antwerpen trekkend. Daar de weg langs Sandvliet liep en het hem slechts een omweg van vijf minuten kostte om haar te bezoeken, die hem het liefste op aarde is, heeft de Hertog dien omweg genomen, en hij houdt thans zijn dochter in zijn armen.“Ik kan niet lang blijven,” merkt hij haastig op; “ik moet nog vanavond in Antwerpen zijn.”“Morgen vroeg is veel beter. Uw kamer is altijd voor u in gereedheid. Zij wordt nooit door iemand anders gebruikt.” Bij deze woorden bloost het meisje eensklaps, want het schiet haar te binnen, dat Guido er, al is het slechts een kwartier, gebruik van heeft gemaakt. “Gij moet met mij soupeeren!”“Onmogelijk, ik moet verder gaan.”“Gij moogt niet, papa,gij moogt niet! Gij zijt zoo lang onder mijn contrôle weg geweest, dat gij weerspannig en ongedisciplineerd zijt geworden.”Dit is de manier om haar zin bij Alva door te drijven, een manier, die hij niemand anders zou veroorloven, man noch vrouw. Terwijl zij tot hem spreekt, neemt zij ondanks zijn tegenwerpingen den helm van zijn hoofd, streelt zijn grijze haren en trekt aan de twee punten van zijn langen zilveren baard, uitroepend: “Nu zijt gij mijn gevangene! Tien kussen als losgeld!”“Santos y demonios! gij zijt de ergste rebel in de Nederlanden,” lacht de Hertog.“Ja, de meest uittartende en de eenige die u zal bedwingen.”Dat bevalt den hertog van Alva, die voor zijn doen uitstekend geluimd is, en hij zegt: “Gij hebt gelijk; ik heb Haarlem nu zoo goed als zeker in mijn macht. De Bossu heeft Marinus Brandt op het meer verslagen, de stad is geheel afgesneden—zij moet de mijne worden. En als ik dan met deze rebellen heb afgerekend en dit land, geheel van oproerlingen gezuiverd, aan mijn heer, koning Philips, heb overgegeven, verlaten wij voor altijd dit mistige land en gaan terug naar het Zuiden met zijn granaatappelen, druiven en olijven, en zullen wij vergeten, dat er ooit oorlog was.”“Ja,” roept het meisje uit, “en wij nemen hem met ons.”“Hem? Wien?”“Mijn toekomstigen echtgenoot.”“Uw toekomstigen echtgenoot! Van wien spreekt gij, kind?” vraagt Alva, ten hoogste verbaasd. “Nooit zag ik een vrouw, die zoo ontoegankelijk was voor aardsche liefde!” Dan lacht hij: “Dat iseen zeldzame ommekeer. Den laatsten keer waart gij een en al ernst. Gij hieldt een gebedenboek in uw hand en spraakt er van, de bruid der Moederkerk te worden.”“Maar dat is alles voorbij.”“Daar ben ik blij om, ofschoon ik het u niet zou geweigerd hebben. Mijn Hermoine zou al een heel curieuse non geweest zijn.”“Ja, zij zal een betere bruid zijn,” lacht het meisje, tot haar onderwerp terugkeerend. “Maar ik vertel er u niets van, tenzij gij met mij dineert, en dan nog pas na het diner. Zie! Uw geleide is afgestegen. Zij hebben een langen rit achter den rug. Zij gaan ook eten en drinken. Wil mijn vader jegens zichzelf niet even barmhartig zijn als jegens zijn soldaten? Bovendien ziet gij er afgemat en ziek uit!”“Volstrekt niet. Ik ben alleen maar vervuld van de tijding, die mij herwaarts riep, maar hoe dringend mijn komst ook is, ik zal haar uitstellen tot morgen.”“Blijf dan dineeren. Ik heb mijn bevelen al gegeven, toen ik u zag aankomen.” Dit zeggende, worden de gordijnen weggetrokken en begeeft de Hertog, den arm zijner dochter nemend, zich naar de eetzaal. Hier ziet Hermoine voor den eersten keer sinds den vorigen avond, de gravin De Pariza, en als zij haar blik opvangt, weet zij, dat deze, ondanks haar eed, op de een of andere wijze alles wat er gebeurd is aan den Hertog zal overbrengen.Doch tot Hermoine’s groote vreugde verlangt Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva enhertog van Huesca, gedreven door nieuwsgierigheid, een tête-à-tête met zijn aanminnig kind en zegt, tot verbazing en bittere teleurstelling van haar duena, kortaf: “Gravin, ik verheug mij, dat ik u, zooals gewoonlijk, gezond zie. Mijn dochter en ik hebben het een en ander te bespreken en wenschen alleen te zijn. Goedenmiddag, Dona De Pariza, ik kus u de hand,” en hij doet haar al buigend uitgeleide naar de deur met deftige Spaansche etiquette. “Nu uw verhaal, Hermoine. Is het een aardigheid, wat gij daareven zeidet van een minnaar, kind?”“Geen aardigheid.”“Vertel het mij dan.”“Na den eten, papa; niet voordat de wijn uw hart een weinig zachter heeft gestemd. Het is verhard in Holland.”“Niet te uwen opzichte,” zegt de Hertog. “Vertel het mij, mijn schat.”“Niet voordat gij mij op uw doorluchtige knie laat zitten.”Dit zeggende is zij reeds op zijn knie en vertelt hem onder liefkoozingen en vleierijen en kussen van haar beminde.Waarop hij zijn oogen van verbazing wijd opent en zegt: “Uw Guido Amati? Ik meende, dat hij als gesneuveld was vermeld na het gevecht op het ijs.”“Neen, hij is hersteld van zijn wonden. O, het zou niet zoo gemakkelijk gaan, hem te dooden! Herinner u maar zijn tocht over de verdronken landen. Gij zijt vandaag die plaats voorbijgekomen,” zij wijst de richting aan met haar hand.“Ja, ik herinner het mij. Dat was een stout stuk, een Cid waardig,” zegt Alva, die boven alles strateeg is.“Ah! geef mij dan aan den Cid. De Cid zou zeker de dochter van Alva waardig zijn. Als Guido de gelijke is van den Cid, is hij ook mijner waardig!” En met smeeken en vleien perst Hermoine den man, van wien zij denkt, dat hij haar niets kan weigeren, de belofte af, haar hand te zullen schenken aan kolonel Guido Amati de Medina.“Nu moet gij vooral niet heengaan,” smeekt zij. “Hij komt vanavond hier. Gij moet hem zien. Gij moet hem even gelukkig maken als mij. Vader, ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu.”“Oho!—Als ik het had geweigerd, dan zoudt gij mij dus waarschijnlijk gehaat hebben.”“Daartoe zou ik nooit kunnen komen, maar gij weigert mij ook niets. En daar gij nooit ‘neen’ tegen mij zegt, moet gij hier blijven en hem zien. Geef hem uw zegen; vader, beloof mij, als gij mij liefhebt, dat gij Guido Amati, als mijn aanstaanden echtgenoot, uw zegen zult geven.”“Als ik het dan moet doen, en gij zegt, dat ik het moet,” mompelt de Hertog, terwijl zijn lippen beven en zijn oogleden trillen, “moet ik eerst even naar Lillo rijden, om vandaar een boodschap naar Sancho d’Avila te zenden.”“Gij komt dus terug? Hij zal hier om negen uur zijn. Gij zult terugkomen—beloof het, zweer het!”“Ik beloof het bij dezen kus!”“Neem er dan twee, voor meerdere zekerheid,” juicht Hermoine met van geluk stralende oogen.Als zijn escorte een oogenblik later gereedstaat, bestijgt de Hertog zijn ros en draaft weg van de villa zijner dochter, die hem kushanden nazendt en hem nastaart met oogen vol tranen van geluk, terwijl zij mompelt: “Mijn vader en mijn aanstaande echtgenoot bij elkaar! Wat zal dat een heerlijke avond worden!”Alva rijdt naar Lillo en draagt Mondragon, den commandant, op, terstond een brief te verzenden naar Sancho d’Avila, commandant van de Citadel van Antwerpen. En daarna ondervraagt Don Fernando met een begrijpelijke nieuwsgierigheid Mondragon, die een zijner gunstelingen is, omtrent zijn aanstaanden schoonzoon: “Mondragon, kent gij een zekeren Guido Amati, kolonel in Romero’s legioen?”“Zeker, Uwe Excellentie, hij stond onder mij, eer hij naar Holland ging.”“Zoo! Vertel mij eens alles wat gij van hem weet.”“Ik kan u weinig goeds van hem vertellen, behalve, dat hij de dapperste onder de dapperen was en zulk een behendig schermer als er ooit een een Toledosche kling hanteerde; doch iemand die zóó bandeloos was, zulk een lichtmis en zóó aan het spel verslaafd, heb ik nog nooit ontmoet, en ik ben een oud soldaat.”“Bandeloos, een lichtmis en een speler,” herhaalt Zijne Hoogheid langzaam, terwijl zijn gelaat nog valer wordt dan gewoonlijk. “Zijt gij zeker van hetgeen gij daar zegt, Mondragon?”“Welzeker, ik heb hem goed gekend. Maar wat maakt het uit? Guido Amati is dood.”“Onmogelijk; ofschoon het mij ook verteld is.”“Het staat vermeld op de monsterrollen van Romero’s afdeeling.”“Is dat werkelijk zoo?”“Ja, inderdaad.”“Dus als hij leefde, zou zijn naam zeker voorkomen op de lijst van zijn regiment?”“Even zeker, als dat er een betaalmeester in het leger is. Guido Amati is er de man niet naar, om zijn soldij te laten staan; maar hij is stellig dood. Ik geloof zelfs, dat er hier in het garnizoen mannen zijn, die hem zagen vallen.”“Ah! in het gevecht op het ijs?”“Ja. De jonge De Busaco, een luitenant met verlof, en de sergeant Gomez.”“Laat hen terstond hier komen,” zegt Alva, verbaasd en geschokt door die onbegrijpelijke mededeelingen.En De Busaco, het vertrek binnentredend, salueert.“Luitenant De Busaco, nietwaar?” zegt Don Fernando.“Ja, Uwe Hoogheid, pas bevorderd.”“Waart gij bij het gevecht op het ijs?”“Ja, Uwe Hoogheid.”“Wie voerde daar het bevel?”“Kolonel Guido Amati.”“Werd hij gedood?”“Ik denk het wel, Uwe Hoogheid; ik zag hem vallen.”“Dat is zeer vreemd, terwijl mijn dochter zegt, dat hij leeft!” mompelt de Onderkoning, hoe langer hoe meer verbaasd. Mondragon en De Busaco zettengroote oogen op en de laatste weet, dat de catastrophe, waarvoor hij reeds lang heeft gevreesd, nu is gekomen.“Gij zaagt hem vallen?” vraagt Don Fernando nog eens, alsof hij zijn ooren niet kan gelooven.“Ja, Uwe Hoogheid.”“En gij denkt, dat hij dood is?”“Ja, Uwe Hoogheid, de Hollanders maakten al onze gewonden af.”“Zooals zij altijd doen,” antwoordt Alva. “Ik vrees, dat ik hun dat kunstje heb geleerd. Zij zijn goed van aannemen. Is Gomez ook al hier?”“Ja, Uwe Hoogheid,”En de vrijpostige sergeant komt binnen, salueert den hertog van Alva en geeft hem de volgende inlichtingen:“Ja, ik zag Guido Amati vallen. Ik trachtte hem nog te redden, maar ik gleed uit op het ijs, ontsnapte echter met Gods hulp.”“Gij weet dus, dat hij dood is.”“Ja,—tien heiligen zouden hem niet hebben kunnen redden.”“Spreek met wat meer eerbied van de kerk! Hoe weet gij dat?”“Omdat ik zag, dat drie pieken door zijn lichaam werden gestoken.”“Dat is voldoende,” mompelt Alva, die hoe langer hoe minder van de zaak begrijpt. “Gij kunt gaan, Gomez.”“En drie pieken door het lichaam zouden zelfs voldoende zijn, om iemand, die zoo taai is als Guido Amati, te dooden,” merkt Mondragon op; doch alsde sergeant is heengegaan, vraagt de commandant plotseling: “Wat scheelt er aan, Uwe Hoogheid? Hebt gij slechte berichten van Haarlem ontvangen?”“O, neen, zeer goede. Zij eten daar nu reeds het gras uit de straten. Wij hebben Oranje op het meer verslagen en zijn er nu meester van. Het is niet over Haarlem.” En plotseling beveelt hij: “Laat mijn escorte terstond voorkomen. Kan Gomez paard rijden?”“Ja, Uwe Excellentie.”“Laat hij mij dan vergezellen.”En gevolgd door dertig man, gewapend met lansen en haakbussen, rijdt de hertog van Alva terug naar het landhuis van zijn dochter. Onderweg roept hij den vrijpostigen Gomez aan zijn zijde en vraagt hem: “Hoe zag die Guido Amati er uit?”“Groot, welgebouwd, met kort, donker, krullend haar, zwarte, onverschrokken oogen en een huid zoo bruin als van een bleeken Morisco.”“Hij had natuurlijk de manieren van een edelman,” vervolgt de Onderkoning.“Voor zoover een krijgsman als ik er over kan oordeelen, ja, Uwe Hoogheid, en den beschaafden tongval. Men zei, dat hij even zuiver Castiliaansch sprak als een priester.”“Het is goed, ik weet genoeg, sergeant,” zegt de Onderkoning. En zij zijn weldra het landhuis genaderd.Daar hij echter een geslepen oude staatsman is, laat de hertog van Alva niets merken van de zonderlinge ontdekking, die hij in het fort te Lillo heeft gedaan, doch zegt slechts, de vertrekken van Hermoinebinnentredend: “Mijn dochter, wij zijn teruggekomen, zooals wij beloofd hebben, om dien edelman te zien, dien gij bemint, Guido Amati; deze man schijnt een verwonderlijk sterk gestel te hebben.”“Hoezoo?” vraagt het meisje.“Hij werd doodelijk gewond in het gevecht op het ijs.”“Zeker, dat is zoo! Ik heb immers zelf zijn wonden gezien! Zij zijn vreeselijk!” Dit laatste huiverend.“Geziende wonden, die de pieken dwars door zijn lichaam hebben gemaakt?”“Neen, maar hij had een houw over het hoofd, die iedereen van het leven zou hebben beroofd,behalveeen Paladijn.”“Hm! men zegt, dat uw Paladijn een los heer is.”“Dat is laster! Deze of gene mededinger strooit dat praatje telkens weer uit. Ja, zelfs Bodé Volckers,” vervolgt Hermoine, “die leugenachtige koopman, vertelde mij, dat hij dronken was, en twee minuten later komt Guido, even nuchter als gij zijt, naar mij toe, en met een veel vroolijker gezicht dan gij op het oogenblik zet; uw oud, lief gezicht staat zoo donker als de nacht.” En het meisje kust hem.“Vertel mij, hoe gij hem het eerst ontmoet hebt.”Aldus aangemoedigd, gaat Dona Hermoine, die zooals alle verliefden haar beminde gaarne verheerlijkt, zitten en biecht haar vader alles op; nu en dan doet deze haar een paar vragen, die zij heel dwaas, maar die hij heel belangrijk vindt.“Gij zegt, dat gij hem het eerst hebt ontmoet op den dag van den springvloed in 1572?”“Ja, papa; dat was, zooals ik u vertelde, de avond, dat hij mij redde uit de handen der Geuzen.”“A—ah—ah. De krijgsman, dien gij lief hebt, heeft donker haar en donkere oogen, nietwaar?”“Neen, helderblauwe oogen en zijn haar is voor een Spanjaard heel blond.—Heb ik u dat dan al niet gezegd, dom vadertje?”“O ja; ik bedoel helderblauwe oogen, ik was het vergeten. Licht kastanjebruin haar, zegt gij, en vrije en losse manieren. Is zijn gang niet die van een zeeman?”“Die van een ruiter.”“O ja; zij hebben beiden een zwaaienden gang. De dag, dat gij hem hebt ontmoet, was dezelfde, waarop ik zoo haastig van Brussel terugkwam?”“Ja, gij kwaamt heel onverwachts. Het was de dag van het drinkgelag van Floris den schilder, waarbij hij een van zijn tegenstanders dooddronk.”“Ja, dat herinner ik mij,” zegt Zijne Hoogheid langzaam. “De dag, dat De Guerra mij een onthulling wilde doen, maar stierf. Deze edelman, dien gij zegt, dat gij bemint,” de hertog van Alva doet moeite, om den ongedwongen toon vol te houden, “spreekt het patois van Hispaniola?”“Ja, het is alles behalve keurig Spaansch, maar het klinkt mij toch als muziek in de ooren.”“Hm! als hij komt, kunt gij hem bij mij brengen.” En als hij het vertrek heeft verlaten, geeft Alva eenige bevelen aan den luitenant, die het bevel voert over zijn escorte.Vervolgens keert hij naar de eetzaal terug en laat zich, daar het reeds bijna acht uur is, het avondeten voordienen.En om hem gezelschap te houden, komt zijn dochter binnen, stralend van vergenoegdheid. Zij, die er vroeger als een lelie uitzag, bloost nu als een roos.Op het gelaat van den hertog van Alva ligt een vreemde uitdrukking, en als hij drinkt, is het, alsof hij een prop in zijn keel heeft, die hem dreigt te doen stikken, ofschoon hij vanavond de matigheid zelve is, zooals zijn dochter beweert, terwijl zij haar papa met liefderijke handen van alles bedient.“Gij—gij zijt er toch niet bedroefd over, dat gij mij moet missen?” fluistert zij, terwijl haar gelaat betrekt.“Neen, dat—dat is het niet.” Zijn gelaat heeft een uitdrukking, die Hermoine niet begrijpt.“Maar à propos,” zegt zij, “aangebeden papa, nog een belofte.”“Welke?”“Neem den prijs weg van het hoofd van dien Engelschman. Zooals gij u zult herinneren, redde hij het leven van mijn Guido.”“Misschien morgen, dan zal het wel niet meer noodig zijn,” mompelt Zijne Hoogheid, ofschoon hij vermijdt, het meisje aan te zien, en de oogen op zijn beker gericht houdt.“Dank u, lieve, beste papa,” antwoordt zijn dochter. Dan zegt zij plotseling: “Maar nu moet ik gaan.”“Waarom?”“Om toilet te maken voor mijn aanstaanden echtgenoot.”“Hm!”“Ik zal mij kleeden als een bruid.”“Gij hebt dien man dus wel zeer lief, mijn Hermoine?” En er klinkt weemoed in zijn stem.“Met mijn gansche hart,” antwoordt zij; en plotseling roept zij uit: “Misschien heb ik vanavond nog een andere verrassing voor u, als gij het tenminste toestaat, maar gij staat mij alles toe, nietwaar, papaatje!—gij lieve oude papa, die uw dochter vanavond innig gelukkig wilt maken.”En zij kust hem teeder op het voorhoofd en snelt dan heen, haar vader alleen latende, in gespannen verwachting, of zijn vermoedens al dan niet juist zullen blijken te zijn.Maar met dat al staan er tranen in zijn oogen, in die oogen, die ze nooit hebben vergoten, en een paar maal neemt zijn gelaat een pijnlijke uitdrukking aan, als hij de stem van zijn dochter hoort, die in het aangrenzend vertrek haar bevelen geeft voor haar toilet en voor de ontvangst van den man, dien zij bemint. Doch in het volgende oogenblik schieten er stralen uit zijn slangenoogen en zijn lange handen ballen zich krampachtig, alsof zij een lang gezochten, moeilijk te vatten vijand grepen, in wiens doodsstrijd hij zich reeds verlustigt, en hij mompelt: “Als hij het is, die mijn goud stal voor die Jezebel Elizabeth; als hij het is, op wiens raad de Geuzen uit Engeland verdreven werden met: ‘Geen proviand, geen water, maar slechts kogels en kruit,’ om rebellie in dit land te stoken, dan zou ik hem zelfs nog liever in mijn macht willen hebben dan Willem den Zwijger.”
Onbekend met Dona de Alva’s plannen voor zijn welzijn, gaat haar verloofde als een voorzichtig man voort, om het kleine fortuin te verzamelen, waarmee hij zijn huishouden denkt te beginnen en hij blijft den geheelen volgenden dag op zijn schip, om de zakken met goud in ontvangst te nemen, die eenige uren te voren toebehoorden aan zijn toekomstigen schoonvader en nu in zijn bezit zijn.
Zij worden aan boord gebracht, veilig verborgen in de bedden van de matrozen, en als zij niet zoo zwaar waren geweest, zou men nooit hebben kunnen vermoeden, dat het geen gewone bedden waren. Zij worden alle aan boord gebracht door Chester’s eigen matrozen, en hoe zwaarder de zak is, des te meer in zijn nopjes is de zeeman, die hem draagt. Het is dan ook slechts door strenge bevelen en door de bedreiging, den eerste den beste te zullen dooden, die zijn vreugd laat blijken, dat Chester de uitgelatenheid van zijn pikbroeken, waardoor de opmerkzaamheid van de andere schepen op hen gevestigd zou kunnen worden, intoomt.
Corker zelf brengt de eerste lading naar beneden.
“Bodé Volckers is een zeeroover van beroep,” fluistert de zeeman als hij Chester verslag geeft. “Hij zou vechten voor het goud, totdat hij geen droppel bloed meer in de aderen had. Hij heeft moeder Sebastian al tweemaal Jamaica gegeven, en de duivel mag haar met rust laten, als zij niet aan de rum sterft, eer wij den laatsten zak uit het huis hebben. Bodé heeft touwen meegebracht om haar te binden, als het moet; dat zij niet kan janken is voor ons van groot voordeel. Geen prop noodig, men knoopt haar eenvoudig even aan den beddestijl op en zij is onschadelijk gemaakt.”
Den geheelen dag komt het goud geregeld aan boord en tegen den avond, want de mannen werken hard, telt Chester, dat hij onder den vloer van de hut van deEsperanzahonderd negen en zeventig zakken met goud heeft, verzegeld met Alva’s wapen; en als hij ze schat op twintig duizend kronen elk, heeft hij drie millioen, vijfhonderd en tachtig duizend kronen in zijn bezit. Dit stemt volmaakt overeen met de opgave van Corker.
En nu laat hij de matrozen onder toezicht van Niklaas, om het zilver en de kist met onbekende preciosa uit de schatkamer te halen, en draagt Martin Corker de bewaking op van het schip met zijn kostbare vracht, terwijl hijzelf een boot neemt en de Schelde afzakt naar Sandvliet, brandend van verlangen om zijn beminde te zien.
In dit opzicht doet Dona Hermoine niet voor hem onder. Zij staat reeds op den uitkijk naar de boot en snelt hem verheugd tot aan de landingsplaatste gemoet, opgewonden uitroepend: “Goed nieuws! Goed nieuws!”
“Welk nieuws?” vraagt Chester angstig—daar bijna elk nieuws nu voor hem gelijkstaat met slecht nieuws.
“Papa komt—hij zal spoedig hier zijn. Dan kunt gij het hem vragen.”
“Wanneer zal de Hertog hier zijn?”
“Binnen drie of vier dagen, volgens zijn brief.”
“A—ah!” laat Guy hooren met een diepe zucht van verlichting, want den volgenden avond moet het op de een of andere manier tot een beslissing zijn gekomen tusschen hem en zijn meisje, dat schoone wezentje, dat aan zijn arm hangt, terwijl hij het pad naar het huis opwandelt; haar kleine voeten maken twee stappen tegen de zijne een.
Het staat bij hem vast, dat de volgende avond moet beslissen, of zij zijn vrouw zal worden en hem gelukkig zal maken voor zijn geheele leven, of dat hij haar dan voor het laatst zal zien. De gedachte hieraan maakt dat hij teederder dan ooit voor haar is, hij weet toch, dat, al zijn de omstandigheden hem ook ongunstig, zij hem toch liefheeft.
Daarna een tête-à-tête in het vooruitstekende venster aan de Schelde en zij zitten gezellig te babbelen, totdat hij haar zegt, dat hij vandaag geen tijd heeft, om lang te blijven.
“Waarom?” pruilt zij.
“Omdat ik schikkingen tref aangaande mijn vermogen, om daarmee behoorlijk voor den dag te kunnen komen bij uw vader.”
“O ja, dat heb ik al vroeger gehoord! De hertogvan Alva is jegens mij altijd heel goed en toegevend geweest, en hij zal ook nu mijn verzoek niet weigeren. Ik heb hem over u hooren spreken, mijn Guido, als den dappersten man van het Spaansche leger; dat zegt veel, daar er zoovele dapperen zijn. Die beroemde tocht, dien gij hebt gemaakt, heeft u bij hem evenzeer in de gunst gebracht als bij mij.”
De lof van den doode, in wiens schoenen hij staat, belet Guy een bekentenis te doen, die hij in de beide laatste dagen telkens op de lippen heeft gehad: “God helpe mij, als zij slechts mijn naam liefheeft en niet mij!” denkt hij telkens huiverend bij zichzelven.
Hij zou misschien later op den avond alles aan Hermoine hebben verteld, want hij begrijpt, dat zij er nu recht op heeft, de waarheid te vernemen, maar er komt iets tusschenbeide, dat hun van weinig beteekenis toeschijnt, doch grooter invloed op hun leven heeft, dan zij vermoeden.
Guy heeft lachend geïnformeerd naar de gravin De Pariza.
“Sedert gisteravond heeft zij geen woord tegen mij gezegd. Zij blijft in haar eigen vertrekken,” antwoordt de jonge dame. “Die vrouw zou mij verraden, als zij durfde, en na hetgeen gisteren is voorgevallen, beklaag ik haar Moorsche slavinnen. Gij weet, dat toen Papa mij Zora schonk, hij Alida ten geschenke gaf aan de gravin De Pariza. Ik hield echter meer van Alida, en om haar te bevrijden uit de handen van haar tyran, want dat is mijn duena—gij behoeft mij met uw kussen niet telkens in de rede te vallen, Guido mio—ben ik er in geslaagd, Zorategen Alida te ruilen en nu is Alida bij mij in dienst en Zora bij de Gravin. Het was een overeenkomst, doch geen schriftelijke. Maar vanmorgen eischte zij Alida terug. Zou het zijn om haar wraak te koelen op het arme meisje?” vervolgt zij levendig. “Als dat zoo is, als zij haar durft slaan, laat zij zich dan in acht nemen voor Hermoine de Alva.”
Terwijl zij spreekt, springt zij, zich losrukkend uit Guy’s armen, op en fluistert: “Wat is dat? Luister! Mijn hemel, het is Alida!”
Want men hoort nu duidelijk een verwijderd gekerm. “Het is Alida! Die laffe vrouw heeft haar geslagen!” roept zij uit.
En snel als de wind, met vlammende oogen en een uitdrukking van wraak op haar gelaat, vliegt Hermoine de Alva de kamer uit, terwijl Guy haar volgt, doch haar nauwelijks kan bijhouden. Aan het eind van een gang duwt het meisje haastig een deur open en aan hun oogen vertoont zich een zonderling schouwspel.
Het is de kamer van de duena; in het midden staat de gravin De Pariza met opgeheven zweep en voor haar op den grond hurkt Alida, de Moorsche slavin. Doch de zweep daalt niet neer. Met den sprong van een jonge tijgerin rukt Hermoine haar uit de hand van de onthutste gravin.
“Hoe durft gij mijn kamer binnentreden?” schreeuwt deze.
“Hoe durft gij iemand slaan, die mij toebehoort?”
“Pardon, Dona de Alva,” zegt de gravin op snijdenden toon. “Het meisje is een geschenk van uw vader aan mij. Geef mij mijn zweep, opdat ik haar een bestraffing kan toedienen.”
“Nooit! Alida behoort mij toe, gij hebt haar aan mij overgedaan; zij is van mij, ik houd van haar en zij staat onder mijn bescherming, zij is mijn Alida. Wreed schepsel! Gij hebt uw zweep terugverlangd?Gij zult ze hebben!” En als een wrekende godin gaat zij op de sidderende duena af, die, hevig ontsteld, begint te gillen.
Maar Guy houdt den blanken opgeheven arm tegen.
“Ik doe het, als zij het waagt haar aan te raken!” zegt Hermoine op woesten toon tot Guy; en daarna vriendelijker tegen Alida: “Ga naar mijn kamer en blijf daar; daar zijt gij veilig,” en weer in den vorigen toon vervallend: “Laat zij het hart hebben u weer aan te raken en ik eerbiedig haar grijze haren zelfs niet!”
“Groote God, mijn pruik!” krijscht La Pariza en zij laten haar staan, heur dunne haren uitrukkend. De Gravin, zonder valsch haar en andere kunstmiddelen om de sporen van verval te verbergen, vertoont een leelijk, ja zelfs een terugstootend beeld, want op haar gelaat is, behalve de verwoesting van den tijd, nu ook nog een uitdrukking van duivelschen haat te lezen.
Terwijl Guy zijn meisje wegvoert fluistert hij: “Hebt gij opgemerkt, hoe zij u aanzag? Zij is nu levenslang uw vijandin.”
“Daar geef ik niets om!” lacht Dona de Alva fier. En zij vervolgt zacht: “Ik ben blij, dat gij mij belet hebt, tot haar laag peil af te dalen. Had ik haar aangeraakt, ik zou mij over mijzelve geschaamd hebben. Als ik de uwe ben door den zegen van deMoederkerk, gebruik dan als echtgenoot al uw lankmoedigheid om mijn vrouwelijke zwakheden te verdragen.”
Guy voelt zich door die woorden beschaamd, want hij is, als hij in twist geraakt met zijn gelijken, dikwijls wreed en bloeddorstig en te midden van zijn matrozen grijpt hij al heel spoedig naar het eindje touw, als de discipline van het schip zulks vereischt.
Hij aarzelt nu weer opnieuw om Hermoine te zeggen, dat hij een ander is, dan de Guido Amati, voor wien zij hem houdt en dien zij bemint. Maar aan den anderen kant zou hij haar voor niets ter wereld willen verliezen en hij wil zelfs het gevaar loopen, haar verwijten te moeten hooren en haar toorn op zich te laden, als zij maar de zijne wordt door den zegen van de kerk, voor de menschen en voor God.
Om dit mogelijk te maken, moet hij nog veel toebereidselen treffen. En afscheid van haar nemend, zegt hij: “Morgenavond precies om negen uur. Onthoud het, ik ben van plan een klein waterfeest voor u te arrangeeren. De maan is er dan nog niet, maar zij zal opgaan eer wij terugkomen. Wilt gij morgenavond een zeiltochtje met mij op het water maken, mijn lieveling?”
“Ja, en zelfs vanavond wel, als gij het mij hadt gevraagd,” lacht het meisje. Daarna zegt zij peinzend: “Was Papa maar hier, dan konden wij hem meenemen.”
“Ik—ik smeek den hemel van niet,” antwoordt haar beminde ontsteld.
“O, vrees niets, ik ben almachtig tegenover den hertog van Alva!”
Met een laatste kushand, snelt Dona Hermoine, vervuld van dit denkbeeld, naar huis terug.
Dit vertrouwen in haar macht over Philips’ onderkoning, brengt onverwachts een verandering in dien droom van jonge liefde.
Den volgenden dag reeds in den namiddag galoppeert de hertog van Alva met rinkelende sporen en overdekt met het stof van de reis, begeleid door dertig ruiters, voor Hermoine’s landhuis, om daar door zijn dochter met vreugde verwelkomd te worden.
Het meisje snelt hem verheugd te gemoet, uitroepend: “Ik dacht niet, dat gij zoo spoedig hier zoudt zijn; uw brief sprak eerst van over vier dagen, hertog van Alva!” En zij maakt een dienaresse voor hem, maar hij springt van zijn strijdros, terwijl zijn slangenoogen schitteren als hij de eenige vreugde van zijn ouderdom ziet, en zijn mooi kind aan zijn hart drukkend, fluistert hij: “Dus, mijn Hermoine, zijt gij teleurgesteld?”
“Teleurgesteld dat gij zijt gekomen? Integendeel—verrukt!”
“Gij moet weten,” merkt de Hertog op, nadat hij met haar het huis is binnengetreden, “dat ik, nadat ik u had geschreven, een koerier van Antwerpen ontving, die mij een tijding bracht van D’Avila, den commandant, waardoor het noodzakelijk werd, dat ik voor een paar dagen terugkeer naar de Citadel.”
Dit is de waarheid; want onder een lang rapport over militaire aangelegenheden, over versterkingen, wapenen en oorlogsammunitie en verschillende bijzonderheden aangaande de garnizoenen van Brabant enVlaanderen, heeft Sancho d’Avila bij wijze van postscriptum geschreven: “Wat ik nog zeggen wilde, het zal Uwe Hoogheid niet onverschillig zijn te vernemen, dat uw oude veteraan, de eerwaardige Roderigo, vier dagen geleden stierf.”
Juist dit oogenschijnlijk zoo onbeduidend postscriptum heeft den hertog van Alva zoo plotseling herwaarts gebracht van Nijmegen, waar hij bezig was te zorgen dat de belegeraars rondom Haarlem van ammunitie werden voorzien. Binnen een uur na de ontvangst bestelde Alva, met eenige half ingehouden verwenschingen, zijn paard en verliet de stad aan de Waal met zijn lijfgarde, van paarden verwisselend te ’s-Hertogen-bosch, Breda en Bergen-op-Zoom en zoo snel als hij kon langs de Schelde naar Antwerpen trekkend. Daar de weg langs Sandvliet liep en het hem slechts een omweg van vijf minuten kostte om haar te bezoeken, die hem het liefste op aarde is, heeft de Hertog dien omweg genomen, en hij houdt thans zijn dochter in zijn armen.
“Ik kan niet lang blijven,” merkt hij haastig op; “ik moet nog vanavond in Antwerpen zijn.”
“Morgen vroeg is veel beter. Uw kamer is altijd voor u in gereedheid. Zij wordt nooit door iemand anders gebruikt.” Bij deze woorden bloost het meisje eensklaps, want het schiet haar te binnen, dat Guido er, al is het slechts een kwartier, gebruik van heeft gemaakt. “Gij moet met mij soupeeren!”
“Onmogelijk, ik moet verder gaan.”
“Gij moogt niet, papa,gij moogt niet! Gij zijt zoo lang onder mijn contrôle weg geweest, dat gij weerspannig en ongedisciplineerd zijt geworden.”
Dit is de manier om haar zin bij Alva door te drijven, een manier, die hij niemand anders zou veroorloven, man noch vrouw. Terwijl zij tot hem spreekt, neemt zij ondanks zijn tegenwerpingen den helm van zijn hoofd, streelt zijn grijze haren en trekt aan de twee punten van zijn langen zilveren baard, uitroepend: “Nu zijt gij mijn gevangene! Tien kussen als losgeld!”
“Santos y demonios! gij zijt de ergste rebel in de Nederlanden,” lacht de Hertog.
“Ja, de meest uittartende en de eenige die u zal bedwingen.”
Dat bevalt den hertog van Alva, die voor zijn doen uitstekend geluimd is, en hij zegt: “Gij hebt gelijk; ik heb Haarlem nu zoo goed als zeker in mijn macht. De Bossu heeft Marinus Brandt op het meer verslagen, de stad is geheel afgesneden—zij moet de mijne worden. En als ik dan met deze rebellen heb afgerekend en dit land, geheel van oproerlingen gezuiverd, aan mijn heer, koning Philips, heb overgegeven, verlaten wij voor altijd dit mistige land en gaan terug naar het Zuiden met zijn granaatappelen, druiven en olijven, en zullen wij vergeten, dat er ooit oorlog was.”
“Ja,” roept het meisje uit, “en wij nemen hem met ons.”
“Hem? Wien?”
“Mijn toekomstigen echtgenoot.”
“Uw toekomstigen echtgenoot! Van wien spreekt gij, kind?” vraagt Alva, ten hoogste verbaasd. “Nooit zag ik een vrouw, die zoo ontoegankelijk was voor aardsche liefde!” Dan lacht hij: “Dat iseen zeldzame ommekeer. Den laatsten keer waart gij een en al ernst. Gij hieldt een gebedenboek in uw hand en spraakt er van, de bruid der Moederkerk te worden.”
“Maar dat is alles voorbij.”
“Daar ben ik blij om, ofschoon ik het u niet zou geweigerd hebben. Mijn Hermoine zou al een heel curieuse non geweest zijn.”
“Ja, zij zal een betere bruid zijn,” lacht het meisje, tot haar onderwerp terugkeerend. “Maar ik vertel er u niets van, tenzij gij met mij dineert, en dan nog pas na het diner. Zie! Uw geleide is afgestegen. Zij hebben een langen rit achter den rug. Zij gaan ook eten en drinken. Wil mijn vader jegens zichzelf niet even barmhartig zijn als jegens zijn soldaten? Bovendien ziet gij er afgemat en ziek uit!”
“Volstrekt niet. Ik ben alleen maar vervuld van de tijding, die mij herwaarts riep, maar hoe dringend mijn komst ook is, ik zal haar uitstellen tot morgen.”
“Blijf dan dineeren. Ik heb mijn bevelen al gegeven, toen ik u zag aankomen.” Dit zeggende, worden de gordijnen weggetrokken en begeeft de Hertog, den arm zijner dochter nemend, zich naar de eetzaal. Hier ziet Hermoine voor den eersten keer sinds den vorigen avond, de gravin De Pariza, en als zij haar blik opvangt, weet zij, dat deze, ondanks haar eed, op de een of andere wijze alles wat er gebeurd is aan den Hertog zal overbrengen.
Doch tot Hermoine’s groote vreugde verlangt Don Fernando Alvarez de Toledo, hertog van Alva enhertog van Huesca, gedreven door nieuwsgierigheid, een tête-à-tête met zijn aanminnig kind en zegt, tot verbazing en bittere teleurstelling van haar duena, kortaf: “Gravin, ik verheug mij, dat ik u, zooals gewoonlijk, gezond zie. Mijn dochter en ik hebben het een en ander te bespreken en wenschen alleen te zijn. Goedenmiddag, Dona De Pariza, ik kus u de hand,” en hij doet haar al buigend uitgeleide naar de deur met deftige Spaansche etiquette. “Nu uw verhaal, Hermoine. Is het een aardigheid, wat gij daareven zeidet van een minnaar, kind?”
“Geen aardigheid.”
“Vertel het mij dan.”
“Na den eten, papa; niet voordat de wijn uw hart een weinig zachter heeft gestemd. Het is verhard in Holland.”
“Niet te uwen opzichte,” zegt de Hertog. “Vertel het mij, mijn schat.”
“Niet voordat gij mij op uw doorluchtige knie laat zitten.”
Dit zeggende is zij reeds op zijn knie en vertelt hem onder liefkoozingen en vleierijen en kussen van haar beminde.
Waarop hij zijn oogen van verbazing wijd opent en zegt: “Uw Guido Amati? Ik meende, dat hij als gesneuveld was vermeld na het gevecht op het ijs.”
“Neen, hij is hersteld van zijn wonden. O, het zou niet zoo gemakkelijk gaan, hem te dooden! Herinner u maar zijn tocht over de verdronken landen. Gij zijt vandaag die plaats voorbijgekomen,” zij wijst de richting aan met haar hand.
“Ja, ik herinner het mij. Dat was een stout stuk, een Cid waardig,” zegt Alva, die boven alles strateeg is.
“Ah! geef mij dan aan den Cid. De Cid zou zeker de dochter van Alva waardig zijn. Als Guido de gelijke is van den Cid, is hij ook mijner waardig!” En met smeeken en vleien perst Hermoine den man, van wien zij denkt, dat hij haar niets kan weigeren, de belofte af, haar hand te zullen schenken aan kolonel Guido Amati de Medina.
“Nu moet gij vooral niet heengaan,” smeekt zij. “Hij komt vanavond hier. Gij moet hem zien. Gij moet hem even gelukkig maken als mij. Vader, ik heb u nog nooit zoo liefgehad als nu.”
“Oho!—Als ik het had geweigerd, dan zoudt gij mij dus waarschijnlijk gehaat hebben.”
“Daartoe zou ik nooit kunnen komen, maar gij weigert mij ook niets. En daar gij nooit ‘neen’ tegen mij zegt, moet gij hier blijven en hem zien. Geef hem uw zegen; vader, beloof mij, als gij mij liefhebt, dat gij Guido Amati, als mijn aanstaanden echtgenoot, uw zegen zult geven.”
“Als ik het dan moet doen, en gij zegt, dat ik het moet,” mompelt de Hertog, terwijl zijn lippen beven en zijn oogleden trillen, “moet ik eerst even naar Lillo rijden, om vandaar een boodschap naar Sancho d’Avila te zenden.”
“Gij komt dus terug? Hij zal hier om negen uur zijn. Gij zult terugkomen—beloof het, zweer het!”
“Ik beloof het bij dezen kus!”
“Neem er dan twee, voor meerdere zekerheid,” juicht Hermoine met van geluk stralende oogen.
Als zijn escorte een oogenblik later gereedstaat, bestijgt de Hertog zijn ros en draaft weg van de villa zijner dochter, die hem kushanden nazendt en hem nastaart met oogen vol tranen van geluk, terwijl zij mompelt: “Mijn vader en mijn aanstaande echtgenoot bij elkaar! Wat zal dat een heerlijke avond worden!”
Alva rijdt naar Lillo en draagt Mondragon, den commandant, op, terstond een brief te verzenden naar Sancho d’Avila, commandant van de Citadel van Antwerpen. En daarna ondervraagt Don Fernando met een begrijpelijke nieuwsgierigheid Mondragon, die een zijner gunstelingen is, omtrent zijn aanstaanden schoonzoon: “Mondragon, kent gij een zekeren Guido Amati, kolonel in Romero’s legioen?”
“Zeker, Uwe Excellentie, hij stond onder mij, eer hij naar Holland ging.”
“Zoo! Vertel mij eens alles wat gij van hem weet.”
“Ik kan u weinig goeds van hem vertellen, behalve, dat hij de dapperste onder de dapperen was en zulk een behendig schermer als er ooit een een Toledosche kling hanteerde; doch iemand die zóó bandeloos was, zulk een lichtmis en zóó aan het spel verslaafd, heb ik nog nooit ontmoet, en ik ben een oud soldaat.”
“Bandeloos, een lichtmis en een speler,” herhaalt Zijne Hoogheid langzaam, terwijl zijn gelaat nog valer wordt dan gewoonlijk. “Zijt gij zeker van hetgeen gij daar zegt, Mondragon?”
“Welzeker, ik heb hem goed gekend. Maar wat maakt het uit? Guido Amati is dood.”
“Onmogelijk; ofschoon het mij ook verteld is.”
“Het staat vermeld op de monsterrollen van Romero’s afdeeling.”
“Is dat werkelijk zoo?”
“Ja, inderdaad.”
“Dus als hij leefde, zou zijn naam zeker voorkomen op de lijst van zijn regiment?”
“Even zeker, als dat er een betaalmeester in het leger is. Guido Amati is er de man niet naar, om zijn soldij te laten staan; maar hij is stellig dood. Ik geloof zelfs, dat er hier in het garnizoen mannen zijn, die hem zagen vallen.”
“Ah! in het gevecht op het ijs?”
“Ja. De jonge De Busaco, een luitenant met verlof, en de sergeant Gomez.”
“Laat hen terstond hier komen,” zegt Alva, verbaasd en geschokt door die onbegrijpelijke mededeelingen.
En De Busaco, het vertrek binnentredend, salueert.
“Luitenant De Busaco, nietwaar?” zegt Don Fernando.
“Ja, Uwe Hoogheid, pas bevorderd.”
“Waart gij bij het gevecht op het ijs?”
“Ja, Uwe Hoogheid.”
“Wie voerde daar het bevel?”
“Kolonel Guido Amati.”
“Werd hij gedood?”
“Ik denk het wel, Uwe Hoogheid; ik zag hem vallen.”
“Dat is zeer vreemd, terwijl mijn dochter zegt, dat hij leeft!” mompelt de Onderkoning, hoe langer hoe meer verbaasd. Mondragon en De Busaco zettengroote oogen op en de laatste weet, dat de catastrophe, waarvoor hij reeds lang heeft gevreesd, nu is gekomen.
“Gij zaagt hem vallen?” vraagt Don Fernando nog eens, alsof hij zijn ooren niet kan gelooven.
“Ja, Uwe Hoogheid.”
“En gij denkt, dat hij dood is?”
“Ja, Uwe Hoogheid, de Hollanders maakten al onze gewonden af.”
“Zooals zij altijd doen,” antwoordt Alva. “Ik vrees, dat ik hun dat kunstje heb geleerd. Zij zijn goed van aannemen. Is Gomez ook al hier?”
“Ja, Uwe Hoogheid,”
En de vrijpostige sergeant komt binnen, salueert den hertog van Alva en geeft hem de volgende inlichtingen:
“Ja, ik zag Guido Amati vallen. Ik trachtte hem nog te redden, maar ik gleed uit op het ijs, ontsnapte echter met Gods hulp.”
“Gij weet dus, dat hij dood is.”
“Ja,—tien heiligen zouden hem niet hebben kunnen redden.”
“Spreek met wat meer eerbied van de kerk! Hoe weet gij dat?”
“Omdat ik zag, dat drie pieken door zijn lichaam werden gestoken.”
“Dat is voldoende,” mompelt Alva, die hoe langer hoe minder van de zaak begrijpt. “Gij kunt gaan, Gomez.”
“En drie pieken door het lichaam zouden zelfs voldoende zijn, om iemand, die zoo taai is als Guido Amati, te dooden,” merkt Mondragon op; doch alsde sergeant is heengegaan, vraagt de commandant plotseling: “Wat scheelt er aan, Uwe Hoogheid? Hebt gij slechte berichten van Haarlem ontvangen?”
“O, neen, zeer goede. Zij eten daar nu reeds het gras uit de straten. Wij hebben Oranje op het meer verslagen en zijn er nu meester van. Het is niet over Haarlem.” En plotseling beveelt hij: “Laat mijn escorte terstond voorkomen. Kan Gomez paard rijden?”
“Ja, Uwe Excellentie.”
“Laat hij mij dan vergezellen.”
En gevolgd door dertig man, gewapend met lansen en haakbussen, rijdt de hertog van Alva terug naar het landhuis van zijn dochter. Onderweg roept hij den vrijpostigen Gomez aan zijn zijde en vraagt hem: “Hoe zag die Guido Amati er uit?”
“Groot, welgebouwd, met kort, donker, krullend haar, zwarte, onverschrokken oogen en een huid zoo bruin als van een bleeken Morisco.”
“Hij had natuurlijk de manieren van een edelman,” vervolgt de Onderkoning.
“Voor zoover een krijgsman als ik er over kan oordeelen, ja, Uwe Hoogheid, en den beschaafden tongval. Men zei, dat hij even zuiver Castiliaansch sprak als een priester.”
“Het is goed, ik weet genoeg, sergeant,” zegt de Onderkoning. En zij zijn weldra het landhuis genaderd.
Daar hij echter een geslepen oude staatsman is, laat de hertog van Alva niets merken van de zonderlinge ontdekking, die hij in het fort te Lillo heeft gedaan, doch zegt slechts, de vertrekken van Hermoinebinnentredend: “Mijn dochter, wij zijn teruggekomen, zooals wij beloofd hebben, om dien edelman te zien, dien gij bemint, Guido Amati; deze man schijnt een verwonderlijk sterk gestel te hebben.”
“Hoezoo?” vraagt het meisje.
“Hij werd doodelijk gewond in het gevecht op het ijs.”
“Zeker, dat is zoo! Ik heb immers zelf zijn wonden gezien! Zij zijn vreeselijk!” Dit laatste huiverend.
“Geziende wonden, die de pieken dwars door zijn lichaam hebben gemaakt?”
“Neen, maar hij had een houw over het hoofd, die iedereen van het leven zou hebben beroofd,behalveeen Paladijn.”
“Hm! men zegt, dat uw Paladijn een los heer is.”
“Dat is laster! Deze of gene mededinger strooit dat praatje telkens weer uit. Ja, zelfs Bodé Volckers,” vervolgt Hermoine, “die leugenachtige koopman, vertelde mij, dat hij dronken was, en twee minuten later komt Guido, even nuchter als gij zijt, naar mij toe, en met een veel vroolijker gezicht dan gij op het oogenblik zet; uw oud, lief gezicht staat zoo donker als de nacht.” En het meisje kust hem.
“Vertel mij, hoe gij hem het eerst ontmoet hebt.”
Aldus aangemoedigd, gaat Dona Hermoine, die zooals alle verliefden haar beminde gaarne verheerlijkt, zitten en biecht haar vader alles op; nu en dan doet deze haar een paar vragen, die zij heel dwaas, maar die hij heel belangrijk vindt.
“Gij zegt, dat gij hem het eerst hebt ontmoet op den dag van den springvloed in 1572?”
“Ja, papa; dat was, zooals ik u vertelde, de avond, dat hij mij redde uit de handen der Geuzen.”
“A—ah—ah. De krijgsman, dien gij lief hebt, heeft donker haar en donkere oogen, nietwaar?”
“Neen, helderblauwe oogen en zijn haar is voor een Spanjaard heel blond.—Heb ik u dat dan al niet gezegd, dom vadertje?”
“O ja; ik bedoel helderblauwe oogen, ik was het vergeten. Licht kastanjebruin haar, zegt gij, en vrije en losse manieren. Is zijn gang niet die van een zeeman?”
“Die van een ruiter.”
“O ja; zij hebben beiden een zwaaienden gang. De dag, dat gij hem hebt ontmoet, was dezelfde, waarop ik zoo haastig van Brussel terugkwam?”
“Ja, gij kwaamt heel onverwachts. Het was de dag van het drinkgelag van Floris den schilder, waarbij hij een van zijn tegenstanders dooddronk.”
“Ja, dat herinner ik mij,” zegt Zijne Hoogheid langzaam. “De dag, dat De Guerra mij een onthulling wilde doen, maar stierf. Deze edelman, dien gij zegt, dat gij bemint,” de hertog van Alva doet moeite, om den ongedwongen toon vol te houden, “spreekt het patois van Hispaniola?”
“Ja, het is alles behalve keurig Spaansch, maar het klinkt mij toch als muziek in de ooren.”
“Hm! als hij komt, kunt gij hem bij mij brengen.” En als hij het vertrek heeft verlaten, geeft Alva eenige bevelen aan den luitenant, die het bevel voert over zijn escorte.
Vervolgens keert hij naar de eetzaal terug en laat zich, daar het reeds bijna acht uur is, het avondeten voordienen.
En om hem gezelschap te houden, komt zijn dochter binnen, stralend van vergenoegdheid. Zij, die er vroeger als een lelie uitzag, bloost nu als een roos.
Op het gelaat van den hertog van Alva ligt een vreemde uitdrukking, en als hij drinkt, is het, alsof hij een prop in zijn keel heeft, die hem dreigt te doen stikken, ofschoon hij vanavond de matigheid zelve is, zooals zijn dochter beweert, terwijl zij haar papa met liefderijke handen van alles bedient.
“Gij—gij zijt er toch niet bedroefd over, dat gij mij moet missen?” fluistert zij, terwijl haar gelaat betrekt.
“Neen, dat—dat is het niet.” Zijn gelaat heeft een uitdrukking, die Hermoine niet begrijpt.
“Maar à propos,” zegt zij, “aangebeden papa, nog een belofte.”
“Welke?”
“Neem den prijs weg van het hoofd van dien Engelschman. Zooals gij u zult herinneren, redde hij het leven van mijn Guido.”
“Misschien morgen, dan zal het wel niet meer noodig zijn,” mompelt Zijne Hoogheid, ofschoon hij vermijdt, het meisje aan te zien, en de oogen op zijn beker gericht houdt.
“Dank u, lieve, beste papa,” antwoordt zijn dochter. Dan zegt zij plotseling: “Maar nu moet ik gaan.”
“Waarom?”
“Om toilet te maken voor mijn aanstaanden echtgenoot.”
“Hm!”
“Ik zal mij kleeden als een bruid.”
“Gij hebt dien man dus wel zeer lief, mijn Hermoine?” En er klinkt weemoed in zijn stem.
“Met mijn gansche hart,” antwoordt zij; en plotseling roept zij uit: “Misschien heb ik vanavond nog een andere verrassing voor u, als gij het tenminste toestaat, maar gij staat mij alles toe, nietwaar, papaatje!—gij lieve oude papa, die uw dochter vanavond innig gelukkig wilt maken.”
En zij kust hem teeder op het voorhoofd en snelt dan heen, haar vader alleen latende, in gespannen verwachting, of zijn vermoedens al dan niet juist zullen blijken te zijn.
Maar met dat al staan er tranen in zijn oogen, in die oogen, die ze nooit hebben vergoten, en een paar maal neemt zijn gelaat een pijnlijke uitdrukking aan, als hij de stem van zijn dochter hoort, die in het aangrenzend vertrek haar bevelen geeft voor haar toilet en voor de ontvangst van den man, dien zij bemint. Doch in het volgende oogenblik schieten er stralen uit zijn slangenoogen en zijn lange handen ballen zich krampachtig, alsof zij een lang gezochten, moeilijk te vatten vijand grepen, in wiens doodsstrijd hij zich reeds verlustigt, en hij mompelt: “Als hij het is, die mijn goud stal voor die Jezebel Elizabeth; als hij het is, op wiens raad de Geuzen uit Engeland verdreven werden met: ‘Geen proviand, geen water, maar slechts kogels en kruit,’ om rebellie in dit land te stoken, dan zou ik hem zelfs nog liever in mijn macht willen hebben dan Willem den Zwijger.”